diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 36194-0.txt | 14204 | ||||
| -rw-r--r-- | 36194-0.zip | bin | 0 -> 221687 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 36194-h.zip | bin | 0 -> 368055 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 36194-h/36194-h.htm | 12748 | ||||
| -rw-r--r-- | 36194-h/images/back.jpg | bin | 0 -> 27137 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 36194-h/images/cover.jpg | bin | 0 -> 61450 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 36194-h/images/spine.jpg | bin | 0 -> 16953 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 36194-h/images/titlepage.png | bin | 0 -> 19359 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 | ||||
| -rw-r--r-- | old/36194-8.txt | 14204 | ||||
| -rw-r--r-- | old/36194-8.zip | bin | 0 -> 221573 bytes |
13 files changed, 41172 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/36194-0.txt b/36194-0.txt new file mode 100644 index 0000000..b0492b9 --- /dev/null +++ b/36194-0.txt @@ -0,0 +1,14204 @@ +Project Gutenberg's De Wonderen van den Antichrist, by Selma Lagerlöf + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De Wonderen van den Antichrist + +Author: Selma Lagerlöf + +Translator: Betsy Nort + +Release Date: May 22, 2011 [EBook #36194] + +Language: Dutch + +Character set encoding: UTF-8 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE WONDEREN VAN DEN ANTICHRIST *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + DE WONDEREN VAN DEN ANTICHRIST + + Naar het Zweedsch + van + SELMA LAGERLÖF + + Schrijfster van "Gösta Berling", "Ingrid", "De Koninginnen van + Kungahälla", "Jeruzalem", "Onzichtbare ketenen", enz. + + Door + Betsy Nort + + Met toestemming van de schrijfster + + + Als de Antichrist komt, zal hij + volkomen op Christus gelijken. + + Daar zal groote nood heerschen + en de Antichrist zal van land tot + land gaan en den armen brood geven. + + En hij zal vele aanhangers verkrijgen. + + Siciliaansche Volkssage. + + + Tweede Druk + + Amsterdam + H. J. W. Becht + 1904 + + + + + + +INLEIDING + + + Als de Antichrist komt, zal hij + volkomen op Christus gelijken. + + +I. + +HET VISIOEN VAN DEN KEIZER. + + +In den tijd, toen Augustus keizer in Rome was, en Herodes als koning +over Jeruzalem heerschte, geschiedde het eenmaal dat een zeer stille +en heilige nacht op de aarde neerdaalde. Het was de donkerste nacht, +welken iemand ooit aanschouwd had; men zou geloofd kunnen hebben, +dat de gansche aarde onder een keldergewelf geraakt was. + +'t Was onmogelijk water van land te onderscheiden, en men verdwaalde +op den meest bekenden weg. En dat kon niets anders zijn, want van +den hemel kwam geen enkele lichtstraal. + +Alle sterren waren thuis gebleven en de lieflijke maan hield haar +aangezicht afgewend. + +En even diep als de duisternis, was de stilte en de rust. De rivieren +hadden haar loop gestaakt, de wind verroerde zich niet, en zelfs het +espeblad had opgehouden te trillen. En waart ge langs de zee gegaan, +dan hadt ge gezien, dat de golven niet meer tegen het strand sloegen, +en waart ge in de woestijn gegaan, dan hadde het zand niet onder uwe +voeten geknarst. + +Alles was versteend en roerloos om den heiligen nacht niet te +verstoren. 't Gras mocht niet groeien, de dauw niet vallen, en de +bloemen waagden het niet haar geuren uit te ademen. + +Gedurende dezen nacht jaagde geen roofdier, noch beten de slangen of +blaften de honden. En wat nog heerlijker was, geen enkel der levenlooze +dingen zou de heiligheid van den nacht hebben willen verstoren door +zich te leenen tot een slechte daad. Geen breekijzer hadde een slot +kunnen openen en geen mes ware in staat geweest bloed te vergieten. + +In dezen nacht verliet een kleine schaar menschen 's keizers woning op +den Palatijnschen heuvel te Rome, en sloeg den weg in over het Forum +naar het Kapitool. Den vorigen dag hadden namelijk de raadsheeren +den keizer gevraagd of hij er iets tegen had, dat zij hem een tempel +oprichtten op Rome's heiligen berg. Maar Augustus had niet dadelijk +zijn bijval aan dit plan geschonken. Hij wist niet of het den goden +welgevallig was, dat hij een tempel naast den hunne zou bezitten en +hij had geantwoord dat hij eerst door een nachtelijk offer aan zijn +genius hun wil in deze zaak wilde uitvorschen. + +En hij was het, die nu, gevolgd door eenige getrouwen, dit offer +ging brengen. + +Augustus liet zich in zijn draagstoel voeren, want hij was oud en het +beklimmen der hooge trappen van het Kapitool viel hem moeilijk. Zelf +droeg hij de kooi met de duiven, die hij wilde offeren. Geen +priesters, soldaten of raadsheeren vergezelden hem; slechts zijn +naaste vrienden. Fakkeldragers liepen voor hem uit, als om een weg +te banen in de duisternis van den nacht, en achter hem kwamen slaven, +die het drievoetige altaar, de kolen, messen, het heilige vuur en al +het andere droegen, dat voor het offeren noodig was. + +Onderweg sprak de keizer vroolijk met zijn getrouwen, daardoor merkte +geen van hen de oneindige stilte en rust van den nacht. Eerst toen +zij op de kruin van den berg de plaats bereikt hadden, die bestemd +was voor den nieuwen tempel, werd hun geopenbaard, dat iets ongewoons +plaats greep. + +Dit kon geen nacht, zooals alle andere zijn, want daar boven op de +rotskruin zagen ze de wonderbaarlijkste gestalte. Ze dachten eerst, +dat het een oude vergroeide olijfboom was, later geloofden zij, +dat een oeroud steenen beeld uit den tempel van Jupiter op de rots +verdwaald was. Ten slotte meenden ze, dat het niemand anders kon zijn +dan de oude sibylle. + +Iets zoo ouds, zoo verweerds, zoo reusachtigs hadden ze nog nooit +gezien. Indien de keizer er niet geweest was, zouden ze allen naar +huis gevlucht zijn. + +"Dat is zij," fluisterden ze, "die zoo vele jaren telt als er +zandkorrels gevonden worden op de kusten van haar vaderland. Waarom +is zij juist vannacht uit haar hol gekomen? Wat voorspelt zij den +keizer en het rijk, zij, die haar profetieën op de blaren der boomen +schrijft en weet, dat de wind het orakelwoord tot dengene voert, +die het noodig heeft?" + +Ze waren zoo ontsteld, dat zij zich allen op de knieën geworpen zouden +hebben met het voorhoofd tegen den grond, indien de sibylle slechts één +beweging gemaakt had. Maar ze zat zoo onbeweeglijk alsof ze levenloos +was. Ze zat neergehurkt op den uitersten rand van de rotshelling, +en beschutte haar oogen met de hand, terwijl zij in den duisteren +nacht tuurde. + +Ze zat daar, alsof ze den berg beklommen had om beter iets te zien +dat ergens ver weg geschiedde. + +Zij kon dus iets zien, zij! In zulk een nacht! + +Op hetzelfde oogenblik bemerkten de keizer en allen van zijn gevolg +hoe diep de duisternis was. Geen van hen kon een handbreed voor zich +uitzien. En welk een stilte! welk een rust! + +Zelfs niet het doffe murmelen van den Tiber konden zij hooren. + +Maar 't was alsof de lucht hen wilde verstikken, het koude zweet +parelde hun op het voorhoofd en hun handen waren verstijfd en +machteloos. Zij dachten dat er iets ontzettends moest gebeuren. + +Geen van hen wilde echter toonen, dat hij bang was, maar ze zeiden +tegen den keizer, dat het een goed voorteeken was: de heele natuur +hield den adem in om een nieuwen god te begroeten. + +Ze spoorden den keizer aan zich te haasten met het offeren en zeiden, +dat de oude sibylle waarschijnlijk uit haar hol was gestegen om zijn +genius te begroeten. + +Maar de waarheid was, dat de oude sybille geboeid was door een +visioen. Zij wist niet eens, dat Augustus op het Kapitool gekomen +was. In den geest vertoefde zij in een ver land, en daar meende +zij over een groote vlakte te schrijden. In de duisternis stiet ze +onophoudelijk met den voet tegen iets, dat ze dacht, dat aardheuveltjes +waren. + +Zij boog zich voorover en voelde met de hand. Neen, het waren geen +aardheuveltjes maar schapen. Ze schreed tusschen groote, slapende +kudden. Nu bemerkte zij het vuur der herders. Dat brandde midden op +het veld, zij trachtte het te naderen. De herders sliepen bij het +vuur en naast hen lagen de lange, spitse herdersstaven, waarmee ze +de kudden tegen de wilde dieren plachten te beschermen. + +Maar die kleine dieren met hun glinsterende oogen en groote staarten, +die naar het vuur slopen, waren dat geen jakhalzen? + +En toch wierpen de herders hun staf niet naar hen, de honden bleven +doorslapen, de kudde vluchtte niet weg en de wilde dieren vlijden +zich naast de menschen neder. + +Dat zag de sibylle, maar zij wist niets van hetgeen achter haar op den +berg plaats greep. Ze wist niet, dat men daar een altaar oprichtte, +kolen deed gloeien, wierook verspreidde, en dat de keizer één der +beide duiven uit de kooi nam om haar te offeren. + +Maar zijn handen waren zoo krachteloos, dat hij den vogel niet kon +vasthouden. Met een enkelen slag van den vleugel bevrijdde de duif +zich en verdween in de duisternis van den nacht. + +Toen dit geschiedde, blikten de hovelingen achterdochtig naar de oude +sibylle. Ze geloofden dat zij het was, die het ongeluk veroorzaakte. + +Konden zij weten, dat de sibylle nog steeds bij het herdersvuur +dacht te staan, terwijl zij luisterde naar een zwak geluid, dat in +den doodstillen nacht begon te trillen? + +Zij luisterde lang daarna, vóórdat zij bemerkte, dat het niet van de +aarde, maar uit de wolken kwam. Eindelijk hief zij het hoofd op en +toen zag zij lichte stralende gestalten in de duisternis voortglijden. + +Het waren kleine engelenscharen, die lieflijk zingend en als zoekende, +heen en weer vlogen over de groote vlakte. En terwijl de sibylle naar +den engelenzang luisterde, maakte de keizer zich gereed tot een nieuw +offer. Hij waschte zijn handen, reinigde het altaar en liet zich de +tweede duif aanreiken, maar ofschoon hij nu zijn uiterste krachten +inspande om deze vast te houden, gleed het slanke lichaam der duif +uit zijn hand, en de vogel verdween in den ondoordringbaren nacht. + +De keizer werd bevreesd. Hij viel op de knieën voor het leege altaar +en bad tot zijn genius. Hij smeekte zijn beschermgeest hem de kracht +te verleenen om de ongelukken af te wenden, die deze nacht scheen +te voorspellen. + +Ook daarvan had de sibylle niets gemerkt. Ze luisterde met heel haar +ziel naar den engelenzang die al sterker en sterker werd. Op het +laatst was deze zoo luid, dat de herders ontwaakten. Ze leunden op +hun ellebogen en zagen lichte scharen zilverwitte engelen in lange +fladderende lijnen, trekvogels gelijk, in de duisternis voortzweven. + +Sommigen hadden luiten en violen in de hand, anderen speelden op +citers en harpen, en hun gezang klonk zoo blijde als kindergelach +en zoo jubelend als het lied van den leeuwerik. Toen de herders dit +hoorden, togen ze opwaarts om naar de bergstad te gaan, waar ze thuis +behoorden, om het wonder te verhalen. + +Zij gingen langs een smal, slingerend paadje en de oude sibylle +volgde hen. Opeens werd het helder licht boven den berg. Een groote, +stralende ster schitterde juist daarboven, en de stad op den bergtop +blonk als zilver in het licht der ster. + +Alle zwevende engelenscharen spoedden zich jubelend daarheen en de +herders verhaastten hun schreden, zoo dat zij bijna sprongen. Toen +ze de stad bereikt hadden, zagen ze, dat de engelen zich boven een +lagen stal in de nabijheid van de stadspoort verzameld hadden. Het +was een ellendig huis met een dak van stroo en de naakte rots tot muur. + +Daarboven straalde de ster en daar verzamelden zich al meer en meer +engelen. Sommigen lieten zich neder op het stroodak of streken neer op +de steile berghelling achter het huis, anderen bleven met fladderende +vleugels daarboven zweven. + +Hoog, hoog was de lucht licht van flikkerende vleugels. + +Op hetzelfde oogenblik, dat de ster boven de bergstad ontstoken werd, +ontwaakte de gansche natuur, de mannen die op de hoogte van het +Kapitool stonden, moesten dat wel merken. Ze voelden hoe frissche, +streelende winden het luchtruim doorzweefden, heerlijke geuren stegen +op uit de aarde, de boomen ruischten, de Tiber begon te murmelen, +de sterren straalden en de maan stond opeens hoog aan den hemel +en verlichtte de wereld. En uit de wolken kwamen de twee duiven +aangevlogen en namen plaats op den schouder van den keizer. + +Toen dit wonder geschiedde, richtte keizer Augustus zich op in trotsche +vreugde, maar zijn vrienden en slaven wierpen zich op hun knieën. "Ave +Cesar," riepen zij. "Uw genius heeft u geantwoord. Gij zijt de god, +die op de hoogte van het Kapitool moet worden aangebeden." + +En de hulde, die de geestdriftige mannen den keizer toejubelden, +was zoo luidruchtig, dat de oude sibylle het hoorde. Dit deed haar +uit haar visioenen ontwaken. Ze verliet haar plaats op de rotshelling +en begaf zich tusschen de menschen. 't Was alsof een donkere wolk uit +den afgrond opsteeg en neerstortte op de hoogte. Zij was vreeselijk +om aan te zien in haar ouderdom. Ruig haar hing in dunne vlokken +rondom haar hoofd, de gewrichten der ledematen waren gezwollen en de +donkere huid omkleedde het lichaam, hard als boomschors, met rimpel +naast rimpel. Maar geweldig en waardig schreed ze den keizer tegemoet. + +Met de eene hand greep zij hem bij de pols, met de andere wees ze +naar het verre Oosten. + +"Zie," beval zij hem, en de keizer hief zijn blik op naar den hemel en +zag. Het luchtruim opende zich voor zijn blikken en deze drongen door +tot het verre Oosterland. En hij zag een armoedigen stal onder een +steilen rotswand en in de geopende deur eenige knielende herders. In +den stal zag hij een jonge moeder gekield liggen voor een klein kind, +dat op een stroobos op den grond lag. + +En de groote, knokige vingers der sibylle wezen naar dat arme kind. + +"Ave Cesar," zei de sibylle, terwijl zij hoonend lachte. "Daar is de +god, die op de hoogte van het Kapitool zal worden aangebeden." + +Toen deinsde Augustus terug als voor een waanzinnige. Maar de machtige +geest der profetie werd vaardig over haar, de oogen begonnen te +branden, haar handen wezen hemelwaarts, haar stem veranderde, zoo dat +die niet meer de hare scheen te zijn, maar zulk een klank en kracht +bezat, dat die over de gansche wereld gehoord kon worden. En zij sprak +woorden, die ze in den hemel tusschen de sterren, scheen te lezen: + +"Op de hoogte van het Kapitool zal de wereldverlosser worden +aangebeden, Christus of Antichrist, maar geen sterflijke menschen." + +Toen ze dit gezegd had, schreed ze tusschen de door schrik bevangen +mannen, daalde langzaam van den berg en verdween. + +Maar Augustus liet den volgenden dag het volk streng verbieden hem +een tempel op het Kapitool op te richten. + +In plaats daarvan liet hij een kapel voor het pasgeboren Godskind +bouwen en noemde dat het altaar des hemels, Aracoeli. + + + + + + +II. + +ROME'S HEILIG KIND. + + +Op den heuvel van het Kapitool verhief zich een klooster dat bewoond +werd door Franciscaner monniken. Maar men kon het nauwelijks als +een klooster beschouwen, veeleer als een vesting. Het was gelijk een +wachttoren aan de zeekust, waar men naar een naderenden vijand tuurt +en staart. + +Naast het klooster stond de prachtige basiliek Santa Maria in +Aracoeli. De basiliek was gebouwd als herinnering aan het bezoek der +sibylle, die keizer Augustus hier Christus had doen aanschouwen. + +Maar het klooster was opgericht, omdat men vreesde voor de vervulling +van de profetie der sibylle, dat de Antichrist op het Kapitool zou +worden aangebeden. + +En de monniken voelden zich als krijgers. Als ze naar de kerk gingen +om te zingen en te bidden, meenden zij op vestingwallen te loopen en +wolken van pijlen neer te zenden op den aanstormenden Antichrist. + +Ze leefden altijd denkende aan den Antichrist, en hun gansche +godsdienst was één strijd om hem ver van het Kapitool te houden. + +Ze trokken hun hoeden diep in het gelaat, om hun oogen te beschutten, +en tuurden in de wereld. + +Hun blikken werden koortsachtig van het staren, en voortdurend meenden +ze den Antichrist te ontdekken. + +"Hij is hier, hij is daar," riepen ze. En ze fladderden in hun bruine +pijen rond en maakten zich gereed tot den strijd, gelijk kraaien, die +op een rotspunt verzameld zijn en een adelaar in het gezicht krijgen. + +Maar sommigen zeiden: Wat baten gebeden en boetedoeningen? De sibylle +heeft het gezegd. De Antichrist moet komen. + +Toen zeiden anderen: God kan een wonder verrichten. Indien het kampen +niet baatte, zou Hij ons niet hebben laten waarschuwen door de sibylle. + +Jaar na jaar verdedigden de Franciscanen het Kapitool door +boetedoening, werken van barmhartigheid en de verkondiging van +Gods woord. + +Zij beschermden het eeuw na eeuw, maar naarmate de tijden verstreken, +werden de menschen krachteloozer en zwakker. + +De monniken zeiden: + +"Spoedig kan het rijk van dezen tijd niet langer bestaan. Er moet +een wereldherschepper komen zooals ten tijde van Augustus." + +Ze rukten hun haren uit en geeselden zich, want ze wisten, dat de +wereldverlosser de Antichrist moest zijn, en dat het een rijk van +geweld en kracht zou worden. + +Gelijk zieken door hun kwalen gepijnigd worden, zoo werden zij gekweld +door de gedachte aan den Antichrist. En zij zagen hem voor zich. Hij +was even rijk als Christus arm, even slecht als Christus goed, even +geëerd als Christus vernederd was. Hij voerde scherpe wapens en reed +aan de spits van bloeddorstige woestelingen. Hij wierp kerken omver, +vermoordde priesters en wapende de menschen tot den strijd, zóó dat +broeder tegen broeder worstelde en de eene mensch den anderen vreesde +en nergens vrede te vinden was. + +En telkens als een mensch van geweld en kracht zijn weg over de zee +der tijden nam, werd er van den wachttoren op het Kapitool geroepen: +"De Antichrist, de Antichrist!" + +En voor elken geweldenaar, die verdween en ten onder ging, riepen de +monniken hosanna en zongen ze een Te-Deum. + +En ze zeiden: "Het is door de kracht onzer gebeden, dat de slechten +vielen, vóórdat ze het Kapitool konden bereiken." + +Het was een harde straf voor het schoone klooster, dat zijn monniken +nooit rust konden vinden. Hun nachten waren nog zwaarder dan hun +dagen. Dan zagen ze hoe wilde dieren hun cellen binnendrongen en zich +naast hun brits uitstrekten. En elk wild dier was de Antichrist. Maar +sommige monniken zagen hem als een draak, en andere als een griffioen, +en weer andere als een sfinx. En als ze uit hun droomen ontwaakten, +waren ze mat als na een zware ziekte. + +De eenige troost, dien deze arme monniken bezaten, was het wonderdoende +Christusbeeld, dat in de basiliek te Aracoeli bewaard werd. Wanneer +een monnik tot vertwijfeling gedreven was, ging hij naar de kerk om +daar troost te zoeken. Hij liep dan de geheele basiliek door naar een +afgesloten kapel naast het hoofdaltaar. Daarin ontstak hij gewijde +waskaarsen en deed een gebed, vóórdat hij de altaarkast opende, die +deuren van ijzer met dubbele sloten had. En hij lag op zijn knieën, +zoo lang hij het beeld aanschouwde. + +Het beeld stelde een klein kind voor, het had een gouden kroon op het +hoofd, gouden schoentjes aan de voeten, en zijn kleertjes schitterden +van sieraden, die het beeld geschonken waren door lijdenden, die het +hadden aangeroepen om hulp. En de wanden der kapel waren bedekt met +schilderijen, die deden zien hoe velen het uit brand- en zeegevaar +gered had, hoe het zieken genezen en ongelukkigen geholpen had. En +als de monnik dit zag, jubelde hij en zei tot zich zelf: + +"God zij geprezen! Nog is het Christus, die op het Kapitool wordt +aangebeden." + +De monnik merkte op, hoe het beeld in mystieke, zelfbewuste macht tegen +hem glimlachte en zijn geest verhief zich tot de heilige sferen der +vertroosting. "Wat kan U doen neerstorten, Gij machtige?" zei hij. "Wie +kan U doen vallen? Voor U buigt de eeuwige stad haar knieën. Gij zijt +Rome's heilig kind. Gij zijt de gekroonde, dien het volk aanbidt. Gij +zijt de machtige, die hulp, troost en kracht verleent. Gij alleen +zult op het Kapitool worden aangebeden." + +Hij zag hoe de kroon van het beeld veranderde in een aureool, die +stralen over de gansche aarde zond. En in welke richting hij ook den +loop der stralen volgde, overal zag hij hoe de wereld vol kerken was, +waar Christus werd aangebeden. Het was alsof een machtige heerscher +hem al de vestingen en burchten getoond had, die zijn rijk beschermden. + +"Het is zeker, dat Gij niet kunt vallen," zei de monnik. "Uw rijk +moet blijven bestaan." + +En elke monnik, die het beeld zag, genoot een paar uur van vertroosting +en vrede, totdat de vrees zich opnieuw van hem meester maakte. Maar +indien zij dit beeld niet bezeten hadden, zouden hun zielen geen +oogenblik rust gevonden hebben. + +Zoo hadden Aracoeli's monniken zich onder gebed en strijd door de +tijden geworsteld, en nooit had het aan wachters ontbroken, want +zoodra een van hen uitgeput was door angst, haastten anderen zich +zijn plaats in te nemen. + +En ofschoon de meesten, die in het klooster gingen, door waanzin of een +te vroegen dood getroffen werden, nooit slonk de rij der monniken, want +het werd als een groote eer beschouwd te Aracoeli voor God te strijden. + +Zoo gebeurde het, dat deze strijd nog vóór zestig jaar in vollen gang +was, en wegens de verdorvenheid der tijden streden de monniken met +grooter ijver dan ooit en verwachtten den Antichrist zoo stellig als +nooit te voren. + +In dien tijd kwam er een rijke Engelsche vrouw te Rome. Ze ging naar +Aracoeli en zag het beeld, en zij was daardoor zóó getroffen, dat ze +dacht niet te kunnen leven, indien het niet in haar bezit kwam. Zij +ging telkens terug naar Aracoeli om het beeld te zien en ten slotte +smeekte zij de monniken het van hen te mogen koopen. + +Maar indien ze den ganschen mozaïekvloer in de groote basiliek met +gouden munten bedekt had, dan nog hadden de monniken haar dit beeld, +dat hun eenige troost was, niet willen afstaan. + +Doch de Engelsche was in die mate in vervoering over het beeld, +dat zij zonder dit vreugde noch vrede kon vinden. + +En daar ze op geen andere wijze haar verlangen kon bevredigen, +besloot ze het beeld te stelen. + +Zij dacht niet aan de zonde, die ze beging, maar voelde slechts een +onweerstaanbaren drang en brandenden dorst en liever wilde zij haar +ziel wagen dan haar hart het geluk weigeren het vurig begeerde beeld te +bezitten. En om haar doel te bereiken, liet ze een beeld vervaardigen, +dat volkomen gelijk was aan dat te Aracoeli. + +'t Beeld van Aracoeli is van olijvenhout uit Getsemane's olijvenberg +gesneden, maar de Engelsche waagde het een beeld van olmhout te laten +snijden, dat volkomen daarop geleek. + +'t Beeld te Aracoeli is niet door menschenhanden beschilderd. + +Toen de monnik, die het sneed, penseel en verf genomen had, sluimerde +hij in over zijn arbeid. En toen hij ontwaakte, was het beeld +geschilderd. Het had zich zelf voltooid, als teeken, dat God het +beminde. Maar de Engelsche was zoo vermetel een aardschen schilder +haar houten beeld zóó te laten schilderen, dat het volkomen gelijk +aan het heilige beeld werd. + +Het nagemaakte beeld kocht ze een kroon en schoentjes, maar die +waren niet van goud; het was slechts zink en verguldsel. Ze bestelde +sieraden, ze kocht ringen en halskettingen, armbanden en juweelen +sterren--maar dat alles was van koper en glas--en zij kleedde het, +zooals de hulpzoekenden het ware en echte beeld gekleed hadden. + +Toen het beeld klaar was, nam ze een naald en grifte in de kroon: +"Mijn rijk is slechts van deze wereld." + +'t Was alsof ze vreesde, dat ze zelf niet meer beeld van beeld +kon onderscheiden. En 't was alsof ze haar geweten had willen +geruststellen. "Ik heb immers niet een valsch Christusbeeld willen +maken. Ik heb toch in zijn kroon geschreven: Mijn rijk is slechts +van deze wereld." + +Daarop wierp zij een wijden mantel om, verborg het beeld daaronder +en ging naar Aracoeli. Daar verzocht ze, haar devotie te mogen doen +vóór het Christusbeeld. + +Toen zij nu stond in het heiligdom, en de kaarsen aangestoken, de +ijzeren deuren geopend waren, en het beeld zich aan haar blikken +vertoonde, begon ze te trillen en te beven en 't scheen alsof ze +bezwijmen zou. + +De monnik, die haar vergezelde, haastte zich naar de sacristij om +water te halen en zij bleef alleen in de kapel. + +En toen hij terugkwam, had zij de heiligschennis gepleegd. + +Zij had het heilige, wonderdoende beeld genomen en het valsche en +machtelooze daarvoor in de plaats gezet. + +De monnik bemerkte niets van den ruil. Hij sloot het valsche +beeld achter ijzeren deuren met dubbele sloten en de Engelsche ging +huiswaarts met Aracoeli's schat. Zij plaatste het in haar paleis op een +voetstuk van marmer en was zoo gelukkig als ze nog nimmer geweest was. + +In Aracoeli, waar men niets wist van de schade, die men geleden +had, aanbad men het onechte Christusbeeld gelijk men het echte had +aangebeden. En toen het Kerstfeest aanbrak, bouwde men het, zooals +gebruikelijk was, een der schoonste grotten in de kerk. + +Daar lag hij stralend als een edelgesteente, in Maria's schoot en +rondom hem stonden herders, engelen en wijze mannen. En zoo lang +de grot daar was, kwamen er kinderen van Rome en van de Campagne en +werden in een kleinen preekstoel in Aracoeli's basiliek geheven. Dan +predikten ze de lieflijkheid, zoetheid, macht en heiligheid van het +kleine Christuskind. + +Maar de Engelsche leefde in grooten angst, dat iemand ontdekken zou, +dat zij Aracoeli's Christusbeeld gestolen had. Daarom bekende zij +voor niemand, dat het beeld hetwelk zij bezat, het echte was. + +"Dit is een nagemaakt beeld," zei ze, "het is zoo gelijk aan het +echte als het slechts zijn kan, maar het is nagemaakt." + +Nu had zij een klein Italiaansch meisje in haar dienst. Op een dag toen +deze door het vertrek ging, bleef ze voor het beeld staan en sprak: + +"Gij, arm Christuskind, dat eigenlijk geen Christuskind zijt, indien +gij wist hoe het ware kind in al zijn heerlijkheid in de grot te +Aracoeli ligt, en hoe Maria en San Giuseppe en de herders voor hem +geknield liggen! En indien ge slechts wist hoe de kinderen op een +kleinen preekstoel tegenover hem staan, en hoe ze buigen, en hem +kushandjes toewerpen en hoe ze prediken voor hem, zoo schoon als zij +slechts kunnen!" + +Eenige dagen later kwam het kleine dienstmeisje weer en sprak tot +het beeld: + +"Arm Christuskind, gij, die geen Christus zijt, weet gij, dat ik +vandaag in Aracoeli geweest ben en gezien heb hoe het ware kind in +processie rondgedragen werd? Ze hielden een troonhemel boven hem, +en alle menschen zonken voor hem op de knieën, en zongen en speelden +voor hem. + +"Nooit zult gij zoo iets heerlijks beleven!" + +En hoor nu, wat het dienstmeisje voor de derde maal tot het beeld +sprak: + +"Weet gij, Christuskind, dat geen echt Christuskind zijt, dat het +beter voor u is te staan, waar gij staat? Want het ware kind wordt +bij de zieken geroepen, en het rijdt in zijn gouden wagen daar heen, +maar het kan hen niet helpen, en ze sterven in vertwijfeling. En +men begint te zeggen, dat het heilige kind van Aracoeli de kracht om +goed te doen verloren heeft, en dat gebeden en tranen hem niet meer +roeren. Het is beter voor u, dat ge staat waar ge staat, dan dat ge +aangeroepen wordt en niet kunt helpen." + +Maar den volgenden nacht geschiedde er een wonder. Tegen middernacht +werd er hevig aan de kloosterpoort te Aracoeli geluid. En toen de +poortwachter zich niet genoeg haastte om te openen, werd er op de +poort geklopt. Dat kloppen klonk zoo luid alsof het met klinkend +metaal geschiedde, en het werd door het gansche klooster gehoord. Alle +monniken rezen tegelijk op van hun bedden. Allen die gepijnigd werden +door vreeselijke droomen, vlogen plotseling op en dachten, dat de +Antichrist gekomen was. + +Maar toen men de poort opende--toen men de poort opende! + +Het was het kleine Christusbeeld, dat op den drempel stond. 't Was +zijn kleine hand die aan het klokketouw getrokken had, het was zijn +kleine goudgeschoeide voet, die tegen de poort geschopt had. + +De poortwachter nam het heilige kind haastig in zijn armen. Toen zag +hij, dat het tranen in de oogen had. + +Ach, het arme heilige kind had in den nacht door de stad geloopen! Wat +had het niet moeten zien! + +Zoo veel armoede en zoo veel ellende en zoo veel ondeugd en zoo +veel misdaden! Het was verschrikkelijk te denken wat het al niet had +moeten ondervinden! + +De poortwachter ging naar den prior en toonde hem het beeld. En zij +waren verbaasd dat het 's nachts buiten was gekomen. + +Maar de prior liet de kerkklok luiden en den monniken tot een +godsdienstoefening bijeenroepen. En al de monniken van Aracoeli trokken +naar de groote schemerachtige basiliek om in alle plechtigheid het +beeld weer op zijn plaats te zetten. + +Uitgeput en lijdend liepen ze te rillen in hun zware duffel +monnikspijen. Velen van hen weenden alsof ze aan een levensgevaar +ontsnapt waren. + +"Hoe zou het ons gegaan zijn," zeiden ze, "indien onze eenige troost +van ons was genomen? Is het niet de Antichrist, die Rome's heilig +kind uit het beschermende heiligdom gelokt heeft?" + +Maar toen ze het Christusbeeld in de altaarkast wilden plaatsen, +vonden ze daarin het valsche kind, dat op zijn kroon het inschrift +droeg: "Mijn rijk is slechts van deze wereld." + +En nu ze het beeld nader onderzochten, vonden ze het inschrift. + +Toen wendde de prior zich tot de monniken en sprak tot hen: + +"Broeders, we zullen een Te-Deum zingen, de zuilen onzer kerk met +zijde omwinden en alle waskaarsen en lampen aansteken en we zullen +een groot feest vieren. + +"Zoo lang het klooster bestaan heeft, is het een huis van vervloeking +geweest, maar om den wille van al het lijden dergenen, die hier geleefd +hebben, heeft God genade geschonken. En nu is alle gevaar geweken. + +"God heeft den strijd met zege bekroond en wat gij gezien hebt, is het +teeken, dat de Antichrist niet op het Kapitool zal worden aangebeden. + +"Want opdat de woorden der sibylle niet onvervuld zouden blijven, +heeft God dit valsche beeld van Christus gezonden, dat de woorden +van den Antichrist in zijn kroon voert, en Hij heeft het ons laten +aanbidden en vereeren, alsof hij de groote Zaligmaker ware. + +"Maar nu kunnen wij vol vreugde en blijdschap rusten, want de duistere +profetie der sibylle is vervuld, en de Antichrist is hier aangebeden. + +"Groot is God, de Almachtige, die den verterenden angst van ons nam +en Zijn wil geschieden liet, zonder dat de wereld het valsche beeld +van Gods Zoon behoefde te aanschouwen. + +"Gelukkig is Aracoeli's klooster, dat in Gods genade staat, Zijn wil +volvoert en gezegend is door Zijn oneindige genade." + +Toen de prior dit gezegd had, nam hij het valsche beeld in zijn +handen, schreed de kerk door en opende de groote hoofddeur. Daar +trad hij op het terras. Beneden hem lag de hooge, breede trap met +honderd negentien marmeren treden, die van het Kapitool als naar een +afgrond leidt. En hij hief het beeld boven zijn hoofd en riep luid: +"Anatema Antichristo" en slingerde het beeld van de hoogte van 't +Kapitool naar beneden in de wereld. + + + + + + +III. + +OP DE BARRICADE. + + +Toen de rijke Engelsche 's morgens ontwaakte, miste zij het beeld en +wist niet waar zij het moest zoeken. Zij geloofde dat niemand anders +dan Aracoeli's monniken het weggenomen konden hebben. En haastig ging +ze naar het Kapitool om het daar te zoeken. Zoo kwam ze bij de groote +marmeren trap, die naar Aracoeli's basiliek voert. En haar hart klopte +onstuimig van vreugde, want op de onderste trede lag hetgeen zij zocht. + +Zij greep het beeld, verborg het onder haar mantel en spoedde zich +huiswaarts. En weer plaatste zij het in haar feestzaal. + +Maar toen zij zich nu verdiepte in zijn schoonheid, zag ze, dat er +een deuk in de kroon gekomen was. + +Zij nam die in haar hand om te zien zien hoe groot de schade was en +in hetzelfde oogenblik vielen haar oogen op het inschrift dat ze zelf +gegrift had: + +"Mijn rijk is slechts van deze wereld." + +Toen wist zij, dat dit het valsche Christusbeeld was en dat het echte +weer in Aracoeli's kapel stond. + +Zij wanhoopte dit ooit weer in haar bezit te krijgen en zij besloot den +volgenden dag uit Rome te vertrekken, want ze wilde daar niet langer +blijven, nu zij het beeld niet meer bezat. Maar toen zij vertrok, nam +zij het valsche beeld mede, omdat het haar herinnerde aan het andere, +dat zij beminde; en het vergezelde haar later op al haar reizen. + +Zij vond nergens rust, maar reisde voortdurend, en op deze wijze +werd het beeld over de gansche wereld gevoerd. En overal waar het +beeld kwam, was het alsof Christus' macht verminderde, zonder dat +iemand recht begreep wat de oorzaak daarvan was. Want niets zag er +machteloozer uit dan dit armzalige beeld van olmhout, dat versierd +was met koperen ringen en glazen kralen. + +Toen de rijke Engelsche, die eerst het beeld bezeten had, dood +was, kwam het in het bezit van een andere rijke Engelsche, die ook +voortdurend reisde, en na deze in handen van een derde. + + + +Eens, het was nog in den tijd der eerste Engelsche, kwam het beeld +in Parijs. + +Toen het de groote stad binnenreed, was daar oproer. Volksmenigten +trokken luid schreeuwend door de straten en riepen om brood. Ze +plunderden de winkels en wierpen steenen naar de paleizen der +rijken. Gewapende macht trok tegen hen op, toen rukten ze de +straatsteenen uit, stapelden wagens en huisraad opeen en versperden +de straten met barricades. + +Toen nu de rijke Engelsche de stad binnenreed in haar grooten +reiswagen, stormde het volk daarop los, dwong haar uit te stappen en +sleepte den wagen naar één der barricades. + +Terwijl men trachtte deze te stapelen op de duizenden voorwerpen, die +de barricade vormden, viel één der grootste koffers op den grond. Het +slot sprong open en onder het vele dat uit den koffer rolde, was ook +het verworpen Christusbeeld. + +'t Volk stortte zich daarop, om het plunderen, maar men ontdekte +spoedig dat al zijn sieraden valsch en geheel waardeloos waren, en +men begon het beeld te bespotten en te hoonen. Het ging van hand tot +hand onder de oproerlingen, totdat één van hen zich bukte om de kroon +te bekijken. Zijn blik viel op de woorden, die daarin gegrift waren: +"Mijn rijk is slechts van deze wereld." + +De man riep dit luide en allen schreeuwden, dat het kleine beeld hun +veldteeken zou zijn. Ze plaatsten het op den top der barricade en +plantten het daar als een banier. + +Onder degenen, die de barricade verdedigden, was een man, die geen +arme arbeider, maar een geleerde was, die zijn gansche leven in de +studeerkamer had doorgebracht. Hij kende al de ellende, waaronder +de menschen gebukt gaan, en zijn hart was vervuld van medelijden; +voortdurend zocht hij naar een middel om hun lot te verbeteren. + +Gedurende dertig jaar had hij geschreven en gepeinsd, zonder hulp +te vinden. Toen hij nu de stormklok hoorde luiden, volgde hij deze +roepstem en snelde de straat op. Hij had een wapen gegrepen en was de +oproerlingen gevolgd in de meening, dat het raadsel, hetwelk hij niet +vermocht op te helderen, opgelost kon worden door geweld en macht en +dat de armen zich door strijd een beter lot konden verwerven. Daar +stond hij nu den ganschen dag te strijden, de menschen sneuvelden +rondom hem, bloed spatte hem in het gelaat, en de ellende van het +leven scheen hem grooter en jammerlijker dan ooit. + +Maar zoo dikwijls de kruitdamp optrok, schitterde in zijn oogen het +kleine beeld dat gedurende al het krijgstumult onbeweeglijk hoog boven +op de barricade stond. En iederen keer, dat hij het beeld zag, werd +hij getroffen door de woorden: "Mijn rijk is slechts van deze wereld." + +Ten slotte kwam het hem voor, dat deze woorden zich zelf in de lucht +schreven, en voor zijn oogen begonnen te zweven, nu in vuur, dan in +rook of in bloed. + +Hij werd stil, hij stond daar met het geweer in de hand, en staakte +den strijd. Plotseling wist hij, dat dit de woorden waren, waarnaar +hij zijn leven lang gezocht had. Nu wist hij wat hij den menschen +moest zeggen, en dit armzalige beeld was het, dat hem de oplossing +gegeven had. + +Hij zou de gansche wereld doortrekken om te verkondigen "Uw rijk +is slechts van deze wereld." Daarom moet gij trachten dit leven +gelukkig te maken en als broeders leven. En ge zult uw rijkdommen +deelen opdat niemand rijk en niemand arm zij. Ge zult allen arbeiden, +en de aarde zal het eigendom van allen zijn en ge zult allen gelijk +worden. Niemand zal honger lijden, niemand zal in overdaad leven en +niemand zal op zijn ouden dag gebrek lijden. En ge zult streven naar +het geluk van allen, want er is geen hiernamaals, dat u wacht. + +Dit alles voer hem door het hoofd, terwijl hij daar op de barricade +stond, en toen de gedachte hem helder was, legde hij de wapens neder +en hief die niet weder op tot strijd en bloedvergieting. + +Spoedig daarop werd de barricade opnieuw bestormd en genomen. De +troepen trokken zegevierend voorwaarts en dempten het oproer; en +vóórdat de avond viel, heerschte er vrede en orde in de groote stad. + +Toen zond de Engelsche eenige dienaren uit om haar verloren eigendommen +te zoeken, en ze vonden verschillende zaken, zoo niet alles. 't Eerst +zagen ze op de bestormde barricade den verworpeling van Aracoeli. + +Maar de man, die gedurende den strijd van het beeld geleerd had, +begon der wereld een nieuwe leer te verkondigen, die socialisme +genoemd wordt, maar het Antichristendom is. + +En die leer bemint, verzaakt, leert en strijdt als het Christendom, +zoodat die volkomen op deze gelijkt, evenals het valsche beeld van +Aracoeli volkomen gelijkt op het echte Christusbeeld. En evenals het +valsche beeld zegt zij: "Mijn rijk is slechts van deze wereld." + +Maar terwijl het beeld, dat deze leer verspreid heeft, onopgemerkt +is en onbekend, is de leer bekend en gaat over de gansche wereld om +die te verlossen en te herscheppen. + +Van dag tot dag wint zij veld. Zij gaat door alle landen en draagt +velerlei namen en ze is zoo verleidelijk, omdat ze allen aardsch +geluk en genot belooft, en ze lokt meer aanhangers dan welke leer ook, +die over de wereld is gegaan sedert Christus' tijd. + + + + + + +EERSTE DEEL. + + + "Daar zal groote nood heerschen." + + +I. + +DE MONGIBELLO. + + +Omstreeks 1870 woonde er in Palermo een arme knaap, die Gaetano +Alagona heette. Dat was een geluk voor hem! Ware hij niet een der +oude Alagona's geweest, dan zou men hem misschien hebben laten +verhongeren. Hij was immers slechts een kind, en had geld noch +ouders. Maar nu hadden de jezuïeten van Santa Maria in Gesu hem uit +barmhartigheid in de kloosterschool opgenomen. + +Op een dag, terwijl hij in zijn lessen verdiept was, kwam een pater +hem uit de school roepen, omdat een bloedverwante hem wilde spreken. + +Wat, een bloedverwante! Hij had altijd gehoord, dat zijn geheele +familie overleden was. Maar pater Jozef beweerde, dat er familie +van hem, een signora in levenden lijve was, die hem uit het klooster +wilde nemen. + +Het werd al erger en erger. Wilde zij hem uit het klooster nemen? Daar +zou ze toch zeker de macht niet toe hebben! + +Hij zou immers monnik worden. + +Hij wilde de signora in het geheel niet zien. Kon pater Jozef haar +niet zeggen, dat Gaetano het klooster nooit zou verlaten, en dat het +haar niets baatte hem dat te vragen? + +Neen, pater Jozef zei, dat het niet ging haar te laten vertrekken, +zonder dat zij hem gezien had, en hij sleepte Gaetano half naar +de ontvangkamer. + +Daar stond ze bij een der vensters. Heur haar was grauw, haar +gelaatstint bruin en haar oogen waren zwart en rond als paarlen. Zij +droeg een kanten sluier op het hoofd, en haar zwarte kleederen +waren glad van het dragen, en een weinig vaal, zooals pater Jozefs +alleroudste kaftan. + +Ze maakte het teeken des kruises, toen zij Gaetano zag. + +"God zij geloofd, hij is een echte Alagona!" riep zij en kuste hem +de hand. + +Zij zei, dat het haar leed deed, dat hij twaalf jaar oud was geworden, +zonder dat één zijner familieleden naar hem gevraagd had. Maar zij had +niet geweten, dat er nog iemand van den anderen tak in leven was. Hoe +zij dat nu opeens was te weten gekomen? Ja, Luca had zijn naam in de +courant gelezen. Die had gestaan bij degenen, die een prijs gekregen +hadden. Dat was nu een half jaar geleden, maar het was een verre reis +naar Palermo. Zij had moeten sparen en sparen om het reisgeld bijeen +te krijgen. Ze had niet eerder kunnen komen. Maar hierheen gaan om +hem te zien, dat moest ze. Santissima Madre, zij was zoo blij geweest! + +Zij was het, donna Elisa, die Alagona heette. Haar overleden man +was een Antonelli geweest. Er bestond nog één Alagona, dat was haar +broeder. Hij woonde ook in Diamante. Maar Gaetano wist zeker niet +waar Diamante lag? + +De knaap schudde met het hoofd. Neen dat kon ze wel denken, ze lachte. + +"Diamante ligt op den Monte Chiaro. Weet je waar de Monte Chiaro ligt?" + +"Neen." + +Zij trok haar wenkbrauwen op en zag er heel schalks uit. "De Monte +Chiaro ligt op den Etna, indien je weet waar de Etna ligt?" + +Dat klonk zoo aarzelend alsof het al te veel verlangd was, dat +Gaetano iets van den Etna zou weten. En zij lachten alle drie, zij, +zoowel als pater Jozef en Gaetano. Ze werd een heel ander mensch, +nadat zij hen aan het lachen gebracht had. + +"Wil je met mij meegaan om Diamante, den Etna en den Monte Chiaro te +zien?" vroeg ze vlug. + +"Den Etna moet je zien. Dat is de grootste berg op de geheele +wereld. De Etna is een koning en de bergen rondom hem liggen op +hun knieën en wagen het niet hun blikken te verheffen naar zijn +aangezicht." Toen begon zij al het mogelijke van den Etna te vertellen. + +Ze dacht zeker, dat dit hem zou kunnen lokken. + +En 't was werkelijk waar, dat Gaetano er nooit over nagedacht had, +wat de Etna eigenlijk voor een berg was. Hij had niet geweten, dat +hij sneeuw op zijn kruin had, eikenloof in den baard, en wijnranken om +het middel en dat hij tot over de knieën in oranjebosschen trapte. En +langs den berg stroomden groote, breede zwarte rivieren. Die waren +heel merkwaardig, ze vloeiden zonder te murmelen, zij golfden zonder +wind, de slechtste zwemmer kon er zonder een brug over komen. + +Gaetano raadde, dat zij lavastroomen bedoelde. En zij was zoo blij, +dat hij dit had kunnen raden. Hij had dus verstand. Hij was een +echte Alagona. + +En dat de Etna zoo groot was! Denk eens aan, dat men drie dagen noodig +heeft om er omheen, en drie dagen om naar den top en weer naar beneden +te rijden. + +En dat er behalve Diamante nog vijftig steden en veertien groote +bosschen en twee honderd kleine bergen op den Etna gevonden werden, +die toch ook nog zoo klein niet waren, ofschoon de berg zoo groot was, +dat deze niet meer in het oog vielen dan een zwerm vliegen op een +kerkdak. En dat er grotten waren, die een geheel krijgsheer konden +bevatten; en holle oude boomen, waaronder een groote kudde schapen +beschutting kon vinden bij onweer. + +Alles wat merkwaardig was scheen op den Etna gevonden te worden. Daar +waren rivieren, waarvoor men zich in acht moest nemen, 't water daarin +was zoo koud, dat men zou sterven, indien men daarvan dronk. Andere +stroomen waren er, die alleen overdag vloeiden en weer andere, +die alleen gedurende den winter stroomden, sommige verborgen zich +bijna voortdurend diep onder den grond. En er waren warme bronnen, +leemvulkanen en zwavelgroeven.--En 't zou jammer voor Gaetano zijn, +indien hij den Etna nooit zag want de berg was zoo grootsch. + +Hij verhief zich ten hemel als een praaltent. Hij was veelkleurig als +een caroussel. Gaetano zou hem 's morgens en 's avonds willen zien, +als hij rood was, en hij zou hem 's nachts willen zien als hij wit +getint was. En dan zou Gaetano zeker ook willen weten of het waar was, +dat hij alle kleuren kon aannemen, of hij blauw, zwart, bruin en violet +kon worden? En of hij een schoonheidssluier droeg als een signora? Of +hij gelijk een tafel was, bedekt met pluche kleeden? Of hij een tunica +van gouddraad en een mantel van pauweveeren droeg? Hij zou zeker ook +gaarne willen weten of het waar was, dat de oude koning Arthur daar in +een grot zat? Donna Elisa zei, dat het zeer zeker was, dat hij nog op +den Etna woonde, want eens, toen de bisschop van Catania over den berg +reed, sprongen drie zijner muilezels weg, en de jongen die ze zocht +vond ze in de grot bij koning Arthur. De koning verzocht den knaap, +den bisschop te willen zeggen, dat zoodra zijn wonden geheeld waren, +hij met zijn ridders van de ronde tafel zou komen, om het onrecht +dat op Sicilië was tot recht te maken. + +En degene die oogen bezat om te zien, die wist wel, dat koning Arthur +nog niet uit zijn grot was gekomen. + +Gaetano wilde zich niet door haar laten lokken, maar hij dacht, dat hij +toch wel een weinig vriendelijk tegen haar kon zijn. Zij stond nog, +maar nu zette hij een stoel voor haar neer. Zij moest echter niet +denken, dat dit was, omdat hij met haar mee wilde gaan. Hij vond het +werkelijk heerlijk haar van heur berg te hooren vertellen. 't Was zoo +grappig, dat die zooveel kunsten kende. Hij geleek in het geheel niet +op den Monte Pellegrino bij Palermo die slechts stond waar hij stond. + +De Etna kon rooken als een schoorsteen, en licht verspreiden als een +gaslantaarn. Hij kon rollen en rommelen, lava spuwen, met steenen +werpen, asch zaaien, weer voorspellen en regen verzamelen. + +Wanneer de Mongibello zich slechts verroerde, viel stad na stad omver +alsof de huizen kaarten waren, die op den rand opgesteld waren. + +Mongibello, dat was ook een naam van den Etna. Hij werd Mongibello +genoemd, omdat dit beteekende: berg der bergen. Hij verdiende nog eens, +zoo te heeten. + +Gaetano zag, dat donna Elisa bepaald geloofde, dat hij haar niet zou +kunnen weerstaan. Zij had zooveel rimpels in haar gezicht, en toen +zij lachte, liepen die gelijk een net in elkaar. + +Hij moest daarnaar kijken. Het zag er zoo merkwaardig uit, maar nog +was hij niet in dat net gevangen. + +Ze was verlangend te weten of Gaetano werkelijk den moed zou hebben +om op den Etna te komen. Want diep in den berg lagen veel geboeide +reuzen en er was een zwart slot, dat bewaakt werd door een hond met +vele koppen. Er werd ook een groote smidse in gevonden en een kreupelen +smid met slechts één oog, dat hem midden in het voorhoofd zat. + +En 't ergst van alles was, dat diep in den berg een zwavelzee was +die kookte als een olieketel, en daarin lag Lucifer en alle verdoemden. + +Neen, hij zou wel geen moed hebben daar te komen, zei ze. Anders +bestond er geen gevaar om er te wonen, omdat de berg God vreesde. Donna +Elisa zei, dat de Mongibello vele heiligen bezat, maar bovenal Santa +Agatha van Catania. + +En indien de Cataniënsers altijd tegen hem waren, zooals ze moesten, +dan kon geen aardbeving of lavastroom hen deren. + +Gaetano stond heel dicht bij haar en lachte om alles wat zij zeide. Hoe +was hij daar gekomen en waarom kon hij niet nalaten te lachen? Het +was een merkwaardige signora! + +Plotseling zei hij om haar niet te bedriegen: + +"Donna Elisa, ik wil monnik worden."--"Zoo, werkelijk?" zei ze. Toen +vervolgde zij, zonder verder acht te slaan op zijn gezegde, haar +verhaal van den berg. Zij zei, dat hij nu goed moest luisteren, +nu kwam ze aan het allergewichtigste. Hij moest haar volgen naar de +Zuidzijde van den berg, zoo ver naar beneden, dat ze dicht bij de +groote vlakte van Catania waren en daar zou hij een dal zien, een +heel groot, breed en cirkelvormig dal. Maar het was volkomen zwart, +lavastroomen vloeiden van alle kanten daarin. En er waren slechts +steenen, geen enkele grashalm! + +Wat had Gaetano nu wel van de lava gedacht? Donna Elisa vermoedde, +dat hij meende, dat de lava zoo vlak en glad langs den Etna stroomde, +als die op straat ligt. Maar in den Etna was zooveel tooverij. Kon +hij begrijpen, dat alle slangen en draken en heksen, die in de kokende +lava lagen, er mee uitstroomden, wanneer er een uitbarsting was? Daar +lagen ze en krioelden en slingerden om elkaar heen en trachtten op +den kouden grond te komen maar hielden elkaar terug in de ellende, +totdat de lava rondom hen stolde. En los konden ze niet meer komen! + +Neen, nooit! + +De lava was ook niet zoo onvruchtbaar, als hij dacht. + +Ofschoon geen gras daarop groeide, was daar nog wel iets anders op te +vinden. Maar hij zou nooit kunnen raden, wat het was. Dat strompelde +en stortte, dat viel en kroop, dat liep op de knieën en op het hoofd +en op de ellebogen. Het was binnen en buiten het dal, het had slechts +stekels en knobbels, en het had een mantel van spinnewebben, en poeder +op zijn pruik en leden zoo vele als een worm. + +Kon dat iets anders zijn dan de cactus? + +Wist hij dat de cactus op de lava groeide en den grond bewerkte gelijk +een boer? Wist hij, dat alleen de fichidenda de lava kon beteugelen? + +Nu keek zij naar pater Jozef en trok een vroolijk gezicht. De cactus +was de beste toovenaar, die op den Etna woonde; maar toovenaar blijft +toovenaar. + +De cactus was een Saraceen, want hij hield het met slavinnen. + +Het was werkelijk waar, want zoodra de cactus ergens wortel geschoten +had, wilde hij den amandelboom bij zich hebben. + +De amandelboom is een schoone, stralende signorina. Ze waagt zich +nauwelijks op den zwarten bodem, maar dat helpt haar niet. Er op zal +en moet ze! + +O, Gaetano zou het zien als hij daar kwam. + +Als in de lente de amandelboomen wit van bloemen staan op het zwarte +veld te midden van de grauwe cactussen, zijn ze zoo onschuldig en +schoon, dat men over hen kon weenen als over geroofde prinsessen. + +Nu zou hij eindelijk hooren, waar de Monte Chiaro lag. Die schoot op +uit den bodem van dat zwarte dal. Ze beproefde haar parapluie op den +grond te laten staan. Zóó stond de Monte Chiaro, hij stond rechtop. En +nooit had hij aan zitten of liggen gedacht. + +En even zwart als het dal, even groen was de Monte Chiaro. Daar stond +palm naast palm, wijnstok naast wijnstok. Het was een heer in een +groot-bloemigen slaaprok. Het was een koning met een kroon op het +hoofd. Het droeg geheel Diamante in het haar geslingerd. + +Na een tijdje voelde Gaetano zoo'n grooten lust om Donna Elisa's +hand te grijpen. Zou dat kunnen? Ja, het ging. Hij trok haar hand +naar zich toe als een geroofden schat. Maar wat zou hij daarmee +doen? Streelen? Indien hij het heel zachtjes probeerde met één vinger, +misschien zou zij het dan niet merken? Misschien zou ze het niets +eens merken, als hij haar hand kuste? + +Ze sprak en sprak maar steeds door. Neen, ze merkte het in het +geheel niet. + +Er was nog zooveel, dat ze wilde vertellen. + +En zoo iets grappigs als haar geschiedenis van Diamante! + +Ze zei, dat de stad in het dal gelegen had. Toen kwam de lava en +gloeide vuurrood over den rand van het dal. Hoe, was de dag des +oordeels aangebroken? De stad nam in allerijl haar huizen op den nek, +op het hoofd en onder den arm, en sprong tegen den Monte Chiaro op, +die juist bij de hand lag. + +Op tegen den berg in zag-zaglijn sprong de stad. Toen ze hoog genoeg +gekomen was, wierp ze een stadspoort en een heel kleinen stadsmuur +naar beneden. Sedert sprong ze in een spiraal rond en wierp met +huizen. De hutten der arme menschen mochten juist neerrollen, waar ze +wilden of konden. Daarvoor had men geen tijd. Men kon niets beters +verlangen dan gedrang en nauwe en bochtige straten. Neen, dat kon +men werkelijk niet. Groote straten liepen spiraalvormig rondom den +berg, juist zooals de stad gesprongen was, en hier had ze een kerk +heengeworpen en daar een paleis. Maar zooveel regelmaat was er toch +geweest dat het beste het hoogst kwam te liggen. + +Toen de stad den bergtop bereikte, had ze een marktplein aangelegd, +en daarop het raadhuis, de domkerk en het oude palazzo Geraci gezet. + +Maar indien hij, Gaetano Alagona, haar naar Diamante wilde volgen, +dan zou ze hem meenemen naar het marktplein op den bergtop en hem +wijzen waar de grondbezittingen der oude Alagona's op den Etna en +op de vlakte van Catania gelegen hadden en welke hun burchten op de +bergen rondom geweest waren. + +Want daarboven op den berg kon men dat alles zien en nog veel meer. De +gansche zee zag men daar. + +Gaetano had er niet aan gedacht, dat ze lang gesproken had, maar +pater Jozef werd zeer ongeduldig. + +"Nu zijn we immers aan uw eigen huis gekomen, donna Elisa," zei hij +heel vriendelijk. + +Maar zij verzekerde pater Jozef, dat er bij haar niets bizonders was +te zien. Wat ze Gaetano 't allereerst wilde wijzen, was het groote +huis aan de corso, dat het zomerpaleis genoemd werd. + +Dat was niet zoo schoon als het palazzo Geraci, maar het was groot en +toen de oude Alagona's in hun bloeitijd waren, woonden ze des zomers +daarin, om dichter bij de sneeuw van den Etna te zijn. + +Ja, zooals zij gezegd had, van buiten was er niets bizonders aan +te zien, maar het had een heerlijk park en open booggangen langs +beide zijvleugels. En op het dak was een terras, dat was bevloerd +met witte en blauwe tegelsteenen, en in iederen steen was het wapen +der Alagona's gebrand. + +Dat zou hij toch zeker willen zien? + +Het viel Gaetano in, dat donna Elisa zeker wel gewoon was, dat kinderen +op haar schoot zaten, als zij thuis was. Misschien zou zij het niet +merken, wanneer hij op haar schoot klauterde? En hij beproefde het. Ja, +het was zoo. Zij was het gewoon. Zij merkte er in 't geheel niets +van. Zij vertelde maar door van het paleis. Daarin was een groote +praalwoning, waar de oude Alagona's gedanst en gespeeld hadden. Er +was een groote zaal met een muziekgalerij, daar waren oude meubels +en uurwerken, in kleine witte albasten tempels, die op een voetstuk +van zwart ebbenhout stonden. In de praalwoning woonde niemand, maar +zij zou er met hem heengaan. + +Misschien had hij gedacht, dat zij in het zomerpaleis woonde? + +O, neen, daar woonde haar broer, don Ferrante. Hij was koopman en had +zijn winkel beneden en daar hij nog geen signora bezat, bleef alles +boven staan, zooals het stond. + +Gaetano vroeg zich af of hij nog op haar schoot kon blijven zitten. 't +Was wonderlijk, dat zij niets merkte. En het was een geluk, anders +zou ze geloofd hebben, dat hij het plan om monnik te worden uit zijn +hoofd had gezet. + +Maar ze was juist nu meer dan ooit met zich zelf bezig. + +Een zacht rood kleurde haar bruine wangen en ze trok een paar malen +haar wenkbrauwen allergrappigst in de hoogte. Toen begon zij te +vertellen, hoe zij het zelf had. + +Het scheen wel, alsof donna Elisa in het allerkleinste huis van de +stad woonde. Het lag juist tegenover het zomerpaleis, maar dat was +ook de eenige verdienste ervan. Zij had een kleinen winkel, waar zij +medaillons en waskaarsen en alles verkocht, wat bij den godsdienst +behoorde. Maar met allen eerbied voor pater Jozef, zulk een handel +gaf niet veel winst in deze tijden, hoe het dan ook vroeger geweest +mocht zijn. Achter den winkel was een kleine werkplaats. + +Daar had haar man gestaan om heiligenbeelden en rozenkransen te +snijden, want hij was artist, signor Antonelli. + +En naast de werkplaats waren een paar kleine muizegaten, men kon er +zich niet in wenden, men moest er op de hurken in zitten, zooals in +de gevangenissen der oude koningen en een trap op, dan waren er een +paar kleine kippenhokken. In een daarvan had ze wat stroo voor een +nestje gelegd en een paar stokken geplaatst. Daar zou Gaetano slapen +als hij bij haar wilde komen. + +Gaetano dacht, dat hij gaarne haar wang wilde streelen. + +Zij zou zoo bedroefd zijn, als hij niet met haar meeging. Zou hij +het wagen haar te streelen? + +Hij keek tersluiks naar pater Jozef. + +Deze zat stil naar den grond te staren, en zuchtte, gelijk hij +gewoonlijk deed. + +Hij dacht niet aan Gaetano, en zij, zij merkte het in het geheel niet. + +Zij vertelde dat zij een dienstmeisje had, dat Pacifica, en een knecht, +die Luca heette. + +Maar ze had van beiden weinig hulp, want Pacifica was oud en sedert +zij doof was geworden, was zij zoo prikkelbaar, dat zij haar niet in +den winkel kon laten helpen. + +En Luca, die eigenlijk beeldsnijder was en heiligenbeelden maken moest, +had nooit tijd om in de werkplaats te zijn, maar hij was altijd in +den tuin te vinden, waar hij de bloemen verzorgde. + +Ja, ze hadden ook een tuin op den rotsgrond van den Monte Chiaro. Maar +Gaetano moest niet denken dat daarin iets bizonders groeide. Bij haar +was niets zooals in het klooster, dat kon hij toch wel begrijpen. + +Maar zij wilde hem zoo gaarne meenemen, omdat hij een der oude +Alagona's was. En thuis hadden zij, Luca en Pacifica tegen elkaar +gezegd: + +"Wij vragen niet of wij meer zorg krijgen; als wij hem maar hier +hebben." + +Neen, dat wist de Madonna, dat ze dat niet deden. + +Het was nu slechts de vraag, of hij wat wilde ontberen, om bij hen +te zijn. + +En nu had zij haar verhaal geëindigd en pater Jozef vroeg wat Gaetano +dacht te antwoorden. Het was de wil van den prior, zei pater Jozef, +dat Gaetano zelf zou beslissen. + +En men had er niets tegen, dat hij in de wereld ging, omdat hij de +laatste van zijn geslacht was. + +Gaetano gleed zacht van donna Elisa's schoot. + +Maar antwoorden! Het was niet zoo gemakkelijk te antwoorden. + +Het was heel moeilijk neen te zeggen tegen deze signora. + +Pater Jozef kwam hem te hulp. + +"Vraag de signora, of je over een paar uur antwoorden moogt, Gaetano." + +"De knaap heeft nooit anders gedacht dan monnik te worden," zei hij +verklarend tot donna Elisa. + +Zij stond op, nam haar parapluie en beproefde er vroolijk uit te zien, +maar ze had tranen in de oogen. + +"Zeker, zeker moest hij zich bedenken," zei zij. + +"Maar indien hij Diamante kende, dan zou hij dat niet noodig hebben. Nu +woonden daar slechts boeren, maar eens leefden daar een bisschop en +vele priesters en een groote menigte monniken. + +"Wel waren dezen nu weg, maar daarom niet vergeten. Want sedert dien +tijd was Diamante een heilige stad. Daar werden meer feestdagen gevierd +dan ergens anders; en er waren zeer vele heiligen en nog heden ten +dage kwamen daar een menigte pelgrims. En hij, die in Diamante woonde, +hij kon God nooit vergeten. Hij was bijna zelf een priester. Dus wat +dat betreft, kon hij gerust daar heengaan. + +"Maar Gaetano moest zich bedenken, indien hij dat wilde. Zij zou +morgen terugkomen." + +Gaetano gedroeg zich al heel slecht. Hij wendde zich van haar af en +ijlde naar de deur. Hij zei geen woord, dat hij dankbaar was voor +haar bezoek. Hij wist dat pater Jozef dit van hem verwacht had, +maar hij kon niet. + +Hij dacht aan den grooten Mongibello, dien hij nooit te zien zou +krijgen en aan donna Elisa, die nooit weer terug zou komen, en aan +de school en aan den door hooge muren omgeven kloostertuin en aan +een geheel leven als van een gevangene. Neen, pater Jozef mocht van +hem verwachten, wat hij wilde, Gaetano moest vluchten. + +En het was hoog tijd. Toen Gaetano tien stappen van de deur was, brak +hij in tranen uit. 't Was zoo hard voor donna Elisa. O! dat zij nu +genoodzaakt was alleen naar huis te gaan! Dat Gaetano niet met haar +kon vertrekken! + +Hij hoorde, dat pater Jozef er aankwam en hij drukte zijn gelaat tegen +den muur. Kon hij dat snikken slechts laten! Pater Jozef zuchtte en +prevelde gebeden, zooals hij gewoonlijk deed. Toen hij bij Gaetano +kwam, bleef hij staan en zuchtte dieper dan ooit. + +"Dat is de Mongibello, de Mongibello," zei pater Jozef, "niemand kan +den Mongibello weerstaan." + +Gaetano antwoordde hem door nog heftiger te schreien. + +"'t Is de berg, die hem lokt," mompelde pater Jozef. "De Mongibello +is gelijk aan de gansche aarde, daarop worden alle planten en +luchtstreken, alle schoonheid, alle betoovering, alle wonderen +der geheele wereld gevonden. De gansche aarde komt opeens om hem +te lokken." + +Gaetano voelde, dat pater Jozef de waarheid sprak. 't Was alsof de +aarde krachtige armen uitstrekte om hem te vangen. Hij voelde, dat +hij zich aan den muur moest vastklemmen om niet weggerukt te worden. + +"'t Is beter, dat hij de wereld te zien krijgt," zei pater Jozef. "Hij +zou slechts naar haar verlangen, indien hij in het klooster bleef. Als +hij de aarde te zien krijgt, zal hij misschien eens terugverlangen +naar den hemel." + +Gaetano begreep nog niet wat de pater meende, toen hij zich voelde +optillen door pater Jozefs armen en terugdragen naar de ontvangkamer, +waar hij op donna Elisa's schoot werd gezet. + +"Gij moet hem nemen, donna Elisa, want gij hebt hem gewonnen," zei +pater Jozef. "Gij moet hem den Mongibello laten zien en trachten of +gij hem behouden kunt." + +Maar toen Gaetano opnieuw op donna Elisa's schoot zat, voelde hij +zich zoo gelukkig, dat het hem onmogelijk was nog eens van haar te +vluchten. Hij was zoo gevangen, alsof hij in den Mongibello zat en +de bergwanden zich achter hem gesloten hadden. + + + + + + +II. + +FRA GAETANO. + + +Een maand had Gaetano bij donna Elisa gewoond en hij was zoo gelukkig +geweest als een kind slechts zijn kan. Alleen te reizen met donna +Elisa, was geweest als te rijden in een wagen, bespannen met gazellen +en paradijsvogels, maar bij haar te wonen was gedragen te worden op +een gouden stoel met zilveren zonneschermen. + +Toen kwam de beroemde Franciscaner, pater Gondo, in Diamante en donna +Elisa en Gaetano gingen naar de markt om hem te hooren. Want pater +Gondo preekte nooit in de kerk, maar verzamelde altijd de menschen +om zich heen op een marktplein of bij een stadspoort. + +De geheele markt was zwart van menschen, maar Gaetano, die op de +leuning van de raadhuistrap zat, kon pater Gondo, die op den rand van +de bron stond, duidelijk onderscheiden. Hij dacht er telkens aan of +het waar kon zijn, dat de monnik onder zijn pij een haren boetekleed +droeg en of het koord, dat hij om het middel had, vol knoopen en +ijzeren stekels was om hem tot geesel te kunnen dienen. + +Wat pater Gondo sprak, kon Gaetano niet verstaan, maar de eene rilling +na de andere ging hem door de leden bij de gedachte, dat hij nu een +heilige zag. + +Toen de pater ongeveer een uur gesproken had, maakte hij met de +hand een teeken, dat hij een oogenblik wilde rusten. En hij daalde +neer van den bronrand, ging zitten en steunde zijn gelaat met beide +handen. Terwijl de monnik zoo zat, hoorde Gaetano een dof geruisch. Dat +had hij vroeger nooit gehoord. Hij keek om zich heen om te zien wat +het was. En het was het geheele volk, dat tegelijk sprak. + +"Gezegend! gezegend! gezegend!" zeiden allen als uit één mond. De +meesten fluisterden slechts, of prevelden, niemand sprak luid, +daarvoor was de eerbied te groot. + +En allen hadden tegelijk hetzelfde woord gevonden. + +"Gezegend! gezegend!" klonk het over de geheele markt. "Gezegend zijn +uwe lippen! Gezegend uwe tong! Gezegend uw hart!" + +De stemmen klonken dof, als verstikt door tranen en ontroering, +maar toch was het alsof een storm door de lucht voer. + +Het was gelijk het ruischen van duizenden zeeschelpen. Dit greep +Gaetano veel meer aan dan de preek van den monnik. + +Hij wist niet wat hij wilde doen, want dit zachte prevelen vervulde +hem met aandoening, tot het hem werd, alsof hij stikken zou. + +Hij klemde zich aan de leuning vast, verhief zich boven alle anderen +en begon hetzelfde als zij te roepen, maar veel luider, zoodat zijn +stem boven alle andere uitklonk. + +Donna Elisa hoorde dit en het scheen haar te mishagen. Zij trok Gaetano +naar beneden en wilde niet langer blijven, maar ging met hem naar huis. + +Maar midden in den nacht stond Gaetano op van zijn bed. + +Hij trok zijn kleeren aan, bond alles wat hij bezat in een bundeltje, +zette zijn hoed op het hoofd en nam zijn schoenen onder den arm. Hij +wilde wegloopen. + +Hij kon het niet uithouden bij donna Elisa. Sedert hij pater Gondo +gehoord had, waren Diamante en de Mongibello niets meer voor hem. Alles +beteekende niets dan te zijn zooals pater Gondo en gezegend te worden +door de menschen. + +Gaetano zou niet kunnen leven indien hij nooit bij de bron zou zitten +om legenden te vertellen. + +Maar als Gaetano niets anders deed dan wandelen in donna Elisa's tuin +en perziken en mandarijnen eten, zou hij nooit de machtige menschenzee +om zich hooren bruisen. Hij moest de wereld ingaan en heremiet op den +Etna worden, hij moest in een der groote grotten wonen en leven van +wortelen en vruchten. Hij zou nooit een mensch zien of spreken, nooit +zou hij zijn haar knippen en hij zou gekleed gaan in vuile lompen. + +Maar na tien of twintig jaar zou hij terugkomen in de wereld, dan +zou hij er uitzien als een dier en spreken als een engel. + +Dat zou heel iets anders zijn dan te wandelen in een fluweelen buis +met een zijden hoed, zooals hij nu deed. Dat zou heel iets anders zijn +dan in den winkel bij donna Elisa te zitten en heilige na heilige van +de planken te halen en haar te hooren vertellen wat zij gedaan hadden. + +Verscheidene malen had hij een mes genomen en een stuk hout en beproefd +een heiligenbeeld te snijden. Dat was heel moeielijk, maar het zou +nog veel moeielijker zijn zich zelf tot een heilige te maken, veel +moeielijker! Maar hij was niet bang voor moeilijkheden en beproevingen. + +Hij sloop uit zijn kamertje over den zolder naar de zoldertrap. Toen +moest hij nog slechts door den winkel gaan om op straat te komen, +maar op de laatste trede der trap bleef hij staan. Er drong een zwakke +lichtschijn door een spleet van de deur, links van de trap. + +Dat was de deur van donna Elisa's kamer en Gaetano waagde het niet +verder te gaan, nu er in zijn pleegmoeders kamer nog licht brandde. Als +zij niet sliep, zou zij hem hooren, wanneer hij de zware grendels +van de winkeldeur wegschoof. Hij ging stil zitten op een trede der +trap om te wachten. + +Plotseling viel het hem in, dat donna Elisa zoo laat in den nacht +moest zitten werken om hem eten en kleeren te verschaffen. Hij was diep +getroffen, dat ze hem zoo liefhad, dat zij dit voor hem wilde doen. + +En hij begreep hoe bedroefd zij zou zijn, als hij wegliep. Toen hij +daaraan dacht, schreide hij. Maar tegelijk begon hij in gedachte +donna Elisa te berispen. Hoe kon zij toch zoo dom zijn te treuren +omdat hij wegliep? Het zou zulk een groote vreugde voor haar zijn, +wanneer hij een heilige werd. Dat zou haar loon zijn, omdat zij naar +Palermo was gekomen om hem te halen. + +Zelf schreide hij al heftiger, terwijl hij op deze wijze donna Elisa +trachtte te troosten. 't Was zoo jammer voor haar, dat zij niet +begreep, welk loon haar wachtte. + +Zij behoefde in het geheel niet zoo bedroefd te zijn. Slechts tien +jaar zou Gaetano op den berg leven, dan zou hij terugkomen als de +beroemde heremiet fra Gaetano. + +Dan zou hij door de straten van Diamante loopen, gevolgd door een +groote menigte menschen, evenals pater Gondo nu. En boven de straten +zouden vlaggen wapperen en de huizen zouden versierd zijn met kleurige +doeken, dekens en kransen. + +Dan zou hij stilstaan voor den winkel van donna Elisa en zij zou hem +niet herkennen, maar op het punt staan voor hem te knielen. Dat zou +echter niet gebeuren, maar hij zou op de knieën vallen voor donna +Elisa, en haar smeeken hem te vergeven, omdat hij tien jaar geleden +van haar weggeloopen was. + +"Gaetano," zou donna Elisa dan antwoorden, "gij geeft mij een zee +van vreugde voor een beekje van verdriet. Zou ik u dan niet vergeven?" + +Gaetano zag dit alles voor zich en het was zoo schoon, dat hij al +heftiger begon te schreien. Hij was slechts bang, dat donna Elisa +zou hooren hoe hij snikte, en dat ze uit haar kamer komen en hem +vinden zou. + +En dan zou ze hem niet laten gaan. + +Hij moest haar tot rede brengen. Zou hij haar ooit tot grooter vreugde +kunnen worden, dan indien hij nu van haar ging? En 't was niet alleen +donna Elisa, maar Luca en Pacifica, die zoo gelukkig zouden zijn, +wanneer hij terugkwam als een heilig man. + +Zij zouden hem allen volgen naar de markt. Daar zouden nog meer +vlaggen zijn dan op straat en Gaetano zou op de trap van het raadhuis +spreken. Maar uit alle straten en steegjes zouden de menschen +toestroomen. + +Dan zou Gaetano zóó spreken, dat allen op de knieën zouden vallen en +roepen: "Zegen ons! fra Gaetano, zegen ons!" + +En hij zou Diamante niet meer verlaten, maar onder de groote trap voor +donna Elisa's winkel blijven wonen. En ze zouden tot hem komen met alle +zieken; en de bedroefden van harte zouden een bedevaart naar hem doen. + +Als de Sindaco van Diamante voorbijging, zou hij Gaetano de hand +kussen. + +Donna Elisa zou het beeld van fra Gaetano in haar winkel verkoopen. + +En Giannita, donna Elisa's peetdochter, zou voor Gaetano buigen en +hem nooit meer een dommen kleinen monnik noemen. En donna Elisa zou +zoo gelukkig zijn. + + + +O!.... Gaetano sprong op en ontwaakte. 't Was klaarlichte dag en +donna Elisa en Pacifica stonden naar hem te kijken. En Gaetano zat +op de trap met zijn schoenen onder den arm, den hoed op het hoofd en +zijn bundeltje aan de voeten. + +Donna Elisa en Pacifica schreiden. "Hij wilde wegloopen van ons," +zeiden ze. + +"Waarom zit je daar, Gaetano?" + +"Donna Elisa, ik wilde wegloopen." + +Gaetano was vroolijk te moede en antwoordde zoo onbeschroomd, alsof +het de natuurlijkste zaak ter wereld was. + +"Wilde jij wegloopen?" riep donna Elisa. + +"Ja, ik wilde naar den Etna gaan om heremiet te worden." + +"En waarom zit je dan hier?" + +"Dat weet ik niet, donna Elisa, ik moet geslapen hebben." + +Donna Elisa toonde nu hoe bedroefd zij was. + +Ze drukte de handen tegen heur hart alsof zij vreeselijke smarten +leed en schreide bitter. + +"Maar nu zal ik bij u blijven, donna Elisa," zei Gaetano. + +"Gij blijven!" riep donna Elisa uit. "Ge moogt gerust gaan. Zie hem +aan, Pacifica, zoo ziet een ondankbare er uit! Hij is geen Alagona. Hij +is een avonturier." + +'t Bloed steeg Gaetano naar het gelaat, hij stond op en maakte een +gebaar met de hand, dat donna Elisa verbaasd deed staan. Zoo hadden +al de mannen van haar geslacht zich gedragen. Haar vader en haar +grootvader, zij herkende daaraan al de trotsche heeren van Alagona's +stam. + +"Ge spreekt zoo, omdat ge niets weet, donna Elisa," zei de +knaap. "Neen, neen, ge weet niets, ge weet niet waarom ik God moet +dienen. Maar nu zult gij het weten. Ziet ge, het is lange jaren +geleden. Vader en moeder waren zoo arm en we hadden niets te eten en +toen ging vader weg om werk te zoeken en hij kwam nooit terug. Moeder +en wij kinderen waren op het punt te verhongeren. Toen zei moeder: "Wij +zullen vader gaan zoeken!" En wij gingen. Het werd avond, het regende +hevig en op enkele plaatsen stroomde er een heele rivier over den weg. + +"Moeder vroeg in een huis of wij daar mochten overnachten. Neen, ze +joegen ons weg. Moeder en wij stonden op den weg te schreien. Toen +bond moeder haar kleeren op en waagde zich in den stroom die over +den weg bruiste. Zij had klein zusje op den arm en groote zus bij +de hand, en een zwaar pak op het hoofd. Ik volgde haar zoo vlug ik +slechts kon. Ik zag hoe moeder struikelde. De bundel dien zij op +het hoofd droeg, viel in den stroom, moeder greep er naar en verloor +klein zusje. Zij greep naar klein zusje en toen werd groote zus door +den stroom meegesleurd. Moeder trachtte haar beiden te grijpen, maar +ook zij werd door het water meegesleept. Ik werd bang en sprong aan +land. Pater Jozef heeft mij gezegd, dat ik gespaard bleef, opdat ik +God voor de dooden zou kunnen dienen en bidden. En dat was de reden, +dat ik eerst monnik zou worden, en dat ik nu naar den Etna wilde gaan +om heremiet te worden. + +"Want, donna Elisa, ik moet God dienen." + +Donna Elisa gaf zich nu gewonnen. + +"Ja, ja, Gaetano," zei zij, "maar het doet mij zoo'n verdriet. Ik +kan niet verdragen dat je van mij weggaat." + +"Neen, maar ik ga ook niet weg," zei Gaetano. Hij was zoo vroolijk, +dat hij lust gevoelde te lachen. + +"Ik zal niet weggaan." + +"Zal ik met den pastoor spreken, dat je op een seminarium kunt +komen?" vroeg donna Elisa ootmoedig. + +"Neen maar, dat ge niets begrijpt, donna Elisa, dat ge niets +begrijpt! Ik zeg u immers, dat ik niet van u wil gaan. Ik heb iets +anders gedacht." + +"Wat hebt ge bedacht?" vroeg zij treurig. + +"Wat gelooft ge dat ik gedaan heb, terwijl ik daar op de trap zat, +donna Elisa? Ik droomde. Ik droomde, dat ik weg wilde loopen. Ja, +donna Elisa, ik stond in den winkel en wilde de deur openen, maar kon +niet omdat er zooveel grendels voor waren. Ik stond in de duisternis +en schoof grendel na grendel weg, maar steeds waren er weer nieuwe. Ik +maakte een vervaarlijk leven en dacht: Nu hoort donna Elisa me stellig. + +"Eindelijk was de deur open en ik wilde de straat op ijlen, toen ik een +hand in mijn nek voelde, en gij mij naar binnen trokt. Ik schopte en +schopte en ik sloeg u, omdat ik niet mocht gaan. Maar donna Elisa, +ge droegt een lantaarn, en toen zag ik dat gij het niet waart, +maar moeder. + +"Toen durfde ik niet langer tegenstribbelen, ik werd zoo bang, +want moeder is immers dood. Maar zij nam den bundel, dien ik droeg, +en maakte hem los. + +"Moeder lachte en zag er verheugd uit, en ik was gelukkig, omdat zij +niet boos op mij was. + +"Het was zoo vreemd. Hetgeen zij uit den bundel haalde, waren al de +kleine heiligenbeeldjes die ik gesneden heb, terwijl ik in den winkel +zat en die waren zoo mooi. + +"Kan je nu zulke mooie beelden snijden, Gaetano?" vroeg moeder. + +"Ja," antwoordde ik. + +"Dan kan je God daarmee dienen," zei moeder. + +"Behoef ik donna Elisa dan niet te verlaten?" + +"Neen," zei moeder. + +"En juist toen moeder dat zei, wektet gij mij." + +Gaetano zag donna Elisa triomfeerend aan. + +"Wat meende moeder daar nu mee?" + +Donna Elisa stond verbaasd. + +Gaetano wierp het hoofd achterover en lachte. + +"Moeder meende, dat ge mij in de leer moest doen, opdat ik God zou +kunnen dienen door schoone beelden van engelen en heiligen te snijden, +donna Elisa!" + + + + + + +III. + +DE GODSZUSTER. + + +Op het edele eiland Sicilië, waar nog meer oude zeden heerschen +dan ergens anders in het Zuiden, bestaat nog de gewoonte, dat ieder +mensch zich in de jeugd een godszuster of godsbroeder kiest, die haar +of zijn kind ten doop zal houden indien zij of hij dit eens krijgt. + +Maar dat is volstrekt niet het eenige nut, dat godszusters en +broeders van elkaar hebben. Zij moeten elkaar liefhebben, elkaar +dienen en wreken. In het oor van een godsbroeder kan men al zijn +geheimen begraven. Men kan hem zoowel zijn geld als zijn liefste +toevertrouwen, zonder bedrogen te worden. + +Godszusters en broeders zijn elkaar trouw, alsof ze uit één moeder +geboren waren, omdat hun verbond gesloten is voor San Giovanni +Battista, den meest gevreesde van alle heiligen. + +Dikwijls gaan arme menschen met hun half volwassen kinderen naar +rijke menschen om dezen te verzoeken of ze godszuster of broeder met +hun jonge dochters of zonen willen worden. Welk een heerlijk gezicht +is het niet op den dag van den heiligen Dooper al deze feestelijk +gekleede kinderen te zien, die door de groote steden trekken om +godszusters en broeders te zoeken. + +En als het den ouders gelukt is hun zoon een rijken godsbroeder te +geven, zijn zij zoo gelukkig alsof ze hem een landgoed als een erfenis +kunnen nalaten. Toen Gaetano in Diamante kwam, was er een klein meisje, +dat voortdurend den winkel van donna Elisa in- en uitliep. Ze droeg +een rooden mantel en een puntig mutsje en acht lange, zwarte lokken +kwamen onder dat mutsje te voorschijn. Zij heette Giannita en was de +dochter van donna Olivia die groenten verkocht. + +Maar donna Elisa was haar peettante en daarom dacht deze er dikwijls +over, wat zij voor haar zou kunnen doen. + +Nu goed, toen Sint-Jansdag aanbrak, bestelde donna Elisa een wagen +en reed naar Catania, dat volle vier mijl van Diamante ligt. Zij had +Giannita bij zich en beiden waren in feestgewaad. + +Donna Elisa was in zwarte zijde met paarlen gekleed en Giannita had een +wit tulen kleedje aan, met bloemen versierd. In de hand droeg Giannita +een mand met bloemen en boven op de bloemen lag een granaatappel. De +reis ging zeer voorspoedig voor donna Elisa en Giannita. Toen ze +eindelijk aan het witte Catania gekomen waren, dat glanzend op den +zwarten lavabodem ligt, reden ze naar het schoonste paleis van de stad. + +Dit was hoog en groot, zoodat de arme, kleine Giannita zich zeer +verlegen gevoelde, omdat ze genoodzaakt was daar in te gaan. Maar +donna Elisa stapte moedig naar binnen en zij werd naar cavaliere +Palmeri en zijn vrouw gevoerd, die het paleis bewoonden. + +Donna Elisa herinnerde signora Palmeri er aan, dat zij vriendinnen +der jeugd waren en verzocht of Giannita godszuster met de signora's +jong dochtertje mocht worden. Dat voorstel vond bijval en de jonge +signorina werd binnengeroepen. Zij was een klein wonder van lichte +zijde, Venetiaansche kant, groote zwarte oogen en welig krullend +haar. Haar klein lichaam was zoo tenger en slank, dat men het in het +geheel niet opmerkte. + +Giannita reikte haar de mand met bloemen en zij nam die genadig aan, +liep om haar heen en was opgetogen over haar lange gladde lokken. + +Zoodra zij deze gezien had, snelde zij weg om een mes te halen. Zij +sneed den granaatappel door en gaf Giannita een der helften. + +Terwijl ze den appel aten, hielden ze elkaar bij de hand en zeiden +beiden: + + + "Zuster, zuster, zuster mijn, + Ik ben dijn en gij zijt mijn. + Dijn mijn hut, dijn mijn spijs, + Dijn mijn vreugd', dijn mijn prijs, + Dijn mijn plaats in 't Paradijs." + + +Toen kusten ze elkaar en zeiden godszuster tot elkaar. + +"Nu moet ge mij nooit ontrouw worden, godszuster," zei de kleine +signorina en beide kinderen waren zeer ernstig en aangedaan. + +Ze werden in dien korten tijd zulke goede vrienden, dat zij schreiden, +toen ze van elkaar gingen. + +Maar sedert verliepen twaalf jaren en de beide godszusters leefden elk +in haar wereld en zagen elkaar nooit. Gedurende dezen ganschen tijd +bleef Giannita stil in huis en kwam zelfs geen enkelen keer in Catania. + +Maar toen geschiedde er werkelijk iets wonderbaarlijks. Giannita +zat op een namiddag in het vertrek achter den winkel te borduren, +zij was zeer bekwaam, zoodat zij dikwijls overladen was met arbeid. + +Bij het borduurwerk komt het echter op de oogen aan en het was zeer +donker in Giannita's kamer. Daarom had ze de deur van den winkel op +een kier gezet om wat meer licht te hebben. + +Juist nadat de klok vier uur geslagen had, kwam de oude molenaarsweduwe +Rosa Alfari voorbij. + +Donna Oliva's winkel was zeer aanlokkelijk, als men dien van de straat +zag. De blik gleed door de geopende deur naar de groote manden met +versche groenten en kleurige vruchten; verder op den achtergrond zag +men de omtrekken van Giannita's mooi hoofd. + +Rosa Alfari bleef staan en begon met donna Oliva te spreken, alleen +omdat haar winkel er zoo vriendelijk uitzag. + +Zuchten en klachten behoorden altijd tot het gevolg van Rosa Alfari. Nu +was zij verdrietig, omdat ze genoodzaakt was den volgenden nacht +alleen naar Catania te reizen. + +"'t Is ellendig, dat de postwagen niet vóór tien uur in Diamante komt," +zei zij. "Ik val natuurlijk onderweg in slaap, en misschien steelt +men dan mijn geld. En wat moet ik beginnen als ik vannacht om twee +uur in Catania kom?" + +Toen riep Giannita plotseling uit den winkel: + +"Wilt ge mij niet meenemen naar Catania, donna Alfari?" + +Ze vroeg het half schertsend zonder een antwoord te verwachten. + +Maar Rosa Alfari werd ijverig. "God, kind, wil je met mij gaan?" zei +zij. "Wil je het werkelijk?" + +Giannita kwam uit den winkel, rood van vreugde. "Of ik wil," zei zij, +"ik ben in geen twaalf jaar in Catania geweest!" + +Rosa Alfari keek haar vergenoegd aan, want Giannita was groot en sterk, +haar oogen waren vroolijk en zij had steeds een kwinkslag op de lippen. + +Dat was een heerlijke reisgenoote! + +"Maak je maar klaar," zei de oude vrouw. "Je gaat om tien uur met +mij mede, dat is afgesproken." + +Den volgenden dag dwaalde Giannita in de straten van Catania. Zij +dacht den ganschen tijd aan haar godszuster. Zij was wonderlijk te +moede weer in haar nabijheid te zijn. + +Zij had haar godszuster lief, niet alleen, omdat San Giovanni den +menschen beveelt hun godszusters en broeders te beminnen. Zij had +het kleine meisje in het zijden kleedje vereerd als het schoonste, +dat zij ooit gezien had. 't Was bijna haar afgod geworden. + +Zij wist slechts dat haar godszuster nog ongetrouwd was en in Catania +woonde. Haar moeder was overleden en zij had haar vader niet willen +verlaten, maar was bij hem gebleven. + +"Ik wil trachten haar te zien," dacht Giannita. + +En telkens als Giannita een elegante equipage ontmoette, dacht zij: +Misschien is het mijn godszuster, die daar rijdt. + +En zij staarde naar de rijdenden om te zien of één van hen ook geleek +op het kleine meisje met het welige haar en de groote oogen. Giannita's +hart begon onstuimig te kloppen. Zij had altijd naar haar godszuster +verlangd. + +Zij was nog ongetrouwd, omdat zij een jongen beeldhouwer, Gaetano +Alagona, liefhad en hij nooit de minste neiging getoond had met haar +te trouwen. + +Giannita was daarom dikwijls boos geweest op hem, en niet het minst +had het haar geërgerd, dat zij nooit haar godszuster op haar bruiloft +kon uitnoodigen. + +Trotsch was zij ook op haar geweest. Zij had zich zelf voornamer +gevonden dan de anderen, omdat zij zulk een godszuster had. Als zij +nu eens naar haar toeging, omdat zij toch in de stad was? + +Dat zou glans geven aan haar geheele reis. + +Terwijl zij daaraan dacht en dacht, kwam er een courantenjongen +aan. "Giornale da Sicilia!" schreeuwde hij. "De zaak Palmeri! Groote +oplichterijen!" + +De lange Giannita greep den jongen in den nek, toen hij haar voorbij +ijlde. + +"Wat zeg je?" schreeuwde zij. "Je liegt, je liegt!" en zij was op +het punt hem te slaan. + +"Koop mijn courant, signora, vóórdat ge mij slaat," zei de +knaap. Giannita kocht de courant en begon te lezen. Al spoedig ontdekte +zij de zaak Palmeri. + +"Daar deze zaak heden voor het gerecht behandeld wordt, willen wij +onze lezers daarvan op de hoogte stellen." + +Giannita las en las en zij herlas het telkens weer vóórdat zij het +begreep. Er was geen spier in haar lichaam, die niet van ontzetting +trilde, toen zij het eindelijk begreep. + +De vader van haar godszuster, die groote wijngaarden bezat, was +geruïneerd. De druivenziekte had zijn bezittingen verwoest. + +En dat was nog niet het ergste. Hij had een liefdadigheidsfonds +gebruikt, dat hem toevertrouwd was. Hij was gearresteerd en vandaag +zou hij voor het gerecht moeten verschijnen. Giannita frommelde de +courant in elkaar, smeet die op de straat en trapte er op. Beter lot +verdiende ze niet, die zulke nieuwstijdingen bracht. + +Ze was geheel verslagen dat dit haar moest treffen, nu zij na twaalf +jaar voor 't eerst weer in Catania kwam. "Heere God," zei zij. "Wat +moet dit alles beteekenen?" + +Thuis in Diamante had nooit iemand zich de moeite getroost haar te +zeggen, wat er gebeurd was. + +Was het een beschikking Gods, dat zij juist hier op den gerechtsdag +moest zijn? + +"Hoor eens, donna Alfari," zei zij. "Ge moogt doen wat ge wilt, +maar ik moet naar de terechtzitting." + +Giannita's houding teekende groote beslistheid, niets kon haar in +haar besluit doen wankelen. + +"Begrijpt gij niet dat het ter wille van deze zaak en niet om +uwentwille is, dat God u bewogen heeft mij naar Catania mee te +nemen?" zei zij tot Rosa Alfari. + +Geen oogenblik twijfelde Giannita. + +Rosa Alfari moest haar laten gaan, en zij zocht den weg naar het paleis +van justitie. Daar stond ze tusschen de straatjongens en leegloopers +op de publieke tribune en zag cavaliere Palmeri zitten op de bank +der aangeklaagden. + +Het was een voornaam heer met een puntbaard en witten knevel. Giannita +herkende hem dadelijk. + +Ze hoorde hoe hij veroordeeld werd tot een halfjaar gevangenisstraf +en Giannita voelde steeds duidelijker, dat zij hier als gezant van +God was. + +Nu heeft mijn godszuster mij noodig, dacht zij. + +Zij ging weer op straat en vroeg den weg naar het paleis Palmeri. + +Onderweg ging een rijtuig haar voorbij. Zij zag op en haar oogen +ontmoetten die der dame, die in het rijtuig zat. + +In hetzelfde oogenblik was er iets, dat haar zeide dat dit haar +godszuster was. De dame in het rijtuig was bleek en gebogen en had +smeekende oogen. Giannita kreeg haar dadelijk zeer lief. + +"Gij zijt het, die mij zoo vele keeren verblijd hebt," zei ze, +"omdat ik zooveel vreugde van u verwachtte. Nu zal ik u misschien +kunnen beloonen." + +Giannita was plechtig gestemd, toen zij de hooge marmeren trap van +het palazzo Palmeri besteeg, maar plotseling kwam er twijfel over haar. + +Wat kan God willen, dat ik voor haar zal doen, die in zulk een weelde +is opgegroeid? dacht zij. Vergeet onze lieve Heer, dat ik slechts de +arme Giannita van Diamante ben? + +Zij liet signorina Palmeri door een bediende zeggen, dat haar +godszuster haar wenschte te spreken. Zij was verbaasd toen de bediende +terugkwam en zei, dat zij niet ontvangen kon worden. + +Zou zij zich daarmee tevredenstellen? O, neen, o, neen! "Zeg de +signorina, dat ik den geheelen dag op haar zal wachten, want ik moet +haar spreken." + +"De signorina zal over een half uur het paleis verlaten," zei de +bediende. + +Giannita geraakte buiten zich zelf: "Maar ik ben haar godszuster, +haar godszuster, versta je mij niet?" zei ze tegen den knecht. "Ik +moet haar spreken." + +De bediende glimlachte, maar verroerde zich niet. + +Maar Giannita wilde niet afgewezen worden. Zij was immers door God +gezonden. Dat moest hij toch begrijpen, zei zij en verhief haar +stem. Ze kwam uit Diamante en was in twaalf jaar niet in Catania +geweest. Zelfs tot gistermiddag vier uur had zij er niet aan gedacht +hierheen te gaan. + +Denk eens, tot gistermiddag vier uur had zij er zelfs niet aan gedacht! + +De bediende stond onbeweeglijk. Giannita was op het punt hem haar +geheele geschiedenis te vertellen om hem te bewegen haar binnen +te laten, toen een deur opengerukt werd. Haar godszuster stond op +den drempel. + +"Wie spreekt hier over gistermiddag vier uur?" vroeg zij. + +"Een vreemde vrouw wenscht u te spreken, signorina Micaela." + +Nu snelde Giannita op haar toe. "Zij was volstrekt geen vreemde. Zij +was haar godszuster uit Diamante, die hier voor twaalf jaar met donna +Elisa geweest was. Herkende zij haar niet? Wist signorina Micaela +niet meer, dat zij een granaatappel samen gedeeld hadden?" + +De signorina luisterde niet naar haar. + +"Wat gebeurde er gisteren om vier uur?" vroeg zij met grooten angst +in haar stem. + +"Toen was het, dat ik Gods bevel ontving om tot u te gaan, godszuster," +zei Giannita. + +De andere keek haar verschrikt aan. "Ga met mij," zei ze, alsof ze +bevreesd was, dat de bediende zou hooren, wat Giannita haar wilde +vertellen. + +Zij ging diep in de woning voordat zij staan bleef. Toen wendde zij +zich zoo plotseling tot Giannita, dat deze verschrikte. + +"Zeg het mij dadelijk!" zei zij. "Pijnig mij niet, zeg het mij zoo +vlug mogelijk." + +Zij was even lang als Giannita, maar deze in geenen deele gelijk. Zij +was veel tengerder gebouwd en zij, de dame van de wereld, had een +veel wilder, ongetemder uiterlijk dan het meisje van het land. Alles +wat zij gevoelde was op haar gelaat te lezen. + +Ze scheen zich in het geheel niet te kunnen beheerschen om het +verborgen te houden. + +Giannita was zoo verbaasd over haar heftigheid, dat zij niet zoo +spoedig een antwoord kon geven. + +Toen hief haar godszuster in vertwijfeling haar armen boven het hoofd +en de woorden stroomden over haar lippen. + +Zij zei, dat zij wist dat Giannita Gods bevel ontvangen had om haar +nieuwe ongelukken te berichten. God haatte haar, dat wist zij. + +Giannita sloeg haar handen in elkaar. God haar +haten! Integendeel! Integendeel! + +"Ja, ja," zei signorina Palmeri. "Zoo is het." En daar ze zielsbevreesd +was voor de tijding, die Giannita haar kwam brengen, bleef zij maar +steeds doorpraten. Zij liet Giannita niet aan het woord komen, maar +viel haar voortdurend in de rede. + +Zij scheen zoo geschokt te zijn door alles, wat haar in de laatste +dagen overkomen was, dat zij zich in het geheel niet meer beheerschen +kon. + +"Giannita kon toch wel begrijpen, dat God haar moest haten," +zei zij. "Zij had zoo iets vreeselijks gedaan. Zij had haar vader +verloochend, haar vader verzaakt. + +"Giannita kende toch wel het vierde gebod." Toen barstte zij opnieuw +uit in tal van onstuimige vragen. + +"Waarom zei Giannita haar toch niet, wat zij haar wilde zeggen? Zij +verwachtte immers niets anders dan kwaad. Zij was voorbereid." + +Maar de arme Giannita kon niet aan het woord komen, want zoodra zij +wilde spreken, werd de signorina bang en viel haar in de rede. + +Zij vertelde Giannita haar geschiedenis, als om deze te bewegen niet +hard jegens haar te zijn. + +Giannita moest niet denken, dat haar ongeluk slechts daarin bestond +dat zij niet langer een eigen rijtuig zou hebben, of een loge in het +theater of mooie kleeren, of veel bedienden of zelfs een dak boven +haar hoofd. Ook niet hierin, dat zij al haar vrienden verloren had, +zoodat zij niet wist waar zij een schuilplaats zou zoeken; evenmin +dat zij zulk een schaamte gevoelde, dat zij meende nooit weer de +oogen te durven opheffen tot eenig mensch. Neen, het was nog iets +veel vreeselijkers. + +Zij had plaats genomen en zweeg nu een oogenblik, terwijl zij van +angst heen en weer wiegde. + +Maar toen Giannita nu begon te spreken, viel zij haar weer in de rede. + +Giannita kon niet denken, hoe haar vader haar had liefgehad. Hij had +haar altijd laten leven in glans en heerlijkheid, gelijk een vorstin. + +Zij had niet veel voor hem gedaan, slechts hem heerlijke plannen laten +verzinnen om haar te vermaken. Het was volstrekt geen opoffering +geweest, dat zij niet getrouwd was, want zij had nooit een man zoo +liefgehad als haar vader, en haar eigen thuis was prachtiger geweest +dan dat van iemand anders. + +Maar toen was haar vader op een dag bij haar gekomen en had tot +haar gezegd: + +"Zij willen mij arresteeren. Ze verspreiden het gerucht dat ik gestolen +heb, maar dat is niet waar." + +Toen had zij hem geloofd en hem geholpen zich verborgen te houden +voor de karabiniers. En zij hadden hem tevergeefs gezocht in Catania, +op den Etna en over geheel Sicilië. + +Maar toen de politie cavaliere Palmeri niet kon vinden, begon het +volk te zeggen: + +"'t Is een voornaam heer en het zijn hooge heeren, die hem helpen, +anders zou men hem reeds lang geleden gevonden hebben." + +En toen was de prefect van Catania bij haar gekomen. Zij ontving +hem lachend en de prefect deed alsof hij kwam spreken over rozen +en over het mooie weer. Plotseling zei hij: "Wil de signorina dit +kleine papier even inzien? Wil de signorina dit kleine briefje eens +lezen? Wil de signorina letten op de onderteekening?" + +Ze las en las. En wat zag ze? Haar vader was niet onschuldig. Haar +vader had het geld van anderen genomen. Toen de prefect weg was, +ging zij naar haar vader. + +"Gij zijt schuldig!" zei ze tot hem. "Ge kunt doen wat ge wilt maar +ik kan u niet meer helpen." + +O, zij had niet geweten wat zij zei. Zij was altijd zoo trotsch +geweest. Zij had niet kunnen dulden, dat er een smet op haar naam +kleefde. Een oogenblik had zij gewenscht, dat haar vader dood was, +liever dan dat dit haar moest overkomen. Misschien had zij hem dit +ook gezegd. Zij wist niet precies wat zij gezegd had. + +Maar daarna had God haar verlaten. De vreeselijkste dingen waren +gebeurd. Haar vader had haar aan haar woord gehouden. Hij had zichzelf +aan het gerecht overgeleverd. En sedert hij in de gevangenis zat, +had hij haar niet willen zien. Hij antwoordde niet op haar brieven, en +het eten, dat zij hem zond, stuurde hij haar onaangeroerd terug. Dat +was het vreeselijkste van alles. Hij scheen te denken, dat zij hem +wilde dooden. Zij keek Giannita zoo angstig aan, alsof zij haar +doodvonnis verwachtte. + +"Waarom vertel je mij toch niet, wat je mij te zeggen hebt?" riep +zij uit. "Je doodt mij." + +Maar 't was haar onmogelijk zich zelf tot zwijgen te dwingen. "Je +moet weten," vervolgde zij, "dat dit paleis nu verkocht is en dat de +kooper het aan een Engelsche dame verhuurd heeft, die hier vandaag +zal intrekken. Maar enkele van haar bezittingen droegen ze reeds +gisteren hier in en daaronder was een klein beeld van het Christuskind. + +"Ik zag het, toen ik door de vestibule liep. Zij hadden het uit een +valies genomen en het op den grond gelegd. Het was zoo beschadigd, +dat niemand er acht op sloeg. Zijn kroon was vol deuken, zijn kleertjes +waren vuil en de sieraden, die het bedekten, waren verroest en leelijk +geworden. Maar toen ik het op den grond zag liggen, nam ik het op en +droeg het in de kamer, waar ik het op een tafel plaatste. En terwijl +ik dat deed, viel het mij in, dat ik zijn hulp moest vragen. + +"Ik knielde en bad lang. "Help mij in mijn grooten nood," zei ik tot +het Christuskind. + +"Terwijl ik bad, scheen het mij, dat het beeld mij wilde antwoorden. Ik +hief het hoofd op, maar het stond daar nog even sprakeloos als vroeger; +juist toen begon een pendule te slaan. + +"Er klonken vier slagen en 't was alsof het vier woorden waren. 't +Was alsof het Christuskind met een viervoudig ja op mijn bede had +geantwoord. + +"Dat gaf mij moed, Giannita, zoodat ik vandaag naar het paleis van +justitie reed om mijn vader te zien. Maar hij verwaardigde mij met +geen blik gedurende al den tijd, dat hij voor zijn rechters stond. + +"Ik wachtte op het oogenblik, dat zij hem zouden wegvoeren en wierp +me voor hem op de knieën in een der nauwe gangen. Giannita; hij liet +mij door de soldaten wegleiden, zonder mij een woord te schenken. + +"Zie je nu, dat God mij haat? Toen ik hoorde dat je sprak van +gistermiddag vier uur, werd ik bang. + +"Het Christuskind zendt mij een nieuw ongeluk, dacht ik. Het haat mij, +die mijn vader verloochend heb." + +Toen zij dit gezegd had, zweeg ze eindelijk en luisterde ademloos +naar hetgeen Giannita zou vertellen. + +En Giannita verhaalde signorina Micaela haar geschiedenis. + +"Zie nu eens, is dat niet merkwaardig," zei ze ten slotte. "Ik ben in +twaalf jaar niet in Catania geweest en nu reisde ik geheel onverwacht +hierheen. En ik weet van niets, maar zoodra ik hier mijn voet op +straat zet, hoor ik je ongeluk. God heeft mij gezonden, zei ik tot +mij zelf. Hij heeft mij hierheen geleid, opdat ik mijn godszuster +zou kunnen helpen." + +Signorina Palmeri's oogen waren angstig vragend op haar gericht. + +Nu zou zeker de slag komen. Zij verzamelde al haar moed om dien +te ontvangen. + +"Wat wil je, dat ik voor je doen zal, godszuster?" vroeg Giannita +"Weet je wat ik dacht toen ik op straat liep? Ik wil haar vragen +of zij mij naar Diamante wil volgen, dacht ik. Ik weet daar een oud +huis, waar we goedkoop zouden kunnen wonen. Ik zou borduren en naaien, +zoodat we daarvan konden leven. Toen ik op straat was, dacht ik, dat +het gaan zou, maar nu begrijp ik, dat het onmogelijk is, onmogelijk! Je +verlangt iets anders van het leven, maar zeg toch of ik iets voor je +doen kan. Je moogt mij niet afwijzen, want God heeft mij gezonden." + +De signorina boog zich over tot Giannita. + +"Nu!" zei zij angstig. + +"Je moet mij voor je laten doen, wat in mijn macht staat, want ik heb +je lief," zei Giannita en gleed op de knieën, terwijl ze de armen om +haar godszuster sloeg. + +"Heb je niets anders te zeggen?" vroeg de signorina. + +"Dat zou ik gaarne willen," zei Giannita, "maar ik ben immers maar +een arm meisje." + +Het was wonderbaarlijk te zien, hoe nu de gelaatstrekken der jonge +signorina verteederden, hoe haar blik verhelderde en hoe haar oogen +begonnen te stralen. Nu bleek het, dat zij een groote schoonheid was. + +"Giannita," zei ze zacht, nauwelijks hoorbaar, "geloof je dat dit +een wonder is? Geloof je, dat God een wonder kan laten geschieden +om mijnentwille?" + +"Ja, ja," fluisterde Giannita. + +"Ik smeekte het Christusbeeld, dat hij mij zou helpen, en hij zendt mij +jou. Geloof je, dat het Christus was die je gezonden heeft, Giannita?" + +"Ja zeker, hij was het." + +"God heeft mij dus niet verlaten, Giannita?" + +"Neen, God heeft je niet verlaten." + +Signorina Micaela zat een tijdje stil te weenen. "Toen jij kwam, +Giannita, dacht ik dat mij niets anders overbleef, dan mij te dooden," +zei ze daarna. "Ik wist niet waarheen ik mijn weg zou nemen want ik +dacht, dat God mij haatte." + +"Maar zeg mij nu, wat ik voor je doen kan, godszuster," zei Giannita. + +Tot antwoord trok de andere haar naar zich toe en kuste haar. + +"Maar het is immers al voldoende, dat je door het kleine Christusbeeld +gezonden zijt," zei ze. "Het is immers al voldoende, nu ik weet, +dat God mij niet verlaten heeft." + + + + + + +IV. + +DIAMANTE. + + +Micaela Palmeri was op reis naar Diamante in gezelschap van +Giannita. Ze hadden 's morgens om drie uur plaats genomen in den +postwagen en ze waren langs den schoonen weg gereden, die zich van +den voet van den Etna langs den berg omhoog slingert. + +Maar het was nog geheel donker. Ze hadden niets van de omgeving +kunnen onderscheiden. + +De jonge signorina beklaagde zich volstrekt niet daarover. Zij zat +met neergeslagen oogen en verdiepte zich in haar smart. Zelfs toen het +begon te dagen, wilde zij haar oogen niet opslaan om uit te zien. 't +Was niet, vóórdat ze vlak bij Diamante waren, dat Giannita haar kon +bewegen het landschap te beschouwen. + +"Zie nu eens uit! Hier is Diamante, dat je thuis zal worden," zei zij. + +Toen had Micaela Palmeri rechts van den weg den machtigen Etna +gezien, die een groot stuk van den hemel sneed. Ver achter den berg +ging de zon op, en toen de bovenste rand der zonneschijf zich over +den bergtop verhief, scheen het alsof de witte sneeuwberg begon te +gloeien, en vonken en stralen verspreidde. + +Maar Giannita verzocht haar naar den anderen kant te zien. En aan +de andere zijde zag ze de geheele getakte bergketen, die den Etna +gelijk een met torens versierden muur omringt, gloeiend rood staan +in den zonsopgang. + +Maar Giannita wees naar een anderen kant. Dat was het niet, wat ze +moest zien, dat niet. + +Toen liet ze haar blik dalen en zag neer in een zwarte vallei. Daar +glansde het veld als fluweel en de witte Simeto schuimde naar beneden +in het dal. + +Maar nog richtte zij haar blik niet naar de goede plaats. + +Toen eindelijk zag ze den steilen Monte Chiaro, die zich uit het +zwarte, fluweelen dal verhief; stralend in het morgenrood en begroeid +met statige palmen, die hem als met zonneschermen beschutten tegen +de stralen der zon. + +En op de kruin zag zij een stad, met torens versierd en door +muren omgeven, en alle vensters en windwijzers schitterden in den +zonneschijn. + +Bij dit gezicht had zij Giannita's arm gegrepen en haar gevraagd of +dit een werkelijke stad was en of daar ook menschen woonden. + +Zij geloofde, dat dit een der steden des hemels was en dat die even +spoedig verdwijnen zou als een droomgezicht. Zij kon niet denken, dat +er ooit een mensch langs den weg gewandeld had, die zich van uit het +dal over hooge heuvels naar de Monte Chiaro slingerde en in zigzag-lijn +langs den berg opkroop om in de donkere stadspoort te verdwijnen. + +Maar toen ze dichter bij Diamante kwam en zag dat het een werkelijke +aardsche stad was, kwamen haar de tranen in de oogen. + +Het ontroerde haar, dat de aarde voor haar nog al haar schoonheid +bezat. Zij had geloofd, dat sedert die het tooneel van al haar rampen +was geweest, zij die steeds grauw, verdord en bedekt met distels en +giftbloemen zou vinden. + +Ze reed met gevouwen handen het arme Diamante binnen, alsof ze een +heiligdom betrad. + +En haar scheen het, dat deze stad haar evenveel geluk als schoonheid +zou kunnen bieden. + + + + + + +V. + +DON FERRANTE. + + +Een paar dagen later stond Gaetano in zijn werkplaats en sneed +wijnranken op koralen van rozenkransen. Het was Zondag, maar Gaetano +maakte zich geen gewetenswroeging van zijn arbeid, hij werkte immers +tot Gods eer. + +Groote angst en onrust waren over hem gekomen. De gedachte was in +hem ontwaakt, dat de gelukkige tijd, dien hij bij donna Elisa had +doorgebracht, nu zijn einde genaderd was. En hij geloofde, dat hij +spoedig de wereld ingedreven zou worden. Want groote armoede was +over Sicilië gekomen, en hij zag den nood als een besmetting van +stad tot stad en van huis tot huis trekken. En zoo was die ook in +Diamante gekomen. + +Daarom kwam er nooit meer een mensch in den winkel van donna Elisa om +iets te koopen. De kleine heiligenbeelden, die Gaetano vervaardigde, +stonden in dichte rijen op de planken en de rozenkransen hingen in +groote trossen onder de toonbank. En donna Elisa was in grooten kommer +en nood, omdat zij nu niets kon verdienen. + +Dit was Gaetano een teeken, dat hij Diamante moest verlaten en de +wijde wereld ingaan, tenzij er zich een andere mogelijkheid voordeed, +want het kon geen arbeiden heeten voor Gods eer beelden te snijden, +die nooit werden aangebeden en koralen voor rozenkransen te draaien, +die nooit door de vingers van een biddende gleden. + +Hij geloofde dat ergens in de wereld een schoone, nieuwe kathedraal +stond, waarvan de muren opgetrokken waren, maar die nog van binnen +van naaktheid trilde. Die verbeidde en wachtte, dat Gaetano zou +komen om de koorstoelen, 't altaarhek, den preekstoel, 't boekenrek +en de heiligenkast te snijden. En zijn hart smachtte naar dit werk, +dat hem wachtte. + +Maar deze kathedraal werd niet op Sicilië gevonden, want daar dacht +men er nooit aan een nieuwe kerk te bouwen; die moest ver weg in +landen als Florida of Argentinië gezocht worden, waar de grond nog +niet bedekt was met heilige gebouwen. + +Hij voelde zich tegelijkertijd bedroefd en gelukkig en was met +verdubbelde vlijt aan den arbeid getogen opdat donna Elisa iets zou +hebben te verkoopen, terwijl hij weg was en groote schatten voor +haar verdiende. + +Nu wachtte hij nog slechts op een teeken van God vóórdat hij besloot +te vertrekken. Het was, alsof hij de kracht zou moeten ontvangen om +tot donna Elisa te kunnen spreken van zijn verlangen om te reizen, +want hij wist dat dit haar zóóveel verdriet zou veroorzaken, dat hij +niet begreep, hoe hij den moed zou hebben met haar daarover te spreken. + +Terwijl hij daarover dacht, kwam donna Elisa in de werkplaats. Toen +zei hij tot zichzelf, dat hij nu er niet aan kon denken het haar te +zeggen, want heden was donna Elisa vroolijk. + +Haar tong was onophoudelijk in beweging en haar gelaat straalde. + +Gaetano vroeg zich af, wanneer hij haar voor het laatst zoo gezien +had. Sedert de nood kwam, was het geweest, alsof ze zonder daglicht +in een der grotten van den Etna leefden. + +"Waarom was Gaetano niet mee naar de markt gegaan om de muziek te +hooren?" vroeg donna Elisa. + +"Waarom ging hij toch nooit mede om haar broer, don Ferrante, te zien +en te hooren? Gaetano die hem slechts zag, als hij in den winkel stond, +gekleed in een kort buis en puntige muts, wist niet wat voor een man +don Ferrante was. Hij hield hem voor een ouden, leelijken koopman +met een rimpelig gelaat en een borsteligen baard. Niemand kende don +Ferrante, die hem 's Zondags niet de muziek had zien dirigeeren. + +"Heden had hij een nieuwe uniform aangehad. Hij droeg een driekantigen +hoed met groen-rood en witte pluimen, een zilveren kraag, epauletten +met zilveren franje, zilveren tressen op de borst en een sabel op +zij. En toen hij het bankje van den dirigent besteeg, waren de rimpels +van zijn gelaat weggevaagd, zijn gestalte scheen gegroeid te zijn. + +"Men zou hem bijna schoon kunnen noemen. + +"Toen hij de Cavalleria liet spelen, had men nauwelijks kunnen +ademhalen. En wat zei Gaetano er van, dat de groote huizen aan de +markt meegezongen hadden! + +"Uit het zwarte palazzo Geraci had donna Elisa duidelijk een +liefdeslied hooren klinken en uit het nonnenklooster, zoo uitgestorven +als het daar stond, was een hymne over de markt gestroomd. + +"En toen er een pauze in de muziek was, ging de schoone advocaat +Favara, die gekleed was in een zwart fluweelen mantel, met een grooten +roovershoed en helrooden halsdoek, naar don Ferrante en wees naar de +open zijde der markt, waar men den Etna en de zee zag. + +"Don Ferrante," had hij gezegd, "gij verheft ons ten hemel gelijk de +Etna en gij voert ons op naar het eeuwige gelijk de oneindige zee." + +"Als Gaetano don Ferrante heden gezien had, zou hij hem hebben moeten +liefhebben. Tenminste had hij moeten erkennen, dat don Ferrante een +statig man was. Toen hij eenige oogenblikken geleden den maatstok +neerlegde en gearmd met den advocaat heen en weer wandelde op de +gladde steenen tusschen de Romeinsche poort en het palazzo Geraci, had +een ieder moeten zien, hoe goed hij zich kon meten met den schoonen +Favara. Donna Elisa had in gezelschap van de sindaco's-vrouw op de +steenen bank onder den dom gezeten. En donna Valtara had plotseling +gezegd, nadat ze don Ferrante een tijdlang beschouwd had: + +"Donna Elisa, uw broer is immers nog een jonge man. Hij kan nog heel +goed trouwen, trots zijn vijftig jaar." + +"En zij, donna Elisa, had geantwoord dat zij God iederen dag daarom +bad. + +"Maar nauwelijks had zij dit gezegd of een dame in rouwgewaad schreed +over de markt. Nooit had men nog zoo iets zwarts gezien. Niet alleen +waren haar kleeren, hoed en handschoenen zwart, maar ook haar sluier +was zóó dicht, dat men niet kon gelooven, dat daar een wit gezicht +achter was. Santissima Dio, het was, alsof ze zich bedekt had met een +lijkwade. En ze liep zoo langzaam en gebogen. Men was bang geworden, +men had bijna geloofd dat het een spook was. + +"O! O! en de geheele markt was zoo vol vroolijkheid geweest. + +"De boeren, die voor den Zondag thuis waren, hadden daar in groote +groepen gestaan, feestelijk gekleed met hun roode doeken om den +hals. Boerenvrouwen die naar de kerk gingen, waren voorbij gestroomd +in groene rokken en gele halsdoeken. Een paar in het wit gekleede +vreemdelingen hadden bij de balustrade gestaan om den Etna te +beschouwen. En al de muzikanten in uniform, die er bijna zoo statig +uitzagen als don Ferrante, en die glinsterende muziekinstrumenten +en de met beelden versierde dom! En de zonneschijn en Mongibello's +sneeuwkruin, die vandaag zoo dicht bij was geweest dat men hem bijna +grijpen kon, dat alles was onvergelijkelijk vroolijk geweest. + +"Toen nu de arme, zwarte dame te midden van dit alles gekomen was, +hadden allen haar aangestaard en sommigen hadden het teeken des kruises +gemaakt. En de kinderen waren gegleden van de trap van het raadhuis +waar ze op de leuning reden en waren haar gevolgd op een paar schreden +afstands. En zelfs de luie Pietro, die zich in de zon lag te koesteren, +had zich op zijn ellebogen opgericht. Het was een opstand, alsof de +zwarte Madonna uit de domkerk was komen aanwandelen. Maar had één van +allen medelijden gevoeld met deze zwarte dame, naar wie allen staarden? + +"Was iemand geroerd, omdat zij zoo langzaam en gebogen liep? + +"Ja, ja, één was getroffen, en dat was don Ferrante geweest. Muziek +was in zijn hart, hij was een goed mensch en hij dacht: Vervloekt zijn +al deze fondsen, bijeengebracht voor noodlijdenden, die de menschen +slechts in het ongeluk storten! + +"Is dit niet de arme signorina Palmeri, wier vader genomen heeft +van een liefdadigheidsfonds en die zich nu zoo schaamt, dat zij haar +gelaat niet durft toonen? + +"En terwijl hij dit dacht, ging don Ferrante naar de zwarte dame en +trad haar bij de kerkdeur in den weg. + +"Daar maakte hij een buiging voor haar en noemde zijn naam. "Indien ik +mij niet al te zeer vergis," had don Ferrante gezegd, "is u signorina +Palmeri. Ik heb een verzoek aan u." + +"Toen was ze achteruitgeweken als wilde ze vluchten, maar zij was +toch gebleven. + +"Het betreft mijn zuster, donna Elisa," had hij gezegd. "Zij heeft +uw moeder gekend, signorina, en zij brandt van verlangen met u kennis +te maken. Zij zit bij den dom. Mag ik u tot haar geleiden?" + +"En don Ferrante had haar arm in den zijne gelegd en haar naar donna +Elisa gevoerd. En zij had geen tegenstand geboden. Donna Elisa had +trouwens degene wel eens willen zien, die heden don Ferrante had +kunnen weerstaan. + +"Maar toen was donna Elisa opgerezen. Zij was de zwarte dame tegemoet +gegaan, en had haar sluier teruggeslagen. En zij had haar op beide +wangen gekust. + +"Welk een gelaat! welk een gelaat! Zij was misschien niet mooi, maar +ze had oogen, die duidelijk spraken en die klaagden en jammerden, +zelfs als het geheele gelaat glimlachte. Ja, Gaetano zou misschien +geen Madonna naar dit gelaat willen snijden of schilderen, want +daarvoor was het te bleek en te mager, maar men moest wel gelooven, +dat onze lieve Heer wist wat hij deed, toen hij deze oogen niet in +een gezicht zette, dat rond en blozend was. + +"Toen donna Elisa haar kuste, had zij het hoofd op haar schouder gelegd +en een paar korte snikken hadden haar lichaam doorschokt. Daarna had +zij met een glimlach opgezien. + +"'t Was alsof haar glimlach had willen zeggen: + +"O, ziet de wereld er zoo uit? Is die zoo mooi? Laat mij die zien en +tegen haar glimlachen! Kan een arme ongelukkige het werkelijk wagen +haar aan te zien? Kan ik het ook wagen gezien te worden?" + +"Dit alles had zij zonder woorden gezegd, slechts met een +glimlach. Welk een gelaat! welk een gelaat!" + +Maar nu viel Gaetano donna Elisa in de rede. + +"Waar is zij nu?" zei hij. "Ik moet haar zien." + +Toen zag donna Elisa Gaetano in de oogen. En die waren brandend +klaar alsof ze met vuur gevuld waren en aan zijn slapen steeg een +donkerrood op. + +"Gij zult haar vroeg genoeg zien," zei ze kortaf. En zij had berouw +van elk woord, dat zij gesproken had. + +Gaetano zag, dat zij bang was, dat hij begreep, wat zij vreesde. Hij +kreeg toen de ingeving haar juist nu te zeggen, dat hij voornemens +was te vertrekken, naar Amerika te reizen. + +Toen begreep hij dat deze vreemde signorina zeer gevaarlijk moest +zijn. Zoo overtuigd was donna Elisa dat Gaetano haar lief zou krijgen, +dat zij bijna verheugd was te hooren, dat hij van plan was het land +te verlaten. Want haar scheen alles beter dan een arme schoondochter, +wier vader een dief was. + + + + + + +VI. + +DON MATTEO'S ZENDING. + + +En nu kwam er een namiddag, dat de geestelijke herder, don Matteo, +zijn voeten in glanzend gepoetste schoenen stak, een schoon geborstelde +soutane aantrok en zijn mantel in de sierlijkste plooien schikte. Zijn +gelaat straalde, terwijl hij door de steeg liep en zegeningen uitdeelde +aan de oude spinnende vrouwtjes, die voor haar huisdeuren zaten; +en zijn handgebaren waren zoo bevallig, alsof hij rozen strooide. + +Over de steeg, waardoor don Matteo liep, welfden zich minstens zeven +bogen, alsof elk huis zich wilde verbinden met zijn buurman. De +steeg liep dood tegen den berg, voor de helft was het een trap, +voor de andere helft een straat; er was altijd overstrooming bij de +goten en het lag er altijd vol sinaasappelschillen en koolblaren, +genoeg om op uit te glijden. Van den grond tot aan den hemel hing er +waschgoed aan de drooglijnen. + +Natte hemdsmouwen en banden van boezelaars werden door den wind in don +Matteo's gezicht geslingerd. En dat was een even klam en kil gevoel, +alsof don Matteo door een lijk gestreeld werd. + +Aan het einde der steeg lag een kleine, donkere markt, en daar +zag don Matteo een oud huis, waarvoor hij staan bleef. Het was +groot en vierkant en bijna geheel zonder ramen. Het had twee hooge +buitentrappen met verbazend breede treden en twee groote deuren met +zware grendels. En het had muren van zwarte lava en een loggia, waar +groene schimmel den vloer van tegelsteenen bedekte, en er waren zooveel +spinnewebben, dat de lenige hagedissen er bijna in verward raakten. + +Don Matteo lichtte den deurklopper op en liet dien zóó hard vallen, +dat het geheele huis dreunde. Toen hoorde men hoe al de vrouwen uit +de geheele steeg begonnen te vragen en te spreken. + +En men zag hoe de waschvrouwen aan het marktbassin haar waschbord en +linnenklopper lieten vallen en begonnen te vragen en te fluisteren: + +"Met welk doel komt don Matteo hier? + +"Waarom klopt hij op de deur van het oude huis, waar het spookt, +en waarin niemand het waagt te wonen behalve de vreemde signorina, +wier vader in de gevangenis zit?" + +Maar nu deed Giannita de deur open voor don Matteo en voerde hem door +lange gangen, die vochtig en schimmelig roken. Op enkele plaatsen +waren de steenen van den vloer losgeraakt, en don Matteo kon tot diep +in den kelder zien, waar een groote menigte ratten over den zwarten +lavagrond joegen. + +Terwijl don Matteo door het oude huis wandelde, verloor hij zijn goede +luim. Hij liep voorbij geen trap, zonder wantrouwend naar beneden te +kijken, en hij hoorde geen geritsel zonder te huiveren. + +Hij werd neerslachtig als vóór een ongeluk. Don Matteo dacht aan den +kleinen getulbanden Moor, die zich in dit huis placht te vertoonen, +en indien hij hem ook niet zag, kon men toch zeggen, dat hij hem op +de een of andere wijze gewaar werd. + +Eindelijk opende Giannita een deur en liet den geestelijke in een +vertrek. Daar waren de wanden naakt als in een stal, het bed hard +als dat van een non en daarboven hing een houten Madonna, die niet +meer waard was dan drie soldi. + +Don Matteo staarde zoo lang naar dit kleine beeld, dat de tranen hem +in de oogen kwamen. + +Terwijl hij daar stond, kwam signorina Palmeri de kamer binnen. Ze +hield haar hoofd gebogen, en haar bewegingen waren zoo langzaam alsof +zij gewond was. Toen don Matteo haar zag, scheen hij te willen zeggen: + +"U en ik, signorina Palmeri, ontmoeten elkaar hier in een wonderlijk +oud huis. Is u hier om de Moorsche inscripties te bestudeeren of zoekt +u in de kelders naar mozaïekwerk?" Want de pastoor werd verlegen, +toen hij signorina Palmeri zag. + +Hij kon niet begrijpen, dat deze edele dame arm was. Hij kon niet +vatten, dat zij woonde in het huis van den kleinen Moor. + +Hij zei tot zichzelf, dat hij haar moest redden uit het spookhuis +en van de armoede. En hij bad de heilige Madonna om de macht haar +te redden. + +Daarna zei hij tot de signorina, dat hij een opdracht van don Ferrante +kwam uitvoeren. Don Ferrante had hem toevertrouwd, dat zij zijn +aanzoek had afgeslagen. + +Waarom had zij dat gedaan? Wist zij niet dat, hoewel don Ferrante arm +scheen als hij daar in zijn winkel stond, hij toch de rijkste man in +Diamante was? + +En don Ferrante behoorde tot een oud Spaansch geslacht, dat groot +aanzien genoot, zoowel in zijn vaderland als hier op Sicilië. En +hij bezat nog het groote huis aan de corso, dat zijn voorvaderen +toebehoord had. Zij had niet neen moeten zeggen. + +Terwijl don Matteo zoo sprak, zag hij hoe het gelaat van de signorina +plotseling doodsbleek en strak werd. Hij waagde het bijna niet te +spreken. Hij vreesde, dat zij zou bezwijmen. + +Het was ook slechts met de grootste inspanning, dat zij hem kon +antwoorden. De woorden wilden niet over haar lippen komen. 't Was +alsof die te afschuwelijk waren om uitgesproken te worden. + +"Zij kon wel begrijpen," zei zij, "dat don Ferrante wilde weten waarom +zij zijn aanzoek had afgeslagen. Ze was diep geroerd en dankbaar, +maar zij kon zijn vrouw niet worden. Zij kon niet trouwen, want zij +bracht smaad en schande als bruidsgift mede." + +"Als ge trouwt met een Alagona, lieve signorina," zei don Matteo, +"behoeft ge niet te vreezen, dat men zal vragen van welk geslacht ge +zelf zijt. Dat is een roemrijk, oud stamhuis. Don Ferrante en zijn +zuster, donna Elisa, worden steeds tot de eersten der stad gerekend, +ofschoon zij al de bezittingen van hun geslacht verloren hebben en +handel moeten drijven. + +"Don Ferrante weet wel, dat de glans van zijn ouden naam niet +verduisterd zal worden door een huwelijk met u. + +"Maak geen bezwaren om die reden, signorina, indien ge anders met +don Ferrante zoudt willen huwen." + +Maar signorina Palmeri herhaalde wat zij gezegd had. Don Ferrante +moest niet trouwen met een dochter van een misdadiger. Ze zat daar +bleek en wanhopig en scheen zich te willen oefenen in het zeggen van +deze vreeselijke woorden. + +Zij zeide, dat zij zich niet indringen wilde in een geslacht, dat +haar zou verachten. Het gelukte haar dit hard en koud te zeggen, +zonder dat haar stem beefde. + +Maar hoe langer ze sprak, hoe grooter de begeerte van don Matteo werd +om haar te helpen. Het was alsof hij een koningin ontmoet had, die van +haar troon gestooten was. En er kwam een brandend verlangen over hem, +haar weer de kroon op het hoofd te zetten en den koningsmantel om de +schouders te slaan. + +Daarom vroeg don Matteo haar of haar vader niet spoedig uit de +gevangenis zou komen en waarvan hij dan leven moest. + +De signorina antwoordde dat hij zou leven van haar arbeid. Don Matteo +vroeg haar zeer ernstig of zij zich wel afgevraagd had, hoe haar vader, +die altijd een rijke man was geweest, de armoede zou kunnen dragen. + +Nu zweeg zij. Ze trachtte de lippen tot een antwoord te bewegen, +maar kon geen geluid uitbrengen. + +Don Matteo sprak en sprak. Zij zag er hoe langer hoe wanhopiger uit, +maar gaf toch niet toe. + +Hij wist ten slotte geen raad meer. + +Hoe zou hij haar toch kunnen redden uit het spookhuis, uit de armoede +en van den last der schande die haar drukte? Maar toen vielen zijn +oogen op het kleine Madonnabeeldje boven het bed. De jonge signorina +was dus een geloovige. + +Nu werd de geest vaardig over don Matteo. Hij voelde dat God hem +gezonden had, om deze arme vrouw te redden. En toen hij weer sprak, +was er een klank in zijn stem, die hem anders vreemd was. Hij begreep, +dat hij het niet alleen was, die nu tot haar sprak. + +"Mijn dochter," zei hij, terwijl hij oprees, "om der wille van uw vader +zult ge huwen met don Ferrante. De Madonna wil het, mijn dochter." + +Er kwam iets imponeerends over don Matteo's uiterlijk. Zoo had nog +geen mensch hem ooit gezien. + +De signorina beefde alsof de Heilige Geest tot haar gesproken had, +en zij vouwde haar handen. + +"Word een goede en trouwe echtgenoote voor don Ferrante," zei don +Matteo, "en de Madonna belooft u door mij, dat uw vader een onbezorgden +ouderdom zal hebben." + +Toen zag de signorina dat het een heilige ingeving was, die don Matteo +inspireerde. Het was God die door hem sprak. En zij wierp zich op de +knieën en boog het hoofd. + +"Ik zal doen wat gij beveelt," zei ze. + + + +Maar zie, toen de geestelijke, don Matteo, uit het huis van den kleinen +Moor kwam, en door de steeg ging, nam bij plotseling zijn brevier en +begon te lezen. En ofschoon het waschgoed hem om de wangen sloeg, en +sinaasappelschillen en kleine kinderen op de straat schenen te liggen, +alleen om hem te doen struikelen, hij zag niet op uit zijn boek. + +Hij had behoefte Gods heilige woorden te hooren. + +Want daarbinnen in het zwarte huis had hem alles zoo zeker en gewis +geschenen, maar nu hij buiten kwam in den zonneschijn, begon hij +bevreesd te worden voor de belofte, die hij in der Madonna's naam +gegeven had. + +Don Matteo bad en las en las en bad. + +Mocht de almachtige God in den hemel de vrouw beschermen, die op hem +vertrouwd en hem gehoorzaamd had, alsof hij een profeet ware! + +Don Matteo sloeg den hoek om naar de corso. Hij bonsde tegen ezels, +die naar huis gedreven werden met reizende signorina's op hun rug, hij +liep recht tegen veldarbeiders aan, die van hun werk naar huis keerden +en hij stiet tegen de oude spinnende vrouwtjes en raakte verward in +haar linnen. Eindelijk bereikte hij een kleinen, donkeren winkel. + +Het was een vertrek zonder ramen, dat in den hoek van een oud paleis +lag. De drempel was een voet hoog, de vloer was van vastgetrapte aarde, +en de deur moest altijd openstaan om licht binnen te laten. De toonbank +was belegerd door voerlieden en ezeldrijvers. + +En voor de toonbank stond don Ferrante. Zijn baard was in wanorde, +zijn gelaat één en al rimpel, zijn stem heesch van woede. De voerlieden +verlangden een onmatig hooge betaling voor de vrachten, die ze van +Catania naar Diamante gebracht hadden. + + + + + + +VII. + +DE KLOKKEN VAN SAN PASQUALE. + + +Men merkte spoedig in Diamante, dat don Ferrante's echtgenoote, donna +Micaela, niet veel meer was dan een kind. Zij kon er nog zoo uitzien +als een voorname dame van de wereld, zij was toch niets anders dan +een kind. En iets anders kon men ook niet van haar verwachten na het +leven, dat zij geleid had. + +Van de wereld had zij niets gezien dan theaters, museums, +balzalen, promenades en renperken, en dit alles zijn immers slechts +speelplaatsen. Zij was nog nooit alleen op straat geweest. Zij had +nooit gewerkt. Men had nooit een ernstig woord tot haar gesproken. Ze +was niet eens ooit verliefd geweest. + +Toen zij in het zomerpaleis trok, vergat zij al haar zorgen, even +licht en luchtig als een kind het gedaan zou hebben. En het bleek +dat zij de spelende phantasie van een kind bezat en dat zij alles +wat haar omgaf kon veranderen en herscheppen. De oude Saracenenstad +Diamante leek donna Micaela een paradijs. + +Ze zeide dat zij in het geheel niet verbaasd was geweest, toen don +Ferrante haar op de markt aansprak en aanzoek om haar hand deed. Het +kwam haar zeer natuurlijk voor dat zoo iets in Diamante gebeurde. Zij +had dadelijk gezien, dat Diamante een stad was, waar rijke mannen +zochten naar arme, ongelukkige signorina's om haar tot heerscheressen +te maken in hun zwarte lavapaleizen. + +Het zomerpaleis behaagde haar zeer. Het verbleekte, honderdjarige +mousseline, dat de meubels bedekte, vertelde haar vele verhalen. En +ze vond een diepe beteekenis in al de liefdestooneelen, die +tusschen de herders en herderinnetjes op de wandschilderingen +werden afgespeeld. Zij had ook dadelijk het geheim van don Ferrante +geraden. Hij was in het geheel geen gewone koopman in een der straten +van een kleine stad. + +Hij was een eergierig man, die geld verzamelde om de familiegoederen +op den Etna terug te kunnen koopen, evenals het paleis in Catania +en het slot in de bergen. En indien hij een kort buis en een puntige +muts droeg gelijk een boer, was dit slechts om des te eerder te kunnen +optreden als grande van Spanje en prins van Sicilië. + +Sedert hij getrouwd was, placht don Ferrante zich iederen avond te +kleeden in een fluweelen rok, zijn gitaar in de hand te nemen, en zich +te plaatsen op de koortrap van de muziekzaal in het zomerpaleis om +canzones te zingen. Terwijl hij zong, droomde donna Micaela, dat ze +gehuwd was met den edelsten man van het gansche schoone eiland Sicilië. + +Toen donna Micaela een paar maanden getrouwd was, kwam haar vader uit +de gevangenis en vestigde zich in het zomerpaleis bij zijn dochter. Hij +bevond zich heel wel in Diamante en werd aller vriend. Hij sprak gaarne +met de iemkers en de wijngaardeniers, die hij in het café Europa trof; +en hij vermaakte zich iederen dag met het rijden naar den voet van +den Etna om naar historische overblijfselen te zoeken. Maar hij had +zijn dochter volstrekt geen vergiffenis geschonken. Wel woonde hij +onder haar dak, maar hij behandelde haar als een vreemde en was nooit +teeder jegens haar. + +Donna Micaela liet hem stil geworden en hield zich alsof zij niets +bemerkte. + +Zij kon zijn toorn niet meer zoo ernstig opnemen. Deze oude man, +dien zij liefhad, geloofde, dat hij haar jaar na jaar zou kunnen +blijven haten. Hij zou in haar nabijheid leven, haar stem hooren, +haar oogen zien en omgeven zijn door haar liefde, en hij zou kunnen +voortgaan haar te haten! + +O, hij kende haar noch zich zelf! En dikwijls zat zij te phantaseeren +hoe het zou gaan als hij tot de erkentenis kwam, dat hij overwonnen +was, wanneer hij tot haar komen en haar toonen zou, dat hij haar +liefhad. + + + +Op een dag stond donna Micaela op haar balkon, en wuifde tegen haar +vader, die op een kleine donkerbruine ponny wegreed, toen don Ferrante +uit zijn winkel kwam om met haar te spreken. + +En wat don Ferrante haar wilde zeggen, was, dat het hem gelukt was +voor haar vader een plaats te koopen in de broederschap van het heilig +hart te Catania. + +Maar ofschoon don Ferrante zeer duidelijk sprak, scheen donna Micaela +hem volstrekt niet te verstaan. + +Hij moest herhalen, dat hij gisteren in Catania was geweest, en dat +het hem gelukt was cavaliere Palmeri een plaats te verschaffen in +een broederschap. Hij zou over een maand daar intreden. + +Zij vroeg slechts: "Wat wil dit zeggen? Wat beteekent dit?" + +"O," zei don Ferrante, "kan het mij niet vervelen kostbaren wijn +van het vasteland voor je vader te laten komen en kan ik geen lust +hebben zelf eens op Domenico te rijden?" Toen hij dit gezegd had, +wilde hij heengaan. Er was immers niets meer te zeggen. + +"Maar vertel mij toch eerst wat voor een broederschap dat is," +zeide zij. + +"Wat dat is? Daar wonen vele oude mannen." + +"Arme oude mannen?" + +"O ja, ze zijn juist niet rijk." + +"Ze hebben zeker geen eigen kamer?" + +"Neen, maar zeer groote slaapzalen." + +"En ze eten uit tinnen borden aan ongedekte tafels?" + +"Neen, ze zullen wel uit porselein eten." + +"Maar zonder tafelkleed?" + +"Mijn hemel, wat zou dat, indien de tafel slechts schoon is!" + +Hij trachtte haar gerust te stellen. "Daar wonen heel goede +menschen. En als je het wilt weten, dan was het niet zonder aarzelen, +dat men cavaliere Palmeri aannam." + +Toen verliet don Ferrante de kamer. Zijn vrouw was bedroefd, maar +ook zeer verontwaardigd. Haar scheen het, dat hij zich beroofd had +van rang en stand en een gewone koopman was geworden. + +Ze zei heel luid, ofschoon niemand het kon hooren, dat het zomerpaleis +slechts een groot en leelijk oud huis was en Diamante een arme, +ellendige stad. + +En natuurlijk zou ze niet toestaan, dat haar vader vertrok. Don +Ferrante moest iets anders verzinnen. + +Nadat de maaltijd geëindigd was, wilde don Ferrante naar café Europa +gaan om domino te spelen en hij zocht naar zijn hoed. + +Donna Micaela nam zijn hoed en volgde hem naar de galerij, die rondom +den tuin liep. Toen ze ver genoeg van de eetzaal verwijderd waren, +dat haar vader haar niet kon verstaan, zei ze heftig: + +"Heb je iets tegen mijn vader?" + +"Hij is te duur." + +"Maar je bent immers rijk." + +"Wie heeft je zoo iets verteld? Zie je dan niet hoe hard ik moet +werken?" + +"Wees dan liever zuinig met iets anders." + +"Ik zal ook zuinig zijn met iets anders. Giannita heeft nu genoeg +geschenken gekregen." + +"Neen, onthoud mij liever iets." + +"Jij bent mijn echtgenoote, jij zult het houden, zooals je het hebt." + +Zij zweeg een oogenblik. Zij dacht na wat zij hem zou kunnen zeggen, +dat hem bang zou maken. + +"En indien ik nu je echtgenoote ben, weet je dan ook waarom ik dat +geworden ben?" + +"O, ja." + +"Weet je ook wat don Matteo mij beloofde?" + +"Dat is don Matteo's zaak, maar ik doe wat ik kan." + +"Je hebt misschien wel gehoord, dat ik brak met al mijn vrienden in +Catania toen ik vernam, dat mijn vader hulp bij hen gezocht en niet +gekregen had?" + +"Dat weet ik." + +"En dat ik naar Diamante vertrok, opdat hij hen niet langer behoefde +te zien en zich voor hen schamen moest?" + +"Zij komen ook niet in de broederschap." + +"Indien je dit alles weet, ben je dan niet bang iets tegen mijn vader +te doen?" + +"Bang? Neen, voor mijn vrouw ben ik niet bang." + +"Heb ik je niet gelukkig gemaakt?" vroeg zij nu. + +"O, ja," antwoordde hij onverschillig. + +"Vondt je het niet aangenaam voor mij te zingen? Beviel het +je niet, dat ik je hield voor den edelmoedigsten man van geheel +Sicilië? Vondt je het niet prettig, dat ik me zoo wel bevond in het +oude paleis? Waarom moet dit alles nu eindigen?" + +Hij legde zijn hand op haar schouder en waarschuwde haar. + +"Denk er aan, dat je niet gehuwd bent met een voornamen heer van +Via Etnea!" + +"O, neen." + +"Hier op den berg heerschen andere zeden. Hier gehoorzamen de vrouwen +haar mannen. En wij storen ons weinig aan schoone woorden. Maar als +wij die willen hebben, weten we wel hoe we die moeten krijgen." + +Toen hij zoo sprak, werd zij bang. Het volgende oogenblik lag zij op +de knieën voor hem. + +Het was een donkere avond, maar er stroomde zoo'n heldere lichtschijn +uit de vertrekken dat hij haar oogen kon zien. + +In een vurige smeekbede, heerlijk als sterren, waren die op hem +gevestigd. + +"Wees barmhartig. Je weet niet hoe lief ik hem heb!" + +Don Ferrante lachte. "Daarmee hadt je moeten beginnen. Nu heb je mij +eerst boos gemaakt." + +Zij lag nog steeds onbeweeglijk en zag naar hem op. + +"'t Is goed," zei hij, "dat je voor het vervolg weet, hoe je je +gedragen moet." + +Nog steeds lag ze op haar knieën. + +Toen vroeg hij: "Zal ik het hem zeggen of wil je het zelf doen?" + +Donna Micaela schaamde zich, dat zij zich zoo verootmoedigd had. Zij +rees op en antwoordde trotsch: + +"Ik zal het hem zeggen, maar niet vóór den laatsten dag. En jij zult +hem niets laten merken." + +"Neen, dat zal ik niet," zei hij, haar nasprekend. "Een korte ellende +is aangenamer voor mij." + +Maar toen hij was heengegaan, lachte donna Micaela om don Ferrante, +omdat hij meende, dat hij met haar vader kon doen wat hij wilde. Zij +kende wel iemand, die haar helpen zou. + + + +In den dom van Diamante bevindt zich een wonderdoend Madonnabeeld, +en dit is zijn geschiedenis: + +Lange, lange jaren geleden woonde een heilige heremiet in een +grot op den Monte Chiaro. En deze heremiet droomde op een nacht, +dat er in de haven van Catania een schip lag, dat geladen was met +heiligenbeelden. Onder deze was er één, dat zoo heilig was, dat de +Engelschen, die rijker zijn dan alle andere menschen, het tegen goud +wilden opwegen. + +Zoo spoedig de heremiet uit dezen droom ontwaakte, begaf hij zich naar +Catania. Toen hij daar kwam, zag hij, dat hij de waarheid gedroomd had. + +In de haven lag een schip, dat geladen was met heiligenbeelden en +onder deze beelden was er één van de Madonna, dat heiliger was dan +alle andere. Nu smeekte de heremiet den kapitein, dat hij dit beeld +niet zou wegvoeren van Sicilië, maar het hem zou schenken. + +Maar de kapitein weigerde dat. + +"Ik breng het naar Engeland," zei hij, "en de Engelschen zullen het +tegen goud opwegen." + +De heremiet hernieuwde zijn bede. Op het laatst liet de kapitein hem +door zijn matrozen van het schip jagen en heesch de zeilen tot vertrek. + +Het scheen, alsof het heiligenbeeld voor Sicilië verloren zou gaan, +maar de heremiet zonk op de knieën naast een der lavablokken op het +strand en bad God, dat dit niet zou gebeuren. + +En wat geschiedde er? + +Het schip kon niet vertrekken. Het anker was gelicht, de zeilen waren +geheschen en de wind was gunstig, maar gedurende volle drie dagen +lag het schip onbeweeglijk, alsof het een rots was. + +Den derden dag nam de kapitein het Madonnabeeld en wierp het den +heremiet toe, die nog op het strand lag. En dadelijk daarna kon het +schip de haven uitzeilen. + +Maar de heremiet voerde het beeld naar den Monte Chiaro en nu bevindt +het zich nog in Diamante, waar het een kapel en een altaar heeft in +de domkerk. + +Donna Micaela begaf zich naar deze Madonna om voor haar vader te +bidden. + +Ze zocht de kapel der Madonna op, die gebouwd was in een donkeren +hoek van de domkerk. + +Daar waren de wanden geheel bedekt met gaven, het beeld krachtens een +belofte vereerd, met zilveren harten en schilderijen, geschonken door +al degenen, die geholpen waren door Diamante's Madonna. + +'t Beeld was gebeiteld uit zwart marmer, en toen donna Micaela het +in zijn nis zag staan, hoog en duister, bijna geheel verborgen achter +het vergulde traliehek, meende zij te zien, dat het gelaat der Madonna +schoon was, en straalde van mildheid. + +En haar hart was vervuld van hoop. + +Hier was de machtige koningin des hemels, hier was de goede moeder +Maria, hier was de bedroefde, die aller smarten begreep, hier was zij, +die niet zou toestaan, dat haar vader van haar werd genomen. + +Hier bij de Madonna zou zij hulp vinden. Zij zou niets anders behoeven +te doen dan op haar knieën vallen en haar nood klagen, opdat de zwarte +Madonna haar zou bijstaan. + +Terwijl zij bad, was zij overtuigd, dat don Ferrante reeds op hetzelfde +oogenblik van meening veranderde. + +Als zij thuis kwam, zou hij haar tegemoet loopen om haar te zeggen, +dat haar vader haar niet behoefde te verlaten. + + + +'t Was een morgen, drie weken later. + +Donna Micaela kwam uit het zomerpaleis om naar de vroegmis te gaan, +maar vóórdat zij zich naar de kerk begaf, ging ze naar donna Elisa's +winkel om een waskaars te koopen. + +'t Was nog zoo vroeg, dat ze vreesde, dat de winkel nog niet open zou +zijn, maar haar vrees bleek ongegrond, en zij was blijde, dat zij een +geschenk kon meenemen voor de zwarte Madonna. Er was niemand in den +winkel, toen donna Micaela binnentrad, en zij bewoog de deur heen en +weer, opdat de bel zou luiden en donna Elisa binnen roepen. + +Eindelijk verscheen er iemand, maar het was niet donna Elisa, maar +een jonge man. + +Deze jonge man was Gaetano, dien donna Micaela nauwelijks kende. Want +Gaetano had zooveel van haar hooren vertellen, dat hij bang was haar +te ontmoeten, en iederen keer, dat zij donna Elisa bezocht, had hij +zich in zijn werkplaats opgesloten. Donna Micaela wist niets anders +van hem dan dat hij Diamante wilde verlaten, en dat hij voortdurend +heiligenbeelden sneed, opdat donna Elisa thuis iets zou hebben te +verkoopen, terwijl hij groote schatten verdiende in Argentinië. + +Toen zij nu Gaetano zag, vond zij hem zoo mooi dat het haar een genot +was naar hem te kijken. Wel was ze angstig als een gejaagd hert, +maar geen smart ter wereld kon haar verhinderen vreugde te gevoelen +als zij iets schoons zag. + +Zij vroeg zich af, waar zij hem vroeger gezien had, en zij +herinnerde zich, dat zij zijn gezicht kende van haar vaders heerlijke +schilderijenverzameling in het paleis te Catania. + +Daar was hij niet gekleed geweest in een arbeiderskiel, maar droeg +hij een zwarten, vilten hoed met lange, wuivende witte pluimen en een +breeden, kanten kraag op een fluweelen mantel. En hij was geschilderd +door den grooten meester Van Dijck. + +Donna Micaela verzocht Gaetano om een waskaars, en hij begon daarnaar +te zoeken. En nu deed zich het vreemde geval voor, dat Gaetano, die +iederen dag in den kleinen winkel was, daar geheel vreemd scheen te +zijn. Hij zocht naar een waskaars in de lade der rozenkransen en in de +doozen der kleine medaillons. Hij kon er geen vinden en toen werd hij +zoo ongeduldig, dat hij laden omver smeet en doozen kapot drukte. En +het werd een groote wanorde en verwoesting. 't Zou donna Elisa zeker +veel verdriet doen, als zij thuis kwam. Maar donna Micaela vond het +heerlijk te zien, hoe hij de dichte lokken van zijn voorhoofd streek +en hoe zijn goudkleurige oogen fonkelden, gelijk gulden wijn wanneer +de zon daarop straalt. + +Het gaf haar troost iets te zien, dat zoo schoon was. + +Donna Micaela vroeg toen vergiffenis aan de edele heeren die door +den grooten Van Dijck geschilderd waren. Hoe dikwijls had zij tot +hen gezegd: + +"O, signor, ge zijt schoon geweest, maar zoo donker, zoo bleek, en zoo +weemoedig hebt ge niet kunnen zijn. En zulke vuuroogen hebt ge niet +bezeten, maar dit alles heeft de schilder slechts in uw gelaat gelegd." + +Maar toen donna Micaela Gaetano nu zag, vond ze dat dit alles in een +gezicht kon gevonden worden en dat de meester niet noodig had gehad +er iets aan toe te voegen. Daarom vroeg ze vergiffenis aan de oude +edele heeren. + +Onderwijl had Gaetano de lange doozen met kaarsen gevonden, die op +dezelfde plaats onder de toonbank stonden waar ze altijd gestaan +hadden. + +En hij gaf haar een waskaars, maar wist niet wat die kostte; hij zeide, +dat zij die later wel kon betalen. Toen zij om een stuk papier verzocht +om de kaars in te wikkelen, werd hij zoo verlegen, dat zij hem moest +helpen zoeken. + +Het bedroefde haar dat zulk een man er aan dacht naar Argentinië +te vertrekken. + +Hij liet het aan donna Micaela over, de kaars in te pakken, terwijl +hij zelf haar stil beschouwde. + +Zij zou gewenscht hebben, dat zij hem kon verzoeken haar nu niet aan te +zien, nu niets anders dan hopeloosheid en smart uit haar gelaat sprak. + +Gaetano had haar trekken niet meer dan één oogenblik beschouwd, toen +hij op een kleine trap sprong en een beeld van de bovenste plank nam +en daarmee naar haar toe kwam. + +Het was een kleine vergulde en geschilderde aartsengel, voorstellende +San Michaël in strijd met den aartsvijand, dien hij nu uit het papier +wikkelde. + +Dezen reikte hij donna Micaela toe en verzocht hij haar aan te +nemen. Hij wilde haar dit beeld schenken, omdat dit het beste was, +dat hij ooit gesneden had. Hij was zoo overtuigd dat dit grooter +macht bezat dan zijn andere beelden dat hij dit op de bovenste +plank geplaatst had, opdat niet de eerste de beste dit beeld zou +zien en koopen. Hij had donna Elisa verboden het aan iemand anders te +verkoopen, dan aan dengene, die gebukt ging onder een groote smart. En +nu moest donna Micaela dit beeld van hem aannemen. + +Zij stond zwijgend, zij vond hem haast te indringend. + +Maar Gaetano verzocht haar te zien, hoe goed het beeld gesneden +was. Zag zij wel, dat de vleugels van den aartsengel in toorn +opstonden en dat Lucifer zijn klauwen drukte in de stalen sporen van +San Michaëls voet? + +Zag zij met hoeveel kracht San Michaël zijn lans velde en hoe hij +zijn voorhoofd fronste en zijn lippen op elkaar klemde? + +Hij wilde het kleine beeld in haar hand leggen, maar zij schoof het +zacht ter zijde. + +Ze zag wel, dat het beeld schoon en machtig was, zei zij, maar zij +wist, dat het haar niet kon helpen. Zij dankte hem voor zijn geschenk, +maar zij wilde het niet aannemen. Toen trok Gaetano het beeld naar +zich toe, wikkelde het in papier en zette het weer op zijn plaats. + +En niet vóórdat het weer op de bovenste plank stond, sprak hij +tot haar. + +Maar toen vroeg hij haar waarom zij waskaarsen kocht indien zij geen +geloovige was? Was het haar bedoeling te zeggen, dat zij niet aan San +Michaël geloofde? Wist zij dan niet, dat hij de machtigste der engelen +was en dat hij het was, die Lucifer overwonnen en in den Etna geworpen +had? Twijfelde zij of dat waar was? Wist ze niet, dat San Michaël +gedurende den strijd een veer uit zijn vleugel verloren had en dat +deze in Caltanisette gevonden was? Wist zij dat of wist zij dat niet? + +Of wat bedoelde zij anders ermee, dat San Michaël haar niet kon +helpen? Geloofde zij, dat geen heilige haar helpen kon? En hij dan, +die iederen dag in zijn werkplaats heiligen sneed? Zou hij dat doen, +indien ze nergens voor dienden? Dacht zij, dat hij een bedrieger was? + +Maar daar donna Micaela een even streng geloovige was als Gaetano, vond +zij zijn woorden onrechtvaardig en dat prikkelde haar tot tegenspraak. + +"Het gebeurt toch soms, dat de heiligen niet helpen," zeide ze. En toen +Gaetano er ongeloovig uitzag, kreeg ze een onweerstaanbare neiging +hem te overtuigen; en zij zei hem, dat men haar uit naam der Madonna +beloofd had, dat indien zij don Ferrante een trouwe echtgenoote werd, +haar vader een onbezorgden ouden dag zou hebben. + +En nu wilde haar man toch haar vader in een broederschap plaatsen, +die arm was als een armhuis en streng als een gevangenis. En de +Madonna had dit niet afgewend, maar over acht dagen zou het gebeuren. + +Gaetano luisterde aandachtig naar haar. + +Dit maakte, dat zij hem haar gansche geschiedenis toevertrouwde. + +"Donna Micaela," zei hij, "ge moet u wenden tot de zwarte Madonna in +de domkerk." + +"Gelooft ge dan, dat ik niet tot haar gebeden heb?" + +Toen steeg een blos naar Gaetano's wangen en hij zei bijna toornig: + +"Ge wilt toch niet zeggen, dat ge u tevergeefs gewend hebt tot de +zwarte Madonna?" + +"Ik heb de laatste drie weken tevergeefs tot haar gebeden, haar +gesmeekt en gebeden." + +Toen donna Micaela dit zei, kon zij nauwelijks ademhalen. + +Ze kon over zichzelf weenen, omdat ze iederen dag hulp verwacht had +en iederen dag teleurgesteld werd en toch geen beter middel wist dan +opnieuw met haar smeekbeden te beginnen. + +En men zag op haar gelaat, dat haar ziel opnieuw doorleefde, wat zij +geleden had, toen zij elken dag de vervulling van haar bede verwachtte, +en de tijd verstreek zonder dat dit gebeurde. + +Gaetano werd echter niet getroffen door haar woorden, maar stond +glimlachend te trommelen op een der glazen uitstalkasten, die op de +toonbank stonden. + +"Hebt ge slechts tot de Madonna gebeden?" zei hij. + +Slechts gebeden, slechts gebeden! Maar zij had de Madonna ook beloofd +al haar zonden af te leggen. + +Ze was naar de steeg gegaan, waar zij eerst gewoond had om de vrouw +met de beenwonde te verplegen. + +Ze liep nooit een bedelaar voorbij, zonder hem een aalmoes te geven. + +Slechts gebeden! En zij zeide hem, dat indien de Madonna de macht +bezeten had haar te helpen, zij tevreden had moeten zijn met haar +gebeden. Zij had haar dagen in de domkerk doorgebracht. En de angst, +de angst, die haar verteerde! Werd die dan in 't geheel niet gerekend? + +Hij trok slechts zijn schouders op. "Had zij niets anders beproefd?" + +"Niets anders! Maar er was niets ter wereld, dat zij niet beproefd +had. Zij had de Madonna zilveren harten en waskaarsen geschonken. Zij +legde de rozenkrans niet uit haar handen." + +Gaetano's woorden wonden haar op. + +Niets wat zij gedaan had wilde hij rekenen, maar hij vroeg slechts: + +"Niets anders? Niets anders?" + +"Maar ge moet toch begrijpen," zeide ze, "don Ferrante geeft mij +toch niet zooveel geld. Ik kan niet meer doen. Nu eindelijk is het +mij gelukt zijde voor een altaarkleed aan te schaffen. Ge moet dat +toch begrijpen!" + +Maar Gaetano, die alle dagen met heiligen verkeerde en die de macht der +geestvervoering en der heftigheid kende, die over hen was als ze God +dwongen hun gebeden te verhooren, lachte hoonend om donna Micaela die +geloofde de Madonna door waskaarsen en altaarkleeden te kunnen dwingen. + +"Hij begreep het wel," antwoordde hij haar. "De geheele samenhang +was hem duidelijk. Zoo ging het den armen heiligen nu altijd. De +gansche wereld riep hen aan om hulp, maar slechts weinigen wisten +hoe zij moesten bidden om geholpen te worden. En dan zei men, dat de +heiligen geen macht hadden. + +"Allen, die wisten hoe ze moesten bidden, werden geholpen." + +Donna Micaela zag op in blijde verwachting. Er klonk zulk een kracht +en overtuiging uit Gaetano's woorden, dat zij begon te gelooven, +dat hij haar het verlossende woord zou kunnen leeren. + +Maar Gaetano nam de kaars, die voor haar op de toonbank lag en wierp +die weer in de lade en zeide haar wat ze doen moest. Hij verbood haar +de Madonna geschenken te geven of tot haar te bidden of iets voor de +armen te doen. + +Hij zei haar, dat hij haar altaarkleed zou verscheuren, indien zij +nog een steek daaraan naaide. + +"Toon haar, donna Micaela, dat het iets voor u beteekent," zei hij, +terwijl hij haar met dwingende kracht in de oogen keek. + +"Mijn God, ge moet iets kunnen bedenken, dat haar bewijst dat het u +ernst is en geen spel. + +"Ge moet haar kunnen toonen, dat ge niet langer wilt leven, indien +ge niet geholpen wordt. Denkt ge trouw te blijven aan don Ferrante, +indien hij uw vader wegzendt? Ja, dat denkt ge zeker. En als de Madonna +niet bevreesd behoeft te zijn, voor hetgeen ge in wanhoop doen zult, +waarom zal ze u dan helpen?" + +Donna Micaela deinsde achteruit. Hij kwam plotseling achter de toonbank +vandaan en hield haar bij de mouw van haar mantel vast. + +"Begrijpt ge, ge moet haar toonen, dat ge u zelf weg kunt werpen, +indien ge geen hulp krijgt. Dat ge u in zonde en verderf zult +storten als ge niet krijgt, wat ge wilt. Het is op deze wijze, dat +men heiligen dwingt." + +Zij week voor hem terug en ging zonder een woord te spreken uit den +winkel. Zij haastte zich langs de kronkelende straat, bereikte den dom +en wierp zich geheel ontsteld neder voor het altaar der zwarte Madonna. + +Dit gebeurde op een Zaterdagmorgen en donna Micaela zag Zondagavond +Gaetano opnieuw. De maan scheen helder en in Diamante is het +gebruikelijk, dat bij maneschijn een ieder zijn huis verlaat en op +straat gaat. + +Zoodra de bewoners van het zomerpaleis buiten kwamen, hadden ze +bekenden getroffen. Donna Elisa had cavaliere Palmeri's arm genomen +en sindaco Voltaro had zich bij don Ferrante gevoegd om met hem over +de verkiezingen te spreken, maar Gaetano ging naar donna Micaela om +te hooren of ze zijn raad gevolgd had. + +"Hebt ge opgehouden aan het altaarkleed te naaien?" + +Donna Micaela antwoordde hem, dat ze den ganschen dag daaraan +gewerkt had. + +"Dan zijt ge zelf de oorzaak, dat ge niet geholpen wordt, donna +Micaela." + +"Ja, nu is er geen hulp meer voor mij mogelijk, don Gaetano." + +Zij zorgde er voor, dat ze een afstand van de anderen bleven, want +zij wilde hem ergens over spreken. Toen ze bij de Porta Etnea kwamen, +liepen ze door de poort en daalden af van de treden, die naar de +palmbosschen van den Monte Chiaro leiden. + +Ze hadden niet in de drukke straten kunnen blijven. + +Donna Micaela sprak zóó, dat de menschen in Diamante haar gesteenigd +zouden hebben, indien ze gehoord hadden, wat ze zeide. + +Zij vroeg Gaetano of hij ooit de zwarte Madonna van de domkerk gezien +had. Den vorigen dag had zij haar voor de eerste maal gezien. De +Madonna was misschien in zoo'n donkeren hoek van den dom geplaatst, +opdat niemand haar zou kunnen zien. Zij was immers zwart en stond +achter een traliehek. Geen mensch kon haar zien. + +Maar heden had donna Micaela haar gezien. De Madonna had een feestdag +en zij was uit haar nis gehaald. De vloer en de wanden van haar kapel +waren versierd met witte amandelbloemen en zij zelf had beneden op +het altaar gestaan, groot en donker, omgeven door de verblindend +witte bloemenpracht. + +Maar toen donna Micaela het beeld gezien had, was ze in vertwijfeling +geraakt. Want dat beeld stelde geen Madonna voor. Neen, degene, tot +wie zij gebeden had, was geen Madonna. O, wat een ramp, wat een ramp! + +'t Was stellig een oude godin. Zij die iets gezien hadden, konden +zich daarin niet vergissen. Zij droeg geen kroon, maar een helm, ze +had geen kind op den arm, maar een schild. Het was een Pallas Athene. + +Het was geen Madonna. O, neen! O, neen! + +'t Was hier in Diamante, dat men zulk een godslastering vereerde! En +wist hij, wat het grootste ongeluk was? + +Hun Madonna was zoo leelijk. Zij was zoo verweerd en oud, ook was ze +nooit een kunstwerk geweest. Zij was zoo leelijk, dat men niet naar +haar kijken kon. + +Dat ze op een dwaalspoor was geleid door al de duizenden gaven, die +in de kapel hingen, bedrogen was door al de legenden, die van haar +verteld werden! + +Drie weken verspild met het bidden tot haar! + +Zie, daardoor was ze niet geholpen! Het was geen Madonna, het was +geen Madonna! + +Ze sloegen den weg in, die rondom den Monte Chiaro onder den stadsmuur +loopt. + +De geheele wereld rondom hen was wit. + +Witte nevels omhulden den voet van den berg en de amandelboomen verder +op den Etna waren geheel wit van bloemen. Soms liepen ze zelf onder +een amandelboom, die zijn glinsterende takken boven hun hoofd welfde +en zoo volgeladen was met bloemen, alsof hij in een bad van zilver +gedompeld was. De maneschijn lag zoo verblindend wit op de aarde, +dat alles van zijn kleuren beroofd werd en wit scheen. Men was bijna +verbaasd, dat men die niet voelde, dat zij geen warmte gaf en dat +zij de oogen niet verblindde. Donna Micaela vroeg zich af of het de +maneschijn was, die Gaetano bedwong, zoodat hij haar niet greep en +in den Simeto wierp, toen zij de zwarte Madonna lasterde. + +Hij ging zwijgend en kalm aan haar zijde, maar zij was bevreesd +voor hetgeen hij doen zou. Doch hoe angstig zij ook was, zij kon +niet zwijgen. + +Hetgeen zij nu nog moest vertellen, was het vreeselijkste van +alles. Zij zei, dat zij den ganschen dag beproefd had aan de werkelijke +Madonna te denken, en dat zij zich alle beelden van haar die zij kende, +voor den geest geroepen had. + +Maar alles was vergeefsch geweest, omdat zoodra zij dacht aan de +stralende hemelkoningin, de oude godin zich voor haar stelde. En +zij zag haar komen gelijk een rimpelige, oude jonkvrouw om de groote +koningin der hemelen te verjagen, zoodat er voor haar nu geen Madonna +meer bestond. + +Zij vreesde, dat deze vertoornd op haar was, omdat zij te veel voor +die andere gedaan had en dat zij nu haar aangezicht en genade van +haar afwendde. Maar ter wille van de valsche Madonna zou haar vader +nu in het ongeluk gestort worden. Nu zou zij hem niet meer in haar +huis mogen behouden. + +Nu zou ze nooit zijn vergiffenis ontvangen. + +O, God! O, God! + +En dit alles zeide zij tot Gaetano, die de zwarte Madonna van Diamante +meer vereerde dan iets anders. + +Hij naderde haar nu heel dicht, en zij vreesde dat haar laatste uur +geslagen had. Zij zei met zwakke stem als om zich te verontschuldigen: + +"Ik ben waanzinnig. De angst maakt me waanzinnig. Ik slaap nooit." + +Maar Gaetano was stil naast haar gegaan en had aan niets anders +gedacht dan welk een kind zij was, en hoe weinig zij zich naar het +leven wist te schikken. + +Hij wist het nauwelijks zelf vóórdat hij haar zacht naar zich toe +getrokken en haar gekust had, omdat zij zulk een onervaren en dwaas +kind was. Ze werd door zulk een verbazing aangegrepen, dat zij er in +het geheel niet aan dacht weg te loopen. En ze gilde noch vluchtte. Ze +begreep dadelijk, dat hij haar kuste, zooals men een kind kust. Ze +ging slechts haastig verder en begon toen te weenen. + +Juist deze kus deed haar gevoelen hoe hulpbehoevend en eenzaam zij +was en hoezeer zij verlangde naar iemand, die sterk en goed was en +die haar in bescherming nam. Het was een ongeluk, dat zij hoewel zij +een man en een vader bezat, toch zoo verlaten was, dat deze vreemde +medelijden met haar gevoelen moest. + +Toen Gaetano haar gestalte zag schokken onder stille snikken, voelde +hij hoe ook hij begon te beven. Een diepe en heftige ontroering greep +hem aan. + +Weer naderde hij haar en legde zijn hand op haar arm. Toen hij +sprak, was zijn stem niet luid en helder, maar dof en verstikt door +aandoening. + +"Wilt ge met mij vluchten naar Argentinië, indien de Madonna u +niet helpt?" + +Nu week donna Micaela voor hem terug. Ze voelde plotseling, dat hij +niet meer tot haar sprak als tot een kind. Zij wendde zich om en ging +naar de stad terug. + +Gaetano volgde haar niet, maar bleef staan op de plek, waar hij haar +gekust had en het was hem alsof hij nooit meer in zijn leven deze +plaats zou kunnen verlaten. + + + +Gedurende twee dagen droomde Gaetano van donna Micaela, maar op den +derden dag ging hij naar het zomerpaleis om met haar te spreken. + +Hij trof haar op het terras en hij zei haar dadelijk, dat zij met +hem vluchten moest. + +Hij had aan haar gedacht, sedert ze van elkaar gescheiden waren. + +Hij had in zijn werkplaats staan peinzen over alles, wat er gebeurd +was, en nu was hij tot klaarheid gekomen. + +Ze was een roos, door den sterken sirocco van den struik gerukt en ruw +door de lucht geslingerd, opdat zij des te beter rust en beschutting +zou vinden bij een hart, dat haar beminde. + +Zij moest begrijpen, dat God en alle heiligen wenschten en verlangden, +dat ze elkaar zouden liefhebben, anders zouden die groote ongelukken +haar niet in zijn nabijheid gevoerd hebben. En indien de Madonna +weigerde haar te helpen, dan was dat, omdat ze haar wilde ontslaan van +haar trouwbelofte aan don Ferrante. Want alle hemelsche goden wisten, +dat zij de zijne was. Zij was voor hem geschapen, voor hem was zij +opgegroeid, voor hem leefde zij. Toen hij haar in den maneschijn op +den weg gekust had, was hij geweest als een wanhopig kind, dat lang +in de woestijn gedoold heeft, en nu eindelijk aan de poort van het +ouderlijk huis is gekomen. + +Hij bezat niets, maar zij was zijn thuis en zijn haard. + +Zij was het erfdeel, dat God hem toegedacht had, het eenige in de +wereld, dat het zijne was. + +Daarom kon hij haar niet achterlaten. Ze moest hem volgen, ze moest, +zij moest! + +Hij lag volstrekt niet voor haar op de knieën. + +Hij sprak tot haar met gebalde handen en vlammende oogen. Hij smeekte +haar niet, maar beval haar met hem te vertrekken, omdat zij de +zijne was. + +Het was geen zonde haar weg te voeren, maar veeleer zijn plicht dat +te doen. Hoe zou het haar gaan, indien hij haar hier achterliet? + +Donna Micaela hoorde hem aan, zonder een beweging te maken. Een langen +tijd zweeg zij, ook nadat hij opgehouden had met spreken. + +"Wanneer vertrekt ge?" vroeg zij eindelijk. + +"Ik vertrek Zaterdag van Diamante." + +"En wanneer gaat de stoomboot?" + +"Die vertrekt Zondagavond uit Messina." + +Donna Micaela stond op en liep naar de trap van het terras. + +"Mijn vader zal Zaterdag naar Catania reizen," zei zij. + +"Ik zal don Ferrante verzoeken hem daarheen te mogen brengen." + +Ze daalde een paar treden van de steenen trap, alsof zij niets meer +te zeggen had. Toen bleef zij staan. + +"Indien gij mij dan in Catania ontmoet, zal ik u volgen waarheen +ge wilt." + +Zij haastte zich van de trap. Gaetano beproefde niet haar terug te +houden. Er zou zeker eens een tijd komen, dat zij niet voor hem zou +vluchten. Hij wist dat zij niet kon nalaten hem lief te hebben. + + + +Den ganschen Vrijdagmiddag had donna Micaela in de domkerk +doorgebracht. Zij had zich in wanhoop voor de Madonna op de knieën +geworpen. + +"O, Madonna mia, Madonna mia! Zal ik morgen een ontrouwe echtgenoote +zijn? Zullen de menschen dan het recht hebben al het mogelijke kwaad +van mij te spreken?" + +En alles scheen haar even vreeselijk. Zij was bang om met Gaetano te +vluchten, en zij wist niet hoe zij het zou kunnen uithouden bij don +Ferrante. Zij haatte den eene zoowel als den andere. Geen van beiden +scheen haar iets anders dan ongeluk te kunnen bieden. + +Zij zag wel, dat de Madonna haar niet zou helpen. + +--En nu vroeg zij zich af, of het nog geen grooter ellende was met +Gaetano te vluchten, dan te blijven bij don Ferrante. Was het de +moeite waard, dat zij zich in het verderf stortte, om zich op haar +man te wreken? + +En bestond er wel iets afschuwelijkers dan te vluchten met een man, +dien zij niet liefhad? + +Ze leed hevige smarten. De gansche week werd ze gekweld door een +verterende onrust. Het vreeselijkste was, dat ze nooit kon slapen. Zij +dacht geen gezonde, klare gedachten meer. + +Keer op keer begon zij haar gebeden opnieuw. Maar toen dacht zij +opeens: De Madonna kan mij niet helpen; en zij hield dadelijk op +met bidden. + +Toen moest ze denken aan de smarten van vroeger dagen en herinnerde +zich het kleine beeld, dat haar eens bijgestaan had, toen zij in +groote wanhoop verkeerde. En nu richtte zij met hartstochtelijken +ijver haar gebeden tot het kleine, arme Christuskind. + +"Help mij, help mij! Help mijn ouden vader en help mij zelf, opdat +ik mij niet laat verleiden tot zonde en wraak." + +Toen zij dien nacht ging liggen, streed zij nog steeds tegen haar +onrust en angst. + +"Kon ik slechts een enkel uur slapen," zei ze, "dan zou ik weten wat +ik wil." + +Gaetano zou den volgenden morgen heel vroeg vertrekken. Ten slotte +nam zij het besluit met hem te spreken, vóórdat hij vertrok, en hem +te zeggen, dat zij hem niet kon volgen. Zij kon het niet verdragen +beschouwd te worden als een gevallen vrouw. + +Nauwelijks had zij dit besluit genomen of zij viel in slaap. Ze +ontwaakte niet vóórdat de klok den volgenden morgen negen uur sloeg. En +toen was Gaetano reeds vertrokken. Zij kon hem niet meer zeggen, dat +ze berouw had van haar besluit. Maar daaraan dacht zij niet meer. In +den slaap was er iets nieuws en vreemds over haar gekomen. Haar scheen +het, dat zij gedurende den nacht in den hemel vertoefd had en dat ze +de gelukzaligheid gesmaakt had. + + + +Waar wordt er een heilige gevonden, den menschen tot grooter nut dan +San Pasquale? Gebeurt het niet somtijds, dat ze op een eenzame plaats +in het bosch of op het veld staan te praten en dat ze óf kwaad van +iemand spreken óf plannen beramen tot iets slechts? Nu, let eens op, +als zij daar op hun best staan, hooren ze een geraas achter zich, +zoodat ze omkijken en denken, dat iemand hen met een steen geworpen +heeft. + +'t Is niet noodig, dat zij lang omkijken. 't Is niet de moeite +waard dat ze opstuiven om dengene te zoeken, die den steen geworpen +heeft. Die kwam van San Pasquale. + +Zoo zeker als er rechtvaardigheid in den hemel bestaat, was het San +Pasquale die hoorde, dat zij over iets slechts spraken en hen met +een zijner steenen wierp om hen te waarschuwen. + +En degene, die er niet van houdt gestoord te worden in zijn +booze plannen, moet zich niet daarmee troosten, dat San Pasquale's +steenenvoorraad spoedig uitgeput zal raken. Zijn steenen zullen nooit +opgebruikt zijn. Er zijn er zoo vele, dat ze zullen reiken tot den +laatsten dag der wereld. + +Want toen San Pasquale hier op aarde leefde, weet ge wat hij toen +deed? Weet ge waaraan hij meer dacht, dan aan iets anders? San +Pasquale lette op al de kleine kiezelsteenen, die op zijn weg lagen, +en verzamelde deze in zijn zak. + +Gij, signor, wilt u nauwlijks bukken om een soldo op te rapen, maar +San Pasquale bukte zich voor elk kiezelsteentje, en toen hij stierf, +nam hij die alle mede naar den hemel en daar zit hij nu en werpt allen, +die iets slechts beramen, met een zijner steenen. Maar dit is zeker +niet het eenige nut, dat San Pasquale den menschen doet. Hij is het +ook, die een teeken geeft als iemand zal trouwen of sterven en hij +kan ook teekens geven met iets anders dan steenen. + +Oude Saraedda in Randazzo zat op een nacht bij haar dochters +ziekbed te slapen. Maar haar dochter was bewusteloos en stervende, +en niemand kon de priesters waarschuwen. Hoe werd de moeder toen +intijds gewekt? Hoe werd ze gewekt, zoodat ze iemand kon zenden om +den pastoor te halen? Door niets anders dan dat een stoel heen en weer +begon te wiegelen en te kraken en te krakken, totdat zij ontwaakte. En +het was San Pasquale, die dat deed. Wie anders dan San Pasquale denkt +aan zoo iets? + +Er valt nog een geschiedenis van San Pasquale te verhalen. Deze betreft +den langen Kristoforo van Tre Castagni. Hij is geen kwade man, maar +hij had zich een slechte gewoonte eigen gemaakt, hij kon zijn mond +niet openen zonder te vloeken. Hij kon geen twee woorden zeggen, +zonder dat het eene een vloek was. + +En gelooft ge, dat het hielp, dat zijn vrouw en buurlieden hem +waarschuwden? + +Maar boven zijn bed hing een klein schilderij, dat San Pasquale +voorstelde en het gelukte dit kleine beeld hem te helpen. Iederen nacht +slingerde het heen en weer in zijn lijst, slingerde hard of zacht, +naarmate Kristoforo overdag gevloekt had. En hij merkte, dat hij geen +enkelen nacht zou kunnen slapen, vóórdat hij ophield met vloeken. + +San Pasquale heeft in Diamante een kerk, die buiten de Porta Etnea +ligt, een weinig beneden de stad. Die kerk is heel klein en arm, +maar de witte wanden en de roode koepel liggen heerlijk in een bosch +van amandelboomen. + +Daarom is San Pasquale's kerk, zoodra de amandelboomen bloeien, de +schoonste godstempel in Diamante. Want de bloeiende takken welven zich +daarboven, vol geladen met glinsterende witte bloemen, een prachtig +kleed gelijk. + +San Pasquale's kerk is zeer ongelukkig en verlaten, omdat er nooit meer +een godsdienstige plechtigheid in gehouden kan worden. Want toen de +Garibaldisten, die Sicilië bevrijdden, in Diamante kwamen, sloegen +ze hun leger op in San Pasquale en in het Franciscanerklooster, +dat naast de kerk ligt. En ze waagden het redelooze dieren in de +kerk te brengen en daar zulk een woest leven te leiden met vrouwen +en kaartspel, dat de kerk sedert als onrein en onheilig beschouwd +werd en nooit meer voor den godsdienst geopend kon worden. + +Daardoor komt het, dat slechts als de amandelboomen in bloei staan +de voorname menschen San Pasquale's kerk opmerken. Want hoewel dan +de geheele voet van den Etna wit is van amandelbloemen, staan toch +de grootste en schoonste boomen rondom de oude, verlaten kerk. + +Maar de arme menschen komen gedurende het gansche jaar tot San +Pasquale. Ofschoon de kerk gesloten is, gaan ze daarheen om raad te +vragen aan den heilige. Want bij den ingang staat onder een groot +steenen baldakijn een beeld van hem, dat men pleegt aan te roepen +om iets van de toekomst te vernemen. Niemand voorspelt de toekomst +beter dan San Pasquale. + +Nu gebeurde het, dat juist op den morgen, dat Gaetano van Diamante +vertrok, wolken uit den Etna nederdaalden, zoo dicht alsof ze uit +stof bestonden, en opgejaagd waren door ontelbare krijgsscharen. + +En ze verduisterden de lucht als donker gevleugelde draken, ze spuwden +regen, en slingerden nevels en duisternis op de aarde. En er hing +zulk een dichte mist boven Diamante, dat men de overzijde der straat +niet kon onderscheiden. De nevel maakte alles nat, de vloer was even +vochtig als het dak, van de deurposten droppelde het water, de treden +der trap waren overstroomd: nevel hing en trilde in alle vertrekken, +zoodat men had kunnen denken dat ze met rook gevuld waren. Maar +zeer vroeg op dezen morgen, nog voordat het begon te regenen, reed +een rijke Engelsche dame in haar grooten reiswagen uit de poort van +Catania om een rit te maken rondom den Etna. Toen ze echter eenige +uren gereden had, plaste een vreeselijke regen neer, die alles in +een dichten nevel hulde. + +En daar zij het genot der heerlijke streken, waardoor ze reed, niet +wilde missen, besloot ze de naastbijzijnde stad binnen te rijden +en daar te vertoeven, totdat de bui voorbij was. Maar die stad was +juist Diamante. + +Deze Engelsche dame was miss Tottenham, en zij was het, die het +palazza Palmeri in Catania bewoonde. Onder al de voorwerpen, die zij +in haar koffer meevoerde, was ook het Christusbeeld, dat donna Micaela +eens had aangeroepen. Want dit beeld, dat nu oud en onooglijk was, +vergezelde haar altijd op al haar reizen, als een herinnering aan +een oude vriendin, die haar al haar rijkdommen geschonken had. + +Men zou geloofd hebben, dat San Pasquale wist, welk een groot +wonderdoener het beeld was, want het scheen als wilde hij het +begroeten. Op hetzelfde oogenblik, dat miss Tottenham's reiswagen +door de Porta Etnea reed, begonnen de klokken te luiden in de kerk +van San Pasquale. + +En zij luidden gedurende den ganschen dag geheel vanzelf. + +San Pasquale's klokken zijn niet veel grooter dan die gebruikt +worden op de landhoeven om het arbeidsvolk naar huis te roepen en +evenals deze hangen ze boven op het dak onder een kleinen luifel; +men pleegt ze in beweging te brengen door aan een touw te trekken, +dat langs den kerkmuur hangt. + +Het is geen zwaar werk deze klokken te luiden, maar ze zijn toch niet +zoo licht, dat ze geheel vanzelf in beweging kunnen komen. Degene, +die gezien heeft, hoe de oude fra Felice van het Franciscanerklooster +zijn voet zet in een lus van het klokketouw en op en neer trapt om +ze aan den gang te brengen, weet wel, dat de klokken niet kunnen +beginnen te luiden zonder hulp. + +Maar dat was het, wat ze juist wel deden op dezen morgen. Het touw was +stevig vastgebonden aan een spijker in den muur, en er was niemand, +die het aanraakte. En er was ook niemand op het dak gekropen om de +klokken in beweging te brengen. Men kon duidelijk zien hoe de klokken +heen en weer slingerden en hoe de klepels tegen de metalen wanden +sloegen. Het was onbegrijpelijk, hoe ze in beweging waren geraakt. + +Toen donna Micaela ontwaakte, luidden de klokken reeds en zij lag +langen tijd stil te luisteren en te luisteren. Zoo iets schoons had +zij nog nooit gehoord. + +Zij wist niet, dat het een wonder was, maar ze vond slechts dat het +heerlijk klonk. + +En zij was verwonderd, dat aardsche metalen klokken zoo konden klinken. + +Men kan immers ook niet weten wat voor metaal het was, dat er op +dien dag klonk in de klokken van San Pasquale! Haar scheen het, dat +de klokken haar zeiden, dat ze nu blijde moest zijn, nu zou ze leven +en liefhebben, nu zou ze nooit meer angstig of bedroefd zijn. Toen +begon haar hart te kloppen op de maat van een statige melodie, en +onder het luiden der klokken betrad zij plechtig een heerlijken burcht. + +En wien anders kon deze burcht toebehooren, wie kon de heer zijn +van zulk een prachtig slot, dan de liefde? Men kan het niet langer +verbergen, toen donna Micaela ontwaakte, voelde zij, dat ze Gaetano +liefhad en dat zij niets vuriger verlangde dan met hem te vluchten. + +En toen donna Micaela het luik van haar raam wegschoof en den grauwen +morgen zag, zond zij dien een kushand en fluisterde: + +"Gij, die de morgen zijt van den dag, dat ik zal vertrekken, gij zijt +de schoonste morgen, dien ik nog ooit gezien heb, en zoo grauw als +ge zijt, wil ik u streelen en liefkoozen." + +Maar het klokgelui behaagde haar het meest. Daaruit kon men zien, dat +haar liefde sterk was, want alle andere menschen vonden het pijnlijk +deze klokken te hooren, die maar niet met kleppen wilden ophouden. + +Niemand dacht er aan gedurende het eerste half uur, toen hoorde +men nauwelijks het klokgelui, maar gedurende het tweede en derde +uur.-------- + +Gij moet niet denken, dat de kleine klokken van San Pasquale zich niet +konden doen hooren. Zij hadden altijd een helderen klank, maar nu was +het alsof het geluid in haar groeide en groeide. Spoedig scheen het, +alsof er niets anders dan klokken in den nevel waren. Het was alsof +de gansche hemel er vol van hing, ofschoon men ze niet kon zien door +den dichten mist. + +Toen donna Elisa voor het eerst den klank hoorde, meende zij dat San +Giuseppe's kleine klok luidde; en later geloofde zij, dat het de klok +van de domkerk was. Daarna dacht ze te hooren, hoe de klokken van +het Dominicanenklooster met het gelui instemden en ten slotte wist +zij zeker, dat alle klokken der stad luidden en luidden, zoo hard ze +slechts konden; al de klokken der vijf kloosters en zeven kerken. Ze +meende het geluid van elk afzonderlijk te onderscheiden, tot ze vroeg +en hoorde, dat het slechts de kleine klokken van San Pasquale waren, +die luidden. Gedurende de eerste uren, toen men ook nog niet overal +wist, dat de klokken geheel vanzelf luidden, bemerkte men slechts, +dat de regendroppels op de maat van het klokgelui neervielen, +en dat allen, die spraken een harde metaalstem hadden. Ook merkte +men, dat het onmogelijk was op de mandoline of de gitaar te spelen, +omdat het klokgelui zich met de muziek vermengde en die oorverdoovend +maakte. Men kon ook niet lezen, omdat de letters gelijk klokklepels +heen en weer slingerden en de woorden een stem hadden en zich zelf +volkomen duidelijk oplazen. + +Spoedig konden de menschen het niet uithouden naar bloemen te zien, +die aan lange stengels hingen, ze schenen heen en weer te wiegelen. En +de menschen klaagden, dat de bloemen in plaats van geur klank gekregen +hadden. + +Maar anderen beweerden, dat de nevel, die door de lucht zweefde, zich +op de maat van het klokgelui bewoog, en ze zeiden, dat de slingers +van alle pendules zich daarnaar richtten, en dat alle menschen, +die in den regen buiten liepen, hetzelfde trachtten te doen. + +En dat was toen de klokken nog slechts een paar uur geluid hadden +en de menschen er nog om lachten. Maar in het derde uur scheen het +gelui nog krachtiger te worden en enkelen stopten watten in de ooren, +terwijl anderen onder dikke dekens kropen. Maar evenwel voelde men +hoe de lucht trilde van de klokslagen en men scheen te bemerken hoe +alles zich op de maat van het gelui bewoog. + +En degenen die naar den donkeren zolder vluchtten, hoorden daar het +klokgelui zoo duidelijk alsof het van den hemel kwam en degenen, +die zich in den diepen kelder verstopten, hoorden het daar zoo sterk +en dreunend, alsof San Pasquale's kerk in de onderwereld stond. En +alle menschen in Diamante werden angstig, behalve donna Micaela, +die door de liefde voor allen angst behoed werd. + +Nu begon men te denken, dat het iets moet beteekenen, dat het juist +de klokken van San Pasquale waren die luidden. En elk vroeg zich af +wat de heilige voorspelde. En ieder had zijn eigen vrees en geloofde +dat San Pasquale juist hem profeteerde, wat hij het minst van alles +wenschte. En elk had een daad die hem op het geweten drukte en geloofde +nu dat San Pasquale straf neerluidde over hem. + +Maar tegen den middag, toen de klokken nog steeds bleven doorluiden, +was men overtuigd, dat San Pasquale zulk een ramp over Diamante luidde, +dat men niets anders kon verwachten dan dat alle menschen binnen het +jaar zouden sterven. + +En de mooie Giannita kwam hevig ontsteld, schreiende bij donna Micaela +en klaagde, dat het San Pasquale was die de klokken luidde. + +"O, God, o God, indien het slechts een ander was geweest dan San +Pasquale! + +"Hij ziet dat ons iets ontzettends dreigt," zei Giannita. "De nevel +verhindert hem niet om zoo ver te zien als hij wil. Hij ziet, dat +een vijandelijke vloot op zee nadert, hij ziet, dat er een aschwolk +uit den Etna opstijgt, die op ons zal neervallen en ons zal begraven." + +Maar donna Micaela lachte en meende, dat zij wel wist waaraan San +Pasquale dacht. + +"Hij luidt de doodsklok over de schoone amandelbloemen, die door den +regen verwoest worden," zei ze tegen Giannita. + +Zij liet zich door niemand beangstigen, omdat zij geloofde, dat de +klokken slechts voor haar luidden. Ze wiegden haar in droomen. Zij +zat stil in de muziekzaal en liet de vreugde in haar opstijgen. + +Maar de gansche wereld rondom haar was in vrees, onrust en angst. + +Nu kon men niet meer stil bij den arbeid blijven. Men kon aan niets +anders denken dan aan de ramp die San Pasquale voorspelde. + +En de bedelaars kregen meer geschenken dan ooit te voren; maar zij +verheugden zich niet daarover, daar zij niet geloofden, dat zij een +volgenden dag zouden beleven. En de priesters waren niet verheugd, +hoewel zij zoo vele biechtelingen hadden, dat zij den ganschen dag +in den biechtstoel moesten zitten en ofschoon gave na gave gestapeld +werd op het altaar der heiligen. + +Zelfs Vicenzo de Lozza, de briefschrijver, was niet blijde met dezen +dag, ofschoon men zijn schrijftafel onder de loggia van het raadhuis +belegerde en hem gaarne een soldo per woord wilde betalen, indien men +slechts op dezen dag des oordeels een afscheidswoord aan de beminde +afwezigen geschreven kreeg. + +En 't was onmogelijk school te houden, want de kinderen schreiden +den ganschen tijd. Maar tegen den middag kwamen de moeders met een +gelaat, verstijfd van ontzetting, en namen de kleinen mee naar huis, +opdat men tenminste bij elkaar zou zijn, indien er iets gebeurde. + +Eveneens hadden alle leerjongens bij de schoenmakers en kleermakers een +vrijen dag. Maar de arme knapen waagden het niet daarvan te genieten, +ze bleven liever stil op de werkplaats om te wachten. + +En de klokken bleven tot in den namiddag doorluiden. + +Aan de poort van het palazzo Gerazi, waar nu slechts bedelaars wonen, +verhief zich de oude poortwachter, die zelf een bedelaar was en gekleed +ging in de ellendigste lompen, en trok zijn lichtgroene livrei aan, +die hij slechts droeg op feestdagen en op den geboortedag des konings. + +En niemand kon hem daar in de poort zien zitten in zijn feestgewaad, +zonder door vrees aangegrepen te worden, want men wist, dat de +grijsaard verwachtte, dat geen geringer heer dan de ondergang zelf, +door de poort zou gaan, die hij bewaakte. + +En de angst ging gelijk een besmetting van mensch tot mensch. Zoo +liep de arme Torino, die eens een welgesteld man was geweest, van +huis tot huis en riep dat de tijd nu gekomen was, dat allen die hem +bedrogen en bestolen hadden hun straf zouden ontvangen. Hij ging in +al de kleine winkels aan de corso, sloeg met de vuist op de toonbank +en zei, dat nu allen in de stad hun vonnis zouden krijgen, omdat ze +meegeholpen hadden hem te bedriegen. + +En even beangstigend was het, wat men hoorde van het speelgezelschap +in café Europa. Daar hadden dezelfde vier spelers jaar in jaar uit +aan de speeltafel gezeten, en men had nooit gedacht dat ze iets anders +konden doen dan spelen. Maar nu lieten ze plotseling de kaarten vallen +en beloofden elkaar, dat indien ze in 't leven bleven na dezen dag +der verschrikking ze de kaarten nooit meer zouden aanraken. + +Donna Elisa's winkel stond vol menschen, en om de heiligen te bewegen +het dreigende gevaar af te wenden, kochten ze al de heilige zaken, +die donna Elisa te verkoopen had. Maar donna Elisa dacht slechts +aan Gaetano, die reeds vertrokken was en zij meende dat San Pasquale +voorspelde dat hij op reis zou omkomen. + +En zij verheugde zich volstrekt niet over al het geld, dat zij +verdiende. + +Maar toen de klokken van San Pasquale den ganschen namiddag bleven +doorluiden, kon men nauwelijks het leven uithouden. + +Want nu wist men dat zij een aardbeving voorspelden, en dat geheel +Diamante verwoest zou worden. + +In de stegen, waar zelfs de huizen bang schenen te zijn voor de +aardbeving en zich tegen elkander aandrukten om elkander te steunen, +zetten de menschen hun armzalige oude meubels in den regen op straat +en spanden daarboven een tent van beddelakens. En ze droegen zelfs +de kleine kinderen in hun wiegen naar buiten en wierpen doeken over +hen heen. Trots den regen was er zulk een gedrang op de corso, dat +men er nauwelijks door kon komen. Want een ieder wilde door de Porta +Etnea gaan om de klokken te zien slingeren en zwaaien en om zich te +overtuigen, dat niemand aan het touw trok, maar dat dit voortdurend +vastgebonden was. En allen die buiten kwamen vielen op hun knieën op +den weg, waar het water in stroomen naar beneden bruiste en de modder +grondeloos was. + +De deuren van San Pasquale's kerk waren als altijd gesloten, maar daar +buiten ging de oude monnik fra Felice tusschen de biddenden rond met +een koperen schaal om de gaven in ontvangst te nemen. + +In optocht trokken de verschrikte menschen naar het beeld van San +Pasquale onder den steenen baldakijn en kusten hem de hand. Een oude +vrouw droeg heel voorzichtig iets, dat ze met een groene parapluie +beschermde. Het was een glas, gevuld met water en olie, waarop een +pitje dreef dat met zwakken glans lichtte. Dat plaatste zij vóór het +beeld, en daarna zonk ze er voor op de knieën. Hoewel velen vonden, +dat men trachten moest de klokken vast te binden, was er niemand, +die den moed had het voor te stellen. Want men waagde het niet Gods +stem tot zwijgen te brengen. + +Ook durfde niemand zeggen, dat het een list van den ouden fra Felice +kon zijn om geld te verzamelen. Fra Felice was bemind, en degene, +die dat zei, zou slecht te pas zijn gekomen. + +Ook donna Micaela kwam naar San Pasquale, ze had haar vader bij +zich. Zij liep met fier opgeheven hoofd en geheel zonder vrees. + +Zij kwam tot San Pasquale om hem te danken, hem die den grootsten +hartstocht in haar ziel luidde. + +"Mijn leven begint dezen dag," zei ze tot zichzelf. En het scheen ook +niet, dat don Ferrante angstig was, maar boos en kwaad was hij! Want +allen gingen naar zijn winkel om hem te zeggen wat zij van 't klokgelui +dachten en hem te vragen naar zijn meening, omdat hij een der Alagona's +was, die zoo lange jaren over de stad geregeerd hadden. + +Den ganschen dag kwamen bevende, angstige menschen in zijn winkel. En +allen zeiden tegen hem: + +"Welk een vreeselijk klokgelui, don Ferrante. Wat zal er van ons +worden, don Ferrante?" + +Er was nauwelijks één der inwoners van de stad, die niet in don +Ferrante's winkel kwam om hem te raadplegen. Zoo lang het klokgelui +duurde, hingen ze over de toonbank zonder voor zooveel als een soldo +te koopen. + +Zelfs Ugo Favara, de zwaarmoedige advocaat, kwam in zijn winkel, +nam een stoel en ging achter de toonbank zitten. En den ganschen dag +bleef hij daar, doodsbleek, volkomen onbeweeglijk, de ondraaglijkste +smarten lijdend zonder een woord te spreken. + +Maar elke vijf minuten kwam Torino il Martello binnen, sloeg met +de vuist op de toonbank en zei, dat nu het uur gekomen was, dat don +Ferrante zijn straf zou ontvangen. + +Don Ferrante was een harde man, maar hij kon de klokken evenmin +ontloopen als iemand anders. En hoe langer hij ze hoorde, hoe +meer hij zich verwonderde, dat alle menschen juist zijn winkel +binnenstroomden. Het was alsof ze iets daarmee bedoelden. + +'t Was alsof zij hem aansprakelijk wilden stellen voor het klokgelui +en voor de ramp, die het voorspelde. + +Hij had het aan niemand gezegd, maar zijn vrouw had het zeker +verspreid. Hij begon te gelooven, dat allen aan hetzelfde dachten, +ofschoon zij niet waagden het te zeggen. Hij dacht, dat de advocaat +er op zat te wachten, dat hij zou toegeven. Hij geloofde, dat de +geheele stad kwam om te zien of hij werkelijk zijn schoonvader durfde +wegzenden. + +Donna Elisa, die het zoo druk had in haar eigen winkel, dat zij zelf +niet kon komen, zond gedurig de oude Pacifica naar hem om te vragen, +wat hij dacht van het klokgelui. En de pastoor kwam ook een oogenblik +in zijn winkel en zeide evenals alle anderen: + +"Hebt ge ooit zulk een vreeselijk klokgelui gehoord, don Ferrante?" + +En don Ferrante zou gaarne geweten hebben of de advocaat en don Matteo +en al de anderen slechts kwamen om hem te verwijten, dat hij cavaliere +Palmeri wilde wegzenden. + +'t Bloed begon aan zijn slapen te kloppen. De winkel begon met hem +rond te draaien. En onophoudelijk kwam er iemand binnen om te vragen: + +"Hebt ge ooit zulk een vreeselijk klokgelui gehoord?" + +Maar wie niet kwam was donna Micaela. Zij kwam niet, omdat zij +volstrekt geen angst gevoelde. Zij was slechts trotsch en opgetogen, +dat de hartstocht nu was gekomen, die haar gansche leven vullen zou. + +"Nu zal ik leven het groote en machtige leven," zei zij. En het +ontstelde haar, dat zij tot nu toe slechts een kind was geweest. Zij +zou vertrekken met den postwagen, die om tien uur 's avonds voorbij +Diamante kwam. Toen het tegen vier uur liep, dacht zij dat zij nu +alles aan haar vader moest zeggen, en zijn goed moest inpakken. + +Maar ook dit scheen haar niet moeilijk. Haar vader zou haar spoedig +nakomen naar Argentinië. Zij zou hem vragen eenige maanden geduld +te hebben tot ze een thuis hadden om hem aan te bieden. En zij was +overtuigd, dat hij het goed zou keuren, dat zij don Ferrante verliet. + +Zij was in een zalige vervoering. Alles wat haar vreeselijk moest +schijnen, bestond niet meer voor haar. + +Geen schaamte, geen gevaar, neen niets meer. + +Zij verlangde slechts het ratelen van den naderenden postwagen +te hooren. + +Toen klonken er vele stemmen op de trap, die van den binnenhof naar de +woning leidde. Zij hoorde het geluid van vele zware voetstappen. Zij +zag menschen gaan door de open zuilengangen, die rondom den binnenhof +liepen en waardoor men moest gaan om in de vertrekken te komen. Zij +zag dat zij iets zwaars droegen maar zij kon niet onderscheiden, +wat het was, omdat er zoo veel menschen waren. + +De bleeke advocaat liep vooruit, en zeide haar, dat don Ferranto +Torino uit den winkel had willen jagen, maar dat deze hem toen met +zijn mes verwond had. + +Het was niet gevaarlijk. Don Ferrante was reeds verbonden en zou na +veertien dagen geheel hersteld zijn. + +Don Ferrante werd nu naar binnen gedragen, en zijn blikken dwaalden +in het rond, niet om donna Micaela, maar om cavaliere Palmeri te +zoeken. Toen hij hem zag, deed hij zonder een woord te spreken, met +eenige handgebaren zijn vrouw verstaan, dat haar vader nooit zijn +huis zou behoeven te verlaten, nooit! nooit! + +Toen drukte donna Micaela de handen tegen de oogen. Hoe? haar vader +zou niet vertrekken? Zij was dus gered. Er was een wonder geschied +om haar te helpen. O, nu moest zij verheugd, gelukkig zijn! + +Maar dat was zij niet. Zij voelde een heftige smart. + +Zij kon niet weggaan. Haar vader zou blijven en dus moest zij don +Ferrante trouw zijn. Zij deed moeite om die gedachte te begrijpen. Het +was zoo. + +Zij kon niet vertrekken. + +Zij trachtte het op een andere wijze te verklaren. Misschien was +dit een valsche gevolgtrekking. Zij was zoo verward. Neen, neen, +het was zoo, zij kon niet weggaan. + +Toen gevoelde zij zich zoo nameloos moede. Zij had immers gereisd en +gereisd den ganschen dag. Zij was zoo lang onderweg geweest. En nu zou +zij nooit gaan. Zij zonk ineen, een bezwijming nabij. Er bleef haar +niets over dan te rusten na de verre reis, die zij gemaakt had. Maar +dat zou zij zeker nooit kunnen. Zij begon te weenen, omdat zij nu +nooit zou gaan. Gedurende haar geheele leven zou zij reizen en reizen +en toch nooit vertrekken kunnen. + + + + + + +VIII. + +TWEE CANZONES. + + +Het was de morgen na den dag, dat San Pasquale's klokken geluid hadden +en donna Elisa zat in haar winkel geld te tellen. Den vorigen dag, +toen alle menschen zoo angstig waren, had zij ongelooflijk veel +verkocht, en 's morgens, toen zij in haar winkel kwam, was zij +bijna verschrokken. Want de geheele winkel was als uitgeplunderd, +de medaillons waren weg, de waskaarsen waren weg en evenzoo de groote +trossen rozenkransen. Al die mooie heiligenbeeldjes van Gaetano waren +van de planken gehaald en verkocht, en het deed donna Elisa werkelijk +veel verdriet, niet meer deze groote schare heilige mannen en vrouwen +om zich heen te zien. + +Toen trok zij de geldlade uit en die was zoo boordevol, dat zij die +nauwelijks kon openschuiven. En terwijl zij haar geld telde, schreide +zij, alsof al de geldstukken valsch waren. Want wat baatte het haar al +deze vuile bankbiljetten en deze groote bronzen munten te bezitten, +nu zij Gaetano verloren had! En zij dacht dat indien hij slechts één +dag langer in huis was gebleven, hij niet had behoeven te vertrekken, +want nu had zij geld in overvloed. + +Terwijl ze daar zoo zat, hoorde zij den postwagen voor haar deur +stilhouden. + +Maar zij keek niet eens op, wat gaf zij er om wat er gebeurde, +nu Gaetano weg was. Toen werd de deur geopend, de winkelbel luidde +hevig. Ze schreide slechts en telde. Toen zei iemand: + +"Donna Elisa! Donna Elisa!" + +'t Was Gaetano. + +"Mijn God, waarom ben je teruggekomen?" riep zij. + +"Ge hebt immers al uw beelden verkocht, ik ben thuis gekomen om nieuwe +beelden voor u te snijden." + +"Maar hoe weet je dat?" + +"Ik was vannacht om twee uur bij den postwagen. Rosa Alfari heeft +mij alles verteld." + +"Hoe gelukkig, dat je naar den postwagen ging! Hoe gelukkig, dat je +den inval kreeg om naar den postwagen te gaan!" + +"Ja, was dat niet gelukkig," zei Gaetano. + +Nauwelijks een uur later stond Gaetano weer in zijn werkplaats en donna +Elisa die niets in haar leegen winkel te doen had, kwam onophoudelijk +in de deur der werkplaats om naar hem te kijken. + +Neen, dat hij nu werkelijk daar weer stond te snijden! Ze kon geen +vijf minuten voorbij laten gaan, zonder naar hem te kijken. + +Maar toen donna Micaela hoorde, dat Gaetano weer terug was, voelde +zij geen vreugde, maar veeleer toorn en wanhoop. + +Want zij was bang, dat hij als een verleider zou komen om haar te +verlokken. + +Zij had immers gehoord dat een rijke Engelsche dame naar Diamante +was gekomen op den dag, dat San Pasquale's klokken geluid hadden. + +En zij was zeer getroffen, toen zij hoorde dat het juist de dame met +het Christusbeeld was. Hij was dus dadelijk gekomen, toen zij hem +aangeroepen had. + +De regen en het klokgelui was zijn werk! + +Zij trachtte haar hart te verblijden met de gedachte, dat er een +wonder was geschied om harentwille. + +Het moest haar meer zijn dan alle aardsch geluk en liefde, dat zij +zich omgeven gevoelde door Gods genade. Zij wilde niet dat eenig +aardsch gevoel haar rukken zou uit deze gezegende geestvervoering. + +Maar toen zij Gaetano op straat ontmoette, zag hij nauwelijks naar +haar en wanneer zij hem trof bij donna Elisa gaf hij haar niet de +hand en sprak in het geheel niet tot haar. + +Want de waarheid was, dat hoewel Gaetano thuis was gekomen, omdat +het hem te zwaar viel zonder donna Micaela te vertrekken, hij haar +niet wilde verleiden of verlokken. + +Hij zag dat zij onder bescherming der heiligen stond en zij was hem +zoo heilig geworden, dat hij nauwelijks waagde van haar te droomen. + +Hij wilde in haar nabijheid zijn, niet om haar lief te hebben, +maar omdat hij geloofde dat uit haar leven heilige daden zouden +opbloeien. Gaetano verlangde naar een wonder, gelijk een bloemkweeker +smacht naar de eerste roos in de lente. + +Maar toen de weken gingen en Gaetano nooit donna Micaela trachtte +te naderen, begon ze te twijfelen en te denken, dat hij haar nooit +had liefgehad. Zij zeide tot zichzelf dat hij haar de belofte, om +met hem te vluchten, slechts ontlokt had om haar te toonen, dat de +Madonna wel een wonder kon verrichten. + +Maar als dat zoo was, begreep ze niet, waarom hij zijn reis niet +vervolgd had, maar teruggekeerd was. + +Dat veroorzaakte haar onrust. Zij meende haar liefde niet te kunnen +bedwingen, indien zij niet wist dat Gaetano haar liefhad. Zij woog +het voor en het tegen, en ze werd al meer overtuigd, dat hij haar +nooit had liefgehad. Terwijl donna Micaela dit dacht moest zij don +Ferrante gezelschap houden, hij was lang ziek geweest, en had een paar +aanvallen van beroerte gehad. Hij was van het ziekbed opgestaan als +een gebroken man. Opeens was hij oud, stompzinnig en bang geworden, +zoodat hij nooit meer alleen durfde zijn. Hij ging nooit meer naar +den winkel, in alles was hij een geheel ander mensch geworden. + +Een groote lust om voornaam en schitterend te zijn had zich van hem +meester gemaakt. + +Het scheen alsof de arme don Ferrante door hoogmoedswaanzin aangegrepen +was. + +Donna Micaela was zeer goed voor hem en zat urenlang met hem te tobben. + +"Wie zou dat zijn," placht zij hem te vragen, "die eens op de markt +stond met pluimen op den hoed, tressen op de uniform, en een sabel op +zij en die zoo schoon speelde, dat men zei, dat zijn muziek verheven +was als de Etna en machtig als de zee? En wie was het, die toen een +arme signorina in rouwgewaad zag, die het niet waagde haar gelaat aan +de menschen te toonen en haar den arm bood? Wie kon dat zijn? Kon het +don Ferrante zijn, die de gansche week in een kort buis en puntige +muts in zijn winkel stond? Neen, dat kon niet mogelijk zijn. Zoo iets +kon een oude koopman niet doen! + +Don Ferrante lachte. Juist zóó wilde hij dat men tegen hem sprak. Zij +moest hem ook vertellen hoe het zou zijn, als hij aan het hof kwam. + +Wat de koning en wat de koningin zou zeggen. + +"De oude Alagona's zijn dus tot nieuw leven gekomen," zou er aan het +hof gezegd worden. + +"Wie heeft het geslacht doen herleven?" En men zou vragen en +vragen. Die don Ferrante, vorst van Sicilië en grande van Spanje, +is dat dezelfde man, die in zijn winkel te Diamante stond en de +voerlieden uitschold? + +"Neen," zou men zeggen, "dat kan niet dezelfde man zijn. Het kan +onmogelijk dezelfde zijn." + +Dit vond don Ferrante prettig, en hij wilde hebben dat zij zoo dag in, +dag uit met hem sprak. + +Het verveelde hem nooit en donna Micaela was zeer geduldig jegens hem. + +Maar eens toen zij zoo met den zieke zat, kwam donna Elisa binnen. + +"Schoonzuster, indien gij de legende van de heilige maagd van Pompeje +bezit, wilt ge mij die dan leenen?" vroeg zij. + +"Wat! wilt gij gaan lezen?" zei donna Micaela. + +"De hemel beware mij, ge weet wel, dat ik niet lezen kan. 't Is voor +Gaetano, dat ik het u vraag." + +Donna Micaela bezat de legende van de heilige maagd van Pompeje +niet. Maar dat zei ze donna Elisa niet; zij ging naar haar boekenrek en +nam een klein boek, dat een verzameling Siciliaansche liefdesliederen +bevatte, en gaf dat aan donna Elisa, die het weer aan Gaetano bracht. + +Maar nauwelijks had donna Micaela dit gedaan of een hevig berouw +maakte zich van haar meester. + +Zij vroeg zich af wat zij bedoeld had door zoo te handelen, zij, +die geholpen was door het heilige Christuskind. + +Zij bloosde van schaamte toen zij er aan dacht dat ze een teeken had +gezet bij een der kleine liederen, dat zoo luidde: + + + O, had ik antwoord op één enkle vrage! + 'k Heb het gevraagd aan den dag, aan de sterren, + Zelfs aan de vogelenschaar en de wolken. + 'k Goot reeds het lood in het kokende water, + Blaadje na blaadje der bloeme ik plukte. + 'k Lokte de zwarte, de waarzegster buiten, + 'k Smeekte ten slotte de engelenscharen. + Mint hij mij nog, gelijk eens hij wel deed? + + +Zij had zeker gehoopt dat zij antwoord zou krijgen. + +Haar geschiedde recht indien Gaetano haar verachtte en haar onbeschaamd +noemde. + +Toch had zij niets kwaads bedoeld. Het eenige dat zij begeerd had, +was te weten of Gaetano haar liefhad. + +Weer verliepen eenige weken en donna Micaela zat nog steeds bij +don Ferrante. + +Maar op een dag had donna Elisa haar mee naar buiten gelokt. + +"Ga met mij mede naar mijn tuin, schoonzuster, en kijk eens naar mijn +grooten magnolieboom. + +"Ge hebt nog nooit zoo iets moois gezien." + +En zij was met donna Elisa naar den tuin gegaan. + +Donna Elisa's magnolie was gelijk de stralende zon, die men voelt +vóórdat men haar ziet. Op verren afstand zweefde de geur reeds in de +lucht en het was een gegons van bijen en een gekweel van vogels! + +Toen donna Micaela den boom zag, kon zij nauwlijks ademhalen. Hij +was heel hoog en groot van een schoonen regelmatigen groei en zijn +groote, breede bladeren hadden een frissche donkergroene kleur. Maar +nu was hij geheel bedekt met groote rose bloemen, die hem versierden +en verlichtten, zoodat men meende, dat hij in feestgewaad was en men +voelde hoe er een meesleepende vreugde van uit den boom stroomde. Donna +Micaela werd als bedwelmd, zij voelde hoe een vreemde onweerstaanbare +macht zich van haar meester maakte. Zij trok een der rechte takken +naar zich toe, spreidde de bloemen uiteen en zonder deze af te breken, +begon zij met een naald letters te prikken in de bloembladeren. + +"Wat doet ge daar, schoonzuster?" vroeg donna Elisa. + +"Niets, niets." + +"In mijn tijd plachten de jonge meisjes minnebrieven te prikken in +de magnoliebloemen." + +"Misschien doen zij dat nog." + +"Neem u in acht, ik zal het nakijken, zoodra ge vertrokken zijt." + +"Gij kunt immers niet lezen." + +"Maar ik heb Gaetano toch." + +"En Luca, het is 't beste, dat ge u tot Luca wendt." + +Maar toen donna Micaela thuis kwam, had zij berouw. Zou donna Elisa +werkelijk de bloem aan Gaetano toonen? Neen, neen, donna Elisa was +daarvoor te verstandig. Maar indien hij haar gezien had van uit +het raam van zijn werkplaats? Nu ja, hij zou haar wel geen antwoord +geven. Maar zij maakte zich belachelijk. + +Neen nooit, nooit meer zou zij zoo iets doen. Het was immers het +beste voor haar, dat zij niets wist. En toch was zij verlangend naar +het antwoord dat zij krijgen zou. Maar er kwam geen antwoord. + +En zoo verliep er weer een week. Toen kreeg don Ferrante den inval, +dat hij 's middags wilde rijden. In het wagenhuis van het zomerpaleis +was een ouderwetsche galakoets, die zeker meer dan honderd jaar oud +was. Die was zeer hoog, met een zeer kleinen en nauwen wagen, die in +leeren riemen schommelde tusschen de achterwielen, welke zoo groot +waren als het waterrad van een molen. + +Die koets was wit gelakt met gouden randen, de banken waren bekleed +met rood pluche, en op de portieren waren wapens geschilderd. + +Eens was het een groote eer geweest in dien wagen te rijden, en +als de oude Alagona's door de corso reden, stroomden de menschen +uit hun huizen of hingen over hun balkons om hen te zien. Maar toen +werd die getrokken door vlugge paarden van Berberie, toen droeg de +koetsier een pruik en de bedienden livrei, en ze reden met geborduurde +leidsels. Maar nu wilde don Ferrante zijn oude paarden voor de koets +spannen, en zijn ouden winkelbediende op den bok zetten. + +Toen donna Micaela hem zei, dat dit niet kon, begon don Ferrante te +schreien. Wat zou men wel van hem denken indien hij zich 's middags +niet in zijn wagen op de corso vertoonde. + +Dat was immers het laatste, wat een voornaam man naliet. Hoe zou +iemand begrijpen dat hij een man van hooge geboorte was, indien hij +niet op en neer reed in den ouden wagen der Alagona's? + +Het was het gelukkigste oogenblik, dat don Ferrante na zijn ziekte +genoot, toen hij voor de eerste maal uitreed. + +Hij zat rechtop en boog en knikte zeer genadig naar alle kanten. En +de menschen van Diamante bogen en namen den hoed zoo diep af, dat +deze over den grond sleepte. Waarom zou men don Ferrante deze vreugde +niet gunnen? + +Donna Micaela reed ook mee, want don Ferrante waagde het niet alleen +te rijden. Zij was niet gaarne meegegaan, maar toen had don Ferrante +geschreid en haar er aan herinnerd, dat hij haar gehuwd had, toen +zij arm en veracht was. Zij moest niet ondankbaar zijn en vergeten +wat hij voor haar gedaan had. En waarom wilde zij niet in zijn wagen +rijden? Het was de mooiste oude wagen van gansch Sicilië. + +"Waarom wil je niet met mij rijden?" zei don Ferrante. "Vergeet niet, +dat ik de eenige ben, die je liefheeft. Zie je niet dat je vader niet +eens van je houdt? Je moet niet ondankbaar zijn." + +Op deze wijze had hij donna Micaela gedwongen plaats te nemen in den +ouden galawagen. + +Maar het ging in 't geheel niet, zooals zij verwacht had. Er was +niemand die lachte. De vrouwen negen even diep en de mannen bogen +even statig alsof de wagen honderd jaar jonger was geweest. En donna +Micaela kon op geen enkel gelaat een glimlach bespeuren. + +In geheel Diamante zou er geen mensch te vinden zijn, die zou hebben +willen lachen. Want men wist heel goed hoe veel donna Micaela te +stellen had met don Ferrante. + +Men wist hoe lief hij haar had en hoe hij schreide, als zij hem +slechts een oogenblik verliet. Men wist ook hoe hij haar kwelde met +zijn jaloezie en haar hoeden vertrapte, als deze haar goed stonden, +en haar nooit geld gaf voor nieuwe kleeren, opdat niemand haar schoon +vinden en haar liefhebben zou. Maar tegelijkertijd zei hij haar altijd, +dat zij zoo leelijk was, dat niemand anders dan hij het kon uithouden +haar gezicht dagelijks te zien. En omdat men dit alles wist, was er +niemand in Diamante die lachte. + +Haar uitlachen, die zich zoo aftobde met een zieken man! + +De menschen in Diamante waren vrome Christenen en geen barbaren. + +Zoo reed de galawagen tusschen vijf en zes uur in zijn oude verbleekte +pracht de corso op en neer. In Diamante reed die geheel alleen, want +behalve deze waren er geen voorname wagens, maar men wist toch dat +op denzelfden tijd alle equipages in Rome naar Monte Pincio reden, +en in Napels naar Villa Nazionale en te Florence naar de Cascines en +in Palermo naar La Favorite. Maar toen de wagen voor de derde maal +naar de Porta Etnea reed, weerklonk er een vroolijk hoorngeschal. En +door de poort zwaaide een groote, hooge jachtwagen in Engelschen stijl. + +Die moest ook voor ouderwetsch doorgaan. De postillon die als +voorrijder op een groot paard reed, droeg een pruik en een lederen +broek. De wagen geleek op een oude diligence, met een hooge, dichte +coupé, waarop de reizigers zaten. + +Maar alles was nieuw, de paarden waren schoone, sterke dieren, +de wagen en het tuig glansden en de reizigers zelf waren eenige +jonge heeren en dames uit Catania, die een uitstapje op den Etna +maakten. En zij konden niet nalaten te lachen, toen zij den ouden +galawagen voorbijreden. Zij bogen over het hek van den wagen om er +naar te zien, en hun lachen klonk zeer luid en helder tusschen de +hooge, stille huizen van Diamante. + +Donna Micaela gevoelde zich plotseling zeer ongelukkig. + +Ze herkende in de reizigers haar oude kennissen. Wat zouden zij zeggen, +als zij thuis kwamen? + +"Wij hebben Micaela Palmeri in Diamante gezien," en dan zouden zij +vertellen en lachen, en vertellen en lachen. + +Haar geheele leven scheen haar één groote ellende. Zij was niets +anders dan de slavin van een dwaas. Haar gansche leven zou zij niets +anders doen dan tobben met don Ferrante. + +Toen zij thuis kwam, was zij geheel uitgeput. Zij was zoo moede en +krachteloos, dat zij zich nauwelijks de trappen op kon sleepen. + +Onderwijl prees don Ferrante zijn geluk, dat hij deze voorname +menschen ontmoet had, en dat zij zijn staatsie gezien hadden. Hij +zei tot donna Micaela, dat nu niemand er meer naar vragen zou of zij +leelijk was en of haar vader gestolen had. Nu wist men dat zij de +echtgenoote was van een voornamen heer. + +In den namiddag zat donna Micaela stil bij don Ferrante en liet haar +vader met hem spreken. Toen begon een mandoline zacht te zingen onder +de vensters van het zomerpaleis. Het was een enkele mandoline zonder +begeleiding van een gitaar of viool. + +Niets kon zoo teeder en luchtig zijn, niets lieflijker of +roerender. Men kon niet gelooven dat het menschelijke handen waren, +die de snaren der mandoline aanraakten. Het was alsof de bijen, +krekels en sprinkhanen een concert gaven. + +"Er is weer iemand verliefd op Giannita," zei don Ferrante. "Dat +is nog eens een vrouw, die Giannita! Ieder kan zien dat zij mooi +is. Als ik jong was, zou ik ook verliefd worden op Giannita. Zij weet +te beminnen." + +Donna Micaela zweeg. Hij had gelijk, dacht zij. De mandolinespeler +minde Giannita. Dezen avond was Giannita thuis bij haar moeder, +anders woonde zij nu in het zomerpaleis. + +Donna Micaela had in dit opzicht haar wil doorgedreven, nadat don +Ferrante zoo lastig was geworden. + +Maar wie het dan ook gold, het mandolinespel behaagde donna +Micaela. Het klonk zoo liefelijk, zacht en vertroostend. Ze ging stil +naar haar kabinet om beter te kunnen luisteren in de eenzaamheid. + +En sterke zoete geur sloeg haar tegemoet. Wat was dat? Haar handen +begonnen te beven, voordat ze een kaars en lucifer vond. Op haar +werktafel lag een groote, wijd opengesprongen magnoliebloem. + +Op één der bladen was geprikt: + +"Wie heeft mij lief?" En nu stond daaronder: + +"Gaetano." + +Naast de bloem lag een klein wit boek met liefdesliederen. + +Bij een der kleine canzones stond een teeken: + + + Nooit van mijn liefde heeft iemand geweten. + Heimlijk en stil werd des nachts zij geboren, + Zachtjes toch slopen mijn droomen tot u. + Gierig bewaakte ik angstig mijn schat. + Spoedt zich mijn biechtvader eens naar mijn sterfbed, + Zullen mijn lippen 't geheim nog bewaren. + Sluitend de deur, werp 'k den sleutel in d'afgrond. + 'k Neem mijn geheim naar de eeuwigheid mee. + + +De mandoline bleef doorspelen. Er klinkt iets van frissche lucht +en zonneschijn in den klank der mandoline. Iets dat verkwikt en +versterkt. Iets van de vertroostende zorgeloosheid der schoone natuur. + + + + + + +IX. + +DE VLUCHT. + + +In dezen tijd bevond het kleine beeld van Aracoeli zich nog in +Diamante. + +De Engelsche dame die het beeld bezat, was zoo verrukt over Diamante, +dat zij het niet verlaten kon. Zij had voor haar rekening de geheele +eerste verdieping van het hotel gehuurd, en die geheel voor zich +ingericht. Zij kocht voor groote sommen alles wat ze maar kon +krijgen aan oud aardewerk en oude munten. Zij kocht mozaïekwerk, +altaarschilderijen en heiligenbeelden. Toen kreeg zij den inval, dat +zij zich een verzameling wilde aanschaffen van alle heiligen der kerk. + +Zij hoorde spreken van Gaetano en zond hem een boodschap, dat hij +bij haar in het hotel zou komen. + +Gaetano verzamelde in der haast alles wat hij in den laatsten tijd +gesneden had en nam dat mee naar miss Tottenham. Zij was zeer tevreden +over zijn kleine beelden en wilde ze alle koopen. + +Maar de vertrekken van de Engelsche dame waren gelijk de rommelkamers +van een museum. Al het mogelijke werd daarin gevonden, maar alles +was wanordelijk en slordig. Daar stonden halfvolle koffers, daar +hingen mantels en hoeden, daar lagen schilderijen en gravures, daar +waren reisboeken, theeserviezen en spiritustoestellen, daar werden +hellebaarden, misboeken, mandolines en wapenschilden gevonden. + +Dat opende Gaetano de oogen. Hij bloosde plotseling, beet zich op de +lippen, en begon zijn beelden in te pakken. + +Hij had een beeld van het Christuskind gezien; het was het verworpen +beeld, dat midden tusschen al die wanorde stond, met zijn kroon vol +deuken op het hoofd en zijn koperen schoentjes aan de voeten. De +verf was van zijn gezicht verdwenen, de ringen en sieraden, die +hem bedekten, waren verroest, en zijn kleertjes waren geel van +ouderdom. Toen Gaetano dit zag, wilde hij zijn beelden niet aan miss +Tottenham verkoopen, maar stil heengaan. + +En toen zij hem vroeg wat hem deerde, voer hij tegen haar uit: + +"Wist zij dat vele der zaken, die zij bezat, heilig waren? Wist zij +of wist zij niet, dat dit het heilige Christuskind zelf was? En zij +had het drie vingers van de eene hand laten verliezen en de steenen +uit zijn kroon laten vallen, en het daar vuil, verroest en ontheiligd +laten liggen. Indien zij zoo het beeld van Gods zoon behandelde, +hoe zou ze dan niet alle andere verwaarloozen? Hij wilde haar geen +heiligenbeelden verkoopen." + +Toen Gaetano op deze wijze tegen miss Tottenham uitvoer was ze verrukt, +verrukt! + +Hier was het ware geloof en heilige toorn. + +Deze jonge man moest kunstenaar worden. + +Naar Engeland moest hij gaan. Zij wilde hem naar den grooten meester +zenden, haar vriend, die de kunst trachtte te herscheppen; naar hem +die den menschen wilde leeren schoon huisraad, schoone kerkinrichtingen +te vervaardigen, en die een heele schoone wereld wilde scheppen. + +Zij regelde en schikte alles en Gaetano liet haar stil geworden, +omdat hij nu liefst Diamante wilde verlaten. + +Hij zag dat hij het leven daar niet meer kon uithouden en hij geloofde +dat het God was, die hem aan de verleiding onttrok. + +Hij verliet Diamante geheel onbemerkt. Donna Micaela wist nauwelijks +iets van de geheele zaak, vóórdat hij weg was. Hij had het niet +gewaagd bij haar te komen om afscheid te nemen. + + + + + + +X. + +DE SIROCCO. + + +Hierna verliepen twee jaren volkomen stil. Het eenige, dat in +Diamante en op geheel Sicilië gebeurde, was dat de menschen al armer +en armer werden. + +Toen brak de herfst aan, en het was de tijd, dat de wijn geoogst +moest worden. + +In dien tijd plegen de lieflijke canzones van de lippen te stroomen; +in dien tijd springen er nieuwe en schoone melodieën uit de mandoline. + +Dan pleegt de jeugd in scharen naar de wijngaarden te trekken, en er +is arbeid en gelach den ganschen dag, dans en gejubel den geheelen +nacht en men weet niet meer wat slaap is. + +Dan koepelt de blauwe luchtzee zich schooner dan ooit boven den +berg. Dan tintelt de lucht van vroolijke invallen, dan vliegen +fonkelende blikken als bliksemstralen door de lucht, dan ontvangt +deze niet alleen warmte en licht van de zon, maar ook van de stralende +gezichten der jonge vrouwen van den Etna. + +Maar in dezen herfst waren alle wijngaarden verwoest door de +phylloxera. Geen druivenplukker drong zich tusschen de wijnranken, +geen lange rij van vrouwen met volle manden op het hoofd kronkelde zich +naar de wijnpers en 's nachts werd er niet gedanst op de platte daken. + +In dezen herfst welfde zich geen klare, heldere Octoberlucht boven den +Etna. En als om de natuur in overeenstemming te brengen met den nood, +kwam de beklemmende verstijvende woestijnwind van Afrika, stof en nevel +met zich voerend, en verdonkerde het gansche luchtruim. Nooit, zoo +lang deze herfst duurde, voelde men een frisschen bergwind. Voortdurend +blies de met ongeluk bezwangerde sirocco. + +Soms was die zoo droog en stoffig, en zoo verschroeiend heet, dat +men de deuren en vensters sluiten en in huis moest blijven om niet +te versmachten. + +Maar meestal was die lauw, vochtig en drukkend. En de menschen kenden +geen rust, de zorg verliet hen dag noch nacht en de ellende stapelde +zich boven hun hoofd, als de sneeuwlagen op de hooge bergen. + +En de onrust kwam ook tot donna Micaela, terwijl zij nog steeds zat +bij haar ouden man, don Ferrante. + +Gedurende dezen herfst hoorde zij nooit een lach, nooit een lied. De +menschen slopen elkaar voorbij, zoo vol toorn en vertwijfeling, +dat zij bijkans schenen te bersten. + +En zij zeide tot zich zelf, dat zij zeker zonnen op een oproer. Zij +begreep dat zij in opstand moesten komen. + +Wel zou het zeker niemand helpen, maar er bleef hun geen ander +middel over. + +In het begin van den herfst had zij op haar balkon gezeten en de +menschen op straat hooren spreken. Ze spraken altijd over den nood. + +"De oogst van het graan en van den wijn is mislukt, er is +gebrek aan zwavel en aan oranjeappels, al Sicilië's geel goud is +verongelukt. Waarvan moest men dan leven?" + +En donna Micaela begreep dat dit vreeselijk was. + +Graan, wijn, oranjeappels en zwavel, al hun geel goud! Zij begon ook +te begrijpen, dat de ellende grooter was dan de menschen konden dragen +en zij was wanhopig, dat het leven zoo hard was. + +En zij vroeg zich af waarom de menschen gedwongen waren zulke +bovenmatig hooge belastingen te betalen. Waarom moest er accijns op +zout zijn, zoodat een arme vrouw geen recht had naar het strand te +gaan om een emmer zout water te halen, maar het zout tegen hoogen +prijs moest koopen in de winkels der regeering? + +En waarom moest er een belasting op de palmboomen zijn? Nu velden de +boeren met toorn in het harte de oude boomen, wier kronen zoo lang +boven het edele eiland gewuifd hadden. En waarom moest er belasting op +de vensters zijn? Wat wilde men toch daarmee? Was het de bedoeling, +dat de arme menschen hun vensters weg zouden nemen en hun kamers +zouden verlaten om in de kelders te gaan wonen? + +In de zwavelmijnen waren werkstakingen en woelingen uitgebroken en de +regeering zond troepen om het volk te dwingen weer aan den arbeid te +gaan. Donna Micaela vroeg zich af of de regeering niet wist, dat men in +het geheel geen machines in de mijnen gebruikte. Had zij nooit gehoord, +dat het kinderen waren, die het erts uit de diepe schachten sleepten? + +De regeering wist niet, dat deze kinderen slaven waren; zij kon immers +niet weten, dat hun ouders hen verkocht hadden aan de patroons. Of +indien de regeering dit wist, waarom hielp ze dan de mijneigenaars? + +Opeens hoorde zij spreken over een ontzettende menigte misdaden. En +opnieuw begon zij te vragen: + +Waarom liet men de menschen zoo misdadig worden? + +En waarom liet men het volk tot zoo'n groote armoede en ellende +vervallen? Waarom moesten ze allen zoo ellendig zijn? Zij wist, dat +degenen, die in Palermo of Catania woonden, zoo niet behoefden te +vragen. Maar hij, die in Diamante woonde, hij kon niet nalaten te +vreezen en te vragen. Waarom liet men de menschen zoo arm worden, +dat zij stierven van den honger? + +De zomer was nauwelijks verstreken en men was nog maar in het einde +van de maand October, toen donna Micaela den dag reeds voor zich zag, +dat het oproer zou uitbreken. Ze zag de uitgehongerde menschen door +de straten aanstormen. Zij zouden de winkels plunderen en ze zouden +de huizen binnendringen der weinige rijken, die in de stad gevonden +werden. Voor het zomerpaleis zou de wilde schare staan blijven, +en langs de balkons en vensters naar binnen klimmen. + +"Hier met de juweelen der oude Alagona's, hier met don Ferrante's +millioenen!" + +Het was immers hun droom, het zomerpaleis! Ze geloofden dat het zoo +vol goud was als een sprookjesslot. Maar als zij niets vonden, zouden +zij haar het mes op de keel zetten, om haar te dwingen de schatten +uit te leveren, die zij nooit bezeten had, en zij zou vermoord worden +door de roofgierige bende. + +Waarom konden de groote grondbezitters niet thuis blijven? Waarom +moesten zij de armen verbitteren met het leiden van een weelderig +leven in Rome of in Parijs? + +Men zou hen zoo niet haten, als zij op het eiland bleven. Dan zou men +niet zulke dure en heilige eeden zweren, alle rijken te zullen dooden. + +Donna Micaela wenschte slechts dat zij kon vluchten naar één der +groote steden. Maar zoowel haar vader als don Ferrante werd in dezen +herfst ziek, en om hunnentwille was zij gedwongen te blijven, waar +zij was. En zij wist, dat zij gedood zou worden als een zoenoffer +voor de zonden der rijken tegenover de armen. + +Gedurende vele jaren hadden de ongelukken zich boven Sicilië +opeengehoopt en nu konden ze niet langer tegengehouden worden. + +Nu begon de Etna zelf te dreigen met een uitbarsting. + +De zwaveldamp gloeide 's nachts vuurrood en het onderaardsche gerommel +werd tot in Diamante gehoord. + +De wereld zou vergaan. Alles zou verwoest worden. Wist dan de regeering +niets van de stemming van het volk? O, eindelijk, eindelijk had de +regeering er kennis van gekregen, en een comité samengesteld. Het +was een groote troost, op een mooien dag de gevolmachtigden door de +corso te zien komen aanrijden. + +Indien het volk slechts begrepen had dat zij het goed met hen +meenden. Indien slechts de vrouwen niet in haar deuren hadden gestaan +en de fijne heeren van het vasteland bespot hadden, en indien slechts +de kinderen niet naast de wagens hadden geloopen en geroepen: "Dief, +dief!" Alles wat men deed verhaastte slechts het oproer. En er was +niemand die het volk leiden en kalmeeren kon. Er was geen enkele +ambtenaar, dien men vertrouwde. Degenen, die zich slechts lieten +omkoopen, waren nog de minst verachten. Maar men zei dat de meesten van +hen leden van de mafia waren. Men zei, dat zij er slechts aan dachten +zich geld en macht toe te eigenen. En naarmate de herfst verstreek, +duidden meer en meer teekenen er op, dat er iets ontzettends dreigde. + +In de couranten las men dat de arbeiders zich in de groote steden +vereenigden en door de straten trokken. En men las ook hoe de leiders +der socialisten door het land trokken en opruiende toespraken hielden, + +Opeens werd het donna Micaela duidelijk, wat de oorzaak was van alle +onrust. Het waren de socialisten, die het oproer verwekten. Het was +hun vurige taal, die de gemoederen in beweging bracht. Hoe kon men +hen dat laten doen? Wie was dan koning van Sicilië? Heette hij Da +Felice of Umberto? + +Toen greep ontzetting haar aan. + +Het was alsof men alleen tegen haar samenspande. En hoe meer zij over +de socialisten hoorde spreken, des te meer vreesde zij hen. + +Giannita trachtte haar gerust te stellen. + +"Wij hebben geen socialisten in Diamante," zei zij. "In Diamante +denkt men er niet aan om oproer te maken." + +Maar donna Micaela vroeg haar of zij niet wist wat het beteekende, +dat de oude spinsters in donkere hoeken zaten en geschiedenissen +verhaalden van de groote rooverhelden en den beruchten visscher +Giuseppe Alesi, dien men de Massaniello van Sicilië noemde? + +Indien de socialisten slechts de menschen tot oproer konden overhalen, +zou ook Diamante wel meedoen. + +Geheel Diamante wist reeds, dat iets ontzettends dreigde. Men had +den grooten zwarten monnik zien spoken op het terras van het palazzo +Geraci. + +Men hoorde de uilen den ganschen nacht schreeuwen, en sommigen +beweerden, dat de hanen kraaiden bij zonsondergang en zwegen bij +het ochtendgekriek. + +Op een dag in November, was Diamante plotseling vol woeste menschen. + +Het waren mannen met roofdiergezichten, ruige baarden, en groote +handen aan ontzettend lange armen. Verscheidenen van hen droegen wijde, +fladderende linnen mantels en men meende beruchte bandieten en onlangs +ontslagen galeiboeven in hen te herkennen. + +Giannita vertelde dat al deze woeste menschen in de bergen woonden, +en nu over den Simeto waren getrokken, omdat het gerucht verspreid +was, dat het oproer in Diamante reeds uitgebroken was. Maar toen alles +rustig was en de kazernes vol karabiniers waren, trokken zij weer weg. + +Donna Micaela dacht nu voortdurend aan deze menschen en ze was +overtuigd dat zij haar moordenaars zouden worden. Zij zag hen voor zich +in hun fladderende linnen mantels en met hun roofdiergezichten. Zij +wist dat zij in hun berggrotten op de loer lagen, en op den dag +wachtten, dat zij schoten en oproerkreten in Diamante hoorden. Dan +zouden zij zich met moord en brand op de stad werpen en zich aan +de spits stellen van het gansche uitgehongerde volk, generaals en +aanvoerders der verwoesting gelijk. + +Donna Micaela moest gedurende dezen geheelen herfst zoowel haar +vader als don Ferrante verplegen, die beiden maand na maand ziek +lagen. Men had haar verzekerd, dat er volstrekt geen gevaar voor +hun leven bestond. Zij was zeer blijde don Ferrante in het leven +te mogen behouden, want het was haar eenige hoop, dat de menschen +hem ten slotte zouden sparen, omdat hij uit een oud geslacht was, +dat hoog in aanzien stond. + +Terwijl zij daar bij het ziekbed zat, ging haar verlangen dikwijls +naar Gaetano en ontelbaar waren de keeren dat zij wenschte dat hij +thuis was. Zij zou angst noch doodsvrees gevoelen, indien hij slechts +in zijn werkplaats stond. Dan zou er slechts vrede en veiligheid in +haar ziel heerschen. + +Zelfs nu hij zoo ver weg vertoefde, was hij degene, bij wien zij in +gedachten hulp zocht, toen de ontzetting haar tot waanzin dreef. + +Toch had zij geen enkelen brief van hem ontvangen, in al dien tijd dat +hij weg was; zoodat zij dikwijls geloofde, dat hij haar geheel vergeten +had. Op andere tijden wist ze evenwel zeker, dat hij haar liefhad, want +dan voelde zij zich zoo onweerstaanbaar gedrongen aan hem te denken, +dat zij begreep, dat hij haar in gedachten nabij was en haar riep. + +In dezen herfst kreeg zij eindelijk een brief van Gaetano. Ach, +welk een brief! Donna Micaela's eerste gedachte was hem te verbranden. + +Ze was naar het terras op het dak gegaan, om alleen te zijn, terwijl +zij den brief las. Hier had ze ook eens Gaetano's liefdesverklaring +gehoord. En die had haar volstrekt niet ontroerd. Die had haar +geschokt, noch verschrikt. Maar deze brief was iets geheel anders. Hij +smeekte haar bij hem te komen, de zijne te worden, hem haar leven +te geven. + +Toen zij dit las, schrikte zij van zich zelf. Zij voelde hoe zij had +willen uitroepen: "ik kom" en weg had willen vliegen. Zij voelde zich +tot hem getrokken, meegesleept. + +"Laat ons gelukkig zijn!" schreef hij. "Wij verspillen den tijd, +de jaren gaan voorbij. Laat ons gelukkig zijn." + +Hij beschreef haar hoe zij zouden leven. Hij vertelde haar van andere +vrouwen, die de stem der liefde gehoorzaamd hadden en gelukkig waren +geworden. Hij schreef even verlokkend als overtuigend. + +Het was niet juist de inhoud, maar de liefde, die in den brief brandde +en gloeide en die haar vervoerde. Die steeg op uit het papier gelijk +bedwelmende wierook en zij voelde hoe die haar doordrong. Vurig +verlangen was het, dat uit elk woord sprak. + +Nu was zij niet meer een heilige voor hem, zooals zij vroeger was +geweest. Deze brief kwam overweldigend onverwacht na een paar jaar +van zwijgen, en zij was ontsteld dat deze haar zoo verrukte. + +Zóó had zij zich de liefde nooit gedacht. Zou die haar ook in dezen +nieuwen vorm behagen? En met angst ontdekte zij dat die haar ook +zoo behaagde. + +Toen strafte zij hem zoowel als zich zelf door een zeer streng antwoord +te schrijven. Dat was moraal, moraal, niets anders dan moraal. Zij +was trotsch dat zij zoo geschreven had. Zij ontkende niet dat zij hem +liefhad, maar misschien zou Gaetano haar liefdeswoorden niet kunnen +vinden, zoo verborgen waren ze onder verwijten. Het was ook beter, +dat hij ze niet vond. + +Hij schreef haar geen brieven meer. Maar nu kon donna Micaela +nooit meer aan Gaetano denken als steun en beschermer. Nu was hij +gevaarlijker dan de mannen uit de bergen. + +En iederen dag bracht Diamante een onheilspellender bericht. Nu begon +iedereen zich wapens aan te schaffen. En hoewel het verboden was die +te bezitten, droegen toch alle menschen die in 't geheim. + +Alle vreemdelingen verlieten het eiland, maar in hun plaats werd er +van Italië het ééne duizendtal soldaten na het andere gezonden. + +De socialisten hielden voortdurend redevoeringen. + +Waren zij dan bezeten door een boozen geest, dat zij niet tevreden +waren, vóórdat zij het ongeluk opgeroepen hadden! + +Eindelijk hadden de oproerlingen den dag bepaald dat de storm zou +losbreken. Geheel Sicilië, geheel Italië zou in opstand komen. Het +was nu niet meer een holle bedreiging maar werkelijkheid. + +Toen kwamen er al meer en meer troepen van het vasteland. En de meesten +waren Napolitanen, die in eeuwige veete met de Sicilianen leven. + +Het eiland werd in staat van beleg verklaard. + +Er zouden geen gerechtshoven meer zijn, slechts de krijgsraad. En +het volk vertelde dat de soldaten verlof hadden te plunderen en te +moorden naar hartelust. + +Niemand wist wat er gebeuren zou. De boeren wierpen verschansingen op +in de bergen. In Diamante stonden mannen in groote groepen bijeen op +de markt, stonden daar dag aan dag zonder aan den arbeid te gaan. Deze +groepen mannen, die gekleed waren in donkere mantels met slappe hoeden, +zagen er onheilspellend uit. + +Zij droomden zeker allen van het oogenblik, dat zij het zomerpaleis +zouden plunderen. + +Hoe meer men den dag naderde, dat het oproer zou uitbreken, hoe zieker +don Ferrante werd. En donna Micaela begon voor zijn leven te vreezen. + +Het scheen haar een teeken, dat zij voorbeschikt was tot ondergang, +nu zij ook don Ferrante moest verliezen. + +Wie zou haar ontzien, als hij niet meer leefde? + +Zij waakte bij hem. Zij en alle vrouwen der wijk zaten in stil gebed +bij zijn legerstede. + +Maar op een morgen, tegen zes uur, stierf don Ferrante. En donna +Micaela betreurde hem, omdat hij haar eenige beschermer was en de +eenige, die haar van den ondergang had kunnen redden, en zij wilde +den doode alle eer bewijzen, die nog gebruikelijk is op Sicilië. Zij +liet de sterfkamer met zwart doek bekleeden en sloot alle luiken, +opdat het blijde zonlicht niet in het vertrek zou dringen. + +Zij liet ook het vuur dooven in den haard en zond om een blinden +zanger, opdat hij elken dag in het paleis zou komen om klaagliederen te +zingen. Zij liet het aan Giannita over cavaliere Palmeri te verplegen, +opdat zij zelf stil in de sterfkamer zou kunnen zitten tusschen de +treurende vrouwen. + +Het liep tegen den avond van den sterfdag, men had alle beschikkingen +gemaakt en wachtte nu slechts op de witte broeders, die het lijk +zouden wegvoeren. + +In de sterfkamer was het doodstil. Al de vrouwen van de wijk zaten +daar onbeweeglijk met betraande gezichten. Donna Micaela was bleek +in haar grooten angst en staarde onafgebroken naar het lijkkleed, +dat over den doode gespreid was. + +Het was een baarkleed, dat aan het geslacht der Alagona's behoorde, +een reusachtig groot familiewapen prijkte in het midden en het was +afgezet met zilveren franje en dikke kwasten. Dit kleed was nooit +gespreid over iemand anders dan over een Alagona. Het scheen daar +te liggen, opdat donna Micaela geen oogenblik zou vergeten, dat +haar laatste steun van haar was genomen en zij nu eenzaam en zonder +bescherming stond tusschen het verwoede volk. + +Nu kwam iemand binnen om te melden, dat de oude Assunta was gekomen. De +oude Assunta, wat wenschte de oude Assunta? + +"Assunta was een lofspreekster, ze placht over de dooden te spreken." + +Donna Micaela liet Assunta in de kamer komen. Ze was zooals zij op +de domtrap zat te bedelen, met dezelfde gelapte kleeding, denzelfden +verschoten hoofddoek en dezelfde oude kruk. + +Klein en met gebogen rug hinkte zij naar de kist. Zij had een +verschrompeld gelaat, een ingevallen mond en doffe oogen. Donna +Micaela zei tot zichzelf dat de hulpeloosheid en de onmacht nu haar +kamer binnentraden. + +De oude verhief haar stem en begon te spreken uit naam der echtgenoote. + +"Mijn heer is dood, en ik ben eenzaam. Hij die mij verhief aan +zijn zijde, is niet meer. Hoe vreemd is het, dat mijn huis zijn +meester verloren heeft!--Waarom zijn de luiken voor uw vensters +gesloten? vragen de voorbijgangers.--Ik antwoord: ik kan het licht niet +verdragen, daarvoor is mijn smart te groot, mijn smart is drievoudig." + +"Hoe, zijn er zoo velen van uw geslacht door de witte broeders +weggedragen? + +"Neen, niemand van mijn geslacht is dood, maar ik heb mijn man +verloren, mijn man, mijn man!" + +De oude Assunta behoefde niet meer te zeggen. Donna Micaela barstte +in klachten uit. Het gansche vertrek was vervuld van het geweeklaag +der jammerende vrouwen. + +Want er bestaat geen smart zoo groot als het verlies van een +echtgenoot. Zij, die weduwe waren, dachten aan hetgeen zij verloren +hadden en zij die het nog niet waren, dachten aan den tijd, dat zij +niet meer op straat zouden gaan, omdat geen man haar vergezelde, en +ze tot eenzaamheid, armoede en vergetelheid gedoemd zouden zijn, en +dat zij niets zouden beteekenen, niets zouden zijn, dat zij behooren +zouden tot de verworpelingen dezer aarde, omdat zij geen man meer +hadden, omdat niemand haar meer het recht tot leven gaf. + + + +Het was in het eind van December, de dagen tusschen Kerstfeest en +Nieuwjaar. + +Er bestond nog steeds hetzelfde gevaar voor oproer en nog steeds +hoorde men dezelfde beangstigende berichten. Er werd verteld dat Falco +Falcone een groote rooversbende in de steengroeve verzameld had en +dat hij slechts wachtte op den dag, die bepaald was voor het oproer, +om Diamante binnen te stormen en te plunderen. + +Er werd ook verteld, dat de menschen in verscheidene kleine bergsteden +opgestaan waren, de tolkantoren bij de stadspoorten in brand hadden +gestoken en de tolkommiezen weggejaagd hadden. + +Men wist ook te vertellen, dat de troepen van stad tot stad trokken +en allen arresteerden, die slechts verdacht werden, en de menschen +bij honderden tegelijk doodschoten. + +Elk zei dat men zich wapenen moest voor den strijd. Men kon zich toch +niet door deze Italianen laten vermoorden zonder zich te verzetten. + +Gedurende dezen tijd zat donna Micaela gevangen bij haar vaders ziekbed +evenals zij vroeger bij don Ferrante gezeten had. Zij kon Diamante +niet ontvluchten en de angst groeide en groeide in haar zoodat zij +niets anders was dan trillende vrees. + +Het laatste en het vreeselijkste van alle onheilsberichten betrof +Gaetano; ongeveer een week na don Ferrante's dood was Gaetano thuis +gekomen. + +En dit had haar volstrekt niet beangstigd, maar integendeel +verheugd. Zij had gejubeld eindelijk iemand in haar nabijheid te +hebben, die haar beschermen kon. + +Terzelfder tijd besloot zij, dat zij Gaetano niet zou ontvangen indien +hij bij haar kwam. Zij voelde dat zij den doode nog toebehoorde. Zij +wilde liefst Gaetano niet zien vóórdat een jaar verstreken was. + +Maar toen Gaetano acht dagen thuis was zonder dat hij naar het +zomerpaleis kwam, vroeg zij Giannita naar hem. + +"Waar is Gaetano, is hij misschien reeds weer vertrokken daar niemand +over hem spreekt?" + +"Ach, Micaela," antwoordde Giannita, "hoe minder men spreekt over +Gaetano, hoe beter het is voor hem." + +Zij vertelde donna Micaela nu, gelijk zij een groote schande zou +verhalen, dat Gaetano socialist was geworden. + +"Hij is daarginds in Engeland geheel veranderd," zei zij. "Hij gelooft +niet meer aan God of aan de heiligen. Hij kust den pastoor niet meer +de hand, wanneer hij hem ontmoet. Hij zegt tot alle menschen, dat zij +geen tol meer moeten geven bij de stadspoort. Hij spoort de boeren +aan hun pacht niet meer te betalen. Hij heeft wapens meegebracht en +hij is slechts thuis gekomen om oproer te verwekken en de bandieten +te helpen." + +Zij behoefde niets meer te zeggen, opdat donna Micaela aangegrepen +zou worden door een grooter ontzetting dan zij nog ooit gevoeld had. + +Dit was het dus, dat de onheilspellende herfstdagen geprofeteerd +hadden. Juist hij moest het zijn, die den bliksem uit de wolken +slingerde. Dat zij dit niet reeds lang geleden vermoed had! + +Dit was de straf en wraak. Juist hij moest het zijn die het ongeluk +opriep. + +De laatste dagen was zij kalmer geweest. Zij had gehoord, dat alle +socialisten op het gansche eiland gevangen waren genomen. En al de +kleine oproervuren, die in de bergsteden ontstoken waren, werden +uitgedoofd. Het had bijna geschenen, dat het oproer op niets zou +uitloopen. + +Maar nu was de laatste Alagona gekomen en hem zou het volk volgen. Er +zou beweging komen in de zwarte groepen op de markt. De mannen in +de linnen mantels zouden over den Simeto trekken. Falco Falcone's +rooverbende zou uit de steengroeve te voorschijn komen. + + + +Den volgenden avond sprak Gaetano op de markt. Hij had bij de marktbron +gezeten en gezien hoe de menschen kwamen om water te halen. Twee jaar +had hij de vreugde moeten ontberen, te zien hoe de slanke meisjes +de zware waterkruiken op haar hoofd hieven en hoe zij met vaste, +statige schreden haar weg vervolgden. + +Maar het waren niet alleen jonge meisjes die bij de bron kwamen, maar +menschen van elken leeftijd. En toen hij nu zag hoe arm en ongelukkig +de meesten waren, begon hij met hen over de toekomst te spreken. + +Hij beloofde hun dat er spoedig betere tijden zouden aanbreken. Hij +zei tot de oude Assunta, dat zij voortaan haar dagelijksch brood +zou hebben, zonder dat zij eenig mensch om een aalmoes zou behoeven +te vragen. En toen zij zeide, dat zij niet begreep, hoe dat moest +geschieden, vroeg hij haar bijna toornig, of zij dan niet wist, dat +de tijd nu gekomen was, dat geen oud mensch of jong kind meer zonder +steun en beschutting zou zijn. + +Hij wees op den ouden stoelenmatter, die even arm als de oude Assunta +en daarenboven nog zeer ziek was, en hij vroeg of zij geloofde, dat +men het nog langer zou dulden, dat er geen ziekenhuis of armenzorg +was. Kon zij niet begrijpen, dat er in de toekomst voor de ouden en +zieken gezorgd zou worden? + +Hij zag ook eenige kinderen, van wie hij wist, dat zij voornamelijk +leefden van planten en wortelen, die zij aan de oevers der rivier en +aan den weg verzamelden, en hij beloofde dat voortaan niemand meer +honger zou behoeven te lijden. Hij legde de hand op het hoofd der +kinderen en verzekerde zoo trotsch als ware hij de vorst van Diamante, +dat zij nooit meer brood zouden derven. + +Zij wisten niets in Diamante, zei hij; zij waren onwetend en wisten +niet, dat een nieuwe gezegende tijd aangebroken was. Zij geloofden, dat +deze ellende steeds zou blijven voortduren. Terwijl hij zoo de armen +troostte, hadden al meer en meer menschen zich om hem verzameld. Hij +sprong plotseling op den rand der bron en begon te spreken. + +"Hoe konden zij zoo onnoozel zijn," zei hij, "om te gelooven, dat er +geen betere tijd zou komen? Zouden de menschen, die de heele aarde +bezaten, het dulden dat de ouden verhongerden en de kinderen tot +ellendelingen en misdadigers opgroeiden? + +"Wisten ze dan niet, dat er schatten verborgen waren in den berg en +in de zee en in den grond? Hadden zij nooit gehoord, dat de aarde +rijk was? Geloofden ze, dat ze haar kinderen niet voeden kon? + +"Ze moesten niet tot elkaar zeggen, dat het onmogelijk was de zaken +anders te regelen. Zij moesten niet denken, dat er steeds rijken en +armen moesten zijn. + +"Ach, zij wisten niets. Zij kenden hun moederaarde niet. Geloofden +zij, dat zij een van hen haatte? Hadden zij dan op het veld gelegen +en de aarde hooren spreken? Hadden zij gezien hoe de aarde wetten +voorschreef? Hadden zij gehoord, hoe zij een vonnis velde? Had +de aarde dan bevolen, dat sommigen honger zouden lijden, terwijl +anderen aan een overdadig leven zouden sterven? Waarom richtten zij +zich niet op om te luisteren naar de nieuwe leer, die over de wereld +ging? Verlangden zij het niet beter te hebben? Zij gingen dus gaarne +gekleed in lompen? Ze waren dus tevreden met planten en wortelen tot +voedsel? Wilden ze dan geen dak boven het hoofd hebben?" + +En hij zeide hun, dat het er niets toe deed, niets, in het geheel +niets, of zij weigerden te gelooven aan den nieuwen tijd, die in +aantocht was. Die zou in ieder geval toch komen. + +Ze behoefden immers ook niet 's morgens de zon uit de zee op te +heffen. De nieuwe tijd zou tot hen komen, gelijk de zon kwam, maar +waarom wilden zij haar niet tegemoet gaan? Waarom sloten zij zich op +en vreesden het nieuwe licht? + +Hij sprak lang op deze wijze en steeds verzamelden zich meer menschen +om hem heen. + +Maar hoe langer hij sprak, hoe schooner zijn taal werd, en hoe +helderder zijn stem. + +Er kwam gloed in zijn fonkelende oogen en het arme volk, dat naar +hem opzag, vond hem schoon als een jongen vorst. + +Hij was als een der oude, machtige heeren van zijn stam, die het +vermogen bezeten hadden geluk en goud te schenken aan alle menschen +in hun rijk. + +Zij geloofden hem toen hij zei, dat hij hun geluk kon geven. Ze waren +reeds gelukkig en blijde, omdat hun jonge heer hen liefhad. + +Toen hij ophield met spreken, begonnen zij te jubelen en riepen dat +zij hem wilden volgen, en doen wat hij hun beval. In een oogenblik +was hij hun heer geworden. Hij was zoo schoon en zoo heerlijk dat +zij hem niet konden weerstaan. En zijn geloof was zoo overtuigend, +dat het vervoerde en meesleepte. + +Dien nacht was er niet één arm mensch in Diamante, die niet geloofde, +dat Gaetano hem onbezorgde en gelukkige dagen zou schenken. Dien nacht +zegenden allen hem, allen, die in schuren en hutten woonden. Dien +nacht begaven de hongerigen zich ter ruste in de vaste overtuiging, +dat ze den volgenden dag bij hun ontwaken een tafel volgeladen met +allerlei gerechten voor hun bed zouden vinden. + +Want toen Gaetano sprak, was zijn macht zoo groot dat hij den grijsaard +kon overtuigen dat hij jong, en den verkleumde, dat hij warm was. Men +voelde dat hetgeen Gaetano beloofde, moest komen. + +Hij was de vorst van den nieuwen tijd. Zijn handen waren zoo mild, +wonderen en zegeningen zouden neerdalen op Diamante, nu hij weer +terug was gekomen. + + + +Den volgenden dag toen de zon onderging, kwam Giannita in de +ziekenkamer en fluisterde: + +"Er is oproer in Paterno, sedert verscheidene uren zijn ze daar +aan het schieten, men kan het hier hooren. Er is reeds naar Catania +gezonden om troepen. En Gaetano zegt, dat het oproer hedenavond hier +zal uitbreken. Hij zegt, dat het tegelijkertijd in al de Etnasteden +zal uitbreken." + +Donna Micaela beduidde Giannita, dat zij bij cavaliere Palmeri zou +blijven, zelf ging zij over de straat naar donna Elisa's winkel. + +Donna Elisa zat achter haar toonbank voor haar borduurraam, maar zij +werkte niet. De tranen druppelden haar zwaar en onophoudelijk langs +de wangen zoodat zij moest ophouden met borduren. + +"Waar is Gaetano?" zei donna Micaela zonder omwegen. "Ik moet hem +spreken." + +"God schenke je kracht om met hem te spreken," antwoordde donna +Elisa. "Hij is in den tuin." + +Donna Micaela ging over den binnenhof naar den door hooge muren +omgeven tuin. + +In den tuin waren vele kleine paadjes, die zich van terras tot terras +slingerden. Er waren ook vele priëelen, grotten en rustbanken. En +de tuin was zoo dicht begroeid met stijve agaven, dichte dwergpalmen +en stijfbladige ficussen en rhododendrons dat men geen twee schreden +voor zich uit kon zien. + +Donna Micaela liep langen tijd door deze ontelbare kronkelpaadjes, +vóórdat zij Gaetano kon vinden. En hoe langer zij zocht, hoe +ongeduldiger zij werd. Eindelijk vond zij hem heel achter in den +tuin. Hij bevond zich op het laagste terras, dat uitgebouwd was op +één der bastions van de stadsmuren. Daar zat Gaetano kalm met hamer +en beitel aan een beeld te werken. Toen hij donna Micaela zag, liep +hij haar met uitgestrekte handen tegemoet. + +Zij gaf zich nauwelijks tijd hem te groeten. + +"Is het waar," zei zij, "dat gij gekomen zijt om ons in het verderf +te storten?" + +Hij begon te lachen. + +"De sindaco is hier geweest," zei hij, "en de pastoor is hier +geweest. Komt gij nu ook nog hier?" + +Het griefde haar, dat hij lachte en dat hij sprak van den sindaco en +den pastoor. + +Het was toch zeker iets anders en van meer beteekenis, dat zij kwam. + +"Wilt gij mij zeggen," vroeg zij scherp, "of het waar is, dat wij +hier vanavond oproer krijgen?" + +"O, neen," antwoordde hij, "hier komt geen oproer." + +En hij zei dat op zulk een moedeloozen toon, dat het haar bijna +bedroefde om zijnentwille. + +"Ge doet donna Elisa heel veel verdriet," barstte zij los. + +"En u ook, niet waar?" zei hij met lichten spot. + +"Ik ben de verloren zoon, ik ben Judas. Ik ben de strafengel die u +allen drijft uit dit paradijs, waar men gras eet." + +Zij antwoordde: + +"Misschien verkiezen wij onzen toestand boven den gewelddadigen dood." + +"Ja zeker, het is beter te verhongeren. Daaraan is men immers gewoon." + +"'t Is ook niet zoo aangenaam door bandieten vermoord te worden." + +"Maar wat ter wereld wil men met bandieten, als men zich niet door +hen wil laten vermoorden?" + +"Ja, ik weet wel," zei zij steeds heftiger, "dat gij wilt dat alle +rijken gedood zullen worden." + +Hij antwoordde haar niet dadelijk, maar beet zich op de lippen om +zich niet te overijlen. + +"Laat mij eens met u spreken, donna Micaela," zei hij ten slotte. "Laat +mij het u eens verklaren." + +En hij trok zijn gelaat in een plooi van geduld, en verklaarde haar +het socialisme, zoo duidelijk en eenvoudig, dat een kind het had +kunnen begrijpen. + +Doch het was er verre van, dat zij hem kon volgen. Misschien had zij +het wel gekund, maar zij wilde niet. Zij wilde juist nu niet hooren +spreken over het socialisme. + +'t Was haar zoo vreemd geweest, toen zij hem nu weer zag. De grond was +begonnen te trillen onder haar voeten en een heerlijk en gelukzalig +gevoel had haar doorstroomd en haar geheel vervuld. + +"Mijn God, daar is hij dien ik lief heb," zei zij tot zich zelf. "Hij +is het werkelijk." + +Voordat zij hem gezien had, wist zij heel goed wat zij tot hem zou +zeggen. Zij zou hem teruggebracht hebben tot het geloof zijner jeugd. + +Zij zou hem bewezen hebben, dat deze nieuwe leer afschuwelijk en +gevaarlijk was. Maar toen kwam de liefde en die maakte haar dom +en verward. + +Zij kon hem niets antwoorden. Zij was slechts verbaasd, dat hij zoo +spreken kon. + +En zij vond hem nog veel schooner dan vroeger. Nooit tevoren was +zij zoo verward geweest, als zij hem zag. Nooit had hij zulk een +indruk op haar gemaakt. Of kwam het, omdat hij nu een vrije sterke +man was geworden? Zij werd bang, toen zij voelde hoeveel macht hij +over haar had. + +Zij waagde het niet hem tegen te spreken. Zij durfde niet eens spreken +om niet in tranen uit te barsten. En indien zij gewaagd had te spreken, +dan zou zij wel niet over politiek gesproken hebben. + +Zij zou hem verteld hebben, wat zij gedacht had op den dag, dat de +klokken luidden. Of zij zou hem gesmeekt hebben zijn hand te mogen +kussen. Zij zou hem hebben willen zeggen hoe zij van hem gedroomd +had. Zij zou hem gezegd hebben, dat indien zij hem niet had bezeten +om van te droomen, zij het leven niet uitgehouden had. + +Zij zou hem verzocht hebben zijn hand te mogen kussen uit dankbaarheid, +omdat hij haar het leven geschonken had in al deze jaren. + +Indien er geen oproer zou komen, waarom sprak hij dan over +socialisme? Wat ging het socialisme hun aan, die rustig zaten in +donna Elisa's ouden tuin? Zij keek door een kronkelend tuinpad. Luca +had houten bogen aan beide zijden geplaatst en langs deze slingerden +zich nu guirlandes van lichte rozen, vol kleine knoppen en geurende +bloemen. Men was altijd verwonderd, waar men zou komen als men door dit +pad ging. En men kwam bij een kleinen, verweerden amor. De oude Luca +verstond die zaken beter dan Gaetano. Terwijl zij daar zoo zaten, ging +de zon onder en de Etna kleurde zich rozerood. Het was alsof de Etna +bloosde van toorn over hetgeen in donna Elisa's tuin geschiedde. Het +was gewoonlijk bij zonsondergang, wanneer de Etna stralend rood was, +dat zij aan Gaetano had gedacht. + +Het was alsof zij beiden op hem gewacht hadden. En zij beiden hadden +gedroomd hoe het zou zijn als Gaetano terugkwam. Zij had slechts +gevreesd dat hij al te vurig en te onstuimig zou zijn. En nu sprak hij +slechts over deze afschuwelijke socialisten, die zij haatte en vreesde. + +Hij sprak zeer lang. Zij zag hoe de Etna verbleekte en bronsachtig +bruin werd en toen kwam de duisternis. Zij wist dat de maan zou +schijnen. En zij zat onbeweeglijk stil en hoopte op de maneschijn. Zelf +kon zij niets meer doen. Zij was volkomen in zijn macht. Maar toen +de maneschijn kwam, hielp die haar ook niet. Gaetano bleef slechts +doorspreken over kapitalisten en arbeiders. + +Toen meende ze dat er slechts één verklaring voor te vinden was. Hij +had haar niet meer lief. + +Plotseling viel haar iets in. Het was acht dagen geleden, dezelfde +dag, dat Gaetano thuis kwam. Toen was zij in Giannita's kamer gekomen, +maar zij had zoo zacht geloopen, dat Giannita haar niet had gehoord. + +Zij had Giannita toen als in vervoering met uitgestrekte armen en +naar boven gewend gelaat zien staan. En in haar handen hield zij een +portret. Nu eens bracht zij het aan haar lippen en kuste het, dan +weer hief zij het boven haar hoofd om er in verrukking naar op te zien. + +'t Was een portret van Gaetano geweest. + +Toen donna Micaela dit had gezien, had zij zich zacht teruggetrokken, +gelijk zij gekomen was. En zij had slechts gedacht, dat het jammer +was voor Giannita, dat zij Gaetano liefhad. Maar nu Gaetano slechts +sprak over het socialisme, moest zij daaraan denken. + +Nu begon zij te gelooven, dat Gaetano ook Giannita liefhad. Zij +herinnerde zich, dat zij vrienden der jeugd waren. Misschien had hij +haar reeds lang liefgehad, misschien was hij teruggekomen om met haar +te trouwen. + +Donna Micaela kon niets zeggen, zij had geen recht zich te +beklagen. Het was nauwlijks een maand geleden sedert zij Gaetano +geschreven had, dat het niet goed was dat hij haar liefhad. + +Hij boog zich nu tot haar over, keek haar in de oogen, en dwong haar +eindelijk te luisteren, naar wat hij zei. + +"Ge zult begrijpen, donna Micaela, ge moet het begrijpen. Wat wij hier +in het Zuiden noodig hebben, is een wedergeboorte, een herschepping, +zooals het Christendom was in zijn tijd. Naar boven de slaven, naar +beneden de heeren! Een ploeg, die nieuwe aardlagen opwerpt! Wij moeten +in nieuwe aarde zaaien, de oude grond is uitgeput. De oude aardlaag +draagt slechts zwakke, ellendige planten. Laat de grondaarde voor +den dag komen en ge zult iets geheel anders zien! + +"Zie, donna Micaela, hoe komt het dat het socialisme nog leeft, dat het +niet vernietigd is? Omdat het met een nieuwe leuze gekomen is. "Denk +aan de aarde", zegt het, evenals het Christendom met de leuze kwam: + +--"Denk aan den hemel." + +"Zie om u heen! Zie naar de aarde, is die niet alles wat wij +bezitten? Laat ons dan het leven hier zóó inrichten dat wij gelukkig +worden. Waarom, o waarom heeft men vroeger niet zoo gedacht? Omdat +wij ons te veel bezighielden met het leven hiernamaals. Laat ons +verlost zijn van dat hiernamaals. + +"De aarde, de aarde, donna Micaela! Ach, wij socialisten, wij hebben +haar lief. Wij aanbidden de heilige aarde, die arme, verachte moeder, +die rouw draagt, omdat haar kinderen naar den hemel willen opstijgen. + +"Geloof mij, donna Micaela," zei hij, "de nieuwe leer zal in zeven +jaren verspreid zijn. Als de nieuwe eeuw aanbreekt, zal zij over +de geheele aarde heerschen. Dan zullen de martelaars hun bloed voor +haar geofferd hebben, dan zullen de apostelen gesproken hebben, dan +zal schare na schare tot haar overgegaan zijn. Wij, de echte zonen +der aarde, zullen de overwinnaars zijn. En zij zal zich in al haar +schoonheid aan onze blikken vertoonen. Zij zal ons genot, gezondheid, +kennis en schoonheid geven." + +Gaetano's stem begon te trillen, en tranen kwamen in zijn oogen. Hij +ging naar den rand van het terras en strekte de armen uit als wilde +hij de door de maan beschenen aarde omvatten. + +"Gij zijt zoo verblindend schoon," zei hij, "zoo verblindend schoon." + +En donna Micaela meende gedurende een oogenblik zijn smart mee te +gevoelen over de verschrikking, die verborgen was onder dit uiterlijk +omhulsel van schoonheid. Zij zag het leven met al zijn ellende en +lijden, gelijk een modderige beek vol verpestende onreinheden, zich +slingeren door die schitterende wereld van schoonheid. + +"En niemand kan van u genieten," zei Gaetano, "niemand kan +het wagen van u te genieten. Ge zijt ongetemd en vol nukken en +boosaardigheid. Gij zijt de onzekerheid en het toeval, gij zijt +het berouw en de kwelling, gij zijt de zonde en de schande, gij +zijt het dwangbuis, dat wij willen verbreken, gij zijt alles wat de +verschrikking vormt, omdat de menschen u niet beter hebben willen +maken." + +"Maar uw dag zal komen," zei hij jubelend. "Eens zullen ze allen met +liefde tot u komen. Ze zullen zich niet aan een droom vastklampen, +die niets geeft, noch iets vermag." + +Zij viel hem plotseling in de rede. + +Zij begon hem al meer en meer te vreezen. + +"Het is dus waar, dat het u niet goed gegaan is in Engeland?" + +"Wat meent ge?" + +"Men zegt dat de groote meester, tot wien miss Tottenham u zond, +gezegd heeft, dat gij-- -- --" + +"Wat heeft hij gezegd?" + +"Dat gij en uw beelden in Diamante pasten, maar nergens anders." + +"Wie zegt dat?" + +"Men gelooft dat, omdat gij zoo veranderd zijt." + +"Omdat ik nu socialist ben?" + +"Waarom zoudt ge dat zijn, indien het u goed ging?" + +"O, waarom....? Ge weet dus niet," vervolgde hij lachend, "dat mijn +meester in Engeland zelf een socialist is. Ge weet niet dat hij mij +zelf deze leer verkondigd heeft-- -- --" + +Hij zweeg plotseling en vervolgde de woordenwisseling niet. Hij ging +naar de bank waar hij gezeten had toen zij kwam en nam het beeld. Dat +reikte hij donna Micaela. + +'t Was als wilde hij zeggen: "Zie nu zelf of gij gelijk hebt." + +Zij hield het in den maneschijn. Het was een Mater Dolorosa van zwart +marmer. Dat kon zij duidelijk zien. Zij kon het ook herkennen. Het +beeld droeg haar eigen gelaatstrekken. Een oogenblik bracht dit haar in +verrukking. In het volgende werd zij door ontzetting aangegrepen. Hij +een socialist, hij, die niet geloofde, waagde het een Madonna te +scheppen! En hij had het beeld haar trekken gegeven. Hij sleepte haar +mede in zijn zonde! + +"Ik heb dit beeld voor u gemaakt, donna Micaela," zei hij. + +O, indien het beeld van haar was! Zij wierp het over de balustrade. Het +stiet tegen den steilen bergwand, viel al dieper, rukte steenen +los en sloeg zich zelf te pletter. Eindelijk hoorde men het in den +Simeto neerploffen. + +"Met welk recht schept gij Madonna's?" vroeg zij Gaetano. + +Hij stond zwijgend. Zóó had hij donna Micaela nog nooit te voren +gezien. + +In hetzelfde oogenblik dat zij tegen hem streed, was zij groot en +statig geworden. De schoonheid, die bij haar altijd kwam en ging +als een onrustige gast, troonde nu op haar gelaat. Zij zag er koud +en ongenaakbaar uit, een vrouw, verleidelijk om te overtuigen en +te winnen. + +"Gij gelooft dus nog aan God, daar ge Madonna's beitelt?" vroeg zij. + +Hij haalde heftig adem. Nu was het alsof hij verlamd was. Hij was zelf +een geloovige geweest. Hij wist hoe diep hij haar gegriefd had. Hij +zag dat hij haar liefde verspeeld had. Hij had een vreeselijke, +ondempbare kloof tusschen hen gelegd. + +Hij moest spreken, moest haar winnen voor zijn overtuiging. + +Hij begon te spreken, maar zwak en stamelend. + +Ze luisterde stil. Toen viel zij hem medelijdend in de rede. + +"Hoe zijt ge zoo geworden?" + +"Ik dacht aan Sicilië," zei hij ontwijkend. + +"Gij dacht aan Sicilië," herhaalde zij nadenkend. + +"En waarom kwaamt gij thuis?" + +"Ik kwam terug om een oproer te verwekken." + +'t Was alsof ze over een ziekte spraken, een verkoudheid, die hij +zich op den hals gehaald had, waarvan hij na een paar dagen genezen +zou zijn. + +"Ge kwaamt dus thuis om ons in het verderf te storten," zei ze streng. + +"Zooals gij wilt, zooals gij wilt," zei hij ootmoedig. + +"Gij kunt het immers zoo noemen. Zooals het nu loopt, hebt ge zeker +gelijk het zoo te noemen. O, indien men mij geen onjuiste mededeelingen +gedaan had, zoodat ik niet een week te laat was gekomen! Is het niet +juist iets voor ons Sicilianen om ons door de regeering te laten +verhinderen in onze plannen? + +"Toen ik hier kwam waren alle leiders reeds gearresteerd en het eiland +bezet door veertigduizend man. Alles is voorbij!" + +Het klonk zoo droevig leeg, toen hij zei: "alles is voorbij." En +om der wille van dit plan, dat tot niets werd, had hij zijn geluk +verspeeld. Zijn beginselen en principes schenen hem nu louter +spinnewebben, waarin hij gevangen was geweest. Hij wilde zich losrukken +om haar te naderen. Zij was het eenige dat hij bezat. Zoo had hij +het ook vroeger gevoeld. En nu kwam dat gevoel terug. Zij was zijn +eenige schat in de wereld. + +"Ze strijden vandaag in Paterno." + +"Dat is slechts een twist bij de stadspoort," zei hij. "Dat beteekent +niets. Indien ik slechts den geheelen Etna had kunnen aansteken, den +geheelen stedenkrans rondom den berg. Dan zou men ons begrepen hebben, +dan zou men naar ons geluisterd hebben. Nu schiet men slechts enkele +boeren dood om eenige honderden hongerige monden minder te hebben. Men +scheldt ons niets kwijt." + +Hij rukte aan zijn spinneweb. Kon hij het wagen tot haar te gaan, +haar te zeggen, dat dit alles hem onverschillig was? Hij behoefde +immers niet aan politiek te denken, hij was toch kunstenaar, hij was +vrij en hij wilde haar bezitten. + +Op dit oogenblik was het alsof de lucht beefde. + +Een schot dreunde door den nacht, toen nog één en nog één. + +Zij naderde hem en greep hem bij den pols. + +"Is dit het oproer?" vroeg zij. + +Schot op schot dreunde door de lucht. Toen hoorde men geschreeuw en +geroep van menschen, die door de straten stormden. + +"Het is het oproer! het moet het oproer zijn!" + +"Leve het socialisme!" + +Jubelend kwam het geloof aan zijn zaak weer terug. Haar zou hij ook +daarvoor winnen. Vrouwen hadden nog nooit geweigerd den overwinnaar +te behooren. + +Ze haastten zich beiden zonder een woord te spreken naar de +tuinpoort. Daar begon Gaetano te vloeken en te roepen, hij kon er +niet uitkomen. Er was geen sleutel in het slot. Hij was opgesloten. + +Hij keek rond. Aan drie zijden waren er hooge muren en aan de vierde +gaapte de afgrond. Er bestond geen uitweg voor hem. Maar van de straat +klonk een vreeselijk tumult; menschen, die schreeuwden en riepen, +en schoten die dreunden. En men hoorde hen brullen: Leve de vrijheid, +leve het socialisme! + +Gaetano wierp zich tegen de poort, en ook hij brulde bijna, hij was +gevangen, hij kon er niet bij zijn. + +Donna Micaela volgde hem zoo vlug zij slechts kon. Nu zij hem had +hooren spreken, dacht zij er niet meer aan, hem terug te houden. + +"Wacht slechts, wacht slechts," riep zij. "Ik ben het, die den sleutel +uit het slot heb genomen." + +"Gij, gij?" zei hij. + +"Ja, ik nam hem er uit, toen ik kwam. Het viel mij in, dat ik u +hier opgesloten kon houden, indien gij oproer wildet maken. Ik wilde +u redden." + +"Welk een dwaasheid!" zei hij en rukte haar den sleutel uit de hand. + +Terwijl hij naar het sleutelgat zocht, had hij nog tijd iets te zeggen. + +"Waarom wilt gij mij nu niet meer redden?" + +Zij gaf geen antwoord. + +"Misschien opdat uw God gelegenheid zal hebben mij in het verderf +te storten?" + +Zij zweeg nog steeds. + +"Waagt gij het niet mij voor Zijn toorn te beschutten?" + +"Neen, dat waag ik niet," zei ze zacht. + +"Gij geloovigen zijt vreeselijk," zei hij. + +Hij voelde dat zij hem losliet. Het trof hem diep en het ontnam hem +den moed, dat zij geen enkele poging deed om hem tegen te houden. + +Hij draaide den sleutel heen en weer zonder het slot te kunnen openen, +verlamd doordat zij daar zoo bleek en koud achter hem stond. + +Toen voelde hij plotseling haar armen om zijn hals en haar lippen, +die de zijne zochten. + +In hetzelfde oogenblik vloog de poort open en ijlde hij weg. Hij +wilde haar kussen niet, die hem slechts aan den dood wijdden. In +haar oud geloof scheen zij hem huiveringwekkend als een lijk. Als +een vluchteling snelde hij heen. + + + + + + +XI. + +HET FEEST VAN SAN SEBASTIAAN. + + +Toen Gaetano weg was, stond donna Micaela nog langen tijd in donna +Elisa's tuin. Zij stond daar als versteend en kon voelen noch denken. + +Toen ontwaakte de gedachte plotseling in haar, dat zij en Gaetano +niet alleen op de wereld bestonden. Zij dacht aan haar zieken vader, +dien zij gedurende zoo vele uren geheel vergeten had. + +Ze ging door de poort naar de corso, die eenzaam en verlaten lag. De +schoten en het geschreeuw klonken zeer ver weg en zij zei tot zichzelf, +dat er zeker bij de Porta Etnea gestreden werd. + +Heldere maneschijn gleed over den gevel van het zomerpaleis en het +verbaasde haar, dat op dezen tijd en in dezen nacht de balkondeuren +wijd openstonden en dat de vensterluiken niet gesloten waren. En nog +meer was zij verbaasd dat de poort openstond en de winkeldeur ook +niet gesloten was. + +Toen zij door het poortgewelf ging, zag zij daar den ouden poortwachter +Piero niet. De lantaarn was niet opgestoken en geen mensch was er te +zien op den binnenhof. + +Ze ging de trap op naar de galerij, haar voet stiet tegen iets +hards. Het was een kleine bronzen vaas, die anders in de muziekzaal +stond. Een paar schreden verder vond zij een mes. + +Het was een scherp geslepen mes gelijk een dolk. Toen zij het opnam, +vielen een paar donkere druppels van de punt. Zij begreep dat het +bloed moest zijn. + +En eveneens begreep zij, dat hetgeen zij den ganschen herfst gevreesd +had, nu geschied was. Bandieten waren in het zomerpaleis gedrongen +om het te plunderen. + +En allen, die vluchten konden, waren gevlucht, maar haar vader, +die zijn bed niet kon verlaten, zou nu zeker vermoord zijn. + +Ze kon onmogelijk weten of de roovers nog in haar huis waren. Maar +nu zij midden in het grootste gevaar was, verdween haar angst en +zij haastte zich verder zonder er aan te denken, dat zij alleen en +weerloos was. + +Zij ging door de galerij en kwam in de muziekzaal. Daar vielen breede +strepen maanlicht over den vloer en midden in een dezer strepen lag +een mensch onbeweeglijk uitgestrekt. + +Donna Micaela boog zich over dit onbeweeglijke lichaam. + +Het was Giannita. Zij was vermoord, zij had een diepe gapende wonde +aan den hals. + +Donna Micaela legde het lichaam terecht, kruiste haar de handen over +de borst en sloot haar de oogen. + +Zij kreeg bloed aan haar handen en toen zij dit lauwe kleverige bloed +voelde, begon zij te schreien. + +"Ach mijn goede, beminde zuster," zei zij luide, "het is uw jong +leven dat weggevloeid is met dit bloed. Gedurende uw gansche leven +hebt ge mij liefgehad en nu hebt ge uw bloed geofferd, om mijn huis +te beschermen. Is het tot straf voor mijn hardheid, dat God u van +mij heeft genomen? + +"Is het omdat ik u niet gunde dengene te beminnen, dien ik +liefhad? Zijt gij daarom van mij gegaan? + +"Ach zuster, zuster, kondt gij mij niet minder hard straffen?" + +Zij boog zich voorover en kuste de doode op het voorhoofd. "Ge gelooft +het niet," zei zij. "Ge weet dat ik u altijd trouw ben geweest. Ge +weet dat ik u heb liefgehad." + +Toen herinnerde zij zich dat de doode nu niet meer op de aarde +vertoefde en zij niet meer behoefte had aan betuigingen van vriendschap +en berouw. + +En zij deed een paar gebeden bij het lijk, omdat het eenige, dat zij +voor haar zuster doen kon, was met vrome gedachten den vluchtenden +geest op zijn tocht naar God te steunen. + +Daarna ging zij verder, niet meer bevreesd voor iets, dat haar zelf +kon treffen, maar in een onbeschrijflijken angst voor hetgeen haar +vader wedervaren was. + +Toen zij eindelijk door de lange zalen in de praalwoning kwam, en +vóór de deur stond van de ziekenkamer, zochten haar handen lang naar +het slot en toen zij het gevonden had, ontbrak haar de kracht om den +sleutel om te draaien. + +Toen riep haar vader van uit zijn kamer wie daar was. + +Nu zij zijn stem hoorde en begreep dat hij leefde, had zij het gevoel +alsof alles in haar trilde en brak, en het vermogen verloor haar te +dienen. Haar hart en verstand hielden tegelijk op te werken en haar +spieren konden haar niet langer staande houden. Zij dacht nog, dat +dit het gevolg was van de vreeselijke spanning waarin zij verkeerd +had. En met een eigenaardig gevoel van verlichting zonk zij in een +langdurige bezwijming. + +Donna Micaela ontwaakte tegen den volgenden morgen uit haar +onmacht. Toen was er veel voorgevallen. + +De bedienden waren te voorschijn gekomen uit hun schuilplaatsen en +hadden donna Elisa gewaarschuwd. Zij had het beheer over het verlaten +paleis genomen, en om de politie gezonden, zij had de witte broeders +laten komen. En dezen hadden het lijk van Giannita gedragen naar haar +moeders huis. + +Toen donna Micaela ontwaakte, lag ze op een sofa in een vertrek naast +haar vaders kamer. Niemand was bij haar, maar daarbinnen hoorde zij +donna Elisa spreken. + +"Mijn zoon en mijn dochter," zei donna Elisa snikkend. "Ik heb mijn +zoon zoowel als mijn dochter verloren." + +Donna Micaela trachtte zich op te richten, maar zij kon niet. Haar +lichaam lag nog in een verstijving, hoewel haar ziel reeds ontwaakt +was. + +"Cavaliere, cavaliere," zei donna Elisa "kunt gij het +begrijpen? Bandieten van den Etna sluipen in de stad, zij schieten +op het tolkantoor en roepen: "Leve het socialisme!" En dat doen zij +slechts om de menschen van de straat te jagen en de karabiniers te +lokken bij de Porta Etnea. Geen enkele man van Diamante was er bij. Het +zijn bandieten, die dit plan slechts beraamd hebben om te plunderen +bij miss Tottenham en bij donna Micaela, bij twee vrouwen, cavaliere! + +"Wat moeten die heeren officieren, die in den krijgsraad zitten, +toch gedacht hebben? Geloofden zij dat Gaetano samenspande met de +bandieten? Zagen zij dan niet dat hij een edelman was, een echte +Alagona, een kunstenaar? Hoe hebben ze hem kunnen veroordeelen?" + +Donna Micaela luisterde met ontzetting, maar zij trachtte zich in te +spreken, dat zij nog droomde. + +Ze hoorde opnieuw hoe Gaetano haar vroeg of zij hem aan God offerde. En +weer meende zij te antwoorden, dat zij dat deed. Nu droomde zij hoe +het zou zijn, indien hij werkelijk gevangen was genomen. + +"Wat is dit toch voor een ongeluksnacht?" zei donna Elisa. "Wat is +het toch, dat in de lucht zweeft en de menschen verward en waanzinnig +maakt? + +"Ge kent Gaetano, cavaliere. Hij is immers altijd heftig en vurig +geweest, maar hij was toch niet zonder verstand, hij kon zich toch +altijd wel beheerschen. Maar hedennacht werpt hij zich den vijand in +de armen. + +"Gij weet, dat hij oproer wilde maken, ge weet dat hij thuis was +gekomen om oproer te verwekken. Toen hij nu hoort dat er geschoten +wordt en dat men roept "Leve het socialisme" wordt hij wild en +woest. Hij zegt tot zich zelf, dat dit het oproer is, en hij ijlt +de straat op om er bij te zijn. En hij roept den ganschen tijd: +"Leve het socialisme", zoo hard hij slechts kan. + +"En toen ontmoet hij een groote menige soldaten, een gansch leger. Want +zij waren op weg naar Paterno maar hoorden het schieten in Diamante en +trokken hier binnen om te zien wat er gaande was. En Gaetano kan geen +soldatenmuts meer herkennen, hij gelooft dat het de oproerlingen zijn, +hij meent in hen gezanten des hemels te zien, en hij stort zich in +hun midden en laat zich zoo gevangennemen. En de soldaten, die even +tevoren alle bandieten hadden opgevangen, terwijl zij met hun buit +wegslopen, leggen nu ook de hand op Gaetano. En zij gaan verder door de +stad en vinden alles rustig. Maar vóórdat zij wegtrekken, houden zij +krijgsraad over hun gevangenen. En zij veroordeelen Gaetano tegelijk +met de anderen, veroordeelen hem evenals hen, die inbraak gepleegd +en vrouwen vermoord hebben. + +"Hadden zij hun verstand niet verloren, cavaliere?" + +Donna Micaela kon niet hooren wat haar vader antwoordde. Zij zelf +wilde duizend vragen stellen, maar zij was nog verstijfd en kon zich +niet verroeren. Zij zou willen weten of Gaetano doodgeschoten was. + +"Wat bedoelden zij met hem te veroordeelen tot negen en twintig jaar +gevangenisstraf?" vroeg donna Elisa. + +"Gelooven zij dat hij of iemand, die hem liefheeft zoo lang kan leven? + +"Hij is dood, cavaliere, dood voor mij, evenals Giannita." + +Donna Micaela had een gevoel alsof zij gebonden was met sterke ketenen, +opdat zij niet zou kunnen ontvluchten. Dit was erger, vond zij, +dan aan een schandpaal gebonden te zijn en gegeeseld te worden. + +"'t Is al de vreugde van mijn ouderdom, die nu van mij is genomen," +klaagde donna Elisa. + +"Giannita en Gaetano! Ik had altijd gedacht, dat deze twee nog eens +een paar zouden worden. Zij zouden zoo goed bij elkaar gepast hebben, +omdat beiden mijn kinderen waren en mij liefhadden. Waarvoor zal ik +nu leven, nu ik niet langer jeugd om mij heen heb? + +"Ik had het dikwijls zeer arm, toen Gaetano bij mij kwam en men zeide +mij, dat ik minder zorg zou hebben, indien ik alleen was. Maar ik +antwoordde: "Daar geef ik niets om, indien ik slechts jeugd om mij +heen heb." En ik hoopte, dat hij, als hij volwassen zou zijn, een +jonge vrouw zou nemen en zij zouden kleine kinderen krijgen en ik +zou nooit eenzaam behoeven te zitten als een onnut oud mensch." + +Donna Micaela moest er aan denken, dat zij Gaetano had kunnen redden, +maar niet had gewild. Maar waarom had zij toch niet gewild? Dat +scheen haar nu onbegrijpelijk. Zij begon bij zich zelf al de redenen +op te sommen, die zij gehad had om hem zich in het verderf te +laten storten. Hij was een godloochenaar en socialist en hij wilde +oproer maken. En dit had opgewogen tegen al het andere, toen zij de +tuinpoort voor hem opende. Deze redenen hadden ook opgewogen tegen +haar liefde. Nu begreep zij dat niet. Het was alsof een schaal vol +veeren had kunnen opwegen tegen een schaal vol goud. + +"Mijn mooie jongen," klaagde donna Elisa, "mijn mooie jongen. Hij was +reeds een groot man daarginds in Engeland, en hij kwam thuis om ons +arme Sicilianen te helpen. En nu hebben zij hem veroordeeld als een +bandiet. Men zegt dat zij op het punt stonden hem dood te schieten, +evenals zij dat de anderen gedaan hebben. + +"Misschien was het beter geweest, cavaliere. 't Ware beter hem op +het kerkhof te weten, dan dat hij in de gevangenis versmacht. Hoe +zal hij dat lijden kunnen dragen? Hij zal het niet kunnen uithouden, +hij zal ziek worden, en spoedig sterven." + +Toen zij dit zei, rukte donna Micaela zich los uit haar verdooving en +richtte zich op van de sofa. Zij wankelde door de kamer en kwam bij +haar vader en donna Elisa, even doodsbleek als de vermoorde Giannita. + +Zij was zoo zwak, dat zij het niet waagde te loopen, maar bij de deur +bleef staan en tegen den deurpost leunde. + +"Hier ben ik," zei zij, "donna Elisa, hier ben ik-- -- --" + +De woorden wilden niet over haar lippen komen. Zij wrong de handen +in vertwijfeling, omdat zij niet kon spreken. + +Donna Elisa was oogenblikkelijk bij haar. Zij legde haar arm om donna +Micaela's middel om haar te steunen, zonder zich er om te bekommeren +dat donna Micaela haar trachtte af te weren. + +"Gij moet mij vergeven, donna Elisa," zei zij met nauwelijks hoorbare +stem. "Ik heb het gedaan." + +Donna Elisa lette niet veel op hetgeen zij zeide. Zij zag dat donna +Micaela koorts had en geloofde dat zij ijlde. + +Haar lippen bewogen zich, en men zag dat zij iets wilde zeggen, maar +men hoorde slechts enkele woorden. 't Was onmogelijk te begrijpen +wat zij meende. + +"Tegen hem, zooals tegen mijn vader," zei zij herhaaldelijk. En toen +riep zij, dat zij allen, die haar liefhadden, in het verderf stortte. + +Donna Elisa had haar naar een stoel geleid en daar zat donna Micaela en +kuste donna Elisa's oude rimpelige handen, en vroeg haar om vergeving +voor hetgeen zij gedaan had. + +"Ja, zeker! Ja, zeker! donna Elisa vergaf het haar." Donna Micaela +zag haar scherp aan met groote koortsachtige oogen en vroeg of het +waar was. + +"Ja, zeker is het waar." + +Toen legde zij haar hoofd op donna Elisa's schouder en snikte. Zij +dankte haar en zei dat zij niet had kunnen leven, indien zij donna +Elisa's vergiffenis niet ontving. Tegen niemand had zij zoo gezondigd +als tegen haar. Kon zij haar vergeven? + +"Ja, ja," zei donna Elisa keer op keer en zij geloofde dat donna +Micaela ijlde, tengevolge van schrik en koorts. + +"Er is iets dat ik u moet zeggen," zei donna Micaela. "Ik weet het, +maar gij weet het niet. Gij vergeeft mij nooit, indien ge het weet." + +"Ja zeker vergeef ik het u," zei donna Elisa. + +Op deze wijze spraken zij lang, zonder elkaar te begrijpen, maar +het was goed voor de oude donna Elisa, dat ze dien nacht iemand +kon koesteren en troosten en versterkende kruiden en droppels kon +geven. Het was goed voor haar, dat er nog iemand was, die het hoofd +tegen haar schouder legde en weende over haar verdriet. + + + +Donna Micaela, die gedurende drie jaar Gaetano had liefgehad, zonder +ooit te denken, dat zij elkaar eens zouden toebehooren, had zich aan +een eigenaardige soort liefde gewend. 't Was haar genoeg te weten, +dat Gaetano haar liefhad. Als zij daaraan dacht, doorstroomde haar +een heerlijk gevoel van veiligheid en geluk. + +"Wat doet het er toe?" zei zij als zij tegenspoed ondervond. "Gaetano +heeft mij lief!" Hij was haar altijd nabij om haar op te beuren. Hij +was een deel van al haar gedachten en plannen. Hij was de ziel van +het leven zelve voor haar. + +Zoo spoedig donna Micaela zijn adres wist, schreef zij hem. Ze bekende +hem, dat zij de vaste overtuiging had gehad, dat hij zijn ongeluk +tegemoet ging. Maar zij was zoo bevreesd geweest voor hetgeen hij +nog in de toekomst zou verrichten, dat zij het niet gewaagd had hem +te redden. Zij schreef ook hoezeer zij zijn leer verafschuwde. Zij +verborg niets voor hem. Zij zeide, dat zelfs indien hij vrij was, +zij nooit de zijne kon worden. + +Zij vreesde hem. Hij had zulk een macht over haar dat indien zij +vereenigd waren, hij haar tot een godloochenaarster en socialiste +zou maken. Zij moest altijd van hem gescheiden leven, om haar ziel +te kunnen redden. + +Maar zij bad en smeekte hem, dat hij trots alles niet zou ophouden +haar lief te hebben. + +Hij mocht niet doen gelijk haar vader. 't Was waarschijnlijk, dat ook +hij haar nu uit zijn hart bande, maar dat mocht hij niet doen. Hij +moest barmhartig zijn. Indien hij wist hoe lief zij hem had, indien +hij wist hoe zij van hem droomde! + +En zij bekende hem, dat hij het leven zelf voor haar was. "Moet ik +sterven, Gaetano?" vroeg zij. + +"Is het dan niet reeds ongelukkig genoeg, dat deze leer ons scheidt? Is +mijn ongeluk niet reeds groot genoeg, nu men u in de gevangenis +gevoerd heeft? Zult gij nu ook nog ophouden mij lief te hebben, +omdat wij niet gelijk denken? Och, Gaetano, heb mij toch lief. Onze +liefde leidt tot niets, er is geen hoop voor ons, maar heb mij lief, +ik sterf als ge mij niet lief hebt." + +Donna Micaela had nauwelijks dezen brief verzonden, of zij begon reeds +op het antwoord te wachten. Zij geloofde, dat zij een brief vol toorn +terug zou krijgen, maar zij hoopte, dat zij een enkel woord daarin +zou vinden, dat haar bewees, dat hij haar nog liefhad. + +Maar zij wachtte verscheidene weken zonder een brief van Gaetano +te ontvangen. + +'t Baatte haar niets, dat zij iederen dag buiten op de galerij den +postbode opwachtte, en hem bijna bedroefd maakte, omdat hij altijd +genoodzaakt was te zeggen, dat hij niets voor haar had. + +Een dag ging zij zelf naar het postkantoor en verzocht met smeekende +oogen, dat men haar toch den brief zou geven, dien zij verwachtte. "Die +moest er toch zijn," zei zij. Misschien hadden zij het adres niet +kunnen lezen, misschien was hij in een verkeerd vak gekomen. + +En haar mooie smeekende oogen bewogen den postmeester, zoodat zij +mocht zoeken tusschen hoopen oude, onafgehaalde brieven en alle laden +van het postkantoor mocht nazien. Maar dat alles baatte niets. + +Toen schreef zij een tweeden brief aan Gaetano, maar er kwam geen +antwoord. + +Nu trachtte zij te gelooven, wat haar onmogelijk scheen. Zij beproefde +zich zelf te overtuigen, dat Gaetano haar niet meer liefhad. + +En naarmate deze overtuiging vaster vorm aannam, begon zij zich op +te sluiten in haar kamer. Zij werd bang voor de menschen en was het +liefst alleen. + +Dag aan dag werd zij zwakker. Zij liep gebogen en zelfs haar schoone +oogen schenen allen glans en leven verloren te hebben. + +Na eenige weken was zij zoo verzwakt, dat zij niet meer kon staan, maar +den geheelen dag op de sofa moest liggen. Ze was een gemakkelijke prooi +voor een ziekte, die haar al haar levenskracht ontnam. Zij voelde, +dat zij den dood nabij was en zij was bevreesd te sterven. Maar zij +kon niets doen. Een enkel geneesmiddel bestond er voor haar, maar +dat kwam niet. + +Terwijl donna Micaela op deze wijze zacht uit het leven scheen te +glijden, maakte men in Diamante toebereidselen om het feest van San +Sebastiaan te vieren dat in het eind van Januari valt. + +Het was het grootste feest dat in Diamante gehouden werd, maar in de +laatste jaren was het niet met de gewone pracht gevierd, omdat nood +en kommer de gemoederen te veel drukten. + +Maar dit jaar nadat het oproer mislukt was, terwijl Sicilië nog vol +vreemde troepen was en de geliefde helden van het volk in de gevangenis +smachtten, stelde men voor, het feest met ouderwetschen luister +te vieren. Want nu was het geen tijd de heiligen te verwaarloozen, +zei men. + +En het vrome volk van Diamante besloot, dat het feest drie dagen zou +duren en dat San Sebastiaan gevierd zou worden door het uitsteken +der vlaggen, het versieren der huizen, hardrijderijen en bijbelsche +optochten, illuminaties en een wedstrijd van zangers. En met grooten +lust en ijver toog men aan het werk. In ieder huis werd er geboend +en gewreven. Men haalde de oude processiekleederen te voorschijn en +men bereidde zich tot de ontvangst van vreemden van den geheelen Etna. + +Het eenige huis in Diamante, waar geen toebereidselen gemaakt werden, +was het zomerpaleis. Donna Elisa was daarover diep bedroefd, maar ze +kon donna Micaela niet bewegen het zomerpaleis te versieren. + +"Hoe kunt gij verlangen, dat ik een huis van rouw met bloemen en +groen zal versieren?" zei zij. "De rozen zullen haar bladeren laten +vallen, indien ik ze wilde gebruiken om de rampen te bedekken, die +dit huis vervullen." + +Maar donna Elisa dacht aan niets anders dan aan het feest en verwachtte +veel goeds van het vieren der heiligen, gelijk in vroegere dagen. Zij +sprak over niets anders dan hoe de priesters den gevel der domkerk +op oud-Siciliaansche wijze lieten versieren met zilveren bloemen +en spiegels. En zij beschreef den feestrit. Zooveel ruiters zouden +daaraan meedoen, en zulke hooge pluimen zouden zij op den hoed dragen, +en zij zouden lange, met bloemslingers omwonden stokken, waarop een +waskaars prijkte, in de hand houden. + +Toen de feestdag aanbrak, was donna Elisa's huis het mooist van +alle versierd, Italië's groen-rood-witte vlag wapperde van het dak, +en roode kleeden met gouden franje en het naamcijfer van den heilige +waren over de vensterkozijnen en balkonhekken gespreid. + +Maar langs den muur slingerden zich guirlandes van steeneik, gevormd +tot bogen en sterren, en rondom de ramen waren kransen gevlochten +van de kleine witte rozen uit donna Elisa's tuin. + +Boven den ingang stond het beeld van San Sebastiaan, omlijst door +leliën, en op den drempel lagen cypressetakken. En ware men het huis +binnengetreden, dan zou men gezien hebben, dat het van binnen even +heerlijk versierd was als van buiten. Van den kelder tot den zolder +was het schoongemaakt en met bloemen getooid en op de planken in den +winkel stond nog niet zoo'n klein en nietig heiligenbeeldje of het +had een immortel of een bellis in de hand. + +En evenals bij donna Elisa, had men in het arme Diamante straat +aan straat versierd. Er was zoo'n gewapper van vlaggen, dat men +moest denken aan het waschgoed, dat van den grond tot den hemel +in de steeg hing, waar het huis van den kleinen Moor stond. Alle +huizen en eerepoorten droegen vlaggen en dwars over de straat waren +touwen gespannen, waaraan wimpel naast wimpel waaide. En bij elke +tien schreden had men eerepoorten opgericht. En boven op iedere +eerepoort stond het beeld van den heilige, omlijst door kransen van +gele immortellen. De balkons waren bekleed met roode doeken en bonte +tafelkleeden, en langs de muren slingerden zich stijve guirlandes. + +Er was zooveel groen en bloemen, dat niemand begrijpen kon hoe men +die bijeen had kunnen krijgen in Januari. Alles was met bloemen +versierd. De bezemsteel droeg een krans van krokusjes en de +poortklopper was versierd met een bouquet hyacinthen. + +Maar voor de ramen stonden borden met naamcijfers en inscripties van +blauw-roode anemonen. + +En tusschen deze versierde huizen bruiste de menschenstroom, machtig +als een stijgende vloed. + +Het waren niet alleen de inwoners van Diamante, die San Sebastiaan +vierden. Van den ganschen Etna kwamen gele, prachtig beslagen en +geverfde karretjes vol menschen aanrollen, getrokken door paarden +met versierde leidsels. + +Zieken, bedelaars en blinde zangers waren in grooten getale +opgekomen. En er waren heele pelgrimstochten van arme ongelukkige +menschen, die nu na de ongelukken iemand hadden om voor te bidden. + +Er waren zooveel menschen bijeen, dat men verbaasd was, hoe allen +plaats konden vinden binnen de stadsmuren. Er waren menschen op straat, +menschen voor de ramen, menschen op de balkons. + +Op de hooge steenen trappen zaten menschen, en de winkels waren vol, +de groote huisdeuren stonden wijd open en in de vestibule waren de +stoelen in een halven cirkel geplaatst zooals in een theater. Daar +zaten de eigenaars met hun gasten en keken naar de voorbijtrekkende +menschenmenigte. + +De heele stad was vervuld van een feestelijk geruisch. Niet +alleen lachten en spraken alle menschen, maar er waren ook nog +positiefspelers, die op een positief, zoo groot als een orgel, +speelden. Er waren straatzangers en er waren mannen en vrouwen, +die Tasso declameerden met heesche, schreeuwende stemmen. Allerlei +marktventers waren er en uit alle kerken stroomden orgeltonen. Op de +Markt boven op den bergtop speelden stadsmuzikanten zoo luid dat men +de muziek in geheel Diamante kon hooren. + +Dit vroolijk rumoer en deze bloemengeur, al dit vlaggen-gewapper in +de lucht voor donna Micaela's venster had de macht haar op te wekken +uit haar verdooving. + +Zij rees op, alsof het leven zelf om haar gezonden had. + +"Ik wil niet sterven," zei ze tot zich zelf. "Ik wil trachten te +leven." + +Zij leunde op haar vaders arm, en ging op straat. Zij hoopte dat het +leven daarbuiten haar zou bedwelmen, zoodat zij haar smart vergeten +zou. "Gelukt dit mij niet," dacht zij, "kan ik geen verstrooiing +vinden, dan moet ik sterven." + +Maar nu woonde er in Diamante een arme, oude beeldhouwer, die gaarne +een paar soldi met het feest wilde verdienen. Daarom had hij een paar +kleine lavabustes gemaakt van San Sebastiaan en van Paus Leo XIII. En +daar hij wist dat velen in Diamante Gaetano liefhadden en treurden +om zijn lot, maakte hij ook een paar beelden van hem. + +En dadelijk toen donna Micaela op straat kwam, ontmoette zij dezen +man die haar een van zijn kleine, ellendige beeldjes te koop aanbood. + +"Koop don Gaetano, donna Micaela," zei de man. + +"Koop don Gaetano, dien de regeering gevangengenomen heeft, omdat +hij Sicilië wilde redden." + +Donna Micaela drukte haar vaders arm heftig en spoedde zich verder. + +Maar in het café Europa stond de zoon van den waard canzones te +zingen. Ter eere van het feest had hij eenige nieuwe liederen gedicht +en onder andere ook een paar over Gaetano. Hij kon immers niet weten +of de menschen niet juist van Gaetano wilden hooren. + +Donna Micaela ging voorbij het café, toen zij echter hoorde, dat er +gezongen werd, bleef zij staan om te luisteren. + +"Ach, Gaetano Alagona," zong de jonge man. "Zangers zijn machtig. Met +mijn liederen zal ik u vrij zingen. Eerst zend ik u de lieflijke +canzone. Die zal glijden door de traliën van uw gevangenis en deze +verbreken. Dan zend ik u het sonnet, dat schoon is als een vrouw +en dat uw bewakers zal omkoopen. Daarna dicht ik de heerlijke ode, +die de hooge gevangenismuren door haar trotschen rhythmus zal doen +schudden! Maar als niets u helpt, treed ik te voorschijn met het +machtige epos, dat een leger van woorden bezit. O, Gaetano, sterk +als een krijgsschaar, schrijdt het epos voorwaarts. Al de legioenen +van het oude Rome bezaten niet de macht het tegen te houden." + +Donna Micaela klemde zich krampachtig vast aan haar vaders arm, maar +zij zei niets, ze ging slechts verder. Toen begon cavaliere Palmeri +te spreken over Gaetano. + +"Ik wist niet dat hij zoo bemind was," zei hij. + +"Ik ook niet," fluisterde donna Micaela. + +"Maar heden zag ik hoe vreemde menschen in donna Elisa's winkel kwamen +en haar smeekten iets te mogen koopen, dat hij gesneden had. Ze had +nog slechts een paar oude rozenkransen, die trok zij stuk en daarvan +deelde zij de koralen uit." + +Donna Micaela zag haar vader smeekend aan. Maar hij wist niet of zij +wilde, dat hij zou zwijgen of doorgaan met vertellen. + +"Donna Elisa's oude vrienden loopen in den tuin met Luca," zei +hij. "Luca wijst hun Gaetano's lievelingsplekjes en den grond, dien +hij gewoonlijk bewerkte. En Pacifica zit in de werkplaats naast de +schaafbank en vertelt al het mogelijke van hem van af den tijd dat +hij niet grooter was dan zóó." + +Meer kon hij niet vertellen, het gedrang en het rumoer werd zoo hevig +dat hij moest afbreken. + +Zij gingen naar den dom. Op de domtrap zat de oude Assunta. Zij had +een rozenkrans in de hand en mompelde hetzelfde gebed, den geheelen +rozenkrans langs. Zij smeekte den heilige dat Gaetano, die beloofd +had de armen te helpen, weer in Diamante zou terugkomen. + +Toen donna Micaela haar voorbijging, hoorde zij haar zeggen: "San +Sebastiaan, geef ons Gaetano. Ach, uit barmhartigheid, ach, om onze +ellende, geef ons Gaetano terug, San Sebastiaan." + +Donna Micaela was van plan geweest naar de kerk te gaan, maar nu +wendde zij zich om. + +"Er is zulk een gedrang," zei zij. "Ik durf er niet ingaan." + +Zij ging weer naar huis. Maar terwijl ze weg was, had donna Elisa van +de gelegenheid gebruik gemaakt. Zij had een vlag op het dak van het +zomerpaleis geheschen en doeken over de balkons gespreid en toen donna +Micaela thuis kwam, was zij bezig een guirlande vast te maken. Donna +Elisa kon het niet verdragen, dat het zomerpaleis niet versierd +was. Zij wilde, dat dezen keer niets aan San Sebastiaans feest zou +ontbreken. En zij vreesde, dat de heilige Diamante en Gaetano niet +zou helpen, indien het oude paleis der Alagona's hem niet vierde. + +Donna Micaela kwam terug, bleek als een ter dood veroordeelde en +gebogen alsof zij een tachtigjarig besje was. + +Zij mompelde in zich zelf: "Ik maak geen bustes van hem, ik zing +geen liederen over hem, ik waag het niet God voor hem te bidden, +ik koop geen zijner koralen. Hoe zal hij dan kunnen gelooven, dat ik +hem liefheb? Hij moet al die anderen, die hem aanbidden, liefhebben, +maar niet mij. Ik behoor niet tot zijn wereld, mij kan hij niet +meer liefhebben." + +En toen zij zag dat men haar huis met bloemen wilde versieren, +scheen haar dat zoo stuitend leelijk, dat zij den krans rukte uit +donna Elisa's hand en haar dien voor de voeten wierp, terwijl zij +vroeg of donna Elisa haar wilde vermoorden. Daarna ging zij haar +voorbij. Zij wierp zich in haar kamer op de sofa en verborg haar +gelaat in de kussens. + +Nooit vroeger had zij begrepen hoe al deze uiterlijke +omstandigheden hem van haar scheidden. De volksman kon haar niet +liefhebben. Daarenboven had zij het gevoel, dat zij hem verhinderd had, +al deze armen te helpen. + +Hoe moest hij haar verafschuwen! hoe moest hij haar haten! Haar booze +geest kwam weer over haar. Dit booze dat bestond in het niet bemind +zijn! Dat zou haar vermoorden. Zij dacht dat nu alles voorbij, dat +alles geëindigd was. + +Terwijl zij zoo lag, kwam haar plotseling het kleine Christusbeeld +in de gedachten. Het was alsof hij in al zijn armoedige pracht de +kamer binnentrad. Zij zag hem duidelijk. + +Donna Micaela begon het Christuskind om hulp aan te roepen. En zij +was verbaasd, dat zij zich niet vroeger tot dezen wonderdoener gewend +had. Maar dat kwam zeker, omdat het beeld niet in een kerk stond, +maar rondgevoerd werd als een der rariteiten van miss Tottenham, +zoodat zij slechts in den hoogsten nood aan hem dacht. + + + +Het was laat op den avond van denzelfden dag. Donna Micaela had al +haar bedienden verlof gegeven naar het feest te gaan, zoodat zij en +haar oude vader alleen in het groote huis waren. + +Maar tegen tien uur stond haar vader op en zei dat hij den wedstrijd +der zangers op de markt wilde gaan hooren. En toen hij ging, wilde +donna Micaela niet alleen achterblijven, en moest zij wel besluiten +hem te volgen. + +Toen zij op de markt kwamen, zagen zij dat het plein veranderd was +in een theater met rijen stoelen naast elkaar. Elk plekje was bezet +met menschen en ternauwernood konden zij een plaats vinden. + +"Vanavond is Diamante heerlijk, Micaela," zei cavaliere Palmeri. 't +Was alsof de lieflijkheid van den nacht hem zachter stemde. Hij sprak +meer en teederder tot haar, dan hij sedert langen tijd gedaan had. + +Donna Micaela scheen het, dat haar vader de waarheid sprak. Zij had +een gevoel, zooals zij gehad had, toen zij voor de eerste maal in +Diamante kwam. + +Het was de stad der wonderen, de stad van schoonheid, een klein +heiligdom van God. + +Tegenover haar verrees een hoog, statig gebouw, opgetrokken van +stralende diamanten. Zij moest een tijdlang nadenken, vóórdat zij +begrijpen kon, wat het was. + +Toch was het niets anders dan de gevel der domkerk, die bedekt was +met bloemen van stijf zilver- en goudpapier, waarin duizenden kleine +stukken spiegelglas waren gestoken. En in elke bloem hing een klein +olieglas met een vlammetje zoo groot als een vuurvlieg. Het was van +een zeldzame bekoring, de mooiste illuminatie, die donna Micaela ooit +gezien had. + +Er was geen andere verlichting op de markt, en dat was ook niet +noodig. Deze groote muur van diamanten verlichtte voldoende. + +Het zwarte palazzo Geraci stond gloeiend rood als werd het verlicht +door een vuurwolk. + +Men zag niets van de wereld behalve de markt; daarbuiten heerschte +diepe duisternis en dit maakte dat donna Micaela opnieuw het oude +betooverde Diamante meende te herkennen, dat niet op de aarde lag, +maar een heilige burcht was op een der hemelsche bergen. Het raadhuis +met de zware balkons en de hooge trap, het groote nonnenklooster en +de Romeinsche poort waren opnieuw heerlijk en wonderbaarlijk. En zij +kon nauwelijks gelooven, dat zulk een vreeselijk lijden haar hier +getroffen had. + +Te midden van deze menschenmassa voelde men geen koude. De winteravond +was zwoel als een nacht in 't voorjaar. Een lentestemming kwam op in +donna Micaela. Het begon in haar te beven en te trillen op een wijze, +die tegelijkertijd heerlijk en vreeselijk was. + +Zoo moest de sneeuwmassa op den Etna zich gevoelen als de zon haar +oploste in bruisende bergstroomen. + +Zij zag naar de menschen, die de markt vulden en zij was verbaasd +dat hun aanblik haar des voormiddags zoo gepijnigd had. Nu vond zij +het heerlijk dat zij Gaetano liefhadden. Ach, indien hij haar slechts +bleef liefhebben, zou zij zoo onuitsprekelijk trotsch op hun liefde +zijn, gelukkig over hun vereering. Dan zou zij deze oude bevende +handen willen kussen, die beelden van hem maakten en voor hem in +gebed gevouwen waren. + +Toen zij dit dacht, werden de kerkdeuren wijd opengeslagen en een +groote, platte wagen rolde uit de kerk. Boven op den met rood doek +bekleeden wagen stond San Sebastiaan bij een paal, en onder het beeld +zaten de vier zangers, die deelnamen aan den wedstrijd. + +Het was een oude blinde zanger van Nicolosi, een kuiper van Catania, +die beschouwd werd als de beste improvisatore van geheel Sicilië, +een smid van Termine en de kleine Gandolfo, zoon van den poortwachter +van het raadhuis. Alle menschen waren verbaasd, dat Gandolfo het +waagde deel te nemen aan zulk een gevaarlijken wedstrijd. Deed hij +dat misschien om zijn bruid, de kleine Rosalie, te behagen? Niemand +had ooit geweten, dat hij kon improviseeren. Hij had zijn gansche +leven niets anders gedaan dan mandarijnen eten en naar den Etna staren. + +Het eerste dat gedaan werd, was de deelnemers te laten loten, en het +lot viel zoo, dat de kuiper het eerst aan de beurt kwam en Gandolfo +het laatst. Toen de loting zoo uitviel, verbleekte Gandolfo. 't Was +immers vreeselijk het laatst te komen, daar allen over hetzelfde +onderwerp zouden spreken. + +De kuiper sprak over San Sebastiaan, toen hij legionair in het oude +Rome was en terwille van zijn geloof aan een paal werd vastgebonden +om als mikpunt voor zijn kameraden te dienen. Na hem kwam de blinde +zanger, die verhaalde hoe een vrome Romeinsche den martelaar vond, +bloedend en doorboord met pijlen en hoe het haar gelukte hem opnieuw +tot het leven te roepen. Toen kwam de smid, die al de wonderen vertelde +die San Sebastiaan verricht had op Sicilië gedurende de pest van het +jaar vijftienhonderd. + +Zij werden alle drie geprezen. Zij gebruikten sterke woorden van bloed +en dood en het volk juichte hen toe. Maar zij, die van Diamante waren, +werden bang voor den kleinen Gandolfo. + +"De smid heeft hem alle woorden ontnomen," zei men, "het zal hem +niet gelukken." + +"O," zeiden anderen, "de kleine Rosalie neemt om die reden den +verlovingsband niet uit haar vlechten." + +Maar Gandolfo kroop ineen in zijn hoek van den wagen. Hij werd al +kleiner en kleiner. Zij, die in zijn nabijheid zaten, konden hooren +hoe zijn tanden klapperden van vrees. + +Toen eindelijk zijn beurt kwam, stond hij op en begon te improviseeren, +maar hij sprak zeer slecht, nog veel slechter dan iemand verwacht +had. Hij stamelde een paar verzen, maar het was slechts een herhaling +van hetgeen de anderen gezegd hadden. + +Toen zweeg hij plotseling en haalde heftig adem. In dit oogenblik kwam +de kracht der wanhoop over hem. Hij richtte zich op en een zacht rood +kleurde zijn wangen. + +"O, signori," zei de kleine Gandolfo. "Laat mij spreken over hetgeen +mij altijd vervult. Laat mij spreken over hetgeen ik altijd vóór +mij zie!" + +En hij begon met wegsleepende welsprekendheid te vertellen wat hij +zelf gezien had. + +Hij verhaalde hoe hij, de zoon van den poortwachter van het raadhuis, +over donkere zolders geslopen was en verborgen had gelegen onder +een der galerijen van de gerechtszaal in den nacht dat de krijgsraad +verzameld was om de oproerlingen van Diamante te vonnissen. + +Toen had hij don Gaetano Alagona zien zitten op de bank der +aangeklaagden in een gezelschap van een menigte woeste gezellen, +die erger waren dan dieren. + +Hij vertelde hoe schoon Gaetano geweest was. Den kleinen Gandolfo +had hij een god toegeschenen naast de vreeselijke menschen, +die hem omringden. En hij beschreef deze bandieten met hun wilde +roofdiergezichten, hun ruig haar en plompe ledematen. Hij zei, +dat ze er zoo woest uitzagen, dat iemand die hen in de oogen keek, +het hart beefde. + +Toch was in al zijn schoonheid don Gaetano angstwekkender dan deze +menschen. + +Gandolfo wist niet hoe zij het waagden naast hem te zitten op de +bank. Onder zijn saamgetrokken wenkbrauwen schoten vlammende blikken +op zijn medegevangenen, die hun zielen vermoord zouden hebben, als +zij gelijk andere menschen zielen bezeten hadden. + +"Wie zijt gij," scheen hij te vragen, "dat ge het waagt op plundering +en moord uit te trekken, terwijl gij de heilige vrijheid aanroept? Weet +gij, wat gij gedaan hebt? + +"Weet gij, dat ik nu ter wille van uw list gevangen zit? En dat ik +het ben, die Sicilië gered zou hebben?" En iedere blik, dien hij op +hen wierp, was een terdoodveroordeeling. Zijn blikken vielen op al +die zaken, die de bandieten gestolen hadden en nu op de gerechtstafel +lagen. Hij herkende deze voorwerpen. Zou hij de pendules en zilveren +schalen van het zomerpaleis niet kennen, zou hij de heiligenbeelden +en munten niet kennen, die zij geroofd hadden van zijn Engelsche +beschermster? Maar toen hij deze zaken herkend had, zond hij zijn +medegevangenen een vreeselijken lach toe. + +"Gij helden, gij hebt geplunderd bij twee vrouwen," zei deze lach. + +Zijn edel gelaat wisselde voortdurend van uitdrukking. + +Eens had Gandolfo het plotseling zien samentrekken van schrik. Het +was toen de man, die naast hem zat, een hand had uitgestrekt, die +rood was van bloed. + +Had hij toen misschien plotseling een vermoeden van de waarheid +gekregen? Dacht hij er aan, dat deze menschen ingebroken hadden in +het huis, waar zijn geliefden woonden? + +Gandolfo vertelde hoe de officieren, die rechters zouden zijn, nu +zwijgend en ernstig binnen waren gekomen en plaats hadden genomen. Toen +hij deze hooge heeren gezien had, was zijn onrust verminderd. + +Hij had tot zich zelf gezegd, dat zij wisten, dat Gaetano een voorname +man was en dat zij hem niet zouden veroordeelen. Zij zouden hem niet +verwarren met de bandieten. Niemand kon toch gelooven, dat hij had +willen plunderen bij twee vrouwen. + +En zie, toen de rechter Gaetano Alagona opriep, was er geen strengheid +in zijn stem. Hij sprak tot hem als tot een gelijke. + +"Maar," zei Gandolfo, "toen nu don Gaetano zich verhief, stond hij zóó, +dat hij op de markt kon zien. En op de markt, op deze zelfde markt, +waar nu zoo vele menschen zitten in vreugde en genot, naderde toen een +lijkstoet. Het waren de witte broeders, die het lijk van de vermoorde +Giannita droegen naar haar moeders huis. Ze liepen met fakkels en +men kon duidelijk de baar zien, die zij op hun schouders droegen. + +"Terwijl de stoet langzaam over de markt schreed, kon men het +lijkkleed herkennen dat gespreid was over de doode. Het was het +kleed der Alagona's, versierd met het groote wapen en de rijke +zilverfranjes. Maar toen Gaetano dit zag, begreep hij dat de vermoorde +uit het huis der Alagona's zijn moest. + +"Zijn gelaat werd aschgrauw en hij wankelde, alsof hij op het punt +stond te vallen. + +"In dit oogenblik vroeg de rechter hem: + +"Kent ge de vermoorde?" + +En hij antwoordde: "Ja." + +Toen vervolgde de rechter, die een barmhartig mensch was: "Stond ze +u na?" + +En don Gaetano antwoordde: + +"Ik heb haar lief." + +Toen Gandolfo zoo ver met zijn verhaal was gekomen zag men dat +donna Micaela haastig oprees, alsof zij hem wilde tegenspreken, +maar cavaliere Palmeri trok haar vlug naast zich. + +"Stil, stil," zei hij tot haar. + +En ze zat stil met het gelaat tusschen haar handen verborgen. Nu en +dan schokte haar lichaam en jammerde zij zacht. + +Maar Gandolfo verhaalde hoe de rechter, toen don Gaetano dit bekend +had, op zijn medegevangenen gewezen en hem gevraagd had: + +"Indien ge deze vrouw lief hebt, hoe kunt ge dan in eenige gemeenschap +staan met deze menschen, die haar vermoord hebben?" + +Toen had Gaetano zich plotseling tot de bandieten gewend. Hij had zijn +vuist gebald en naar hen opgeheven. En hij had er uitgezien, alsof +hij zich een dolk wenschte om hen één voor één te kunnen neerstooten. + +"Met dezen!" had hij uitgeroepen. "Zou ik in eenige gemeenschap staan +met deze menschen?" + +Zeker had hij willen zeggen, dat hij niets had te maken met roovers +en moordenaars. + +De rechter had mild gelachen en er uitgezien alsof hij slechts op +dit antwoord gewacht had om don Gaetano vrij te spreken. + +Maar toen was er een Godswonder geschied. + +Gandolfo verhaalde hoe tusschen al de gestolen zaken, die op de +tafel lagen, ook een klein Christusbeeld geweest was. Dat was een +el hoog en rijk versierd met ringen en getooid met een gouden kroon +en gouden schoentjes. Juist op dit oogenblik boog een der officieren +zich voorover en trok het beeld naar zich toe. Terwijl hij dit deed, +viel de kroon op den grond en rolde naar don Gaetano. + +Deze nam de Christuskroon, hield die een oogenblik in zijn handen en +beschouwde ze nauwkeurig. Het scheen alsof hij daarop iets gelezen had. + +Hij hield de kroon slechts even in zijn handen, op hetzelfde oogenblik +ontnam de soldaat van de wacht hem die. + +Donna Micaela zag bijna verschrikt op. Het Christusbeeld! Daar was +het dus reeds. Zou zij spoedig antwoord krijgen op haar bede? + +Gandolfo vervolgde: "Maar toen Gaetano nu opkeek, beefden allen als +voor een wonder, want hij was geheel veranderd. + +"O, signori, hij was zoo bleek, dat zijn gelaat scheen te lichten en +zijn oogen waren mild en straalden zacht. + +"En er was geen toorn meer in hem. + +"En hij begon te smeeken voor zijn medegevangenen, hij begon te bidden +voor hun leven. + +"Hij smeekte dat zij deze arme menschen niet zouden dooden. Hij bad, +dat de hooge rechters iets voor hen doen zouden, opdat zij eens konden +leven als andere menschen. "Wij hebben slechts dit leven te leven," +zei hij. "Ons rijk is slechts van deze wereld." + +"Hij begon te verhalen hoe deze menschen geleefd hadden. Hij +sprak alsof hij had kunnen lezen in hun ziel. Hij beschreef hun +levensgeschiedenis zoo somber en ongelukkig, als die werkelijk was. Hij +sprak zoo dat enkelen der hooge heeren weenden. + +"Zijn woorden klonken sterk en machtig, zoodat het was alsof don +Gaetano rechter was en de rechters misdadigers waren. + +"Zie," zei hij tot hen, "wiens schuld is het, dat deze ongelukkige +menschen te gronde gaan? Zijt gij het niet, die de macht bezit, en +hen in uw bescherming moest nemen?" En men zag hoe allen ontstelden +over de verantwoordelijkheid, die hij hun oplegde. + +"Maar plotseling viel de rechter hem in de rede. + +"Spreek tot uw eigen verdediging, Gaetano Alagona," zei hij. "Spreek +niet voor anderen." + +Toen had Gaetano gelachen. "Signor," zei hij, "ik heb niet veel meer +dan gij om mij te verdedigen. Maar ik heb toch iets. Ik heb mijn +werkkring in Engeland verlaten om oproer te maken op Sicilië. Ik +heb wapens meegebracht. Ik heb oproerige taal gesproken. Ik heb iets +ofschoon niet veel." + +De rechter had hem bijna gesmeekt: + +"Spreek zoo niet, don Gaetano. Denk aan hetgeen gij zegt." + +Maar hij had bekentenissen gedaan, die de rechters gedwongen hadden hem +te veroordeelen. Toen men hem zei, dat hij veroordeeld was tot negen +en twintig jaar gevangenisstraf, had hij uitgeroepen: "Nu geschiedt +de wil van haar, wier baar hier zoo juist voorbij gedragen werd. Moge +het mij gaan, zooals zij wilde." + +"En meer zag ik niet van hem," zei de kleine Gandolfo, "want de +soldaten van de wacht namen hem in hun midden en voerden hem weg. + +"Maar ik, die hem hoorde smeeken voor degenen, die zijn liefste +vermoord hadden, deed mij zelf de gelofte, dat ik iets voor hem +doen zou. + +"Ik beloofde een schoone improvisatie over San Sebastiaan te houden, +opdat deze hem zou helpen. Maar dit is mij niet gelukt. Ik ben geen +improvisator, ik kon niet!" + +Hij zweeg en wierp zich luid weenend voor het beeld. "Vergeef mij, +dat ik niet kon," riep hij, "en help hem toch. Ge weet, dat ik deze +gelofte deed toen hij veroordeeld werd. Maar nu heb ik niet kunnen +spreken over u en nu zult ge hem niet helpen." + +Donna Micaela wist nauwelijks hoe het gegaan was, maar zij en de +kleine Rosalie, die Gandolfo liefhad, waren bijna gelijktijdig bij +hem. Ze trokken hem naar zich toe en kusten hem en zeiden, dat niemand +gesproken had als hij, neen niemand. + +Zag hij niet, dat allen weenden? San Sebastiaan was tevreden over +hem. Donna Micaela schoof een ring aan Gandolfo's vinger, rondom hem +wuifde men met veelkleurige zijden doeken, die glinsterden als de +golven der zee in het sterke licht van de domkerk. + +"Viva Gaetano, viva Gandolfo!" riep het volk. + +En het regende bloemen, vruchten, zijden doeken en sieraden op den +kleinen Gandolfo. + +Donna Micaela werd bijna met geweld van hem gerukt. Maar zij dacht +er niet aan bevreesd te zijn. + +Zij stond midden in de golvende menschenmassa te weenen. Tranen +stroomden over haar gelaat en zij weende van vreugde, omdat zij weende. + +Dat was de hoogste zegening. + +Zij wilde weer naar Gandolfo, zij kon hem niet genoeg danken. Hij +had haar immers verteld, dat Gaetano haar liefhad. + +Toen hij deze woorden aanhaalde: + +"De wil geschiede van haar wier baar hier werd voorbijgedragen," +had zij plotseling begrepen, dat Gaetano meende, dat zij het was, +die onder het lijkkleed der Alagona's lag. + +En van de doode had hij gezegd: "Ik heb haar lief." + +Het bloed stroomde opnieuw door haar aderen, haar hart klopte, haar +tranen vloeiden. + +"Dit is het leven, het leven," zei ze tot zich zelf, terwijl zij zich +willoos door de volksmassa meevoeren liet. + +"Het leven is weer tot mij gekomen, ik zal niet sterven." + +Allen wilden naar den kleinen Gandolfo om hem te danken, omdat hij +hun iemand geschonken had om op te hopen, om naar te verlangen, om +lief te hebben in deze dagen van tegenspoed, nu alles verloren scheen. + + + + + + +TWEEDE DEEL. + + + "De Antichrist zal van land tot land + gaan en den armen brood geven." + + +I. + +DE VROUW VAN EEN GROOT MAN. + + +Het was in Februari en de amandelboomen begonnen op het zwarte lavaveld +rondom Diamante te bloeien. + +Cavaliere Palmeri had een tocht op den Etna gemaakt en een grooten +amandeltak vol knoppen en bloemen meegebracht; dezen had hij in een +vaas in de muziekzaal gezet. + +Donna Micaela beschouwde den bloeienden tak. De amandelbloemen waren +dus reeds gekomen! Gedurende een gansche maand, gedurende zes volle +weken zou men ze nu overal vinden. + +Zij zouden op het altaar in de kerk staan, zij zouden liggen op de +graven, en zij zouden in het knoopsgat, op den hoed en in het haar +gedragen worden. + +Zij zouden bloeien langs den weg, op de bergen en ruïnes, en zij +zouden prijken op het zwarte lavaveld. + +En iedere amandelbloem zou haar herinneren aan den dag, toen de +klokken luidden en Gaetano nog vrij en gelukkig was, toen zij droomde +een heel leven met hem te zullen leven. + +Het kwam haar voor, dat zij nooit te voren volkomen begrepen had wat +het wilde zeggen, dat hij gevangen en weg was en dat zij hem nooit +meer zou zien. + +Zij moest gaan zitten om niet te vallen, haar hart scheen op te houden +met kloppen en zij sloot de oogen. + +Terwijl zij daar zoo zat, had ze een visioen. + +Opeens bevindt zij zich thuis in het paleis te Catania. Zij zit in de +hooge vestibule te lezen en zij is een vroolijke jonge dame, signorina +Palmeri. Een bediende voert een reizenden koopman tot haar. 't Is een +jonge, mooie man met een takje amandelbloemen in het knoopsgat, op +het hoofd draagt hij een plank vol heiligenbeeldjes, uit hout gesneden. + +Zij koopt eenige beeldjes van hem, onderwijl verslindt de jonge man +met zijn oogen alle kunstwerken in de vestibule. Zij vraagt hem of +hij hun verzameling wil zien. Ja, dat wil hij gaarne. En zij gaat +zelf met hem mee om hem alles te toonen. En hij is zoo gelukkig door +hetgeen hij ziet, dat zij denkt dat hij een kunstenaar moest worden +en zij doet zich zelf de gelofte, dat zij hem niet zal vergeten. + +Zij vraagt hem waar hij thuis behoort. + +Hij antwoordt: "In Diamante." + +"Is dat ver weg?" + +"Vier uur met den postwagen." + +"En met den trein?" + +"Er bestaat geen spoorweg naar Diamante, signorina." + +"Ge moest er een aanleggen." + +"Wij, wij zijn te arm. Vraag den rijken menschen in Catania of zij +voor ons een spoorweg willen aanleggen." + +Nadat hij dit gezegd had, wil hij gaan, maar in de deur wendt hij +zich om en komt terug om haar zijn amandelbloemen te geven. Dat is +tot dank voor al het schoone, dat zij hem heeft laten zien.-- + +Toen donna Micaela de oogen opende, wist zij niet of zij gedroomd +had of dat zoo iets misschien werkelijk eens gebeurd was. Gaetano +kon immers heel goed eens in het palazzo Palmeri geweest zijn om zijn +beelden te verkoopen, ofschoon zij het vergeten was; maar nu hadden +de amandelbloemen dat voorval weer in haar geheugen geroepen. + +Maar dit was hetzelfde. De hoofdzaak was, dat de jonge houtsnijder +Gaetano was. Het was als had zij met hem gesproken. Zij meende te +hooren hoe de deur achter hem dichtviel. En na dezen droom rijpte het +plan in haar, dat zij een spoorweg moest aanleggen tusschen Catania +en Diamante. + +Gaetano was zeker tot haar gekomen om haar te verzoeken dit te +doen. Het was een bevel van hem en zij voelde, dat zij hem moest +gehoorzamen. Zij deed volstrekt geen poging om zich te verzetten. Zij +was overtuigd dat Diamante meer behoefte had aan een spoorweg dan aan +iets anders. Zij had Gaetano eens hooren zeggen, dat indien Diamante +slechts een spoorweg bezat, zoodat het zijn oranjeappelen, zijn wijn, +honing en amandelen kon vervoeren, en de vreemdelingen het gemakkelijk +konden bereiken, het spoedig een rijke stad zou zijn. + +Zij was ook vast overtuigd, dat zij een spoorweg tot stand zou +kunnen brengen. Zij moest het in elk geval beproeven. Het viel haar +geen oogenblik in, dat zij het kon laten. Als Gaetano het wenschte, +moest zij gehoorzamen. + +Zij dacht er over na hoeveel geld zij zelf daarvoor zou kunnen +afstaan. Maar daarmee zou zij wel niet ver komen. Het eerste, dat +zij doen moest, was trachten geld te krijgen. Nog in hetzelfde uur +was zij bij donna Elisa en riep haar hulp in om een bazaar te regelen. + +Donna Elisa hief haar oogen op van haar borduurwerk. "Waarvoor wilt +ge een bazaar houden?" + +"Ik wil geld verzamelen voor een spoorweg." + +"Dat is juist iets voor u, donna Micaela, daar zou niemand anders +aan gedacht hebben." + +"Hoe, donna Elisa? Wat meent gij?" + +"O niets." + +En donna Elisa ging weer aan haar borduurwerk. + +"Gij wilt mij dus niet helpen met mijn bazaar?" + +"Neen." + +"En gij wilt geen kleine bijdrage daarvoor afstaan?" + +"Zij, die zoo kort geleden haar man verloren heeft," antwoordde donna +Elisa, "moest niet aan dergelijke grapjes denken." + +Donna Micaela begreep, dat donna Elisa boos op haar was om een of +andere reden en dat zij haar daarom niet wilde helpen. + +Maar er zouden wel andere menschen te vinden zijn die begrijpen zouden, +dat dit heerlijke plan Diamante zou redden. + +Maar donna Micaela moest tevergeefs van deur tot deur gaan. En al +sprak en smeekte zij nog zoo veel, zij kreeg geen aanhangers. + +Zij trachtte de menschen te overtuigen, zij wendde al haar +welsprekendheid aan om hun het plan te verklaren. + +Maar er was niemand, die op haar voorstel wilde ingaan. Waar zij kwam, +antwoordde men haar, dat men te arm was, te arm. + +De vrouw van den sindaco wilde niet, dat haar dochters op den +bazaar zouden helpen verkoopen. Don Antonio Greco, de eigenaar +van het marionetten-theater, wilde niet komen met zijn poppen. De +stadsmuzikanten wilden niet spelen. Geen koopman wilde goederen +afstaan. En als donna Micaela heengegaan was, lachte men haar uit. + +Een spoorweg, een spoorweg! Zij wist niet, wat zij wilde. Daarvoor +waren statuten, een maatschappij, aandeelen en een concessie +noodig. Hoe zou een vrouw dat alles kunnen regelen? + +Maar anderen vergenoegden zich niet met donna Micaela uit te lachen, +sommigen werden boos op haar. + +Zij ging naar den donkeren winkel naast het klooster der Benedictijnen, +waar meester Pamphilio zijn ridderromans vertelde. Zij kwam om hem te +vragen of hij op haar bazaar wilde komen om het publiek te onderhouden, +met Karel den Grooten en zijn paladijnen; maar daar hij midden in +een verhaal was, moest zij wachten. + +Toen sloeg zij donna Concetta gade, meester Pamphilio's echtgenoote, +die op de estrade aan zijn voeten zat te breien. + +Zoo lang meester Pamphilio sprak, bewogen donna Concetta's lippen +zich. Zij had zijn romans zoo dikwijls gehoord, dat zij die van +buiten kende en de woorden zei, vóórdat ze over meester Pamphilio's +lippen kwamen. Maar het was voor haar altijd nog hetzelfde genot hem +te hooren verhalen, en zij weende en lachte, zooals zij gedaan had, +toen zij hem voor de eerste maal had hooren vertellen. + +Meester Pamphilio was een oude man, die zeer veel gesproken had in +zijn leven, zoodat zijn stem hem in den steek liet, als hij aan +de groote oorlogstooneelen kwam, die met luide en krachtige stem +verhaald moesten worden. Maar donna Concetta, die iederen roman van +buiten kende, ontnam meester Pamphilio nooit het woord. Zij gaf den +toehoorders een teeken dat zij moesten wachten tot zijn stem terugkwam. + +Als echter zijn geheugen hem ontrouw werd, deed donna Concetta, alsof +ze een steek liet vallen; dan bracht zij haar kous bij de oogen en +daarachter wierp zij hem het woord toe, zoodat niemand het kon merken. + +En allen wisten, dat hoewel donna Concetta de romans misschien mooier +had kunnen verhalen dan meester Pamphilio, zij dat nooit zou willen +doen. Niet slechts omdat dit onpassend was voor een vrouw, maar +ook omdat dit haar nooit zulk een genot kon zijn als haar geliefden +meester Pamphilio te hooren vertellen. + +Toen donna Micaela zoo keek naar donna Concetta, verzonk zij in +droomen. O, zoo te zitten onder de estrade, waar de geliefde spreekt, +zoo daar te zitten dag uit en dag in om hem te aanbidden. Zij wist, +wie dat gaarne zou willen! Maar toen meester Pamphilio zijn verhaal +geëindigd had, ging donna Micaela naar hem toe en verzocht hem of +hij haar wilde helpen. 't Viel hem moeielijk neen te zeggen op de +duizenden smeekbeden, die in haar oogen geschreven stonden. + +Donna Concetta kwam hem te hulp. "Meester Pamphilio," zei zij, +"verhaal donna Micaela van Guglielmo den Slechten." + +En meester Pamphilio vertelde: + +"Donna Micaela, weet ge, dat er eens een koning in Sicilië heerschte, +die Guglielmo de Slechte heette? + +"Hij was zoo gierig, dat hij zijn onderdanen al hun geld ontnam. Hij +beval dat allen die gouden munten bezaten, hem die moesten afstaan. En +hij was zoo slecht, dat allen hem moesten gehoorzamen. + +"Nu, donna Micaela, wilde Guglielmo de Slechte weten of iemand nog +gouden munten in zijn huis verborgen had. En daarom zond hij een +zijner dienaren met een schoon paard door de corso in Palermo. En de +man bood het paard te koop aan en riep luid: + +"Te koop voor een gouden munt! te koop voor een gouden munt!" + +"Maar er was niemand, die het paard kon koopen. + +"Doch het was een zeer schoon paard en een jonge heer in Palermo, +de hertog Montefiascone, was opgetogen daarover. + +"Er bestaat voor mij geen vreugde op deze aarde meer indien ik dit +paard niet kan koopen," zei hij tot zijn hofmeester. + +"Signor duca," antwoordde de hofmeester, "ik kan u zeggen, waar gij +een gouden munt kunt vinden. Toen uw heer vader stierf en door de +Kapucijners werd weggehaald, legde ik volgens oud gebruik een gouden +munt in zijn mond. Die kunt ge immers nemen, signor." + +"Want ge moet weten, donna Micaela, dat men in Palermo zijn dooden +niet in den grond begraaft. Men brengt hen naar het klooster der +Kapucijnen, waar de monniken hen in hun grafkamers hangen. + +"O, hoe velen hangen daar! Zoo vele dames gekleed in zijde en satijn, +zoo vele hooge heeren met ridderorden op hun uniform, en zoo vele +priesters met pij en kalotje op het doodshoofd en over het geraamte. + +"De jonge hertog volgde den raad. Hij begaf zich naar het klooster +der Kapucijnen en nam de gouden munt uit zijns vaders mond en kocht +het paard daarvoor. + +"Maar gij begrijpt, dat de koning slechts zijn dienaar met het paard +uitgezonden had om te weten te komen of nog iemand geld bezat. En nu +werd de hertog voor den koning gevoerd. + +"Hoe komt het, dat gij nog eene gouden munt bezit?" zei Guglielmo +de Slechte. + +"Sire, die was niet van mij, maar van mijn vader." En hij verhaalde +vanwaar hij de munt gekregen had. + +"'t Is waar ook," zei de koning. "Ik had vergeten, dat de dooden nog +geld bezitten." + +"En hij zond zijn dienaar naar de Kapucijners om alle munten uit den +mond der dooden te nemen." + +Hier eindigde de oude meester Pamphilio zijn verhaal. En nu wendde +donna Concetta zich met van toorn fonkelende oogen naar donna Micaela. + +"Gij zijt het die met het paard uitgaat," zei zij. + +"Ben ik dat? ik?" + +"Ja, gij donna Micaela. Nu zal de regeering zeggen: "Zij leggen een +spoorweg aan in Diamante. De menschen daar zijn dus rijk." En men +zal onze belastingen verhoogen. En God weet, dat wij de belastingen, +die ons reeds zijn opgelegd, niet kunnen betalen, zelfs indien wij +onze voorvaderen plunderden." + +Donna Micaela wilde haar kalmeeren. + +"Zij hebben u uitgezonden om te vernemen of wij nog geld bezitten. Gij +zijt een spion der rijken, gij wordt betaald door de regeering. Die +bloedzuigers in Rome hebben u betaald." + +Donna Micaela wendde zich van haar af. + +"Ik kwam om met u te spreken, meester Pamphilio," zei zij tot den +grijsaard. + +"Maar ik ben het, die u antwoorden zal," viel donna Concetta haar in +de reden, "want het is een onaangename zaak, en die moet ik op mij +nemen. Ik weet, wat de vrouw van een groot man past, donna Micaela." + +Donna Concetta zweeg, want de voorname dame keek haar aan met een blik, +zoo vol afgunstig verlangen, dat zij medelijden met haar gevoelde. God +ja, er bestond ook verschil tusschen mannen, don Ferrante of meester +Pamphilio! + + + + + + +II. + +PANEM ET CIRCENSES. + + +In Diamante wijst men den vreemdelingen twee paleizen, die op het +punt staan tot ruïnes te vervallen, zonder ooit voltooid geweest te +zijn. Zij hebben groote vensteropeningen zonder ramen, hooge muren +zonder dak en groote poorten, die met planken en stroo gesloten zijn. + +Die twee paleizen liggen tegenover elkaar aan beide zijden der straat, +beide even onvoltooid en even vervallen. Rondom hen staan geen andere +gebouwen en geen mensch kan er in komen. Zij schijnen slechts gebouwd +te zijn voor de duiven. Hoor nu, wat men daarvan vertelt: + +Wat is een vrouw, o signori? Haar voet is zoo klein, dat zij over de +wereld gaat zonder een spoor achter te laten. Voor den man is zij +gelijk zijn schaduw. Zij heeft hem gevolgd gedurende zijn gansche +leven, zonder dat hij haar opgemerkt heeft. + +Men kan niet veel verlangen van een vrouw. Zij moet immers den geheelen +dag opgesloten zitten als een gevangene. Zij kan niet eens leeren +een minnebrief goed te spellen. Zij kan niets tot stand brengen, +dat duurzaamheid bezit. + +Als zij gestorven is, valt er niets op haar grafsteen te +vermelden. Alle vrouwen zijn van gelijke hoogte. + +Maar eens kwam in Diamante een vrouw, die zoo hoog boven alle andere +uitstak, als de honderdjarige palm zich verheft boven het grasveld. + +Zij bezat lira bij duizenden en kon die wegschenken of behouden, +gelijk zij verkoos. Zij ging voor niemand uit den weg. Zij vreesde +niet gehaat te worden. Zij was het grootste wonder, dat de oogen ooit +aanschouwd hadden. + +'t Spreekt immers vanzelf dat zij geen Siciliaansche vrouw was. Zij was +een Engelsche. En het eerste, dat zij deed toen zij in Diamante kwam, +was de geheele eerste verdieping van het hotel alleen voor haar zelf +te huren. Wat was dat voor haar? Gansch Diamante was haar niet groot +genoeg. Maar zoodra zij daar was, begon zij over de stad te heerschen +als een koningin. + +De sindaco moest haar gehoorzamen. Was zij het niet, die hem dwong +steenen banken op de markt te plaatsen? Was het niet op haar bevel, +dat de straten der stad iederen dag geveegd werden? + +Als zij 's morgens ontwaakte, stonden alle jonge mannen van Diamante +voor haar deur te wachten om haar te vergezellen op een uitstapje. Zij +hadden de schoenmakersleest en de schaafbank verlaten om haar als +gids te dienen. Zij hadden hun moeders zijden kleed verkocht om een +dameszadel voor hun ezel te koopen, waarop zij kon rijden naar het +kasteel of naar 'Tre Castagni. Zij hadden zich ontdaan van huis en +haard om een paard en wagen te koopen, opdat zij haar naar Randozzo +of Nicolosi konden rijden. + +En allen waren zij haar slaven. De kinderen begonnen in het Engelsch +te bedelen en de blinde vrouwtjes bij de hotelpoort, donna Pepa en +donna Tura, drapeerden zich in witte doeken om haar te behagen! + +Alles bewoog zich om haar; handwerk en nijverheid bloeiden +op rondom haar. Zij, die niets anders doen konden, groeven in +den grond naar munten en leemen kruiken om haar die te kunnen +aanbieden. Photografen vestigden zich in de stad en begonnen voor +haar te werken. Koraalhandelaars en kooplieden in schildpad schoten +rondom haar op uit de aarde. De priesters van Santa Agnese groeven +om harentwille het oude Dionysius-theater op dat achter hun kerk +lag. En elk die een vervallen villa bezat, groef uit de duisternis +der kelders overblijfselen op van een mozaïekvloer en noodigde haar +uit deze te komen zien. + +Wel waren er ook vroeger vreemdelingen geweest in Diamante, maar zij +waren gekomen en gegaan en niemand had zulk een macht bezeten als +zij. Spoedig was er geen enkele man in de stad, die niet al zijn hoop +op de Engelsche signorina vestigde. + +Haar gelukte het zelfs een weinig leven te brengen in Ugo Favara. Gij +weet wel, Ugo Favara, den advocaat, die eens een groot man beloofde te +worden, maar tegenspoed had en thuis kwam als een gebroken man. Zij +gebruikte hem om haar zaken te beheeren. Zij had hem noodig en zij +nam hem. + +Er is nooit een vrouw in Diamante geweest, die zulke zaken deed als +zij. Zij breidde zich uit gelijk de brem in de lente. Den eenen dag +weet nog niemand, dat zij er is en den volgenden dag is zij reeds +een groote struik. Spoedig wist men niet waarheen men zou gaan in +Diamante om niet op de velden der Engelsche signorina te loopen. Ze +kocht landgoederen en huizen in de stad, zij kocht amandelbosschen +en lavastroomen. De schoone plekjes, vanwaar men uitzicht genoot op +den Etna, waren haar eigendom en eveneens de drassige grond van het +dal. En in de stad begon zij twee groote paleizen te bouwen. 't Was +daarin, dat zij wonen en over haar koninkrijk heerschen wilde. + +Nooit zal men weer een vrouw als zij vinden. + +Dat alles was haar nog niet genoeg. Zij wilde ook den strijd aanbinden +tegen de armoede. O, signori, tegen de Siciliaansche armoede! Wat +gaf zij niet iederen dag weg! en wat deelde zij niet uit op feestdagen! + +Wagens, getrokken door twee paar ossen, gingen naar Catania en +kwamen terug hoog beladen met allerlei kleedingstukken. Zij had zich +voorgenomen dat een ieder heele kleeren zou dragen in de stad, waar +zij regeerde. + +Maar hoor nu, hoe het haar ging, hoe het eindigde met den strijd +tegen de armoede, met het koninkrijk en de paleizen. + +Zij gaf een feestmaal aan de armen in Diamante en na den maaltijd +een tooneelspel in het Grieksche theater. Dat was hetgeen een der +oude keizers gedaan zou hebben. + +Maar wie heeft ooit gehoord, dat een vrouw op dergelijke gedachten +kwam! + +Zij noodigde alle armen uit. Daar waren de twee blinde vrouwen van +de hotelpoort en de oude Assunta van de domtrap. Daar was de man van +het postkantoor die zijn kin bedekt had met een rooden doek om zijn +gelaatskanker te verbergen en dan was er de idioot, die de ijzeren +deuren van het Grieksche theater openschuift. + +Alle ezeldrijvers waren er, ook de beide broeders zonder handen, +die in hun jeugd een bom hadden laten ontploffen en toen alle vingers +hadden verloren; en dan was er de invalide met het houten been en de +oude stoelenmatter, die te oud was geworden om te werken. + +Het was wonderlijk hen allen uit hun holen te voorschijn te zien +kruipen, al deze armen van Diamante. Oude vrouwtjes die haar gansche +leven hadden zitten spinnen in donkere steegjes, waren op 't feest +en ook de positiefspeler, die een instrument heeft, zoo groot als +een kerkorgel, en een jonge, rondtrekkende mandolinista van Napels, +met zijn hoofd vol alle mogelijke dolle streken. Al de ooglijders +en ouden van dagen, die geen dak boven hun hoofd hadden, en zij die +wortelen aan den wegkant zochten voor het middagmaal, de steenhouwer +die een lire per dag verdiende en zes kinderen had om te verzorgen, +allen waren zij uitgenoodigd en aanwezig op het feest. + +De armoede zond haar troepen uit tegen de Engelsche signorina. Wie +bezit zulk een leger als de armoede? Maar eens gelukte het de Engelsche +signorina haar te overwinnen. + +Zij had ook iets om mee te strijden en te overwinnen. De geheele markt +stond vol gedekte tafels. En zij had wijnvaten laten stapelen langs +de steenen bank, die langs den geheelen muur der domkerk loopt. Zij +had het uitgestorven nonnenklooster herschapen in een provisiekamer en +keuken. Ze had de geheele vreemdelingenkolonie in Diamante, gekleed in +witte boezelaars, om de spijzen rond te deelen. En als toeschouwers bij +haar feestmaal had zij heel Diamante dat pleegt zich verzadigd te eten. + +Toeschouwers! wie had zij niet tot toeschouwers! Den grooten Etna, +de stralende zon, den rooden berg en den ouden Vulcanitempel, die nu +aan San Pasquale gewijd was. + +En geen van alle had nog ooit een verzadigd Diamante aanschouwd. Geen +van hen alle had er vóór dit oogenblik aan gedacht hoezeer het +hun eigen schoonheid zou verhoogen, indien men hen kon beschouwen, +zonder dat de honger den menschen in de ooren siste en hen op de +hielen volgde. + +Maar let nu op één ding! Hoe merkwaardig en groot deze signorina +ook was, schoon was zij niet. En trots al de macht, die zij bezat, +was zij niet vriendelijk of innemend. Zij regeerde niet met scherts, +zij beloonde niet met een glimlach. Zij had een zwaar, plomp lichaam +en een zwaar, plomp gemoed. + +Maar dezen dag, dat zij eten gaf aan al de armen, werd zij een geheel +ander mensch. + +Er woont een ridderlijk volk op het eiland Sicilië. Van al deze armen +liet geen enkele haar voelen, dat zij liefdadigheid uitoefende. Zij +aanbaden haar, maar zij aanbaden haar als vrouw. Zij namen plaats +aan haar tafel als bij een gelijke. Zij behandelden haar, zooals een +gastvrouw door haar gasten behandeld wordt. Heden doe ik u de eer +bij u te komen, morgen doet ge mij de eer bij mij te komen. Zoo en +niets anders was het! + +Zij stond op de hooge trap van het raadhuis en zag neer op de +menigte. En toen men het glas volschonk van den ouden stoelenmatter, +die aan 't boveneinde der tafel zat, richtte hij zich op, boog voor +haar en zei: + +"Ik drink op uw welzijn, signorina." + +Zoo deden allen. Zij legden de hand op het hart en bogen voor +haar. Het was misschien goed voor haar geweest, indien zij zulk een +ridderlijkheid vroeger in haar leven ontmoet had. Waarom hadden de +mannen in haar vaderland haar doen vergeten, dat de vrouwen bestaan +om te worden aangebeden? + +Hier zagen allen er uit of ze gloeiden van een stille vereering. Zoo +worden de vrouwen behandeld op het edele eiland. Wat gaven zij haar +niet terug voor de spijzen en den wijn, die zij hun schonk! Zij gaven +haar en jeugd en vroolijkheid, en de eer om navolgenswaardig te zijn. + +Ze hielden toespraken tot haar. + +"Edele signorina, gij die over de wijde zee gekomen zijt, gij die +Sicilië bemint"--en zoo voort, en zoo voort. + +En zij toonde, dat zij kon blozen, zij schaamde zich niet langer, +dat zij glimlachen kon. + +Toen zij gesproken hadden, begon het te beven om den mond der +Engelsche signorina. Zij werd twintig jaar jonger. Dat was hetgeen +zij noodig had. + +Op het feest was ook de ezeldrijver, die de Engelsche dames naar +Tre Castagni pleegt te geleiden, en die altijd verliefd op haar +was, vóórdat hij van haar scheidde. Nu viel zijn oog op de groote +weldoenster. + +Niet alleen een slank, fijn lichaam en een zachte gelaatstint zijn +waard aangebeden te worden, maar ook sterkte en kracht. + +De ezeldrijver liet plotseling mes en vork vallen, leunde met +de ellebogen op de tafel en bleef zoo zitten om naar haar te +kijken. En gelijk hij, deden al de andere ezeldrijvers. Het ging +als een besmetting rond. Het werd rondom de Engelsche signorina +heet van gloeiende blikken. Het waren niet alleen de armen die haar +aanbaden. De advocaat Ugo Favara kwam bij haar en fluisterde haar in +het oor, dat zij een voorzienigheid was voor zijn arm land en voor hem. + +"Indien ik slechts vroeger een vrouw gelijk u getroffen had," zei hij. + +"Denk u een ouden vogel, die lange jaren in een kooi was opgesloten +en ruig geworden is en den glans zijner veeren verloren heeft. En +plotseling komt er iemand, die hem streelt en den glans opnieuw te +voorschijn roept. Stel u dat voor, signorina!" + +En dan was er ook die knaap van Napels. Hij haalde zijn mandoline te +voorschijn en begon te zingen. Gij weet, hoe hij pleegt te zingen, +hoe hij gewoonlijk zijn grooten mond vertrekt en leelijke woorden +zegt. Dikwijls gelijkt hij op een spottend masker. Maar hebt gij +gezien dat hij een engel in zijn oogen heeft? + +Een engel, die schijnt te weenen over zijn val en vervuld is van een +goddelijken waanzin. En dezen avond was hij slechts engel. Hij hief het +hoofd op als een door God geïnspireerde dichter, zijn gebogen lichaam +werd veerkrachtig en richtte zich op in trotsche levensvreugde. Er +kwam kleur op zijn doodsbleeke wangen. En hij zong, hij zong, zoo dat +men de tonen als vuurvliegen van zijn lippen zag zweven om de lucht +met hun gejubel en gedans te vervullen. + +Toen het nacht werd trokken allen naar het Grieksche theater. Dat +was het glanspunt van het feest. En wat had de gastvrouw daar haar +gasten aan te bieden? + +Daar was de Russische zangeres en de Duitsche variété-kunstenaar, +de Engelsche clowns en de Amerikaansche goochelaar. Maar wat was dit +alles vergeleken met den zilverwitten maneschijn, met de plaats en al +haar herinneringen! Het was alsof de armen zich voelden als Grieken +en cultuurdragers, toen zij zich neervlijden op de rotsbanken van hun +eigen oud theater, en tusschen de bouwvallige zuilen van het tooneel +het schoone panorama aanschouwden. + +De armen zijn niet spaarzaam, ze deelen mild van de vreugde, die ze +krijgen. Ze waren niet zuinig met de toejuichingen, ze waren uitbundig +in hun handgeklap. Zij die op het tooneel optraden, vertrokken met +een schat van lof. + +Toen spoorde iemand de Engelsche signorina aan om ook op te treden. Al +deze vereering gold immers haar. Zij moest eens oog in oog met haar +gasten staan. En zij zeiden haar hoe bijval bedwelmt, hoe die vervoert +en bezielt. + +Dit voorstel behaagde haar, en zij volgde dezen raad onmiddellijk. + +Zij had in haar jeugd dikwijls gezongen en de Engelschen zijn nooit +afkeerig om te zingen. Anders zou zij het zeker niet gedaan hebben, +maar nu was zij goed geluimd, en nu wilde zij zingen voor hen, die +haar liefhadden. + +Zij trad het laatst van allen op. + +Stel u nu eens voor wat het is op zulk een oud tooneel op te +treden! Daar was het dat Antigone levend begraven was en Iphegenie +geofferd had. Maar de Engelsche signorina trad slechts op om gehuldigd +te worden. + +Een storm van bijval barstte los, zoodra zij zich vertoonde. Men +wilde den grond verpletteren om haar te huldigen. + +Het was een trotsch oogenblik. Zij stond daar met den Etna tot +achtergrond en de Middellandsche zee tot zijcoulisse. Voor haar op +de met mos begroeide banken strekte zich de overwonnen armoede uit +en zij voelde, dat geheel Diamante aan haar voeten lag. + +Ze koos Bellini, hun eigen Bellini. Zij ook wilde beminnelijk zijn +en daarom zong zij een lied van Bellini, die geboren is aan den voet +van den Etna, Bellini, dien zij vanbuiten kenden, noot voor noot. + +Natuurlijk, o signora, natuurlijk kon zij niet zingen. Zij was alleen +op het tooneel gekomen om zich te laten huldigen. Zij was opgetreden, +opdat de volksliefde zich uiten kon. Maar nu zong zij valsch en +zwak. En de menschen kenden elken toon. + +Het was de mandolinista van Napels, die het eerst met zijn geheele +gezicht lachte en een toon nazong even valsch als de Engelsche +signorina. Later was het de man met kanker in 't gezicht, die zoo +lachte, dat zijn verband afviel. Daarna begon een ezeldrijver in de +handen te klappen, en volgden de anderen zijn voorbeeld. Het was een +krankzinnige daad maar dat begrepen zij niet. + +Men kon toch op den grond der oude Grieken geen barbaren dulden, +die valsch zingen. + +Donna Pepa en donna Tura lachten, zooals zij nog nooit in haar leven +gedaan hadden. + +Geen enkele zuivere toon! Bij de Madonna en San Pasquale, geen enkele +zuivere toon! + +Ééns in hun leven waren zij verzadigd. Het stond nu eenmaal geschreven, +dat er waanzin en razernij over hen zou zijn dien avond. En waarom +zouden zij niet lachen? Men had hun toch zeker geen eten gegeven om +hun ooren te pijnigen met vijl en zaag? + +Mochten zij zich niet verdedigen door te lachen, moesten zij haar niet +nadoen, sissen en fluiten? Mochten zij zich niet achteroverwerpen om +in een daverend gelach uit te barsten? + +Ze waren toch zeker geen slaven der Engelsche signorina! + +Het kwam overweldigend voor haar. 't Kwam al te overweldigend +onverwacht, dan dat zij het zou kunnen begrijpen. + +Floten zij haar uit? Het was zeker om iets daar beneden, om iets dat +zij niet zien kon. + +Zij zong de aria ten einde. Zij was overtuigd, dat dit lachen iets was, +dat haar niet aanging. + +Toen zij eindigde, stortte er een stroom van twijfelachtigen bijval +op haar neer. Die was zóó, dat zij eindelijk alles begreep. Fakkels +en maneschijn verlichtten den nacht, zoodat zij de menschenmassa kon +zien schudden van 't lachen. + +Zij hoorde den hoon en spot, nu zij niet meer zong. Die gold haar. Toen +vluchtte zij van het tooneel, en het was alsof de groote Etna schudde +van 't lachen en de zee glinsterde van pret. + +Maar het werd al erger en erger. Ze hadden zoo gelachen, de armen, zoo +gelachen als nooit tevoren, en zij wilden haar nog éénmaal hooren. Zij +riepen haar terug. "Bravo! Bis! Da capo!" Zulk een genoegen konden +zij zich niet laten ontgaan. + +En zij, de Engelsche signorina, zij was bijna bewusteloos. + +Een storm verhief zich rondom haar. Het volk schreeuwde, brulde om +haar te dwingen weer op het tooneel te verschijnen. Zij zag hoe zij +de armen ophieven om haar te dreigen; opeens was het tooneel veranderd +in een oud circus, zij werd naar binnen gesleurd om door wilde dieren +verslonden te worden. + +En de razernij steeg en steeg. De anderen, die opgetreden waren, +werden bevreesd en smeekten haar toe te geven. En zij zelf werd ook +bang, het was alsof men haar wilde vermoorden, indien zij niet toegaf. + +Zij sleepte zich naar het tooneel en stond oog in oog met de tierende +volksmassa. Voor haar was er geen verschooning. Zij moest zingen, +omdat allen lachen wilden. Dat was het ergste. Zij zong, omdat zij +bang was voor hen en niet den moed had het hun te weigeren. Zij was +een weerlooze vreemdelinge en zij had niemand, die haar beschermde +en zij was bang. + +En zij lachten en lachten! + +Gedurende de geheele aria hoorde men niets anders dan geschreeuw, +gesis, gelach en gefluit. Niemand had medelijden met haar. Het was +misschien de eerste maal in haar leven, dat zij voelde, dat zij +behoefte had aan iemand, die barmhartig jegens haar was.... + +Den volgenden dag wilde zij vertrekken. Zij kon het niet langer +uithouden in Diamante. Maar toen zij dit zeide tegen advocaat Favara, +bezwoer hij haar om zijnentwille te blijven en hij vroeg haar zijn +vrouw te worden. + +Hij had het rechte oogenblik gekozen. Zij nam zijn aanzoek aan en +trouwde met hem. + +Maar na dien tijd bouwde zij niet meer aan haar paleizen, zij streed +niet meer tegen de armoede, zij wilde niet meer koningin van Diamante +zijn. + +Zoudt gij het willen gelooven? Zij vertoonde zich nooit meer op straat, +maar leefde binnenshuis als een Siciliaansche. + +Haar klein huis lag verborgen achter een hooge schutting en van haar +zelf merkte men niets. + +Men wist slechts, dat zij geheel was veranderd; maar men wist niet +of zij gelukkig of ongelukkig was, en of zij zich opsloot omdat zij +de menschen haatte, dan of zij wilde zijn zooals een Siciliaansche +huisvrouw behoort te zijn. + +Maar eindigt het op deze wijze niet altijd met vrouwen? Als zij +paleizen bouwen, komen zij nooit klaar. Vrouwen kunnen niets tot +stand brengen, dat duurzaamheid bezit. + + + + + + +III. + +DE VERWORPELING. + + +Toen donna Micaela hoorde hoe de armen miss Tottenham uitgelachen +hadden, haastte zij zich naar het hotel om haar leedwezen daarover +te betuigen. + +Zij wilde miss Tottenham smeeken deze stakkers niet te beoordeelen +naar hetgeen zij gedaan hadden, toen zij opgewonden waren van vreugde +en wijn. Zij wilde haar smeeken toch niet haar hand af te trekken van +Diamante. Zelf hield zij niet veel van miss Tottenham, maar terwille +van de armen----Zij wilde al het mogelijke doen om haar over te halen +te blijven. + +Toen zij naar het hotel Etna ging, zag zij dat de geheele straat vol +reiswagens stond. Er was dus geen hoop meer. De groote weldoenster +zou vertrekken. + +In het hotel heerschte veel droefheid en berouw. De twee blinden, +donna Pepa en donna Tura, die vroeger altijd op de binnenplaats van +het hotel zaten, waren nu buitengesloten en lagen op haar knieën voor +de poort. En de jonge ezeldrijver, die verliefd was op alle Engelsche +signorina's, stond met zijn gezicht tegen den muur te weenen. + +Maar in het hotel liep de waard op en neer in de lange gang en hij +was vertoornd op de Voorzienigheid, die hem dit ongeluk toevoegde. + +"Signor Dio," mompelde hij, "ik ben geruïneerd. Als gij dit laat +geschieden, neem ik mijn vrouw bij de hand en mijn kinderen op den +arm en werp mij in den Etna." + +De waardin was zeer bleek en ootmoedig. Zij waagde het nauwelijks +haar oogen van den grond op te heffen. Zij had wel op haar knieën +willen kruipen om de rijke signorina te bewegen toch te blijven. + +"Wilt ge met haar spreken, donna Micaela?" zei ze. "Moge God u kracht +schenken om met haar te spreken! Ach, zeg haar, dat die knaap van +Napels, die de schuld is van het geheele ongeluk, reeds uit de stad +verbannen is. Zeg haar, dat allen boete willen doen. O, spreek met +haar, signora!" + +Zij voerde donna Micaela naar de ontvangkamer der Engelsche en ging +met haar kaartje naar het salon. Zij kwam dadelijk terug en verzocht +donna Micaela een paar minuten te willen wachten. Signorina Tottenham +sprak met signor Favara over zaken. + +Maar dit was juist het oogenblik dat advocaat Favara aanzoek deed om +de hand van miss Tottenham, en terwijl donna Micaela wachtte, hoorde +zij hem duidelijk zeggen: "Gij moogt niet vertrekken, signorina! Wat +zal er van mij worden, indien gij vertrekt! Ik heb u lief, ik kan +u niet laten vertrekken. Ik zou het niet gewaagd hebben te spreken, +indien ge niet gedreigd hadt te vertrekken. Maar nu------" Hier daalde +zijn stem, maar donna Micaela wilde niets meer hooren, zij verwijderde +zich snel. Zij begreep dat zij hier overbodig was. Indien het signor +Favara niet gelukte de groote weldoenster in Diamante te doen blijven, +zou niemand dat kunnen. + +Toen zij weer door de poort ging, stond de waard te twisten met den +ouden Franciscaner, fra Felice. En hij was zoo opgewonden, dat hij +niet slechts twistte met fra Felice, maar hem ook uit zijn huis joeg. + +"Fra Felice," riep hij, "gij komt hier om ruzie te maken met de groote +weldoenster. Gij wilt haar nog meer opwinden. + +"Ga weg, zeg ik u. Gij wolf, gij menscheneter, ga weg!" + +Fra Felice was even vertoornd als de waard, en wilde hem op zij +duwen. Maar toen nam deze hem bij den arm en zette hem de deur uit. + +Fra Felice was een man, die een groote gave van zijn Schepper had +ontvangen. Op Sicilië, waar iedereen in de loterij speelt, worden +menschen gevonden, die de gave bezitten te voorspellen welke nummers +bij de volgende trekking uit zullen komen. Degene, die de gave der +helderziendheid ontvangen heeft, wordt polacco genoemd, en men vindt +hen het meest onder de oude bedelmonniken. En zulk een monnik was fra +Felice. Hij was de grootste polacco van den Etna. En daar een ieder +gaarne wilde, dat hij hem zou zeggen op welk lot een prijs zou vallen, +werd fra Felice met veel eerbied behandeld. Hij was niet gewoon, +dat men hem bij den arm nam en op straat zette; neen, dat was fra +Felice zeker niet gewoon. + +Hij was ongeveer tachtig jaar en geheel verdroogd en +verschrompeld. Toen hij tusschen de wagens wankelde, struikelde hij, +trapte op zijn pij en stond op het punt te vallen. Maar geen van +de ezeldrijvers of koetsiers, die bij de poort stonden te klagen, +hadden heden tijd om aan fra Felice te denken. + +De grijsaard waggelde heen en weer in zijn wijde duffel pij. Hij +was zoo klein en mager, dat er meer kracht in de pij dan in den +monnik scheen te zijn. Het leek alsof de pij den ouden fra Felice +staande hield. + +Donna Micaela ging naar hem toe en schoof zacht den arm van den +grijsaard in den hare. Zij kon het niet aanzien, dat hij stiet tegen +een lantaarn en struikelde over een drempel. Maar fra Felice merkte +niet eens dat zij hem steunde. Hij liep daar in zich zelf te mompelen +en te vloeken en meende dat hij even eenzaam was, alsof hij in zijn +cel zat. Donna Micaela vond het vreemd dat fra Felice zoo vertoornd +was op miss Tottenham. Was zij in zijn klooster geweest en had zij +fresco's van de wanden gehaald, of wat had zij anders gedaan? + +Want fra Felice had gedurende zestig jaar gewoond in het groote +Franciscanerklooster, dat buiten de porta Etnea ligt, vlak naast de +kerk van San Pasquale. + +Daar had fra Felice reeds dertig jaar gewoond, toen het klooster +opgeheven en aan een koopman verkocht werd. + +De andere monniken vertrokken, maar fra Felice bleef, omdat hij +niet kon begrijpen, wat het wil zeggen het huis van San Franciscus +te verkoopen. + +Indien de anderen vertrokken, scheen het fra Felice nog des te +noodzakelijker, dat ten minste één monnik in het klooster bleef. + +Wie zou anders zorgen voor het luiden der klokken of het bereiden +der geneesmiddelen voor de boerenvrouwen, of wie zou brood geven aan +de armen van het klooster? En fra Felice koos zich een cel in een +verborgen hoekje en bleef in het klooster wonen, zooals hij altijd +gedaan had. + +De koopman, die het klooster gekocht had, kwam er nooit. Hij bekommerde +zich niet om het oude klooster, hij had het slechts gekocht om de +groote wijngaarden, die er bij behoorden. + +Zoo kwam het dat fra Felice nog steeds regeerde in het oude klooster +en hij was het die de gebroken vensterkozijnen herstelde en de muren +witte. Even vele armen als vroeger die brood van het klooster kregen, +ontvingen dat nog steeds. Voor zijn voorspellingsgave kreeg fra Felice +zulke groote aalmoezen, als hij zwierf door de Etnasteden, dat hij een +rijke man had kunnen zijn; maar hij besteedde alles voor het klooster. + +Nog grooter zorg had fra Felice voor de kloosterkerk. Die was in +oorlogstijd ontheiligd geworden door bloedigen strijd en andere +wandaden, zoodat de mis niet meer daarin gelezen mocht worden. + +Maar ook dat kon fra Felice niet begrijpen. De kerk waar hij zijn +gelofte had afgelegd, was altijd even heilig voor den ouden monnik. + +Het was zijn grootste verdriet, dat de kerk in verval geraakte. Hij had +moeten aanzien dat Engelschen het preekgestoelte, de koorstoelen en het +pulpitum kochten en wegvoerden. En hij had niet kunnen verhinderen, +dat de heeren van het museum te Palermo de kronen, schilderijen +en hostiekelken wegnamen. Hoezeer hij het ook gewenscht had, hij +had niets kunnen doen om zijn kerk te redden. Maar hij haatte deze +kerkplunderaars, en toen donna Micaela hem nu zoo toornig zag, geloofde +zij dat miss Tottenham eenige van zijn schatten had willen wegnemen. + +Maar de waarheid was, dat nu fra Felice's kerk zoo leeg was, dat +niemand meer kon komen om te plunderen, hij begonnen was er over +te denken, die opnieuw te versieren en zijn oog was gevallen op de +verzameling heiligenbeelden die de rijke Engelsche dame bezat. + +Op haar feest, toen zij goed en mild jegens allen was, had hij gewaagd +haar te verzoeken om haar schoone Madonna, die een kleed van satijn +droeg en oogen had, die straalden gelijk de zon. En zij had zijn +verzoek toegestaan. + +Dezen morgen had fra Felice zijn kerk geveegd en gestoft en bloemen +op het altaar gezet vóórdat hij het beeld ging halen. + +Maar toen hij in het hotel kwam, was de Engelsche van gedachten +veranderd en zij had hem het kostbare Madonnabeeld niet willen +geven. Daarvoor in plaats had zij hem een klein vuil, in lompen +gehuld beeld van het Christuskind geschonken, waar zij zonder spijt +van scheiden kon. + +Ach! de oude fra Felice was zoo vol vreugde en verwachting geweest en +nu was hij zoo teleurgesteld. Hij kon niet berusten in haar besluit, +maar was keer op keer teruggekomen om te bedelen om het andere beeld. + +Het was zoo kostbaar, dat hij het niet zou kunnen koopen voor alles +wat hij gedurende een geheel jaar bijeen bedelde. + +Ten slotte had de groote weldoenster hem laten wegjagen; het was op +dit oogenblik dat donna Micaela hem gevonden had. + +Terwijl zij door de straat liepen, begon zij met den grijsaard te +spreken en hem over te halen haar zijn verdriet te vertellen. + +Hij droeg het beeld en midden op de straat bleef hij staan om het haar +te toonen en haar te vragen of zij ooit iets erbarmelijkers had gezien. + +Donna Micaela zag een oogenblik ontsteld naar het beeld. Toen +glimlachte zij en zei: "Leen mij het beeld een paar dagen, fra Felice." + +"Gij moogt het gaarne behouden," zei de grijsaard. "Moge het mij +nooit weer onder de oogen komen." + +Donna Micaela nam het beeld met zich mede naar huis en werkte er +aan, gedurende twee dagen. Toen zij het daarna zond naar fra Felice, +glinsterden de gepoetste sieraden, het droeg een nieuw, helder kleedje, +het was opnieuw geschilderd en in zijn kroon schitterden veelkleurige +steenen. + +Hij was zoo schoon, de verworpeling, dat fra Felice hem op het leege +hoogaltaar van zijn kerk plaatste. + + + +Het was zeer vroeg in den morgen. De zon was nog niet opgegaan +en de zee was nauwelijks zichtbaar. Het was werkelijk nog zeer +vroeg. De katten slopen nog over de daken, geen rook steeg op uit de +schoorsteenen en de nevels schoven op elkaar en stapelden zich opeen +boven den bodem van het dal, rondom den steilen Monte Chiaro. In +dezen vroegen ochtend ijlde de oude fra Felice naar de stad. + +Hij sprong zoo, dat hij meende te voelen, hoe de berg onder hem +schudde. Hij liep zoo haastig, dat de grashalmen aan den weg niet eens +dauw konden sprenkelen op zijn pij, zóó vlug, dat de schorpioenen +niet eens hun giftangel uit konden steken om hem te wonden. Terwijl +de grijsaard zoo sprong, woei zijn pij los om hem heen en hing het +koord ongebonden op zijn rug. + +De wijde mouwen fladderden gelijk vleugels en de zware capuchon +danste op en neer op zijn rug, als wilde die hem tot nog grooter +haast aansporen. + +De man in het tolkantoor, die nog zat te slapen, ontwaakte en wreef +zich de oogen uit, toen fra Felice voorbijsnelde, maar hij herkende +hem niet. + +De straatsteenen waren glibberig van den dauw, bedelaars lagen bij de +hooge steenen trappen te slapen met hun beenen onachtzaam op straat +uitgestrekt; late domino-spelers keerden van het café huiswaarts, +waggelend van slaap. Maar fra Felice ijlde verder, hij ontweek alle +hinderpalen. En huizen en portalen, markt en straten verdwenen achter +den ouden fra Felice. Hij snelde door de halve corso, vóórdat hij +bleef stilstaan. + +Hij stond voor een groot huis met zware balkons. Hij greep een +poortklopper en klopte, totdat een dienaar ontwaakte. Daarna rustte +hij niet vóórdat de knaap een dienstmeisje wekte, en dit dienstmeisje +riep de signora. + +"Donna Micaela, fra Felice is beneden. Hij beweert, dat hij u moet +spreken." + +Toen donna Micaela eindelijk bij fra Felice kwam, hijgde hij nog naar +adem, maar zijn oogen schitterden en kleine bleeke rozen bloeiden op +zijn wangen. + +Het was het beeld, het beeld! Toen fra Felice dien morgen om vier uur +de klokken geluid had, was hij in de kerk gegaan om het te beschouwen. + +Toen had hij gezien dat groote steenen losgelaten hadden juist boven +het beeld. Die waren op het altaar gevallen en hadden het verbrijzeld, +maar het beeld was onbeschadigd gebleven. + +En van alle steenen en stof, die naar beneden gevallen waren, had +niets het beeld getroffen, maar het stond er nog volkomen ongedeerd. + +Fra Felice nam donna Micaela bij de hand en zei tot haar, dat zij hem +naar het klooster moest volgen om het wonder te aanschouwen. Zij moest +het 't eerst van allen zien, omdat zij het beeld in haar bescherming +genomen had. + +En donna Micaela volgde hem door den grauwen koelen morgen naar zijn +klooster, terwijl haar hart van spanning en verwachting klopte. + +Toen zij daar kwam en zag, dat fra Felice de waarheid had gesproken, +vertelde zij hem dat zij het beeld herkend had, zoodra zij het weerzag, +en dat het een wonderdoener was. + +"Hij is de grootste en mildste wonderdoener," zei zij. + +Fra Felice ging nu naar het beeld en keek het in de oogen. Want er +bestaat een groot verschil tusschen beeld en beeld, maar de ervaring +van een ouden monnik is er toe noodig om te zien welk beeld macht +heeft en welk niet. + +Nu zag fra Felice, dat de oogen van dit beeld diep en stralend waren, +alsof het leven bezat, en dat om zijn lippen een geheimzinnig lachje +speelde. + +Toen oude fra Felice dit zag, viel hij op de knieën en strekte zijn +gevouwen handen naar het beeld uit. En zijn oud rimpelig gelaat werd +verhelderd door een groote vreugde. Het scheen fra Felice plotseling, +dat de wanden zijner kerk bedekt waren met schilderijen en purperen +kleeden, licht straalde boven het altaar, gezang klonk van het koor, +en over den geheelen vloer lagen knielende, biddende menschen. Alle +heerlijkheid, die men slechts kon droomen, zou zijn arme oude kerk +ten deel vallen, nu zij een der machtige wonderdoende beelden bezat. + + + + + + +IV. + +HET OUDE PASSIESPEL. + + +Van het zomerpaleis in Diamante werden gedurende dezen tijd +vele brieven verzonden naar Gaetano Alagona, die gevangen zat te +Como. Maar de postbode had in zijn tasch nooit een brief van Gaetano, +die geadresseerd was aan het zomerpaleis. Want Gaetano was in zijn +levenslange gevangenis gegaan, alsof het een graf was. Het eenige dat +hij begeerde en wenschte was, dat het hem de vergetelheid en de rust +van het graf zou schenken. + +Hij gevoelde zich als dood en hij zei tot zich zelf, dat hij het +geklaag en gejammer der overlevenden niet wilde hooren. Ook wilde +hij niet verleid worden tot hoop, of door teedere woorden verlokt +worden te verlangen naar bloedverwanten en vrienden. Hij wilde ook +niet hooren wat er geschiedde in de wereld, nu hij geen macht bezat +in te grijpen en te leiden. + +Hij verschafte zich werk in de gevangenis en sneed schoone kunstwerken +zooals hij altijd gedaan had. + +Maar hij ontving nooit een brief, nooit een bezoek. Hij meende dat +hij op deze wijze niet meer de geheele bitterheid van zijn ongeluk +zou voelen. Hij geloofde, dat hij kon leeren een heel leven te leven +binnen vier muren. + +Dit was de reden, dat donna Micaela nooit een brief tot antwoord van +hem ontving. + +Eindelijk schreef zij naar den directeur der gevangenis en vroeg of +Gaetano nog leefde. En deze antwoordde, dat de gevangene naar wien +zij vroeg nooit een brief las. Hij wilde geen enkel bericht van de +buitenwereld hooren. + +Toen schreef zij hem niet meer, maar werkte des te harder aan haar +spoorweg. Ze waagde het nauwlijks daarover te spreken in Diamante, +maar toch dacht ze aan niets anders. Zij zelf borduurde en naaide, +en ze liet door haar dienaren allerlei goedkoope zaken vervaardigen, +die zij op haar bazaar wilde verkoopen. + +Uit den winkel nam zij oude artikelen voor de tombola. Zij liet +Piero, den poortwachter, gekleurde lampions maken. Zij overreedde +haar vader schilden en aanplakbiljetten te schilderen, en zij liet +haar kamenier, Lucia, die van Capri was, kettingen van koraal en +doosjes van schelpen maken. + +Zij was evenwel volstrekt niet zeker, dat er een enkel mensch zou komen +op haar feest. Allen waren tegen haar, niemand wilde haar helpen. Ze +vonden het niet eens goed, dat zij zich op straat vertoonde en over +zaken sprak. Zoo iets paste niet voor een voorname dame. + +Toen was het, dat de oude fra Felice haar trachtte te helpen, want +hij had haar lief omdat zij hem geholpen had met het beeld. + +Eens, toen donna Micaela klaagde, dat zij niemand kon overtuigen, +dat men den spoorweg moest aanleggen, nam hij het kalotje van zijn +hoofd en wees op zijn kalen schedel. + +"Zie naar mij, donna Micaela," zei hij. "Zoo kaal zal deze spoorweg +uw hoofd maken, indien gij voortgaat, zooals gij begonnen zijt." + +"Wát meent gij, fra Felice?" + +"Donna Micaela," zei de grijsaard, "is het geen dwaasheid, een groot +plan te ondernemen zonder een vriend of helper te bezitten?" + +"Ik heb dikwijls beproefd vrienden te winnen, fra Felice." + +"Ja, menschen," zei de grijsaard. "Maar wat helpen menschen? Als +iemand uit visschen gaat, donna Micaela, weet hij, dat hij San Pietro +moet aanroepen, wanneer iemand een paard wil koopen, kan hij bijstand +begeeren van San Antonio Albate. Maar indien ik wil bidden voor uw +spoorweg, weet ik niet tot wien ik mij zal wenden." + +'t Was fra Felice's bedoeling te zeggen, dat de fout was dat zij geen +schutspatroon gekozen had voor haar spoorweg. Hij wilde, dat zij het +gekroonde kind, dat in zijn oude kerk stond, zou kiezen tot vriend en +beschermer. Hij zeide haar, dat zij zeer zeker geholpen zou worden, +indien zij dit slechts deed. + +Zij was zoo getroffen, dat iemand haar wilde bijstaan, dat zij dadelijk +beloofde te bidden voor haar spoorweg tot het kind in San Pasquale. + +Maar fra Felice ging heen en schafte zich een groote collectebus aan +en liet daarop met groote duidelijke letters schilderen: "Gaven voor +den Etnaspoorweg." Deze hing hij op in zijn kerk naast het altaar. + +'t Was niet meer dan een dag later, dat donna Emilia, de echtgenoote +van don Antonio Greco, naar de oude, verlaten kerk ging om San Pasquale +te raadplegen, omdat hij de verstandigste van alle heiligen is. + +In den herfst was namelijk don Antonio's theater begonnen achteruit +te gaan, zooals wel te verwachten was in een tijd, dat allen gebrek +aan geld hadden. + +Don Antonio was toen op de gedachte gekomen te trachten het theater met +minder groote kosten dan vroeger te exploiteeren. Hij had op de lampen +bezuinigd en de groote, prachtig geschilderde affiches afgeschaft. + +Maar dat was een groote dwaasheid geweest. Want als de menschen den +lust verliezen om naar een theater te gaan, is het niet het rechte +oogenblik de slepen der prinsessen te verkorten of zuinig te zijn op +het verguldsel der kronen. + +Misschien is het niet zoo gevaarlijk bij een anderen schouwburg, maar +in een marionetten-theater is het meer dan moeilijk veranderingen te +brengen. Dat komt omdat het meest halfvolwassen knapen zijn, die naar +een marionetten-theater gaan. Volwassen menschen kunnen begrijpen, +dat men nu en dan zuinig moet zijn, maar kinderen willen het altijd +op dezelfde wijze hebben. + +Al minder en minder toeschouwers kwamen bij don Antonio en hij ging +steeds door met bezuinigen. Toen viel het hem in, dat hij best de +twee blinde vioolspelers kon ontberen, vader Elia en broeder Tommaso, +die gewoonlijk in de tusschenbedrijven en bij krijgstooneelen speelden. + +Deze blinden, die veel geld verdienden met het zingen in sterfhuizen, +en die groote sommen wonnen gedurende de feestdagen, verlangden een +zeer hooge betaling. + +Don Antonio ontsloeg hen uit zijn dienst en schafte zich een orgel aan. + +Maar dit werd zijn ongeluk. De leerjongens en winkelbedienden van +geheel Diamante bleven weg van het theater. + +Zij wilden geen orgel dulden in hun theater, en ze beloofden elkaar, +niet naar het theater te gaan, vóórdat don Antonio de blinde muzikanten +weer in zijn dienst genomen had. En zij hielden hun belofte. Don +Antonio's poppen moesten voor leege banken optreden. + +En de jonge knapen, die anders liever afstand deden van hun avondbrood +dan van hun theater, lieten avond op avond voorbijgaan, zonder er +heen te gaan. + +Ze waren overtuigd, dat zij don Antonio ten slotte konden dwingen, +alles weer zooals vroeger in te richten. + +Maar don Antonio stamde van een kunstenaarsgeslacht. Zijn vader en +broeder bezaten een marionetten-theater, zijn zwager en al zijn +familieleden waren menschen van het vak. En don Antonio verstond +zijn kunst. Hij kon zijn stem tot in het oneindige veranderen, hij +kon gelijktijdig manoeuvreeren met een heel leger van poppen, en hij +kende den tekst uit het hoofd van den geheelen cyclus tooneelspelen, +die getrokken zijn uit de kroniek van Carolus Magnus. + +En nu was don Antonio's kunstenaarsgevoel beleedigd. Hij wilde niet +gedwongen worden de blinden weer in zijn dienst te nemen. Hij wilde +dat men naar zijn theater zou gaan om zijnentwille en niet om de +muzikanten. + +Hij veranderde zijn repertoire en begon groote stukken te spelen met +prachtige monteering. + +Maar ook dat hielp niets. + +Er is een tooneelspel, dat "de dood van den paladijn" genoemd wordt +en Rolands strijd bij Ronceval behandelt. Daarvoor zijn zoovele +machinerieën noodig dat een poppentheater gedurende twee dagen gesloten +moet zijn, voordat het gespeeld kan worden. + +Maar het publiek is er zoo op verzot, dat men het gewoonlijk gedurende +een geheele maand speelt voor dubbele prijzen en een uitverkocht huis. + +Nu maakte don Antonio alles gereed voor dit tooneelstuk, maar hij +behoefde het niet te spelen, hij had geen toeschouwers. + +Toen was don Antonio gebroken. Hij beproefde vader Elia en broeder +Tommaso weer terug te krijgen, maar dezen wisten nu wat zij waard +waren. En zij verlangden zulk een hooge betaling dat het don Antonio +een onmogelijkheid was, hun dat te betalen. Zij konden niet tot een +vergelijk komen. + +In de kleine woning achter het marionetten-theater leefde men als in +een belegerde vesting. Men kon niets anders doen dan verhongeren. + +Donna Emilia en don Antonio waren beiden jonge vroolijke menschen, maar +nu lachten zij nooit meer. 't Was niet zoozeer de nood, die hen drukte, +maar don Antonio was een trotsche man, en hij kon de gedachte niet +verdragen, dat zijn kunst geen toeschouwers meer vermocht te trekken. + +Toen ging donna Emilia naar de kerk van San Pasquale ten einde den +heilige te smeeken om een goeden raad. Zij wilde negen gebeden doen +voor het groote steenen beeld, dat in het portaal der kerk stond. Maar +toen zij begon te bidden, bemerkte zij, dat de kerkdeuren openstonden. + +"Waarom staan San Pasquale's kerkdeuren open?" zei donna Emilia. "Dat +heb ik van mijn levensdagen nog nooit gezien." En zij trad de kerk +binnen. + +Het eenige, dat daarbinnen te zien was, was fra Felice's geliefd +beeld en de groote collectebus. + +En het beeld straalde zoo schoon met zijn kroon en zijn ringen, dat +donna Emilia zich tot hem aangetrokken gevoelde. Maar toen zij hem +in de oogen zag, vond zij hem zoo liefelijk en schoon, dat zij op +haar knieën zonk om te bidden. + +En zij beloofde, dat indien hij haar en don Antonio wilde helpen uit +hun nood, zij de opbrengst van een geheelen avond zou leggen in de +groote bus, die naast hem hing. + +Nadat zij gebeden had, verborg donna Emilia zich achter de kerkdeuren +en beproefde te verstaan, wat de voorbijgangers zeiden. Want indien +het beeld haar wilde helpen, zou hij haar een woord laten hooren, +dat haar zeide, wat zij doen moest. + +Zij had daar nauwelijks twee minuten gestaan, toen Assunta van de +domkerktrap er aankwam in gezelschap van donna Pepa en donna Tura. + +En zij hoorde Assunta met haar plechtige stem zeggen: + +"Het was in het jaar, dat ik voor de eerste maal het oude Passiespel +hoorde." + +Donna Emilia verstond het volkomen duidelijk. Assunta zei werkelijk: +"het Passiespel." + +Het was donna Emilia alsof zij nooit zou thuis komen. Haar beenen +konden haar niet vlug genoeg dragen, het was alsof de weg tienvoudig +verlengd was. + +Toen zij eindelijk den gevel van het theater zag, met de roode +lantaarns en de groote kleurrijke affiches, scheen het haar dat zij +vele mijlen afgelegd had. + +Toen zij binnentrad, zat don Antonio met zijn groot hoofd tusschen zijn +beide handen en staarde naar den grond. 't Was droevig don Antonio +aan te zien. Gedurende deze laatste weken was zijn haar begonnen +uit te vallen. Boven op den schedel was het zoo dun, dat de huid er +door scheen. + +Was dat te verwonderen, nu hij verteerd werd door zulk een +verdriet? Terwijl zij weg was, had hij al zijn poppen te voorschijn +gehaald om ze te beschouwen. Dat deed hij nu elken dag. Vooral placht +hij lang te staren naar de pop, die voor Aminda speelde. Was zij dan +niet schoon en verleidelijk meer? kon hij vragen. En dan trachtte hij +het zwaard van Roland of de kroon van Karel den Grooten te verbeteren. + +Donna Emilia zag, dat hij de keizerskroon opnieuw verguld had, het was +nu zeker wel voor de vijfde maal, dat hij dit deed. Plotseling had +hij echter zijn werk neergelegd en was in gedachten verzonken. Hij +had het zelf wel gevoeld, dat het hem niet aan verguldsel, maar aan +een idee ontbrak. + +Toen donna Emilia binnentrad, strekte zij de handen naar haar man uit: + +"Zie mij aan, don Antonio Greco," zei ze. "Ik breng u gouden schalen +vol koningsvijgen!" + +En zij vertelde hem hoe zij tot het Christuskind gebeden had. Ook +zei ze hem, wat zij beloofd en wat het beeld haar geraden had. + +Toen zij don Antonio dit verhaalde, sprong hij op. Zijn armen +vielen slap langs het lichaam, zijn haren rezen te berge. Een +onbeschrijfelijke ontroering maakte zich van hem meester. "Het oude +Passiespel," schreeuwde hij. "Het oude Passiespel." Want het oude +passiespel is een mysterie, dat vroeger op gansch Sicilië gespeeld +werd. Het verdrong alle andere oratoria en mysteriën en werd gedurende +een paar eeuwen elk jaar in iedere stad gespeeld. + +Het was de gewichtigste dag van het jaar wanneer het oude passiespel +vertoond werd. Maar nu speelde men het niet meer, nu leefde het nog +slechts als een sage in de herinnering van het volk. + +In vroeger dagen werd het ook wel in marionetten-theaters +gespeeld. Maar nu vond men het te oud en te afgezaagd. Misschien was +het sedert dertig jaar niet meer opgevoerd. + +Don Antonio begon uit te varen tegen donna Emilia, omdat zij hem kwelde +met dergelijke dwaasheden. Hij streed tegen haar als tegen een demon, +die zich van hem meester wilde maken. Zij wekte slechts ijdele hoop +in hem, die niets dan teleurstelling zou baren, zei hij. Hoe kon +zij met zoo iets bij hem aankomen? Maar donna Emilia liet hem kalm +uitrazen. Zij zeide slechts, dan hetgeen zij gehoord had, Gods wil was. + +Don Antonio begon spoedig te twijfelen. De grootsche gedachte maakte +zich langzamerhand van hem meester. Er was niets ter wereld dat op +gansch Sicilië zoo geliefd was als het oude passiespel. En woonde er +niet nog steeds hetzelfde volk op het edele eiland? Beminden zij niet +denzelfden hemel dien hun voorvaderen bemind hadden? Waarom zouden +zij het oude passiespel ook niet liefhebben? + +Hij verzette zich zoolang hij kon. Hij zei tot donna Emilia dat het +te kostbaar zou worden. Waar zou hij de apostelen met lang haar en +witten baard vandaan krijgen? Hij bezat geen tafel voor het avondmaal, +en hij had de machinerieën ook niet, die noodig waren voor den intocht +en de kruisiging. + +Maar donna Emilia zag wel, dat hij toe zou geven, en vóórdat de avond +viel, ging hij werkelijk naar fra Felice en hernieuwde zijn vrouws +belofte om de opbrengst van een avond in de collectebus te leggen, +als het beeld hen wilde bijstaan. + +Fra Felice vertelde dit aan donna Micaela en zij was verheugd en +tegelijkertijd angstig hoe dit zou afloopen. + +In de geheele stad werd het bekend, dat don Antonio bezig was het +oude passiespel op te zetten en men lachte hem uit. Don Antonio had +zijn verstand verloren. Men zou het oude passiespel wel willen zien, +indien het gespeeld werd zooals in vroeger dagen. + +Men had het willen zien opvoeren zooals in Aci, waar de edellieden +der stad voor koningen speelden en huurlingen en handwerkslieden de +rollen der Joden en der apostelen vertolkten en waar zoovele scènes +uit het oude testament waren opgevoerd, dat het schouwspel een ganschen +dag duurde. + +Ook zou men de heerlijke dagen van Castelbucco willen doen herleven, +toen de gansche stad veranderd was in Jeruzalem. Daar werd het +passiespel zoo opgevoerd, dat Jezus door een met palmen omgeven poort +de stad binnenreed. De kerk stelde den tempel van Jeruzalem voor en +het raadhuis was het paleis van Pilatus. En Petrus warmde zich bij +een vuur op den hof van den pastoor; de kruisiging geschiedde op een +berg bij de stad en Maria zocht het lijk van haar zoon in de grotten +van des sindaco's tuin. + +Hoe kon men zich vergenoegen met het groote mysterie te zien spelen in +don Antonio's theater, wanneer men zulke herinneringen bezat? Maar +trots dit alles werkte don Antonio met onvermoeiden ijver om de +tooneelspelers te vervaardigen en de machinerieën in orde te brengen. + +En zie, na eenige dagen kwam meester Battesta, die uithangborden +schilderde, bij hem en schonk hem een affiche. 't Had hem zoo verheugd +te hooren, dat don Antonio het oude passiespel wilde vertoonen. Zelf +had hij het in zijn jeugd zien spelen en het had hem zooveel vreugde +gegeven. Nu stond er dus met groote letters op het theater te lezen: +"Het oude passiespel of de wedergeborene Adam, tragedie in drie +bedrijven door cavaliere Filippo Orioles." + +Don Antonio was zeer verlangend te weten, hoe de volksstemming +was. Maar de ezeldrijvers en leerjongens, die voorbij zijn theater +gingen en het aanplakbiljet lazen, lachten hoonend. Het zag er heel +duister uit voor don Antonio, maar hij werkte onvermoeid door. + +Toen de avond aanbrak, dat het passiespel gespeeld zou worden, was +niemand ongeruster dan donna Micaela. + +"Zal het kleine beeld mij helpen?" vroeg zij onophoudelijk. Zij zond +haar kamenier Lucia naar het theater om te spionneeren. Stonden +er reeds groepen jongens? Scheen het of er veel menschen zouden +komen? Lucia kon ook wel eens naar donna Emilia gaan, die bij het +loket zat, om te vragen hoe de zaken stonden. + +Maar toen Lucia terugkwam, kon zij donna Micaela volstrekt geen hoop +geven. Voor het theater stonden in het geheel geen menschen. De knapen +hadden besloten don Antonio te ruïneeren. + +Tegen acht uur kon donna Micaela het niet langer in huis uithouden. Zij +overreedde haar vader met haar naar het theater te gaan. Zij wist wel +dat nog nooit een signora een voet gezet had in don Antonio's theater, +maar zij moest zien hoe het afliep. Het zou zulk een verbazend groote +vooruitgang voor haar spoorweg zijn, indien don Antonio nu slaagde. + +Toen donna Micaela in het theater kwam, was het nog eenige minuten +voor achten, en donna Emilia had nog geen enkel biljet verkocht. + +Maar toch was zij niet terneergeslagen. "Treed binnen, donna Micaela," +zei ze. "We zullen in elk geval spelen. Het is zoo schoon! Don Antonio +zal het spelen voor u, uw vader en voor mij. Het is het schoonste +treurspel dat hij nog ooit opgevoerd heeft." + +Donna Micaela kwam in een kleinen schouwburg, die met rouwdoek bekleed +was, zooals de groote theaters altijd geweest waren, wanneer het oude +passiespel opgevoerd werd. Voor het tooneel hingen zwarte gordijnen, +met zilveren franjes omzoomd. En de banken waren met zwart doek +bekleed. + +Dadelijk nadat donna Micaela binnengetreden was, vertoonde don +Antonio's borstelige wenkbrauw zich voor een kleine opening in de +coulisse. + +"Donna Micaela," riep hij, evenals donna Emilia eenige oogenblikken +geleden, "we spelen toch, het is zoo schoon, we hebben geen +toeschouwers noodig." + +Op hetzelfde oogenblik kwam donna Emilia binnen en hield diep buigend +de deur wijd open om den geestelijken herder, don Matteo, binnen +te laten. + +"Wat zegt ge van mij, donna Micaela?" zei hij lachend. "Maar gij +begrijpt, dat is het oude passiespel. Ik zag het eens in mijn jeugd +in de groote opera te Palermo en ik geloof, dat het dit stuk was, +dat mij tot priester gemaakt heeft." + +Den volgenden keer, dat de deur openging, waren het vader Elia en +broeder Tommaso, die met hun violen onder den arm hunne oude plaatsen +opzochten, zoo kalm, alsof zij nooit in twist waren geweest met +don Antonio. + +De deur gleed opnieuw open. Het was een oud vrouwtje uit de steeg +tegenover het huis van den kleinen Moor. Zij was in het zwart gekleed +en maakte het teeken des kruises toen zij binnentrad. + +Na haar kwamen vier, vijf andere oude vrouwtjes. + +Donna Micaela keek verdrietig naar hen, terwijl zij zoo langzamerhand +het theater vulden. + +Zij wist, dat don Antonio niet tevreden zou zijn, vóórdat hij weer +zijn eigen publiek had, vóórdat hij weer kon spelen voor zijn geliefde, +eigenzinnige knapen. + +Plotseling hoorde zij een vreeselijk geraas. Was het een storm of +een donderslag? De deuren vlogen wijd open, en tegelijk stormden +allen binnen. Dat waren de jongens. Ze vielen met een zekerheid op +hun oude plaatsen neer, alsof ze hun eigen huis binnentrokken. + +Ze zagen elkaar aan, een weinig beschaamd. Maar zij hadden het +niet kunnen verdragen, dat het eene oude vrouwtje na het andere in +hun theater ging om te zien wat voor hen gespeeld werd. 't Was hun +onmogelijk geweest te zien, hoe de gansche straat vol oude spinsters +was, die naar hun theater trokken. En toen waren zij naar binnen +gestormd. + +Maar nauwelijks waren de jonge menschen op hun plaatsen gezeten, +of zij merkten, dat zij bij een tuchtmeester gekomen waren. O, +het oude passiespel! 't Werd niet opgevoerd zooals in Aci of in +Castelbucco. Het werd niet zoo gespeeld als in de opera te Palermo, +het werd slechts vertoond door armzalige marionetten met onbeweeglijke +gezichten en stijve lichamen. Maar het oude mysterie had zijn macht +nog niet verloren. + +Donna Micaela bemerkte dit reeds in het tweede bedrijf bij het +avondmaal. De knapen begonnen Judas te haten. + +Ze slingerden hem bedreigingen en scheldwoorden naar het hoofd. + +Toen de lijdensgeschiedenis verder gespeeld werd, namen ze hun hoeden +af en vouwden hun handen. Zij zaten roerloos met hun mooie bruine +oogen naar het tooneel gewend. Nu en dan sprongen hun de tranen in +de oogen, nu en dan werd een vuist in toorn opgeheven. + +Don Antonio sprak met tranen in zijn stem, donna Emilia lag geknield +op den drempel. Don Matteo zag met een milden glimlach naar de kleine +poppen en dacht aan het heerlijke schouwspel te Palermo, dat hem tot +priester gemaakt had. + +Maar toen Jezus gevangengenomen en gepijnigd werd, schaamden de knapen +zich over zich zelf. Zij ook hadden kunnen haten en vervolgen. Zij +waren gelijk deze Farizeërs, gelijk deze Romeinen. Ze schaamden zich +nu zij er aan dachten. Mocht don Antonio het hun vergeven! + + + + + + +V. + +DE DAME MET DEN IJZEREN RING. + + +Donna Micaela dacht dikwijls aan een arme, kleine naaister, die zij +in haar jeugd in Catania gekend had. Zij woonde in een huis naast +het paleis Palmeri en zij zat altijd in haar deur te werken, zoodat +donna Micaela haar wel duizend malen gezien had. Zij zong altijd, +maar zij had zeker slechts een enkel lied gekend. Altijd, altijd had +zij dezelfde wijs gezongen. + +"Ik heb een lok geknipt van mijn haren," zoo zong ze. "Ik heb mijn +glanzende, zwarte vlechten losgemaakt, en een lok geknipt van mijn +haar. Ik heb dat gedaan om mijn vriend te verheugen, die bedroefd +is. Ach, mijn geliefde zit in de gevangenis, mijn geliefde zal nooit +meer mijn haar streelen. Ik heb hem een lok van mijn haar gezonden +om hem te herinneren aan de zijden lokken, die hem nooit meer zullen +omstrengelen." + +Donna Micaela moest voortdurend denken aan dit lied. Het was alsof +het door haar geheele jeugd geklonken had om haar het lijden te +voorspellen, dat haar wachtte. + + + +Donna Micaela zat gedurende dezen tijd vaak op de steenen trap van +de kerk San Pasquale. Zij zag de wonderbaarlijkste dingen geschieden +op den sagenrijken Etna. Over het zwarte lavaveld kwam een trein +aanglijden op nieuwe glinsterende rails. 't Was een feesttrein. Er +wapperden vlaggen langs den weg, de wagens waren bekranst, de +zitplaatsen bedekt met purperen kussens. Bij de stations stonden +jubelende menschen. "Leve de koning! leve de koningin! leve de nieuwe +spoorweg!" riepen ze. + +Zij verstond het duidelijk, want zij zelf zat in den trein. + +En hoe gevierd en hoe geëerd was zij! Zij werd geroepen voor den +koning en de koningin, die haar dankten voor den nieuwen spoorweg. + +"Verlang een gunst van ons, vorstinne!" zei de koning, haar aansprekend +met den titel, dien de dames van het geslacht der Alagona's vroeger +gevoerd hadden. + +"Sire," antwoordde zij, gelijk men in de sage antwoordt, "schenk de +vrijheid aan den laatsten Alagona!" + +En dat verzoek werd haar toegestaan. De koning kon niet neen zeggen +op een bede van haar, die dezen heilrijken spoorweg aangelegd had, +die rijkdom zou schenken aan den ganschen Etna. + + + +Toen donna Micaela den arm ophief, zoodat haar mouw naar boven gleed, +zag men, dat zij als armband een ring van verroest ijzer droeg. Dien +had zij op straat gevonden en hem over de hand gewrongen en nu droeg +zij dien altijd. En wanneer zij dien zag of aanraakte, verbleekte +zij, en haar oogen zagen niets meer van de wereld rondom haar. Maar +zij zag een gevangenis zooals Foscaris in het paleis der dogen te +Venetië. Het was een donkere, nauwe kelderruimte, het licht drong +zwak door een tralievenster, en uit den muur kwam een groote bundel +ketenen, die zich gelijk slangen kronkelden om de beenen, de armen +en den hals van den gevangene. + +O, mocht de heilige een wonder verrichten! Mochten de menschen +werken! Mocht zij zelf spoedig zoo beroemd zijn, dat zij kon smeeken +om de vrijheid van haar gevangene. Hij zal sterven indien zij zich +niet haast. Mocht de ijzeren ring haar arm voortdurend wonden, opdat +zij hem geen oogenblik vergete! + + + + + + +VI. + +FRA FELICE'S TESTAMENT. + + +Toen donna Emilia het loket opende om de biljetten te verkoopen voor +de tweede voorstelling van het oude passiespel, maakten de menschen +queue voor den ingang om plaats te krijgen; den avond daarop was +het theater zoo overvol, dat er menschen bezwijmden in het gedrang, +en den derden avond kwamen er menschen van Aderno en Paterno om het +geliefde treurspel te zien. + +Don Antonio voorzag, dat hij het gedurende een gansche maand voor +dubbelen prijs zou kunnen spelen met twee voorstellingen iederen avond. + +Hoe gelukkig waren zij, hij en donna Emilia, en met welk een vreugde +en dankbaarheid legden zij vijf en twintig lire in de collectebus +van het kleine beeld. + +In Diamante wekte deze gebeurtenis zeer veel verbazing en vele menschen +gingen naar donna Elisa om te hooren of zij geloofde, dat de heilige +wilde, dat men donna Micaela zou bijstaan. + +"Hebt ge gehoord, donna Elisa," zei men, "dat don Antonio Greco +geholpen is door het kleine Christuskind in San Pasquale, omdat hij +beloofd had de opbrengst van een avond te geven voor donna Micaela's +spoorweg?" + +Maar als men dit aan donna Elisa vroeg, kneep zij den mond dicht +alsof zij aan niets anders denken kon dan aan haar borduurwerk. + +Fra Felice kwam in haar winkel om haar de twee wonderen te verhalen, +die het beeld reeds verricht had. + +"Signorina Tottenham was zeer dom, dat zij het beeld wegschonk, +als het zulk een groote wonderdoener is," zei donna Elisa. + +Datzelfde vonden allen. Signorina Tottenham had het immers gedurende +zoo vele jaren bezeten en zij had nooit iets gemerkt. Het beeld kon +zeker geen wonderen doen. Het was slechts een toeval. + +Het was een ongeluk dat donna Elisa niet wilde gelooven. Ze was de +eenige der oude Alagona's die nog in Diamante woonde. De menschen +richtten zich meer naar haar dan zij zelf wisten. Indien donna Elisa +het wonder geloofd had, zou de gansche stad donna Micaela hebben +willen helpen. + +Maar donna Elisa kon niet gelooven, dat God en de heiligen haar +schoonzuster wilden bijstaan. + +Zij had haar reeds sinds het feest van San Sebastiaan +gadegeslagen. Zoodra iemand sprak van Gaetano verbleekte donna Micaela +en zag er ontsteld uit. Haar gelaatstrekken werden als die van een +zondaar, gekweld door gewetenswroeging. + +Op een morgen dacht donna Elisa hieraan en zij was zoo verdiept in +deze gedachten, dat zij haar naald liet rusten. + +"Donna Micaela is geen vrouw van den Etna," zei zij tot zich zelf. "Ze +houdt het met de regeering en ze is blijde, dat Gaetano gevangen zit." + +Op hetzelfde oogenblik droeg men op straat een groote baar +voorbij. Daarop waren een menigte kerksieraden gestapeld. Het waren +lichtkronen, een altaarhemel en reliquieënkastjes. + +Donna Elisa keek een oogenblik op, toen keerde zij weer tot haar +gedachten terug. + +"Zij wilde mij niet toestaan het huis der Alagona's te versieren +op San Sebastiaans feest," dacht zij. "Zij wilde zeker niet dat de +heilige Gaetano zou helpen." + +Twee mannen kwamen er nu aansleepen met een krakende kar. Daarop lag +een heele berg van roode wandbekleedingen, rijk geborduurde antependiën +en altaarstukken in breede vergulde lijsten. + +Donna Elisa wuifde met haar hand als om allen twijfel te verjagen. Het +kon geen echt wonder geweest zijn, dat geschied was. De heilige +moest toch weten dat Diamante geen geld had om een spoorweg aan te +leggen. Maar nu reed er een gele wagen voorbij, hoog beladen met +muzieklessenaars, misboeken, bidbankjes en biechtstoelen. + +Donna Elisa ontwaakte uit haar gepeins. Ze keek tusschen de +rozenkransen door, die in trossen voor haar winkelraam hingen, +naar de straat. Dat was immers al de derde vracht kerksieraden, +die voorbijging. Werd Diamante geplunderd? Waren de Saracenen in de +stad gekomen? + +Ze ging nu voor haar deur staan om beter te kunnen zien. En weer kwam +er een baar voorbij en daarop lagen rouwkransen van ijzer, stukken +zerk met lange inscripties en wapenschilden, zooals men in de kerk +hangt tot nagedachtenis der dooden. + +Donna Elisa vroeg een der dragers, wat dit beteekende en hoorde nu wat +er gaande was. Men was bezig de kerk Santa Lucia in Gesu te ontruimen. + +De sindaco en de gemeenteraad hadden bevolen, dat men de kerk in een +theater zou veranderen. + +Na het oproer had men een nieuwen sindaco in Diamante gekregen. 't +Was een jonge man uit Rome, hij kende de stad niet, maar hij wilde +toch gaarne iets voor haar doen. Nu had hij in den gemeenteraad +voorgesteld, dat Diamante zich op dezelfde wijze een schouwburg zou +verschaffen als men in Taormina en in andere steden gedaan had. Men +zou eenvoudig een der kerken tot schouwburg inrichten. Men had toch +zeker meer dan voldoende aan vijf stadskerken en zeven kloosterkerken; +men zou zeker heel goed een daarvan kunnen missen. + +Daar was b. v. de Jezuïetenkerk, Santa Lucia in Gesu. Het klooster dat +er bij behoorde was reeds veranderd in een kazerne en de kerk was zoo +goed als verlaten. Deze kerk zou een uitstekend theater kunnen worden. + +Dit had de sindaco voorgesteld en de gemeenteraad had het voorstel +aangenomen. + +Toen donna Elisa hoorde, wat er plaats greep, wierp zij een mantille +en een sluier om en spoedde zich naar de Santa Lucia met even groote +haast als waarmee men ijlt naar het huis, waar een stervende ligt. + +Hoe zou het nu met de blinden gaan? dacht donna Elisa. Hoe zouden +dezen kunnen leven zonder hun kerk Santa Lucia in Gesu? + +Toen donna Elisa op de kleine stille markt kwam waar omheen de lange, +leelijke gebouwen der Jezuïeten zijn opgetrokken, zag zij op de +breede steenen trappen, die langs den ganschen gevel der kerk loopen, +een schaar in lompen gehulde kinderen en vele langharige honden. Dat +waren de geleiders der blinden, en allen schreiden en klaagden zoo +hard zij slechts konden. + +"Wat is er te doen?" vroeg donna Elisa. + +"Ze willen ons onze kerk ontnemen," jammerden de kinderen en +tegelijkertijd blaften de honden nog klaaglijker dan te voren, want +de honden der blinden zijn bijna menschen gelijk. + +In de kerkdeur ontmoette donna Elisa meester Pamphilio's echtgenoote, +donna Concetta. + +"Ach, donna Elisa," zei ze, "nooit in uw leven hebt ge zoo iets +vreeselijks gezien. Ge doet beter niet in de kerk te gaan." + +Maar donna Elisa ging verder. + +In de kerk zag zij eerst niets anders dan een wolk van stof. Maar +in dien nevel dreunden hamerslagen, eenige arbeiders waren bezig een +grooten steenen ridder los te breken, die in een der vensternissen lag. + +"Mijn God," zei donna Elisa en vouwde haar handen, "ze breken Sor +Arrigo los." + +En zij dacht er aan, hoe veilig hij altijd in zijn nis gelegen +had. Iederen keer, als zij hem gezien had, wenschte zij, zoo verlost +te zijn van alle onrust en smart als de oude Sor Arrigo. En nu +werd ook zijn rust verstoord. In de Luciakerk was nog een groot +grafmonument. Dat stelde een ouden Jezuïet voor, die op een zwart +marmeren sarcophaag lag met een geesel in de hand en zijn hoed diep +over het voorhoofd getrokken. Hij werd pater Succi genoemd en men +placht de kinderen in Diamante bang te maken met hem. + +"Zouden zij het wagen pater Succi aan te raken?" dacht donna Elisa. En +door de kalkwolk heen, trachtte zij den weg te vinden naar het koor +waar de sarcophaag stond, om te zien of ze den moed hadden den ouden +Jezuïet aan te raken. + +Maar pater Succi lag nog op zijn steenen bed. Hij lag daar, duister +en hard, zooals hij bij zijn leven geweest was, en men kon bijna +gelooven, dat hij nog leefde. Was er een dokter en een tafel met +medicijnflesschen benevens een brandende kaars voor het bed geweest, +dan zou men gedacht hebben dat pater Succi ziek lag in het koor van +zijn kerk en op zijn laatste stonde wachtte. + +De blinden zaten om hem heen, gelijk bloedverwanten, die zich +verzamelen om een stervende, en wiegden hun lichamen van smart heen +en weer. Daar waren de beide vrouwen van de hotelpoort, donna Pepa +en donna Tura, dan was er oude moeder Saraedda, die genadebrood at +bij den sindaco Voltaro. Er waren blinde bedelaars, blinde zangers, +blinden van elken leeftijd en stand. Alle blinden van Diamante waren +er en in Diamante zijn er ongelooflijk velen, die nooit meer het +zonnelicht zien. + +Al deze blinden zaten meest zwijgend, maar nu en dan barstte een van +hen in jammerklachten uit. Nu en dan trachtte een van hen den weg te +vinden naar pater Succi en wierp zich luid jammerend over hem heen. + +En wat het nog meer op een sterfbed deed gelijken, was dat de pastoor, +don Matteo, en pater Rossi van het Franciscanerklooster rondgingen +om de bedroefden te troosten. + +Donna Elisa was diep getroffen. Ach, hoe vele malen had zij deze +menschen gelukkig gezien in haar winkel, en nu moest zij hen in zulk +een ellende treffen? + +Zij hadden haar oogen milde tranen ontlokt toen zij treurzangen +hadden gezongen over haar man, signor Antonelli, en over haar broer, +don Ferrante. Het bedroefde haar hen nu in zulk een nood te zien. + +Oud moedertje Saraedda begon te spreken tegen donna Elisa. + +"Ik wist niets, toen ik hier kwam, donna Elisa," zei het oude +vrouwtje. "Ik liet mijn hond buiten op de trap en trad binnen door +de kerkdeuren. Toen strekte ik mijn armen uit, om mij te steunen aan +den deurpost, maar er was geen deurpost. Ik zette mijn voeten neer, +alsof er een drempel voor de deur was, maar er was geen drempel. Ik +strekte mijn hand uit om wijwater te nemen, ik boog mijn knieën, +toen ik voorbij het hoogaltaar ging en ik luisterde naar het klokje, +dat geluid wordt, als pater Rossi ter misse gaat. + +"Donna Elisa, er was geen wijwater, geen altaar, geen klokgelui, +niets, niets was er." + +"Och, arme!" zei donna Elisa. + +"Toen hoorde ik gehamer en geklop in een venster. "Wat doet ge met +Sor Arrigo?" riep ik, want ik hoorde dadelijk, dat het geluid uit de +nis van Sor Arrigo kwam. + +"Wij moeten hem wegvoeren," antwoordde men mij. + +"Tegelijkertijd komt don Matteo naar mij toe, neemt mij bij de hand +en verklaart mij alles. En ik word bijna boos op den pastoor, als hij +mij vertelt, dat men onze kerk voor een theater wil gebruiken. Onze +kerk voor een theater! + +"Waar is pater Succi?" vraag ik eindelijk. "Is pater Succi nog +hier?" En hij brengt mij bij pater Succi. Hij moet mij er wel heen +geleiden, want ik kan den weg niet vinden. Sedert ze alle stoelen en +bidbankjes, matten en losse treden weggenomen hebben, weet ik niet +meer waar ik ben. Vroeger kon ik hier zoo goed den weg vinden als gij." + +"De pastoor zal jelui een andere kerk geven," zei donna Elisa. + +"Donna Elisa, wat wilt ge daarmee zeggen? Ge kunt evengoed zeggen, +dat de pastoor ons het gezicht terug zal geven. Kan don Matteo ons +een kerk geven, waar wij zien kunnen, zooals wij hier zagen? Geen +van ons behoefde hier zijn geleider mee te nemen. + +"Daarginds, donna Elisa, stond een altaar, de bloemen daarop waren even +rood als de Etna bij zonsondergang en dat konden we zien. Des Zondags +telden we zestien kaarsvlammen boven het hoofdaltaar en op feestdagen +dertig. Wij konden zien dat pater Rossi hier de mis bediende. + +"Wat moeten wij in een andere kerk doen, donna Elisa? Daar kunnen we +niets zien. Ze hebben ons het licht onzer oogen opnieuw ontnomen." + +Donna Elisa's hart werd zoo warm, alsof er gesmolten lava over +stroomde. Het was stellig een groot onrecht, dat men dezen ongelukkigen +aandeed. + +Toen ging donna Elisa naar don Matteo. + +"Uw Hoogeerwaarde," zei ze, "heeft u gesproken met den sindaco?" + +"Ach, ach, donna Elisa," zei don Matteo. "'t Is beter, dat gij beproeft +met hem te spreken, dan dat ik het doe." + +"Don Matteo, de sindaco is een vreemdeling, misschien heeft hij nooit +hooren spreken over de blinden." + +"Signor Voltara is bij hem geweest, pater Rossi is bij hem geweest +en ook ik, ook ik was bij hem. Hij antwoordde niets anders dan dat +hij niet kan veranderen wat in den gemeenteraad besloten is. + +"Dat weet ge immers wel, donna Elisa, een besluit van den gemeenteraad +kan nooit herroepen worden. Als deze besloten heeft, dat uw kat de +mis zal lezen in de domkerk, kan er niets aan dit besluit veranderd +worden." + +Er ontstond plotseling een opschudding in de kerk. Een groote blinde +man kwam binnen. + +"Vader Elisa," fluisterde men. "Vader Elisa." + +Vader Elisa was de deken van het gilde der blinde zangers, die zich in +deze kerk plachten te verzamelen. Wit was zijn haar en hij droeg een +langen witten baard; hij was schoon als een der heilige patriarchen. + +Hij ging gelijk alle anderen naar pater Succi, nam naast hem plaats +en drukte zijn voorhoofd tegen het marmer. Donna Elisa ging naar +vader Elisa om met hem te spreken. + +"Vader Elisa," zei ze, "ge moest naar den sindaco gaan." De +grijsaard herkende donna Elisa's stem en hij antwoordde met zijn +grove oudemannenstem: + +"Gelooft ge dat ik gewacht heb tot gij mij dat zoudt zeggen? Denkt ge +dan niet, dat het mijn eerste gedachte was naar den sindaco te gaan?" + +Hij sprak zoo luid en duidelijk, dat de arbeiders ophielden met +hameren, omdat ze meenden, dat iemand begon te preeken. "Ik heb hem +verteld, dat wij blinde zangers een gilde vormen en dat de Jezuïeten +reeds drie eeuwen geleden hun kerk voor ons openden en ons het +recht gaven hier te vergaderen om nieuwe leden te kiezen en zangen +te beoordeelen. + +"En ik vertelde hem, dat ons gilde uit dertig zangers bestaat, en +dat de heilige Lucia onze schutspatrones is en wij nooit op straat +zingen, maar slechts op binnenplaatsen en in de huizen. Ik zei hem, +dat we legenden van heiligen zingen en treurzangen, maar nooit een +wereldsch lied en dat de Jezuïet pater Succi zijn kerk voor ons opende, +omdat wij blinden de zangers zijn van Onzen Lieven Heer. + +"Ik vertelde hem, dat sommigen van ons recitatores zijn, die de oude +gedichten voordragen, en dat anderen trovatores zijn, die nieuwe +dichten. + +"Ik zei hem dat wij tot vreugde waren van vele menschen op het +edele eiland, en vroeg hem, waarom hij ons niet het leven wilde +laten behouden; een daklooze kan niet leven. Ook vertelde ik hem +dat wij van stad tot stad plegen te trekken op den Etna, maar dat +de Luciakerk ons thuis is en dat hier iederen morgen de mis voor ons +wordt gelezen. Waarom wilde hij ons den troost van Gods woord weigeren? + +"Ook verhaalde ik hem, dat de Jezuïeten eens van gevoelens jegens ons +veranderden en ons uit hun kerk wilden verdrijven, maar dat dit hun +niet gelukt was. Wij kregen een gezegeld document van den vice-koning, +dat wij ten eeuwigen dage onze vergaderingen in de Santa Lucia in +Gesu mogen houden. En ik toonde den sindaco het document." + +"Wat antwoordde hij toen?" + +"Hij lachte mij uit." + +"Kan geen der andere raadsleden u helpen?" + +"Ik ben bij hen allen geweest, donna Elisa. Ik ben den ganschen morgen +van Pontius naar Pilatus gezonden." + +"Vader Elisa," zei donna Elisa, en ze liet haar stem dalen, "hebt ge +vergeten de heiligen aan te roepen?" + +"Ik heb de zwarte Madonna aangeroepen, zoowel als San Sebastiaan en +Santa Lucia. Ik heb gebeden tot zoo vele heiligen, als ik slechts +bij naam kende." + +"Gelooft gij, vader Elisa," zei donna Elisa en zij liet haar stem nog +meer dalen, "dat don Antonio Greco geholpen werd, omdat hij beloofde +geld te geven voor donna Micaela's spoorweg?" + +"Ik heb geen geld te geven," zei de grijsaard moedeloos. + +"Gij moest er toch eens over denken, vader Elisa," zei donna Elisa, +"nu gij in zulk een grooten nood verkeert. Gij moest het Christusbeeld +beloven, dat gij zelf en allen, die tot uw gilde behooren, zullen +zingen en spreken over den spoorweg, om den menschen te overreden +bijdragen daarvoor af te staan, indien gij uw kerk moogt behouden. Wij +weten niet of het helpt, maar we moeten al het mogelijke beproeven, +vader Elisa. Een belofte kost niets." + +"Ik wil beloven wat gij slechts wilt," zei de grijsaard. + +Hij legde weer zijn hoofd op het zwarte marmer, en donna Elisa begreep +dat hij de belofte slechts gegeven had om met zijn smart alleengelaten +te worden. + +"Zal ik uw belofte tot het Christuskind brengen?" zei ze. + +"Doe gelijk gij wilt, donna Elisa," zei de grijsaard. + + + +Denzelfden dag was fra Felice om vijf uur 's morgens opgestaan en zijn +kerk begonnen te vegen. Hij voelde zich vroolijk te moede, maar toen +hij daar zoo bezig was, meende hij opeens dat San Pasquale met den +zak vol steenen, die in het kerkportaal stond, hem iets te zeggen had. + +Hij ging nu naar hem toe, maar San Pasquale stond even onbeweeglijk +als altijd. Op hetzelfde oogenblik steeg de zon boven den Etna en zond +veelkleurige stralen, harpsnaren gelijk, over den bergketen. Toen +de stralen fra Felice's oude kerk bereikt hadden, tintten ze deze +rozerood, rozerood werden ook de oude, verweerde zuilen, die den +baldakijn boven het beeld droegen, en San Pasquale met den zak, +evenals fra Felice zelf. + +"Wij zien er uit als jonge knapen," dacht de grijsaard. "We hebben +nog vele jaren te leven." + +Maar toen hij de kerk weer wilde binnengaan, voelde hij een +beklemmenden druk boven het hart en het viel hem in, dat San Pasquale +hem geroepen had om hem vaarwel te zeggen. Op hetzelfde oogenblik +werden zijn beenen zoo zwaar, dat hij ze nauwelijks kon verzetten. Hij +gevoelde geen pijn, maar een loodzware moeheid, die niets anders dan +den dood kon beteekenen. Hij had nauwelijks de kracht om den bezem +weg te zetten achter de deur van de sacristie; toen sleepte hij zich +naar het koor en ging voor het hoogaltaar liggen, terwijl hij zich +in zijn pij wikkelde. + +'t Was alsof het Christuskind tegen hem knikte en zei: "Nu heb ik je +noodig, fra Felice." + +Hij knikte terug. "Ik ben gereed, ik zal je niet ontrouw worden." + +Hij lag daar slechts te wachten, en dat was heerlijk, vond fra +Felice. Gedurende zijn gansche leven had hij geen tijd gehad om te +voelen hoe moede hij was. Nu kon hij eindelijk eens uitrusten. Het +beeld zou de kerk en het klooster wel zonder hem in stand houden. + +Hij glimlachte omdat de oude San Pasquale hem naar buiten geroepen +had om hem vaarwel te zeggen. + +Zoo lag fra Felice een groot gedeelte van den dag, meestal sluimerde +hij. Niemand was bij hem, en er kwam een gevoel over hem, dat het +niet aanging zoo uit het leven te glijden. + +'t Was alsof hij iemand daarmee te kort deed. Die gedachte wekte hem +keer op keer. Hij behoorde de priesters bij zich te hebben, maar hij +had immers niemand om hen te halen. + +Terwijl hij daar zoo lag, scheen het hem dat zijn lichaam al meer +en meer inkromp, dat hij steeds kleiner werd. 't Was alsof hij +geheel verdwijnen zou. Nu kon hij zich zeker wel viermaal in zijn +pij wikkelen. + +Hij zou heel eenzaam gestorven zijn, indien donna Elisa niet gekomen +was om het kleine beeld aan te roepen om hulp voor de blinden. + +Zij was wonderlijk te moede, want zij wilde gaarne, dat de blinden +geholpen werden, maar zij wenschte niet, dat donna Micaela's zaak +bevorderd zou worden. + +Toen zij in de kerk kwam, zag zij fra Felice voor het altaar liggen +en zij ging naar hem toe en knielde bij hem neer. + +Fra Felice wendde zijn oogen naar haar en glimlachte stil. "Ik moet +sterven," zei hij heesch, maar toen verbeterde hij zich en zei: +"Ik ga sterven." + +Donna Elisa vroeg wat hem scheelde en zei, dat zij hulp wilde halen. + +"Ga hier zitten," zei hij en deed een matte poging om met zijn mouw +het stof van den grond te wisschen. + +Donna Elisa zei, dat zij den pastoor en de liefdezusters wilde +halen. Hij greep haar bij haar mantel en hield haar terug. + +"Eerst moet ik u iets zeggen, donna Elisa." + +'t Spreken viel hem moeielijk, tusschen ieder woord haalde hij zwaar +adem. Donna Elisa ging naast hem zitten om te wachten. + +Een tijd lang hijgde hij naar adem, toen steeg een vlammend rood op +in zijn gelaat, zijn oogen begonnen te glinsteren, en hij sprak vol +vuur en zonder eenige moeite. + +"Donna Elisa," zei fra Felice, "ik heb een erfenis weg te schenken. 't +Heeft mij den ganschen dag zorg gebaard, want ik wist niet aan wien +ik die zou nalaten." + +"Fra Felice," zei donna Elisa, "wees daarover niet bezorgd. Er is +geen mensch, die een goede gave niet gebruiken kan." + +Maar daar fra Felice zich nu beter gevoelde, wilde hij, vóórdat hij +over zijn erfenis beschikte, donna Elisa vertellen hoe goed God voor +hem was geweest. + +"Heeft God mij geen groote genade bewezen, door mij tot een polacca +te maken?" zei hij. + +"Ja, dat is een groote gave," zei donna Elisa. + +"Reeds een kleine, zeer kleine polacca te zijn is een groote gave," +zei fra Felice. "Vooral was het nuttig, toen het klooster opgeheven +werd en de kameraden weggetrokken of dood waren. 't Is alsof men een +zak vol brood heeft, voordat men de hand uitsteekt om te bedelen, +het maakt, dat men altijd vriendelijke gezichten om zich heen ziet +en begroet wordt met diepe buigingen. Ik ken geen grooter gave voor +een armen monnik, donna Elisa." + +Donna Elisa dacht er aan hoe geliefd en geëerd fra Felice altijd +geweest was, omdat hij kon voorspellen op welke nummers prijzen zouden +vallen. En zij kon niet nalaten hem gelijk te geven. + +"Als ik langs den weg kwam in zonnehitte," zei fra Felice, "kwam +de herder naar mij toe en vergezelde mij een eindweegs, terwijl +hij zijn parapluie boven mijn hoofd hield om mij te beschutten +tegen de zonnestralen. En als ik bij de arbeiders kwam in de koele +steengroeve, deelden zij hun brood en boonensoep met mij. Ik ben +nooit bang geweest voor roovers, noch voor karabiniers. De man in +het tolkantoor sluimerde, toen ik voorbij ging met mijn zak. 't Is +een goede gave geweest, donna Elisa." + +"Ja, dat is waar," zei donna Elisa. + +"En 't is geen harde arbeid geweest," zei fra Felice. + +"Zij spraken tot mij en ik antwoordde hun, dat was alles. Zij wisten +dat elk woord zijn nummer had, en zij luisterden naar hetgeen ik zei +en speelden daarnaar. Ik wist niet, hoe het toeging, donna Elisa, +het was een Godsgave." + +"Het arme volk zal u zeer missen, fra Felice," zei donna Elisa. + +Fra Felice glimlachte: "Ze geven niets om mij op Zondag of Maandag, +als de trekking pas geweest is," zei hij. "Maar Donderdags en Vrijdags +en Zaterdagsmorgens komen zij tot mij, omdat iederen Zaterdag de +loting is." + +Donna Elisa begon onrustig te worden omdat de stervende aan niets +anders dacht dan aan dit. Plotseling kwamen haar verschillende menschen +in de gedachte, die in de loterij verloren hadden, en zij herinnerde +zich velen die hun geheele vermogen daarmee verspeeld hadden. Zij +wilde zijn gedachten leiden van dit zondige loterijspel. + +"Gij zeidet, dat gij over uw testament wildet spreken, fra Felice." + +"Maar juist omdat ik zoo vele vrienden bezit, valt het mij zoo +moeilijk te weten aan wien ik mijn erfenis moet schenken. Zal ik +haar geven aan hen, die de zoete koekjes voor mij bakten of aan hen, +die artisjokken voor mij roosterden in versche olie? Of zal ik het +geven aan de liefdezusters, die mij verpleegden, toen ik ziek was?" + +"Hebt gij veel weg te schenken, fra Felice?" + +"Dat gaat wel, donna Elisa. Dat gaat wel." + +Fra Felice scheen weer benauwd te worden, zijn borst rees en daalde +heftig. + +"Ik zou het ook willen geven aan de arme monniken, die hun klooster +verloren hebben," fluisterde hij. + +En na een tijdje vervolgde fra Felice: "Ik zou het ook wel gaarne +willen schenken aan den goeden man in Rome. Aan hem die over ons +allen waakt." + +"Zijt gij zoo rijk, fra Felice?" vroeg donna Elisa. + +"Dat gaat wel, donna Elisa, dat gaat wel." + +Hij sloot de oogen een wijle, toen vervolgde hij: + +"Ik wil het aan alle menschen schenken, donna Elisa." + +Hij kreeg nieuwe kracht door deze gedachte, weer kleurde een zwak +rood zijn wangen en hij richtte zich op zijn ellebogen op. + +"Ziehier, donna Elisa," zei hij, terwijl hij zijn hand in zijn pij +stak en een verzegelden brief te voorschijn haalde dien hij haar +overreikte. "Dezen moet gij aan den sindaco geven, den sindaco van +Diamante." + +"Hier, donna Elisa," zei fra Felice, "hier zijn de vijf cijfers, +die den volgenden Zaterdag zullen winnen. Zij zijn mij geopenbaard +geworden en ik heb ze opgeteekend. En de sindaco moet deze cijfers aan +de Romeinsche poort laten aanplakken, waar al het gewichtige nieuws +aangekondigd wordt. En hij moet het volk doen weten dat dit mijn +testament is. Dit schenk ik aan alle menschen Vijf winnende cijfers, +een heele quinterne, donna Elisa." + +Donna Elisa nam den brief en beloofde dien aan den sindaco te +geven. Zij kon niets anders doen, want de arme fra Felice had niet +vele oogenblikken meer te leven. + +"Als het nu Zaterdag is," zei fra Felice, "zullen er velen aan fra +Felice denken. + +"Zou oude fra Felice ons bedrogen hebben?" zullen zij vragen. "Kan +het mogelijk zijn dat we een heele quinterne winnen?" + +"Zaterdagavond is er trekking op het balkon van het raadhuis te +Catania, donna Elisa. Dan brengt men het loterijrad en de tafel +naar buiten en de heeren van de loterij verschijnen, met het kleine, +aanvallige kind uit het weeshuis. En het eene na het andere nummer +wordt gelegd in het rad van het avontuur, tot ze er alle in zijn, +alle honderd. + +"Maar de menschen staan beneden op het marktplein te beven van +verwachting, gelijk de zee trilt bij storm. + +"En alle menschen van Diamante zullen daar zijn, bleek en vol +spanning. Ze wagen het nauwelijks elkaar aan te zien. Vóór dien tijd +hebben zij geloofd maar nu niet meer. Geen van hen waagt het de minste +hoop te koesteren. + +"Dan wordt het eerste nummer getrokken en het komt uit. O, donna Elisa, +zij zullen zoo ontroerd zijn dat ze nauwelijks kunnen jubelen. Want +zij allen hadden gedacht dat zij bedrogen waren. Als het tweede +cijfer uitkomt, blijft het doodstil. Dan komt het derde. De heeren +van de loterij zullen verbaasd zijn, dat alles zoo stil blijft. "Heden +winnen zij niets," zullen zij zeggen, "heden maakt de staat een goede +winst." Dan komt het vierde cijfer. Het weesje neemt de rol uit het +rad en de markeur opent de rol en toont het cijfer. + +"Het volk zwijgt in angstige spanning, men kan geen woord spreken bij +zooveel geluk. Dan komt het laatste cijfer. Donna Elisa, men schreeuwt, +men jubelt, men valt elkaar in de armen, en snikt van vreugde. Men +is rijk. Geheel Diamante is rijk..." + +Donna Elisa had fra Felice's hoofd met haar arm gesteund, terwijl +hij dit hijgend stamelde. Nu viel zijn hoofd plotseling zwaar +achterover. De oude fra Felice was dood. + + + +Terwijl donna Elisa in de kerk was bij fra Felice, hadden vele +menschen gehoord van het lot der blinden en waren daardoor diep +getroffen. Niet juist mannen, de meeste mannen werkten op het land, +maar de vrouwen. Ze waren in groote scharen opgetrokken naar Santa +Lucia om de blinden te troosten, en toen er ten slotte ongeveer vier +honderd vrouwen verzameld waren, was het haar tegenvallen, dat zij +naar den sindaco moesten gaan om met hem te spreken. + +Ze waren naar de markt gegaan en hadden om den sindaco geroepen. Toen +was hij op het balkon van het raadhuis verschenen en zij hadden +gesmeekt, dat de blinden hun kerk mochten behouden. De sindaco was +een mooie, vriendelijke man. Hij had haar welwillend te woord gestaan, +maar niet toegegeven. + +Hij kon niet herroepen, wat de gemeenteraad besloten had. Maar de +vrouwen hadden zich stellig voorgenomen, dat het besluit herroepen +zou worden, en zij bleven wachten op de markt. De sindaco trok zich +terug in het raadhuis, maar zij bleven staan om te roepen. Zij wilden +niet naar huis gaan voordat hij toegegeven had. + +Terwijl dit plaats vond, kwam donna Elisa er aan om den sindaco het +testament te brengen van fra Felice. Zij was zielsbedroefd over al +de ellende, maar tegelijkertijd gevoelde zij een bittere voldoening +in het feit dat zij geen hulp gevonden had bij het Christuskind. Zij +had immers altijd gedacht, dat de heiligen donna Micaela niet wilden +bijstaan. + +Het was een mooi geschenk dat zij ontvangen had in San Pasquale. Niet +alleen dat het de blinden niet kon helpen, maar het was in staat de +gansche stad in het verderf te storten. Nu zou het weinige dat het +volk nog bezat in de loterij verspeeld worden. Alles wat ze bezaten, +zouden ze verpanden en verkoopen. + +De sindaco ontving donna Elisa dadelijk en was even beleefd en +vriendelijk als altijd, ofschoon de vrouwen nog op de markt stonden +te smeeken, blinden in de wachtkamer jammerden en hij den ganschen +dag lastig gevallen was door allerlei menschen. + +"Waarmee kan ik u van dienst zijn, signora Antonelli?" zei hij. Donna +Elisa wist eerst niet tot wie hij sprak. + +Toen vertelde zij hem van het testament. + +De sindaco was noch bevreesd, noch verwonderd. + +"Dat is zeer interessant," zei hij en strekte de hand uit naar +het papier. + +Maar donna Elisa hield den brief vast, en vroeg: + +"Signor sindaco, wat zijt ge van plan er mee te doen, is het uw +voornemen het aan de Romeinsche poort te laten aanplakken?" + +"Ja, wat kan ik anders doen, signora? Het is de laatste wil van +een stervende." + +Donna Elisa zou hem hebben willen zeggen, welk een noodlottig testament +het was. Maar zij zweeg om de zaak der blinden te kunnen bepleiten. + +"Pater Succi, die verordende, dat de blinden in zijn kerk mochten +bijeenkomen, behoort ook tot de dooden," sprak zij nu. + +"Signora Antonelli, begint gij ook hierover?" zei de sindaco heel +vriendelijk. "'t Was een vergissing, maar waarom heeft niemand mij +vóór dien tijd gezegd, dat de blinden vergaderden in de Luciakerk? Nu +het eenmaal besloten is, kan ik het besluit niet herroepen. Dat kan +ik niet." + +"Maar hun rechten en hun document, signor sindaco?" + +"Hun rechten beteekenen niets. Die gelden voor het Jezuïetenklooster, +maar zulk een klooster bestaat niet meer. + +"En signora Antonelli, wat zou er van mij worden, indien ik nu toegaf?" + +"Men zou u liefhebben als een goeden man." + +"Signora, men zal gelooven, dat ik zwak ben, en elken dag zullen +er vierhonderd vrouwen voor het raadhuis komen bedelen om het een +of het ander. Het is immers slechts de quaestie om één dag vol te +houden. Morgen zal het vergeten zijn." + +"Morgen!" zei donna Elisa. "Nooit zullen wij het vergeten." + +De sindaco glimlachte, en donna Elisa zag, dat hij geloofde het volk +van Diamante beter te kennen dan zij. + +"Ge gelooft, dat deze zaak hun na aan het harte ligt?" vroeg hij. + +"Ja, dat geloof ik, signor sindaco." + +Toen glimlachte de sindaco weer. "Geef mij dien brief eens, signora." + +Hij ging ermee op het balkon en begon tot de vrouwen te spreken. + +"Ik wil u zeggen," sprak hij, "dat ik juist nu verneem, dat de oude +fra Felice dood is en een testament voor u allen nagelaten heeft. Hij +heeft vijf cijfers opgeteekend, die den volgenden Zaterdag in de +loterij zullen winnen en deze schenkt hij u. Niemand heeft ze nog +gezien. Ze zijn opgeteekend in dezen brief, die nog ongeopend is." + +Hij zweeg een oogenblik, opdat de vrouwen konden nadenken over hetgeen +hij gezegd had. + +En oogenblikkelijk begonnen ze te roepen: "De cijfers, de cijfers!" + +De sindaco gaf haar een teeken om te zwijgen. + +"Ge moet er wel aan denken," zei hij, "dat fra Felice onmogelijk weten +kon welke nummers den volgenden Zaterdag uit de loterij zullen komen. + +"Indien gij op deze cijfers speelt, is het mogelijk dat gij allen +verliest. En wij mogen in Diamante niet armer worden, dan wij reeds +zijn. Ik verzoek u daarom het testament te mogen vernietigen, vóórdat +iemand het gelezen heeft." + +"De cijfers," riepen de vrouwen. "Laat ons de cijfers zien!" + +"Indien ik het testament mag vernietigen," zei de sindaco, "beloof +ik u, dat de blinden hun kerk mogen behouden." + +Het werd stil op de markt. Donna Elisa rees op van haar stoel in +de zaal van het raadhuis en klemde zich met beide handen aan de +leuning vast. + +"Hemelsche Vader," zuchtte donna Elisa, "is hij een duivel dat hij +het arme volk op deze wijze in verzoeking brengt?" + +"We zijn tot nu toe arm geweest," riep nu een vrouw, "we kunnen ook +in de toekomst de armoede dragen." + +"We willen Barabbas niet kiezen in plaats van Christus," riep een +andere. + +De sindaco nam een lucifersdoosje uit den zak, stak een lucifer aan +en bracht dien langzaam bij het testament. De vrouwen lieten lijdelijk +toe, dat de sindaco de winnende cijfers van fra Felice vernietigde. + +De kerk der blinden was gered. + +"Dit is een wonder," fluisterde de oude donna Elisa. "Allen +gelooven aan fra Felice en toch laten ze kalm zijn winnende nummers +verbranden! Dat is een wonder." + + + +'s Namiddags zat donna Elisa weer in haar winkel te borduren. Zij +zag er oud uit, het was alsof er iets in haar gebroken en vernietigd +was. Het was niet de gewone donna Elisa, die daar zat, het was een +arme, oude, verlaten vrouw. + +Zij trok de naald langzaam op uit haar werk en toen zij die weer +insteken moest, ging dat aarzelend en onwillig. 't Kostte haar +moeite te verhinderen, dat de tranen op haar borduurwerk vielen en +het bedierven. + +Donna Elisa had zulk een groot verdriet. Heden had zij Gaetano voor +altijd verloren. Er was geen hoop hem ooit weer te zien. + +De heilige was tegen hem en hielp donna Micaela. Niemand kon er aan +twijfelen, dat er nu een wonder was geschied. + +De vrouwen van Diamante zouden niet lijdelijk toegestaan hebben, +dat men fra Felice's nummers verbrandde, indien zij niet gebonden +waren door een wonder. + +Het deed een arm mensch zoo'n verdriet, dat de goede heilige donna +Micaela hielp, die niet hield van Gaetano. De bel luidde hevig en +donna Elisa stond uit oude gewoonte op. 't Was donna Micaela, die nu +binnenkwam. Zij was verheugd en strekte beide handen uit naar donna +Elisa, maar deze wendde zich af. Zij kon haar hand niet drukken. + +Donna Micaela was overgelukkig. + +"O, donna Elisa, gij hebt mijn spoorweg geholpen. Hoe zal ik u danken!" + +"Gij behoeft mij volstrekt niet te danken, schoonzuster!" + +"Donna Elisa!" + +"Indien de heiligen ons een spoorweg willen geven, dan is dat +zeker omdat Diamante daaraan behoefte heeft, maar niet omdat ze +u liefhebben." + +Donna Micaela deinsde achteruit. Nu eindelijk meende zij te begrijpen +waarom donna Elisa kwaad op haar was. + +"Indien Gaetano thuis was," zei zij, terwijl zij haar hand tegen heur +hart drukte: + +"Indien Gaetano thuis was, zou hij niet toestaan, dat gij zoo slecht +tegen me waart." + +"Gaetano! Zou Gaetano dat niet toestaan?" + +"Neen. Zelfs indien gij boos op mij waart, omdat ik hem reeds liefhad, +terwijl mijn man nog leefde, zoudt gij het niet wagen mij dat te +verwijten indien hij thuis was." + +Donna Elisa trok de wenkbrauwen een weinig op. + +"Ge denkt, dat hij mij zou kunnen dwingen te zwijgen over zulk een +zaak?" en haar stem klonk wonderlijk vreemd. + +"Maar donna Elisa," fluisterde donna Micaela nu. "'t Is immers geheel +onmogelijk hem niet lief te hebben. + +"Hij is zoo schoon en hij heeft zooveel macht over mij, dat ik bang +voor hem ben. + +"Ge moest begrijpen, dat ik hem moest liefhebben." + +"Moest ik dat?" Donna Elisa ging zitten en sprak heel kort af. + +Donna Micaela geraakte buiten zich zelf. + +"En Gaetano heeft ook mij lief," riep zij. "Niet Giannita maar mij +had hij lief. Gij moest mij als een dochter beschouwen en mij helpen, +en gij moest goed jegens mij zijn. Maar in plaats daarvan zijt ge +boos op mij. Gij staat mij niet toe tot u te komen om met u over hem +te spreken. Hoe ik verlang en hoe ik werk, dat mag ik u niet zeggen." + +Donna Elisa kon zich niet langer bedwingen. Donna Micaela was immers +nog een echt kind, jong, dwaas en bevend als een vogelhartje. Juist +een wezentje, dat bescherming noodig had. Zij moest haar armen wel +om haar heen slaan. + +"Dat wist ik immers niet, jij dom, dwaas kindje," zei zij. + + + + + + +VII. + +NA HET WONDER. + + +Er was een vergadering van het gilde der blinde zangers, in de +Luciakerk. Hoog boven op het koor achter het altaar zaten dertig oude +blinde mannen op de gebeeldhouwde koorstoelen der Jezuïeten. Zij +waren allen arm, de meesten van hen hadden den bedelaarszak en hun +kruk naast zich liggen. + +Er heerschte een plechtige, ernstige stemming. De blinden wisten, +wat het wilde zeggen lid te zijn van dit heilige zangersgilde, van +deze heerlijke, oude academie. + +Beneden in de kerk klonk nu en dan een dof rumoer. Daar zaten de +geleiders der blinden, kinderen, oude vrouwtjes en honden, te wachten, +maar spoedig was alles weer rustig en stil. + +De blinden, die trovatores waren, traden nu de een na den andere op +om nieuwe gedichten voor te dragen. + +"Gij menschen, die op den heiligen Etna woont," reciteerde een van +hen. "Gij menschen, die leeft op den berg der wonderen, verheft +u. Schenkt uwe heerscheres een nieuw sieraad. Zij verlangt naar twee +lange linten om haar schoonheid te verhoogen, twee lange smalle linten +van ijzer wil ze vasthechten aan haar mantel. + +"Schenk deze aan uwe heerscheres en zij zal u met rijkdom beloonen. Zij +zal u goud geven voor ijzer. Ontelbaar zullen de schatten zijn, +die de machtige u schenken zal, indien gij haar nu geeft, hetgeen +zij verlangt." + +"Een milde wonderdoener is in ons midden gekomen," zei een andere. "Hij +staat arm en onbemerkt in de naakte, oude kerk en zijn kroon is van +blik en zijne diamanten zijn van glas. + +"Brengt geen offers aan mij, gij armen," zegt hij. "Bouwt geen tempel +voor mij, gij ellendigen. + +"Voor uw geluk wil ik werken. En wanneer rijkdom heerscht in uwe +hutten, zal ik stralen in den glans van echte edelgesteenten, en +als de nood gevlucht is uit het land, zullen mijne voeten gouden +schoentjes dragen, met paarlen versierd." + +En telkens als er een nieuw gedicht werd voorgedragen, werd het +aangenomen of verworpen. + +De blinden gingen met groote strengheid te werk. + +Maar den volgenden dag trokken ze over den Etna en zongen den spoorweg +in het hart van het volk. + + + +Na het wonder van fra Felice's testament begonnen de menschen gaven te +geven voor den spoorweg. Donna Micaela had spoedig ongeveer honderd +lire bijeen. Toen reisde zij met donna Elisa naar Messina om de +stoomtram te zien, die tusschen Messina en Pharo loopt. Zij hadden +niet zulke groote wenschen. Zij zouden tevreden zijn met een stoomtram. + +"Waarom behoeft een spoorweg zoo duur te zijn?" zei donna Elisa. "'t +Is immers slechts een gewone weg, waarop men ijzeren spoorstaven legt. + +"Maar het zijn die ingenieurs en voorname heeren, welke een spoorweg +zoo duur maken! Neem geen ingenieur in je dienst, Micaela! Laat onze +goede wegwerkers Carmelo en Giovanni je spoorweg aanleggen." + +Ze bekeken nauwkeurig de stoomtram van Pharo en trachtten alle +inlichtingen te verkrijgen, die zij slechts konden. Ze maten hoeveel +ruimte er tusschen de rails was en donna Micaela teekende op een klein +stuk papier hoe de sporen bij de stations moesten loopen. Dat was niet +zoo moeilijk. Zij waren overtuigd, dat zij zich zelf konden redden. + +Dezen dag schenen er in het geheel geen bezwaren te bestaan. 't Was +niets moeielijker een station te bouwen dan een gewoon huis, zeiden +ze. En meer dan een paar stations hadden zij ook niet noodig. Op de +meeste halten was een overdekte wachtplaats voldoende. + +Indien zij er slechts geen maatschappij van maakten en geen voorname +heeren in betrokken, want dat alles kostte zooveel geld, dan zou de +spoorweg wel tot stand komen. + +Ook zou die niet zoo kostbaar worden. Den grond zouden zij zeker wel +voor niets krijgen. De rijke grondbezitters, die land bezaten op den +Etna, zouden wel begrijpen van hoeveel belang een spoorweg voor hen +was, en hem vrij over hun grond laten gaan. + +Zij braken er haar hoofden niet mede om de juiste richting van een +spoorweg vooraf te bepalen. Ze zouden eenvoudig beginnen bij Diamante +en zoo verder gaan naar Catania. Men behoefde slechts een aanvang te +maken, en iederen dag een klein eindje verder aan te leggen. Dat was +niet zoo moeilijk. + +Na deze reis begonnen zij te beproeven den spoorweg op eigen hand aan +te leggen. Don Ferrante had geen groot vermogen nagelaten aan donna +Micaela. Maar het was een geluk dat hij een groot stuk woest land op +den Etna bezeten had. Hierop begonnen Giovanni en Carmelo te graven +voor den nieuwen spoorweg. + +Toen ze een aanvang maakten met dit werk, bezaten de spoorwegaanleggers +niet meer dan honderd lire. Maar het was het wonder met het testament, +dat hen met heiligen waanzin vervulde. + +Welk een spoorweg zou dat worden! welk een spoorweg! + +Blinde zangers waren de actiënverzamelaars, het heiligenbeeld gaf de +concessie en de oude koopvrouw, donna Elisa, was de ingenieur. + + + + + + +VIII. + +EEN JETTATORE. + + +In Catania leefde eens een man met "het booze oog", een jettatore. Van +alle jettatoren op Sicilië duchtte men hem het meest. + +Zoodra hij zich op straat vertoonde, haastten de menschen zich om het +beschermende teeken met de hand te maken. Toch hielp dit dikwijls in +het geheel niet. + +Degene die hem ontmoet had, kon zich voorbereiden op een onaangename +gebeurtenis. Als hij thuis kwam was zijn eten aangebrand, en de mooie, +oude kristallen schotel lag in scherven op den grond. Hij zou hooren, +dat zijn bankier de betalingen gestaakt had, en dat het briefje, +dat hij aan de vrouw van zijn vriend geschreven had, in verkeerde +handen was terechtgekomen. + +Meesttijds was de jettatore een lange, magere man met bleeke schuwe +oogen en een langen neus, die kromde over de bovenlip. God heeft den +jettatore dezen papagaaienneus gegeven als kenteeken. + +Maar alles verandert, niets blijft zich steeds gelijk. + +Deze jettatore was een kleine man met een neus als van San Michaël. + +Daardoor kwam het dat hij nog veel meer kwaad stichtte dan een gewone +jettatore. + +Hoeveel vaker steekt men zich niet aan de doornen van de roos, dan +dat men zich brandt aan een netel. + +Een jettatore moest nooit volwassen zijn; zoo lang hij nog een kind +is, heeft hij het goed. Dan waakt zijn moedertje nog over hem en zij +ziet nooit het booze oog, zij begrijpt nooit waarom zij zich steeds +met de naald in den vinger prikt, wanneer hij bij haar naaitafeltje +komt. Zij is nooit bang om hem te kussen. Ofschoon er altijd ziekte +in haar huis heerscht en de dienstboden voortdurend wegloopen, en +haar vrienden het huis verlaten, merkt zij nooit iets. + +Maar als de jettatore later in de wereld komt, is zijn lot dikwijls +treurig genoeg. Men moet immers in de eerste plaats aan zich zelf +denken, men kan toch niet zijn geheele leven bederven door goed +te zijn jegens een jettatore. Er zijn verscheidene jettatores, die +priester zijn. + +Dit is niet zoo vreemd, de wolf is immers gelukkig, als hij vele +schapen kan verslinden. En zeker kan een jettatore niet meer kwaad +stichten, dan wanneer hij priester wordt. Men moest slechts weten, +hoe het den kinderen gaat, die zij doopen en den bruidsparen, wier +huwelijk zij inzegenen. + +Deze jettatore van Catania werd ingenieur en wilde spoorwegen +aanleggen. + +Hij werd geplaatst bij een der staatsspoorwegen. De staat kon toch +niet weten, dat hij een jettatore was. + +Maar, o, welk een ellende, welk een ellende! + +Zoodra hij aangesteld was bij den spoorweg, geschiedden er niets +dan ongelukken. + +Wilde men een heuvel doorboren, dan had er een instorting plaats, +als men een brug wilde leggen, mislukte het keer op keer. + +Wanneer men een mijn liet springen, werden de arbeiders gedood door +de rondvliegende steenen. + +De eenige die steeds ongedeerd bleef, was de ingenieur, de jettatore. + +Maar de arme menschen, die onder hem werkten! Ze telden iederen morgen +hun vingers en ledematen. + +"Morgen hebben wij ze misschien niet meer allemaal," zeiden ze. + +Men deed zijn beklag bij den hoofdingenieur, men klaagde bij den +minister. Geen van beiden wilde hooren. Ze waren te geleerd en te +verstandig om aan het booze oog te gelooven. De arbeiders moesten maar +beter bij het werk opletten. 't Was aan hun eigen onvoorzichtigheid +te wijten, dat er ongelukken geschiedden. + +En de kolenwagens stortten in den afgrond, en de locomotieven +ontploften. + +Op een morgen fluisterde men, dat de ingenieur weg was. Hij was +verdwenen, niemand wist waar hij gebleven was. + +Had iemand hem soms vermoord? + +O, neen, o, neen! wie zou het gewaagd hebben een jettatore te dooden! + +Maar hij was werkelijk weg, geen mensch wist waar hij was. + +Eenige jaren daarna was het, dat donna Micaela begon te denken aan +haar spoorweg. En om geld daarvoor bijeen te brengen, wilde zij een +bazaar houden in het groote Franciscanerklooster. + +Daar was een groote tuin, omringd door prachtige, oude +zuilengangen. Donna Micaela richtte kleine kraampjes en tenten voor +ververschingen in onder deze arcaden. Zij slingerde guirlandes van +Venetiaansche lampions van zuil tot zuil. Ze liet groote vaten Etnawijn +rondom de kloosterbron opstapelen. + +Terwijl donna Micaela daar buiten werkte, sprak zij dikwijls met +den kleinen Gandolfo, die na den dood van fra Felice, wachter van +het klooster geworden was. Op een dag liet zij zich door Gandolfo +door het geheele klooster geleiden. Zij liep het door van den zolder +tot den kelder. En toen zij deze ontelbare kleine cellen met haar +tralievenster en naakte muren en harde houten banken zag, kreeg zij +een inval. Zij verzocht Gandolfo haar op te sluiten in een dezer +cellen en haar daar gedurende vijf minuten te laten. + +"Nu ben ik een gevangene," zei ze, toen zij alleengelaten werd. Ze +voelde, dat de deur gesloten was, ze zag dat er dikke traliën voor +de vensters waren. Zij was opgesloten. Zoo was het dus gevangen te +zijn! Vier naakte wanden om zich heen, de stilte, de kilheid van +het graf! + +"Nu wil ik gevoelen zooals een gevangene," dacht zij. + +Op hetzelfde oogenblik vergat zij alles voor de gedachte, dat +Gandolfo misschien niet komen zou om haar deur te ontsluiten. Hij +kon immers weggeroepen worden, hij kon plotseling ziek worden, hij +kon doodgevallen zijn in een der donkere gangen. + +Er kon zooveel gebeurd zijn, dat hem verhinderde te komen. En +niemand wist, waar zij was, niemand kon haar zoeken in die afgelegen +cel. Indien zij een uur daarin moest vertoeven, zou ze waanzinnig +van angst worden. + +Ze dacht aan de kwelling van den honger en van de eindelooze uren +van angst. + +O, hoe zou ze ingespannen luisteren naar naderende schreden, hoe zou +ze roepen! + +Hoe zou zij rukken aan de deur. Zij zou de kalk van den muur schrappen, +zij zou trachten de traliën voor het venster kapot te bijten. + +En als zij haar dan eindelijk vonden, zou zij dood op den grond liggen, +en overal zou men sporen vinden van haar pogingen om zich te bevrijden. + +Waarom kwam Gandolfo niet? Nu was zij toch een kwartier, een half +uur in de cel geweest. + +O, waarom kwam hij toch niet? + +Ze was overtuigd, dat ze een heel uur opgesloten was geweest, toen +Gandolfo kwam. Waar was hij toch zoo lang geweest? + +Maar hij was niet lang weggeweest. Donna Micaela was slechts vijf +minuten in de cel. + +O God, zóó was het dus gevangen te zijn! Zoo was dus Gaetano's +leven! Ze barstte in tranen uit, toen ze weer den blauwen hemel boven +zich zag. + +Een tijdje daarna toen zij op een open loggia stonden, wees Gandolfo +haar een raam met luiken en groene gordijnen. + +"Woont daar iemand?" vroeg zij. + +"Ja, donna Micaela." + +Gandolfo vertelde, dat daar een man woonde, die nooit anders dan +'s nachts uitging. Een man die nooit met iemand sprak. + +"Is hij krankzinnig?" vroeg donna Micaela. + +"O neen, o neen, hij is even wel bij het hoofd als gij of ik. Men zegt, +dat hij zich moet verbergen. Hij is bang voor de regeering." + +Donna Micaela stelde veel belang in dezen man. + +"Hoe heet hij?" vroeg ze. + +"Ik noem hem signor Alfredo." + +"Hoe krijgt hij eten?" vroeg zij hem. + +"Ik kook voor hem," zei Gandolfo. + +"En kleeren?" + +"Die verschaf ik hem. Ik ben het ook, die hem boeken en tijdschriften +bezorg." + +Donna Micaela zweeg een tijdlang. + +"Gandolfo," zei ze, terwijl zij hem de roos gaf, die zij in de hand +hield, "leg deze roos op het blad, als je straks eten brengt aan je +ongelukkigen gevangene!" + +Na dien dag zond donna Micaela bijna elken dag een kleinigheid aan +den gevangene in het klooster. Nu eens was het een boek, dan een +bloem of een vrucht. + +'t Was haar zulk een genot, ze speelde met haar phantasie. 't Gelukte +haar bijna zich voor te stellen, dat het Gaetano was aan wien ze dit +alles zond. + +Toen de dag aanbrak, dat de bazaar geopend zou worden, was donna +Micaela 's morgens reeds vroeg in het klooster. + +"Gandolfo," zei ze, "ga voor mij naar je gevangene en vraag hem of +hij vanavond op het feest wil komen." + +Gandolfo kwam spoedig met het antwoord terug. + +"Hij dankt u zeer voor uw uitnoodiging, donna Micaela," zei de +knaap. "Hij wil gaarne komen." + +Zij was verbaasd, want zij had niet gedacht, dat hij zich zou durven +vertoonen. Zij had hem slechts een vriendelijkheid willen bewijzen. + +Er was iets, dat donna Micaela dwong om op te zien. Zij stond in den +kloostertuin, een venster in een der gebouwen tegenover haar werd +geopend. Donna Micaela zag een man van middelbaren leeftijd met een +aangenaam uiterlijk voor het raam staan en naar haar kijken. "Daar +is hij, donna Micaela," zei Gandolfo. + +Zij was gelukkig. 't Was alsof ze dezen man gered en verlost had. En +meer dan dit. Menschen, die geen phantasie bezitten, kunnen dit +niet begrijpen. + +Maar donna Micaela was den ganschen dag in spanning en verwachting. Ze +overwoog, hoe zij zich 's avonds zou kleeden. 't Was alsof zij Gaetano +verwachtte.-- + +Maar donna Micaela had spoedig wel iets anders te doen dan te +droomen. Den geheelen dag werd ze overstelpt door onaangename +wederwaardigheden. + +Eerst ontving ze een brief van den ouden rooverhoofdman Falco Falcone. + + + Waarde vriendin, donna Micaela, + + Daar ik gehoord heb, dat ge voornemens zijt een spoorweg aan + te leggen op den Etna, wil ik u zeggen, dat dit nooit met mijn + toestemming zal geschieden. Ik zeg u dit nu maar dadelijk, opdat + ge aan deze zaak niet meer geld en moeite zult verspillen. + + Hooggeboren en edele signora, ik verblijf + + uw nederige dienaar, + Falco Falcone. + + P.S. Passafiore, mijn neef, heeft dezen brief geschreven. + + +Donna Micaela smeet het vuile briefje op den grond. Het was haar +alsof ze het doodvonnis van haar spoorweg in de hand hield, maar +heden wilde zij daaraan niet denken, heden had zij haar bazaar. + +Een oogenblik daarna kwamen haar wegwerkers, Giovanni en Carmelo, +bij haar. Ze wilden haar raden een ingenieur te raadplegen. + +Zij wist zeker niet, hoe de grond was op den Etna. Eerst was het lava, +dan asch en dan weer lava. + +Moest de weg aangelegd worden op de bovenste lavalaag of op het +aschbed, of moesten zij nog dieper graven? Moest de bodem voor een +spoorweg zeer vast zijn? Zij moesten er iemand bij hebben, die er +verstand van had. + +Donna Micaela kon hen echter nu niet te woord staan. + +Morgen, morgen! heden had zij geen tijd om daaraan te denken. Dadelijk +daarna kwam donna Elisa met nog slechter nieuws. + +Er was een stadswijk in Diamante, waar arme en woeste menschen +woonden. Deze ongelukkige stakkers waren angstig geworden, toen ze +hoorden van den spoorweg. + +Nu komt er gewis een aardbeving of een uitbarsting van den Etna, +hadden ze gezegd. + +De machtige Etna duldt geen ijzeren banden. Hij zal den geheelen +spoorweg van zich afslingeren. + +En het volk zei, dat men den spoorweg moest opbreken zoodra die +gelegd was. + +Welk een ongeluksdag! Donna Micaela voelde zich verder dan ooit van +haar doel. + +"Waarvoor dient het nu, of wij geld bijeenbrengen op den bazaar?" zei +ze mismoedig. + +En het scheen ook niet, dat zij veel geld zou krijgen op haar feest. 's +Namiddags begon het te regenen. Sedert den dag, dat de klokken luidden, +had het nog niet zoo geregend in Diamante. 't Was alsof de wolken op +de daken drukten, en het water er uit stroomde. Eer men twee minuten +op straat liep, was men doornat. + +Tegen zes uur, toen donna Micaela's bazaar geopend zou worden, regende +het zoo hard mogelijk. Toen zij in het klooster kwam, waren daar +geen andere menschen dan degenen, die haar zouden helpen verkoopen +en bedienen. + +Zij had wel kunnen schreien! Welk een ongeluksdag! Wie had toch al +dezen tegenspoed over haar hoofd gebracht? + +Donna Micaela's blikken vielen op een vreemden man, die tegen een +pilaar leunde en haar beschouwde. + +Opeens herkende zij hem! Dat was de jettatore. Het was de jettatore +van Catania, dien men haar reeds als kind had leeren vreezen. + +Donna Micaela ging dadelijk naar hem toe. + +"Wilt ge even met mij gaan, signor," zei ze, terwijl zij hem +voorging. Zij wilde zoo ver weggaan, dat niemand hen hooren kon, dan +wilde zij hem verzoeken haar nooit meer onder de oogen te komen. Zij +moest het doen, zij kon niet toelaten dat hij haar geheele leven +verwoestte. + +Zij dacht er in het geheel niet aan waar zij heenging. Plotseling +stond ze bij de deur van de kloosterkerk en trad naar binnen. + +Het was er bijna donker. Alleen een klein olielampje brandde bij +het Christusbeeld. + +Toen donna Micaela het Christusbeeld zag, verschrikte zij. Juist nu had +zij het liever niet gezien. Zij herinnerde zich hoe zijn kroon gerold +was voor Gaetano's voeten, toen deze zoo vertoornd was op de bandieten. + +Misschien wilde het Christusbeeld niet, dat zij den jettatore verstiet. + +Maar zij had toch werkelijk reden hem te vreezen. En 't was slecht +van hem op haar feest te verschijnen. Zij moest trachten hem van hier +te verwijderen. + +Donna Micaela liep de geheele kerk door en stond nu stil voor het +Christusbeeld. + +Zij kon geen woord zeggen tot den man, die haar volgde. Zij herinnerde +zich hoeveel medelijden zij nog onlangs met hem gehad had, omdat hij +gevangen zat, hij evenals Gaetano. + +Zij was zoo gelukkig geweest hem tot het leven terug te voeren. Wat +wilde zij nu doen? + +Hem weer in de gevangenis zenden? + +Zij dacht aan haar vader en aan Gaetano. Zou het nu voor den derden +keer zijn, dat zij... + +Zij stond zwijgend en voerde een hevigen strijd met zich zelf. + +Eindelijk begon de jettatore te spreken. + +"Niet waar, signora, ge hebt genoeg van mij?" + +Donna Micaela maakte een ontkennende beweging. + +"Wenscht gij, dat ik terugkeer naar mijn cel?" + +"Ik begrijp u niet, signor." + +"Ja zeker, gij begrijpt me wel. Er is u vandaag iets vreeselijks +overkomen. Gij ziet er nu geheel anders uit dan dezen morgen." + +"Ik ben zeer moede," zei donna Micaela ontwijkend. + +Hij trad dicht op haar toe, als om haar de waarheid af te dwingen. De +vragen en antwoorden volgden elkaar kort en stootend. + +"Ziet ge niet, dat uw geheele feest dreigt te mislukken?" + +"Dan doen we het morgen weer over." + +"Hebt ge mij dan niet herkend?" + +"Ja, ik heb u vroeger wel eens in Catania gezien." + +"En gij zijt niet bang voor den jettatore?" + +"Ja, vroeger als kind." + +"Maar nu zijt ge niet meer bevreesd?" + +Zij ontweek hem te antwoorden. + +"Zijt ge zelf bang?" vroeg ze. + +"Zeg de waarheid!" zei hij ongeduldig. "Wat wildet gij mij zeggen, +toen gij mij hierheen voerdet?" + +Zij zag onrustig om zich heen. Zij moest hem iets zeggen, zij moest +hem een antwoord geven. Toen kwam er een gedachte in haar op, die +haar angstig maakte. Zij zag naar het Christusbeeld. + +"Eischt gij dit van mij?" scheen ze hem te vragen. + +"Moet ik dit doen voor een vreemden man? Maar dit staat immers gelijk +met mijn eenige hoop te vernietigen." + +"Ik weet nauwelijks of ik het wel wagen durf u te zeggen, wat ik u +verzoeken wilde," zeide zij. + +"Neen, ziet ge wel dat gij den moed niet hebt." + +"Ik ben van plan een spoorweg aan te leggen, weet ge dat?" + +"Ja, dat weet ik." + +"Ik wilde u vragen of gij mij helpen wildet?" + +"Ik! Ik!" + +Nu zij eenmaal begonnen was, viel het haar gemakkelijker te +vervolgen. Zij was verbaasd hoe natuurlijk het klonk, toen zij het +hem vroeg. + +"Ik weet, dat ge een spoorwegingenieur zijt. Ja, ge begrijpt wel, +dat aan mijn spoorweg geen geld verdiend wordt. Maar het was beter, +dat ge me hielpt, dan dat ge in uw cel opgesloten zit. Gij verspilt +slechts uw tijd." + +Hij keek haar bijna streng aan. + +"Weet ge, wat ge daar zegt?" + +"Ja, het is natuurlijk een vermetel verzoek." + +"Ja juist, een vermetel verzoek." + +Daarna begon de ongelukkige man haar te waarschuwen voor al het onheil, +dat haar dreigde, indien zij zijn hulp aannam. + +"Het zou met uw spoorweg gaan, zooals met uw feest." + +Donna Micaela was overtuigd van de waarheid zijner woorden, maar zij +had nu alle wegen achter zich afgesloten, zij moest nu voortgaan, +goed te zijn. + +"Mijn feest zal spoedig in vollen gang zijn," zei ze beslist. + +"Hoor naar mij, donna Micaela," zei de jettatore. + +"Het laatste waaraan men weigert niet te gelooven is aan zich zelf. Men +kan niet nalaten zich zelf te vertrouwen." + +"Neen, waarom zou men dat ook doen?" + +Hij maakte een beweging, alsof hij ongeduldig was over haar vertrouwen. + +"Toen ik eerst over de zaak begon te denken," zei hij, "troostte ik +mij gemakkelijk. Door een paar ongelukkige toevallen, zei ik tot mij +zelf, heb je den naam van jettatore gekregen, zoodat dit langzamerhand +een vaste overtuiging is geworden. En juist dit geloof sticht het +kwaad. Men heeft mij ontmoet en geloofd, dat men zou verongelukken, +en toen geschiedde het ook. Het is een ongeluk erger dan de dood, +aangezien te worden voor een jettatore. Maar gij behoeft het zelf +niet te gelooven." + +"Het is zoo ongerijmd," zei donna Micaela. + +"Ja, niet waar, hoe zouden mijn oogen de macht bezitten kwaad te +stichten? Ik wilde een proef nemen. Ik reisde naar een plaats, waar +niemand mij kende. Den volgenden morgen las ik in de courant, dat door +den trein waarmee ik gereisd had, een baanwachter overreden was. Toen +ik een dag in het hotel was, zag ik dat de hotelhouder wanhopig was, +en alle gasten ontsteld waren. + +"Wat is er gebeurd?" vroeg ik. + +"Een van onze bedienden is door de pokken aangetast. O, welk een +ellende!" + +"Donna Micaela, toen sloot ik mij op en onthield mij van allen omgang +met menschen. + +"Toen een jaar verstreken was, kwam ik tot rust. Ik ben immers +geen gevaarlijk mensch, zei ik, en ik wil toch niemand eenig kwaad +doen. Waarom zou ik dan als een misdadiger leven? + +"Ik had mij juist voorgenomen terug te keeren tot het leven, toen ik +fra Felice in een der gangen ontmoette. + +"Fra Felice, waar is de kat?" + +"De kat, signor?" + +"Ja, de kat van 't klooster, wie ik altijd melk geef. Waar is zij?" + +"Zij is in een rattenval geraakt." + +"Wat zegt u, fra Felice?" + +"De kat is met haar staart in de val gekomen en kon zich toen niet +bevrijden. Zij heeft zich naar een der ramen gesleept en is van +honger gestorven." + +"Wat zegt ge daarvan, donna Micaela?" + +"Was het dan uw schuld, dat de kat stierf?" + +"Ik ben immers een jettatore." + +Zij trok de schouders op. "Ach, welk een dwaasheid!" + +"Toen eenige tijd verstreken was, ontwaakte opnieuw de lust in mij +om te leven. Toen klopte Gandolfo op mijn deur en noodigde mij op +dit feest. Waarom zou ik niet gaan? Men kan onmogelijk van zich zelf +gelooven, dat men ongeluk aanbrengt, alleen door zich te vertoonen. + +"'t Was reeds een feest, donna Micaela, me klaar te maken, en mijn +zwarte kleeren voor den dag te halen, ze te borstelen en aan te +trekken. Maar toen ik op het feestterrein kwam, was dit verlaten, +de regen stroomde neer, en uw Venetiaansche ballons waren vol water. + +"En gij zelf zaagt er uit, alsof al de rampen van het leven u op één +dag getroffen hadden. + +"Toen ge mij zaagt, werdt ge aschgrauw van schrik. + +"Ik vroeg iemand: Hoe heet signora Alagona van zich zelf?--Palmeri-- + +"O, Palmeri, zij is dus uit Catania? Zij heeft den jettatore herkend." + +"Ja, 't is waar, ik heb u herkend." + +"Ge zijt zeer goed en vriendelijk geweest en ik ben zeer bedroefd, +dat ik uw feest verstoord heb. Maar nu beloof ik u, dat ik mij verre +van uw feest zoowel als van uw spoorweg zal houden." + +"Waarom zoudt gij u daar verre van houden?" + +"Ik ben immers een jettatore." + +"Dat geloof ik niet. Ik kan het niet gelooven." + +"Ik geloof het zelf ook niet. Maar toch, ja, ik geloof het. Weet ge, +dat men zegt, dat niemand een jettatore kan overwinnen, dan hij die +even groot in slechtheid is, als de jettatore zelf? + +"Men vertelt, dat eens een jettatore in den spiegel zag, en dat hij +toen neerstortte en stierf. Ik zie nooit in den spiegel. Ik geloof +het dus zelf." + +"Ik geloof het niet. Misschien geloofde ik het nog wel, toen ik u +daarbuiten zag. Nu echter geloof ik het niet meer." + +"Gij wildet mij misschien laten werken aan uw spoorweg?" + +"Ja, ja, indien gij slechts zelf wilt." + +Weer trad hij dicht op haar toe, en zij wisselden eenige korte zinnen. + +"Kom in het licht, ik wil uw gelaat zien." + +"Ge gelooft, dat ik niet de waarheid spreek?" + +"Ik geloof, dat ge slechts beleefd wilt zijn." + +"Beteekent die spoorweg iets voor u?" + +"Die beteekent leven en geluk voor mij." + +"Hoezoo?" + +"Die moet iemand winnen, dien ik liefheb." + +"Zeer lief?" + +Zij antwoordde niet, maar hij kon het antwoord lezen in haar blik. + +Toen viel hij op de knieën voor haar en boog zijn hoofd zoo diep, +dat hij den zoom van haar kleed kon kussen. + +"Gij zijt goed, gij zijt zeer goed. Dit zal ik nooit vergeten. Indien +ik degene was, waarvoor ge mij hieldt, hoe zou ik u dan dienen!" + +"Maar ge moet mij dienen," zei ze. En zij was zoo getroffen door zijn +ongeluk, dat zij in het geheel geen vrees meer gevoelde, dat hij haar +deren zou. + +Hij sprong op. + +"Ik wil u iets zeggen. Ge kunt niet loopen zonder te struikelen +wanneer ik naar u zie." + +"O, waarom niet?" + +"Beproef het!" + +En zij beproefde het. Maar zij was bang. Reeds bij de eerste schrede +voelde zij zich onzeker. + +Maar toen dacht zij: "Indien het voor Gaetano was, dan kon ik het +zeker wel." En toen ging het ook. + +Zij liep heen en weer. + +"Zal ik het nog één maal doen?" Hij knikte. + +Terwijl zij liep kwam de gedachte bij haar op: + +Het Christusbeeld heeft den vloek van hem genomen, omdat hij mij +wil helpen. + +Zij wendde zich plotseling om en kwam naar hem toe. + +"Weet ge, weet ge dat ge geen jettatore zijt?" + +"Ben ik dat niet?" + +"Neen, neen!" zij greep hem bij den arm en schudde dien. "Begrijpt +ge dan niet, ziet ge dan niet? 't Is van u genomen." + +De stem van den kleinen Gandolfo klonk buiten de kerk. + +"Donna Micaela, donna Micaela, waar zijt ge? Er zijn zooveel menschen, +donna Micaela! Waar zijt ge?" + +"Regent het dan niet meer?" zei de jettatore met onzekere stem. + +"'t Regent niet meer, hoe zou het kunnen regenen? Het Christusbeeld +heeft den vloek van u genomen, opdat gij zijn spoorweg zoudt kunnen +dienen." + +De man wankelde en greep met zijn hand in de lucht. + +"'t Is weg. 'k Geloof, dat het weg is. Nog zooeven was het over mij, +maar nu..." + +Weer wilde hij knielen voor donna Micaela. + +"Dank mij niet," zei zij. "Maar hem, hem!" en zij wees op het +Christusbeeld. + +Maar toch viel hij voor haar op de knieën, kuste haar handen, en onder +snikken en tranen vertelde hij haar hoe de menschen hem vervolgd en +verafschuwd hadden en hoeveel ellende het leven hem gebracht had. + +Den volgenden dag begon de jettatore te werken aan den spoorweg. En +hij was niet gevaarlijker dan eenig ander mensch. + + + + + + +IX. + +HET PALEIS GERACI EN HET PALEIS CORVAJA. + + +In den tijd, toen de Noormannen nog op Sicilië heerschten, lang +voordat het geslacht Alagona op het eiland kwam, werden in Diamante +twee heerlijke gebouwen opgetrokken, het palazzo Geraci en het +palazzo Corvaja. + +De edele baronnen Geraci kozen hun verblijf bij de markt, hoog op de +kruin van den Monte Chiaro. De baronnen Corvaja daarentegen bouwden +hun paleis aan den voet van den berg en omgaven het met groote parken. + +De zwarte lavamuren van het palazzo Geraci werden opgetrokken rondom +een kleinen, vierkanten binnenhof, die louter stemming en heerlijkheid +was. Een hooge trap, onder een eerepoort met wapens versierd, voerde +naar de tweede verdieping. + +Niet rondom den hof, maar hier en daar op de meest onverwachte +plaatsen openden de muren zich om plaats te maken voor kleine, met +zuilen versierde loggia's. + +De wanden waren bedekt met reliëfs, bonte platen Siciliaansch marmer +en met de wapenschilden der baronnen Geraci. Er waren ook vensters, +maar die waren zeer klein, met prachtig bewerkte vensterkozijnen. Er +waren ronde raampjes met zulke kleine lichtopeningen, dat ze bedekt +konden worden door een druiveblad, of langwerpige, die zoo smal waren, +dat ze niet meer licht doorlieten dan een reet van een gordijn. + +De baronnen van Corvaja dachten er niet aan den binnenhof van +hun paleis te versieren, maar ze bouwden een heerlijke zaal op +de benedenverdieping. In den vloer werden groote waterbakken voor +goudvisschen gemetseld, in de muurnissen werden fonteinen met mozaïek +geplaatst, waar helder water neerbruiste in geweldige reuzenschelpen. + +Boven deze zaal welfden zich Moorsche bogen, gedragen door slanke +zuilen, omslingerd door ranken van mozaïek. Het was een zaal, waarvan +de weerga slechts te vinden was in het Saracenenslot te Palermo. + +Er heerschte een felle wedijver tusschen de beide geslachten gedurende +de gansche bouwperiode. + +Wanneer het palazzo Geraci een balkon kreeg, werd het palazzo Corvaja +versierd met hooge Gothische boogvensters; toen het dak van het paleis +Geraci getooid werd met rijk gebeeldhouwde tinnen, werd er op het +palazzo Corvaja een meterhooge fries aangebracht van zwart marmer +met wit ingelegd. + +Het huis Geraci had een hoogen toren, maar het paleis Corvaja een +dakterras met hooge vazen op de balustrade. + +Toen de paleizen eindelijk voltooid waren, werd de wedstrijd voortgezet +tusschen de families die ze gebouwd hadden. + +De vijandschap en de strijd schenen zich van de huizen mee te deelen +aan allen, die daarin woonden. + +Een baron Geraci kon nooit gelijk denken met een baron Corvaja. + +Als Geraci voor Anjou streed, vocht Corvaja voor Manfred. Veranderde +Geraci van kleur en stond hij Aragonie bij, dan trok Corvaja naar +Napels om voor Robert en Johanna te strijden. + +Maar dat alles was nog niet genoeg. Het stond vast, dat wanneer Geraci +een schoonzoon kreeg, ook Corvaja zijn macht moest vermeerderen door +een goed huwelijk. + +De beide geslachten konden nooit tot rust komen. + +Men moest eten om strijd, zich vermaken om strijd, en werken om +strijd. De Geraci's trokken naar het hof der Bourbons in Napels, +niet uit lust om zich te onderscheiden, maar omdat de Corvaja's daar +ook waren. + +De Corvaja's van hun kant moesten wijn verbouwen en zwavelmijnen +bezitten, omdat de Geraci's belangstelden in landbouw en mijnwezen. + +Als een Geraci een erfenis gekregen had, moest ook een oude +bloedverwant van Corvaja sterven, opdat de eer van het geslacht niet +overstraald zou worden. + +'t Palazzo Geraci had voortdurend werk om zijn dienaren te tellen, +opdat het palazzo Corvaja het niet zou overtreffen. + +Maar niet alleen lette men op de bedienden, men hield ook rekening +met de galons der livreien en met het tuig der paarden. + +De pluimen van Corvaja's vierspan mochten geen duim hooger zijn dan +die der Geraci's. Hun kudden geiten moesten zich in dezelfde mate +vermenigvuldigen, en de ossen der Geraci's moesten even groote hoornen +hebben als die van Corvaja. + +Men zou geloofd hebben, dat in onze dagen de vijandschap tusschen +beide paleizen geëindigd was. Nu woont er noch een der Corvaja's in +het eene paleis, noch een der Geraci's in het andere. + +Nu is de binnenhof der Geraci's een vuile plaats, waarop zoowel +ezelstallen als varkenshokken en kippenloopen te vinden zijn. Op de +hooge trap hangen lompen te drogen, en de reliëfs zijn beschadigd +en gebroken. + +In een der beide hallen wordt handel in groenten gedreven, in de +andere is een schoenmakerswerkplaats. + +De poortwachter ziet er uit als een ellendige bedelaar, en van den +kelder tot den zolder vindt men niets anders dan arme uitgehongerde +menschen. + +En met het paleis Corvaja gaat het niet veel beter. + +Er is geen spoor meer te vinden van de mozaïekbekleeding in de groote +zaal, nu zijn er nog slechts naakte, kale gewelven. + +Daar wonen geen bedelaars, omdat het paleis voor het grootste gedeelte +in puinhoopen ligt. Slechts zijn schoone gevel met de gebeeldhouwde +vensterbogen verheft zich nog naar den blauwen Siciliaanschen hemel. + +Maar toch is de vijandschap tusschen Geraci en Corvaja niet +geëindigd. In de oude tijden waren het niet alleen de edele +geslachten zelve, die met elkaar in strijd waren, maar ook hun buren +en onderhoorigen. + +Gansch Diamante werd verdeeld tusschen Geraci en Corvaja. Nog loopt +er een hooge, met puntige glasscherven bedekte muur door de stad, +die het deel van Diamante, dat aan de zijde der Geraci's staat, +scheidt van dat, hetwelk zich voor Corvaja verklaard heeft. + +Nog in onze dagen wil geen man van Geraci trouwen met een meisje +van Corvaja. En een herder van Corvaja kan zijn schapen niet laten +drinken van de bron van Geraci. Ze hebben niet eens dezelfde heiligen. + +San Pasquale wordt aangebeden door Geraci, terwijl de zwarte Madonna +de schutspatrones van Corvaja is. + +Een man van Geraci zal nooit iets anders gelooven, dan dat geheel +Corvaja vol is van toovenaars, heksen en weerwolven. + +Een man van Corvaja zal bij zijn zaligheid zweren, dat in Geraci +niets anders gevonden worden dan bandieten en gauwdieven. + +Donna Micaela woonde op Geraci's gebied, en spoedig waren al de +bewoners van dat stadsdeel aanhangers van haar spoorweg. Maar toen +kon Corvaja natuurlijk niets anders doen dan haar tegenwerken. + +Corvaja's bewoners waren bizonder misnoegd over twee zaken. Ze waren +naijverig op de eer der zwarte Madonna en het stond hun dus niet aan, +dat er nog een wonderdoend beeld in Diamante gekomen was. + +Dit was het eene; het tweede was, dat zij vreesden dat de Mongibello +geheel Diamante onder asch en vuur zou begraven, indien men hem door +een spoorweg wilde bedwingen. + +Eenige dagen na den bazaar, begon het palazzo Corvaja zich vijandig te +gedragen. Donna Micaela vond op een dag op haar dakterras een citroen, +die zoo dicht met spelden bezet was, dat die geleek op een stalen bal. + +Die kwam van het palazzo Corvaja, dat zoo vele smarten in haar hoofd +wilde tooveren, als er spelden in den citroen waren. + +Toen wachtte Corvaja eenige dagen om te zien welke uitwerking de +citroen had. Maar toen donna Micaela's arbeiders bleven doorwerken +aan den spoorweg, kwamen de mannen van Corvaja op een nacht om den weg +op te breken. En toen de staven den volgenden dag weer gelegd waren, +sloeg men de ruiten in San Pasquale stuk en wierp het Christusbeeld +met steenen.-- + +--Het was een langwerpig en smal marktplein aan de Zuidzijde van +den Monte Chiaro. Aan de beide lange zijden stonden donkere, hooge +huizen. Aan een der korte zijden gaapte een afgrond, aan den anderen +kant verhief zich een steile berg. Er waren terrassen uitgehouwen +in de berghelling, maar de trappen waren vervallen en de treden +gebroken. Op het grootste terras verhief zich de statige ruïne van +het paleis Corvaja. + +Het voornaamste sieraad van het marktplein was een prachtig, langwerpig +waterbassin, dat onder de terrassen, dicht bij den berg stond. Het +was van sneeuwwit marmer met relief versierd en gevuld met helder, +koel water. Dit was het best bewaard gebleven van al de vroegere +heerlijkheden van Corvaja. + +Op een schoonen, vredigen avond kwamen er twee dames, in het zwart +gekleed, op het kleine marktplein. Op dit oogenblik lag het geheel +verlaten. De beide dames keken rond, maar toen zij geen enkel mensch +zagen, namen zij plaats op de bank bij de bron om te wachten. + +Spoedig kwamen er eenige nieuwsgierige kinderen te voorschijn en +keken naar haar, en de oudste der beide dames begon met de kinderen +te spreken. Zij vertelde hun sagen. + +"Er was eens," zei ze. + +Toen vertelde ze den kinderen van het Christuskind, dat zich +in rozen en leliën veranderde, toen de Madonna een van Herodes' +soldaten ontmoette, die het bevel ontvangen hadden alle kinderen te +dooden; en ze luisterden naar de legende van het Christuskind, dat +eens vogelen van leem maakte, en in de handen klapte en den leemen +koekoeken vleugels gaf om weg te vliegen, toen een slechte knaap ze +kapot wilde slaan. + +Terwijl de oude dame sprak, verzamelden zich vele kinderen om haar +heen, maar ook volwassen menschen. 't Was juist Zaterdagavond, zoodat +de arbeiders van hun werk op het land terugkeerden. De meesten kwamen +bij Corvaja's bron om een teug koel water te drinken vóórdat zij naar +huis gingen. + +Toen zij hoorden dat er sagen verteld werden, bleven zij staan om +te luisteren. + +De beide dames waren spoedig omringd door een donkeren muur van grove, +zwarte mantels en slappe hoeden. + +Plotseling zei de oude dame tot de kinderen: + +"Houdt ge van het Christuskind?" + +"Ja, ja," zeiden ze en hun groote, donkere oogen schitterden. + +"Zoudt ge het gaarne willen zien?" + +"Ja, ja," riepen de kinderen. + +De dame sloeg haar mantille op en toonde den kinderen een klein +Christusbeeld, rijk versierd met ringen, en een gouden kroon op het +hoofd en gouden schoentjes aan de voeten. + +"Hier is het," zei ze. "Ik heb het meegenomen om het je te toonen." + +De kinderen waren opgetogen. Eerst vouwden ze hun handjes voor het +ernstige gezicht van het beeld, toen wierpen zij het kushandjes toe. + +"Is hij niet schoon?" zei de oude dame. + +"Mogen wij hem hebben, mogen wij hem hebben?" riepen de kinderen. + +Maar nu drong een groote, ruwe arbeider, een donkere man met ruigen, +zwarten baard, naar voren. Hij wilde het beeld tot zich rukken. + +De oude dame had nauwelijks den tijd om het achter haar rug te +verbergen. + +"Geef hier, donna Elisa, geef hier!" zei de man. + +De arme donna Elisa wierp een blik op donna Micaela, die den ganschen +tijd stil en misnoegd naast haar gezeten had. Donna Micaela had zich +slechts met moeite laten overreden om mede te gaan naar Corvaja om +het beeld aan het volk te toonen. + +"'t Beeld helpt ons, wanneer het wil," zei zij. "Wij moeten het niet +tot wonderen dwingen." + +Maar donna Elisa had volstrekt willen gaan; ze had gezegd, dat het +beeld slechts wachtte om tot de ontrouwe stakkers in Corvaja gevoerd +te worden. + +Na alles, wat hij reeds gedaan had, konden zij wel zooveel vertrouwen +in hem stellen, dat ze geloofden dat hij ook deze menschen voor zich +zou winnen. + +Maar nu stond zij daar, donna Elisa, terwijl de woeste man zich over +haar heen boog en zij wist niet hoe zij kon verhinderen, dat hij het +beeld nam. + +"Geef het mij goedschiks, donna Elisa," zei de man, "anders, bij God, +neem ik het met geweld. Ik zal het in stukjes, in kleine, kleine +stukjes hakken. + +"Ge zult zien hoeveel er overblijft van uw houten pop. + +"Ge zult eens zien of 't het zal kunnen volhouden tegen de zwarte +Madonna." + +Donna Elisa drukte zich tegen den bergwand, ze zag geen uitweg. Ze +kon noch vluchten, noch zich verzetten. + +"Micaela!" riep zij klagend, "Micaela!" + +Donna Micaela was zeer bleek. Zij hield de handen tegen het hart +gedrukt, zooals ze placht te doen, als ze heftig bewogen was. Zij vond +het vreeselijk, vijandig te staan tegenover deze donkere mannen. 't +Waren juist deze mannen in korte mantels met slappe hoeden, waarvoor +zij altijd zoo bang was. + +Maar nu donna Elisa haar riep, wendde zij zich plotseling om, trok +het beeld naar zich toe en strekte het naar den man uit. + +"Neem het," zei zij fier. En zij ging hem zelfs een schrede +tegemoet. "Neem het en doe er mee, wat ge kunt." + +Zij hield het beeld voor zich uitgestrekt en trad al dichter op den +donkeren arbeider toe. + +Hij wendde zich naar zijn kameraden. + +"Zij gelooft dat ik haar pop niets doen kan," zei hij hoonend. + +En alle arbeiders sloegen zich op de knieën en lachten. + +Hij nam het beeld echter niet, maar greep naar de groote spade, +die hij in de hand hield. Hij week een paar stappen achteruit, hief +de spade boven zijn hoofd, en spande al zijn spieren tot een slag, +die in eens het gehate beeld zou verpletteren. + +Donna Micaela schudde waarschuwend het hoofd. + +"Je kunt het toch niet," zei ze en ze trok het beeld niet terug. + +Hij zag dat zij toch bevreesd was, en hij genoot van haar angst. + +Zoo stond hij langer met opgeheven spade dan strikt noodzakelijk was. + +"Piero!" klonk het toen luid jammerend. "Piero, Piero!" + +"Mijn God, Marcia roept mij," zei hij. + +Op hetzelfde oogenblik stormde een schaar menschen uit een kleine hut, +die gebouwd was tusschen de puinhoopen van het palazzo Corvaja. Het +waren ongeveer tien vrouwen, die met een karabinier vochten. + +De karabinier hield een kind op den arm, en de vrouwen trachtten hem +dit kind te ontrukken. Maar de politieagent, die een sterke man was, +maakte zich van haar allen los, zette het kind op den schouder, +en sprong de trede van het terras op. + +De donkere Piero had er naar gekeken zonder een beweging te maken. Toen +de karabinier zich losrukte, boog hij zich tot donna Micaela en +zei haastig: + +"Kan het beeld dit verhinderen, dan zal geheel Corvaja aan zijn +zijde staan." + +Nu was de karabinier op de markt. Piero maakte een beweging met +de hand, oogenblikkelijk sloten zijn kameraden een kring om den +vluchtende. Waar deze zich wendde, overal zag hij een dichte rij +mannen om zich heen, die hem dreigden met hun schoppen en spaden. + +Er ontstond plotseling een vreeselijke verwarring. De vrouwen, +die met den karabinier gestreden hadden, stortten zich nu gillend +tusschen de mannen. 't Meisje, dat de agent vasthield, schreeuwde +uit al haar macht en trachtte zich los te rukken. Menschen kwamen +van alle kanten aanstormen. Het was een ontzettend getier en geraas. + +"Laten wij nu gaan," zei donna Elisa tot donna Micaela. "Nu denkt +niemand meer aan ons." + +Maar donna Micaela's blik was gevallen op een der vrouwen. Zij +schreeuwde niet, maar men zag dadelijk dat haar de zaak aanging. Men +kon het haar aanzien, dat zij op het punt stond het geluk van haar +leven te verliezen. + +Het was een vrouw, die eens zeer schoon geweest moest zijn, hoewel +nu alle frischheid van haar geweken was, want zij was niet jong +meer. Maar nog had zij een indrukwekkend en fier gelaat. "Hier is +een ziel, die kan lijden en liefhebben," zei het gezicht. + +Donna Micaela voelde zich innig aangetrokken tot deze arme vrouw. + +"Neen, nog is het geen tijd om weg te gaan," zei ze tot donna Elisa. + +De karabinier vroeg en vroeg of men hem wilde laten gaan. + +"Neen, neen. Niet voordat hij het kind losliet!" + +'t Kind was van Piero en zijn vrouw Marcia, maar zij waren niet de +werkelijke ouders van het kind, daardoor was de twist ontstaan. + +De karabinier trachtte door overreding het volk aan zijn zijde te +krijgen. Niet Piero of Marcia, maar de anderen wilde hij overtuigen. + +"Ninetta is de moeder van het kind," zei hij, "dat weet ge immers +wel. Zij kon het kind niet bij zich hebben, toen zij ongetrouwd was, +maar nu is zij getrouwd en wil haar kind terughebben. En nu weigert +Marcia Ninetta's zoontje af te staan. 't Is zoo hard voor Ninetta, +die in acht jaar haar kind niet bij zich gehad heeft. Marcia wil het +niet afstaan; zij jaagt Ninetta weg, als zij om haar kind vraagt. Ten +slotte moest Ninetta bij den sindaco om hulp vragen. En de sindaco +heeft ons bevolen, haar het kind terug te bezorgen. + +"'t Is toch ook Ninetta's kind," zei hij overredend. + +Maar zijn woorden hadden niet veel uitwerking op de mannen van Corvaja. + +"Ninetta is een Geraci," riep Piero en de kring bleef rondom den +karabinier gesloten. + +"Toen we hier kwamen om het kind te halen," zei deze, "konden we het +niet vinden. Marcia was in den rouw, haar kamer was met zwart doek +bekleed, en vele vrouwen zaten bij haar te treuren. Zij toonden ons +het doodattest van het kind. Wij gingen naar Ninetta om haar te zeggen +dat haar kind op het kerkhof lag. + +"Nu goed! Een uur later moest ik hier op de markt op wacht staan. Ik +keek naar de spelende kinderen. Wie was het sterkste en wie riep het +luidst? Was dat niet een der meisjes? "Hoe heet je?" vroeg ik haar. + +"Francesco," antwoordde zij dadelijk. + +"'t Viel mij in dat dit meisje Francesco Ninetta's knaap kon zijn, en +ik wachtte stil, tot ik Francesco in Marcia's huis zag gaan. Ik trad +binnen en zag het meisje Francesco avondbrood eten bij Marcia. Zij +en al de treurende vrouwen begonnen te schreeuwen, toen zij mij +zagen. Toen greep ik signorina Francesco en vluchtte met haar, want +het kind is niet van Marcia. Begrijp het toch, signori! Het is van +Ninetta. Marcia heeft er geen recht op." + +Toen begon Marcia eindelijk te spreken. Zij sprak met een diepe stem, +die de omstanders dwong naar haar te luisteren, en zij maakte slechts +weinige maar edele gebaren. + +"Had zij geen recht op het kind? Maar wie had het dan voedsel en +kleeren gegeven? Het was duizend malen gestorven, indien zij het niet +genomen had. + +"En bovendien, recht! recht! Wat wilde dat zeggen? Degene, die het +kind liefhad, had recht op het kind. Piero en zij hadden den jongen +lief als hun eigen zoon. Zij konden niet van hem scheiden." + +De vrouw was wanhopig, maar misschien de man nog meer. Hij dreigde den +karabinier, zoodra deze zich slechts bewoog. Toch scheen de karabinier +te merken, dat hem de zege zou geworden. + +Men had gelachen toen hij sprak van signorina Francesco. + +"Dood mij, als ge wilt," zei hij tot Piero. "Maar helpt je dat? Zal +je het kind daardoor mogen behouden? Het is niet van jou maar van +Ninetta." + +Piero wendde zich tot donna Micaela. + +"Bid hem, dat hij mij helpt!" Hij wees op het beeld. + +Donna Micaela ging dadelijk naar Marcia. Zij was vol vrees en beefde +voor hetgeen zij waagde, maar nu was het geen tijd zich te onthouden +van inmenging. + +"Marcia," fluisterde zij, "beken! Beken het als je durft." + +De vrouw zag haar ontsteld aan. + +"Ik zie het immers," fluisterde donna Micaela. "Gij zijt zoo gelijk +als twee appels van denzelfden boom.--Maar ik zal niets zeggen, +als je het niet wilt." + +"Hij zal mij dooden," zei Marcia. + +"Ik weet, dat er één is, die niet zal toestaan dat hij u doodt," +zei donna Micaela. "Anders ontneemt men u het kind," vervolgde zij. + +Allen zwegen en keken naar de beide vrouwen. Men zag hoe Marcia +met zich zelf streed. Haar gelaatstrekken vertrokken zich in hevige +ontroering. Toen bewoog zij de lippen. "Het is mijn kind," zei zij, +maar haar stem was zoo diep, dat niemand het hoorde. Zij zei het nog +eens, nu klonk het als een doordringende kreet. + +"Het kind is van mij." + +"Wat zal je mij doen, nu ik het beken?" zei ze tot haar man. "Het +kind is van mij, maar niet van jou. Het werd geboren in het jaar, +dat jij in Messina werkte. Ik bracht het bij La Felucca en daar was +ook het zoontje van Ninetta. Een dag toen ik bij La Felucca kwam, +zei ze: Ninetta's zoontje is dood. Eerst dacht ik slechts: God, +indien het mijn kind was geweest! + +"Maar toen zei ik tot La Felucca: Laat mijn jongen dood zijn, en laat +Ninetta's zoontje leven. Ik gaf La Felucca mijn zilveren kam en zij +deed, gelijk ik wilde. + +"Toen jij thuis kwam van Messina, zei ik tot je: + +"Laten we een kind aannemen. 't Is nooit goed tusschen ons beiden +geweest. Laten we het eens probeeren met een kind." Jij vondt het goed, +en ik nam mijn eigen kind tot mij. En jij kreeg het kind lief en wij +leefden als in een paradijs." + +Reeds vóórdat zij uitgesproken had, zette de karabinier het kind op +den grond. De donkere mannen openden zwijgend hun gelederen voor hem +en hij vervolgde stil zijn weg. + +Maar een rilling voer donna Micaela door de leden, toen ze den +karabinier zag weggaan. Juist nu moest hij gebleven zijn om de +ongelukkige vrouw te beschermen. + +Het was als wilde hij door zijn heengaan zeggen: + +Die vrouw staat buiten de wet. + +De een na den ander ging weg. + +Piero stond roerloos en keek niet op. Maar de beklemming van iets +geweldigs en ontzettends lag op hem; toorn en wanhoop wies in hem +tot toomloozen hartstocht. Zoodra hij en Marcia alleen zouden zijn, +zou er iets ontzettends gebeuren. + +En het vreeselijkste was, dat de vrouw geen enkele poging deed om +haar noodlot te ontgaan. Zij stond onbeweeglijk, verlamd door de +zekerheid, dat haar vonnis geveld was en dat niets dit kon doen +veranderen. Zij smeekte noch vluchtte. Zij kromp ineen als een hond +voor zijn toornigen meester. + +De Siciliaansche vrouwen weten wat haar wacht, wanneer zij de eer +van haar man beleedigd hebben. + +De eenige, die haar trachtte te verdedigen, was donna Micaela.--Nooit +zou zij Marcia gevraagd hebben het te bekennen, zei zij tot Piero, +indien zij geweten had, hoe hij was. Zij had geloofd dat hij een +edele man was. Een edel mensch zou gezegd hebben: "Ge hebt slecht +gehandeld, maar omdat gij uw misdaad bekend hebt voor allen en ge +u aan mijn toorn blootgesteld hebt om uw kind te redden, schenk ik +u vergiffenis. Ge hebt straf genoeg gehad." Een edele man zou het +kind op den eenen arm genomen hebben, en den anderen om zijns vrouws +middel geslagen hebben, en stil naar huis gegaan zijn. Een signor zou +zoo gehandeld hebben. Maar hij was geen signor, hij was een bloedhond. + + + +Zij kon spreken zoo veel zij wilde, de man hoorde haar niet, de vrouw +hoorde haar niet. Het was alsof haar woorden teruggekaatst werden +door een ondoordringbaren muur. + +Het kind ging naar den vader en trachtte zijn hand te grijpen. Hij +keek den knaap toornig aan; nu deze gekleed was in meisjeskleeren en +zijn haar gladgekamd en achter de ooren weggestreken was, zag hij +dadelijk de gelijkenis met Marcia, die hem vroeger nooit getroffen +had. Hij schopte Marcia's zoon van zich weg. + +Een drukkende stemming heerschte er op de markt. De menschen trokken +zich langzaam en stil terug. Velen gingen onwillig en aarzelend, +maar zij gingen toch. Piero scheen slechts te wachten tot de laatste +heengegaan was. + +Donna Micaela had opgehouden te spreken, ze nam stil het Christusbeeld +en legde het in Marcia's armen. + +"Neem hem, zuster Marcia, moge hij u beschermen," zei ze. + +De man zag dit en het scheen zijn toorn te vermeerderen. 't Was +alsof hij niet meer op het oogenblik kon wachten, dat zij alleen +zouden zijn. Hij kromde zijn lichaam gelijk een roofdier, dat zich +gereedmaakt tot een sprong. + +Maar het beeld rustte niet tevergeefs in Marcia's armen. + +De verworpeling bewoog haar tot een handeling van de hoogste liefde. + +Wat zal Christus in het paradijs zeggen tot mij, die eerst mijn man +bedrogen en hem later tot een moordenaar gemaakt heb? dacht zij. En +zij herinnerde zich hoe lief ze dien grooten Piero gehad had in de +gelukkige dagen van haar jeugd. Nooit had zij gedacht zulk een ellende +over hem te brengen. + +"Neen, Piero, neen, dood mij niet!" schreeuwde zij. "Zij zullen je +naar de galeien zenden. Je behoeft mij nooit meer te zien." Zij ijlde +naar de andere zijde van de markt, waar een diepe afgrond gaapte. Men +begreep wat zij wilde doen. Haar gezicht sprak voor haar. + +Verscheidene menschen liepen haar na, maar zij was hun een goed eind +vooruit. Toen gleed het beeld dat zij op de armen droeg op den grond, +juist voor haar voeten. Zij struikelde er over en viel. Daardoor +haalden de anderen haar in. Zij worstelde om los te komen, maar een +paar mannen hielden haar vast. + +"Och, laat mij los! 't Is beter voor hem!" + +Maar nu kwam ook haar man bij haar. Hij droeg haar kind op den arm. Hij +was diep ontroerd. + +"Neen, Marcia, blijf!" zei hij. Hij was verlegen, maar zijn donkere +oogen schitterden van vreugde en spraken duidelijker dan woorden. + +"Misschien moest het zoo zijn naar oud gebruik! Maar daaraan stoor ik +mij niet. Kom! 't Zou zonde zijn van zulk een vrouw, als jij, Marcia." + +Hij legde den arm om Marcia's middel en ging met haar naar zijn huis +in de ruïnen van 't palazzo Corvaja. 't Was alsof een der vroegere +baronnen daar zijn intocht hield. De menschen van Corvaja stonden +aan beide zijden van den weg en bogen voor hem en Marcia. + +Toen ze voorbij donna Micaela gingen, stonden ze stil, bogen diep +voor haar en kusten het beeld, dat ze haar teruggaven. Maar donna +Micaela kuste Marcia. + +"Bid voor mij in je geluk, zuster Marcia," zei ze. + + + + + + +X. + +FALCO FALCONE. + + +Nu hadden de blinde zangers week na week gezongen van Diamante's +spoorweg, en de groote collectebus in San Pasquale's kerk was iederen +avond vol gaven. + +Signor Alfredo mat en bakende den weg af op den Etna en de spinnende +vrouwtjes in de donkere stegen vertelden van de heerlijke wonderen, +die het kleine Christusbeeld in de verachte kerk verrichtte. + +Van de rijke en machtige mannen, die grond bezaten op den Etna, kwam +brief na brief, dat zij land wilden afstaan voor het gezegende plan. + +In de laatste weken waren geschenken van alle kanten +toegestroomd. Eenige menschen gaven steenen voor de stations, +anderen schonken kruit om de lavablokken te doen springen, terwijl +weer anderen eten gaven aan de arbeiders. + +Maar de arme menschen in Corvaja, die niets hadden om te geven, kwamen +'s nachts, als zij hun werk gedaan hadden, met spaden en kruiwagens +en bestegen den Etna, om grond uit te graven en den weg te leggen. + +Zoodat als signor Alfredo en zijn arbeiders 's morgens opkwamen, +zij moesten gelooven, dat de toovenaar van den Etna zich losgerukt +had uit zijn lavastroomen om hen bij hun arbeid te helpen. + +Maar zoolang men aan den spoorweg werkte, had men gevraagd: + +Waar blijft toch de koning van den Etna, Falco Falcone? + +Waar is de machtige Falco, die gedurende vijf en twintig jaar over +den Etna geregeerd heeft? + +Hij schreef aan de weduwe van don Ferrante, dat zij dezen spoorweg +niet moest aanleggen. Wat meende hij met zijn bedreiging? + +Waarom houdt hij zich stil, nu men zijn gebod trotseert? + +Waarom schiet hij de mannen van Corvaja niet neer als ze 's nachts +met spaden en houweelen komen aangeslopen? + +Waarom sleept hij de blinde zangers niet in de steengroeve om hen +te geeselen? Waarom laat hij donna Micaela niet schaken uit het +zomerpaleis om haar op deze wijze te dwingen den aanleg te staken van +dezen spoorweg, die het doel haars levens is geworden? Donna Micaela +zei tot zichzelf: "Heeft Falco Falcone zijn woord vergeten of wacht +hij, tot hij ons het zekerst kan treffen?" + +Terwijl men angstig wachtte, dat Falco den spoorweg zou verwoesten, +sprak men over niets anders dan over hem. + +Vooral de arbeiders, die signor Alfredo volgden. Juist tegenover +den ingang van de kerk San Pasquale staat een klein huis tegen den +naakten rotswand. + +'t Huis is smal en hoog, zoodat het gelijkt op een schoorsteen, die +is blijven staan, nadat het huis is afgebrand. 't Is zoo klein, dat +er geen plaats voor de trappen binnenshuis is, maar die zich buiten +tegen den muur moeten opslingeren. + +Hier en daar hangen balkons en andere uitbouwsels die met niet meer +symmetrie geordend zijn dan de vogelnestjes in een boom. + +In dit huis werd Falco Falcone geboren, zijn ouders waren slechts +arme arbeidslieden. Maar in deze armoedige woning had de hoogmoed +zich ontwikkeld bij Falco. + +Zijn moeder was een ongelukkige vrouw, die in de eerste jaren van +haar huwelijk slechts dochters ter wereld bracht. Haar man en haar +buren verachtten haar. + +Deze vrouw smachtte naar een zoon. Toen zij haar vijfde kind +verwachtte, strooide zij iederen dag zout op den drempel, en wachtte +wie dien het eerst zou betreden. + +Zou er eerst een man of een vrouw komen? Zou zij een zoon of een +dochter baren? + +Iederen dag zat zij te tellen. Ze telde de letters van de maand, +waarin het kind geboren zou worden. Ze telde de letters van den naam +van haar man en van haar zelf. Ze telde de cijfers op en trok ze af, +het bleef een even getal. + +Zij zou dus een zoon baren. + +Den volgenden dag telde zij weer opnieuw. + +"Misschien heb ik mij gisteren vergist," zei ze. + +Toen Falco geboren werd, genoot zijn moeder zooveel eer, dat ze hem +om die reden meer beminde dan haar andere kinderen. Als de vader +binnenkwam om naar het kind te zien, nam hij zijn muts af en boog +diep. Boven de poort van het huis zette hij een hoed tot eereteeken +en men wierp het badwater van het kind over den drempel en liet het +over de straat vloeien. + +Falco lag op den rechterarm van zijn peetmoeder, toen hij naar de kerk +gedragen werd, en als de buurvrouwen naar zijn moeder kwamen kijken, +bogen zij voor het kind, dat in de wieg sluimerde. + +Het was ook grooter en sterker dan kinderen van zijn leeftijd +gewoonlijk zijn. Falco had reeds bij zijn geboorte dik, ruig haar, en +toen hij acht dagen oud was, bezat hij reeds een tand. Maar toen zijn +moeder hem aan de borst legde, was hij zoo wild, dat zij lachend zei: + +"Ik geloof dat ik een held het leven geschonken heb." + +Zij verwachtte altijd iets groots van hem, en daardoor wekte zij den +hoogmoed in hem. Maar wie anders verwachtte iets van hem? Falco kon +niet eens leeren lezen. Zijn moeder trachtte hem de letters te leeren. + +Ze wees op de groote A, dat was een hooge hoed, ze zei dat B een bril +was, en C een slang. Dat kon hij leeren. + +Toen zei zijn moeder: als je den bril en den grooten hoed bij elkaar +legt, zeggen ze Ba. Dat kon hij niet leeren. Hij werd boos en sloeg +haar, en zij liet hem met rust. + +"Uit jou wordt toch nooit iets anders dan een held," zei ze. + +In zijn jeugd was Falco lui en slecht. Als kind wilde hij niet spelen, +als volwassene wilde hij niet dansen, ook had hij geen liefste, +maar hij ging gaarne daarheen, waar hij strijd kon verwachten. + +Falco had twee broers, die waren als andere menschen en veel meer +aanzien genoten dan hij. Falco voelde zich gegriefd, omdat hij +achteruitgezet werd bij zijn broeders, maar hij was te trotsch om +dat te toonen. + +En zijn moeder was altijd aan zijn zijde; toen zijn vader overleden +was, liet zij hem aan het hoofdeind van de tafel zitten en zij stond +niet toe, dat men hem bespotte. + +"Mijn oudste zoon is de voornaamste van u allen," zei ze. + +Toen men aan dit alles dacht, zei men: "Falco is hoogmoedig. Hij zal +het zich tot een eer rekenen om den spoorweg te verwoesten." En toen +men bevreesd was geworden door deze herinnering, moest men denken +aan een andere geschiedenis van hem. + +Gedurende dertig jaar, zegt men, leefde Falco gelijk alle andere arme +menschen op den Etna. 's Maandags ging hij met zijn broeders naar +het land. Hij had brood in den zak, voldoende voor een geheele week, +en gelijk ieder ander kookte hij soep van boonen en rijst. En hij was +blijde als hij 's Zaterdagsavonds huiswaarts keerde. Hij verheugde +zich de tafel met wijn en macaroni gedekt, en zijn bed met zachte +kussens gespreid te vinden. + +Het was op zulk een Zaterdagavond. Falco en zijn broeders gingen naar +huis, Falco zooals gewoonlijk een weinig achter de anderen, met een +zwaren, langzamen gang. Maar zie, toen zijn broeders thuis kwamen, +wachtte hen geen avondmaal, hun bed was niet gespreid en de stof lag +nog op den deurdrempel. + +Hoe, waren allen in huis overleden? + +Toen zagen ze hun moeder in een donkeren hoek van de kamer zitten. Heur +haren hingen wanordelijk over haar gelaat en zij teekende met haar +vinger figuren op den grond. + +"Wat is er gebeurd?" vroegen de broers. Zij keek op, zij sprak alsof +zij tot den grond sprak. + +"Wij zijn tot den bedelstaf gebracht, tot den bedelstaf gebracht." + +"Wil men ons het huis ontnemen?" riepen de broeders. + +"Zij willen ons eer en brood ontnemen." + +Toen vertelde zij: "Je oudste zuster was in dienst bij bakker Gasparo, +en dat was een goede dienst. Signor Gasparo gaf Pepa al het brood, +dat overbleef in den winkel, en dat gaf zij mij. Het was zoo veel, +dat het voor ons allen genoeg was. Ik ben gelukkig geweest, sedert +Pepa dezen dienst had. Nu heb ik een onbezorgden ouden dag, dacht ik. + +"Maar den vorigen Maandag kwam Pepa weenend thuis. + +"Signora Gasparo had haar weggejaagd." + +"Wat had Pepa gedaan?" vroeg Nino, die na Falco de oudste was. + +"Signora Gasparo beschuldigde Pepa brood gestolen te hebben. + +"Ik ging naar signora Gasparo om haar te smeeken Pepa weer in haar +dienst te nemen. + +"Neen," zei ze, "het meisje is niet eerlijk." + +"Pepa heeft het brood gekregen van signor Gasparo," zei ik. "Vraag +het hem slechts." + +"Ik kan het hem niet vragen," zei de signora. "Hij is weg en komt +niet vóór de volgende maand thuis." + +"Signora," zei ik, "we zijn zoo arm! Laat Pepa weer bij u in dienst +komen." + +"Neen," zei ze "ik zelf verlaat signor Gasparo, indien hij Pepa weer +in huis neemt." + +"Neem u in acht," zei ik toen, "ontneemt gij mij het brood, dan +ontneem ik u 't leven." + +"Toen werd ze bang en riep om hulp, zoodat ik moest gaan." + +"Wat is er aan te doen?" zei Nino. "Pepa moet een anderen dienst +zoeken." + +"Nino," zei moeder Zia, "je weet niet wat die vrouw zei van Pepa en +signor Gasparo." + +"Wie kan een vrouw verhinderen te spreken?" zei Nino. + +"Indien Pepa niets anders te doen heeft, dan kon zij ten minste het +avondmaal voor ons bereid hebben," zei Toruddo. + +"Signora Gasparo heeft gezegd, dat haar man Pepa brood liet stelen, +omdat zij hem...." + +"Moeder," viel Nino haar met vuurroode kleur in de rede, "ik ben niet +voornemens mij op de galeien te laten zetten, ter wille van Pepa." + +"De galeien verslinden geen Christenen," zei moeder Zia. + +"Nino," zei toen Pietro, "we gaan naar de stad om ons eten te +verschaffen." + +Toen zij dit zeiden, hoorden zij iemand achter zich lachen. 't +Was Falco. + +Eenige oogenblikken later trad Falco den winkel binnen van signora +Gasparo en verzocht om een brood. De arme vrouw werd bang toen zij +Pepa's broer zag, maar zij dacht: + +"Hij komt pas van het veld, hij is nog niet thuis geweest, hij weet +nog van niets." + +"Bebbo," zei ze, want Falco heette toen nog niet Falco, "gaat het +goed met den wijnbouw?" + +Zij geloofde, dat hij haar geen antwoord zou geven. + +Maar Falco was spraakzamer dan hij gewoonlijk was, en hij vertelde +haar, hoeveel druiven ze onder de pers hadden gedaan. + +"Weet ge," zei hij, "dat onze pachter vermoord is?" + +"Ach ja, de arme signor Riego, ja, dat weet ik." + +En zij vroeg hem hoe het gebeurd was. + +"Salvatore heeft hem vermoord. Maar is het niet te naar voor een +signora om te hooren?" + +"O neen, wat gebeurd is, kan ook verteld worden." + +"Salvatore heeft het zóó gedaan, signora," en Falco nam zijn mes en +legde zijn hand op het hoofd der vrouw. + +"Zóó heeft hij hem de keel doorgesneden van oor tot oor." En +terwijl Falco dit zei, deed hij het. De vrouw had niet eens kunnen +schreeuwen! 't Was meesterlijk gedaan. Falco werd naar de galeien +gezonden, hij bleef daar vijf jaar. + +Toen men dit vertelde wies de angst. + +"Falco is moedig," zei men. "Niets ter wereld kan hem van zijn +voornemen afbrengen." + +Toen herinnerde men zich nog een voorval. + +Falco werd naar de galeien in Augusta gezonden en daar leerde hij +Biagio kennen, die hem later zijn gansche leven volgde. Op een dag +kregen hij, Biagio en nog een der gevangenen het bevel om op het +land te werken. Een der opzichters wilde een tuin rondom zijn huis +aanleggen. Terwijl ze in den grond groeven, zwierven hun blikken over +hun omgeving. Ze waren buiten de gevangenismuren en zagen het dal en +den berg, ze konden zelfs den Etna onderscheiden. + +"Nu is onze tijd gekomen," zei Falco tot Biagio. + +"Ik sterf liever dan dat ik terugga naar de gevangenis," zei Biagio. + +Daarna zeiden ze den derden gevangene dat hij hen moest bijstaan. + +Hij wilde niet, omdat zijn straftijd bijna om was. + +"Dan dooden we je!" dreigden ze hem, toen gaf hij toe. + +Maar de soldaat van de wacht stond met een geladen geweer tegenover +hen. Falco en Biagio sprongen, geboeid als ze waren met de ketenen +aan hun voeten, op hem toe, en zij sloegen hem met hun spade. Voordat +hij er aan had kunnen denken te schieten, was hij gebonden; een prop +in den mond belette hem te schreeuwen. Daarna stieten ze hun ketenen +stuk met hun spade, en vluchtten in de bergen. + +'s Nachts lieten Falco en Biagio den gevangene dien zij meegenomen +hadden, in den steek. Hij was oud en zwak en hinderde hen in hun +vlucht. Den volgenden dag werd hij door de karabiniers gegrepen en +doodgeschoten. + +En men beeft, als men daaraan denkt. Falco is onbarmhartig, zegt +men. Men begrijpt, dat hij den spoorweg niet zal sparen. + +En geschiedenis na geschiedenis doet de ronde om de arme menschen +bang te maken, die aan den spoorweg op den Etna werken. + +Men denkt aan de zestien moorden die Falco Falcone begaan heeft, +en men verhaalt van zijn plunderingen en rooftochten. + +Er is een verhaal, dat de menschen meer dan alle andere verschrikt. + +Toen Falco van de galeien kwam, woonde hij in de bosschen en grotten +op den Etna of in de steengroeve bij Diamante. Spoedig had hij een +groote bende om zich verzameld. Hij werd een groote rooverheld. + +Zijn familie genoot een heel ander aanzien dan vroeger. Zij werden +als machtigen geëerd, zij behoefden nauwelijks te werken, want Falco +had zijn bloedverwanten lief en was zeer mild jegens hen. Maar hij +was niet toegevend, hij was zeer streng. + +Moeder Zia was overleden. Nino was getrouwd en woonde nu in zijn vaders +hut. Toen gebeurde het op een dag, dat Nino geld noodig en hij wist +geen beter middel dan naar den pastoor te gaan, niet naar don Matteo, +maar naar zijn voorganger, den ouden don Giovanni. + +"Uw Hoogeerwaarde," zei Nino tot hem, "mijn broer verzoekt u om vijf +honderd lire." + +"Waar moet ik vijf honderd lire vandaan halen?" zei don Giovanni. + +"Mijn broer heeft ze noodig, dringend noodig," zei Nino. + +Toen beloofde de oude don Giovanni het geld te geven, indien hij +slechts tijd kreeg om het bijeen te brengen. + +Nino wilde hem nauwelijks die voorwaarde inwilligen. + +"Ge kunt toch niet verlangen dat ik vijf honderd lire uit mijn +snuifdoos zal halen," zei don Giovanni. + +En Nino stond hem drie dagen uitstel toe. + +"Maar neem u in dezen tijd voor mijn broer in acht," zei hij. + +Den volgenden dag reed don Giovanni naar Nicolosi om te trachten het +geld te krijgen. + +Wien ontmoette hij onderweg? Was dat niet Falco met zijn bende? + +Don Giovanni wierp zich op de knieën voor Falco. + +"Wat beduidt dit, don Giovanni?" + +"Ik heb nog geen geld voor u, Falco, maar ik zal trachten het te +krijgen. Wees barmhartig jegens mij." + +Falco vroeg wat dit beteekende en don Giovanni vertelde dat Nino bij +hem geweest was. + +"Uw Hoogeerwaarde," zei Falco, "men heeft u willen bedriegen." + +Hij verzocht don Giovanni met hem terug te gaan naar Diamante. + +Toen ze bij het oude huis op de rots kwamen, riep Falco zijn broer +Nino. Deze verscheen op een der balkons. + +"Wel Nino!" zei Falco lachend. "Je hebt den pastoor geld willen +afzetten!" + +"Weet je dat al?" vroeg Nino. "Ik wilde het je juist gaan vertellen." + +Nu werd Falco strenger. + +"Nino," zei hij. "De pastoor is mijn vriend en hij meent nu dat ik +hem had willen plunderen. Je hebt zeer slecht gehandeld." En hij +legde zijn geweer aan en schoot Nino dood. + +Toen hij dit gedaan had, wendde hij zich tot don Giovanni, die van +schrik bijna van zijn ezel viel. + +"Ziet ge nu, uw Hoogeerwaarde, dat ik geen aandeel had in Nino's +aanslag tegen u?" + +En dit geschiedde twintig jaar geleden, toen Falco nog slechts +gedurende vijf jaar roover was geweest. + +"Zal Falco den spoorweg sparen?" vraagt men als men deze geschiedenis +hoort; hij, die niet eens zijn eigen broer spaarde? + +Men herinnert zich nog een ander voorval. + +Na Nino's dood dreigde Falco een vendetta. Nino's vrouw was zoo +verschrikt toen zij haar man dood vond, dat zij aan één zijde verlamd +werd en nooit meer kon loopen. Maar ze nam plaats voor het venster +in de oude hut. Daar heeft ze twintig jaar gezeten met een geweer +naast zich om op Falco te wachten. + +En voor haar is de groote roover bang geweest. In twintig jaar is +hij niet voorbij zijn ouderlijk huis gegaan. + +De vrouw heeft nooit haar post aan het raam verlaten. Nooit ging +iemand naar de kerk van San Pasquale, of hij zag haar wraakzuchtige +oogen achter de ruiten schitteren. + +Heeft iemand haar ooit slapend gezien, heeft iemand haar ooit zien +werken? Zij kon niets anders doen dan wachten op den moordenaar van +haar man. + +Als men dit hoort, groeit de vrees. + +Falco heeft geluk, denkt men. De vrouw, die hem wil dooden, kan +zich niet van haar plaats bewegen. Hij is een gelukskind. 't Zal hem +stellig gelukken den spoorweg te vernielen. Het geluk had Falco nooit +verlaten. De karabiniers hadden hem vervolgd, maar hem nooit kunnen +pakken. Zij hadden Falco meer gevreesd dan hij hen. + +Men herinnert zich ook een geschiedenis van een jongen officier +der karabiniers, die Falco eens vervolgde. Hij had een drijfjacht +georganiseerd en Falco van de eene schuilplaats naar de andere +gejaagd. Eindelijk wist de jonge officier zeker, dat Falco in een +kreupelboschje gevangen was. Het boschje werd omsingeld door zijn +manschappen en de officier liep heen en weer met een geladen geweer +in de hand. Maar hoe hij ook zocht, hij vond Falco niet. + +Toen ontmoette hij een boer. + +"Heb je Falco Falcone ook gezien?" + +"Ja signor, hij ging mij zoo juist voorbij en verzocht me u te +groeten." + +"Diavolo!" + +"Hij zag u heen en weer loopen in het boschje, en hij stond op het +punt u dood te schieten, maar hij heeft dat niet gedaan omdat hij +dacht, dat het misschien uw plicht was hem te vervolgen." + +"Diavolo! Diavolo!" + +"Maar indien ge nog eenmaal tracht...." + +"Diavolo! Diavolo! Diavolo!" + +Denkt ge dat die officier terugkwam? Gelooft ge niet, dat hij naar +een plaats vertrok, waar hij geen roovers behoefde te vervolgen? + +En de arbeiders, die op den Etna werken, vragen: + +Wie zal ons bijstaan tegen Falco? Hij is oppermachtig, zelfs de +soldaten vreezen hem. + +Ze denken er aan, dat Falco Falcone nu een oude man is. Nu plundert hij +geen postwagens, nu berooft hij geen grondbezitters meer. Meesttijds +zit hij rustig in de steengroeve bij Diamante en in plaats van geld en +bezittingen te rooven, neemt hij nu geld en eigendommen in bescherming. + +Hij laat de rijke grondbezitters schatting betalen, opdat hij hun +goederen zal beschermen tegen andere roovers en er heerscht nu +veiligheid en vrede op den Etna, want hij staat niemand toe hen te +schaden, die hem schatting betalen. + +Maar toch groeit de angst. Nu Falco een vriend is geworden der grooten, +kan hij des te gemakkelijker den spoorweg vernielen. + +En ze moeten aan de geschiedenis denken van Nicola Galli, die +opzichter is op het landgoed van den markies de San Stefano. Eens +staakten zijn arbeiders het werk midden in den oogsttijd. Nicola +Galli was wanhopig. Het koren was rijp en hij kon niemand vinden die +het wilde maaien. + +Zijn arbeiders wilden niet werken, ze lagen te slapen in het +gras. Nicola trok naar Catania om zijn heer te raadplegen. Onderweg +ontmoette hij twee mannen met een geweer op den schouder. + +"Waar rijdt ge heen, Nicola?" + +Voordat Nicola nog veel woorden had kunnen zeggen, namen ze zijn ezel +bij de teugels en keerden om. + +"Ge zult niet naar den markies rijden, Nicola, ge gaat weer naar huis." + +Samen keerden zij nu huiswaarts. Nicola zat te beven op zijn ezel. Toen +zij nu op het landgoed gekomen waren, zeiden de mannen: + +"Wijs ons nu de akkers!" En ze gingen naar de arbeiders. "Werken, +jelui lummels! De markies heeft zijn schatting betaald aan Falco +Falcone. Je kunt ergens anders het werk staken, maar hier niet." + +De akker werd gemaaid zooals geen andere. Falcone stond aan den eenen +kant en Biagio aan den anderen. + +En de oogst gaat wonderlijk vlug, als men zulke opzichters heeft. Als +men denkt aan dit voorval, vermindert de angst niet. + +"Falco houdt woord," zegt men. "Hij zal doen, wat hij gedreigd heeft." + +Niemand is gedurende zoo langen tijd rooverhoofdman geweest als +Falco. Al de andere beroemde helden zijn gevallen of gevangen +genomen. Hij alleen is met ongelooflijke behendigheid aan alle +gevaren ontsnapt. + +Langzamerhand heeft Falco zijn geheele familie tot zich getrokken. Zijn +zwagers en neven, allen volgen hem. De meesten van hen zijn naar de +galeien gezonden; toch bekommert geen van hen zich om gevangenisstraf, +ze vragen er slechts naar of Falco tevreden is over hen. + +In de couranten staan Falco's heldendaden dikwijls vermeld. 't Is +bekend dat Engelsche toeristen hun gidsen een biljet van tien lire in +de hand stoppen, als zij hun Falco's steengroeve willen wijzen. Ook +weet men, dat de karabiniers niet meer op hem schieten, omdat hij de +laatste groote roover is. + +Falco is zoo weinig bevreesd dat men hem gevangen zal nemen, dat hij +dikwijls naar Messina en Palermo gaat. Hij is zelfs wel over de straat +van Messina getrokken en in Italië geweest. + +Hij reisde naar Napels, toen Guglielmo en Umberto daar waren om het +pantserschip te doopen. + +Hij trok naar Rome, toen Umberto en Margherita hun zilveren bruiloft +vierden. + +Men denkt er aan en beeft. "Falco is bemind en machtig," zeggen de +arbeiders. "Men aanbidt Falco, hij kan doen wat hij wil." + +Zij weten ook, dat toen Falco de zilveren bruiloft van koningin +Margherita zag, dit feest hem zóó behaagde dat hij zei: + +"Als ik vijf en twintig jaar op den Etna gewoond heb, wil ik mijn +zilveren bruiloft met den Mongibello vieren." + +De menschen hadden daarover gelachen en gezegd dat dit een goede +gedachte was. Want hij had nooit een liefste bezeten, maar de +Mongibello met zijn grotten, wouden, kraters en ijsvelden, had hem +beschermd en gediend als een echtgenoote. + +Aan niemand is Falco zooveel dankbaarheid verschuldigd als aan den +Mongibello. + +En men vraagt, wanneer Falco en de Mongibello hun zilveren bruiloft +zullen vieren, en men rekent na, dat dit in deze lente moet zijn. + +Dan denken de arbeiders: + +Hij zal den spoorweg vernielen op den dag van den Mongibello. En +er heerscht schrik en angst onder hen. Ze wagen het niet verder te +werken aan den spoorweg. Hoe meer de tijd nadert, dat Falco zijn +verbond met den Mongibello zal vieren, hoe meer arbeiders signor +Alfredo verlaten. Spoedig gaat deze zoo goed als alleen aan den arbeid. + + + +Er zijn niet veel menschen in Diamante, die de groote steengroeve op +den Etna ooit gezien hebben. Ze hebben geleerd die te ontvluchten, +omdat Falco Falcone daar woont; ze wachten zich om binnen het bereik +van zijn geweer te komen. + +Ze hebben nooit de groote groeve in den Mongibello gezien, waaruit hun +voorvaderen, de Grieken, in langvervlogen tijden steenen groeven. Zij +hebben nooit de heerlijk van kleuren tintelende wanden aanschouwd en +de machtige rotsblokken, die gelijken op gebroken zuilen. + +Zij weten misschien niet eens, dat op den bodem der steengroeve +schooner bloemen bloeien dan in eenige broeikas. + +Daar is niet Sicilië, daar is Indië. + +In de steengroeve staan mandarijneboomen, zoo geel van vruchten, dat +ze gelijken op reusachtige zonnebloemen. Daar worden de camelia's zoo +groot als tamboerijnen. En tusschen de boomen op den grond liggen +hoopen kostbare koningsvijgen en fluweelen perziken vallen op een +bed van rozeblâren. + +Een avond zit Falco eenzaam in de steengroeve. Hij is bezig een krans +te vlechten en heel veel bloemen liggen voor hem. Hij houdt den voet +op het kluwen touw opdat dit niet weg zal rollen; hij heeft een bril +op, maar die glijdt onophoudelijk van zijn krommen neus. + +Falco vloekt geweldig, want zijn handen zijn stijf en vol eelt door +het voortdurend afschieten van het geweer, en het valt hem moeilijk +de bloemen vast te houden. + +Zijn vingers sluiten met een ijzeren greep om haar teere stengels. + +Falco zegt vloekend, dat de leliën en anemonen verwelken, zoodra hij +er slechts naar kijkt. + +Falco is in zijn lederen broek en in zijn langen, toegeknoopten mantel +zoo omgeven van bloemen als een heilige op een feestdag. Biagio +en zijn neef Passafiore hebben die voor hem geplukt. Zij hebben +een geheelen Etna van de mooiste bloemen der steengroeve voor hem +opgestapeld. Falco kan kiezen tusschen leliën en cactusbloemen, +rozen en pelargonea's. En hij dreigt de bloemen, dat hij ze tot stof +zal vertrappen onder zijn sandalen, indien zij zich niet naar zijn wil +willen voegen. + +Nooit tevoren heeft Falco Falcone zich bekommerd om bloemen. Zoolang +hij leeft, heeft hij nog nooit een bouquet voor een meisje gebonden +of een roos geplukt om in zijn knoopsgat te steken. Hij heeft niet +eens een krans gelegd op het graf van zijn moeder. + +Daarom komen de teere bloemen in opstand tegen hem. In zijn haar en +op zijn hoed hechten zich bloemranken vast, en een bloemblad hangt +in zijn ruigen baard. Hij schudt heftig het hoofd en het litteeken +op zijn wang gloeit, zooals in vroeger dagen, toen hij tegen de +karabiniers streed. Toch wordt de krans steeds grooter, en kronkelt +als een slang om Falco's voeten en beenen. + +Falco vloekt alsof het de ijzeren boeien waren, die eens vastgeklonken +werden aan zijn voeten. + +En hij klaagt luider als hij zich prikt aan een doorn, of brandt aan +een netel, dan hij gedaan heeft, toen de zweep van den opzichter der +galeien zijn rug geeselde. + +Biagio en Passafiore, zijn neef, wagen het niet zich te vertoonen. Ze +liggen verborgen in een grot, tot alles gereed is. Ze lachen luidkeels, +want zooveel jammerklachten als Falco nu uit, hebben niet in de +steengroeve weerklonken, sedert ongelukkige krijgsgevangenen daar +aan den arbeid waren. + +Maar Biagio ziet op naar den grooten Etna, die gloeit in den +zonsondergang. + +"Zie eens naar den Mongibello," zegt hij tegen Passafiore, "zie +eens hoe hij bloost, zeker begrijpt hij, waarmee Falco bezig is in +de steengroeve." + +En Passafiore antwoordt: "De Mongibello heeft zeker nooit anders +gedacht dan sneeuw en asch op zijn kruin te krijgen." Maar plotseling +houdt Biagio op met lachen. + +"Dat gaat nooit goed, Passafiore," zegt hij, "Falco wordt al te +hoogmoedig. Ik vrees dat de groote Mongibello den spot met hem zal +drijven." + +De twee bandieten zien elkaar uitvorschend aan. + +"Ware het slechts hoogmoed," zegt Passafiore. + +Maar nu wenden zij gelijktijdig hun oogen af en wagen het niet iets +meer te zeggen. Dezelfde gedachte, dezelfde vrees heeft zich van +hen meester gemaakt. Falco staat op het punt krankzinnig te worden, +soms is hij reeds uren lang waanzinnig. + +Zoo gaat het met de groote rooverhelden, ze kunnen hun eer en grootheid +niet dragen, ze worden allen waanzinnig. + +Passafiore en Biagio hadden het reeds lang gezien, maar ze hadden +beiden gezwegen en elk had gehoopt, dat de andere niets zou merken. Nu +begrijpen ze, dat ze beiden het weten. Ze drukken elkaar de hand +zonder een woord te spreken. Nog heeft Falco zooveel groots. + +Zij beiden, Passafiore en Biagio, zullen waken dat niemand merkt, +dat Falco niet meer dezelfde is, die hij was. + +Eindelijk is Falco's krans klaar, hij hangt dien aan zijn geweer en +gaat naar de beide anderen. Alle drie treden nu uit de steengroeve +en nemen in de naastbijzijnde boerderij paarden, om zoo vlug mogelijk +op den top van den Mongibello te komen. + +Zij rijden in gestrekten draf, zoodat ze geen gelegenheid hebben met +elkaar te spreken, maar als ze voorbij de landhoeve rijden, kunnen +ze zien, hoe het volk danst op de platte daken. En uit de grotten +waar de landarbeiders hun nachtkwartier hebben opgeslagen, hooren ze +gepraat en gelach. Daar zitten vroolijke, vreedzame menschen raadsels +op te lossen en spotversjes te dichten. Maar Falco vliegt verder, +zoo iets is niet voor hem. Falco is een groot man. + +Ze stijgen al hooger. Eerst rijden ze onder amandelboomen en cactussen, +dan onder platanen en beuken, en later onder eiken en kastanjes. + +Maar de nacht is donker. Zij zien niets van Mongibello's +heerlijkheid. Zij zien niet den met wijnloof omkransten Monte Rossoze, +zien niet de tweehonderd kraters, die in een kring rondom de kruin van +den Etna staan als torens rondom een stad, ze zien niet de heerlijke +dichte wouden. + +In Casa del Bosca, waar de weg ophoudt, stijgen ze van hun +paarden. Biagio en Passafiore nemen den krans tusschen hen +beiden. Terwijl zij verder gaan, begint Falco te spreken. Sedert hij +oud is, spreekt hij gaarne. + +Falco zegt dat de berg gelijk is aan de vijf en twintig jaren, die +hij daarop doorgebracht heeft. Heldendaden waren rondom hem opgebloeid +gedurende de eerste jaren van zijn grootheid: met hem te leven in dien +tijd was gelijk te wandelen onder een eindelooze pergola, waarboven +citroenen en druiven hangen. Toen waren zijn heldendaden overvloedig +geweest als oranjes, die rondom den voet van den Etna groeien. Hij was +hooger gestegen en zijn daden waren minder in aantal geworden, maar +die hij verricht had, waren machtig als de eike- en kastanjeboomen op +den stijgenden berg. Nu hij op het hoogste punt van zijn grootheid +stond, verachtte hij de daad. Zijn leven was kaal als de bergtop, +hij vergenoegde zich met de wereld aan zijn voeten te zien. Maar men +moest weten, dat indien hij iets ondernam, niets hem weerstaan kon. + +Hij was vreeselijk als de vuurspuwende berg. + +Falco gaat sprekend vooruit, Passafiore en Biagio volgen hem in stille +ontzetting. Heel vaag zien ze den machtigen Mongibello met zijn steden, +velden en wouden zich uitbreiden onder hun voeten. + +En Falco meent even ontzagwekkend te zijn als deze reus. + +Hoe hooger zij stijgen, hoe meer ze bevangen worden door een stijgende +ontzetting. + +De gapende kloven, de zwaveldamp uit de kraters, te zwaar om dadelijk +in de lucht op te stijgen, het onderaardsche gerommel in den berg, de +voortdurend opstijgende aschwolken, de gladde, hobbelige ijsvelden, +doorsneden van bruisende beken, de bijtende koude, de verstijvende +wind, dit alles maakt den tocht huiveringwekkend. + +--En Falco zegt dat deze berg gelijkt op zijn leven. Hoe ziet het er +dan uit in zijn ziel? Heerscht daarin een kilheid en grauwen gelijk +aan die van den Etna? + +Ze struikelen over stukken ijs, ze worstelen zich door sneeuwhoopen, +die hier en daar een meter hoog liggen. De bergwind tracht hen +omver te blazen. Ze moeten door moerassen en beken waden, want den +vorigen dag heeft de zon veel sneeuw gesmolten. En ter zelfder tijd, +dat ze verstijven van koude, trilt de bodem onder hen van het eeuwige +vuur. Ze herinneren zich, dat Luciferno en alle verdoemden daar beneden +liggen. Zij rillen omdat Falco hen naar de poort der hel gevoerd heeft. + +Maar toch laten ze de ijsvelden achter zich en bereiken den steilen +aschkegel op den top van den berg, en ze kruipen door glijdende asch +en puimsteen. Als zij halverwegen gekomen zijn, neemt Falco den krans +en wenkt de anderen te wachten. Hij wil alleen de hoogte bestijgen. + +Het begint op hetzelfde oogenblik te lichten, en als Falco de hoogte +bereikt heeft, breekt de zon door. + +De Mongibello en de oude Etnaroover op zijn top worden omstraald door +het heerlijke morgenlicht. + +Maar de schaduw van den Etna valt over geheel Sicilië, en het is alsof +Falco, die daar boven op de bergkruin staat, van zee tot zee reikt, +dwars over het gansche eiland. + +Falco ziet om zich heen. Hij ziet de kusten van Italië, hij meent +Napels en Rome te onderscheiden. Hij laat zijn blikken over zee dwalen +naar het land der Turken in het Oosten en naar het land der Saracenen +in het Zuiden. + +Hij heeft een gevoel alsof de geheele wereld aan zijn voeten ligt en +zijne grootheid erkent. + +Falco legt den krans op Mongibello's top. + +Als hij terugkomt bij zijn kameraden, drukt hij hun zwijgend de hand, +en als hij van den aschkegel daalt, zien ze dat hij een puimsteen +opneemt en in zijn zak doet. + +Falco neemt een herinnering mee aan de schoonste ure van zijn +leven. Zoo groot als daar op Mongibello's top heeft hij zich nooit +tevoren gevoeld. + +Maar op dezen feestdag wil Falco niet werken. + +Den volgenden dag, zegt hij, zal hij aan den arbeid beginnen om den +Mongibello te bevrijden van den spoorweg. + + + +Er ligt een eenzame landhoeve op den weg van Paterno naar Aderno. Die +is vrij groot, de eigenares daarvan is een weduwe, donna Silvia, +die vele sterke zonen heeft. Dat zijn moedige menschen, die het wagen +eenzaam te wonen. + +'t Is de dag, nadat Falco den Etna bekranst heeft. Donna Silvia zit +voor haar huis te spinnen. Zij is alleen, niemand anders is op de +hoeve. Een bedelaar sluipt zacht door de tuinpoort. + +Hij is een oude man met een langen, krommen neus, die over de bovenlip +hangt, een borsteligen baard en doffe roodgerande oogen. Hij heeft de +leelijkste oogen, die men zich voorstellen kan, het wit daarin gaat +over in geel, en hij ziet daarenboven scheel. De bedelaar is lang +en zeer mager, en wanneer hij loopt, beweegt hij zijn lichaam zoo, +dat men meent dat hij heen en weert slingert. + +Hij loopt zoo zacht, dat donna Silvia hem niet hoort. Ze bemerkt hem +eerst, wanneer zijn schaduw zich als een slang voor haar uit kronkelt. + +Ze ziet op van haar werk, als zij die schaduw bemerkt. De bedelaar +buigt voor haar en verzoekt om een maal macaroni. + +"De macaroni staat op het vuur," zegt donna Silvia. "Ga zitten en +wacht een oogenblik, dan zult ge uw lievelingsgerecht hebben." + +De bedelaar neemt plaats naast donna Silvia en ze beginnen te +spreken. Spoedig is Falco Falcone het onderwerp van hun gesprek. + +"Is het waar, dat ge uwe zonen laat werken aan donna Micaela's +spoorweg?" vraagt de bedelaar. + +Donna Silvia klemt de lippen op elkaar en knikt toestemmend. + +"Gij zijt een moedige vrouw, donna Silvia. Falco zou zich op u +kunnen wreken." + +"Laat hij zich dan wreken," zegt donna Silvia. "Maar ik wil den +man niet gehoorzamen, die mijn vader gedood heeft. Falco heeft hem +gedwongen te vluchten uit de gevangenis in Augusta, toen werd mijn +vader door de karabiniers gegrepen en doodgeschoten." + +Nadat ze dit gezegd heeft, staat ze op om de macaroni te halen. Terwijl +zij in de keuken bezig is, ziet ze door het raam naar den bedelaar, +die op de bank zit heen en weer te wiegelen. Hij zit geen oogenblik +stil. En voor hem uit slingert zijn schaduw, lenig en beweeglijk als +een slang. + +Donna Silvia herinnert zich plotseling, wat zij Catherina, die getrouwd +is geweest met Nino, eens heeft hooren zeggen. Men vroeg haar, hoe +zij Falco na twintig jaar zou herkennen. + +"Zou ik den man met de slangeschaduw niet herkennen?" had zij +geantwoord. "Die verliest hij niet, zoolang hij leeft." + +Donna Silvia drukt de hand tegen het hart. Daar buiten voor haar huis +zit Falco Falcone. Hij is gekomen om zich te wreken, omdat haar zonen +aan den spoorweg werken. Zal hij haar huis in brand steken of zal +hij haar vermoorden? Donna Silvia trilt over haar geheele lichaam, +als zij de macaroni op den schotel doet. + +Maar Falco begint de tijd lang te vallen, terwijl hij zit te +wachten. Een kleine hond komt naar hem toe en drukt zich tegen hem +aan. Falco zoekt in zijn zak naar brood, maar hij vindt slechts een +steen, dien hij den hond toewerpt. + +De hond haalt den steen en brengt dien naar Falco terug. Falco werpt +dien nog eens weg. De hond haalt dien opnieuw, maar nu springt hij +er mee weg. + +Falco herinnert zich plotseling, dat dit de steen is, dien hij van +den tocht op den Mongibello meenam, en hij loopt den hond na om den +steen terug te halen. Hij fluit den hond en deze komt dadelijk. + +"Geef hier den steen." + +De hond houdt zijn kop op zij en wil den steen niet teruggeven. "Geef +hier den steen, canaille!" + +De hond sluit den bek, hij heeft immers geen steen. + +"Laat eens zien, laat eens zien!" roept Falco. Hij buigt den kop van +den hond achterover en dwingt hem den bek te openen. De steen ligt +achter zijn kiezen en Falco tracht hem er uit te halen. De hond bijt +hem zoo, dat het bloed uit de wonde stroomt. + +Falco wordt bang, hij gaat naar binnen en zegt tot donna Silvia: +"Uw hond is toch wel gezond?" + +"Mijn hond, ik heb geen hond, die is dood." + +"Maar die hond dan, die daarbuiten loopt?" + +"Ik weet niet welken hond ge meent," zegt ze. + +Falco zegt niets meer; ook doet hij donna Silvia geen kwaad. Hij gaat +stil weg, hij is bang. Hij gelooft, dat de hond dol is en dat hij nu +zelf watervrees zal krijgen. + + + +Op een avond zit donna Micaela alleen in de muziekzaal. Ze heeft +het licht uitgedaan en de balkondeuren geopend. Zij houdt er van 's +avonds en 's nachts naar het straatrumoer te luisteren. Dan zwijgt het +gehamer der timmerlieden en 't geschreeuw der uitroepers, dan klinkt +er slechts gezang, gelach, gefluister en het neuriën der mandolines. + +Plotseling ziet ze een donkere hand op het balkonhek. Na de hand komt +er een arm en een hoofd te voorschijn en een oogenblik later springt +een geheel mensch op het balkon. + +Zij kan hem duidelijk onderscheiden, want de straatlantaarns branden +nog. + +'t Is een kleine breedgeschouderde man met forschen baard. Hij is als +herder gekleed, met leeren sandalen, slappen hoed en een parapluie, +op zijn rug vastgebonden. + +Zoodra hij op zijn voeten staat, neemt hij een geweer uit zijn gordel, +en treedt daarmee de kamer binnen. + +Ze zit doodstil zonder eenig teeken van leven te geven, ze heeft geen +tijd om om hulp te roepen, noch om te vluchten. + +Zij hoopt, dat de man zal nemen, wat hij begeert en dan weg zal gaan, +zonder haar op te merken, die achter in de donkere kamer zit. + +De man zet zijn geweer op den grond en zij hoort hoe hij een lucifer +aansteekt. Zij sluit de oogen, dan zal hij gelooven, dat zij slaapt. + +Zoodra de roover licht gemaakt heeft, ontdekt hij haar. Hij hoest om +haar te wekken. Daar zij onbeweeglijk blijft zitten, sluipt hij naar +haar toe en raakt voorzichtig haar arm aan. + +"Raak mij niet aan, raak mij niet aan!" gilt zij doodelijk beangst. + +De man trekt zich haastig terug. + +"Lieve donna Micaela, ik wilde u slechts wekken." + +Zij zit te rillen van angst en hij hoort hoe zij snikt. + +"Lieve signora, lieve signora!" zegt hij. + +"Steek licht op, dat ik kan zien wie ge zijt!" roept zij. + +Hij steekt een nieuwen lucifer aan en neemt behendig als een +kamerdienaar het glas en den ballon van de lamp. Daarna keert hij terug +naar de deur, zoover mogelijk van haar verwijderd, maar als hij merkt, +dat haar angst niet vermindert, gaat hij met zijn geweer op het balkon. + +"Nu kan de signora toch niet meer bang zijn." + +Maar daar zij niet ophoudt met schreien, zegt hij: + +"Signora, ik ben Passafiore. Ik breng u een boodschap van Falco. Hij +wil uw spoorweg niet meer vernielen." + +"Zijt gij gekomen om mij te bespotten?" zegt zij. + +Somber antwoordt de man haar: + +"Ware het slechts scherts. Mijn God, indien Falco slechts was, die +hij geweest is." + +Hij verhaalt haar nu hoe Falco den Mongibello bestegen en een krans +gelegd heeft op diens top. Maar dit scheen den berg mishaagd te hebben, +want nu had hij Falco ter aarde geworpen. Een klein puimsteentje was +voldoende geweest om den gevreesden rooverhoofdman te vellen. + +"Nu is het gedaan met Falco," zegt Passafiore. "Hij loopt rusteloos op +en neer in de steengroeve en wacht slechts op zijn ziekte. Sinds acht +dagen heeft hij noch geslapen, noch gegeten. Hij is niet ziek, maar de +wonde aan zijn hand geneest niet. Hij gelooft, dat hij vergiftigd is." + +"Spoedig zal ik een dolle hond zijn," zegt hij. Geen wijn of spijs +ter wereld kan hem verlokken iets te gebruiken. Hij verheugt zich +niet eens, wanneer ik zijn heldendaden prijs. + +"Wat geeft het," zegt hij. "Ik eindig mijn leven als een dolle hond." + +Donna Micaela ziet Passafiore scherp aan. + +"Wat wenscht ge, dat ik doen zal? 't Is toch niet je wensch, dat ik +in de steengroeve zal gaan naar Falco Falcone?" + +Passafiore slaat zijn oogen neer en durft niet antwoorden. + +Zij vertelt hem, wat Falco haar heeft doen lijden. Hij heeft al de +arbeiders van haar spoorweg door schrik verjaagd. Hij heeft zich +verzet tegen haar liefste wenschen. + +Plotseling valt Passafiore op de knieën. Hij waagt het niet een +schrede dichterbij te komen, maar hij knielt voor haar. + +Hij smeekt haar te begrijpen wat op het spel staat. Zij weet niet, +zij kan niet begrijpen, wie Falco is. + +Falco is een groot man. Reeds toen Passafiore nog een klein kind was, +heeft hij van hem hooren spreken. Zijn gansche leven heeft hij verlangd +in de steengroeve bij Falco te leven. Al zijn neven waren bij hem, +zijn geheele familie was bij hem. Maar de pastoor had zich voorgenomen, +dat Passafiore niet naar Falco zou gaan, en liet hem tot kleermaker +opleiden, denk eens aan, tot kleermaker! De pastoor sprak met hem, en +zei, dat het zulk een vreeselijke zonde was te leven zooals Falco. En +Passafiore had terwille van don Matteo lange jaren tegen zijn begeerte +gestreden. Eindelijk had hij ze niet langer kunnen weerstaan, maar +was stil naar de steengroeve gegaan. En hij was niet meer dan een +jaar bij Falco geweest en nu was deze geheel veranderd. 't Is alsof +de zon aan den hemel gedoofd is, zijn geheele leven is nu verwoest. + +Passafiore kijkt naar donna Micaela; hij ziet, dat zij naar hem +luistert en hem begrijpt. + +Hij brengt donna Micaela in herinnering, dat zij een jettatore en een +echtbreekster geholpen heeft. Waarom wilde zij dan hard zijn jegens +een roover? + +Het Christusbeeld in San Pasquale geeft haar immers alles wat +zij wenscht. Hij was er van overtuigd, dat zij het Christusbeeld +gebeden had, haar spoorweg te beschermen tegen Falco. En het had door +Mongibello's puimsteen Falco's kracht gebroken. + +Maar nu wilde zij niet barmhartig zijn en hem helpen, dat Falco zijn +gezondheid terug zou krijgen en weer tot een eer voor het vaderland +zou worden, zooals hij vroeger geweest was. + +Het gelukte Passafiore donna Micaela te ontroeren. + +Plotseling begreep zij hoe de oude roover in de steengroeve moest +lijden. Zij ziet hem wachten op den waanzin. Zij denkt er aan hoe +trotsch hij geweest is en hoe gebroken en vernietigd hij nu is. Neen, +neen, geen mensch mag zoo lijden, dat is te veel, te veel. + +"Passafiore," barst zij uit, "zeg, wat je wenscht. Ik zal doen, +wat ik kan. Nu ben ik niet bang meer. Neen, nu ben ik volstrekt niet +bang meer." + +"Donna Micaela, wij hebben Falco gesmeekt, dat hij naar het +Christusbeeld zou gaan en om genade bidden. Maar Falco wil niet +gelooven aan het beeld. Hij wil niets anders doen dan wachten op +zijn ondergang. Maar heden, toen ik hem smeekte te gaan, zei hij: +"Je weet wie op mij zit te wachten in het oude huis tegenover de +kerk. Ga naar haar om te vragen of zij mij verlof wil geven dat +ik voorbij haar naar de kerk mag gaan. Geeft zij haar toestemming, +dan zal ik aan het beeld gelooven en hem bidden om redding." + +"Nu?" vroeg donna Micaela. + +"Ik ben bij de oude Catherina geweest en zij heeft haar toestemming +gegeven. Hij mag in de kerk gaan, zonder dat ik hem dood," zei zij. + +Passafiore wringt zijn handen in wanhoop. + +"Donna Micaela, Falco is zeer ziek, niet alleen door den beet van +den hond, maar hij was reeds lang ziek." + +Passafiore voert een zwaren strijd met zich zelf vóórdat hij het +zeggen kan. Eindelijk bekent hij dat, hoewel Falco een zeer groot +man is, hij soms aanvallen van waanzin heeft. + +Falco had niet alleen gesproken van de oude Catherina, maar hij had +gezegd: "Indien Catherina mij wil toestaan naar de kerk te gaan en +donna Micaela Alagona in de steengroeve komt en mij de hand reikt om +mij naar de kerk te voeren, dan zal ik voor het beeld bidden." + +En men heeft hem niet kunnen afbrengen van dit besluit. + +Donna Micaela, de heiligste en heerlijkste der vrouwen, moest tot +hem komen, anders wilde hij niet gaan. + +Toen Passafiore uitgesproken had, hield hij zijn hoofd gebogen, +hij waagt het niet op te zien. + +Maar donna Micaela aarzelt geen oogenblik, nu er sprake is van het +Christusbeeld. Zij schijnt er niet aan te denken dat Falco reeds +waanzinnig is. Zij zegt geen woord van haar angst. Haar vertrouwen in +het beeld is zóó groot, dat zij, als een onderworpen, gehoorzaam kind, +stil antwoordt: + +"Passafiore, ik zal je volgen." + +En zij volgt hem als in slaap. Geen oogenblik aarzelt ze om hem naar +den Etna te volgen. Ze aarzelt niet de steile berghelling naar de +steengroeve te beklimmen. + +Doodsbleek, maar met heerlijk glanzende oogen gaat ze naar den +ouden roover in zijn grot en reikt hem de hand. En hij rijst op, +even bleek als zij, en volgt haar. 't Is alsof zij geen menschen maar +geestverschijningen zijn. Doodstil schrijden zij naar hun doel. Hun +eigen ik is dood, een machtiger geest leidt hen. + +Reeds den volgenden dag schijnt het donna Micaela een sage, dat zij +zoo iets gedaan heeft. Zij is heilig overtuigd, dat niet haar eigen +barmhartigheid, erbarmen of liefde haar bewogen heeft midden in den +nacht naar het roovershol te gaan, maar dat een vreemde macht haar +geleid heeft. + +Terwijl donna Micaela in de steengroeve is, zit de oude Catherina +voor het raam op Falco Falcone te wachten. Zij heeft haar toestemming +gegeven, bijna zonder dat men haar daarom heeft behoeven te vragen. + +"Hij mag vrij in de kerk gaan," zegt ze. "Ik heb twintig jaar op hem +gewacht, maar hij zal vrij in de kerk mogen gaan." + +Spoedig verschijnt Falco met donna Micaela hand in hand. + +Passafiore en Biagio volgen. Falco loopt gebogen, men ziet dat hij +oud en zwak is. Hij gaat alleen in de kerk, de anderen wachten buiten. + +De oude Catherina heeft hem zeer duidelijk gezien, maar ze heeft geen +beweging gemaakt. Zoolang Falco in de kerk is, blijft ze roerloos +zitten. + +Haar nicht, die bij haar woont, gelooft, dat zij God dankt, omdat +zij haar wraaklust heeft kunnen overwinnen. + +Eindelijk verzoekt Catherina haar een raam te openen. + +"Ik wil zien of hij nog de slangeschaduw heeft!" zegt zij. + +Maar ze is mild en vriendelijk. + +"Neem het geweer weg als je wilt," zegt ze. En haar nicht legt het +geweer aan den anderen kant van de tafel. + +Eindelijk komt Falco uit de kerk. De maneschijn verlicht zijn gelaat +en Catherina ziet, dat hij niet meer de Falco van vroeger is. De +uitdagende trots en hoogmoed is nu van zijn gezicht geweken. Hij is +gebroken en vernietigd! + +Bijna wekt hij haar medelijden op. + +"Hij helpt mij," zegt hij luid tot Passafiore en Biagio. "Hij heeft +beloofd mij bij te staan." + +De roovers wilden gaan, maar Falco is zoo gelukkig dat hij eerst met +hen over zijn geluk wil spreken. + +"Ik gevoel geen gesuis meer in mijn hoofd, geen onrust meer, neen, +niets meer. Hij helpt mij." + +De kameraden nemen hem bij de hand om hem weg te voeren. Falco doet +een paar schreden, maar blijft dan opnieuw staan. Hij richt zich +op en beweegt zijn lichaam, zoodat zijn slangeschaduw heen en weer +slingert over den weg. + +"Ik zal volkomen genezen, volkomen genezen," zegt hij verheugd. + +Passafiore en Biagio willen hem meetrekken, maar 't is reeds te laat. + +Catherina heeft de slangeschaduw gezien. Zij kan zich niet meer +beheerschen, maar werpt zich over de tafel om het geweer te grijpen +en schiet het af. Falco stort getroffen ter aarde. + +Ze heeft het niet willen doen, maar nu zij hem ziet, is het haar +onmogelijk hem te laten gaan. Gedurende twintig jaar heeft zij de +wraakzucht in zich gevoed. + +Nu beheerscht die haar volkomen. + +"Catherina, Catherina," gilt haar nicht. + +"Hij verzocht mij slechts vrij in de kerk te mogen gaan," antwoordt +zij. + +De oude Biagio legt Falco's lijk terecht en zegt somber: + +"Hij zou volkomen genezen, volkomen genezen." + + + + + + +XI. + +OVERWINNINGEN. + + +In lang vervlogen dagen woonde de groote wijsgeer Empedokles op +Sicilië. Hij was de schoonste en meest volkomen mensch, zoo heerlijk +en wijs, dat men geloofde, dat hij een tot mensch geworden god was. + +Empedokles bezat een landgoed op den Etna; een avond gaf hij een +feest aan zijne vrienden. Op het feest sprak hij zulke wijze woorden, +dat zijn gasten riepen: + +"Gij zijt een god, Empedokles, gij zijt een god!" + +Toen de feestgenooten vertrokken waren, dacht Empedokles: + +"Ik heb het hoogste bereikt, dat men op aarde kan begeeren. Nu moet +ik sterven, voordat tegenspoed of zwakheid mij terneerdrukt." + +En hij steeg op tot den top van den Etna en wierp zich in den +brandenden krater. + +"Als niemand mijn lijk vindt," dacht hij, "zal men denken, dat ik +levend onder de goden opgenomen ben." + +Maar den volgenden dag zochten zijn vrienden hem in de villa en op +den ganschen berg. Zij kwamen ook bij den krater en daar vonden ze +Empedokles' schoenen. En zij begrepen, dat Empedokles den dood in +den krater gezocht had om gerekend te worden tot de onsterflijken. + +En dat zou hem gelukt zijn, indien de berg zijn schoenen niet had +opgeworpen. + +Toch werd juist door deze sage Empedokles' naam nooit vergeten, +en velen zochten naar de plaats, waar zijn villa eens gestaan heeft. + +Geschiedschrijvers en schatgravers hadden er naar gezocht, want de +villa van den wijsgeer was natuurlijk vol van de heerlijkste marmeren +en bronzen beelden en mozaïekwerk. + +Donna Micaela's vader, cavaliere Palmeri, had zich vast voorgenomen, +dat hij het probleem van de villa zou oplossen. Iederen morgen +reed hij op zijn ponny Dominico weg om de villa te zoeken. Hij was +toegerust als een geschiedvorscher met een schraapijzer in den gordel, +een spade op zij en een grooten ransel op den rug. + +Iederen avond als cavaliere Palmeri thuis kwam, vertelde hij donna +Micaela van Dominico. + +Gedurende deze jaren, dat ze samen op den Etna gezocht hadden, had +Dominico zich tot een archeoloog ontwikkeld. + +Dominico week af van den weg, zoodra hij een ruïne ontdekte. Hij +stampte op den grond, wanneer hij meende, dat men opgravingen moest +doen. Hij hinnikte verachtelijk en wendde den kop af, wanneer men +hem een nagemaakte oude munt vertoonde. + +Donna Micaela hoorde met veel geduld en belangstelling naar haar +vaders verhalen. Zij was overtuigd dat, wanneer de villa eindelijk +gevonden werd, Dominico de eer zou krijgen van de ontdekking. + +Maar cavaliere Palmeri vroeg zijn dochter nooit naar haar +onderneming. Nooit toonde hij eenige belangstelling voor haar +spoorweg. 't Was bijna, alsof hij niet eens wist waarvoor zij +werkte. Dat was trouwens zoo vreemd niet, hij toonde nooit eenige +belangstelling voor zijn dochter. + +Eens, toen ze 's middags aan den maaltijd zaten, begon donna Micaela +plotseling over den spoorweg te spreken. + +Ze had een paar heerlijke overwinningen behaald, zei ze. Eindelijk +had zij overwonnen. + +Hij moest hooren welke nieuwtjes zij heden had. Het zou geen +stoomtram worden tusschen Catania en Diamante, zooals zij eerst +gedacht had. Neen, het zou een spoorweg rondom den Etna worden. + +Door Falco's dood had zij niet alleen een machtigen vijand minder, maar +nu geloofde het volk ook, dat de groote Mongibello en alle heiligen aan +haar zijde stonden. Daarom was er een beweging onder het volk ontstaan +om geld te verzamelen voor den spoorweg. In alle Etnasteden waren +bijdragen daarvoor geteekend. Er was reeds een maatschappij gevormd. + +Heden was de concessie gekomen. Morgen zou men in ernst met den +arbeid aanvangen. + +Donna Micaela was opgewonden, zij kon niet eten. Haar hart zwol van +geluk en dankbaarheid. Ze kon niet laten te spreken over de machtige +vervoering, die het volk aangegrepen had. Zij sprak met tranen in de +oogen van het Christuskind in San Pasquale. + +'t Was roerend te zien, hoe haar gelaat straalde van hoop. 't Was +alsof zij, behalve het geluk waarover zij sprak, nog een heele +wereld van gelukzaligheid te wachten had. Dezen avond voelde ze, +dat een wijze voorzienigheid haar lot bestierde. Zij begreep, dat +Gaetano's gevangenneming Gods werk was om hem terug te voeren tot +zijn oud geloof. Hij zou bevrijd worden door de wonderen van het +kleine beeld en dit zou hem bekeeren, zoodat hij weer een geloovige +als vroeger zou worden. En zij zou hem toebehooren! + +O, God was goed. + +Terwijl deze groote gelukzaligheid haar vervulde, zat haar vader koel +en onbewogen tegenover haar. + +"Dat is heel merkwaardig," zei hij slechts. + +"Ge gaat toch zeker morgen mee naar het feest?" + +"Ik weet het nog niet, ik moet naar mijn uitgravingen." + +Donna Micaela begon haar brood heftig te verkruimelen. Ze begon haar +geduld te verliezen. Hij had geen deel genomen in haar zorgen, maar +in haar vreugde moest hij deelen. Hij moest deelen in haar vreugde! + +En plotseling braken de ketenen van onderdanigheid en vrees, die haar +gebonden hadden, sedert haar vaders gevangenistijd. + +"Gij, die zooveel tochten op den Etna maakt," zei zij met een zeer +vriendelijke stem, "gij zijt zeker ook wel eens in Gela geweest?" + +De cavaliere keek op en scheen in zijn geheugen te zoeken: + +"Gela, Gela!" + +"Gela is een dorp van ongeveer honderd huizen, dat aan de Zuidzijde +van den Monte-Chiaro ligt, aan den voet van den berg," vervolgde +donna Micaela met het onschuldigste gezicht van de wereld. "Het +ligt ingeklemd tusschen den Simeto en den bergwand, een tak van de +rivier neemt dikwijls zijn weg door de straten van Gela, zoodat het +een zeer ongewone gebeurtenis is, wanneer men met droge voeten door +het dorp komt. + +"Het dak der kerk stortte in bij de laatste aardbeving, en men heeft de +kerk niet kunnen herstellen, want Gela is zeer arm. Hebt ge werkelijk +nooit van Gela gehoord?" + +Cavaliere Palmeri antwoordde met onbeschrijfelijken ernst: + +"Mijn vorschingen hebben me bergopwaarts gevoerd. Ik heb er nooit +aan gedacht de villa van den grooten wijsgeer in Gela te zoeken." + +"Maar Gela is een zeer interessant dorp," zei donna Micaela. "Ze +hebben daar geen aparte schuren. De varkens zijn beneden in de huizen, +de menschen wonen een trap hooger. En er zijn heel wat varkens in +Gela. Ze bevinden zich daar beter dan de menschen, want de menschen +zijn er bijna altijd ziek. + +"Er heerscht voortdurend koorts, de malaria is er een trouwe gast. Het +is er zoo vochtig, de kelders staan altijd onder water en moerasdampen +drukken als een dichte mist op het dorp. In Gela zijn geen winkels, +ook geen politie, post, dokter of apotheek. Zeshonderd menschen leven +daar geheel vergeten en verlaten. + +"Hebt ge nooit gehoord van Gela?" + +Zij zag er heel verbaasd uit. + +Cavaliere Palmeri schudde het hoofd. "Den naam heb ik wel eens +gehoord...." + +Donna Micaela keek haar vader onderzoekend aan. Zij boog zich +haastig voorover en haalde uit zijn borstzak een gebogen klein mes +te voorschijn, zooals gebruikt wordt bij het snoeien der wijnstokken. + +"Arme Empedokles," zei ze en plotseling straalde haar geheele gelaat +van schalkscheid. + +"Ge waant u opgestegen tot de goden, maar de Etna werpt altijd uw +schoenen op." + +Cavaliere Palmeri zonk als door een schot getroffen achterover in +zijn stoel. + +"Micaela," zei hij zwak afwerend, als iemand die niet weet hoe hij +zich moet verdedigen. + +Maar zij was oogenblikkelijk even ernstig en zoo onschuldig als +tevoren. + +"Men heeft mij verteld," zei ze, "dat Gela eenige jaren geleden op het +punt stond geheel te gronde te gaan. Alle menschen daar verbouwen +wijn, en toen nu de phylloxera al hun wijngaarden verwoestte, +dreigden zij geheel te verhongeren. 't Landbouwgenootschap zond hun +toen Amerikaansche planten, die niet door de phylloxera aangetast +worden. De menschen in Gela plantten deze, maar al de wijnstokken +stierven. Hoe zouden de menschen in Gela weten hoe de Amerikaansche +wijndruif gekweekt moet worden. + +"Maar toen kwam er iemand die hun dat leerde." + +"Micaela," klonk het bijna steunend. Donna Micaela vond, dat haar +vader er reeds als een overwonnen man uitzag, maar toch vervolgde +zij haar verhaal, alsof zij niets gemerkt had. + +"Er kwam iemand," zei zij met sterken nadruk, "en hij liet zich nieuwe +planten zenden. Hij begon deze in hun wijngaarden te planten. Ze +lachten hem uit, ze zeiden dat hij zich dwaas aanstelde. Maar zie, +zijn planten groeiden, zij stierven niet. En hij redde Gela." + +"Ik vind je verhaal niet zeer amusant, Micaela," zei cavaliere Palmeri +met een poging het af te breken. + +"'t Is toch even belangrijk als uw vorschingen," zei ze kalm. "Maar +ik wil u iets vertellen. Op een dag ging ik naar uw kamer om een boek +over archeologie te halen. Toen ik zag dat uw boekenkast vol was met +geschriften over de phylloxera, den wijnbouw en de wijnbereiding." + +Cavaliere Palmeri schoof heen en weer op zijn stoel als een op +heeterdaad betrapte misdadiger. + +"Zwijg, zwijg!" zei hij zwak. Hij was nu meer beschaamd, dan toen +hij aangeklaagd werd wegens diefstal. + +Maar weer schitterde die onderdrukte schalkschheid in haar oogen. + +"Ik keek eens naar de brieven, die ge verzendt," vervolgde zij. "Ik +wilde eens zien met welke geleerde mannen ge in briefwisseling +waart. 't Verwonderde mij dat de brieven altijd geadresseerd waren +aan presidenten of secretarissen van landbouwvereenigingen." + +Cavaliere Palmeri was niet in staat een woord te spreken. + +Donna Micaela genoot onbeschrijfelijk hem zoo machteloos te zien. + +Ze keek hem vast in de oogen. + +"Ik geloof niet dat Dominico reeds een ruïne weet te onderscheiden," +zei ze. "De vuile kinderen in Gela spelen elken dag met hem en geven +hem waterkers te eten. + +"Dominico wordt als een god in Gela vereerd, om niet te spreken van +zijn-- -- --" + +Cavaliere Palmen scheen een idee te krijgen. + +"Je spoorweg!" zei hij. "Wat zei je ook weer van je spoorweg? + +"Misschien kan ik toch wel morgen meegaan naar je feest." + +Donna Micaela luisterde niet naar hem. Zij haalde haar portemonnaie +uit den zak. + +"Hier heb ik een nagemaakte oude munt," zei ze. "Een Demarata van +nikkel. Die heb ik gekocht om aan Dominico te toonen." + +"Hoor nu eens, kind!" + +Ze deed juist alsof zij zijn tegenwerpingen niet hoorde. + +Nu had zij hem in haar macht. Nu was er meer noodig om haar te +verzoenen. + +"Eens deed ik uw ransel open om uw vondsten te bewonderen. Het eenige, +dat hij bevatte, was een verdroogde wijnstok." + +Zij was louter stralende vroolijkheid. + +"Maar kind!" + +"Wat moet men daarvan denken? 't Is misschien wel geen onderzoek naar +geschiedkundige overblijfselen, misschien is het wel liefdadigheid, +misschien ook wel boete-- --" + +Nu sloeg cavaliere Palmeri met de vuist op de tafel, zoodat glazen +en borden rinkelden. Dit was hem te veel; een deftige, ernstige oude +heer kon zoo niet met zich laten spotten. + +"Zoo waar als gij mijn dochter zijt, zult ge nu zwijgen." + +"Uw dochter!" zei ze en oogenblikkelijk was haar vroolijkheid +verdwenen. "Ben ik werkelijk uw dochter? De kinderen in Gela mogen +Dominico streelen, maar ik-- --" + +"Wat meen je, Micaela? Wat wil je?" + +Ze keken elkaar aan. Hun oogen vulden zich gelijktijdig met tranen. + +"Ik heb niemand anders dan u!" fluisterde zij. + +Cavaliere Palmeri opende onwillekeurig zijn armen. Zij stond aarzelend +op, ze wist niet of zij goed zag. + +"Ik weet hoe het nu gaan zal," zei hij morrend. "Geen minuut houd ik +nu voor me zelf over." + +"Om de villa te ontdekken?" + +"Geef mij een kus, Micaela. Vanavond zijt ge voor de eerste maal, +nadat we Catania verlaten hebben, onweerstaanbaar geweest." + +En met een heeschen, wilden kreet, die hem bijna verschrikte, vloog +donna Micaela in haars vaders armen. + + + + + + +DERDE DEEL. + + + "En hij zal vele aanhangers krijgen." + + +I. + +DE OASE IN DE WOESTIJN. + + +In de lente van 1894 begon men den Etnaspoorweg aan te leggen, en +in den herfst van 1895 was die gereed. Hij steeg op van de kust, +omringde den berg in een halven cirkel, en bereikte dan de zee. + +De trein vertrekt en komt elken dag, en de Mongibello ligt geboeid, +maar verzet zich niet. Vreemdelingen rijden verbaasd door de zwarte, +grillige lavastroomen, door de witte amandelwouden, en de donkere, +oude steden der Saracenen. + +"Zie eens, welk een sprookjesland!" zeggen ze. + +In den trein is altijd wel iemand, die vertelt van den tijd toen +het Christusbeeld nog in Diamante was. Welk een tijd, welk een +tijd! Iederen dag verrichtte het beeld nieuwe wonderen. Men kan ze niet +eens alle verhalen, maar hij maakte het leven in Diamante zoo blijde, +dat de uren van den dag elkaar volgden als een rij lachende Horen. + +Men geloofde, dat de zandlooper van den tijd gevuld was met schitterend +stofgoud. + +Indien iemand gevraagd had wie in dien tijd in Diamante regeerde, +zou men geantwoord hebben: "het Christusbeeld." Alles voegde zich +naar zijn wil. Niemand trouwde of speelde in de loterij of bouwde +een huis zonder hem om raad te vragen. En heel veel messteken werden +terwille van het beeld niet uitgedeeld en menige oude veete werd +bijgelegd en menig bitter woord om zijnentwil niet uitgesproken. Men +moest wel goed zijn, want men merkte, dat het beeld hen bijstond, +die vreedzaam en hulpvaardig waren. Hun schonk hij goede gaven, +vreugde en rijkdom. Indien nu de wereld slechts was geweest, zooals +zij had moeten zijn, dan was Diamante spoedig een rijke en machtige +stad geweest. Maar in plaats daarvan, verwoestte het deel der wereld, +dat niet aan het beeld geloofde, al zijn werk. Het baatte niet veel +hoeveel geluk hij ook om zich heen verspreidde. + +De belastingen werden al hooger en verslonden al den rijkdom. En dan de +oorlog in Afrika. Hoe konden de menschen gelukkig zijn als hun zonen, +hun geld, hun muilezels naar Afrika moesten? En de oorlog was niet +voorspoedig, men leed nederlaag op nederlaag. Hoe kon men gelukkig +zijn, wanneer de eer van het vaderland op het spel stond? + +Sinds de spoorweg gereed was, merkte men, dat Diamante gelijk was +aan een oase in een woestijn. + +De oase is blootgesteld aan het stuifzand, de roovers en de wilde +dieren der woestijn. Zoo ook Diamante. + +De oase moest zich uitbreiden over de geheele woestijn om zich veilig +te gevoelen. Diamante begon te gelooven, dat het niet gelukkig kon +worden, vóórdat de gansche wereld zijn Christusbeeld aanbad. + +Nu geschiedde het, dat alles wat Diamante gewenscht en gehoopt had, +mislukte. + +Zoo verlangde donna Micaela en geheel Diamante Gaetano terug te +hebben. Toen de spoorweg gereed was, trok donna Micaela naar Rome en +smeekte om zijn invrijheidstelling. Men weigerde het haar. + +De koning en de koningin hadden haar wel willen helpen, maar ze +konden niet. Ge weet, wie toen minister in Italië was, hij regeerde +met ijzeren hand. Denkt ge, dat hij den koning toestond genade te +schenken aan een Siciliaanschen oproerling? + +Men wenschte vurig, dat het Christusbeeld van Diamante de vereering +zou ten deel vallen, die hem toekwam. Donna Micaela ging om die reden +op audiëntie bij den ouden man in het Vaticaan. + +"Heilige vader," zei ze, "laat u verhalen wat er geschied is in +Diamante op den Etna." + +En nadat ze al de wonderen van het beeld verteld had, verzocht ze, +dat de paus de oude kerk San Pasquale zou laten reinigen en inwijden +en priesters zou aanstellen voor den eeredienst van het Christusbeeld. + +Maar evenals in het Quirinaal, kreeg donna Micaela in het Vaticaan +een weigerend antwoord. + +"Waarde vorstin Micaela," zei de paus, "deze gebeurtenissen die gij +verhaalt, erkent de kerk niet als wonderen. Maar toch behoeft ge niet +te wanhopen. + +"Indien het Christusbeeld in uw stad wil worden aangebeden, dan zal het +nog een teeken geven. Het zal Ons zijn wil zoo duidelijk toonen, dat +Wij niet behoeven te twijfelen. Vergeef een ouden man, mijn dochter, +dat hij voorzichtig moet zijn." + +Nog een derde zaak had men in Diamante gehoopt. Men had verwacht +eindelijk iets te zullen hooren van Gaetano. Donna Micaela reisde +ook naar Como, waar hij gevangen zat. Zij had aanbevelingsbrieven +van hooggeplaatste ambtenaren in Rome, en ze was zeker, dat ze hem +spreken zou. + +Maar de directeur van de gevangenis had haar naar den dokter gezonden. + +Deze verbood haar met Gaetano te spreken. + +"Ge wilt den gevangene zien?" zei hij. "Neen, dat kan niet. Ge zegt, +dat hij u liefheeft en meent, dat ge gestorven zijt? Laat hem dat +gelooven. Laat hem dat gelooven! + +"Hij heeft leeren berusten, hij wordt niet meer gekweld door +verlangen. Wilt ge, dat hij opnieuw zal beginnen te verlangen, als +hij hoort, dat ge leeft? Wilt ge hem dan dooden? Ik wil u één ding +zeggen. Indien hij weer naar het leven gaat verlangen, zal hij binnen +drie maanden dood zijn." + +Donna Micaela begreep, dat zij er van moest afzien hem te spreken. + +Maar welk een teleurstelling! Welk een teleurstelling! + +Toen zij thuis kwam, had zij een gevoel als iemand, die zóó levendig +gedroomd heeft, dat hij wanneer hij ontwaakt, zich zelf niet kan +losrukken uit zijn droom. + +Zij kon maar niet begrijpen, dat al haar verwachtingen vernietigd +waren. + +Zij betrapte zich keer op keer, dat zij dacht: "Toen ik Gaetano +bevrijdde." Maar nu had zij heelemaal geen hoop meer hem te bevrijden. + +Nu eens dacht zij aan de eene, dan eens aan de andere onderneming, +die zij wilde beginnen. Zou zij het moeras dempen, of zou zij marmer +uit den Etna graven? + +Zij kon maar geen besluit nemen. + +En dezelfde lusteloosheid, die over donna Micaela gekomen was, drukte +de geheele stad. + +Het bleek immers dat alles wat afhankelijk was van menschen, die +niet geloofden aan het Christusbeeld van Diamante, verkeerd ging +en mislukte. + +Zelfs de Etnaspoorweg werd verkeerd bestuurd. Voortdurend grepen er +ongelukken plaats, ook waren de prijzen der biljetten te hoog. + +De menschen begonnen weer gebruik te maken van omnibussen en wagens. + +Donna Micaela en ook anderen dachten er aan het Christusbeeld in +de wereld te voeren. Zij zouden den ongeloovigen toonen dat hij +gezondheid, vreugde en geluk schonk aan allen, die vreedzaam, vlijtig +en goed voor hun naasten wilden zijn. + +Indien de menschen dat maar eerst begrepen, zouden ze zich wel +bekeeren. + +"Het beeld moest op het Kapitool staan en de wereld regeeren," zei +het volk in Diamante. + +"Allen, die ons regeeren, zijn onbekwaam," zeiden ze. "Wij willen +bestuurd werden door het heilige Christuskind. Hij is machtig en +weldadig. En indien hij regeerde, dan zouden de armen rijk worden, +en de rijken hebben reeds genoeg. Hij weet wie het goede wil. Indien +hij de macht had, dan zouden degenen, die nu geregeerd worden, +zitting krijgen in de raadszaal. Hij zou over de wereld gaan met +ploeg en scherpe egge, en hetgeen nu onvruchtbaar in den grond ligt, +zal ontkiemen en een rijken oogst dragen." + +Doch voordat deze plannen ten uitvoer gebracht konden worden, +kwam in de eerste dagen van Maart 1896 het bericht van den slag bij +Adua. De Italianen waren verslagen en duizenden van hen waren gedood +of gevangengenomen. + +Eenige dagen later trad het ministerie in Rome af. + +En de man die nu de macht in handen kreeg, vreesde den toorn en de +wanhoop der Sicilianen. Om hen te verzoenen hergaf hij de vrijheid +aan eenige gevangen socialisten. De vijf mannen, waarnaar het volk +het meest verlangde, werden in vrijheid gesteld. Dat waren Da Felice, +Bosco, Verro, Barbato en Alagona. + +Ach, donna Micaela trachtte blij te zijn, toen zij dit hoorde. Ze +beproefde niet te schreien. + +Zij had geloofd, dat Gaetano gevangen zat, opdat het Christusbeeld +de muren zijner gevangenis zou kunnen neerhalen. Deze beproeving had +God hem opgelegd, opdat hij genoodzaakt zou zijn het hoofd te buigen +voor het Christusbeeld en te zeggen: + +"Mijn God en Meester." + +En nu had niet het beeld hem bevrijd. Hij zou een heiden blijven +gelijk vóór zijn gevangenistijd. + +Dezelfde gapende kloof zou tusschen hen beiden zijn. Zij trachtte +verheugd te zijn. 't Was immers reeds een groot geluk dat hij vrij +was. Wat was zij en haar geluk in vergelijking daarmee! + +Maar zoo ging het nu met alles wat Diamante gewenscht en gehoopt had. + +De groote woestijn was zeer slecht jegens de arme oase. + + + + + + +II. + +IN PALERMO. + + +Eindelijk, eindelijk is het één uur 's nachts. + +Degenen, die bang zijn zich te verslapen, staan op van hun bed, +kleeden zich aan en gaan op straat. + +En zij, die opgebleven zijn en tot nu toe over de tafeltjes in de +café's gehangen hebben, rijzen op nu zij schreden hooren op het steenen +plaveisel. Ze schudden den slaap van zich en gaan naar buiten. Zij +sluiten zich aan bij de spoedig aangroeiende menschenmassa, en de +trage tijd begint iets vlugger te gaan. + +Menschen, die elkaar slechts oppervlakkig kennen, drukken elkaar +de hand met warme hartelijkheid. Dezelfde blijdschap trilt in alle +harten. En menschen die anders nooit een voet op straat zetten, +zijn hedennacht buiten, oude professoren, voorname edellieden en +fijne dames. Allen zijn even verheugd. + +"Mijn God, dat hij nu terugkomt, dat Palermo hem nu weer terugkrijgt," +zeggen ze. + +De studenten, die den geheelen nacht hun lievelingsverblijf in +Quattro Canti niet verlaten hebben, verschijnen nu met fakkels en +gekleurde lampions. + +Zij zouden die niet aansteken voor vier uur 's morgens als de verwachte +aan zal komen, maar tegen twee uur begint nu en dan eens een student +te probeeren of zijn fakkel wel branden wil. Dan steken ze allen hun +fakkels aan en begroeten het licht met luid gejuich. + +'t Is onmogelijk in het donker te staan, als zulk een groote blijdschap +in het hart vlamt. + +De vreemdelingen in de hotels worden gewekt. + +"Er is hedennacht feest in Palermo, o signori." + +"Ter eere van wien is er feest?" vragen de vreemdelingen. + +"Ter eere van een der socialisten, dien de regeering in vrijheid +gesteld heeft. Hij komt hedenmorgen met de stoomboot van Napels." + +"Wat is hij voor een man?" + +"Hij heet Bosco, het volk heeft hem lief." + +En er heerscht bedrijvigheid in de gansche stad. + +Een der geitenherders op den Monte Pellegrino is ijverig bezig kleine +ruikertjes van bellis te binden, die zijn geiten in den halsband +zullen dragen. + +En daar hij honderd geiten heeft en alle halsbanden dragen.... Maar +het moet. Zijn geiten kunnen zich den volgenden dag niet in Palermo +vertoonen, zonder versierd te zijn ter eere van den feestdag. + +De naaisters hebben tot middernacht moeten werken om alle nieuwe +kleedingstukken gereed te hebben, die den volgenden dag gedragen zullen +worden. En als zoo'n ijverig naaistertje klaar is met het werk voor +anderen, dan mag ze aan zichzelf denken. + +Ze zet een paar veeren op haar hoed en trekt de rozetten wat +hooger. Heden moet zij mooi zijn! + +Huis aan huis begint men te illumineeren. Hier en daar ontsteekt men +vuurwerk. Knallers en sissers kronkelen zich omhoog op iederen hoek +der straten. + +De bloemenwinkels aan den langen Via Vittorio Emanuele zijn telkens +en telkens geheel uitverkocht. + +Steeds meer en meer witte oranjebloemen worden er gevraagd. Geheel +Palermo is vervuld van den zoeten oranjegeur. + +De portier van Bosco's huis heeft geen oogenblik rust. Prachtige +taarten en torenhooge bouquetten worden voortdurend langs de trappen +opgedragen. Welkomstgedichten en telegrammen met gelukwenschen stroomen +van alle kanten. Er schijnt geen einde aan te zullen komen. De +arme bronzen keizer op Pazzi Bologna, de leelijke Karel de Vijfde, +die mager en ellendig is als Giovanni in de woestijn, heeft op een +onbegrijpelijke wijze een bloemruiker in de hand gekregen. Als de +studenten, die in de nabijheid in Quattro Canti zijn, dat hooren, +trekken ze in een goed geordenden optocht naar het standbeeld, +verlichten hem met hun fakkels en roepen een "lang zal hij leven" +voor den ouden despoot. + +Een van hen ontneemt hem den ruiker om dien aan den grooten socialist +te geven. + +Daarna trekken de studenten naar de haven. + +Lang vóórdat zij daar aankomen, zijn hun fakkels uitgebrand, maar +daar bekommeren zij zich niet om. Zij hebben de armen om elkaars hals +geslagen, en zingen luid. Nu en dan onderbreken zij hun gezang om te +roepen: "Weg met Crispi! Leve Bosco!" Dan valt het gezang opnieuw +in, maar wordt weer afgebroken, omdat zij, die niet zingen kunnen, +de zangers omhelzen. + +Gilden en broederschappen komen in optocht uit de stadswijken, waar +hetzelfde handwerk reeds meer dan duizend jaar uitgeoefend wordt. Daar +zijn de metselaars met hun zangkoor en vaandels, de mozaïekwerkers +en de visschers. + +Als de vereenigingen elkaar ontmoeten, groeten zij elkaar met de +vaandels. Nu en dan staan ze stil om toespraken te houden. Men spreekt +over de vijf socialisten, de vijf martelaars, die de regeering nu +eindelijk aan Sicilië teruggeschonken heeft. + +En de menschenmassa jubelt: + +"Leve Bosco! Leve Da Felice! Leve Verro! Leve Barbato! Leve Alagano!" + +Maar als iemand, die het rumoer der straten wil ontvluchten, naar de +haven gaat, vraagt hij verbaasd: + +"Waar ben ik hier? Madonna Santissima, waar ben ik gekomen?" + +Want hij had gedacht, dat het nog rustig en stil zou zijn aan de haven. + +Maar alle booten en sloepen in de haven van Palermo zijn in beslag +genomen door verschillende vereenigingen en gezelschappen. Ze drijven +in de haven, heerlijk versierd met gekleurde Venetiaansche lampions, +en ieder oogenblik stijgen er van deze booten groote bundels raketten +omhoog. + +Over de ruw houten banken heeft men prachtige kleeden en dekens +gespreid en daarop zitten de dames, de schoone dames van Palermo, +gekleed in lichte zijde en donker fluweel. Kleine ranke bootjes +zweven over het water, nu eens in groote groepen, dan weer elk +afzonderlijk. De masten en raas der groote schepen prijken met wimpels +en lampions, de kleine havenstoombootjes glijden over het water, +met bloemguirlandes om de stoompijpen. + +En onderwijl weerkaatst en spiegelt het water al het licht, zoodat +de schijn van een lantaarn tot een heelen vuurstroom wordt, en de +waterdruppels die van de roeispanen vallen, worden gelijk vloeibaar +goud. + +Op de kade staan honderdduizenden menschen, uitgelaten van vreugde. Ze +kussen elkaar, ze juichen en zijn gelukkig. + +Ze zijn hun vreugde niet meester, velen van hen weenen. + +Vuur is vreugde. 't Is goed dat men vuren ontsteekt. + +Plotseling vlamt een groot vuur op den Monte Pellegrino en daarna +stijgen hooge vlammen op van de geheele getakte bergketen, die de +stad omringt. Het vlamt op den Monte Falcone, op San Martino, op den +berg der duizenden, waarover Garibaldi trok.-- + +Maar op zee vaart de groote stoomboot van Napels, en op deze stoomboot +bevindt zich Bosco, de socialist. + +Hij kan dien nacht niet slapen. Hij loopt heen en weer op het +dek. Zijn oude moeder, die naar Napels gegaan is om hem te halen, +komt uit haar hut om hem gezelschap te houden. Maar hij kan nu niet +met haar spreken. Spoedig zal hij weer thuis zijn. O, Palermo! Palermo! + +Meer dan twee jaar heeft hij gevangen gezeten. Twee lange jaren van +kwelling en verlangen. En zijn die ergens goed voor geweest? Zie, +dat zou hij zoo gaarne willen weten. + +Heeft het zijn zaak iets gebaat, dat hij gevangen gezeten heeft? Heeft +Palermo aan hem gedacht? Heeft zijn lijden der zaak een enkelen +aanhanger doen winnen? + +Zijn moeder zit ineengedoken op de kajuittrap te rillen van de +koude. Hij heeft het haar gevraagd, maar zij weet niets. Zij spreekt +over den kleinen Francesco en de kleine Lena, hoe zij gegroeid +zijn. Zij weet niets van hetgeen, waarvoor hij strijdt. Maar nu +nadert hij zijn moeder, grijpt haar bij de hand en voert haar naar de +verschansing. Hij vraagt haar of zij niet iets ziet daar ver in het +zuiden. Zij ziet met haar droeve oogen over de zee en ziet slechts +den nacht, slechts den donkeren nacht op zee. Ze ziet niet dat er +een vuurwolk gloeit aan den horizon. + +En hij hervat zijn wandeling en zij kruipt onder de beschermende +tent. Hij behoeft niet met haar te spreken, 't is haar reeds een +geluk hem weer bij zich te hebben na een scheiding van twee lange +jaren. Hij was veroordeeld tot vier en twintig jaar gevangenisstraf, +en zij had niet gedacht hem ooit weer te zien. Maar de koning had hem +genade verleend, de koning was een goede man. Indien hij slechts de +macht had zoo goed te zijn, als hij was. + +Bosco wandelt rusteloos op het dek en vraagt den matrozen of ze niet +een vuurgloed daar ginds aan den horizon zien. + +"Daar is Palermo," zeggen de zeelieden. "'s Nachts zweeft er altijd +zoo'n lichtschijn boven de stad." + +Het kan niets zijn, dat hem aangaat, hij wil zich zelf overtuigen, +dat men niets voor zijn ontvangst doet. Hij kan toch niet verlangen, +dat alle menschen opeens socialisten geworden zijn. + +Maar na een tijdje denkt hij: "Er moet toch iets buitengewoons gaande +zijn." Alle matrozen verzamelen zich op het voordek. + +"Palermo staat in brand," zegt een matroos. + +Ja, dat kon wel het geval zijn.--En hij lijdt vreeselijk, omdat hij +verwacht, dat men iets tot zijn ontvangst zou doen. Maar nu bemerken +de zeelieden de vlammende vuren op de bergen. Neen, het kan toch +geen brand zijn. 't Is zeker een heilige dag. Ze vragen elkaar welk +feest heden gevierd wordt. Hij tracht ook te gelooven dat het zoo is, +en vraagt zijn moeder of het een feestdag is. + +Ze komen al nader bij Palermo. Het gedempte feestgeruisch van de +groote stad dringt tot hen door. + +"Geheel Palermo zingt en juicht vannacht," zegt een der zeelieden. + +"Er is zeker een telegram gekomen van een overwinning in Afrika," +meent een ander. + +Niemand denkt er aan dat het ter eere van Bosco kan zijn. Hij gaat +naar het achterdek, hij wil niets meer zien. Hij wil zichzelf niet +met ijdele verwachtingen kwellen. Zou geheel Palermo illumineeren +voor een armen socialist? + +Nu komt zijn moeder bij hem. "Kom mee," zegt ze. "Zie eens hoe Palermo +schittert van licht, 't moet zeker een koning zijn, die heden verwacht +wordt. Kom mee om Palermo te zien." + +Hij denkt na. Neen, hij gelooft niet dat de koning Palermo heden +bezoekt. Maar hij waagt het niet iets anders te denken, nu niemand, +zelfs niet zijn moeder.... + +Opeens schreeuwen allen op de stoomboot luid. 't Klinkt als een +noodkreet. Een groot pleizierjacht stuurt recht op hen aan en glijdt +nu zacht naast de stoomboot. + +Het geheele jacht schijnt slechts uit bloemen en licht te +bestaan. Roode en witte draperieën hangen over boord. Bosco staat op +de stoomboot en vraagt zich af welke tijding deze schoone bode zal +brengen. Daar slaat het zeil om en op het witte vlak schittert hem +tegemoet: "Leve Bosco." 't Is zijn naam! Niet die van een koning of +van een zegevierenden generaal! Niemand dan hem geldt deze hulde. Zijn +naam, zijn naam! + +Het jacht werpt eenige vuurraketten omhoog, een regen van gouden +sterren valt neer. + +De boot stoomt de haven binnen. Een donderend gejubel weerklinkt; +de menschen weenen van blijdschap en vervoering. + +Maar Bosco voelt, dat hij zulk een hulde niet verdient. Hij zou willen +knielen voor deze menschen, die hem huldigen, en hen smeeken hem te +vergeven, dat hij niets vermag, niets gedaan heeft voor hen allen. + + + +Door een bizonder toeval is donna Micaela dien nacht in Palermo. Ze +is daar voor een van de ondernemingen, die ze meent te moeten beginnen +om het leven te kunnen uithouden. Zij is daar óf voor de marmergroeve +óf voor het moeras, dat zij wil dempen. + +Zij staat beneden bij de haven, zij, zooals alle anderen. Men ziet +haar aan, als zij zich een weg baant naar het strand, een hooge, +donkere vrouw, met een voornaam uiterlijk, een bleek gelaat met +sprekende trekken en smeekende, verlangende, hartstochtelijke oogen. + +Terwijl het volk jubelt en juicht, voert donna Micaela een hevigen +strijd. "Indien dit nu Gaetano was," denkt zij, kon ik dan, zou +ik dan.... + +"Indien al deze menschen jubelen om hem, zou ik dan..." + +Er heerscht zulk een vreugde in de stad, grooter dan zij ooit gezien +heeft. De menschen hebben elkaar lief als broeders. En dat is niet +alleen omdat een socialist thuis komt, maar omdat ze gelooven, +dat de aarde spoedig gelukkig zal zijn. Indien hij nu kwam, nu deze +blijdschap rondom mij opbruist, denkt zij. Kon ik dan, zou ik dan.... + +Ze ziet hoe het rijtuig van Bosco door de menschenmenigte tracht te +dringen. Het gaat stap voor stap; langen tijd moet het stilstaan. Er +zullen vele uren noodig zijn, voordat het rijtuig voorbij de haven is. + +Indien hij het was, en ik zag hoe alle menschen zich om hem verdrongen, +kon ik het dan laten mij in zijn armen te werpen? Kon ik... + + + +Zoo spoedig zij uit het gedrang komen, neemt ze een wagen en rijdt +door de vlakte van Conca d'oras naar de groote domkerk der Noorsche +koningen te Monreale. + +Ze treedt binnen en staat oog in oog met het schoonste Christusbeeld, +dat menschelijke kunst geschapen heeft. Hoog op het koor zit +de gezegende Christus in stralend mozaïek, machtig, mystisch en +majestueus. + +Ontelbaar zijn de pelgrims, die naar Monreale trekken om troost te +zoeken in het aanschouwen van zijn aangezicht. Ontelbaar zijn de velen, +die in verre landen naar hem smachten. + +De grond trilt onder de voeten van hem die dit Christusbeeld voor +de eerste maal aanschouwt. Zijn oogen dwingen den vreemdeling de +knieën voor hem te buigen. Zonder dat de bezoeker het weet, stamelen +zijn lippen: + +"O God! Mijn God!" + +Rondom op de tempelwanden stralen de wereldgebeurtenissen in de +mozaïek. Die voeren de gedachten slechts tot hem; zij zijn daar +slechts om te zeggen: + +Het gansche verleden behoort hem, het heden is van hem en evenzoo +behoort hem de geheele toekomst. + +De mysteriën van leven en dood sluimeren in zijn hoofd. + +Daar woont de geest, die het lot der wereld bestuurt. + +Daar heerscht de liefde, die de wereld verlossen zal. + +En donna Micaela roept hem aan: + +"Gij, Gods zoon, verlaat mij niet! Laat geen mensch de macht hebben +mij van u te scheiden!" + + + + + + +III. + +DE THUISKOMST. + + +'t Is een wonderlijk gevoel thuis te komen. Terwijl ge nog op reis +zijt, kunt ge niet denken, dat het zoo wonderlijk zal zijn. + +Wanneer ge komt bij Reggio aan de straat van Messina en Sicilië uit +de zee ziet opduiken als een nevelland, wordt ge haast ongeduldig. + +"Is het niets anders?" zegt ge. "Dat is immers een land zooals alle +andere." + +En als ge bij Messina aan land stapt, zijt ge nog steeds ongeduldig. Er +moest iets gebeurd zijn, er moest iets geschied zijn, terwijl ge weg +waart. Ge hadt niet dezelfde ellende, dezelfde lompen, denzelfden +nood moeten terugvinden, die ge bij uw vertrek verlaten hebt. Wel ziet +ge dat de lente gekomen is. De vijgeboomen dragen reeds bladeren, de +wijnstokken zenden ranken uit, die in een paar uur zichtbaar groeien, +en een menigte erwten en boonen liggen op de kade. + +Slaat ge een blik op de heuvelen rondom de stad, dan ziet ge dat de +grauwe cactusplanten, die langs de rotshellingen groeien, bedekt zijn +met vuurroode bloemen, die schitteren als kleine, vurige vlammen. 't +Schijnt alsof de fichedenda's vol vuur zijn, dat nu is uitgebroken. + +Maar hoewel de cactus in vollen bloei staat, is hij nog even grauw, +stoffig en met spinnewebben bedekt als altijd. En ge zegt tot u zelf, +dat Sicilië gelijkt op den cactus. Hoe vele lenten er ook over het +eiland gegaan zijn, het blijft toch altijd het land der grauwe armoede. + +Ge kunt niet begrijpen, dat alles precies gelijk is gebleven. De +Scylla en de Charybdis hadden moeten bruisen gelijk in vroeger +dagen. De steenen reuzen in den Girgentitempel moesten opgestaan +zijn met geboeide leden. Selinunts tempel moest verrezen zijn uit +zijn puinhoopen. Heel Sicilië moest ontwaakt zijn. + +Als ge nu van Messina langs de kust reist, zijt ge nog steeds +ongeduldig. Ge ziet, dat de boeren nog steeds het land bewerken met +houten ploegen en dat hun paarden er nog even mager, ellendig en +uitgehongerd uitzien, als vóór uw vertrek. + +Ja, alles is precies gelijk gebleven. De zonneschijn valt neer op +de aarde als een regen van kleuren, de pelagonia's bloeien aan den +wegkant, de zee ligt zacht blauw en streelt het strand. + +Woeste bergen met hooge kruinen verheffen zich langs de kust. Het +hooggebergte van den Etna verrijst aan den horizon. Plotseling +bemerkt ge, dat er iets wonderbaarlijks geschied is. Ge zijt niet +meer ongeduldig, integendeel, ge verheugt u over de bloeiende velden, +de bergen en de blauwe zee. + +Ge wordt teruggevoerd tot de schoone aarde als een van haar verloren +bezittingen. Ge hebt geen tijd aan iets anders dan aan haar te +denken. Eindelijk komt ge in de nabijheid van uw echt thuis, waar ge +uw kindsheid hebt doorgebracht. + +Hoe hebt ge zulke goddelooze gedachten kunnen hebben, terwijl ge weg +waart? Dit arme thuis wildet ge nooit weerzien omdat ge daar te veel +geleden hebt?-- + +Dan aanschouwt ge opeens de oude bergstad op eenigen afstand, en die +ziet er vroolijk lachend uit en voelt zich volkomen onschuldig. + +"Kom, heb mij opnieuw lief," zegt ze. + +En ge kunt niet anders dan gelukkig en dankbaar zijn, omdat ze uw +liefde wil aannemen. + +O, als ge nu komt op den zigzagweg, die naar de stadspoort voert! De +schaduw van een olijfboom valt over u. Wil hij u liefkoozen? Een kleine +hagedis komt te voorschijn op een muur. Ge moet staan blijven om naar +haar te kijken. Kan zij niet een oude kennis zijn, die u goedendag +wil zeggen? + +Plotseling wordt ge angstig. Uw hart begint te kloppen en te +hameren. Ge herinnert u, dat ge niet weet wat ge zult hooren, +als ge thuis komt. Geen brief hebt ge geschreven, niemand hebt ge +ontvangen. Alles wat u aan uw thuis kon herinneren, hebt ge van u +gewezen. Dat was het verstandigste nu ge toch nooit weer thuis zoudt +komen. En tot dit oogenblik was alles wat uw huis betrof, dood voor u. + +Maar nu weet ge niet, hoe ge het leven zult kunnen uithouden indien er +thuis iets veranderd is. 't Zal u zulk een groot verdriet veroorzaken, +indien de Monte Chiaro slechts één palm verloren heeft, indien er +slechts één enkele steen losgeraakt is uit den stadsmuur. + +Zou de groote agave nog op het vooruitspringende rotsblok staan? Neen, +de agave is er niet meer, die is omvergehakt. En de steenen bank aan +den weg is gebroken. Die bank zult ge missen, het was altijd zulk een +heerlijk rustpunt. En zie, op het groene veld onder den amandelboom +is een schuur gebouwd. Nu kunt ge u nooit meer uitstrekken op dat +bloeiende klaverveld. + +Ge wordt angstig bij elke schrede. Wat zult ge nu zien? Zoo ontroerd +zijt ge, dat ge voelt dat ge in tranen zoudt uitbarsten, indien ge +slechts hoordet, dat er een der oude bedelaarsters gestorven is, +terwijl ge afwezig waart. + +Neen, ge wist niet dat het zoo wonderlijk is, thuis te komen. Ge +kwaamt eenige weken geleden uit de gevangenis, en de lusteloosheid +der gevangenis lag nog over u. Ge wist nauwelijks of ge wel naar +huis zoudt reizen. De geliefde was dood, 't was al te vreeselijk +de oude wonde opnieuw open te rijten. Zoo liept ge lusteloos rond, +maar eindelijk vermandet gij u. Gij moest toch naar uw oude, arme +moeder. En nu ge daar gaat, voelt ge, dat ge hebt verlangd naar elken +steen, iederen grashalm. + + + +Dadelijk nadat Gaetano in den winkel kwam, heeft donna Elisa zich +voorgenomen: "Nu zal ik met hem spreken over Micaela. Misschien weet +hij nog niet eens dat zij leeft." Maar zij stelt dat minuut na minuut +uit, niet alleen omdat zij hem een tijdje voor zich alleen wil houden, +maar ook omdat hij, zoodra hij Micaela's naam hoort, liefdesmart en +pijn zal gevoelen. Want Micaela wil niet met hem trouwen, dat heeft +ze donna Elisa duizenden malen gezegd. + +Zij wil hem bevrijden uit de gevangenis, maar ze wil niet de vrouw +van een vrijdenker worden. + +Slechts een half uur wil donna Elisa Gaetano voor zich zelf behouden, +slechts een enkel half uurtje. + +Maar zoo lang zal zij zeker niet kunnen zitten met zijn hand in de hare +en hem duizenden vragen doen, want het volk heeft zijn komst reeds +vernomen. Opeens staat de straat vol menschen, die hem allen willen +zien. Donna Elisa heeft den grendel voor de winkeldeur geschoven, +want zij wist immers, dat zij geen oogenblik rust zou hebben, zoodra +men Gaetano ontdekt heeft. Maar het baat haar heel weinig. + +De menschen kloppen op de ramen en rammelen aan de deur. + +"Don Gaetano," roepen ze. "Don Gaetano!" + +Gaetano verschijnt lachend op de trap. Ze zwaaien met hun mutsen en +roepen luid hoera. Hij ijlt tusschen de menschenmenigte en omhelst +den een na den ander. Maar dat is niet alles wat ze verlangen. Hij +moet op de trap een toespraak tot hen houden; hij moet hun vertellen +hoe hard de regeering voor hem geweest is en hoe hij geleden heeft +in de gevangenis. + +Gaetano lacht nog steeds en gaat op de trap staan. + +"De gevangenis," zegt hij, "wat zal ik u daarvan vertellen? Ik heb +elken dag mijn soep gehad, elken middag, dat is meer dan velen van +u kunnen zeggen." + +De kleine Gandolfo zwaait zijn muts en roept: + +"Nu zijn er heel wat meer socialisten in Diamante, dan toen ge +weggingt, don Gaetano." + +"Hoe zou dat anders kunnen zijn," lachte hij. "Alle menschen +moeten socialist worden. Is het socialisme dan iets gevaarlijks, +iets afschuwelijks? Het socialisme is een idylle. 't Is een idylle +van een eigen thuis, van gezegenden arbeid, zooals iedere mensch dat +droomt in zijn jeugd. Een heele aarde vervuld van...." + +Hier zwijgt hij plotseling. Toevallig heeft hij een blik geworpen +op het zomerpaleis. Daar staat donna Micaela op een der balkons en +kijkt naar hem. + +Hij denkt geen oogenblik, dat zij een visioen of een spookverschijning +is. Hij ziet dadelijk dat zij leeft. Maar juist daarom.... Of het +nu ook kwam omdat de gevangenistijd zijn krachten verzwakt heeft, +en hij zich nu niet beheerschen kan.... hij voelt dat hij zich niet +staande kan houden. Hij grijpt met de handen in de lucht, tracht tegen +den deurpost te leunen, maar 't helpt niets. Zijn beenen dragen hem +niet langer, hij valt van de trap en slaat met een harden bons zijn +hoofd tegen de steenen. + +Hij ligt daar als voor dood. + +Ze vliegen allen op hem af, dragen hem naar binnen, ijlen naar een +dokter, spreken allen tegelijk en slaan duizenden middeltjes voor om +hem te helpen. + +Donna Elisa en Pacifica krijgen hem eindelijk in een der +slaapkamers. Luca jaagt de menschen uit het huis, en stelt zich op +wacht voor de gesloten deur. Donna Micaela, die met de anderen naar +binnen gekomen is, neemt hij het eerst van allen bij de hand en brengt +haar buiten de deur. Zij vooral mag niet binnen blijven. Luca heeft +zelf gezien hoe Gaetano als door den bliksem getroffen neerstortte, +toen hij haar zag. + +De dokter doet alle mogelijke moeite om Gaetano weer tot het leven te +roepen. Maar dat gelukt hem niet, Gaetano ligt daar als versteend. De +dokter meent dat hij in een gevaarlijken toestand is, hij weet niet +of hij hem nog kan redden. De bezwijming op zich zelf beteekent immers +niets, maar de slag op de harde steenen.... + +Binnenshuis heerscht groote drukte, maar de arme buitengeslotenen +kunnen niets anders doen dan wachten en wachten. + +Ze staan den geheelen dag voor donna Elisa's deur. Daar staan donna +Emilia en donna Concetta, vroeger bestond er niet veel vriendschap +tusschen haar beiden, maar heden staan ze naast elkaar te treuren. + +Vele angstige oogen turen door het winkelraam van donna Elisa's +huis. De kleine Gandolfo en de oude Assunta van de domtrap en de arme +stoelmatter staan daar den heelen namiddag zonder een oogenblik rust +te nemen. 't Is vreeselijk, dat Gaetano zal sterven, nu zij hem juist +weer terug hebben gekregen. + +De blinden staan daar te wachten alsof ze hopen, dat hij hun het +gezicht terug zal geven, en arme menschen, zoowel van Geraci als van +Corvaja, wachten in angstige spanning hoe het met hun jongen Heer, +den laatsten Alagona, zal afloopen. + +Hij had hen allen lief, en hij had zulk een groote macht en kracht, +indien hij slechts in het leven bleef.... + +"God heeft zijn hand van Sicilië genomen," zeggen ze. "Allen, die +het volk willen helpen, laat hij sterven." + +Den geheelen namiddag, den avond tot middernacht staan de menschen +voor donna Elisa's huis. + +Precies klokslag twaalf verschijnt donna Elisa in de winkeldeur, +en daalt van de trap. + +"Is hij gered?" roepen ze allen. + +"Neen, zijn toestand is nog hetzelfde." + +Allen zwijgen, eindelijk vraagt een bevende stem: + +"Is het erger?" + +"Neen, neen, het is niet erger. Zijn toestand is hetzelfde, de dokter +is bij hem." + +Donna Elisa heeft een zwarte sjaal over het hoofd geworpen, ze draagt +een lantaarn in de hand. Zij gaat op straat, waar de menschen dicht +op elkaar gedrongen staan en liggen. + +"Is Gandolfo hier?" vraagt ze. + +"Ja, donna Elisa." Gandolfo komt te voorschijn. + +"Ga met mij mede om je kerk voor me te ontsluiten." Allen die donna +Elisa's woorden verstaan hebben, begrijpen dat ze wil gaan bidden in +San Pasquale om het Christusbeeld te smeeken voor Gaetano's leven. Ze +staan allen op en willen met haar gaan. + +Donna Elisa is zeer getroffen door dit medelijden, ze heeft een gevoel +alsof haar hart grooter wordt. + +"Ik zal u iets vertellen," zegt ze met bevende stem. + +"Ik heb gedroomd. Ik weet niet hoe het kwam, dat ik opeens in slaap +viel, maar terwijl ik zoo bedroefd bij Gaetano's bed zat, sliep ik +in. Nauweljks had ik mijn oogen gesloten, of ik zag het Christusbeeld +met zijn kroon en gouden schoentjes, zooals hij in San Pasquale's kerk +staat. En hij zei tot mij: "Maak de arme vrouw, die in mijn kerk ligt +te bidden, tot de echtgenoote van uw zoon, dan zal hij genezen." + +"Nadat hij dit gezegd had, ontwaakte ik, en toen ik mijn oogen opsloeg, +was het mij alsof ik het Christusbeeld door den muur zag verdwijnen. En +nu moet ik naar de kerk om te zien of er een vrouw is. + +"Maar gij hoort allen, dat ik heilig beloof, dat indien er eenige vrouw +in San Pasquale is, ik doen zal wat het beeld mij bevolen heeft. En +indien het ook het armste meisje van de straat is, ik zal haar als +mijn dochter beschouwen en haar maken tot mijn zoons echtgenoote." + +Als donna Elisa dit gezegd heeft, gaat ze door allen gevolgd naar +Pasquale. Alle arme menschen zijn in gespannen verwachting. Ze kunnen +zich nauwelijks bedwingen om donna Elisa niet voorbij te snellen om +te zien of er ook iemand in de kerk is. + +Denk eens, indien het een zigeunerin was, die daar vannacht beschutting +zocht. Wie anders kan 's nachts in de kerk zijn dan een arme verlaten +stakker? + +'t Is een vreeselijke gelofte, die donna Elisa gedaan heeft. + +Eindelijk hebben ze de Porta Etnea bereikt en nu gaat het vlug +heuvelafwaarts. + +Maar zie, de kerkdeur staat open. Er is dus werkelijk iemand. De +lantaarn trilt in donna Elisa's hand. + +Gandolfo wil die voor haar dragen, maar zij behoudt die. + +"In Godsnaam, in Godsnaam," mompelt zij, terwijl zij de kerk +binnentreedt. + +Het volk dringt om binnen te komen. Men drukt elkaar bijna dood, maar +van spanning zwijgen allen. Niemand zegt een woord. Allen staren naar +het hoogaltaar. Is daar iemand? Is daar iemand? De kleine lamp boven +het beeld werpt slechts een zeer zwakken lichtschijn. Is er iemand? + +Ja, er is iemand. Er ligt een vrouw voor het altaar geknield. Zij bidt +en heeft het hoofd zoo diep gebogen, dat men niet kan zien, wie zij is. + +Nu zij schreden achter zich hoort, richt zij den langen gebogen hals +op, en ziet om. 't Is donna Micaela. + +In het eerste oogenblik is zij verschrikt en ziet er uit als wilde +ze vluchten. Donna Elisa is ook verschrikt, ze zien elkaar aan, +alsof ze elkaar nooit tevoren gezien hebben. + +Maar nu zegt donna Micaela heel zacht: + +"Ge komt om voor hem te bidden, schoonzuster," en ze schuift een +weinig ter zijde, opdat donna Elisa voor het beeld zal kunnen knielen. + +Donna Elisa's hand beeft zoo, dat ze de lantaarn op den grond moet +zetten, haar stem is heesch, als zij vraagt: + +"Is niemand anders dan gij hier vannacht geweest, Micaela?" + +"Neen, niemand anders." + +Donna Elisa moet tegen het altaar leunen om niet te vallen, donna +Micaela ziet dat. Zij is dadelijk bij haar en legt den arm om haar +middel. + +"Ga zitten, ga zitten!" en donna Micaela knielt neer. + +"Is het zoo slecht met hem? Wij zullen voor hem bidden." + +"Micaela," zegt Elisa, "ik dacht dat ik hier geholpen zou worden." + +"Ja zeker, dat zult ge ook." + +"Ik droomde, dat het beeld tot mij kwam, en mij beval hier heen +te gaan." + +"Hij heeft ons reeds zoo vele malen geholpen." + +"Maar hij zei tot mij: Maak de arme vrouw, die voor mijn altaar ligt, +tot de echtgenoote van uwen zoon, dan zal hij genezen." + +"Wat zei hij?" + +"Ik zou de vrouw, die hier bad, tot mijn zoons echtgenoote maken." + +"En dat wildet ge? Gij wist immers niet wie gij hier zoudt vinden?" + +"Onderweg deed ik de belofte--en zij die mij volgden, hebben het +gehoord--dat wie het ook zou zijn, ik haar in mijn armen zou nemen +en naar mijn huis zou voeren. Ik dacht dat God een arme vrouw wilde +helpen." + +"Ja, dat is zeker ook het geval." + +"Ik was zoo bedroefd toen ik zag, dat niemand anders hier was dan gij." + +Donna Micaela geeft geen antwoord, ze ziet slechts naar het +beeld. "Wilt ge dat? Wilt ge dat?" vraagt ze ontroerd. + +Donna Elisa gaat door met klagen. "Ik zag hem zoo duidelijk, en hij +heeft ons nog nooit bedrogen. Ik dacht dat een arm meisje, dat geen +thuis had, om een man gesmeekt had. + +"Zoo iets is wel eens vroeger voorgekomen. Wat zal ik nu doen?" + +Zij klaagt en jammert, en zij kan de gedachte maar niet uit haar +hoofd zetten, dat het een arme vrouw moet zijn. + +Op 't laatst wordt donna Micaela ongeduldig. + +Zij grijpt haar bij den arm en schudt dien. "Maar donna Elisa, +donna Elisa." + +Donna Elisa hoort haar niet; ze jammert maar steeds. + +"Wat zal ik doen, wat zal ik doen?" + +"Maar maak dan de arme vrouw, die hier ligt, tot de echtgenoote van +uw zoon, donna Elisa!" + +Donna Elisa ziet op en aanschouwt een bekoorlijk stralend gelaat! + +Maar slechts een oogenblik, want donna Micaela verbergt het haastig +aan donna Elisa's schouder. + + + +Donna Elisa en donna Micaela gaan te zamen terug naar de stad. De +straat kronkelt zich zoo, dat ze donna Elisa's huis niet kunnen +zien, vóórdat zij er heel dicht bij zijn. Als zij het eindelijk in +het gezicht krijgen, zien ze dat de winkelramen verlicht zijn. Vier +groote waskaarsen branden achter de trossen rozenkransen. + +De twee vrouwen drukken elkaar de hand. "Hij leeft, hij leeft," +fluisteren zij. + +"Ge moogt hem niets zeggen van hetgeen het beeld u bevolen heeft," +zegt donna Micaela. + +Voor den winkel omhelzen zij elkaar en gaan elk naar haar huis. Na een +tijdje verschijnt Gaetano op de winkeltrap. Een oogenblik staat hij +stil, terwijl hij de frissche nachtlucht inademt. Dan ziet hij, dat +er nog licht brandt in het zomerpaleis aan de overzij van de straat. + +Gaetano ademt diep en heftig, hij schijnt haast bevreesd om verder +te gaan. Plotseling ijlt hij weg als iemand, die een onafweerbaar +ongeluk tegemoet gaat. + +De poort van het zomerpaleis is niet gesloten, hij springt de trap +op en rukt de deur der muziekzaal open zonder aan te kloppen. + +Donna Micaela zit te denken of hij nog hedennacht zal komen of wachten +zal tot den volgenden morgen. + +Dan hoort zij schreden op de galerij. + +Een angstig gevoel grijpt haar aan. Hoe zal hij nu zijn? Zij heeft +zoo ongelooflijk naar hem verlangd. Zal hij nu werkelijk zoo zijn, +dat eindelijk al haar verlangen bevredigd wordt? + +En zullen er geen nieuwe muren tusschen hen oprijzen? Zullen ze +elkaar één keer alles kunnen zeggen? Zullen ze nu over liefde of over +socialisme spreken? + +Als hij de deur openrukt, tracht ze hem tegemoet te gaan, maar zij kan +niet. Heel haar lichaam trilt, ze gaat zitten en bedekt haar oogen +met de handen. Zij verwacht dat hij haar in zijn armen zal sluiten +en haar kussen zal. Maar dat doet hij stellig niet. Gaetano pleegt +niet te doen, wat men van hem verwacht. + +Zoodra hij uit zijn bezwijming ontwaakte, heeft hij zich in de kleeren +geworpen om naar haar te gaan. Hij is eigenlijk uitgelaten vroolijk, +hij zou willen, dat ook zij het zoo licht opnam. Hij wil niet ontroerd +zijn. Hij kan nu geen aandoening verdragen, 's voormiddags is hij +toch ook in onmacht gevallen. Hij staat stil naast haar tot zij haar +kalmte herwonnen heeft. + +"Gij hebt geen sterke zenuwen," zegt hij. + +Dat is alles wat hij zegt. + +Zij en donna Elisa en alle menschen in Diamante zijn overtuigd, dat +hij gekomen is om haar in zijn armen te sluiten en haar te zeggen, +dat hij haar liefheeft. + +Maar juist daarom is het Gaetano onmogelijk. Sommige menschen hebben +een oppositiegeest, ze kunnen nooit doen, wat men verwacht, dat zij +zullen doen. + +Gaetano begint haar van zijn reis te vertellen. Hij spreekt niet +eens over het socialisme. Hij spreekt van den trein, den conducteur +en het eigenaardige reisgezelschap. + +Donna Micaela ziet hem aan, haar oogen beginnen al inniger te +smeeken. Gaetano schijnt blij en gelukkig te zijn haar te zien. Maar +waarom kan hij niet zeggen, wat hij moet zeggen? + +"Hebt ge met den Etnaspoorweg gereisd?" vraagt zij. + +"Ja," antwoordt hij en begint kalm uit te weiden over het nut en de +schoonheid van dezen nieuwen spoorweg. Hij weet in het geheel niet +hoe die tot stand is gekomen. + +Gaetano zegt tot zich zelf dat hij een barbaar is. Waarom zegt hij +haar niet de woorden waarnaar zij smacht? Maar waarom zit zij daar +ook zoo onderdanig? + +Waarom toont zij, dat hij slechts zijn hand behoeft uit te strekken +om haar te nemen? + +Hij is jubelend, stralend gelukkig weer in haar nabijheid te zijn, +maar zij is hem zoo zeker, zoo zeker.--'t Is zoo aardig haar een +weinig te plagen. + +Het volk staat nog op straat, en alle menschen voelen zich verheugd +alsof ze een dochter uithuwelijken. + +Zij hebben slechts geduld gehad om Gaetano tijd te geven zich te +verklaren. + +Maar nu moet hij dat zeker wel gedaan hebben. + +En zij beginnen te roepen: + +"Leve Gaetano! Leve Micaela!" + +Donna Micaela ziet met een onbeschrijflijk gepijnigden blik op. Hij +moet toch begrijpen, dat zij daaraan geen schuld heeft. Zij gaat +naar de galerij en zendt Lucia naar beneden met het verzoek of zij +daarbuiten stil willen zijn. + +Als zij weer in de kamer komt, is Gaetano opgestaan. Hij reikt haar +de hand, hij wil gaan. + +Donna Micaela geeft hem de hand zonder bijna te weten wat zij +doet. Maar plotseling trekt zij haar hand terug. + +"Neen, neen!" zegt zij. + +Hij wil gaan en wie weet of hij morgen terugkomt. En zij heeft niet +met hem gesproken, ze heeft geen woord gezegd van hetgeen haar op +het hart ligt. + +Het behoefde tusschen hen niet te zijn als tusschen gewone +verliefden. Hij had immers haar leven het leven gegeven, gedurende +zoovele jaren. Of hij haar nu sprak van liefde of niet, dat was haar +onverschillig. Zij wilde hem zeggen wat hij voor haar geweest was. + +En juist nu. Men moet den tijd gebruiken waar het Gaetano geldt. Zij +waagt het niet hem te laten gaan. + +"Ge moogt nog niet vertrekken," zegt zij. "Ik moet u iets zeggen." Zij +zet een stoel voor hem gereed, zelf neemt zij iets achter hem +plaats. Zijn oogen stralen al te vroolijk hedenavond, die doen haar +pijn. Dan begint zij te spreken. De groote, verborgen schatten +van haar leven legt zij voor hem bloot. Dat waren al de woorden, +die hij tot haar gesproken heeft, al de droomen, die hij haar heeft +doen droomen. Zij heeft niets verloren. Alles heeft zij gespaard en +verzameld; het is de gansche rijkdom van haar arm leven geweest. + +In het begin spreekt zij haastig, alsof zij een les opzegt. Zij is bang +voor hem; zij weet niet of het hem aangenaam is dat ze spreekt. Dan +waagt ze het hem aan te zien. Nu is hij ernstig, nu is hij in het +geheel niet vroolijk meer. + +Hij zit stil te luisteren alsof hij geen lettergreep wil verloren +laten gaan. Zoo straks was zijn gelaat ziekelijk aschgrauw, maar nu +verandert het plotseling. Zijn aangezicht begint te schitteren als +van een zalige. + +Zij vertelt en vertelt. Zij ziet aan hem, dat ook zij nu schoon +is. Hoe zou het ook anders kunnen zijn. Eindelijk, eindelijk kan zij +hem alles zeggen. + +Ze mag hem zeggen, hoe de liefde tot haar kwam en haar sedert +nooit weer verliet. Eindelijk mag zij hem zeggen, wat hij voor haar +geweest is. + +Woorden kunnen het niet genoeg uitdrukken. Ze grijpt zijn hand en +kust die. + +Hij laat dat geschieden zonder zich te verroeren. De kleur van zijn +gelaat wordt niet hooger, maar doorschijnender, klaarder. Zij moet +aan Gandolfo denken, die zei, dat Gaetano's gezicht zoo bleek werd, +dat het lichtte. + +Hij valt haar niet in de rede. Zij vertelt hem van den spoorweg, +verhaalt van de wonderen van het Christusbeeld. Nu en dan ziet hij +haar aan. Zijn oogen stralen haar tegemoet. Hij lacht haar volstrekt +niet uit. + +Zij zou gaarne willen weten wat hij nu denkt. Hij ziet er uit, alsof +hetgeen zij hem vertelt niet veel nieuws voor hem is. Hij schijnt +alles reeds te weten wat zij zegt. + +Kwam het misschien, omdat de liefde, die hij voor haar gevoelt, juist +zoo is als haar liefde voor hem? Wekte die in hem ook het edelste, +dat in zijn ziel sluimerde? Was die ook de verheffende kracht van zijn +leven geweest? Had die vleugels gegeven aan zijn kunstenaarsziel? Had +die hem de armen en onderdrukten doen liefhebben? Bezielt die liefde +hem, zoodat hij voelt dat hij een kunstenaar, een apostel is, en +niets te hoog is voor hem? + +Daar hij nog steeds zwijgt, denkt zij, dat hij zich misschien niet +wil binden aan haar. Hij heeft haar lief, maar hij wil misschien +een vrij man blijven. Hij meent misschien, dat zij niet past voor de +vrouw van een socialist. + +Haar bloed begint te koken. Zij denkt, dat hij misschien meent, +dat zij bedelt om zijn liefde. + +Zij heeft hem bijna alles verhaald, wat gebeurd is in den tijd, +dat hij afwezig was. Nu breekt zij plotseling haar verhaal af. + +"Ik heb je liefgehad," zegt zij. "Ik zal je altijd liefhebben en +ik zou gewenscht hebben, dat je mij nog éénmaal zeidet, dat je mij +liefhebt. Dan zou de scheiding gemakkelijker te dragen zijn." + +"Werkelijk?" zegt hij. + +"Kan ik ooit je vrouw worden?" zegt ze; haar stem beeft van smart. "Ik +vrees niet meer zooals vroeger je leer, ik ben niet meer bang voor je +armen; ook ik wil de aarde herscheppen zooals gij. Maar ik ben een +geloovige. Hoe zou ik met je kunnen leven als je daarin niet gelijk +met mij denkt? Of zou je mij tot ongeloof willen verleiden? Dan +zou de wereld dood voor mij zijn. Alles zou doel en beteekenis voor +mij verloren hebben. Ik zou een rampzalig, ellendig mensch zijn. We +moeten scheiden." + +"Werkelijk?" Zijn oogen beginnen te schitteren van ongeduld. + +"Nu moet je gaan," zegt ze stil. "Ik heb je alles verteld, wat ik +zeggen wilde. Ik zou gewenscht hebben, dat je mij iets te zeggen hadt +gehad. Maar misschien is het zoo beter voor ons beiden. We moeten de +scheiding niet zwaarder maken, dan zij reeds is." + +Gaetano's eene hand grijpt hard om haar handen, met de andere houdt +hij haar hoofd vast, zoo kust hij haar. + +Was zij waanzinnig, dat zij kon denken, dat hij door iets, iets ter +wereld zich van haar zou laten scheiden? + + + + + + +VI. + +SLECHTS VAN DEZE WERELD. + + +Toen zij opgroeide, zeiden alle menschen van haar: "Zij wordt een +heilige, zij wordt stellig een heilige." + +Haar naam was Margherita Cornado. Zij woonde in Girgenti, dat aan de +Zuidkust van Sicilië in het groote mijndistrict ligt. + +Toen zij nog een kind was, werkte haar vader in de mijnen, later kreeg +hij een kleine erfenis, zoodat hij niet meer behoefde te werken. Er +was een klein, smal, armoedig dakterras op het huis van Margherita +Cornado in Girgenti. Een steile, smalle trap leidde daarheen, en men +moest door een lage deuropening kruipen om op het terras te komen. + +Was men daar, dan zag men niet alleen een menigte daken, maar ook +de lucht boven de stad, die doorpriemd was met de talrijke torens +en spitse gevels der kerken. En iedere gevel en elke toren was een +trillend kantwerk van beelden, loggia's en sierlijke baldakijns. + +Achter de stad zag men een groote vlakte, die neerdaalde tot de zee, +en daaromheen een halven cirkel van bergen, die de vlakte bewaakten. + +De vlakte glansde gloeiend rood, de zee email blauw en de berghelling +goudgeel. Het geheel deed denken aan den kleurengloed en de pracht +van het Oosten. + +Maar men zag nog veel meer dan dit. Oude tempels lagen verstrooid +over het dal. Ruïnes en merkwaardige oude torens schitterden in den +zonneschijn. 't Was een heele sprookjeswereld. + +Toen Margherita Cornado opgroeide, placht zij het grootste gedeelte +van den dag hier door te brengen. Maar zij keek niet naar het heerlijke +landschap. Haar geest was door iets anders in beslag genomen. + +Haar vader had haar verteld van het leven in de zwavelmijnen, waar +hij gewerkt had. Terwijl Margherita Cornado daar op het frissche +terras zat, vertoefde ze in gedachten steeds in de donkere, benauwde +mijngangen. + +Zij kon niet nalaten aan al de ellende te denken, die in de mijnen +heerschte. Vooral moest zij aan de kinderen denken, die het erts uit +de mijnen aansleepten. + +"De kleine wagens" noemde men hen. Dat woord bleef steeds in haar +geheugen haken. + +Arme, arme wagentjes! kleine mijnwagentjes! + +Zij kwamen 's morgens vroeg bij de mijn, en volgden dan elk hun +arbeider in de groeve. Zoodra hij erts genoeg uitgehakt had, belastte +hij zijn "wagentje" met een mand vol erts en dan begonnen dezen op te +stijgen. Verscheidenen van hen ontmoetten elkaar onderweg en vormden +dan een langen optocht. Ze begonnen dan te zingen: + + + De tocht is gedaan met pijn en nood, + Met den twintigsten ben ik misschien reeds dood. + + +Als zij eindelijk in het daglicht kwamen, ledigden zij hun manden met +erts en wierpen zich op den grond om een oogenblik uit te rusten. De +meeste knapen sleepten zich dan naar de zwavelhoudende waterpoelen, +die dicht bij de mijnschacht waren en dronken van het stinkende water. + +Maar spoedig moesten ze weer naar beneden en ze verzamelden zich bij +de schacht. En terwijl ze naar beneden klauterden, riepen ze: + +"Mijn God, mijn God, erbarm u onzer! erbarm u onzer!" + +En elken keer, dat de wagentjes boven kwamen, werd hun gezang +klagender. Ze snikten en schreiden, terwijl ze opstegen uit de mijn. + +De wagentjes baadden in zweet, de zware manden groeven diepe wonden +in hun schouders. + +Terwijl ze op en neer gingen zongen ze: + + + Zeven tochten gedaan in pijn en nood, + 't Leven is erger dan de dood. + + +Gedurende heel haar jeugd had Margherita Cornado medelijden gevoeld +met deze ongelukkige kinderen. + +En juist omdat zij altijd aan hun rampzalig lot dacht, geloofde men +dat zij een heilige zou worden. + +Ze vergat hen ook niet, toen zij ouder werd. Zoodra zij volwassen +was, ging zij naar Grotte, waar de meeste mijnen zijn, en als dan de +wagentjes in het daglicht kwamen, verkwikte zij hen bij de schacht +met helder, zuiver water. Zij droogde het zweet van hun gelaat, +zij verbond de wonden aan hun schouders. + +'t Was niet veel, wat zij voor hen doen kon, maar toch geloofden de +wagentjes, dat zij het leven niet meer konden dragen, indien Margherita +Cornado niet kwam om hen te troosten. + +Maar ongelukkig voor de wagentjes, was Margherita zeer schoon. Eens +zag een der mijningenieurs haar, terwijl zij hen troostte, en hij +kreeg haar dadelijk zeer lief. Een paar weken later kwam Margherita +Cornado in het geheel niet meer bij de mijnen in Grotte. Zij zat +thuis in Girgenti aan haar uitzet te naaien. Ze zou trouwen met den +mijningenieur. Zij zou een goede partij doen en verwant worden aan +de eersten der stad. Nu kon zij zich immers niet meer bekommeren om +de wagentjes. + +Een paar dagen voor de bruiloft kwam de oude bedelaarster Santuzza, die +Margherita's peettante was, bij haar en verlangde haar te spreken. Ze +begaven zich naar het dakterras om ongestoord te kunnen zijn. + +"Margherita," zei de oude vrouw, "gij leeft in zulk een glans en +heerlijkheid, dat het misschien weinig baat nu tot u te spreken +over degenen, die in nood en kommer leven. Die allen hebt ge geheel +vergeten." + +Margherita berispte haar, omdat zij zoo kon spreken. + +"Ik breng u de groeten van mijn zoon Orestes. Het gaat hem slecht, +hij heeft uw raad noodig." + +"Ge weet dat ge vrij tot mij kunt spreken, Santuzza," zei het meisje. + +"Orestes werkt niet langer in de mijnen van Grotte, hij is vertrokken +naar Racalmuto, en hij heeft het daar zeer slecht. + +"Niet omdat het loon zoo karig is, maar omdat de ingenieur zoo hard +is, dat hij de arme menschen tot hun laatsten bloeddruppel pijnigt." + +Santuzza verhaalde nu hoe de ingenieur de arbeiders plaagde. Hij +berekende hun arbeidstijd te kort, hij liet hen boete betalen, als +zij een dag verzuimden. Hij bestuurde de mijnen niet goed. Instorting +op instorting vond plaats. Niemand was zeker van zijn leven zoolang +hij onder den grond was. + +Margherita, Orestes had een zoon. Een heerlijken knaap, die onlangs +tien jaar geworden is. Toen kwam de ingenieur op een dag bij Orestes +en wilde den knaap van hem koopen om hem bij de wagentjes te plaatsen. + +Maar Orestes wilde niet. Zijn zoontje zou niet vermoord worden door +zulk een bovenmatigen arbeid. + +Toen dreigde de ingenieur hem, dat hij van de mijn gejaagd zou worden. + +Santuzza maakte een pauze. + +"En toen?" vroeg Margherita. + +"Ja, toen stond Orestes zijn zoon af aan den ingenieur. + +"Den volgenden dag sloeg deze den knaap, hij sloeg hem bijna elken +dag. De knaap werd al zwakker en zwakker. Orestes smeekte den ingenieur +den knaap te sparen, maar hij had geen erbarmen. Hij zei dat de kleine +lui was, en hij bleef den knaap vervolgen.--En nu is hij dood. Mijn +kleinzoon is dood, Margherita." + +Het meisje had opeens haar gansche geluk vergeten. Opnieuw was zij +slechts de dochter van den mijnwerker, de schutspatrones der wagentjes; +het arme meisje, dat op het lichte terras placht te weenen over de +ellende in de zwarte mijnen. + +"Waarom laat men dien man leven?" riep zij uit. + +Santuzza keek haar uitvorschend aan. Toen haalde zij een mes uit +haar zak. + +"Dit zendt Orestes u met duizend vragen," zei ze. + +Margherita Cornado nam het mes, kuste de kling en gaf het terug zonder +een woord te spreken. + +De avond voor de bruiloft brak aan. De ouders van den bruidegom +wachtten op hun zoon. Tegen zonsondergang zou hij uit de mijnen +komen. Maar hij kwam niet. Laat in den nacht zonden ze een knecht +uit om naar hem te zoeken. Deze vond hem een mijl van Girgenti. Hij +lag vermoord aan den wegkant. + +Men zocht ijverig naar den moordenaar. Alle mijnwerkers moesten een +streng verhoor ondergaan, maar de schuldige werd niet ontdekt. + +Geen getuige gaf zich aan, niemand wilde een kameraad verraden. Toen +klaagde Margherita Cornado den zoon van haar peetmoeder, Orestes, +aan als den moordenaar van haar bruidegom. + +Dit deed zij hoewel zij wist, dat haar bruidegom schuldig was aan +alles, waarvan Santuzza hem aangeklaagd had. Dit deed zij hoewel zij +zelf zijn vonnis geveld had door het mes te kussen. + +Maar nauwelijks had zij Orestes aangeklaagd, of ze werd door een +hevig berouw aangegrepen, gewetenswroeging verteerde haar. + +In een ander land dan Sicilië zou hetgeen zij gedaan had, niet als +een misdaad gerekend worden. + +Een Siciliaan echter sterft liever dan dat hij als aanklager optreedt. + +Margherita Cornado had geen rust, dag noch nacht. In haar hart was een +voortdurende, verterende angst, een eeuwige rampzaligheid vervulde +haar. Zij werd niet streng veroordeeld, omdat men wist, dat ze den +vermoorden had liefgehad en vond, dat Santuzza te wreed jegens haar +was geweest. Niemand sprak verachtelijk over haar, niemand wendde +het hoofd af om haar niet te groeten. + +Maar het hielp haar niet, dat de anderen mild jegens haar waren. Het +berouw woonde in haar hart en schrijnde als een open wonde. + +Orestes werd veroordeeld tot levenslange galeistraf. Santuzza stierf +een paar weken, nadat haar zoon veroordeeld was. + +Margherita kon geen vergeving verkrijgen, noch van den een, noch van +de andere. + +Zij riep de heiligen aan, maar dezen wilden haar niet helpen. Niets +ter wereld scheen in staat te zijn om den verpletterenden last der +gewetenswroeging van haar af te wentelen. + +In dezen tijd verscheen de beroemde Franciscanermonnik fra Gondo in +Girgenti. Hij predikte om de menschen op te wekken een pelgrimstocht +naar Diamante te doen. + +Fra Gondo gaf er niet om, dat de paus het beeld in San Pasquale nog +niet als wonderdoend erkend had. Hij had de blinde zangers op hun +tochten over het eiland getroffen en hen hooren verhalen van het +beeld. Lange, heerlijke nachten had hij gezeten aan vader Elia's en +broeder Tomasso's voeten en zij hadden hem van het avondrood tot het +ochtendkrieken, verhaald van het beeld. + +En nu verwees de machtige prediker alle bedroefden naar dezen +wonderdoener. + +Hij spoorde de menschen aan, dezen heiligen tijd niet ongebruikt te +laten voorbijgaan. + +"Het Christuskind," zei hij, "wordt niet genoeg vereerd op Sicilië. Nu +is de tijd aangebroken, dat het hier een eigen kerk en eeredienst wil +hebben. En om dat te krijgen, laat hij nu wonder op wonder verrichten +door het heilige beeld." + +Pater Gondo, die zijn noviciaat doorgebracht had in Aracoeli's klooster +op het Kapitool, vertelde het volk van het Christuskind daar en van +de duizenden wonderen, die hij verricht had. + +"En nu wil dat goede, kleine kind op Sicilië aangebeden worden," +zei pater Gondo. + +"Laat hem niet langer tevergeefs aankloppen, opent de poort voor hem! + +"Nu in deze dagen is de hemel mild. Laten wij de eersten zijn, die +het beeld erkennen! Laten wij zijn als de herders en wijzen van het +Oosten, laat ons gaan naar het heilige kind, terwijl het nog ligt op +het stroobed in de armoedige grot!" + +Een nieuwe hoop ontwaakte in Margherita Cornado's hart toen zij +dit hoorde. Zij was de eerste, die gehoor gaf aan pater Gondo's +oproeping. Later sloten zich nog anderen bij hem aan.--Veertig pelgrims +ondernamen met hem den tocht door de woestijn naar Diamante. + +Ze waren allen zeer arm en ongelukkig, maar pater Gondo liet ze onder +gezang en gebed optrekken. Spoedig begonnen hun oogen te stralen, +alsof de ster van Bethlehem hen voorlichtte. + +"Weet ge," zei pater Gondo, "waarom Gods zoon grooter is dan alle +andere heiligen? Omdat hij de ziel heiligheid geeft, omdat hij de +zonden vergeeft, omdat hij den geest een zalige rust in God schenkt, +omdat zijn rijk niet slechts van deze wereld is." + +Als de kleine schare vermoeid was, wekte hij haar op met verhalen van +de wonderen, die het beeld reeds gedaan had. De legenden der blinde +zangers werden tot verkwikkende vruchten en opwekkenden wijn voor de +moede pelgrims. + +En ze schreden met lichten tred verder alsof ze trokken naar Nazareth, +om den timmermanszoon te zien. + +"Hij zal het lijden van ons nemen," zei pater Gondo. "Als wij +terugkeeren zal ons hart bevrijd zijn van alle kwelling." + +En gedurende den tocht door de verschroeide, gloeiend heete woestijn, +waar geen enkele boom schaduw gaf en waar het water bitter smaakte van +zwavel en zout, voelde Margherita Cornado dat haar smart draaglijker +werd. + +"De kleine hemelkoning zal dit lijden van mij nemen," zei ze. + +Op een dag in Mei bereikten de pelgrims eindelijk den voet van +Diamante's berg. Daar eindigde de woestijn, groene olijfbosschen en +frissche struiken omringden hen. De berg straalde, de stad straalde. Ze +voelden, dat ze op een plaats gekomen waren, die lag onder Gods genade. + +Verheugd gingen ze op langs den zigzagweg en met luide, jubelende +stemmen hieven ze een oud pelgrimslied aan. + +Toen ze den berg een eindweegs beklommen hadden, kwamen de menschen +uit Diamante hen juichend tegemoet. Men had den arbeid weggeworpen +en was naar buiten gesneld, toen men de eentonige klanken van het +oude pelgrimslied hoorde. En het volk van Diamante omhelsde en kuste +de pelgrims. + +Men had hen reeds zoo lang verwacht, men had niet kunnen begrijpen, +waarom ze niet eerder waren gekomen. + +Diamante's Christusbeeld was een machtige wonderdoener, hij was zoo +barmhartig, zoo goed, dat alle menschen tot hem moesten komen. Toen +Margherita Cornado dit hoorde, had zij een gevoel, alsof haar hart +reeds verlost was van alle pijn. + +De menschen van Diamante troostten haar. + +"Hij zal u stellig helpen, hij helpt u allen," zeiden ze. + +"Niemand heeft nog tevergeefs tot hem gebeden." + +Bij de stadspoort scheidden de pelgrims van elkaar. De menschen van +Diamante namen hen mede naar hun huizen, opdat zij zich verfrisschen +en verkwikken zouden, na den moeitevollen tocht. Over een uur zouden +ze elkaar weer ontmoeten bij de Porta Etnea om samen naar het beeld +te gaan. + +Maar Margherita had geen geduld om een heel uur te wachten. Zij +vroeg den weg naar de kerk San Pasquale en ging daar alleen heen vóór +alle anderen.... + +Toen Pater Gondo en de pelgrims een uur later in San Pasquale kwamen, +zagen ze Margherita Cornado liggen voor het hoogaltaar. Ze scheen +hen niet te bemerken. Maar toen pater Gondo in haar nabijheid kwam, +vloog ze op, alsof ze op den loer gelegen had en wierp zich op hem. Ze +greep hem bij de keel en wilde hem worgen. + +Zij was groot, en sterk en krachtig gebouwd. Het was een heete strijd +vóórdat pater Gondo en een paar pelgrims er in slaagden haar vast te +binden. Zij was volslagen krankzinnig en woest. + +De pelgrims waren in plechtigen optocht gekomen, ze zongen en hielden +brandende kaarsen in de hand. + +Het was een lange stoet, want heel veel menschen uit Diamante hadden +zich aangesloten bij de pelgrims. + +Zij, die het eerst in de kerk kwamen, hielden dadelijk op met zingen, +de laatsten hadden echter niets gemerkt en bleven doorzingen. Maar toen +verspreidde zich het gerucht van het gebeurde, en waar dit kwam zweeg +het gezang. 't Was droevig te hooren hoe het wegstierf en veranderde +in een luid geweeklaag. + +Al de moede pelgrims begrepen immers, dat hun tocht vergeefsch was. Hun +kwellingen en lijden zouden niet van hen genomen worden. De schoone +verwachtingen der laatste hoopvolle dagen werden ruw in hen gedood. + +Het heilige beeld zou hun geen vertroosting kunnen schenken. + +Pater Gondo zelf was ook verschrikt. Voor hem was het een harder +slag dan voor iemand anders; want elk der anderen had slechts zijn +eigen leed te dragen, maar hem drukte de smart van al deze menschen +op het harte. + +Hoe zou hij kunnen verantwoorden al de verwachtingen, die hij +opgewekt had? + +Plotseling gleed een schoone, kinderlijk vrome glimlach over zijn +gelaat. Het beeld wilde zeker het geloof van hem en de anderen op +de proef stellen! Indien zij slechts niet wankelden, zouden ze wel +geholpen worden. + +Hij begon opnieuw het pelgrimsgezang aan te heffen met zijn heldere +stem en schreed naar het altaar. + +Maar toen hij dichter bij het beeld kwam, onderbrak hij het gezang +opnieuw. Hij staarde met wijdopengesperde oogen naar het beeld. Toen +strekte hij de hand uit, nam de kroon en bracht die bij zijn oogen. + +"Het staat er, het staat er," mompelde hij, terwijl hij de kroon uit +zijn hand liet vallen. + +Van dat oogenblik af wist pater Gondo, dat hij den verworpeling van +Aracoeli voor zich had. + +Hij vertelde dit echter niet dadelijk aan het volk, maar zei met zijn +gewone zachtmoedigheid: + +"Mijn vrienden, ik wil u iets merkwaardigs verhalen." + +En hij vertelde hun van de Engelsche, die het Christusbeeld van +Aracoeli had willen stelen. Hij verhaalde hoe het beeld Antichrist +genoemd en in de wereld geworpen werd. + +"Ik herinner fra Simoni mij nog zoo goed," zei pater Gondo. + +"Hij toonde mij nooit het beeld, zonder te zeggen: + +"'t Was deze kleine hand, die aan het klokketouw trok, het was deze +kleine voet, die tegen de poort schopte." + +"Maar als ik fra Simoni vroeg, waar het andere beeld gebleven was, +zei hij altijd: "Wat zou er van hem geworden zijn? Rome's honden +hebben het zeker verscheurd." + +Pater Gondo sprak nog steeds even kalm en zacht, terwijl hij bukte +om de kroon op te rapen, die hij zoo juist had laten vallen. + +"Leest dit!" zei hij. En hij liet de kroon van man tot man gaan. De +menschen stonden nog met hun brandende kaarsen in de hand, en zij, +die lezen konden, lazen en de anderen zagen ten minste, dat er een +opschrift was. + +En elk die de kroon in de hand had, blies zijn kaars stil uit. Toen het +laatste licht gedoofd was, wendde pater Gondo zich tot zijn pelgrims, +die zich om hem heen verzameld hadden. + +"Ik heb u hierheen gevoerd," zei hij tot hen, "opdat gij Hem zoudt +vinden die de zielen vrede en ingang tot Gods rijk schenkt. Maar +ik heb u verkeerd geleid, want dit beeld kan u niets geven. Zijn +rijk is slechts van deze wereld. Onze arme zuster is waanzinnig +geworden," vervolgde pater Gondo, "omdat zij hier kwam en hoopte op +hemelsche weldaden. Zij verloor haar verstand, toen haar smeekbeden +niet verhoord werden. Hij kon haar niet bijstaan want zijn rijk is +slechts van deze wereld." + +Hij zweeg een oogenblik en allen zagen naar hem op om te weten, +wat zij van dit alles moesten denken. + +Toen vroeg hij zacht: "Zal een beeld, dat zulke woorden in zijn kroon +voert, nog langer een altaar ontheiligen?" + +"Neen, neen!" riepen de pelgrims. Het volk van Diamante stond zwijgend, +door ontzetting bevangen. + +Pater Gondo nam het beeld tusschen zijn handen, en droeg het met +uitgestrekte armen door de kerk naar den uitgang. + +Maar hoe zacht en ootmoedig de pater ook gesproken had, zijn +blikken hadden den ganschen tijd streng met bedwingende macht op de +volksmenigte gerust. + +Er was geen mensch, die niet onderworpen was aan zijn machtigen +wil. Allen stonden als verlamd en waren niet in staat een eigen +gedachte te denken. + +Toen pater Gondo den uitgang genaderd was, stond hij stil en keek +om. Een laatste bedwingende blik gleed over de menschenmassa. + +"Ook de kroon," zei pater Gondo. En ook de kroon werd hem overgereikt. + +Hij plaatste die op het beeld en ging onder den baldakijn, die San +Pasquale's beeld beschermt. + +Hij fluisterde een paar pelgrims iets in het oor, dezen gingen haastig +weg. Spoedig kwamen ze terug met hun armen vol droge takken. Deze +stapelden ze op voor pater Gondo, die den brandstapel aanstak. + +Allen, die in de kerk waren geweest, stroomden nu naar buiten. Daar +stonden ze nog steeds, verlamd en willoos. + +Zij zagen dat de monnik hun geliefd, wonderdoend beeld wilde +verbranden, maar zij verzetten zich niet. + +Zij begrepen het zelf niet, dat zij niet trachtten het beeld te redden. + +Maar toen pater Gondo de vlam zag oplaaien, en wist, dat het beeld +volkomen in zijn macht was, richtte hij zich op, zijn oogen bliksemden. + +"Mijn ongelukkige kinderen!" zei hij mild, terwijl hij zich tot +de menschen van Diamante wendde. "Gij hebt een vreeselijken gast +geherbergd. Maar hoe is het mogelijk, dat gij niet reeds vroeger +ontdekt hebt, wie hij is? Wat moet ik van u gelooven?" vervolgde +hij strenger. + +"Gij zegt zelve, dat het beeld u alles gaf, wat gij wenschtet. Zoo +is er dus niemand in Diamante, die gedurende al deze jaren gebeden +heeft om vergeving zijner zonden en om vrede voor zijn ziel? + +"Is het mogelijk? De menschen van Diamante hadden geen andere +wenschen, dan prijzen in de loterij, goede jaren, hun dagelijksch +brood, gezondheid en geld? + +"Niets anders dan wereldsche goederen hebt gij begeerd. Geen uwer +had ooit behoefte te bidden om hemelsche genade. + +"Kan dat werkelijk mogelijk zijn? Neen, het kan niet zoo zijn," +zei pater Gondo vragend, als vervuld van een blijde hoop. + +"Ik ben het, die mij vergis. Gij hebt begrepen, dat ik het beeld niet +in de vlammen zou werpen, vóórdat ik u allen gehoord had. Gij wacht +slechts tot ik zwijgen en u gelegenheid geven zal te getuigen voor +het beeld. Nu zullen velen uwer tot mij komen en zeggen: + +"Dit beeld heeft mij tot een geloovige gemaakt," en anderen zullen +getuigen: + +"Hij heeft mij vergeving geschonken voor mijn zonden," en velen +zullen zeggen: + +"Hij heeft mijn oogen geopend, opdat ik de heerlijkheid des hemels +aanschouwen kan." + +"Gij allen zult komen en ik zal tot spot en hoon zijn, en ge zult mij +noodzaken het beeld op het altaar terug te brengen, en ik zal moeten +erkennen, dat ik mij vergist heb." + +Pater Gondo zweeg en keek het volk afwachtend aan. Een hevige +ontroering maakte zich meester van de toehoorders. Velen schenen +te willen getuigen, maar zoodra ze een paar schreden gedaan hadden, +bleven zij aarzelend staan. + +"Ik wacht," zei de monnik en zijn blikken smeekten den menschen +te komen. + +Maar niemand kwam. De geheele volksmenigte leed een ondragelijke +smart niet te kunnen getuigen om het geliefde beeld te redden. Maar +niemand verroerde zich. + +"Mijn ongelukkige kinderen," zei pater Gondo diep bedroefd, "de +Antichrist heeft in uw midden vertoefd en hij heeft u geheel in zijn +macht. Gij hebt den hemel vergeten. Gij weet niet meer dat gij een +ziel bezit. Gij hebt slechts aan deze aarde gedacht. + +"Vroeger zei men, dat de menschen in Diamante de vroomste geloovigen +waren van gansch Sicilië. Maar nu is dat anders. Diamante's inwoners +zijn wereldlingen, misschien daarenboven nog godlasterende socialisten, +die slechts de aarde liefhebben. Zij kunnen niet anders zijn. De +Antichrist heeft immers in hun midden vertoefd." + +Toen deze aanklachten neervielen op het volk, scheen het eindelijk +in verzet te zullen komen. + +Een toornig gemompel ging door de menschenmenigte. + +"Het beeld is heilig," riep een. "Toen hij de stad binnentrok, +luidden de klokken van San Pasquale den geheelen dag." + +"Moesten zij u niet waarschuwen voor zulk een ramp?" antwoordde +de monnik. + +En met stijgende heftigheid slingerde hij zijn aanklachten onder +het volk. + +"Gij zijt afgodendienaars maar geen Christenen. Gij vereert den +Antichrist, opdat hij u bijstaan zal, maar de heilige geest is niet +meer in u." + +"Hij was goed en barmhartig gelijk Christus," riep het volk. + +"Dat is juist uw ongeluk," zei de pater en plotseling was hij +vreeselijk in zijn toorn. "Hij heeft Christus' gedaante aangenomen +om u te verleiden. + +"Op deze wijze heeft hij u in zijn net gevangen. + +"Juist door gaven en zegeningen op u neer te strooien, heeft hij u +in zijn net gelokt en u tot wereldlingen gemaakt. + +"Kan een uwer het tegendeel bewijzen? Misschien heeft een van u allen +gehoord, dat iemand, die hier niet tegenwoordig is, het beeld om een +hemelsche genade gesmeekt heeft." + +"Hij heeft den vloek weggenomen van een jettatore," zei iemand. + +"Kan niet alleen degene, die even groot in slechtheid is, als de +jettatore, dezen overwinnen?" antwoordde de pater somber. + +Toen deed men geen verdere pogingen meer om het beeld te +verdedigen. Alles wat men aanvoerde, scheen de zaak slechts erger +te maken. + +Verscheidenen blikten naar donna Micaela, die ook aanwezig was. Zij +stond midden in de volksmenigte, zag en hoorde alles, en toch deed +zij niets om haar geliefd beeld te redden. + +Toen pater Gondo zeide, dat het beeld de Antichrist was, verschrikte +zij hevig, en daar hij later aantoonde, dat men in Diamante slechts +wereldsche goederen begeerd had, wies de angst in haar. + +Zij waagde het niet zich te verzetten. + +Maar toen hij nu zei, dat zij en alle menschen in Diamante onder de +macht van den Antichrist waren gekomen, was er iets in haar ziel, +dat in opstand kwam tegen zijn woorden. + +"Neen, neen!" zei zij, "dat kan niet mogelijk zijn." + +Indien zij moest gelooven, dat een booze geest haar geleid had +gedurende zoovele jaren, zou zij haar verstand verliezen. + +En haar verstand begon zich te verdedigen. + +Toen brak, gelijk een te sterk gespannen snaar, het geloof aan het +bovennatuurlijke in haar. + +Haar gedachten doorliepen nu met een oneindige haast alles wat zij zelf +ervaren had en wat haar bovennatuurlijk geschenen had, en wogen dat +nu op de schaal van het koel verstand. Was een enkel dezer voorvallen +wel een wonder geweest? Zij zei tot zich zelf, dat het niets dan een +toeval was geweest, niets dan een toeval! + +'t Was alsof ze een spoel afwond. Van wat ze zelf beleefd had, +ging ze over op de wonderen van vroeger tijden. Alles was toeval, +werking van een overspannen geest, misschien was het meeste wel +verbeelding geweest. + +De toornige monnik ging door met het volk te vervloeken. Zij trachtte +naar hem te luisteren om afleiding te vinden voor haar eigen kwellende +gedachten. Maar zij vond alles wat hij zei waanzinnig en overdreven. + +Maar welke machten werkten in haar ziel, dat zij plotseling een +vrijdenkster werd? + +Zij zag naar Gaetano. Hij was daar ook, en stond in de nabijheid van +den monnik op de kerktrap. Zijn oogen rustten op haar. + +En even zeker alsof zij het hem gezegd had, wist hij wat zij nu +dacht. Maar hij zag er niet verheugd of triomfeerend uit. + +'t Was alsof hij pater Gondo in de rede zou willen vallen om haar +geloof te redden. + +Maar donna Micaela's gedachten kenden geen verschooning. Ze schreden +voorwaarts en plunderden haar ziel. + +Heel de bovennatuurlijke, stralende wereld schrompelde ineen, werd tot +niets. Zij zeide tot zich zelf, dat men van het bovennatuurlijke niets +kon weten. Vele boden waren gegaan van de aarde naar den hemel. Geen +enkele was teruggekomen van den hemel naar de aarde. + +"Maar ik wil gelooven aan God," zei ze, terwijl ze haar handen vouwde +als om ten minste het hoogste en heiligste te behouden. + +"Uw oogen zijn wild en woest," zei pater Gondo. "God leeft niet onder +u. De Antichrist heeft God in uw ziel verdrongen." + +Donna Micaela's blik zocht opnieuw Gaetano. + +"Kunt gij een zoo verlaten en rampzalig wezen iets geven om voor te +leven?" schenen haar oogen te vragen. + +Zijn blik ontmoette den hare met fier zelfvertrouwen. + +Hij las in haar schoone, smeekende oogen hoe haar bevende ziel zich +nu vastklemde aan hem om een steun te vinden. Hij twijfelde geen +oogenblik, dat hij haar leven niet rijk en heerlijk zou kunnen maken. + +Zij dacht aan de vreugde, die zij gevoelde, wanneer zij hem slechts +zag. Zij dacht aan de vreugde die opbruiste rondom haar in dien nacht +in Palermo. Zij wist, dat die ontsproot uit het nieuwe geloof aan +een gelukkige aarde. + +Zou dit geloof en deze vreugde ook haar kunnen bezielen? + +Zij wrong haar handen in angst. Zou dit nieuwe geloof het richtsnoer +van haar leven kunnen worden? Zou zij zich niet altijd even arm +gevoelen als op dit oogenblik? + +Pater Gondo boog zich over de vlammen. + +"Ik zeg u nog éénmaal," riep hij, "indien slechts één uwer verklaart, +dat dit beeld zijn ziel verlost heeft, zal ik het niet verbranden." + +Donna Micaela voelde plotseling dat zij het arme beeld niet kon +laten vernietigen. + +De herinneringen van de schoonste uren haars levens waren daaraan +verbonden. + +"Gandolfo, Gandolfo!" fluisterde zij. Een oogenblikje geleden had +zij hem naast zich gezien. + +"Ja, donna Micaela." + +"Laat hem het beeld niet verbranden, Gandolfo." + +De monnik had zijn vraag nog eenmaal herhaald, twee malen, drie +malen.--Niemand trad naar voren om het beeld te verdedigen. Maar de +kleine Gandolfo sloop al nader. Pater Gondo hield het beeld dicht +bij de vlammen. + +Onwillekeurig had Gaetano zich gebogen; een fiere glimlach gleed over +zijn gelaat. Donna Micaela begreep, dat hij voelde dat Diamante hem +nu toebehoorde. + +Het strenge optreden van den monnik maakte Gaetano tot meester over +de zielen. + +Zij keek verschrikt rond. Haar blik vloog van aangezicht tot +aangezicht. Ging misschien hetzelfde om in de zielen van al deze +menschen? Zij meende te zien, dat allen denzelfden strijd voerden +als zij zelf. + +"Gij, Antichrist," zei pater Gondo dreigend, "ziet ge wel dat niemand +aan zijn zieleheil gedacht heeft, zoolang gij hier vertoefdet? + +"Gij zult in de vlammen omkomen." + +En hij legde het beeld op den brandstapel. + +Maar het had daar nauwelijks een oogenblik gelegen, of Gandolfo greep +het, hief het hoog boven zijn hoofd en snelde er mee heen. + +Pater Gondo's pelgrims trachtten hem te grijpen en het werd een +woedende drijfjacht om den krater van den Monte Chiaro. + +Maar de kleine Gandolfo redde het beeld. + +Een groote reiswagen reed bergafwaarts. De vervolgers hadden Gandolfo +bijna ingehaald, toen wist hij geen anderen raad, dan het beeld in +den wagen te werpen. + +Daarna liet hij zich kalm vangen. Zijn vervolgers spoedden zich nu +naar den reiswagen, maar Gandolfo waarschuwde hen: + +"Wacht u, de signora in den wagen is een Engelsche." + +'t Was signora Favara, die eindelijk genoeg had van Diamante, en +opnieuw de wereld introk. En men liet haar ongedeerd vertrekken. + +Geen Siciliaan waagt het zich te vergrijpen aan een Engelsche. + + + + + + +V. + +EEN FRESCO VAN SIGNORELLI. + + +Een week later was pater Gondo in Rome; hij was op audiëntie bij +den ouden man in het Vaticaan, en vertelde, dat hij den Antichrist +gevonden had in Christus' gedaante, en hoe deze het volk van Diamante +verleid had tot liefde voor de wereld, en hoe hij het beeld had +willen verbranden. Hij verhaalde ook, dat hij het volk niet tot God +had kunnen terugvoeren, maar dat het geheel en al tot ongeloof en +socialisme vervallen was. + +Niemand wilde voor zijn ziel zorgen, niemand wilde aan den hemel +denken. + +Pater Gondo vroeg, wat hij toch moest beginnen met deze arme menschen. + +De oude paus, die de wijste mensch is die nu leeft, lachte niet om +pater Gondo's verhaal, hij was diep bedroefd. + +"Gij hebt verkeerd gehandeld, gij hebt zeer verkeerd gehandeld," +zei hij. Hij zweeg een tijdlang en dacht na, toen zei hij: "Hebt ge +nooit den dom in Orvieto gezien?"--"Neen, heilige vader." + +"Ga naar Orvieto om den dom te zien," zei de paus, "en als ge daar +geweest zijt, kom mij dan vertellen wat gij gezien hebt." + +Pater Gondo gehoorzaamde; hij ging naar Orvieto en zag den heiligen +dom. + +Na twee dagen kwam hij terug in het Vaticaan. + +"Wat hebt ge gezien in Orvieto?" vroeg de paus. + +Pater Gondo verhaalde nu, dat hij in een der kapellen der domkerk +fresco's gezien had van Luca Signorelli, voorstellende "het laatste +Oordeel." Maar hij had noch gezien naar "den Dag des Oordeels," +noch naar "der Dooden Opstanding." + +Hij had al zijn aandacht geschonken aan het groote schilderij, dat +de kerkwachter "de Wonderen van den Antichrist" genoemd had. + +"Wat hebt ge daarop gezien?" vroeg de paus. + +"Ik zag, dat Signorelli den Antichrist geschilderd had als een armen en +geringen man, als Gods Zoon was, toen deze hier op aarde vertoefde. Ik +zag, dat hij hem gekleed had als Christus en hem Christus' gelaat +had gegeven." + +"Wat zaagt ge nog meer?" vroeg de paus. + +"Het eerste dat ik op het fresco zag, was dat de Antichrist zoo +preekte, dat de rijken en machtigen hun schatten aan zijn voeten +legden. + +"Het tweede was, dat een zieke gedragen werd tot den Antichrist en +door hem genezen werd. + +"Het derde tafereel stelde voor een martelaar, die zijn leven gaf +voor de leer van den Antichrist. + +"Het vierde dat ik op het groote wandschilderij zag, was dat de +menschen zich spoedden naar een grooten tempel des vredes en de booze +geest uit den hemel stortte en alle geweldenaars gedood werden door +het vuur." + +"Wat dacht gij, toen ge dit zaagt?" vroeg de paus. + +"Toen ik dit zag, dacht ik: deze Signorelli was waanzinnig. Meent +hij, dat in den tijd van den Antichrist de booze geest overwonnen +zal worden, en de aarde heilig zal zijn als het paradijs?" + +"Zaagt ge nog meer?" + +"Het vijfde tafereel, dat ik zag, was dat monniken en priesters een +grooten brandstapel bestegen en verbrand werden. + +"Het zesde en het laatste was dat de duivel den Antichrist iets in het +oor fluisterde en hem den raad gaf hoe hij moest handelen en spreken." + +"Wat dacht ge, toen ge dit zaagt?" + +"Ik zei tot mij zelf: deze Signorelli was niet krankzinnig, maar hij +was een profeet. De Antichrist zal zeker komen in Christus' gedaante +en de wereld tot een paradijs maken. Hij zal haar zoo schoon maken, +dat de menschen den hemel vergeten. En dit zal de gevaarlijkste +verleiding der wereld worden." + +"Begrijpt gij nu," zei de paus, "dat gij mij niets nieuws verteldet? De +kerk heeft altijd geweten, dat de Antichrist zou komen, toegerust +met alle deugden van Christus." + +"Wist ge ook dat hij werkelijk gekomen is, heilige vader?" vroeg +pater Gondo. + +"Zou ik hier jaar na jaar op Petrus' stoel zitten en niet weten, +dat hij gekomen is?" zei de paus. + +"Ik zie hoe een volksbeweging ontstaat, die brandt van liefde +voor haar naasten en die God haat. Ik zie hoe martelaren hun leven +offeren voor het nieuwe geloof aan een gelukkige aarde. Ik zie hoe +ze nieuwe vreugde en moed putten uit de leuze: "Denk aan de aarde," +zooals vroeger uit het woord: "Denk aan den hemel." Ik wist dat hij, +dien Signorelli voorspeld had, gekomen was." + +Pater Gondo boog zwijgend het hoofd. + +"Begrijpt ge nu, hoe verkeerd gij gehandeld hebt?" + +"Heilige vader, verklaar me mijn zonde." + +De oude paus hief zijn blik op. Zijn heldere oogen doorboorden +den sluier der toevalligheden, die het leven bedekt, en zagen wat +daarachter verborgen was. + +"Pater Gondo," zei hij, "het kleine kind, waarmee ge streedt in +Diamante, het kind dat even barmhartig en wonderdoend is als Christus, +het arme verachte kind, dat zegevierde over u en dat gij den Antichrist +noemt, weet gij wie dat is?" + +"Neen, heilige vader." + +"En hij, die op Signorelli's schilderij zieken genas, rijken bewoog +afstand te doen van hun schatten, de wereld in een paradijs veranderde +en de menschen verleidde den hemel te vergeten, weet gij wie hij is?" + +"Neen, heilige vader." + +"Wie anders kan het zijn dan het Antichristendom, het socialisme? + +De monnik zag verschrikt op. + +"Pater Gondo," zei de paus streng, "toen gij het beeld in uw armen +hieldt, wildet gij het verbranden. Waarom? Waarom waart ge niet +liefdevol jegens hem en droegt hem terug naar het kleine Christusbeeld +op het Kapitool, vanwaar hij uitgegaan is? + +"Maar zoo handelt gij, gij bedelmonniken. Gij kondt de groote +volksbeweging op uw armen nemen als ze nog als een kind in haar +windsels ligt, en gij kondt haar leggen aan Jezus' voeten, en de +Antichrist zou zien, dat hij niets anders is dan Christus' namaaksel +en hem erkennen als zijn heer en meester. + +"Maar wat doet ge? Gij werpt het Antichristendom op den brandstapel, +en spoedig zal het op zijn beurt u daarop werpen." + +Pater Gondo boog zijn knieën. "Ik begrijp u, heilige vader. Ik zal +uitgaan om het beeld te zoeken." + +De paus verhief zich majestueus. + +"Ge zult het beeld niet zoeken, gij zult het nu ongestoord over de +wereld laten gaan. We vreezen hem niet. + +"En als hij komt om het Kapitool te bestormen en den wereldtroon +te bemachtigen, zullen we hem tegemoet gaan, en we zullen hem tot +Christus voeren. We zullen hemel en aarde verzoenen. + +"Maar gij handelt verkeerd," vervolgde hij milder, "wanneer gij hem +haat. Hebt gij dan vergeten, dat de Sibylle hem rekende tot een der +wereldverlossers? + +"Op de hoogte van het Kapitool zal de wereldverlosser worden +aangebeden, Christus of Antichrist." + +"Heilige vader, indien hij de rampen dezer wereld lenigt, en den +hemel geen schade berokkent, dan zal ik hem niet haten." + +Een fijn glimlachje gleed over het gelaat van den ouden paus. + +"Pater Gondo, sta mij toe, dat ook ik u een geschiedenis van Sicilië +verhaal. + +"Men vertelt, pater Gondo, dat toen Onze lieve Heer de wereld schiep, +Hij eens wilde weten of Hij nog veel te doen had. En Hij zond San +Pietro uit om te zien of de wereld gereed was. + +"Toen San Pietro terugkwam, zei hij: + +"Alle menschen weenen, snikken en klagen." + +"Dan is de wereld nog niet gereed," zei Onze lieve Heer en Hij +werkte verder. + +"Na drie dagen zond Onze lieve Heer San Pietro weer naar de aarde. + +"Alle menschen lachen, jubelen en juichen," zei San Pietro, toen +hij terugkwam. + +"Dan is de wereld nog niet gereed," zei Onze lieve Heer en werkte +verder. + +"San Pietro werd voor de derde maal uitgezonden. + +"Sommigen lachen en sommigen weenen," zei hij toen hij terugkwam. + +"Dan is de wereld gereed," zei Onze lieve Heer. + +"En zoo zal het zijn en blijven," zei de oude paus, "Niemand kan de +menschen verlossen van hun ellende, maar hem zal veel vergeven worden, +die nieuwe moed in hen wekt om die ellende te dragen." + + + EINDE. + + + + + + + +End of Project Gutenberg's De Wonderen van den Antichrist, by Selma Lagerlöf + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE WONDEREN VAN DEN ANTICHRIST *** + +***** This file should be named 36194-0.txt or 36194-0.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/3/6/1/9/36194/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
\ No newline at end of file diff --git a/36194-0.zip b/36194-0.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..bfdb6ad --- /dev/null +++ b/36194-0.zip diff --git a/36194-h.zip b/36194-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..a0a0820 --- /dev/null +++ b/36194-h.zip diff --git a/36194-h/36194-h.htm b/36194-h/36194-h.htm new file mode 100644 index 0000000..b5f2685 --- /dev/null +++ b/36194-h/36194-h.htm @@ -0,0 +1,12748 @@ +<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" +"http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> +<html lang="nl-1900"> +<head> +<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=utf-8"> +<title>The Project Gutenberg eBook of De Wonderen van den Antichrist, by Selma Lagerlöf</title> + +<style type="text/css"> + +body +{ +font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif; +margin: 1.58em 16%; +text-align: left; +} +/* Titlepage */ +.titlePage +{ +border: #DDDDDD 2px solid; +margin: 3em 0% 7em 0%; +padding: 5em 10% 6em 10%; +text-align: center; +} +.titlePage .docTitle +{ +line-height: 3.5em; +margin: 2em 0% 2em 0%; +font-weight: bold; +} +.titlePage .docTitle .mainTitle +{ +font-size: 1.8em; +} +.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle, .titlePage .docTitle .volumeTitle +{ +font-size: 1.44em; +} +.titlePage .byline +{ +margin: 2em 0% 2em 0%; +font-size:1.2em; +line-height:1.72em; +} +.titlePage .byline .docAuthor +{ +font-size: 1.2em; +font-weight: bold; +} +.titlePage .figure +{ +margin: 2em 0% 2em 0%; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +} +.titlePage .docImprint +{ +margin: 4em 0% 0em 0%; +font-size: 1.2em; +line-height: 1.72em; +} +.titlePage .docImprint .docDate +{ +font-size: 1.2em; +font-weight: bold; +} +/* End Titlepage */ +.transcribernote +{ +background-color:#DDE; +border:black 1px dotted; +color:#000; +font-family:sans-serif; +font-size:80%; +margin:2em 5%; +padding:1em; +} +.advertisment +{ +background-color:#FFFEE0; +border:black 1px dotted; +color:#000; +margin:2em 5%; +padding:1em; +} +.width20 +{ +width: 20%; +} +.width40 +{ +width: 40%; +} +.indextoc +{ +text-align: center; +} +.div0 +{ +padding-top: 5.6em; +} +.div1 +{ +padding-top: 4.8em; +} +.index +{ +font-size: 80%; +} +.div2 +{ +padding-top: 3.6em; +} +.div3, .div4, .div5 +{ +padding-top: 2.4em; +} +.footnotes .body, +.footnotes .div1 +{ +padding: 0; +} +.apparatusnote +{ +text-decoration: none; +} +table.alignedtext +{ +border-collapse: collapse; +} +table.alignedtext td +{ +vertical-align: top; +width: 50%; +} +table.alignedtext td.first +{ +border-width: 0 0.2px 0 0; +border-color: gray; +border-style: solid; +padding-right: 10px; +} +table.alignedtext td.second +{ +padding-left: 10px; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6, .pseudoh1, .pseudoh2, .pseudoh3, pseudoh4 +{ +clear: both; +font-style: normal; +text-transform: none; +} +h3, .pseudoh3 +{ +font-size:1.2em; +line-height:1.2em; +} +h3.label +{ +font-size:1em; +line-height:1.2em; +margin-bottom:0; +} +h4, pseudoh4 +{ +font-size:1em; +line-height:1.2em; +} +.alignleft +{ +text-align:left; +} +.alignright +{ +text-align:right; +} +.alignblock +{ +text-align:justify; +} +p.tb, hr.tb +{ +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +text-align: center; +} +p.argument, p.note, p.tocArgument +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +text-indent:0; +} +p.argument, p.tocArgument +{ +margin:1.58em 10%; +} +p.tocPart +{ +margin:1.58em 0%; +font-variant: small-caps; +} +p.tocChapter +{ +margin:1.58em 0%; +} +p.tocSection +{ +margin:0.7em 5%; +} +.opener, .address +{ +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +} +.addrline +{ +margin-top: 0; +margin-bottom: 0; +} +.dateline +{ +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +text-align: right; +} +.salute +{ +margin-top: 1.6em; +margin-left: 3.58em; +text-indent: -2em; +} +.signed +{ +margin-top: 1.6em; +margin-left: 3.58em; +text-indent: -2em; +} +.epigraph +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +width: 60%; +margin-left: auto; +} +.epigraph span.bibl +{ +display: block; +text-align: right; +} +.trailer +{ +clear: both; +padding-top: 2.4em; +padding-bottom: 1.6em; +} +.figure +{ +margin-left: auto; +margin-right: auto; +} +.floatLeft +{ +float:left; +margin:10px 10px 10px 0; +} +.floatRight +{ +float:right; +margin:10px 0 10px 10px; +} +p.figureHead +{ +font-size:100%; +text-align:center; +} +.figAnnotation +{ +font-size:80%; +position:relative; +margin: 0 auto; /* center this */ +} +.figTopLeft, .figBottomLeft +{ +float: left; +} +.figTop, .figBottom +{ +} +.figTopRight, .figBottomRight +{ +float: right; +} +.figure p +{ +font-size:80%; +margin-top:0; +text-align:center; +} +img +{ +border-width:0; +} +p.smallprint,li.smallprint +{ +color:#666666; +font-size:80%; +} +span.parnum +{ +font-weight: bold; +} +.marginnote +{ +font-size:0.8em; +height:0; +left:1%; +line-height:1.2em; +position:absolute; +text-indent:0; +width:14%; +} +.pagenum +{ +display:inline; +font-size:70%; +font-style:normal; +margin:0; +padding:0; +position:absolute; +right:1%; +text-align:right; +} +a.noteref, a.pseudonoteref +{ +font-size: 80%; +text-decoration: none; +vertical-align: 0.25em; +} +.displayfootnote +{ +display: none; +} +div.footnotes +{ +font-size: 80%; +margin-top: 1em; +padding: 0; +} +hr.fnsep +{ +margin-left: 0; +margin-right: 0; +text-align: left; +width: 25%; +} +p.footnote +{ +margin-bottom: 0.5em; +margin-top: 0.5em; +} +p.footnote .label +{ +float:left; +width:2em; +height:12pt; +display:block; +} +/* Tables */ +td, th +{ +vertical-align: top; +} +td.label, tr.label td +{ +font-weight: bold; +} +td.unit, tr.unit td +{ +font-style: italic; +} +td.sum +{ +padding-top: 2px; border-top: solid black 1px; +} +/* Poetry */ +.lgouter +{ +margin-left: auto; +margin-right: auto; +display:table; /* used to make the block shrink to the actual size */ +} +.lg +{ +text-align: left; +} +.lg h4, .lgouter h4 +{ +font-weight: normal; +} +.lg .linenum, .sp .linenum, .lgouter .linenum +{ +color:#777; +font-size:90%; +left: 16%; +margin:0; +position:absolute; +text-align:center; +text-indent:0; +top:auto; +width:1.75em; +} +p.line +{ +margin: 0 0% 0 0%; +} +span.hemistich /* invisible text to achieve visual effect of hemistich indentation. */ +{ +color: white; +} +.versenum +{ +font-weight:bold; +} +/* Drama */ +.speaker +{ +font-weight: bold; +margin-bottom: 0.4em; +} +.sp .line +{ +margin: 0 10%; +text-align: left; +} +/* End Drama */ +/* right aligned page number in table of contents */ +.tocPagenum, .flushright +{ +position: absolute; +right: 16%; +top: auto; +} +table.tocList +{ +width: 100%; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +} +td.tocPageNum, td.tocDivNum +{ +text-align: right; +width: 15%; +padding-left: 1em; +padding-right: 1em; +} +td.tocDivTitle +{ +width: 70%; +} +span.corr, span.gap +{ +border-bottom:1px dotted red; +} +span.abbr +{ +border-bottom:1px dotted gray; +} +span.measure +{ +border-bottom:1px dotted green; +} +/* Font Styles and Colors */ +.ex +{ +letter-spacing: 0.2em; +} +.sc +{ +font-variant: small-caps; +} +.uc +{ +text-transform: uppercase; +} +/* overline is actually a bit too high; overtilde is approximated with overline */ +.overline, .overtilde +{ +text-decoration: overline; +} +.rm +{ +font-style: normal; +} +.red +{ +color: red; +} +/* End Font Styles and Colors */ +hr +{ +clear:both; +height:1px; +margin-left:auto; +margin-right:auto; +margin-top:1em; +text-align:center; +width:45%; +} +.aligncenter, div.figure +{ +text-align:center; +} +h1, h2 +{ +font-size:1.44em; +line-height:1.5em; +} +h1.label, h2.label +{ +font-size:1.2em; +line-height:1.2em; +margin-bottom:0; +} +h5, h6 +{ +font-size:1em; +font-style:italic; +line-height:1em; +} +p +{ +text-indent:0; +} +p.firstlinecaps:first-line +{ +text-transform: uppercase; +} +p.dropcap:first-letter +{ +float: left; +clear: left; +margin: 0em 0.05em 0 0; +padding: 0px; +line-height: 0.8em; +font-size: 420%; +vertical-align:super; +} +.lg +{ +padding: .5em 0% .5em 0%; +} +p.quote,div.blockquote, div.argument +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +margin:1.58em 5%; +} +.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden +{ +text-decoration:none; +} +ul { list-style-type: none; } +.castlist, .castitem { list-style-type: none; } +body +{ +background: #FFFFFF; +font-family: "Times New Roman", Times, serif; +} +body, a.hidden +{ +color: black; +} +.titlePage +{ +color: #001FA4; +font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6, .pseudoh1, .pseudoh2, .pseudoh3, .pseudoh4 +{ +color: #001FA4; +font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif; +} +p.byline +{ +font-style: italic; +margin-bottom: 2em; +} +.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, .marginnote, p.legend, .versenum, .stage +{ +color: #001FA4; +} +.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a +{ +color: #AAAAAA; +} +a.hidden:hover, a.noteref:hover +{ +color: red; +} +p.dropcap:first-letter +{ +color: #001FA4; +font-weight: bold; +} +sub, sup +{ +line-height: 0; +} +.pagenum, .linenum +{ +speak: none; +} +</style> + +<style type="text/css"> +.xd20e85width +{ +width:543px; +} +.xd20e91 +{ +text-align:center; +} +.xd20e95width +{ +width:468px; +} +.xd20e115 +{ +font-size:smaller; +} +.xd20e129 +{ +text-align:left; +} +.xd20e8401 +{ +text-align:center; +} +.xd20e8411 +{ +text-align:center; font-size:xx-large; +} +.xd20e8413 +{ +text-align:center; font-size:large; +} +.xd20e8417 +{ +text-align:center; +} +.xd20e8431 +{ +font-size:larger; +} +.xd20e8614 +{ +text-align:center; font-size:x-large; +} +.xd20e8735width +{ +width:149px; +} +.xd20e8742width +{ +width:529px; +} +</style> +</head> +<body> + + +<pre> + +Project Gutenberg's De Wonderen van den Antichrist, by Selma Lagerlöf + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De Wonderen van den Antichrist + +Author: Selma Lagerlöf + +Translator: Betsy Nort + +Release Date: May 22, 2011 [EBook #36194] + +Language: Dutch + +Character set encoding: UTF-8 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE WONDEREN VAN DEN ANTICHRIST *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ + + + + + + +</pre> + +<div class="front"> +<div class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divBody"> +<p class="first"></p> +<div class="figure xd20e85width"><img src="images/cover.jpg" alt="Oorspronkelijke voorkant." width="543" height="720"></div> +</div> +</div> +<div class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divBody"> +<p class="first xd20e91">De wonderen van den Antichrist</p> +</div> +</div> +<div class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divBody"> +<p class="first"></p> +<div class="figure xd20e95width"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke voorkant." width="468" height="720"></div> +</div> +</div> +<div class="titlePage"> +<div class="docTitle"> +<div class="mainTitle">De Wonderen van den Antichrist</div> +</div> +<div class="byline">Naar het Zweedsch<br> +Van<br> +<span class="docAuthor">Selma Lagerlöf</span><br> +Schrijfster van „Gösta Berling”, „Ingrid”, +„De Koninginnen van Kungahälla”, +„Jeruzalem”, „Onzichtbare ketenen”, enz.<br> +Door<br> +<span class="docAuthor">Betsy Nort</span><br> +Met toestemming van de schrijfster</div> +<div class="docImprint"> +<div class="epigraph"> +<p class="first xd20e129">Als de Antichrist komt, zal hij<br> +volkomen op Christus gelijken.</p> +<p class="xd20e129">Daar zal groote nood heerschen<br> +en de Antichrist zal van land tot<br> +land gaan en den armen brood geven.</p> +<p class="xd20e129">En hij zal vele aanhangers verkrijgen.</p> +<p class="signed"><i>Siciliaansche Volkssage.</i></p> +</div> +</div> +<div class="docImprint">Tweede Druk<br> +Amsterdam<br> +H. J. W. Becht<br> +<span class="docDate">1904</span></div> +</div> +<div class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divBody"> +<p class="first xd20e91">Boek-, Courant- en Steendrukkerij G. J. +Thieme, Nijmegen. <span class="pagenum">[<a id="pb1" href="#pb1" name="pb1">1</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +<div class="body"> +<div id="inleiding" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 id="xd20e161" class="main">Inleiding</h2> +<div class="epigraph"> +<div class="lgouter"> +<p class="line">Als de Antichrist komt, zal hij</p> +<p class="line">volkomen op Christus gelijken.</p> +</div> +</div> +<p><span class="pagenum">[<a id="pb3" href="#pb3" name="pb3">3</a>]</span></p> +<div class="div2" id="inleiding.1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 id="xd20e171" class="label">I.</h3> +<h3 class="main">Het visioen van den keizer.</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">In den tijd, toen Augustus keizer in Rome was, en +Herodes als koning over Jeruzalem heerschte, geschiedde het eenmaal dat +een zeer stille en heilige nacht op de aarde neerdaalde. Het was de +donkerste nacht, welken iemand ooit aanschouwd had; men zou geloofd +kunnen hebben, dat de gansche aarde onder een keldergewelf geraakt +was.</p> +<p>’t Was onmogelijk water van land te onderscheiden, en men +verdwaalde op den meest bekenden weg. En dat kon niets anders zijn, +want van den hemel kwam geen enkele lichtstraal.</p> +<p>Alle sterren waren thuis gebleven en de lieflijke maan hield haar +aangezicht afgewend.</p> +<p>En even diep als de duisternis, was de stilte en de rust. De +rivieren hadden haar loop gestaakt, de wind verroerde zich niet, en +zelfs het espeblad had opgehouden te trillen. En waart ge langs de zee +gegaan, dan hadt ge gezien, dat de golven niet meer tegen het strand +sloegen, en waart ge in de woestijn gegaan, dan hadde het zand niet +onder uwe voeten geknarst.</p> +<p>Alles was versteend en roerloos om den heiligen nacht niet te +verstoren. ’t Gras mocht niet groeien, de dauw niet vallen, en de +bloemen waagden het niet haar geuren uit te ademen.</p> +<p>Gedurende dezen nacht jaagde geen roofdier, noch beten de slangen of +blaften de honden. En wat nog heerlijker was, geen enkel der levenlooze +dingen zou de heiligheid <span class="pagenum">[<a id="pb4" href="#pb4" +name="pb4">4</a>]</span>van den nacht hebben willen verstoren door zich +te leenen tot een slechte daad. Geen breekijzer hadde een slot kunnen +openen en geen mes ware in staat geweest bloed te vergieten.</p> +<p>In dezen nacht verliet een kleine schaar menschen ’s keizers +woning op den Palatijnschen heuvel te Rome, en sloeg den weg in over +het Forum naar het Kapitool. Den vorigen dag hadden namelijk de +raadsheeren den keizer gevraagd of hij er iets tegen had, dat zij hem +een tempel oprichtten op Rome’s heiligen berg. Maar Augustus had +niet dadelijk zijn bijval aan dit plan geschonken. Hij wist niet of het +den goden welgevallig was, dat hij een tempel naast den hunne zou +bezitten en hij had geantwoord dat hij eerst door een nachtelijk offer +aan zijn genius hun wil in deze zaak wilde uitvorschen.</p> +<p>En hij was het, die nu, gevolgd door eenige getrouwen, dit offer +ging brengen.</p> +<p>Augustus liet zich in zijn draagstoel voeren, want hij was oud en +het beklimmen der hooge trappen van het Kapitool viel hem moeilijk. +Zelf droeg hij de kooi met de duiven, die hij wilde offeren. Geen +priesters, soldaten of raadsheeren vergezelden hem; slechts zijn naaste +vrienden. Fakkeldragers liepen voor hem uit, als om een weg te banen in +de duisternis van den nacht, en achter hem kwamen slaven, die het +drievoetige altaar, de kolen, messen, het heilige vuur en al het andere +droegen, dat voor het offeren noodig was.</p> +<p>Onderweg sprak de keizer vroolijk met zijn getrouwen, daardoor +merkte geen van hen de oneindige stilte en rust van den nacht. Eerst +toen zij op de kruin van den berg de plaats bereikt hadden, die bestemd +was voor den nieuwen tempel, werd hun geopenbaard, dat iets ongewoons +plaats greep.</p> +<p>Dit kon geen nacht, zooals alle andere zijn, want daar boven op de +rotskruin zagen ze de wonderbaarlijkste gestalte. Ze dachten eerst, dat +het een oude vergroeide olijfboom was, later geloofden zij, dat een +oeroud steenen beeld uit den tempel van Jupiter op de rots verdwaald +was. Ten slotte meenden ze, dat het niemand anders kon zijn dan de oude +sibylle.</p> +<p>Iets zoo ouds, zoo verweerds, zoo reusachtigs hadden ze nog +<span class="pagenum">[<a id="pb5" href="#pb5" name="pb5">5</a>]</span>nooit gezien. Indien de keizer er niet geweest was, +zouden ze allen naar huis gevlucht zijn.</p> +<p>„Dat is zij,” fluisterden ze, „die zoo vele jaren +telt als er zandkorrels gevonden worden op de kusten van haar +vaderland. Waarom is zij juist vannacht uit haar hol gekomen? Wat +voorspelt zij den keizer en het rijk, zij, die haar profetieën op +de blaren der boomen schrijft en weet, dat de wind het orakelwoord tot +dengene voert, die het noodig heeft?”</p> +<p>Ze waren zoo ontsteld, dat zij zich allen op de knieën geworpen +zouden hebben met het voorhoofd tegen den grond, indien de sibylle +slechts één beweging gemaakt had. Maar ze zat zoo +onbeweeglijk alsof ze levenloos was. Ze zat neergehurkt op den +uitersten rand van de rotshelling, en beschutte haar oogen met de hand, +terwijl zij in den duisteren nacht tuurde.</p> +<p>Ze zat daar, alsof ze den berg beklommen had om beter iets te zien +dat ergens ver weg geschiedde.</p> +<p>Zij kon dus iets zien, zij! In zulk een nacht!</p> +<p>Op hetzelfde oogenblik bemerkten de keizer en allen van zijn gevolg +hoe diep de duisternis was. Geen van hen kon een handbreed voor zich +uitzien. En welk een stilte! welk een rust!</p> +<p>Zelfs niet het doffe murmelen van den Tiber konden zij hooren.</p> +<p>Maar ’t was alsof de lucht hen wilde verstikken, het koude +zweet parelde hun op het voorhoofd en hun handen waren verstijfd en +machteloos. Zij dachten dat er iets ontzettends moest gebeuren.</p> +<p>Geen van hen wilde echter toonen, dat hij bang was, maar ze zeiden +tegen den keizer, dat het een goed voorteeken was: de heele natuur +hield den adem in om een nieuwen god te begroeten.</p> +<p>Ze spoorden den keizer aan zich te haasten met het offeren en +zeiden, dat de oude sibylle waarschijnlijk uit haar hol was gestegen om +zijn genius te begroeten.</p> +<p>Maar de waarheid was, dat de oude sybille geboeid was door een +visioen. Zij wist niet eens, dat Augustus op het Kapitool gekomen was. +In den geest vertoefde zij in een ver land, en daar meende zij over een +groote vlakte te <span class="pagenum">[<a id="pb6" href="#pb6" name="pb6">6</a>]</span>schrijden. In de duisternis stiet ze onophoudelijk +met den voet tegen iets, dat ze dacht, dat aardheuveltjes waren.</p> +<p>Zij boog zich voorover en voelde met de hand. Neen, het waren geen +aardheuveltjes maar schapen. Ze schreed tusschen groote, slapende +kudden. Nu bemerkte zij het vuur der herders. Dat brandde midden op het +veld, zij trachtte het te naderen. De herders sliepen bij het vuur en +naast hen lagen de lange, spitse herdersstaven, waarmee ze de kudden +tegen de wilde dieren plachten te beschermen.</p> +<p>Maar die kleine dieren met hun glinsterende oogen en groote +staarten, die naar het vuur slopen, waren dat geen jakhalzen?</p> +<p>En toch wierpen de herders hun staf niet naar hen, de honden bleven +doorslapen, de kudde vluchtte niet weg en de wilde dieren vlijden zich +naast de menschen neder.</p> +<p>Dat zag de sibylle, maar zij wist niets van hetgeen achter haar op +den berg plaats greep. Ze wist niet, dat men daar een altaar oprichtte, +kolen deed gloeien, wierook verspreidde, en dat de keizer +één der beide duiven uit de kooi nam om haar te +offeren.</p> +<p>Maar zijn handen waren zoo krachteloos, dat hij den vogel niet kon +vasthouden. Met een enkelen slag van den vleugel bevrijdde de duif zich +en verdween in de duisternis van den nacht.</p> +<p>Toen dit geschiedde, blikten de hovelingen achterdochtig naar de +oude sibylle. Ze geloofden dat zij het was, die het ongeluk +veroorzaakte.</p> +<p>Konden zij weten, dat de sibylle nog steeds bij het herdersvuur +dacht te staan, terwijl zij luisterde naar een zwak geluid, dat in den +doodstillen nacht begon te trillen?</p> +<p>Zij luisterde lang daarna, vóórdat zij bemerkte, dat +het niet van de aarde, maar uit de wolken kwam. Eindelijk hief zij het +hoofd op en toen zag zij lichte stralende gestalten in de duisternis +voortglijden.</p> +<p>Het waren kleine engelenscharen, die lieflijk zingend en als +zoekende, heen en weer vlogen over de groote vlakte. En terwijl de +sibylle naar den engelenzang luisterde, maakte de keizer zich gereed +tot een nieuw offer. Hij waschte zijn handen, reinigde het altaar en +liet zich de tweede duif aanreiken, maar ofschoon hij nu zijn uiterste +krachten inspande <span class="pagenum">[<a id="pb7" href="#pb7" name="pb7">7</a>]</span>om deze vast te houden, gleed het slanke lichaam der +duif uit zijn hand, en de vogel verdween in den ondoordringbaren +nacht.</p> +<p>De keizer werd bevreesd. Hij viel op de knieën voor het leege +altaar en bad tot zijn genius. Hij smeekte zijn beschermgeest hem de +kracht te verleenen om de ongelukken af te wenden, die deze nacht +scheen te voorspellen.</p> +<p>Ook daarvan had de sibylle niets gemerkt. Ze luisterde met heel haar +ziel naar den engelenzang die al sterker en sterker werd. Op het laatst +was deze zoo luid, dat de herders ontwaakten. Ze leunden op hun +ellebogen en zagen lichte scharen zilverwitte engelen in lange +fladderende lijnen, trekvogels gelijk, in de duisternis +voortzweven.</p> +<p>Sommigen hadden luiten en violen in de hand, anderen speelden op +citers en harpen, en hun gezang klonk zoo blijde als kindergelach en +zoo jubelend als het lied van den leeuwerik. Toen de herders dit +hoorden, togen ze opwaarts om naar de bergstad te gaan, waar ze thuis +behoorden, om het wonder te verhalen.</p> +<p>Zij gingen langs een smal, slingerend paadje en de oude sibylle +volgde hen. Opeens werd het helder licht boven den berg. Een groote, +stralende ster schitterde juist daarboven, en de stad op den bergtop +blonk als zilver in het licht der ster.</p> +<p>Alle zwevende engelenscharen spoedden zich jubelend daarheen en de +herders verhaastten hun schreden, zoo dat zij bijna sprongen. Toen ze +de stad bereikt hadden, zagen ze, dat de engelen zich boven een lagen +stal in de nabijheid van de stadspoort verzameld hadden. Het was een +ellendig huis met een dak van stroo en de naakte rots tot muur.</p> +<p>Daarboven straalde de ster en daar verzamelden zich al meer en meer +engelen. Sommigen lieten zich neder op het stroodak of streken neer op +de steile berghelling achter het huis, anderen bleven met fladderende +vleugels daarboven zweven.</p> +<p>Hoog, hoog was de lucht licht van flikkerende vleugels.</p> +<p>Op hetzelfde oogenblik, dat de ster boven de bergstad ontstoken +werd, ontwaakte de gansche natuur, de mannen die op de hoogte van het +Kapitool stonden, moesten dat <span class="pagenum">[<a id="pb8" href="#pb8" name="pb8">8</a>]</span>wel merken. Ze voelden hoe frissche, +streelende winden het luchtruim doorzweefden, heerlijke geuren stegen +op uit de aarde, de boomen ruischten, de Tiber begon te murmelen, de +sterren straalden en de maan stond opeens hoog aan den hemel en +verlichtte de wereld. En uit de wolken kwamen de twee duiven +aangevlogen en namen plaats op den schouder van den keizer.</p> +<p>Toen dit wonder geschiedde, richtte keizer Augustus zich op in +trotsche vreugde, maar zijn vrienden en slaven wierpen zich op hun +knieën. „Ave Cesar,” riepen zij. „Uw genius +heeft u geantwoord. Gij zijt de god, die op de hoogte van het Kapitool +moet worden aangebeden.”</p> +<p>En de hulde, die de geestdriftige mannen den keizer toejubelden, was +zoo luidruchtig, dat de oude sibylle het hoorde. Dit deed haar uit haar +visioenen ontwaken. Ze verliet haar plaats op de rotshelling en begaf +zich tusschen de menschen. ’t Was alsof een donkere wolk uit den +afgrond opsteeg en neerstortte op de hoogte. Zij was vreeselijk om aan +te zien in haar ouderdom. Ruig haar hing in dunne vlokken rondom haar +hoofd, de gewrichten der ledematen waren gezwollen en de donkere huid +omkleedde het lichaam, hard als boomschors, met rimpel naast rimpel. +Maar geweldig en waardig schreed ze den keizer tegemoet.</p> +<p>Met de eene hand greep zij hem bij de pols, met de andere wees ze +naar het verre Oosten.</p> +<p>„Zie,” beval zij hem, en de keizer hief zijn blik op +naar den hemel en zag. Het luchtruim opende zich voor zijn blikken en +deze drongen door tot het verre Oosterland. En hij zag een armoedigen +stal onder een steilen <span class="corr" id="xd20e275" title="Bron: rotstwand">rotswand</span> en in de geopende deur eenige +knielende herders. In den stal zag hij een jonge moeder gekield liggen +voor een klein kind, dat op een stroobos op den grond lag.</p> +<p>En de groote, knokige vingers der sibylle wezen naar dat arme +kind.</p> +<p>„Ave Cesar,” zei de sibylle, terwijl zij hoonend lachte. +„Daar is de god, die op de hoogte van het Kapitool zal worden +aangebeden.”</p> +<p>Toen deinsde Augustus terug als voor een waanzinnige. Maar de +machtige geest der profetie werd vaardig over haar, de oogen begonnen +te branden, haar handen wezen <span class="pagenum">[<a id="pb9" href="#pb9" name="pb9">9</a>]</span>hemelwaarts, haar stem veranderde, zoo +dat die niet meer de hare scheen te zijn, maar zulk een klank en kracht +bezat, dat die over de gansche wereld gehoord kon worden. En zij sprak +woorden, die ze in den hemel tusschen de sterren, scheen te lezen:</p> +<p>„Op de hoogte van het Kapitool zal de wereldverlosser worden +aangebeden, Christus of Antichrist, maar geen sterflijke +menschen.”</p> +<p>Toen ze dit gezegd had, schreed ze tusschen de door schrik bevangen +mannen, daalde langzaam van den berg en verdween.</p> +<p>Maar Augustus liet den volgenden dag het volk streng verbieden hem +een tempel op het Kapitool op te richten.</p> +<p>In plaats daarvan liet hij een kapel voor het pasgeboren Godskind +bouwen en noemde dat het altaar des hemels<span class="corr" id="xd20e294" title="Bron: .">,</span> Aracoeli. <span class="pagenum">[<a id="pb10" href="#pb10" name="pb10">10</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div2" id="inleiding.2"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 id="xd20e299" class="label">II.</h3> +<h3 class="main">Rome’s heilig kind.</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Op den heuvel van het Kapitool verhief zich een +klooster dat bewoond werd door Franciscaner monniken. Maar men kon het +nauwelijks als een klooster beschouwen, veeleer als een vesting. Het +was gelijk een wachttoren aan de zeekust, waar men naar een naderenden +vijand tuurt en staart.</p> +<p>Naast het klooster stond de prachtige basiliek Santa Maria in +Aracoeli. De basiliek was gebouwd als herinnering aan het bezoek der +sibylle, die keizer Augustus hier Christus had doen aanschouwen.</p> +<p>Maar het klooster was opgericht, omdat men vreesde voor de +vervulling van de profetie der sibylle, dat de Antichrist op het +Kapitool zou worden aangebeden.</p> +<p>En de monniken voelden zich als krijgers. Als ze naar de kerk gingen +om te zingen en te bidden, meenden zij op vestingwallen te loopen en +wolken van pijlen neer te zenden op den aanstormenden Antichrist.</p> +<p>Ze leefden altijd denkende aan den Antichrist, en hun gansche +godsdienst was één strijd om hem ver van het Kapitool te +houden.</p> +<p>Ze trokken hun hoeden diep in het gelaat, om hun oogen te +beschutten, en tuurden in de wereld.</p> +<p>Hun blikken werden koortsachtig van het staren, en voortdurend +meenden ze den Antichrist te ontdekken.</p> +<p>„Hij is hier, hij is daar,” riepen ze. En ze fladderden +in hun bruine pijen rond en maakten zich gereed tot den strijd, +<span class="pagenum">[<a id="pb11" href="#pb11" name="pb11">11</a>]</span>gelijk kraaien, die op een rotspunt verzameld zijn +en een adelaar in het gezicht krijgen.</p> +<p>Maar sommigen zeiden: Wat baten gebeden en boetedoeningen? De +sibylle heeft het gezegd. De Antichrist moet komen.</p> +<p>Toen zeiden anderen: God kan een wonder verrichten. Indien het +kampen niet baatte, zou Hij ons niet hebben laten waarschuwen door de +sibylle.</p> +<p>Jaar na jaar verdedigden de Franciscanen het Kapitool door +boetedoening, werken van barmhartigheid en de verkondiging van Gods +woord.</p> +<p>Zij beschermden het eeuw na eeuw, maar naarmate de tijden +verstreken, werden de menschen krachteloozer en zwakker.</p> +<p>De monniken zeiden:</p> +<p>„Spoedig kan het rijk van dezen tijd niet langer bestaan. Er +moet een wereldherschepper komen zooals ten tijde van +Augustus.”</p> +<p>Ze rukten hun haren uit en geeselden zich, want ze wisten, dat de +wereldverlosser de Antichrist moest zijn, en dat het een rijk van +geweld en kracht zou worden.</p> +<p>Gelijk zieken door hun kwalen gepijnigd worden, zoo werden zij +gekweld door de gedachte aan den Antichrist. En zij zagen hem voor +zich. Hij was even rijk als Christus arm, even slecht als Christus +goed, even geëerd als Christus vernederd was. Hij voerde scherpe +wapens en reed aan de spits van bloeddorstige woestelingen. Hij wierp +kerken omver, vermoordde priesters en wapende de menschen tot den +strijd, zóó dat broeder tegen broeder worstelde en de +eene mensch den anderen vreesde en nergens vrede te vinden was.</p> +<p>En telkens als een mensch van geweld en kracht zijn weg over de zee +der tijden nam, werd er van den wachttoren op het Kapitool geroepen: +„De Antichrist, de Antichrist!”</p> +<p>En voor elken geweldenaar, die verdween en ten onder ging, riepen de +monniken hosanna en zongen ze een Te-Deum.</p> +<p>En ze zeiden: „Het is door de kracht onzer gebeden, dat de +slechten vielen, vóórdat ze het Kapitool konden +bereiken.”</p> +<p>Het was een harde straf voor het schoone klooster, dat zijn monniken +nooit rust konden vinden. Hun nachten waren <span class="pagenum">[<a id="pb12" href="#pb12" name="pb12">12</a>]</span>nog +zwaarder dan hun dagen. Dan zagen ze hoe wilde dieren hun cellen +binnendrongen en zich naast hun brits uitstrekten. En elk wild dier was +de Antichrist. Maar sommige monniken zagen hem als een draak, en andere +als een griffioen, en weer andere als een sfinx. En als ze uit hun +droomen ontwaakten, waren ze mat als na een zware ziekte.</p> +<p>De eenige troost, dien deze arme monniken bezaten, was het +wonderdoende Christusbeeld, dat in de basiliek te Aracoeli bewaard +werd. Wanneer een monnik tot vertwijfeling gedreven was, ging hij naar +de kerk om daar troost te zoeken. Hij liep dan de geheele basiliek door +naar een afgesloten kapel naast het hoofdaltaar. Daarin ontstak hij +gewijde waskaarsen en deed een gebed, vóórdat hij de +altaarkast opende, die deuren van ijzer met dubbele sloten had. En hij +lag op zijn knieën, zoo lang hij het beeld aanschouwde.</p> +<p>Het beeld stelde een klein kind voor, het had een gouden kroon op +het hoofd, gouden schoentjes aan de voeten, en zijn kleertjes +schitterden van sieraden, die het beeld geschonken waren door +lijdenden, die het hadden aangeroepen om hulp. En de wanden der kapel +waren bedekt met schilderijen, die deden zien hoe velen het uit brand- +en zeegevaar gered had, hoe het zieken genezen en ongelukkigen geholpen +had. En als de monnik dit zag, jubelde hij en zei tot zich zelf:</p> +<p>„God zij geprezen! Nog is het Christus, die op het Kapitool +wordt aangebeden.”</p> +<p>De monnik merkte op, hoe het beeld in mystieke, zelfbewuste macht +tegen hem glimlachte en zijn geest verhief zich tot de heilige sferen +der vertroosting. „Wat kan U doen neerstorten, Gij +machtige?” zei hij. „Wie kan U doen vallen? Voor U buigt de +eeuwige stad haar knieën. Gij zijt Rome’s heilig kind. Gij +zijt de gekroonde, dien het volk aanbidt. Gij zijt de machtige, die +hulp, troost en kracht verleent. Gij alleen zult op het Kapitool worden +aangebeden.”</p> +<p>Hij zag hoe de kroon van het beeld veranderde in een aureool, die +stralen over de gansche aarde zond. En in welke richting hij ook den +loop der stralen volgde, overal zag hij hoe de wereld vol kerken was, +waar Christus werd aangebeden. Het was alsof een machtige heerscher hem +al de vestingen en burchten getoond had, die zijn rijk beschermden. +<span class="pagenum">[<a id="pb13" href="#pb13" name="pb13">13</a>]</span></p> +<p>„Het is zeker, dat Gij niet kunt vallen,” zei de monnik. +„Uw rijk moet blijven bestaan.”</p> +<p>En elke monnik, die het beeld zag, genoot een paar uur van +vertroosting en vrede, totdat de vrees zich opnieuw van hem meester +maakte. Maar indien zij dit beeld niet bezeten hadden, zouden hun +zielen geen oogenblik rust gevonden hebben.</p> +<p>Zoo hadden Aracoeli’s monniken zich onder gebed en strijd door +de tijden geworsteld, en nooit had het aan wachters ontbroken, want +zoodra een van hen uitgeput was door angst, haastten anderen zich zijn +plaats in te nemen.</p> +<p>En ofschoon de meesten, die in het klooster gingen, door waanzin of +een te vroegen dood getroffen werden, nooit slonk de rij der monniken, +want het werd als een groote eer beschouwd te Aracoeli voor God te +strijden.</p> +<p>Zoo gebeurde het, dat deze strijd nog vóór zestig jaar +in vollen gang was, en wegens de verdorvenheid der tijden streden de +monniken met grooter ijver dan ooit en verwachtten den Antichrist zoo +stellig als nooit te voren.</p> +<p>In dien tijd kwam er een rijke Engelsche vrouw te Rome. Ze ging naar +Aracoeli en zag het beeld, en zij was daardoor zóó +getroffen, dat ze dacht niet te kunnen leven, indien het niet in haar +bezit kwam. Zij ging telkens terug naar Aracoeli om het beeld te zien +en ten slotte smeekte zij de monniken het van hen te mogen koopen.</p> +<p>Maar indien ze den ganschen mozaïekvloer in de groote basiliek +met gouden munten bedekt had, dan nog hadden de monniken haar dit +beeld, dat hun eenige troost was, niet willen afstaan.</p> +<p>Doch de Engelsche was in die mate in vervoering over het beeld, dat +zij zonder dit vreugde noch vrede kon vinden.</p> +<p>En daar ze op geen andere wijze haar verlangen kon bevredigen, +besloot ze het beeld te stelen.</p> +<p>Zij dacht niet aan de zonde, die ze beging, maar voelde slechts een +onweerstaanbaren drang en brandenden dorst en liever wilde zij haar +ziel wagen dan haar hart het geluk weigeren het vurig begeerde beeld te +bezitten. En om haar doel te bereiken, liet ze een beeld vervaardigen, +dat volkomen gelijk was aan dat te Aracoeli. <span class="pagenum">[<a id="pb14" href="#pb14" name="pb14">14</a>]</span></p> +<p>’t Beeld van Aracoeli is van olijvenhout uit Getsemane’s +olijvenberg gesneden, maar de Engelsche waagde het een beeld van +olmhout te laten snijden, dat volkomen daarop geleek.</p> +<p>’t Beeld te Aracoeli is niet door menschenhanden +beschilderd.</p> +<p>Toen de monnik, die het sneed, penseel en verf genomen had, +sluimerde hij in over zijn arbeid. En toen hij ontwaakte, was het beeld +geschilderd. Het had zich zelf voltooid, als teeken, dat God het +beminde. Maar de Engelsche was zoo vermetel een aardschen schilder haar +houten beeld zóó te laten schilderen, dat het volkomen +gelijk aan het heilige beeld werd.</p> +<p>Het nagemaakte beeld kocht ze een kroon en schoentjes, maar die +waren niet van goud; het was slechts zink en verguldsel. Ze bestelde +sieraden, ze kocht ringen en halskettingen, armbanden en juweelen +sterren—maar dat alles was van koper en glas—en zij kleedde +het, zooals de hulpzoekenden het ware en echte beeld gekleed +hadden.</p> +<p>Toen het beeld klaar was, nam ze een naald en grifte in de kroon: +„Mijn rijk is slechts van deze wereld.”</p> +<p>’t Was alsof ze vreesde, dat ze zelf niet meer beeld van beeld +kon onderscheiden. En ’t was alsof ze haar geweten had willen +geruststellen. „Ik heb immers niet een valsch Christusbeeld +willen maken. Ik heb toch in zijn kroon geschreven: Mijn rijk is +slechts van deze wereld.”</p> +<p>Daarop wierp zij een wijden mantel om, verborg het beeld daaronder +en ging naar Aracoeli. Daar verzocht ze, haar devotie te mogen doen +vóór het Christusbeeld.</p> +<p>Toen zij nu stond in het heiligdom, en de kaarsen aangestoken, de +ijzeren deuren geopend waren, en het beeld zich aan haar blikken +vertoonde, begon ze te trillen en te beven en ’t scheen alsof ze +bezwijmen zou.</p> +<p>De monnik, die haar vergezelde, haastte zich naar de sacristij om +water te halen en zij bleef alleen in de kapel.</p> +<p>En toen hij terugkwam, had zij de heiligschennis gepleegd.</p> +<p>Zij had het heilige, wonderdoende beeld genomen en het valsche en +machtelooze daarvoor in de plaats gezet.</p> +<p>De monnik bemerkte niets van den ruil. Hij sloot het valsche beeld +achter ijzeren deuren met dubbele sloten en <span class="pagenum">[<a id="pb15" href="#pb15" name="pb15">15</a>]</span>de +Engelsche ging huiswaarts met Aracoeli’s schat. Zij plaatste het +in haar paleis op een voetstuk van marmer en was zoo gelukkig als ze +nog nimmer geweest was.</p> +<p>In Aracoeli, waar men niets wist van de schade, die men geleden had, +aanbad men het onechte Christusbeeld gelijk men het echte had +aangebeden. En toen het Kerstfeest aanbrak, bouwde men het, zooals +gebruikelijk was, een der schoonste grotten in de kerk.</p> +<p>Daar lag hij stralend als een edelgesteente, in Maria’s schoot +en rondom hem stonden herders, engelen en wijze mannen. En zoo lang de +grot daar was, kwamen er <span class="corr" id="xd20e413" title="Bron: kinde">kinderen</span> van Rome en van de Campagne en werden in +een kleinen preekstoel in Aracoeli’s basiliek geheven. Dan +predikten ze de lieflijkheid, zoetheid, macht en heiligheid van het +kleine Christuskind.</p> +<p>Maar de Engelsche leefde in grooten angst, dat iemand ontdekken zou, +dat zij Aracoeli’s Christusbeeld gestolen had. Daarom bekende zij +voor niemand, dat het beeld hetwelk zij bezat, het echte was.</p> +<p>„Dit is een nagemaakt beeld,” zei ze, „het is zoo +gelijk aan het echte als het slechts zijn kan, maar het is +nagemaakt.”</p> +<p>Nu had zij een klein Italiaansch meisje in haar dienst. Op een dag +toen deze door het vertrek ging, bleef ze voor het beeld staan en +sprak:</p> +<p>„Gij, arm Christuskind, dat eigenlijk geen Christuskind zijt, +indien gij wist hoe het ware kind in al zijn heerlijkheid in de grot te +Aracoeli ligt, en hoe Maria en San Giuseppe en de herders voor hem +geknield liggen! En indien ge slechts wist hoe de kinderen op een +kleinen preekstoel tegenover hem staan, en hoe ze buigen, en hem +kushandjes toewerpen en hoe ze prediken voor hem, zoo schoon als zij +slechts kunnen!”</p> +<p>Eenige dagen later kwam het kleine dienstmeisje weer en sprak tot +het beeld:</p> +<p>„Arm Christuskind, gij, die geen Christus zijt, weet gij, dat +ik vandaag in Aracoeli geweest ben en gezien heb hoe het ware kind in +processie rondgedragen werd? Ze hielden een troonhemel boven hem, en +alle menschen zonken voor hem op de knieën, en zongen en speelden +voor hem.</p> +<p>„Nooit zult gij zoo iets heerlijks beleven!” +<span class="pagenum">[<a id="pb16" href="#pb16" name="pb16">16</a>]</span></p> +<p>En hoor nu, wat het dienstmeisje voor de derde maal tot het beeld +sprak:</p> +<p>„Weet gij, Christuskind, dat geen echt Christuskind zijt, dat +het beter voor u is te staan, waar gij staat? Want het ware kind wordt +bij de zieken geroepen, en het rijdt in zijn gouden wagen daar heen, +maar het kan hen niet helpen, en ze sterven in vertwijfeling. En men +begint te zeggen, dat het heilige kind van Aracoeli de kracht om goed +te doen verloren heeft, en dat gebeden en tranen hem niet meer roeren. +Het is beter voor u, dat ge staat waar ge staat, dan dat ge aangeroepen +wordt en niet kunt helpen.”</p> +<p>Maar den volgenden nacht geschiedde er een wonder. Tegen middernacht +werd er hevig aan de kloosterpoort te Aracoeli geluid. En toen de +poortwachter zich niet genoeg haastte om te openen, werd er op de poort +geklopt. Dat kloppen klonk zoo luid alsof het met klinkend metaal +geschiedde, en het werd door het gansche klooster gehoord. Alle +monniken rezen tegelijk op van hun bedden. Allen die gepijnigd werden +door vreeselijke droomen, vlogen plotseling op en dachten, dat de +Antichrist gekomen was.</p> +<p>Maar toen men de poort opende—toen men de poort opende!</p> +<p>Het was het kleine Christusbeeld, dat op den drempel stond. ’t +Was zijn kleine hand die aan het klokketouw getrokken had, het was zijn +kleine goudgeschoeide voet, die tegen de poort geschopt had.</p> +<p>De poortwachter nam het heilige kind haastig in zijn armen. Toen zag +hij, dat het tranen in de oogen had.</p> +<p>Ach, het arme heilige kind had in den nacht door de stad geloopen! +Wat had het niet moeten zien!</p> +<p>Zoo veel armoede en zoo veel ellende en zoo veel ondeugd en zoo veel +misdaden! Het was verschrikkelijk te denken wat het al niet had moeten +ondervinden!</p> +<p>De poortwachter ging naar den prior en toonde hem het beeld. En zij +waren verbaasd dat het ’s nachts buiten was gekomen.</p> +<p>Maar de prior liet de kerkklok luiden en den monniken tot een +godsdienstoefening bijeenroepen. En al de monniken van Aracoeli trokken +naar de groote schemerachtige basiliek om in alle plechtigheid het +beeld weer op zijn plaats te zetten. <span class="pagenum">[<a id="pb17" href="#pb17" name="pb17">17</a>]</span></p> +<p>Uitgeput en lijdend liepen ze te rillen in hun zware duffel +monnikspijen. Velen van hen weenden alsof ze aan een levensgevaar +ontsnapt waren.</p> +<p>„Hoe zou het ons gegaan zijn,” zeiden ze, „indien +onze eenige troost van ons was genomen? Is het niet de Antichrist, die +Rome’s heilig kind uit het beschermende heiligdom gelokt +heeft?”</p> +<p>Maar toen ze het Christusbeeld in de altaarkast wilden plaatsen, +vonden ze daarin het valsche kind, dat op zijn kroon het inschrift +droeg: „Mijn rijk is slechts van deze wereld.”</p> +<p>En nu ze het beeld nader onderzochten, vonden ze het inschrift.</p> +<p>Toen wendde de prior zich tot de monniken en sprak tot hen:</p> +<p>„Broeders, we zullen een Te-Deum zingen, de zuilen onzer kerk +met zijde omwinden en alle waskaarsen en lampen aansteken en we zullen +een groot feest vieren.</p> +<p>„Zoo lang het klooster bestaan heeft, is het een huis van +vervloeking geweest, maar om den wille van al het lijden dergenen, die +hier geleefd hebben, heeft God genade geschonken. En nu is alle gevaar +geweken.</p> +<p>„God heeft den strijd met zege bekroond en wat gij gezien +hebt, is het teeken, dat de Antichrist niet op het Kapitool zal worden +aangebeden.</p> +<p>„Want opdat de woorden der sibylle niet onvervuld zouden +blijven, heeft God dit valsche beeld van Christus gezonden, dat de +woorden van den Antichrist in zijn kroon voert, en Hij heeft het ons +laten aanbidden en vereeren, alsof hij de groote Zaligmaker ware.</p> +<p>„Maar nu kunnen wij vol vreugde en blijdschap rusten, want de +duistere profetie der sibylle is vervuld, en de Antichrist is hier +aangebeden.</p> +<p>„Groot is God, de Almachtige, die den verterenden angst van +ons nam en Zijn wil geschieden liet, zonder dat de wereld het valsche +beeld van Gods Zoon behoefde te aanschouwen<span class="corr" id="xd20e477" title="Niet in bron">.</span></p> +<p>„Gelukkig is Aracoeli’s klooster, dat in Gods genade +staat, Zijn wil volvoert en gezegend is door Zijn oneindige +genade.” <span class="pagenum">[<a id="pb18" href="#pb18" name="pb18">18</a>]</span></p> +<p>Toen de prior dit gezegd had, nam hij het valsche beeld in zijn +handen, schreed de kerk door en opende de groote hoofddeur. Daar trad +hij op het terras. Beneden hem lag de hooge, breede trap met honderd +negentien marmeren treden, die van het Kapitool als naar een afgrond +leidt. En hij hief het beeld boven zijn hoofd en riep luid: +„Anatema Antichristo” en slingerde het beeld van de hoogte +van ’t Kapitool naar beneden in de wereld. <span class="pagenum">[<a id="pb19" href="#pb19" name="pb19">19</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div2" id="inleiding.3"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 id="xd20e487" class="label">III.</h3> +<h3 class="main">Op de barricade.</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Toen de rijke Engelsche ’s morgens ontwaakte, +miste zij het beeld en wist niet waar zij het moest zoeken. Zij +geloofde dat niemand anders dan Aracoeli’s monniken het +weggenomen konden hebben. En haastig ging ze naar het Kapitool om het +daar te zoeken. Zoo kwam ze bij de groote marmeren trap, die naar +Aracoeli’s basiliek voert. En haar hart klopte onstuimig van +vreugde, want op de onderste trede lag hetgeen zij zocht.</p> +<p>Zij greep het beeld, verborg het onder haar mantel en spoedde zich +huiswaarts. En weer plaatste zij het in haar feestzaal.</p> +<p>Maar toen zij zich nu verdiepte in zijn schoonheid, zag ze, dat er +een deuk in de kroon gekomen was.</p> +<p>Zij nam die in haar hand om te zien zien hoe groot de schade was en +in hetzelfde oogenblik vielen haar oogen op het inschrift dat ze zelf +gegrift had:</p> +<p>„Mijn rijk is slechts van deze wereld.”</p> +<p>Toen wist zij, dat dit het valsche Christusbeeld was en dat het +echte weer in Aracoeli’s kapel stond.</p> +<p>Zij wanhoopte dit ooit weer in haar bezit te krijgen en zij besloot +den volgenden dag uit Rome te vertrekken, want ze wilde daar niet +langer blijven, nu zij het beeld niet meer bezat. Maar toen zij +vertrok, nam zij het valsche beeld mede, omdat het haar herinnerde aan +het andere, dat zij beminde; en het vergezelde haar later op al haar +reizen.</p> +<p>Zij vond nergens rust, maar reisde voortdurend, en op <span class="pagenum">[<a id="pb20" href="#pb20" name="pb20">20</a>]</span>deze +wijze werd het beeld over de gansche wereld gevoerd. En overal waar het +beeld kwam, was het alsof Christus’ macht verminderde, zonder dat +iemand recht begreep wat de oorzaak daarvan was. Want niets zag er +machteloozer uit dan dit armzalige beeld van olmhout, dat versierd was +met koperen ringen en glazen kralen.</p> +<p>Toen de rijke Engelsche, die eerst het beeld bezeten had, dood was, +kwam het in het bezit van een andere rijke Engelsche, die ook +voortdurend reisde, en na deze in handen van een derde.</p> +<hr class="tb"> +<p>Eens, het was nog in den tijd der eerste Engelsche, kwam het beeld +in Parijs.</p> +<p>Toen het de groote stad binnenreed, was daar oproer. Volksmenigten +trokken luid schreeuwend door de straten en riepen om brood. Ze +plunderden de winkels en wierpen steenen naar de paleizen der rijken. +Gewapende macht trok tegen hen op, toen rukten ze de straatsteenen uit, +stapelden wagens en huisraad opeen en versperden de straten met +barricades.</p> +<p>Toen nu de rijke Engelsche de stad binnenreed in haar grooten +reiswagen, stormde het volk daarop los, dwong haar uit te stappen en +sleepte den wagen naar één der barricades.</p> +<p>Terwijl men trachtte deze te stapelen op de duizenden voorwerpen, +die de barricade vormden, viel één der grootste koffers +op den grond. Het slot sprong open en onder het vele dat uit den koffer +rolde, was ook het verworpen Christusbeeld.</p> +<p>’t Volk stortte zich daarop, om het plunderen, maar men +ontdekte spoedig dat al zijn sieraden valsch en geheel waardeloos +waren, en men begon het beeld te bespotten en te hoonen. Het ging van +hand tot hand onder de oproerlingen, totdat één van hen +zich bukte om de kroon te bekijken. Zijn blik viel op de woorden, die +daarin gegrift waren: „Mijn rijk is slechts van deze +wereld.”</p> +<p>De man riep dit luide en allen schreeuwden, dat het kleine beeld hun +veldteeken zou zijn. Ze plaatsten het op den top der barricade en +plantten het daar als een banier. <span class="pagenum">[<a id="pb21" +href="#pb21" name="pb21">21</a>]</span></p> +<p>Onder degenen, die de barricade verdedigden, was een man, die geen +arme arbeider, maar een geleerde was, die zijn gansche leven in de +studeerkamer had doorgebracht. Hij kende al de ellende, waaronder de +menschen gebukt gaan, en zijn hart was vervuld van medelijden; +voortdurend zocht hij naar een middel om hun lot te verbeteren.</p> +<p>Gedurende dertig jaar had hij geschreven en gepeinsd, zonder hulp te +vinden. Toen hij nu de stormklok hoorde luiden, volgde hij deze +roepstem en snelde de straat op. Hij had een wapen gegrepen en was de +oproerlingen gevolgd in de meening, dat het raadsel, hetwelk hij niet +vermocht op te helderen, opgelost kon worden door geweld en macht en +dat de armen zich door strijd een beter lot konden verwerven. Daar +stond hij nu den ganschen dag te strijden, de menschen sneuvelden +rondom hem, bloed spatte hem in het gelaat, en de ellende van het leven +scheen hem grooter en jammerlijker dan ooit.</p> +<p>Maar zoo dikwijls de kruitdamp optrok, schitterde in zijn oogen het +kleine beeld dat gedurende al het krijgstumult onbeweeglijk hoog boven +op de barricade stond. En iederen keer, dat hij het beeld zag, werd hij +getroffen door de woorden: „Mijn rijk is slechts van deze +wereld.”</p> +<p>Ten slotte kwam het hem voor, dat deze woorden zich zelf in de lucht +schreven, en voor zijn oogen begonnen te zweven, nu in vuur, dan in +rook of in bloed.</p> +<p>Hij werd stil, hij stond daar met het geweer in de hand, en staakte +den strijd. Plotseling wist hij, dat dit de woorden waren, waarnaar hij +zijn leven lang gezocht had. Nu wist hij wat hij den menschen moest +zeggen, en dit armzalige beeld was het, dat hem de oplossing gegeven +had.</p> +<p>Hij zou de gansche wereld doortrekken om te verkondigen „Uw +rijk is slechts van deze wereld.” Daarom moet gij trachten dit +leven gelukkig te maken en als broeders leven. En ge zult uw rijkdommen +deelen opdat niemand rijk en niemand arm zij. Ge zult allen arbeiden, +en de aarde zal het eigendom van allen zijn en ge zult allen gelijk +worden. Niemand zal honger lijden, niemand zal in overdaad leven en +niemand zal op zijn ouden dag gebrek lijden. En ge zult streven naar +het geluk van allen, want er is geen hiernamaals, dat u wacht. +<span class="pagenum">[<a id="pb22" href="#pb22" name="pb22">22</a>]</span></p> +<p>Dit alles voer hem door het hoofd, terwijl hij daar op de barricade +stond, en toen de gedachte hem helder was, legde hij de wapens neder en +hief die niet weder op tot strijd en bloedvergieting.</p> +<p>Spoedig daarop werd de barricade opnieuw bestormd en genomen. De +troepen trokken zegevierend voorwaarts en dempten het oproer; en +vóórdat de avond viel, heerschte er vrede en orde in de +groote stad.</p> +<p>Toen zond de Engelsche eenige dienaren uit om haar verloren +eigendommen te zoeken, en ze vonden verschillende zaken, zoo niet +alles. ’t Eerst zagen ze op de bestormde barricade den +verworpeling van Aracoeli.</p> +<p>Maar de man<span class="corr" id="xd20e549" title="Bron: .">,</span> +die gedurende den strijd van het beeld geleerd had, begon der wereld +een nieuwe leer te verkondigen, die socialisme genoemd wordt, maar het +Antichristendom is.</p> +<p>En die leer bemint, verzaakt, leert en strijdt als het Christendom, +zoodat die volkomen op deze gelijkt, evenals het valsche beeld van +Aracoeli volkomen gelijkt op het echte Christusbeeld. En evenals het +valsche beeld zegt zij: „Mijn rijk is slechts van deze +wereld.”</p> +<p>Maar terwijl het beeld, dat deze leer verspreid heeft, onopgemerkt +is en onbekend, is de leer bekend en gaat over de gansche wereld om die +te verlossen en te herscheppen.</p> +<p>Van dag tot dag wint zij veld. Zij gaat door alle landen en draagt +velerlei namen en ze is zoo verleidelijk, omdat ze allen aardsch geluk +en genot belooft, en ze lokt meer aanhangers dan welke leer ook, die +over de wereld is gegaan sedert Christus’ tijd. <span class="pagenum">[<a id="pb23" href="#pb23" name="pb23">23</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div id="pt1" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 id="xd20e560" class="main">Eerste deel.</h2> +<div class="epigraph"> +<div class="lgouter"> +<p class="line">„Daar zal groote nood heerschen.”</p> +</div> +</div> +<p><span class="pagenum">[<a id="pb25" href="#pb25" name="pb25">25</a>]</span></p> +<div class="div2" id="ch1.1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 id="xd20e568" class="label">I.</h3> +<h3 class="main">De Mongibello.</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Omstreeks 1870 woonde er in Palermo een arme knaap, +die Gaetano Alagona heette. Dat was een geluk voor hem! Ware hij niet +een der oude Alagona’s geweest, dan zou men hem misschien hebben +laten verhongeren. Hij was immers slechts een kind, en had geld noch +ouders. Maar nu hadden de jezuïeten van Santa Maria in Gesu hem +uit barmhartigheid in de kloosterschool opgenomen.</p> +<p>Op een dag, terwijl hij in zijn lessen verdiept was, kwam een pater +hem uit de school roepen, omdat een bloedverwante hem wilde +spreken.</p> +<p>Wat, een bloedverwante! Hij had altijd gehoord, dat zijn geheele +familie overleden was. Maar pater Jozef beweerde, dat er familie van +hem, een signora in levenden lijve was, die hem uit het klooster wilde +nemen.</p> +<p>Het werd al erger en erger. Wilde zij hem uit het klooster nemen? +Daar zou ze toch zeker de macht niet toe hebben!</p> +<p>Hij zou immers monnik worden.</p> +<p>Hij wilde de signora in het geheel niet zien. Kon pater Jozef haar +niet zeggen, dat Gaetano het klooster nooit zou verlaten, en dat het +haar niets baatte hem dat te vragen?</p> +<p>Neen, pater Jozef zei, dat het niet ging haar te laten vertrekken, +zonder dat zij hem gezien had, en hij sleepte Gaetano half naar de +ontvangkamer.</p> +<p>Daar stond ze bij een der vensters. Heur haar was grauw, haar +gelaatstint bruin en haar oogen waren zwart en rond als paarlen. Zij +droeg een kanten sluier op het hoofd, en <span class="pagenum">[<a id="pb26" href="#pb26" name="pb26">26</a>]</span>haar zwarte kleederen +waren glad van het dragen, en een weinig vaal, zooals pater Jozefs +alleroudste kaftan.</p> +<p>Ze maakte het teeken des kruises, toen zij Gaetano zag.</p> +<p>„God zij geloofd, hij is een echte Alagona!” riep zij en +kuste hem de hand.</p> +<p>Zij zei, dat het haar leed deed, dat hij twaalf jaar oud was +geworden, zonder dat één zijner familieleden naar hem +gevraagd had. Maar zij had niet geweten, dat er nog iemand van den +anderen tak in leven was. Hoe zij dat nu opeens was te weten gekomen? +Ja, Luca had zijn naam in de courant gelezen. Die had gestaan bij +degenen, die een prijs gekregen hadden. Dat was nu een half jaar +geleden, maar het was een verre reis naar Palermo. Zij had moeten +sparen en sparen om het reisgeld bijeen te krijgen. Ze had niet eerder +kunnen komen. Maar hierheen gaan om hem te zien, dat moest ze. +Santissima Madre, zij was zoo blij geweest!</p> +<p>Zij was het, donna Elisa, die Alagona heette. Haar overleden man was +een Antonelli geweest. Er bestond nog één Alagona, dat +was haar broeder. Hij woonde ook in Diamante. Maar Gaetano wist zeker +niet waar Diamante lag?</p> +<p>De knaap schudde met het hoofd. Neen dat kon ze wel denken, ze +lachte.</p> +<p>„Diamante ligt op den Monte Chiaro. Weet je waar de Monte +Chiaro ligt?”</p> +<p>„Neen.”</p> +<p>Zij trok haar wenkbrauwen op en zag er heel schalks uit. „De +Monte Chiaro ligt op den Etna, indien je weet waar de Etna +ligt?”</p> +<p>Dat klonk zoo aarzelend alsof het al te veel verlangd was, dat +Gaetano iets van den Etna zou weten. En zij lachten alle drie, zij, +zoowel als pater Jozef en Gaetano. Ze werd een heel ander mensch, nadat +zij hen aan het lachen gebracht had.</p> +<p>„Wil je met mij meegaan om Diamante, den Etna en den Monte +Chiaro te zien?” vroeg ze vlug.</p> +<p>„Den Etna moet je zien. Dat is de grootste berg op de geheele +wereld. De Etna is een koning en de bergen rondom hem liggen op hun +knieën en wagen het niet hun blikken te verheffen naar zijn +aangezicht.” Toen begon zij al het mogelijke van den Etna te +vertellen. <span class="pagenum">[<a id="pb27" href="#pb27" name="pb27">27</a>]</span></p> +<p>Ze dacht zeker, dat dit hem zou kunnen lokken.</p> +<p>En ’t was werkelijk waar, dat Gaetano er nooit over nagedacht +had, wat de Etna eigenlijk voor een berg was. Hij had niet geweten, dat +hij sneeuw op zijn kruin had, eikenloof in den baard, en wijnranken om +het middel en dat hij tot over de knieën in oranjebosschen trapte. +En langs den berg stroomden groote, breede zwarte rivieren. Die waren +heel merkwaardig, ze vloeiden zonder te murmelen, zij golfden zonder +wind, de slechtste zwemmer kon er zonder een brug over komen.</p> +<p>Gaetano raadde, dat zij lavastroomen bedoelde. En zij was zoo blij, +dat hij dit had kunnen raden. Hij had dus verstand. Hij was een echte +Alagona.</p> +<p>En dat de Etna zoo groot was! Denk eens aan, dat men drie dagen +noodig heeft om er omheen, en drie dagen om naar den top en weer naar +beneden te rijden.</p> +<p>En dat er behalve Diamante nog vijftig steden en veertien groote +bosschen en twee honderd kleine bergen op den Etna gevonden werden, die +toch ook nog zoo klein niet waren, ofschoon de berg zoo groot was, dat +deze niet meer in het oog vielen dan een zwerm vliegen op een kerkdak. +En dat er grotten waren, die een geheel krijgsheer konden bevatten; en +holle oude boomen, waaronder een groote kudde schapen beschutting kon +vinden bij onweer.</p> +<p>Alles wat merkwaardig was scheen op den Etna gevonden te worden. +Daar waren rivieren, waarvoor men zich in acht moest nemen, ’t +water daarin was zoo koud, dat men zou sterven, indien men daarvan +dronk. Andere stroomen waren er, die alleen overdag vloeiden en weer +andere, die alleen gedurende den winter stroomden, sommige verborgen +zich bijna voortdurend diep onder den grond. En er waren warme bronnen, +leemvulkanen en zwavelgroeven.—En ’t zou jammer voor +Gaetano zijn, indien hij den Etna nooit zag want de berg was zoo +grootsch.</p> +<p>Hij verhief zich ten hemel als een praaltent. Hij was veelkleurig +als een caroussel. Gaetano zou hem ’s morgens en ’s avonds +willen zien, als hij rood was, en hij zou hem ’s nachts willen +zien als hij wit getint was. En dan zou Gaetano zeker ook willen weten +of het waar was, dat hij alle kleuren kon aannemen, of hij blauw, +zwart, bruin en violet <span class="pagenum">[<a id="pb28" href="#pb28" +name="pb28">28</a>]</span>kon worden? En of hij een schoonheidssluier +droeg als een signora? Of hij gelijk een tafel was, bedekt met pluche +kleeden? Of hij een tunica van gouddraad en een mantel van pauweveeren +droeg? Hij zou zeker ook gaarne willen weten of het waar was, dat de +oude koning Arthur daar in een grot zat? Donna Elisa zei, dat het zeer +zeker was, dat hij nog op den Etna woonde, want eens, toen de bisschop +van Catania over den berg reed, sprongen drie zijner muilezels weg, en +de jongen die ze zocht vond ze in de grot bij koning Arthur. De koning +verzocht den knaap, den bisschop te willen zeggen, dat zoodra zijn +wonden geheeld waren, hij met zijn ridders van de ronde tafel zou +komen, om het onrecht dat op Sicilië was tot recht te maken.</p> +<p>En degene die oogen bezat om te zien, die wist wel, dat koning +Arthur nog niet uit zijn grot was gekomen.</p> +<p>Gaetano wilde zich niet door haar laten lokken, maar hij dacht, dat +hij toch wel een weinig vriendelijk tegen haar kon zijn. Zij stond nog, +maar nu zette hij een stoel voor haar neer. Zij moest echter niet +denken, dat dit was, omdat hij met haar mee wilde gaan. Hij vond het +werkelijk heerlijk haar van heur berg te hooren vertellen. ’t Was +zoo grappig, dat die zooveel kunsten kende. Hij geleek in het geheel +niet op den Monte Pellegrino bij Palermo die slechts stond waar hij +stond.</p> +<p>De Etna kon rooken als een schoorsteen, en licht verspreiden als een +gaslantaarn. Hij kon rollen en rommelen, lava spuwen, met steenen +werpen, asch zaaien, weer voorspellen en regen verzamelen.</p> +<p>Wanneer de Mongibello zich slechts verroerde, viel stad na stad +omver alsof de huizen kaarten waren, die op den rand opgesteld +waren.</p> +<p>Mongibello, dat was ook een naam van den Etna. Hij werd Mongibello +genoemd, omdat dit beteekende: berg der bergen. Hij verdiende nog eens, +zoo te heeten.</p> +<p>Gaetano zag, dat donna Elisa bepaald geloofde, dat hij haar niet zou +<span class="corr" id="xd20e644" title="Bron: kunen">kunnen</span> +weerstaan. Zij had zooveel rimpels in haar gezicht, en toen zij lachte, +liepen die gelijk een net in elkaar.</p> +<p>Hij moest daarnaar kijken. Het zag er zoo merkwaardig uit, maar nog +was hij niet in dat net gevangen. <span class="pagenum">[<a id="pb29" +href="#pb29" name="pb29">29</a>]</span></p> +<p>Ze was verlangend te weten of Gaetano werkelijk den moed zou hebben +om op den Etna te komen. Want diep in den berg lagen veel geboeide +reuzen en er was een zwart slot, dat bewaakt werd door een hond met +vele koppen. Er werd ook een groote smidse in gevonden en een kreupelen +smid met slechts één oog, dat hem midden in het voorhoofd +zat.</p> +<p>En ’t ergst van alles was, dat diep in den berg een zwavelzee +was die kookte als een olieketel, en daarin lag Lucifer en alle +verdoemden.</p> +<p>Neen, hij zou wel geen moed hebben daar te komen, zei ze. Anders +bestond er geen gevaar om er te wonen, omdat de berg God vreesde. Donna +Elisa zei, dat de Mongibello vele heiligen bezat, maar bovenal Santa +Agatha van Catania.</p> +<p>En indien de Cataniënsers altijd tegen hem waren, zooals ze +moesten, dan kon geen aardbeving of lavastroom hen deren.</p> +<p>Gaetano stond heel dicht bij haar en lachte om alles wat zij zeide. +Hoe was hij daar gekomen en waarom kon hij niet nalaten te lachen? Het +was een merkwaardige signora!</p> +<p>Plotseling zei hij om haar niet te bedriegen:</p> +<p>„Donna Elisa, ik wil monnik worden.”—„Zoo, +werkelijk?” zei ze. Toen vervolgde zij, zonder verder acht te +slaan op zijn gezegde, haar verhaal van den berg. Zij zei, dat hij nu +goed moest luisteren, nu kwam ze aan het allergewichtigste. Hij moest +haar volgen naar de Zuidzijde van den berg, zoo ver naar beneden, dat +ze dicht bij de groote vlakte van Catania waren en daar zou hij een dal +zien, een heel groot, breed en cirkelvormig dal. Maar het was volkomen +zwart, lavastroomen vloeiden van alle kanten daarin. En er waren +slechts steenen, geen enkele grashalm!</p> +<p>Wat had Gaetano nu wel van de lava gedacht? Donna Elisa vermoedde, +dat hij meende, dat de lava zoo vlak en glad langs den Etna stroomde, +als die op straat ligt. Maar in den Etna was zooveel tooverij. Kon hij +begrijpen, dat alle slangen en draken en heksen, die in de kokende lava +lagen, er mee uitstroomden, wanneer er een uitbarsting was? Daar lagen +ze en krioelden en slingerden om elkaar heen en trachtten op den kouden +grond te komen maar hielden elkaar terug in de ellende, totdat de lava +rondom hen stolde. En los konden ze niet meer komen! <span class="pagenum">[<a id="pb30" href="#pb30" name="pb30">30</a>]</span></p> +<p>Neen, nooit!</p> +<p>De lava was ook niet zoo onvruchtbaar, als hij dacht.</p> +<p>Ofschoon geen gras daarop groeide, was daar nog wel iets anders op +te vinden. Maar hij zou nooit kunnen raden, wat het was. Dat strompelde +en stortte, dat viel en kroop, dat liep op de knieën en op het +hoofd en op de ellebogen. Het was binnen en buiten het dal, het had +slechts stekels en knobbels, en het had een mantel van spinnewebben, en +poeder op zijn pruik en leden zoo vele als een worm.</p> +<p>Kon dat iets anders zijn dan de cactus?</p> +<p>Wist hij dat de cactus op de lava groeide en den grond bewerkte +gelijk een boer? Wist hij, dat alleen de fichidenda de lava kon +beteugelen?</p> +<p>Nu keek zij naar pater Jozef en trok een vroolijk gezicht. De cactus +was de beste toovenaar, die op den Etna woonde; maar toovenaar blijft +toovenaar.</p> +<p>De cactus was een Saraceen, want hij hield het met slavinnen.</p> +<p>Het was werkelijk waar, want zoodra de cactus ergens wortel +geschoten had, wilde hij den amandelboom bij zich hebben.</p> +<p>De amandelboom is een schoone, stralende signorina. Ze waagt zich +nauwelijks op den zwarten bodem, maar dat helpt haar niet. Er op zal en +moet ze!</p> +<p>O, Gaetano zou het zien als hij daar kwam.</p> +<p>Als in de lente de amandelboomen wit van bloemen staan op het zwarte +veld te midden van de grauwe cactussen, zijn ze zoo onschuldig en +schoon, dat men over hen kon weenen als over geroofde prinsessen.</p> +<p>Nu zou hij eindelijk hooren, waar de Monte Chiaro lag. Die schoot op +uit den bodem van dat zwarte dal. Ze beproefde haar parapluie op den +grond te laten staan. Zóó stond de Monte Chiaro, hij +stond rechtop. En nooit had hij aan zitten of liggen gedacht.</p> +<p>En even zwart als het dal, even groen was de Monte Chiaro. Daar +stond palm naast palm, wijnstok naast wijnstok. Het was een heer in een +groot-bloemigen slaaprok. Het was een koning met een kroon op het +hoofd. Het droeg geheel Diamante in het haar geslingerd.</p> +<p>Na een tijdje voelde Gaetano zoo’n grooten lust om Donna +<span class="pagenum">[<a id="pb31" href="#pb31" name="pb31">31</a>]</span>Elisa’s hand te grijpen. Zou dat kunnen? Ja, +het ging. Hij trok haar hand naar zich toe als een geroofden schat. +Maar wat zou hij daarmee doen? Streelen? Indien hij het heel zachtjes +probeerde met één vinger, misschien zou zij het dan niet +merken? Misschien zou ze het niets eens merken, als hij haar hand +kuste?</p> +<p>Ze sprak en sprak maar steeds door. Neen, ze merkte het in het +geheel niet.</p> +<p>Er was nog zooveel, dat ze wilde vertellen.</p> +<p>En zoo iets grappigs als haar geschiedenis van Diamante!</p> +<p>Ze zei, dat de stad in het dal gelegen had. Toen kwam de lava en +gloeide vuurrood over den rand van het dal. Hoe, was de dag des +oordeels aangebroken? De stad nam in allerijl haar huizen op den nek, +op het hoofd en onder den arm, en sprong tegen den Monte Chiaro op, die +juist bij de hand lag.</p> +<p>Op tegen den berg in zag-zaglijn sprong de stad. Toen ze hoog genoeg +gekomen was, wierp ze een stadspoort en een heel kleinen stadsmuur naar +beneden. Sedert sprong ze in een spiraal rond en wierp met huizen. De +hutten der arme menschen mochten juist neerrollen, waar ze wilden of +konden. Daarvoor had men geen tijd. Men kon niets beters verlangen dan +gedrang en nauwe en bochtige straten. Neen, dat kon men werkelijk niet. +Groote straten liepen spiraalvormig rondom den berg, juist zooals de +stad gesprongen was, en hier had ze een kerk heengeworpen en daar een +paleis. Maar zooveel regelmaat was er toch geweest dat het beste het +hoogst kwam te liggen.</p> +<p>Toen de stad den bergtop bereikte, had ze een marktplein aangelegd, +en daarop het raadhuis, de domkerk en het oude palazzo Geraci +gezet.</p> +<p>Maar indien hij, Gaetano Alagona, haar naar Diamante wilde volgen, +dan zou ze hem meenemen naar het marktplein op den bergtop en hem +wijzen waar de grondbezittingen der oude Alagona’s op den Etna en +op de vlakte van Catania gelegen hadden en welke hun burchten op de +bergen rondom geweest waren.</p> +<p>Want daarboven op den berg kon men dat alles zien en nog veel meer. +De gansche zee zag men daar. <span class="pagenum">[<a id="pb32" href="#pb32" name="pb32">32</a>]</span></p> +<p>Gaetano had er niet aan gedacht, dat ze lang gesproken had, maar +pater Jozef werd zeer ongeduldig.</p> +<p>„Nu zijn we immers aan uw eigen huis gekomen, donna +Elisa,” zei hij heel vriendelijk.</p> +<p>Maar zij verzekerde pater Jozef, dat er bij haar niets bizonders was +te zien. Wat ze Gaetano ’t allereerst wilde wijzen, was het +groote huis aan de corso, dat het zomerpaleis genoemd werd.</p> +<p>Dat was niet zoo schoon als het palazzo Geraci, maar het was groot +en toen de oude Alagona’s in hun bloeitijd waren, woonden ze des +zomers daarin, om dichter bij de sneeuw van den Etna te zijn.</p> +<p>Ja, zooals zij gezegd had, van buiten was er niets bizonders aan te +zien, maar het had een heerlijk park en open booggangen langs beide +zijvleugels. En op het dak was een terras, dat was bevloerd met witte +en blauwe tegelsteenen, en in iederen steen was het wapen der +Alagona’s gebrand.</p> +<p>Dat zou hij toch zeker willen zien?</p> +<p>Het viel Gaetano in, dat donna Elisa zeker wel gewoon was, dat +kinderen op haar schoot zaten, als zij thuis was. Misschien zou zij het +niet merken, wanneer hij op haar schoot klauterde? En hij beproefde +het. Ja, het was zoo. Zij was het gewoon. Zij merkte er in ’t +geheel niets van. Zij vertelde maar door van het paleis. Daarin was een +groote praalwoning, waar de oude Alagona’s gedanst en gespeeld +hadden. Er was een groote zaal met een muziekgalerij, daar waren oude +meubels en uurwerken, in kleine witte albasten tempels, die op een +voetstuk van zwart ebbenhout stonden. In de praalwoning woonde niemand, +maar zij zou er met hem heengaan.</p> +<p>Misschien had hij gedacht, dat zij in het zomerpaleis woonde?</p> +<p>O, neen, daar woonde haar broer, don Ferrante. Hij was koopman en +had zijn winkel beneden en daar hij nog geen signora bezat, bleef alles +boven staan, zooals het stond.</p> +<p>Gaetano vroeg zich af of hij nog op haar schoot kon blijven zitten. +’t Was wonderlijk, dat zij niets merkte. En het was een geluk, +anders zou ze geloofd hebben, dat hij het plan om monnik te worden uit +zijn hoofd had gezet.</p> +<p>Maar ze was juist nu meer dan ooit met zich zelf bezig. <span class="pagenum">[<a id="pb33" href="#pb33" name="pb33">33</a>]</span></p> +<p>Een zacht rood kleurde haar bruine wangen en ze trok een paar malen +haar wenkbrauwen allergrappigst in de hoogte. Toen begon zij te +vertellen, hoe zij het zelf had.</p> +<p>Het scheen wel, alsof donna Elisa in het allerkleinste huis van de +stad woonde. Het lag juist tegenover het zomerpaleis, maar dat was ook +de eenige verdienste ervan. Zij had een kleinen winkel, waar zij +medaillons en waskaarsen en alles verkocht, wat bij den godsdienst +behoorde. Maar met allen eerbied voor pater Jozef, zulk een handel gaf +niet veel winst in deze tijden, hoe het dan ook vroeger geweest mocht +zijn. Achter den winkel was een kleine werkplaats.</p> +<p>Daar had haar man gestaan om heiligenbeelden en rozenkransen te +snijden, want hij was artist, signor Antonelli.</p> +<p>En naast de werkplaats waren een paar kleine muizegaten, men kon er +zich niet in wenden, men moest er op de hurken in zitten, zooals in de +gevangenissen der oude koningen en een trap op, dan waren er een paar +kleine kippenhokken. In een daarvan had ze wat stroo voor een nestje +gelegd en een paar stokken geplaatst. Daar zou Gaetano slapen als hij +bij haar wilde komen.</p> +<p>Gaetano dacht, dat hij gaarne haar wang wilde streelen.</p> +<p>Zij zou zoo bedroefd zijn, als hij niet met haar meeging. Zou hij +het wagen haar te streelen?</p> +<p>Hij keek tersluiks naar pater Jozef.</p> +<p>Deze zat stil naar den grond te staren, en zuchtte, gelijk hij +gewoonlijk deed.</p> +<p>Hij dacht niet aan Gaetano, en zij, zij merkte het in het geheel +niet.</p> +<p>Zij vertelde dat zij een dienstmeisje had, dat Pacifica, en een +knecht, die Luca heette.</p> +<p>Maar ze had van beiden weinig hulp, want Pacifica was oud en sedert +zij doof was geworden, was zij zoo prikkelbaar, dat zij haar niet in +den winkel kon laten helpen.</p> +<p>En Luca, die eigenlijk beeldsnijder was en heiligenbeelden maken +moest, had nooit tijd om in de werkplaats te zijn, maar hij was altijd +in den tuin te vinden, waar hij de bloemen verzorgde.</p> +<p>Ja, ze hadden ook een tuin op den rotsgrond van den Monte Chiaro. +Maar Gaetano moest niet denken dat daarin <span class="pagenum">[<a id="pb34" href="#pb34" name="pb34">34</a>]</span>iets bizonders groeide. +Bij haar was niets zooals in het klooster, dat kon hij toch wel +begrijpen.</p> +<p>Maar zij wilde hem zoo gaarne meenemen, omdat hij een der oude +Alagona’s was. En thuis hadden zij, Luca en Pacifica tegen elkaar +gezegd:</p> +<p>„Wij vragen niet of wij meer zorg krijgen; als wij hem maar +hier hebben.”</p> +<p>Neen, dat wist de Madonna, dat ze dat niet deden.</p> +<p>Het was nu slechts de vraag, of hij wat wilde ontberen, om bij hen +te zijn.</p> +<p>En nu had zij haar verhaal geëindigd en pater Jozef vroeg wat +Gaetano dacht te antwoorden. Het was de wil van den prior, zei pater +Jozef, dat Gaetano zelf zou beslissen.</p> +<p>En men had er niets tegen, dat hij in de wereld ging, omdat hij de +laatste van zijn geslacht was.</p> +<p>Gaetano gleed zacht van donna Elisa’s schoot.</p> +<p>Maar antwoorden! Het was niet zoo gemakkelijk te antwoorden.</p> +<p>Het was heel moeilijk neen te zeggen tegen deze signora.</p> +<p>Pater Jozef kwam hem te hulp.</p> +<p>„Vraag de signora, of je over een paar uur antwoorden moogt, +Gaetano.”</p> +<p>„De knaap heeft nooit anders gedacht dan monnik te +worden,” zei hij verklarend tot donna Elisa.</p> +<p>Zij stond op, nam haar parapluie en beproefde er vroolijk uit te +zien, maar ze had tranen in de oogen.</p> +<p>„Zeker, zeker moest hij zich bedenken,” zei zij.</p> +<p>„Maar indien hij Diamante kende, dan zou hij dat niet noodig +hebben. Nu woonden daar slechts boeren, maar eens leefden daar een +bisschop en vele priesters en een groote menigte monniken.</p> +<p>„Wel waren dezen nu weg, maar daarom niet vergeten. Want +sedert dien tijd was Diamante een heilige stad. Daar werden meer +feestdagen gevierd dan ergens anders; en er waren zeer vele heiligen en +nog heden ten dage kwamen daar een menigte pelgrims. En hij, die in +Diamante woonde, hij kon God nooit vergeten. Hij was bijna zelf een +priester. Dus wat dat betreft, kon hij gerust daar heengaan.</p> +<p>„Maar Gaetano moest zich bedenken, indien hij dat wilde. Zij +zou morgen terugkomen.” <span class="pagenum">[<a id="pb35" href="#pb35" name="pb35">35</a>]</span></p> +<p>Gaetano gedroeg zich al heel slecht. Hij wendde zich van haar af en +ijlde naar de deur. Hij zei geen woord, dat hij dankbaar was voor haar +bezoek. Hij wist dat pater Jozef dit van hem verwacht had, maar hij kon +niet.</p> +<p>Hij dacht aan den grooten Mongibello, dien hij nooit te zien zou +krijgen en aan donna Elisa, die nooit weer terug zou komen, en aan de +school en aan den door hooge muren omgeven kloostertuin en aan een +geheel leven als van een gevangene. Neen, pater Jozef mocht van hem +verwachten, wat hij wilde, Gaetano moest vluchten.</p> +<p>En het was hoog tijd. Toen Gaetano tien stappen van de deur was, +brak hij in tranen uit. ’t Was zoo hard voor donna Elisa. O! dat +zij nu genoodzaakt was alleen naar huis te gaan! Dat Gaetano niet met +haar kon vertrekken!</p> +<p>Hij hoorde, dat pater Jozef er aankwam en hij drukte zijn gelaat +tegen den muur. Kon hij dat snikken slechts laten! Pater Jozef zuchtte +en prevelde gebeden, zooals hij gewoonlijk deed. Toen hij bij Gaetano +kwam, bleef hij staan en zuchtte dieper dan ooit.</p> +<p>„Dat is de Mongibello, de Mongibello,” zei pater Jozef, +„niemand kan den Mongibello weerstaan.”</p> +<p>Gaetano antwoordde hem door nog heftiger te schreien.</p> +<p>„’t Is de berg, die hem lokt,” mompelde pater +Jozef<span class="corr" id="xd20e821" title="Niet in bron">.</span> +„De Mongibello is gelijk aan de gansche aarde, daarop worden alle +planten en luchtstreken, alle schoonheid, alle betoovering, alle +wonderen der geheele wereld gevonden. De gansche aarde komt opeens om +hem te lokken.”</p> +<p>Gaetano voelde, dat pater Jozef de waarheid sprak. ’t Was +alsof de aarde krachtige armen uitstrekte om hem te vangen. Hij voelde, +dat hij zich aan den muur moest vastklemmen om niet weggerukt te +worden.</p> +<p>„’t Is beter, dat hij de wereld te zien krijgt,” +zei pater Jozef. „Hij zou slechts naar haar verlangen, indien hij +in het klooster bleef. Als hij de aarde te zien krijgt, zal hij +misschien eens terugverlangen naar den hemel.”</p> +<p>Gaetano begreep nog niet wat de pater meende, toen hij zich voelde +optillen door pater Jozefs armen en terugdragen naar de ontvangkamer, +waar hij op donna Elisa’s schoot werd gezet.</p> +<p>„Gij moet hem nemen, donna Elisa, want gij hebt hem +<span class="pagenum">[<a id="pb36" href="#pb36" name="pb36">36</a>]</span>gewonnen,” zei pater Jozef. „Gij moet +hem den Mongibello laten zien en trachten of gij hem behouden +kunt.”</p> +<p>Maar toen Gaetano opnieuw op donna Elisa’s schoot zat, voelde +hij zich zoo gelukkig, dat het hem onmogelijk was nog eens van haar te +vluchten. Hij was zoo gevangen, alsof hij in den Mongibello zat en de +bergwanden zich achter hem gesloten hadden. <span class="pagenum">[<a id="pb37" href="#pb37" name="pb37">37</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div2" id="ch1.2"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 id="xd20e838" class="label">II.</h3> +<h3 class="main">Fra Gaetano.</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Een maand had Gaetano bij donna Elisa gewoond en hij +was zoo gelukkig geweest als een kind slechts zijn kan. Alleen te +reizen met donna Elisa, was geweest als te rijden in een wagen, +bespannen met gazellen en paradijsvogels, maar bij haar te wonen was +gedragen te worden op een gouden stoel met zilveren zonneschermen.</p> +<p>Toen kwam de beroemde Franciscaner, pater Gondo, in Diamante en +donna Elisa en Gaetano gingen naar de markt om hem te hooren. Want +pater Gondo preekte nooit in de kerk, maar verzamelde altijd de +menschen om zich heen op een marktplein of bij een stadspoort.</p> +<p>De geheele markt was zwart van menschen, maar Gaetano, die op de +leuning van de raadhuistrap zat, kon pater Gondo, die op den rand van +de bron stond, duidelijk onderscheiden. Hij dacht er telkens aan of het +waar kon zijn, dat de monnik onder zijn pij een haren boetekleed droeg +en of het koord, dat hij om het middel had, vol knoopen en ijzeren +stekels was om hem tot geesel te kunnen dienen.</p> +<p>Wat pater Gondo sprak, kon Gaetano niet verstaan, maar de eene +rilling na de andere ging hem door de leden bij de gedachte, dat hij nu +een heilige zag.</p> +<p>Toen de pater ongeveer een uur gesproken had, maakte hij met de hand +een teeken, dat hij een oogenblik wilde rusten. En hij daalde neer van +den bronrand, ging zitten en steunde zijn gelaat met beide handen. +Terwijl de monnik zoo zat, hoorde Gaetano een dof geruisch. Dat had hij +vroeger <span class="pagenum">[<a id="pb38" href="#pb38" name="pb38">38</a>]</span>nooit gehoord. Hij keek om zich heen om te zien +wat het was. En het was het geheele volk, dat tegelijk sprak.</p> +<p>„Gezegend! gezegend! gezegend!” zeiden allen als uit +één mond. De meesten fluisterden slechts, of prevelden, +niemand sprak luid, daarvoor was de eerbied te groot.</p> +<p>En allen hadden tegelijk hetzelfde woord gevonden.</p> +<p>„Gezegend! gezegend!” klonk het over de geheele markt. +„Gezegend zijn uwe lippen! Gezegend uwe tong! Gezegend uw +hart!”</p> +<p>De stemmen klonken dof, als verstikt door tranen en ontroering, maar +toch was het alsof een storm door de lucht voer.</p> +<p>Het was gelijk het ruischen van duizenden zeeschelpen. Dit greep +Gaetano veel meer aan dan de preek van den monnik.</p> +<p>Hij wist niet wat hij wilde doen, want dit zachte prevelen vervulde +hem met aandoening, tot het hem werd, alsof hij stikken zou.</p> +<p>Hij klemde zich aan de leuning vast, verhief zich boven alle anderen +en begon hetzelfde als zij te roepen, maar veel luider, zoodat zijn +stem boven alle andere uitklonk.</p> +<p>Donna Elisa hoorde dit en het scheen haar te mishagen. Zij trok +Gaetano naar beneden en wilde niet langer blijven, maar ging met hem +naar huis.</p> +<p>Maar midden in den nacht stond Gaetano op van zijn bed.</p> +<p>Hij trok zijn kleeren aan, bond alles wat hij bezat in een +bundeltje, zette zijn hoed op het hoofd en nam zijn schoenen onder den +arm. Hij wilde wegloopen.</p> +<p>Hij kon het niet uithouden bij donna Elisa. Sedert hij pater Gondo +gehoord had, waren Diamante en de Mongibello niets meer voor hem. Alles +beteekende niets dan te zijn zooals pater Gondo en gezegend te worden +door de menschen.</p> +<p>Gaetano zou niet kunnen leven indien hij nooit bij de bron zou +zitten om legenden te vertellen.</p> +<p>Maar als Gaetano niets anders deed dan wandelen in donna +Elisa’s tuin en perziken en mandarijnen eten, zou hij nooit de +machtige menschenzee om zich hooren bruisen. Hij moest de wereld ingaan +en heremiet op den Etna worden, <span class="pagenum">[<a id="pb39" +href="#pb39" name="pb39">39</a>]</span>hij moest in een der groote +grotten wonen en leven van wortelen en vruchten. Hij zou nooit een +mensch zien of spreken, nooit zou hij zijn haar knippen en hij zou +gekleed gaan in vuile lompen.</p> +<p>Maar na tien of twintig jaar zou hij terugkomen in de wereld, dan +zou hij er uitzien als een dier en spreken als een engel.</p> +<p>Dat zou heel iets anders zijn dan te wandelen in een fluweelen buis +met een zijden hoed, zooals hij nu deed. Dat zou heel iets anders zijn +dan in den winkel bij donna Elisa te zitten en heilige na heilige van +de planken te halen en haar te hooren vertellen wat zij gedaan +hadden.</p> +<p>Verscheidene malen had hij een mes genomen en een stuk hout en +beproefd een heiligenbeeld te snijden. Dat was heel moeielijk, maar het +zou nog veel moeielijker zijn zich zelf tot een heilige te maken, veel +moeielijker! Maar hij was niet bang voor moeilijkheden en +beproevingen.</p> +<p>Hij sloop uit zijn kamertje over den zolder naar de zoldertrap. Toen +moest hij nog slechts door den winkel gaan om op straat te komen, maar +op de laatste trede der trap bleef hij staan. Er drong een zwakke +lichtschijn door een spleet van de deur, links van de trap.</p> +<p>Dat was de deur van donna <span class="corr" id="xd20e894" title="Bron: Ellsa’s">Elisa’s</span> kamer en Gaetano waagde het +niet verder te gaan, nu er in zijn pleegmoeders kamer nog licht +brandde. Als zij niet sliep, zou zij hem hooren, wanneer hij de zware +grendels van de winkeldeur wegschoof. Hij ging stil zitten op een trede +der trap om te wachten.</p> +<p>Plotseling viel het hem in, dat donna Elisa zoo laat in den nacht +moest zitten werken om hem eten en kleeren te verschaffen. Hij was diep +getroffen, dat ze hem zoo liefhad, dat zij dit voor hem wilde doen.</p> +<p>En hij begreep hoe bedroefd zij zou zijn, als hij wegliep. Toen hij +daaraan dacht, schreide hij. Maar tegelijk begon hij in gedachte donna +Elisa te berispen. Hoe kon zij toch zoo dom zijn te treuren omdat hij +wegliep? Het zou zulk een groote vreugde voor haar zijn, wanneer hij +een heilige werd. Dat zou haar loon zijn, omdat zij naar Palermo was +gekomen om hem te halen.</p> +<p>Zelf schreide hij al heftiger, terwijl hij op deze wijze +<span class="pagenum">[<a id="pb40" href="#pb40" name="pb40">40</a>]</span>donna Elisa trachtte te troosten. ’t Was zoo +jammer voor haar, dat zij niet begreep, welk loon haar wachtte.</p> +<p>Zij behoefde in het geheel niet zoo bedroefd te zijn. Slechts tien +jaar zou Gaetano op den berg leven, dan zou hij terugkomen als de +beroemde heremiet fra Gaetano.</p> +<p>Dan zou hij door de straten van Diamante loopen, gevolgd door een +groote menigte menschen, evenals pater Gondo nu. En boven de straten +zouden vlaggen wapperen en de huizen zouden versierd zijn met kleurige +doeken, dekens en kransen.</p> +<p>Dan zou hij stilstaan voor den winkel van donna Elisa en zij zou hem +niet herkennen, maar op het punt staan voor hem te knielen. Dat zou +echter niet gebeuren, maar hij zou op de knieën vallen voor donna +Elisa, en haar smeeken hem te vergeven, omdat hij tien jaar geleden van +haar weggeloopen was.</p> +<p>„Gaetano,” zou donna Elisa dan antwoorden, „gij +geeft mij een zee van vreugde voor een beekje van verdriet. Zou ik u +dan niet vergeven?”</p> +<p>Gaetano zag dit alles voor zich en het was zoo schoon, dat hij al +heftiger begon te schreien. Hij was slechts bang, dat donna Elisa zou +hooren hoe hij snikte, en dat ze uit haar kamer komen en hem vinden +zou.</p> +<p>En dan zou ze hem niet laten gaan.</p> +<p>Hij moest haar tot rede brengen. Zou hij haar ooit tot grooter +vreugde kunnen worden, dan indien hij nu van haar ging? En ’t was +niet alleen donna Elisa, maar Luca en Pacifica, die zoo gelukkig zouden +zijn, wanneer hij terugkwam als een heilig man.</p> +<p>Zij zouden hem allen volgen naar de markt. Daar zouden nog meer +vlaggen zijn dan op straat en Gaetano zou op de trap van het raadhuis +spreken. Maar uit alle straten en steegjes zouden de menschen +toestroomen.</p> +<p>Dan zou Gaetano zóó spreken, dat allen op de +knieën zouden vallen en roepen: „Zegen ons! fra Gaetano, +zegen ons!”</p> +<p>En hij zou Diamante niet meer verlaten, maar onder de groote trap +voor donna Elisa’s winkel blijven wonen. En ze zouden tot hem +komen met alle zieken; en de bedroefden van harte zouden een bedevaart +naar hem doen. <span class="pagenum">[<a id="pb41" href="#pb41" name="pb41">41</a>]</span></p> +<p>Als de Sindaco van Diamante voorbijging, zou hij Gaetano de hand +kussen.</p> +<p>Donna Elisa zou het beeld van fra Gaetano in haar winkel +verkoopen.</p> +<p>En Giannita, donna Elisa’s peetdochter, zou voor Gaetano +buigen en hem nooit meer een dommen kleinen monnik noemen. En donna +Elisa zou zoo gelukkig zijn.</p> +<hr class="tb"> +<p>O!.... Gaetano sprong op en ontwaakte. ’t Was klaarlichte dag +en donna Elisa en Pacifica stonden naar hem te kijken. En Gaetano zat +op de trap met zijn schoenen onder den arm, den hoed op het hoofd en +zijn bundeltje aan de voeten.</p> +<p>Donna Elisa en Pacifica schreiden. „Hij wilde wegloopen van +ons,” zeiden ze.</p> +<p>„Waarom zit je daar, Gaetano?”</p> +<p>„Donna Elisa, ik wilde wegloopen.”</p> +<p>Gaetano was vroolijk te moede en antwoordde zoo onbeschroomd, alsof +het de natuurlijkste zaak ter wereld was.</p> +<p>„Wilde jij wegloopen?” riep donna Elisa.</p> +<p>„Ja, ik wilde naar den Etna gaan om heremiet te +worden.”</p> +<p>„En waarom zit je dan hier?”</p> +<p>„Dat weet ik niet, donna Elisa, ik moet geslapen +hebben.”</p> +<p>Donna Elisa toonde nu hoe bedroefd zij was.</p> +<p>Ze drukte de handen tegen heur hart alsof zij vreeselijke smarten +leed en schreide bitter.</p> +<p>„Maar nu zal ik bij u blijven, donna Elisa,” zei +Gaetano.</p> +<p>„Gij blijven!” riep donna Elisa uit. „Ge moogt +gerust gaan. Zie hem aan, Pacifica, zoo ziet een ondankbare er uit! Hij +is geen Alagona. Hij is een avonturier.”</p> +<p>’t Bloed steeg Gaetano naar het gelaat, hij stond op en maakte +een gebaar met de hand, dat donna Elisa verbaasd deed staan. +<span class="corr" id="xd20e964" title="Bron: Zeo">Zoo</span> hadden al +de mannen van haar geslacht zich gedragen. Haar vader en haar +grootvader, zij herkende daaraan al de trotsche heeren van +Alagona’s stam.</p> +<p>„Ge spreekt zoo, omdat ge niets weet, donna Elisa,” zei +<span class="pagenum">[<a id="pb42" href="#pb42" name="pb42">42</a>]</span>de knaap. „Neen, neen, ge weet niets, ge +weet niet waarom ik God moet dienen. Maar nu zult gij het weten. Ziet +ge, het is lange jaren geleden. Vader en moeder waren zoo arm en we +hadden niets te eten en toen ging vader weg om werk te zoeken en hij +kwam nooit terug. Moeder en wij kinderen waren op het punt te +verhongeren. Toen zei moeder: „Wij zullen vader gaan +zoeken!” En wij gingen. Het werd avond, het regende hevig en op +enkele plaatsen stroomde er een heele rivier over den weg.</p> +<p>„Moeder vroeg in een huis of wij daar mochten overnachten. +Neen, ze joegen ons weg. Moeder en wij stonden op den weg te schreien. +Toen bond moeder haar kleeren op en waagde zich in den stroom die over +den weg bruiste. Zij had klein zusje op den arm en groote zus bij de +hand, en een zwaar pak op het hoofd. Ik volgde haar zoo vlug ik slechts +kon. Ik zag hoe moeder struikelde. De bundel dien zij op het hoofd +droeg, viel in den stroom, moeder greep er naar en verloor klein zusje. +Zij greep naar klein zusje en toen werd groote zus door den stroom +meegesleurd. Moeder trachtte haar beiden te grijpen, maar ook zij werd +door het water meegesleept. Ik werd bang en sprong aan land. Pater +Jozef heeft mij gezegd, dat ik gespaard bleef, opdat ik God voor de +dooden zou kunnen dienen en bidden. En dat was de reden, dat ik eerst +monnik zou worden, en dat ik nu naar den Etna wilde gaan om heremiet te +worden.</p> +<p>„Want, donna Elisa, ik moet God dienen.”</p> +<p>Donna Elisa gaf zich nu gewonnen.</p> +<p>„Ja, ja, Gaetano,” zei zij, „maar het doet mij +zoo’n verdriet. Ik kan niet verdragen dat je van mij +weggaat.”</p> +<p>„Neen, maar ik ga ook niet weg,” zei Gaetano. Hij was +zoo vroolijk, dat hij lust gevoelde te lachen.</p> +<p>„Ik zal niet weggaan.”</p> +<p>„Zal ik met den pastoor spreken, dat je op een seminarium kunt +komen?” vroeg donna Elisa ootmoedig.</p> +<p>„Neen maar, dat ge niets begrijpt, donna Elisa, dat ge niets +begrijpt! Ik zeg u immers, dat ik niet van u wil gaan. Ik heb iets +anders gedacht.”</p> +<p>„Wat hebt ge bedacht?” vroeg zij treurig.</p> +<p>„Wat gelooft ge dat ik gedaan heb, terwijl ik daar op de trap +zat, donna Elisa? Ik droomde. Ik droomde, dat ik <span class="pagenum">[<a id="pb43" href="#pb43" name="pb43">43</a>]</span>weg +wilde loopen. Ja, donna Elisa, ik stond in den winkel en wilde de deur +openen, maar kon niet omdat er zooveel grendels voor waren. Ik stond in +de duisternis en schoof grendel na grendel weg, maar steeds waren er +weer nieuwe. Ik maakte een vervaarlijk leven en dacht: Nu hoort donna +Elisa me stellig.</p> +<p>„Eindelijk was de deur open en ik wilde de straat op ijlen, +toen ik een hand in mijn nek voelde, en gij mij naar binnen trokt. Ik +schopte en schopte en ik sloeg u, omdat ik niet mocht gaan. Maar donna +Elisa, ge droegt een lantaarn, en toen zag ik dat gij het niet waart, +maar moeder.</p> +<p>„Toen durfde ik niet langer tegenstribbelen, ik werd zoo bang, +want moeder is immers dood. Maar zij nam den bundel, dien ik droeg, en +maakte hem los.</p> +<p>„Moeder lachte en zag er verheugd uit, en ik was gelukkig, +omdat zij niet boos op mij was.</p> +<p>„Het was zoo vreemd. Hetgeen zij uit den bundel haalde, waren +al de kleine heiligenbeeldjes die ik gesneden heb, <span class="corr" +id="xd20e1003" title="Bron: telwijl">terwijl</span> ik in den winkel +zat en die waren zoo mooi.</p> +<p>„Kan je nu zulke mooie beelden snijden, Gaetano?” vroeg +moeder.</p> +<p>„Ja,” antwoordde ik.</p> +<p>„Dan kan je God daarmee dienen,” zei moeder.</p> +<p>„Behoef ik donna Elisa dan niet te verlaten?”</p> +<p>„Neen,” zei moeder.</p> +<p>„En juist toen moeder dat zei, wektet gij mij.”</p> +<p>Gaetano zag donna Elisa triomfeerend aan.</p> +<p>„Wat meende moeder daar nu mee?”</p> +<p>Donna Elisa stond verbaasd.</p> +<p>Gaetano wierp het hoofd achterover en lachte.</p> +<p>„Moeder meende, dat ge mij in de leer moest doen, opdat ik God +zou kunnen dienen door schoone beelden van engelen en heiligen te +snijden, donna Elisa!” <span class="pagenum">[<a id="pb44" href="#pb44" name="pb44">44</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div2" id="ch1.3"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 id="xd20e1031" class="label">III.</h3> +<h3 class="main">De godszuster.</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Op het edele eiland Sicilië, waar nog meer oude +zeden heerschen dan ergens anders in het Zuiden, bestaat nog de +gewoonte, dat ieder mensch zich in de jeugd een godszuster of +godsbroeder kiest, die haar of zijn kind ten doop zal houden indien zij +of hij dit eens krijgt.</p> +<p>Maar dat is volstrekt niet het eenige nut, dat godszusters en +broeders van elkaar hebben. Zij moeten elkaar liefhebben, elkaar dienen +en wreken. In het oor van een godsbroeder kan men al zijn geheimen +begraven. Men kan hem zoowel zijn geld als zijn liefste toevertrouwen, +zonder bedrogen te worden.</p> +<p>Godszusters en broeders zijn elkaar trouw, alsof ze uit +één moeder geboren waren, omdat hun verbond gesloten is +voor San Giovanni Battista, den meest gevreesde van alle heiligen.</p> +<p>Dikwijls gaan arme menschen met hun half volwassen kinderen naar +rijke menschen om dezen te verzoeken of ze godszuster of broeder met +hun jonge dochters of zonen willen worden. Welk een heerlijk gezicht is +het niet op den dag van den heiligen Dooper al deze feestelijk gekleede +kinderen te zien, die door de groote steden trekken om godszusters en +broeders te zoeken.</p> +<p>En als het den ouders gelukt is hun zoon een rijken godsbroeder te +geven, zijn zij zoo gelukkig alsof ze hem een landgoed als een erfenis +kunnen nalaten. Toen Gaetano in Diamante kwam, was er een klein meisje, +dat voortdurend <span class="pagenum">[<a id="pb45" href="#pb45" name="pb45">45</a>]</span>den winkel van donna Elisa in- en uitliep. Ze +droeg een rooden mantel en een puntig mutsje en acht lange, zwarte +lokken kwamen onder dat mutsje te voorschijn. Zij heette Giannita en +was de dochter van donna Olivia die groenten verkocht.</p> +<p>Maar donna Elisa was haar peettante en daarom dacht deze er dikwijls +over, wat zij voor haar zou kunnen doen.</p> +<p>Nu goed, toen Sint-Jansdag aanbrak, bestelde donna Elisa een wagen +en reed naar Catania, dat volle vier mijl van Diamante ligt. Zij had +Giannita bij zich en beiden waren in feestgewaad.</p> +<p>Donna Elisa was in zwarte zijde met paarlen gekleed en Giannita had +een wit <span class="corr" id="xd20e1053" title="Bron: tullen">tulen</span> kleedje aan, met bloemen versierd. In de +hand droeg Giannita een mand met bloemen en boven op de bloemen lag een +granaatappel. De reis ging zeer voorspoedig voor donna Elisa en +Giannita. Toen ze eindelijk aan het witte Catania gekomen waren, dat +glanzend op den zwarten lavabodem ligt, reden ze naar het schoonste +paleis van de stad.</p> +<p>Dit was hoog en groot, zoodat de arme, kleine Giannita zich zeer +verlegen gevoelde, omdat ze genoodzaakt was daar in te gaan. Maar donna +Elisa stapte moedig naar binnen en zij werd naar cavaliere Palmeri en +zijn vrouw gevoerd, die het paleis bewoonden.</p> +<p>Donna Elisa herinnerde signora Palmeri er aan, dat zij vriendinnen +der jeugd waren en verzocht of Giannita godszuster met de +signora’s jong dochtertje mocht worden. Dat voorstel vond bijval +en de jonge signorina werd binnengeroepen. Zij was een klein wonder van +lichte zijde, Venetiaansche kant, groote zwarte oogen en welig krullend +haar. Haar klein lichaam was zoo tenger en slank, dat men het in het +geheel niet opmerkte.</p> +<p>Giannita reikte haar de mand met bloemen en zij nam die genadig aan, +liep om haar heen en was opgetogen over haar lange gladde lokken.</p> +<p>Zoodra zij deze gezien had, snelde zij weg om een mes te halen. Zij +sneed den granaatappel door en gaf Giannita een der helften.</p> +<p>Terwijl ze den appel aten, hielden ze elkaar bij de hand en zeiden +beiden: <span class="pagenum">[<a id="pb46" href="#pb46" name="pb46">46</a>]</span></p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">„Zuster, zuster, zuster mijn,</p> +<p class="line">Ik ben dijn en gij zijt mijn.</p> +<p class="line">Dijn mijn hut, dijn mijn spijs,</p> +<p class="line">Dijn mijn vreugd’, dijn mijn prijs,</p> +<p class="line">Dijn mijn plaats in ’t Paradijs.”</p> +</div> +<p class="first">Toen kusten ze elkaar en zeiden godszuster tot +elkaar.</p> +<p>„Nu moet ge mij nooit ontrouw worden, godszuster,” zei +de kleine signorina en beide kinderen waren zeer ernstig en +aangedaan.</p> +<p>Ze werden in dien korten tijd zulke goede vrienden, dat zij +schreiden, toen ze van elkaar gingen.</p> +<p>Maar sedert verliepen twaalf jaren en de beide godszusters leefden +elk in haar wereld en zagen elkaar nooit. Gedurende dezen ganschen tijd +bleef Giannita stil in huis en kwam zelfs geen enkelen keer in +Catania.</p> +<p>Maar toen geschiedde er werkelijk iets wonderbaarlijks. Giannita zat +op een namiddag in het vertrek achter den winkel te borduren, zij was +zeer bekwaam, zoodat zij dikwijls overladen was met arbeid.</p> +<p>Bij het borduurwerk komt het echter op de oogen aan en het was zeer +donker in Giannita’s kamer. Daarom had ze de deur van den winkel +op een kier gezet om wat meer licht te hebben.</p> +<p>Juist nadat de klok vier uur geslagen had, kwam de oude +molenaarsweduwe Rosa Alfari voorbij.</p> +<p>Donna Oliva’s winkel was zeer aanlokkelijk, als men dien van +de straat zag. De blik gleed door de geopende deur naar de groote +manden met versche groenten en kleurige vruchten; verder op den +achtergrond zag men de omtrekken van Giannita’s mooi hoofd.</p> +<p>Rosa Alfari bleef staan en begon met donna Oliva te spreken, alleen +omdat haar winkel er zoo vriendelijk uitzag.</p> +<p>Zuchten en klachten behoorden altijd tot het gevolg van Rosa Alfari. +Nu was zij verdrietig, omdat ze genoodzaakt was den volgenden nacht +alleen naar Catania te reizen.</p> +<p>„’t Is ellendig, dat de postwagen niet +vóór tien uur in Diamante komt,” zei zij. „Ik +val natuurlijk onderweg in slaap, en misschien steelt men dan mijn +geld. En wat moet ik beginnen als ik vannacht om twee uur in Catania +kom?” <span class="pagenum">[<a id="pb47" href="#pb47" name="pb47">47</a>]</span></p> +<p>Toen riep Giannita plotseling uit den winkel:</p> +<p>„Wilt ge mij niet meenemen naar Catania, donna +Alfari?”</p> +<p>Ze vroeg het half schertsend zonder een antwoord te verwachten.</p> +<p>Maar Rosa Alfari werd ijverig. „God, kind, wil je met mij +gaan?” zei zij. „Wil je het werkelijk?”</p> +<p>Giannita kwam uit den winkel, rood van vreugde. „Of ik +wil,” zei zij, „ik ben in geen twaalf jaar in Catania +geweest!”</p> +<p>Rosa Alfari keek haar vergenoegd aan, want Giannita was groot en +sterk, haar oogen waren vroolijk en zij had steeds een kwinkslag op de +lippen.</p> +<p>Dat was een heerlijke reisgenoote!</p> +<p>„Maak je maar klaar,” zei de oude vrouw. „Je gaat +om tien uur met mij mede, dat is afgesproken.”</p> +<p>Den volgenden dag dwaalde Giannita in de straten van Catania. Zij +dacht den ganschen tijd aan haar godszuster. Zij was wonderlijk te +moede weer in haar nabijheid te zijn.</p> +<p>Zij had haar godszuster lief, niet alleen, omdat San Giovanni den +menschen beveelt hun godszusters en broeders te beminnen. Zij had het +kleine meisje in het zijden kleedje vereerd als het schoonste, dat zij +ooit gezien had. ’t Was bijna haar afgod geworden.</p> +<p>Zij wist slechts dat haar godszuster nog ongetrouwd was en in +Catania woonde. Haar moeder was overleden en zij had haar vader niet +willen verlaten, maar was bij hem gebleven.</p> +<p>„Ik wil trachten haar te zien,” dacht Giannita.</p> +<p>En telkens als Giannita een elegante equipage ontmoette, dacht zij: +Misschien is het mijn godszuster, die daar rijdt.</p> +<p>En zij staarde naar de rijdenden om te zien of één van +hen ook geleek op het kleine meisje met het welige haar en de groote +oogen. Giannita’s hart begon onstuimig te kloppen. Zij had altijd +naar haar godszuster verlangd.</p> +<p>Zij was nog ongetrouwd, omdat zij een jongen beeldhouwer, Gaetano +Alagona, liefhad en hij nooit de minste neiging getoond had met haar te +trouwen.</p> +<p>Giannita was daarom dikwijls boos geweest op hem, en niet het minst +had het haar geërgerd, dat zij nooit haar godszuster op haar +bruiloft kon uitnoodigen.</p> +<p>Trotsch was zij ook op haar geweest. Zij had zich zelf <span class="pagenum">[<a id="pb48" href="#pb48" name="pb48">48</a>]</span>voornamer gevonden dan de anderen, omdat zij zulk +een godszuster had. Als zij nu eens naar haar toeging, omdat zij toch +in de stad was?</p> +<p>Dat zou glans geven aan haar geheele reis.</p> +<p>Terwijl zij daaraan dacht en dacht, kwam er een courantenjongen aan. +„Giornale da Sicilia!” schreeuwde hij. „De zaak +Palmeri! Groote oplichterijen!”</p> +<p>De lange Giannita greep den jongen in den nek, toen hij haar voorbij +ijlde.</p> +<p>„Wat zeg je?” schreeuwde zij. „Je liegt, je +liegt!” en zij was op het punt hem te slaan.</p> +<p>„Koop mijn courant, signora, vóórdat ge mij +slaat,” zei de knaap. Giannita kocht de courant en begon te +lezen. Al spoedig ontdekte zij de zaak Palmeri.</p> +<p>„Daar deze zaak heden voor het gerecht behandeld wordt, willen +wij onze lezers daarvan op de hoogte stellen.”</p> +<p>Giannita las en las en zij herlas het telkens weer +vóórdat zij het begreep. Er was geen spier in haar +lichaam, die niet van ontzetting trilde, toen zij het eindelijk +begreep.</p> +<p>De vader van haar godszuster, die groote wijngaarden bezat, was +geruïneerd. De druivenziekte had zijn bezittingen verwoest.</p> +<p>En dat was nog niet het ergste. Hij had een liefdadigheidsfonds +gebruikt, dat hem toevertrouwd was. Hij was gearresteerd en vandaag zou +hij voor het gerecht moeten verschijnen. Giannita frommelde de courant +in elkaar, smeet die op de straat en trapte er op. Beter lot verdiende +ze niet, die zulke nieuwstijdingen bracht.</p> +<p>Ze was geheel verslagen dat dit haar moest treffen, <span class="corr" id="xd20e1161" title="Bron: un">nu</span> zij na twaalf jaar +voor ’t eerst weer in Catania kwam. „Heere God,” zei +zij. „Wat moet dit alles beteekenen?”</p> +<p>Thuis in Diamante had nooit iemand zich de moeite getroost haar te +zeggen, wat er gebeurd was.</p> +<p>Was het een beschikking Gods, dat zij juist hier op den gerechtsdag +moest zijn?</p> +<p>„Hoor eens, donna Alfari,” zei zij. „Ge moogt doen +wat ge wilt, maar ik moet naar de terechtzitting.”</p> +<p>Giannita’s houding teekende groote beslistheid, niets kon haar +in haar besluit doen wankelen.</p> +<p>„Begrijpt gij niet dat het ter wille van deze zaak en niet +<span class="pagenum">[<a id="pb49" href="#pb49" name="pb49">49</a>]</span>om uwentwille is, dat God u bewogen heeft mij naar +Catania mee te nemen?” zei zij tot Rosa Alfari.</p> +<p>Geen oogenblik twijfelde Giannita.</p> +<p>Rosa Alfari moest haar laten gaan, en zij zocht den weg naar het +paleis van justitie. Daar stond ze tusschen de straatjongens en +leegloopers op de publieke tribune en zag cavaliere Palmeri zitten op +de bank der aangeklaagden.</p> +<p>Het was een voornaam heer met een puntbaard en witten knevel. +Giannita herkende hem dadelijk.</p> +<p>Ze hoorde hoe hij veroordeeld werd tot een halfjaar gevangenisstraf +en Giannita voelde steeds duidelijker, dat zij hier als gezant van God +was.</p> +<p>Nu heeft mijn godszuster mij noodig, dacht zij.</p> +<p>Zij ging weer op straat en vroeg den weg naar het paleis +Palmeri.</p> +<p>Onderweg ging een rijtuig haar voorbij. Zij zag op en haar oogen +ontmoetten die der dame, die in het rijtuig zat.</p> +<p>In hetzelfde oogenblik was er iets, dat haar zeide dat dit haar +godszuster was. De dame in het rijtuig was bleek en gebogen en had +smeekende oogen. Giannita kreeg haar dadelijk zeer lief.</p> +<p>„Gij zijt het, die mij zoo vele keeren verblijd hebt,” +zei ze, „omdat ik zooveel vreugde van u verwachtte. Nu zal ik u +misschien kunnen beloonen.”</p> +<p>Giannita was plechtig gestemd, toen zij de hooge marmeren trap van +het palazzo Palmeri besteeg, maar plotseling kwam er twijfel over +haar.</p> +<p>Wat kan God willen, dat ik voor haar zal doen, die in zulk een +weelde is opgegroeid? dacht zij. Vergeet onze lieve Heer, dat ik +slechts de arme Giannita van Diamante ben?</p> +<p>Zij liet signorina Palmeri door een bediende zeggen, dat haar +godszuster haar wenschte te spreken. Zij was verbaasd toen de bediende +terugkwam en zei, dat zij niet ontvangen kon worden.</p> +<p>Zou zij zich daarmee tevredenstellen? O, neen, o, neen! „Zeg +de signorina, dat ik den geheelen dag op haar zal wachten, want ik moet +haar spreken.”</p> +<p>„De signorina zal over een half uur het paleis +verlaten,” zei de bediende. <span class="pagenum">[<a id="pb50" +href="#pb50" name="pb50">50</a>]</span></p> +<p>Giannita geraakte buiten zich zelf: „Maar ik ben haar +godszuster, haar godszuster, versta je mij niet?” zei ze tegen +den knecht. „Ik moet haar spreken.”</p> +<p>De bediende glimlachte, maar verroerde zich niet.</p> +<p>Maar Giannita wilde niet afgewezen worden. Zij was immers door God +gezonden. Dat moest hij toch begrijpen, zei zij en verhief haar stem. +Ze kwam uit Diamante en was in twaalf jaar niet in Catania geweest. +Zelfs tot gistermiddag vier uur had zij er niet aan gedacht hierheen te +gaan.</p> +<p>Denk eens, tot gistermiddag vier uur had zij er zelfs niet aan +gedacht!</p> +<p>De bediende stond onbeweeglijk. Giannita was op het punt hem haar +geheele geschiedenis te vertellen om hem te bewegen haar binnen te +laten, toen een deur opengerukt werd. Haar godszuster stond op den +drempel.</p> +<p>„Wie spreekt hier over gistermiddag vier uur?” vroeg +zij.</p> +<p>„Een vreemde vrouw wenscht u te spreken, signorina +Micaela.”</p> +<p>Nu snelde Giannita op haar toe. „Zij was volstrekt geen +vreemde. Zij was haar godszuster uit Diamante, die hier voor twaalf +jaar met donna Elisa geweest was. Herkende zij haar niet? Wist +signorina Micaela niet meer, dat zij een granaatappel samen gedeeld +hadden?”</p> +<p>De signorina luisterde niet naar haar.</p> +<p>„Wat gebeurde er gisteren om vier uur?” vroeg zij met +grooten angst in haar stem.</p> +<p>„Toen was het, dat ik Gods bevel ontving om tot u te gaan, +godszuster,” zei Giannita.</p> +<p>De andere keek haar verschrikt aan. „Ga met mij,” zei +ze, alsof ze bevreesd was, dat de bediende zou hooren, wat Giannita +haar wilde vertellen.</p> +<p>Zij ging diep in de woning voordat zij staan bleef. Toen wendde zij +zich zoo plotseling tot Giannita, dat deze verschrikte.</p> +<p>„Zeg het mij dadelijk!” zei zij. „Pijnig mij niet, +zeg het mij zoo vlug mogelijk.”</p> +<p>Zij was even lang als Giannita, maar deze in geenen deele gelijk. +Zij was veel tengerder gebouwd en zij, de dame van de wereld, had een +veel wilder, ongetemder uiterlijk dan het meisje van het land. Alles +wat zij gevoelde was op haar gelaat te lezen. <span class="pagenum">[<a id="pb51" href="#pb51" name="pb51">51</a>]</span></p> +<p>Ze scheen zich in het geheel niet te kunnen beheerschen om het +verborgen te houden.</p> +<p>Giannita was zoo verbaasd over haar heftigheid, dat zij niet zoo +spoedig een antwoord kon geven.</p> +<p>Toen hief haar godszuster in vertwijfeling haar armen boven het +hoofd en de woorden stroomden over haar lippen.</p> +<p>Zij zei, dat zij wist dat <span class="corr" id="xd20e1248" title="Bron: Giannitta">Giannita</span> Gods bevel ontvangen had om haar +nieuwe ongelukken te berichten. God haatte haar, dat wist zij.</p> +<p>Giannita sloeg haar handen in elkaar. God haar haten! Integendeel! +Integendeel!</p> +<p>„Ja, ja,” zei signorina Palmeri. „Zoo is +het.” En daar ze zielsbevreesd was voor de tijding, die Giannita +haar kwam brengen, bleef zij maar steeds doorpraten. Zij liet Giannita +niet aan het woord komen, maar viel haar voortdurend in de rede.</p> +<p>Zij scheen zoo geschokt te zijn door alles, wat haar in de laatste +dagen overkomen was, dat zij zich in het geheel niet meer beheerschen +kon.</p> +<p>„Giannita kon toch wel begrijpen, dat God haar moest +haten,” zei zij. „Zij had zoo iets vreeselijks gedaan. Zij +had haar vader verloochend, haar vader verzaakt.</p> +<p>„Giannita kende toch wel het vierde gebod.” Toen barstte +zij opnieuw uit in tal van onstuimige vragen.</p> +<p>„Waarom zei Giannita haar toch niet, wat zij haar wilde +zeggen? Zij verwachtte immers niets anders dan kwaad. Zij was +voorbereid.”</p> +<p>Maar de arme Giannita kon niet aan het woord komen, want zoodra zij +wilde spreken, werd de signorina bang en viel haar in de rede.</p> +<p>Zij vertelde Giannita haar geschiedenis, als om deze te bewegen niet +hard jegens haar te zijn.</p> +<p>Giannita moest niet denken, dat haar ongeluk slechts daarin bestond +dat zij niet langer een eigen rijtuig zou hebben, of een loge in het +theater of mooie kleeren, of veel bedienden of zelfs een dak boven haar +hoofd. Ook niet hierin, dat zij al haar vrienden verloren had, zoodat +zij niet wist waar zij een schuilplaats zou zoeken; evenmin dat zij +zulk een schaamte gevoelde, dat zij meende nooit weer de oogen te +durven opheffen tot eenig mensch. Neen, het was nog iets veel +vreeselijkers. <span class="pagenum">[<a id="pb52" href="#pb52" name="pb52">52</a>]</span></p> +<p>Zij had plaats genomen en zweeg nu een oogenblik, terwijl zij van +angst heen en weer wiegde.</p> +<p>Maar toen Giannita nu begon te spreken, viel zij haar weer in de +rede.</p> +<p>Giannita kon niet denken, hoe haar vader haar had liefgehad. Hij had +haar altijd laten leven in glans en heerlijkheid, gelijk een +vorstin.</p> +<p>Zij had niet veel voor hem gedaan, slechts hem heerlijke plannen +laten verzinnen om haar te vermaken. Het was volstrekt geen opoffering +geweest, dat zij niet getrouwd was, want zij had nooit een man zoo +liefgehad als haar vader, en haar eigen thuis was prachtiger geweest +dan dat van iemand anders.</p> +<p>Maar toen was haar vader op een dag bij haar gekomen en had tot haar +gezegd:</p> +<p>„Zij willen mij arresteeren. Ze verspreiden het gerucht dat ik +gestolen heb, maar dat is niet waar.”</p> +<p>Toen had zij hem geloofd en hem geholpen zich verborgen te houden +voor de karabiniers. En zij hadden hem tevergeefs gezocht in Catania, +op den Etna en over geheel Sicilië.</p> +<p>Maar toen de politie cavaliere Palmeri niet kon vinden, begon het +volk te zeggen:</p> +<p>„’t Is een voornaam heer en het zijn hooge heeren, die +hem helpen, anders zou men hem reeds lang geleden gevonden +hebben.”</p> +<p>En toen was de prefect van Catania bij haar gekomen. Zij ontving hem +lachend en de prefect deed alsof hij kwam spreken over rozen en over +het mooie weer. Plotseling zei hij: „Wil de signorina dit kleine +papier even inzien? Wil de signorina dit kleine briefje eens lezen? Wil +de signorina letten op de onderteekening?”</p> +<p>Ze las en las. En wat zag ze? Haar vader was niet onschuldig. Haar +vader had het geld van anderen genomen. Toen de prefect weg was, ging +zij naar haar vader.</p> +<p>„Gij zijt schuldig!” zei ze tot hem. „Ge kunt doen +wat ge wilt maar ik kan u niet meer helpen.”</p> +<p>O, zij had niet geweten wat zij zei. Zij was altijd zoo trotsch +geweest. Zij had niet kunnen dulden, dat er een smet op haar naam +kleefde. Een oogenblik had zij gewenscht, <span class="pagenum">[<a id="pb53" href="#pb53" name="pb53">53</a>]</span>dat haar vader dood was, +liever dan dat dit haar moest overkomen. Misschien had zij hem dit ook +gezegd. Zij wist niet precies wat zij gezegd had.</p> +<p>Maar daarna had God haar verlaten. De vreeselijkste dingen waren +gebeurd. Haar vader had haar aan haar woord gehouden. Hij had zichzelf +aan het gerecht overgeleverd. En sedert hij in de gevangenis zat, had +hij haar niet willen zien. Hij antwoordde niet op haar brieven, en het +eten, dat zij hem zond, stuurde hij haar onaangeroerd terug. Dat was +het vreeselijkste van alles. Hij scheen te denken, dat zij hem wilde +dooden. Zij keek Giannita zoo angstig aan, alsof zij haar doodvonnis +verwachtte.</p> +<p>„Waarom vertel je mij toch niet, wat je mij te zeggen +hebt?” riep zij uit. „Je doodt mij.”</p> +<p>Maar ’t was haar onmogelijk zich zelf tot zwijgen te dwingen. +„Je moet weten,” vervolgde zij, „dat dit paleis nu +verkocht is en dat de kooper het aan een Engelsche dame verhuurd heeft, +die hier vandaag zal intrekken. Maar enkele van haar bezittingen +droegen ze reeds gisteren hier in en daaronder was een klein beeld van +het Christuskind.</p> +<p>„Ik zag het, toen ik door de vestibule liep. Zij hadden het +uit een valies genomen en het op den grond gelegd. Het was zoo +beschadigd, dat niemand er acht op sloeg. Zijn kroon was vol deuken, +zijn kleertjes waren vuil en de sieraden, die het bedekten, waren +verroest en leelijk geworden. Maar toen ik het op den grond zag liggen, +nam ik het op en droeg het in de kamer, waar ik het op een tafel +plaatste. En terwijl ik dat deed, viel het mij in, dat ik zijn hulp +moest vragen.</p> +<p>„Ik knielde en bad lang. „Help mij in mijn grooten +nood,” zei ik tot het Christuskind.</p> +<p>„Terwijl ik bad, scheen het mij, dat het beeld mij wilde +antwoorden. Ik hief het hoofd op, maar het stond daar nog even +sprakeloos als vroeger; juist toen begon een pendule te slaan.</p> +<p>„Er klonken vier slagen en ’t was alsof het vier woorden +waren. ’t Was alsof het Christuskind met een viervoudig ja op +mijn bede had geantwoord.</p> +<p>„Dat gaf mij moed, Giannita, zoodat ik vandaag naar het paleis +van justitie reed om mijn vader te zien. Maar hij <span class="pagenum">[<a id="pb54" href="#pb54" name="pb54">54</a>]</span>verwaardigde mij met geen blik gedurende al den +tijd, dat hij voor zijn rechters stond.</p> +<p>„Ik wachtte op het oogenblik, dat zij hem zouden wegvoeren en +wierp me voor hem op de knieën in een der nauwe gangen. Giannita; +hij liet mij door de soldaten wegleiden, zonder mij een woord te +schenken.</p> +<p>„Zie je nu, dat God mij haat? Toen ik hoorde dat je sprak van +gistermiddag vier uur, werd ik bang.</p> +<p>„Het Christuskind zendt mij een nieuw ongeluk, dacht ik. Het +haat mij, die mijn vader verloochend heb.”</p> +<p>Toen zij dit gezegd had, zweeg ze eindelijk en luisterde ademloos +naar hetgeen Giannita zou vertellen.</p> +<p>En Giannita verhaalde signorina Micaela haar geschiedenis.</p> +<p>„Zie nu eens, is dat niet merkwaardig,” zei ze ten +slotte. „Ik ben in twaalf jaar niet in Catania geweest en nu +reisde ik geheel onverwacht hierheen. En ik weet van niets, maar zoodra +ik hier mijn voet op straat zet, hoor ik je ongeluk. God heeft mij +gezonden, zei ik tot mij zelf. Hij heeft mij hierheen geleid, opdat ik +mijn godszuster zou kunnen helpen.”</p> +<p>Signorina Palmeri’s oogen waren angstig vragend op haar +gericht.</p> +<p>Nu zou zeker de slag komen. Zij verzamelde al haar moed om dien te +ontvangen.</p> +<p>„Wat wil je, dat ik voor je doen zal, godszuster?” vroeg +Giannita „Weet je wat ik dacht toen ik op straat liep? Ik wil +haar vragen of zij mij naar Diamante wil volgen, dacht ik. Ik weet daar +een oud huis, waar we goedkoop zouden kunnen wonen. Ik zou borduren en +naaien, zoodat we daarvan konden leven. Toen ik op straat was, dacht +ik, dat het gaan zou, maar nu begrijp ik, dat het onmogelijk is, +onmogelijk! Je verlangt iets anders van het leven, maar zeg toch of ik +iets voor je doen kan. Je moogt mij niet afwijzen, want God heeft mij +gezonden.”</p> +<p>De signorina boog zich over tot Giannita.</p> +<p>„Nu!” zei zij angstig.</p> +<p>„Je moet mij voor je laten doen, wat in mijn macht staat, want +ik heb je lief,” zei Giannita en gleed op de knieën, terwijl +ze de armen om haar godszuster sloeg.</p> +<p>„Heb je niets anders te zeggen?<span class="corr" id="xd20e1346" title="Niet in bron">”</span> vroeg de signorina. +<span class="pagenum">[<a id="pb55" href="#pb55" name="pb55">55</a>]</span></p> +<p>„Dat zou ik gaarne willen,” zei Giannita, „maar ik +ben immers maar een arm meisje.”</p> +<p>Het was wonderbaarlijk te zien, hoe nu de gelaatstrekken der jonge +signorina verteederden, hoe haar blik verhelderde en hoe haar oogen +begonnen te stralen. Nu bleek het, dat zij een groote schoonheid +was.</p> +<p>„Giannita,” zei ze zacht, nauwelijks hoorbaar, +„geloof je dat dit een wonder is? Geloof je, dat God een wonder +kan laten geschieden om mijnentwille?”</p> +<p>„Ja, ja,” fluisterde Giannita.</p> +<p>„Ik smeekte het Christusbeeld, dat hij mij zou helpen, en hij +zendt mij jou. Geloof je, dat het Christus was die je gezonden heeft, +Giannita?”</p> +<p>„Ja zeker, hij was het.”</p> +<p>„God heeft mij dus niet verlaten, Giannita?”</p> +<p>„Neen, God heeft je niet verlaten.”</p> +<p>Signorina Micaela zat een tijdje stil te weenen. „Toen jij +kwam, Giannita, dacht ik dat mij niets anders overbleef, dan mij te +dooden,” zei ze daarna. „Ik wist niet waarheen ik mijn weg +zou nemen want ik dacht, dat God mij haatte.”</p> +<p>„Maar zeg mij nu, wat ik voor je doen kan, godszuster,” +zei Giannita.</p> +<p>Tot antwoord trok de andere haar naar zich toe en kuste haar.</p> +<p>„Maar het is immers al voldoende, dat je door het kleine +Christusbeeld gezonden zijt,” zei ze. „Het is immers al +voldoende, nu ik weet, dat God mij niet verlaten heeft.” +<span class="pagenum">[<a id="pb56" href="#pb56" name="pb56">56</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div2" id="ch1.4"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 id="xd20e1377" class="label">IV.</h3> +<h3 class="main">Diamante.</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Micaela Palmeri was op reis naar Diamante in +gezelschap van Giannita. Ze hadden ’s morgens om drie uur plaats +genomen in den postwagen en ze waren langs den schoonen weg gereden, +die zich van den voet van den Etna langs den berg omhoog slingert.</p> +<p>Maar het was nog geheel donker. Ze hadden niets van de omgeving +kunnen onderscheiden.</p> +<p>De jonge signorina beklaagde zich volstrekt niet daarover. Zij zat +met neergeslagen oogen en verdiepte zich in haar smart. Zelfs toen het +begon te dagen, wilde zij haar oogen niet opslaan om uit te zien. +’t Was niet, vóórdat ze vlak bij Diamante waren, +dat Giannita haar kon bewegen het landschap te beschouwen.</p> +<p>„Zie nu eens uit! Hier is Diamante, dat je thuis zal +worden,” zei zij.</p> +<p>Toen had Micaela Palmeri rechts van den weg den machtigen Etna +gezien, die een groot stuk van den hemel sneed. Ver achter den berg +ging de zon op, en toen de bovenste rand der zonneschijf zich over den +bergtop verhief, scheen het alsof de witte sneeuwberg begon te gloeien, +en vonken en stralen verspreidde.</p> +<p>Maar Giannita verzocht haar naar den anderen kant te zien. En aan de +andere zijde zag ze de geheele getakte bergketen, die den Etna gelijk +een met torens versierden muur omringt, gloeiend rood staan in den +zonsopgang.</p> +<p>Maar Giannita wees naar een anderen kant. Dat was het niet, wat ze +moest zien, dat niet. <span class="pagenum">[<a id="pb57" href="#pb57" +name="pb57">57</a>]</span></p> +<p>Toen liet ze haar blik dalen en zag neer in een zwarte vallei. Daar +glansde het veld als fluweel en de witte Simeto schuimde naar beneden +in het dal.</p> +<p>Maar nog richtte zij haar blik niet naar de goede plaats.</p> +<p>Toen eindelijk zag ze den steilen Monte Chiaro, die zich uit het +zwarte, fluweelen dal verhief; stralend in het morgenrood en begroeid +met statige palmen, die hem als met zonneschermen beschutten tegen de +stralen der zon.</p> +<p>En op de kruin zag zij een stad, met torens versierd en door muren +omgeven, en alle vensters en windwijzers schitterden in den +zonneschijn.</p> +<p>Bij dit gezicht had zij Giannita’s arm gegrepen en haar +gevraagd of dit een werkelijke stad was en of daar ook menschen +woonden.</p> +<p>Zij geloofde, dat dit een der steden des hemels was en dat die even +spoedig verdwijnen zou als een droomgezicht. Zij kon niet denken, dat +er ooit een mensch langs den weg gewandeld had, die zich van uit het +dal over hooge heuvels naar de Monte Chiaro slingerde en in zigzag-lijn +langs den berg opkroop om in de donkere stadspoort te verdwijnen.</p> +<p>Maar toen ze dichter bij Diamante kwam en zag dat het een werkelijke +aardsche stad was, kwamen haar de tranen in de oogen.</p> +<p>Het ontroerde haar, dat de aarde voor haar nog al haar schoonheid +bezat. Zij had geloofd, dat sedert die het tooneel van al haar rampen +was geweest, zij die steeds grauw, verdord en bedekt met distels en +giftbloemen zou vinden.</p> +<p>Ze reed met gevouwen handen het arme Diamante binnen, alsof ze een +heiligdom betrad.</p> +<p>En haar scheen het, dat deze stad haar evenveel geluk als schoonheid +zou kunnen bieden. <span class="pagenum">[<a id="pb58" href="#pb58" +name="pb58">58</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div2" id="ch1.5"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 id="xd20e1419" class="label">V.</h3> +<h3 class="main">Don Ferrante.</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Een paar dagen later stond Gaetano in zijn werkplaats +en sneed wijnranken op koralen van rozenkransen. Het was Zondag, maar +Gaetano maakte zich geen gewetenswroeging van zijn arbeid, hij werkte +immers tot Gods eer.</p> +<p>Groote angst en onrust waren over hem gekomen. De gedachte was in +hem ontwaakt, dat de gelukkige tijd, dien hij bij donna Elisa had +doorgebracht, nu zijn einde genaderd was. En hij geloofde, dat hij +spoedig de wereld ingedreven zou worden. Want groote armoede was over +Sicilië gekomen, en hij zag den nood als een besmetting van stad +tot stad en van huis tot huis trekken. En zoo was die ook in Diamante +gekomen.</p> +<p>Daarom kwam er nooit meer een mensch in den winkel van donna Elisa +om iets te koopen. De kleine heiligenbeelden, die Gaetano vervaardigde, +stonden in dichte rijen op de planken en de rozenkransen hingen in +groote trossen onder de toonbank. En donna Elisa was in grooten kommer +en nood, omdat zij nu niets kon verdienen.</p> +<p>Dit was Gaetano een teeken, dat hij Diamante moest verlaten en de +wijde wereld ingaan, tenzij er zich een andere mogelijkheid voordeed, +want het kon geen arbeiden heeten voor Gods eer beelden te snijden, die +nooit werden aangebeden en koralen voor rozenkransen te draaien, die +nooit door de vingers van een biddende gleden.</p> +<p>Hij geloofde dat ergens in de wereld een schoone, nieuwe kathedraal +stond, waarvan de muren opgetrokken waren, <span class="pagenum">[<a id="pb59" href="#pb59" name="pb59">59</a>]</span>maar die +nog van binnen van naaktheid trilde. Die verbeidde en wachtte, dat +Gaetano zou komen om de koorstoelen, ’t altaarhek, den +preekstoel, ’t boekenrek en de heiligenkast te snijden. En zijn +hart smachtte naar dit werk, dat hem wachtte.</p> +<p>Maar deze kathedraal werd niet op Sicilië gevonden, want daar +dacht men er nooit aan een nieuwe kerk te bouwen; die moest ver weg in +landen als Florida of Argentinië gezocht worden, waar de grond nog +niet bedekt was met heilige gebouwen.</p> +<p>Hij voelde zich tegelijkertijd bedroefd en gelukkig en was met +verdubbelde vlijt aan den arbeid getogen opdat donna Elisa iets zou +hebben te verkoopen, terwijl hij weg was en groote schatten voor haar +verdiende.</p> +<p>Nu wachtte hij nog slechts op een teeken van God +vóórdat hij besloot te vertrekken. Het was, alsof hij de +kracht zou moeten ontvangen om tot donna Elisa te kunnen spreken van +zijn verlangen om te reizen, want hij wist dat dit haar +zóóveel verdriet zou veroorzaken, dat hij niet begreep, +hoe hij den moed zou hebben met haar daarover te spreken.</p> +<p>Terwijl hij daarover dacht, kwam donna Elisa in de werkplaats. Toen +zei hij tot zichzelf, dat hij nu er niet aan kon denken het haar te +zeggen, want heden was donna Elisa vroolijk.</p> +<p>Haar tong was onophoudelijk in beweging en haar gelaat straalde.</p> +<p>Gaetano vroeg zich af, wanneer hij haar voor het laatst zoo gezien +had. Sedert de nood kwam, was het geweest, alsof ze zonder daglicht in +een der grotten van den Etna leefden.</p> +<p>„Waarom was Gaetano niet mee naar de markt gegaan om de muziek +te hooren?” vroeg donna Elisa.</p> +<p>„Waarom ging hij toch nooit mede om haar broer, don Ferrante, +te zien en te hooren? Gaetano die hem slechts zag, als hij in den +winkel stond, gekleed in een kort buis en puntige muts, wist niet wat +voor een man don Ferrante was. Hij hield hem voor een ouden, leelijken +koopman met een rimpelig gelaat en een borsteligen baard. Niemand kende +don Ferrante, die hem ’s Zondags niet de muziek had zien +dirigeeren. <span class="pagenum">[<a id="pb60" href="#pb60" name="pb60">60</a>]</span></p> +<p>„Heden had hij een nieuwe uniform aangehad. Hij droeg een +driekantigen hoed met groen-rood en witte pluimen, een zilveren kraag, +epauletten met zilveren franje, zilveren tressen op de borst en een +sabel op zij. En toen hij het bankje van den dirigent besteeg, waren de +rimpels van zijn gelaat weggevaagd, zijn gestalte scheen gegroeid te +zijn.</p> +<p>„Men zou hem bijna schoon kunnen noemen.</p> +<p>„Toen hij de Cavalleria liet spelen, had men nauwelijks kunnen +ademhalen. En wat zei Gaetano er van, dat de groote huizen aan de markt +meegezongen hadden!</p> +<p>„Uit het zwarte palazzo Geraci had donna Elisa duidelijk een +liefdeslied hooren klinken en uit het nonnenklooster, zoo uitgestorven +als het daar stond, was een hymne over de markt gestroomd.</p> +<p>„En toen er een pauze in de muziek was, ging de schoone +advocaat Favara, die gekleed was in een zwart fluweelen mantel, met een +grooten roovershoed en helrooden halsdoek, naar don Ferrante en wees +naar de open zijde der markt, waar men den Etna en de zee zag.</p> +<p>„Don Ferrante,” had hij gezegd, „gij verheft ons +ten hemel gelijk de Etna en gij voert ons op naar het eeuwige gelijk de +oneindige zee.”</p> +<p>„Als Gaetano don Ferrante heden gezien had, zou hij hem hebben +moeten liefhebben. Tenminste had hij moeten erkennen, dat don Ferrante +een statig man was. Toen hij eenige oogenblikken geleden den maatstok +neerlegde en gearmd met den advocaat heen en weer wandelde op de gladde +steenen tusschen de Romeinsche poort en het palazzo Geraci, had een +ieder moeten zien, hoe goed hij zich kon meten met den schoonen Favara. +Donna Elisa had in gezelschap van de sindaco’s-vrouw op de +steenen bank onder den dom gezeten. En donna Valtara had plotseling +gezegd, nadat ze don Ferrante een tijdlang beschouwd had:</p> +<p>„Donna Elisa, uw broer is immers nog een jonge man. Hij kan +nog heel goed trouwen, trots zijn vijftig jaar.”</p> +<p>„En zij, donna Elisa, had geantwoord dat zij God iederen dag +daarom bad.</p> +<p>„Maar nauwelijks had zij dit gezegd of een dame in rouwgewaad +schreed over de markt. Nooit had men nog zoo iets zwarts gezien. Niet +alleen waren haar kleeren, hoed en handschoenen <span class="pagenum">[<a id="pb61" href="#pb61" name="pb61">61</a>]</span>zwart, +maar ook haar sluier was zóó dicht, dat men niet kon +gelooven, dat daar een wit gezicht achter was. Santissima Dio, het was, +alsof ze zich bedekt had met een lijkwade. En ze liep zoo langzaam en +gebogen. Men was bang geworden, men had bijna geloofd dat het een spook +was.</p> +<p>„O! O! en de geheele markt was zoo vol vroolijkheid +geweest.</p> +<p>„De boeren, die voor den Zondag thuis waren, hadden daar in +groote groepen gestaan, feestelijk gekleed met hun roode doeken om den +hals. Boerenvrouwen die naar de kerk gingen, waren voorbij gestroomd in +groene rokken en gele halsdoeken. Een paar in het wit gekleede +vreemdelingen hadden bij de balustrade gestaan om den Etna te +beschouwen. En al de muzikanten in uniform, die er bijna zoo statig +uitzagen als don Ferrante, en die glinsterende muziekinstrumenten en de +met beelden versierde dom! En de zonneschijn en Mongibello’s +sneeuwkruin, die vandaag zoo dicht bij was geweest dat men hem bijna +grijpen kon, dat alles was onvergelijkelijk vroolijk geweest.</p> +<p><span class="corr" id="xd20e1481" title="Niet in bron">„</span>Toen nu de arme, zwarte dame te midden van +dit alles gekomen was, hadden allen haar aangestaard en sommigen hadden +het teeken des kruises gemaakt. En de kinderen waren gegleden van de +trap van het raadhuis waar ze op de leuning reden en waren haar gevolgd +op een paar schreden afstands. En zelfs de luie Pietro, die zich in de +zon lag te koesteren, had zich op zijn ellebogen opgericht. Het was een +opstand, alsof de zwarte Madonna uit de domkerk was komen aanwandelen. +Maar had één van allen medelijden gevoeld met deze zwarte +dame, naar wie allen staarden?</p> +<p>„Was iemand geroerd, omdat zij zoo langzaam en gebogen +liep?</p> +<p>„Ja, ja, één was getroffen, en dat was don +Ferrante geweest. Muziek was in zijn hart, hij was een goed mensch en +hij dacht: Vervloekt zijn al deze fondsen, bijeengebracht voor +noodlijdenden, die de menschen slechts in het ongeluk storten!</p> +<p>„Is dit niet de arme signorina Palmeri, wier vader genomen +heeft van een liefdadigheidsfonds en die zich nu zoo schaamt, dat zij +haar gelaat niet durft toonen? <span class="pagenum">[<a id="pb62" +href="#pb62" name="pb62">62</a>]</span></p> +<p>„En terwijl hij dit dacht, ging don Ferrante naar de zwarte +dame en trad haar bij de kerkdeur in den weg.</p> +<p>„Daar maakte hij een buiging voor haar en <span class="corr" +id="xd20e1495" title="Bron: moemde">noemde</span> zijn naam. +„Indien ik mij niet al te zeer vergis,” had don Ferrante +gezegd, „is u signorina Palmeri. Ik heb een verzoek aan +u.”</p> +<p>„Toen was ze achteruitgeweken als wilde ze vluchten, maar zij +was toch gebleven.</p> +<p>„Het betreft mijn zuster, donna Elisa,” had hij gezegd. +„Zij heeft uw moeder gekend, signorina, en zij brandt van +verlangen met u kennis te maken. Zij zit bij den dom. Mag ik u tot haar +geleiden?”</p> +<p>„En don Ferrante had haar arm in den zijne gelegd en haar naar +donna Elisa gevoerd. En zij had geen tegenstand geboden. Donna Elisa +had trouwens degene wel eens willen zien, die heden don Ferrante had +kunnen weerstaan.</p> +<p>„Maar toen was donna Elisa opgerezen. Zij was de zwarte dame +tegemoet gegaan, en had haar sluier teruggeslagen. En zij had haar op +beide wangen gekust.</p> +<p>„Welk een gelaat! welk een gelaat! Zij was misschien niet +mooi, maar ze had oogen, die duidelijk spraken en die klaagden en +jammerden, zelfs als het geheele gelaat glimlachte. Ja, Gaetano zou +misschien geen Madonna naar dit gelaat willen snijden of schilderen, +want daarvoor was het te bleek en te mager, maar men moest wel +gelooven, dat onze lieve Heer wist wat hij deed, toen hij deze oogen +niet in een gezicht zette, dat rond en blozend was.</p> +<p>„Toen donna Elisa haar kuste, had zij het hoofd op haar +schouder gelegd en een paar korte snikken hadden haar lichaam +doorschokt. Daarna had zij met een <span class="corr" id="xd20e1511" +title="Bron: glimlich">glimlach</span> opgezien.</p> +<p>„’t Was alsof haar glimlach had willen zeggen:</p> +<p>„O, ziet de wereld er zoo uit? Is die zoo mooi? Laat mij die +zien en tegen haar glimlachen! Kan een arme ongelukkige het werkelijk +wagen haar aan te zien? Kan ik het ook wagen gezien te +worden?”</p> +<p>„Dit alles had zij zonder woorden gezegd, slechts met een +glimlach. Welk een gelaat! welk een gelaat!”</p> +<p>Maar nu viel Gaetano donna Elisa in de rede.</p> +<p>„Waar is zij nu?” zei hij. „Ik moet haar +zien.” <span class="pagenum">[<a id="pb63" href="#pb63" name="pb63">63</a>]</span></p> +<p>Toen zag donna Elisa Gaetano in de oogen. En die waren brandend +klaar alsof ze met vuur gevuld waren en aan zijn slapen steeg een +donkerrood op.</p> +<p>„Gij zult haar vroeg genoeg zien,” zei ze kortaf. En zij +had berouw van elk woord, dat zij gesproken had.</p> +<p>Gaetano zag, dat zij bang was, dat hij begreep, wat zij vreesde. Hij +kreeg toen de ingeving haar juist nu te zeggen, dat hij voornemens was +te vertrekken, naar Amerika te reizen.</p> +<p>Toen begreep hij dat deze vreemde signorina zeer gevaarlijk moest +zijn. Zoo overtuigd was donna Elisa dat Gaetano haar lief zou krijgen, +dat zij bijna verheugd was te hooren, dat hij van plan was het land te +verlaten. Want haar scheen alles beter dan een arme schoondochter, wier +vader een dief was. <span class="pagenum">[<a id="pb64" href="#pb64" +name="pb64">64</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div2" id="ch1.6"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 id="xd20e1536" class="label">VI.</h3> +<h3 class="main">Don Matteo’s zending.</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">En nu kwam er een namiddag, dat de geestelijke herder, +don Matteo, zijn voeten in glanzend gepoetste schoenen stak, een schoon +geborstelde soutane aantrok en zijn mantel in de sierlijkste plooien +schikte. Zijn gelaat straalde, terwijl hij door de steeg liep en +zegeningen uitdeelde aan de oude spinnende vrouwtjes, die voor haar +huisdeuren zaten; en zijn handgebaren waren zoo bevallig, alsof hij +rozen strooide.</p> +<p>Over de steeg, waardoor don Matteo liep, welfden zich minstens zeven +bogen, alsof elk huis zich wilde verbinden met zijn buurman. De steeg +liep dood tegen den berg, voor de helft was het een trap, voor de +andere helft een straat; er was altijd overstrooming bij de goten en +het lag er altijd vol sinaasappelschillen en koolblaren, genoeg om op +uit te glijden. Van den grond tot aan den hemel hing er waschgoed aan +de drooglijnen.</p> +<p>Natte hemdsmouwen en banden van boezelaars werden door den wind in +don Matteo’s gezicht geslingerd. En dat was een even klam en kil +gevoel, alsof don Matteo door een lijk gestreeld werd.</p> +<p>Aan het einde der steeg lag een kleine, donkere markt, en daar zag +don Matteo een oud huis, waarvoor hij staan bleef. Het was groot en +vierkant en bijna geheel zonder ramen. Het had twee hooge buitentrappen +met verbazend breede treden en twee groote deuren met zware grendels. +En het had muren van zwarte lava en een loggia, waar groene schimmel +den vloer van tegelsteenen bedekte, en er <span class="pagenum">[<a id="pb65" href="#pb65" name="pb65">65</a>]</span>waren zooveel +spinnewebben, dat de lenige hagedissen er bijna in verward raakten.</p> +<p>Don Matteo lichtte den deurklopper op en liet dien zóó +hard vallen, dat het geheele huis dreunde. Toen hoorde men hoe al de +vrouwen uit de geheele steeg begonnen te vragen en te spreken.</p> +<p>En men zag hoe de waschvrouwen aan het marktbassin haar waschbord en +linnenklopper lieten vallen en begonnen te vragen en te fluisteren:</p> +<p>„Met welk doel komt don Matteo hier?</p> +<p>„Waarom klopt hij op de deur van het oude huis, waar het +spookt, en waarin niemand het waagt te wonen behalve de vreemde +signorina, wier vader in de gevangenis zit?”</p> +<p>Maar nu deed Giannita de deur open voor don Matteo en voerde hem +door lange gangen, die vochtig en schimmelig roken. Op enkele plaatsen +waren de steenen van den vloer losgeraakt, en don Matteo kon tot diep +in den kelder zien, waar een groote menigte ratten over den zwarten +lavagrond joegen.</p> +<p>Terwijl don Matteo door het oude huis wandelde, verloor hij zijn +goede luim. Hij liep voorbij geen trap, zonder wantrouwend naar beneden +te kijken, en hij hoorde geen geritsel zonder te huiveren.</p> +<p>Hij werd neerslachtig als vóór een ongeluk. Don Matteo +dacht aan den kleinen getulbanden Moor, die zich in dit huis placht te +vertoonen, en indien hij hem ook niet zag, kon men toch zeggen, dat hij +hem op de een of andere wijze gewaar werd.</p> +<p>Eindelijk opende Giannita een deur en liet den geestelijke in een +vertrek. Daar waren de wanden naakt als in een stal, het bed hard als +dat van een non en daarboven hing een houten Madonna, die niet meer +waard was dan drie soldi.</p> +<p>Don Matteo staarde zoo lang naar dit kleine beeld, dat de tranen hem +in de oogen kwamen.</p> +<p>Terwijl hij daar stond, kwam signorina Palmeri de kamer binnen. Ze +hield haar hoofd gebogen, en haar bewegingen waren zoo langzaam alsof +zij gewond was. Toen don Matteo haar zag, scheen hij te willen +zeggen:</p> +<p>„U en ik, signorina Palmeri, ontmoeten elkaar hier in een +<span class="pagenum">[<a id="pb66" href="#pb66" name="pb66">66</a>]</span>wonderlijk oud huis. Is u hier om de Moorsche +inscripties te bestudeeren of zoekt u in de kelders naar +mozaïekwerk?” Want de pastoor werd verlegen, toen hij +signorina Palmeri zag.</p> +<p>Hij kon niet begrijpen, dat deze edele dame arm was. Hij kon niet +vatten, dat zij woonde in het huis van den kleinen Moor.</p> +<p>Hij zei tot zichzelf, dat hij haar moest redden uit het spookhuis en +van de armoede. En hij bad de heilige Madonna om de macht haar te +redden.</p> +<p>Daarna zei hij tot de signorina, dat hij een opdracht van don +Ferrante kwam uitvoeren. Don Ferrante had hem toevertrouwd, dat zij +zijn aanzoek had afgeslagen.</p> +<p>Waarom had zij dat gedaan? Wist zij niet dat, hoewel don Ferrante +arm scheen als hij daar in zijn winkel stond, hij toch de rijkste man +in Diamante was?</p> +<p>En don Ferrante behoorde tot een oud Spaansch geslacht, dat groot +aanzien genoot, zoowel in zijn vaderland als hier op Sicilië. En +hij bezat nog het groote huis aan de corso, dat zijn voorvaderen +toebehoord had. Zij had niet neen moeten zeggen.</p> +<p>Terwijl don Matteo zoo sprak, zag hij hoe het gelaat van de +signorina plotseling doodsbleek en strak werd. Hij waagde het bijna +niet te spreken. Hij vreesde, dat zij zou bezwijmen.</p> +<p>Het was ook slechts met de grootste inspanning, dat zij hem kon +antwoorden. De woorden wilden niet over haar lippen komen. ’t Was +alsof die te afschuwelijk waren om uitgesproken te worden.</p> +<p>„Zij kon wel begrijpen,” zei zij, „dat don +Ferrante wilde weten waarom zij zijn aanzoek had afgeslagen. Ze was +diep geroerd en dankbaar, maar zij kon zijn vrouw niet worden. Zij kon +niet trouwen, want zij bracht smaad en schande als bruidsgift +mede.”</p> +<p>„Als ge trouwt met een Alagona, lieve signorina,” zei +don Matteo, „behoeft ge niet te vreezen, dat men zal vragen van +welk geslacht ge zelf zijt. Dat is een roemrijk, oud stamhuis. Don +Ferrante en zijn zuster, donna Elisa, worden steeds tot de eersten der +stad gerekend, ofschoon zij al de bezittingen van hun geslacht verloren +hebben en handel moeten drijven. <span class="pagenum">[<a id="pb67" +href="#pb67" name="pb67">67</a>]</span></p> +<p>„Don Ferrante weet wel, dat de glans van zijn ouden naam niet +verduisterd zal worden door een huwelijk met u.</p> +<p>„Maak geen bezwaren om die reden, signorina, indien ge anders +met don Ferrante zoudt willen huwen.”</p> +<p>Maar signorina Palmeri herhaalde wat zij gezegd had. Don Ferrante +moest niet trouwen met een dochter van een misdadiger. Ze zat daar +bleek en wanhopig en scheen zich te willen oefenen in het zeggen van +deze vreeselijke woorden.</p> +<p>Zij zeide, dat zij zich niet indringen wilde in een geslacht, dat +haar zou verachten. Het gelukte haar dit hard en koud te zeggen, zonder +dat haar stem beefde.</p> +<p>Maar hoe langer ze sprak, hoe grooter de begeerte van don Matteo +werd om haar te helpen. Het was alsof hij een koningin ontmoet had, die +van haar troon gestooten was. En er kwam een brandend verlangen over +hem, haar weer de kroon op het hoofd te zetten en den koningsmantel om +de schouders te slaan.</p> +<p>Daarom vroeg don Matteo haar of haar vader niet spoedig uit de +gevangenis zou komen en waarvan hij dan leven moest.</p> +<p>De signorina antwoordde dat hij zou leven van haar arbeid. Don +Matteo vroeg haar zeer ernstig of zij zich wel afgevraagd had, hoe haar +vader, die altijd een rijke man was geweest, de armoede zou kunnen +dragen.</p> +<p>Nu zweeg zij. Ze trachtte de lippen tot een antwoord te bewegen, +maar kon geen geluid uitbrengen.</p> +<p>Don Matteo sprak en sprak. Zij zag er hoe langer hoe wanhopiger uit, +maar gaf toch niet toe.</p> +<p>Hij wist ten slotte geen raad meer.</p> +<p>Hoe zou hij haar toch kunnen redden uit het spookhuis, uit de +armoede en van den last der schande die haar drukte? Maar toen vielen +zijn oogen op het kleine Madonnabeeldje boven het bed. De jonge +signorina was dus een geloovige.</p> +<p>Nu werd de geest vaardig over don Matteo. Hij voelde dat God hem +gezonden had, om deze arme vrouw te redden. En toen hij weer sprak, was +er een klank in zijn stem, die hem anders vreemd was. Hij begreep, dat +hij het niet alleen was, die nu tot haar sprak.</p> +<p>„Mijn dochter,” zei hij, terwijl hij oprees, „om +der wille <span class="pagenum">[<a id="pb68" href="#pb68" name="pb68">68</a>]</span>van uw vader zult ge huwen met don Ferrante. De +Madonna wil het, mijn dochter.”</p> +<p>Er kwam iets imponeerends over don Matteo’s uiterlijk. Zoo had +nog geen mensch hem ooit gezien.</p> +<p>De signorina beefde alsof de Heilige Geest tot haar gesproken had, +en zij vouwde haar handen.</p> +<p>„Word een goede en trouwe echtgenoote voor don +Ferrante,” zei don Matteo, „en de Madonna belooft u door +mij, dat uw vader een onbezorgden ouderdom zal hebben.”</p> +<p>Toen zag de signorina dat het een heilige ingeving was, die don +Matteo inspireerde. Het was God die door hem sprak. En zij wierp zich +op de knieën en boog het hoofd.</p> +<p>„Ik zal doen wat gij beveelt,” zei ze.</p> +<hr class="tb"> +<p>Maar zie, toen de geestelijke, don Matteo, uit het huis van den +kleinen Moor kwam, en door de steeg ging, nam bij plotseling zijn +brevier en begon te lezen. En ofschoon het waschgoed hem om de wangen +sloeg, en sinaasappelschillen en kleine kinderen op de straat schenen +te liggen, alleen om hem te doen struikelen, hij zag niet op uit zijn +boek.</p> +<p>Hij had behoefte Gods heilige woorden te hooren.</p> +<p>Want daarbinnen in het zwarte huis had hem alles zoo zeker en gewis +geschenen, maar nu hij buiten kwam in den zonneschijn, begon hij +bevreesd te worden voor de belofte, die hij in der Madonna’s naam +gegeven had.</p> +<p>Don Matteo bad en las en las en bad.</p> +<p>Mocht de almachtige God in den hemel de vrouw beschermen, die op hem +vertrouwd en hem gehoorzaamd had, alsof hij een profeet ware!</p> +<p>Don Matteo <span class="corr" id="xd20e1649" title="Bron: sleeg">sloeg</span> den hoek om naar de corso. Hij bonsde tegen +ezels, die naar huis gedreven werden met reizende signorina’s op +hun rug, hij liep recht tegen veldarbeiders aan, die van hun werk naar +huis keerden en hij stiet tegen de oude spinnende vrouwtjes en raakte +verward in haar linnen. Eindelijk bereikte hij een kleinen, donkeren +winkel.</p> +<p>Het was een vertrek zonder ramen, dat in den hoek van een oud paleis +lag. De drempel was een voet hoog, de vloer was van vastgetrapte aarde, +en de deur moest altijd openstaan <span class="pagenum">[<a id="pb69" +href="#pb69" name="pb69">69</a>]</span>om licht binnen te laten. De +toonbank was belegerd door voerlieden en ezeldrijvers.</p> +<p>En voor de toonbank stond don Ferrante. Zijn baard was in wanorde, +zijn gelaat één en al rimpel, zijn stem heesch van woede. +De voerlieden verlangden een onmatig hooge betaling voor de vrachten, +die ze van Catania naar Diamante gebracht hadden. <span class="pagenum">[<a id="pb70" href="#pb70" name="pb70">70</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div2" id="ch1.7"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 id="xd20e1660" class="label">VII.</h3> +<h3 class="main">De klokken van San Pasquale.</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Men merkte spoedig in Diamante, dat don +Ferrante’s echtgenoote, donna Micaela, niet veel meer was dan een +kind. Zij kon er nog zoo uitzien als een voorname dame van de wereld, +zij was toch niets anders dan een kind. En iets anders kon men ook niet +van haar verwachten na het leven, dat zij geleid had.</p> +<p>Van de wereld had zij niets gezien dan theaters, museums, balzalen, +promenades en renperken, en dit alles zijn immers slechts +speelplaatsen. Zij was nog nooit alleen op straat geweest. Zij had +nooit gewerkt. Men had nooit een ernstig woord tot haar gesproken. Ze +was niet eens ooit verliefd geweest.</p> +<p>Toen zij in het zomerpaleis trok, vergat zij al haar zorgen, even +licht en luchtig als een kind het gedaan zou hebben. En het bleek dat +zij de spelende phantasie van een kind bezat en dat zij alles wat haar +omgaf kon veranderen en herscheppen. De oude Saracenenstad Diamante +leek donna Micaela een paradijs.</p> +<p>Ze zeide dat zij in het geheel niet verbaasd was geweest, toen don +Ferrante haar op de markt aansprak en aanzoek om haar hand deed. Het +kwam haar zeer natuurlijk voor dat zoo iets in Diamante +gebeurde<span class="corr" id="xd20e1672" title="Niet in bron">.</span> +Zij had dadelijk gezien, dat Diamante een stad was, waar rijke mannen +zochten naar arme, ongelukkige signorina’s om haar tot +heerscheressen te maken in hun zwarte lavapaleizen.</p> +<p>Het zomerpaleis behaagde haar zeer. Het verbleekte, honderdjarige +<span class="pagenum">[<a id="pb71" href="#pb71" name="pb71">71</a>]</span>mousseline, dat de meubels bedekte, vertelde haar +vele verhalen. En ze vond een diepe beteekenis in al de +liefdestooneelen, die tusschen de herders en herderinnetjes op de +wandschilderingen werden afgespeeld. Zij had ook dadelijk het geheim +van don Ferrante geraden. Hij was in het geheel geen gewone koopman in +een der straten van een kleine stad.</p> +<p>Hij was een eergierig man, die geld verzamelde om de familiegoederen +op den Etna terug te kunnen koopen, evenals het paleis in Catania en +het slot in de bergen. En indien hij een kort buis en een puntige muts +droeg gelijk een boer, was dit slechts om des te eerder te kunnen +optreden als grande van Spanje en prins van Sicilië.</p> +<p>Sedert hij getrouwd was, placht don Ferrante zich iederen avond te +kleeden in een fluweelen rok, zijn gitaar in de hand te nemen, en zich +te plaatsen op de koortrap van de muziekzaal in het zomerpaleis om +canzones te zingen. Terwijl hij zong, droomde donna Micaela, dat ze +gehuwd was met den edelsten man van het gansche schoone eiland +Sicilië.</p> +<p>Toen donna Micaela een paar maanden getrouwd was, kwam haar vader +uit de gevangenis en vestigde zich in het zomerpaleis bij zijn dochter. +Hij bevond zich heel wel in Diamante en werd aller vriend. Hij sprak +gaarne met de iemkers en de wijngaardeniers, die hij in het café +Europa trof; en hij vermaakte zich iederen dag met het rijden naar den +voet van den Etna om naar historische overblijfselen te zoeken. Maar +hij had zijn dochter volstrekt geen vergiffenis geschonken. Wel woonde +hij onder haar dak, maar hij behandelde haar als een vreemde en was +nooit teeder jegens haar.</p> +<p>Donna Micaela liet hem stil geworden en hield zich alsof zij niets +bemerkte.</p> +<p>Zij kon zijn toorn niet meer zoo ernstig opnemen. Deze oude man, +dien zij liefhad, geloofde, dat hij haar jaar na jaar zou kunnen +blijven haten. Hij zou in haar nabijheid leven, haar stem hooren, haar +oogen zien en omgeven zijn door haar liefde, en hij zou kunnen +voortgaan haar te haten!</p> +<p>O, hij kende haar noch zich zelf! En dikwijls zat zij te +phantaseeren hoe het zou gaan als hij tot de erkentenis kwam, +<span class="pagenum">[<a id="pb72" href="#pb72" name="pb72">72</a>]</span>dat hij overwonnen was, wanneer hij tot haar komen +en haar toonen zou, dat hij haar liefhad.</p> +<hr class="tb"> +<p>Op een dag stond donna Micaela op haar balkon, en wuifde tegen haar +vader, die op een kleine donkerbruine ponny wegreed, toen don Ferrante +uit zijn winkel kwam om met haar te spreken.</p> +<p>En wat don Ferrante haar wilde zeggen, was, dat het hem gelukt was +voor haar vader een plaats te koopen in de broederschap van het heilig +hart te Catania.</p> +<p>Maar ofschoon don Ferrante zeer duidelijk sprak, scheen donna +Micaela hem volstrekt niet te verstaan.</p> +<p>Hij moest herhalen, dat hij gisteren in Catania was geweest, en dat +het hem gelukt was cavaliere Palmeri een plaats te verschaffen in een +broederschap. Hij zou over een maand daar intreden.</p> +<p>Zij vroeg slechts: „Wat wil dit zeggen? Wat beteekent +dit?”</p> +<p>„O,” zei don Ferrante, „kan het mij niet vervelen +kostbaren wijn van het vasteland voor je vader te laten komen en kan ik +geen lust hebben zelf eens op Domenico te rijden?” Toen hij dit +gezegd had, wilde hij heengaan. Er was immers niets meer te zeggen.</p> +<p>„Maar vertel mij toch eerst wat voor een broederschap dat +is,” zeide zij.</p> +<p>„Wat dat is? Daar wonen vele oude mannen.”</p> +<p>„Arme oude mannen?”</p> +<p>„O ja, ze zijn juist niet rijk.”</p> +<p>„Ze hebben zeker geen eigen kamer?”</p> +<p>„Neen, maar zeer groote slaapzalen.”</p> +<p>„En ze eten uit tinnen borden aan ongedekte tafels?”</p> +<p>„Neen, ze zullen wel uit porselein eten.”</p> +<p>„Maar zonder tafelkleed?”</p> +<p>„Mijn hemel, wat zou dat, indien de tafel slechts schoon +is!”</p> +<p>Hij trachtte haar gerust te stellen. „Daar wonen heel goede +menschen. En als je het wilt weten, dan was het niet zonder aarzelen, +dat men cavaliere Palmeri aannam.” <span class="pagenum">[<a id="pb73" href="#pb73" name="pb73">73</a>]</span></p> +<p>Toen verliet don Ferrante de kamer. Zijn vrouw was bedroefd, maar +ook zeer verontwaardigd. Haar scheen het, dat hij zich beroofd had van +rang en stand en een gewone koopman was geworden.</p> +<p>Ze zei heel luid, ofschoon niemand het kon hooren, dat het +zomerpaleis slechts een groot en leelijk oud huis was en Diamante een +arme, ellendige stad.</p> +<p>En natuurlijk zou ze niet toestaan, dat haar vader vertrok. Don +Ferrante moest iets anders verzinnen.</p> +<p>Nadat de maaltijd geëindigd was, wilde don Ferrante naar +café Europa gaan om domino te spelen en hij zocht naar zijn +hoed.</p> +<p>Donna Micaela nam zijn hoed en volgde hem naar de galerij, die +rondom den tuin liep. Toen ze ver genoeg van de eetzaal verwijderd +waren, dat haar vader haar niet kon verstaan, zei ze heftig:</p> +<p>„Heb je iets tegen mijn vader?”</p> +<p>„Hij is te duur.”</p> +<p>„Maar je bent immers rijk.”</p> +<p>„Wie heeft je zoo iets verteld? Zie je dan niet hoe hard ik +moet werken?”</p> +<p>„Wees dan liever zuinig met iets anders.”</p> +<p>„Ik zal ook zuinig zijn met iets anders. Giannita heeft nu +genoeg geschenken gekregen.”</p> +<p>„Neen, onthoud mij liever iets.”</p> +<p>„Jij bent mijn echtgenoote, jij zult het houden, zooals je het +hebt.”</p> +<p>Zij zweeg een oogenblik. Zij dacht na wat zij hem zou kunnen zeggen, +dat hem bang zou maken.</p> +<p>„En indien ik nu je echtgenoote ben, weet je dan ook waarom ik +dat geworden ben?”</p> +<p>„O, ja.”</p> +<p>„Weet je ook wat don Matteo mij beloofde?”</p> +<p>„Dat is don Matteo’s zaak, maar ik doe wat ik +kan.”</p> +<p>„Je hebt misschien wel gehoord, dat ik brak met al mijn +vrienden in Catania toen ik vernam, dat mijn vader hulp bij hen gezocht +en niet gekregen had?”</p> +<p>„Dat weet ik.”</p> +<p>„En dat ik naar Diamante vertrok, opdat hij hen niet langer +behoefde te zien en zich voor hen schamen moest?” <span class="pagenum">[<a id="pb74" href="#pb74" name="pb74">74</a>]</span></p> +<p>„Zij komen ook niet in de broederschap.”</p> +<p>„Indien je dit alles weet, ben je dan niet bang iets tegen +mijn vader te doen?”</p> +<p>„Bang? Neen, voor mijn vrouw ben ik niet bang.”</p> +<p>„Heb ik je niet gelukkig gemaakt?” vroeg zij nu.</p> +<p>„O, ja,” antwoordde hij onverschillig.</p> +<p>„Vondt je het niet aangenaam voor mij te zingen? Beviel het je +niet, dat ik je hield voor den edelmoedigsten man van geheel +Sicilië? Vondt je het niet prettig, dat ik me zoo wel bevond in +het oude paleis? Waarom moet dit alles nu eindigen?”</p> +<p>Hij legde zijn hand op haar schouder en waarschuwde haar.</p> +<p>„Denk er aan, dat je niet gehuwd bent met een voornamen heer +van Via Etnea!”</p> +<p>„O, neen.”</p> +<p>„Hier op den berg heerschen andere zeden. Hier gehoorzamen de +vrouwen haar mannen. En wij storen ons weinig aan schoone woorden. Maar +als wij die willen hebben, weten we wel hoe we die moeten +krijgen.”</p> +<p>Toen hij zoo sprak, werd zij bang. Het volgende oogenblik lag zij op +de knieën voor hem.</p> +<p>Het was een donkere avond, maar er stroomde zoo’n heldere +lichtschijn uit de vertrekken dat hij haar oogen kon zien.</p> +<p>In een vurige smeekbede, heerlijk als sterren, waren die op hem +gevestigd.</p> +<p>„Wees barmhartig. Je weet niet hoe lief ik hem heb!”</p> +<p>Don Ferrante lachte. „Daarmee hadt je moeten beginnen. Nu heb +je mij eerst boos gemaakt.”</p> +<p>Zij lag nog steeds onbeweeglijk en zag naar hem op.</p> +<p>„’t Is goed,” zei hij, „dat je voor het +vervolg weet, hoe je je gedragen moet.”</p> +<p>Nog steeds lag ze op haar knieën.</p> +<p>Toen vroeg hij: „Zal ik het hem zeggen of wil je het zelf +doen?”</p> +<p>Donna Micaela schaamde zich, dat zij zich zoo verootmoedigd had. Zij +rees op en antwoordde trotsch:</p> +<p>„Ik zal het hem zeggen, maar niet vóór den +laatsten dag. En jij zult hem niets laten merken.” <span class="pagenum">[<a id="pb75" href="#pb75" name="pb75">75</a>]</span></p> +<p>„Neen, dat <i>zal</i> ik niet,” zei hij, haar +nasprekend. „Een korte ellende is aangenamer voor mij.”</p> +<p>Maar toen hij was heengegaan, lachte donna Micaela om don Ferrante, +omdat hij meende, dat hij met haar vader kon doen wat hij wilde. Zij +kende wel iemand, die haar helpen zou.</p> +<hr class="tb"> +<p>In den dom van Diamante bevindt zich een wonderdoend Madonnabeeld, +en dit is zijn geschiedenis:</p> +<p>Lange, lange jaren geleden woonde een heilige heremiet in een grot +op den Monte Chiaro. En deze heremiet droomde op een nacht, dat er in +de haven van Catania een schip lag, dat geladen was met +heiligenbeelden. Onder deze was er één, dat zoo heilig +was, dat de Engelschen, die rijker zijn dan alle andere menschen, het +tegen goud wilden opwegen.</p> +<p>Zoo spoedig de heremiet uit dezen droom ontwaakte, begaf hij zich +naar Catania. Toen hij daar kwam, zag hij, dat hij de waarheid gedroomd +had.</p> +<p>In de haven lag een schip, dat geladen was met heiligenbeelden en +onder deze beelden was er één van de Madonna, dat +heiliger was dan alle andere. Nu smeekte de heremiet den kapitein, dat +hij dit beeld niet zou wegvoeren van Sicilië, maar het hem zou +schenken.</p> +<p>Maar de kapitein weigerde dat.</p> +<p>„Ik breng het naar Engeland,” zei hij, „en de +Engelschen zullen het tegen goud opwegen.”</p> +<p>De heremiet hernieuwde zijn bede. Op het laatst liet de kapitein hem +door zijn matrozen van het schip jagen en heesch de zeilen tot +vertrek.</p> +<p>Het scheen, alsof het heiligenbeeld voor Sicilië verloren zou +gaan, maar de heremiet zonk op de knieën naast een der lavablokken +op het strand en bad God, dat dit niet zou gebeuren.</p> +<p>En wat geschiedde er?</p> +<p>Het schip kon niet vertrekken. Het anker was gelicht, de zeilen +waren geheschen en de wind was gunstig, maar gedurende volle drie dagen +lag het schip onbeweeglijk, alsof het een rots was. <span class="pagenum">[<a id="pb76" href="#pb76" name="pb76">76</a>]</span></p> +<p>Den derden dag nam de kapitein het Madonnabeeld en wierp het den +heremiet toe, die nog op het strand lag. En dadelijk daarna kon het +schip de haven uitzeilen.</p> +<p>Maar de heremiet voerde het beeld naar den Monte Chiaro en nu +bevindt het zich nog in Diamante, waar het een kapel en een altaar +heeft in de domkerk.</p> +<p>Donna Micaela begaf zich naar deze Madonna om voor haar vader te +bidden.</p> +<p>Ze zocht de kapel der Madonna op, die gebouwd was in een donkeren +hoek van de domkerk.</p> +<p>Daar waren de wanden geheel bedekt met gaven, het beeld krachtens +een belofte vereerd, met zilveren harten en schilderijen, geschonken +door al degenen, die geholpen waren door Diamante’s Madonna.</p> +<p>’t Beeld was gebeiteld uit zwart marmer, en toen donna Micaela +het in zijn nis zag staan, hoog en duister, bijna geheel verborgen +achter het vergulde traliehek, meende zij te zien, dat het gelaat der +Madonna schoon was, en straalde van mildheid.</p> +<p>En haar hart was vervuld van hoop.</p> +<p>Hier was de machtige koningin des hemels, hier was de goede moeder +Maria, hier was de bedroefde, die aller smarten begreep, hier was zij, +die niet zou toestaan, dat haar vader van haar werd genomen.</p> +<p>Hier bij de Madonna zou zij hulp vinden. Zij zou niets anders +behoeven te doen dan op haar knieën vallen en haar nood klagen, +opdat de zwarte Madonna haar zou bijstaan.</p> +<p>Terwijl zij bad, was zij overtuigd, dat don Ferrante reeds op +hetzelfde oogenblik van meening veranderde.</p> +<p>Als zij thuis kwam, zou hij haar tegemoet loopen om haar te zeggen, +dat haar vader haar niet behoefde te verlaten.</p> +<hr class="tb"> +<p>’t Was een morgen, drie weken later.</p> +<p>Donna Micaela kwam uit het zomerpaleis om naar de vroegmis te gaan, +maar vóórdat zij zich naar de kerk begaf, ging ze naar +donna Elisa’s winkel om een waskaars te koopen.</p> +<p>’t Was nog zoo vroeg, dat ze vreesde, dat de winkel nog niet +open zou zijn, maar haar vrees bleek ongegrond, <span class="pagenum">[<a id="pb77" href="#pb77" name="pb77">77</a>]</span>en zij +was blijde, dat zij een geschenk kon meenemen voor de zwarte Madonna. +Er was niemand in den winkel, toen donna Micaela binnentrad, en zij +bewoog de deur heen en weer, opdat de bel zou luiden en donna Elisa +binnen roepen.</p> +<p>Eindelijk verscheen er iemand, maar het was niet donna Elisa, maar +een jonge man.</p> +<p>Deze jonge man was Gaetano, dien donna Micaela nauwelijks kende. +Want Gaetano had zooveel van haar hooren vertellen, dat hij bang was +haar te ontmoeten, en iederen keer, dat zij donna Elisa bezocht, had +hij zich in zijn werkplaats opgesloten. Donna Micaela wist niets anders +van hem dan dat hij Diamante wilde verlaten, en dat hij voortdurend +heiligenbeelden sneed, opdat donna Elisa thuis iets zou hebben te +verkoopen, terwijl hij groote schatten verdiende in +Argentinië.</p> +<p>Toen zij nu Gaetano zag, vond zij hem zoo mooi dat het haar een +genot was naar hem te kijken. Wel was ze angstig als een gejaagd hert, +maar geen smart ter wereld kon haar verhinderen vreugde te gevoelen als +zij iets schoons zag.</p> +<p>Zij vroeg zich af, waar zij hem vroeger gezien had, en zij +herinnerde zich, dat zij zijn gezicht kende van haar vaders heerlijke +schilderijenverzameling in het paleis te Catania.</p> +<p>Daar was hij niet gekleed geweest in een arbeiderskiel, maar droeg +hij een zwarten, vilten hoed met lange, wuivende witte pluimen en een +breeden, kanten kraag op een fluweelen mantel. En hij was geschilderd +door den grooten meester Van Dijck.</p> +<p>Donna Micaela verzocht Gaetano om een waskaars, en hij begon +daarnaar te zoeken. En nu deed zich het vreemde geval voor, dat +Gaetano, die iederen dag in den kleinen winkel was, daar geheel vreemd +scheen te zijn. Hij zocht naar een waskaars in de lade der rozenkransen +en in de doozen der kleine medaillons<span class="corr" id="xd20e1899" +title="Niet in bron">.</span> Hij kon er geen vinden en toen werd hij +zoo ongeduldig, dat hij laden omver smeet en doozen kapot drukte. En +het werd een groote wanorde en verwoesting. ’t Zou donna Elisa +zeker veel verdriet doen, als zij thuis kwam. Maar donna Micaela vond +het heerlijk <span class="pagenum">[<a id="pb78" href="#pb78" name="pb78">78</a>]</span>te zien, hoe hij de dichte lokken van zijn +voorhoofd streek en hoe zijn goudkleurige oogen fonkelden, gelijk +gulden wijn wanneer de zon daarop straalt.</p> +<p>Het gaf haar troost iets te zien, dat zoo schoon was.</p> +<p>Donna Micaela vroeg toen vergiffenis aan de edele heeren die door +den grooten Van Dijck geschilderd waren. Hoe dikwijls had zij tot hen +gezegd:</p> +<p>„O, signor, ge zijt schoon geweest, maar zoo donker, zoo +bleek, en zoo weemoedig hebt ge niet kunnen zijn. En zulke vuuroogen +hebt ge niet bezeten, maar dit alles heeft de schilder slechts in uw +gelaat gelegd.”</p> +<p>Maar toen donna Micaela Gaetano nu zag, vond ze dat dit alles in een +gezicht kon gevonden worden en dat de meester niet noodig had gehad er +iets aan toe te voegen. Daarom vroeg ze vergiffenis aan de oude edele +heeren.</p> +<p>Onderwijl had Gaetano de lange doozen met kaarsen gevonden, die op +dezelfde plaats onder de toonbank stonden waar ze altijd gestaan +hadden.</p> +<p>En hij gaf haar een waskaars, maar wist niet wat die kostte; hij +zeide, dat zij die later wel kon betalen. Toen zij om een stuk papier +verzocht om de kaars in te wikkelen, werd hij zoo verlegen, dat zij hem +moest helpen zoeken.</p> +<p>Het bedroefde haar dat zulk een man er aan dacht naar +Argentinië te vertrekken.</p> +<p>Hij liet het aan donna Micaela over, de kaars in te pakken, terwijl +hij zelf haar stil beschouwde.</p> +<p>Zij zou gewenscht hebben, dat zij hem kon verzoeken haar nu niet aan +te zien, nu niets anders dan hopeloosheid en smart uit haar gelaat +sprak.</p> +<p>Gaetano had haar trekken niet meer dan één oogenblik +beschouwd, toen hij op een kleine trap sprong en een beeld van de +bovenste plank nam en daarmee naar haar toe kwam.</p> +<p>Het was een kleine vergulde en geschilderde aartsengel, +voorstellende San Michaël in strijd met den aartsvijand, dien hij +nu uit het papier wikkelde.</p> +<p>Dezen reikte hij donna Micaela toe en verzocht hij haar aan te +nemen. Hij wilde haar dit beeld schenken, omdat dit het beste was, dat +hij ooit gesneden had. Hij was zoo overtuigd dat dit grooter macht +bezat dan zijn andere beelden dat hij dit op de bovenste plank +geplaatst had, opdat <span class="pagenum">[<a id="pb79" href="#pb79" +name="pb79">79</a>]</span>niet de eerste de beste dit beeld zou zien en +koopen. Hij had donna Elisa verboden het aan iemand anders te +verkoopen, dan aan dengene, die gebukt ging onder een groote smart. En +nu moest donna Micaela dit beeld van hem aannemen.</p> +<p>Zij stond zwijgend, zij vond hem haast te indringend.</p> +<p>Maar Gaetano verzocht haar te zien, hoe goed het beeld gesneden was. +Zag zij wel, dat de vleugels van den aartsengel in toorn opstonden en +dat Lucifer zijn klauwen drukte in de stalen sporen van San +Michaëls voet?</p> +<p>Zag zij met hoeveel kracht San Michaël zijn lans velde en hoe +hij zijn voorhoofd fronste en zijn lippen op elkaar klemde?</p> +<p>Hij wilde het kleine beeld in haar hand leggen, maar zij schoof het +zacht ter zijde.</p> +<p>Ze zag wel, dat het beeld schoon en machtig was, zei zij, maar zij +wist, dat het haar niet kon helpen. Zij dankte hem voor zijn geschenk, +maar zij wilde het niet aannemen. Toen trok Gaetano het beeld naar zich +toe, wikkelde het in papier en zette het weer op zijn plaats.</p> +<p>En niet vóórdat het weer op de bovenste plank stond, +sprak hij tot haar.</p> +<p>Maar toen vroeg hij haar waarom zij waskaarsen kocht indien zij geen +geloovige was? Was het haar bedoeling te zeggen, dat zij niet aan San +Michaël geloofde? Wist zij dan niet, dat hij de machtigste der +engelen was en dat hij het was, die Lucifer overwonnen en in den Etna +geworpen had? Twijfelde zij of dat waar was? Wist ze niet, dat San +Michaël gedurende den strijd een veer uit zijn vleugel verloren +had en dat deze in Caltanisette gevonden was? Wist zij dat of wist zij +dat niet?</p> +<p>Of wat bedoelde zij anders ermee, dat San Michaël haar niet kon +helpen? Geloofde zij, dat geen heilige haar helpen kon? En hij dan, die +iederen dag in zijn werkplaats heiligen sneed? Zou hij dat doen, indien +ze nergens voor dienden? Dacht zij, dat hij een bedrieger was?</p> +<p>Maar daar donna Micaela een even streng geloovige was als Gaetano, +vond zij zijn woorden onrechtvaardig en dat prikkelde haar tot +tegenspraak.</p> +<p>„Het gebeurt toch soms, dat de heiligen niet helpen,” +zeide ze. En toen Gaetano er ongeloovig uitzag, kreeg ze <span class="pagenum">[<a id="pb80" href="#pb80" name="pb80">80</a>]</span>een +onweerstaanbare neiging hem te overtuigen; en zij zei hem, dat men haar +uit naam der Madonna beloofd had, dat indien zij don Ferrante een +trouwe echtgenoote werd, haar vader een onbezorgden ouden dag zou +hebben.</p> +<p>En nu wilde haar man toch haar vader in een broederschap plaatsen, +die arm was als een armhuis en streng als een gevangenis. En de Madonna +had dit niet afgewend, maar over acht dagen zou het gebeuren.</p> +<p>Gaetano luisterde aandachtig naar haar.</p> +<p>Dit maakte, dat zij hem haar gansche geschiedenis +toevertrouwde<span class="corr" id="xd20e1960" title="Bron: ,">.</span></p> +<p>„Donna Micaela,” zei hij, „ge moet u wenden tot de +zwarte Madonna in de domkerk.”</p> +<p>„Gelooft ge dan, dat ik niet tot haar gebeden heb?”</p> +<p>Toen steeg een blos naar Gaetano’s wangen en hij zei bijna +toornig:</p> +<p>„Ge wilt toch niet zeggen, dat ge u tevergeefs gewend hebt tot +de zwarte Madonna?”</p> +<p>„Ik heb de laatste drie weken tevergeefs tot haar gebeden, +haar gesmeekt en gebeden.”</p> +<p>Toen donna Micaela dit zei, kon zij nauwelijks ademhalen.</p> +<p>Ze kon over zichzelf weenen, omdat ze iederen dag hulp verwacht had +en iederen dag teleurgesteld werd en toch geen beter middel wist dan +opnieuw met haar smeekbeden te beginnen.</p> +<p>En men zag op haar gelaat, dat haar ziel opnieuw doorleefde, wat zij +geleden had, toen zij elken dag de vervulling van haar bede verwachtte, +en de tijd verstreek zonder dat dit gebeurde.</p> +<p>Gaetano werd echter niet getroffen door haar woorden, maar stond +glimlachend te trommelen op een der glazen uitstalkasten, die op de +toonbank stonden.</p> +<p>„Hebt ge slechts tot de Madonna gebeden?” zei hij.</p> +<p>Slechts gebeden, slechts gebeden! Maar zij had de Madonna ook +beloofd al haar zonden af te leggen.</p> +<p>Ze was naar de steeg gegaan, waar zij eerst gewoond had om de vrouw +met de beenwonde te verplegen.</p> +<p>Ze liep nooit een bedelaar voorbij, zonder hem een aalmoes te geven. +<span class="pagenum">[<a id="pb81" href="#pb81" name="pb81">81</a>]</span></p> +<p>Slechts gebeden! En zij zeide hem, dat indien de Madonna de macht +bezeten had haar te helpen, zij tevreden had moeten zijn met haar +gebeden. Zij had haar dagen in de domkerk doorgebracht. En de angst, de +angst, die haar verteerde! Werd die dan in ’t geheel niet +gerekend?</p> +<p>Hij trok slechts zijn schouders op. „Had zij niets anders +beproefd?”</p> +<p>„Niets anders! Maar er was niets ter wereld, dat zij niet +beproefd had. Zij had de Madonna zilveren harten en waskaarsen +geschonken. Zij legde de rozenkrans niet uit haar handen.”</p> +<p>Gaetano’s woorden wonden haar op.</p> +<p>Niets wat zij gedaan had wilde hij rekenen, maar hij vroeg +slechts:</p> +<p>„Niets anders? Niets anders?”</p> +<p>„Maar ge moet toch begrijpen,” zeide ze, „don +Ferrante geeft mij toch niet zooveel geld. Ik kan niet meer doen. Nu +eindelijk is het mij gelukt zijde voor een altaarkleed aan te schaffen. +Ge moet dat toch begrijpen!”</p> +<p>Maar Gaetano, die alle dagen met heiligen verkeerde en die de macht +der geestvervoering en der heftigheid kende, die over hen was als ze +God dwongen hun gebeden te verhooren, lachte hoonend om donna Micaela +die geloofde de Madonna door waskaarsen en altaarkleeden te kunnen +dwingen.</p> +<p>„Hij begreep het wel,” antwoordde hij haar. „De +geheele samenhang was hem duidelijk. Zoo ging het den armen heiligen nu +altijd. De gansche wereld riep hen aan om hulp, maar slechts weinigen +wisten hoe zij moesten bidden om geholpen te worden. En dan zei men, +dat de heiligen geen macht hadden.</p> +<p>„Allen, die wisten hoe ze moesten bidden, werden +geholpen.”</p> +<p>Donna Micaela zag op in blijde verwachting. Er klonk zulk een kracht +en overtuiging uit Gaetano’s woorden, dat zij begon te gelooven, +dat hij haar het verlossende woord zou kunnen leeren.</p> +<p>Maar Gaetano nam de kaars, die voor haar op de toonbank lag en wierp +die weer in de lade en zeide haar wat ze doen moest. Hij verbood haar +de Madonna geschenken te geven of tot haar te bidden of iets voor de +armen te doen. <span class="pagenum">[<a id="pb82" href="#pb82" name="pb82">82</a>]</span></p> +<p>Hij zei haar, dat hij haar altaarkleed zou verscheuren, indien zij +nog een steek daaraan naaide.</p> +<p>„Toon haar, donna Micaela, dat het iets voor u +beteekent,” zei hij, terwijl hij haar met dwingende kracht in de +oogen keek.</p> +<p>„Mijn God, ge moet iets kunnen bedenken, dat haar bewijst dat +het u ernst is en geen spel.</p> +<p>„Ge moet haar kunnen toonen, dat ge niet langer wilt leven, +indien ge niet geholpen wordt. Denkt ge trouw te blijven aan don +Ferrante, indien hij uw vader wegzendt? Ja, dat denkt ge zeker. En als +de Madonna niet bevreesd behoeft te zijn, voor hetgeen ge in wanhoop +doen zult, waarom zal ze u dan helpen?”</p> +<p>Donna Micaela deinsde achteruit. Hij kwam plotseling achter de +toonbank vandaan en hield haar bij de mouw van haar mantel vast.</p> +<p>„Begrijpt ge, ge moet haar toonen, dat ge u zelf weg kunt +werpen, indien ge geen hulp krijgt. Dat ge u in zonde en verderf zult +storten als ge niet krijgt, wat ge wilt. Het is op deze wijze, dat men +heiligen dwingt.”</p> +<p>Zij week voor hem terug en ging zonder een woord te spreken uit den +winkel. Zij haastte zich langs de kronkelende straat, bereikte den dom +en wierp zich geheel ontsteld neder voor het altaar der zwarte +Madonna.</p> +<p>Dit gebeurde op een Zaterdagmorgen en donna Micaela zag Zondagavond +Gaetano opnieuw. De maan scheen helder en in Diamante is het +gebruikelijk, dat bij maneschijn een ieder zijn huis verlaat en op +straat gaat.</p> +<p>Zoodra de bewoners van het zomerpaleis buiten kwamen, hadden ze +bekenden getroffen. Donna Elisa had cavaliere Palmeri’s arm +genomen en sindaco Voltaro had zich bij don Ferrante gevoegd om met hem +over de verkiezingen te spreken, maar Gaetano ging naar donna Micaela +om te hooren of ze zijn raad gevolgd had.</p> +<p>„Hebt ge opgehouden aan het altaarkleed te naaien?”</p> +<p>Donna Micaela antwoordde hem, dat ze den ganschen dag daaraan +gewerkt had.</p> +<p>„Dan zijt ge zelf de oorzaak, dat ge niet geholpen wordt, +donna Micaela.”</p> +<p>„Ja, nu is er geen hulp meer voor mij mogelijk, don +Gaetano.” <span class="pagenum">[<a id="pb83" href="#pb83" name="pb83">83</a>]</span></p> +<p>Zij zorgde er voor, dat ze een afstand van de anderen bleven, want +zij wilde hem ergens over spreken. Toen ze bij de Porta Etnea kwamen, +liepen ze door de poort en daalden af van de treden, die naar de +palmbosschen van den Monte Chiaro leiden.</p> +<p>Ze hadden niet in de drukke straten kunnen blijven.</p> +<p>Donna Micaela sprak zóó, dat de menschen in Diamante +haar gesteenigd zouden hebben, indien ze gehoord hadden, wat ze +zeide.</p> +<p>Zij vroeg Gaetano of hij ooit de zwarte Madonna van de domkerk +gezien had. Den vorigen dag had zij haar voor de eerste maal gezien. De +Madonna was misschien in zoo’n donkeren hoek van den dom +geplaatst, opdat niemand haar zou kunnen zien. Zij was immers zwart en +stond achter een traliehek. Geen mensch kon haar zien.</p> +<p>Maar heden had donna Micaela haar gezien. De Madonna had een +feestdag en zij was uit haar nis gehaald. De vloer en de wanden van +haar kapel waren versierd met witte amandelbloemen en zij zelf had +beneden op het altaar gestaan, groot en donker, omgeven door de +verblindend witte bloemenpracht.</p> +<p>Maar toen donna Micaela het beeld gezien had, was ze in +vertwijfeling geraakt. Want dat beeld stelde geen Madonna voor. Neen, +degene, tot wie zij gebeden had, was geen Madonna. O, wat een ramp, wat +een ramp!</p> +<p>’t Was stellig een oude godin. Zij die iets gezien hadden, +konden zich daarin niet vergissen. Zij droeg geen kroon, maar een helm, +ze had geen kind op den arm, maar een schild. Het was een Pallas +Athene.</p> +<p>Het was geen Madonna. O, neen! O, neen!</p> +<p>’t Was hier in Diamante, dat men zulk een godslastering +vereerde! En wist hij, wat het grootste ongeluk was?</p> +<p>Hun Madonna was zoo leelijk. Zij was zoo verweerd en oud, ook was ze +nooit een kunstwerk geweest. Zij was zoo leelijk, dat men niet naar +haar kijken kon.</p> +<p>Dat ze op een dwaalspoor was geleid door al de duizenden gaven, die +in de kapel hingen, bedrogen was door al de legenden, die van haar +verteld werden!</p> +<p>Drie weken verspild met het bidden tot haar!</p> +<p>Zie, daardoor was ze niet geholpen! Het was geen Madonna, het was +geen Madonna! <span class="pagenum">[<a id="pb84" href="#pb84" name="pb84">84</a>]</span></p> +<p>Ze sloegen den weg in, die rondom den Monte Chiaro onder den +stadsmuur loopt.</p> +<p>De geheele wereld rondom hen was wit.</p> +<p>Witte nevels omhulden den voet van den berg en de amandelboomen +verder op den Etna waren geheel wit van bloemen. Soms liepen ze zelf +onder een amandelboom, die zijn glinsterende takken boven hun hoofd +welfde en zoo volgeladen was met bloemen, alsof hij in een bad van +zilver gedompeld was. De maneschijn lag zoo verblindend wit op de +aarde, dat alles van zijn kleuren beroofd werd en wit scheen. Men was +bijna verbaasd, dat men die niet voelde, dat zij geen warmte gaf en dat +zij de oogen niet verblindde. Donna Micaela vroeg zich af of het de +maneschijn was, die Gaetano bedwong, zoodat hij haar niet greep en in +den Simeto wierp, toen zij de zwarte Madonna lasterde.</p> +<p>Hij ging zwijgend en kalm aan haar zijde, maar zij was bevreesd voor +hetgeen hij doen zou. Doch hoe angstig zij ook was, zij kon niet +zwijgen.</p> +<p>Hetgeen zij nu nog moest vertellen, was het vreeselijkste van alles. +Zij zei, dat zij den ganschen dag beproefd had aan de werkelijke +Madonna te denken, en dat zij zich alle beelden van haar die zij kende, +voor den geest geroepen had.</p> +<p>Maar alles was vergeefsch geweest, omdat zoodra zij dacht aan de +stralende hemelkoningin, de oude godin zich voor haar stelde. En zij +zag haar komen gelijk een rimpelige, oude jonkvrouw om de groote +koningin der hemelen te verjagen, zoodat er voor haar nu geen Madonna +meer bestond.</p> +<p>Zij vreesde, dat deze vertoornd op haar was, omdat zij te veel voor +die andere gedaan had en dat zij nu haar aangezicht en genade van haar +afwendde. Maar ter wille van de valsche Madonna zou haar vader nu in +het ongeluk gestort worden. Nu zou zij hem niet meer in haar huis mogen +behouden.</p> +<p>Nu zou ze nooit zijn vergiffenis ontvangen.</p> +<p>O, God! O, God!</p> +<p>En dit alles zeide zij tot Gaetano, die de zwarte Madonna van +Diamante meer vereerde dan iets anders.</p> +<p>Hij naderde haar nu heel dicht, en zij vreesde dat haar laatste uur +geslagen had. Zij zei met zwakke stem als om zich te verontschuldigen: +<span class="pagenum">[<a id="pb85" href="#pb85" name="pb85">85</a>]</span></p> +<p>„Ik ben waanzinnig. De angst maakt me waanzinnig. Ik slaap +nooit.”</p> +<p>Maar Gaetano was stil naast haar gegaan en had aan niets anders +gedacht dan welk een kind zij was, en hoe weinig zij zich naar het +leven wist te schikken.</p> +<p>Hij wist het nauwelijks zelf vóórdat hij haar zacht +naar zich toe getrokken en haar gekust had, omdat zij zulk een +onervaren en dwaas kind was. Ze werd door zulk een verbazing +aangegrepen, dat zij er in het geheel niet aan dacht weg te +loopen<span class="corr" id="xd20e2104" title="Bron: ,">.</span> En ze +gilde noch vluchtte. Ze begreep dadelijk, dat hij haar kuste, zooals +men een kind kust. Ze ging slechts haastig verder en begon toen te +weenen.</p> +<p>Juist deze kus deed haar gevoelen hoe hulpbehoevend en eenzaam zij +was en hoezeer zij verlangde naar iemand, die sterk en goed was en die +haar in bescherming nam. Het was een ongeluk, dat zij hoewel zij een +man en een vader bezat, toch zoo verlaten was, dat deze vreemde +medelijden met haar gevoelen moest.</p> +<p>Toen Gaetano haar gestalte zag schokken onder stille snikken, voelde +hij hoe ook hij begon te beven. Een diepe en heftige ontroering greep +hem aan.</p> +<p>Weer naderde hij haar en legde zijn hand op haar arm. Toen hij +sprak, was zijn stem niet luid en helder, maar dof en verstikt door +aandoening.</p> +<p>„Wilt ge met mij vluchten naar Argentinië, indien de +Madonna u niet helpt?”</p> +<p>Nu week donna Micaela voor hem terug. Ze voelde plotseling, dat hij +niet meer tot haar sprak als tot een kind. Zij wendde zich om en ging +naar de stad terug.</p> +<p>Gaetano volgde haar niet, maar bleef staan op de plek, waar hij haar +gekust had en het was hem alsof hij nooit meer in zijn leven deze +plaats zou kunnen verlaten.</p> +<hr class="tb"> +<p>Gedurende twee dagen droomde Gaetano van donna Micaela, maar op den +derden dag ging hij naar het zomerpaleis om met haar te spreken.</p> +<p>Hij trof haar op het terras en hij zei haar dadelijk, dat zij met +hem vluchten moest.</p> +<p>Hij had aan haar gedacht, sedert ze van elkaar gescheiden waren. +<span class="pagenum">[<a id="pb86" href="#pb86" name="pb86">86</a>]</span></p> +<p>Hij had in zijn werkplaats staan peinzen over alles, wat er gebeurd +was, en nu was hij tot klaarheid gekomen.</p> +<p>Ze was een roos, door den sterken sirocco van den struik gerukt en +ruw door de lucht geslingerd, opdat zij des te beter rust en +beschutting zou vinden bij een hart, dat haar beminde.</p> +<p>Zij moest begrijpen, dat God en alle heiligen wenschten en +verlangden, dat ze elkaar zouden liefhebben, anders zouden die groote +ongelukken haar niet in zijn nabijheid gevoerd hebben. En indien de +Madonna weigerde haar te helpen, dan was dat, omdat ze haar wilde +ontslaan van haar trouwbelofte aan don Ferrante. Want alle hemelsche +goden wisten, dat zij de zijne was. Zij was voor hem geschapen, voor +hem was zij opgegroeid, voor hem leefde zij. Toen hij haar in den +maneschijn op den weg gekust had, was hij geweest als een wanhopig +kind, dat lang in de woestijn gedoold heeft, en nu eindelijk aan de +poort van het ouderlijk huis is gekomen.</p> +<p>Hij bezat niets, maar zij was zijn thuis en zijn haard.</p> +<p>Zij was het erfdeel, dat God hem toegedacht had, het eenige in de +wereld, dat het zijne was.</p> +<p>Daarom kon hij haar niet achterlaten. Ze moest hem volgen, ze moest, +zij moest!</p> +<p>Hij lag volstrekt niet voor haar op de knieën.</p> +<p>Hij sprak tot haar met gebalde handen en vlammende oogen. Hij +smeekte haar niet, maar beval haar met hem te vertrekken, omdat zij de +zijne was.</p> +<p>Het was geen zonde haar weg te voeren, maar veeleer zijn plicht dat +te doen. Hoe zou het haar gaan, indien hij haar hier achterliet?</p> +<p>Donna Micaela hoorde hem aan, zonder een beweging te maken. Een +langen tijd zweeg zij, ook nadat hij opgehouden had met spreken.</p> +<p>„Wanneer vertrekt ge?” vroeg zij eindelijk.</p> +<p>„Ik vertrek Zaterdag van Diamante.”</p> +<p>„En wanneer gaat de stoomboot?”</p> +<p>„Die vertrekt Zondagavond uit Messina.”</p> +<p>Donna Micaela stond op en liep naar de trap van het terras.</p> +<p>„Mijn vader zal Zaterdag naar Catania reizen,” zei zij. +<span class="pagenum">[<a id="pb87" href="#pb87" name="pb87">87</a>]</span></p> +<p>„Ik zal don Ferrante verzoeken hem daarheen te mogen +brengen.”</p> +<p>Ze daalde een paar treden van de steenen trap, alsof zij niets meer +te zeggen had. Toen bleef zij staan.</p> +<p>„Indien gij mij dan in Catania ontmoet, zal ik u volgen +waarheen ge wilt.”</p> +<p>Zij haastte zich van de trap. Gaetano beproefde niet haar terug te +houden. Er zou zeker eens een tijd komen, dat zij niet voor hem zou +vluchten. Hij wist dat zij niet kon nalaten hem lief te hebben.</p> +<hr class="tb"> +<p>Den ganschen Vrijdagmiddag had donna Micaela in de domkerk +doorgebracht. Zij had zich in wanhoop voor de Madonna op de knieën +geworpen.</p> +<p>„O, Madonna mia, Madonna mia! Zal ik morgen een ontrouwe +echtgenoote zijn? Zullen de menschen dan het recht hebben al het +mogelijke kwaad van mij te spreken?”</p> +<p>En alles scheen haar even vreeselijk. Zij was bang om met Gaetano te +vluchten, en zij wist niet hoe zij het zou kunnen uithouden bij don +Ferrante. Zij haatte den eene zoowel als den andere. Geen van beiden +scheen haar iets anders dan ongeluk te kunnen bieden.</p> +<p>Zij zag wel, dat de Madonna haar niet zou helpen.</p> +<p>—En nu vroeg zij zich af, of het nog geen grooter ellende was +met Gaetano te vluchten, dan te blijven bij don Ferrante. Was het de +moeite waard, dat zij zich in het verderf stortte, om zich op haar man +te wreken?</p> +<p>En bestond er wel iets afschuwelijkers dan te vluchten met een man, +dien zij niet liefhad?</p> +<p>Ze leed hevige smarten. De gansche week werd ze gekweld door een +verterende onrust. Het vreeselijkste was, dat ze nooit kon slapen. Zij +dacht geen gezonde, klare gedachten meer.</p> +<p>Keer op keer begon zij haar gebeden opnieuw. Maar toen dacht zij +opeens: De Madonna kan mij niet helpen; en zij hield dadelijk op met +bidden.</p> +<p>Toen moest ze denken aan de smarten van vroeger dagen en herinnerde +zich het kleine beeld, dat haar eens <span class="pagenum">[<a id="pb88" href="#pb88" name="pb88">88</a>]</span>bijgestaan had, toen zij +in groote wanhoop verkeerde. En nu richtte zij met hartstochtelijken +ijver haar gebeden tot het kleine, arme Christuskind.</p> +<p>„Help mij, help mij! Help mijn ouden vader en help mij zelf, +opdat ik mij niet laat verleiden tot zonde en wraak.”</p> +<p>Toen zij dien nacht ging liggen, streed zij nog steeds tegen haar +onrust en angst.</p> +<p>„Kon ik slechts een enkel uur slapen,” zei ze, +„dan zou ik weten wat ik wil.”</p> +<p>Gaetano zou den volgenden morgen heel vroeg vertrekken. Ten slotte +nam zij het besluit met hem te spreken, vóórdat hij +vertrok, en hem te zeggen, dat zij hem niet kon volgen. Zij kon het +niet verdragen beschouwd te worden als een gevallen vrouw.</p> +<p>Nauwelijks had zij dit besluit genomen of zij viel in slaap. Ze +ontwaakte niet vóórdat de klok den volgenden morgen negen +uur sloeg. En toen was Gaetano reeds vertrokken. Zij kon hem niet meer +zeggen, dat ze berouw had van haar besluit. Maar daaraan dacht zij niet +meer. In den slaap was er iets nieuws en vreemds over haar gekomen. +Haar scheen het, dat zij gedurende den nacht in den hemel vertoefd had +en dat ze de gelukzaligheid gesmaakt had.</p> +<hr class="tb"> +<p>Waar wordt er een heilige gevonden, den menschen tot grooter nut dan +San Pasquale? Gebeurt het niet somtijds, dat ze op een eenzame plaats +in het bosch of op het veld staan te praten en dat ze óf kwaad +van iemand spreken óf plannen beramen tot iets slechts? Nu, let +eens op, als zij daar op hun best staan, hooren ze een geraas achter +zich, zoodat ze omkijken en denken, dat iemand hen met een steen +geworpen heeft.</p> +<p>’t Is niet noodig, dat zij lang omkijken. ’t Is niet de +moeite waard dat ze opstuiven om dengene te zoeken, die den steen +geworpen heeft. Die kwam van San Pasquale.</p> +<p>Zoo zeker als er rechtvaardigheid in den hemel bestaat, was het San +Pasquale die hoorde, dat zij over iets slechts spraken en hen met een +zijner steenen wierp om hen te waarschuwen. <span class="pagenum">[<a id="pb89" href="#pb89" name="pb89">89</a>]</span></p> +<p>En degene, die er niet van houdt gestoord te worden in zijn booze +plannen, moet zich niet daarmee troosten, dat San Pasquale’s +steenenvoorraad spoedig uitgeput zal raken. Zijn steenen zullen nooit +opgebruikt zijn. Er zijn er zoo vele, dat ze zullen reiken tot den +laatsten dag der wereld.</p> +<p>Want toen San Pasquale hier op aarde leefde, weet ge wat hij toen +deed? Weet ge waaraan hij meer dacht, dan aan iets anders? San Pasquale +lette op al de kleine kiezelsteenen, die op zijn weg lagen, en +verzamelde deze in zijn zak.</p> +<p>Gij, signor, wilt u nauwlijks bukken om een soldo op te rapen, maar +San Pasquale bukte zich voor elk kiezelsteentje, en toen hij stierf, +nam hij die alle mede naar den hemel en daar zit hij nu en werpt allen, +die iets slechts beramen, met een zijner steenen. Maar dit is zeker +niet het eenige nut, dat San Pasquale den menschen doet. Hij is het +ook, die een teeken geeft als iemand zal trouwen of sterven en hij kan +ook teekens geven met iets anders dan steenen.</p> +<p>Oude Saraedda in Randazzo zat op een nacht bij haar dochters ziekbed +te slapen. Maar haar dochter was bewusteloos en stervende, en niemand +kon de priesters waarschuwen. Hoe werd de moeder toen intijds gewekt? +Hoe werd ze gewekt, zoodat ze iemand kon zenden om den pastoor te +halen? Door niets anders dan dat een stoel heen en weer begon te +wiegelen en te kraken en te krakken, totdat zij ontwaakte. En het was +San Pasquale, die dat deed. Wie anders dan San Pasquale denkt aan zoo +iets?</p> +<p>Er valt nog een geschiedenis van San Pasquale te verhalen. Deze +betreft den langen Kristoforo van Tre Castagni. Hij is geen kwade man, +maar hij had zich een slechte gewoonte eigen gemaakt, hij kon zijn mond +niet openen zonder te vloeken. Hij kon geen twee woorden zeggen, zonder +dat het eene een vloek was.</p> +<p>En gelooft ge, dat het hielp, dat zijn vrouw en buurlieden hem +waarschuwden?</p> +<p>Maar boven zijn bed hing een klein schilderij, dat San Pasquale +voorstelde en het gelukte dit kleine beeld hem te helpen. Iederen nacht +slingerde het heen en weer in zijn <span class="pagenum">[<a id="pb90" +href="#pb90" name="pb90">90</a>]</span>lijst, slingerde hard of zacht, +naarmate Kristoforo overdag gevloekt had. En hij merkte, dat hij geen +enkelen nacht zou kunnen slapen, vóórdat hij ophield met +vloeken.</p> +<p>San Pasquale heeft in Diamante een kerk, die buiten de Porta Etnea +ligt, een weinig beneden de stad. Die kerk is heel klein en arm, maar +de witte wanden en de roode koepel liggen heerlijk in een bosch van +amandelboomen.</p> +<p>Daarom is San Pasquale’s kerk, zoodra de amandelboomen +bloeien, de schoonste godstempel in Diamante. Want de bloeiende takken +welven zich daarboven, vol geladen met glinsterende witte bloemen, een +prachtig kleed gelijk.</p> +<p>San Pasquale’s kerk is zeer ongelukkig en verlaten, omdat er +nooit meer een godsdienstige plechtigheid in gehouden kan worden. Want +toen de Garibaldisten, die Sicilië bevrijdden, in Diamante kwamen, +sloegen ze hun leger op in San Pasquale en in het Franciscanerklooster, +dat naast de kerk ligt. En ze waagden het redelooze dieren in de kerk +te brengen en daar zulk een woest leven te leiden met vrouwen en +kaartspel, dat de kerk sedert als onrein en onheilig beschouwd werd en +nooit meer voor den godsdienst geopend kon worden.</p> +<p>Daardoor komt het, dat slechts als de amandelboomen in bloei staan +de voorname menschen San <span class="corr" id="xd20e2239" title="Bron: Paquale’s">Pasquale’s</span> kerk opmerken. Want +hoewel dan de geheele voet van den Etna wit is van amandelbloemen, +staan toch de grootste en schoonste boomen rondom de oude, verlaten +kerk.</p> +<p>Maar de arme menschen komen gedurende het gansche jaar tot San +Pasquale. Ofschoon de kerk gesloten is, gaan ze daarheen om raad te +vragen aan den heilige. Want bij den ingang staat onder een groot +steenen baldakijn een beeld van hem, dat men pleegt aan te roepen om +iets van de toekomst te vernemen. Niemand voorspelt de toekomst beter +dan San Pasquale.</p> +<p>Nu gebeurde het, dat juist op den morgen, dat Gaetano van Diamante +vertrok, wolken uit den Etna nederdaalden, zoo dicht alsof ze uit stof +bestonden, en opgejaagd waren door ontelbare krijgsscharen.</p> +<p>En ze verduisterden de lucht als donker gevleugelde draken, ze +spuwden regen, en slingerden nevels en duisternis op de aarde. En er +hing zulk een dichte mist boven Diamante, <span class="pagenum">[<a id="pb91" href="#pb91" name="pb91">91</a>]</span>dat men de overzijde der +straat niet kon onderscheiden. De nevel maakte alles nat, de vloer was +even vochtig als het dak, van de deurposten droppelde het water, de +treden der trap waren overstroomd: nevel hing en trilde in alle +vertrekken, zoodat men had kunnen denken dat ze met rook gevuld waren. +Maar zeer vroeg op dezen morgen, nog voordat het begon te regenen, reed +een rijke Engelsche dame in haar grooten reiswagen uit de poort van +Catania om een rit te maken rondom den Etna. Toen ze echter eenige uren +gereden had, plaste een vreeselijke regen neer, die alles in een +dichten nevel hulde.</p> +<p>En daar zij het genot der heerlijke streken, waardoor ze reed, niet +wilde missen, besloot ze de naastbijzijnde stad binnen te rijden en +daar te vertoeven, totdat de bui voorbij was. Maar die stad was juist +Diamante.</p> +<p>Deze Engelsche dame was miss Tottenham, en zij was het, die het +palazza Palmeri in Catania bewoonde. Onder al de voorwerpen, die zij in +haar koffer meevoerde, was ook het Christusbeeld, dat donna Micaela +eens had aangeroepen. Want dit beeld, dat nu oud en onooglijk was, +vergezelde haar altijd op al haar reizen, als een herinnering aan een +oude vriendin, die haar al haar rijkdommen geschonken had.</p> +<p>Men zou geloofd hebben, dat San Pasquale wist, welk een groot +wonderdoener het beeld was, want het scheen als wilde hij het +begroeten. Op hetzelfde oogenblik, dat miss Tottenham’s reiswagen +door de Porta Etnea reed, begonnen de klokken te luiden in de kerk van +San Pasquale.</p> +<p>En zij luidden gedurende den ganschen dag geheel vanzelf.</p> +<p>San Pasquale’s klokken zijn niet veel grooter dan die gebruikt +worden op de landhoeven om het arbeidsvolk naar huis te roepen en +evenals deze hangen ze boven op het dak onder een kleinen luifel; men +pleegt ze in beweging te brengen door aan een touw te trekken, dat +langs den kerkmuur hangt.</p> +<p>Het is geen zwaar werk deze klokken te luiden, maar ze zijn toch +niet zoo licht, dat ze geheel vanzelf in beweging kunnen komen. Degene, +die gezien heeft, hoe de oude fra Felice van het Franciscanerklooster +zijn voet zet in een lus van het klokketouw en op en neer trapt om +<span class="pagenum">[<a id="pb92" href="#pb92" name="pb92">92</a>]</span>ze aan den gang te brengen, weet wel<span class="corr" id="xd20e2265" title="Bron: .">,</span> dat de klokken niet +kunnen beginnen te luiden zonder hulp.</p> +<p>Maar dat was het, wat ze juist wel deden op dezen morgen. Het touw +was stevig vastgebonden aan een spijker in den muur, en er was niemand, +die het aanraakte. En er was ook niemand op het dak gekropen om de +klokken in beweging te brengen. Men kon duidelijk zien hoe de klokken +heen en weer slingerden en hoe de klepels tegen de metalen wanden +sloegen. Het was onbegrijpelijk, hoe ze in beweging waren geraakt.</p> +<p>Toen donna Micaela ontwaakte, luidden de klokken reeds en zij lag +langen tijd stil te luisteren en te luisteren. Zoo iets schoons had zij +nog nooit gehoord.</p> +<p>Zij wist niet, dat het een wonder was, maar ze vond slechts dat het +heerlijk klonk.</p> +<p>En zij was verwonderd, dat aardsche metalen klokken zoo konden +klinken.</p> +<p>Men kan immers ook niet weten wat voor metaal het was, dat er op +dien dag klonk in de klokken van San Pasquale! Haar scheen het, dat de +klokken haar zeiden, dat ze nu blijde moest zijn, nu zou ze leven en +liefhebben, nu zou ze nooit meer angstig of bedroefd zijn<span class="corr" id="xd20e2279" title="Niet in bron">.</span> Toen begon haar +hart te kloppen op de maat van een statige melodie, en onder het luiden +der klokken betrad zij plechtig een heerlijken burcht.</p> +<p>En wien anders kon deze burcht toebehooren, wie kon de heer zijn van +zulk een prachtig slot, dan de liefde? Men kan het niet langer +verbergen, toen donna Micaela ontwaakte, voelde zij, dat ze Gaetano +liefhad en dat zij niets vuriger verlangde dan met hem te vluchten.</p> +<p>En toen donna Micaela het luik van haar raam wegschoof en den +grauwen morgen zag, zond zij dien een kushand en fluisterde:</p> +<p>„Gij, die de morgen zijt van den dag, dat ik zal vertrekken, +gij zijt de schoonste morgen, dien ik nog ooit gezien heb, en zoo grauw +als ge zijt, wil ik u streelen en liefkoozen.”</p> +<p>Maar het klokgelui behaagde haar het meest. Daaruit kon men zien, +dat haar liefde sterk was, want alle andere menschen vonden het +pijnlijk deze klokken te hooren, die maar niet met kleppen wilden +ophouden. <span class="pagenum">[<a id="pb93" href="#pb93" name="pb93">93</a>]</span></p> +<p>Niemand dacht er aan gedurende het eerste half uur, toen hoorde men +nauwelijks het klokgelui, maar gedurende het tweede en derde +uur.————</p> +<p>Gij moet niet denken, dat de kleine klokken van San Pasquale zich +niet konden doen hooren. Zij hadden altijd een helderen klank, maar nu +was het alsof het geluid in haar groeide en groeide. Spoedig scheen +het, alsof er niets anders dan klokken in den nevel waren. Het was +alsof de gansche hemel er vol van hing, ofschoon men ze niet kon zien +door den dichten mist.</p> +<p>Toen donna Elisa voor het eerst den klank hoorde, meende zij dat San +Giuseppe’s kleine klok luidde; en later geloofde zij, dat het de +klok van de domkerk was. Daarna dacht ze te hooren, hoe de klokken van +het Dominicanenklooster met het gelui instemden en ten slotte wist zij +zeker, dat alle klokken der stad luidden en luidden, zoo hard ze +slechts konden; al de klokken der vijf kloosters en zeven kerken. Ze +meende het geluid van elk afzonderlijk te onderscheiden, tot ze vroeg +en hoorde, dat het slechts de kleine klokken van San Pasquale waren, +die luidden. Gedurende de eerste uren, toen men ook nog niet overal +wist, dat de klokken geheel vanzelf luidden, bemerkte men slechts, dat +de regendroppels op de maat van het klokgelui neervielen, en dat allen, +die spraken een harde metaalstem hadden. Ook merkte men, dat het +onmogelijk was op de mandoline of de gitaar te spelen, omdat het +klokgelui zich met de muziek vermengde en die oorverdoovend maakte. Men +kon ook niet lezen, omdat de letters gelijk klokklepels heen en weer +slingerden en de woorden een stem hadden en zich zelf volkomen +duidelijk oplazen.</p> +<p>Spoedig konden de menschen het niet uithouden naar bloemen te zien, +die aan lange stengels hingen, ze schenen heen en weer te wiegelen. En +de menschen klaagden, dat de <span class="corr" id="xd20e2299" title="Bron: bloemem">bloemen</span> in plaats van geur klank gekregen +hadden.</p> +<p>Maar anderen beweerden, dat de nevel, die door de lucht zweefde, +zich op de maat van het klokgelui bewoog, en ze zeiden, dat de slingers +van alle pendules zich daarnaar richtten, en dat alle menschen, die in +den regen buiten liepen, hetzelfde trachtten te doen.</p> +<p>En dat was toen de klokken nog slechts een paar uur <span class="pagenum">[<a id="pb94" href="#pb94" name="pb94">94</a>]</span>geluid +hadden en de menschen er nog om lachten. Maar in het derde uur scheen +het gelui nog krachtiger te worden en enkelen stopten watten in de +ooren, terwijl anderen onder dikke dekens kropen. Maar evenwel voelde +men hoe de lucht trilde van de klokslagen en men scheen te bemerken hoe +alles zich op de maat van het gelui bewoog.</p> +<p>En degenen die naar den donkeren zolder vluchtten, hoorden daar het +klokgelui zoo duidelijk alsof het van den hemel kwam en degenen, die +zich in den diepen kelder verstopten, hoorden het daar zoo sterk en +dreunend, alsof San Pasquale’s kerk in de onderwereld stond. En +alle menschen in Diamante werden angstig, behalve donna Micaela, die +door de liefde voor allen angst behoed werd.</p> +<p>Nu begon men te denken, dat het iets moet beteekenen, dat het juist +de klokken van San Pasquale waren die luidden. En elk vroeg zich af wat +de heilige voorspelde. En ieder had zijn eigen vrees en geloofde dat +San Pasquale juist hem profeteerde, wat hij het minst van alles +wenschte. En elk had een daad die hem op het geweten drukte en geloofde +nu dat San Pasquale straf neerluidde over hem.</p> +<p>Maar tegen den middag, toen de klokken nog steeds bleven doorluiden, +was men overtuigd, dat San Pasquale zulk een ramp over Diamante luidde, +dat men niets anders kon verwachten dan dat alle menschen binnen het +jaar zouden sterven.</p> +<p>En de mooie Giannita kwam hevig ontsteld, schreiende bij donna +Micaela en klaagde, dat het San Pasquale was die de klokken luidde.</p> +<p>„O, God, o God, indien het slechts een ander was geweest dan +San Pasquale!</p> +<p>„Hij ziet dat ons iets ontzettends dreigt,” zei +Giannita. „De nevel verhindert hem niet om zoo ver te zien als +hij wil. Hij ziet, dat een vijandelijke vloot op zee nadert, hij ziet, +dat er een aschwolk uit den Etna opstijgt, die op ons zal neervallen en +ons zal begraven.”</p> +<p>Maar donna Micaela lachte en meende, dat zij wel wist waaraan San +Pasquale dacht.</p> +<p>„Hij luidt de doodsklok over de schoone amandelbloemen, die +door den regen verwoest worden,” zei ze tegen Giannita. +<span class="pagenum">[<a id="pb95" href="#pb95" name="pb95">95</a>]</span></p> +<p>Zij liet zich door niemand beangstigen, omdat zij geloofde, dat de +klokken slechts voor haar luidden. Ze wiegden haar in droomen. Zij zat +stil in de muziekzaal en liet de vreugde in haar opstijgen.</p> +<p>Maar de gansche wereld rondom haar was in vrees, onrust en +angst.</p> +<p>Nu kon men niet meer stil bij den arbeid blijven. Men kon aan niets +anders denken dan aan de ramp die San Pasquale voorspelde.</p> +<p>En de bedelaars kregen meer geschenken dan ooit te voren; maar zij +verheugden zich niet daarover, daar zij niet geloofden, dat zij een +volgenden dag zouden beleven. En de priesters waren niet verheugd, +hoewel zij zoo vele biechtelingen hadden, dat zij den ganschen dag in +den biechtstoel moesten zitten en ofschoon gave na gave gestapeld werd +op het altaar der heiligen.</p> +<p>Zelfs Vicenzo de Lozza, de briefschrijver, was niet blijde met dezen +dag, ofschoon men zijn schrijftafel onder de loggia van het raadhuis +belegerde en hem gaarne een soldo per woord wilde betalen, indien men +slechts op dezen dag des oordeels een afscheidswoord aan de beminde +afwezigen geschreven kreeg.</p> +<p>En ’t was onmogelijk school te houden, want de kinderen +schreiden den ganschen tijd. Maar tegen den middag kwamen de moeders +met een gelaat, verstijfd van ontzetting, en namen de kleinen mee naar +<span class="corr" id="xd20e2339" title="Bron: hnis">huis</span>, opdat +men tenminste bij elkaar zou zijn, indien er iets gebeurde.</p> +<p>Eveneens hadden alle leerjongens bij de schoenmakers en kleermakers +een vrijen dag. Maar de arme knapen waagden het niet daarvan te +genieten, ze bleven liever stil op de werkplaats om te wachten.</p> +<p>En de klokken bleven tot in den namiddag doorluiden.</p> +<p>Aan de poort van het palazzo Gerazi, waar nu slechts bedelaars +wonen, verhief zich de oude poortwachter, die zelf een bedelaar was en +gekleed ging in de ellendigste lompen, en trok zijn lichtgroene livrei +aan, die hij slechts droeg op feestdagen en op den geboortedag des +konings.</p> +<p>En niemand kon hem daar in de poort zien zitten in zijn feestgewaad, +zonder door vrees aangegrepen te worden, <span class="pagenum">[<a id="pb96" href="#pb96" name="pb96">96</a>]</span>want men wist, dat de +grijsaard verwachtte, dat geen geringer heer dan de ondergang zelf, +door de poort zou gaan, die hij bewaakte.</p> +<p>En de angst ging gelijk een besmetting van mensch tot mensch. Zoo +liep de arme Torino, die eens een welgesteld man was geweest, van huis +tot huis en riep dat de tijd nu gekomen was, dat allen die hem bedrogen +en bestolen hadden hun straf zouden ontvangen. Hij ging in al de kleine +winkels aan de corso, sloeg met de vuist op de toonbank en zei, dat nu +allen in de stad hun vonnis zouden krijgen, omdat ze meegeholpen hadden +hem te bedriegen.</p> +<p>En even beangstigend was het, wat men hoorde van het speelgezelschap +in café Europa. Daar hadden dezelfde vier spelers jaar in jaar +uit aan de speeltafel gezeten, en men had nooit gedacht dat ze iets +anders konden doen dan spelen. Maar nu lieten ze plotseling de kaarten +vallen en beloofden elkaar, dat indien ze in ’t leven bleven na +dezen dag der verschrikking ze de kaarten nooit meer zouden +aanraken.</p> +<p>Donna Elisa’s winkel stond vol menschen, en om de heiligen te +bewegen het dreigende gevaar af te wenden, kochten ze al de heilige +zaken, die donna Elisa te verkoopen had. Maar donna Elisa dacht slechts +aan Gaetano, die reeds vertrokken was en zij meende dat San Pasquale +voorspelde dat hij op reis zou omkomen<span class="corr" id="xd20e2358" +title="Bron: ,">.</span></p> +<p>En zij verheugde zich volstrekt niet over al het geld, dat zij +verdiende.</p> +<p>Maar toen de klokken van San Pasquale den ganschen namiddag bleven +doorluiden, kon men nauwelijks het leven uithouden.</p> +<p>Want nu wist men dat zij een aardbeving voorspelden, en dat geheel +Diamante verwoest zou worden.</p> +<p>In de stegen, waar zelfs de huizen bang schenen te zijn voor de +aardbeving en zich tegen elkander aandrukten om elkander te steunen, +zetten de menschen hun armzalige oude meubels in den regen op straat en +spanden daarboven een tent van beddelakens. En ze droegen zelfs de +kleine kinderen in hun wiegen naar buiten en wierpen doeken over hen +heen. Trots den regen was er zulk een gedrang op de corso, dat men er +nauwelijks door kon komen. Want een <span class="pagenum">[<a id="pb97" +href="#pb97" name="pb97">97</a>]</span>ieder wilde door de Porta Etnea +gaan om de klokken te zien slingeren en zwaaien en om zich te +overtuigen, dat niemand aan het touw trok, maar dat dit voortdurend +vastgebonden was. En allen die buiten kwamen vielen op hun knieën +op den weg, waar het water in stroomen naar beneden bruiste en de +modder grondeloos was.</p> +<p>De deuren van San Pasquale’s kerk waren als altijd gesloten, +maar daar buiten ging de oude monnik fra Felice tusschen de biddenden +rond met een koperen schaal om de gaven in ontvangst te nemen.</p> +<p>In optocht trokken de verschrikte menschen naar het beeld van San +Pasquale onder den steenen baldakijn en kusten hem de hand. Een oude +vrouw droeg heel voorzichtig iets, dat ze met een groene parapluie +beschermde. Het was een glas, gevuld met water en olie, waarop een +pitje dreef dat met zwakken glans lichtte. Dat plaatste zij +vóór het beeld, en daarna zonk ze er voor op de +knieën. Hoewel velen vonden, dat men trachten moest de klokken +vast te binden, was er niemand, die den moed had het voor te stellen. +Want men waagde het niet Gods stem tot zwijgen te brengen.</p> +<p>Ook durfde niemand zeggen, dat het een list van den ouden fra Felice +kon zijn om geld te <span class="corr" id="xd20e2378" title="Bron: verzamen">verzamelen</span>. Fra Felice was bemind, en degene, +die dat zei, zou slecht te pas zijn gekomen.</p> +<p>Ook donna Micaela kwam naar San Pasquale, ze had haar vader bij +zich. Zij liep met fier opgeheven hoofd en geheel zonder vrees.</p> +<p>Zij kwam tot San Pasquale om hem te danken, hem die den grootsten +hartstocht in haar ziel luidde.</p> +<p>„Mijn leven begint dezen dag,” zei ze tot zichzelf. En +het scheen ook niet, dat don Ferrante angstig was, maar boos en kwaad +was hij! Want allen gingen naar zijn winkel om hem te zeggen wat zij +van ’t klokgelui dachten en hem te vragen naar zijn meening, +omdat hij een der Alagona’s was, die zoo lange jaren over de stad +geregeerd hadden.</p> +<p>Den ganschen dag kwamen bevende, angstige menschen in zijn winkel. +En allen zeiden tegen hem:</p> +<p>„Welk een vreeselijk klokgelui, don Ferrante. Wat zal er van +ons worden, don Ferrante?”</p> +<p>Er was nauwelijks één der inwoners van de stad, die +niet <span class="pagenum">[<a id="pb98" href="#pb98" name="pb98">98</a>]</span>in don Ferrante’s winkel kwam om hem te +raadplegen. Zoo lang het klokgelui duurde, hingen ze over de toonbank +zonder voor zooveel als een soldo te koopen.</p> +<p>Zelfs Ugo Favara, de zwaarmoedige advocaat, kwam in zijn winkel, nam +een stoel en ging achter de toonbank zitten. En den ganschen dag bleef +hij daar, doodsbleek, volkomen onbeweeglijk, de ondraaglijkste smarten +lijdend zonder een woord te spreken.</p> +<p>Maar elke vijf minuten kwam Torino il Martello binnen, sloeg met de +vuist op de toonbank en zei, dat nu het uur gekomen was, dat don +Ferrante zijn straf zou ontvangen.</p> +<p>Don Ferrante was een harde man, maar hij kon de klokken evenmin +ontloopen als iemand anders. En hoe langer hij ze hoorde, hoe meer hij +zich verwonderde, dat alle menschen juist zijn winkel binnenstroomden. +Het was alsof ze iets daarmee bedoelden.</p> +<p>’t Was alsof zij hem aansprakelijk wilden stellen voor het +klokgelui en voor de ramp, die het voorspelde.</p> +<p>Hij had het aan niemand gezegd, maar zijn vrouw had het zeker +verspreid. Hij begon te gelooven, dat allen aan hetzelfde dachten, +ofschoon zij niet waagden het te zeggen. Hij dacht, dat de advocaat er +op zat te wachten, dat hij zou toegeven. Hij geloofde, dat de geheele +stad kwam om te zien of hij werkelijk zijn schoonvader durfde +wegzenden.</p> +<p>Donna Elisa, die het zoo druk had in haar eigen winkel, dat zij zelf +niet kon komen, zond gedurig de oude Pacifica naar hem om te vragen, +wat hij dacht van het klokgelui. En de pastoor kwam ook een oogenblik +in zijn winkel en zeide evenals alle anderen:</p> +<p>„Hebt ge ooit zulk een vreeselijk klokgelui gehoord, don +Ferrante?”</p> +<p>En don Ferrante zou gaarne geweten hebben of de advocaat en don +Matteo en al de anderen slechts kwamen om hem te verwijten, dat hij +cavaliere Palmeri wilde wegzenden.</p> +<p>’t Bloed begon aan zijn slapen te kloppen. De winkel begon met +hem rond te draaien. En onophoudelijk kwam er iemand binnen om te +vragen:</p> +<p>„Hebt ge ooit zulk een vreeselijk klokgelui +gehoord?”</p> +<p>Maar wie niet kwam was donna Micaela. Zij kwam niet, omdat zij +volstrekt geen angst gevoelde. Zij was slechts <span class="pagenum">[<a id="pb99" href="#pb99" name="pb99">99</a>]</span>trotsch +en opgetogen, dat de hartstocht nu was gekomen, die haar gansche leven +vullen zou.</p> +<p>„Nu zal ik leven het groote en machtige leven,” zei zij. +En het ontstelde haar, dat zij tot nu toe slechts een kind was geweest. +Zij zou vertrekken met den postwagen, die om tien uur ’s avonds +voorbij Diamante kwam. Toen het tegen vier uur liep, dacht zij dat zij +nu alles aan haar vader moest zeggen, en zijn goed moest inpakken.</p> +<p>Maar ook dit scheen haar niet moeilijk. Haar vader zou haar spoedig +nakomen naar Argentinië. Zij zou hem vragen eenige maanden geduld +te hebben tot ze een thuis hadden om hem aan te bieden. En zij was +overtuigd, dat hij het goed zou keuren, dat zij don Ferrante +verliet.</p> +<p>Zij was in een zalige vervoering<span class="corr" id="xd20e2427" +title="Bron: ,">.</span> Alles wat haar vreeselijk moest schijnen, +bestond niet meer voor haar.</p> +<p>Geen schaamte, geen gevaar, neen niets meer.</p> +<p>Zij verlangde slechts het ratelen van den naderenden postwagen te +hooren.</p> +<p>Toen klonken er vele stemmen op de trap, die van den binnenhof naar +de woning leidde. Zij hoorde het geluid van vele zware voetstappen. Zij +zag menschen gaan door de open zuilengangen, die rondom den binnenhof +liepen en waardoor men moest gaan om in de vertrekken te komen. Zij zag +dat zij iets zwaars droegen maar zij kon niet onderscheiden, wat het +was, omdat er zoo veel menschen waren.</p> +<p>De bleeke advocaat liep vooruit, en zeide haar, dat don Ferranto +Torino uit den winkel had willen jagen, maar dat deze hem toen met zijn +mes verwond had.</p> +<p>Het was niet gevaarlijk. Don Ferrante was reeds verbonden en zou na +veertien dagen geheel hersteld zijn.</p> +<p>Don Ferrante werd nu naar binnen gedragen, en zijn blikken dwaalden +in het rond, niet om donna Micaela, maar om cavaliere Palmeri te +zoeken. Toen hij hem zag, deed hij zonder een woord te spreken, met +eenige handgebaren zijn vrouw verstaan, dat haar vader nooit zijn huis +zou behoeven te verlaten, nooit! nooit!</p> +<p>Toen drukte donna Micaela de handen tegen de oogen. Hoe? haar vader +zou niet vertrekken? Zij was dus gered. Er was een wonder geschied om +haar te helpen. O, nu moest zij verheugd, gelukkig zijn! <span class="pagenum">[<a id="pb100" href="#pb100" name="pb100">100</a>]</span></p> +<p>Maar dat was zij niet. Zij voelde een heftige smart.</p> +<p>Zij kon niet weggaan. Haar vader zou blijven en dus moest zij don +Ferrante trouw zijn. Zij deed moeite om die gedachte te begrijpen. Het +was zoo.</p> +<p>Zij kon niet vertrekken.</p> +<p>Zij trachtte het op een andere wijze te verklaren. Misschien was dit +een valsche gevolgtrekking. Zij was zoo verward. Neen, neen, het was +zoo, zij kon niet weggaan.</p> +<p>Toen gevoelde zij zich zoo nameloos moede. Zij had immers gereisd en +gereisd den ganschen dag. Zij was zoo lang onderweg geweest. En nu zou +zij nooit gaan. Zij zonk ineen, een bezwijming nabij. Er bleef haar +niets over dan te rusten na de verre reis, die zij gemaakt had. Maar +dat zou zij zeker nooit kunnen. Zij begon te weenen, omdat zij nu nooit +zou gaan. Gedurende haar geheele leven zou zij reizen en reizen en toch +nooit vertrekken kunnen. <span class="pagenum">[<a id="pb101" href="#pb101" name="pb101">101</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div2" id="ch1.8"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 id="xd20e2458" class="label">VIII.</h3> +<h3 class="main">Twee canzones.</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Het was de morgen na den dag, dat San Pasquale’s +klokken geluid hadden en donna Elisa zat in haar winkel geld te tellen. +Den vorigen dag, toen alle menschen zoo angstig waren, had zij +ongelooflijk veel verkocht, en ’s morgens, toen zij in haar +winkel kwam, was zij bijna verschrokken. Want de geheele winkel was als +uitgeplunderd, de medaillons waren weg, de waskaarsen waren weg en +evenzoo de groote trossen rozenkransen. Al die mooie heiligenbeeldjes +van Gaetano waren van de planken gehaald en verkocht, en het deed donna +Elisa werkelijk veel verdriet, niet meer deze groote schare heilige +mannen en vrouwen om zich heen te zien.</p> +<p>Toen trok zij de geldlade uit en die was zoo boordevol, dat zij die +nauwelijks kon openschuiven. En terwijl zij haar geld telde, schreide +zij, alsof al de geldstukken valsch waren. Want wat baatte het haar al +deze vuile bankbiljetten en deze groote bronzen munten te bezitten, nu +zij Gaetano verloren had! En zij dacht dat indien hij slechts +één dag langer in huis was gebleven, hij niet had +behoeven te vertrekken, want nu had zij geld in overvloed.</p> +<p>Terwijl ze daar zoo zat, hoorde zij den postwagen voor haar deur +stilhouden.</p> +<p>Maar zij keek niet eens op, wat gaf zij er om wat er gebeurde, nu +Gaetano weg was. Toen werd de deur geopend, de winkelbel luidde hevig. +Ze schreide slechts en telde. Toen zei iemand:</p> +<p>„Donna Elisa! Donna Elisa!” <span class="pagenum">[<a id="pb102" href="#pb102" name="pb102">102</a>]</span></p> +<p>’t Was Gaetano.</p> +<p>„Mijn God, waarom ben je teruggekomen?” riep zij.</p> +<p>„Ge hebt immers al uw beelden verkocht, ik ben thuis gekomen +om nieuwe beelden voor u te snijden.”</p> +<p>„Maar hoe weet je dat?”</p> +<p>„Ik was vannacht om twee uur bij den postwagen. Rosa Alfari +heeft mij alles verteld.”</p> +<p>„Hoe gelukkig, dat je naar den postwagen ging! Hoe gelukkig, +dat je den inval kreeg om naar den postwagen te gaan!”</p> +<p>„Ja, was dat niet gelukkig,” zei Gaetano.</p> +<p>Nauwelijks een uur later stond Gaetano weer in zijn werkplaats en +donna Elisa die niets in haar leegen winkel te doen had, kwam +onophoudelijk in de deur der werkplaats om naar hem te kijken.</p> +<p>Neen, dat hij nu werkelijk daar weer stond te snijden! Ze kon geen +vijf minuten voorbij laten gaan, zonder naar hem te kijken.</p> +<p>Maar toen donna Micaela hoorde, dat Gaetano weer terug was, voelde +zij geen vreugde, maar veeleer toorn en wanhoop.</p> +<p>Want zij was bang, dat hij als een verleider zou komen om haar te +verlokken.</p> +<p>Zij had immers gehoord dat een rijke Engelsche dame naar Diamante +was gekomen op den dag, dat San Pasquale’s klokken geluid +hadden.</p> +<p>En zij was zeer getroffen, toen zij hoorde dat het juist de dame met +het Christusbeeld was. Hij was dus dadelijk gekomen, toen zij hem +aangeroepen had.</p> +<p>De regen en het klokgelui was zijn werk!</p> +<p>Zij trachtte haar hart te verblijden met de gedachte, dat er een +wonder was geschied om harentwille.</p> +<p>Het moest haar meer zijn dan alle aardsch geluk en liefde, dat zij +zich omgeven gevoelde door Gods genade. Zij wilde niet dat eenig +aardsch gevoel haar rukken zou uit deze gezegende geestvervoering.</p> +<p>Maar toen zij Gaetano op straat ontmoette, zag hij nauwelijks naar +haar en wanneer zij hem trof bij donna Elisa gaf hij haar niet de hand +en sprak in het geheel niet tot haar<span class="corr" id="xd20e2509" +title="Bron: ,">.</span> <span class="pagenum">[<a id="pb103" href="#pb103" name="pb103">103</a>]</span></p> +<p>Want de waarheid was, dat hoewel Gaetano thuis was gekomen, omdat +het hem te zwaar viel zonder donna Micaela te vertrekken, hij haar niet +wilde verleiden of verlokken.</p> +<p>Hij zag dat zij onder bescherming der heiligen stond en zij was hem +zoo heilig geworden, dat hij nauwelijks waagde van haar te droomen.</p> +<p>Hij wilde in haar nabijheid zijn, niet om haar lief te hebben, maar +omdat hij geloofde dat uit haar leven heilige daden zouden opbloeien. +Gaetano verlangde naar een wonder, gelijk een bloemkweeker smacht naar +de eerste roos in de lente.</p> +<p>Maar toen de weken gingen en Gaetano nooit donna Micaela trachtte te +naderen, begon ze te twijfelen en te denken, dat hij haar nooit had +liefgehad. Zij zeide tot zichzelf dat hij haar de belofte, om met hem +te vluchten, slechts ontlokt had om haar te toonen, dat de Madonna wel +een wonder kon verrichten.</p> +<p>Maar als dat zoo was, begreep ze niet, waarom hij zijn reis niet +vervolgd had, maar teruggekeerd was.</p> +<p>Dat veroorzaakte haar onrust. Zij meende haar liefde niet te kunnen +bedwingen, indien zij niet wist dat Gaetano haar liefhad. Zij woog het +voor en het tegen, en ze werd al meer overtuigd, dat hij haar nooit had +liefgehad. Terwijl donna Micaela dit dacht moest zij don Ferrante +gezelschap houden, hij was lang ziek geweest, en had een paar aanvallen +van beroerte gehad. Hij was van het ziekbed opgestaan als een gebroken +man. Opeens was hij oud, stompzinnig en bang geworden, zoodat hij nooit +meer alleen durfde zijn. Hij ging nooit meer naar den winkel, in alles +was hij een geheel ander mensch geworden.</p> +<p>Een groote lust om voornaam en schitterend te zijn had zich van hem +meester gemaakt.</p> +<p>Het scheen alsof de arme don Ferrante door hoogmoedswaanzin +aangegrepen was.</p> +<p>Donna Micaela was zeer goed voor hem en zat urenlang met hem te +tobben.</p> +<p>„Wie zou dat zijn,” placht zij hem te vragen, „die +eens op de markt stond met pluimen op den hoed, tressen op de uniform, +en een sabel op zij en die zoo schoon speelde, <span class="pagenum">[<a id="pb104" href="#pb104" name="pb104">104</a>]</span>dat +men zei, dat zijn muziek verheven was als de Etna en machtig als de +zee? En wie was het, die toen een arme signorina in rouwgewaad zag, die +het niet waagde haar gelaat aan de menschen te toonen en haar den arm +bood? Wie kon dat zijn? Kon het don Ferrante zijn, die de gansche week +in een kort buis en puntige muts in zijn winkel stond? Neen, dat kon +niet mogelijk zijn. Zoo iets kon een oude koopman niet doen!</p> +<p>Don Ferrante lachte. Juist zóó wilde hij dat men tegen +hem sprak. Zij moest hem ook vertellen hoe het zou zijn, als hij aan +het hof kwam.</p> +<p>Wat de koning en wat de koningin zou zeggen.</p> +<p>„De oude Alagona’s zijn dus tot nieuw leven +gekomen,” zou er aan het hof gezegd worden.</p> +<p>„Wie heeft het geslacht doen herleven?” En men zou +vragen en vragen. Die don Ferrante, vorst van Sicilië en grande +van Spanje, is dat dezelfde man, die in zijn winkel te Diamante stond +en de voerlieden uitschold?</p> +<p>„Neen,” zou men zeggen, „dat kan niet dezelfde man +zijn. Het kan onmogelijk dezelfde zijn.”</p> +<p>Dit vond don Ferrante prettig, en hij wilde hebben dat zij zoo dag +in, dag uit met hem sprak.</p> +<p>Het verveelde hem nooit en donna Micaela was zeer geduldig jegens +hem.</p> +<p>Maar eens toen zij zoo met den zieke zat, kwam donna Elisa +binnen.</p> +<p>„Schoonzuster, indien gij de legende van de heilige maagd van +Pompeje bezit, wilt ge mij die dan leenen?” vroeg zij.</p> +<p>„Wat! wilt gij gaan lezen?” zei donna Micaela.</p> +<p>„De hemel beware mij, ge weet wel, dat ik niet lezen kan. +’t Is voor Gaetano, dat ik het u vraag.”</p> +<p>Donna Micaela bezat de legende van de heilige maagd van Pompeje +niet. Maar dat zei ze donna Elisa niet; zij ging naar haar boekenrek en +nam een klein boek, dat een verzameling Siciliaansche liefdesliederen +bevatte, en gaf dat aan donna Elisa, die het weer aan Gaetano +bracht.</p> +<p>Maar nauwelijks had donna Micaela dit gedaan of een hevig berouw +maakte zich van haar meester.</p> +<p>Zij vroeg zich af wat zij bedoeld had door zoo te handelen, zij, die +geholpen was door het heilige Christuskind. <span class="pagenum">[<a id="pb105" href="#pb105" name="pb105">105</a>]</span></p> +<p>Zij bloosde van schaamte toen zij er aan dacht dat ze een teeken had +gezet bij een der kleine liederen, dat zoo luidde:</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">O, had ik antwoord op één enkle +vrage!</p> +<p class="line">’k Heb het gevraagd aan den dag, aan de +sterren,</p> +<p class="line">Zelfs aan de vogelenschaar en de wolken.</p> +<p class="line">’k Goot reeds het lood in het kokende water,</p> +<p class="line">Blaadje na blaadje der bloeme ik plukte.</p> +<p class="line">’k Lokte de zwarte, de waarzegster buiten,</p> +<p class="line">’k Smeekte ten slotte de engelenscharen.</p> +<p class="line">Mint hij mij nog, gelijk eens hij wel deed?</p> +</div> +<hr class="tb"> +<p>Zij had zeker gehoopt dat zij antwoord zou krijgen.</p> +<p>Haar geschiedde recht indien Gaetano haar verachtte en haar +onbeschaamd noemde.</p> +<p>Toch had zij niets kwaads bedoeld. Het eenige dat zij begeerd had, +was te weten of Gaetano haar liefhad.</p> +<p>Weer verliepen eenige weken en donna Micaela zat nog steeds bij don +Ferrante.</p> +<p>Maar op een dag had donna Elisa haar mee naar buiten gelokt.</p> +<p>„Ga met mij mede naar mijn tuin, schoonzuster, en kijk eens +naar mijn grooten magnolieboom.</p> +<p>„Ge hebt nog nooit zoo iets moois gezien.”</p> +<p>En zij was met donna Elisa naar den tuin gegaan.</p> +<p>Donna Elisa’s magnolie was gelijk de stralende zon, die men +voelt vóórdat men haar ziet. Op verren afstand zweefde de +geur reeds in de lucht en het was een gegons van bijen en een gekweel +van vogels!</p> +<p>Toen donna Micaela den boom zag, kon zij nauwlijks ademhalen. Hij +was heel hoog en groot van een schoonen regelmatigen groei en zijn +groote, breede bladeren hadden een frissche donkergroene kleur. Maar nu +was hij geheel bedekt met groote rose bloemen, die hem versierden en +verlichtten, zoodat men meende, dat hij in feestgewaad was en men +voelde hoe er een meesleepende vreugde van uit den boom stroomde. Donna +Micaela werd als bedwelmd, zij voelde hoe een vreemde onweerstaanbare +macht zich van haar meester maakte. Zij trok een der rechte takken naar +zich <span class="pagenum">[<a id="pb106" href="#pb106" name="pb106">106</a>]</span>toe, spreidde de bloemen uiteen en zonder deze +af te breken, begon zij met een naald letters te prikken in de +bloembladeren.</p> +<p>„Wat doet ge daar, schoonzuster?” vroeg donna Elisa.</p> +<p>„Niets, niets.”</p> +<p>„In mijn tijd plachten de jonge meisjes minnebrieven te +prikken in de magnoliebloemen.”</p> +<p>„Misschien doen zij dat nog.”</p> +<p>„Neem u in acht, ik zal het nakijken, zoodra ge vertrokken +zijt.”</p> +<p>„Gij kunt immers niet lezen.”</p> +<p>„Maar ik heb Gaetano toch.”</p> +<p>„En Luca, het is ’t beste, dat ge u tot Luca +wendt.”</p> +<p>Maar toen donna Micaela thuis kwam, had zij berouw. Zou donna Elisa +werkelijk de bloem aan Gaetano toonen? Neen, neen, donna Elisa was +daarvoor te verstandig. Maar indien hij haar gezien had van uit het +raam van zijn werkplaats? Nu ja, hij zou haar wel geen antwoord geven. +Maar zij maakte zich belachelijk.</p> +<p>Neen nooit, nooit meer zou zij zoo iets doen. Het was immers het +beste voor haar, dat zij niets wist. En toch was zij verlangend naar +het antwoord dat zij krijgen zou. Maar er kwam geen antwoord.</p> +<p>En zoo verliep er weer een week. Toen kreeg don Ferrante den inval, +dat hij ’s middags wilde rijden. In het wagenhuis van het +zomerpaleis was een ouderwetsche galakoets, die zeker meer dan honderd +jaar oud was. Die was zeer hoog, met een zeer kleinen en nauwen wagen, +die in leeren riemen schommelde tusschen de achterwielen, welke zoo +groot waren als het waterrad van een molen.</p> +<p>Die koets was wit gelakt met gouden randen, de banken waren bekleed +met rood pluche, en op de portieren waren wapens geschilderd.</p> +<p>Eens was het een groote eer geweest in dien wagen te rijden, en als +de oude Alagona’s door de corso reden, stroomden de menschen uit +hun huizen of hingen over hun <span class="corr" id="xd20e2636" title="Bron: balcons">balkons</span> om hen te zien. Maar toen werd die +getrokken door vlugge paarden van Berberie, toen droeg de koetsier een +pruik en de bedienden livrei, en ze reden met geborduurde leidsels. +Maar nu wilde don Ferrante zijn oude paarden <span class="pagenum">[<a id="pb107" href="#pb107" name="pb107">107</a>]</span>voor +de koets spannen, en zijn ouden winkelbediende op den bok zetten.</p> +<p>Toen donna Micaela hem zei, dat dit niet kon, begon don Ferrante te +schreien. Wat zou men wel van hem denken indien hij zich ’s +middags niet in zijn wagen op de corso vertoonde.</p> +<p>Dat was immers het laatste, wat een voornaam man naliet. Hoe zou +iemand begrijpen dat hij een man van hooge geboorte was, indien hij +niet op en neer reed in den ouden wagen der Alagona’s?</p> +<p>Het was het gelukkigste oogenblik, dat don Ferrante na zijn ziekte +genoot, toen hij voor de eerste maal uitreed.</p> +<p>Hij zat rechtop en boog en knikte zeer genadig naar alle kanten. En +de menschen van Diamante bogen en namen den hoed zoo diep af, dat deze +over den grond sleepte. Waarom zou men don Ferrante deze vreugde niet +gunnen?</p> +<p>Donna Micaela reed ook mee, want don Ferrante waagde het niet alleen +te rijden. Zij was niet gaarne meegegaan, maar toen had don Ferrante +geschreid en haar er aan herinnerd, dat hij haar gehuwd had, toen zij +arm en veracht was. Zij moest niet ondankbaar zijn en vergeten wat hij +voor haar gedaan had. En waarom wilde zij niet in zijn wagen rijden? +Het was de mooiste oude wagen van gansch Sicilië.</p> +<p>„Waarom wil je niet met mij rijden?” zei don Ferrante. +„Vergeet niet, dat ik de eenige ben, die je liefheeft. Zie je +niet dat je vader niet eens van je houdt? Je moet niet ondankbaar +zijn.”</p> +<p>Op deze wijze had hij donna Micaela gedwongen plaats te nemen in den +ouden galawagen.</p> +<p>Maar het ging in ’t geheel niet, zooals zij verwacht had. Er +was niemand die lachte. De vrouwen negen even diep en de mannen bogen +even statig alsof de wagen honderd jaar jonger was geweest. En donna +Micaela kon op geen enkel gelaat een glimlach bespeuren.</p> +<p>In geheel Diamante zou er geen mensch te vinden zijn, die zou hebben +willen lachen. Want men wist heel goed hoe veel donna Micaela te +stellen had met don Ferrante.</p> +<p>Men wist hoe lief hij haar had en hoe hij schreide, als <span class="pagenum">[<a id="pb108" href="#pb108" name="pb108">108</a>]</span>zij +hem slechts een oogenblik verliet. Men wist ook hoe hij haar kwelde met +zijn jaloezie en haar hoeden vertrapte, als deze haar goed stonden, en +haar nooit geld gaf voor nieuwe kleeren, opdat niemand haar schoon +vinden en haar liefhebben zou. Maar tegelijkertijd zei hij haar altijd, +dat zij zoo leelijk was, dat niemand anders dan hij het kon uithouden +haar gezicht dagelijks te zien. En omdat men dit alles wist, was er +niemand in Diamante die lachte.</p> +<p>Haar uitlachen, die zich zoo aftobde met een zieken man!</p> +<p>De menschen in Diamante waren vrome Christenen en geen barbaren.</p> +<p>Zoo reed de galawagen tusschen vijf en zes uur in zijn oude +verbleekte pracht de corso op en neer. In Diamante reed die geheel +alleen, want behalve deze waren er geen voorname wagens, maar men wist +toch dat op denzelfden tijd alle equipages in Rome naar Monte Pincio +reden, en in Napels naar Villa Nazionale en te Florence naar de +Cascines en in Palermo naar La Favorite. Maar toen de wagen voor de +derde maal naar de Porta Etnea reed, weerklonk er een vroolijk +hoorngeschal. En door de poort zwaaide een groote, hooge jachtwagen in +Engelschen stijl.</p> +<p>Die moest ook voor ouderwetsch doorgaan. De postillon die als +voorrijder op een groot paard reed, droeg een pruik en een lederen +broek. De wagen geleek op een oude diligence, met een hooge, dichte +coupé, waarop de reizigers zaten.</p> +<p>Maar alles was nieuw, de paarden waren schoone, sterke dieren, de +wagen en het tuig glansden en de reizigers zelf waren eenige jonge +heeren en dames uit Catania, die een uitstapje op den Etna maakten. En +zij konden niet nalaten te lachen, toen zij den ouden galawagen +voorbijreden. Zij bogen over het hek van den wagen om er naar te zien, +en hun lachen klonk zeer luid en helder tusschen de hooge, stille +huizen van Diamante.</p> +<p>Donna Micaela gevoelde zich plotseling zeer ongelukkig.</p> +<p>Ze herkende in de reizigers haar oude kennissen. Wat zouden zij +zeggen, als zij thuis kwamen?</p> +<p>„Wij hebben Micaela Palmeri in Diamante gezien,” en dan +zouden zij vertellen en lachen, en vertellen en lachen.</p> +<p>Haar geheele leven scheen haar één groote ellende. Zij +<span class="pagenum">[<a id="pb109" href="#pb109" name="pb109">109</a>]</span>was niets anders dan de slavin van een dwaas. +Haar gansche leven zou zij niets anders doen dan tobben met don +Ferrante.</p> +<p>Toen zij thuis kwam, was zij geheel uitgeput. Zij was zoo moede en +krachteloos, dat zij zich nauwelijks de trappen op kon sleepen.</p> +<p>Onderwijl prees don Ferrante zijn geluk, dat hij deze voorname +menschen ontmoet had, en dat zij zijn staatsie gezien hadden. Hij zei +tot donna Micaela, dat nu niemand er meer naar vragen zou of zij +leelijk was en of haar vader gestolen had. Nu wist men dat zij de +echtgenoote was van een voornamen heer.</p> +<p>In den namiddag zat donna Micaela stil bij don Ferrante en liet haar +vader met hem spreken. Toen begon een mandoline zacht te zingen onder +de vensters van het zomerpaleis. Het was een enkele mandoline zonder +begeleiding van een gitaar of viool.</p> +<p>Niets kon zoo teeder en luchtig zijn, niets lieflijker of roerender. +Men kon niet gelooven dat het menschelijke handen waren, die de snaren +der mandoline aanraakten. Het was alsof de bijen, krekels en +sprinkhanen een concert gaven.</p> +<p>„Er is weer iemand verliefd op Giannita,” zei don +Ferrante. „Dat is nog eens een vrouw, die Giannita! Ieder kan +zien dat zij mooi is<span class="corr" id="xd20e2695" title="Bron: ,">.</span> Als ik jong was, zou ik ook verliefd worden op +Giannita. Zij weet te beminnen.”</p> +<p>Donna Micaela zweeg. Hij had gelijk, dacht zij. De mandolinespeler +minde Giannita. Dezen avond was Giannita thuis bij haar moeder, anders +woonde zij nu in het zomerpaleis.</p> +<p>Donna Micaela had in dit opzicht haar wil doorgedreven, nadat don +Ferrante zoo lastig was geworden.</p> +<p>Maar wie het dan ook gold, het mandolinespel behaagde donna Micaela. +Het klonk zoo liefelijk, zacht en vertroostend. Ze ging stil naar haar +kabinet om beter te kunnen luisteren in de eenzaamheid.</p> +<p>En sterke zoete geur sloeg haar tegemoet. Wat was dat? Haar handen +begonnen te beven, voordat ze een kaars en lucifer vond. Op haar +werktafel lag een groote, wijd opengesprongen magnoliebloem. +<span class="pagenum">[<a id="pb110" href="#pb110" name="pb110">110</a>]</span></p> +<p>Op één der bladen was geprikt:</p> +<p>„Wie heeft mij lief?” En nu stond daaronder:</p> +<p>„Gaetano.”</p> +<p>Naast de bloem lag een klein wit boek met liefdesliederen.</p> +<p>Bij een der kleine canzones stond een teeken:</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">Nooit van mijn liefde heeft iemand geweten.</p> +<p class="line">Heimlijk en stil werd des nachts zij geboren,</p> +<p class="line">Zachtjes toch slopen mijn droomen tot u.</p> +<p class="line">Gierig bewaakte ik angstig mijn schat.</p> +<p class="line">Spoedt zich mijn biechtvader eens naar mijn +sterfbed,</p> +<p class="line">Zullen mijn lippen ’t geheim nog bewaren.</p> +<p class="line">Sluitend de deur, werp ’k den sleutel in +d’afgrond.</p> +<p class="line">’k Neem mijn geheim naar de eeuwigheid mee.</p> +</div> +<p class="first">De mandoline bleef doorspelen. Er klinkt iets van +frissche lucht en zonneschijn in den klank der mandoline. Iets dat +verkwikt en versterkt. Iets van de vertroostende zorgeloosheid der +schoone natuur. <span class="pagenum">[<a id="pb111" href="#pb111" +name="pb111">111</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div2" id="ch1.9"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 id="xd20e2740" class="label">IX.</h3> +<h3 class="main">De vlucht.</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">In dezen tijd bevond het kleine beeld van Aracoeli +zich nog in Diamante.</p> +<p>De Engelsche dame die het beeld bezat, was zoo verrukt over +Diamante, dat zij het niet verlaten kon. Zij had voor haar rekening de +geheele eerste verdieping van het hotel gehuurd, en die geheel voor +zich ingericht. Zij kocht voor groote sommen alles wat ze maar kon +krijgen aan oud aardewerk en oude munten. Zij kocht mozaïekwerk, +altaarschilderijen en heiligenbeelden. Toen kreeg zij den inval, dat +zij zich een verzameling wilde aanschaffen van alle heiligen der +kerk.</p> +<p>Zij hoorde spreken van Gaetano en zond hem een boodschap, dat hij +bij haar in het hotel zou komen.</p> +<p>Gaetano verzamelde in der haast alles wat hij in den laatsten tijd +gesneden had en nam dat mee naar miss Tottenham. Zij was zeer tevreden +over zijn kleine beelden en wilde ze alle koopen.</p> +<p>Maar de vertrekken van de Engelsche dame waren gelijk de +rommelkamers van een museum. Al het mogelijke werd daarin gevonden, +maar alles was wanordelijk en slordig. Daar stonden halfvolle koffers, +daar hingen mantels en hoeden, daar lagen schilderijen en gravures, +daar waren reisboeken, theeserviezen en spiritustoestellen, daar werden +hellebaarden, misboeken, mandolines en wapenschilden gevonden.</p> +<p>Dat opende Gaetano de oogen. Hij bloosde plotseling, beet zich op de +lippen, en begon zijn beelden in te pakken. <span class="pagenum">[<a id="pb112" href="#pb112" name="pb112">112</a>]</span></p> +<p>Hij had een beeld van het Christuskind gezien; het was het verworpen +beeld, dat midden tusschen al die wanorde stond, met zijn kroon vol +deuken op het hoofd en zijn koperen schoentjes aan de voeten. De verf +was van zijn gezicht verdwenen, de ringen en sieraden, die hem +bedekten, waren verroest, en zijn kleertjes waren geel van ouderdom. +Toen Gaetano dit zag, wilde hij zijn beelden niet aan miss Tottenham +verkoopen, maar stil heengaan.</p> +<p>En toen zij hem vroeg wat hem deerde, voer hij tegen haar uit:</p> +<p>„Wist zij dat vele der zaken, die zij bezat, heilig waren? +Wist zij of wist zij niet, dat dit het heilige Christuskind zelf was? +En zij had het drie vingers van de eene hand laten verliezen en de +steenen uit zijn kroon laten vallen, en het daar vuil, verroest en +ontheiligd laten liggen. Indien zij zoo het beeld van Gods zoon +behandelde, hoe zou ze dan niet alle andere verwaarloozen? Hij wilde +haar geen heiligenbeelden verkoopen.”</p> +<p>Toen Gaetano op deze wijze tegen miss Tottenham uitvoer was ze +verrukt, verrukt!</p> +<p>Hier was het ware geloof en heilige toorn.</p> +<p>Deze jonge man moest kunstenaar worden.</p> +<p>Naar Engeland moest hij gaan. Zij wilde hem naar den grooten meester +zenden, haar vriend, die de kunst trachtte te herscheppen; naar hem die +den menschen wilde leeren schoon huisraad, schoone kerkinrichtingen te +vervaardigen, en die een heele schoone wereld wilde scheppen.</p> +<p>Zij regelde en schikte alles en Gaetano liet haar stil geworden, +omdat hij nu liefst Diamante wilde verlaten.</p> +<p>Hij zag dat hij het leven daar niet meer kon uithouden en hij +geloofde dat het God was, die hem aan de verleiding onttrok.</p> +<p>Hij verliet Diamante geheel onbemerkt. Donna Micaela wist nauwelijks +iets van de geheele zaak, vóórdat hij weg was. Hij had +het niet gewaagd bij haar te komen om afscheid te nemen. <span class="pagenum">[<a id="pb113" href="#pb113" name="pb113">113</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div2" id="ch1.10"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 id="xd20e2780" class="label">X.</h3> +<h3 class="main">De sirocco.</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Hierna verliepen twee jaren volkomen stil. Het eenige, +dat in Diamante en op geheel Sicilië gebeurde, was dat de menschen +al armer en armer werden.</p> +<p>Toen brak de herfst aan, en het was de tijd, dat de wijn geoogst +moest worden.</p> +<p>In dien tijd plegen de lieflijke canzones van de lippen te stroomen; +in dien tijd springen er nieuwe en schoone melodieën uit de +mandoline.</p> +<p>Dan pleegt de jeugd in scharen naar de wijngaarden te trekken, en er +is arbeid en gelach den ganschen dag, dans en gejubel den geheelen +nacht en men weet niet meer wat slaap is.</p> +<p>Dan koepelt de blauwe luchtzee zich schooner dan ooit boven den +berg. Dan tintelt de lucht van vroolijke invallen, dan vliegen +fonkelende blikken als bliksemstralen door de lucht, dan ontvangt deze +niet alleen warmte en licht van de zon, maar ook van de stralende +gezichten der jonge vrouwen van den Etna.</p> +<p>Maar in dezen herfst waren alle wijngaarden verwoest door de +phylloxera. Geen druivenplukker drong zich tusschen de wijnranken, geen +lange rij van vrouwen met volle manden op het hoofd kronkelde zich naar +de wijnpers en ’s nachts werd er niet gedanst op de platte +daken.</p> +<p>In dezen herfst welfde zich geen klare, heldere Octoberlucht boven +den Etna. En als om de natuur in overeenstemming te brengen met den +nood<span class="corr" id="xd20e2798" title="Bron: .">,</span> kwam de +beklemmende verstijvende <span class="pagenum">[<a id="pb114" href="#pb114" name="pb114">114</a>]</span>woestijnwind van Afrika, stof en +nevel met zich voerend, en verdonkerde het gansche luchtruim. Nooit, +zoo lang deze herfst duurde, voelde men een frisschen bergwind. +Voortdurend blies de met ongeluk bezwangerde sirocco.</p> +<p>Soms was die zoo droog en stoffig, en zoo verschroeiend heet, dat +men de deuren en vensters sluiten en in huis moest blijven om niet te +versmachten.</p> +<p>Maar meestal was die lauw, vochtig en drukkend. En de menschen +kenden geen rust, de zorg verliet hen dag noch nacht en de ellende +stapelde zich boven hun hoofd, als de sneeuwlagen op de hooge +bergen.</p> +<p>En de onrust kwam ook tot donna Micaela, terwijl zij nog steeds zat +bij haar ouden man, don Ferrante.</p> +<p>Gedurende dezen herfst hoorde zij nooit een lach, nooit een lied. De +menschen slopen elkaar voorbij, zoo vol toorn en vertwijfeling, dat zij +bijkans schenen te bersten.</p> +<p>En zij zeide tot zich zelf, dat zij zeker zonnen op een oproer. Zij +begreep dat zij in opstand moesten komen.</p> +<p>Wel zou het zeker niemand helpen, maar er bleef hun geen ander +middel over.</p> +<p>In het begin van den herfst had zij op haar balkon gezeten en de +menschen op straat hooren spreken. Ze spraken altijd over den nood.</p> +<p>„De oogst van het graan en van den wijn is mislukt, er is +gebrek aan zwavel en aan oranjeappels, al Sicilië’s geel +goud is verongelukt. Waarvan moest men dan leven?”</p> +<p>En donna Micaela begreep dat dit vreeselijk was.</p> +<p>Graan, wijn, oranjeappels en zwavel, al hun geel goud! Zij begon ook +te begrijpen, dat de ellende grooter was dan de menschen konden dragen +en zij was wanhopig, dat het leven zoo hard was.</p> +<p>En zij vroeg zich af waarom de menschen gedwongen waren zulke +bovenmatig hooge belastingen te betalen. Waarom moest er accijns op +zout zijn, zoodat een arme vrouw geen recht had naar het strand te gaan +om een emmer zout water te halen, maar het zout tegen hoogen prijs +moest koopen in de winkels der regeering?</p> +<p>En waarom moest er een belasting op de palmboomen zijn? Nu velden de +boeren met toorn in het harte de oude boomen, wier kronen zoo lang +boven het edele eiland gewuifd <span class="pagenum">[<a id="pb115" +href="#pb115" name="pb115">115</a>]</span>hadden. En waarom moest er +belasting op de vensters zijn? Wat wilde men toch daarmee? Was het de +bedoeling, dat de arme menschen hun vensters weg zouden nemen en hun +kamers zouden verlaten om in de kelders te gaan wonen?</p> +<p>In de zwavelmijnen waren werkstakingen en woelingen uitgebroken en +de regeering zond troepen om het volk te dwingen weer aan den arbeid te +gaan. Donna Micaela vroeg zich af of de regeering niet wist, dat men in +het geheel geen machines in de mijnen gebruikte. Had zij nooit gehoord, +dat het kinderen waren, die het erts uit de diepe schachten +sleepten?</p> +<p>De regeering wist niet, dat deze kinderen slaven waren; zij kon +immers niet weten, dat hun ouders hen verkocht hadden aan de patroons. +Of indien de regeering dit wist, waarom hielp ze dan de +mijneigenaars?</p> +<p>Opeens hoorde zij spreken over een ontzettende menigte misdaden. En +opnieuw begon zij te vragen:</p> +<p>Waarom liet men de menschen zoo misdadig worden?</p> +<p>En waarom liet men het volk tot zoo’n groote armoede en +ellende vervallen? Waarom moesten ze allen zoo ellendig zijn? Zij wist, +dat degenen, die in Palermo of Catania woonden, zoo niet behoefden te +vragen. Maar hij, die in Diamante woonde, hij kon niet nalaten te +vreezen en te vragen. Waarom liet men de menschen zoo arm worden, dat +zij stierven van den honger?</p> +<p>De zomer was nauwelijks verstreken en men was nog maar in het einde +van de maand October, toen donna Micaela den dag reeds voor zich zag, +dat het oproer zou uitbreken. Ze zag de uitgehongerde menschen door de +straten aanstormen. Zij zouden de winkels plunderen en ze zouden de +huizen binnendringen der weinige rijken, die in de stad gevonden +werden. Voor het zomerpaleis zou de wilde schare staan blijven, en +langs de balkons en vensters naar binnen klimmen.</p> +<p>„Hier met de juweelen der oude Alagona’s, hier met don +Ferrante’s millioenen!”</p> +<p>Het was immers hun droom, het zomerpaleis! Ze geloofden dat het zoo +vol goud was als een sprookjesslot. Maar als zij niets vonden, zouden +zij haar het mes op de keel zetten, om haar te dwingen de schatten uit +te leveren, die <span class="pagenum">[<a id="pb116" href="#pb116" +name="pb116">116</a>]</span>zij nooit bezeten had, en zij zou vermoord +worden door de roofgierige bende.</p> +<p>Waarom konden de groote grondbezitters niet thuis blijven? Waarom +moesten zij de armen verbitteren met het leiden van een weelderig leven +in Rome of in Parijs?</p> +<p>Men zou hen zoo niet haten, als zij op het eiland bleven. Dan zou +men niet zulke dure en heilige eeden zweren, alle rijken te zullen +dooden.</p> +<p>Donna Micaela wenschte slechts dat zij kon vluchten naar +één der groote steden. Maar zoowel haar vader als don +Ferrante werd in dezen herfst ziek, en om hunnentwille was zij +gedwongen te blijven, waar zij was. En zij wist, dat zij gedood zou +worden als een zoenoffer voor de zonden der rijken tegenover de +armen.</p> +<p>Gedurende vele jaren hadden de ongelukken zich boven Sicilië +opeengehoopt en nu konden ze niet langer tegengehouden worden.</p> +<p>Nu begon de Etna zelf te dreigen met een uitbarsting.</p> +<p>De zwaveldamp gloeide ’s nachts vuurrood en het onderaardsche +gerommel werd tot in Diamante gehoord.</p> +<p>De wereld zou vergaan. Alles zou verwoest worden. Wist dan de +regeering niets van de stemming van het volk? O, eindelijk, eindelijk +had de regeering er kennis van gekregen, en een comité +samengesteld. Het was een groote troost, op een mooien dag de +gevolmachtigden door de corso te zien komen aanrijden.</p> +<p>Indien het volk slechts begrepen had dat zij het goed met hen +meenden. Indien slechts de vrouwen niet in haar deuren hadden gestaan +en de fijne heeren van het vasteland bespot hadden, en indien slechts +de kinderen niet naast de wagens hadden geloopen en geroepen: +„Dief, dief!” Alles wat men deed verhaastte slechts het +oproer. En er was niemand die het volk leiden en kalmeeren kon. Er was +geen enkele ambtenaar, dien men vertrouwde. Degenen, die zich slechts +lieten omkoopen, waren nog de minst verachten. Maar men zei dat de +meesten van hen leden van de mafia waren. Men zei, dat zij er slechts +aan dachten zich geld en macht toe te eigenen. En naarmate de herfst +verstreek, duidden meer en meer teekenen er op, dat er iets ontzettends +dreigde. <span class="pagenum">[<a id="pb117" href="#pb117" name="pb117">117</a>]</span></p> +<p>In de couranten las men dat de arbeiders zich in de groote steden +vereenigden en door de straten trokken. En men las ook hoe de leiders +der socialisten door het land trokken en opruiende toespraken +hielden,</p> +<p>Opeens werd het donna Micaela duidelijk, wat de oorzaak was van alle +onrust. Het waren de socialisten, die het oproer verwekten. Het was hun +vurige taal, die de gemoederen in beweging bracht. Hoe kon men hen dat +laten doen? Wie was dan koning van Sicilië? Heette hij Da Felice +of Umberto?</p> +<p>Toen greep ontzetting haar aan.</p> +<p>Het was alsof men alleen tegen haar samenspande. En hoe meer zij +over de socialisten hoorde spreken, des te meer vreesde zij hen.</p> +<p>Giannita trachtte haar gerust te stellen.</p> +<p>„Wij hebben geen socialisten in Diamante,” zei zij. +„In Diamante denkt men er niet aan om oproer te maken.”</p> +<p>Maar donna Micaela vroeg haar of zij niet wist wat het beteekende, +dat de oude spinsters in donkere hoeken zaten en geschiedenissen +verhaalden van de groote rooverhelden en den beruchten visscher +Giuseppe Alesi, dien men de Massaniello van Sicilië noemde?</p> +<p>Indien de socialisten slechts de menschen tot oproer konden +overhalen, zou ook Diamante wel meedoen.</p> +<p>Geheel Diamante wist reeds, dat iets ontzettends dreigde. Men had +den grooten zwarten monnik zien spoken op het terras van het palazzo +Geraci.</p> +<p>Men hoorde de uilen den ganschen nacht schreeuwen, en sommigen +beweerden, dat de hanen kraaiden bij zonsondergang en zwegen bij het +<span class="corr" id="xd20e2888" title="Bron: uchtendgekriek">ochtendgekriek</span>.</p> +<p>Op een dag in November, was Diamante plotseling vol woeste +menschen.</p> +<p>Het waren mannen met roofdiergezichten, ruige baarden, en groote +handen aan ontzettend lange armen. Verscheidenen van hen droegen wijde, +fladderende linnen mantels en men meende beruchte bandieten en onlangs +ontslagen galeiboeven in hen te herkennen.</p> +<p>Giannita vertelde dat al deze woeste menschen in de bergen woonden, +en nu over den Simeto waren getrokken, omdat het gerucht verspreid was, +dat het oproer in Diamante <span class="pagenum">[<a id="pb118" href="#pb118" name="pb118">118</a>]</span>reeds uitgebroken was. Maar toen +alles rustig was en de kazernes vol karabiniers waren, trokken zij weer +weg.</p> +<p>Donna Micaela dacht nu voortdurend aan deze menschen en ze was +overtuigd dat zij haar moordenaars zouden worden. Zij zag hen voor zich +in hun fladderende linnen mantels en met hun roofdiergezichten. Zij +wist dat zij in hun berggrotten op de loer lagen, en op den dag +wachtten, dat zij schoten en oproerkreten in Diamante hoorden. Dan +zouden zij zich met moord en brand op de stad werpen en zich aan de +spits stellen van het gansche uitgehongerde volk, generaals en +aanvoerders der verwoesting gelijk.</p> +<p>Donna Micaela moest gedurende dezen geheelen herfst zoowel haar +vader als don Ferrante verplegen, die beiden maand na maand ziek lagen. +Men had haar verzekerd, dat er volstrekt geen gevaar voor hun leven +bestond. Zij was zeer blijde don Ferrante in het leven te mogen +behouden, want het was haar eenige hoop, dat de menschen hem ten slotte +zouden sparen, omdat hij uit een oud geslacht was, dat hoog in aanzien +stond.</p> +<p>Terwijl zij daar bij het ziekbed zat, ging haar verlangen dikwijls +naar Gaetano en ontelbaar waren de keeren dat zij wenschte dat hij +thuis was. Zij zou angst noch doodsvrees gevoelen, indien hij slechts +in zijn werkplaats stond. Dan zou er slechts vrede en veiligheid in +haar ziel heerschen.</p> +<p>Zelfs nu hij zoo ver weg vertoefde, was hij degene, bij wien zij in +gedachten hulp zocht, toen de ontzetting haar tot waanzin dreef.</p> +<p>Toch had zij geen enkelen brief van hem ontvangen, in al dien tijd +dat hij weg was; zoodat zij dikwijls geloofde, dat hij haar geheel +vergeten had. Op andere tijden wist ze evenwel zeker, dat hij haar +liefhad, want dan voelde zij zich zoo onweerstaanbaar gedrongen aan hem +te denken, dat zij begreep, dat hij haar in gedachten nabij was en haar +riep.</p> +<p>In dezen herfst kreeg zij eindelijk een brief van Gaetano. Ach, welk +een brief! Donna Micaela’s eerste gedachte was hem te +verbranden.</p> +<p>Ze was naar het terras op het dak gegaan, om alleen te zijn, terwijl +zij den brief las. Hier had ze ook eens Gaetano’s <span class="pagenum">[<a id="pb119" href="#pb119" name="pb119">119</a>]</span>liefdesverklaring gehoord. En die had haar +volstrekt niet ontroerd. Die had haar geschokt, noch verschrikt. Maar +deze brief was iets geheel anders. Hij smeekte haar bij hem te komen, +de zijne te worden, hem haar leven te geven.</p> +<p>Toen zij dit las, schrikte zij van zich zelf. Zij voelde hoe zij had +willen uitroepen: „ik kom” en weg had willen vliegen. Zij +voelde zich tot hem getrokken, meegesleept.</p> +<p>„Laat ons gelukkig zijn!” schreef hij. „Wij +verspillen den tijd, de jaren gaan voorbij. Laat ons gelukkig +zijn.”</p> +<p>Hij beschreef haar hoe zij zouden leven. Hij vertelde haar van +andere vrouwen, die de stem der liefde gehoorzaamd hadden en gelukkig +waren geworden. Hij schreef even verlokkend als overtuigend.</p> +<p>Het was niet juist de inhoud, maar de liefde, die in den brief +brandde en gloeide en die haar vervoerde. Die steeg op uit het papier +gelijk bedwelmende wierook en zij voelde hoe die haar doordrong. Vurig +verlangen was het, dat uit elk woord sprak.</p> +<p>Nu was zij niet meer een heilige voor hem, zooals zij vroeger was +geweest. Deze brief kwam overweldigend onverwacht na een paar jaar van +zwijgen, en zij was ontsteld dat deze haar zoo verrukte.</p> +<p>Zóó had zij zich de liefde nooit gedacht. Zou die haar +ook in dezen nieuwen vorm behagen? En met angst ontdekte zij dat die +haar ook zoo behaagde.</p> +<p>Toen strafte zij hem zoowel als zich zelf door een zeer streng +antwoord te schrijven. Dat was moraal, moraal, niets anders dan moraal. +Zij was trotsch dat zij zoo geschreven had. Zij ontkende niet dat zij +hem liefhad, maar misschien zou Gaetano haar liefdeswoorden niet kunnen +vinden, zoo verborgen waren ze onder verwijten. Het was ook beter, dat +hij ze niet vond.</p> +<p>Hij schreef haar geen brieven meer. Maar nu kon donna Micaela nooit +meer aan Gaetano denken als steun en beschermer. Nu was hij +gevaarlijker dan de mannen uit de bergen.</p> +<p>En iederen dag bracht Diamante een onheilspellender bericht. Nu +begon iedereen zich wapens aan te schaffen. En hoewel het verboden was +die te bezitten, droegen toch alle menschen die in ’t geheim. +<span class="pagenum">[<a id="pb120" href="#pb120" name="pb120">120</a>]</span></p> +<p>Alle vreemdelingen verlieten het eiland, maar in hun plaats werd er +van Italië het ééne duizendtal soldaten na het +andere gezonden.</p> +<p>De socialisten hielden voortdurend redevoeringen.</p> +<p>Waren zij dan bezeten door een boozen geest, dat zij niet tevreden +waren, vóórdat zij het ongeluk opgeroepen hadden!</p> +<p>Eindelijk hadden de oproerlingen den dag bepaald dat de storm zou +losbreken. Geheel Sicilië, geheel Italië zou in opstand +komen. Het was nu niet meer een holle bedreiging maar +werkelijkheid.</p> +<p>Toen kwamen er al meer en meer troepen van het vasteland. En de +meesten waren Napolitanen, die in eeuwige veete met de Sicilianen +leven.</p> +<p>Het eiland werd in staat van beleg verklaard.</p> +<p>Er zouden geen gerechtshoven meer zijn, slechts de krijgsraad. En +het volk vertelde dat de soldaten verlof hadden te plunderen en te +moorden naar hartelust.</p> +<p>Niemand wist wat er gebeuren zou. De boeren wierpen verschansingen +op in de bergen. In Diamante stonden mannen in groote groepen bijeen op +de markt, stonden daar dag aan dag zonder aan den arbeid te gaan. Deze +groepen mannen, die gekleed waren in donkere mantels met slappe hoeden, +zagen er onheilspellend uit.</p> +<p>Zij droomden zeker allen van het oogenblik, dat zij het zomerpaleis +zouden plunderen.</p> +<p>Hoe meer men den dag naderde, dat het oproer zou uitbreken, hoe +zieker don Ferrante werd. En donna Micaela begon voor zijn leven te +vreezen.</p> +<p>Het scheen haar een teeken, dat zij voorbeschikt was tot ondergang, +nu zij ook don Ferrante moest verliezen.</p> +<p>Wie zou haar ontzien, als hij niet meer leefde?</p> +<p>Zij waakte bij hem. Zij en alle vrouwen der wijk zaten in stil gebed +bij zijn legerstede.</p> +<p>Maar op een morgen, tegen zes uur, stierf don Ferrante. En donna +Micaela betreurde hem, omdat hij haar eenige beschermer was en de +eenige, die haar van den ondergang had kunnen redden, en zij wilde den +doode alle eer bewijzen, die nog gebruikelijk is op Sicilië. Zij +liet de sterfkamer met zwart doek bekleeden en sloot alle luiken, opdat +het blijde zonlicht niet in het vertrek zou dringen. <span class="pagenum">[<a id="pb121" href="#pb121" name="pb121">121</a>]</span></p> +<p>Zij liet ook het vuur dooven in den haard en zond om een blinden +zanger, opdat hij elken dag in het paleis zou komen om klaagliederen te +zingen. Zij liet het aan Giannita over cavaliere Palmeri te verplegen, +opdat zij zelf stil in de sterfkamer zou kunnen zitten tusschen de +treurende vrouwen.</p> +<p>Het liep tegen den avond van den sterfdag, men had alle +beschikkingen gemaakt en wachtte nu slechts op de witte broeders, die +het lijk zouden wegvoeren.</p> +<p>In de sterfkamer was het doodstil. Al de vrouwen van de wijk zaten +daar onbeweeglijk met betraande gezichten. Donna Micaela was bleek in +haar grooten angst en staarde onafgebroken naar het lijkkleed, dat over +den doode gespreid was.</p> +<p>Het was een baarkleed, dat aan het geslacht der Alagona’s +behoorde, een reusachtig groot familiewapen prijkte in het midden en +het was afgezet met zilveren franje en dikke kwasten. Dit kleed was +nooit gespreid over iemand anders dan over een Alagona. Het scheen daar +te liggen, opdat donna Micaela geen oogenblik zou vergeten, dat haar +laatste steun van haar was genomen en zij nu eenzaam en zonder +bescherming stond tusschen het verwoede volk.</p> +<p>Nu kwam iemand binnen om te melden, dat de oude Assunta was gekomen. +De oude Assunta, wat wenschte de oude Assunta?</p> +<p>„Assunta was een lofspreekster, ze placht over de dooden te +spreken.”</p> +<p>Donna Micaela liet Assunta in de kamer komen. Ze was zooals zij op +de domtrap zat te bedelen, met dezelfde gelapte kleeding, denzelfden +verschoten hoofddoek en dezelfde oude kruk.</p> +<p>Klein en met gebogen rug hinkte zij naar de kist. Zij had een +verschrompeld gelaat, een ingevallen mond en doffe oogen. Donna Micaela +zei tot zichzelf dat de hulpeloosheid en de onmacht nu haar kamer +binnentraden.</p> +<p>De oude verhief haar stem en begon te spreken uit naam der +echtgenoote.</p> +<p>„Mijn heer is dood, en ik ben eenzaam. Hij die mij verhief aan +zijn zijde, is niet meer. Hoe vreemd is het, dat mijn huis zijn meester +verloren heeft!—Waarom zijn de luiken voor uw vensters gesloten? +vragen de voorbijgangers.<span class="pagenum">[<a id="pb122" href="#pb122" name="pb122">122</a>]</span>—Ik antwoord: ik kan het +licht niet verdragen, daarvoor is mijn smart te groot, mijn smart is +drievoudig.”</p> +<p>„Hoe, zijn er zoo velen van uw geslacht door de witte broeders +weggedragen?</p> +<p>„Neen, niemand van mijn geslacht is dood, maar ik heb mijn man +verloren, mijn man, mijn man!”</p> +<p>De oude Assunta behoefde niet meer te zeggen. Donna Micaela barstte +in klachten uit. Het gansche vertrek was vervuld van het geweeklaag der +jammerende vrouwen.</p> +<p>Want er bestaat geen smart zoo groot als het verlies van een +echtgenoot. Zij, die weduwe waren, dachten aan hetgeen zij verloren +hadden en zij die het nog niet waren, dachten aan den tijd, dat zij +niet meer op straat zouden gaan, omdat geen man haar vergezelde, en ze +tot eenzaamheid, armoede en vergetelheid gedoemd zouden zijn, en dat +zij niets zouden beteekenen, niets zouden zijn, dat zij behooren zouden +tot de verworpelingen dezer aarde, omdat zij geen man meer hadden, +omdat niemand haar meer het recht tot leven gaf.</p> +<hr class="tb"> +<p>Het was in het eind van December, de dagen tusschen Kerstfeest en +Nieuwjaar.</p> +<p>Er bestond nog steeds hetzelfde gevaar voor oproer en nog steeds +hoorde men dezelfde beangstigende berichten. Er werd verteld dat Falco +Falcone een groote rooversbende in de steengroeve verzameld had en dat +hij slechts wachtte op den dag, die bepaald was voor het oproer, om +Diamante binnen te stormen en te plunderen.</p> +<p>Er werd ook verteld, dat de menschen in verscheidene kleine +bergsteden opgestaan waren, de tolkantoren bij de stadspoorten in brand +hadden gestoken en de tolkommiezen weggejaagd hadden.</p> +<p>Men wist ook te vertellen, dat de troepen van stad tot stad trokken +en allen arresteerden, die slechts verdacht werden, en de menschen bij +honderden tegelijk doodschoten.</p> +<p>Elk zei dat men zich wapenen moest voor den strijd. Men kon zich +toch niet door deze Italianen laten vermoorden zonder zich te +verzetten.</p> +<p>Gedurende dezen tijd zat donna Micaela gevangen bij <span class="pagenum">[<a id="pb123" href="#pb123" name="pb123">123</a>]</span>haar +vaders ziekbed evenals zij vroeger bij don Ferrante gezeten had. Zij +kon Diamante niet ontvluchten en de angst groeide en groeide in haar +zoodat zij niets anders was dan trillende vrees.</p> +<p>Het laatste en het vreeselijkste van alle onheilsberichten betrof +Gaetano; ongeveer een week na don Ferrante’s dood was Gaetano +thuis gekomen.</p> +<p>En dit had haar volstrekt niet beangstigd, maar integendeel +verheugd. Zij had gejubeld eindelijk iemand in haar nabijheid te +hebben, die haar beschermen kon.</p> +<p>Terzelfder tijd besloot zij, dat zij Gaetano niet zou ontvangen +indien hij bij haar kwam. Zij voelde dat zij den doode nog toebehoorde. +Zij wilde liefst Gaetano niet zien vóórdat een jaar +verstreken was.</p> +<p>Maar toen Gaetano acht dagen thuis was zonder dat hij naar het +zomerpaleis kwam, vroeg zij Giannita naar hem.</p> +<p>„Waar is Gaetano, is hij misschien reeds weer vertrokken daar +niemand over hem spreekt?”</p> +<p>„Ach, Micaela,” antwoordde Giannita, „hoe minder +men spreekt over Gaetano, hoe beter het is voor hem.”</p> +<p>Zij vertelde donna Micaela nu, gelijk zij een groote schande zou +verhalen, dat Gaetano socialist was geworden.</p> +<p>„Hij is daarginds in Engeland geheel veranderd,” zei +zij. „Hij gelooft niet meer aan God of aan de heiligen. Hij kust +den pastoor niet meer de hand, wanneer hij hem ontmoet. Hij zegt tot +alle menschen, dat zij geen tol meer moeten geven bij de stadspoort. +Hij spoort de boeren aan hun pacht niet meer te betalen. Hij heeft +wapens meegebracht en hij is slechts thuis gekomen om oproer te +verwekken en de bandieten te helpen.”</p> +<p>Zij behoefde niets meer te zeggen, opdat donna Micaela aangegrepen +zou worden door een grooter ontzetting dan zij nog ooit gevoeld +had.</p> +<p>Dit was het dus, dat de onheilspellende herfstdagen geprofeteerd +hadden. Juist hij moest het zijn, die den bliksem uit de wolken +slingerde. Dat zij dit niet reeds lang geleden vermoed had!</p> +<p>Dit was de straf en wraak. Juist hij moest het zijn die het ongeluk +opriep. <span class="pagenum">[<a id="pb124" href="#pb124" name="pb124">124</a>]</span></p> +<p>De laatste dagen was zij kalmer geweest. Zij had gehoord, dat alle +socialisten op het gansche eiland gevangen waren genomen. En al de +kleine oproervuren, die in de bergsteden ontstoken waren, werden +uitgedoofd. Het had bijna geschenen, dat het oproer op niets zou +uitloopen.</p> +<p>Maar nu was de laatste Alagona gekomen en hem zou het volk volgen. +Er zou beweging komen in de zwarte groepen op de markt. De mannen in de +linnen mantels zouden over den Simeto trekken. Falco Falcone’s +rooverbende zou uit de steengroeve te voorschijn komen.</p> +<hr class="tb"> +<p>Den volgenden avond sprak Gaetano op de markt. Hij had bij de +marktbron gezeten en gezien hoe de menschen kwamen om water te halen. +Twee jaar had hij de vreugde moeten ontberen, te zien hoe de slanke +meisjes de zware waterkruiken op haar hoofd hieven en hoe zij met +vaste, statige schreden haar weg vervolgden.</p> +<p>Maar het waren niet alleen jonge meisjes die bij de bron kwamen, +maar menschen van elken leeftijd. En toen hij nu zag hoe arm en +ongelukkig de meesten waren, begon hij met hen over de toekomst te +spreken.</p> +<p>Hij beloofde hun dat er spoedig betere tijden zouden aanbreken. Hij +zei tot de oude Assunta, dat zij voortaan haar dagelijksch brood zou +hebben, zonder dat zij eenig mensch om een aalmoes zou behoeven te +vragen. En toen zij zeide, dat zij niet begreep, hoe dat moest +geschieden, vroeg hij haar bijna toornig, of zij dan niet wist, dat de +tijd nu gekomen was, dat geen oud mensch of jong kind meer zonder steun +en beschutting zou zijn.</p> +<p>Hij wees op den ouden stoelenmatter, die even arm als de oude +Assunta en daarenboven nog zeer ziek was, en hij vroeg of zij geloofde, +dat men het nog langer zou dulden, dat er geen ziekenhuis of armenzorg +was. Kon zij niet begrijpen, dat er in de toekomst voor de ouden en +zieken gezorgd zou worden?</p> +<p>Hij zag ook eenige kinderen, van wie hij wist, dat zij voornamelijk +leefden van planten en wortelen, die zij aan de oevers der rivier en +aan den weg verzamelden, en hij beloofde dat <span class="pagenum">[<a id="pb125" href="#pb125" name="pb125">125</a>]</span>voortaan niemand meer honger zou behoeven te +lijden. Hij legde de hand op het hoofd der kinderen en verzekerde zoo +trotsch als ware hij de vorst van Diamante, dat zij nooit meer brood +zouden derven.</p> +<p>Zij wisten niets in Diamante, zei hij; zij waren onwetend en wisten +niet, dat een nieuwe gezegende tijd aangebroken was. Zij geloofden, dat +deze ellende steeds zou blijven voortduren. Terwijl hij zoo de armen +troostte, hadden al meer en meer menschen zich om hem verzameld. Hij +sprong plotseling op den rand der bron en begon te spreken.</p> +<p>„Hoe konden zij zoo onnoozel zijn,” zei hij, „om +te gelooven, dat er geen betere tijd zou komen? Zouden de menschen, die +de heele aarde bezaten, het dulden dat de ouden verhongerden en de +kinderen tot ellendelingen en misdadigers opgroeiden?</p> +<p>„Wisten ze dan niet, dat er schatten verborgen waren in den +berg en in de zee en in den grond? Hadden zij nooit gehoord, dat de +aarde rijk was? Geloofden ze, dat ze haar kinderen niet voeden kon?</p> +<p>„Ze moesten niet tot elkaar zeggen, dat het onmogelijk was de +zaken anders te regelen. Zij moesten niet denken, dat er steeds rijken +en armen moesten zijn.</p> +<p>„Ach, zij wisten niets. Zij kenden hun moederaarde niet. +Geloofden zij, dat zij een van hen haatte? Hadden zij dan op het veld +gelegen en de aarde hooren spreken? Hadden zij gezien hoe de aarde +wetten voorschreef? Hadden zij gehoord, hoe zij een vonnis velde? Had +de aarde dan bevolen, dat sommigen honger zouden lijden, terwijl +anderen aan een overdadig leven zouden sterven? Waarom richtten zij +zich niet op om te luisteren naar de nieuwe leer, die over de wereld +ging? Verlangden zij het niet beter te hebben? Zij gingen dus gaarne +gekleed in lompen? Ze waren dus tevreden met planten en wortelen tot +voedsel? Wilden ze dan geen dak boven het hoofd hebben?”</p> +<p>En hij zeide hun, dat het er niets toe deed, niets, in het geheel +niets, of zij weigerden te gelooven aan den nieuwen tijd, die in +aantocht was. Die zou in ieder geval toch komen.</p> +<p>Ze behoefden immers ook niet ’s morgens de zon uit de zee op +te heffen. De nieuwe tijd zou tot hen komen, gelijk de zon kwam, maar +waarom wilden zij haar niet tegemoet <span class="pagenum">[<a id="pb126" href="#pb126" name="pb126">126</a>]</span>gaan? Waarom sloten +zij zich op en vreesden het nieuwe licht?</p> +<p>Hij sprak lang op deze wijze en steeds verzamelden zich meer +menschen om hem heen.</p> +<p>Maar hoe langer hij sprak, hoe schooner zijn taal werd, en hoe +helderder zijn stem.</p> +<p>Er kwam gloed in zijn fonkelende oogen en het arme volk, dat naar +hem opzag, vond hem schoon als een jongen vorst.</p> +<p>Hij was als een der oude, machtige heeren van zijn stam, die het +vermogen bezeten hadden geluk en goud te schenken aan alle menschen in +hun rijk.</p> +<p>Zij geloofden hem toen hij zei, dat hij hun geluk kon geven. Ze +waren reeds gelukkig en blijde, omdat hun jonge heer hen liefhad.</p> +<p>Toen hij ophield met spreken, begonnen zij te jubelen en riepen dat +zij hem wilden volgen, en doen wat hij hun beval. In een oogenblik was +hij hun heer geworden. Hij was zoo schoon en zoo heerlijk dat zij hem +niet konden weerstaan. En zijn geloof was zoo overtuigend, dat het +vervoerde en meesleepte.</p> +<p>Dien nacht was er niet één arm mensch in Diamante, die +niet geloofde, dat Gaetano hem onbezorgde en gelukkige dagen zou +schenken. Dien nacht zegenden allen hem, allen, die in schuren en +hutten woonden. Dien nacht begaven de hongerigen zich ter ruste in de +vaste overtuiging, dat ze den volgenden dag bij hun ontwaken een tafel +volgeladen met allerlei gerechten voor hun bed zouden vinden.</p> +<p>Want toen Gaetano sprak, was zijn macht zoo groot dat hij den +grijsaard kon overtuigen dat hij jong, en den verkleumde, dat hij warm +was. Men voelde dat hetgeen Gaetano beloofde, moest komen.</p> +<p>Hij was de vorst van den nieuwen tijd. Zijn handen waren zoo mild, +wonderen en zegeningen zouden neerdalen op Diamante, nu hij weer terug +was gekomen.</p> +<hr class="tb"> +<p>Den volgenden dag toen de zon onderging, kwam Giannita in de +ziekenkamer en fluisterde: <span class="pagenum">[<a id="pb127" href="#pb127" name="pb127">127</a>]</span></p> +<p>„Er is oproer in Paterno, sedert verscheidene uren zijn ze +daar aan het schieten, men kan het hier hooren. Er is reeds naar +Catania gezonden om troepen. En Gaetano zegt, dat het oproer hedenavond +hier zal uitbreken. Hij zegt, dat het tegelijkertijd in al de +Etnasteden zal uitbreken.”</p> +<p>Donna Micaela beduidde Giannita, dat zij bij cavaliere Palmeri zou +blijven, zelf ging zij over de straat naar donna Elisa’s +winkel.</p> +<p>Donna Elisa zat achter haar toonbank voor haar borduurraam, maar zij +werkte niet. De tranen druppelden haar zwaar en onophoudelijk langs de +wangen zoodat zij moest ophouden met borduren.</p> +<p>„Waar is Gaetano?” zei donna Micaela zonder omwegen. +„Ik moet hem spreken.”</p> +<p>„God schenke je kracht om met hem te spreken,” +antwoordde donna Elisa. „Hij is in den tuin.”</p> +<p>Donna Micaela ging over den binnenhof naar den door hooge muren +omgeven tuin.</p> +<p>In den tuin waren vele kleine paadjes, die zich van terras tot +terras slingerden<span class="corr" id="xd20e3111" title="Niet in bron">.</span> Er waren ook vele priëelen, grotten en +rustbanken. En de tuin was zoo dicht begroeid met stijve agaven, dichte +dwergpalmen en stijfbladige ficussen en rhododendrons dat men geen twee +schreden voor zich uit kon zien.</p> +<p>Donna Micaela liep langen tijd door deze ontelbare kronkelpaadjes, +vóórdat zij Gaetano kon vinden. En hoe langer zij zocht, +hoe ongeduldiger zij werd. Eindelijk vond zij hem heel achter in den +tuin. Hij bevond zich op het laagste terras, dat uitgebouwd was op +één der bastions van de stadsmuren. Daar zat Gaetano kalm +met hamer en beitel aan een beeld te werken. Toen hij donna Micaela +zag, liep hij haar met uitgestrekte handen tegemoet.</p> +<p>Zij gaf zich nauwelijks tijd hem te groeten.</p> +<p>„Is het waar,” zei zij, „dat gij gekomen zijt om +ons in het verderf te storten?”</p> +<p>Hij begon te lachen.</p> +<p>„De sindaco is hier geweest,” zei hij, „en de +pastoor is hier geweest. Komt gij nu ook nog hier?”</p> +<p>Het griefde haar, dat hij lachte en dat hij sprak van den sindaco en +den pastoor. <span class="pagenum">[<a id="pb128" href="#pb128" name="pb128">128</a>]</span></p> +<p>Het was toch zeker iets anders en van meer beteekenis, dat zij +kwam<span class="corr" id="xd20e3130" title="Bron: ,">.</span></p> +<p>„Wilt gij mij zeggen,” vroeg zij scherp, „of het +waar is, dat wij hier vanavond oproer krijgen?”</p> +<p>„O, neen,” antwoordde hij, „hier komt geen +oproer.”</p> +<p>En hij zei dat op zulk een moedeloozen toon, dat het haar bijna +bedroefde om zijnentwille.</p> +<p>„Ge doet donna Elisa heel veel verdriet,” barstte zij +los.</p> +<p>„En u ook, niet waar?” zei hij met lichten spot.</p> +<p>„Ik ben de verloren zoon, ik ben Judas. Ik ben de strafengel +die u allen drijft uit dit paradijs, waar men gras eet.”</p> +<p>Zij antwoordde:</p> +<p>„Misschien verkiezen wij onzen toestand boven den +gewelddadigen dood.”</p> +<p>„Ja zeker, het is beter te verhongeren. Daaraan is men immers +gewoon.”</p> +<p>„’t Is ook niet zoo aangenaam door bandieten vermoord te +worden.”</p> +<p>„Maar wat ter wereld wil men met bandieten, als men zich niet +door hen wil laten vermoorden?”</p> +<p>„Ja, ik weet wel,” zei zij steeds heftiger, „dat +gij wilt dat alle rijken gedood zullen worden.”</p> +<p>Hij antwoordde haar niet dadelijk, maar beet zich op de lippen om +zich niet te overijlen.</p> +<p>„Laat mij eens met u spreken, donna Micaela,” zei hij +ten slotte. „Laat mij het u eens verklaren.”</p> +<p>En hij trok zijn gelaat in een plooi van geduld, en verklaarde haar +het socialisme, zoo duidelijk en eenvoudig, dat een kind het had kunnen +begrijpen.</p> +<p>Doch het was er verre van, dat zij hem kon volgen. Misschien had zij +het wel gekund, maar zij wilde niet. Zij wilde juist nu niet hooren +spreken over het socialisme.</p> +<p>’t Was haar zoo vreemd geweest, toen zij hem nu weer zag. De +grond was begonnen te trillen onder haar voeten en een heerlijk en +gelukzalig gevoel had haar doorstroomd en haar geheel vervuld.</p> +<p>„Mijn God, daar is hij dien ik lief heb,” zei zij tot +zich zelf. „Hij is het werkelijk.”</p> +<p>Voordat zij hem gezien had, wist zij heel goed wat zij <span class="pagenum">[<a id="pb129" href="#pb129" name="pb129">129</a>]</span>tot +hem zou zeggen. Zij zou hem teruggebracht hebben tot het geloof zijner +jeugd.</p> +<p>Zij zou hem bewezen hebben, dat deze nieuwe leer afschuwelijk en +gevaarlijk was. Maar toen kwam de liefde en die maakte haar dom en +verward.</p> +<p>Zij kon hem niets antwoorden. Zij was slechts verbaasd, dat hij zoo +spreken kon.</p> +<p>En zij vond hem nog veel schooner dan vroeger. Nooit tevoren was zij +zoo verward geweest, als zij hem zag. Nooit had hij zulk een indruk op +haar gemaakt. Of kwam het, omdat hij nu een vrije sterke man was +geworden? Zij werd bang, toen zij voelde hoeveel macht hij over haar +had.</p> +<p>Zij waagde het niet hem tegen te spreken. Zij durfde niet eens +spreken om niet in tranen uit te barsten. En indien zij gewaagd had te +spreken, dan zou zij wel niet over politiek gesproken hebben.</p> +<p>Zij zou hem verteld hebben, wat zij gedacht had op den dag, dat de +klokken luidden. Of zij zou hem gesmeekt hebben zijn hand te mogen +kussen. Zij zou hem hebben willen zeggen hoe zij van hem gedroomd had. +Zij zou hem gezegd hebben, dat indien zij hem niet had bezeten om van +te droomen, zij het leven niet uitgehouden had.</p> +<p>Zij zou hem verzocht hebben zijn hand te mogen kussen uit +dankbaarheid, omdat hij haar het leven geschonken had in al deze +jaren<span class="corr" id="xd20e3187" title="Bron: ,">.</span></p> +<p>Indien er geen oproer zou komen, waarom sprak hij dan over +socialisme? Wat ging het socialisme hun aan, die rustig zaten in donna +Elisa’s ouden tuin? Zij keek door een kronkelend tuinpad. Luca +had houten bogen aan beide zijden geplaatst en langs deze slingerden +zich nu guirlandes van lichte rozen, vol kleine knoppen en geurende +bloemen. Men was altijd verwonderd, waar men zou komen als men door dit +pad ging. En men kwam bij een kleinen, verweerden amor. De oude Luca +verstond die zaken beter dan Gaetano. Terwijl zij daar zoo zaten, ging +de zon onder en de Etna kleurde zich rozerood. Het was alsof de Etna +bloosde van toorn over hetgeen in donna Elisa’s tuin geschiedde. +Het was gewoonlijk bij zonsondergang, wanneer de Etna stralend rood +was, dat zij aan Gaetano had gedacht.</p> +<p>Het was alsof zij beiden op hem gewacht hadden. En <span class="pagenum">[<a id="pb130" href="#pb130" name="pb130">130</a>]</span>zij +beiden hadden gedroomd hoe het zou zijn als Gaetano terugkwam. Zij had +slechts gevreesd dat hij al te vurig en te onstuimig zou zijn. En nu +sprak hij slechts over deze afschuwelijke socialisten, die zij haatte +en vreesde.</p> +<p>Hij sprak zeer lang. Zij zag hoe de Etna verbleekte en bronsachtig +bruin werd en toen kwam de duisternis. Zij wist dat de maan zou +schijnen. En zij zat onbeweeglijk stil en hoopte op de maneschijn. Zelf +kon zij niets meer doen. Zij was volkomen in zijn macht. Maar toen de +maneschijn kwam, hielp die haar ook niet. Gaetano bleef slechts +doorspreken over kapitalisten en arbeiders.</p> +<p>Toen meende ze dat er slechts één verklaring voor te +vinden was. Hij had haar niet meer lief.</p> +<p>Plotseling viel haar iets in. Het was acht dagen geleden, dezelfde +dag, dat Gaetano thuis kwam. Toen was zij in Giannita’s kamer +gekomen, maar zij had zoo zacht geloopen, dat Giannita haar niet had +gehoord.</p> +<p>Zij had Giannita toen als in vervoering met uitgestrekte armen en +naar boven gewend gelaat zien staan. En in haar handen hield zij een +portret. Nu eens bracht zij het aan haar lippen en kuste het, dan weer +hief zij het boven haar hoofd om er in verrukking naar op te zien.</p> +<p>’t Was een portret van Gaetano geweest.</p> +<p>Toen donna Micaela dit had gezien, had zij zich zacht +teruggetrokken, gelijk zij gekomen was. En zij had slechts gedacht, dat +het jammer was voor Giannita, dat zij Gaetano liefhad. Maar nu Gaetano +slechts sprak over het socialisme, moest zij daaraan denken.</p> +<p>Nu begon zij te gelooven, dat Gaetano ook Giannita liefhad. Zij +herinnerde zich, dat zij vrienden der jeugd waren. Misschien had hij +haar reeds lang liefgehad, misschien was hij teruggekomen om met haar +te trouwen.</p> +<p>Donna Micaela kon niets zeggen, zij had geen recht zich te beklagen. +Het was nauwlijks een maand geleden sedert zij Gaetano geschreven had, +dat het niet goed was dat hij haar liefhad.</p> +<p>Hij boog zich nu tot haar over, keek haar in de oogen, en dwong haar +eindelijk te luisteren, naar wat hij zei.</p> +<p>„Ge zult begrijpen, donna Micaela, ge moet het begrijpen. Wat +wij hier in het Zuiden noodig hebben, is een wedergeboorte, +<span class="pagenum">[<a id="pb131" href="#pb131" name="pb131">131</a>]</span>een herschepping, zooals het Christendom was in +zijn tijd. Naar boven de slaven, naar beneden de heeren! Een ploeg, die +nieuwe aardlagen opwerpt! Wij moeten in nieuwe aarde zaaien, de oude +grond is uitgeput. De oude aardlaag draagt slechts zwakke, ellendige +planten. Laat de grondaarde voor den dag komen en ge zult iets geheel +anders zien!</p> +<p>„Zie, donna Micaela, hoe komt het dat het socialisme nog +leeft, dat het niet vernietigd is? Omdat het met een nieuwe leuze +gekomen is. „Denk aan de aarde”, zegt het, evenals het +Christendom met de leuze kwam:</p> +<p>—„Denk aan den hemel.”</p> +<p>„Zie om u heen! Zie naar de aarde, is die niet alles wat wij +bezitten? Laat ons dan het leven hier zóó inrichten dat +wij gelukkig worden. Waarom, o waarom heeft men vroeger niet zoo +gedacht? Omdat wij ons te veel bezighielden met het leven hiernamaals. +Laat ons verlost zijn van dat hiernamaals.</p> +<p>„De aarde, de aarde, donna Micaela! Ach, wij socialisten, wij +hebben haar lief. Wij aanbidden de heilige aarde, die arme, verachte +moeder, die rouw draagt, omdat haar kinderen naar den hemel willen +opstijgen.</p> +<p>„Geloof mij, donna Micaela,” zei hij, „de nieuwe +leer zal in zeven jaren verspreid zijn. Als de nieuwe eeuw aanbreekt, +zal zij over de geheele aarde heerschen. Dan zullen de martelaars hun +bloed voor haar geofferd hebben, dan zullen de apostelen gesproken +hebben, dan zal schare na schare tot haar overgegaan zijn. Wij, de +echte zonen der aarde, zullen de overwinnaars zijn. En zij zal zich in +al haar schoonheid aan onze blikken vertoonen. Zij zal ons genot, +gezondheid, kennis en schoonheid geven.”</p> +<p>Gaetano’s stem begon te trillen, en tranen kwamen in zijn +oogen. Hij ging naar den rand van het terras en strekte de armen uit +als wilde hij de door de maan beschenen aarde omvatten.</p> +<p>„Gij zijt zoo verblindend schoon,” zei hij, „zoo +verblindend schoon.”</p> +<p>En donna Micaela meende gedurende een oogenblik zijn smart mee te +gevoelen over de verschrikking, die verborgen was onder dit uiterlijk +omhulsel van schoonheid. Zij zag <span class="pagenum">[<a id="pb132" +href="#pb132" name="pb132">132</a>]</span>het leven met al zijn ellende +en lijden, gelijk een modderige beek vol verpestende onreinheden, zich +slingeren door die schitterende wereld van schoonheid.</p> +<p>„En niemand kan van u genieten,” zei Gaetano, +„niemand kan het wagen van u te genieten. Ge zijt ongetemd en vol +nukken en boosaardigheid. Gij zijt de onzekerheid en het toeval, gij +zijt het berouw en de kwelling, gij zijt de zonde en de schande, gij +zijt het dwangbuis, dat wij willen verbreken, gij zijt alles wat de +verschrikking vormt, omdat de menschen u niet beter hebben willen +maken.”</p> +<p>„Maar uw dag zal komen,” zei hij jubelend. „Eens +zullen ze allen met liefde tot u komen. Ze zullen zich niet aan een +droom vastklampen, die niets geeft, noch iets vermag.”</p> +<p>Zij viel hem plotseling in de rede.</p> +<p>Zij begon hem al meer en meer te vreezen.</p> +<p>„Het is dus waar, dat het u niet goed gegaan is in +Engeland?”</p> +<p>„Wat meent ge?”</p> +<p>„Men zegt dat de groote meester, tot wien miss Tottenham u +zond, gezegd heeft, dat gij— — —”</p> +<p>„Wat heeft hij gezegd?”</p> +<p>„Dat gij en uw beelden in Diamante pasten, maar nergens +anders.”</p> +<p>„Wie zegt dat?”</p> +<p>„Men gelooft dat, omdat gij zoo veranderd zijt.”</p> +<p>„Omdat ik nu socialist ben?”</p> +<p>„Waarom zoudt ge dat zijn, indien het u goed ging?”</p> +<p>„O, waarom....? Ge weet dus niet,” vervolgde hij +lachend, „dat mijn meester in Engeland zelf een socialist is. Ge +weet niet dat hij mij zelf deze leer verkondigd heeft— — +—”</p> +<p>Hij zweeg plotseling en vervolgde de woordenwisseling niet. Hij ging +naar de bank waar hij gezeten had toen zij kwam en nam het beeld. Dat +reikte hij donna Micaela.</p> +<p>’t Was als wilde hij zeggen: „Zie nu zelf of gij gelijk +hebt.”</p> +<p>Zij hield het in den maneschijn. Het was een Mater Dolorosa van +zwart marmer. Dat kon zij duidelijk zien. Zij kon het ook herkennen. +Het beeld droeg haar eigen gelaatstrekken. Een oogenblik bracht dit +haar in verrukking. In <span class="pagenum">[<a id="pb133" href="#pb133" name="pb133">133</a>]</span>het volgende werd zij door +ontzetting aangegrepen. Hij een socialist, hij, die niet geloofde, +waagde het een Madonna te scheppen! En hij had het beeld haar trekken +gegeven. Hij sleepte haar mede in zijn zonde!</p> +<p>„Ik heb dit beeld voor u gemaakt, donna Micaela,” zei +hij.</p> +<p>O, indien het beeld van haar was! Zij wierp het over de balustrade. +Het stiet tegen den steilen bergwand, viel al dieper, rukte steenen los +en sloeg zich zelf te pletter. Eindelijk hoorde men het in den Simeto +neerploffen.</p> +<p>„Met welk recht schept gij Madonna’s?” vroeg zij +Gaetano.</p> +<p>Hij stond zwijgend. Zóó had hij donna Micaela nog +nooit te voren gezien.</p> +<p>In hetzelfde oogenblik dat zij tegen hem streed, was zij groot en +statig geworden. De schoonheid, die bij haar altijd kwam en ging als +een onrustige gast, troonde nu op haar gelaat. Zij zag er koud en +ongenaakbaar uit, een vrouw, verleidelijk om te overtuigen en te +winnen.</p> +<p>„Gij gelooft dus nog aan God, daar ge Madonna’s +beitelt?” vroeg zij.</p> +<p>Hij haalde heftig adem. Nu was het alsof hij verlamd was. Hij was +zelf een geloovige geweest. Hij wist hoe diep hij haar gegriefd had. +Hij zag dat hij haar liefde verspeeld had. Hij had een vreeselijke, +ondempbare kloof tusschen hen gelegd.</p> +<p>Hij moest spreken, moest haar winnen voor zijn overtuiging.</p> +<p>Hij begon te spreken, maar zwak en stamelend.</p> +<p>Ze luisterde stil. Toen viel zij hem medelijdend in de rede.</p> +<p>„Hoe zijt ge zoo geworden?”</p> +<p>„Ik dacht aan Sicilië,” zei hij ontwijkend.</p> +<p>„Gij dacht aan Sicilië,” herhaalde zij +nadenkend.</p> +<p>„En waarom kwaamt gij thuis?”</p> +<p>„Ik kwam terug om een oproer te verwekken.”</p> +<p>’t Was alsof ze over een ziekte spraken, een verkoudheid, die +hij zich op den hals gehaald had, waarvan hij na een paar dagen genezen +zou zijn.</p> +<p>„Ge kwaamt dus thuis om ons in het verderf te storten,” +zei ze streng. <span class="pagenum">[<a id="pb134" href="#pb134" name="pb134">134</a>]</span></p> +<p>„Zooals gij wilt, zooals gij wilt,” zei hij +ootmoedig.</p> +<p>„Gij kunt het immers zoo noemen. Zooals het nu loopt, hebt ge +zeker gelijk het zoo te noemen. O, indien men mij geen onjuiste +mededeelingen gedaan had, zoodat ik niet een week te laat was gekomen! +Is het niet juist iets voor ons Sicilianen om ons door de regeering te +laten verhinderen in onze plannen?</p> +<p>„Toen ik hier kwam waren alle leiders reeds gearresteerd en +het eiland bezet door veertigduizend man. Alles is voorbij!”</p> +<p>Het klonk zoo droevig leeg, toen hij zei: „alles is +voorbij.” En om der wille van dit plan, dat tot niets werd, had +hij zijn geluk verspeeld. Zijn beginselen en principes schenen hem nu +louter spinnewebben, waarin hij gevangen was geweest. Hij wilde zich +losrukken om haar te naderen. Zij was het eenige dat hij bezat. Zoo had +hij het ook vroeger gevoeld. En nu kwam dat gevoel terug. Zij was zijn +eenige schat in de wereld.</p> +<p>„Ze strijden vandaag in Paterno.”</p> +<p>„Dat is slechts een twist bij de stadspoort,” zei hij. +„Dat beteekent niets. Indien ik slechts den geheelen Etna had +kunnen aansteken, den geheelen stedenkrans rondom den berg. Dan zou men +ons begrepen hebben, dan zou men naar ons geluisterd hebben. Nu schiet +men slechts enkele boeren dood om eenige honderden hongerige monden +minder te hebben. Men scheldt ons niets kwijt.”</p> +<p>Hij rukte aan zijn spinneweb. Kon hij het wagen tot haar te gaan, +haar te zeggen, dat dit alles hem onverschillig was? Hij behoefde +immers niet aan politiek te denken, hij was toch kunstenaar, hij was +vrij en hij wilde haar bezitten.</p> +<p>Op dit oogenblik was het alsof de lucht beefde.</p> +<p>Een schot dreunde door den nacht, toen nog één en nog +één.</p> +<p>Zij naderde hem en greep hem bij den pols.</p> +<p>„Is dit het oproer?” vroeg zij.</p> +<p>Schot op schot dreunde door de lucht. Toen hoorde men geschreeuw en +geroep van menschen, die door de straten stormden.</p> +<p>„Het is het oproer! het moet het oproer zijn!”</p> +<p>„Leve het socialisme!” <span class="pagenum">[<a id="pb135" href="#pb135" name="pb135">135</a>]</span></p> +<p>Jubelend kwam het geloof aan zijn zaak weer terug. Haar zou hij ook +daarvoor winnen. Vrouwen hadden nog nooit geweigerd den overwinnaar te +behooren.</p> +<p>Ze haastten zich beiden zonder een woord te spreken naar de +tuinpoort. Daar begon Gaetano te vloeken en te roepen, hij kon er niet +uitkomen. Er was geen sleutel in het slot. Hij was opgesloten.</p> +<p>Hij keek rond. Aan drie zijden waren er hooge muren en aan de vierde +gaapte de afgrond. Er bestond geen uitweg voor hem. Maar van de straat +klonk een vreeselijk tumult; menschen, die schreeuwden en riepen, en +schoten die dreunden. En men hoorde hen brullen: Leve de vrijheid, leve +het socialisme!</p> +<p>Gaetano wierp zich tegen de poort, en ook hij brulde bijna, hij was +gevangen, hij kon er niet bij zijn.</p> +<p>Donna Micaela volgde hem zoo vlug zij slechts kon. Nu zij hem had +hooren spreken, dacht zij er niet meer aan, hem terug te houden.</p> +<p>„Wacht slechts, wacht slechts,” riep zij. „Ik ben +het, die den sleutel uit het slot heb genomen.”</p> +<p>„Gij, gij?” zei hij<span class="corr" id="xd20e3357" +title="Bron: ,">.</span></p> +<p>„Ja, ik nam hem er uit, toen ik kwam. Het viel mij in, dat ik +u hier opgesloten kon houden, indien gij oproer wildet maken. Ik wilde +u redden.”</p> +<p>„Welk een dwaasheid!” zei hij en rukte haar den sleutel +uit de hand.</p> +<p>Terwijl hij naar het sleutelgat zocht, had hij nog tijd iets te +zeggen.</p> +<p>„Waarom wilt gij mij nu niet meer redden?”</p> +<p>Zij gaf geen antwoord.</p> +<p>„Misschien opdat uw God gelegenheid zal hebben mij in het +verderf te storten?”</p> +<p>Zij zweeg nog steeds.</p> +<p>„Waagt gij het niet mij voor Zijn toorn te +beschutten?”</p> +<p>„Neen, dat waag ik niet,” zei ze zacht.</p> +<p>„Gij geloovigen zijt vreeselijk,” zei hij.</p> +<p>Hij voelde dat zij hem losliet. Het trof hem diep en het ontnam hem +den moed, dat zij geen enkele poging deed om hem tegen te houden.</p> +<p>Hij draaide den sleutel heen en weer zonder het slot te <span class="pagenum">[<a id="pb136" href="#pb136" name="pb136">136</a>]</span>kunnen openen, verlamd doordat zij daar zoo +bleek en koud achter hem stond.</p> +<p>Toen voelde hij plotseling haar armen om zijn hals en haar lippen, +die de zijne zochten.</p> +<p>In hetzelfde oogenblik vloog de poort open en ijlde hij weg. Hij +wilde haar kussen niet, die hem slechts aan den dood wijdden. In haar +oud geloof scheen zij hem huiveringwekkend als een lijk. Als een +vluchteling snelde hij heen. <span class="pagenum">[<a id="pb137" href="#pb137" name="pb137">137</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div2" id="ch1.11"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 id="xd20e3393" class="label">XI.</h3> +<h3 class="main">Het feest van San Sebastiaan.</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Toen Gaetano weg was, stond donna Micaela nog langen +tijd in donna Elisa’s tuin. Zij stond daar als versteend en kon +voelen noch denken.</p> +<p>Toen ontwaakte de gedachte plotseling in haar, dat zij en Gaetano +niet alleen op de wereld bestonden. Zij dacht aan haar zieken vader, +dien zij gedurende zoo vele uren geheel vergeten had.</p> +<p>Ze ging door de poort naar de corso, die eenzaam en verlaten lag. De +schoten en het geschreeuw klonken zeer ver weg en zij zei tot zichzelf, +dat er zeker bij de Porta Etnea gestreden werd.</p> +<p>Heldere maneschijn gleed over den gevel van het zomerpaleis en het +verbaasde haar, dat op dezen tijd en in dezen nacht de balkondeuren +wijd openstonden en dat de vensterluiken niet gesloten waren. En nog +meer was zij verbaasd dat de poort openstond en de winkeldeur ook niet +gesloten was.</p> +<p>Toen zij door het poortgewelf ging, zag zij daar den ouden +poortwachter Piero niet. De lantaarn was niet opgestoken en geen mensch +was er te zien op den binnenhof.</p> +<p>Ze ging de trap op naar de galerij, haar voet stiet tegen iets +hards. Het was een kleine bronzen vaas, die anders in de muziekzaal +stond. Een paar schreden verder vond zij een mes.</p> +<p>Het was een scherp geslepen mes gelijk een dolk. Toen zij het opnam, +vielen een paar donkere druppels van de punt. Zij begreep dat het bloed +moest zijn. <span class="pagenum">[<a id="pb138" href="#pb138" name="pb138">138</a>]</span></p> +<p>En eveneens begreep zij, dat hetgeen zij den ganschen herfst +gevreesd had, nu geschied was. Bandieten waren in het zomerpaleis +gedrongen om het te plunderen.</p> +<p>En allen, die vluchten konden, waren gevlucht, maar haar vader, die +zijn bed niet kon verlaten, zou nu zeker vermoord zijn.</p> +<p>Ze kon onmogelijk weten of de roovers nog in haar huis waren. Maar +nu zij midden in het grootste gevaar was, verdween haar angst en zij +haastte zich verder zonder er aan te denken, dat zij alleen en weerloos +was.</p> +<p>Zij ging door de galerij en kwam in de muziekzaal. Daar vielen +breede strepen maanlicht over den vloer en midden in een dezer strepen +lag een mensch onbeweeglijk uitgestrekt.</p> +<p>Donna Micaela boog zich over dit onbeweeglijke lichaam.</p> +<p>Het was Giannita. Zij was vermoord, zij had een diepe gapende wonde +aan den hals.</p> +<p>Donna Micaela legde het lichaam terecht, kruiste haar de handen over +de borst en sloot haar de oogen.</p> +<p>Zij kreeg bloed aan haar handen en toen zij dit lauwe kleverige +bloed voelde, begon zij te schreien.</p> +<p>„Ach mijn goede, beminde zuster,” zei zij luide, +„het is uw jong leven dat weggevloeid is met dit bloed. Gedurende +uw gansche leven hebt ge mij liefgehad en nu hebt ge uw bloed geofferd, +om mijn huis te beschermen. Is het tot straf voor mijn hardheid, dat +God u van mij heeft genomen?</p> +<p>„Is het omdat ik u niet gunde dengene te beminnen, dien ik +liefhad? Zijt gij daarom van mij gegaan?</p> +<p>„Ach zuster, zuster, kondt gij mij niet minder hard +straffen?”</p> +<p>Zij boog zich voorover en kuste de doode op het voorhoofd. „Ge +gelooft het niet,” zei zij. „Ge weet dat ik u altijd trouw +ben geweest. Ge weet dat ik u heb liefgehad.”</p> +<p>Toen herinnerde zij zich dat de doode nu niet meer op de aarde +vertoefde en zij niet meer behoefte had aan betuigingen van vriendschap +en berouw.</p> +<p>En zij deed een paar gebeden bij het lijk, omdat het eenige, dat zij +voor haar zuster doen kon, was met vrome gedachten den vluchtenden +geest op zijn tocht naar God te steunen.</p> +<p>Daarna ging zij verder, niet meer bevreesd voor iets, dat +<span class="pagenum">[<a id="pb139" href="#pb139" name="pb139">139</a>]</span>haar zelf kon treffen, maar in een +onbeschrijflijken angst voor hetgeen haar vader wedervaren was.</p> +<p>Toen zij eindelijk door de lange zalen in de praalwoning kwam, en +vóór de deur stond van de ziekenkamer, zochten haar +handen lang naar het slot en toen zij het gevonden had, ontbrak haar de +kracht om den sleutel om te draaien.</p> +<p>Toen riep haar vader van uit zijn kamer wie daar was.</p> +<p>Nu zij zijn stem hoorde en begreep dat hij leefde, had zij het +gevoel alsof alles in haar trilde en brak, en het vermogen verloor haar +te dienen. Haar hart en verstand hielden tegelijk op te werken en haar +spieren konden haar niet langer staande houden. Zij dacht nog, dat dit +het gevolg was van de vreeselijke spanning waarin zij verkeerd had. En +met een eigenaardig gevoel van verlichting zonk zij in een langdurige +bezwijming.</p> +<p>Donna Micaela ontwaakte tegen den volgenden morgen uit haar onmacht. +Toen was er veel voorgevallen.</p> +<p>De bedienden waren te voorschijn gekomen uit hun schuilplaatsen en +hadden donna Elisa gewaarschuwd. Zij had het beheer over het verlaten +paleis genomen, en om de politie gezonden, zij had de witte broeders +laten komen. En dezen hadden het lijk van Giannita gedragen naar haar +moeders huis.</p> +<p>Toen donna Micaela ontwaakte, lag ze op een sofa in een vertrek +naast haar vaders kamer. Niemand was bij haar, maar daarbinnen hoorde +zij donna Elisa spreken.</p> +<p>„Mijn zoon en mijn dochter,” zei donna Elisa snikkend. +„Ik heb mijn zoon zoowel als mijn dochter verloren.”</p> +<p>Donna Micaela trachtte zich op te richten, maar zij kon niet. Haar +lichaam lag nog in een verstijving, hoewel haar ziel reeds ontwaakt +was.</p> +<p>„Cavaliere, cavaliere,” zei donna Elisa „kunt gij +het begrijpen? Bandieten van den Etna sluipen in de stad, zij schieten +op het tolkantoor en roepen: „Leve het socialisme!” En dat +doen zij slechts om de menschen van de straat te jagen en de +karabiniers te lokken bij de Porta Etnea. Geen enkele man van Diamante +was er bij. Het zijn bandieten, die dit plan slechts beraamd hebben om +te plunderen bij miss Tottenham en bij donna Micaela, bij twee vrouwen, +cavaliere!</p> +<p>„Wat moeten die heeren officieren, die in den krijgsraad +zitten, toch gedacht hebben? Geloofden zij dat Gaetano <span class="pagenum">[<a id="pb140" href="#pb140" name="pb140">140</a>]</span>samenspande met de bandieten? Zagen zij dan niet +dat hij een edelman was, een echte Alagona, een kunstenaar? Hoe hebben +ze hem kunnen veroordeelen?”</p> +<p>Donna Micaela luisterde met ontzetting, maar zij trachtte zich in te +spreken, dat zij nog droomde.</p> +<p>Ze hoorde opnieuw hoe Gaetano haar vroeg of zij hem aan God offerde. +En weer meende zij te antwoorden, dat zij dat deed. Nu droomde zij hoe +het zou zijn, indien hij werkelijk gevangen was genomen.</p> +<p>„Wat is dit toch voor een ongeluksnacht?” zei donna +Elisa. „Wat is het toch, dat in de lucht zweeft en de menschen +verward en waanzinnig maakt?</p> +<p>„Ge kent Gaetano, cavaliere. Hij is immers altijd heftig en +vurig geweest, maar hij was toch niet zonder verstand, hij kon zich +toch altijd wel beheerschen. Maar hedennacht werpt hij zich den vijand +in de armen.</p> +<p>„Gij weet, dat hij oproer wilde maken, ge weet dat hij thuis +was gekomen om oproer te verwekken. Toen hij nu hoort dat er geschoten +wordt en dat men roept „Leve het socialisme” wordt hij wild +en woest. Hij zegt tot zich zelf, dat dit het oproer is, en hij ijlt de +straat op om er bij te zijn. En hij roept den ganschen tijd: +„Leve het socialisme”, zoo hard <span class="corr" id="xd20e3479" title="Bron: bij">hij</span> slechts kan.</p> +<p>„En toen ontmoet hij een groote menige soldaten, een gansch +leger. Want zij waren op weg naar Paterno maar hoorden het schieten in +Diamante en trokken hier binnen om te zien wat er gaande was. En +Gaetano kan geen soldatenmuts meer herkennen, hij gelooft dat het de +oproerlingen zijn, hij meent in hen gezanten des hemels te zien, en hij +stort zich in hun midden en laat zich zoo gevangennemen. En de +soldaten, die even tevoren alle bandieten hadden opgevangen, terwijl +zij met hun buit wegslopen, leggen nu ook de hand op Gaetano. En zij +gaan verder door de stad en vinden alles rustig. Maar +vóórdat zij wegtrekken, houden zij krijgsraad over hun +gevangenen. En zij veroordeelen Gaetano tegelijk met de anderen, +veroordeelen hem evenals hen, die inbraak gepleegd en vrouwen vermoord +hebben.</p> +<p>„Hadden zij hun verstand niet verloren, cavaliere?”</p> +<p>Donna Micaela kon niet hooren wat haar vader antwoordde. +<span class="pagenum">[<a id="pb141" href="#pb141" name="pb141">141</a>]</span>Zij zelf wilde duizend vragen stellen, maar zij +was nog verstijfd en kon zich niet verroeren. Zij zou willen weten of +Gaetano doodgeschoten was.</p> +<p>„Wat bedoelden zij met hem te veroordeelen tot negen en +twintig jaar gevangenisstraf?” vroeg donna Elisa.</p> +<p>„Gelooven zij dat hij of iemand, die hem liefheeft zoo lang +kan leven?</p> +<p>„Hij is dood, cavaliere, dood voor mij, evenals +Giannita.”</p> +<p>Donna Micaela had een gevoel alsof zij gebonden was met sterke +ketenen, opdat zij niet zou kunnen ontvluchten. Dit was erger, vond +zij, dan aan een schandpaal gebonden te zijn en gegeeseld te +worden.</p> +<p>„’t Is al de vreugde van mijn ouderdom, die nu van mij +is genomen,” klaagde donna Elisa.</p> +<p>„Giannita en Gaetano! Ik had altijd gedacht, dat deze twee nog +eens een paar zouden worden. Zij zouden zoo goed bij elkaar gepast +hebben, omdat beiden mijn kinderen waren en mij liefhadden. Waarvoor +zal ik nu leven, nu ik niet langer jeugd om mij heen heb?</p> +<p>„Ik had het dikwijls zeer arm, toen Gaetano bij mij kwam en +men zeide mij, dat ik minder zorg zou hebben, indien ik alleen was. +Maar ik antwoordde: „Daar geef ik niets om, indien ik slechts +jeugd om mij heen heb.” En ik hoopte, dat hij, als hij volwassen +zou zijn, een jonge vrouw zou nemen en zij zouden kleine kinderen +krijgen en ik zou nooit eenzaam behoeven te zitten als een onnut oud +mensch.”</p> +<p>Donna Micaela moest er aan denken, dat zij Gaetano had kunnen +redden, maar niet had gewild. Maar waarom had zij toch niet gewild? Dat +scheen haar nu onbegrijpelijk. Zij begon bij zich zelf al de redenen op +te sommen, die zij gehad had om hem zich in het verderf te laten +storten. Hij was een godloochenaar en socialist en hij wilde oproer +maken. En dit had opgewogen tegen al het andere, toen zij de tuinpoort +voor hem opende. Deze redenen hadden ook opgewogen tegen haar liefde. +Nu begreep zij dat niet. Het was alsof een schaal vol veeren had kunnen +opwegen tegen een schaal vol goud.</p> +<p>„Mijn mooie jongen,” klaagde donna Elisa, „mijn +mooie jongen. Hij was reeds een groot man daarginds in Engeland, +<span class="pagenum">[<a id="pb142" href="#pb142" name="pb142">142</a>]</span>en hij kwam thuis om ons arme Sicilianen te +helpen. En nu hebben zij hem veroordeeld als een bandiet. Men zegt dat +zij op het punt stonden hem dood te schieten, evenals zij dat de +anderen gedaan hebben.</p> +<p>„Misschien was het beter geweest, cavaliere. ’t Ware +beter hem op het kerkhof te weten, dan dat hij in de gevangenis +versmacht. Hoe zal hij dat lijden kunnen dragen? Hij zal het niet +kunnen uithouden, hij zal ziek worden, en spoedig sterven.”</p> +<p>Toen zij dit zei, rukte donna Micaela zich los uit haar verdooving +en richtte zich op van de sofa. Zij wankelde door de kamer en kwam bij +haar vader en donna Elisa, even doodsbleek als de vermoorde +Giannita.</p> +<p>Zij was zoo zwak, dat zij het niet waagde te loopen, maar bij de +deur bleef staan en tegen den deurpost leunde.</p> +<p>„Hier ben ik,” zei zij, „donna Elisa, hier ben +ik— — —”</p> +<p>De woorden wilden niet over haar lippen komen. Zij wrong de handen +in vertwijfeling, omdat zij niet kon spreken.</p> +<p>Donna Elisa was oogenblikkelijk bij haar. Zij legde haar arm om +donna Micaela’s middel om haar te steunen, zonder zich er om te +bekommeren dat donna Micaela haar trachtte af te weren.</p> +<p>„Gij moet mij vergeven, donna Elisa,” zei zij met +nauwelijks hoorbare stem. „Ik heb het gedaan.”</p> +<p>Donna Elisa lette niet veel op hetgeen zij zeide. Zij zag dat donna +Micaela koorts had en geloofde dat zij ijlde.</p> +<p>Haar lippen bewogen zich, en men zag dat zij iets wilde zeggen, maar +men hoorde slechts enkele woorden. ’t Was onmogelijk te begrijpen +wat zij meende.</p> +<p>„Tegen hem, zooals tegen mijn vader,” zei zij +herhaaldelijk. En toen riep zij, dat zij allen, die haar liefhadden, in +het verderf stortte.</p> +<p>Donna Elisa had haar naar een stoel geleid en daar zat donna Micaela +en kuste donna Elisa’s oude rimpelige handen, en vroeg haar om +vergeving voor hetgeen zij gedaan had.</p> +<p>„Ja, zeker! Ja, zeker! donna Elisa vergaf het haar.” +Donna Micaela zag haar scherp aan met groote koortsachtige oogen en +vroeg of het waar was.</p> +<p>„Ja, zeker is het waar.” <span class="pagenum">[<a id="pb143" href="#pb143" name="pb143">143</a>]</span></p> +<p>Toen legde zij haar hoofd op donna Elisa’s schouder en snikte. +Zij dankte haar en zei dat zij niet had kunnen leven, indien zij donna +Elisa’s vergiffenis niet ontving. Tegen niemand had zij zoo +gezondigd als tegen haar. Kon zij haar vergeven?</p> +<p><span class="corr" id="xd20e3542" title="Niet in bron">„</span>Ja, ja,<span class="corr" id="xd20e3545" +title="Niet in bron">”</span> zei donna Elisa keer op keer en zij +geloofde dat donna Micaela ijlde, tengevolge van schrik en koorts.</p> +<p>„Er is iets dat ik u moet zeggen,” zei donna Micaela. +„Ik weet het, maar gij weet het niet. Gij vergeeft mij nooit, +indien ge het weet.”</p> +<p>„Ja zeker vergeef ik het u,” zei donna Elisa.</p> +<p>Op deze wijze spraken zij lang, zonder elkaar te begrijpen, maar het +was goed voor de oude donna Elisa, dat ze dien nacht iemand kon +koesteren en troosten en versterkende kruiden en droppels kon geven. +Het was goed voor haar, dat er nog iemand was, die het hoofd tegen haar +schouder legde en weende over haar verdriet.</p> +<hr class="tb"> +<p>Donna Micaela, die gedurende drie jaar Gaetano had liefgehad, zonder +ooit te denken, dat zij elkaar eens zouden toebehooren, had zich aan +een eigenaardige soort liefde gewend. ’t Was haar genoeg te +weten, dat Gaetano haar liefhad. Als zij daaraan dacht, doorstroomde +haar een heerlijk gevoel van veiligheid en geluk.</p> +<p>„Wat doet het er toe?” zei zij als zij tegenspoed +ondervond. „Gaetano heeft mij lief!” Hij was haar altijd +nabij om haar op te beuren. Hij was een deel van al haar gedachten en +plannen. Hij was de ziel van het leven zelve voor haar.</p> +<p>Zoo spoedig donna Micaela zijn adres wist, schreef zij hem. Ze +bekende hem, dat zij de vaste overtuiging had gehad, dat hij zijn +ongeluk tegemoet ging. Maar zij was zoo bevreesd geweest voor hetgeen +hij nog in de toekomst zou verrichten, dat zij het niet gewaagd had hem +te redden. Zij schreef ook hoezeer zij zijn leer verafschuwde. Zij +verborg niets voor hem. Zij zeide, dat zelfs indien hij vrij was, zij +nooit de zijne kon worden.</p> +<p>Zij vreesde hem. Hij had zulk een macht over haar dat indien zij +vereenigd waren, hij haar tot een godloochenaarster <span class="pagenum">[<a id="pb144" href="#pb144" name="pb144">144</a>]</span>en +socialiste zou maken. Zij moest altijd van hem gescheiden leven, om +haar ziel te kunnen redden.</p> +<p>Maar zij bad en smeekte hem, dat hij trots alles niet zou ophouden +haar lief te hebben.</p> +<p>Hij mocht niet doen gelijk haar vader. ’t Was waarschijnlijk, +dat ook hij haar nu uit zijn hart bande, maar dat mocht hij niet doen. +Hij moest barmhartig zijn. Indien hij wist hoe lief zij hem had, indien +hij wist hoe zij van hem droomde!</p> +<p>En zij bekende hem, dat hij het leven zelf voor haar was. +„Moet ik sterven, Gaetano?” vroeg zij.</p> +<p>„Is het dan niet reeds ongelukkig genoeg, dat deze leer ons +scheidt? Is mijn ongeluk niet reeds groot genoeg, nu men u in de +gevangenis gevoerd heeft? Zult gij nu ook nog ophouden mij lief te +hebben, omdat wij niet gelijk denken? Och, Gaetano, heb mij toch lief. +Onze liefde leidt tot niets, er is geen hoop voor ons, maar heb mij +lief, ik sterf als ge mij niet lief hebt.”</p> +<p>Donna Micaela had nauwelijks dezen brief verzonden, of zij begon +reeds op het antwoord te wachten. Zij geloofde, dat zij een brief vol +toorn terug zou krijgen, maar zij hoopte, dat zij een enkel woord +daarin zou vinden, dat haar bewees, dat hij haar nog liefhad.</p> +<p>Maar zij wachtte verscheidene weken zonder een brief van Gaetano te +ontvangen.</p> +<p>’t Baatte haar niets, dat zij iederen dag buiten op de galerij +den postbode opwachtte, en hem bijna bedroefd maakte, omdat hij altijd +genoodzaakt was te zeggen, dat hij niets voor haar had.</p> +<p>Een dag ging zij zelf naar het postkantoor en verzocht met smeekende +oogen, dat men haar toch den brief zou geven, dien zij verwachtte. +„Die moest er toch zijn,” zei zij. Misschien hadden zij het +adres niet kunnen lezen, misschien was hij in een verkeerd vak +gekomen.</p> +<p>En haar mooie smeekende oogen bewogen den postmeester, zoodat zij +mocht zoeken tusschen hoopen oude, onafgehaalde brieven en alle laden +van het postkantoor mocht nazien. Maar dat alles baatte niets.</p> +<p>Toen schreef zij een tweeden brief aan Gaetano, maar er kwam geen +antwoord.</p> +<p>Nu trachtte zij te gelooven, wat haar onmogelijk scheen. +<span class="pagenum">[<a id="pb145" href="#pb145" name="pb145">145</a>]</span>Zij beproefde zich zelf te overtuigen, dat +Gaetano haar niet meer liefhad.</p> +<p>En naarmate deze overtuiging vaster vorm aannam, begon zij zich op +te sluiten in haar kamer. Zij werd bang voor de menschen en was het +liefst alleen.</p> +<p>Dag aan dag werd zij zwakker. Zij liep gebogen en zelfs haar schoone +oogen schenen allen glans en leven verloren te hebben.</p> +<p>Na eenige weken was zij zoo verzwakt, dat zij niet meer kon staan, +maar den geheelen dag op de sofa moest liggen. Ze was een gemakkelijke +prooi voor een ziekte, die haar al haar levenskracht ontnam. Zij +voelde, dat zij den dood nabij was en zij was bevreesd te sterven. Maar +zij kon niets doen. Een enkel geneesmiddel bestond er voor haar, maar +dat kwam niet.</p> +<p>Terwijl donna Micaela op deze wijze zacht uit het leven scheen te +glijden, maakte men in Diamante toebereidselen om het feest van San +Sebastiaan te vieren dat in het eind van Januari valt.</p> +<p>Het was het grootste feest dat in Diamante gehouden werd, maar in de +laatste jaren was het niet met de gewone pracht gevierd, omdat nood en +kommer de gemoederen te veel drukten.</p> +<p>Maar dit jaar nadat het oproer mislukt was, terwijl Sicilië nog +vol vreemde troepen was en de geliefde helden van het volk in de +gevangenis smachtten, stelde men voor, het feest met ouderwetschen +luister te vieren. Want nu was het geen tijd de heiligen te +verwaarloozen, zei men.</p> +<p>En het vrome volk van Diamante besloot, dat het feest drie dagen zou +duren en dat San Sebastiaan gevierd zou worden door het uitsteken der +vlaggen, het versieren der huizen, hardrijderijen en bijbelsche +optochten, illuminaties en een wedstrijd van zangers. En met grooten +lust en ijver toog men aan het werk. In ieder huis werd er geboend en +gewreven. Men haalde de oude processiekleederen te voorschijn en men +bereidde zich tot de ontvangst van vreemden van den geheelen Etna.</p> +<p>Het eenige huis in Diamante, waar geen toebereidselen gemaakt +werden, was het zomerpaleis. Donna Elisa was <span class="pagenum">[<a id="pb146" href="#pb146" name="pb146">146</a>]</span>daarover diep bedroefd, maar ze kon donna +Micaela niet bewegen het zomerpaleis te versieren.</p> +<p>„Hoe kunt gij verlangen, dat ik een huis van rouw met bloemen +en groen zal versieren?” zei zij. „De rozen zullen haar +bladeren laten vallen, indien ik ze wilde gebruiken om de rampen te +bedekken, die dit huis vervullen.”</p> +<p>Maar donna Elisa dacht aan niets anders dan aan het feest en +verwachtte veel goeds van het vieren der heiligen, gelijk in vroegere +dagen. Zij sprak over niets anders dan hoe de priesters den gevel der +domkerk op oud-Siciliaansche wijze lieten versieren met zilveren +bloemen en spiegels. En zij beschreef den feestrit. Zooveel ruiters +zouden daaraan meedoen, en zulke hooge pluimen zouden zij op den hoed +dragen, en zij zouden lange, met bloemslingers omwonden stokken, waarop +een waskaars prijkte, in de hand houden.</p> +<p>Toen de feestdag aanbrak, was donna Elisa’s huis het mooist +van alle versierd, Italië’s groen-rood-witte vlag wapperde +van het dak, en roode kleeden met gouden franje en het naamcijfer van +den heilige waren over de vensterkozijnen en balkonhekken gespreid.</p> +<p>Maar langs den muur slingerden zich guirlandes van steeneik, gevormd +tot bogen en sterren, en rondom de ramen waren kransen gevlochten van +de kleine witte rozen uit donna Elisa’s tuin.</p> +<p>Boven den ingang stond het beeld van San <span class="corr" id="xd20e3621" title="Bron: Sabastiaan">Sebastiaan</span>, omlijst door +leliën, en op den drempel lagen cypressetakken. En ware men het +huis binnengetreden, dan zou men gezien hebben, dat het van binnen even +heerlijk versierd was als van buiten. Van den kelder tot den zolder was +het schoongemaakt en met bloemen getooid en op de planken in den winkel +stond nog niet zoo’n klein en nietig heiligenbeeldje of het had +een immortel of een bellis in de hand.</p> +<p>En evenals bij donna Elisa, had men in het arme Diamante straat aan +straat versierd. Er was zoo’n gewapper van vlaggen, dat men moest +denken aan het waschgoed, dat van den grond tot den hemel in de steeg +hing, waar het huis van den kleinen Moor stond. Alle huizen en +eerepoorten droegen vlaggen en dwars over de straat waren touwen +gespannen, waaraan wimpel naast wimpel waaide. En bij elke tien +schreden had men eerepoorten opgericht. <span class="pagenum">[<a id="pb147" href="#pb147" name="pb147">147</a>]</span>En boven op iedere +eerepoort stond het beeld van den heilige, omlijst door kransen van +gele immortellen. De balkons waren bekleed met roode doeken en bonte +tafelkleeden, en langs de muren slingerden zich stijve guirlandes.</p> +<p>Er was zooveel groen en bloemen, dat niemand begrijpen kon hoe men +die bijeen had kunnen krijgen in Januari. Alles was met bloemen +versierd. De bezemsteel droeg een krans van krokusjes en de +poortklopper was versierd met een bouquet hyacinthen.</p> +<p>Maar voor de ramen stonden borden met naamcijfers en inscripties van +blauw-roode anemonen.</p> +<p>En tusschen deze versierde huizen bruiste de menschenstroom, machtig +als een stijgende vloed.</p> +<p>Het waren niet alleen de inwoners van Diamante, die San Sebastiaan +vierden. Van den ganschen Etna kwamen gele, prachtig beslagen en +geverfde karretjes vol menschen aanrollen, getrokken door paarden met +versierde leidsels.</p> +<p>Zieken, bedelaars en blinde zangers waren in grooten getale +opgekomen. En er waren heele pelgrimstochten van arme ongelukkige +menschen, die nu na de ongelukken iemand hadden om voor te bidden.</p> +<p>Er waren zooveel menschen bijeen, dat men verbaasd was, hoe allen +plaats konden vinden binnen de stadsmuren. Er waren menschen op straat, +menschen voor de ramen, menschen op de balkons.</p> +<p>Op de hooge steenen trappen zaten menschen, en de winkels waren vol, +de groote huisdeuren stonden wijd open en in de vestibule waren de +stoelen in een halven cirkel geplaatst zooals in een theater. Daar +zaten de eigenaars met hun gasten en keken naar de voorbijtrekkende +menschenmenigte.</p> +<p>De heele stad was vervuld van een feestelijk geruisch. Niet alleen +lachten en spraken alle menschen, maar er waren ook nog +positiefspelers, die op een positief, zoo groot als een orgel, +speelden. Er waren straatzangers en er waren mannen en vrouwen, die +Tasso declameerden met heesche, schreeuwende stemmen. Allerlei +marktventers waren er en uit alle kerken stroomden orgeltonen. Op de +Markt boven op den bergtop speelden stadsmuzikanten zoo luid dat men de +muziek in geheel Diamante kon hooren. <span class="pagenum">[<a id="pb148" href="#pb148" name="pb148">148</a>]</span></p> +<p>Dit vroolijk rumoer en deze bloemengeur, al dit <span class="corr" +id="xd20e3648" title="Bron: vlaggen-wapper">vlaggen-gewapper</span> in +de lucht voor donna Micaela’s venster had de macht haar op te +wekken uit haar verdooving.</p> +<p>Zij rees op, alsof het leven zelf om haar gezonden had.</p> +<p>„Ik wil niet sterven,” zei ze tot zich zelf. „Ik +wil trachten te leven.”</p> +<p>Zij leunde op haar vaders arm, en ging op straat. Zij hoopte dat het +leven daarbuiten haar zou bedwelmen, zoodat zij haar smart vergeten +zou. „Gelukt dit mij niet,” dacht zij, „kan ik geen +verstrooiing vinden, dan moet ik sterven.”</p> +<p>Maar nu woonde er in Diamante een arme, oude beeldhouwer, die gaarne +een paar soldi met het feest wilde verdienen. Daarom had hij een paar +kleine lavabustes gemaakt van San Sebastiaan en van Paus Leo XIII. En +daar hij wist dat velen in Diamante Gaetano liefhadden en treurden om +zijn lot, maakte hij ook een paar beelden van hem.</p> +<p>En dadelijk toen donna Micaela op straat kwam, ontmoette zij dezen +man die haar een van zijn kleine, ellendige beeldjes te koop +aanbood.</p> +<p>„Koop don Gaetano, donna Micaela,” zei de man.</p> +<p>„Koop don Gaetano, dien de regeering gevangengenomen heeft, +omdat hij Sicilië wilde redden.”</p> +<p>Donna Micaela drukte haar vaders arm heftig en spoedde zich +verder.</p> +<p>Maar in het café Europa stond de zoon van den waard canzones +te zingen. Ter eere van het feest had hij eenige nieuwe liederen +gedicht en onder andere ook een paar over Gaetano. Hij kon immers niet +weten of de menschen niet juist van Gaetano wilden hooren.</p> +<p>Donna Micaela ging voorbij het café, toen zij echter hoorde, +dat er gezongen werd, bleef zij staan om te luisteren.</p> +<p>„Ach, Gaetano Alagona,” zong de jonge man. +„Zangers zijn machtig. Met mijn liederen zal ik u vrij zingen. +Eerst zend ik u de lieflijke canzone. Die zal glijden door de +traliën van uw gevangenis en deze verbreken. Dan zend ik u het +sonnet, dat schoon is als een vrouw en dat uw bewakers zal omkoopen. +Daarna dicht ik de heerlijke ode, die de hooge gevangenismuren door +haar trotschen rhythmus zal doen schudden! Maar als niets u helpt, +treed ik te voorschijn <span class="pagenum">[<a id="pb149" href="#pb149" name="pb149">149</a>]</span>met het machtige epos, dat een +leger van woorden bezit. O, Gaetano, sterk als een krijgsschaar, +schrijdt het epos voorwaarts. Al de legioenen van het oude Rome bezaten +niet de macht het tegen te houden.”</p> +<p>Donna Micaela klemde zich krampachtig vast aan haar vaders arm, maar +zij zei niets, ze ging slechts verder. Toen begon cavaliere Palmeri te +spreken over Gaetano.</p> +<p>„Ik wist niet dat hij zoo bemind was,” zei hij.</p> +<p>„Ik ook niet,” fluisterde donna Micaela.</p> +<p>„Maar heden zag ik hoe vreemde menschen in donna Elisa’s +winkel kwamen en haar smeekten iets te mogen koopen, dat hij gesneden +had. Ze had nog slechts een paar oude rozenkransen, die trok zij stuk +en daarvan deelde zij de koralen uit.”</p> +<p>Donna Micaela zag haar vader smeekend aan. Maar hij wist niet of zij +wilde, dat hij zou zwijgen of doorgaan met vertellen.</p> +<p>„Donna Elisa’s oude vrienden loopen in den tuin met +Luca,” zei hij. „Luca wijst hun Gaetano’s +lievelingsplekjes en den grond, dien hij gewoonlijk bewerkte. En +Pacifica zit in de werkplaats naast de schaafbank en vertelt al het +mogelijke van hem van af den tijd dat hij niet grooter was dan +zóó.”</p> +<p>Meer kon hij niet vertellen, het gedrang en het rumoer werd zoo +hevig dat hij moest afbreken.</p> +<p>Zij gingen naar den dom. Op de domtrap zat de oude Assunta. Zij had +een rozenkrans in de hand en mompelde hetzelfde gebed, den geheelen +rozenkrans langs. Zij smeekte den heilige dat Gaetano, die beloofd had +de armen te helpen, weer in Diamante zou terugkomen.</p> +<p>Toen donna Micaela haar voorbijging, hoorde zij haar zeggen: +„San Sebastiaan, geef ons Gaetano. Ach, uit barmhartigheid, ach, +om onze ellende, geef ons Gaetano terug, San Sebastiaan.”</p> +<p>Donna Micaela was van plan geweest naar de kerk te gaan, maar nu +wendde zij zich om.</p> +<p>„Er is zulk een gedrang,” zei zij. „Ik durf er +niet ingaan.”</p> +<p>Zij ging weer naar huis. Maar terwijl ze weg was, had donna Elisa +van de gelegenheid gebruik gemaakt. Zij had een vlag op het dak van het +zomerpaleis geheschen en doeken over <span class="pagenum">[<a id="pb150" href="#pb150" name="pb150">150</a>]</span>de balkons gespreid +en toen donna Micaela thuis kwam, was zij bezig een guirlande vast te +maken. Donna Elisa kon het niet verdragen, dat het zomerpaleis niet +versierd was. Zij wilde, dat dezen keer niets aan San Sebastiaans feest +zou ontbreken. En zij vreesde, dat de heilige Diamante en Gaetano niet +zou helpen, indien het oude paleis der Alagona’s hem niet +vierde.</p> +<p>Donna Micaela kwam terug, bleek als een ter dood veroordeelde en +gebogen alsof zij een tachtigjarig besje was.</p> +<p>Zij mompelde in zich zelf: „Ik maak geen bustes van hem, ik +zing geen liederen over hem, ik waag het niet God voor hem te bidden, +ik koop geen zijner koralen. Hoe zal hij dan kunnen gelooven, dat ik +hem liefheb? Hij moet al die anderen, die hem aanbidden, liefhebben, +maar niet mij. Ik behoor niet tot zijn wereld, mij kan hij niet meer +liefhebben.”</p> +<p>En toen zij zag dat men haar huis met bloemen wilde versieren, +scheen haar dat zoo stuitend leelijk, dat zij den krans rukte uit donna +Elisa’s hand en haar dien voor de voeten wierp, terwijl zij vroeg +of donna Elisa haar wilde vermoorden. Daarna ging zij haar voorbij. Zij +wierp zich in haar kamer op de sofa en verborg haar gelaat in de +kussens.</p> +<p>Nooit vroeger had zij begrepen hoe al deze uiterlijke omstandigheden +hem van haar scheidden. De volksman kon haar niet liefhebben. +Daarenboven had zij het gevoel, dat zij hem verhinderd had, al deze +armen te helpen.</p> +<p>Hoe moest hij haar verafschuwen! hoe moest hij haar haten! Haar +booze geest kwam weer over haar. Dit booze dat bestond in het niet +bemind zijn! Dat zou haar vermoorden. Zij dacht dat nu alles voorbij, +dat alles geëindigd was.</p> +<p>Terwijl zij zoo lag, kwam haar plotseling het kleine Christusbeeld +in de gedachten. Het was alsof hij in al zijn armoedige pracht de kamer +binnentrad. Zij zag hem duidelijk.</p> +<p>Donna Micaela begon het Christuskind om hulp aan te roepen. En zij +was verbaasd, dat zij zich niet vroeger tot dezen wonderdoener gewend +had. Maar dat kwam zeker, omdat het beeld niet in een kerk stond, maar +rondgevoerd <span class="pagenum">[<a id="pb151" href="#pb151" name="pb151">151</a>]</span>werd als een der rariteiten van miss Tottenham, +zoodat zij slechts in den hoogsten nood aan hem dacht.</p> +<hr class="tb"> +<p>Het was laat op den avond van denzelfden dag. Donna Micaela had al +haar bedienden verlof gegeven naar het feest te gaan, zoodat zij en +haar oude vader alleen in het groote huis waren.</p> +<p>Maar tegen tien uur stond haar vader op en zei dat hij den wedstrijd +der zangers op de markt wilde gaan hooren. En toen hij ging, wilde +donna Micaela niet alleen achterblijven, en moest zij wel besluiten hem +te volgen.</p> +<p>Toen zij op de markt kwamen, zagen zij dat het plein veranderd was +in een theater met rijen stoelen naast elkaar. Elk plekje was bezet met +menschen en ternauwernood konden zij een plaats vinden.</p> +<p>„Vanavond is Diamante heerlijk, Micaela,” zei cavaliere +Palmeri. ’t Was alsof de lieflijkheid van den nacht hem zachter +stemde. Hij sprak meer en teederder tot haar, dan hij sedert langen +tijd gedaan had.</p> +<p>Donna Micaela scheen het, dat haar vader de waarheid sprak. Zij had +een gevoel, zooals zij gehad had, toen zij voor de eerste maal in +Diamante kwam.</p> +<p>Het was de stad der wonderen, de stad van schoonheid, een klein +heiligdom van God.</p> +<p>Tegenover haar verrees een hoog, statig gebouw, opgetrokken van +stralende diamanten. Zij moest een tijdlang nadenken, +vóórdat zij begrijpen kon, wat het was.</p> +<p>Toch was het niets anders dan de gevel der domkerk, die bedekt was +met bloemen van stijf zilver- en goudpapier, waarin duizenden kleine +stukken spiegelglas waren gestoken. En in elke bloem hing een klein +olieglas met een vlammetje zoo groot als een vuurvlieg. Het was van een +zeldzame bekoring, de mooiste illuminatie, die donna Micaela ooit +gezien had.</p> +<p>Er was geen andere verlichting op de markt, en dat was ook niet +noodig. Deze groote muur van diamanten verlichtte voldoende. +<span class="pagenum">[<a id="pb152" href="#pb152" name="pb152">152</a>]</span></p> +<p>Het zwarte palazzo Geraci stond gloeiend rood als werd het verlicht +door een vuurwolk.</p> +<p>Men zag niets van de wereld behalve de markt; daarbuiten heerschte +diepe duisternis en dit maakte dat donna Micaela opnieuw het oude +betooverde Diamante meende te herkennen, dat niet op de aarde lag, maar +een heilige burcht was op een der hemelsche bergen. Het raadhuis met de +zware balkons en de hooge trap, het groote nonnenklooster en de +Romeinsche poort waren opnieuw heerlijk en wonderbaarlijk. En zij kon +nauwelijks gelooven, dat zulk een vreeselijk lijden haar hier getroffen +had.</p> +<p>Te midden van deze menschenmassa voelde men geen koude. De +winteravond was zwoel als een nacht in ’t voorjaar. Een +lentestemming kwam op in donna Micaela. Het begon in haar te beven en +te trillen op een wijze, die tegelijkertijd heerlijk en vreeselijk +was.</p> +<p>Zoo moest de sneeuwmassa op den Etna zich gevoelen als de zon haar +oploste in bruisende bergstroomen.</p> +<p>Zij zag naar de menschen, die de markt vulden en zij was verbaasd +dat hun aanblik haar des voormiddags zoo gepijnigd had. Nu vond zij het +heerlijk dat zij Gaetano liefhadden. Ach, indien hij haar slechts bleef +liefhebben, zou zij zoo onuitsprekelijk trotsch op hun liefde zijn, +gelukkig over hun vereering. Dan zou zij deze oude bevende handen +willen kussen, die beelden van hem maakten en voor hem in gebed +gevouwen waren.</p> +<p>Toen zij dit dacht, werden de kerkdeuren wijd opengeslagen en een +groote, platte wagen rolde uit de kerk. Boven op den met rood doek +bekleeden wagen stond San Sebastiaan bij een paal, en onder het beeld +zaten de vier zangers, die deelnamen aan den wedstrijd.</p> +<p>Het was een oude blinde zanger van Nicolosi, een kuiper van Catania, +die beschouwd werd als de beste improvisatore van geheel Sicilië, +een smid van Termine en de kleine Gandolfo, zoon van den poortwachter +van het raadhuis. Alle menschen waren verbaasd, dat Gandolfo het waagde +deel te nemen aan zulk een gevaarlijken wedstrijd. Deed hij dat +misschien om zijn bruid, de kleine Rosalie, te behagen? Niemand had +ooit geweten, dat hij kon improviseeren. Hij had zijn gansche leven +niets anders gedaan <span class="pagenum">[<a id="pb153" href="#pb153" +name="pb153">153</a>]</span>dan mandarijnen eten en naar den Etna +staren.</p> +<p>Het eerste dat gedaan werd, was de deelnemers te laten loten, en het +lot viel zoo, dat de kuiper het eerst aan de beurt kwam en Gandolfo het +laatst. Toen de loting zoo uitviel, verbleekte Gandolfo. ’t Was +immers vreeselijk het laatst te komen, daar allen over hetzelfde +onderwerp zouden spreken.</p> +<p>De kuiper sprak over San Sebastiaan, toen hij legionair in het oude +Rome was en terwille van zijn geloof aan een paal werd vastgebonden om +als mikpunt voor zijn kameraden te dienen. Na hem kwam de blinde +zanger, die verhaalde hoe een vrome Romeinsche den martelaar vond, +bloedend en doorboord met pijlen en hoe het haar gelukte hem opnieuw +tot het leven te roepen. Toen kwam de smid, die al de wonderen vertelde +die San Sebastiaan verricht had op Sicilië gedurende de pest van +het jaar vijftienhonderd.</p> +<p>Zij werden alle drie geprezen. Zij gebruikten sterke woorden van +bloed en dood en het volk juichte hen toe. Maar zij, die van Diamante +waren, werden bang voor den kleinen Gandolfo.</p> +<p>„De smid heeft hem alle woorden ontnomen,” zei men, +„het zal hem niet gelukken.”</p> +<p>„O,” zeiden anderen, „de kleine Rosalie neemt om +die reden den verlovingsband niet uit haar vlechten.”</p> +<p>Maar Gandolfo kroop ineen in zijn hoek van den wagen. Hij werd al +kleiner en kleiner. Zij, die in zijn nabijheid zaten, konden hooren hoe +zijn tanden klapperden van vrees.</p> +<p>Toen eindelijk zijn beurt kwam, stond hij op en begon te +improviseeren, maar hij sprak zeer slecht, nog veel slechter dan iemand +verwacht had. Hij stamelde een paar verzen, maar het was slechts een +herhaling van hetgeen de anderen gezegd hadden.</p> +<p>Toen zweeg hij plotseling en haalde heftig adem. In dit oogenblik +kwam de kracht der wanhoop over hem. Hij richtte zich op en een zacht +rood kleurde zijn wangen.</p> +<p>„O, signori,” zei de kleine Gandolfo. „Laat mij +spreken over hetgeen mij altijd vervult. Laat mij spreken over hetgeen +ik altijd vóór mij zie!”</p> +<p>En hij begon met wegsleepende welsprekendheid te vertellen wat hij +zelf gezien had.</p> +<p>Hij verhaalde hoe hij, de zoon van den poortwachter van <span class="pagenum">[<a id="pb154" href="#pb154" name="pb154">154</a>]</span>het +raadhuis, over donkere zolders geslopen was en verborgen had gelegen +onder een der galerijen van de gerechtszaal in den nacht dat de +krijgsraad verzameld was om de oproerlingen van Diamante te +vonnissen.</p> +<p>Toen had hij don Gaetano Alagona zien zitten op de bank der +aangeklaagden in een gezelschap van een menigte woeste gezellen, die +erger waren dan dieren.</p> +<p>Hij vertelde hoe schoon Gaetano geweest was. Den kleinen Gandolfo +had hij een god toegeschenen naast de vreeselijke menschen, die hem +omringden. En hij beschreef deze bandieten met hun wilde +roofdiergezichten, hun ruig haar en plompe ledematen. Hij zei, dat ze +er zoo woest uitzagen, dat iemand die hen in de oogen keek, het hart +beefde.</p> +<p>Toch was in al zijn schoonheid don Gaetano angstwekkender dan deze +menschen.</p> +<p>Gandolfo wist niet hoe zij het waagden naast hem te zitten op de +bank. Onder zijn saamgetrokken wenkbrauwen schoten vlammende blikken op +zijn medegevangenen, die hun zielen vermoord zouden hebben, als zij +gelijk andere menschen zielen bezeten hadden.</p> +<p>„Wie zijt gij,” scheen hij te vragen, „dat ge het +waagt op plundering en moord uit te trekken, terwijl gij de heilige +vrijheid aanroept? Weet gij, wat gij gedaan hebt?</p> +<p>„Weet gij, dat ik nu ter wille van uw list gevangen zit? En +dat ik het ben, die Sicilië gered zou hebben?” En iedere +blik, dien hij op hen wierp, was een terdoodveroordeeling. Zijn blikken +vielen op al die zaken, die de bandieten gestolen hadden en nu op de +gerechtstafel lagen. Hij herkende deze voorwerpen. Zou hij de pendules +en zilveren schalen van het zomerpaleis niet kennen, zou hij de +heiligenbeelden en munten niet kennen, die zij geroofd hadden van zijn +Engelsche beschermster? Maar toen hij deze zaken herkend had, zond hij +zijn medegevangenen een vreeselijken lach toe.</p> +<p>„Gij helden, gij hebt geplunderd bij twee vrouwen,” zei +deze lach.</p> +<p>Zijn edel gelaat wisselde voortdurend van uitdrukking.</p> +<p>Eens had Gandolfo het plotseling zien samentrekken van schrik. Het +was toen de man, die naast hem zat, een hand had uitgestrekt, die rood +was van bloed. <span class="pagenum">[<a id="pb155" href="#pb155" name="pb155">155</a>]</span></p> +<p>Had hij toen misschien plotseling een vermoeden van de waarheid +gekregen? Dacht hij er aan, dat deze menschen ingebroken hadden in het +huis, waar zijn geliefden woonden?</p> +<p>Gandolfo vertelde hoe de officieren, die rechters zouden zijn, nu +zwijgend en ernstig binnen waren gekomen en plaats hadden genomen. Toen +hij deze hooge heeren gezien had, was zijn onrust verminderd.</p> +<p>Hij had tot zich zelf gezegd, dat zij wisten, dat Gaetano een +voorname man was en dat zij hem niet zouden veroordeelen. Zij zouden +hem niet verwarren met de bandieten. Niemand kon toch gelooven, dat hij +had willen plunderen bij twee vrouwen.</p> +<p>En zie, toen de rechter Gaetano Alagona opriep, was er geen +strengheid in zijn stem. Hij sprak tot hem als tot een gelijke.</p> +<p>„Maar,” zei Gandolfo, „toen nu don Gaetano zich +verhief, stond hij zóó, dat hij op de markt kon zien. En +op de markt, op deze zelfde markt, waar nu zoo vele menschen zitten in +vreugde en genot, naderde toen een lijkstoet. Het waren de witte +broeders, die het lijk van de vermoorde Giannita droegen naar haar +moeders huis. Ze liepen met fakkels en men kon duidelijk de baar zien, +die zij op hun schouders droegen.</p> +<p>„Terwijl de stoet langzaam over de markt schreed, kon men het +lijkkleed herkennen dat gespreid was over de doode. Het was het kleed +der Alagona’s, versierd met het groote wapen en de rijke +zilverfranjes. Maar toen Gaetano dit zag, begreep hij dat de vermoorde +uit het huis der Alagona’s zijn moest.</p> +<p>„Zijn gelaat werd aschgrauw en hij wankelde, alsof hij op het +punt stond te vallen.</p> +<p>„In dit oogenblik vroeg de rechter hem:</p> +<p>„Kent ge de vermoorde?”</p> +<p>En hij antwoordde: „Ja.”</p> +<p>Toen vervolgde de rechter, die een barmhartig mensch was: +„Stond ze u na?”</p> +<p>En don Gaetano antwoordde:</p> +<p>„Ik heb haar lief.”</p> +<p>Toen Gandolfo zoo ver met zijn verhaal was gekomen <span class="pagenum">[<a id="pb156" href="#pb156" name="pb156">156</a>]</span>zag +men dat donna Micaela haastig oprees, alsof zij hem wilde tegenspreken, +maar cavaliere Palmeri trok haar vlug naast zich.</p> +<p>„Stil, stil,” zei hij tot haar.</p> +<p>En ze zat stil met het gelaat tusschen haar handen verborgen. Nu en +dan schokte haar lichaam en jammerde zij zacht.</p> +<p>Maar Gandolfo verhaalde hoe de rechter, toen don Gaetano dit bekend +had, op zijn medegevangenen gewezen en hem gevraagd had:</p> +<p>„Indien ge deze vrouw lief hebt, hoe kunt ge dan in eenige +gemeenschap staan met deze menschen, die haar vermoord +hebben?”</p> +<p>Toen had Gaetano zich plotseling tot de bandieten gewend. Hij had +zijn vuist gebald en naar hen opgeheven. En hij had er uitgezien, alsof +hij zich een dolk wenschte om hen één voor +één te kunnen neerstooten.</p> +<p>„Met dezen!” had hij uitgeroepen. „Zou ik in +eenige gemeenschap staan met deze menschen?”</p> +<p>Zeker had hij willen zeggen, dat hij niets had te maken met roovers +en moordenaars.</p> +<p>De rechter had mild gelachen en er uitgezien alsof hij slechts op +dit antwoord gewacht had om don Gaetano vrij te spreken.</p> +<p>Maar toen was er een Godswonder geschied.</p> +<p>Gandolfo verhaalde hoe tusschen al de gestolen zaken, die op de +tafel lagen, ook een klein Christusbeeld geweest was. Dat was een el +hoog en rijk versierd met ringen en getooid met een gouden kroon en +gouden schoentjes. Juist op dit oogenblik boog een der officieren zich +voorover en trok het beeld naar zich toe. Terwijl hij dit deed, viel de +kroon op den grond en rolde naar don Gaetano.</p> +<p>Deze nam de Christuskroon, hield die een oogenblik in zijn handen en +beschouwde ze nauwkeurig. Het scheen alsof hij daarop iets gelezen +had.</p> +<p>Hij hield de kroon slechts even in zijn handen, op hetzelfde +oogenblik ontnam de soldaat van de wacht hem die.</p> +<p>Donna Micaela zag bijna verschrikt op. Het Christusbeeld! Daar was +het dus reeds. Zou zij spoedig antwoord krijgen op haar bede? +<span class="pagenum">[<a id="pb157" href="#pb157" name="pb157">157</a>]</span></p> +<p>Gandolfo vervolgde: „Maar toen Gaetano nu opkeek, beefden +allen als voor een wonder, want hij was geheel veranderd.</p> +<p>„O, signori, hij was zoo bleek, dat zijn gelaat scheen te +lichten en zijn oogen waren mild en straalden zacht.</p> +<p>„En er was geen toorn meer in hem.</p> +<p>„En hij begon te smeeken voor zijn medegevangenen, hij begon +te bidden voor hun leven.</p> +<p>„Hij smeekte dat zij deze arme menschen niet zouden dooden. +Hij bad, dat de hooge rechters iets voor hen doen zouden, opdat zij +eens konden leven als andere menschen. „Wij hebben slechts dit +leven te leven,” zei hij. „Ons rijk is slechts van deze +wereld.”</p> +<p>„Hij begon te verhalen hoe deze menschen geleefd hadden. Hij +sprak alsof hij had kunnen lezen in hun ziel. Hij beschreef hun +levensgeschiedenis zoo somber en ongelukkig, als die werkelijk was. Hij +sprak zoo dat enkelen der hooge heeren weenden.</p> +<p>„Zijn woorden klonken sterk en machtig, zoodat het was alsof +don Gaetano rechter was en de rechters misdadigers waren.</p> +<p>„Zie,” zei hij tot hen, „wiens schuld is het, dat +deze ongelukkige menschen te gronde gaan? Zijt gij het niet, die de +macht bezit, en hen in uw bescherming moest nemen?” En men zag +hoe allen ontstelden over de verantwoordelijkheid, die hij hun +oplegde.</p> +<p>„Maar plotseling viel de rechter hem in de rede.</p> +<p>„Spreek tot uw eigen verdediging, Gaetano Alagona,” zei +hij. „Spreek niet voor anderen.”</p> +<p>Toen had Gaetano gelachen. „Signor,” zei hij, „ik +heb niet veel meer dan gij om mij te verdedigen. Maar ik heb toch iets. +Ik heb mijn werkkring in Engeland verlaten om oproer te maken op +Sicilië. Ik heb wapens meegebracht. Ik heb oproerige taal +gesproken. Ik heb iets ofschoon niet veel.”</p> +<p>De rechter had hem bijna gesmeekt:</p> +<p>„Spreek zoo niet, don Gaetano. Denk aan hetgeen gij +zegt.”</p> +<p>Maar hij had bekentenissen gedaan, die de rechters gedwongen hadden +hem te veroordeelen. Toen men hem <span class="pagenum">[<a id="pb158" +href="#pb158" name="pb158">158</a>]</span>zei, dat hij veroordeeld was +tot negen en twintig jaar <span class="corr" id="xd20e3894" title="Bron: gevangenistraf">gevangenisstraf</span>, had hij uitgeroepen: +„Nu geschiedt de wil van haar, wier baar hier zoo juist voorbij +gedragen werd. Moge het mij gaan, zooals zij wilde.”</p> +<p>„En meer zag ik niet van hem,” zei de kleine Gandolfo, +„want de soldaten van de wacht namen hem in hun midden en voerden +hem weg.</p> +<p>„Maar ik, die hem hoorde smeeken voor degenen, die zijn +liefste vermoord hadden, deed mij zelf de gelofte, dat ik iets voor hem +doen zou.</p> +<p>„Ik beloofde een schoone improvisatie over San Sebastiaan te +houden, opdat deze hem zou helpen. Maar dit is mij niet gelukt. Ik ben +geen improvisator, ik kon niet!”</p> +<p>Hij zweeg en wierp zich luid weenend voor het beeld. „Vergeef +mij, dat ik niet kon,” riep hij, „en help hem toch. Ge +weet, dat ik deze gelofte deed toen hij veroordeeld werd. Maar nu heb +ik niet kunnen spreken over u en nu zult ge hem niet helpen.”</p> +<p>Donna Micaela wist nauwelijks hoe het gegaan was, maar zij en de +kleine Rosalie, die Gandolfo liefhad, waren bijna gelijktijdig bij hem. +Ze trokken hem naar zich toe en kusten hem en zeiden, dat niemand +gesproken had als hij, neen niemand.</p> +<p>Zag hij niet, dat allen weenden? San Sebastiaan was tevreden over +hem. Donna Micaela schoof een ring aan Gandolfo’s vinger, rondom +hem wuifde men met veelkleurige zijden doeken, die glinsterden als de +golven der zee in het sterke licht van de domkerk.</p> +<p>„Viva Gaetano, viva Gandolfo!” riep het volk.</p> +<p>En het regende bloemen, vruchten, zijden doeken en sieraden op den +kleinen Gandolfo.</p> +<p>Donna Micaela werd bijna met geweld van hem gerukt. Maar zij dacht +er niet aan bevreesd te zijn.</p> +<p>Zij stond midden in de golvende menschenmassa te weenen. Tranen +stroomden over haar gelaat en zij weende van vreugde, omdat zij +weende.</p> +<p>Dat was de hoogste zegening.</p> +<p>Zij wilde weer naar Gandolfo, zij kon hem niet genoeg danken. Hij +had haar immers verteld, dat Gaetano haar liefhad. <span class="pagenum">[<a id="pb159" href="#pb159" name="pb159">159</a>]</span></p> +<p>Toen hij deze woorden aanhaalde:</p> +<p>„De wil geschiede van haar wier baar hier werd +voorbijgedragen,” had zij plotseling begrepen, dat Gaetano +meende, dat zij het was, die onder het lijkkleed der Alagona’s +lag.</p> +<p>En van de doode had hij gezegd: „Ik heb haar lief.”</p> +<p>Het bloed stroomde opnieuw door haar aderen, haar hart klopte, haar +tranen vloeiden.</p> +<p>„Dit is het leven, het leven,” zei ze tot zich zelf, +terwijl zij zich willoos door de volksmassa meevoeren liet.</p> +<p>„Het leven is weer tot mij gekomen, ik zal niet +sterven.”</p> +<p>Allen wilden naar den kleinen Gandolfo om hem te danken, omdat hij +hun iemand geschonken had om op te hopen, om naar te verlangen, om lief +te hebben in deze dagen van tegenspoed, nu alles verloren scheen. +<span class="pagenum">[<a id="pb161" href="#pb161" name="pb161">161</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div id="pt2" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 id="xd20e3940" class="main">Tweede deel.</h2> +<div class="epigraph"> +<div class="lgouter"> +<p class="line">„De Antichrist zal van land tot land</p> +<p class="line">gaan en den armen brood geven.”</p> +</div> +</div> +<p><span class="pagenum">[<a id="pb163" href="#pb163" name="pb163">163</a>]</span></p> +<div class="div2" id="ch2.1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 id="xd20e3950" class="label">I.</h3> +<h3 class="main">De vrouw van een groot man.</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Het was in Februari en de amandelboomen begonnen op +het zwarte lavaveld rondom Diamante te bloeien.</p> +<p>Cavaliere Palmeri had een tocht op den Etna gemaakt en een grooten +amandeltak vol knoppen en bloemen meegebracht; dezen had hij in een +vaas in de muziekzaal gezet.</p> +<p>Donna Micaela beschouwde den bloeienden tak. De amandelbloemen waren +dus reeds gekomen! Gedurende een gansche maand, gedurende zes volle +weken zou men ze nu overal vinden.</p> +<p>Zij zouden op het altaar in de kerk staan, zij zouden liggen op de +graven, en zij zouden in het knoopsgat, op den hoed en in het haar +gedragen worden.</p> +<p>Zij zouden bloeien langs den weg, op de bergen en ruïnes, en +zij zouden prijken op het zwarte lavaveld.</p> +<p>En iedere amandelbloem zou haar herinneren aan den dag, toen de +klokken luidden en Gaetano nog vrij en gelukkig was, toen zij droomde +een heel leven met hem te zullen leven.</p> +<p>Het kwam haar voor, dat zij nooit te voren volkomen begrepen had wat +het wilde zeggen, dat hij gevangen en weg was en dat zij hem nooit meer +zou zien.</p> +<p>Zij moest gaan zitten om niet te vallen, haar hart scheen op te +houden met kloppen en zij sloot de oogen.</p> +<p>Terwijl zij daar zoo zat, had ze een visioen.</p> +<p>Opeens bevindt zij zich thuis in het paleis te Catania. <span class="pagenum">[<a id="pb164" href="#pb164" name="pb164">164</a>]</span>Zij +zit in de hooge vestibule te lezen en zij is een vroolijke jonge dame, +signorina Palmeri. Een bediende voert een reizenden koopman tot haar. +’t Is een jonge, mooie man met een takje amandelbloemen in het +knoopsgat, op het hoofd draagt hij een plank vol heiligenbeeldjes, uit +hout gesneden.</p> +<p>Zij koopt eenige beeldjes van hem, onderwijl verslindt de jonge man +met zijn oogen alle kunstwerken in de vestibule. Zij vraagt hem of hij +hun verzameling wil zien. Ja, dat wil hij gaarne. En zij gaat zelf met +hem mee om hem alles te toonen. En hij is zoo gelukkig door hetgeen hij +ziet, dat zij denkt dat hij een kunstenaar moest worden en zij doet +zich zelf de gelofte, dat zij hem niet zal vergeten.</p> +<p>Zij vraagt hem waar hij thuis behoort.</p> +<p>Hij antwoordt: „In Diamante.”</p> +<p>„Is dat ver weg?”</p> +<p>„Vier uur met den postwagen.”</p> +<p>„En met den trein?”</p> +<p>„Er bestaat geen spoorweg naar Diamante, signorina.”</p> +<p>„Ge moest er een aanleggen.”</p> +<p>„Wij, wij zijn te arm. Vraag den rijken menschen in Catania of +zij voor ons een spoorweg willen aanleggen.”</p> +<p>Nadat hij dit gezegd had, wil hij gaan, maar in de deur wendt hij +zich om en komt terug om haar zijn amandelbloemen te geven. Dat is tot +dank voor al het schoone, dat zij hem heeft laten zien.—</p> +<p>Toen donna Micaela de oogen opende, wist zij niet of zij gedroomd +had of dat zoo iets misschien werkelijk eens gebeurd was. Gaetano kon +immers heel goed eens in het palazzo Palmeri geweest zijn om zijn +beelden te verkoopen, ofschoon zij het vergeten was; maar nu hadden de +amandelbloemen dat voorval weer in haar geheugen geroepen.</p> +<p>Maar dit was hetzelfde. De hoofdzaak was, dat de jonge houtsnijder +Gaetano was. Het was als had zij met hem gesproken. Zij meende te +hooren hoe de deur achter hem dichtviel. En na dezen droom rijpte het +plan in haar, dat zij een spoorweg moest aanleggen tusschen Catania en +Diamante.</p> +<p>Gaetano was zeker tot haar gekomen om haar te verzoeken dit te doen. +Het was een bevel van hem en zij voelde, <span class="pagenum">[<a id="pb165" href="#pb165" name="pb165">165</a>]</span>dat zij hem moest +gehoorzamen. Zij deed volstrekt geen poging om zich te verzetten. Zij +was overtuigd dat Diamante meer behoefte had aan een spoorweg dan aan +iets anders. Zij had Gaetano eens hooren zeggen, dat indien Diamante +slechts een spoorweg bezat, zoodat het zijn oranjeappelen, zijn wijn, +honing en amandelen kon vervoeren, en de vreemdelingen het gemakkelijk +konden bereiken, het spoedig een rijke stad zou zijn.</p> +<p>Zij was ook vast overtuigd, dat zij een spoorweg tot stand zou +kunnen brengen. Zij moest het in elk geval beproeven. Het viel haar +geen oogenblik in, dat zij het kon laten. Als Gaetano het wenschte, +moest zij gehoorzamen.</p> +<p>Zij dacht er over na hoeveel geld zij zelf daarvoor zou kunnen +afstaan. Maar daarmee zou zij wel niet ver komen. Het eerste, dat zij +doen moest, was trachten geld te krijgen. Nog in hetzelfde uur was zij +bij donna Elisa en riep haar hulp in om een bazaar te regelen.</p> +<p>Donna Elisa hief haar oogen op van haar borduurwerk. „Waarvoor +wilt ge een bazaar houden?”</p> +<p>„Ik wil geld verzamelen voor een spoorweg.”</p> +<p>„Dat is juist iets voor u, donna Micaela, daar zou niemand +anders aan gedacht hebben.”</p> +<p>„Hoe, donna Elisa? Wat meent gij?”</p> +<p>„O niets.”</p> +<p>En donna Elisa ging weer aan haar borduurwerk.</p> +<p>„Gij wilt mij dus niet helpen met mijn bazaar?”</p> +<p>„Neen.”</p> +<p>„En gij wilt geen kleine bijdrage daarvoor afstaan?”</p> +<p>„Zij, die zoo kort geleden haar man verloren heeft,” +antwoordde <span class="corr" id="xd20e4031" title="Bron: dona">donna</span> Elisa, „moest niet aan dergelijke +grapjes denken.”</p> +<p>Donna Micaela begreep, dat donna Elisa boos op haar was om een of +andere reden en dat zij haar daarom niet wilde helpen.</p> +<p>Maar er zouden wel andere menschen te vinden zijn die begrijpen +zouden, dat dit heerlijke plan Diamante zou redden.</p> +<p>Maar donna Micaela moest tevergeefs van deur tot deur gaan. En al +sprak en smeekte zij nog zoo veel, zij kreeg geen aanhangers. +<span class="pagenum">[<a id="pb166" href="#pb166" name="pb166">166</a>]</span></p> +<p>Zij trachtte de menschen te overtuigen, zij wendde al haar +welsprekendheid aan om hun het plan te verklaren.</p> +<p>Maar er was niemand, die op haar voorstel wilde ingaan. Waar zij +kwam, antwoordde men haar, dat men te arm was, te arm.</p> +<p>De vrouw van den sindaco wilde niet, dat haar dochters op den bazaar +zouden helpen verkoopen. Don Antonio Greco, de eigenaar van het +marionetten-theater, wilde niet komen met zijn poppen. De +stadsmuzikanten wilden niet spelen. Geen koopman wilde goederen +afstaan. En als donna Micaela heengegaan was, lachte men haar uit.</p> +<p>Een spoorweg, een spoorweg! Zij wist niet, wat zij wilde. Daarvoor +waren statuten, een maatschappij, aandeelen en een concessie noodig. +Hoe zou een vrouw dat alles kunnen regelen?</p> +<p>Maar anderen vergenoegden zich niet met donna Micaela uit te lachen, +sommigen werden boos op haar.</p> +<p>Zij ging naar den donkeren winkel naast het klooster der +Benedictijnen, waar meester Pamphilio zijn ridderromans vertelde. Zij +kwam om hem te vragen of hij op haar bazaar wilde komen om het publiek +te onderhouden, met Karel den Grooten en zijn paladijnen; maar daar hij +midden in een verhaal was, moest zij wachten.</p> +<p>Toen sloeg zij donna Concetta gade, meester Pamphilio’s +echtgenoote, die op de estrade aan zijn voeten zat te breien.</p> +<p>Zoo lang meester Pamphilio sprak, bewogen donna Concetta’s +lippen zich. Zij had zijn romans zoo dikwijls gehoord, dat zij die van +buiten kende en de woorden zei, vóórdat ze over meester +Pamphilio’s lippen kwamen. Maar het was voor haar altijd nog +hetzelfde genot hem te hooren verhalen, en zij weende en lachte, zooals +zij gedaan had, toen zij hem voor de eerste maal had hooren +vertellen.</p> +<p>Meester Pamphilio was een oude man, die zeer veel gesproken had in +zijn leven, zoodat zijn stem hem in den steek liet, als hij aan de +groote oorlogstooneelen kwam, die met luide en krachtige stem verhaald +moesten worden. Maar donna Concetta, die iederen roman van buiten +kende, ontnam meester Pamphilio nooit het woord. Zij gaf den +toehoorders een teeken dat zij moesten wachten tot zijn stem +terugkwam.</p> +<p>Als echter zijn geheugen hem ontrouw werd, deed donna <span class="pagenum">[<a id="pb167" href="#pb167" name="pb167">167</a>]</span>Concetta, alsof ze een steek liet vallen; dan +bracht zij haar kous bij de oogen en daarachter wierp zij hem het woord +toe, zoodat niemand het kon merken.</p> +<p>En allen wisten, dat hoewel donna Concetta de romans misschien +mooier had kunnen verhalen dan meester Pamphilio, zij dat nooit zou +willen doen. Niet slechts omdat dit onpassend was voor een vrouw, maar +ook omdat dit haar nooit zulk een genot kon zijn als haar geliefden +meester Pamphilio te hooren vertellen.</p> +<p>Toen donna Micaela zoo keek naar donna Concetta, verzonk zij in +droomen. O, zoo te zitten onder de estrade, waar de geliefde spreekt, +zoo daar te zitten dag uit en dag in om hem te aanbidden. Zij wist, wie +dat gaarne zou willen! Maar toen meester Pamphilio zijn verhaal +geëindigd had, ging donna Micaela naar hem toe en verzocht hem of +hij haar wilde helpen. ’t Viel hem moeielijk neen te zeggen op de +duizenden smeekbeden, die in haar oogen geschreven stonden.</p> +<p>Donna Concetta kwam hem te hulp. „Meester Pamphilio,” +zei zij, „verhaal donna Micaela van Guglielmo den +Slechten.”</p> +<p>En meester Pamphilio vertelde:</p> +<p>„Donna Micaela, weet ge, dat er eens een koning in +Sicilië heerschte, die Guglielmo de Slechte heette?</p> +<p>„Hij was zoo gierig, dat hij zijn onderdanen al hun geld +ontnam. Hij beval dat allen die gouden munten bezaten, hem die moesten +afstaan. En hij was zoo slecht, dat allen hem moesten gehoorzamen.</p> +<p>„Nu, donna Micaela, wilde Guglielmo de Slechte weten of iemand +nog gouden munten in zijn huis verborgen had. En daarom zond hij een +zijner dienaren met een schoon paard door de corso in Palermo. En de +man bood het paard te koop aan en riep luid:</p> +<p>„Te koop voor een gouden munt! te koop voor een gouden +munt!”</p> +<p>„Maar er was niemand, die het paard kon koopen.</p> +<p>„Doch het was een zeer schoon paard en een jonge heer in +Palermo, de hertog Montefiascone, was opgetogen daarover.</p> +<p>„Er bestaat voor mij geen vreugde op deze aarde meer +<span class="pagenum">[<a id="pb168" href="#pb168" name="pb168">168</a>]</span>indien ik dit paard niet kan koopen,” zei +hij tot zijn hofmeester.</p> +<p>„Signor duca,” antwoordde de hofmeester, „ik kan u +zeggen, waar gij een gouden munt kunt vinden. Toen uw heer vader stierf +en door de Kapucijners werd weggehaald, legde ik volgens oud gebruik +een gouden munt in zijn mond. Die kunt ge immers nemen, +signor.”</p> +<p>„Want ge moet weten, donna Micaela, dat men in Palermo zijn +dooden niet in den grond begraaft. Men brengt hen naar het klooster der +Kapucijnen, waar de monniken hen in hun grafkamers hangen.</p> +<p>„O, hoe velen hangen daar! Zoo vele dames gekleed in zijde en +satijn, zoo vele hooge heeren met ridderorden op hun uniform, en zoo +vele priesters met pij en kalotje op het doodshoofd en over het +geraamte.</p> +<p>„De jonge hertog volgde den raad. Hij begaf zich naar het +klooster der Kapucijnen en nam de gouden munt uit zijns vaders mond en +kocht het paard daarvoor.</p> +<p>„Maar gij begrijpt, dat de koning slechts zijn dienaar met het +paard uitgezonden had om te weten te komen of nog iemand geld bezat. En +nu werd de hertog voor den koning gevoerd.</p> +<p>„Hoe komt het, dat gij nog eene gouden munt bezit?” zei +Guglielmo de Slechte.</p> +<p>„Sire, die was niet van mij, maar van mijn vader.” En +hij verhaalde vanwaar hij de munt gekregen had.</p> +<p>„’t Is waar ook,” zei de koning. „Ik had +vergeten, dat de dooden nog geld bezitten.”</p> +<p>„En hij zond zijn dienaar naar de Kapucijners om alle munten +uit den mond der dooden te nemen.”</p> +<p>Hier eindigde de oude meester Pamphilio zijn verhaal. En nu wendde +<span class="corr" id="xd20e4110" title="Bron: donno">donna</span> +Concetta zich met van toorn fonkelende oogen naar donna Micaela.</p> +<p>„Gij zijt het die met het paard uitgaat,” zei zij.</p> +<p>„Ben ik dat? ik?”</p> +<p>„Ja, gij donna Micaela. Nu zal de regeering zeggen: „Zij +leggen een spoorweg aan in Diamante. De menschen daar zijn dus +rijk.” En men zal onze belastingen verhoogen. En God weet, dat +wij de belastingen, die ons reeds zijn opgelegd, niet kunnen betalen, +zelfs indien wij onze voorvaderen plunderden.” <span class="pagenum">[<a id="pb169" href="#pb169" name="pb169">169</a>]</span></p> +<p>Donna Micaela wilde haar kalmeeren.</p> +<p>„Zij hebben u uitgezonden om te vernemen of wij nog geld +bezitten. Gij zijt een spion der rijken, gij wordt betaald door de +regeering. Die bloedzuigers in Rome hebben u betaald.”</p> +<p>Donna Micaela wendde zich van haar af.</p> +<p>„Ik kwam om met u te spreken, meester Pamphilio,” zei +zij tot den grijsaard.</p> +<p>„Maar ik ben het, die u antwoorden zal,” viel donna +Concetta haar in de reden, „want het is een onaangename zaak, en +die moet ik op mij nemen. Ik weet, wat de vrouw van een groot man past, +donna Micaela.”</p> +<p>Donna Concetta zweeg, want de voorname dame keek haar aan met een +blik, zoo vol afgunstig verlangen, dat zij medelijden met haar +gevoelde. God ja, er bestond ook verschil tusschen mannen, don Ferrante +of meester Pamphilio! <span class="pagenum">[<a id="pb170" href="#pb170" name="pb170">170</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div2" id="ch2.2"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 id="xd20e4135" class="label">II.</h3> +<h3 lang="la" class="main">Panem et <span class="corr" id="xd20e4139" +title="Bron: cirsenses">circenses</span>.</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">In Diamante wijst men den vreemdelingen twee paleizen, +die op het punt staan tot ruïnes te vervallen, zonder ooit +voltooid geweest te zijn. Zij hebben groote vensteropeningen zonder +ramen, hooge muren zonder dak en groote poorten, die met planken en +stroo gesloten zijn.</p> +<p>Die twee paleizen liggen tegenover elkaar aan beide zijden der +straat, beide even onvoltooid en even vervallen. Rondom hen staan geen +andere gebouwen en geen mensch kan er in komen. Zij schijnen slechts +gebouwd te zijn voor de duiven. Hoor nu, wat men daarvan vertelt:</p> +<p>Wat is een vrouw, o signori? Haar voet is zoo klein, dat zij over de +wereld gaat zonder een spoor achter te laten. Voor den man is zij +gelijk zijn schaduw. Zij heeft hem gevolgd gedurende zijn gansche +leven, zonder dat hij haar opgemerkt heeft.</p> +<p>Men kan niet veel verlangen van een vrouw. Zij moet immers den +geheelen dag opgesloten zitten als een gevangene. Zij kan niet eens +leeren een minnebrief goed te spellen. Zij kan niets tot stand brengen, +dat duurzaamheid bezit.</p> +<p>Als zij gestorven is, valt er niets op haar grafsteen te vermelden. +Alle vrouwen zijn van gelijke hoogte.</p> +<p>Maar eens kwam in Diamante een vrouw, die zoo hoog boven alle andere +uitstak, als de honderdjarige palm zich verheft boven het grasveld.</p> +<p>Zij bezat lira bij duizenden en kon die wegschenken of behouden, +gelijk zij verkoos. Zij ging voor niemand uit den <span class="pagenum">[<a id="pb171" href="#pb171" name="pb171">171</a>]</span>weg. +Zij vreesde niet gehaat te worden. Zij was het grootste wonder, dat de +oogen ooit aanschouwd hadden.</p> +<p>’t Spreekt immers vanzelf dat zij geen Siciliaansche vrouw +was. Zij was een Engelsche. En het eerste, dat zij deed toen zij in +Diamante kwam, was de geheele eerste verdieping van het hotel alleen +voor haar zelf te huren. Wat was dat voor haar? Gansch Diamante was +haar niet groot genoeg. Maar zoodra zij daar was, begon zij over de +stad te heerschen als een koningin.</p> +<p>De sindaco moest haar gehoorzamen. Was zij het niet, die hem dwong +steenen banken op de markt te plaatsen? Was het niet op haar bevel, dat +de straten der stad iederen dag geveegd werden?</p> +<p>Als zij ’s morgens ontwaakte, stonden alle jonge mannen van +Diamante voor haar deur te wachten om haar te vergezellen op een +uitstapje. Zij hadden de schoenmakersleest en de schaafbank verlaten om +haar als gids te dienen. Zij hadden hun moeders zijden kleed verkocht +om een dameszadel voor hun ezel <span class="corr" id="xd20e4165" +title="Niet in bron">te</span> koopen, waarop zij kon rijden naar het +kasteel of naar ’Tre Castagni. Zij hadden zich ontdaan van huis +en haard om een paard en wagen te koopen, opdat zij haar naar Randozzo +of Nicolosi konden rijden.</p> +<p>En allen waren zij haar slaven. De kinderen begonnen in het Engelsch +te bedelen en de blinde vrouwtjes bij de hotelpoort, donna Pepa en +donna Tura, drapeerden zich in witte doeken om haar te behagen!</p> +<p>Alles bewoog zich om haar; handwerk en nijverheid bloeiden op rondom +haar. Zij, die niets anders doen konden, groeven in den grond naar +munten en leemen kruiken om haar die te kunnen aanbieden. Photografen +vestigden zich in de stad en begonnen voor haar te werken. +Koraalhandelaars en kooplieden in schildpad schoten rondom haar op uit +de aarde. De priesters van Santa Agnese groeven om harentwille het oude +Dionysius-theater op dat achter hun kerk lag. En elk die een vervallen +villa bezat, groef uit de duisternis der kelders overblijfselen op van +een <span class="corr" id="xd20e4172" title="Bron: mozaiek-vloer">mozaïekvloer</span> en noodigde haar uit +deze te komen zien.</p> +<p>Wel waren er ook vroeger vreemdelingen geweest in Diamante, maar zij +waren gekomen en gegaan en niemand had zulk een macht bezeten als zij. +Spoedig was er geen <span class="pagenum">[<a id="pb172" href="#pb172" +name="pb172">172</a>]</span>enkele man in de stad, die niet al zijn +hoop op de Engelsche signorina vestigde.</p> +<p>Haar gelukte het zelfs een weinig leven te brengen in Ugo Favara. +Gij weet wel, Ugo Favara, den advocaat, die eens een groot man beloofde +te worden, maar tegenspoed had en thuis kwam als een gebroken man. Zij +gebruikte hem om haar zaken te beheeren. Zij had hem noodig en zij nam +hem.</p> +<p>Er is nooit een vrouw in Diamante geweest, die zulke zaken deed als +zij. Zij breidde zich uit gelijk de brem in de lente. Den eenen dag +weet nog niemand, dat zij er is en den volgenden dag is zij reeds een +groote struik. Spoedig wist men niet waarheen men zou gaan in Diamante +om niet op de velden der Engelsche signorina te loopen. Ze kocht +landgoederen en huizen in de stad, zij kocht amandelbosschen en +lavastroomen. De schoone plekjes, vanwaar men uitzicht genoot op den +Etna, waren haar eigendom en eveneens de drassige grond van het dal. En +in de stad begon zij twee groote paleizen te bouwen. ’t Was +daarin, dat zij wonen en over haar koninkrijk heerschen wilde.</p> +<p>Nooit zal men weer een vrouw als zij vinden.</p> +<p>Dat alles was haar nog niet genoeg. Zij wilde ook den strijd +aanbinden tegen de armoede. O, signori, tegen de Siciliaansche armoede! +Wat gaf zij niet iederen dag weg! en wat deelde zij niet uit op +feestdagen!</p> +<p>Wagens, getrokken door twee paar ossen, gingen naar Catania en +kwamen terug hoog beladen met allerlei kleedingstukken. Zij had zich +voorgenomen dat een ieder heele kleeren zou dragen in de stad, waar zij +regeerde.</p> +<p>Maar hoor nu, hoe het haar ging, hoe het eindigde met den strijd +tegen de armoede, met het koninkrijk en de paleizen.</p> +<p>Zij gaf een feestmaal aan de armen in Diamante en na den maaltijd +een tooneelspel in het Grieksche theater. Dat was hetgeen een der oude +keizers gedaan zou hebben.</p> +<p>Maar wie heeft ooit gehoord, dat een vrouw op dergelijke gedachten +kwam!</p> +<p>Zij noodigde alle armen uit. Daar waren de twee blinde vrouwen van +de hotelpoort en de oude Assunta van de domtrap. Daar was de man van +het postkantoor die zijn kin <span class="pagenum">[<a id="pb173" href="#pb173" name="pb173">173</a>]</span>bedekt had met een rooden doek om +zijn gelaatskanker te verbergen en dan was er de idioot, die de ijzeren +deuren van het Grieksche theater openschuift.</p> +<p>Alle ezeldrijvers waren er, ook de beide broeders zonder handen, die +in hun jeugd een bom hadden laten ontploffen en toen alle vingers +hadden verloren; en dan was er de invalide met het houten been en de +oude stoelenmatter, die te oud was geworden om te werken.</p> +<p>Het was wonderlijk hen allen uit hun holen te voorschijn te zien +kruipen, al deze armen van Diamante. Oude vrouwtjes die haar gansche +leven hadden zitten spinnen in donkere steegjes, waren op ’t +feest en ook de positiefspeler, die een instrument heeft, zoo groot als +een kerkorgel, en een jonge, rondtrekkende mandolinista van Napels, met +zijn hoofd vol alle mogelijke dolle streken. Al de ooglijders en ouden +van dagen, die geen dak boven hun hoofd hadden, en zij die wortelen aan +den wegkant zochten voor het middagmaal, de steenhouwer die een lire +per dag verdiende en zes kinderen had om te verzorgen, allen waren zij +uitgenoodigd en aanwezig op het feest.</p> +<p>De armoede zond haar troepen uit tegen de Engelsche signorina. Wie +bezit zulk een leger als de armoede? Maar eens gelukte het de Engelsche +signorina haar te overwinnen.</p> +<p>Zij had ook iets om mee te strijden en te overwinnen. De geheele +markt stond vol gedekte tafels. En zij had wijnvaten laten stapelen +langs de steenen bank, die langs den geheelen muur der domkerk loopt. +Zij had het uitgestorven nonnenklooster herschapen in een provisiekamer +en keuken. Ze had de geheele vreemdelingenkolonie in Diamante, gekleed +in witte boezelaars, om de spijzen rond te deelen. En als toeschouwers +bij haar feestmaal had zij heel Diamante dat pleegt zich verzadigd te +eten.</p> +<p>Toeschouwers! wie had zij niet tot toeschouwers! Den grooten Etna, +de stralende zon, den rooden berg en den ouden Vulcanitempel, die nu +aan San Pasquale gewijd was.</p> +<p>En geen van alle had nog ooit een verzadigd Diamante aanschouwd. +Geen van hen alle had er vóór dit oogenblik aan gedacht +hoezeer het hun eigen schoonheid zou verhoogen, indien men hen kon +beschouwen, zonder dat de <span class="pagenum">[<a id="pb174" href="#pb174" name="pb174">174</a>]</span>honger den menschen in de ooren +siste en hen op de hielen volgde.</p> +<p>Maar let nu op één ding! Hoe merkwaardig en groot deze +signorina ook was, schoon was zij niet. En trots al de macht, die zij +bezat, was zij niet vriendelijk of innemend. Zij regeerde niet met +scherts, zij beloonde niet met een glimlach. Zij had een zwaar, plomp +lichaam en een zwaar, plomp gemoed.</p> +<p>Maar dezen dag, dat zij eten gaf aan al de armen, werd zij een +geheel ander mensch.</p> +<p>Er woont een ridderlijk volk op het eiland Sicilië. Van al deze +armen liet geen enkele haar voelen, dat zij liefdadigheid uitoefende. +Zij aanbaden haar, maar zij aanbaden haar als vrouw. Zij namen plaats +aan haar tafel als bij een gelijke. Zij behandelden haar, zooals een +gastvrouw door haar gasten behandeld wordt. Heden doe ik u de eer bij u +te komen, morgen doet ge mij de eer bij mij te komen. Zoo en niets +anders was het!</p> +<p>Zij stond op de hooge trap van het raadhuis en zag neer op de +menigte. En toen men het glas volschonk van den ouden stoelenmatter, +die aan ’t boveneinde der tafel zat, richtte hij zich op, boog +voor haar en zei:</p> +<p>„Ik drink op uw welzijn, signorina.”</p> +<p>Zoo deden allen. Zij legden de hand op het hart en bogen voor haar. +Het was misschien goed voor haar geweest, indien zij zulk een +ridderlijkheid vroeger in haar leven ontmoet had. Waarom hadden de +mannen in haar vaderland haar doen vergeten, dat de vrouwen bestaan om +te worden aangebeden?</p> +<p>Hier zagen allen er uit of ze gloeiden van een stille vereering. Zoo +worden de vrouwen behandeld op het edele eiland. Wat gaven zij haar +niet terug voor de spijzen en den wijn, die zij hun schonk! Zij gaven +haar en jeugd en vroolijkheid, en de eer om navolgenswaardig te +zijn.</p> +<p>Ze hielden toespraken tot haar.</p> +<p>„Edele signorina, gij die over de wijde zee gekomen zijt, gij +die Sicilië bemint”—en zoo voort, en zoo voort.</p> +<p>En zij toonde, dat zij kon blozen, zij schaamde zich niet langer, +dat zij glimlachen kon.</p> +<p>Toen zij gesproken hadden, begon het te beven om den mond der +Engelsche signorina. Zij werd twintig jaar jonger. Dat was hetgeen zij +noodig had. <span class="pagenum">[<a id="pb175" href="#pb175" name="pb175">175</a>]</span></p> +<p>Op het feest was ook de ezeldrijver, die de Engelsche dames naar Tre +Castagni pleegt te geleiden, en die altijd verliefd op haar was, +vóórdat hij van haar scheidde. Nu viel zijn oog op de +groote weldoenster.</p> +<p>Niet alleen een slank, fijn lichaam en een zachte gelaatstint zijn +waard aangebeden te worden, maar ook sterkte en kracht.</p> +<p>De ezeldrijver liet plotseling mes en vork vallen, leunde met de +ellebogen op de tafel en bleef zoo zitten om naar haar te kijken. En +gelijk hij, deden al de andere ezeldrijvers. Het ging als een +besmetting rond. Het werd rondom de Engelsche signorina heet van +gloeiende blikken. Het waren niet alleen de armen die haar aanbaden. De +advocaat Ugo Favara kwam bij haar en fluisterde haar in het oor, dat +zij een voorzienigheid was voor zijn arm land en voor hem.</p> +<p>„Indien ik slechts vroeger een vrouw gelijk u getroffen +had,” zei hij.</p> +<p>„Denk u een ouden vogel, die lange jaren in een kooi was +opgesloten en ruig geworden is en den glans zijner veeren verloren +heeft. En plotseling komt er iemand, die hem streelt en den glans +opnieuw te voorschijn roept. Stel u dat voor, signorina!”</p> +<p>En dan was er ook die knaap van Napels. Hij haalde zijn mandoline te +voorschijn en begon te zingen. Gij weet, hoe hij pleegt te zingen, hoe +hij gewoonlijk zijn grooten mond vertrekt en leelijke woorden zegt. +Dikwijls gelijkt hij op een spottend masker. Maar hebt gij gezien dat +hij een engel in zijn oogen heeft?</p> +<p>Een engel, die schijnt te weenen over zijn val en vervuld is van een +goddelijken waanzin. En dezen avond was hij slechts engel. Hij hief het +hoofd op als een door God geïnspireerde dichter, zijn gebogen +lichaam werd veerkrachtig en richtte zich op in trotsche levensvreugde. +Er kwam kleur op zijn doodsbleeke wangen. En hij zong, hij zong, zoo +dat men de tonen als vuurvliegen van zijn lippen zag zweven om de lucht +met hun gejubel en gedans te vervullen.</p> +<p>Toen het nacht werd trokken allen naar het Grieksche theater. Dat +was het glanspunt van het feest. En wat had de gastvrouw daar haar +gasten aan te bieden?</p> +<p>Daar was de Russische zangeres en de Duitsche +variété-kunstenaar, <span class="pagenum">[<a id="pb176" +href="#pb176" name="pb176">176</a>]</span>de Engelsche clowns en de +Amerikaansche goochelaar. Maar wat was dit alles vergeleken met den +zilverwitten maneschijn, met de plaats en al haar herinneringen! Het +was alsof de armen zich voelden als Grieken en cultuurdragers, toen zij +zich neervlijden op de rotsbanken van hun eigen oud theater, en +tusschen de bouwvallige zuilen van het tooneel het schoone panorama +aanschouwden.</p> +<p>De armen zijn niet spaarzaam, ze deelen mild van de vreugde, die ze +krijgen. Ze waren niet zuinig met de toejuichingen, ze waren uitbundig +in hun handgeklap. Zij die op het tooneel optraden, vertrokken met een +schat van lof.</p> +<p>Toen spoorde iemand de Engelsche signorina aan om ook op te treden. +Al deze vereering gold immers haar. Zij moest eens oog in oog met haar +gasten staan. En zij zeiden haar hoe bijval bedwelmt, hoe die vervoert +en bezielt.</p> +<p>Dit voorstel behaagde haar, en zij volgde dezen raad +onmiddellijk.</p> +<p>Zij had in haar jeugd dikwijls gezongen en de Engelschen zijn nooit +afkeerig om te zingen. Anders zou zij het zeker niet gedaan hebben, +maar nu was zij goed geluimd, en nu wilde zij zingen voor hen, die haar +liefhadden.</p> +<p>Zij trad het laatst van allen op.</p> +<p>Stel u nu eens voor wat het is op zulk een oud tooneel op te treden! +Daar was het dat Antigone levend begraven was en Iphegenie geofferd +had. Maar de Engelsche signorina trad slechts op om gehuldigd te +worden.</p> +<p>Een storm van bijval barstte los, zoodra zij zich vertoonde. Men +wilde den grond verpletteren om haar te huldigen.</p> +<p>Het was een trotsch oogenblik. Zij stond daar met den Etna tot +achtergrond en de Middellandsche zee tot zijcoulisse. Voor haar op de +met mos begroeide banken strekte zich de overwonnen armoede uit en zij +voelde, dat geheel Diamante aan haar voeten lag.</p> +<p>Ze koos Bellini, hun eigen Bellini. Zij ook wilde beminnelijk zijn +en daarom zong zij een lied van Bellini, die geboren is aan den voet +van den Etna, Bellini, dien zij vanbuiten kenden, noot voor noot.</p> +<p>Natuurlijk, o signora, natuurlijk kon zij niet zingen. Zij was +alleen op het tooneel gekomen om zich te laten huldigen. <span class="pagenum">[<a id="pb177" href="#pb177" name="pb177">177</a>]</span>Zij +was opgetreden, opdat de volksliefde zich uiten kon. Maar nu zong zij +valsch en zwak. En de menschen kenden elken toon.</p> +<p>Het was de mandolinista van Napels, die het eerst met zijn geheele +gezicht lachte en een toon nazong even valsch als de Engelsche +signorina. Later was het de man met kanker in ’t gezicht, die zoo +lachte, dat zijn verband afviel. Daarna begon een ezeldrijver in de +handen te klappen, en volgden de anderen zijn voorbeeld. Het was een +krankzinnige daad maar dat begrepen zij niet.</p> +<p>Men kon toch op den grond der oude Grieken geen barbaren dulden, die +valsch zingen.</p> +<p>Donna Pepa en donna Tura lachten, zooals zij nog nooit in haar leven +gedaan hadden.</p> +<p>Geen enkele zuivere toon! Bij de Madonna en San Pasquale, geen +enkele zuivere toon!</p> +<p>Ééns in hun leven waren zij verzadigd. Het stond nu +eenmaal geschreven, dat er waanzin en razernij over hen zou zijn dien +avond. En waarom zouden zij niet lachen? Men had hun toch zeker geen +eten gegeven om hun ooren te pijnigen met vijl en zaag?</p> +<p>Mochten zij zich niet verdedigen door te lachen, moesten zij haar +niet nadoen, sissen en fluiten? Mochten zij zich niet achteroverwerpen +om in een daverend gelach uit te barsten?</p> +<p>Ze waren toch zeker geen slaven der Engelsche signorina!</p> +<p>Het kwam overweldigend voor haar. ’t Kwam al te overweldigend +onverwacht, dan dat zij het zou kunnen begrijpen.</p> +<p>Floten zij haar uit? Het was zeker om iets daar beneden, om iets dat +zij niet zien kon.</p> +<p>Zij zong de aria ten einde. Zij was overtuigd, dat dit lachen iets +was, dat haar niet aanging.</p> +<p>Toen zij eindigde, stortte er een stroom van twijfelachtigen bijval +op haar neer. Die was zóó, dat zij eindelijk alles +begreep. Fakkels en maneschijn verlichtten den nacht, zoodat zij de +menschenmassa kon zien schudden van ’t lachen.</p> +<p>Zij hoorde den hoon en spot, nu zij niet meer zong. Die gold haar. +Toen vluchtte zij van het tooneel, en het was <span class="pagenum">[<a id="pb178" href="#pb178" name="pb178">178</a>]</span>alsof de groote Etna schudde van ’t lachen +en de zee glinsterde van pret.</p> +<p>Maar het werd al erger en erger. Ze hadden zoo gelachen, de armen, +zoo gelachen als nooit tevoren, en zij wilden haar nog +éénmaal hooren. Zij riepen haar terug. „Bravo! Bis! +Da capo!” Zulk een genoegen konden zij zich niet laten +ontgaan.</p> +<p>En zij, de Engelsche signorina, zij was bijna bewusteloos.</p> +<p>Een storm verhief zich rondom haar. Het volk schreeuwde, brulde om +haar te dwingen weer op het tooneel te verschijnen. Zij zag hoe zij de +armen ophieven om haar te dreigen; opeens was het tooneel veranderd in +een oud circus, zij werd naar binnen gesleurd om door wilde dieren +verslonden te worden.</p> +<p>En de razernij steeg en steeg. De anderen, die opgetreden waren, +werden bevreesd en smeekten haar toe te geven. En zij zelf werd ook +bang, het was alsof men haar wilde vermoorden, indien zij niet +toegaf.</p> +<p>Zij sleepte zich naar het tooneel en stond oog in oog met de +tierende volksmassa. Voor haar was er geen verschooning. Zij moest +zingen, omdat allen lachen wilden. Dat was het ergste. Zij zong, omdat +zij bang was voor hen en niet den moed had het hun te +weigeren<span class="corr" id="xd20e4319" title="Bron: ,">.</span> Zij +was een weerlooze vreemdelinge en zij had niemand, die haar beschermde +en zij was bang.</p> +<p>En zij lachten en lachten!</p> +<p>Gedurende de geheele aria hoorde men niets anders dan geschreeuw, +gesis, gelach en gefluit. Niemand had medelijden met haar. Het was +misschien de eerste maal in haar leven, dat zij voelde, dat zij +behoefte had aan iemand, die barmhartig jegens haar was....</p> +<p>Den volgenden dag wilde zij vertrekken. Zij kon het niet langer +uithouden in Diamante. Maar toen zij dit zeide tegen advocaat Favara, +bezwoer hij haar om zijnentwille te blijven en hij vroeg haar zijn +vrouw te worden.</p> +<p>Hij had het rechte oogenblik gekozen. Zij nam zijn aanzoek aan en +trouwde met hem.</p> +<p>Maar na dien tijd bouwde zij niet meer aan haar paleizen, zij streed +niet meer tegen de armoede, zij wilde niet meer koningin van Diamante +zijn. <span class="pagenum">[<a id="pb179" href="#pb179" name="pb179">179</a>]</span></p> +<p>Zoudt gij het willen gelooven? Zij vertoonde zich nooit meer op +straat, maar leefde binnenshuis als een Siciliaansche.</p> +<p>Haar klein huis lag verborgen achter een hooge schutting en van haar +zelf merkte men niets.</p> +<p>Men wist slechts, dat zij geheel was veranderd; maar men wist niet +of zij gelukkig of ongelukkig was, en of zij zich opsloot omdat zij de +menschen haatte, dan of zij wilde zijn zooals een Siciliaansche +huisvrouw behoort te zijn.</p> +<p>Maar eindigt het op deze wijze niet altijd met vrouwen? Als zij +paleizen bouwen, komen zij nooit klaar. Vrouwen kunnen niets tot stand +brengen, dat duurzaamheid bezit. <span class="pagenum">[<a id="pb180" +href="#pb180" name="pb180">180</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div2" id="ch2.3"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 id="xd20e4344" class="label">III.</h3> +<h3 class="main">De verworpeling.</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Toen donna Micaela hoorde hoe de armen miss Tottenham +uitgelachen hadden, haastte zij zich naar het hotel om haar leedwezen +daarover te betuigen.</p> +<p>Zij wilde miss Tottenham smeeken deze stakkers niet te beoordeelen +naar hetgeen zij gedaan hadden, toen zij opgewonden waren van vreugde +en wijn. Zij wilde haar smeeken toch niet haar hand af te trekken van +Diamante. Zelf hield zij niet veel van miss Tottenham, maar terwille +van de armen——Zij wilde al het mogelijke doen om haar over +te halen te blijven.</p> +<p>Toen zij naar het hotel Etna ging, zag zij dat de geheele straat vol +reiswagens stond. Er was dus geen hoop meer. De groote weldoenster zou +vertrekken.</p> +<p>In het hotel heerschte veel droefheid en berouw. De twee blinden, +donna Pepa en donna Tura, die vroeger altijd op de binnenplaats van het +hotel zaten, waren nu buitengesloten en lagen op haar knieën voor +de poort. En de jonge ezeldrijver, die verliefd was op alle Engelsche +signorina’s, stond met zijn gezicht tegen den muur te weenen.</p> +<p>Maar in het hotel liep de waard op en neer in de lange gang en hij +was vertoornd op de Voorzienigheid, die hem dit ongeluk toevoegde.</p> +<p>„Signor Dio,” mompelde hij, „ik ben +geruïneerd. Als gij dit laat geschieden, neem ik mijn vrouw bij de +hand en mijn kinderen op den arm en werp mij in den Etna.”</p> +<p>De waardin was zeer bleek en ootmoedig. Zij waagde <span class="pagenum">[<a id="pb181" href="#pb181" name="pb181">181</a>]</span>het +nauwelijks haar oogen van den grond op te heffen. Zij had wel op haar +knieën willen kruipen om de rijke signorina te bewegen toch te +blijven.</p> +<p>„Wilt ge met haar spreken, donna Micaela?” zei ze. +„Moge God u kracht schenken om met haar te spreken! Ach, zeg +haar, dat die knaap van Napels, die de schuld is van het geheele +ongeluk, reeds uit de stad verbannen is. Zeg haar, dat allen boete +willen doen. O, spreek met haar, signora!”</p> +<p>Zij voerde donna Micaela naar de ontvangkamer der Engelsche en ging +met haar kaartje naar het salon. Zij kwam dadelijk terug en verzocht +donna Micaela een paar minuten te willen wachten. Signorina Tottenham +sprak met signor Favara over zaken.</p> +<p>Maar dit was juist het oogenblik dat advocaat Favara aanzoek deed om +de hand van miss Tottenham, en terwijl donna Micaela wachtte, hoorde +zij hem duidelijk zeggen: „Gij moogt niet vertrekken, signorina! +Wat zal er van mij worden, indien gij vertrekt! Ik heb u lief, ik kan u +niet laten vertrekken. Ik zou het niet gewaagd hebben te spreken, +indien ge niet gedreigd hadt te vertrekken. Maar +nu———” Hier daalde zijn stem, maar donna +Micaela wilde niets meer hooren, zij verwijderde zich snel. Zij begreep +dat zij hier overbodig was. Indien het signor Favara niet gelukte de +groote weldoenster in Diamante te doen blijven, zou niemand dat +kunnen.</p> +<p>Toen zij weer door de poort ging, stond de waard te twisten met den +ouden Franciscaner, fra Felice. En hij was zoo opgewonden, dat hij niet +slechts twistte met fra Felice, maar hem ook uit zijn huis joeg.</p> +<p>„Fra Felice,” riep hij, „gij komt hier om ruzie te +maken met de groote weldoenster. Gij wilt haar nog meer opwinden.</p> +<p>„Ga weg, zeg ik u. Gij wolf, gij menscheneter, ga +weg!”</p> +<p>Fra Felice was even vertoornd als de waard, en wilde hem op zij +duwen. Maar toen nam deze hem bij den arm en zette hem de deur uit.</p> +<p>Fra Felice was een man, die een groote gave van zijn Schepper had +ontvangen. Op Sicilië, waar iedereen in de loterij speelt, worden +menschen gevonden, die de gave bezitten te voorspellen welke nummers +bij de volgende trekking <span class="pagenum">[<a id="pb182" href="#pb182" name="pb182">182</a>]</span>uit zullen komen. Degene, die de +gave der helderziendheid ontvangen heeft, wordt polacco genoemd, en men +vindt hen het meest onder de oude bedelmonniken. En zulk een monnik was +fra Felice. Hij was de grootste polacco van den Etna. En daar een ieder +gaarne wilde, dat hij hem zou zeggen op welk lot een prijs zou vallen, +werd fra Felice met veel <span class="corr" id="xd20e4383" title="Bron: eerbeid">eerbied</span> behandeld. Hij was niet gewoon, dat men +hem bij den arm nam en op straat zette; neen, dat was fra Felice zeker +niet gewoon.</p> +<p>Hij was ongeveer tachtig jaar en geheel verdroogd en verschrompeld. +Toen hij tusschen de wagens wankelde, struikelde hij, trapte op zijn +pij en stond op het punt te vallen. Maar geen van de ezeldrijvers of +koetsiers, die bij de poort stonden te klagen, hadden heden tijd om aan +fra Felice te denken.</p> +<p>De grijsaard waggelde heen en weer in zijn wijde duffel pij. Hij was +zoo klein en mager, dat er meer kracht in de pij dan in den monnik +scheen te zijn. Het leek alsof de pij den ouden fra Felice staande +hield.</p> +<p>Donna Micaela ging naar hem toe en schoof zacht den arm van den +grijsaard in den hare. Zij kon het niet aanzien, dat hij stiet tegen +een lantaarn en struikelde over een drempel. Maar fra Felice merkte +niet eens dat zij hem steunde. Hij liep daar in zich zelf te mompelen +en te vloeken en meende dat hij even eenzaam was, alsof hij in zijn cel +zat. Donna Micaela vond het vreemd dat fra Felice zoo vertoornd was op +miss Tottenham. Was zij in zijn klooster geweest en had zij +fresco’s van de wanden gehaald, of wat had zij anders gedaan?</p> +<p>Want fra Felice had gedurende zestig jaar gewoond in het groote +Franciscanerklooster, dat buiten de porta Etnea ligt, vlak naast de +kerk van San Pasquale.</p> +<p>Daar had fra Felice reeds dertig jaar gewoond, toen het klooster +opgeheven en aan een koopman verkocht werd.</p> +<p>De andere monniken vertrokken, maar fra Felice bleef, omdat hij niet +kon begrijpen, wat het wil zeggen het huis van San Franciscus te +verkoopen.</p> +<p>Indien de anderen vertrokken, scheen het fra Felice nog des te +noodzakelijker, dat ten minste één monnik in het klooster +bleef. <span class="pagenum">[<a id="pb183" href="#pb183" name="pb183">183</a>]</span></p> +<p>Wie zou anders zorgen voor het luiden der klokken of het bereiden +der geneesmiddelen voor de boerenvrouwen, of wie zou brood geven aan de +armen van het klooster? En fra Felice koos zich een cel in een +<span class="corr" id="xd20e4404" title="Bron: vorborgen">verborgen</span> hoekje en bleef in het klooster +wonen, zooals hij altijd gedaan had.</p> +<p>De koopman, die het klooster gekocht had, kwam er nooit. Hij +bekommerde zich niet om het oude klooster, hij had het slechts gekocht +om de groote wijngaarden, die er bij behoorden.</p> +<p>Zoo kwam het dat fra Felice nog steeds regeerde in het oude klooster +en hij was het die de gebroken vensterkozijnen herstelde en de muren +witte. Even vele armen als vroeger die brood van het klooster kregen, +ontvingen dat nog steeds. Voor zijn voorspellingsgave kreeg fra Felice +zulke groote aalmoezen, als hij zwierf door de Etnasteden, dat hij een +rijke man had kunnen zijn; maar hij besteedde alles voor het +klooster.</p> +<p>Nog grooter zorg had fra Felice voor de kloosterkerk. Die was in +oorlogstijd ontheiligd geworden door bloedigen strijd en andere +wandaden, zoodat de mis niet meer daarin gelezen mocht worden.</p> +<p>Maar ook dat kon fra Felice niet begrijpen. De kerk waar hij zijn +gelofte had afgelegd, was altijd even heilig voor den ouden monnik.</p> +<p>Het was zijn grootste verdriet, dat de kerk in verval geraakte. Hij +had moeten aanzien dat Engelschen het preekgestoelte, de koorstoelen en +het pulpitum kochten en wegvoerden. En hij had niet kunnen verhinderen, +dat de heeren van het museum te Palermo de kronen, schilderijen en +hostiekelken wegnamen. Hoezeer hij het ook gewenscht had, hij had niets +kunnen doen om zijn kerk te redden. Maar hij haatte deze +kerkplunderaars, en toen donna Micaela hem nu zoo toornig zag, geloofde +zij dat miss Tottenham eenige van zijn schatten had willen +wegnemen.</p> +<p>Maar de waarheid was, dat nu fra Felice’s kerk zoo leeg was, +dat niemand meer kon komen om te plunderen, hij begonnen was er over te +denken, die opnieuw te versieren en zijn oog was gevallen op de +verzameling heiligenbeelden die de rijke Engelsche dame bezat.</p> +<p>Op haar feest, toen zij goed en mild jegens allen was, had +<span class="pagenum">[<a id="pb184" href="#pb184" name="pb184">184</a>]</span>hij gewaagd haar te verzoeken om haar schoone +Madonna, die een kleed van satijn droeg en oogen had, die straalden +gelijk de zon. En zij had zijn verzoek toegestaan.</p> +<p>Dezen morgen had fra Felice zijn kerk geveegd en gestoft en bloemen +op het altaar gezet vóórdat hij het beeld ging halen.</p> +<p>Maar toen hij in het hotel kwam, was de Engelsche van gedachten +veranderd en zij had hem het kostbare Madonnabeeld niet willen geven. +Daarvoor in plaats had zij hem een klein vuil, in lompen gehuld beeld +van het Christuskind geschonken, waar zij zonder spijt van scheiden +kon.</p> +<p>Ach! de oude fra Felice was zoo vol vreugde en verwachting geweest +en nu was hij zoo teleurgesteld. Hij kon niet berusten in haar besluit, +maar was keer op keer teruggekomen om te bedelen om het andere +beeld.</p> +<p>Het was zoo kostbaar, dat hij het niet zou kunnen koopen voor alles +wat hij gedurende een geheel jaar bijeen bedelde.</p> +<p>Ten slotte had de groote weldoenster hem laten wegjagen; het was op +dit oogenblik dat donna Micaela hem gevonden had.</p> +<p>Terwijl zij door de straat liepen, begon zij met den grijsaard te +spreken en hem over te halen haar zijn verdriet te vertellen.</p> +<p>Hij droeg het beeld en midden op de straat bleef hij staan om het +haar te toonen en haar te vragen of zij ooit iets erbarmelijkers had +gezien.</p> +<p>Donna Micaela zag een oogenblik ontsteld naar het beeld. Toen +glimlachte zij en zei: „Leen mij het beeld een paar dagen, fra +Felice.”</p> +<p>„Gij moogt het gaarne behouden,” zei de grijsaard. +„Moge het mij nooit weer onder de oogen komen.”</p> +<p>Donna Micaela nam het beeld met zich mede naar huis en werkte er +aan, gedurende twee dagen. Toen zij het daarna zond naar fra Felice, +glinsterden de gepoetste sieraden, het droeg een nieuw, helder kleedje, +het was opnieuw geschilderd en in zijn kroon schitterden veelkleurige +steenen.</p> +<p>Hij was zoo schoon, de verworpeling, dat fra Felice hem op het leege +hoogaltaar van zijn kerk plaatste. <span class="pagenum">[<a id="pb185" +href="#pb185" name="pb185">185</a>]</span></p> +<hr class="tb"> +<p>Het was zeer vroeg in den morgen. De zon was nog niet opgegaan en de +zee was nauwelijks zichtbaar. Het was werkelijk nog zeer vroeg. De +katten slopen nog over de daken, geen rook steeg op uit de +schoorsteenen en de nevels schoven op elkaar en stapelden zich opeen +boven den bodem van het dal, rondom den steilen Monte Chiaro. In dezen +vroegen ochtend ijlde de oude fra Felice naar de stad.</p> +<p>Hij sprong zoo, dat hij meende te voelen, hoe de berg onder hem +schudde. Hij liep zoo haastig, dat de grashalmen aan den weg niet eens +dauw konden sprenkelen op zijn pij, zóó vlug, dat de +schorpioenen niet eens hun giftangel uit konden steken om hem te +wonden. Terwijl de grijsaard zoo sprong, woei zijn pij los om hem heen +en hing het koord ongebonden op zijn rug.</p> +<p>De wijde mouwen fladderden gelijk vleugels en de zware capuchon +danste op en neer op zijn rug, als wilde die hem tot nog grooter haast +aansporen.</p> +<p>De man in het tolkantoor, die nog zat te slapen, ontwaakte en wreef +zich de oogen uit, toen fra Felice voorbijsnelde, maar hij herkende hem +niet.</p> +<p>De straatsteenen waren glibberig van den dauw, bedelaars lagen bij +de hooge steenen trappen te slapen met hun beenen onachtzaam op straat +uitgestrekt; late domino-spelers keerden van het café +huiswaarts, waggelend van slaap. Maar fra Felice ijlde verder, hij +ontweek alle hinderpalen. En huizen en portalen, markt en straten +verdwenen achter den ouden fra Felice. Hij snelde door de halve corso, +vóórdat hij bleef stilstaan.</p> +<p>Hij stond voor een groot huis met zware balkons. Hij greep een +poortklopper en klopte, totdat een dienaar ontwaakte. Daarna rustte hij +niet vóórdat de knaap een dienstmeisje wekte, en dit +dienstmeisje riep de signora.</p> +<p>„Donna Micaela, fra Felice is beneden. Hij beweert, dat hij u +moet spreken.”</p> +<p>Toen donna Micaela eindelijk bij fra Felice kwam, hijgde hij nog +naar adem, maar zijn oogen schitterden en kleine bleeke rozen bloeiden +op zijn wangen. <span class="pagenum">[<a id="pb186" href="#pb186" +name="pb186">186</a>]</span></p> +<p>Het was het beeld, het beeld! Toen fra Felice dien morgen om vier +uur de klokken geluid had, was hij in de kerk gegaan om het te +beschouwen.</p> +<p>Toen had hij gezien dat groote steenen losgelaten hadden juist boven +het beeld. Die waren op het altaar gevallen en hadden het verbrijzeld, +maar het beeld was onbeschadigd gebleven.</p> +<p>En van alle steenen en stof, die naar beneden gevallen waren, had +niets het beeld getroffen, maar het stond er nog volkomen +ongedeerd.</p> +<p>Fra Felice nam donna Micaela bij de hand en zei tot haar, dat zij +hem naar het klooster moest volgen om het wonder te aanschouwen. Zij +moest het ’t eerst van allen zien, omdat zij het beeld in haar +bescherming genomen had.</p> +<p>En donna Micaela volgde hem door den grauwen koelen morgen naar zijn +klooster, terwijl haar hart van spanning en verwachting klopte.</p> +<p>Toen zij daar kwam en zag, dat fra Felice de waarheid had gesproken, +vertelde zij hem dat zij het beeld herkend had, zoodra zij het weerzag, +en dat het een wonderdoener was.</p> +<p>„Hij is de grootste en mildste wonderdoener,” zei +zij.</p> +<p>Fra Felice ging nu naar het beeld en keek het in de oogen. Want er +bestaat een groot verschil tusschen beeld en beeld, maar de ervaring +van een ouden monnik is er toe noodig om te zien welk beeld macht heeft +en welk niet.</p> +<p>Nu zag fra Felice, dat de oogen van dit beeld diep en stralend +waren, alsof het leven bezat, en dat om zijn lippen een geheimzinnig +lachje speelde.</p> +<p>Toen oude fra Felice dit zag, viel hij op de knieën en strekte +zijn gevouwen handen naar het beeld uit. En zijn oud rimpelig gelaat +werd verhelderd door een groote vreugde. Het scheen fra Felice +plotseling, dat de wanden zijner kerk bedekt waren met schilderijen en +purperen kleeden, licht straalde boven het altaar, gezang klonk van het +koor, en over den geheelen vloer lagen knielende, biddende menschen. +Alle heerlijkheid, die men slechts kon droomen, zou zijn arme oude kerk +ten deel vallen, nu zij een der machtige wonderdoende beelden bezat. +<span class="pagenum">[<a id="pb187" href="#pb187" name="pb187">187</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div2" id="ch2.4"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 id="xd20e4491" class="label">IV.</h3> +<h3 class="main">Het oude passiespel.</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Van het zomerpaleis in Diamante werden gedurende dezen +tijd vele brieven verzonden naar Gaetano Alagona, die gevangen zat te +Como. Maar de postbode had in zijn tasch nooit een brief van Gaetano, +die geadresseerd was aan het zomerpaleis. Want Gaetano was in zijn +levenslange gevangenis gegaan, alsof het een graf was. Het eenige dat +hij begeerde en wenschte was, dat het hem de vergetelheid en de rust +van het graf zou schenken.</p> +<p>Hij gevoelde zich als dood en hij zei tot zich zelf, dat hij het +geklaag en gejammer der overlevenden niet wilde hooren. Ook wilde hij +niet verleid worden tot hoop, of door teedere woorden verlokt worden te +verlangen naar bloedverwanten en vrienden. Hij wilde ook niet hooren +wat er geschiedde in de wereld, nu hij geen macht bezat in te grijpen +en te leiden.</p> +<p>Hij verschafte zich werk in de gevangenis en sneed schoone +kunstwerken zooals hij altijd gedaan had.</p> +<p>Maar hij ontving nooit een brief, nooit een bezoek. Hij meende dat +hij op deze wijze niet meer de geheele bitterheid van zijn ongeluk zou +voelen. Hij geloofde, dat hij kon leeren een heel leven te leven binnen +vier muren.</p> +<p>Dit was de reden, dat donna Micaela nooit een brief tot antwoord van +hem ontving.</p> +<p>Eindelijk schreef zij naar den directeur der gevangenis en vroeg of +Gaetano nog leefde. En deze antwoordde, dat de gevangene naar wien zij +vroeg nooit een brief las. Hij wilde geen enkel bericht van de +buitenwereld hooren. <span class="pagenum">[<a id="pb188" href="#pb188" +name="pb188">188</a>]</span></p> +<p>Toen schreef zij hem niet meer, maar werkte des te harder aan haar +spoorweg. Ze waagde het nauwlijks daarover te spreken in Diamante, maar +toch dacht ze aan niets anders. Zij zelf borduurde en naaide, en ze +liet door haar dienaren allerlei goedkoope zaken vervaardigen, die zij +op haar bazaar wilde verkoopen.</p> +<p>Uit den winkel nam zij oude artikelen voor de tombola. Zij liet +Piero, den poortwachter, gekleurde lampions maken. Zij overreedde haar +vader schilden en aanplakbiljetten te schilderen, en zij liet haar +kamenier, Lucia, die van Capri was, kettingen van koraal en doosjes van +schelpen maken.</p> +<p>Zij was evenwel volstrekt niet zeker, dat er een enkel mensch zou +komen op haar feest. Allen waren tegen haar, niemand wilde haar helpen. +Ze vonden het niet eens goed, dat zij zich op straat vertoonde en over +zaken sprak. Zoo iets paste niet voor een voorname dame.</p> +<p>Toen was het, dat de oude fra Felice haar trachtte te helpen, want +hij had haar lief omdat zij hem geholpen had met het beeld.</p> +<p>Eens, toen donna Micaela klaagde, dat zij niemand kon overtuigen, +dat men den spoorweg moest aanleggen, nam hij het kalotje van zijn +hoofd en wees op zijn kalen schedel.</p> +<p>„Zie naar mij, donna Micaela,” zei hij. „Zoo kaal +zal deze spoorweg uw hoofd maken, indien gij voortgaat, zooals gij +begonnen zijt.”</p> +<p>„Wát meent gij, fra Felice?”</p> +<p>„Donna Micaela,” zei de grijsaard, „is het geen +dwaasheid, een groot plan te ondernemen zonder een vriend of helper te +bezitten?”</p> +<p>„Ik <span class="corr" id="xd20e4527" title="Bron: beb">heb</span> dikwijls beproefd vrienden te winnen, fra +Felice.”</p> +<p>„Ja, menschen,” zei de grijsaard. „Maar wat helpen +menschen? Als iemand uit visschen gaat, donna Micaela, weet hij, dat +hij San Pietro moet aanroepen, wanneer iemand een paard wil koopen, kan +hij bijstand begeeren van San Antonio Albate. Maar indien ik wil bidden +voor uw spoorweg, weet ik niet tot wien ik mij zal wenden.”</p> +<p>’t Was fra Felice’s bedoeling te zeggen, dat de fout was +dat zij geen schutspatroon gekozen had voor haar spoorweg. Hij wilde, +dat zij het gekroonde kind, dat in zijn oude kerk stond, zou kiezen tot +vriend en beschermer. Hij zeide haar, <span class="pagenum">[<a id="pb189" href="#pb189" name="pb189">189</a>]</span>dat zij zeer zeker +geholpen zou worden, indien zij dit slechts deed.</p> +<p>Zij was zoo getroffen, dat iemand haar wilde bijstaan, dat zij +dadelijk beloofde te bidden voor haar spoorweg tot het kind in San +Pasquale.</p> +<p>Maar fra Felice ging heen en schafte zich een groote collectebus aan +en liet daarop met groote duidelijke letters schilderen: „Gaven +voor den Etnaspoorweg.” Deze hing hij op in zijn kerk naast het +altaar.</p> +<p>’t Was niet meer dan een dag later, dat donna Emilia, de +echtgenoote van don Antonio Greco, naar de oude, verlaten kerk ging om +San Pasquale te raadplegen, omdat hij de verstandigste van alle +heiligen is.</p> +<p>In den herfst was namelijk don Antonio’s theater begonnen +achteruit te gaan, zooals wel te verwachten was in een tijd, dat allen +gebrek aan geld hadden.</p> +<p>Don Antonio was toen op de gedachte gekomen te trachten het theater +met minder groote kosten dan vroeger te exploiteeren. Hij had op de +lampen bezuinigd en de groote, prachtig geschilderde affiches +afgeschaft.</p> +<p>Maar dat was een groote dwaasheid geweest. Want als de menschen den +lust verliezen om naar een theater te gaan, is het niet het rechte +oogenblik de slepen der prinsessen te verkorten of zuinig te zijn op +het verguldsel der kronen.</p> +<p>Misschien is het niet zoo gevaarlijk bij een anderen schouwburg, +maar in een marionetten-theater is het meer dan moeilijk veranderingen +te brengen. Dat komt omdat het meest halfvolwassen knapen zijn, die +naar een marionetten-theater gaan. Volwassen menschen kunnen begrijpen, +dat men nu en dan zuinig moet zijn, maar kinderen willen het altijd op +dezelfde wijze hebben.</p> +<p>Al minder en minder toeschouwers kwamen bij don Antonio en hij ging +steeds door met bezuinigen. Toen viel het hem in, dat hij best de twee +blinde vioolspelers kon ontberen, vader Elia en broeder Tommaso, die +gewoonlijk in de tusschenbedrijven en bij krijgstooneelen speelden.</p> +<p>Deze blinden, die veel geld verdienden met het zingen in +sterfhuizen, en die groote sommen wonnen gedurende de feestdagen, +verlangden een zeer hooge betaling. <span class="pagenum">[<a id="pb190" href="#pb190" name="pb190">190</a>]</span></p> +<p>Don Antonio ontsloeg hen uit zijn dienst en schafte zich een orgel +aan.</p> +<p>Maar dit werd zijn ongeluk. De leerjongens en winkelbedienden van +geheel Diamante bleven weg van het theater.</p> +<p>Zij wilden geen orgel dulden in hun theater, en ze beloofden elkaar, +niet naar het theater te gaan, vóórdat don Antonio de +blinde muzikanten weer in zijn dienst genomen had. En zij hielden hun +belofte. Don Antonio’s poppen moesten voor leege banken +optreden.</p> +<p>En de jonge knapen, die anders liever afstand deden van hun +avondbrood dan van hun theater, lieten avond op avond voorbijgaan, +zonder er heen te gaan.</p> +<p>Ze waren overtuigd, dat zij don Antonio ten slotte konden dwingen, +alles weer zooals vroeger in te richten.</p> +<p>Maar don Antonio stamde van een kunstenaarsgeslacht. Zijn vader en +broeder bezaten een marionetten-theater, zijn zwager en al zijn +familieleden waren menschen van het vak. En don Antonio verstond zijn +kunst. Hij kon zijn stem tot in het oneindige veranderen, hij kon +gelijktijdig manoeuvreeren met een heel leger van poppen, en hij kende +den tekst uit het hoofd van den geheelen cyclus tooneelspelen, die +getrokken zijn uit de kroniek van Carolus Magnus.</p> +<p>En nu was don Antonio’s kunstenaarsgevoel beleedigd. Hij wilde +niet gedwongen worden de blinden weer in zijn dienst te nemen. Hij +wilde dat men naar zijn theater zou gaan om zijnentwille en niet om de +muzikanten.</p> +<p>Hij veranderde zijn repertoire en begon groote stukken te spelen met +prachtige monteering.</p> +<p>Maar ook dat hielp niets.</p> +<p>Er is een tooneelspel, dat „de dood van den paladijn” +genoemd wordt en Rolands strijd bij Ronceval behandelt. Daarvoor zijn +zoovele machinerieën noodig dat een poppentheater gedurende twee +dagen gesloten moet zijn, voordat het gespeeld kan worden.</p> +<p>Maar het publiek is er zoo op verzot, dat men het gewoonlijk +gedurende een geheele maand speelt voor dubbele prijzen en een +uitverkocht huis.</p> +<p>Nu maakte don Antonio alles gereed voor dit tooneelstuk, maar hij +behoefde het niet te spelen, hij had geen toeschouwers. <span class="pagenum">[<a id="pb191" href="#pb191" name="pb191">191</a>]</span></p> +<p>Toen was don Antonio gebroken. Hij beproefde vader Elia en broeder +Tommaso weer terug te krijgen, maar dezen wisten nu wat zij waard +waren. En zij verlangden zulk een hooge betaling dat het don Antonio +een onmogelijkheid was, hun dat te betalen. Zij konden niet tot een +vergelijk komen<span class="corr" id="xd20e4584" title="Bron: ,">.</span></p> +<p>In de kleine woning achter het marionetten-theater leefde men als in +een belegerde vesting. Men kon niets anders doen dan +verhongeren<span class="corr" id="xd20e4589" title="Bron: ,">.</span></p> +<p>Donna Emilia en don Antonio waren beiden jonge vroolijke menschen, +maar nu lachten zij nooit meer. ’t Was niet zoozeer de nood, die +hen drukte, maar don Antonio was een trotsche man, en hij kon de +gedachte niet verdragen, dat zijn kunst geen toeschouwers meer vermocht +te trekken.</p> +<p>Toen ging donna Emilia naar de kerk van San Pasquale ten einde den +heilige te smeeken om een goeden raad. Zij wilde negen gebeden doen +voor het groote steenen beeld, dat in het portaal der kerk stond. Maar +toen zij begon te bidden, bemerkte zij, dat de kerkdeuren +openstonden.</p> +<p>„Waarom staan San Pasquale’s kerkdeuren open?” zei +donna Emilia. „Dat heb ik van mijn levensdagen nog nooit +gezien.” En zij trad de kerk binnen.</p> +<p>Het eenige, dat daarbinnen te zien was, was fra Felice’s +geliefd beeld en de groote collectebus.</p> +<p>En het beeld straalde zoo schoon met zijn kroon en zijn ringen, dat +donna Emilia zich tot hem aangetrokken gevoelde. Maar toen zij hem in +de oogen zag, vond zij hem zoo liefelijk en schoon, dat zij op haar +knieën zonk om te bidden.</p> +<p>En zij beloofde, dat indien hij haar en don Antonio wilde helpen uit +hun nood, zij de opbrengst van een geheelen avond zou leggen in de +groote bus, die naast hem hing.</p> +<p>Nadat zij gebeden had, verborg donna Emilia zich achter de +kerkdeuren en beproefde te verstaan, wat de voorbijgangers zeiden. Want +indien het beeld haar wilde helpen, zou hij haar een woord laten +hooren, dat haar zeide, wat zij doen moest.</p> +<p>Zij had daar nauwelijks twee minuten gestaan, toen Assunta +<span class="pagenum">[<a id="pb192" href="#pb192" name="pb192">192</a>]</span>van de domkerktrap er aankwam in gezelschap van +donna Pepa en donna Tura.</p> +<p>En zij hoorde Assunta met haar plechtige stem zeggen:</p> +<p>„Het was in het jaar, dat ik voor de eerste maal het oude +Passiespel hoorde.”</p> +<p>Donna Emilia verstond het volkomen duidelijk. Assunta zei werkelijk: +„het Passiespel.”</p> +<p>Het was donna Emilia alsof zij nooit zou thuis komen. Haar beenen +konden haar niet vlug genoeg dragen, het was alsof de weg tienvoudig +verlengd was.</p> +<p>Toen zij eindelijk den gevel van het theater zag, met de roode +lantaarns en de groote kleurrijke affiches, scheen het haar dat zij +vele mijlen afgelegd had.</p> +<p>Toen zij binnentrad, zat don Antonio met zijn groot hoofd tusschen +zijn beide handen en staarde naar den grond. ’t Was droevig don +Antonio aan te zien. Gedurende deze laatste weken was zijn haar +begonnen uit te vallen. Boven op den schedel was het zoo dun, dat de +huid er door scheen.</p> +<p>Was dat te verwonderen, nu hij verteerd werd door zulk een verdriet? +Terwijl zij weg was, had hij al zijn poppen te voorschijn gehaald om ze +te beschouwen. Dat deed hij nu elken dag. Vooral placht hij lang te +staren naar de pop, die voor Aminda speelde. Was zij dan niet schoon en +verleidelijk meer? kon hij vragen. En dan trachtte hij het zwaard van +Roland of de kroon van Karel den Grooten te verbeteren.</p> +<p>Donna Emilia zag, dat hij de keizerskroon opnieuw verguld had, het +was nu zeker wel voor de vijfde maal, dat hij dit deed. Plotseling had +hij echter zijn werk neergelegd en was in gedachten verzonken. Hij had +het zelf wel gevoeld, dat het hem niet aan verguldsel, maar aan een +idee ontbrak.</p> +<p>Toen donna Emilia binnentrad, strekte zij de handen naar haar man +uit:</p> +<p>„Zie mij aan, don Antonio Greco,” zei ze. „Ik +breng u gouden schalen vol koningsvijgen!”</p> +<p>En zij vertelde hem hoe zij tot het Christuskind gebeden had. Ook +zei ze hem, wat zij beloofd en wat het beeld haar geraden had.</p> +<p>Toen zij don Antonio dit verhaalde, sprong hij op. Zijn <span class="pagenum">[<a id="pb193" href="#pb193" name="pb193">193</a>]</span>armen vielen slap langs het lichaam, zijn haren +rezen te berge. Een onbeschrijfelijke ontroering maakte zich van hem +meester. „Het oude Passiespel,” schreeuwde hij. „Het +oude Passiespel.” Want het oude passiespel is een mysterie, dat +vroeger op gansch Sicilië gespeeld werd. Het verdrong alle andere +oratoria en mysteriën en werd gedurende een paar eeuwen elk jaar +in iedere stad gespeeld.</p> +<p>Het was de gewichtigste dag van het jaar wanneer het oude passiespel +vertoond werd. Maar nu speelde men het niet meer, nu leefde het nog +slechts als een sage in de herinnering van het volk.</p> +<p>In vroeger dagen werd het ook wel in marionetten-theaters gespeeld. +Maar nu vond men het te oud en te afgezaagd. Misschien was het sedert +dertig jaar niet meer opgevoerd.</p> +<p>Don Antonio begon uit te varen tegen donna Emilia, omdat zij hem +kwelde met dergelijke dwaasheden. Hij streed tegen haar als tegen een +demon, die zich van hem meester wilde maken. Zij wekte slechts ijdele +hoop in hem, die niets dan teleurstelling zou baren, zei hij. Hoe kon +zij met zoo iets bij hem aankomen? Maar donna Emilia liet hem kalm +uitrazen. Zij zeide slechts, dan hetgeen zij gehoord had, Gods wil +was.</p> +<p>Don Antonio begon spoedig te twijfelen. De grootsche gedachte maakte +zich langzamerhand van hem meester. Er was niets ter wereld dat op +gansch Sicilië zoo geliefd was als het oude passiespel. En woonde +er niet nog steeds hetzelfde volk op het edele eiland? Beminden zij +niet denzelfden hemel dien hun voorvaderen bemind hadden? Waarom zouden +zij het oude passiespel ook niet liefhebben?</p> +<p>Hij verzette zich zoolang hij kon. Hij zei tot donna Emilia dat het +te kostbaar zou worden. Waar zou hij de apostelen met lang haar en +witten baard vandaan krijgen? Hij bezat geen tafel voor het avondmaal, +en hij had de machinerieën ook niet, die noodig waren voor den +intocht en de kruisiging.</p> +<p>Maar donna Emilia zag wel, dat hij toe zou geven, en +vóórdat de avond viel, ging hij werkelijk naar fra Felice +en hernieuwde zijn vrouws belofte om de opbrengst van een avond in de +collectebus te leggen, als het beeld hen wilde bijstaan. <span class="pagenum">[<a id="pb194" href="#pb194" name="pb194">194</a>]</span></p> +<p>Fra Felice vertelde dit aan donna Micaela en zij was verheugd en +tegelijkertijd angstig hoe dit zou afloopen.</p> +<p>In de geheele stad werd het bekend, dat don Antonio bezig was het +oude passiespel op te zetten en men lachte hem uit. Don Antonio had +zijn verstand verloren. Men zou het oude passiespel wel willen zien, +indien het gespeeld werd zooals in vroeger dagen.</p> +<p>Men had het willen zien opvoeren zooals in Aci, waar de edellieden +der stad voor koningen speelden en huurlingen en handwerkslieden de +rollen der Joden en der apostelen vertolkten en waar zoovele +scènes uit het oude testament waren opgevoerd, dat het +schouwspel een ganschen dag duurde.</p> +<p>Ook zou men de heerlijke dagen van Castelbucco willen doen herleven, +toen de gansche stad veranderd was in Jeruzalem. Daar werd het +passiespel zoo opgevoerd, dat Jezus door een met palmen omgeven poort +de stad binnenreed. De kerk stelde den tempel van Jeruzalem voor en het +raadhuis was het paleis van Pilatus. En Petrus warmde zich bij een vuur +op den hof van den pastoor; de kruisiging geschiedde op een berg bij de +stad en Maria zocht het lijk van haar zoon in de grotten van des +sindaco’s tuin.</p> +<p>Hoe kon men zich vergenoegen met het groote mysterie te zien spelen +in don Antonio’s theater, wanneer men zulke herinneringen bezat? +Maar trots dit alles werkte don Antonio met onvermoeiden ijver om de +tooneelspelers te vervaardigen en de machinerieën in orde te +brengen.</p> +<p>En zie, na eenige dagen kwam meester Battesta, die uithangborden +schilderde, bij hem en schonk hem een affiche. ’t Had hem zoo +verheugd te hooren, dat don Antonio het oude passiespel wilde +vertoonen. Zelf had hij het in zijn jeugd zien spelen en het had hem +zooveel vreugde gegeven. Nu stond er dus met groote letters op het +theater te lezen: „Het oude passiespel of de wedergeborene Adam, +tragedie in drie bedrijven door cavaliere Filippo Orioles.”</p> +<p>Don Antonio was zeer verlangend te weten, hoe de volksstemming was. +Maar de ezeldrijvers en leerjongens, die voorbij zijn theater gingen en +het aanplakbiljet lazen, lachten hoonend. Het zag er heel duister uit +voor don Antonio, maar hij werkte onvermoeid door. <span class="pagenum">[<a id="pb195" href="#pb195" name="pb195">195</a>]</span></p> +<p>Toen de avond aanbrak, dat het passiespel gespeeld zou worden, was +niemand ongeruster dan donna Micaela.</p> +<p>„Zal het kleine beeld mij helpen?” vroeg zij +onophoudelijk. Zij zond haar kamenier Lucia naar het theater om te +spionneeren. Stonden er reeds groepen jongens? Scheen het of er veel +menschen zouden komen? Lucia kon ook wel eens naar donna Emilia gaan, +die bij het loket zat, om te vragen hoe de zaken stonden.</p> +<p>Maar toen Lucia terugkwam, kon zij donna Micaela volstrekt geen hoop +geven. Voor het theater stonden in het geheel geen menschen. De knapen +hadden besloten don Antonio te ruïneeren.</p> +<p>Tegen acht uur kon donna Micaela het niet langer in huis uithouden. +Zij overreedde haar vader met haar naar het theater te gaan. Zij wist +wel dat nog nooit een signora een voet gezet had in don Antonio’s +theater, maar zij moest zien hoe het afliep. Het zou zulk een verbazend +groote vooruitgang voor haar spoorweg zijn, indien don Antonio nu +slaagde.</p> +<p>Toen donna Micaela in het theater kwam, was het nog eenige minuten +voor achten, en donna Emilia had nog geen enkel biljet verkocht.</p> +<p>Maar toch was zij niet terneergeslagen. „Treed binnen, donna +Micaela,” zei ze. „We zullen in elk geval spelen. Het is +zoo schoon! Don Antonio zal het spelen voor u, uw vader en voor mij. +Het is het schoonste treurspel dat hij nog ooit opgevoerd +heeft.”</p> +<p>Donna Micaela kwam in een kleinen schouwburg, die met rouwdoek +bekleed was, zooals de groote theaters altijd geweest waren, wanneer +het oude passiespel opgevoerd werd. Voor het tooneel hingen zwarte +gordijnen, met zilveren franjes omzoomd. En de banken waren met zwart +doek bekleed.</p> +<p>Dadelijk nadat donna Micaela binnengetreden was, vertoonde don +Antonio’s borstelige wenkbrauw zich voor een kleine opening in de +coulisse.</p> +<p>„Donna Micaela,” riep hij, evenals donna Emilia eenige +oogenblikken geleden, „we spelen toch, het is zoo schoon, we +hebben geen toeschouwers noodig.”</p> +<p>Op hetzelfde oogenblik kwam donna Emilia binnen en hield diep +buigend de deur wijd open om den geestelijken herder, don Matteo, +binnen te laten. <span class="pagenum">[<a id="pb196" href="#pb196" +name="pb196">196</a>]</span></p> +<p>„Wat zegt ge van mij, donna Micaela?” zei hij lachend. +„Maar gij begrijpt, dat is het oude passiespel. Ik zag het eens +in mijn jeugd in de groote opera te Palermo en ik geloof, dat het dit +stuk was, dat mij tot priester gemaakt heeft.”</p> +<p>Den volgenden keer, dat de deur openging, waren het vader Elia en +broeder Tommaso, die met hun violen onder den arm hunne oude plaatsen +opzochten, zoo kalm, alsof zij nooit in twist waren geweest met don +Antonio.</p> +<p>De deur gleed opnieuw open. Het was een oud vrouwtje uit de steeg +tegenover het huis van den kleinen Moor. Zij was in het zwart gekleed +en maakte het teeken des kruises toen zij binnentrad.</p> +<p>Na haar kwamen vier, vijf andere oude vrouwtjes.</p> +<p>Donna Micaela keek verdrietig naar hen, terwijl zij zoo +langzamerhand het theater vulden.</p> +<p>Zij wist, dat don Antonio niet tevreden zou zijn, +vóórdat hij weer zijn eigen publiek had, +vóórdat hij weer kon spelen voor zijn geliefde, +eigenzinnige knapen.</p> +<p>Plotseling hoorde zij een vreeselijk geraas. Was het een storm of +een donderslag? De deuren vlogen wijd open, en tegelijk stormden allen +binnen. Dat waren de jongens. Ze vielen met een zekerheid op hun oude +plaatsen neer, alsof ze hun eigen huis binnentrokken.</p> +<p>Ze zagen elkaar aan, een weinig beschaamd. Maar zij hadden het niet +kunnen verdragen, dat het eene oude vrouwtje na het andere in hun +theater ging om te zien wat voor hen gespeeld werd. ’t Was hun +onmogelijk geweest te zien, hoe de gansche straat vol oude spinsters +was, die naar hun theater trokken. En toen waren zij naar binnen +gestormd.</p> +<p>Maar nauwelijks waren de jonge menschen op hun plaatsen gezeten, of +zij merkten, dat zij bij een tuchtmeester gekomen waren. O, het oude +passiespel! ’t Werd niet opgevoerd zooals in Aci of in +Castelbucco. Het werd niet zoo gespeeld als in de opera te Palermo, het +werd slechts vertoond door armzalige marionetten met onbeweeglijke +gezichten en stijve lichamen. Maar het oude mysterie had zijn macht nog +niet verloren.</p> +<p>Donna Micaela bemerkte dit reeds in het tweede bedrijf bij het +avondmaal. De knapen begonnen Judas te haten. <span class="pagenum">[<a id="pb197" href="#pb197" name="pb197">197</a>]</span></p> +<p>Ze slingerden hem bedreigingen en scheldwoorden naar het hoofd.</p> +<p>Toen de lijdensgeschiedenis verder gespeeld werd, namen ze hun +hoeden af en vouwden hun handen. Zij zaten roerloos met hun mooie +bruine oogen naar het tooneel gewend. Nu en dan sprongen hun de tranen +in de oogen, nu en dan werd een vuist in toorn opgeheven.</p> +<p>Don Antonio sprak met tranen in zijn stem, donna Emilia lag geknield +op den drempel. Don Matteo zag met een milden glimlach naar de kleine +poppen en dacht aan het heerlijke schouwspel te Palermo, dat hem tot +priester gemaakt had.</p> +<p>Maar toen Jezus gevangengenomen en gepijnigd werd, schaamden de +knapen zich over zich zelf. Zij ook hadden kunnen haten en vervolgen. +Zij waren gelijk deze Farizeërs, gelijk deze Romeinen. Ze +schaamden zich nu zij er aan dachten. Mocht don Antonio het hun +vergeven! <span class="pagenum">[<a id="pb198" href="#pb198" name="pb198">198</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div2" id="ch2.5"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 id="xd20e4721" class="label">V.</h3> +<h3 class="main">De dame met den ijzeren ring.</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Donna Micaela dacht dikwijls aan een arme, kleine +naaister, die zij in haar jeugd in Catania gekend had. Zij woonde in +een huis naast het paleis Palmeri en zij zat altijd in haar deur te +werken, zoodat donna Micaela haar wel duizend malen gezien had. Zij +zong altijd, maar zij had zeker slechts een enkel lied gekend. Altijd, +altijd had zij dezelfde wijs gezongen.</p> +<p>„Ik heb een lok geknipt van mijn haren,” zoo zong ze. +„Ik heb mijn glanzende, zwarte vlechten losgemaakt, en een lok +geknipt van mijn haar. Ik heb dat gedaan om mijn vriend te verheugen, +die bedroefd is. Ach, mijn geliefde zit in de gevangenis, mijn geliefde +zal nooit meer mijn haar streelen. Ik heb hem een lok van mijn haar +gezonden om hem te herinneren aan de zijden lokken, die hem nooit meer +zullen omstrengelen.”</p> +<p>Donna Micaela moest voortdurend denken aan dit lied. Het was alsof +het door haar geheele jeugd geklonken had om haar het lijden te +voorspellen, dat haar wachtte.</p> +<hr class="tb"> +<p>Donna Micaela zat gedurende dezen tijd vaak op de steenen trap van +de kerk San Pasquale. Zij zag de wonderbaarlijkste dingen geschieden op +den sagenrijken Etna. Over het zwarte lavaveld kwam een trein +aanglijden op nieuwe glinsterende rails. ’t Was een feesttrein. +Er wapperden <span class="pagenum">[<a id="pb199" href="#pb199" name="pb199">199</a>]</span>vlaggen langs den weg, de wagens waren bekranst, +de zitplaatsen bedekt met purperen kussens. Bij de stations stonden +jubelende menschen. „Leve de koning! leve de koningin! leve de +nieuwe spoorweg!” riepen ze.</p> +<p>Zij verstond het duidelijk, want zij zelf zat in den trein.</p> +<p>En hoe gevierd en hoe geëerd was zij! Zij werd geroepen voor +den koning en de koningin, die haar dankten voor den nieuwen +spoorweg.</p> +<p>„Verlang een gunst van ons, vorstinne!” zei de koning, +haar aansprekend met den titel, dien de dames van het geslacht der +Alagona’s vroeger gevoerd hadden.</p> +<p>„Sire,” antwoordde zij, gelijk men in de sage antwoordt, +„schenk de vrijheid aan den laatsten Alagona!”</p> +<p>En dat verzoek werd haar toegestaan. De koning kon niet neen zeggen +op een bede van haar, die dezen heilrijken spoorweg aangelegd had, die +rijkdom zou schenken aan den ganschen Etna.</p> +<hr class="tb"> +<p>Toen donna Micaela den arm ophief, zoodat haar mouw naar boven +gleed, zag men, dat zij als armband een ring van verroest ijzer droeg. +Dien had zij op straat gevonden en hem over de hand gewrongen en nu +droeg zij dien altijd. En wanneer zij dien zag of aanraakte, verbleekte +zij, en haar oogen zagen niets meer van de wereld rondom haar. Maar zij +zag een gevangenis zooals Foscaris in het paleis der dogen te +Venetië. Het was een donkere, nauwe kelderruimte, het licht drong +zwak door een tralievenster, en uit den muur kwam een groote bundel +ketenen, die zich gelijk slangen kronkelden om de beenen, de armen en +den hals van den gevangene.</p> +<p>O, mocht de heilige een wonder verrichten! Mochten de menschen +werken! Mocht zij zelf spoedig zoo beroemd zijn, dat zij kon smeeken om +de vrijheid van haar gevangene. Hij zal sterven indien zij zich niet +haast. Mocht de ijzeren ring haar arm voortdurend wonden, opdat zij hem +geen oogenblik vergete! <span class="pagenum">[<a id="pb200" href="#pb200" name="pb200">200</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div2" id="ch2.6"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 id="xd20e4756" class="label">VI.</h3> +<h3 class="main">Fra Felice’s testament.</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Toen donna Emilia het loket opende om de biljetten te +verkoopen voor de tweede voorstelling van het oude passiespel, maakten +de menschen queue voor den ingang om plaats te krijgen; den avond +daarop was het theater zoo overvol, dat er menschen bezwijmden in het +gedrang, en den derden avond kwamen er menschen van Aderno en Paterno +om het geliefde treurspel te zien.</p> +<p>Don Antonio voorzag, dat hij het gedurende een gansche maand voor +dubbelen prijs zou kunnen spelen met twee voorstellingen iederen +avond.</p> +<p>Hoe gelukkig waren zij, hij en donna Emilia, en met welk een vreugde +en dankbaarheid legden zij vijf en twintig lire in de collectebus van +het kleine beeld.</p> +<p>In Diamante wekte deze gebeurtenis zeer veel verbazing en vele +menschen gingen naar donna Elisa om te hooren of zij geloofde, dat de +heilige wilde, dat men donna Micaela zou bijstaan.</p> +<p>„Hebt ge gehoord, donna Elisa,” zei men, „dat don +Antonio Greco geholpen is door het kleine Christuskind in San Pasquale, +omdat hij beloofd had de opbrengst van een avond te geven voor donna +Micaela’s spoorweg?”</p> +<p>Maar als men dit aan donna Elisa vroeg, kneep zij den mond dicht +alsof zij aan niets anders denken kon dan aan haar borduurwerk.</p> +<p>Fra Felice kwam in haar winkel om haar de twee wonderen te verhalen, +die het beeld reeds verricht had. <span class="pagenum">[<a id="pb201" +href="#pb201" name="pb201">201</a>]</span></p> +<p>„Signorina Tottenham was zeer dom, dat zij het beeld +wegschonk, als het zulk een groote wonderdoener is,” zei donna +Elisa.</p> +<p>Datzelfde vonden allen. Signorina Tottenham had het immers gedurende +zoo vele jaren bezeten en zij had nooit iets gemerkt. Het beeld kon +zeker geen wonderen doen. Het was slechts een toeval.</p> +<p>Het was een ongeluk dat donna Elisa niet wilde gelooven. Ze was de +eenige der oude Alagona’s die nog in Diamante woonde. De menschen +richtten zich meer naar haar dan zij zelf wisten. Indien donna Elisa +het wonder geloofd had, zou de gansche stad donna Micaela hebben willen +helpen.</p> +<p>Maar donna Elisa kon niet gelooven, dat God en de heiligen haar +schoonzuster wilden bijstaan.</p> +<p>Zij had haar reeds sinds het feest van San Sebastiaan gadegeslagen. +Zoodra iemand sprak van Gaetano verbleekte donna Micaela en zag er +ontsteld uit. Haar gelaatstrekken werden als die van een zondaar, +gekweld door gewetenswroeging.</p> +<p>Op een morgen dacht donna Elisa hieraan en zij was zoo verdiept in +deze gedachten, dat zij haar naald liet rusten.</p> +<p>„Donna Micaela is geen vrouw van den Etna,” zei zij tot +zich zelf. „Ze houdt het met de regeering en ze is blijde, dat +Gaetano gevangen zit.”</p> +<p>Op hetzelfde oogenblik droeg men op straat een groote baar voorbij. +Daarop waren een menigte kerksieraden gestapeld. Het waren lichtkronen, +een altaarhemel en reliquieënkastjes.</p> +<p>Donna Elisa keek een oogenblik op, toen keerde zij weer tot haar +gedachten terug.</p> +<p>„Zij wilde mij niet toestaan het huis der Alagona’s te +versieren op San Sebastiaans feest,” dacht zij. „Zij wilde +zeker niet dat de heilige Gaetano zou helpen.”</p> +<p>Twee mannen kwamen er nu aansleepen met een krakende kar. Daarop lag +een heele berg van roode wandbekleedingen, rijk geborduurde +antependiën en altaarstukken in breede vergulde lijsten.</p> +<p>Donna Elisa wuifde met haar hand als om allen twijfel te verjagen. +Het kon geen echt wonder geweest zijn, dat geschied was. De heilige +moest toch weten dat Diamante geen geld had om een spoorweg aan te +leggen. Maar nu reed er <span class="pagenum">[<a id="pb202" href="#pb202" name="pb202">202</a>]</span>een gele wagen voorbij, hoog +beladen met muzieklessenaars, misboeken, bidbankjes en +biechtstoelen.</p> +<p>Donna Elisa ontwaakte uit haar gepeins. Ze keek tusschen de +rozenkransen door, die in trossen voor haar winkelraam hingen, naar de +straat. Dat was immers al de derde vracht kerksieraden, die +voorbijging. Werd Diamante geplunderd? Waren de Saracenen in de stad +gekomen?</p> +<p>Ze ging nu voor haar deur staan om beter te kunnen zien. En weer +kwam er een baar voorbij en daarop lagen rouwkransen van ijzer, stukken +zerk met lange inscripties en wapenschilden, zooals men in de kerk +hangt tot nagedachtenis der dooden.</p> +<p>Donna Elisa vroeg een der dragers, wat dit beteekende en hoorde nu +wat er gaande was. Men was bezig de kerk Santa Lucia in Gesu te +ontruimen.</p> +<p>De sindaco en de gemeenteraad hadden bevolen, dat men de kerk in een +theater zou veranderen.</p> +<p>Na het oproer had men een nieuwen sindaco in Diamante gekregen. +’t Was een jonge man uit Rome, hij kende de stad niet, maar hij +wilde toch gaarne iets voor haar doen. Nu had hij in den gemeenteraad +voorgesteld, dat Diamante zich op dezelfde wijze een schouwburg zou +verschaffen als men in Taormina en in andere steden gedaan had. Men zou +eenvoudig een der kerken tot schouwburg inrichten. Men had toch zeker +meer dan voldoende aan vijf stadskerken en zeven kloosterkerken; men +zou zeker heel goed een daarvan kunnen missen.</p> +<p>Daar was b. v. de Jezuïetenkerk, Santa Lucia in Gesu. Het +klooster dat er bij behoorde was reeds veranderd in een kazerne en de +kerk was zoo goed als verlaten. Deze kerk zou een uitstekend theater +kunnen worden.</p> +<p>Dit had de sindaco voorgesteld en de gemeenteraad had het voorstel +aangenomen.</p> +<p>Toen donna Elisa hoorde, wat er plaats greep, wierp zij een mantille +en een sluier om en spoedde zich naar de Santa Lucia met even groote +haast als waarmee men ijlt naar het huis, waar een stervende ligt.</p> +<p>Hoe zou het nu met de blinden gaan? dacht donna Elisa. Hoe zouden +dezen kunnen leven zonder hun kerk Santa Lucia in Gesu? <span class="pagenum">[<a id="pb203" href="#pb203" name="pb203">203</a>]</span></p> +<p>Toen donna Elisa op de kleine stille markt kwam waar omheen de +lange, leelijke gebouwen der Jezuïeten zijn opgetrokken, zag zij +op de breede steenen trappen, die langs den ganschen gevel der kerk +loopen, een schaar in lompen gehulde kinderen en vele langharige +honden. Dat waren de geleiders der blinden, en allen schreiden en +klaagden zoo hard zij slechts konden.</p> +<p>„Wat is er te doen?” vroeg donna Elisa.</p> +<p>„Ze willen ons onze kerk ontnemen,” jammerden de +kinderen en tegelijkertijd blaften de honden nog klaaglijker dan te +voren, want de honden der blinden zijn bijna menschen gelijk.</p> +<p>In de kerkdeur ontmoette donna Elisa meester Pamphilio’s +echtgenoote, donna Concetta.</p> +<p>„Ach, donna Elisa,” zei ze, „nooit in uw leven +hebt ge zoo iets vreeselijks gezien. Ge doet beter niet in de kerk te +gaan.”</p> +<p>Maar donna Elisa ging verder.</p> +<p>In de kerk zag zij eerst niets anders dan een wolk van stof. Maar in +dien nevel dreunden hamerslagen, eenige arbeiders waren bezig een +grooten steenen ridder los te breken, die in een der vensternissen +lag.</p> +<p>„Mijn God,” zei donna Elisa en vouwde haar handen, +„ze breken Sor Arrigo los.”</p> +<p>En zij dacht er aan, hoe veilig hij altijd in zijn nis gelegen had. +Iederen keer, als zij hem gezien had, wenschte zij, zoo verlost te zijn +van alle onrust en smart als de oude Sor Arrigo. En nu werd ook zijn +rust verstoord. In de Luciakerk was nog een groot grafmonument. Dat +stelde een ouden Jezuïet voor, die op een zwart marmeren +sarcophaag lag met een geesel in de hand en zijn hoed diep over het +voorhoofd getrokken. Hij werd pater Succi genoemd en men placht de +kinderen in Diamante bang te maken met hem.</p> +<p>„Zouden zij het wagen pater Succi aan te raken?” dacht +donna Elisa. En door de kalkwolk heen, trachtte zij den weg te vinden +naar het koor waar de sarcophaag stond, om te zien of ze den moed +hadden den ouden Jezuïet aan te raken.</p> +<p>Maar pater Succi lag nog op zijn steenen bed. Hij lag daar, +<span class="pagenum">[<a id="pb204" href="#pb204" name="pb204">204</a>]</span>duister en hard, zooals hij bij zijn leven +geweest was, en men kon bijna gelooven, dat hij nog leefde. Was er een +dokter en een tafel met medicijnflesschen benevens een brandende kaars +voor het bed geweest, dan zou men gedacht hebben dat pater Succi ziek +lag in het koor van zijn kerk en op zijn laatste stonde wachtte.</p> +<p>De blinden zaten om hem heen, gelijk bloedverwanten, die zich +verzamelen om een stervende, en wiegden hun lichamen van smart heen en +weer. Daar waren de beide vrouwen van de hotelpoort, donna Pepa en +donna Tura, dan was er oude moeder Saraedda, die genadebrood at bij den +sindaco Voltaro. Er waren blinde bedelaars, blinde zangers, blinden van +elken leeftijd en stand. Alle blinden van Diamante waren er en in +Diamante zijn er ongelooflijk velen, die nooit meer het zonnelicht +zien.</p> +<p>Al deze blinden zaten meest zwijgend, maar nu en dan barstte een van +hen in jammerklachten uit. Nu en dan trachtte een van hen den weg te +vinden naar pater Succi en wierp zich luid jammerend over hem heen.</p> +<p>En wat het nog meer op een sterfbed deed gelijken, was dat de +pastoor, don Matteo, en pater Rossi van het Franciscanerklooster +rondgingen om de bedroefden te troosten.</p> +<p>Donna Elisa was diep getroffen. Ach, hoe vele malen had zij deze +menschen gelukkig gezien in haar winkel, en nu moest zij hen in zulk +een ellende treffen?</p> +<p>Zij hadden haar oogen milde tranen ontlokt toen zij treurzangen +hadden gezongen over haar man, signor Antonelli, en over haar broer, +don Ferrante. Het bedroefde haar hen nu in zulk een nood te zien.</p> +<p>Oud moedertje Saraedda begon te spreken tegen donna Elisa.</p> +<p>„Ik wist niets, toen ik hier kwam, donna Elisa,” zei het +oude vrouwtje. „Ik liet mijn hond buiten op de trap en trad +binnen door de kerkdeuren. Toen strekte ik mijn armen uit, om mij te +steunen aan den deurpost, maar er was geen deurpost. Ik zette mijn +voeten neer, alsof er een drempel voor de deur was, maar er was geen +drempel. Ik strekte mijn hand uit om wijwater te nemen, ik boog mijn +knieën, toen ik voorbij het hoogaltaar ging en ik luisterde naar +<span class="pagenum">[<a id="pb205" href="#pb205" name="pb205">205</a>]</span>het klokje, dat geluid wordt, als pater Rossi +ter misse gaat.</p> +<p>„Donna Elisa, er was geen wijwater, geen altaar, geen +klokgelui, niets, niets was er.”</p> +<p>„Och, arme!” zei donna Elisa.</p> +<p>„Toen hoorde ik gehamer en geklop in een venster. „Wat +doet ge met Sor Arrigo?” riep ik, want ik hoorde dadelijk, dat +het geluid uit de nis van Sor Arrigo kwam.</p> +<p>„Wij moeten hem wegvoeren,” antwoordde men mij.</p> +<p>„Tegelijkertijd komt don Matteo naar mij toe, neemt mij bij de +hand en verklaart mij alles. En ik word bijna boos op den pastoor, als +hij mij vertelt, dat men onze kerk voor een theater wil gebruiken. Onze +kerk voor een theater!</p> +<p>„Waar is pater Succi?” vraag ik eindelijk. „Is +pater Succi nog hier?” En hij brengt mij bij pater Succi. Hij +moet mij er wel heen geleiden, want ik kan den weg niet vinden. Sedert +ze alle stoelen en bidbankjes, matten en losse treden weggenomen +hebben, weet ik niet meer waar ik ben. Vroeger kon ik hier zoo goed den +weg vinden als gij.”</p> +<p>„De pastoor zal jelui een andere kerk geven,” zei donna +Elisa.</p> +<p>„Donna Elisa, wat wilt ge daarmee zeggen? Ge kunt evengoed +zeggen, dat de pastoor ons het gezicht terug zal geven. Kan don Matteo +ons een kerk geven, waar wij zien kunnen, zooals wij hier zagen? Geen +van ons behoefde hier zijn geleider mee te nemen.</p> +<p>„Daarginds, donna Elisa, stond een altaar, de bloemen daarop +waren even rood als de Etna bij zonsondergang en dat konden we zien. +Des Zondags telden we zestien kaarsvlammen boven het hoofdaltaar en op +feestdagen dertig. Wij konden zien dat pater Rossi hier de mis +bediende.</p> +<p>„Wat moeten wij in een andere kerk doen, donna Elisa? Daar +kunnen we niets zien. Ze hebben ons het licht onzer oogen opnieuw +ontnomen.”</p> +<p>Donna Elisa’s hart werd zoo warm, alsof er gesmolten lava over +stroomde. Het was stellig een groot onrecht, dat men dezen ongelukkigen +aandeed.</p> +<p>Toen ging donna Elisa naar don Matteo.</p> +<p>„Uw Hoogeerwaarde,” zei ze, „heeft u gesproken met +den sindaco?” <span class="pagenum">[<a id="pb206" href="#pb206" +name="pb206">206</a>]</span></p> +<p>„Ach, ach, donna Elisa,” zei don Matteo. „’t +Is beter, dat gij beproeft met hem te spreken, dan dat ik het +doe.”</p> +<p>„Don Matteo, de sindaco is een vreemdeling, misschien heeft +hij nooit hooren spreken over de blinden.”</p> +<p>„Signor Voltara is bij hem geweest, pater Rossi is bij hem +geweest en ook ik, ook ik was bij hem. Hij antwoordde niets anders dan +dat hij niet kan veranderen wat in den gemeenteraad besloten is.</p> +<p>„Dat weet ge immers wel, donna Elisa, een besluit van den +gemeenteraad kan nooit herroepen worden. Als deze besloten heeft, dat +uw kat de mis zal lezen in de domkerk, kan er niets aan dit besluit +veranderd worden.”</p> +<p>Er ontstond plotseling een opschudding in de kerk. Een groote blinde +man kwam binnen.</p> +<p>„Vader Elisa,” fluisterde men. „Vader +Elisa.”</p> +<p>Vader Elisa was de deken van het gilde der blinde zangers, die zich +in deze kerk plachten te verzamelen. Wit was zijn haar en hij droeg een +langen witten baard; hij was schoon als een der heilige +patriarchen.</p> +<p>Hij ging gelijk alle anderen naar pater Succi, nam naast hem plaats +en drukte zijn voorhoofd tegen het marmer. Donna Elisa ging naar vader +Elisa om met hem te spreken.</p> +<p>„Vader Elisa,” zei ze, „ge moest naar den sindaco +gaan.” De grijsaard herkende donna Elisa’s stem en hij +antwoordde met zijn grove oudemannenstem:</p> +<p>„Gelooft ge dat ik gewacht heb tot gij mij dat zoudt zeggen? +Denkt ge dan niet, dat het mijn eerste gedachte was naar den sindaco te +gaan?”</p> +<p>Hij sprak zoo luid en duidelijk, dat de arbeiders ophielden met +hameren, omdat ze meenden, dat iemand begon te preeken. „Ik heb +hem verteld, dat wij blinde zangers een gilde vormen en dat de +Jezuïeten reeds drie eeuwen geleden hun kerk voor ons openden en +ons het recht gaven hier te vergaderen om nieuwe leden te kiezen en +zangen te beoordeelen.</p> +<p>„En ik vertelde hem, dat ons gilde uit dertig zangers bestaat, +en dat de heilige Lucia onze schutspatrones is en wij nooit op straat +zingen, maar slechts op binnenplaatsen en in de huizen. Ik zei hem, dat +we legenden van heiligen <span class="pagenum">[<a id="pb207" href="#pb207" name="pb207">207</a>]</span>zingen en treurzangen, maar nooit +een wereldsch lied en dat de Jezuïet pater Succi zijn kerk voor +ons opende, omdat wij blinden de zangers zijn van Onzen Lieven +Heer.</p> +<p>„Ik vertelde hem, dat sommigen van ons recitatores zijn, die +de oude gedichten voordragen, en dat anderen trovatores zijn, die +nieuwe dichten.</p> +<p>„Ik zei hem dat wij tot vreugde waren van vele menschen op het +edele eiland, en vroeg hem, waarom hij ons niet het leven wilde laten +behouden; een daklooze kan niet leven. Ook vertelde ik hem dat wij van +stad tot stad plegen te trekken op den Etna, maar dat de Luciakerk ons +thuis is en dat hier iederen morgen de mis voor ons wordt gelezen. +Waarom wilde hij ons den troost van Gods woord weigeren?</p> +<p>„Ook verhaalde ik hem, dat de Jezuïeten eens van +gevoelens jegens ons veranderden en ons uit hun kerk wilden verdrijven, +maar dat dit hun niet gelukt was. Wij kregen een gezegeld document van +den vice-koning, dat wij ten eeuwigen dage onze vergaderingen in de +Santa Lucia in Gesu mogen houden. En ik toonde den sindaco het +document.”</p> +<p>„Wat antwoordde hij toen?”</p> +<p>„Hij lachte mij uit.”</p> +<p>„Kan geen der andere raadsleden u helpen?”</p> +<p>„Ik ben bij hen allen geweest, donna Elisa. Ik ben den +ganschen morgen van Pontius naar Pilatus gezonden.”</p> +<p>„Vader Elisa,” zei donna Elisa, en ze liet haar stem +dalen, „hebt ge vergeten de heiligen aan te roepen?”</p> +<p>„Ik heb de zwarte Madonna aangeroepen, zoowel als San +Sebastiaan en Santa Lucia. Ik heb gebeden tot zoo vele heiligen, als ik +slechts bij naam kende.”</p> +<p>„Gelooft gij, vader Elisa,” zei donna Elisa en zij liet +haar stem nog meer dalen, „dat don Antonio Greco geholpen werd, +omdat hij beloofde geld te geven voor donna Micaela’s +spoorweg?”</p> +<p>„Ik heb geen geld te geven,” zei de grijsaard +moedeloos.</p> +<p>„Gij moest er toch eens over denken, vader Elisa,” zei +donna Elisa, „nu gij in zulk een grooten nood verkeert. Gij moest +het Christusbeeld beloven, dat gij zelf en allen, die tot uw gilde +behooren, zullen zingen en spreken over den spoorweg, om den menschen +te overreden bijdragen daarvoor <span class="pagenum">[<a id="pb208" +href="#pb208" name="pb208">208</a>]</span>af te staan, indien gij uw +kerk moogt behouden. Wij weten niet of het helpt, maar we moeten al het +mogelijke beproeven, vader Elisa. Een belofte kost niets.”</p> +<p>„Ik wil beloven wat gij slechts wilt,” zei de +grijsaard.</p> +<p>Hij legde weer zijn hoofd op het zwarte marmer, en donna Elisa +begreep dat hij de belofte slechts gegeven had om met zijn smart +alleengelaten te worden.</p> +<p>„Zal ik uw belofte tot het Christuskind brengen?” zei +ze.</p> +<p>„Doe gelijk gij wilt, donna Elisa,” zei de +grijsaard.</p> +<hr class="tb"> +<p>Denzelfden dag was fra Felice om vijf uur ’s morgens opgestaan +en zijn kerk begonnen te vegen. Hij voelde zich vroolijk te moede, maar +toen hij daar zoo bezig was, meende hij opeens dat San Pasquale met den +zak vol steenen, die in het kerkportaal stond, hem iets te zeggen +had.</p> +<p>Hij ging nu naar hem toe, maar San Pasquale stond even onbeweeglijk +als altijd. Op hetzelfde oogenblik steeg de zon boven den Etna en zond +veelkleurige stralen, harpsnaren gelijk, over den bergketen. Toen de +stralen fra Felice’s oude kerk bereikt hadden, tintten ze deze +rozerood, rozerood werden ook de oude, verweerde zuilen, die den +baldakijn boven het beeld droegen, en San Pasquale met den zak, evenals +fra Felice zelf.</p> +<p>„Wij zien er uit als jonge knapen,” dacht de grijsaard. +„We hebben nog vele jaren te leven.”</p> +<p>Maar toen hij de kerk weer wilde binnengaan, voelde hij een +beklemmenden druk boven het hart en het viel hem in, dat San Pasquale +hem geroepen had om hem vaarwel te zeggen. Op hetzelfde oogenblik +werden zijn beenen zoo zwaar, dat hij ze nauwelijks kon +verzetten<span class="corr" id="xd20e4965" title="Bron: ,">.</span> Hij +gevoelde geen pijn, maar een loodzware moeheid, die niets anders dan +den dood kon beteekenen. Hij had nauwelijks de kracht om den bezem weg +te zetten achter de deur van de sacristie; toen sleepte hij zich naar +het koor en ging voor het hoogaltaar liggen, terwijl hij zich in zijn +pij wikkelde.</p> +<p>’t Was alsof het Christuskind tegen hem knikte en zei: +„Nu heb ik je noodig, fra Felice.”</p> +<p>Hij knikte terug. „Ik ben gereed, ik zal je niet ontrouw +worden.” <span class="pagenum">[<a id="pb209" href="#pb209" name="pb209">209</a>]</span></p> +<p>Hij lag daar slechts te wachten, en dat was heerlijk, vond fra +Felice. Gedurende zijn gansche leven had hij geen tijd gehad om te +voelen hoe moede hij was. Nu kon hij eindelijk eens uitrusten. Het +beeld zou de kerk en het klooster wel zonder hem in stand houden.</p> +<p>Hij glimlachte omdat de oude San Pasquale hem naar buiten geroepen +had om hem vaarwel te zeggen.</p> +<p>Zoo lag fra Felice een groot gedeelte van den dag, meestal sluimerde +hij. Niemand was bij hem, en er kwam een gevoel over hem, dat het niet +aanging zoo uit het leven te glijden.</p> +<p>’t Was alsof hij iemand daarmee te kort deed. Die gedachte +wekte hem keer op keer. Hij behoorde de priesters bij zich te hebben, +maar hij had immers niemand om hen te halen.</p> +<p>Terwijl hij daar zoo lag, scheen het hem dat zijn lichaam al meer en +meer inkromp, dat hij steeds kleiner werd. ’t Was alsof hij +geheel verdwijnen zou. Nu kon hij zich zeker wel viermaal in zijn pij +<span class="corr" id="xd20e4984" title="Bron: wilkkelen">wikkelen</span>.</p> +<p>Hij zou heel eenzaam gestorven zijn, indien donna Elisa niet gekomen +was om het kleine beeld aan te roepen om hulp voor de blinden.</p> +<p>Zij was wonderlijk te moede, want zij wilde gaarne, dat de blinden +geholpen werden, maar zij wenschte niet, dat donna Micaela’s zaak +bevorderd zou worden.</p> +<p>Toen zij in de kerk kwam, zag zij fra Felice voor het altaar liggen +en zij ging naar hem toe en knielde bij hem neer.</p> +<p>Fra Felice wendde zijn oogen naar haar en glimlachte stil. „Ik +moet sterven,” zei hij heesch, maar toen verbeterde hij zich en +zei: „Ik ga sterven.”</p> +<p>Donna Elisa vroeg wat hem scheelde en zei, dat zij hulp wilde +halen.</p> +<p>„Ga hier zitten,” zei hij en deed een matte poging om +met zijn mouw het stof van den grond te wisschen.</p> +<p>Donna Elisa zei, dat zij den pastoor en de liefdezusters wilde +halen. Hij greep haar bij haar mantel en hield haar terug.</p> +<p>„Eerst moet ik u iets zeggen, donna Elisa.”</p> +<p>’t Spreken viel hem moeielijk, tusschen ieder woord +<span class="pagenum">[<a id="pb210" href="#pb210" name="pb210">210</a>]</span>haalde hij zwaar adem. Donna Elisa ging naast +hem zitten om te wachten.</p> +<p>Een tijd lang hijgde hij naar adem, toen steeg een vlammend rood op +in zijn gelaat, zijn oogen begonnen te glinsteren, en hij sprak vol +vuur en zonder eenige moeite.</p> +<p>„Donna Elisa,” zei fra Felice, „ik heb een erfenis +weg te schenken. ’t Heeft mij den ganschen dag zorg gebaard, want +ik wist niet aan wien ik die zou nalaten.”</p> +<p>„Fra Felice,” zei donna Elisa, „wees daarover niet +bezorgd. Er is geen mensch, die een goede gave niet gebruiken +kan.”</p> +<p>Maar daar fra Felice zich nu beter gevoelde, wilde hij, +vóórdat hij over zijn erfenis beschikte, donna Elisa +vertellen hoe goed God voor hem was geweest.</p> +<p>„Heeft God mij geen groote genade bewezen, door mij tot een +polacca te maken?” zei hij.</p> +<p>„Ja, dat is een groote gave,” zei donna Elisa.</p> +<p>„Reeds een kleine, zeer kleine polacca te zijn is een groote +gave,” zei fra Felice. „Vooral was het nuttig, toen het +klooster opgeheven werd en de kameraden weggetrokken of dood waren. +’t Is alsof men een zak vol brood heeft, voordat men de hand +uitsteekt om te bedelen, het maakt, dat men altijd vriendelijke +gezichten om zich heen ziet en begroet wordt met diepe buigingen. Ik +ken geen grooter gave voor een armen monnik, donna Elisa.”</p> +<p>Donna Elisa dacht er aan hoe geliefd en geëerd fra Felice +altijd geweest was, omdat hij kon voorspellen op welke nummers prijzen +zouden vallen. En zij kon niet nalaten hem gelijk te geven.</p> +<p>„Als ik langs den weg kwam in zonnehitte,” zei fra +Felice, „kwam de herder naar mij toe en vergezelde mij een +eindweegs, terwijl hij zijn parapluie boven mijn hoofd hield om mij te +beschutten tegen de zonnestralen. En als ik bij de arbeiders kwam in de +koele steengroeve, deelden zij hun brood en boonensoep met mij. Ik ben +nooit bang geweest voor roovers, noch voor karabiniers. De man in het +tolkantoor sluimerde, toen ik voorbij ging met mijn zak. ’t Is +een goede gave geweest, donna Elisa.”</p> +<p>„Ja, dat is waar,” zei donna Elisa.</p> +<p>„En ’t is geen harde arbeid geweest,” zei fra +Felice.</p> +<p>„Zij spraken tot mij en ik antwoordde hun, dat was alles. +<span class="pagenum">[<a id="pb211" href="#pb211" name="pb211">211</a>]</span>Zij wisten dat elk woord zijn nummer had, en zij +luisterden naar hetgeen ik zei en speelden daarnaar. Ik wist niet, hoe +het toeging, donna Elisa, het was een Godsgave.”</p> +<p>„Het arme volk zal u zeer missen, fra Felice,” zei donna +Elisa.</p> +<p>Fra Felice glimlachte: „Ze geven niets om mij op Zondag of +Maandag, als de trekking pas geweest is,” zei hij. „Maar +Donderdags en Vrijdags en Zaterdagsmorgens komen zij tot mij, omdat +iederen Zaterdag de loting is.”</p> +<p>Donna Elisa begon onrustig te worden omdat de stervende aan niets +anders dacht dan aan dit. Plotseling kwamen haar verschillende menschen +in de gedachte, die in de loterij verloren hadden, en zij herinnerde +zich velen die hun geheele vermogen daarmee verspeeld hadden. Zij wilde +zijn gedachten leiden van dit zondige loterijspel.</p> +<p>„Gij zeidet, dat gij over uw testament wildet spreken, fra +Felice.”</p> +<p>„Maar juist omdat ik zoo vele vrienden bezit, valt het mij zoo +moeilijk te weten aan wien ik mijn erfenis moet schenken. Zal ik haar +geven aan hen, die de zoete koekjes voor mij bakten of aan hen, die +artisjokken voor mij roosterden in versche olie? Of zal ik het geven +aan de liefdezusters, die mij verpleegden, toen ik ziek was?”</p> +<p>„Hebt gij veel weg te schenken, fra Felice?”</p> +<p>„Dat gaat wel, donna Elisa. Dat gaat wel.”</p> +<p>Fra Felice scheen weer benauwd te worden, zijn borst rees en daalde +heftig.</p> +<p>„Ik zou het ook willen geven aan de arme monniken, die hun +klooster verloren hebben,” fluisterde hij.</p> +<p>En na een tijdje vervolgde fra Felice: „Ik zou het ook wel +gaarne willen schenken aan den goeden man in Rome. Aan hem die over ons +allen waakt.”</p> +<p>„Zijt gij zoo rijk, fra Felice?” vroeg donna Elisa.</p> +<p>„Dat gaat wel, donna Elisa, dat gaat wel.”</p> +<p>Hij sloot de oogen een wijle, toen vervolgde hij:</p> +<p>„Ik wil het aan alle menschen schenken, donna +Elisa.”</p> +<p>Hij kreeg nieuwe kracht door deze gedachte, weer kleurde een zwak +rood zijn wangen en hij richtte zich op zijn ellebogen op.</p> +<p>„Ziehier, donna Elisa,” zei hij, terwijl hij zijn hand +in <span class="pagenum">[<a id="pb212" href="#pb212" name="pb212">212</a>]</span>zijn pij stak en een verzegelden brief te +voorschijn haalde dien hij haar overreikte. „Dezen moet gij aan +den sindaco geven, den sindaco van Diamante.”</p> +<p>„Hier, donna Elisa,” zei fra Felice, „hier zijn de +vijf cijfers, die den volgenden Zaterdag zullen winnen. Zij zijn mij +geopenbaard geworden en ik heb ze opgeteekend. En de sindaco moet deze +cijfers aan de Romeinsche poort laten aanplakken, waar al het +gewichtige nieuws aangekondigd wordt. En hij moet het volk doen weten +dat dit mijn testament is. Dit schenk ik aan alle menschen Vijf +winnende cijfers, een heele quinterne, donna Elisa.”</p> +<p>Donna Elisa nam den brief en beloofde dien aan den sindaco te geven. +Zij kon niets anders doen, want de arme fra Felice had niet vele +oogenblikken meer te leven.</p> +<p>„Als het nu Zaterdag is,” zei fra Felice, „zullen +er velen aan fra Felice denken.</p> +<p>„Zou oude fra Felice ons bedrogen hebben?” zullen zij +vragen. „Kan het mogelijk zijn dat we een heele quinterne +winnen?”</p> +<p>„Zaterdagavond is er trekking op het balkon van het raadhuis +te Catania, donna Elisa. Dan brengt men het loterijrad en de tafel naar +buiten en de heeren van de loterij verschijnen, met het kleine, +aanvallige kind uit het weeshuis. En het eene na het andere nummer +wordt gelegd in het rad van het avontuur, tot ze er alle in zijn, alle +honderd.</p> +<p>„Maar de menschen staan beneden op het marktplein te beven van +verwachting, gelijk de zee trilt bij storm.</p> +<p>„En alle menschen van Diamante zullen daar zijn, bleek en vol +spanning. Ze wagen het nauwelijks elkaar aan te zien. +Vóór dien tijd hebben zij geloofd maar nu niet meer. Geen +van hen waagt het de minste hoop te koesteren.</p> +<p>„Dan wordt het eerste nummer getrokken en het komt uit. O, +donna Elisa, zij zullen zoo ontroerd zijn dat ze nauwelijks kunnen +jubelen. Want zij allen hadden gedacht dat zij bedrogen waren. Als het +tweede cijfer uitkomt, blijft het doodstil. Dan komt het derde. De +heeren van de loterij zullen verbaasd zijn, dat alles zoo stil blijft. +„Heden winnen zij niets,” zullen zij zeggen, „heden +maakt de staat een goede winst.” Dan komt het vierde cijfer. Het +weesje neemt de <span class="pagenum">[<a id="pb213" href="#pb213" +name="pb213">213</a>]</span>rol uit het rad en de markeur opent de rol +en toont het cijfer.</p> +<p>„Het volk zwijgt in angstige spanning, men kan geen woord +spreken bij zooveel geluk. Dan komt het laatste cijfer. Donna Elisa, +men schreeuwt, men jubelt, men valt elkaar in de armen, en snikt van +vreugde. Men is rijk. Geheel Diamante is rijk...”</p> +<p>Donna Elisa had fra Felice’s hoofd met haar arm gesteund, +terwijl hij dit hijgend stamelde. Nu viel zijn hoofd plotseling zwaar +achterover. De oude fra Felice was dood.</p> +<hr class="tb"> +<p>Terwijl donna Elisa in de kerk was bij fra Felice, hadden vele +menschen gehoord van het lot der blinden en waren daardoor diep +getroffen. Niet juist mannen, de meeste mannen werkten op het land, +maar de vrouwen. Ze waren in groote scharen opgetrokken naar Santa +Lucia om de blinden te troosten, en toen er ten slotte ongeveer vier +honderd vrouwen verzameld waren, was het haar tegenvallen, dat zij naar +den sindaco moesten gaan om met hem te spreken.</p> +<p>Ze waren naar de markt gegaan en hadden om den sindaco geroepen. +Toen was hij op het balkon van het raadhuis verschenen en zij hadden +gesmeekt, dat de blinden hun kerk mochten behouden. De sindaco was een +mooie, vriendelijke man. Hij had haar welwillend te woord gestaan, maar +niet toegegeven.</p> +<p>Hij kon niet herroepen, wat de gemeenteraad besloten had. Maar de +vrouwen hadden zich stellig voorgenomen, dat het besluit herroepen zou +worden, en zij bleven wachten op de markt. De sindaco trok zich terug +in het raadhuis, maar zij bleven staan om te roepen. Zij wilden niet +naar huis gaan voordat hij toegegeven had.</p> +<p>Terwijl dit plaats vond, kwam donna Elisa er aan om den sindaco het +testament te brengen van fra Felice. Zij was zielsbedroefd over al de +ellende, maar tegelijkertijd gevoelde zij een bittere voldoening in het +feit dat zij geen hulp gevonden had bij het Christuskind. Zij had +immers altijd gedacht, dat de heiligen donna Micaela niet wilden +bijstaan. <span class="pagenum">[<a id="pb214" href="#pb214" name="pb214">214</a>]</span></p> +<p>Het was een mooi geschenk dat zij ontvangen had in San Pasquale. +Niet alleen dat het de blinden niet kon helpen, maar het was in staat +de gansche stad in het verderf te storten. Nu zou het weinige dat het +volk nog bezat in de loterij verspeeld worden. Alles wat ze bezaten, +zouden ze verpanden en verkoopen.</p> +<p>De sindaco ontving donna Elisa dadelijk en was even beleefd en +vriendelijk als altijd, ofschoon de vrouwen nog op de markt stonden te +smeeken, blinden in de wachtkamer jammerden en hij den ganschen dag +lastig gevallen was door allerlei menschen.</p> +<p>„Waarmee kan ik u van dienst zijn, signora Antonelli?” +zei hij. Donna Elisa wist eerst niet tot wie hij sprak.</p> +<p>Toen vertelde zij hem van het testament.</p> +<p>De sindaco was noch bevreesd, noch verwonderd.</p> +<p>„Dat is zeer interessant,” zei hij en strekte de hand +uit naar het papier<span class="corr" id="xd20e5117" title="Niet in bron">.</span></p> +<p>Maar donna Elisa hield den brief vast, en vroeg:</p> +<p>„Signor sindaco, wat zijt ge van plan er mee te doen, is het +uw voornemen het aan de Romeinsche poort te laten +aanplakken?”</p> +<p>„Ja, wat kan ik anders doen, signora? Het is de laatste wil +van een stervende.”</p> +<p>Donna Elisa zou hem hebben willen zeggen, welk een noodlottig +testament het was. Maar zij zweeg om de zaak der blinden te kunnen +bepleiten.</p> +<p>„Pater Succi, die verordende, dat de blinden in zijn kerk +mochten bijeenkomen, behoort ook tot de dooden,” sprak zij +nu.</p> +<p>„Signora Antonelli, begint gij ook hierover?” zei de +sindaco heel vriendelijk. „’t Was een vergissing, maar +waarom heeft niemand mij vóór dien tijd gezegd, dat de +blinden vergaderden in de Luciakerk? Nu het eenmaal besloten is, kan ik +het besluit niet herroepen. Dat kan ik niet.”</p> +<p>„Maar hun rechten en hun document, signor sindaco?”</p> +<p>„Hun rechten beteekenen niets. Die gelden voor het +Jezuïetenklooster, maar zulk een klooster bestaat niet meer.</p> +<p>„En signora Antonelli, wat zou er van mij worden, indien ik nu +toegaf?”</p> +<p>„Men zou u liefhebben als een goeden man.” <span class="pagenum">[<a id="pb215" href="#pb215" name="pb215">215</a>]</span></p> +<p>„Signora, men zal gelooven, dat ik zwak ben, en elken dag +zullen er vierhonderd vrouwen voor het raadhuis komen bedelen om het +een of het ander. Het is immers slechts de quaestie om +één dag vol te houden. Morgen zal het vergeten +zijn.”</p> +<p>„Morgen!” zei donna Elisa. „Nooit zullen wij het +vergeten.”</p> +<p>De sindaco glimlachte, en donna Elisa zag, dat hij geloofde het volk +van Diamante beter te kennen dan zij.</p> +<p>„Ge gelooft, dat deze zaak hun na aan het harte ligt?” +vroeg hij.</p> +<p>„Ja, dat geloof ik, signor sindaco.”</p> +<p>Toen glimlachte de sindaco weer. „Geef mij dien brief eens, +signora.”</p> +<p>Hij ging ermee op het balkon en begon tot de vrouwen te spreken.</p> +<p>„Ik wil u zeggen,” sprak hij, „dat ik juist nu +verneem, dat de oude fra Felice dood is en een testament voor u allen +nagelaten heeft. Hij heeft vijf cijfers opgeteekend, die den volgenden +Zaterdag in de loterij zullen winnen en deze schenkt hij u. Niemand +heeft ze nog gezien. Ze zijn opgeteekend in dezen brief, die nog +ongeopend is.”</p> +<p>Hij zweeg een oogenblik, opdat de vrouwen konden nadenken over +hetgeen hij gezegd had.</p> +<p>En oogenblikkelijk begonnen ze te roepen: „De cijfers, de +cijfers!”</p> +<p>De sindaco gaf haar een teeken om te zwijgen.</p> +<p>„Ge moet er wel aan denken,” zei hij, „dat fra +Felice onmogelijk weten kon welke nummers den volgenden Zaterdag uit de +loterij zullen komen.</p> +<p>„Indien gij op deze cijfers speelt, is het mogelijk dat gij +allen verliest. En wij mogen in Diamante niet armer worden, dan wij +reeds zijn. Ik verzoek u daarom het testament te mogen vernietigen, +vóórdat iemand het gelezen heeft.”</p> +<p>„De cijfers,” riepen de vrouwen. „Laat ons de +cijfers zien!”</p> +<p>„Indien ik het testament mag vernietigen,” zei de +sindaco, „beloof ik u, dat de blinden hun kerk mogen +behouden.”</p> +<p>Het werd stil op de markt. Donna Elisa rees op van haar <span class="pagenum">[<a id="pb216" href="#pb216" name="pb216">216</a>]</span>stoel in de zaal van het raadhuis en klemde zich +met beide handen aan de leuning vast.</p> +<p>„Hemelsche Vader,” zuchtte donna Elisa, „is hij +een duivel dat hij het arme volk op deze wijze in verzoeking +brengt?”</p> +<p>„We zijn tot nu toe arm geweest,” riep nu een vrouw, +„we kunnen ook in de toekomst de armoede dragen.”</p> +<p>„We willen Barabbas niet kiezen in plaats van Christus,” +riep een andere.</p> +<p>De sindaco nam een lucifersdoosje uit den zak, stak een lucifer aan +en bracht dien langzaam bij het testament. De vrouwen lieten lijdelijk +toe, dat de sindaco de winnende cijfers van fra Felice vernietigde.</p> +<p>De kerk der blinden was gered.</p> +<p>„Dit is een wonder,” fluisterde de oude donna Elisa. +„Allen gelooven aan fra Felice en toch laten ze kalm zijn +winnende nummers verbranden! Dat is een wonder.”</p> +<hr class="tb"> +<p>’s Namiddags zat donna Elisa weer in haar winkel te borduren. +Zij zag er oud uit, het was alsof er iets in haar gebroken en +vernietigd was. Het was niet de gewone donna Elisa, die daar zat, het +was een arme, oude, verlaten vrouw.</p> +<p>Zij trok de naald langzaam op uit haar werk en toen zij die weer +insteken moest, ging dat aarzelend en onwillig. ’t Kostte haar +moeite te verhinderen, dat de tranen op haar borduurwerk vielen en het +bedierven.</p> +<p>Donna Elisa had zulk een groot verdriet. Heden had zij Gaetano voor +altijd verloren. Er was geen hoop hem ooit weer te zien.</p> +<p>De heilige was tegen hem en hielp donna Micaela. Niemand kon er aan +twijfelen, dat er nu een wonder was geschied.</p> +<p>De vrouwen van Diamante zouden niet lijdelijk toegestaan hebben, dat +men fra Felice’s nummers verbrandde, indien zij niet gebonden +waren door een wonder.</p> +<p>Het deed een arm mensch zoo’n verdriet, dat de goede heilige +donna Micaela hielp, die niet hield van Gaetano. De bel luidde hevig en +donna Elisa stond uit oude gewoonte op. ’t Was donna Micaela, die +nu binnenkwam. Zij was verheugd en strekte beide handen uit naar donna +Elisa, maar deze wendde zich af. Zij kon haar hand niet drukken. +<span class="pagenum">[<a id="pb217" href="#pb217" name="pb217">217</a>]</span></p> +<p>Donna Micaela was overgelukkig.</p> +<p>„O, donna Elisa, gij hebt mijn spoorweg geholpen. Hoe zal ik u +danken!”</p> +<p>„Gij behoeft mij volstrekt niet te danken, +schoonzuster!”</p> +<p>„Donna Elisa!”</p> +<p>„Indien de heiligen ons een spoorweg willen geven, dan is dat +zeker omdat Diamante daaraan behoefte heeft, maar niet omdat ze u +liefhebben.”</p> +<p>Donna Micaela deinsde achteruit. Nu eindelijk meende zij te +begrijpen waarom donna Elisa kwaad op haar was.</p> +<p>„Indien Gaetano thuis was,” zei zij, terwijl zij haar +hand tegen heur hart drukte:</p> +<p>„Indien Gaetano thuis was, zou hij niet toestaan, dat gij zoo +slecht tegen me waart.”</p> +<p>„Gaetano! Zou Gaetano dat niet toestaan?”</p> +<p>„Neen. Zelfs indien gij boos op mij waart, omdat ik hem reeds +liefhad, terwijl mijn man nog leefde, zoudt gij het niet wagen mij dat +te verwijten indien hij thuis was.”</p> +<p>Donna Elisa trok de wenkbrauwen een weinig op.</p> +<p>„Ge denkt, dat hij mij zou kunnen dwingen te zwijgen over zulk +een zaak?” en haar stem klonk wonderlijk vreemd.</p> +<p>„Maar donna Elisa,” fluisterde donna Micaela nu. +„’t Is immers geheel onmogelijk hem niet lief te +hebben.</p> +<p>„Hij is zoo schoon en hij heeft zooveel macht over mij, dat ik +bang voor hem ben.</p> +<p>„Ge moest begrijpen, dat ik hem moest liefhebben.”</p> +<p>„Moest ik dat?” Donna Elisa ging zitten en sprak heel +kort af.</p> +<p>Donna Micaela geraakte buiten zich zelf.</p> +<p>„En Gaetano heeft ook mij lief,” riep zij. „Niet +Giannita maar mij had hij lief. Gij moest mij als een dochter +beschouwen en mij helpen, en gij moest goed jegens mij zijn. Maar in +plaats daarvan zijt ge boos op mij. Gij staat mij niet toe tot u te +komen om met u over hem te spreken. Hoe ik verlang en hoe ik werk, dat +mag ik u niet zeggen.”</p> +<p>Donna Elisa kon zich niet langer bedwingen. Donna Micaela was immers +nog een echt kind, jong, dwaas en bevend als een vogelhartje. Juist een +wezentje, dat bescherming noodig had. Zij moest haar armen wel om haar +heen slaan.</p> +<p>„Dat wist ik immers niet, jij dom, dwaas kindje,” zei +zij. <span class="pagenum">[<a id="pb218" href="#pb218" name="pb218">218</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div2" id="ch2.7"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 id="xd20e5249" class="label">VII.</h3> +<h3 class="main">Na het wonder.</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Er was een vergadering van het gilde der blinde +zangers, in de Luciakerk. Hoog boven op het koor achter het altaar +zaten dertig oude blinde mannen op de gebeeldhouwde koorstoelen der +Jezuïeten. Zij waren allen arm, de meesten van hen hadden den +bedelaarszak en hun kruk naast zich liggen.</p> +<p>Er heerschte een plechtige, ernstige stemming. De blinden wisten, +wat het wilde zeggen lid te zijn van dit heilige zangersgilde, van deze +heerlijke, oude academie.</p> +<p>Beneden in de kerk klonk nu en dan een dof rumoer. Daar zaten de +geleiders der blinden, kinderen, oude vrouwtjes en honden, te wachten, +maar spoedig was alles weer rustig en stil.</p> +<p>De blinden, die trovatores waren, traden nu de een na den andere op +om nieuwe gedichten voor te dragen.</p> +<p>„Gij menschen, die op den heiligen Etna woont,” +reciteerde een van hen. „Gij menschen, die leeft op den berg der +wonderen, verheft u. Schenkt uwe heerscheres een nieuw sieraad. Zij +verlangt naar twee lange linten om haar schoonheid te verhoogen, twee +lange smalle linten van ijzer wil ze vasthechten aan haar mantel.</p> +<p>„Schenk deze aan uwe heerscheres en zij zal u met rijkdom +beloonen. Zij zal u goud geven voor ijzer. Ontelbaar zullen de schatten +zijn, die de machtige u schenken zal, indien gij haar nu geeft, hetgeen +zij verlangt.”</p> +<p>„Een milde wonderdoener is in ons midden gekomen,” +<span class="pagenum">[<a id="pb219" href="#pb219" name="pb219">219</a>]</span>zei een andere. „Hij staat arm en +onbemerkt in de naakte, oude kerk en zijn kroon is van blik en zijne +diamanten zijn van glas.</p> +<p>„Brengt geen offers aan mij, gij armen,” zegt hij. +„Bouwt geen tempel voor mij, gij ellendigen.</p> +<p>„Voor uw geluk wil ik werken. En wanneer rijkdom heerscht in +uwe hutten, zal ik stralen in den glans van echte edelgesteenten, en +als de nood gevlucht is uit het land, zullen mijne voeten gouden +schoentjes dragen, met paarlen versierd.”</p> +<p>En telkens als er een nieuw gedicht werd voorgedragen, werd het +aangenomen of verworpen<span class="corr" id="xd20e5276" title="Bron: ,">.</span></p> +<p>De blinden gingen met groote strengheid te werk.</p> +<p>Maar den volgenden dag trokken ze over den Etna en zongen den +spoorweg in het hart van het volk.</p> +<hr class="tb"> +<p>Na het wonder van fra Felice’s testament begonnen de menschen +gaven te geven voor den spoorweg. Donna Micaela had spoedig ongeveer +honderd lire bijeen. Toen reisde zij met donna Elisa naar Messina om de +stoomtram te zien, die tusschen Messina en Pharo loopt. Zij hadden niet +zulke groote wenschen. Zij zouden tevreden zijn met een stoomtram.</p> +<p>„Waarom behoeft een spoorweg zoo duur te zijn?” zei +donna Elisa. „’t Is immers slechts een gewone weg, waarop +men ijzeren spoorstaven legt.</p> +<p>„Maar het zijn die ingenieurs en voorname heeren, welke een +spoorweg zoo duur maken! Neem geen ingenieur in je dienst, Micaela! +Laat onze goede wegwerkers Carmelo en Giovanni je spoorweg +aanleggen.”</p> +<p>Ze bekeken nauwkeurig de stoomtram van Pharo en trachtten alle +inlichtingen te verkrijgen, die zij slechts konden. Ze maten hoeveel +ruimte er tusschen de rails was en donna Micaela teekende op een klein +stuk papier hoe de sporen bij de stations moesten loopen. Dat was niet +zoo moeilijk. Zij waren overtuigd, dat zij zich zelf konden redden.</p> +<p>Dezen dag schenen er in het geheel geen bezwaren te bestaan. +’t Was niets moeielijker een station te bouwen dan <span class="pagenum">[<a id="pb220" href="#pb220" name="pb220">220</a>]</span>een +gewoon huis, zeiden ze. En meer dan een paar stations hadden zij ook +niet noodig. Op de meeste halten was een overdekte wachtplaats +voldoende.</p> +<p>Indien zij er slechts geen maatschappij van maakten en geen voorname +heeren in betrokken, want dat alles kostte zooveel geld, dan zou de +spoorweg wel tot stand komen.</p> +<p>Ook zou die niet zoo kostbaar worden. Den grond zouden zij zeker wel +voor niets krijgen. De rijke grondbezitters, die land bezaten op den +Etna, zouden wel begrijpen van hoeveel belang een spoorweg voor hen +was, en hem vrij over hun grond laten gaan.</p> +<p>Zij braken er haar hoofden niet mede om de juiste richting van een +spoorweg vooraf te bepalen. Ze zouden eenvoudig beginnen bij Diamante +en zoo verder gaan naar Catania. Men behoefde slechts een aanvang te +maken, en iederen dag een klein eindje verder aan te leggen. Dat was +niet zoo moeilijk.</p> +<p>Na deze reis begonnen zij te beproeven den spoorweg op eigen hand +aan te leggen. Don Ferrante had geen groot vermogen nagelaten aan donna +Micaela. Maar het was een geluk dat hij een groot stuk woest land op +den Etna bezeten had. Hierop begonnen Giovanni en Carmelo te graven +voor den nieuwen spoorweg.</p> +<p>Toen ze een aanvang maakten met dit werk, bezaten de +spoorwegaanleggers niet meer dan honderd lire. Maar het was het wonder +met het testament, dat hen met heiligen waanzin vervulde.</p> +<p>Welk een spoorweg zou dat worden! welk een spoorweg!</p> +<p>Blinde zangers waren de actiënverzamelaars, het heiligenbeeld +gaf de concessie en de oude koopvrouw, donna Elisa, was de ingenieur. +<span class="pagenum">[<a id="pb221" href="#pb221" name="pb221">221</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div2" id="ch2.8"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 id="xd20e5314" class="label">VIII.</h3> +<h3 class="main">Een jettatore.</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">In Catania leefde eens een man met „het booze +oog”, een jettatore. Van alle jettatoren op Sicilië duchtte +men hem het meest.</p> +<p>Zoodra hij zich op straat vertoonde, haastten de menschen zich om +het beschermende teeken met de hand te maken. Toch hielp dit dikwijls +in het geheel niet.</p> +<p>Degene die hem ontmoet had, kon zich voorbereiden op een onaangename +gebeurtenis. Als hij thuis kwam was zijn eten aangebrand, en de mooie, +oude kristallen schotel lag in scherven op den grond. Hij zou hooren, +dat zijn bankier de betalingen gestaakt had, en dat het briefje, dat +hij aan de vrouw van zijn vriend geschreven had, in verkeerde handen +was terechtgekomen.</p> +<p>Meesttijds was de jettatore een lange, magere man met bleeke schuwe +oogen en een langen neus, die kromde over de bovenlip. God heeft den +jettatore dezen papagaaienneus gegeven als kenteeken.</p> +<p>Maar alles verandert, niets blijft zich steeds gelijk.</p> +<p>Deze jettatore was een kleine man met een neus als van San +Michaël.</p> +<p>Daardoor kwam het dat hij nog veel meer kwaad stichtte dan een +gewone jettatore.</p> +<p>Hoeveel vaker steekt men zich niet aan de doornen van de roos, dan +dat men zich brandt aan een netel.</p> +<p>Een jettatore moest nooit volwassen zijn; zoo lang hij nog een kind +is, heeft hij het goed. Dan waakt zijn moedertje <span class="pagenum">[<a id="pb222" href="#pb222" name="pb222">222</a>]</span>nog +over hem en zij ziet nooit het booze oog, zij begrijpt nooit waarom zij +zich steeds met de naald in den vinger prikt, wanneer hij bij haar +naaitafeltje komt. Zij is nooit bang om hem te kussen. Ofschoon er +altijd ziekte in haar huis heerscht en de dienstboden voortdurend +wegloopen, en haar vrienden het huis verlaten, merkt zij nooit +iets.</p> +<p>Maar als de jettatore later in de wereld komt, is zijn lot dikwijls +treurig genoeg. Men moet immers in de eerste plaats aan zich zelf +denken, men kan toch niet zijn geheele leven bederven door goed te zijn +jegens een jettatore. Er zijn verscheidene jettatores, die priester +zijn.</p> +<p>Dit is niet zoo vreemd, de wolf is immers gelukkig, als hij vele +schapen kan verslinden. En zeker kan een jettatore niet meer kwaad +stichten, dan wanneer hij priester wordt. Men moest slechts weten, hoe +het den kinderen gaat, die zij doopen en den bruidsparen, wier huwelijk +zij inzegenen.</p> +<p>Deze jettatore van Catania werd ingenieur en wilde spoorwegen +aanleggen.</p> +<p>Hij werd geplaatst bij een der staatsspoorwegen. De staat kon toch +niet weten, dat hij een jettatore was.</p> +<p>Maar, o, welk een ellende, welk een ellende!</p> +<p>Zoodra hij aangesteld was bij den spoorweg, geschiedden er niets dan +ongelukken.</p> +<p>Wilde men een heuvel doorboren, dan had er een instorting plaats, +als men een brug wilde leggen, mislukte het keer op keer.</p> +<p>Wanneer men een mijn liet springen, werden de arbeiders gedood door +de rondvliegende steenen.</p> +<p>De eenige die steeds ongedeerd bleef, was de ingenieur, de +jettatore.</p> +<p>Maar de arme menschen, die onder hem werkten! Ze telden iederen +morgen hun vingers en ledematen.</p> +<p>„Morgen hebben wij ze misschien niet meer allemaal,” +zeiden ze.</p> +<p>Men deed zijn beklag bij den hoofdingenieur, men klaagde bij den +minister. Geen van beiden wilde hooren. Ze waren te geleerd en te +verstandig om aan het booze oog te gelooven. De arbeiders moesten maar +beter bij het werk opletten. ’t Was aan hun eigen +onvoorzichtigheid te wijten, dat er ongelukken geschiedden. +<span class="pagenum">[<a id="pb223" href="#pb223" name="pb223">223</a>]</span></p> +<p>En de kolenwagens stortten in den afgrond, en de locomotieven +ontploften.</p> +<p>Op een morgen fluisterde men, dat de ingenieur weg was. Hij was +verdwenen, niemand wist waar hij gebleven was.</p> +<p>Had iemand hem soms vermoord?</p> +<p>O, neen, o, neen! wie zou het gewaagd hebben een jettatore te +dooden!</p> +<p>Maar hij was werkelijk weg, geen mensch wist waar hij was.</p> +<p>Eenige jaren daarna was het, dat donna Micaela begon te denken aan +haar spoorweg. En om geld daarvoor bijeen te brengen, wilde zij een +bazaar houden in het groote Franciscanerklooster.</p> +<p>Daar was een groote tuin, omringd door prachtige, oude zuilengangen. +Donna Micaela richtte kleine kraampjes en tenten voor ververschingen in +onder deze arcaden. Zij slingerde guirlandes van Venetiaansche lampions +van zuil tot zuil. Ze liet groote vaten Etnawijn rondom de kloosterbron +opstapelen.</p> +<p>Terwijl donna Micaela daar buiten werkte, sprak zij dikwijls met den +kleinen Gandolfo, die na den dood van fra Felice, wachter van het +klooster geworden was. Op een dag liet zij zich door Gandolfo door het +geheele klooster geleiden. Zij liep het door van den zolder tot den +kelder. En toen zij deze ontelbare kleine cellen met haar tralievenster +en naakte muren en harde houten banken zag, kreeg zij een inval. Zij +verzocht Gandolfo haar op te sluiten in een dezer cellen en haar daar +gedurende vijf minuten te laten.</p> +<p>„Nu ben ik een gevangene,” zei ze, toen zij +alleengelaten werd. Ze voelde, dat de deur gesloten was, ze zag dat er +dikke traliën voor de vensters waren. Zij was opgesloten. Zoo was +het dus gevangen te zijn! Vier naakte wanden om zich heen, de stilte, +de kilheid van het graf!</p> +<p>„Nu wil ik gevoelen zooals een gevangene,” dacht +zij.</p> +<p>Op hetzelfde oogenblik vergat zij alles voor de gedachte, dat +Gandolfo misschien niet komen zou om haar deur te ontsluiten. Hij kon +immers weggeroepen worden, hij kon plotseling ziek worden, hij kon +doodgevallen zijn in een der donkere gangen.</p> +<p>Er kon zooveel gebeurd zijn, dat hem verhinderde te <span class="pagenum">[<a id="pb224" href="#pb224" name="pb224">224</a>]</span>komen. En niemand wist, waar zij was, niemand +kon haar zoeken in die afgelegen cel. Indien zij een uur daarin moest +vertoeven, zou ze waanzinnig van angst worden.</p> +<p>Ze dacht aan de kwelling van den honger en van de eindelooze uren +van angst.</p> +<p>O, hoe zou ze ingespannen luisteren naar naderende schreden, hoe zou +ze roepen!</p> +<p>Hoe zou zij rukken aan de deur. Zij zou de kalk van den muur +schrappen, zij zou trachten de traliën voor het venster kapot te +bijten.</p> +<p>En als zij haar dan eindelijk vonden, zou zij dood op den grond +liggen, en overal zou men sporen vinden van haar pogingen om zich te +bevrijden.</p> +<p>Waarom kwam Gandolfo niet? Nu was zij toch een kwartier, een half +uur in de cel geweest.</p> +<p>O, waarom kwam hij toch niet?</p> +<p>Ze was overtuigd, dat ze een heel uur opgesloten was geweest, toen +Gandolfo kwam. Waar was hij toch zoo lang geweest?</p> +<p>Maar hij was niet lang weggeweest. Donna Micaela was slechts vijf +minuten in de cel.</p> +<p>O God, zóó was het dus gevangen te zijn! Zoo was dus +Gaetano’s leven! Ze barstte in tranen uit, toen ze weer den +blauwen hemel boven zich zag.</p> +<p>Een tijdje daarna toen zij op een open loggia stonden, wees Gandolfo +haar een raam met luiken en groene gordijnen.</p> +<p>„Woont daar iemand?” vroeg zij.</p> +<p>„Ja, donna Micaela.”</p> +<p>Gandolfo vertelde, dat daar een man woonde, die nooit anders dan +’s nachts uitging. Een man die nooit met iemand sprak.</p> +<p>„Is hij krankzinnig?” vroeg donna Micaela.</p> +<p>„O neen, o neen, hij is even wel bij het hoofd als gij of ik. +Men zegt, dat hij zich moet verbergen. Hij is bang voor de +regeering.”</p> +<p>Donna Micaela stelde veel belang in dezen man.</p> +<p>„Hoe heet hij?” vroeg ze.</p> +<p>„Ik noem hem signor Alfredo.”</p> +<p>„Hoe krijgt hij eten?” vroeg zij hem. <span class="pagenum">[<a id="pb225" href="#pb225" name="pb225">225</a>]</span></p> +<p>„Ik kook voor hem,” zei Gandolfo.</p> +<p>„En kleeren?”</p> +<p>„Die verschaf ik hem. Ik ben het ook, die hem boeken en +tijdschriften bezorg.”</p> +<p>Donna Micaela zweeg een tijdlang.</p> +<p>„Gandolfo,” zei ze, terwijl zij hem de roos gaf, die zij +in de hand hield, „leg deze roos op het blad, als je straks eten +brengt aan je ongelukkigen gevangene!”</p> +<p>Na dien dag zond donna Micaela bijna elken dag een kleinigheid aan +den gevangene in het klooster. Nu eens was het een boek, dan een bloem +of een vrucht.</p> +<p>’t Was haar zulk een genot, ze speelde met haar phantasie. +’t Gelukte haar bijna zich voor te stellen, dat het Gaetano was +aan wien ze dit alles zond.</p> +<p>Toen de dag aanbrak, dat de bazaar geopend zou worden, was donna +Micaela ’s morgens reeds vroeg in het klooster.</p> +<p>„Gandolfo,” zei ze, „ga voor mij naar je gevangene +en vraag hem of hij vanavond op het feest wil komen.”</p> +<p>Gandolfo kwam spoedig met het antwoord terug.</p> +<p>„Hij dankt u zeer voor uw uitnoodiging, donna Micaela,” +zei de knaap. „Hij wil gaarne komen.”</p> +<p>Zij was verbaasd, want zij had niet gedacht, dat hij zich zou durven +vertoonen. Zij had hem slechts een vriendelijkheid willen bewijzen.</p> +<p>Er was iets, dat donna Micaela dwong om op te zien. Zij stond in den +kloostertuin, een venster in een der gebouwen tegenover haar werd +geopend. Donna Micaela zag een man van middelbaren leeftijd met een +aangenaam uiterlijk voor het raam staan en naar haar kijken. +„Daar is hij, donna Micaela,” zei Gandolfo.</p> +<p>Zij was gelukkig. ’t Was alsof ze dezen man gered en verlost +had. En meer dan dit. Menschen, die geen phantasie bezitten, kunnen dit +niet begrijpen.</p> +<p>Maar donna Micaela was den ganschen dag in spanning en verwachting. +Ze overwoog, hoe zij zich ’s avonds zou kleeden. ’t Was +alsof zij Gaetano verwachtte.—</p> +<p>Maar donna Micaela had spoedig wel iets anders te doen dan te +droomen. Den geheelen dag werd ze overstelpt door onaangename +wederwaardigheden. <span class="pagenum">[<a id="pb226" href="#pb226" +name="pb226">226</a>]</span></p> +<p>Eerst ontving ze een brief van den ouden rooverhoofdman Falco +Falcone.</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first salute">Waarde vriendin, donna Micaela,</p> +<p>Daar ik gehoord heb, dat ge voornemens zijt een spoorweg aan te +leggen op den Etna, wil ik u zeggen, dat dit nooit met mijn toestemming +zal geschieden. Ik zeg u dit nu maar dadelijk, opdat ge aan deze zaak +niet meer geld en moeite zult verspillen.</p> +<p>Hooggeboren en edele signora, ik verblijf</p> +<p class="signed">uw nederige dienaar,<br> +<span class="sc">Falco Falcone</span>.</p> +<p>P.S. Passafiore, mijn neef, heeft dezen brief geschreven.</p> +</div> +<p>Donna Micaela smeet het vuile briefje op den grond. Het was haar +alsof ze het doodvonnis van haar spoorweg in de hand hield, maar heden +wilde zij daaraan niet denken, heden had zij haar bazaar.</p> +<p>Een oogenblik daarna kwamen haar wegwerkers, Giovanni en Carmelo, +bij haar. Ze wilden haar raden een ingenieur te raadplegen.</p> +<p>Zij wist zeker niet, hoe de grond was op den Etna. Eerst was het +lava, dan asch en dan weer lava.</p> +<p>Moest de weg aangelegd worden op de bovenste lavalaag of op het +aschbed, of moesten zij nog dieper graven? Moest de bodem voor een +spoorweg zeer vast zijn? Zij moesten er iemand bij hebben, die er +verstand van had.</p> +<p>Donna Micaela kon hen echter nu niet te woord staan.</p> +<p>Morgen, morgen! heden had zij geen tijd om daaraan te denken. +Dadelijk daarna kwam donna Elisa met nog slechter nieuws.</p> +<p>Er was een stadswijk in Diamante, waar arme en woeste menschen +woonden. Deze ongelukkige stakkers waren angstig geworden, toen ze +hoorden van den spoorweg.</p> +<p>Nu komt er gewis een aardbeving of een uitbarsting van den Etna, +hadden ze gezegd<span class="corr" id="xd20e5502" title="Niet in bron">.</span></p> +<p>De machtige Etna duldt geen ijzeren banden. Hij zal den geheelen +spoorweg van zich afslingeren.</p> +<p>En het volk zei, dat men den spoorweg moest opbreken zoodra die +gelegd was.</p> +<p>Welk een ongeluksdag! Donna Micaela voelde zich verder dan ooit van +haar doel. <span class="pagenum">[<a id="pb227" href="#pb227" name="pb227">227</a>]</span></p> +<p>„Waarvoor dient het nu, of wij geld bijeenbrengen op den +bazaar?” zei ze mismoedig.</p> +<p>En het scheen ook niet, dat zij veel geld zou krijgen op haar feest. +’s Namiddags begon het te regenen. Sedert den dag, dat de klokken +luidden, had het nog niet zoo geregend in Diamante. ’t Was alsof +de wolken op de daken drukten, en het water er uit stroomde. Eer men +twee minuten op straat liep, was men doornat.</p> +<p>Tegen zes uur, toen donna Micaela’s bazaar geopend zou worden, +regende het zoo hard mogelijk. Toen zij in het klooster kwam, waren +daar geen andere menschen dan degenen, die haar zouden helpen verkoopen +en bedienen.</p> +<p>Zij had wel kunnen schreien! Welk een ongeluksdag! Wie had toch al +dezen tegenspoed over haar hoofd gebracht?</p> +<p>Donna Micaela’s blikken vielen op een vreemden man, die tegen +een pilaar leunde en haar beschouwde.</p> +<p>Opeens herkende zij hem! Dat was de jettatore. Het was de jettatore +van Catania, dien men haar reeds als kind had leeren vreezen.</p> +<p>Donna Micaela ging dadelijk naar hem toe.</p> +<p>„Wilt ge even met mij gaan, signor,” zei ze, terwijl zij +hem voorging. Zij wilde zoo ver weggaan, dat niemand hen hooren kon, +dan wilde zij hem verzoeken haar nooit meer onder de oogen te komen. +Zij moest het doen, zij kon niet toelaten dat hij haar geheele leven +verwoestte.</p> +<p>Zij dacht er in het geheel niet aan waar zij heenging. Plotseling +stond ze bij de deur van de kloosterkerk en trad naar binnen.</p> +<p>Het was er bijna donker. Alleen een klein olielampje brandde bij het +Christusbeeld.</p> +<p>Toen donna Micaela het Christusbeeld zag, verschrikte zij. Juist nu +had zij het liever niet gezien. Zij herinnerde zich hoe zijn kroon +gerold was voor Gaetano’s voeten, toen deze zoo vertoornd was op +de bandieten.</p> +<p>Misschien wilde het Christusbeeld niet, dat zij den jettatore +verstiet.</p> +<p>Maar zij had toch werkelijk reden hem te vreezen. En ’t was +slecht van hem op haar feest te verschijnen. Zij moest trachten hem van +hier te verwijderen. <span class="pagenum">[<a id="pb228" href="#pb228" +name="pb228">228</a>]</span></p> +<p>Donna Micaela liep de geheele kerk door en stond nu stil voor het +Christusbeeld.</p> +<p>Zij kon geen woord zeggen tot den man, die haar volgde. Zij +herinnerde zich hoeveel medelijden zij nog onlangs met hem gehad had, +omdat hij gevangen zat, hij evenals Gaetano.</p> +<p>Zij was zoo gelukkig geweest hem tot het leven terug te voeren. Wat +wilde zij nu doen?</p> +<p>Hem weer in de gevangenis zenden?</p> +<p>Zij dacht aan haar vader en aan Gaetano. Zou het nu voor den derden +keer zijn, dat zij...</p> +<p>Zij stond zwijgend en voerde een hevigen strijd met zich zelf.</p> +<p>Eindelijk begon de jettatore te spreken.</p> +<p>„Niet waar, signora, ge hebt genoeg van mij?”</p> +<p>Donna Micaela maakte een ontkennende beweging.</p> +<p>„Wenscht gij, dat ik terugkeer naar mijn cel?”</p> +<p>„Ik begrijp u niet, signor.”</p> +<p>„Ja zeker, gij begrijpt me wel. Er is u vandaag iets +vreeselijks overkomen. Gij ziet er nu geheel anders uit dan dezen +morgen.”</p> +<p>„Ik ben zeer moede,” zei donna Micaela ontwijkend.</p> +<p>Hij trad dicht op haar toe, als om haar de waarheid af te dwingen. +De vragen en antwoorden volgden elkaar kort en stootend.</p> +<p>„Ziet ge niet, dat uw geheele feest dreigt te +mislukken?”</p> +<p>„Dan doen we het morgen weer over.”</p> +<p>„Hebt ge mij dan niet herkend?”</p> +<p>„Ja, ik heb u vroeger wel eens in Catania gezien.”</p> +<p>„En gij zijt niet bang voor den jettatore?”</p> +<p>„Ja, vroeger als kind.”</p> +<p>„Maar nu zijt ge niet meer bevreesd?”</p> +<p>Zij ontweek hem te antwoorden.</p> +<p>„Zijt ge zelf bang?” vroeg ze.</p> +<p>„Zeg de waarheid!” zei hij ongeduldig. „Wat wildet +gij mij zeggen, toen gij mij hierheen voerdet?”</p> +<p>Zij zag onrustig om zich heen. Zij moest hem iets zeggen, zij moest +hem een antwoord geven. Toen kwam er een gedachte in haar op, die haar +angstig maakte. Zij zag naar het Christusbeeld. <span class="pagenum">[<a id="pb229" href="#pb229" name="pb229">229</a>]</span></p> +<p>„Eischt gij dit van mij?” scheen ze hem te vragen.</p> +<p>„Moet ik dit doen voor een vreemden man? Maar dit staat immers +gelijk met mijn eenige hoop te vernietigen.”</p> +<p>„Ik weet nauwelijks of ik het wel wagen durf u te zeggen, wat +ik u verzoeken wilde,” zeide zij.</p> +<p>„Neen, ziet ge wel dat gij den moed niet hebt.”</p> +<p>„Ik ben van plan een spoorweg aan te leggen, weet ge +dat?”</p> +<p>„Ja, dat weet ik.”</p> +<p>„Ik wilde u vragen of gij mij helpen wildet?”</p> +<p>„Ik! Ik!”</p> +<p>Nu zij eenmaal begonnen was, viel het haar gemakkelijker te +vervolgen. Zij was verbaasd hoe natuurlijk het klonk, toen zij het hem +vroeg.</p> +<p>„Ik weet, dat ge een spoorwegingenieur zijt. Ja, ge begrijpt +wel, dat aan mijn spoorweg geen geld verdiend wordt. Maar het was +beter, dat ge me hielpt, dan dat ge in uw cel opgesloten zit. Gij +verspilt slechts uw tijd.”</p> +<p>Hij keek haar bijna streng aan.</p> +<p>„Weet ge, wat ge daar zegt?”</p> +<p>„Ja, het is natuurlijk een vermetel verzoek.”</p> +<p>„Ja juist, een vermetel verzoek.”</p> +<p>Daarna begon de ongelukkige man haar te waarschuwen voor al het +onheil, dat haar dreigde, indien zij zijn hulp aannam.</p> +<p>„Het zou met uw spoorweg gaan, zooals met uw feest.”</p> +<p>Donna Micaela was overtuigd van de waarheid zijner woorden, maar zij +had nu alle wegen achter zich afgesloten, zij moest nu voortgaan, goed +te zijn.</p> +<p>„Mijn feest zal spoedig in vollen gang zijn,” zei ze +beslist.</p> +<p>„Hoor naar mij, donna Micaela,” zei de jettatore.</p> +<p>„Het laatste waaraan men weigert niet te gelooven is aan zich +zelf. Men kan niet nalaten zich zelf te vertrouwen.”</p> +<p>„Neen, waarom zou men dat ook doen?”</p> +<p>Hij maakte een beweging, alsof hij ongeduldig was over haar +vertrouwen.</p> +<p>„Toen ik eerst over de zaak begon te denken,” zei hij, +„troostte ik mij gemakkelijk. Door een paar ongelukkige +toevallen, zei ik tot mij zelf, heb je den naam van jettatore gekregen, +zoodat dit langzamerhand een vaste overtuiging <span class="pagenum">[<a id="pb230" href="#pb230" name="pb230">230</a>]</span>is +geworden. En juist dit geloof sticht het kwaad. Men heeft mij ontmoet +en geloofd, dat men zou verongelukken, en toen geschiedde het ook. Het +is een ongeluk erger dan de dood, aangezien te worden voor een +jettatore. Maar gij behoeft het zelf niet te gelooven.”</p> +<p>„Het is zoo ongerijmd,” zei donna Micaela.</p> +<p>„Ja, niet waar, hoe zouden mijn oogen de macht bezitten kwaad +te stichten? Ik wilde een proef nemen. Ik reisde naar een plaats, waar +niemand mij kende. Den volgenden morgen las ik in de courant, dat door +den trein waarmee ik gereisd had, een baanwachter overreden was. Toen +ik een dag in het hotel was, zag ik dat de hotelhouder wanhopig was, en +alle gasten ontsteld waren.</p> +<p>„Wat is er gebeurd?” vroeg ik.</p> +<p>„Een van onze bedienden is door de pokken aangetast. O, welk +een ellende!”</p> +<p>„Donna Micaela, toen sloot ik mij op en onthield mij van allen +omgang met menschen.</p> +<p>„Toen een jaar verstreken was, kwam ik tot rust. Ik ben immers +geen gevaarlijk mensch, zei ik, en ik wil toch niemand eenig kwaad +doen. Waarom zou ik dan als een misdadiger leven?</p> +<p>„Ik had mij juist voorgenomen terug te keeren tot het leven, +toen ik fra Felice in een der gangen ontmoette.</p> +<p>„Fra Felice, waar is de kat?”</p> +<p>„De kat, signor?”</p> +<p>„Ja, de kat van ’t klooster, wie ik altijd melk geef. +Waar is zij?”</p> +<p>„Zij is in een rattenval geraakt.”</p> +<p>„Wat zegt u, fra Felice?”</p> +<p>„De kat is met haar staart in de val gekomen en kon zich toen +niet bevrijden. Zij heeft zich naar een der ramen gesleept en is van +honger gestorven.”</p> +<p>„Wat zegt ge daarvan, donna Micaela?”</p> +<p>„Was het dan uw schuld, dat de kat stierf?”</p> +<p>„Ik ben immers een jettatore.”</p> +<p>Zij trok de schouders op. „Ach, welk een dwaasheid!”</p> +<p>„Toen eenige tijd verstreken was, ontwaakte opnieuw de lust in +mij om te leven. Toen klopte Gandolfo op mijn deur en noodigde mij op +dit feest. Waarom zou ik niet gaan? <span class="pagenum">[<a id="pb231" href="#pb231" name="pb231">231</a>]</span>Men kan onmogelijk +van zich zelf gelooven, dat men ongeluk aanbrengt, alleen door zich te +vertoonen.</p> +<p>„’t Was reeds een feest, donna Micaela, me klaar te +maken, en mijn zwarte kleeren voor den dag te halen, ze te borstelen en +aan te trekken. Maar toen ik op het feestterrein kwam, was dit +verlaten, de regen stroomde neer, en uw Venetiaansche ballons waren vol +water.</p> +<p>„En gij zelf zaagt er uit, alsof al de rampen van het leven u +op één dag getroffen hadden.</p> +<p>„Toen ge mij zaagt, werdt ge aschgrauw van schrik.</p> +<p>„Ik vroeg iemand: Hoe heet signora Alagona van zich +zelf?—Palmeri—</p> +<p>„O, Palmeri, zij is dus uit Catania? Zij heeft den jettatore +herkend.”</p> +<p>„Ja, ’t is waar, ik heb u herkend.”</p> +<p>„Ge zijt zeer goed en vriendelijk geweest en ik ben zeer +bedroefd, dat ik uw feest verstoord heb. Maar nu beloof ik u, dat ik +mij verre van uw feest zoowel als van uw spoorweg zal +houden.”</p> +<p>„Waarom zoudt gij u daar verre van houden?”</p> +<p>„Ik ben immers een jettatore.”</p> +<p>„Dat geloof ik niet. Ik kan het niet gelooven.”</p> +<p>„Ik geloof het zelf ook niet. Maar toch, ja, ik geloof het. +Weet ge, dat men zegt, dat niemand een jettatore kan overwinnen, dan +hij die even groot in slechtheid is, als de jettatore zelf?</p> +<p>„Men vertelt, dat eens een jettatore in den spiegel zag, en +dat hij toen neerstortte en stierf. Ik zie nooit in den spiegel. Ik +geloof het dus zelf.”</p> +<p>„Ik geloof het niet. Misschien geloofde ik het nog wel, toen +ik u daarbuiten zag. Nu echter geloof ik het niet meer.”</p> +<p>„Gij wildet mij misschien laten werken aan uw +spoorweg?”</p> +<p>„Ja, ja, indien gij slechts zelf wilt.”</p> +<p>Weer trad hij dicht op haar toe, en zij wisselden eenige korte +zinnen.</p> +<p>„Kom in het licht, ik wil uw gelaat zien.”</p> +<p>„Ge gelooft, dat ik niet de waarheid spreek?”</p> +<p>„Ik geloof, dat ge slechts beleefd wilt zijn.”</p> +<p>„Beteekent die spoorweg iets voor u?”</p> +<p>„Die beteekent leven en geluk voor mij.” <span class="pagenum">[<a id="pb232" href="#pb232" name="pb232">232</a>]</span></p> +<p>„Hoezoo?”</p> +<p>„Die moet iemand winnen, dien ik liefheb.”</p> +<p>„Zeer lief?”</p> +<p>Zij antwoordde niet, maar hij kon het antwoord lezen in haar +blik.</p> +<p>Toen viel hij op de knieën voor haar en boog zijn hoofd zoo +diep, dat hij den zoom van haar kleed kon kussen.</p> +<p>„Gij zijt goed, gij zijt zeer goed. Dit zal ik nooit vergeten. +Indien ik degene was, waarvoor ge mij hieldt, hoe zou ik u dan +dienen!”</p> +<p>„Maar ge <i>moet</i> mij dienen,” zei ze. En zij was zoo +getroffen door zijn ongeluk, dat zij in het geheel geen vrees meer +gevoelde, dat hij haar deren zou.</p> +<p>Hij sprong op.</p> +<p>„Ik wil u iets zeggen. Ge kunt niet loopen zonder te +struikelen wanneer ik naar u zie.”</p> +<p>„O, waarom niet?”</p> +<p>„Beproef het!”</p> +<p>En zij beproefde het. Maar zij was bang. Reeds bij de eerste schrede +voelde zij zich onzeker.</p> +<p>Maar toen dacht zij: „Indien het voor Gaetano was, dan kon ik +het zeker wel.” En toen ging het ook.</p> +<p>Zij liep heen en weer.</p> +<p>„Zal ik het nog één maal doen?” Hij +knikte.</p> +<p>Terwijl zij liep kwam de gedachte bij haar op:</p> +<p>Het Christusbeeld heeft den vloek van hem genomen, omdat hij mij wil +helpen.</p> +<p>Zij wendde zich plotseling om en kwam naar hem toe.</p> +<p>„Weet ge, weet ge dat ge geen jettatore zijt?”</p> +<p>„Ben ik dat niet?”</p> +<p>„Neen, neen!” zij greep hem bij den arm en schudde dien. +„Begrijpt ge dan niet, ziet ge dan niet? ’t Is van u +genomen.”</p> +<p>De stem van den kleinen Gandolfo klonk buiten de kerk.</p> +<p>„Donna Micaela, donna Micaela, waar zijt ge? Er zijn zooveel +menschen, donna Micaela! Waar zijt ge?”</p> +<p>„Regent het dan niet meer?” zei de jettatore met +onzekere stem.</p> +<p>„’t Regent niet meer, hoe zou het kunnen regenen? Het +Christusbeeld heeft den vloek van u genomen, opdat gij zijn spoorweg +zoudt kunnen dienen.” <span class="pagenum">[<a id="pb233" href="#pb233" name="pb233">233</a>]</span></p> +<p>De man wankelde en greep met zijn hand in de lucht.</p> +<p>„’t Is weg. ’k Geloof, dat het weg is. Nog zooeven +was het over mij, maar nu...”</p> +<p>Weer wilde hij knielen voor donna Micaela.</p> +<p>„Dank mij niet,” zei zij. „Maar hem, hem!” +en zij wees op het Christusbeeld.</p> +<p>Maar toch viel hij voor haar op de knieën, kuste haar handen, +en onder snikken en tranen vertelde hij haar hoe de menschen hem +vervolgd en verafschuwd hadden en hoeveel ellende het leven hem +gebracht had.</p> +<p>Den volgenden dag begon de jettatore te werken aan den spoorweg. En +hij was niet gevaarlijker dan eenig ander mensch. <span class="pagenum">[<a id="pb234" href="#pb234" name="pb234">234</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div2" id="ch2.9"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 id="xd20e5800" class="label">IX.</h3> +<h3 class="main">Het paleis Geraci en het paleis Corvaja.</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">In den tijd, toen de Noormannen nog op Sicilië +heerschten, lang voordat het geslacht Alagona op het eiland kwam, +werden in Diamante twee heerlijke gebouwen opgetrokken, het palazzo +Geraci en het palazzo Corvaja.</p> +<p>De edele baronnen Geraci kozen hun verblijf bij de markt, hoog op de +kruin van den Monte Chiaro. De baronnen Corvaja daarentegen bouwden hun +paleis aan den voet van den berg en omgaven het met groote parken.</p> +<p>De zwarte lavamuren van het palazzo Geraci werden opgetrokken rondom +een kleinen, vierkanten binnenhof, die louter stemming en heerlijkheid +was. Een hooge trap, onder een eerepoort met wapens versierd, voerde +naar de tweede verdieping.</p> +<p>Niet rondom den hof, maar hier en daar op de meest onverwachte +plaatsen openden de muren zich om plaats te maken voor kleine, met +zuilen versierde loggia’s.</p> +<p>De wanden waren bedekt met <span class="corr" id="xd20e5814" title="Bron: reliefs">reliëfs</span>, bonte platen Siciliaansch marmer +en met de wapenschilden der baronnen Geraci. Er waren ook vensters, +maar die waren zeer klein, met prachtig bewerkte vensterkozijnen. Er +waren ronde raampjes met zulke kleine lichtopeningen, dat ze bedekt +konden worden door een druiveblad, of langwerpige, die zoo smal waren, +dat ze niet meer licht doorlieten dan een reet van een gordijn.</p> +<p>De baronnen van Corvaja dachten er niet aan den binnenhof van hun +paleis te versieren, maar ze bouwden een <span class="pagenum">[<a id="pb235" href="#pb235" name="pb235">235</a>]</span>heerlijke zaal op de +benedenverdieping. In den vloer werden groote waterbakken voor +goudvisschen gemetseld, in de muurnissen werden fonteinen met +mozaïek geplaatst, waar helder water neerbruiste in geweldige +reuzenschelpen.</p> +<p>Boven deze zaal welfden zich Moorsche bogen, gedragen door slanke +zuilen, omslingerd door ranken van mozaïek. Het was een zaal, +waarvan de weerga slechts te vinden was in het Saracenenslot te +Palermo.</p> +<p>Er heerschte een felle wedijver tusschen de beide geslachten +gedurende de gansche bouwperiode.</p> +<p>Wanneer het palazzo Geraci een balkon kreeg, werd het palazzo +Corvaja versierd met hooge Gothische boogvensters; toen het dak van het +paleis Geraci getooid werd met rijk gebeeldhouwde tinnen, werd er op +het palazzo Corvaja een meterhooge fries aangebracht van zwart marmer +met wit ingelegd.</p> +<p>Het huis Geraci had een hoogen toren, maar het paleis Corvaja een +dakterras met hooge vazen op de balustrade.</p> +<p>Toen de paleizen eindelijk voltooid waren, werd de wedstrijd +voortgezet tusschen de families die ze gebouwd hadden.</p> +<p>De vijandschap en de strijd schenen zich van de huizen mee te deelen +aan allen, die daarin woonden.</p> +<p>Een baron Geraci kon nooit gelijk denken met een baron Corvaja.</p> +<p>Als Geraci voor Anjou streed, vocht Corvaja voor Manfred. Veranderde +Geraci van kleur en stond hij Aragonie bij, dan trok Corvaja naar +Napels om voor Robert en Johanna te strijden.</p> +<p>Maar dat alles was nog niet genoeg. Het stond vast, dat wanneer +Geraci een schoonzoon kreeg, ook Corvaja zijn macht moest vermeerderen +door een goed huwelijk.</p> +<p>De beide geslachten konden nooit tot rust komen.</p> +<p>Men moest eten om strijd, zich vermaken om strijd, en werken om +strijd. De Geraci’s trokken naar het hof der Bourbons in Napels, +niet uit lust om zich te onderscheiden, maar omdat de Corvaja’s +daar ook waren.</p> +<p>De Corvaja’s van hun kant moesten wijn verbouwen en +zwavelmijnen bezitten, omdat de Geraci’s belangstelden in +landbouw en mijnwezen.</p> +<p>Als een Geraci een erfenis gekregen had, moest ook een <span class="pagenum">[<a id="pb236" href="#pb236" name="pb236">236</a>]</span>oude +bloedverwant van Corvaja sterven, opdat de eer van het geslacht niet +overstraald zou worden.</p> +<p>’t Palazzo Geraci had voortdurend werk om zijn dienaren te +tellen, opdat het palazzo Corvaja het niet zou overtreffen.</p> +<p>Maar niet alleen lette men op de bedienden, men hield ook rekening +met de galons der livreien en met het tuig der paarden.</p> +<p>De pluimen van Corvaja’s vierspan mochten geen duim hooger +zijn dan die der Geraci’s. Hun kudden geiten moesten zich in +dezelfde mate vermenigvuldigen, en de ossen der Geraci’s moesten +even groote hoornen hebben als die van Corvaja.</p> +<p>Men zou geloofd hebben, dat in onze dagen de vijandschap tusschen +beide paleizen geëindigd was. Nu woont er noch een der +Corvaja’s in het eene paleis, noch een der Geraci’s in het +andere.</p> +<p>Nu is de binnenhof der Geraci’s een vuile plaats, waarop +zoowel ezelstallen als varkenshokken en kippenloopen te vinden zijn. Op +de hooge trap hangen lompen te drogen, en de <span class="corr" id="xd20e5861" title="Bron: reliefs">reliëfs</span> zijn beschadigd +en gebroken.</p> +<p>In een der beide hallen wordt handel in groenten gedreven, in de +andere is een schoenmakerswerkplaats.</p> +<p>De poortwachter ziet er uit als een ellendige bedelaar, en van den +kelder tot den zolder vindt men niets anders dan arme uitgehongerde +menschen.</p> +<p>En met het paleis Corvaja gaat het niet veel beter.</p> +<p>Er is geen spoor meer te vinden van de mozaïekbekleeding in de +groote zaal, nu zijn er nog slechts naakte, kale gewelven.</p> +<p>Daar wonen geen bedelaars, omdat het paleis voor het grootste +gedeelte in puinhoopen ligt. Slechts zijn schoone gevel met de +gebeeldhouwde vensterbogen verheft zich nog naar den blauwen +Siciliaanschen hemel.</p> +<p>Maar toch is de vijandschap tusschen Geraci en Corvaja niet +geëindigd. In de oude tijden waren het niet alleen de edele +geslachten zelve, die met elkaar in strijd waren, maar ook hun buren en +onderhoorigen.</p> +<p>Gansch Diamante werd verdeeld tusschen Geraci en Corvaja. Nog loopt +er een hooge, met puntige glasscherven bedekte muur door de stad, die +het deel van Diamante, dat <span class="pagenum">[<a id="pb237" href="#pb237" name="pb237">237</a>]</span>aan de zijde der Geraci’s +staat, scheidt van dat, hetwelk zich voor Corvaja verklaard heeft.</p> +<p>Nog in onze dagen wil geen man van Geraci trouwen met een meisje van +Corvaja. En een herder van Corvaja kan zijn schapen niet laten drinken +van de bron van Geraci. Ze hebben niet eens dezelfde heiligen.</p> +<p>San Pasquale wordt aangebeden door Geraci, terwijl de zwarte Madonna +de schutspatrones van Corvaja is.</p> +<p>Een man van Geraci zal nooit iets anders gelooven, dan dat geheel +Corvaja vol is van toovenaars, heksen en weerwolven.</p> +<p>Een man van Corvaja zal bij zijn zaligheid zweren, dat in Geraci +niets anders gevonden worden dan bandieten en gauwdieven.</p> +<p>Donna Micaela woonde op Geraci’s gebied, en spoedig waren al +de bewoners van dat stadsdeel aanhangers van haar spoorweg. Maar toen +kon Corvaja natuurlijk niets anders doen dan haar tegenwerken.</p> +<p>Corvaja’s bewoners waren bizonder misnoegd over twee zaken. Ze +waren naijverig op de eer der zwarte Madonna en het stond hun dus niet +aan, dat er nog een wonderdoend beeld in Diamante gekomen was.</p> +<p>Dit was het eene; het tweede was, dat zij vreesden dat de Mongibello +geheel Diamante onder asch en vuur zou begraven, indien men hem door +een spoorweg wilde bedwingen.</p> +<p>Eenige dagen na den bazaar, begon het palazzo Corvaja zich vijandig +te gedragen. Donna Micaela vond op een dag op haar dakterras een +citroen, die zoo dicht met spelden bezet was, dat die geleek op een +stalen bal.</p> +<p>Die kwam van het palazzo Corvaja, dat zoo vele smarten in haar hoofd +wilde tooveren, als er spelden in den citroen waren.</p> +<p>Toen wachtte Corvaja eenige dagen om te zien welke uitwerking de +citroen had. Maar toen donna Micaela’s arbeiders bleven +doorwerken aan den spoorweg, kwamen de mannen van Corvaja op een nacht +om den weg op te breken. En toen de staven den volgenden dag weer +gelegd waren, sloeg men de ruiten in San Pasquale stuk en wierp het +Christusbeeld met steenen.— <span class="pagenum">[<a id="pb238" +href="#pb238" name="pb238">238</a>]</span></p> +<p>—Het was een langwerpig en smal marktplein aan de Zuidzijde +van den Monte Chiaro. Aan de beide lange zijden stonden donkere, hooge +huizen. Aan een der korte zijden gaapte een afgrond, aan den anderen +kant verhief zich een steile berg. Er waren terrassen uitgehouwen in de +berghelling, maar de trappen waren vervallen en de treden gebroken. Op +het grootste terras verhief zich de statige ruïne van het paleis +Corvaja.</p> +<p>Het voornaamste sieraad van het marktplein was een prachtig, +langwerpig waterbassin, dat onder de terrassen, dicht bij den berg +stond. Het was van sneeuwwit marmer met relief versierd en gevuld met +helder, koel water. Dit was het best bewaard gebleven van al de +vroegere heerlijkheden van Corvaja.</p> +<p>Op een schoonen, vredigen avond kwamen er twee dames, in het zwart +gekleed, op het kleine marktplein. Op dit oogenblik lag het geheel +verlaten. De beide dames keken rond, maar toen zij geen enkel mensch +zagen, namen zij plaats op de bank bij de bron om te wachten.</p> +<p>Spoedig kwamen er eenige nieuwsgierige kinderen te voorschijn en +keken naar haar, en de oudste der beide dames begon met de kinderen te +spreken. Zij vertelde hun sagen.</p> +<p>„Er was eens,” zei ze.</p> +<p>Toen vertelde ze den kinderen van het Christuskind, dat zich in +rozen en leliën veranderde, toen de Madonna een van Herodes’ +soldaten ontmoette, die het bevel ontvangen hadden alle kinderen te +dooden; en ze luisterden naar de legende van het Christuskind, dat eens +vogelen van leem maakte, en in de handen klapte en den leemen koekoeken +vleugels gaf om weg te vliegen, toen een slechte knaap ze kapot wilde +slaan.</p> +<p>Terwijl de oude dame sprak, verzamelden zich vele kinderen om haar +heen, maar ook volwassen menschen. ’t Was juist Zaterdagavond, +zoodat de arbeiders van hun werk op het land terugkeerden. De meesten +kwamen bij Corvaja’s bron om een teug koel water te drinken +vóórdat zij naar huis gingen<span class="corr" id="xd20e5917" title="Niet in bron">.</span></p> +<p>Toen zij hoorden dat er sagen verteld werden, bleven zij staan om te +luisteren. <span class="pagenum">[<a id="pb239" href="#pb239" name="pb239">239</a>]</span></p> +<p>De beide dames waren spoedig omringd door een donkeren muur van +grove, zwarte mantels en slappe hoeden.</p> +<p>Plotseling zei de oude dame tot de kinderen:</p> +<p>„Houdt ge van het Christuskind?”</p> +<p>„Ja, ja,” zeiden ze en hun groote, donkere oogen +schitterden.</p> +<p>„Zoudt ge het gaarne willen zien?”</p> +<p>„Ja, ja,” riepen de kinderen.</p> +<p>De dame sloeg haar mantille op en toonde den kinderen een klein +Christusbeeld, rijk versierd met ringen, en een gouden kroon op het +hoofd en gouden schoentjes aan de voeten.</p> +<p>„Hier is het,” zei ze. „Ik heb het meegenomen om +het je te toonen.”</p> +<p>De kinderen waren opgetogen. Eerst vouwden ze hun handjes voor het +ernstige gezicht van het beeld, toen wierpen zij het kushandjes +toe.</p> +<p>„Is hij niet schoon?” zei de oude dame.</p> +<p>„Mogen wij hem hebben, mogen wij hem hebben?” riepen de +kinderen.</p> +<p>Maar nu drong een groote, ruwe arbeider, een donkere man met ruigen, +zwarten baard, naar voren. Hij wilde het beeld tot zich rukken.</p> +<p>De oude dame had nauwelijks den tijd om het achter haar rug te +verbergen.</p> +<p>„Geef hier, donna Elisa, geef hier!” zei de man.</p> +<p>De arme donna Elisa wierp een blik op donna Micaela, die den +ganschen tijd stil en misnoegd naast haar gezeten had. Donna Micaela +had zich slechts met moeite laten overreden om mede te gaan naar +Corvaja om het beeld aan het volk te toonen.</p> +<p>„’t Beeld helpt ons, wanneer het wil,” zei zij. +„Wij moeten het niet tot wonderen dwingen.”</p> +<p>Maar donna Elisa had volstrekt willen gaan; ze had gezegd, dat het +beeld slechts wachtte om tot de ontrouwe stakkers in Corvaja gevoerd te +worden.</p> +<p>Na alles, wat hij reeds gedaan had, konden zij wel zooveel +vertrouwen in hem stellen, dat ze geloofden dat hij ook deze menschen +voor zich zou winnen.</p> +<p>Maar nu stond zij daar, donna Elisa, terwijl de woeste <span class="pagenum">[<a id="pb240" href="#pb240" name="pb240">240</a>]</span>man +zich over haar heen boog en zij wist niet hoe zij kon verhinderen, dat +hij het beeld nam.</p> +<p>„Geef het mij goedschiks, donna Elisa,” zei de man, +„anders, bij God, neem ik het met geweld. Ik zal het in stukjes, +in kleine, kleine stukjes hakken.</p> +<p>„Ge zult zien hoeveel er overblijft van uw houten pop.</p> +<p>„Ge zult eens zien of ’t het zal kunnen volhouden tegen +de zwarte Madonna.”</p> +<p>Donna Elisa drukte zich tegen den bergwand, ze zag geen uitweg. Ze +kon noch vluchten, noch zich verzetten.</p> +<p>„Micaela!” riep zij klagend, „Micaela!”</p> +<p>Donna Micaela was zeer bleek. Zij hield de handen tegen het hart +gedrukt, zooals ze placht te doen, als ze heftig bewogen was. Zij vond +het vreeselijk, vijandig te staan tegenover deze donkere mannen. +’t Waren juist deze mannen in korte mantels met slappe hoeden, +waarvoor zij altijd zoo bang was.</p> +<p>Maar nu donna Elisa haar riep, wendde zij zich plotseling om, trok +het beeld naar zich toe en strekte het naar den man uit.</p> +<p>„Neem het,” zei zij fier. En zij ging hem zelfs een +schrede tegemoet. „Neem het en doe er mee, wat ge +kunt.”</p> +<p>Zij hield het beeld voor zich uitgestrekt en trad al dichter op den +donkeren arbeider toe.</p> +<p>Hij wendde zich naar zijn kameraden.</p> +<p>„Zij gelooft dat ik haar pop niets doen kan,” zei hij +hoonend.</p> +<p>En alle arbeiders sloegen zich op de knieën en lachten.</p> +<p>Hij nam het beeld echter niet, maar greep naar de groote spade, die +hij in de hand hield. Hij week een paar stappen achteruit, hief de +spade boven zijn hoofd, en spande al zijn spieren tot een slag, die in +eens het gehate beeld zou verpletteren.</p> +<p>Donna Micaela schudde waarschuwend het hoofd.</p> +<p>„Je kunt het toch niet,” zei ze en ze trok het beeld +niet terug.</p> +<p>Hij zag dat zij toch bevreesd was, en hij genoot van haar angst.</p> +<p>Zoo stond hij langer met opgeheven spade dan strikt noodzakelijk +was. <span class="pagenum">[<a id="pb241" href="#pb241" name="pb241">241</a>]</span></p> +<p>„Piero!” klonk het toen luid jammerend. „Piero, +Piero!”</p> +<p>„Mijn God, Marcia roept mij,” zei hij.</p> +<p>Op hetzelfde oogenblik stormde een schaar menschen uit een kleine +hut, die gebouwd was tusschen de puinhoopen van het palazzo Corvaja. +Het waren ongeveer tien vrouwen, die met een karabinier vochten.</p> +<p>De karabinier hield een kind op den arm, en de vrouwen trachtten hem +dit kind te ontrukken. Maar de politieagent, die een sterke man was, +maakte zich van haar allen los, zette het kind op den schouder, en +sprong de trede van het terras op.</p> +<p>De donkere Piero had er naar gekeken zonder een beweging te maken. +Toen de karabinier zich losrukte, boog hij zich tot donna Micaela en +zei haastig:</p> +<p>„Kan het beeld dit verhinderen, dan zal geheel Corvaja aan +zijn zijde staan.”</p> +<p>Nu was de karabinier op de markt. Piero maakte een beweging met de +hand, oogenblikkelijk sloten zijn kameraden een kring om den +vluchtende. Waar deze zich wendde, overal zag hij een dichte rij mannen +om zich heen, die hem dreigden met hun schoppen en spaden.</p> +<p>Er ontstond plotseling een vreeselijke verwarring. De vrouwen, die +met den karabinier gestreden hadden, stortten zich nu gillend tusschen +de mannen. ’t Meisje, dat de agent vasthield, schreeuwde uit al +haar macht en trachtte zich los te rukken. Menschen kwamen van alle +kanten aanstormen. Het was een ontzettend getier en geraas.</p> +<p>„Laten wij nu gaan,” zei donna Elisa tot donna Micaela. +„Nu denkt niemand meer aan ons.”</p> +<p>Maar donna Micaela’s blik was gevallen op een der vrouwen. Zij +schreeuwde niet, maar men zag dadelijk dat haar de zaak aanging. Men +kon het haar aanzien, dat zij op het punt stond het geluk van haar +leven te verliezen.</p> +<p>Het was een vrouw, die eens zeer schoon geweest moest zijn, hoewel +nu alle frischheid van haar geweken was, want zij was niet jong meer. +Maar nog had zij een indrukwekkend en fier gelaat. „Hier is een +ziel, die kan lijden en liefhebben,” zei het gezicht.</p> +<p>Donna Micaela voelde zich innig aangetrokken tot deze arme vrouw. +<span class="pagenum">[<a id="pb242" href="#pb242" name="pb242">242</a>]</span></p> +<p>„Neen, nog is het geen tijd om weg te gaan,” zei ze tot +donna Elisa.</p> +<p>De karabinier vroeg en vroeg of men hem wilde laten gaan.</p> +<p>„Neen, neen. Niet voordat hij het kind losliet!”</p> +<p>’t Kind was van Piero en zijn vrouw Marcia, maar zij waren +niet de werkelijke ouders van het kind, daardoor was de twist +ontstaan.</p> +<p>De karabinier trachtte door overreding het volk aan zijn zijde te +krijgen. Niet Piero of Marcia, maar de anderen wilde hij +overtuigen.</p> +<p>„Ninetta is de moeder van het kind,” zei hij, „dat +weet ge immers wel. Zij kon het kind niet bij zich hebben, toen zij +ongetrouwd was, maar nu is zij getrouwd en wil haar kind terughebben. +En nu weigert Marcia Ninetta’s zoontje af te staan. ’t Is +zoo hard voor Ninetta, die in acht jaar haar kind niet bij zich gehad +heeft. Marcia wil het niet afstaan; zij jaagt Ninetta weg, als zij om +haar kind vraagt. Ten slotte moest Ninetta bij den sindaco om hulp +vragen. En de sindaco heeft ons bevolen, haar het kind terug te +bezorgen.</p> +<p>„’t Is toch ook Ninetta’s kind,” zei hij +overredend.</p> +<p>Maar zijn woorden hadden niet veel uitwerking op de mannen van +Corvaja.</p> +<p>„Ninetta is een Geraci,” riep Piero en de kring bleef +rondom den karabinier gesloten.</p> +<p>„Toen we hier kwamen om het kind te halen,” zei deze, +„konden we het niet vinden. Marcia was in den rouw, haar kamer +was met zwart doek bekleed, en vele vrouwen zaten bij haar te treuren. +Zij toonden ons het doodattest van het kind. Wij gingen naar Ninetta om +haar te zeggen dat haar kind op het kerkhof lag.</p> +<p>„Nu goed! Een uur later moest ik hier op de markt op wacht +staan. Ik keek naar de spelende kinderen. Wie was het sterkste en wie +riep het luidst? Was dat niet een der meisjes? „Hoe heet +je?” vroeg ik haar.</p> +<p>„Francesco,” antwoordde zij dadelijk.</p> +<p>„’t Viel mij in dat dit meisje Francesco Ninetta’s +knaap kon zijn, en ik wachtte stil, tot ik Francesco in Marcia’s +huis zag gaan. Ik trad binnen en zag het meisje Francesco avondbrood +<span class="pagenum">[<a id="pb243" href="#pb243" name="pb243">243</a>]</span>eten bij Marcia. Zij en al de treurende vrouwen +begonnen te schreeuwen, toen zij mij zagen. Toen greep ik signorina +Francesco en vluchtte met haar, want het kind is niet van Marcia. +Begrijp het toch, signori! Het is van Ninetta. Marcia heeft er geen +recht op.”</p> +<p>Toen begon Marcia eindelijk te spreken. Zij sprak met een diepe +stem, die de omstanders dwong naar haar te luisteren, en zij maakte +slechts weinige maar edele gebaren.</p> +<p>„Had zij geen recht op het kind? Maar wie had het dan voedsel +en kleeren gegeven? Het was duizend malen gestorven, indien zij het +niet genomen had.</p> +<p>„En bovendien, recht! recht! Wat wilde dat zeggen? Degene, die +het kind liefhad, had recht op het kind. Piero en zij hadden den jongen +lief als hun eigen zoon. Zij konden niet van hem scheiden.”</p> +<p>De vrouw was wanhopig, maar misschien de man nog meer. Hij dreigde +den karabinier, zoodra deze zich slechts bewoog. Toch scheen de +karabinier te merken, dat hem de zege zou geworden.</p> +<p>Men had gelachen toen hij sprak van signorina Francesco.</p> +<p>„Dood mij, als ge wilt,” zei hij tot Piero. „Maar +helpt je dat? Zal je het kind daardoor mogen behouden? Het is niet van +jou maar van Ninetta.”</p> +<p>Piero wendde zich tot donna Micaela.</p> +<p>„Bid hem, dat hij mij helpt!” Hij wees op het beeld.</p> +<p>Donna Micaela ging dadelijk naar Marcia. Zij was vol vrees en beefde +voor hetgeen zij waagde, maar nu was het geen tijd zich te onthouden +van inmenging.</p> +<p>„Marcia,” fluisterde zij, „beken! Beken het als je +durft.”</p> +<p>De vrouw zag haar ontsteld aan.</p> +<p>„Ik zie het immers,” fluisterde donna Micaela. +„Gij zijt zoo gelijk als twee appels van denzelfden +boom.—Maar ik zal niets zeggen, als je het niet wilt.”</p> +<p>„Hij zal mij dooden,” zei Marcia.</p> +<p>„Ik weet, dat er één is, die niet zal toestaan +dat hij u doodt,” zei donna Micaela. „Anders ontneemt men u +het kind,” vervolgde zij.</p> +<p>Allen zwegen en keken naar de beide vrouwen. Men zag hoe Marcia met +zich zelf streed. Haar gelaatstrekken vertrokken <span class="pagenum">[<a id="pb244" href="#pb244" name="pb244">244</a>]</span>zich +in hevige ontroering. Toen bewoog zij de lippen. „Het is mijn +kind,” zei zij, maar haar stem was zoo diep, dat niemand het +hoorde. Zij zei het nog eens, nu klonk het als een doordringende +kreet.</p> +<p>„Het kind is van mij.”</p> +<p>„Wat zal je mij doen, nu ik het beken?” zei ze tot haar +man. „Het kind is van mij, maar niet van jou. Het werd geboren in +het jaar, dat jij in Messina werkte. Ik bracht het bij La Felucca en +daar was ook het zoontje van Ninetta. Een dag toen ik bij La Felucca +kwam, zei ze: Ninetta’s zoontje is dood. Eerst dacht ik slechts: +God, indien het mijn kind was geweest!</p> +<p>„Maar toen zei ik tot La Felucca: Laat mijn jongen dood zijn, +en laat Ninetta’s zoontje leven. Ik gaf La Felucca mijn zilveren +kam en zij deed, gelijk ik wilde.</p> +<p>„Toen jij thuis kwam van Messina, zei ik tot je:</p> +<p>„Laten we een kind aannemen. ’t Is nooit goed tusschen +ons beiden geweest. Laten we het eens probeeren met een kind.” +Jij vondt het goed, en ik nam mijn eigen kind tot mij. En jij kreeg het +kind lief en wij leefden als in een paradijs.”</p> +<p>Reeds vóórdat zij uitgesproken had, zette de +karabinier het kind op den grond. De donkere mannen openden zwijgend +hun gelederen voor hem en hij vervolgde stil zijn weg.</p> +<p>Maar een rilling voer donna Micaela door de leden, toen ze den +karabinier zag weggaan. Juist nu moest hij gebleven zijn om de +ongelukkige vrouw te beschermen.</p> +<p>Het was als wilde hij door zijn heengaan zeggen:</p> +<p>Die vrouw staat buiten de wet.</p> +<p>De een na den ander ging weg.</p> +<p>Piero stond roerloos en keek niet op. Maar de beklemming van iets +geweldigs en ontzettends lag op hem; toorn en wanhoop wies in hem tot +toomloozen hartstocht. Zoodra hij en Marcia alleen zouden zijn, zou er +iets ontzettends gebeuren.</p> +<p>En het vreeselijkste was, dat de vrouw geen enkele poging deed om +haar noodlot te ontgaan. Zij stond onbeweeglijk, verlamd door de +zekerheid, dat haar vonnis geveld was en dat niets dit kon doen +veranderen. Zij smeekte noch <span class="pagenum">[<a id="pb245" href="#pb245" name="pb245">245</a>]</span>vluchtte. Zij kromp ineen als een +hond voor zijn toornigen meester.</p> +<p>De Siciliaansche vrouwen weten wat haar wacht, wanneer zij de eer +van haar man beleedigd hebben.</p> +<p>De eenige, die haar trachtte te verdedigen, was donna +Micaela.—Nooit zou zij Marcia gevraagd hebben het te bekennen, +zei zij tot Piero, indien zij geweten <span class="corr" id="xd20e6121" +title="Niet in bron">had</span>, hoe hij was. Zij had geloofd dat hij +een edele man was. Een edel mensch zou gezegd hebben: „Ge hebt +slecht gehandeld, maar omdat gij uw misdaad bekend hebt voor allen en +ge u aan mijn toorn blootgesteld hebt om uw kind te redden, schenk ik u +vergiffenis. Ge hebt straf genoeg gehad.” Een edele man zou het +kind op den eenen arm genomen hebben, en den anderen om zijns vrouws +middel geslagen hebben, en stil naar huis gegaan zijn. Een signor zou +zoo gehandeld hebben. Maar hij was geen signor, hij was een +bloedhond.</p> +<hr class="tb"> +<p>Zij kon spreken zoo veel zij wilde, de man hoorde haar niet, de +vrouw hoorde haar niet. Het was alsof haar woorden teruggekaatst werden +door een ondoordringbaren muur.</p> +<p>Het kind ging naar den vader en trachtte zijn hand te grijpen. Hij +keek den knaap toornig aan; nu deze gekleed was in meisjeskleeren en +zijn haar gladgekamd en achter de ooren weggestreken was, zag hij +dadelijk de gelijkenis met Marcia, die hem vroeger nooit getroffen had. +Hij schopte Marcia’s zoon van zich weg.</p> +<p>Een drukkende stemming heerschte er op de markt. De menschen trokken +zich langzaam en stil terug. Velen gingen onwillig en aarzelend, maar +zij gingen toch. Piero scheen slechts te wachten tot de laatste +heengegaan was.</p> +<p>Donna Micaela had opgehouden te spreken, ze nam stil het +Christusbeeld en legde het in Marcia’s armen.</p> +<p>„Neem hem, zuster Marcia, moge hij u beschermen,” zei +ze.</p> +<p>De man zag dit en het scheen zijn toorn te vermeerderen. ’t +Was alsof hij niet meer op het oogenblik kon wachten, dat zij alleen +zouden zijn. Hij kromde zijn lichaam gelijk een roofdier, dat zich +gereedmaakt tot een sprong.</p> +<p>Maar het beeld rustte niet tevergeefs in Marcia’s armen. +<span class="pagenum">[<a id="pb246" href="#pb246" name="pb246">246</a>]</span></p> +<p>De verworpeling bewoog haar tot een handeling van de hoogste +liefde.</p> +<p>Wat zal Christus in het paradijs zeggen tot mij, die eerst mijn man +bedrogen en hem later tot een moordenaar gemaakt heb? dacht zij. En zij +herinnerde zich hoe lief ze dien grooten Piero gehad had in de +gelukkige dagen van haar jeugd. Nooit had zij gedacht zulk een ellende +over hem te brengen.</p> +<p>„Neen, Piero, neen, dood mij niet!” schreeuwde zij. +„Zij zullen je naar de galeien zenden. Je behoeft mij nooit meer +te zien.” Zij ijlde naar de andere zijde van de markt, waar een +diepe afgrond gaapte. Men begreep wat zij wilde doen. Haar gezicht +sprak voor haar.</p> +<p>Verscheidene menschen liepen haar na, maar zij was hun een goed eind +vooruit. Toen gleed het beeld dat zij op de armen droeg op den grond, +juist voor haar voeten. Zij struikelde er over en viel. Daardoor +haalden de anderen haar in. Zij worstelde om los te komen, maar een +paar mannen hielden haar vast.</p> +<p>„Och, laat mij los! ’t Is beter voor hem!”</p> +<p>Maar nu kwam ook haar man bij haar. Hij droeg haar kind op den arm. +Hij was diep ontroerd.</p> +<p>„Neen, Marcia, blijf!” zei hij. Hij was verlegen, maar +zijn donkere oogen schitterden van vreugde en spraken duidelijker dan +woorden.</p> +<p>„Misschien moest het zoo zijn naar oud gebruik! Maar daaraan +stoor ik mij niet. Kom! ’t Zou zonde zijn van zulk een vrouw, als +jij, Marcia.”</p> +<p>Hij legde den arm om Marcia’s middel en ging met haar naar +zijn huis in de ruïnen van ’t palazzo Corvaja. ’t Was +alsof een der vroegere baronnen daar zijn intocht hield. De menschen +van Corvaja stonden aan beide zijden van den weg en bogen voor hem en +Marcia.</p> +<p>Toen ze voorbij donna Micaela gingen, stonden ze stil, bogen diep +voor haar en kusten het beeld, dat ze haar teruggaven. Maar donna +Micaela kuste Marcia.</p> +<p>„Bid voor mij in je geluk, zuster Marcia,” zei ze. +<span class="pagenum">[<a id="pb247" href="#pb247" name="pb247">247</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div2" id="ch2.10"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 id="xd20e6167" class="label">X.</h3> +<h3 class="main">Falco Falcone.</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Nu hadden de blinde zangers week na week gezongen van +Diamante’s spoorweg, en de groote collectebus in San +Pasquale’s kerk was iederen avond vol gaven.</p> +<p>Signor Alfredo mat en bakende den weg af op den Etna en de spinnende +vrouwtjes in de donkere stegen vertelden van de heerlijke wonderen, die +het kleine Christusbeeld in de verachte kerk verrichtte.</p> +<p>Van de rijke en machtige mannen, die grond bezaten op den Etna, kwam +brief na brief, dat zij land wilden afstaan voor het gezegende +plan.</p> +<p>In de laatste weken waren geschenken van alle kanten toegestroomd. +Eenige menschen gaven steenen voor de stations, anderen schonken kruit +om de lavablokken te doen springen, terwijl weer anderen eten gaven aan +de arbeiders.</p> +<p>Maar de arme menschen in Corvaja, die niets hadden om te geven, +kwamen ’s nachts, als zij hun werk gedaan hadden, met spaden en +kruiwagens en bestegen den Etna, om grond uit te graven en den weg te +leggen.</p> +<p>Zoodat als signor Alfredo en zijn arbeiders ’s morgens +opkwamen, zij moesten gelooven, dat de toovenaar van den Etna zich +losgerukt had uit zijn lavastroomen om hen bij hun arbeid te +helpen.</p> +<p>Maar zoolang men aan den spoorweg werkte, had men gevraagd:</p> +<p>Waar blijft toch de koning van den Etna, Falco Falcone? <span class="pagenum">[<a id="pb248" href="#pb248" name="pb248">248</a>]</span></p> +<p>Waar is de machtige Falco, die gedurende vijf en twintig jaar over +den Etna geregeerd heeft?</p> +<p>Hij schreef aan de weduwe van don Ferrante, dat zij dezen spoorweg +niet moest aanleggen. Wat meende hij met zijn bedreiging?</p> +<p>Waarom houdt hij zich stil, nu men zijn gebod trotseert?</p> +<p>Waarom schiet hij de mannen van Corvaja niet neer als ze ’s +nachts met spaden en houweelen komen aangeslopen?</p> +<p>Waarom sleept hij de blinde zangers niet in de steengroeve om hen te +geeselen? Waarom laat hij donna Micaela niet schaken uit het +zomerpaleis om haar op deze wijze te dwingen den aanleg te staken van +dezen spoorweg, die het doel haars levens is geworden? Donna Micaela +zei tot zichzelf: „Heeft Falco Falcone zijn woord vergeten of +wacht hij, tot hij ons het zekerst kan treffen?”</p> +<p>Terwijl men angstig wachtte, dat Falco den spoorweg zou verwoesten, +sprak men over niets anders dan over hem.</p> +<p>Vooral de arbeiders, die signor Alfredo volgden. Juist tegenover den +ingang van de kerk San Pasquale staat een klein huis tegen den naakten +rotswand.</p> +<p>’t Huis is smal en hoog, zoodat het gelijkt op een +schoorsteen, die is blijven staan, nadat het huis is afgebrand. +’t Is zoo klein, dat er geen plaats voor de trappen binnenshuis +is, maar die zich buiten tegen den muur moeten opslingeren.</p> +<p>Hier en daar hangen balkons en andere uitbouwsels die met niet meer +symmetrie geordend zijn dan de <span class="corr" id="xd20e6207" title="Bron: volgelnestjes">vogelnestjes</span> in een boom.</p> +<p>In dit huis werd Falco Falcone geboren, zijn ouders waren slechts +arme arbeidslieden. Maar in deze armoedige woning had de hoogmoed zich +ontwikkeld bij Falco.</p> +<p>Zijn moeder was een ongelukkige vrouw, die in de eerste jaren van +haar huwelijk slechts dochters ter wereld bracht. Haar man en haar +buren verachtten haar.</p> +<p>Deze vrouw smachtte naar een zoon. Toen zij haar vijfde kind +verwachtte, strooide zij iederen dag zout op den drempel, en wachtte +wie dien het eerst zou betreden.</p> +<p>Zou er eerst een man of een vrouw komen? Zou zij een zoon of een +dochter baren? <span class="pagenum">[<a id="pb249" href="#pb249" name="pb249">249</a>]</span></p> +<p>Iederen dag zat zij te tellen. Ze telde de letters van de maand, +waarin het kind geboren zou worden. Ze telde de letters van den naam +van haar man en van haar zelf. Ze telde de cijfers op en trok ze af, +het bleef een even getal.</p> +<p>Zij zou dus een zoon baren.</p> +<p>Den volgenden dag telde zij weer opnieuw.</p> +<p>„Misschien heb ik mij gisteren vergist,” zei ze.</p> +<p>Toen Falco geboren werd, genoot zijn moeder zooveel eer, dat ze hem +om die reden meer beminde dan haar andere kinderen. Als de vader +binnenkwam om naar het kind te zien, nam hij zijn muts af en boog diep. +Boven de poort van het huis zette hij een hoed tot eereteeken en men +wierp het badwater van het kind over den drempel en liet het over de +straat vloeien.</p> +<p>Falco lag op den rechterarm van zijn peetmoeder, toen hij naar de +kerk gedragen werd, en als de buurvrouwen naar zijn moeder <span class="corr" id="xd20e6232" title="Bron: kwam">kwamen</span> kijken, bogen +zij voor het kind, dat in de wieg sluimerde.</p> +<p>Het was ook grooter en sterker dan kinderen van zijn leeftijd +gewoonlijk zijn. Falco had reeds bij zijn geboorte dik, ruig haar, en +toen hij acht dagen oud was, bezat hij reeds een tand. Maar toen zijn +moeder hem aan de borst legde, was hij zoo wild, dat zij lachend +zei:</p> +<p>„Ik geloof dat ik een held het leven geschonken +heb.”</p> +<p>Zij verwachtte altijd iets groots van hem, en daardoor wekte zij den +hoogmoed in hem. Maar wie anders verwachtte iets van hem? Falco kon +niet eens leeren lezen. Zijn moeder trachtte hem de letters te +leeren.</p> +<p>Ze wees op de groote A, dat was een hooge hoed, ze zei dat B een +bril was, en C een slang. Dat kon hij leeren.</p> +<p>Toen zei zijn moeder: als je den bril en den grooten hoed bij elkaar +legt, zeggen ze Ba. Dat kon hij niet leeren. Hij werd boos en sloeg +haar, en zij liet hem met rust.</p> +<p>„Uit jou wordt toch nooit iets anders dan een held,” zei +ze.</p> +<p>In zijn jeugd was Falco lui en slecht. Als kind wilde hij niet +spelen, als volwassene wilde hij niet dansen, ook had hij geen liefste, +maar hij ging gaarne daarheen, waar hij strijd kon verwachten.</p> +<p>Falco had twee broers, die waren als andere menschen <span class="pagenum">[<a id="pb250" href="#pb250" name="pb250">250</a>]</span>en +veel meer aanzien genoten dan hij. Falco voelde zich gegriefd, omdat +hij achteruitgezet werd bij zijn broeders, maar hij was te trotsch om +dat te toonen.</p> +<p>En zijn moeder was altijd aan zijn zijde; toen zijn vader overleden +was, liet zij hem aan het hoofdeind van de tafel zitten en zij stond +niet toe, dat men hem bespotte.</p> +<p>„Mijn oudste zoon is de voornaamste van u allen,” zei +ze.</p> +<p>Toen men aan dit alles dacht, zei men: „Falco is hoogmoedig. +Hij zal het zich tot een eer rekenen om den spoorweg te +verwoesten.” En toen men bevreesd was geworden door deze +herinnering, moest men denken aan een andere geschiedenis van hem.</p> +<p>Gedurende dertig jaar, zegt men, leefde Falco gelijk alle andere +arme menschen op den Etna. ’s Maandags ging hij met zijn broeders +naar het land. Hij had brood in den zak, voldoende voor een geheele +week, en gelijk ieder ander kookte hij soep van boonen en rijst. En hij +was blijde als hij ’s Zaterdagsavonds huiswaarts keerde. Hij +verheugde zich de tafel met wijn en macaroni gedekt, en zijn bed met +zachte kussens gespreid te vinden.</p> +<p>Het was op zulk een Zaterdagavond. Falco en zijn broeders gingen +naar huis, Falco zooals gewoonlijk een weinig achter de anderen, met +een zwaren, langzamen gang. Maar zie, toen zijn broeders thuis kwamen, +wachtte hen geen avondmaal, hun bed was niet gespreid en de stof lag +nog op den deurdrempel.</p> +<p>Hoe, waren allen in huis overleden?</p> +<p>Toen zagen ze hun moeder in een donkeren hoek van de kamer zitten. +Heur haren hingen wanordelijk over haar gelaat en zij teekende met haar +vinger figuren op den grond.</p> +<p>„Wat is er gebeurd?” vroegen de broers. Zij keek op, zij +sprak alsof zij tot den grond sprak.</p> +<p>„Wij zijn tot den bedelstaf gebracht, tot den bedelstaf +gebracht.”</p> +<p>„Wil men ons het huis ontnemen?” riepen de broeders.</p> +<p>„Zij willen ons eer en brood ontnemen.”</p> +<p>Toen vertelde zij: „Je oudste zuster was in dienst bij bakker +Gasparo, en dat was een goede dienst. Signor Gasparo gaf Pepa al het +brood, dat overbleef in den winkel, en dat <span class="pagenum">[<a id="pb251" href="#pb251" name="pb251">251</a>]</span>gaf +zij mij. Het was zoo veel, dat het voor ons allen genoeg was. Ik ben +gelukkig geweest, sedert Pepa dezen dienst had. Nu heb ik een +onbezorgden ouden dag, dacht ik.</p> +<p>„Maar den vorigen Maandag kwam Pepa weenend thuis.</p> +<p>„Signora Gasparo had haar weggejaagd.”</p> +<p>„Wat had Pepa gedaan?” vroeg Nino, die na Falco de +oudste was.</p> +<p>„Signora Gasparo beschuldigde Pepa brood gestolen te +hebben.</p> +<p>„Ik ging naar signora Gasparo om haar te smeeken Pepa weer in +haar dienst te nemen.</p> +<p>„Neen,” zei ze, „het meisje is niet +eerlijk.”</p> +<p>„Pepa heeft het brood gekregen van signor Gasparo,” zei +ik. „Vraag het hem slechts.”</p> +<p>„Ik kan het hem niet vragen,” zei de signora. „Hij +is weg en komt niet vóór de volgende maand +thuis.”</p> +<p>„Signora,” zei ik, „we zijn zoo arm! Laat Pepa +weer bij u in dienst komen.”</p> +<p>„Neen,” zei ze „ik zelf verlaat signor Gasparo, +indien hij Pepa weer in huis neemt.”</p> +<p>„Neem u in acht,” zei ik toen, „ontneemt gij mij +het brood, dan ontneem ik u ’t leven.”</p> +<p>„Toen werd ze bang en riep om hulp, zoodat ik moest +gaan.”</p> +<p>„Wat is er aan te doen?” zei Nino. „Pepa moet een +anderen dienst zoeken.”</p> +<p>„Nino,” zei moeder Zia, „je weet niet wat die +vrouw zei van Pepa en signor Gasparo.”</p> +<p>„Wie kan een vrouw verhinderen te spreken?” zei +Nino.</p> +<p>„Indien Pepa niets anders te doen heeft, dan kon zij ten +minste het avondmaal voor ons bereid hebben,” zei Toruddo.</p> +<p>„Signora Gasparo heeft gezegd, dat haar man Pepa brood liet +stelen, omdat zij hem....”</p> +<p>„Moeder,” viel Nino haar met vuurroode kleur in de rede, +„ik ben niet voornemens mij op de galeien te laten zetten, ter +wille van Pepa.”</p> +<p>„De galeien verslinden geen Christenen,” zei moeder +Zia.</p> +<p>„Nino,” zei toen Pietro, „we gaan naar de stad om +ons eten te verschaffen.” <span class="pagenum">[<a id="pb252" +href="#pb252" name="pb252">252</a>]</span></p> +<p>Toen zij dit zeiden, hoorden zij iemand achter zich lachen. ’t +Was Falco.</p> +<p>Eenige oogenblikken later trad Falco den winkel binnen van signora +Gasparo en verzocht om een brood. De arme vrouw werd bang toen zij +Pepa’s broer zag, maar zij dacht:</p> +<p>„Hij komt pas van het veld, hij is nog niet thuis geweest, hij +weet nog van niets.”</p> +<p>„Bebbo,” zei ze, want Falco heette toen nog niet Falco, +„gaat het goed met den wijnbouw?”</p> +<p>Zij geloofde, dat hij haar geen antwoord zou geven.</p> +<p>Maar Falco was spraakzamer dan hij gewoonlijk was, en hij vertelde +haar, hoeveel druiven ze onder de pers hadden gedaan.</p> +<p>„Weet ge,” zei hij, „dat onze pachter vermoord +is?”</p> +<p>„Ach ja, de arme signor Riego, ja, dat weet ik.”</p> +<p>En zij vroeg hem hoe het gebeurd was.</p> +<p>„Salvatore heeft hem vermoord. Maar is het niet te naar voor +een signora om te hooren?”</p> +<p>„O neen, wat gebeurd is, kan ook verteld worden.”</p> +<p>„Salvatore heeft het zóó gedaan, signora,” +en Falco nam zijn mes en legde zijn hand op het hoofd der vrouw.</p> +<p>„Zóó heeft hij hem de keel doorgesneden van oor +tot oor.” En terwijl Falco dit zei, deed hij het. De vrouw had +niet eens kunnen schreeuwen! ’t Was meesterlijk gedaan. Falco +werd naar de galeien gezonden, hij bleef daar vijf jaar.</p> +<p>Toen men dit vertelde wies de angst.</p> +<p>„Falco is moedig,” zei men. „Niets ter wereld kan +hem van zijn voornemen afbrengen.”</p> +<p>Toen herinnerde men zich nog een voorval.</p> +<p>Falco werd naar de galeien in Augusta gezonden en daar leerde hij +Biagio kennen, die hem later zijn gansche leven volgde. Op een dag +kregen hij, Biagio en nog een der gevangenen het bevel om op het land +te werken. Een der opzichters wilde een tuin rondom zijn huis +aanleggen. Terwijl ze in den grond groeven, zwierven hun blikken over +hun omgeving. Ze waren buiten de gevangenismuren en zagen het dal en +den berg, ze konden zelfs den Etna onderscheiden. <span class="pagenum">[<a id="pb253" href="#pb253" name="pb253">253</a>]</span></p> +<p>„Nu is onze tijd gekomen,” zei Falco tot Biagio.</p> +<p>„Ik sterf liever dan dat ik terugga naar de gevangenis,” +zei Biagio.</p> +<p>Daarna zeiden ze den derden gevangene dat hij hen moest +bijstaan.</p> +<p>Hij wilde niet, omdat zijn straftijd bijna om was.</p> +<p>„Dan dooden we je!” dreigden ze hem, toen gaf hij +toe.</p> +<p>Maar de soldaat van de wacht stond met een geladen geweer tegenover +hen. Falco en Biagio sprongen, geboeid als ze waren met de ketenen aan +hun voeten, op hem toe, en zij sloegen hem met hun spade. Voordat hij +er aan had kunnen denken te schieten, was hij gebonden; een prop in den +mond belette hem te schreeuwen. Daarna stieten ze hun ketenen stuk met +hun spade, en vluchtten in de bergen.</p> +<p>’s Nachts lieten Falco en Biagio den gevangene dien zij +meegenomen hadden, in den steek. Hij was oud en zwak en hinderde hen in +hun vlucht. Den volgenden dag werd hij door de karabiniers gegrepen en +doodgeschoten.</p> +<p>En men beeft, als men daaraan denkt. Falco is onbarmhartig, zegt +men. Men begrijpt, dat hij den spoorweg niet zal sparen.</p> +<p>En geschiedenis na geschiedenis doet de ronde om de arme menschen +bang te maken, die aan den spoorweg op den Etna werken.</p> +<p>Men denkt aan de zestien moorden die Falco Falcone begaan heeft, en +men verhaalt van zijn plunderingen en rooftochten.</p> +<p>Er is een verhaal, dat de menschen meer dan alle andere +verschrikt.</p> +<p>Toen Falco van de galeien kwam, woonde hij in de bosschen en grotten +op den Etna of in de steengroeve bij Diamante. Spoedig had hij een +groote bende om zich verzameld. Hij werd een groote rooverheld.</p> +<p>Zijn familie genoot een heel ander aanzien dan vroeger. Zij werden +als machtigen geëerd, zij behoefden nauwelijks te werken, want +Falco had zijn bloedverwanten lief en was zeer mild jegens hen. Maar +hij was niet toegevend, hij was zeer streng.</p> +<p>Moeder Zia was overleden. Nino was getrouwd en woonde nu in zijn +vaders hut. Toen gebeurde het op een dag, dat Nino <span class="pagenum">[<a id="pb254" href="#pb254" name="pb254">254</a>]</span>geld +noodig en hij wist geen beter middel dan naar den pastoor te gaan, niet +naar don Matteo, maar naar zijn voorganger, den ouden don Giovanni.</p> +<p>„Uw Hoogeerwaarde,” zei Nino tot hem, „mijn broer +verzoekt u om vijf honderd lire.”</p> +<p>„Waar moet ik vijf honderd lire vandaan halen?” zei don +Giovanni.</p> +<p>„Mijn broer heeft ze noodig, dringend noodig,” zei +Nino.</p> +<p>Toen beloofde de oude don Giovanni het geld te geven, indien hij +slechts tijd kreeg om het bijeen te brengen.</p> +<p>Nino wilde hem nauwelijks die voorwaarde inwilligen.</p> +<p>„Ge kunt toch niet verlangen dat ik vijf honderd lire uit mijn +snuifdoos zal halen,” zei don Giovanni.</p> +<p>En Nino stond hem drie dagen uitstel toe.</p> +<p>„Maar neem u in dezen tijd voor mijn broer in acht,” zei +hij.</p> +<p>Den volgenden dag reed don Giovanni naar Nicolosi om te trachten het +geld te krijgen.</p> +<p>Wien ontmoette hij onderweg? Was dat niet Falco met zijn bende?</p> +<p>Don Giovanni wierp zich op de knieën voor Falco.</p> +<p>„Wat beduidt dit, don Giovanni?”</p> +<p>„Ik heb nog geen geld voor u, Falco, maar ik zal trachten het +te krijgen. Wees barmhartig jegens mij.”</p> +<p>Falco vroeg wat dit beteekende en don Giovanni vertelde dat Nino bij +hem geweest was.</p> +<p>„Uw Hoogeerwaarde,” zei Falco, „men heeft u willen +bedriegen.”</p> +<p>Hij verzocht don Giovanni met hem terug te gaan naar Diamante.</p> +<p>Toen ze bij het oude huis op de rots kwamen, riep Falco zijn broer +Nino. Deze verscheen op een der balkons.</p> +<p>„Wel Nino!” zei Falco lachend. „Je hebt den +pastoor geld willen afzetten!”</p> +<p>„Weet je dat al?” vroeg Nino. „Ik wilde het je +juist gaan vertellen.”</p> +<p>Nu werd Falco strenger.</p> +<p>„Nino,” zei hij. „De pastoor is mijn vriend en hij +meent nu dat ik hem had willen plunderen. Je hebt zeer slecht +gehandeld.” En hij legde zijn geweer aan en schoot Nino dood. +<span class="pagenum">[<a id="pb255" href="#pb255" name="pb255">255</a>]</span></p> +<p>Toen hij dit gedaan had, wendde hij zich tot don Giovanni, die van +schrik bijna van zijn ezel viel.</p> +<p>„Ziet ge nu, uw Hoogeerwaarde, dat ik geen aandeel had in +Nino’s aanslag tegen u?”</p> +<p>En dit geschiedde twintig jaar geleden, toen Falco nog slechts +gedurende vijf jaar roover was geweest.</p> +<p>„Zal Falco den spoorweg sparen?” vraagt men als men deze +geschiedenis hoort; hij, die niet eens zijn eigen broer spaarde?</p> +<p>Men herinnert zich nog een ander voorval.</p> +<p>Na Nino’s dood dreigde Falco een vendetta. Nino’s vrouw +was zoo verschrikt toen zij haar man dood vond, dat zij aan +één zijde verlamd werd en nooit meer kon loopen. Maar ze +nam plaats voor het venster in de oude hut. Daar heeft ze twintig jaar +gezeten met een geweer naast zich om op Falco te wachten.</p> +<p>En voor haar is de groote roover bang geweest. In twintig jaar is +hij niet voorbij zijn ouderlijk huis gegaan.</p> +<p>De vrouw heeft nooit haar post aan het raam verlaten. Nooit ging +iemand naar de kerk van San Pasquale, of hij zag haar wraakzuchtige +oogen achter de ruiten schitteren.</p> +<p>Heeft iemand haar ooit slapend gezien, heeft iemand haar ooit zien +werken? Zij kon niets anders doen dan wachten op den moordenaar van +haar man.</p> +<p>Als men dit hoort, groeit de vrees.</p> +<p>Falco heeft geluk, denkt men. De vrouw, die hem wil dooden, kan zich +niet van haar plaats bewegen. Hij is een gelukskind. ’t Zal hem +stellig gelukken den spoorweg te vernielen. Het geluk had Falco nooit +verlaten. De karabiniers hadden hem vervolgd, maar hem nooit kunnen +pakken. Zij hadden Falco meer gevreesd dan hij hen.</p> +<p>Men herinnert zich ook een geschiedenis van een jongen officier der +karabiniers, die Falco eens vervolgde. Hij had een drijfjacht +georganiseerd en Falco van de eene schuilplaats naar de andere gejaagd. +Eindelijk wist de jonge officier zeker, dat Falco in een kreupelboschje +gevangen was. Het boschje werd omsingeld door zijn manschappen en de +officier liep heen en weer met een geladen geweer in de hand. Maar hoe +hij ook zocht, hij vond Falco niet.</p> +<p>Toen ontmoette hij een boer. <span class="pagenum">[<a id="pb256" +href="#pb256" name="pb256">256</a>]</span></p> +<p>„Heb je Falco Falcone ook gezien?”</p> +<p>„Ja signor, hij ging mij zoo juist voorbij en verzocht me u te +groeten.”</p> +<p>„Diavolo!”</p> +<p>„Hij zag u heen en weer loopen in het boschje, en hij stond op +het punt u dood te schieten, maar hij heeft dat niet gedaan omdat hij +dacht, dat het misschien uw plicht was hem te vervolgen.”</p> +<p>„Diavolo! Diavolo!”</p> +<p>„Maar indien ge nog eenmaal tracht....”</p> +<p>„Diavolo! Diavolo! Diavolo!”</p> +<p>Denkt ge dat die officier terugkwam? Gelooft ge niet, dat hij naar +een plaats vertrok, waar hij geen roovers behoefde te vervolgen?</p> +<p>En de arbeiders, die op den Etna werken, vragen:</p> +<p>Wie zal ons bijstaan tegen Falco? Hij is oppermachtig, zelfs de +soldaten vreezen hem.</p> +<p>Ze denken er aan, dat Falco Falcone nu een oude man is. Nu plundert +hij geen postwagens, nu berooft hij geen grondbezitters meer. +Meesttijds zit hij rustig in de steengroeve bij Diamante en in plaats +van geld en bezittingen te rooven, neemt hij nu geld en eigendommen in +bescherming.</p> +<p>Hij laat de rijke grondbezitters schatting betalen, opdat hij hun +goederen zal beschermen tegen andere roovers en er heerscht nu +veiligheid en vrede op den Etna, want hij staat niemand toe hen te +schaden, die hem schatting betalen.</p> +<p>Maar toch groeit de angst. Nu Falco een vriend is geworden der +grooten, kan hij des te gemakkelijker den spoorweg vernielen.</p> +<p>En ze moeten aan de geschiedenis denken van Nicola Galli, die +opzichter is op het landgoed van den markies de San Stefano. Eens +staakten zijn arbeiders het werk midden in den oogsttijd. Nicola Galli +was wanhopig. Het koren was rijp en hij kon niemand vinden die het +wilde maaien.</p> +<p>Zijn arbeiders wilden niet werken, ze lagen te slapen in het gras. +Nicola trok naar Catania om zijn heer te raadplegen. Onderweg ontmoette +hij twee mannen met een geweer op den schouder. <span class="pagenum">[<a id="pb257" href="#pb257" name="pb257">257</a>]</span></p> +<p>„Waar rijdt ge heen, Nicola?”</p> +<p>Voordat Nicola nog veel woorden had kunnen zeggen, namen ze zijn +ezel bij de teugels en keerden om.</p> +<p>„Ge zult niet naar den markies rijden, Nicola, ge gaat weer +naar huis.”</p> +<p>Samen keerden zij nu huiswaarts. Nicola zat te beven op zijn ezel. +Toen zij nu op het landgoed gekomen waren, zeiden de mannen:</p> +<p>„Wijs ons nu de akkers!” En ze gingen naar de arbeiders. +„Werken, jelui lummels! De markies heeft zijn schatting betaald +aan Falco Falcone. Je kunt ergens anders het werk staken, maar hier +niet.”</p> +<p>De akker werd gemaaid zooals geen andere. Falcone stond aan den +eenen kant en Biagio aan den anderen.</p> +<p>En de oogst gaat wonderlijk vlug, als men zulke opzichters heeft. +Als men denkt aan dit voorval, vermindert de angst niet.</p> +<p>„Falco houdt woord,” zegt men. „Hij zal doen, wat +hij gedreigd heeft.”</p> +<p>Niemand is gedurende zoo langen tijd rooverhoofdman geweest als +Falco. Al de andere beroemde helden zijn gevallen of gevangen genomen. +Hij alleen is met ongelooflijke behendigheid aan alle gevaren +ontsnapt.</p> +<p>Langzamerhand heeft Falco zijn geheele familie tot zich getrokken. +Zijn zwagers en neven, allen volgen hem. De meesten van hen zijn naar +de galeien gezonden; toch bekommert geen van hen zich om +gevangenisstraf, ze vragen er slechts naar of Falco tevreden is over +hen.</p> +<p>In de couranten staan Falco’s heldendaden dikwijls vermeld. +’t Is bekend dat Engelsche toeristen hun gidsen een biljet van +tien lire in de hand stoppen, als zij hun Falco’s steengroeve +willen wijzen. Ook weet men, dat de karabiniers niet meer op hem +schieten, omdat hij de laatste groote roover is.</p> +<p>Falco is zoo weinig bevreesd dat men hem gevangen zal nemen, dat hij +dikwijls naar Messina en Palermo gaat. Hij is zelfs wel over de straat +van Messina getrokken en in Italië geweest.</p> +<p>Hij reisde naar Napels, toen Guglielmo en Umberto daar waren om het +pantserschip te doopen. <span class="pagenum">[<a id="pb258" href="#pb258" name="pb258">258</a>]</span></p> +<p>Hij trok naar Rome, toen Umberto en Margherita hun zilveren bruiloft +vierden.</p> +<p>Men denkt er aan en beeft. „Falco is bemind en machtig,” +zeggen de arbeiders. „Men aanbidt Falco, hij kan doen wat hij +wil.”</p> +<p>Zij weten ook, dat toen Falco de zilveren bruiloft van koningin +Margherita zag, dit feest hem zóó behaagde dat hij +zei:</p> +<p>„Als ik vijf en twintig jaar op den Etna gewoond heb, wil ik +mijn zilveren bruiloft met den Mongibello vieren.”</p> +<p>De menschen hadden daarover gelachen en gezegd dat dit een goede +gedachte was. Want hij had nooit een liefste bezeten, maar de +Mongibello met zijn grotten, wouden, kraters en ijsvelden, had hem +beschermd en gediend als een echtgenoote.</p> +<p>Aan niemand is Falco zooveel dankbaarheid verschuldigd als aan den +Mongibello.</p> +<p>En men vraagt, wanneer Falco en de Mongibello hun zilveren bruiloft +zullen vieren, en men rekent na, dat dit in deze lente moet zijn.</p> +<p>Dan denken de arbeiders:</p> +<p>Hij zal den spoorweg vernielen op den dag van den Mongibello. En er +heerscht schrik en angst onder hen. Ze wagen het niet verder te werken +aan den spoorweg. Hoe meer de tijd nadert, dat Falco zijn verbond met +den Mongibello zal vieren, hoe meer arbeiders signor Alfredo verlaten. +Spoedig gaat deze zoo goed als alleen aan den arbeid.</p> +<hr class="tb"> +<p>Er zijn niet veel menschen in Diamante, die de groote steengroeve op +den Etna ooit gezien hebben. Ze hebben geleerd die te ontvluchten, +omdat Falco Falcone daar woont; ze wachten zich om binnen het bereik +van zijn geweer te komen.</p> +<p>Ze hebben nooit de groote groeve in den Mongibello gezien, waaruit +hun voorvaderen, de Grieken, in langvervlogen tijden steenen groeven. +Zij hebben nooit de heerlijk <span class="pagenum">[<a id="pb259" href="#pb259" name="pb259">259</a>]</span>van kleuren tintelende wanden +aanschouwd en de machtige rotsblokken, die gelijken op gebroken +zuilen.</p> +<p>Zij weten misschien niet eens, dat op den bodem der steengroeve +schooner bloemen bloeien dan in eenige broeikas.</p> +<p>Daar is niet Sicilië, daar is Indië.</p> +<p>In de steengroeve staan mandarijneboomen, zoo geel van vruchten, dat +ze gelijken op reusachtige zonnebloemen. Daar worden de camelia’s +zoo groot als tamboerijnen. En tusschen de boomen op den grond liggen +hoopen kostbare koningsvijgen en fluweelen perziken vallen op een bed +van rozeblâren.</p> +<p>Een avond zit Falco eenzaam in de steengroeve. Hij is bezig een +krans te vlechten en heel veel bloemen liggen voor hem. Hij houdt den +voet op het kluwen touw opdat dit niet weg zal rollen; hij heeft een +bril op, maar die glijdt onophoudelijk van zijn krommen neus.</p> +<p>Falco vloekt geweldig, want zijn handen zijn stijf en vol eelt door +het voortdurend afschieten van het geweer, en het valt hem moeilijk de +bloemen vast te houden.</p> +<p>Zijn vingers sluiten met een ijzeren greep om haar teere +stengels.</p> +<p>Falco zegt vloekend, dat de leliën en anemonen verwelken, +zoodra hij er slechts naar kijkt.</p> +<p>Falco is in zijn lederen broek en in zijn langen, toegeknoopten +mantel zoo omgeven van bloemen als een heilige op een feestdag. Biagio +en zijn neef Passafiore hebben die voor hem geplukt. Zij hebben een +geheelen Etna van de mooiste bloemen der steengroeve voor hem +opgestapeld. Falco kan kiezen tusschen leliën en cactusbloemen, +rozen en pelargonea’s. En hij dreigt de bloemen, dat hij ze tot +stof zal vertrappen <span class="corr" id="xd20e6569" title="Bron: noder">onder</span> zijn sandalen, indien zij zich niet naar +zijn wil willen voegen.</p> +<p>Nooit tevoren heeft Falco Falcone zich bekommerd om bloemen. Zoolang +hij leeft, heeft hij nog nooit een bouquet voor een meisje gebonden of +een roos geplukt om in zijn knoopsgat te steken. Hij heeft niet eens +een krans gelegd op het graf van zijn moeder.</p> +<p>Daarom komen de teere bloemen in opstand tegen hem. In zijn haar en +op zijn hoed hechten zich bloemranken vast, en een bloemblad hangt in +zijn ruigen baard. Hij schudt <span class="pagenum">[<a id="pb260" +href="#pb260" name="pb260">260</a>]</span>heftig het hoofd en het +litteeken op zijn wang gloeit, zooals in vroeger dagen, toen hij tegen +de karabiniers streed. Toch wordt de krans steeds grooter, en kronkelt +als een slang om Falco’s voeten en beenen.</p> +<p>Falco vloekt alsof het de ijzeren boeien waren, die eens +vastgeklonken werden aan zijn voeten.</p> +<p>En hij klaagt luider als hij zich prikt aan een doorn, of brandt aan +een netel, dan hij gedaan heeft, toen de zweep van den opzichter der +galeien zijn rug geeselde.</p> +<p>Biagio en Passafiore, zijn neef, wagen het niet zich te vertoonen. +Ze liggen verborgen in een grot, tot alles gereed is. Ze lachen +luidkeels, want zooveel jammerklachten als Falco nu uit, hebben niet in +de steengroeve weerklonken, sedert ongelukkige krijgsgevangenen daar +aan den arbeid waren.</p> +<p>Maar Biagio ziet op naar den grooten Etna, die gloeit in den +zonsondergang.</p> +<p>„Zie eens naar den Mongibello,” zegt hij tegen +Passafiore, „zie eens hoe hij bloost, zeker begrijpt hij, waarmee +Falco bezig is in de steengroeve.”</p> +<p>En Passafiore antwoordt: „De Mongibello heeft zeker nooit +anders gedacht dan sneeuw en asch op zijn kruin te krijgen.” Maar +plotseling houdt Biagio op met lachen.</p> +<p>„Dat gaat nooit goed, Passafiore,” zegt hij, +„Falco wordt al te hoogmoedig. Ik vrees dat de groote Mongibello +den spot met hem zal drijven.”</p> +<p>De twee bandieten zien elkaar uitvorschend aan.</p> +<p>„Ware het slechts hoogmoed,” zegt Passafiore.</p> +<p>Maar nu wenden zij gelijktijdig hun oogen af en wagen het niet iets +meer te zeggen. Dezelfde gedachte, dezelfde vrees heeft zich van hen +meester gemaakt. Falco staat op het punt krankzinnig te worden, soms is +hij reeds uren lang waanzinnig.</p> +<p>Zoo gaat het met de groote rooverhelden, ze kunnen hun eer en +grootheid niet dragen, ze worden allen waanzinnig.</p> +<p>Passafiore en Biagio hadden het reeds lang gezien, maar ze hadden +beiden gezwegen en elk had gehoopt, dat de andere niets zou merken. Nu +begrijpen ze, dat ze beiden het weten. Ze drukken elkaar de hand zonder +een woord te spreken. Nog heeft Falco zooveel groots. <span class="pagenum">[<a id="pb261" href="#pb261" name="pb261">261</a>]</span></p> +<p>Zij beiden, Passafiore en Biagio, zullen waken dat niemand merkt, +dat Falco niet meer dezelfde is, die hij was.</p> +<p>Eindelijk is Falco’s krans klaar, hij hangt dien aan zijn +geweer en gaat naar de beide anderen. Alle drie treden nu uit de +steengroeve en nemen in de naastbijzijnde boerderij paarden, om zoo +vlug mogelijk op den top van den Mongibello te komen.</p> +<p>Zij rijden in gestrekten draf, zoodat ze geen gelegenheid hebben met +elkaar te spreken, maar als ze voorbij de landhoeve rijden, kunnen ze +zien, hoe het volk danst op de platte daken. En uit de grotten waar de +landarbeiders hun nachtkwartier hebben opgeslagen, hooren ze gepraat en +gelach. Daar zitten vroolijke, vreedzame menschen raadsels op te lossen +en spotversjes te dichten. Maar Falco vliegt verder, zoo iets is niet +voor hem. Falco is een groot man.</p> +<p>Ze stijgen al hooger. Eerst rijden ze onder amandelboomen en +cactussen, dan onder platanen en beuken, en later onder eiken en +kastanjes.</p> +<p>Maar de nacht is donker. Zij zien niets van Mongibello’s +heerlijkheid. Zij zien niet den met wijnloof omkransten Monte Rossoze, +zien niet de tweehonderd kraters, die in een kring rondom de kruin van +den Etna staan als torens rondom een stad, ze zien niet de heerlijke +dichte wouden.</p> +<p>In Casa del Bosca, waar de weg ophoudt, stijgen ze van hun paarden. +Biagio en Passafiore nemen den krans tusschen hen beiden. Terwijl zij +verder gaan, begint Falco te spreken. Sedert hij oud is, spreekt hij +gaarne.</p> +<p>Falco zegt dat de berg gelijk is aan de vijf en twintig jaren, die +hij daarop doorgebracht heeft. Heldendaden waren rondom hem opgebloeid +gedurende de eerste jaren van zijn grootheid: met hem te leven in dien +tijd was gelijk te wandelen onder een eindelooze <span class="corr" id="xd20e6619" title="Bron: perloga">pergola</span>, waarboven citroenen +en druiven hangen. Toen waren zijn heldendaden overvloedig geweest als +oranjes, die rondom den voet van den Etna groeien. Hij was hooger +gestegen en zijn daden waren minder in aantal geworden, maar die hij +verricht had, waren machtig als de eike- en kastanjeboomen op den +stijgenden berg. Nu hij op het hoogste punt van zijn grootheid stond, +verachtte hij de daad. Zijn leven was kaal als <span class="pagenum">[<a id="pb262" href="#pb262" name="pb262">262</a>]</span>de +bergtop, hij vergenoegde zich met de wereld aan zijn voeten te zien. +Maar men moest weten, dat indien hij iets ondernam, niets hem weerstaan +kon.</p> +<p>Hij was vreeselijk als de vuurspuwende berg.</p> +<p>Falco gaat sprekend vooruit, Passafiore en Biagio volgen hem in +stille ontzetting. Heel vaag zien ze den machtigen Mongibello met zijn +steden, velden en wouden zich uitbreiden onder hun voeten.</p> +<p>En Falco meent even ontzagwekkend te zijn als deze reus.</p> +<p>Hoe hooger zij stijgen, hoe meer ze bevangen worden door een +stijgende ontzetting.</p> +<p>De gapende kloven, de zwaveldamp uit de kraters, te zwaar om +dadelijk in de lucht op te stijgen, het onderaardsche gerommel in den +berg, de voortdurend opstijgende aschwolken, de gladde, hobbelige +ijsvelden, doorsneden van bruisende beken, de bijtende koude, de +verstijvende wind, dit alles maakt den tocht huiveringwekkend.</p> +<p>—En Falco zegt dat deze berg gelijkt op zijn leven. Hoe ziet +het er dan uit in zijn ziel? Heerscht daarin een kilheid en grauwen +gelijk aan die van den Etna?</p> +<p>Ze struikelen over stukken ijs, ze worstelen zich door sneeuwhoopen, +die hier en daar een meter hoog liggen. De bergwind tracht hen omver te +blazen. Ze moeten door moerassen en beken waden, want den vorigen dag +heeft de zon veel sneeuw gesmolten. En ter zelfder tijd, dat ze +verstijven van koude, trilt de bodem onder hen van het eeuwige vuur. Ze +herinneren zich, dat Luciferno en alle verdoemden daar beneden liggen. +Zij rillen omdat Falco hen naar de poort der hel gevoerd heeft.</p> +<p>Maar toch laten ze de ijsvelden achter zich en bereiken den steilen +aschkegel op den top van den berg, en ze kruipen door glijdende asch en +puimsteen. Als zij halverwegen gekomen zijn, neemt Falco den krans en +wenkt de anderen te wachten. Hij wil alleen de hoogte bestijgen.</p> +<p>Het begint op hetzelfde oogenblik te lichten, en als Falco de hoogte +bereikt heeft, breekt de zon door.</p> +<p>De Mongibello en de oude Etnaroover op zijn top worden omstraald +door het heerlijke morgenlicht.</p> +<p>Maar de schaduw van den Etna valt over geheel Sicilië, +<span class="pagenum">[<a id="pb263" href="#pb263" name="pb263">263</a>]</span>en het is alsof Falco, die daar boven op de +bergkruin staat, van zee tot zee reikt, dwars over het gansche +eiland.</p> +<p>Falco ziet om zich heen. Hij ziet de kusten van Italië, hij +meent Napels en Rome te onderscheiden. Hij laat zijn blikken over zee +dwalen naar het land der Turken in het Oosten en naar het land der +Saracenen in het Zuiden.</p> +<p>Hij heeft een gevoel alsof de geheele wereld aan zijn voeten ligt en +zijne grootheid erkent.</p> +<p>Falco legt den krans op Mongibello’s top.</p> +<p>Als hij terugkomt bij zijn <span class="corr" id="xd20e6657" title="Bron: kamaraden">kameraden</span>, drukt hij hun zwijgend de hand, en +als hij van den aschkegel daalt, zien ze dat hij een puimsteen opneemt +en in zijn zak doet.</p> +<p>Falco neemt een herinnering mee aan de schoonste ure van zijn leven. +Zoo groot als daar op Mongibello’s top heeft hij zich nooit +tevoren gevoeld.</p> +<p>Maar op dezen feestdag wil Falco niet werken.</p> +<p>Den volgenden dag, zegt hij, zal hij aan den arbeid beginnen om den +Mongibello te bevrijden van den spoorweg.</p> +<hr class="tb"> +<p>Er ligt een eenzame landhoeve op den weg van Paterno naar Aderno. +Die is vrij groot, de eigenares daarvan is een weduwe, donna Silvia, +die vele sterke zonen heeft. Dat zijn moedige menschen, die het wagen +eenzaam te wonen.</p> +<p>’t Is de dag, nadat Falco den Etna bekranst heeft. Donna +Silvia zit voor haar huis te spinnen. Zij is alleen, niemand anders is +op de hoeve. Een bedelaar sluipt zacht door de tuinpoort.</p> +<p>Hij is een oude man met een langen, krommen neus, die over de +bovenlip hangt, een borsteligen baard en doffe roodgerande oogen. Hij +heeft de leelijkste oogen, die men zich voorstellen kan, het wit daarin +gaat over in geel, en hij ziet daarenboven scheel. De bedelaar is lang +en zeer mager, en wanneer hij loopt, beweegt hij zijn lichaam zoo, dat +men meent dat hij heen en weert slingert.</p> +<p>Hij loopt zoo zacht, dat donna Silvia hem niet hoort. Ze bemerkt hem +eerst, wanneer zijn schaduw zich als een slang voor haar uit kronkelt. +<span class="pagenum">[<a id="pb264" href="#pb264" name="pb264">264</a>]</span></p> +<p>Ze ziet op van haar werk, als zij die schaduw bemerkt. De bedelaar +buigt voor haar en verzoekt om een maal macaroni.</p> +<p>„De macaroni staat op het vuur,” zegt donna Silvia. +„Ga zitten en wacht een oogenblik, dan zult ge uw +lievelingsgerecht hebben.”</p> +<p>De bedelaar neemt plaats naast donna Silvia en ze beginnen te +spreken. Spoedig is Falco Falcone het onderwerp van hun gesprek.</p> +<p>„Is het waar, dat ge uwe zonen laat werken aan donna +Micaela’s spoorweg?” vraagt de bedelaar.</p> +<p>Donna Silvia klemt de lippen op elkaar en knikt toestemmend.</p> +<p>„Gij zijt een moedige vrouw, donna Silvia. Falco zou zich op u +kunnen wreken.”</p> +<p>„Laat hij zich dan wreken,” zegt donna Silvia. +„Maar ik wil den man niet gehoorzamen, die mijn vader gedood +heeft. Falco heeft hem gedwongen te vluchten uit de gevangenis in +Augusta, toen werd mijn vader door de karabiniers gegrepen en +doodgeschoten.”</p> +<p>Nadat ze dit gezegd heeft, staat ze op om de macaroni te halen. +<span class="corr" id="xd20e6695" title="Bron: Terwij">Terwijl</span> +zij in de keuken bezig is, ziet ze door het raam naar den bedelaar, die +op de bank zit heen en weer te wiegelen. Hij zit geen oogenblik stil. +En voor hem uit slingert zijn schaduw, lenig en beweeglijk als een +slang.</p> +<p>Donna Silvia herinnert zich plotseling, wat zij <span class="corr" +id="xd20e6700" title="Bron: Catharina">Catherina</span>, die getrouwd +is geweest met Nino, eens heeft hooren zeggen. Men vroeg haar, hoe zij +Falco na twintig jaar zou herkennen.</p> +<p>„Zou ik den man met de slangeschaduw niet herkennen?” +had zij geantwoord. „Die verliest hij niet, zoolang hij +leeft.”</p> +<p>Donna Silvia drukt de hand tegen het hart. Daar buiten voor haar +huis zit Falco Falcone. Hij is gekomen om zich te wreken, omdat haar +zonen aan den spoorweg werken. Zal hij haar huis in brand steken of zal +hij haar vermoorden? Donna Silvia trilt over haar geheele lichaam, als +zij de macaroni op den schotel doet.</p> +<p>Maar Falco begint de tijd lang te vallen, terwijl hij zit te +wachten. Een kleine hond komt naar hem toe en drukt zich <span class="pagenum">[<a id="pb265" href="#pb265" name="pb265">265</a>]</span>tegen hem aan. Falco zoekt in zijn zak naar +brood, maar hij vindt slechts een steen, dien hij den hond +toewerpt.</p> +<p>De hond haalt den steen en brengt dien naar Falco terug. Falco werpt +dien nog eens weg. De hond haalt dien opnieuw, maar nu springt hij er +mee weg.</p> +<p>Falco herinnert zich plotseling, dat dit de steen is, dien hij van +den tocht op den Mongibello meenam, en hij loopt den hond na om den +steen terug te halen. Hij fluit den hond en deze komt dadelijk.</p> +<p>„Geef hier den steen.”</p> +<p>De hond houdt zijn kop op zij en wil den steen niet teruggeven. +„Geef hier den steen, canaille!”</p> +<p>De hond sluit den bek, hij heeft immers geen steen.</p> +<p>„Laat eens zien, laat eens zien!” roept Falco. Hij buigt +den kop van den hond achterover en dwingt hem den bek te openen. De +steen ligt achter zijn kiezen en Falco tracht hem er uit te halen. De +hond bijt hem zoo, dat het bloed uit de wonde stroomt.</p> +<p>Falco wordt bang, hij gaat naar binnen en zegt tot donna Silvia: +„Uw hond is toch wel gezond?”</p> +<p>„Mijn hond, ik heb geen hond, die is dood.”</p> +<p>„Maar die hond dan, die daarbuiten loopt?”</p> +<p>„Ik weet niet welken hond ge meent,” zegt ze.</p> +<p>Falco zegt niets meer; ook doet hij donna Silvia geen kwaad. Hij +gaat stil weg, hij is bang. Hij gelooft, dat de hond dol is en dat hij +nu zelf watervrees zal krijgen.</p> +<hr class="tb"> +<p>Op een avond zit donna Micaela alleen in de muziekzaal. Ze heeft het +licht uitgedaan en de balkondeuren geopend. Zij houdt er van ’s +avonds en ’s nachts naar het straatrumoer te luisteren. Dan +zwijgt het gehamer der timmerlieden en ’t geschreeuw der +uitroepers, dan klinkt er slechts gezang, gelach, gefluister en het +neuriën der mandolines.</p> +<p>Plotseling ziet ze een donkere hand op het balkonhek. Na de hand +komt er een arm en een hoofd te voorschijn en een oogenblik later +springt een geheel mensch op het balkon.</p> +<p>Zij kan hem duidelijk onderscheiden, want de straatlantaarns branden +nog. <span class="pagenum">[<a id="pb266" href="#pb266" name="pb266">266</a>]</span></p> +<p>’t Is een kleine breedgeschouderde man met forschen baard. Hij +is als herder gekleed, met leeren sandalen, slappen hoed en een +parapluie, op zijn rug vastgebonden.</p> +<p>Zoodra hij op zijn voeten staat, neemt hij een geweer uit zijn +gordel, en treedt daarmee de kamer binnen.</p> +<p>Ze zit doodstil zonder eenig teeken van leven te geven, ze heeft +geen tijd om om hulp te roepen, noch om te vluchten.</p> +<p>Zij hoopt, dat de man zal nemen, wat hij begeert en dan weg zal +gaan, zonder haar op te merken, die achter in de donkere kamer zit.</p> +<p>De man zet zijn geweer op den grond en zij hoort hoe hij een lucifer +aansteekt. Zij sluit de oogen, dan zal hij gelooven, dat zij +slaapt.</p> +<p>Zoodra de roover licht gemaakt heeft, ontdekt hij haar. Hij hoest om +haar te wekken. Daar zij onbeweeglijk blijft zitten, sluipt hij naar +haar toe en raakt voorzichtig haar arm aan.</p> +<p>„Raak mij niet aan, raak mij niet aan!” gilt zij +doodelijk beangst.</p> +<p>De man trekt zich haastig terug.</p> +<p>„Lieve donna Micaela, ik wilde u slechts wekken.”</p> +<p>Zij zit te rillen van angst en hij hoort hoe zij snikt.</p> +<p>„Lieve signora, lieve signora!” zegt hij.</p> +<p>„Steek licht op, dat ik kan zien wie ge zijt!” roept +zij.</p> +<p>Hij steekt een nieuwen lucifer aan en neemt behendig als een +kamerdienaar het glas en den ballon van de lamp. Daarna keert hij terug +naar de deur, zoover mogelijk van haar verwijderd, maar als hij merkt, +dat haar angst niet vermindert, gaat hij met zijn geweer op het +balkon.</p> +<p>„Nu kan de signora toch niet meer bang zijn.”</p> +<p>Maar daar zij niet ophoudt met schreien, zegt hij:</p> +<p>„Signora, ik ben Passafiore. Ik breng u een boodschap van +Falco. Hij wil uw spoorweg niet meer vernielen.”</p> +<p>„Zijt gij gekomen om mij te bespotten?” zegt zij.</p> +<p>Somber antwoordt de man haar:</p> +<p>„Ware het slechts scherts. Mijn God, indien Falco slechts was, +die hij geweest is.”</p> +<p>Hij verhaalt haar nu hoe Falco den Mongibello bestegen en een krans +gelegd heeft op diens top. Maar dit scheen den berg mishaagd te hebben, +want nu had hij Falco ter aarde <span class="pagenum">[<a id="pb267" +href="#pb267" name="pb267">267</a>]</span>geworpen. Een klein +puimsteentje was voldoende geweest om den gevreesden rooverhoofdman te +vellen.</p> +<p>„Nu is het gedaan met Falco,” zegt Passafiore. +„Hij loopt rusteloos op en neer in de steengroeve en wacht +slechts op zijn ziekte. Sinds acht dagen heeft hij noch geslapen, noch +gegeten. Hij is niet ziek, maar de wonde aan zijn hand geneest niet. +Hij gelooft, dat hij vergiftigd is.”</p> +<p>„Spoedig zal ik een dolle hond zijn,” zegt hij. Geen +wijn of spijs ter wereld kan hem verlokken iets te gebruiken. Hij +verheugt zich niet eens, wanneer ik zijn heldendaden prijs.</p> +<p>„Wat geeft het,” zegt hij. „Ik eindig mijn leven +als een dolle hond.”</p> +<p>Donna Micaela ziet Passafiore scherp aan.</p> +<p>„Wat wenscht ge, dat ik doen zal? ’t Is toch niet je +wensch, dat ik in de steengroeve zal gaan naar Falco +Falcone?”</p> +<p>Passafiore slaat zijn oogen neer en durft niet antwoorden.</p> +<p>Zij vertelt hem, wat Falco haar heeft doen lijden. Hij heeft al de +arbeiders van haar spoorweg door schrik verjaagd. Hij heeft zich verzet +tegen haar liefste wenschen.</p> +<p>Plotseling valt Passafiore op de knieën. Hij waagt het niet een +schrede dichterbij te komen, maar hij knielt voor haar.</p> +<p>Hij smeekt haar te begrijpen wat op het spel staat. Zij weet niet, +zij kan niet begrijpen, wie Falco is.</p> +<p>Falco is een groot man. Reeds toen Passafiore nog een klein kind +was, heeft hij van hem hooren spreken. Zijn gansche leven heeft hij +verlangd in de steengroeve bij Falco te leven. Al zijn neven waren bij +hem, zijn geheele familie was bij hem. Maar de pastoor had zich +voorgenomen, dat Passafiore niet naar Falco zou gaan, en liet hem tot +kleermaker opleiden, denk eens aan, tot kleermaker! De pastoor sprak +met hem, en zei, dat het zulk een vreeselijke zonde was te leven zooals +Falco. En Passafiore had terwille van don Matteo lange jaren tegen zijn +begeerte gestreden. Eindelijk had hij ze niet langer kunnen weerstaan, +maar was stil naar de steengroeve gegaan. En hij was niet meer dan een +jaar bij Falco geweest en nu was deze geheel veranderd. ’t Is +alsof de zon aan den hemel gedoofd is, zijn geheele leven is nu +verwoest. <span class="pagenum">[<a id="pb268" href="#pb268" name="pb268">268</a>]</span></p> +<p>Passafiore kijkt naar donna Micaela; hij ziet, dat zij naar hem +luistert en hem begrijpt.</p> +<p>Hij brengt donna Micaela in herinnering, dat zij een jettatore en +een echtbreekster geholpen heeft. Waarom wilde zij dan hard zijn jegens +een roover?</p> +<p>Het Christusbeeld in San Pasquale geeft haar immers alles wat zij +wenscht. Hij was er van overtuigd, dat zij het Christusbeeld gebeden +had, haar spoorweg te beschermen tegen Falco. En het had door +Mongibello’s puimsteen Falco’s kracht gebroken.</p> +<p>Maar nu wilde zij niet barmhartig zijn en hem helpen, dat Falco zijn +gezondheid terug zou krijgen en weer tot een eer voor het vaderland zou +worden, zooals hij vroeger geweest was.</p> +<p>Het gelukte Passafiore donna Micaela te ontroeren.</p> +<p>Plotseling begreep zij hoe de oude roover in de steengroeve moest +lijden. Zij ziet hem wachten op den waanzin. Zij denkt er aan hoe +trotsch hij geweest is en hoe gebroken en vernietigd hij nu is. Neen, +neen, geen mensch mag zoo lijden, dat is te veel, te veel.</p> +<p>„Passafiore,” barst zij uit, „zeg, wat je wenscht. +Ik zal doen, wat ik kan. Nu ben ik niet bang meer. Neen, nu ben ik +volstrekt niet bang meer.”</p> +<p>„Donna Micaela, wij hebben Falco gesmeekt, dat hij naar het +Christusbeeld zou gaan en om genade bidden. Maar Falco wil niet +gelooven aan het beeld. Hij wil niets anders doen dan wachten op zijn +ondergang. Maar heden, toen ik hem smeekte te gaan, zei hij: „Je +weet wie op mij zit te wachten in het oude huis tegenover de kerk. Ga +naar haar om te vragen of zij mij verlof wil geven dat ik voorbij haar +naar de kerk mag gaan. Geeft zij haar toestemming, dan zal ik aan het +beeld gelooven en hem bidden om redding.”</p> +<p>„Nu?” vroeg donna Micaela.</p> +<p>„Ik ben bij de oude Catherina geweest en zij heeft haar +toestemming gegeven. Hij mag in de kerk gaan, zonder dat ik hem +dood,” zei zij.</p> +<p>Passafiore wringt zijn handen in wanhoop.</p> +<p>„Donna Micaela, Falco is zeer ziek, niet alleen door den beet +van den hond, maar hij was reeds lang ziek.” <span class="pagenum">[<a id="pb269" href="#pb269" name="pb269">269</a>]</span></p> +<p>Passafiore voert een zwaren strijd met zich zelf +vóórdat hij het zeggen kan. Eindelijk bekent hij dat, +hoewel Falco een zeer groot man is, hij soms aanvallen van waanzin +heeft.</p> +<p>Falco had niet alleen gesproken van de oude Catherina, maar hij had +gezegd: „Indien Catherina mij wil toestaan naar de kerk te gaan +en donna Micaela Alagona in de steengroeve komt en mij de hand reikt om +mij naar de kerk te voeren, dan zal ik voor het beeld +bidden.”</p> +<p>En men heeft hem niet kunnen afbrengen van dit besluit.</p> +<p>Donna Micaela, de heiligste en heerlijkste der vrouwen, moest tot +hem komen, anders wilde hij niet gaan.</p> +<p>Toen Passafiore uitgesproken had, hield hij zijn hoofd gebogen, hij +waagt het niet op te zien.</p> +<p>Maar donna Micaela aarzelt geen oogenblik, nu er sprake is van het +Christusbeeld. Zij schijnt er niet aan te denken dat Falco reeds +waanzinnig is. Zij zegt geen woord van haar angst. Haar vertrouwen in +het beeld is zóó groot, dat zij, als een onderworpen, +gehoorzaam kind, stil antwoordt:</p> +<p>„Passafiore, ik zal je volgen.”</p> +<p>En zij volgt hem als in slaap. Geen oogenblik aarzelt ze om hem naar +den Etna te volgen. Ze aarzelt niet de steile berghelling naar de +steengroeve te beklimmen.</p> +<p>Doodsbleek, maar met heerlijk glanzende oogen gaat ze naar den ouden +roover in zijn grot en reikt hem de hand. En hij rijst op, even bleek +als zij, en volgt haar. ’t Is alsof zij geen menschen maar +geestverschijningen zijn. Doodstil schrijden zij naar hun doel. Hun +eigen ik is dood, een machtiger geest leidt hen.</p> +<p>Reeds den volgenden dag schijnt het donna Micaela een sage, dat zij +zoo iets gedaan heeft. Zij is heilig overtuigd, dat niet haar eigen +barmhartigheid, erbarmen of liefde haar bewogen heeft midden in den +nacht naar het roovershol te gaan, maar dat een vreemde macht haar +geleid heeft.</p> +<p>Terwijl donna Micaela in de steengroeve is, zit de oude Catherina +voor het raam op Falco Falcone te wachten. Zij heeft haar toestemming +gegeven, bijna zonder dat men haar daarom heeft behoeven te vragen.</p> +<p>„Hij mag vrij in de kerk gaan,” zegt ze. „Ik heb +twintig <span class="pagenum">[<a id="pb270" href="#pb270" name="pb270">270</a>]</span>jaar op hem gewacht, maar hij zal vrij in de +kerk mogen gaan.”</p> +<p>Spoedig verschijnt Falco met donna Micaela hand in hand.</p> +<p>Passafiore en Biagio volgen. Falco loopt gebogen, men ziet dat hij +oud en zwak is. Hij gaat alleen in de kerk, de anderen wachten +buiten.</p> +<p>De oude Catherina heeft hem zeer duidelijk gezien, maar ze heeft +geen beweging gemaakt. Zoolang Falco in de kerk is, blijft ze roerloos +zitten.</p> +<p>Haar nicht, die bij haar woont, gelooft, dat zij God dankt, omdat +zij haar wraaklust heeft kunnen overwinnen.</p> +<p>Eindelijk verzoekt Catherina haar een raam te openen.</p> +<p>„Ik wil zien of hij nog de slangeschaduw heeft!” zegt +zij.</p> +<p>Maar ze is mild en vriendelijk.</p> +<p>„Neem het geweer weg als je wilt,” zegt ze. En haar +nicht legt het geweer aan den anderen kant van de tafel.</p> +<p>Eindelijk komt Falco uit de kerk. De maneschijn verlicht zijn gelaat +en Catherina ziet, dat hij niet meer de Falco van vroeger is. De +uitdagende trots en hoogmoed is nu van zijn gezicht geweken. Hij is +gebroken en vernietigd!</p> +<p>Bijna wekt hij haar medelijden op.</p> +<p>„Hij helpt mij,” zegt hij luid tot Passafiore en Biagio. +„Hij heeft beloofd mij bij te staan.”</p> +<p>De roovers wilden gaan, maar Falco is zoo gelukkig dat hij eerst met +hen over zijn geluk wil spreken.</p> +<p>„Ik gevoel geen gesuis meer in mijn hoofd, geen onrust meer, +neen, niets meer. Hij helpt mij.”</p> +<p>De kameraden nemen hem bij de hand om hem weg te voeren. Falco doet +een paar schreden, maar blijft dan opnieuw staan. Hij richt zich op en +beweegt zijn lichaam, zoodat zijn slangeschaduw heen en weer slingert +over den weg.</p> +<p>„Ik zal volkomen genezen, volkomen genezen,” zegt hij +verheugd.</p> +<p>Passafiore en Biagio willen hem meetrekken, maar ’t is reeds +te laat.</p> +<p>Catherina heeft de slangeschaduw gezien. Zij kan zich niet meer +beheerschen, maar werpt zich over de tafel om het geweer te grijpen en +schiet het af. Falco stort getroffen ter aarde.</p> +<p>Ze heeft het niet willen doen, maar nu zij hem ziet, is het +<span class="pagenum">[<a id="pb271" href="#pb271" name="pb271">271</a>]</span>haar onmogelijk hem te laten gaan. Gedurende +twintig jaar heeft zij de wraakzucht in zich gevoed.</p> +<p>Nu beheerscht die haar volkomen.</p> +<p>„Catherina, Catherina,” gilt haar nicht.</p> +<p>„Hij verzocht mij slechts vrij <i>in</i> de kerk te mogen +gaan,” antwoordt zij.</p> +<p>De oude Biagio legt Falco’s lijk terecht en zegt somber:</p> +<p>„Hij zou volkomen genezen, volkomen genezen.” +<span class="pagenum">[<a id="pb272" href="#pb272" name="pb272">272</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div2" id="ch2.11"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 id="xd20e6917" class="label">XI.</h3> +<h3 class="main">Overwinningen.</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">In lang vervlogen dagen woonde de groote wijsgeer +Empedokles op Sicilië. Hij was de schoonste en meest volkomen +mensch, zoo heerlijk en wijs, dat men geloofde, dat hij een tot mensch +geworden god was.</p> +<p>Empedokles bezat een landgoed op den Etna; een avond gaf hij een +feest aan zijne vrienden. Op het feest sprak hij zulke wijze woorden, +dat zijn gasten riepen:</p> +<p>„Gij zijt een god, Empedokles, gij zijt een god!”</p> +<p>Toen de feestgenooten vertrokken waren, dacht Empedokles:</p> +<p>„Ik heb het hoogste bereikt, dat men op aarde kan begeeren. Nu +moet ik sterven, voordat tegenspoed of zwakheid mij +terneerdrukt.”</p> +<p>En hij steeg op tot den top van den Etna en wierp zich in den +brandenden krater.</p> +<p>„Als niemand mijn lijk vindt,” dacht hij, „zal men +denken, dat ik levend onder de goden opgenomen ben.”</p> +<p>Maar den volgenden dag zochten zijn vrienden hem in de villa en op +den ganschen berg. Zij kwamen ook bij den krater en daar vonden ze +Empedokles’ schoenen. En zij begrepen, dat Empedokles den dood in +den krater gezocht had om gerekend te worden tot de onsterflijken.</p> +<p>En dat zou hem gelukt zijn, indien de berg zijn schoenen niet had +opgeworpen.</p> +<p>Toch werd juist door deze sage Empedokles’ naam nooit +vergeten, en velen zochten naar de plaats, waar zijn villa eens gestaan +heeft. <span class="pagenum">[<a id="pb273" href="#pb273" name="pb273">273</a>]</span></p> +<p>Geschiedschrijvers en schatgravers hadden er naar gezocht, want de +villa van den wijsgeer was natuurlijk vol van de heerlijkste marmeren +en bronzen beelden en mozaïekwerk.</p> +<p>Donna Micaela’s vader, cavaliere Palmeri, had zich vast +voorgenomen, dat hij het probleem van de villa zou oplossen. Iederen +morgen reed hij op zijn ponny Dominico weg om de villa te zoeken. Hij +was toegerust als een geschiedvorscher met een schraapijzer in den +gordel, een spade op zij en een grooten ransel op den rug.</p> +<p>Iederen avond als cavaliere Palmeri thuis kwam, vertelde hij donna +Micaela van Dominico.</p> +<p>Gedurende deze jaren, dat ze samen op den Etna gezocht hadden, had +Dominico zich tot een archeoloog ontwikkeld.</p> +<p>Dominico week af van den weg, zoodra hij een ruïne ontdekte. +Hij stampte op den grond, wanneer hij meende, dat men opgravingen moest +doen. Hij hinnikte verachtelijk en wendde den kop af, wanneer men hem +een nagemaakte oude munt vertoonde.</p> +<p>Donna Micaela hoorde met veel geduld en belangstelling naar haar +vaders verhalen. Zij was overtuigd dat, wanneer de villa eindelijk +gevonden werd, Dominico de eer zou krijgen van de ontdekking.</p> +<p>Maar cavaliere Palmeri vroeg zijn dochter nooit naar haar +onderneming. Nooit toonde hij eenige belangstelling voor haar spoorweg. +’t Was bijna, alsof hij niet eens wist waarvoor zij werkte. Dat +was trouwens zoo vreemd niet, hij toonde nooit eenige belangstelling +voor zijn dochter.</p> +<p>Eens, toen ze ’s middags aan den maaltijd zaten, begon donna +Micaela plotseling over den spoorweg te spreken.</p> +<p>Ze had een paar heerlijke overwinningen behaald, zei ze. Eindelijk +had zij overwonnen.</p> +<p>Hij moest hooren welke nieuwtjes zij heden had. Het zou geen +stoomtram worden tusschen Catania en Diamante, zooals zij eerst gedacht +had. Neen, het zou een spoorweg rondom den Etna worden.</p> +<p>Door Falco’s dood had zij niet alleen een machtigen vijand +minder, maar nu geloofde het volk ook, dat de groote Mongibello en alle +heiligen aan haar zijde stonden. Daarom <span class="pagenum">[<a id="pb274" href="#pb274" name="pb274">274</a>]</span>was er een beweging +onder het volk ontstaan om geld te verzamelen voor den spoorweg. In +alle Etnasteden waren bijdragen daarvoor geteekend. Er was reeds een +maatschappij gevormd.</p> +<p>Heden was de concessie gekomen. Morgen zou men in ernst met den +arbeid aanvangen.</p> +<p>Donna Micaela was opgewonden, zij kon niet eten. Haar hart zwol van +geluk en dankbaarheid. Ze kon niet laten te spreken over de machtige +vervoering, die het volk aangegrepen had. Zij sprak met tranen in de +oogen van het Christuskind in San Pasquale.</p> +<p>’t Was roerend te zien, hoe haar gelaat straalde van hoop. +’t Was alsof zij, behalve het geluk waarover zij sprak, nog een +heele wereld van gelukzaligheid te wachten had. Dezen avond voelde ze, +dat een wijze voorzienigheid haar lot bestierde. Zij begreep, dat +Gaetano’s gevangenneming Gods werk was om hem terug te voeren tot +zijn oud geloof. Hij zou bevrijd worden door de wonderen van het kleine +beeld en dit zou hem bekeeren, zoodat hij weer een geloovige als +vroeger zou worden. En zij zou hem toebehooren!</p> +<p>O, God was goed.</p> +<p>Terwijl deze groote gelukzaligheid haar vervulde, zat haar vader +koel en onbewogen tegenover haar.</p> +<p>„Dat is heel merkwaardig,” zei hij slechts.</p> +<p>„Ge gaat toch zeker morgen mee naar het feest?”</p> +<p>„Ik weet het nog niet, ik moet naar mijn +uitgravingen.”</p> +<p>Donna Micaela begon haar brood heftig te verkruimelen. Ze begon haar +geduld te verliezen. Hij had geen deel genomen in haar zorgen, maar in +haar vreugde moest hij deelen. Hij moest deelen in haar vreugde!</p> +<p>En plotseling braken de ketenen van onderdanigheid en vrees, die +haar gebonden hadden, sedert haar vaders gevangenistijd.</p> +<p>„Gij, die zooveel tochten op den Etna maakt,” zei zij +met een zeer vriendelijke stem, „gij zijt zeker ook wel eens in +Gela geweest?”</p> +<p>De cavaliere keek op en scheen in zijn geheugen te zoeken:</p> +<p>„Gela, Gela!”</p> +<p>„Gela is een dorp van ongeveer honderd huizen, dat aan de +Zuidzijde van den Monte-Chiaro ligt, aan den voet van <span class="pagenum">[<a id="pb275" href="#pb275" name="pb275">275</a>]</span>den +berg,” vervolgde donna Micaela met het onschuldigste gezicht van +de wereld. „Het ligt ingeklemd tusschen den Simeto en den +bergwand, een tak van de rivier neemt dikwijls zijn weg door de straten +van Gela, zoodat het een zeer ongewone gebeurtenis is, wanneer men met +droge voeten door het dorp komt.</p> +<p>„Het dak der kerk stortte in bij de laatste aardbeving, en men +heeft de kerk niet kunnen herstellen, want Gela is zeer arm. Hebt ge +werkelijk nooit van Gela gehoord?”</p> +<p>Cavaliere Palmeri antwoordde met onbeschrijfelijken ernst:</p> +<p>„Mijn vorschingen hebben me bergopwaarts gevoerd. Ik heb er +nooit aan gedacht de villa van den grooten wijsgeer in Gela te +zoeken.”</p> +<p>„Maar Gela is een zeer interessant dorp,” zei donna +Micaela. „Ze hebben daar geen aparte schuren. De varkens zijn +beneden in de huizen, de menschen wonen een trap hooger. En er zijn +heel wat varkens in Gela. Ze bevinden zich daar beter dan de menschen, +want de menschen zijn er bijna altijd ziek.</p> +<p>„Er heerscht voortdurend koorts, de malaria is er een trouwe +gast. Het is er zoo vochtig, de kelders staan altijd onder water en +moerasdampen drukken als een dichte mist op het dorp. In Gela zijn geen +winkels, ook geen politie, post, dokter of apotheek. Zeshonderd +menschen leven daar geheel vergeten en verlaten.</p> +<p>„Hebt ge nooit gehoord van Gela?”</p> +<p>Zij zag er heel verbaasd uit.</p> +<p>Cavaliere Palmeri schudde het hoofd. „Den naam heb ik wel eens +gehoord....”</p> +<p>Donna Micaela keek haar vader onderzoekend aan. Zij boog zich +haastig voorover en haalde uit zijn borstzak een gebogen klein mes te +voorschijn, zooals gebruikt wordt bij het snoeien der wijnstokken.</p> +<p>„Arme Empedokles,” zei ze en plotseling straalde haar +geheele gelaat van schalkscheid.</p> +<p>„Ge waant u opgestegen tot de goden, maar de Etna werpt altijd +uw schoenen op.”</p> +<p>Cavaliere Palmeri zonk als door een schot getroffen achterover in +zijn stoel.</p> +<p>„Micaela,” zei hij zwak afwerend, als iemand die niet +weet hoe hij zich moet verdedigen. <span class="pagenum">[<a id="pb276" +href="#pb276" name="pb276">276</a>]</span></p> +<p>Maar zij was oogenblikkelijk even ernstig en zoo onschuldig als +tevoren.</p> +<p>„Men heeft mij verteld,” zei ze, „dat Gela eenige +jaren geleden op het punt stond geheel te gronde te gaan. Alle menschen +daar verbouwen wijn, en toen nu de phylloxera al hun wijngaarden +verwoestte, dreigden zij geheel te verhongeren. ’t +Landbouwgenootschap zond hun toen Amerikaansche planten, die niet door +de phylloxera aangetast worden. De menschen in Gela plantten deze, maar +al de wijnstokken stierven. Hoe zouden de menschen in Gela weten hoe de +Amerikaansche wijndruif gekweekt moet worden.</p> +<p>„Maar toen kwam er iemand die hun dat leerde.”</p> +<p>„Micaela,” klonk het bijna steunend. Donna Micaela vond, +dat haar vader er reeds als een overwonnen man uitzag, maar toch +vervolgde zij haar verhaal, alsof zij niets gemerkt had.</p> +<p>„Er kwam iemand,” zei zij met sterken nadruk, „en +hij liet zich nieuwe planten zenden. Hij begon deze in hun wijngaarden +te planten. Ze lachten hem uit, ze zeiden dat hij zich dwaas aanstelde. +Maar zie, zijn planten groeiden, zij stierven niet. En hij redde +Gela.”</p> +<p>„Ik vind je verhaal niet zeer amusant, Micaela,” zei +cavaliere Palmeri met een poging het af te breken.</p> +<p>„’t Is toch even belangrijk als uw vorschingen,” +zei ze kalm. „Maar ik wil u iets vertellen. Op een dag ging ik +naar uw kamer om een boek over archeologie te halen. Toen ik zag dat uw +boekenkast vol was met geschriften over de phylloxera, den wijnbouw en +de wijnbereiding.”</p> +<p>Cavaliere Palmeri schoof heen en weer op zijn stoel als een op +heeterdaad betrapte misdadiger.</p> +<p>„Zwijg, zwijg!” zei hij zwak. Hij was nu meer beschaamd, +dan toen hij aangeklaagd werd wegens diefstal.</p> +<p>Maar weer schitterde die onderdrukte schalkschheid in haar +oogen.</p> +<p>„Ik keek eens naar de brieven, die ge verzendt,” +vervolgde zij. „Ik wilde eens zien met welke geleerde mannen ge +in briefwisseling waart. ’t Verwonderde mij dat de brieven altijd +geadresseerd waren aan presidenten of secretarissen van +landbouwvereenigingen.”</p> +<p>Cavaliere Palmeri was niet in staat een woord te spreken. +<span class="pagenum">[<a id="pb277" href="#pb277" name="pb277">277</a>]</span></p> +<p>Donna Micaela genoot onbeschrijfelijk hem zoo machteloos te +zien.</p> +<p>Ze keek hem vast in de oogen.</p> +<p>„Ik geloof niet dat Dominico reeds een ruïne weet te +onderscheiden,” zei ze. „De vuile kinderen in Gela spelen +elken dag met hem en geven hem waterkers te eten.</p> +<p>„Dominico wordt als een god in Gela vereerd, om niet te +spreken van zijn— — —”</p> +<p>Cavaliere Palmen scheen een idee te krijgen.</p> +<p>„Je spoorweg!” zei hij. „Wat zei je ook weer van +je spoorweg?</p> +<p>„Misschien kan ik toch wel morgen meegaan naar je +feest.”</p> +<p>Donna Micaela luisterde niet naar hem. Zij haalde haar portemonnaie +uit den zak.</p> +<p>„Hier heb ik een nagemaakte oude munt,” zei ze. +„Een Demarata van nikkel. Die heb ik gekocht om aan Dominico te +toonen.”</p> +<p>„Hoor nu eens, kind!”</p> +<p>Ze deed juist alsof zij zijn tegenwerpingen niet hoorde.</p> +<p>Nu had zij hem in haar macht. Nu was er meer noodig om haar te +verzoenen.</p> +<p>„Eens deed ik uw ransel open om uw vondsten te bewonderen. Het +eenige, dat hij bevatte, was een verdroogde wijnstok.”</p> +<p>Zij was louter stralende vroolijkheid.</p> +<p>„Maar kind!”</p> +<p>„Wat moet men daarvan denken? ’t Is misschien wel geen +onderzoek naar geschiedkundige overblijfselen, misschien is het wel +liefdadigheid, misschien ook wel boete— —”</p> +<p>Nu sloeg cavaliere Palmeri met de vuist op de tafel, zoodat glazen +en borden rinkelden. Dit was hem te veel; een deftige, ernstige oude +heer kon zoo niet met zich laten spotten.</p> +<p>„Zoo waar als gij mijn dochter zijt, zult ge nu +zwijgen.”</p> +<p>„Uw dochter!” zei ze en oogenblikkelijk was haar +vroolijkheid verdwenen. „Ben ik werkelijk uw dochter? De kinderen +in Gela mogen Dominico streelen, maar ik— —”</p> +<p>„Wat meen je, Micaela? Wat wil je?”</p> +<p>Ze keken elkaar aan. Hun oogen vulden zich gelijktijdig met tranen. +<span class="pagenum">[<a id="pb278" href="#pb278" name="pb278">278</a>]</span></p> +<p>„Ik heb niemand anders dan u!” fluisterde zij.</p> +<p>Cavaliere Palmeri opende onwillekeurig zijn armen. Zij stond +aarzelend op, ze wist niet of zij goed zag.</p> +<p>„Ik weet hoe het nu gaan zal,” zei hij morrend. +„Geen minuut houd ik nu voor me zelf over.”</p> +<p>„Om de villa te ontdekken?”</p> +<p>„Geef mij een kus, Micaela. Vanavond zijt ge voor de eerste +maal, nadat we Catania verlaten hebben, onweerstaanbaar +geweest.”</p> +<p>En met een heeschen, wilden kreet, die hem bijna verschrikte, vloog +donna Micaela in haars vaders armen. <span class="pagenum">[<a id="pb279" href="#pb279" name="pb279">279</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div id="pt3" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 id="xd20e7113" class="main">Derde deel.</h2> +<div class="epigraph"> +<div class="lgouter"> +<p class="line">„En hij zal vele aanhangers krijgen.”</p> +</div> +</div> +<p><span class="pagenum">[<a id="pb281" href="#pb281" name="pb281">281</a>]</span></p> +<div class="div2" id="ch3.1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 id="xd20e7121" class="label">I.</h3> +<h3 class="main">De oase in de woestijn.</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">In de lente van 1894 begon men den Etnaspoorweg aan te +leggen, en in den herfst van 1895 was die gereed. Hij steeg op van de +kust, omringde den berg in een halven cirkel, en bereikte dan de +zee.</p> +<p>De trein vertrekt en komt elken dag, en de Mongibello ligt geboeid, +maar verzet zich niet. Vreemdelingen rijden verbaasd door de zwarte, +grillige lavastroomen, door de witte amandelwouden, en de donkere, oude +steden der Saracenen.</p> +<p>„Zie eens, welk een sprookjesland!” zeggen ze.</p> +<p>In den trein is altijd wel iemand, die vertelt van den tijd toen het +Christusbeeld nog in Diamante was. Welk een tijd, welk een tijd! +Iederen dag verrichtte het beeld nieuwe wonderen. Men kan ze niet eens +alle verhalen, maar hij maakte het leven in Diamante zoo blijde, dat de +uren van den dag elkaar volgden als een rij lachende Horen.</p> +<p>Men geloofde, dat de zandlooper van den tijd gevuld was met +schitterend stofgoud.</p> +<p>Indien iemand gevraagd had wie in dien tijd in Diamante regeerde, +zou men geantwoord hebben: „het Christusbeeld.” Alles +voegde zich naar zijn wil. Niemand trouwde of speelde in de loterij of +bouwde een huis zonder hem om raad te vragen. En heel veel messteken +werden terwille van het beeld niet uitgedeeld en menige oude veete werd +bijgelegd en menig bitter woord om zijnentwil niet uitgesproken. Men +moest wel goed zijn, want men merkte, dat het beeld hen bijstond, die +vreedzaam en hulpvaardig waren. Hun schonk hij goede gaven, vreugde en +rijkdom. Indien nu de wereld <span class="pagenum">[<a id="pb282" href="#pb282" name="pb282">282</a>]</span>slechts was geweest, zooals zij +had moeten zijn, dan was Diamante spoedig een rijke en machtige stad +geweest. Maar in plaats daarvan, verwoestte het deel der wereld, dat +niet aan het beeld geloofde, al zijn werk. Het baatte niet veel hoeveel +geluk hij ook om zich heen verspreidde.</p> +<p>De belastingen werden al hooger en verslonden al den rijkdom. En dan +de oorlog in Afrika. Hoe konden de menschen gelukkig zijn als hun +zonen, hun geld, hun muilezels naar Afrika moesten? En de oorlog was +niet voorspoedig, men leed nederlaag op nederlaag. Hoe kon men gelukkig +zijn, wanneer de eer van het vaderland op het spel stond?</p> +<p>Sinds de spoorweg gereed was, merkte men, dat Diamante gelijk was +aan een oase in een woestijn.</p> +<p>De oase is blootgesteld aan het stuifzand, de roovers en de wilde +dieren der woestijn. Zoo ook Diamante.</p> +<p>De oase moest zich uitbreiden over de geheele woestijn om zich +veilig te gevoelen. Diamante begon te gelooven, dat het niet gelukkig +kon worden, vóórdat de gansche wereld zijn Christusbeeld +aanbad.</p> +<p>Nu geschiedde het, dat alles wat Diamante gewenscht en gehoopt had, +mislukte.</p> +<p>Zoo verlangde donna Micaela en geheel Diamante Gaetano terug te +hebben. Toen de spoorweg gereed was, trok donna Micaela naar Rome en +smeekte om zijn invrijheidstelling. Men weigerde het haar.</p> +<p>De koning en de koningin hadden haar wel willen helpen, maar ze +konden niet. Ge weet, wie toen minister in Italië was, hij +regeerde met ijzeren hand. Denkt ge, dat hij den koning toestond genade +te schenken aan een Siciliaanschen oproerling?</p> +<p>Men wenschte vurig, dat het Christusbeeld van Diamante de vereering +zou ten deel vallen, die hem toekwam. Donna Micaela ging om die reden +op <span class="corr" id="xd20e7156" title="Bron: audientie">audiëntie</span> bij den ouden man in het +Vaticaan.</p> +<p>„Heilige vader,” zei ze, „laat u verhalen wat er +geschied is in Diamante op den Etna.”</p> +<p>En nadat ze al de wonderen van het beeld verteld had, verzocht ze, +dat de paus de oude kerk San Pasquale zou laten reinigen en inwijden en +priesters zou aanstellen voor den eeredienst van het Christusbeeld. +<span class="pagenum">[<a id="pb283" href="#pb283" name="pb283">283</a>]</span></p> +<p>Maar evenals in het Quirinaal, kreeg donna Micaela in het Vaticaan +een weigerend antwoord.</p> +<p>„Waarde vorstin Micaela,” zei de paus, „deze +gebeurtenissen die gij verhaalt, erkent de kerk niet als wonderen. Maar +toch behoeft ge niet te wanhopen.</p> +<p>„Indien het Christusbeeld in uw stad wil worden aangebeden, +dan zal het nog een teeken geven. Het zal Ons zijn wil zoo duidelijk +toonen, dat Wij niet behoeven te twijfelen. Vergeef een ouden man, mijn +dochter, dat hij voorzichtig moet zijn.”</p> +<p>Nog een derde zaak had men in Diamante gehoopt. Men had verwacht +eindelijk iets te zullen hooren van Gaetano. Donna Micaela reisde ook +naar Como, waar hij gevangen zat. Zij had aanbevelingsbrieven van +hooggeplaatste ambtenaren in Rome, en ze was zeker, dat ze hem spreken +zou.</p> +<p>Maar de directeur van de gevangenis had haar naar den dokter +gezonden.</p> +<p>Deze verbood haar met Gaetano te spreken.</p> +<p>„Ge wilt den gevangene zien?” zei hij. „Neen, dat +kan niet. Ge zegt, dat hij u liefheeft en meent, dat ge gestorven zijt? +Laat hem dat gelooven. Laat hem dat gelooven!</p> +<p>„Hij heeft leeren berusten, hij wordt niet meer gekweld door +verlangen. Wilt ge, dat hij opnieuw zal beginnen te verlangen, als hij +hoort, dat ge leeft? Wilt ge hem dan dooden? Ik wil u één +ding zeggen. Indien hij weer naar het leven gaat verlangen, zal hij +binnen drie maanden dood zijn.”</p> +<p>Donna Micaela begreep, dat zij er van moest afzien hem te +spreken.</p> +<p>Maar welk een <span class="corr" id="xd20e7185" title="Bron: teleursteling">teleurstelling</span>! Welk een +teleurstelling!</p> +<p>Toen zij thuis kwam, had zij een gevoel als iemand, die +zóó levendig gedroomd heeft, dat hij wanneer hij +ontwaakt, zich zelf niet kan losrukken uit zijn droom.</p> +<p>Zij kon maar niet begrijpen, dat al haar verwachtingen vernietigd +waren.</p> +<p>Zij betrapte zich keer op keer, dat zij dacht: „Toen ik +Gaetano bevrijdde.” Maar nu had zij heelemaal geen hoop meer hem +te bevrijden.</p> +<p>Nu eens dacht zij aan de eene, dan eens aan de andere onderneming, +die zij wilde beginnen. Zou zij het moeras dempen, of zou zij marmer +uit den Etna graven? <span class="pagenum">[<a id="pb284" href="#pb284" +name="pb284">284</a>]</span></p> +<p>Zij kon maar geen besluit nemen.</p> +<p>En dezelfde lusteloosheid, die over donna Micaela gekomen was, +drukte de geheele stad.</p> +<p>Het bleek immers dat alles wat afhankelijk was van menschen, die +niet geloofden aan het Christusbeeld van Diamante, verkeerd ging en +mislukte.</p> +<p>Zelfs de Etnaspoorweg werd verkeerd bestuurd. Voortdurend grepen er +ongelukken plaats, ook waren de prijzen der biljetten te hoog.</p> +<p>De menschen begonnen weer gebruik te maken van omnibussen en +wagens.</p> +<p>Donna Micaela en ook anderen dachten er aan het Christusbeeld in de +wereld te voeren. Zij zouden den ongeloovigen toonen dat hij +gezondheid, vreugde en geluk schonk aan allen, die vreedzaam, vlijtig +en goed voor hun naasten wilden zijn.</p> +<p>Indien de menschen dat maar eerst begrepen, zouden ze zich wel +bekeeren.</p> +<p>„Het beeld moest op het Kapitool staan en de wereld +regeeren,” zei het volk in Diamante.</p> +<p>„Allen, die ons regeeren, zijn onbekwaam,” zeiden ze. +„Wij willen bestuurd werden door het heilige Christuskind. Hij is +machtig en weldadig. En indien hij regeerde, dan zouden de armen rijk +worden, en de rijken hebben reeds genoeg. Hij weet wie het goede wil. +Indien hij de macht had, dan zouden degenen, die nu geregeerd worden, +zitting krijgen in de raadszaal. Hij zou over de wereld gaan met ploeg +en scherpe egge, en hetgeen nu onvruchtbaar in den grond ligt, zal +ontkiemen en een rijken oogst dragen.”</p> +<p>Doch voordat deze plannen ten uitvoer gebracht konden worden, kwam +in de eerste dagen van Maart 1896 het bericht van den slag bij Adua. De +Italianen waren verslagen en duizenden van hen waren gedood of +gevangengenomen.</p> +<p>Eenige dagen later trad het ministerie in Rome af.</p> +<p>En de man die nu de macht in handen kreeg, vreesde den toorn en de +wanhoop der Sicilianen. Om hen te verzoenen hergaf hij de vrijheid aan +eenige gevangen socialisten. De vijf mannen, waarnaar het volk het +meest verlangde, werden in vrijheid gesteld. Dat waren Da Felice, +Bosco, Verro, Barbato en Alagona. <span class="pagenum">[<a id="pb285" +href="#pb285" name="pb285">285</a>]</span></p> +<p>Ach, donna Micaela trachtte blij te zijn, toen zij dit hoorde. Ze +beproefde niet te schreien.</p> +<p>Zij had geloofd, dat Gaetano gevangen zat, opdat het Christusbeeld +de muren zijner gevangenis zou kunnen neerhalen. Deze beproeving had +God hem opgelegd, opdat hij genoodzaakt zou zijn het hoofd te buigen +voor het Christusbeeld en te zeggen:</p> +<p>„Mijn God en Meester.”</p> +<p>En nu had niet het beeld hem bevrijd. Hij zou een heiden blijven +gelijk vóór zijn gevangenistijd.</p> +<p>Dezelfde gapende kloof zou tusschen hen beiden zijn. Zij trachtte +verheugd te zijn. ’t Was immers reeds een groot geluk dat hij +vrij was. Wat was zij en haar geluk in vergelijking daarmee!</p> +<p>Maar zoo ging het nu met alles wat Diamante gewenscht en gehoopt +had.</p> +<p>De groote woestijn was zeer slecht jegens de arme oase. <span class="pagenum">[<a id="pb286" href="#pb286" name="pb286">286</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div2" id="ch3.2"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 id="xd20e7240" class="label">II.</h3> +<h3 class="main">In Palermo.</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Eindelijk, eindelijk is het één uur +’s nachts.</p> +<p>Degenen, die bang zijn zich te verslapen, staan op van hun bed, +kleeden zich aan en gaan op straat.</p> +<p>En zij, die opgebleven zijn en tot nu toe over de tafeltjes in de +café’s gehangen hebben, rijzen op nu zij schreden hooren +op het steenen plaveisel. Ze schudden den slaap van zich en gaan naar +buiten. Zij sluiten zich aan bij de spoedig aangroeiende menschenmassa, +en de trage tijd begint iets vlugger te gaan.</p> +<p>Menschen, die elkaar slechts oppervlakkig kennen, drukken elkaar de +hand met warme hartelijkheid. Dezelfde blijdschap trilt in alle harten. +En menschen die anders nooit een voet op straat zetten, zijn hedennacht +buiten, oude professoren, voorname edellieden en fijne dames. Allen +zijn even verheugd.</p> +<p>„Mijn God, dat hij nu terugkomt, dat Palermo hem nu weer +terugkrijgt,” zeggen ze.</p> +<p>De studenten, die den geheelen nacht hun lievelingsverblijf in +Quattro Canti niet verlaten hebben, verschijnen nu met fakkels en +gekleurde lampions.</p> +<p>Zij zouden die niet aansteken voor vier uur ’s morgens als de +verwachte aan zal komen, maar tegen twee uur begint nu en dan eens een +student te probeeren of zijn fakkel wel branden wil. Dan steken ze +allen hun fakkels aan en begroeten het licht met luid gejuich.</p> +<p>’t Is onmogelijk in het donker te staan, als zulk een groote +blijdschap in het hart vlamt. <span class="pagenum">[<a id="pb287" +href="#pb287" name="pb287">287</a>]</span></p> +<p>De vreemdelingen in de hotels worden gewekt.</p> +<p>„Er is hedennacht feest in Palermo, o signori.”</p> +<p>„Ter eere van wien is er feest?” vragen de +vreemdelingen.</p> +<p>„Ter eere van een der socialisten, dien de regeering in +vrijheid gesteld heeft. Hij komt hedenmorgen met de stoomboot van +Napels.”</p> +<p>„Wat is hij voor een man?”</p> +<p>„Hij heet Bosco, het volk heeft hem lief.”</p> +<p>En er heerscht bedrijvigheid in de gansche stad.</p> +<p>Een der geitenherders op den Monte Pellegrino is ijverig bezig +kleine ruikertjes van bellis te binden, die zijn geiten in den halsband +zullen dragen.</p> +<p>En daar hij honderd geiten heeft en alle halsbanden dragen.... Maar +het moet. Zijn geiten kunnen zich den volgenden dag niet in Palermo +vertoonen, zonder versierd te zijn ter eere van den feestdag.</p> +<p>De naaisters hebben tot middernacht moeten werken om alle nieuwe +kleedingstukken gereed te hebben, die den volgenden dag gedragen zullen +worden. En als zoo’n ijverig naaistertje klaar is met het werk +voor anderen, dan mag ze aan zichzelf denken.</p> +<p>Ze zet een paar veeren op haar hoed en trekt de rozetten wat hooger. +Heden moet zij mooi zijn!</p> +<p>Huis aan huis begint men te illumineeren. Hier en daar ontsteekt men +vuurwerk. Knallers en sissers kronkelen zich omhoog op iederen hoek der +straten.</p> +<p>De bloemenwinkels aan den langen Via Vittorio Emanuele zijn telkens +en telkens geheel uitverkocht.</p> +<p>Steeds meer en meer witte oranjebloemen worden er gevraagd. Geheel +Palermo is vervuld van den zoeten oranjegeur.</p> +<p>De portier van Bosco’s huis heeft geen oogenblik rust. +Prachtige taarten en torenhooge bouquetten worden voortdurend langs de +trappen opgedragen. Welkomstgedichten en telegrammen met gelukwenschen +stroomen van alle kanten. Er schijnt geen einde aan te zullen komen. De +arme bronzen keizer op Pazzi Bologna, de leelijke Karel de Vijfde, die +mager en ellendig is als <span class="corr" id="xd20e7293" title="Bron: Giovani">Giovanni</span> in de woestijn, heeft op een +onbegrijpelijke wijze een bloemruiker in de hand <span class="pagenum">[<a id="pb288" href="#pb288" name="pb288">288</a>]</span>gekregen. Als de studenten, die in de nabijheid +in Quattro Canti zijn, dat hooren, trekken ze in een goed geordenden +optocht naar het standbeeld, verlichten hem met hun fakkels en roepen +een „lang zal hij leven” voor den ouden despoot.</p> +<p>Een van hen ontneemt hem den ruiker om dien aan den grooten +socialist te geven.</p> +<p>Daarna trekken de studenten naar de haven.</p> +<p>Lang vóórdat zij daar aankomen, zijn hun fakkels +uitgebrand, maar daar bekommeren zij zich niet om. Zij hebben de armen +om elkaars hals geslagen, en zingen luid. Nu en dan onderbreken zij hun +gezang om te roepen: „Weg met Crispi! Leve Bosco!” Dan valt +het gezang opnieuw in, maar wordt weer afgebroken, omdat zij, die niet +zingen kunnen, de zangers omhelzen.</p> +<p>Gilden en broederschappen komen in optocht uit de stadswijken, waar +hetzelfde handwerk reeds meer dan duizend jaar uitgeoefend wordt. Daar +zijn de metselaars met hun zangkoor en vaandels, de mozaïekwerkers +en de visschers.</p> +<p>Als de vereenigingen elkaar ontmoeten, groeten zij elkaar met de +vaandels. Nu en dan staan ze stil om toespraken te houden. Men spreekt +over de vijf socialisten, de vijf martelaars, die de regeering nu +eindelijk aan Sicilië teruggeschonken heeft.</p> +<p>En de menschenmassa jubelt:</p> +<p>„Leve Bosco! Leve Da Felice! Leve Verro! Leve Barbato! Leve +Alagano!”</p> +<p>Maar als iemand, die het rumoer der straten wil ontvluchten, naar de +haven gaat, vraagt hij verbaasd:</p> +<p>„Waar ben ik hier? Madonna Santissima, waar ben ik +gekomen?”</p> +<p>Want hij had gedacht, dat het nog rustig en stil zou zijn aan de +haven.</p> +<p>Maar alle booten en sloepen in de haven van Palermo zijn in beslag +genomen door verschillende vereenigingen en gezelschappen. Ze drijven +in de haven, heerlijk versierd met gekleurde Venetiaansche lampions, en +ieder oogenblik stijgen er van deze booten groote bundels raketten +omhoog.</p> +<p>Over de ruw houten banken heeft men prachtige kleeden en dekens +gespreid en daarop zitten de dames, de schoone <span class="pagenum">[<a id="pb289" href="#pb289" name="pb289">289</a>]</span>dames van Palermo, gekleed in lichte zijde en +donker fluweel. Kleine ranke bootjes zweven over het water, nu eens in +groote groepen, dan weer elk afzonderlijk. De masten en raas der groote +schepen prijken met wimpels en lampions, de kleine havenstoombootjes +glijden over het water, met bloemguirlandes om de stoompijpen.</p> +<p>En onderwijl weerkaatst en spiegelt het water al het licht, zoodat +de schijn van een lantaarn tot een heelen vuurstroom wordt, en de +waterdruppels die van de roeispanen vallen, worden gelijk vloeibaar +goud.</p> +<p>Op de kade staan honderdduizenden menschen, uitgelaten van vreugde. +Ze kussen elkaar, ze juichen en zijn gelukkig.</p> +<p>Ze zijn hun vreugde niet meester, velen van hen weenen.</p> +<p>Vuur is vreugde. ’t Is goed dat men vuren ontsteekt.</p> +<p>Plotseling vlamt een groot vuur op den Monte Pellegrino en daarna +stijgen hooge vlammen op van de geheele getakte bergketen, die de stad +omringt. Het vlamt op den Monte Falcone, op San Martino, op den berg +der duizenden, waarover Garibaldi trok.—</p> +<p>Maar op zee vaart de groote stoomboot van Napels, en op deze +stoomboot bevindt zich Bosco, de socialist.</p> +<p>Hij kan dien nacht niet slapen. Hij loopt heen en weer op het dek. +Zijn oude moeder, die naar Napels gegaan is om hem te halen, komt uit +haar hut om hem gezelschap te houden. Maar hij kan nu niet met haar +spreken. Spoedig zal hij weer thuis zijn. O, Palermo! Palermo!</p> +<p>Meer dan twee jaar heeft hij gevangen gezeten. Twee lange jaren van +kwelling en verlangen. En zijn die ergens goed voor geweest? Zie, dat +zou hij zoo gaarne willen weten.</p> +<p>Heeft het zijn zaak iets gebaat, dat hij gevangen gezeten heeft? +Heeft Palermo aan hem gedacht? Heeft zijn lijden der zaak een enkelen +aanhanger doen winnen?</p> +<p>Zijn moeder zit ineengedoken op de kajuittrap te rillen van de +koude. Hij heeft het haar gevraagd, maar zij weet niets. Zij spreekt +over den kleinen Francesco en de kleine Lena, hoe zij gegroeid zijn. +Zij weet niets van hetgeen, waarvoor hij strijdt. Maar nu nadert hij +zijn moeder, grijpt haar bij de hand en voert haar naar de +verschansing. Hij vraagt haar of zij niet iets ziet daar ver in het +zuiden. Zij ziet met <span class="pagenum">[<a id="pb290" href="#pb290" +name="pb290">290</a>]</span>haar droeve oogen over de zee en ziet +slechts den nacht, slechts den donkeren nacht op zee. Ze ziet niet dat +er een vuurwolk gloeit aan den horizon.</p> +<p>En hij hervat zijn wandeling en zij kruipt onder de beschermende +tent. Hij behoeft niet met haar te spreken, ’t is haar reeds een +geluk hem weer bij zich te hebben na een scheiding van twee lange +jaren. Hij was veroordeeld tot vier en twintig jaar gevangenisstraf, en +zij had niet gedacht hem ooit weer te zien. Maar de koning had hem +genade verleend, de koning was een goede man. Indien hij slechts de +macht had zoo goed te zijn, als hij was.</p> +<p>Bosco wandelt rusteloos op het dek en vraagt den matrozen of ze niet +een vuurgloed daar ginds aan den horizon zien.</p> +<p>„Daar is Palermo,” zeggen de zeelieden. „’s +Nachts zweeft er altijd zoo’n lichtschijn boven de +stad.”</p> +<p>Het kan niets zijn, dat hem aangaat, hij wil zich zelf overtuigen, +dat men niets voor zijn ontvangst doet. Hij kan toch niet verlangen, +dat alle menschen opeens socialisten geworden zijn.</p> +<p>Maar na een tijdje denkt hij: „Er moet toch iets buitengewoons +gaande zijn.” Alle matrozen verzamelen zich op het voordek.</p> +<p>„Palermo staat in brand,” zegt een matroos.</p> +<p>Ja, dat kon wel het geval zijn.—En hij lijdt vreeselijk, omdat +hij verwacht, dat men iets tot zijn ontvangst zou doen. Maar nu +bemerken de zeelieden de vlammende vuren op de bergen. Neen, het kan +toch geen brand zijn. ’t Is zeker een heilige dag. Ze vragen +elkaar welk feest heden gevierd wordt. Hij tracht ook te gelooven dat +het zoo is, en vraagt zijn moeder of het een feestdag is.</p> +<p>Ze komen al nader bij Palermo. Het gedempte feestgeruisch van de +groote stad dringt tot hen door.</p> +<p>„Geheel Palermo zingt en juicht vannacht,” zegt een der +zeelieden.</p> +<p>„Er is zeker een telegram gekomen van een overwinning in +Afrika,” meent een ander.</p> +<p>Niemand denkt er aan dat het ter eere van Bosco kan zijn. Hij gaat +naar het achterdek, hij wil niets meer zien. Hij wil zichzelf niet met +ijdele verwachtingen kwellen. Zou <span class="pagenum">[<a id="pb291" +href="#pb291" name="pb291">291</a>]</span>geheel Palermo illumineeren +voor een armen socialist?</p> +<p>Nu komt zijn moeder bij hem. „Kom mee,” zegt ze. +„Zie eens hoe Palermo schittert van licht, ’t moet zeker +een koning zijn, die heden verwacht wordt. Kom mee om Palermo te +zien.”</p> +<p>Hij denkt na. Neen, hij gelooft niet dat de koning Palermo heden +bezoekt. Maar hij waagt het niet iets anders te denken, nu niemand, +zelfs niet zijn moeder....</p> +<p>Opeens schreeuwen allen op de stoomboot luid. ’t Klinkt als +een noodkreet. Een groot pleizierjacht stuurt recht op hen aan en +glijdt nu zacht naast de stoomboot.</p> +<p>Het geheele jacht schijnt slechts uit bloemen en licht te bestaan. +Roode en witte draperieën hangen over boord. Bosco staat op de +stoomboot en vraagt zich af welke tijding deze schoone bode zal +brengen. Daar slaat het zeil om en op het witte vlak schittert hem +tegemoet: „Leve Bosco.” ’t Is zijn naam! Niet die van +een koning of van een zegevierenden generaal! Niemand dan hem geldt +deze hulde. Zijn naam, zijn naam!</p> +<p>Het jacht werpt eenige vuurraketten omhoog, een regen van gouden +sterren valt neer.</p> +<p>De boot stoomt de haven binnen. Een donderend gejubel weerklinkt; de +menschen weenen van blijdschap en vervoering.</p> +<p>Maar Bosco voelt, dat hij zulk een hulde niet verdient. Hij zou +willen knielen voor deze menschen, die hem huldigen, en hen smeeken hem +te vergeven, dat hij niets vermag, niets gedaan heeft voor hen +allen.</p> +<hr class="tb"> +<p>Door een bizonder toeval is donna Micaela dien nacht in Palermo. Ze +is daar voor een van de ondernemingen, die ze meent te moeten beginnen +om het leven te kunnen uithouden. Zij is daar óf voor de +marmergroeve óf voor het moeras, dat zij wil dempen.</p> +<p>Zij staat beneden bij de haven, zij, zooals alle anderen. Men ziet +haar aan, als zij zich een weg baant naar het strand, een hooge, +donkere vrouw, met een voornaam uiterlijk, een bleek gelaat met +sprekende trekken en smeekende, verlangende, hartstochtelijke oogen. +<span class="pagenum">[<a id="pb292" href="#pb292" name="pb292">292</a>]</span></p> +<p>Terwijl het volk jubelt en juicht, voert donna Micaela een hevigen +strijd. „Indien dit nu Gaetano was,” denkt zij, kon ik dan, +zou ik dan....</p> +<p>„Indien al deze menschen jubelen om hem, zou ik +dan...”</p> +<p>Er heerscht zulk een vreugde in de stad, grooter dan zij ooit gezien +heeft. De menschen hebben elkaar lief als broeders. En dat is niet +alleen omdat een socialist thuis komt, maar omdat ze gelooven, dat de +aarde spoedig gelukkig zal zijn. Indien hij nu kwam, nu deze blijdschap +rondom mij opbruist, denkt zij. Kon ik dan, zou ik dan....</p> +<p>Ze ziet hoe het rijtuig van Bosco door de menschenmenigte tracht te +dringen. Het gaat stap voor stap; langen tijd moet het stilstaan. Er +zullen vele uren noodig zijn, voordat het rijtuig voorbij de haven +is.</p> +<p>Indien hij het was, en ik zag hoe alle menschen zich om hem +verdrongen, kon ik het dan laten mij in zijn armen te werpen? Kon +ik...</p> +<hr class="tb"> +<p>Zoo spoedig zij uit het gedrang komen, neemt ze een wagen en rijdt +door de vlakte van Conca d’oras naar de groote domkerk der +Noorsche koningen te Monreale.</p> +<p>Ze treedt binnen en staat oog in oog met het schoonste +Christusbeeld, dat menschelijke kunst geschapen heeft. Hoog op het koor +zit de gezegende Christus in stralend mozaïek, machtig, mystisch +en majestueus.</p> +<p>Ontelbaar zijn de pelgrims, die naar Monreale trekken om troost te +zoeken in het aanschouwen van zijn aangezicht. Ontelbaar zijn de velen, +die in verre landen naar hem smachten.</p> +<p>De grond trilt onder de voeten van hem die dit Christusbeeld voor de +eerste maal aanschouwt. Zijn oogen dwingen den vreemdeling de +knieën voor hem te buigen. Zonder dat de bezoeker het weet, +stamelen zijn lippen:</p> +<p>„O God! Mijn God!”</p> +<p>Rondom op de tempelwanden stralen de wereldgebeurtenissen in de +mozaïek. Die voeren de gedachten slechts tot hem; zij zijn daar +slechts om te zeggen:</p> +<p>Het gansche verleden behoort hem, het heden is van hem en evenzoo +behoort hem de geheele toekomst. <span class="pagenum">[<a id="pb293" +href="#pb293" name="pb293">293</a>]</span></p> +<p>De mysteriën van leven en dood sluimeren in zijn hoofd.</p> +<p>Daar woont de geest, die het lot der wereld bestuurt.</p> +<p>Daar heerscht de liefde, die de wereld verlossen zal.</p> +<p>En donna Micaela roept hem aan:</p> +<p>„Gij, Gods zoon, verlaat mij niet! Laat geen mensch de macht +hebben mij van u te scheiden!” <span class="pagenum">[<a id="pb294" href="#pb294" name="pb294">294</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div2" id="ch3.3"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 id="xd20e7435" class="label">III.</h3> +<h3 class="main">De thuiskomst.</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">’t Is een wonderlijk gevoel thuis te komen. +Terwijl ge nog op reis zijt, kunt ge niet denken, dat het zoo +wonderlijk zal zijn.</p> +<p>Wanneer ge komt bij Reggio aan de straat van Messina en Sicilië +uit de zee ziet opduiken als een nevelland, wordt ge haast +ongeduldig.</p> +<p>„Is het niets anders?” zegt ge. „Dat is immers een +land zooals alle andere.”</p> +<p>En als ge bij Messina aan land stapt, zijt ge nog steeds ongeduldig. +Er moest iets gebeurd zijn, er moest iets geschied zijn, terwijl ge weg +waart. Ge hadt niet dezelfde ellende, dezelfde lompen, denzelfden nood +moeten terugvinden, die ge bij uw vertrek verlaten hebt. Wel ziet ge +dat de lente gekomen is. De vijgeboomen dragen reeds bladeren, de +wijnstokken zenden ranken uit, die in een paar uur zichtbaar groeien, +en een menigte erwten en boonen liggen op de kade.</p> +<p>Slaat ge een blik op de heuvelen rondom de stad, dan ziet ge dat de +grauwe cactusplanten, die langs de rotshellingen groeien, bedekt zijn +met vuurroode bloemen, die schitteren als kleine, vurige vlammen. +’t Schijnt alsof de fichedenda’s vol vuur zijn, dat nu is +uitgebroken.</p> +<p>Maar hoewel de cactus in vollen bloei staat, is hij nog even grauw, +stoffig en met spinnewebben bedekt als altijd. En ge zegt tot u zelf, +dat Sicilië gelijkt op den cactus. Hoe vele lenten er ook over het +eiland gegaan zijn, het blijft toch altijd het land der grauwe armoede. +<span class="pagenum">[<a id="pb295" href="#pb295" name="pb295">295</a>]</span></p> +<p>Ge kunt niet begrijpen, dat alles precies gelijk is gebleven. De +Scylla en de Charybdis hadden moeten bruisen gelijk in vroeger dagen. +De steenen reuzen in den Girgentitempel moesten opgestaan zijn met +geboeide leden. Selinunts tempel moest verrezen zijn uit zijn +puinhoopen. Heel Sicilië moest ontwaakt zijn.</p> +<p>Als ge nu van Messina langs de kust reist, zijt ge nog steeds +ongeduldig. Ge ziet, dat de boeren nog steeds het land bewerken met +houten ploegen en dat hun paarden er nog even mager, ellendig en +uitgehongerd uitzien, als vóór uw vertrek.</p> +<p>Ja, alles is precies gelijk gebleven. De zonneschijn valt neer op de +aarde als een regen van kleuren, de pelagonia’s bloeien aan den +wegkant, de zee ligt zacht blauw en streelt het strand.</p> +<p>Woeste bergen met hooge kruinen verheffen zich langs de kust. Het +hooggebergte van den Etna verrijst aan den horizon. Plotseling bemerkt +ge, dat er iets wonderbaarlijks geschied is. Ge zijt niet meer +ongeduldig, integendeel, ge verheugt u over de bloeiende velden, de +bergen en de blauwe zee.</p> +<p>Ge wordt teruggevoerd tot de schoone aarde als een van haar verloren +bezittingen. Ge hebt geen tijd aan iets anders dan aan haar te denken. +Eindelijk komt ge in de nabijheid van uw echt thuis, waar ge uw +kindsheid hebt doorgebracht.</p> +<p>Hoe hebt ge zulke goddelooze gedachten kunnen hebben, terwijl ge weg +waart? Dit arme thuis wildet ge nooit weerzien omdat ge daar te veel +geleden hebt?—</p> +<p>Dan aanschouwt ge opeens de oude bergstad op eenigen afstand, en die +ziet er vroolijk lachend uit en voelt zich volkomen onschuldig.</p> +<p>„Kom, heb mij opnieuw lief,” zegt ze.</p> +<p>En ge kunt niet anders dan gelukkig en dankbaar zijn, omdat ze uw +liefde wil aannemen.</p> +<p>O, als ge nu komt op den zigzagweg, die naar de stadspoort voert! De +schaduw van een olijfboom valt over u. Wil hij u liefkoozen? Een kleine +hagedis komt te voorschijn op een muur. Ge moet staan blijven om naar +haar te kijken. Kan zij niet een oude kennis zijn, die u goedendag wil +zeggen? <span class="pagenum">[<a id="pb296" href="#pb296" name="pb296">296</a>]</span></p> +<p>Plotseling wordt ge angstig. Uw hart begint te kloppen en te +hameren. Ge herinnert u, dat ge niet weet wat ge zult hooren, als ge +thuis komt. Geen brief hebt ge geschreven, niemand hebt ge ontvangen. +Alles wat u aan uw thuis kon herinneren, hebt ge van u gewezen. Dat was +het verstandigste nu ge toch nooit weer thuis zoudt komen. En tot dit +oogenblik was alles wat uw huis betrof, dood voor u.</p> +<p>Maar nu weet ge niet, hoe ge het leven zult kunnen uithouden indien +er thuis iets veranderd is. ’t Zal u zulk een groot verdriet +veroorzaken, indien de Monte Chiaro slechts één palm +verloren heeft, indien er slechts één enkele steen +losgeraakt is uit den stadsmuur.</p> +<p>Zou de groote agave nog op het vooruitspringende rotsblok staan? +Neen, de agave is er niet meer, die is omvergehakt. En de steenen bank +aan den weg is gebroken. Die bank zult ge missen, het was altijd zulk +een heerlijk rustpunt. En zie, op het groene veld onder den amandelboom +is een schuur gebouwd. Nu kunt ge u nooit meer uitstrekken op dat +bloeiende klaverveld.</p> +<p>Ge wordt angstig bij elke schrede. Wat zult ge nu zien? Zoo ontroerd +zijt ge, dat ge voelt dat ge in tranen zoudt uitbarsten, indien ge +slechts hoordet, dat er een der oude bedelaarsters gestorven is, +terwijl ge afwezig waart.</p> +<p>Neen, ge wist niet dat het zoo wonderlijk is, thuis te komen. Ge +kwaamt eenige weken geleden uit de gevangenis, en de lusteloosheid der +gevangenis lag nog over u. Ge wist nauwelijks of ge wel naar huis zoudt +reizen. De geliefde was dood, ’t was al te vreeselijk de oude +wonde opnieuw open te rijten. Zoo liept ge lusteloos rond, maar +eindelijk vermandet gij u. Gij moest toch naar uw oude, arme moeder. En +nu ge daar gaat, voelt ge, dat ge hebt verlangd naar elken steen, +iederen grashalm.</p> +<hr class="tb"> +<p>Dadelijk nadat Gaetano in den winkel kwam, heeft donna Elisa zich +voorgenomen: „Nu zal ik met hem spreken over Micaela. Misschien +weet hij nog niet eens dat zij leeft.” Maar zij stelt dat minuut +na minuut uit, niet alleen omdat zij hem een tijdje voor zich alleen +wil houden, maar ook omdat hij, <span class="pagenum">[<a id="pb297" +href="#pb297" name="pb297">297</a>]</span>zoodra hij Micaela’s +naam hoort, liefdesmart en pijn zal gevoelen. Want Micaela wil niet met +hem trouwen, dat heeft ze donna Elisa duizenden malen gezegd.</p> +<p>Zij wil hem bevrijden uit de gevangenis, maar ze wil niet de vrouw +van een vrijdenker worden.</p> +<p>Slechts een half uur wil donna Elisa Gaetano voor zich zelf +behouden, slechts een enkel half uurtje.</p> +<p>Maar zoo lang zal zij zeker niet kunnen zitten met zijn hand in de +hare en hem duizenden vragen doen, want het volk heeft zijn komst reeds +vernomen. Opeens staat de straat vol menschen, die hem allen willen +zien. Donna Elisa heeft den grendel voor de winkeldeur geschoven, want +zij wist immers, dat zij geen oogenblik rust zou hebben, zoodra men +Gaetano ontdekt heeft. Maar het baat haar heel weinig.</p> +<p>De menschen kloppen op de ramen en rammelen aan de deur.</p> +<p>„Don Gaetano,” roepen ze. „Don Gaetano!”</p> +<p>Gaetano verschijnt lachend op de trap. Ze zwaaien met hun mutsen en +roepen luid hoera. Hij ijlt tusschen de menschenmenigte en omhelst den +een na den ander. Maar dat is niet alles wat ze verlangen. Hij moet op +de trap een toespraak tot hen houden; hij moet hun vertellen hoe hard +de regeering voor hem geweest is en hoe hij geleden heeft in de +gevangenis.</p> +<p>Gaetano lacht nog steeds en gaat op de trap staan.</p> +<p>„De gevangenis,” zegt hij, „wat zal ik u daarvan +vertellen? Ik heb elken dag mijn soep gehad, elken middag, dat is meer +dan velen van u kunnen zeggen.”</p> +<p>De kleine Gandolfo zwaait zijn muts en roept:</p> +<p>„Nu zijn er heel wat meer socialisten in Diamante, dan toen ge +weggingt, don Gaetano.”</p> +<p>„Hoe zou dat anders kunnen zijn,” lachte hij. +„Alle menschen moeten socialist worden. Is het socialisme dan +iets gevaarlijks, iets afschuwelijks? Het socialisme is een idylle. +’t Is een idylle van een eigen thuis, van gezegenden arbeid, +zooals iedere mensch dat droomt in zijn jeugd. Een heele aarde vervuld +van....”</p> +<p>Hier zwijgt hij plotseling. Toevallig heeft hij een blik geworpen op +het zomerpaleis. Daar staat donna Micaela op een der balkons en kijkt +naar hem. <span class="pagenum">[<a id="pb298" href="#pb298" name="pb298">298</a>]</span></p> +<p>Hij denkt geen oogenblik, dat zij een visioen of een +spookverschijning is. Hij ziet dadelijk dat zij leeft. Maar juist +daarom.... Of het nu ook kwam omdat de gevangenistijd zijn krachten +verzwakt heeft, en hij zich nu niet beheerschen kan.... hij voelt dat +hij zich niet staande kan houden. Hij grijpt met de handen in de lucht, +tracht tegen den deurpost te leunen, maar ’t helpt niets. Zijn +beenen dragen hem niet langer, hij valt van de trap en slaat met een +harden bons zijn hoofd tegen de steenen.</p> +<p>Hij ligt daar als voor dood.</p> +<p>Ze vliegen allen op hem af, dragen hem naar binnen, ijlen naar een +dokter, spreken allen tegelijk en slaan duizenden middeltjes voor om +hem te helpen.</p> +<p>Donna Elisa en Pacifica krijgen hem eindelijk in een der +slaapkamers. Luca jaagt de menschen uit het huis, en stelt zich op +wacht voor de gesloten deur. Donna Micaela, die met de anderen naar +binnen gekomen is, neemt hij het eerst van allen bij de hand en brengt +haar buiten de deur. Zij vooral mag niet binnen blijven. Luca heeft +zelf gezien hoe Gaetano als door den bliksem getroffen neerstortte, +toen hij haar zag.</p> +<p>De dokter doet alle mogelijke moeite om Gaetano weer tot het leven +te roepen. Maar dat gelukt hem niet, Gaetano ligt daar als versteend. +De dokter meent dat hij in een gevaarlijken toestand is, hij weet niet +of hij hem nog kan redden. De bezwijming op zich zelf beteekent immers +niets, maar de slag op de harde steenen....</p> +<p>Binnenshuis heerscht groote drukte, maar de arme buitengeslotenen +kunnen niets anders doen dan wachten en wachten.</p> +<p>Ze staan den geheelen dag voor donna Elisa’s deur. Daar staan +donna Emilia en donna Concetta, vroeger bestond er niet veel +vriendschap tusschen haar beiden, maar heden staan ze naast elkaar te +treuren.</p> +<p>Vele angstige oogen turen door het winkelraam van donna +Elisa’s huis. De kleine Gandolfo en de oude Assunta van de +domtrap en de arme stoelmatter staan daar den heelen namiddag zonder +een oogenblik rust te nemen. ’t Is vreeselijk, dat Gaetano zal +sterven, nu zij hem juist weer terug hebben gekregen. <span class="pagenum">[<a id="pb299" href="#pb299" name="pb299">299</a>]</span></p> +<p>De blinden staan daar te wachten alsof ze hopen, dat hij hun het +gezicht terug zal geven, en arme menschen, zoowel van Geraci als van +Corvaja, wachten in angstige spanning hoe het met hun jongen Heer, den +laatsten Alagona, zal afloopen.</p> +<p>Hij had hen allen lief, en hij had zulk een groote macht en kracht, +indien hij slechts in het leven bleef....</p> +<p>„God heeft zijn hand van Sicilië genomen,” zeggen +ze. „Allen, die het volk willen helpen, laat hij +sterven.”</p> +<p>Den geheelen namiddag, den avond tot middernacht staan de menschen +voor donna Elisa’s huis.</p> +<p>Precies klokslag twaalf verschijnt donna Elisa in de winkeldeur, en +daalt van de trap.</p> +<p>„Is hij gered?” roepen ze allen.</p> +<p>„Neen, zijn toestand is nog hetzelfde.”</p> +<p>Allen zwijgen, eindelijk vraagt een bevende stem:</p> +<p>„Is het erger?”</p> +<p>„Neen, neen, het is niet erger. Zijn toestand is hetzelfde, de +dokter is bij hem.”</p> +<p>Donna Elisa heeft een zwarte sjaal over het hoofd geworpen, ze +draagt een lantaarn in de hand. Zij gaat op straat, waar de menschen +dicht op elkaar gedrongen staan en liggen.</p> +<p>„Is Gandolfo hier?” vraagt ze.</p> +<p>„Ja, donna Elisa.” Gandolfo komt te voorschijn.</p> +<p>„Ga met mij mede om je kerk voor me te ontsluiten.” +Allen die donna Elisa’s woorden verstaan hebben, begrijpen dat ze +wil gaan bidden in San Pasquale om het Christusbeeld te smeeken voor +Gaetano’s leven. Ze staan allen op en willen met haar gaan.</p> +<p>Donna Elisa is zeer getroffen door dit medelijden, ze heeft een +gevoel alsof haar hart grooter wordt.</p> +<p>„Ik zal u iets vertellen,” zegt ze met bevende stem.</p> +<p>„Ik heb gedroomd. Ik weet niet hoe het kwam, dat ik opeens in +slaap viel, maar terwijl ik zoo bedroefd bij Gaetano’s bed zat, +sliep ik in. Nauweljks had ik mijn oogen gesloten, of ik zag het +Christusbeeld met zijn kroon en gouden schoentjes, zooals hij in San +Pasquale’s kerk staat. En hij zei tot mij: „Maak de arme +vrouw, die in mijn kerk ligt te bidden, tot de echtgenoote van uw zoon, +dan zal hij genezen.” <span class="pagenum">[<a id="pb300" href="#pb300" name="pb300">300</a>]</span></p> +<p>„Nadat hij dit gezegd had, ontwaakte ik, en toen ik mijn oogen +opsloeg, was het mij alsof ik het Christusbeeld door den muur zag +verdwijnen. En nu moet ik naar de kerk om te zien of er een vrouw +is.</p> +<p>„Maar gij hoort allen, dat ik heilig beloof, dat indien er +eenige vrouw in San Pasquale is, ik doen zal wat het beeld mij bevolen +heeft. En indien het ook het armste meisje van de straat is, ik zal +haar als mijn dochter beschouwen en haar maken tot mijn zoons +echtgenoote.”</p> +<p>Als donna Elisa dit gezegd heeft, gaat ze door allen gevolgd naar +Pasquale. Alle arme menschen zijn in gespannen verwachting. Ze kunnen +zich nauwelijks bedwingen om donna Elisa niet voorbij te snellen om te +zien of er ook iemand in de kerk is.</p> +<p>Denk eens, indien het een zigeunerin was, die daar vannacht +beschutting zocht. Wie anders kan ’s nachts in de kerk zijn dan +een arme verlaten stakker?</p> +<p>’t Is een vreeselijke gelofte, die donna Elisa gedaan +heeft.</p> +<p>Eindelijk hebben ze de Porta <span class="corr" id="xd20e7584" +title="Bron: Etne">Etnea</span> bereikt en nu gaat het vlug +heuvelafwaarts.</p> +<p>Maar zie, de kerkdeur staat open. Er is dus werkelijk iemand. De +lantaarn trilt in donna Elisa’s hand.</p> +<p>Gandolfo wil die voor haar dragen, maar zij behoudt die.</p> +<p>„In Godsnaam, in Godsnaam,” mompelt zij, terwijl zij de +kerk binnentreedt.</p> +<p>Het volk dringt om binnen te komen. Men drukt elkaar bijna dood, +maar van spanning zwijgen allen. Niemand zegt een woord. Allen staren +naar het hoogaltaar. Is daar iemand? Is daar iemand? De kleine lamp +boven het beeld werpt slechts een zeer zwakken lichtschijn. Is er +iemand?</p> +<p>Ja, er is iemand. Er ligt een vrouw voor het altaar geknield. Zij +bidt en heeft het hoofd zoo diep gebogen, dat men niet kan zien, wie +zij is.</p> +<p>Nu zij schreden achter zich hoort, richt zij den langen gebogen hals +op, en ziet om. ’t Is donna Micaela.</p> +<p>In het eerste oogenblik is zij verschrikt en ziet er uit als wilde +ze vluchten. Donna Elisa is ook verschrikt, ze zien elkaar aan, alsof +ze elkaar nooit tevoren gezien hebben.</p> +<p>Maar nu zegt donna Micaela heel zacht:</p> +<p>„Ge komt om voor hem te bidden, schoonzuster,” en ze +<span class="pagenum">[<a id="pb301" href="#pb301" name="pb301">301</a>]</span>schuift een weinig ter zijde, opdat donna Elisa +voor het beeld zal kunnen knielen.</p> +<p>Donna Elisa’s hand beeft zoo, dat ze de lantaarn op den grond +moet zetten, haar stem is heesch, als zij vraagt:</p> +<p>„Is niemand anders dan gij hier vannacht geweest, +Micaela?”</p> +<p>„Neen, niemand anders.”</p> +<p>Donna Elisa moet tegen het altaar leunen om niet te vallen, donna +Micaela ziet dat. Zij is dadelijk bij haar en legt den arm om haar +middel.</p> +<p>„Ga zitten, ga zitten!” en donna Micaela knielt +neer.</p> +<p>„Is het zoo slecht met hem? Wij zullen voor hem +bidden.”</p> +<p>„Micaela,” zegt Elisa, „ik dacht dat ik hier +geholpen zou worden.”</p> +<p>„Ja zeker, dat zult ge ook.”</p> +<p>„Ik droomde, dat het beeld tot mij kwam, en mij beval hier +heen te gaan.”</p> +<p>„Hij heeft ons reeds zoo vele malen geholpen.”</p> +<p>„Maar hij zei tot mij: Maak de arme vrouw, die voor mijn +altaar ligt, tot de echtgenoote van uwen zoon, dan zal hij +genezen.”</p> +<p>„Wat zei hij?”</p> +<p>„Ik zou de vrouw, die hier bad, tot mijn zoons echtgenoote +maken.”</p> +<p>„En dat wildet ge? Gij wist immers niet wie gij hier zoudt +vinden?”</p> +<p>„Onderweg deed ik de belofte—en zij die mij volgden, +hebben het gehoord—dat wie het ook zou zijn, ik haar in mijn +armen zou nemen en naar mijn huis zou voeren. Ik dacht dat God een arme +vrouw wilde helpen.”</p> +<p>„Ja, dat is zeker ook het geval.”</p> +<p>„Ik was zoo bedroefd toen ik zag, dat niemand anders hier was +dan gij.”</p> +<p>Donna Micaela geeft geen antwoord, ze ziet slechts naar het beeld. +„Wilt ge dat? Wilt ge dat?” vraagt ze ontroerd.</p> +<p>Donna Elisa gaat door met klagen. „Ik zag hem zoo duidelijk, +en hij heeft ons nog nooit bedrogen. Ik dacht dat een arm meisje, dat +geen thuis had, om een man gesmeekt had.</p> +<p>„Zoo iets is wel eens vroeger voorgekomen. Wat zal ik nu +doen?” <span class="pagenum">[<a id="pb302" href="#pb302" name="pb302">302</a>]</span></p> +<p>Zij klaagt en jammert, en zij kan de gedachte maar niet uit haar +hoofd zetten, dat het een arme vrouw moet zijn.</p> +<p>Op ’t laatst wordt donna Micaela ongeduldig.</p> +<p>Zij grijpt haar bij den arm en schudt dien. „Maar donna Elisa, +donna Elisa.”</p> +<p>Donna Elisa hoort haar niet; ze jammert maar steeds.</p> +<p>„Wat zal ik doen, wat zal ik doen?”</p> +<p>„Maar maak dan de arme vrouw, die hier ligt, tot de +echtgenoote van uw zoon, donna Elisa!”</p> +<p>Donna Elisa ziet op en aanschouwt een bekoorlijk stralend +gelaat!</p> +<p>Maar slechts een oogenblik, want donna Micaela verbergt het haastig +aan donna Elisa’s schouder.</p> +<hr class="tb"> +<p>Donna Elisa en donna Micaela gaan te zamen terug naar de stad. De +straat kronkelt zich zoo, dat ze donna Elisa’s huis niet kunnen +zien, vóórdat zij er heel dicht bij zijn. Als zij het +eindelijk in het gezicht krijgen, zien ze dat de winkelramen verlicht +zijn. Vier groote waskaarsen branden achter de trossen +rozenkransen.</p> +<p>De twee vrouwen drukken elkaar de hand. „Hij leeft, hij +leeft,” fluisteren zij.</p> +<p>„Ge moogt hem niets zeggen van hetgeen het beeld u bevolen +heeft,” zegt donna Micaela.</p> +<p>Voor den winkel omhelzen zij elkaar en gaan elk naar haar huis. Na +een tijdje verschijnt Gaetano op de winkeltrap. Een oogenblik staat hij +stil, terwijl hij de frissche nachtlucht inademt. Dan ziet hij, dat er +nog licht brandt in het zomerpaleis aan de overzij van de straat.</p> +<p>Gaetano ademt diep en heftig, hij schijnt haast bevreesd om verder +te gaan. Plotseling ijlt hij weg als iemand, die een onafweerbaar +ongeluk tegemoet gaat.</p> +<p>De poort van het zomerpaleis is niet gesloten, hij springt de trap +op en rukt de deur der muziekzaal open zonder aan te kloppen.</p> +<p>Donna Micaela zit te denken of hij nog hedennacht zal komen of +wachten zal tot den volgenden morgen.</p> +<p>Dan hoort zij schreden op de galerij.</p> +<p>Een angstig gevoel grijpt haar aan. Hoe zal hij nu zijn? Zij +<span class="pagenum">[<a id="pb303" href="#pb303" name="pb303">303</a>]</span>heeft zoo ongelooflijk naar hem verlangd. Zal +hij nu werkelijk zoo zijn, dat eindelijk al haar verlangen bevredigd +wordt?</p> +<p>En zullen er geen nieuwe muren tusschen hen oprijzen? Zullen ze +elkaar één keer alles kunnen zeggen? Zullen ze nu over +liefde of over socialisme spreken?</p> +<p>Als hij de deur openrukt, tracht ze hem tegemoet te gaan, maar zij +kan niet. Heel haar lichaam trilt, ze gaat zitten en bedekt haar oogen +met de handen. Zij verwacht dat hij haar in zijn armen zal sluiten en +haar kussen zal. Maar dat doet hij stellig niet. Gaetano pleegt niet te +doen, wat men van hem verwacht.</p> +<p>Zoodra hij uit zijn bezwijming ontwaakte, heeft hij zich in de +kleeren geworpen om naar haar te gaan. Hij is eigenlijk uitgelaten +vroolijk, hij zou willen, dat ook zij het zoo licht opnam. Hij wil niet +ontroerd zijn<span class="corr" id="xd20e7696" title="Niet in bron">.</span> Hij kan nu geen aandoening verdragen, ’s +voormiddags is hij toch ook in onmacht gevallen. Hij staat stil naast +haar tot zij haar kalmte herwonnen heeft.</p> +<p>„Gij hebt geen sterke zenuwen,” zegt hij.</p> +<p>Dat is alles wat hij zegt.</p> +<p>Zij en donna Elisa en alle menschen in Diamante zijn overtuigd, dat +hij gekomen is om haar in zijn armen te sluiten en haar te zeggen, dat +hij haar liefheeft.</p> +<p>Maar juist daarom is het Gaetano onmogelijk. Sommige menschen hebben +een oppositiegeest, ze kunnen nooit doen, wat men verwacht, dat zij +zullen doen.</p> +<p>Gaetano begint haar van zijn reis te vertellen. Hij spreekt niet +eens over het socialisme. Hij spreekt van den trein, den conducteur en +het eigenaardige reisgezelschap.</p> +<p>Donna Micaela ziet hem aan, haar oogen beginnen al inniger te +smeeken. Gaetano schijnt blij en gelukkig te zijn haar te zien. Maar +waarom kan hij niet zeggen, wat hij moet zeggen?</p> +<p>„Hebt ge met den Etnaspoorweg gereisd?” vraagt zij.</p> +<p>„Ja,” antwoordt hij en begint kalm uit te weiden over +het nut en de schoonheid van dezen nieuwen spoorweg. Hij weet in het +geheel niet hoe die tot stand is gekomen.</p> +<p>Gaetano zegt tot zich zelf dat hij een barbaar is. Waarom zegt hij +haar niet de woorden waarnaar zij smacht? Maar waarom zit zij daar ook +zoo onderdanig? <span class="pagenum">[<a id="pb304" href="#pb304" +name="pb304">304</a>]</span></p> +<p>Waarom toont zij, dat hij slechts zijn hand behoeft uit te strekken +om haar te nemen?</p> +<p>Hij is jubelend, stralend gelukkig weer in haar nabijheid te zijn, +maar zij is hem zoo zeker, zoo zeker.—’t Is zoo aardig haar +een weinig te plagen.</p> +<p>Het volk staat nog op straat, en alle menschen voelen zich verheugd +alsof ze een dochter uithuwelijken.</p> +<p>Zij hebben slechts geduld gehad om Gaetano tijd te geven zich te +verklaren.</p> +<p>Maar nu moet hij dat zeker wel gedaan hebben.</p> +<p>En zij beginnen te roepen:</p> +<p>„Leve Gaetano! Leve Micaela!”</p> +<p>Donna Micaela ziet met een onbeschrijflijk gepijnigden blik op. Hij +moet toch begrijpen, dat zij daaraan geen schuld heeft. Zij gaat naar +de galerij en zendt Lucia naar beneden met het verzoek of zij +daarbuiten stil willen zijn.</p> +<p>Als zij weer in de kamer komt, is Gaetano opgestaan. Hij reikt haar +de hand, hij wil gaan.</p> +<p>Donna Micaela geeft hem de hand zonder bijna te weten wat zij doet. +Maar plotseling trekt zij haar hand terug.</p> +<p>„Neen, neen!” zegt zij.</p> +<p>Hij wil gaan en wie weet of hij morgen terugkomt. En zij heeft niet +met hem gesproken, ze heeft geen woord gezegd van hetgeen haar op het +hart ligt.</p> +<p>Het behoefde tusschen hen niet te zijn als tusschen gewone +verliefden. Hij had immers haar leven het leven gegeven, gedurende +zoovele jaren. Of hij haar nu sprak van liefde of niet, dat was haar +onverschillig. Zij wilde hem zeggen wat hij voor haar geweest was.</p> +<p>En juist nu. Men moet den tijd gebruiken waar het Gaetano geldt. Zij +waagt het niet hem te laten gaan.</p> +<p>„Ge moogt nog niet vertrekken,” zegt zij. „Ik moet +u iets zeggen.” Zij zet een stoel voor hem gereed, zelf neemt zij +iets achter hem plaats. Zijn oogen stralen al te vroolijk hedenavond, +die doen haar pijn. Dan begint zij te spreken. De groote, verborgen +schatten van haar leven legt zij voor hem bloot. Dat waren al de +woorden, die hij tot haar gesproken heeft, al de droomen, die hij haar +heeft doen droomen. Zij heeft niets verloren. Alles heeft zij gespaard +en verzameld; het is de gansche rijkdom van haar arm leven geweest. +<span class="pagenum">[<a id="pb305" href="#pb305" name="pb305">305</a>]</span></p> +<p>In het begin spreekt zij haastig, alsof zij een les opzegt. Zij is +bang voor hem; zij weet niet of het hem aangenaam is dat ze spreekt. +Dan waagt ze het hem aan te zien. Nu is hij ernstig, nu is hij in het +geheel niet vroolijk meer.</p> +<p>Hij zit stil te luisteren alsof hij geen lettergreep wil verloren +laten gaan. Zoo straks was zijn gelaat ziekelijk aschgrauw, maar nu +verandert het plotseling. Zijn aangezicht begint te schitteren als van +een zalige.</p> +<p>Zij vertelt en vertelt. Zij ziet aan hem, dat ook zij nu schoon is. +Hoe zou het ook anders kunnen zijn. Eindelijk, eindelijk kan zij hem +alles zeggen.</p> +<p>Ze mag hem zeggen, hoe de liefde tot haar kwam en haar sedert nooit +weer verliet. Eindelijk mag zij hem zeggen, wat hij voor haar geweest +is.</p> +<p>Woorden kunnen het niet genoeg uitdrukken. Ze grijpt zijn hand en +kust die.</p> +<p>Hij laat dat geschieden zonder zich te verroeren. De kleur van zijn +gelaat wordt niet hooger, maar doorschijnender, klaarder. Zij moet aan +Gandolfo denken, die zei, dat Gaetano’s gezicht zoo bleek werd, +dat het lichtte.</p> +<p>Hij valt haar niet in de rede. Zij vertelt hem van den spoorweg, +verhaalt van de wonderen van het Christusbeeld. Nu en dan ziet hij haar +aan. Zijn oogen stralen haar tegemoet. Hij lacht haar volstrekt niet +uit.</p> +<p>Zij zou gaarne willen weten wat hij nu denkt. Hij ziet er uit, alsof +hetgeen zij hem vertelt niet veel nieuws voor hem is. Hij schijnt alles +reeds te weten wat zij zegt.</p> +<p>Kwam het misschien, omdat de liefde, die hij voor haar gevoelt, +juist zoo is als haar liefde voor hem? Wekte die in hem ook het +edelste, dat in zijn ziel sluimerde? Was die ook de verheffende kracht +van zijn leven geweest? Had die vleugels gegeven aan zijn +kunstenaarsziel? Had die hem de armen en onderdrukten doen liefhebben? +Bezielt die liefde hem, zoodat hij voelt dat hij een kunstenaar, een +apostel is, en niets te hoog is voor hem?</p> +<p>Daar hij nog steeds zwijgt, denkt zij, dat hij zich misschien niet +wil binden aan haar. Hij heeft haar lief, maar hij wil misschien een +vrij man blijven. Hij meent misschien, dat zij niet past voor de vrouw +van een socialist. <span class="pagenum">[<a id="pb306" href="#pb306" +name="pb306">306</a>]</span></p> +<p>Haar bloed begint te koken. Zij denkt, dat hij misschien meent, dat +zij bedelt om zijn liefde.</p> +<p>Zij heeft hem bijna alles verhaald, wat gebeurd is in den tijd, dat +hij afwezig was. Nu breekt zij plotseling haar verhaal af.</p> +<p>„Ik heb je liefgehad,” zegt zij. „Ik zal je altijd +liefhebben en ik zou gewenscht hebben, dat je mij nog +éénmaal zeidet, dat je mij liefhebt. Dan zou de scheiding +gemakkelijker te dragen zijn.”</p> +<p>„Werkelijk?” zegt hij.</p> +<p>„Kan ik ooit je vrouw worden?” zegt ze; haar stem beeft +van smart. „Ik vrees niet meer zooals vroeger je leer, ik ben +niet meer bang voor je armen; ook ik wil de aarde herscheppen zooals +gij. Maar ik ben een geloovige. Hoe zou ik met je kunnen leven als je +daarin niet gelijk met mij denkt? Of zou je mij tot ongeloof willen +verleiden? Dan zou de wereld dood voor mij zijn. Alles zou doel en +beteekenis voor mij verloren hebben. Ik zou een rampzalig, ellendig +mensch zijn. We moeten scheiden.”</p> +<p>„Werkelijk?” Zijn oogen beginnen te schitteren van +ongeduld.</p> +<p>„Nu moet je gaan,” zegt ze stil. „Ik heb je alles +verteld, wat ik zeggen wilde. Ik zou gewenscht hebben, dat je mij iets +te zeggen hadt gehad. Maar misschien is het zoo beter voor ons beiden. +We moeten de scheiding niet zwaarder maken, dan zij reeds +is.”</p> +<p>Gaetano’s eene hand grijpt hard om haar handen, met de andere +houdt hij haar hoofd vast, zoo kust hij haar.</p> +<p>Was zij waanzinnig, dat zij kon denken, dat hij door iets, iets ter +wereld zich van haar zou laten scheiden? <span class="pagenum">[<a id="pb307" href="#pb307" name="pb307">307</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div2" id="ch3.4"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 id="xd20e7794" class="label">VI.</h3> +<h3 class="main">Slechts van deze wereld.</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Toen zij opgroeide, zeiden alle menschen van haar: +„Zij wordt een heilige, zij wordt stellig een heilige.”</p> +<p>Haar naam was Margherita Cornado. Zij woonde in Girgenti, dat aan de +Zuidkust van Sicilië in het groote mijndistrict ligt.</p> +<p>Toen zij nog een kind was, werkte haar vader in de mijnen, later +kreeg hij een kleine erfenis, zoodat hij niet meer behoefde te werken. +Er was een klein, smal, armoedig dakterras op het huis van Margherita +Cornado in Girgenti. Een steile, smalle trap leidde daarheen, en men +moest door een lage deuropening kruipen om op het terras te komen.</p> +<p>Was men daar, dan zag men niet alleen een menigte daken, maar ook de +lucht boven de stad, die doorpriemd was met de talrijke torens en +spitse gevels der kerken. En iedere gevel en elke toren was een +trillend kantwerk van beelden, loggia’s en sierlijke +baldakijns.</p> +<p>Achter de stad zag men een groote vlakte, die neerdaalde tot de zee, +en daaromheen een halven cirkel van bergen, die de vlakte +bewaakten.</p> +<p>De vlakte glansde gloeiend rood, de zee email blauw en de +berghelling goudgeel. Het geheel deed denken aan den kleurengloed en de +pracht van het Oosten.</p> +<p>Maar men zag nog veel meer dan dit. Oude tempels lagen verstrooid +over het dal. Ruïnes en merkwaardige oude torens schitterden in +den zonneschijn. ’t Was een heele sprookjeswereld. <span class="pagenum">[<a id="pb308" href="#pb308" name="pb308">308</a>]</span></p> +<p>Toen Margherita Cornado opgroeide, placht zij het grootste gedeelte +van den dag hier door te brengen. Maar zij keek niet naar het heerlijke +landschap. Haar geest was door iets anders in beslag genomen.</p> +<p>Haar vader had haar verteld van het leven in de zwavelmijnen, waar +hij gewerkt had. Terwijl Margherita Cornado daar op het frissche terras +zat, vertoefde ze in gedachten steeds in de donkere, benauwde +mijngangen.</p> +<p>Zij kon niet nalaten aan al de ellende te denken, die in de mijnen +heerschte. Vooral moest zij aan de kinderen denken, die het erts uit de +mijnen aansleepten.</p> +<p>„De kleine wagens” noemde men hen. Dat woord bleef +steeds in haar geheugen haken.</p> +<p>Arme, arme wagentjes! kleine mijnwagentjes!</p> +<p>Zij kwamen ’s morgens vroeg bij de mijn, en volgden dan elk +hun arbeider in de groeve. Zoodra hij erts genoeg uitgehakt had, +belastte hij zijn „wagentje” met een mand vol erts en dan +begonnen dezen op te stijgen. Verscheidenen van hen ontmoetten elkaar +onderweg en vormden dan een langen optocht. Ze begonnen dan te +zingen:</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">De tocht is gedaan met pijn en nood,</p> +<p class="line">Met den twintigsten ben ik misschien reeds dood.</p> +</div> +<p class="first">Als zij <span class="corr" id="xd20e7833" title="Bron: eindeljk">eindelijk</span> in het daglicht kwamen, ledigden zij +hun manden met erts en wierpen zich op den grond om een oogenblik uit +te rusten. De meeste knapen sleepten zich dan naar de zwavelhoudende +waterpoelen, die dicht bij de mijnschacht waren en dronken van het +stinkende water.</p> +<p>Maar spoedig moesten ze weer naar beneden en ze verzamelden zich bij +de schacht. En terwijl ze naar beneden klauterden, riepen ze:</p> +<p>„Mijn God, mijn God, erbarm u onzer! erbarm u +onzer!”</p> +<p>En elken keer, dat de wagentjes boven kwamen, werd hun gezang +klagender. Ze snikten en schreiden, terwijl ze opstegen uit de +mijn.</p> +<p>De wagentjes baadden in zweet, de zware manden groeven diepe wonden +in hun schouders.</p> +<p>Terwijl ze op en neer gingen zongen ze: <span class="pagenum">[<a id="pb309" href="#pb309" name="pb309">309</a>]</span></p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">Zeven tochten gedaan in pijn en nood,</p> +<p class="line">’t Leven is erger dan de dood.</p> +</div> +<p class="first">Gedurende heel haar jeugd had Margherita Cornado +medelijden gevoeld met deze ongelukkige kinderen.</p> +<p>En juist omdat zij altijd aan hun rampzalig lot dacht, geloofde men +dat zij een heilige zou worden.</p> +<p>Ze vergat hen ook niet, toen zij ouder werd. Zoodra zij volwassen +was, ging zij naar Grotte, waar de meeste mijnen zijn, en als dan de +wagentjes in het daglicht kwamen, verkwikte zij hen bij de schacht met +helder, zuiver water. Zij droogde het zweet van hun gelaat, zij verbond +de wonden aan hun schouders.</p> +<p>’t Was niet veel, wat zij voor hen doen kon, maar toch +geloofden de wagentjes, dat zij het leven niet meer konden dragen, +indien Margherita Cornado niet kwam om hen te troosten.</p> +<p>Maar ongelukkig voor de wagentjes, was Margherita zeer schoon. Eens +zag een der mijningenieurs haar, terwijl zij hen troostte, en hij kreeg +haar dadelijk zeer lief. Een paar weken later kwam Margherita Cornado +in het geheel niet meer bij de mijnen in Grotte. Zij zat thuis in +Girgenti aan haar uitzet te naaien. Ze zou trouwen met den +mijningenieur. Zij zou een goede partij doen en verwant worden aan de +eersten der stad. Nu kon zij zich immers niet meer bekommeren om de +wagentjes.</p> +<p>Een paar dagen voor de bruiloft kwam de oude bedelaarster Santuzza, +die Margherita’s peettante was, bij haar en verlangde haar te +spreken. Ze begaven zich naar het dakterras om ongestoord te kunnen +zijn.</p> +<p>„Margherita,” zei de oude vrouw, „gij leeft in +zulk een glans en heerlijkheid, dat het misschien weinig baat nu tot u +te spreken over degenen, die in nood en kommer leven. Die allen hebt ge +geheel vergeten.”</p> +<p>Margherita berispte haar, omdat zij zoo kon spreken.</p> +<p>„Ik breng u de groeten van mijn zoon Orestes. Het gaat hem +slecht, hij heeft uw raad noodig.”</p> +<p>„Ge weet dat ge vrij tot mij kunt spreken, Santuzza,” +zei het meisje.</p> +<p>„Orestes werkt niet langer in de mijnen van Grotte, hij +<span class="pagenum">[<a id="pb310" href="#pb310" name="pb310">310</a>]</span>is vertrokken naar Racalmuto, en hij heeft het +daar zeer slecht.</p> +<p>„Niet omdat het loon zoo karig is, maar omdat de ingenieur zoo +hard is, dat hij de arme menschen tot hun laatsten bloeddruppel +pijnigt.”</p> +<p>Santuzza verhaalde nu hoe de ingenieur de arbeiders plaagde. Hij +berekende hun arbeidstijd te kort, hij liet hen boete betalen, als zij +een dag verzuimden. Hij bestuurde de mijnen niet goed. Instorting op +instorting vond plaats. Niemand was zeker van zijn leven zoolang hij +onder den grond was.</p> +<p>Margherita, Orestes had een zoon. Een heerlijken knaap, die onlangs +tien jaar geworden is. Toen kwam de ingenieur op een dag bij Orestes en +wilde den knaap van hem koopen om hem bij de wagentjes te plaatsen.</p> +<p>Maar Orestes wilde niet. Zijn zoontje zou niet vermoord worden door +zulk een bovenmatigen arbeid.</p> +<p>Toen dreigde de ingenieur hem, dat hij van de mijn gejaagd zou +worden.</p> +<p>Santuzza maakte een pauze.</p> +<p>„En toen?” vroeg Margherita.</p> +<p>„Ja, toen stond Orestes zijn zoon af aan den ingenieur.</p> +<p>„Den volgenden dag sloeg deze den knaap, hij sloeg hem bijna +elken dag. De knaap werd al zwakker en zwakker. Orestes smeekte den +ingenieur den knaap te sparen, maar hij had geen erbarmen. Hij zei dat +de kleine lui was, en hij bleef den knaap vervolgen.—En nu is hij +dood. Mijn kleinzoon is dood, Margherita.”</p> +<p>Het meisje had opeens haar gansche geluk vergeten. Opnieuw was zij +slechts de dochter van den mijnwerker, de schutspatrones der wagentjes; +het arme meisje, dat op het lichte terras placht te weenen over de +ellende in de zwarte mijnen.</p> +<p>„Waarom laat men dien man leven?” riep zij uit.</p> +<p>Santuzza keek haar uitvorschend aan. Toen haalde zij een mes uit +haar zak.</p> +<p>„Dit zendt Orestes u met duizend vragen,” zei ze.</p> +<p>Margherita Cornado nam het mes, kuste de kling en gaf het terug +zonder een woord te spreken.</p> +<p>De avond voor de bruiloft brak aan. De ouders van den <span class="pagenum">[<a id="pb311" href="#pb311" name="pb311">311</a>]</span>bruidegom wachtten op hun zoon. Tegen +zonsondergang zou hij uit de mijnen komen. Maar hij kwam niet. Laat in +den nacht zonden ze een knecht uit om naar hem te zoeken. Deze vond hem +een mijl van Girgenti. Hij lag vermoord aan den wegkant.</p> +<p>Men zocht ijverig naar den moordenaar. Alle mijnwerkers moesten een +streng verhoor ondergaan, maar de schuldige werd niet ontdekt.</p> +<p>Geen getuige gaf zich aan, niemand wilde een kameraad verraden. Toen +klaagde Margherita Cornado den zoon van haar peetmoeder, Orestes, aan +als den moordenaar van haar bruidegom.</p> +<p>Dit deed zij hoewel zij wist, dat haar bruidegom schuldig was aan +alles, waarvan Santuzza hem aangeklaagd had. Dit deed zij hoewel zij +zelf zijn vonnis geveld had door het mes te kussen.</p> +<p>Maar nauwelijks had zij Orestes aangeklaagd, of ze werd door een +hevig berouw aangegrepen, gewetenswroeging verteerde haar.</p> +<p>In een ander land dan Sicilië zou hetgeen zij gedaan had, niet +als een misdaad gerekend worden.</p> +<p>Een Siciliaan echter sterft liever dan dat hij als aanklager +optreedt.</p> +<p>Margherita Cornado had geen rust, dag noch nacht. In haar hart was +een voortdurende, verterende angst, een eeuwige rampzaligheid vervulde +haar. Zij werd niet streng veroordeeld, omdat men wist, dat ze den +vermoorden had liefgehad en vond, dat Santuzza te wreed jegens haar was +geweest. Niemand sprak verachtelijk over haar, niemand wendde het hoofd +af om haar niet te groeten.</p> +<p>Maar het hielp haar niet, dat de anderen mild jegens haar waren. Het +berouw woonde in haar hart en schrijnde als een open wonde.</p> +<p>Orestes werd veroordeeld tot levenslange galeistraf. Santuzza stierf +een paar weken, nadat haar zoon veroordeeld was.</p> +<p>Margherita kon geen vergeving verkrijgen, noch van den een, noch van +de andere.</p> +<p>Zij riep de heiligen aan, maar dezen wilden haar niet helpen. Niets +ter wereld scheen in staat te zijn om den verpletterenden last der +gewetenswroeging van haar af te wentelen. <span class="pagenum">[<a id="pb312" href="#pb312" name="pb312">312</a>]</span></p> +<p>In dezen tijd verscheen de beroemde Franciscanermonnik fra Gondo in +Girgenti. Hij predikte om de menschen op te wekken een pelgrimstocht +naar Diamante te doen.</p> +<p>Fra Gondo gaf er niet om, dat de paus het beeld in San Pasquale nog +niet als wonderdoend erkend had. Hij had de blinde zangers op hun +tochten over het eiland getroffen en hen hooren verhalen van het beeld. +Lange, heerlijke nachten had hij gezeten aan vader Elia’s en +broeder <span class="corr" id="xd20e7939" title="Bron: Tommasso’s">Tomasso’s</span> voeten en zij hadden +hem van het avondrood tot het <span class="corr" id="xd20e7942" title="Bron: uchtendkrieken">ochtendkrieken</span>, verhaald van het +beeld.</p> +<p>En nu verwees de machtige prediker alle bedroefden naar dezen +wonderdoener.</p> +<p>Hij spoorde de menschen aan, dezen heiligen tijd niet ongebruikt te +laten voorbijgaan.</p> +<p>„Het Christuskind,” zei hij, „wordt niet genoeg +vereerd op Sicilië. Nu is de tijd aangebroken, dat het hier een +eigen kerk en eeredienst wil hebben. En om dat te krijgen, laat hij nu +wonder op wonder verrichten door het heilige beeld.”</p> +<p>Pater Gondo, die zijn noviciaat doorgebracht had in Aracoeli’s +klooster op het Kapitool, vertelde het volk van het Christuskind daar +en van de duizenden wonderen, die hij verricht had.</p> +<p>„En nu wil dat goede, kleine kind op Sicilië aangebeden +worden,” zei pater Gondo.</p> +<p>„Laat hem niet langer tevergeefs aankloppen, opent de poort +voor hem!</p> +<p>„Nu in deze dagen is de hemel mild. Laten wij de eersten zijn, +die het beeld erkennen! Laten wij zijn als de herders en wijzen van het +Oosten, laat ons gaan naar het heilige kind, terwijl het nog ligt op +het stroobed in de armoedige grot!”</p> +<p>Een nieuwe hoop ontwaakte in Margherita Cornado’s hart toen +zij dit hoorde. Zij was de eerste, die gehoor gaf aan pater +Gondo’s oproeping. Later sloten zich nog anderen bij hem +aan.—Veertig pelgrims ondernamen met hem den tocht door de +woestijn naar Diamante.</p> +<p>Ze waren allen zeer arm en ongelukkig, maar pater Gondo liet ze +onder gezang en gebed optrekken. Spoedig begonnen hun oogen te stralen, +alsof de ster van Bethlehem hen voorlichtte. <span class="pagenum">[<a id="pb313" href="#pb313" name="pb313">313</a>]</span></p> +<p>„Weet ge,” zei pater Gondo, „waarom Gods zoon +grooter is dan alle andere heiligen? Omdat hij de ziel heiligheid +geeft, omdat hij de zonden vergeeft, omdat hij den geest een zalige +rust in God schenkt, omdat zijn rijk niet slechts van deze wereld +is.”</p> +<p>Als de kleine schare vermoeid was, wekte hij haar op met verhalen +van de wonderen, die het beeld reeds gedaan had. De legenden der blinde +zangers werden tot verkwikkende vruchten en opwekkenden wijn voor de +moede pelgrims.</p> +<p>En ze schreden met lichten tred verder alsof ze trokken naar +Nazareth, om den timmermanszoon te zien.</p> +<p>„Hij zal het lijden van ons nemen,” zei pater Gondo. +„Als wij terugkeeren zal ons hart bevrijd zijn van alle +kwelling.”</p> +<p>En gedurende den tocht door de verschroeide, gloeiend heete +woestijn, waar geen enkele boom schaduw gaf en waar het water bitter +smaakte van zwavel en zout, voelde Margherita Cornado dat haar smart +draaglijker werd.</p> +<p>„De kleine hemelkoning zal dit lijden van mij nemen,” +zei ze.</p> +<p>Op een dag in Mei bereikten de pelgrims eindelijk den voet van +Diamante’s berg. Daar eindigde de woestijn, groene olijfbosschen +en frissche struiken omringden hen. De berg straalde, de stad straalde. +Ze voelden, dat ze op een plaats gekomen waren, die lag onder Gods +genade.</p> +<p>Verheugd gingen ze op langs den zigzagweg en met luide, jubelende +stemmen hieven ze een oud pelgrimslied aan.</p> +<p>Toen ze den berg een eindweegs beklommen hadden, kwamen de menschen +uit Diamante hen juichend tegemoet. Men had den arbeid weggeworpen en +was naar buiten gesneld, toen men de eentonige klanken van het oude +pelgrimslied hoorde. En het volk van Diamante omhelsde en kuste de +pelgrims.</p> +<p>Men had hen reeds zoo lang verwacht, men had niet kunnen begrijpen, +waarom ze niet eerder waren gekomen.</p> +<p>Diamante’s Christusbeeld was een machtige wonderdoener, hij +was zoo barmhartig, zoo goed, dat alle menschen tot hem moesten komen. +Toen Margherita Cornado dit hoorde, <span class="pagenum">[<a id="pb314" href="#pb314" name="pb314">314</a>]</span>had zij een gevoel, +alsof haar hart reeds verlost was van alle pijn.</p> +<p>De menschen van Diamante troostten haar.</p> +<p>„Hij zal u stellig helpen, hij helpt u allen,” zeiden +ze.</p> +<p>„Niemand heeft nog tevergeefs tot hem gebeden.”</p> +<p>Bij de stadspoort scheidden de pelgrims van elkaar. De menschen van +Diamante namen hen mede naar hun huizen, opdat zij zich verfrisschen en +verkwikken zouden, na den moeitevollen tocht. Over een uur zouden ze +elkaar weer ontmoeten bij de Porta Etnea om samen naar het beeld te +gaan.</p> +<p>Maar Margherita had geen geduld om een heel uur te wachten. Zij +vroeg den weg naar de kerk San Pasquale en ging daar alleen heen +vóór alle anderen....</p> +<p>Toen Pater Gondo en de pelgrims een uur later in San Pasquale +kwamen, zagen ze Margherita Cornado liggen voor het hoogaltaar. Ze +scheen hen niet te bemerken. Maar toen pater Gondo in haar nabijheid +kwam, vloog ze op, alsof ze op den loer gelegen had en wierp zich op +hem. Ze greep hem bij de keel en wilde hem worgen.</p> +<p>Zij was groot, en sterk en krachtig gebouwd. Het was een heete +strijd vóórdat pater Gondo en een paar pelgrims er in +slaagden haar vast te binden. Zij was volslagen krankzinnig en +woest.</p> +<p>De pelgrims waren in plechtigen optocht gekomen, ze zongen en +hielden brandende kaarsen in de hand.</p> +<p>Het was een lange stoet, want heel veel menschen uit Diamante hadden +zich aangesloten bij de pelgrims.</p> +<p>Zij, die het eerst in de kerk kwamen, hielden dadelijk op met +zingen, de laatsten hadden echter niets gemerkt en bleven doorzingen. +Maar toen verspreidde zich het gerucht van het gebeurde, en waar dit +kwam zweeg het gezang. ’t Was droevig te hooren hoe het wegstierf +en veranderde in een luid geweeklaag.</p> +<p>Al de moede pelgrims begrepen immers, dat hun tocht vergeefsch was. +Hun kwellingen en lijden zouden niet van hen genomen worden. De schoone +verwachtingen der laatste hoopvolle dagen werden ruw in hen gedood.</p> +<p>Het heilige beeld zou hun geen vertroosting kunnen schenken. +<span class="pagenum">[<a id="pb315" href="#pb315" name="pb315">315</a>]</span></p> +<p>Pater Gondo zelf was ook verschrikt. Voor hem was het een harder +slag dan voor iemand anders; want elk der anderen had slechts zijn +eigen leed te dragen, maar hem drukte de smart van al deze menschen op +het harte.</p> +<p>Hoe zou hij kunnen verantwoorden al de verwachtingen, die hij +opgewekt had?</p> +<p>Plotseling gleed een schoone, kinderlijk vrome glimlach over zijn +gelaat. Het beeld wilde zeker het geloof van hem en de anderen op de +proef stellen! Indien zij slechts niet wankelden, zouden ze wel +geholpen worden.</p> +<p>Hij begon opnieuw het pelgrimsgezang aan te heffen met zijn heldere +stem en schreed naar het altaar.</p> +<p>Maar toen hij dichter bij het beeld kwam, onderbrak hij het gezang +opnieuw. Hij staarde met wijdopengesperde oogen naar het beeld. Toen +strekte hij de hand uit, nam de kroon en bracht die bij zijn oogen.</p> +<p>„Het staat er, het staat er,” <span class="corr" id="xd20e8029" title="Bron: monpelde">mompelde</span> hij, terwijl hij de +kroon uit zijn hand liet vallen.</p> +<p>Van dat oogenblik af wist pater Gondo, dat hij den verworpeling van +Aracoeli voor zich had.</p> +<p>Hij vertelde dit echter niet dadelijk aan het volk, maar zei met +zijn gewone zachtmoedigheid:</p> +<p>„Mijn vrienden, ik wil u iets merkwaardigs +verhalen.”</p> +<p>En hij vertelde hun van de Engelsche, die het Christusbeeld van +Aracoeli had willen stelen. Hij verhaalde hoe het beeld Antichrist +genoemd en in de wereld geworpen werd.</p> +<p>„Ik herinner fra Simoni mij nog zoo goed,” zei pater +Gondo.</p> +<p>„Hij toonde mij nooit het beeld, zonder te zeggen:</p> +<p>„’t Was deze kleine hand, die aan het klokketouw trok, +het was deze kleine voet, die tegen de poort schopte.”</p> +<p>„Maar als ik fra Simoni vroeg, waar het andere beeld gebleven +was, zei hij altijd: „Wat zou er van hem geworden zijn? +Rome’s honden hebben het zeker verscheurd.”</p> +<p>Pater Gondo sprak nog steeds even kalm en zacht, terwijl hij bukte +om de kroon op te rapen, die hij zoo juist had laten vallen.</p> +<p>„Leest dit!” zei hij. En hij liet de kroon van man tot +man gaan. De menschen stonden nog met hun brandende kaarsen in de hand, +en zij, die lezen konden, lazen en de anderen zagen ten minste, dat er +een opschrift was. <span class="pagenum">[<a id="pb316" href="#pb316" +name="pb316">316</a>]</span></p> +<p>En elk die de kroon in de hand had, blies zijn kaars stil uit. Toen +het laatste licht gedoofd was, wendde pater Gondo zich tot zijn +pelgrims, die zich om hem heen verzameld hadden.</p> +<p>„Ik heb u hierheen gevoerd,” zei hij tot hen, +„opdat gij Hem zoudt vinden die de zielen vrede en ingang tot +Gods rijk schenkt. Maar ik heb u verkeerd geleid, want dit beeld kan u +niets geven. Zijn rijk is slechts van deze wereld. Onze arme zuster is +waanzinnig geworden,” vervolgde pater Gondo, „omdat zij +hier kwam en hoopte op hemelsche weldaden. Zij verloor haar verstand, +toen haar smeekbeden niet verhoord werden. Hij kon haar niet bijstaan +want zijn rijk is slechts van deze wereld.”</p> +<p>Hij zweeg een oogenblik en allen zagen naar hem op om te weten, wat +zij van dit alles moesten denken.</p> +<p>Toen vroeg hij zacht: „Zal een beeld, dat zulke woorden in +zijn kroon voert, nog langer een altaar ontheiligen?”</p> +<p>„Neen, neen!” riepen de pelgrims. Het volk van Diamante +stond zwijgend, door ontzetting bevangen.</p> +<p>Pater Gondo nam het beeld tusschen zijn handen, en droeg het met +uitgestrekte armen door de kerk naar den uitgang.</p> +<p>Maar hoe zacht en ootmoedig de pater ook gesproken had, zijn blikken +hadden den ganschen tijd streng met bedwingende macht op de +volksmenigte gerust.</p> +<p>Er was geen mensch, die niet onderworpen was aan zijn machtigen wil. +Allen stonden als verlamd en waren niet in staat een eigen gedachte te +denken.</p> +<p>Toen pater Gondo den uitgang genaderd was, stond hij stil en keek +om. Een laatste bedwingende blik gleed over de menschenmassa.</p> +<p>„Ook de kroon,” zei pater Gondo. En ook de kroon werd +hem overgereikt.</p> +<p>Hij plaatste die op het beeld en ging onder den baldakijn, die San +Pasquale’s beeld beschermt.</p> +<p>Hij fluisterde een paar pelgrims iets in het oor, dezen gingen +haastig weg. Spoedig kwamen ze terug met hun armen vol droge takken. +Deze stapelden ze op voor pater Gondo, die den brandstapel aanstak.</p> +<p>Allen, die in de kerk waren geweest, stroomden nu naar buiten. Daar +stonden ze nog steeds, verlamd en willoos. <span class="pagenum">[<a id="pb317" href="#pb317" name="pb317">317</a>]</span></p> +<p>Zij zagen dat de monnik hun geliefd, wonderdoend beeld wilde +verbranden, maar zij verzetten zich niet.</p> +<p>Zij begrepen het zelf niet, dat zij niet trachtten het beeld te +redden.</p> +<p>Maar toen pater Gondo de vlam zag oplaaien, en wist, dat het beeld +volkomen in zijn macht was, richtte hij zich op, zijn oogen +bliksemden.</p> +<p>„Mijn ongelukkige kinderen!” zei hij mild, terwijl hij +zich tot de menschen van Diamante wendde. „Gij hebt een +vreeselijken gast geherbergd. Maar hoe is het mogelijk, dat gij niet +reeds vroeger ontdekt hebt, wie hij is? Wat moet ik van u +gelooven?” vervolgde hij strenger.</p> +<p>„Gij zegt zelve, dat het beeld u alles gaf, wat gij wenschtet. +Zoo is er dus niemand in Diamante, die gedurende al deze jaren gebeden +heeft om vergeving zijner zonden en om vrede voor zijn ziel?</p> +<p>„Is het mogelijk? De menschen van Diamante hadden geen andere +wenschen, dan prijzen in de loterij, goede jaren, hun dagelijksch +brood, gezondheid en geld?</p> +<p>„Niets anders dan wereldsche goederen hebt gij begeerd. Geen +uwer had ooit behoefte te bidden om hemelsche genade.</p> +<p>„Kan dat werkelijk mogelijk zijn? Neen, het kan niet zoo +zijn,” zei pater Gondo vragend, als vervuld van een blijde +hoop.</p> +<p>„Ik ben het, die mij vergis. Gij hebt begrepen, dat ik het +beeld niet in de vlammen zou werpen, vóórdat ik u allen +gehoord had. Gij wacht slechts tot ik zwijgen en u gelegenheid geven +zal te getuigen voor het beeld. Nu zullen velen uwer tot mij komen en +zeggen:</p> +<p>„Dit beeld heeft mij tot een geloovige gemaakt,” en +anderen zullen getuigen:</p> +<p>„Hij heeft mij vergeving geschonken voor mijn zonden,” +en velen zullen zeggen:</p> +<p>„Hij heeft mijn oogen geopend, opdat ik de heerlijkheid des +hemels aanschouwen kan.”</p> +<p>„Gij allen zult komen en ik zal tot spot en hoon zijn, en ge +zult mij noodzaken het beeld op het altaar terug te brengen, en ik zal +moeten erkennen, dat ik mij vergist heb.” <span class="pagenum">[<a id="pb318" href="#pb318" name="pb318">318</a>]</span></p> +<p>Pater Gondo zweeg en keek het volk afwachtend aan. Een hevige +ontroering maakte zich meester van de toehoorders. Velen schenen te +willen getuigen, maar zoodra ze een paar schreden gedaan hadden, bleven +zij aarzelend staan.</p> +<p>„Ik wacht,” zei de monnik en zijn blikken smeekten den +menschen te komen.</p> +<p>Maar niemand kwam. De geheele volksmenigte leed een ondragelijke +smart niet te kunnen getuigen om het geliefde beeld te redden. Maar +niemand verroerde zich.</p> +<p>„Mijn ongelukkige kinderen,” zei pater Gondo diep +bedroefd, „de Antichrist heeft in uw midden vertoefd en hij heeft +u geheel in zijn macht. Gij hebt den hemel vergeten. Gij weet niet meer +dat gij een ziel bezit. Gij hebt slechts aan deze aarde gedacht.</p> +<p>„Vroeger zei men, dat de menschen in Diamante de vroomste +geloovigen waren van gansch Sicilië. Maar nu is dat anders. +Diamante’s inwoners zijn wereldlingen, misschien daarenboven nog +godlasterende socialisten, die slechts de aarde liefhebben. Zij kunnen +niet anders zijn. De Antichrist heeft immers in hun midden +vertoefd.”</p> +<p>Toen deze aanklachten neervielen op het volk, scheen het eindelijk +in verzet te zullen komen.</p> +<p>Een toornig gemompel ging door de menschenmenigte.</p> +<p>„Het beeld is heilig,” riep een. „Toen hij de stad +binnentrok, luidden de klokken van San Pasquale den geheelen +dag.”</p> +<p>„Moesten zij u niet waarschuwen voor zulk een ramp?” +antwoordde de monnik.</p> +<p>En met stijgende heftigheid slingerde hij zijn aanklachten onder het +volk.</p> +<p>„Gij zijt afgodendienaars maar geen Christenen. Gij vereert +den Antichrist, opdat hij u bijstaan zal, maar de heilige geest is niet +meer in u.”</p> +<p>„Hij was goed en barmhartig gelijk Christus,” riep het +volk.</p> +<p>„Dat is juist uw ongeluk,” zei de pater en plotseling +was hij vreeselijk in zijn toorn. „Hij heeft Christus’ +gedaante aangenomen om u te verleiden.</p> +<p>„Op deze wijze heeft hij u in zijn net gevangen.</p> +<p>„Juist door gaven en zegeningen op u neer te strooien, +<span class="pagenum">[<a id="pb319" href="#pb319" name="pb319">319</a>]</span>heeft hij u in zijn net gelokt en u tot +wereldlingen gemaakt.</p> +<p>„Kan een uwer het tegendeel bewijzen? Misschien heeft een van +u allen gehoord, dat iemand, die hier niet tegenwoordig is, het beeld +om een hemelsche genade gesmeekt heeft.”</p> +<p>„Hij heeft den vloek weggenomen van een jettatore,” zei +iemand.</p> +<p>„Kan niet alleen degene, die even groot in slechtheid is, als +de jettatore, dezen overwinnen?” antwoordde de pater somber.</p> +<p>Toen deed men geen verdere pogingen meer om het beeld te verdedigen. +Alles wat men aanvoerde, scheen de zaak slechts erger te maken.</p> +<p>Verscheidenen blikten naar donna Micaela, die ook aanwezig was. Zij +stond midden in de volksmenigte, zag en hoorde alles, en toch deed zij +niets om haar geliefd beeld te redden.</p> +<p>Toen pater Gondo zeide, dat het beeld de Antichrist was, verschrikte +zij hevig, en daar hij later aantoonde, dat men in Diamante slechts +wereldsche goederen begeerd had, wies de angst in haar.</p> +<p>Zij waagde het niet zich te verzetten.</p> +<p>Maar toen hij nu zei, dat zij en alle menschen in Diamante onder de +macht van den Antichrist waren gekomen, was er iets in haar ziel, dat +in opstand kwam tegen zijn woorden.</p> +<p>„Neen, neen!” zei zij, „dat kan niet mogelijk +zijn.”</p> +<p>Indien zij moest gelooven, dat een booze geest haar geleid had +gedurende zoovele jaren, zou zij haar verstand verliezen.</p> +<p>En haar verstand begon zich te verdedigen.</p> +<p>Toen brak, gelijk een te sterk gespannen snaar, het geloof aan het +bovennatuurlijke in haar.</p> +<p>Haar gedachten doorliepen nu met een oneindige haast alles wat zij +zelf ervaren had en wat haar bovennatuurlijk geschenen had, en wogen +dat nu op de schaal van het koel verstand. Was een enkel dezer +voorvallen wel een wonder geweest? Zij zei tot zich zelf, dat het niets +dan een toeval was geweest, niets dan een toeval!</p> +<p>’t Was alsof ze een spoel afwond. Van wat ze zelf beleefd +<span class="pagenum">[<a id="pb320" href="#pb320" name="pb320">320</a>]</span>had, ging ze over op de wonderen van vroeger +tijden. Alles was toeval, werking van een overspannen geest, misschien +was het meeste wel verbeelding geweest.</p> +<p>De toornige monnik ging door met het volk te vervloeken. Zij +trachtte naar hem te luisteren om afleiding te vinden voor haar eigen +kwellende gedachten. Maar zij vond alles wat hij zei waanzinnig en +overdreven.</p> +<p>Maar welke machten werkten in haar ziel, dat zij plotseling een +vrijdenkster werd?</p> +<p>Zij zag naar Gaetano. Hij was daar ook, en stond in de nabijheid van +den monnik op de kerktrap. Zijn oogen rustten op haar.</p> +<p>En even zeker alsof zij het hem gezegd had, wist hij wat zij nu +dacht. Maar hij zag er niet verheugd of triomfeerend uit.</p> +<p>’t Was alsof hij pater Gondo in de rede zou willen vallen om +haar geloof te redden.</p> +<p>Maar donna Micaela’s gedachten kenden geen verschooning. Ze +schreden voorwaarts en plunderden haar ziel.</p> +<p>Heel de bovennatuurlijke, stralende wereld schrompelde ineen, werd +tot niets. Zij zeide tot zich zelf, dat men van het bovennatuurlijke +niets kon weten. Vele boden waren gegaan van de aarde naar den hemel. +Geen enkele was teruggekomen van den hemel naar de aarde.</p> +<p>„Maar ik wil gelooven aan God,” zei ze, terwijl ze haar +handen vouwde als om ten minste het hoogste en heiligste te +behouden.</p> +<p>„Uw oogen zijn wild en woest,” zei pater Gondo. +„God leeft niet onder u. De Antichrist heeft God in uw ziel +verdrongen.”</p> +<p>Donna Micaela’s blik zocht opnieuw Gaetano.</p> +<p>„Kunt gij een zoo verlaten en rampzalig wezen iets geven om +voor te leven?” schenen haar oogen te vragen.</p> +<p>Zijn blik ontmoette den hare met fier zelfvertrouwen.</p> +<p>Hij las in haar schoone, smeekende oogen hoe haar bevende ziel zich +nu vastklemde aan hem om een steun te vinden. Hij twijfelde geen +oogenblik, dat hij haar leven niet rijk en heerlijk zou kunnen +maken.</p> +<p>Zij dacht aan de vreugde, die zij gevoelde, wanneer zij hem slechts +zag. Zij dacht aan de vreugde die opbruiste <span class="pagenum">[<a id="pb321" href="#pb321" name="pb321">321</a>]</span>rondom haar in dien nacht in Palermo. Zij wist, +dat die ontsproot uit het nieuwe geloof aan een gelukkige aarde.</p> +<p>Zou dit geloof en deze vreugde ook haar kunnen bezielen?</p> +<p>Zij wrong haar handen in angst. Zou dit nieuwe geloof het richtsnoer +van haar leven kunnen worden? Zou zij zich niet altijd even arm +gevoelen als op dit oogenblik?</p> +<p>Pater Gondo boog zich over de vlammen.</p> +<p>„Ik zeg u nog éénmaal,” riep hij, +„indien slechts één uwer verklaart, dat dit beeld +zijn ziel verlost heeft, zal ik het niet verbranden.”</p> +<p>Donna Micaela voelde plotseling dat zij het arme beeld niet kon +laten vernietigen.</p> +<p>De herinneringen van de schoonste uren haars levens waren daaraan +verbonden.</p> +<p>„Gandolfo, Gandolfo!” fluisterde zij. Een oogenblikje +geleden had zij hem naast zich gezien.</p> +<p>„Ja, donna Micaela.”</p> +<p>„Laat hem het beeld niet verbranden, Gandolfo.”</p> +<p>De monnik had zijn vraag nog eenmaal herhaald, twee malen, drie +malen.—Niemand trad naar voren om het beeld te verdedigen. Maar +de kleine Gandolfo sloop al nader. Pater Gondo hield het beeld dicht +bij de vlammen.</p> +<p>Onwillekeurig had Gaetano zich gebogen; een fiere glimlach gleed +over zijn gelaat. Donna Micaela begreep, dat hij voelde dat Diamante +hem nu toebehoorde.</p> +<p>Het strenge optreden van den monnik maakte Gaetano tot meester over +de zielen.</p> +<p>Zij keek verschrikt rond. Haar blik vloog van aangezicht tot +aangezicht. Ging misschien hetzelfde om in de zielen van al deze +menschen? Zij meende te zien, dat allen denzelfden strijd voerden als +zij zelf.</p> +<p>„Gij, Antichrist,” zei pater Gondo dreigend, „ziet +ge wel dat niemand aan zijn zieleheil gedacht heeft, zoolang gij hier +vertoefdet?</p> +<p>„Gij zult in de vlammen omkomen.”</p> +<p>En hij legde het beeld op den brandstapel.</p> +<p>Maar het had daar nauwelijks een oogenblik gelegen, of Gandolfo +greep het, hief het hoog boven zijn hoofd en snelde er mee heen. +<span class="pagenum">[<a id="pb322" href="#pb322" name="pb322">322</a>]</span></p> +<p>Pater Gondo’s pelgrims trachtten hem te grijpen en het werd +een woedende drijfjacht om den krater van den Monte Chiaro.</p> +<p>Maar de kleine Gandolfo redde het beeld.</p> +<p>Een groote reiswagen reed bergafwaarts. De vervolgers hadden +Gandolfo bijna ingehaald, toen wist hij geen anderen raad, dan het +beeld in den wagen te werpen.</p> +<p>Daarna liet hij zich kalm vangen. Zijn vervolgers spoedden zich nu +naar den reiswagen, maar Gandolfo waarschuwde hen:</p> +<p>„Wacht u, de signora in den wagen is een Engelsche.”</p> +<p>’t Was signora Favara, die eindelijk genoeg had van Diamante, +en opnieuw de wereld introk. En men liet haar ongedeerd vertrekken.</p> +<p>Geen Siciliaan waagt het zich te vergrijpen aan een Engelsche. +<span class="pagenum">[<a id="pb323" href="#pb323" name="pb323">323</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div2" id="ch3.5"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 id="xd20e8259" class="label">V.</h3> +<h3 class="main">Een fresco van Signorelli.</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Een week later was pater Gondo in Rome; hij was op +<span class="corr" id="xd20e8265" title="Bron: audientie">audiëntie</span> bij den ouden man in het +Vaticaan, en vertelde, dat hij den Antichrist gevonden had in +Christus’ gedaante, en hoe deze het volk van Diamante verleid had +tot liefde voor de wereld, en hoe hij het beeld had willen verbranden. +Hij verhaalde ook, dat hij het volk niet tot God had kunnen +terugvoeren, maar dat het geheel en al tot ongeloof en socialisme +vervallen was.</p> +<p>Niemand wilde voor zijn ziel zorgen, niemand wilde aan den hemel +denken.</p> +<p>Pater Gondo vroeg, wat hij toch moest beginnen met deze arme +menschen.</p> +<p>De oude paus, die de wijste mensch is die nu leeft, lachte niet om +pater Gondo’s verhaal, hij was diep bedroefd.</p> +<p>„Gij hebt verkeerd gehandeld, gij hebt zeer verkeerd +gehandeld,” zei hij. Hij zweeg een tijdlang en dacht na, toen zei +hij: „Hebt ge nooit den dom in Orvieto +gezien?”—„Neen, heilige vader.”</p> +<p>„Ga naar Orvieto om den dom te zien,” zei de paus, +„en als ge daar geweest zijt, kom mij dan vertellen wat gij +gezien hebt.”</p> +<p>Pater Gondo gehoorzaamde; hij ging naar Orvieto en zag den heiligen +dom.</p> +<p>Na twee dagen kwam hij terug in het Vaticaan.</p> +<p>„Wat hebt ge gezien in Orvieto?” vroeg de paus.</p> +<p>Pater Gondo verhaalde nu, dat hij in een der kapellen der domkerk +fresco’s gezien had van Luca Signorelli, voorstellende „het +laatste Oordeel.” Maar hij had noch gezien <span class="pagenum">[<a id="pb324" href="#pb324" name="pb324">324</a>]</span>naar +„den Dag des Oordeels,” noch naar „der Dooden +Opstanding.”</p> +<p>Hij had al zijn aandacht geschonken aan het groote schilderij, dat +de kerkwachter „de Wonderen van den Antichrist” genoemd +had.</p> +<p>„Wat hebt ge daarop gezien?” vroeg de paus.</p> +<p>„Ik zag, dat Signorelli den Antichrist geschilderd had als een +armen en geringen man, als Gods Zoon was, toen deze hier op aarde +vertoefde. Ik zag, dat hij hem gekleed had als Christus en hem +Christus’ gelaat had gegeven.”</p> +<p>„Wat zaagt ge nog meer?” vroeg de paus.</p> +<p>„Het eerste dat ik op het fresco zag, was dat de Antichrist +zoo preekte, dat de rijken en machtigen hun schatten aan zijn voeten +legden.</p> +<p>„Het tweede was, dat een zieke gedragen werd tot den +Antichrist en door hem genezen werd.</p> +<p>„Het derde tafereel stelde voor een martelaar, die zijn leven +gaf voor de leer van den Antichrist.</p> +<p>„Het vierde dat ik op het groote wandschilderij zag, was dat +de menschen zich spoedden naar een grooten tempel des vredes en de +booze geest uit den hemel stortte en alle geweldenaars gedood werden +door het vuur.”</p> +<p>„Wat dacht gij, toen ge dit zaagt?” vroeg de paus.</p> +<p>„Toen ik dit zag, dacht ik: deze Signorelli was waanzinnig. +Meent hij, dat in den tijd van den Antichrist de booze geest overwonnen +zal worden, en de aarde heilig zal zijn als het paradijs?”</p> +<p>„Zaagt ge nog meer?”</p> +<p>„Het vijfde tafereel, dat ik zag, was dat monniken en +priesters een grooten brandstapel bestegen en verbrand werden.</p> +<p>„Het zesde en het laatste was dat de duivel den Antichrist +iets in het oor fluisterde en hem den raad gaf hoe hij moest handelen +en spreken.”</p> +<p>„Wat dacht ge, toen ge dit zaagt?”</p> +<p>„Ik zei tot mij zelf: deze Signorelli was niet krankzinnig, +maar hij was een profeet. De Antichrist zal zeker komen in +Christus’ gedaante en de wereld tot een paradijs maken. Hij zal +haar zoo schoon maken, dat de menschen den hemel vergeten. En dit zal +de gevaarlijkste verleiding der wereld worden.” <span class="pagenum">[<a id="pb325" href="#pb325" name="pb325">325</a>]</span></p> +<p>„Begrijpt gij nu,” zei de paus, „dat gij mij niets +nieuws verteldet? De kerk heeft altijd geweten, dat de Antichrist zou +komen, toegerust met alle deugden van Christus.”</p> +<p>„Wist ge ook dat hij werkelijk gekomen is, heilige +vader?” vroeg pater Gondo.</p> +<p>„Zou ik hier jaar na jaar op Petrus’ stoel zitten en +niet weten, dat hij gekomen is?” zei de paus.</p> +<p>„Ik zie hoe een volksbeweging ontstaat, die brandt van liefde +voor haar naasten en die God haat. Ik zie hoe martelaren hun leven +offeren voor het nieuwe geloof aan een gelukkige aarde. Ik zie hoe ze +nieuwe vreugde en moed putten uit de leuze: „Denk aan de +aarde,” zooals vroeger uit het woord: „Denk aan den +hemel.” Ik wist dat hij, dien Signorelli voorspeld had, gekomen +was.”</p> +<p>Pater Gondo boog zwijgend het hoofd.</p> +<p>„Begrijpt ge nu, hoe verkeerd gij gehandeld hebt?”</p> +<p>„Heilige vader, verklaar me mijn zonde.”</p> +<p>De oude paus hief zijn blik op. Zijn heldere oogen doorboorden den +sluier der toevalligheden, die het leven bedekt, en zagen wat +daarachter verborgen was.</p> +<p>„Pater Gondo,” zei hij, „het kleine kind, waarmee +ge streedt in Diamante, het kind dat even barmhartig en wonderdoend is +als Christus, het arme verachte kind, dat zegevierde over u en dat gij +den Antichrist noemt, weet gij wie dat is?”</p> +<p>„Neen, heilige vader.”</p> +<p>„En hij, die op Signorelli’s schilderij zieken genas, +rijken bewoog afstand te doen van hun schatten, de wereld in een +paradijs veranderde en de menschen verleidde den hemel te vergeten, +weet gij wie hij is?”</p> +<p>„Neen, heilige vader.”</p> +<p>„Wie anders kan het zijn dan het Antichristendom, het +socialisme?</p> +<p>De monnik zag verschrikt op.</p> +<p>„Pater Gondo,” zei de paus streng, „toen gij het +beeld in uw armen hieldt, wildet gij het verbranden. Waarom? Waarom +waart ge niet liefdevol jegens hem en droegt hem terug naar het kleine +Christusbeeld op het Kapitool, vanwaar hij uitgegaan is?</p> +<p>„Maar zoo handelt gij, gij bedelmonniken. Gij kondt de +<span class="pagenum">[<a id="pb326" href="#pb326" name="pb326">326</a>]</span>groote volksbeweging op uw armen nemen als ze +nog als een kind in haar windsels ligt, en gij kondt haar leggen aan +Jezus’ voeten, en de Antichrist zou zien, dat hij niets anders is +dan Christus’ namaaksel en hem erkennen als zijn heer en +meester.</p> +<p>„Maar wat doet ge? Gij werpt het Antichristendom op den +brandstapel, en spoedig zal het op zijn beurt u daarop +werpen.”</p> +<p>Pater Gondo boog zijn knieën. „Ik begrijp u, heilige +vader. Ik zal uitgaan om het beeld te zoeken.”</p> +<p>De paus verhief zich majestueus.</p> +<p>„Ge zult het beeld niet zoeken, gij zult het nu ongestoord +over de wereld laten gaan. We vreezen hem niet.</p> +<p>„En als hij komt om het Kapitool te bestormen en den +wereldtroon te bemachtigen, zullen we hem tegemoet gaan, en we zullen +hem tot Christus voeren. We zullen hemel en aarde verzoenen.</p> +<p>„Maar gij handelt verkeerd,” vervolgde hij milder, +„wanneer gij hem haat. Hebt gij dan vergeten, dat de Sibylle hem +rekende tot een der wereldverlossers?</p> +<p>„Op de hoogte van het Kapitool zal de wereldverlosser worden +aangebeden, Christus of Antichrist.”</p> +<p>„Heilige vader, indien hij de rampen dezer wereld lenigt, en +den hemel geen schade berokkent, dan zal ik hem niet haten.”</p> +<p>Een fijn glimlachje gleed over het gelaat van den ouden paus.</p> +<p>„Pater Gondo, sta mij toe, dat ook ik u een geschiedenis van +Sicilië verhaal.</p> +<p>„Men vertelt, pater Gondo, dat toen Onze lieve Heer de wereld +schiep, Hij eens wilde weten of Hij nog veel te doen had. En Hij zond +San Pietro uit om te zien of de wereld gereed was.</p> +<p>„Toen San Pietro terugkwam, zei hij:</p> +<p>„Alle menschen weenen, snikken en klagen.”</p> +<p>„Dan is de wereld nog niet gereed,” zei Onze lieve Heer +en Hij werkte verder.</p> +<p>„Na drie dagen zond Onze lieve Heer San Pietro weer naar de +aarde.</p> +<p>„Alle menschen lachen, jubelen en juichen,” zei San +Pietro, toen hij terugkwam. <span class="pagenum">[<a id="pb327" href="#pb327" name="pb327">327</a>]</span></p> +<p>„Dan is de wereld nog niet gereed,” zei Onze lieve Heer +en werkte verder.</p> +<p>„San Pietro werd voor de derde maal uitgezonden.</p> +<p>„Sommigen lachen en sommigen weenen,” zei hij toen hij +terugkwam.</p> +<p>„Dan is de wereld gereed,” zei Onze lieve Heer.</p> +<p>„En zoo zal het zijn en blijven,” zei de oude paus, +„Niemand kan de menschen verlossen van hun ellende, maar hem zal +veel vergeven worden, die nieuwe moed in hen wekt om die ellende te +dragen.”</p> +<p class="trailer xd20e8401"><span class="sc">Einde.</span></p> +<p><span class="pagenum">[<a id="pb328" href="#pb328" name="pb328">328</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div class="back"> +<div class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divBody"> +<p class="first"><i>Bij den Uitgever dezes verscheen mede:</i></p> +<p class="xd20e8411">ONZICHTBARE KETENEN</p> +<p class="xd20e8413"><span class="sc">Naar het Zweedsch van SELMA +LAGERLÖF</span></p> +<p class="xd20e8417"><span class="sc">DOOR</span></p> +<p class="xd20e8413">MARGARETHA MEIJBOOM.</p> +<p class="xd20e8417">PRIJS: Ingenaaid ƒ<b>3.50</b>; gebonden +ƒ<b>3.90</b>.</p> +<p class="xd20e8431"><b>De Nederlandsche Pers over „Onzichtbare +Ketenen”.</b></p> +<p><b>De Nederlander:</b></p> +<p>In de geschriften van <span class="sc">Selma Lagerlöf</span> is +iets dat sterk aantrekt, waarvan bekoring uitgaat, dat sympathie +verwekt bij hen, die vatbaar zijn voor hoogere indrukken, dan die door +’t gewone, ’t alledaagsche worden verwekt. Daar gaat van +wat ze schrijft, eene geheimzinnige kracht uit. Zij noemt dit boek +„Onzichtbare Ketenen.” En met recht. De verhalende verwijlt +met haar geest menigmaal in hoogere sferen, een andere onzichtbare +wereld, waar gerechtigheid en liefde wonen, waarheen menige ziel zich +getrokken gevoelt in deze wereld vol onrecht en bitterheid. Daardoor +heeft haar arbeid in dezen materialistischen tijd groote beteekenis en +waarde.</p> +<p><b>Groot Nederland:</b></p> +<p>Een bundel korte verhalen, door „onzichtbare ketenen” +verbonden. De meeste hebben een fantastisch, sprookjesachtig tintje, +dat er een eigenaardig cachet aan geeft. Ook bevatten sommige wel een +dieperen zin, geen tendenz die zich hinderlijk opdringt, maar iets dat +den lezer dwingt eens even na te denken en soms het gelezene nog weer +na te slaan. Onder de mooiste noem ik: „De Vogelvrijen,” +„de Legende van het Vogelnest,” „de Sage van +Reor,” „een Kerstgast,” en „Vrouw Vasten en +Petter Nord<span class="corr" id="xd20e8450" title="Bron: ”.">.”</span> Geestig en vermakelijk is „Oom +Ruben,” en allerliefst „het Kuikentje.” Hier en daar +deed de schrijfster mij aan anderen denken, vooral in „Oom +Ruben” en ook in „Vrouw Vasten.” <span class="sc">Selma Lagerlöf</span>’s fantasie is zoo dartel en +weelderig als een jong veulen en dreigt ieder oogenblik uit den band te +springen. Het krachtigst is zij wel waar zij die rijke fantasie niet al +te bandeloos laat doorhollen, maar een leidende gedachte die in bedwang +houdt.</p> +<p><b>Nieuwe Courant:</b></p> +<p><b>Het heele boek is weer een gave om blij en dankbaar te +genieten.</b></p> +<p><b>Kerkelijke Courant:</b></p> +<p><b>Ook het eenvoudigste maal kruidt zij door de specerijen van haar +geest en gemoed tot eene uitgezochte lekkernij, al zal den een +aanstaan, wat met een anders smaak slechts matig overeenkomt.</b> +<span class="pagenum">[<a id="pb329" href="#pb329" name="pb329">329</a>]</span></p> +<p><i>Bij den Uitgever dezes verscheen mede:</i></p> +<p class="xd20e8411">GÖSTA BERLING</p> +<p class="xd20e8413"><span class="sc">Naar het Zweedsch van SELMA +LAGERLÖF</span></p> +<p class="xd20e8417"><span class="sc">DOOR</span></p> +<p class="xd20e8413">MARGARETHA MEIJBOOM<span class="corr" id="xd20e8491" title="Niet in bron">.</span></p> +<p class="xd20e8417"><b>VIERDE, GOEDKOOPE DRUK</b></p> +<p class="xd20e8417">Prijs ingenaaid ƒ<b>1.50</b>, in prachtband +ƒ<b>1.90</b></p> +<p class="xd20e8431"><b>Eenige Bladen over GÖSTA BERLING.</b></p> +<p><b>Het Algemeen Handelsblad:</b></p> +<p>Het is zoo spannend, zoo vol mooie en goede dingen, dit boek van +sagen en wonderlijke verhalen. Het is een boek van een heerlijke, +schitterende phantasie, waarin verteld wordt van veel slechts maar van +meer goeds, van veel hardheid maar van meer teederheid, van veel +misdadigs maar van meer berouw, van veel ongeluk, maar van meer, zij +het ook duur gekocht, geluk. Het is een boek van echte poëzie, +verteld op de manier die velen Scandinaviërs tegenwoordig eigen +is, zonder beschouwingen over en beschrijvingen van hun personen, maar +met korte, treffende aangeving van saillante trekken, pittig en +prikkelend tegelijk.</p> +<p><b>Wie aan dit boek begint, zal er niet mee willen uitscheiden, +vóór hij het geheel genoten heeft.</b></p> +<p><b>Het Vaderland:</b></p> +<p>Deze royaal uitgegeven en goed vertaalde roman is een bijzondere +mengeling van het werkelijke en het fantastische, van waarheid en +verdichting. Het is een vreemd boek, maar een dat den lezer niet +loslaat en veel te denken geeft. De ons onbekende schrijfster is een +bijzonder en oorspronkelijk talent; men zou zeggen, dat er in haar iets +van Cervantes is gevaren. Daarmee is veel, niet te veel gezegd. +<b>„Gösta Berling” is een boek om tweemaal te +lezen.</b></p> +<p><b>De Kerkelijke Courant:</b></p> +<p>Zelden kwam ons zonderlinger en daarbij echt mooier boek ter hand +dan „Gösta Berling”. Zonderling. De geschiedenis van +een afgezetten predikant en daarin oude sagen, legenden, allervreemdste +toestanden en gewone menschen, alles met een moed door elkander +gemengd, of men dat alles dagelijks ontmoet. Maar mooi! De Zweedsche +schrijfster Selma Lagerlöf, die in Margaretha Meijboom een +uitstekende vertaalster vond, is geen gewone vrouw. Er zit een talent +van meedeelen in zóó aantrekkelijk, dat men menige +bladzijde om haar fijne opmerkingen en haar diepen ernst tweemalen +overleest om te meer te genieten. Is dit, wat wij niet weten, haar +eerste werk, dan bewonderen wij haar met vreeze. Het zal moeilijk zijn +een tweede te schrijven, dat niet in de schaduw staat. <span class="pagenum">[<a id="pb330" href="#pb330" name="pb330">330</a>]</span></p> +<p><i>Verder verscheen bij denzelfden Uitgever:</i></p> +<p class="xd20e8411">INGRID</p> +<p class="xd20e8413"><span class="sc">Naar het Zweedsch van SELMA +LAGERLÖF</span></p> +<p class="xd20e8417">DOOR</p> +<p class="xd20e8413">MARGARETHA MEIJBOOM.</p> +<p class="xd20e8417"><b>DERDE, GOEDKOOPE UITGAVE.</b></p> +<p class="xd20e8417">PRIJS INGENAAID ƒ<b>0.75</b>; GEBONDEN +ƒ<b>1.—</b>.</p> +<p class="xd20e8431"><b>De Nederlandsche Pers over +„INGRID.”</b></p> +<p><b>De Kerkelijke Courant:</b></p> +<p>Weêr hebben wij een zonderling en een mooi boek voor ons. Het +is of de Zweedsche schrijfster droomen vertelt, zoo vrijmoedig +schildert zij de vreemdste toestanden, en tegelijk heerscht zij over +den mooien vorm en echt diep gevoel. Ingrid, bijna levend begraven en +later met liefde en geduld den krankzinnige genezend, staat voor ons +als de heldin uit een sprookje, maar een sprookje uit een rijk gemoed +gevloeid.</p> +<p><b>Het Vaderland:</b></p> +<p>De auteur van „Gösta Berling” is hier weer op haar +eigenaardige wijze voor den dag gekomen en de mengeling van reëel +en onreëel is haar uitnemend gelukt. <b>Dit boek heeft iets van +een sprookje en is toch zoo gewoon menschelijk roerend.</b> Een boek +als „Ingrid” is een buitenkansje; de vertaling verdient +warm te worden geprezen.</p> +<p><b>De Avondpost:</b></p> +<p>Wie <i>Gösta Berling</i> van de Zweedsche schrijfster Selma +Lagerlöf heeft gelezen—een van de weinige boeken waarvan de +herinnering ook na jaren levendig blijft—zal verlangend zijn, +kennis te maken met haar jongste werk: <b>Ingrid</b>, dat Margaretha +Meijboom op zoo uitnemende wijze verdietschte. Niet minder dan van +<b>Gösta Berling</b> gaat er van dit wonderlijke sprookjesachtige +verhaal een eigenaardige bekoring uit. Het vertelt van de zwerftochten +van een waanzinnige door groote bosschen en uitgestrekte gemeenten, van +de macht welke de muziek over zijne ziel heeft; van de demonen van zijn +waanzin, die hem geen rust gunnen, tot een jong meisje, „Ingrid +met de sterrenoogen,” hen op de vlucht drijft.</p> +<p><b>Het is een dichtwerk van buitengewone waarde, deze verheerlijking +van de alvermogende macht der liefde. Zulke hooge poëzie, +naïef en diepzinnig tegelijk, kan slechts ontstaan in een land, +waar de lucht nog vervuld is van sagen en legenden.</b> <span class="pagenum">[<a id="pb331" href="#pb331" name="pb331">331</a>]</span></p> +<p><i>Bij den Uitgever dezes verscheen mede:</i></p> +<p class="xd20e8411"><span class="sc">JERUZALEM I en II</span></p> +<p class="xd20e8614">(IN DALECARLIË en IN HET HEILIGE LAND).</p> +<p class="xd20e8417">Prijs per deel ing. ƒ<b>3.50</b>; geb. +ƒ<b>3.90</b>.</p> +<p class="xd20e8431"><b>De Nederlandsche Pers over +„Jeruzalem”:</b></p> +<p><b>De Nieuwe Courant:</b></p> +<p><b>Dit is weer een heerlijk boek van de geniale +dichteres-in-proza.</b> Frissche oorspronkelijkheid, stoute fantasie, +diepe zielkunde, forsche stijl en krachtige typeering. Al deze menschen +leven een sterk persoonlijk leven. <b>Zooals in Gösta Berling +bestaat het boek uit hoofdstukken, die, hoewel ze in verband staan met +elkaar, elk op zichzelf een mooi fragment vormen, zonder overgang, +abrupt zonder dorheid.</b> Het boek is zoo vol, dat elke andere +schrijver verscheidene deelen had noodig gehad om het leven van deze +menschengroep te vertellen. Maar Selma Lagerlöf geeft dan ook +enkel het essentiëele, zonder beschrijvingen. En welk een kracht +ligt er niet in deze zelfbeperking! <b>Prachtig zijn de Inleiding, De +ondergang van l’Univers, De verkooping, Gertrud. Dit is een boek +vol intens zieleleven, dat ons alleen daarom niet zoo verrast als +Gösta Berling, omdat wij gewend zijn van Selma Lagerlöf niet +anders dan gaven van schoonheid te ontvangen. Want zij is als de +bevoorrechte koningsdochter uit oude sprookjes: van haar dichterlippen +regent het rozen en paarlen.</b></p> +<p><b>De Nederlander<span class="corr" id="xd20e8645" title="Bron: ;">:</span></b></p> +<p>Wij hebben hier met <b>een belangrijk verschijnsel op godsdienstig +gebied te doen</b>. Gewone roman-lectuur is ’t niet. Maar wie +walgt van al het alledaagsche, zal Selma Lagerlöf danken, en +daartoe zal zeker medewerken de uitnemende wijze, waarop Mej. Meijboom +haar taak heeft volbracht.</p> +<p><b>Wij verklaren in langen tijd niets te hebben gelezen, dat zooveel +te genieten en ook te denken gaf.</b></p> +<p><b>De Amsterdammer:</b></p> +<p><b>Selma Lagerlöf is een andere Zweedsche nachtegaal. Zij zingt +uit de ziel en de ziel uit van haar volk. En zij doet dat als een +nachtegaal. Niet in diep-doordachte, kunstig geweven zangen. Als een +nachtegaal gaat zij zonder gezochte overgangen van de eene stemming in +de andere, rapsodisch maar bekorend.</b> <span class="pagenum">[<a id="pb332" href="#pb332" name="pb332">332</a>]</span></p> +<p><i>Bij den Uitgever van dit boek verscheen ook:</i></p> +<p class="xd20e8411"><b>De Koninginnen van Kungahälla</b></p> +<p class="xd20e8413"><span class="sc">Naar het Zweedsch van SELMA +LAGERLÖF</span></p> +<p class="xd20e8417">DOOR</p> +<p class="xd20e8413">MARGARETHA MEIJBOOM.</p> +<p class="xd20e8417"><b>Derde, goedkoope druk.</b></p> +<p class="xd20e8417">Prijs ingenaaid ƒ<b>1.75</b>, gebonden +ƒ<b>2.25</b>.</p> +<p class="xd20e8431"><b>Eenige bladen over „De Koninginnen van +Kungahälla”<span class="corr" id="xd20e8699" title="Bron: .">:</span></b></p> +<p><i>Het Algemeen Handelsblad:</i></p> +<p>„De Koninginnen van Kungahälla” is zeer +aanlokkelijk voor iemand die de andere werken van Selma Lagerlöf +heeft genoten. En in dit boek vinden wij weer <b>dezelfde groote +poëtische kracht en dezelfde hooge gedachten</b>. Daarbij heeft de +schrijfster nu nog sterker dan vroeger het talent ontwikkeld om veel te +zeggen in weinig woorden, om alleen te geven wat het noodigste is, maar +dat dan ook met zooveel kracht, dat het meer treft dan de uitvoerigste +beschrijving.</p> +<p><i>De Kerkelijke Courant:</i></p> +<p>Van „De Koninginnen van Kungahälla” verscheen een +derde druk. Geen wonder, dat de buitengewoon-talentvolle Selma +Lagerlöf, die ten onzent een uitstekende vertaalster vond in +Margaretha Meijboom, aan ons publiek zoo welkom bleek te zijn.</p> +<p><i>Nederland:</i></p> +<p>Het lijdt geen twijfel of na het groote succes van „Gösta +Berling”, zal al wat men vooreerst van Selma Lagerlöf +wenscht te vertalen, met lust ontvangen worden. Mej. Meijboom koos den +bundel sagen van Koninginnen en diverse legenden en verhalen, van den +Skaldentijd tot op onze dagen. Het is een staalkaart van het talent der +schrijfster, <b>teederheid en kracht met een zekere profetische +grootschheid erin</b>, nabij genoeg om aan te doen, en ver genoeg om te +imponeeren.</p> +<p><i>De Avondpost:</i></p> +<p>Aan het talent van de Zweedsche schrijfster is reeds meermalen in +dit blad hulde gebracht en dit nieuwe werk legt geen minder schitterend +getuigenis van haar begaafdheden af. In de verhalen, legenden en sagen, +welke in dit werk zijn bijeengebracht, weet men niet wat meer te +bewonderen: den levendigen stijl of den fantasierijken inhoud, zoo +afwisselend en zoo belangwekkend. Uitgever en vertaalster zullen met +het nieuwe werk van Selma Lagerlöf ongetwijfeld veel eer +inleggen.</p> +</div> +</div> +<div class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divBody"> +<p class="first"></p> +<div class="figure xd20e8735width"><img src="images/spine.jpg" alt="Oorspronkelijke rug." width="149" height="720"></div> +<p> </p> +<div class="figure xd20e8742width"><img src="images/back.jpg" alt="Oorspronkelijke achterkant." width="529" height="720"></div> +</div> +</div> +<div class="div1" id="toc"> +<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2> +<ul> +<li><a href="#inleiding">Inleiding</a> +<span class="tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e161">1</a></span> +<ul> +<li><a href="#inleiding.1">Het visioen van den +keizer.</a> <span class="tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e171">3</a></span></li> +<li><a href="#inleiding.2">Rome’s heilig +kind.</a> <span class="tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e299">10</a></span></li> +<li><a href="#inleiding.3">Op de barricade.</a> +<span class="tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e487">19</a></span></li> +</ul> +</li> +<li><a href="#pt1">Eerste deel.</a> +<span class="tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e560">23</a></span> +<ul> +<li><a href="#ch1.1">De Mongibello.</a> +<span class="tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e568">25</a></span></li> +<li><a href="#ch1.2">Fra Gaetano.</a> +<span class="tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e838">37</a></span></li> +<li><a href="#ch1.3">De godszuster.</a> +<span class="tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e1031">44</a></span></li> +<li><a href="#ch1.4">Diamante.</a> <span class="tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e1377">56</a></span></li> +<li><a href="#ch1.5">Don Ferrante.</a> +<span class="tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e1419">58</a></span></li> +<li><a href="#ch1.6">Don Matteo’s +zending.</a> <span class="tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e1536">64</a></span></li> +<li><a href="#ch1.7">De klokken van San +Pasquale.</a> <span class="tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e1660">70</a></span></li> +<li><a href="#ch1.8">Twee canzones.</a> +<span class="tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e2458">101</a></span></li> +<li><a href="#ch1.9">De vlucht.</a> +<span class="tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e2740">111</a></span></li> +<li><a href="#ch1.10">De sirocco.</a> +<span class="tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e2780">113</a></span></li> +<li><a href="#ch1.11">Het feest van San +Sebastiaan.</a> <span class="tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e3393">137</a></span></li> +</ul> +</li> +<li><a href="#pt2">Tweede deel.</a> +<span class="tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e3940">161</a></span> +<ul> +<li><a href="#ch2.1">De vrouw van een groot +man.</a> <span class="tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e3950">163</a></span></li> +<li><a href="#ch2.2">Panem et circenses.</a> +<span class="tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e4135">170</a></span></li> +<li><a href="#ch2.3">De verworpeling.</a> +<span class="tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e4344">180</a></span></li> +<li><a href="#ch2.4">Het oude passiespel.</a> +<span class="tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e4491">187</a></span></li> +<li><a href="#ch2.5">De dame met den ijzeren +ring.</a> <span class="tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e4721">198</a></span></li> +<li><a href="#ch2.6">Fra Felice’s +testament.</a> <span class="tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e4756">200</a></span></li> +<li><a href="#ch2.7">Na het wonder.</a> +<span class="tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e5249">218</a></span></li> +<li><a href="#ch2.8">Een jettatore.</a> +<span class="tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e5314">221</a></span></li> +<li><a href="#ch2.9">Het paleis Geraci en het paleis +Corvaja.</a> <span class="tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e5800">234</a></span></li> +<li><a href="#ch2.10">Falco Falcone.</a> +<span class="tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e6167">247</a></span></li> +<li><a href="#ch2.11">Overwinningen.</a> +<span class="tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e6917">272</a></span></li> +</ul> +</li> +<li><a href="#pt3">Derde deel.</a> <span class="tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e7113">279</a></span> +<ul> +<li><a href="#ch3.1">De oase in de +woestijn.</a> <span class="tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e7121">281</a></span></li> +<li><a href="#ch3.2">In Palermo.</a> +<span class="tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e7240">286</a></span></li> +<li><a href="#ch3.3">De thuiskomst.</a> +<span class="tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e7435">294</a></span></li> +<li><a href="#ch3.4">Slechts van deze +wereld.</a> <span class="tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e7794">307</a></span></li> +<li><a href="#ch3.5">Een fresco van +Signorelli.</a> <span class="tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e8259">323</a></span></li> +</ul> +</li> +</ul> +</div> +<div class="transcribernote"> +<h3 class="main">Codering</h3> +<p class="first">Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen +poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het +einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in +het origineel zijn gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn gemarkeerd +met het corr-element.</p> +<h3 class="main">Verbeteringen</h3> +<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> +<table width="75%" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst."> +<tr> +<th>Bladzijde</th> +<th>Bron</th> +<th>Verbetering</th> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e275">8</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">rotstwand</td> +<td class="width40" valign="bottom">rotswand</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e294">9</a>, <a class="pageref" href="#xd20e549">22</a>, +<a class="pageref" href="#xd20e2265">92</a>, <a class="pageref" href="#xd20e2798">113</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">.</td> +<td class="width40" valign="bottom">,</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e413">15</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">kinde</td> +<td class="width40" valign="bottom">kinderen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e477">17</a>, <a class="pageref" href="#xd20e821">35</a>, +<a class="pageref" href="#xd20e1672">70</a>, <a class="pageref" href="#xd20e1899">77</a>, <a class="pageref" href="#xd20e2279">92</a>, +<a class="pageref" href="#xd20e3111">127</a>, <a class="pageref" href="#xd20e5117">214</a>, <a class="pageref" href="#xd20e5502">226</a>, +<a class="pageref" href="#xd20e5917">238</a>, <a class="pageref" href="#xd20e7696">303</a>, <a class="pageref" href="#xd20e8491">329</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40" valign="bottom">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e644">28</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">kunen</td> +<td class="width40" valign="bottom">kunnen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e894">39</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">Ellsa’s</td> +<td class="width40" valign="bottom">Elisa’s</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e964">41</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">Zeo</td> +<td class="width40" valign="bottom">Zoo</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e1003">43</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">telwijl</td> +<td class="width40" valign="bottom">terwijl</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e1053">45</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">tullen</td> +<td class="width40" valign="bottom">tulen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e1161">48</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">un</td> +<td class="width40" valign="bottom">nu</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e1248">51</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">Giannitta</td> +<td class="width40" valign="bottom">Giannita</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e1346">54</a>, <a class="pageref" href="#xd20e3545">143</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40" valign="bottom">”</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e1481">61</a>, <a class="pageref" href="#xd20e3542">143</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40" valign="bottom">„</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e1495">62</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">moemde</td> +<td class="width40" valign="bottom">noemde</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e1511">62</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">glimlich</td> +<td class="width40" valign="bottom">glimlach</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e1649">68</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">sleeg</td> +<td class="width40" valign="bottom">sloeg</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e1960">80</a>, <a class="pageref" href="#xd20e2104">85</a>, +<a class="pageref" href="#xd20e2358">96</a>, <a class="pageref" href="#xd20e2427">99</a>, <a class="pageref" href="#xd20e2509">102</a>, +<a class="pageref" href="#xd20e2695">109</a>, <a class="pageref" href="#xd20e3130">128</a>, <a class="pageref" href="#xd20e3187">129</a>, +<a class="pageref" href="#xd20e3357">135</a>, <a class="pageref" href="#xd20e4319">178</a>, <a class="pageref" href="#xd20e4584">191</a>, +<a class="pageref" href="#xd20e4589">191</a>, <a class="pageref" href="#xd20e4965">208</a>, <a class="pageref" href="#xd20e5276">219</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">,</td> +<td class="width40" valign="bottom">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e2239">90</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">Paquale’s</td> +<td class="width40" valign="bottom">Pasquale’s</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e2299">93</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">bloemem</td> +<td class="width40" valign="bottom">bloemen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e2339">95</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">hnis</td> +<td class="width40" valign="bottom">huis</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e2378">97</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">verzamen</td> +<td class="width40" valign="bottom">verzamelen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e2636">106</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">balcons</td> +<td class="width40" valign="bottom">balkons</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e2888">117</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">uchtendgekriek</td> +<td class="width40" valign="bottom">ochtendgekriek</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e3479">140</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">bij</td> +<td class="width40" valign="bottom">hij</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e3621">146</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">Sabastiaan</td> +<td class="width40" valign="bottom">Sebastiaan</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e3648">148</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">vlaggen-wapper</td> +<td class="width40" valign="bottom">vlaggen-gewapper</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e3894">158</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">gevangenistraf</td> +<td class="width40" valign="bottom">gevangenisstraf</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e4031">165</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">dona</td> +<td class="width40" valign="bottom">donna</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e4110">168</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">donno</td> +<td class="width40" valign="bottom">donna</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e4139">170</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">cirsenses</td> +<td class="width40" valign="bottom">circenses</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e4165">171</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40" valign="bottom">te</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e4172">171</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">mozaiek-vloer</td> +<td class="width40" valign="bottom">mozaïekvloer</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e4383">182</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">eerbeid</td> +<td class="width40" valign="bottom">eerbied</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e4404">183</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">vorborgen</td> +<td class="width40" valign="bottom">verborgen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e4527">188</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">beb</td> +<td class="width40" valign="bottom">heb</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e4984">209</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">wilkkelen</td> +<td class="width40" valign="bottom">wikkelen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e5814">234</a>, <a class="pageref" href="#xd20e5861">236</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">reliefs</td> +<td class="width40" valign="bottom">reliëfs</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e6121">245</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40" valign="bottom">had</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e6207">248</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">volgelnestjes</td> +<td class="width40" valign="bottom">vogelnestjes</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e6232">249</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">kwam</td> +<td class="width40" valign="bottom">kwamen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e6569">259</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">noder</td> +<td class="width40" valign="bottom">onder</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e6619">261</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">perloga</td> +<td class="width40" valign="bottom">pergola</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e6657">263</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">kamaraden</td> +<td class="width40" valign="bottom">kameraden</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e6695">264</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">Terwij</td> +<td class="width40" valign="bottom">Terwijl</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e6700">264</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">Catharina</td> +<td class="width40" valign="bottom">Catherina</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e7156">282</a>, <a class="pageref" href="#xd20e8265">323</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">audientie</td> +<td class="width40" valign="bottom">audiëntie</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e7185">283</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">teleursteling</td> +<td class="width40" valign="bottom">teleurstelling</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e7293">287</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">Giovani</td> +<td class="width40" valign="bottom">Giovanni</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e7584">300</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">Etne</td> +<td class="width40" valign="bottom">Etnea</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e7833">308</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">eindeljk</td> +<td class="width40" valign="bottom">eindelijk</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e7939">312</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">Tommasso’s</td> +<td class="width40" valign="bottom">Tomasso’s</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e7942">312</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">uchtendkrieken</td> +<td class="width40" valign="bottom">ochtendkrieken</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e8029">315</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">monpelde</td> +<td class="width40" valign="bottom">mompelde</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e8450">328</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">”.</td> +<td class="width40" valign="bottom">.”</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e8645">331</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">;</td> +<td class="width40" valign="bottom">:</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e8699">332</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">.</td> +<td class="width40" valign="bottom">:</td> +</tr> +</table> +</div> +</div> + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of Project Gutenberg's De Wonderen van den Antichrist, by Selma Lagerlöf + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE WONDEREN VAN DEN ANTICHRIST *** + +***** This file should be named 36194-h.htm or 36194-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/3/6/1/9/36194/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + +</body> +</html> diff --git a/36194-h/images/back.jpg b/36194-h/images/back.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..2090d72 --- /dev/null +++ b/36194-h/images/back.jpg diff --git a/36194-h/images/cover.jpg b/36194-h/images/cover.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..0e15e6a --- /dev/null +++ b/36194-h/images/cover.jpg diff --git a/36194-h/images/spine.jpg b/36194-h/images/spine.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..050a8a8 --- /dev/null +++ b/36194-h/images/spine.jpg diff --git a/36194-h/images/titlepage.png b/36194-h/images/titlepage.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..bd4fafd --- /dev/null +++ b/36194-h/images/titlepage.png diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..3141e0e --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #36194 (https://www.gutenberg.org/ebooks/36194) diff --git a/old/36194-8.txt b/old/36194-8.txt new file mode 100644 index 0000000..e445f46 --- /dev/null +++ b/old/36194-8.txt @@ -0,0 +1,14204 @@ +Project Gutenberg's De Wonderen van den Antichrist, by Selma Lagerlöf + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De Wonderen van den Antichrist + +Author: Selma Lagerlöf + +Translator: Betsy Nort + +Release Date: May 22, 2011 [EBook #36194] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE WONDEREN VAN DEN ANTICHRIST *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + DE WONDEREN VAN DEN ANTICHRIST + + Naar het Zweedsch + van + SELMA LAGERLÖF + + Schrijfster van "Gösta Berling", "Ingrid", "De Koninginnen van + Kungahälla", "Jeruzalem", "Onzichtbare ketenen", enz. + + Door + Betsy Nort + + Met toestemming van de schrijfster + + + Als de Antichrist komt, zal hij + volkomen op Christus gelijken. + + Daar zal groote nood heerschen + en de Antichrist zal van land tot + land gaan en den armen brood geven. + + En hij zal vele aanhangers verkrijgen. + + Siciliaansche Volkssage. + + + Tweede Druk + + Amsterdam + H. J. W. Becht + 1904 + + + + + + +INLEIDING + + + Als de Antichrist komt, zal hij + volkomen op Christus gelijken. + + +I. + +HET VISIOEN VAN DEN KEIZER. + + +In den tijd, toen Augustus keizer in Rome was, en Herodes als koning +over Jeruzalem heerschte, geschiedde het eenmaal dat een zeer stille +en heilige nacht op de aarde neerdaalde. Het was de donkerste nacht, +welken iemand ooit aanschouwd had; men zou geloofd kunnen hebben, +dat de gansche aarde onder een keldergewelf geraakt was. + +'t Was onmogelijk water van land te onderscheiden, en men verdwaalde +op den meest bekenden weg. En dat kon niets anders zijn, want van +den hemel kwam geen enkele lichtstraal. + +Alle sterren waren thuis gebleven en de lieflijke maan hield haar +aangezicht afgewend. + +En even diep als de duisternis, was de stilte en de rust. De rivieren +hadden haar loop gestaakt, de wind verroerde zich niet, en zelfs het +espeblad had opgehouden te trillen. En waart ge langs de zee gegaan, +dan hadt ge gezien, dat de golven niet meer tegen het strand sloegen, +en waart ge in de woestijn gegaan, dan hadde het zand niet onder uwe +voeten geknarst. + +Alles was versteend en roerloos om den heiligen nacht niet te +verstoren. 't Gras mocht niet groeien, de dauw niet vallen, en de +bloemen waagden het niet haar geuren uit te ademen. + +Gedurende dezen nacht jaagde geen roofdier, noch beten de slangen of +blaften de honden. En wat nog heerlijker was, geen enkel der levenlooze +dingen zou de heiligheid van den nacht hebben willen verstoren door +zich te leenen tot een slechte daad. Geen breekijzer hadde een slot +kunnen openen en geen mes ware in staat geweest bloed te vergieten. + +In dezen nacht verliet een kleine schaar menschen 's keizers woning op +den Palatijnschen heuvel te Rome, en sloeg den weg in over het Forum +naar het Kapitool. Den vorigen dag hadden namelijk de raadsheeren +den keizer gevraagd of hij er iets tegen had, dat zij hem een tempel +oprichtten op Rome's heiligen berg. Maar Augustus had niet dadelijk +zijn bijval aan dit plan geschonken. Hij wist niet of het den goden +welgevallig was, dat hij een tempel naast den hunne zou bezitten en +hij had geantwoord dat hij eerst door een nachtelijk offer aan zijn +genius hun wil in deze zaak wilde uitvorschen. + +En hij was het, die nu, gevolgd door eenige getrouwen, dit offer +ging brengen. + +Augustus liet zich in zijn draagstoel voeren, want hij was oud en het +beklimmen der hooge trappen van het Kapitool viel hem moeilijk. Zelf +droeg hij de kooi met de duiven, die hij wilde offeren. Geen +priesters, soldaten of raadsheeren vergezelden hem; slechts zijn +naaste vrienden. Fakkeldragers liepen voor hem uit, als om een weg +te banen in de duisternis van den nacht, en achter hem kwamen slaven, +die het drievoetige altaar, de kolen, messen, het heilige vuur en al +het andere droegen, dat voor het offeren noodig was. + +Onderweg sprak de keizer vroolijk met zijn getrouwen, daardoor merkte +geen van hen de oneindige stilte en rust van den nacht. Eerst toen +zij op de kruin van den berg de plaats bereikt hadden, die bestemd +was voor den nieuwen tempel, werd hun geopenbaard, dat iets ongewoons +plaats greep. + +Dit kon geen nacht, zooals alle andere zijn, want daar boven op de +rotskruin zagen ze de wonderbaarlijkste gestalte. Ze dachten eerst, +dat het een oude vergroeide olijfboom was, later geloofden zij, +dat een oeroud steenen beeld uit den tempel van Jupiter op de rots +verdwaald was. Ten slotte meenden ze, dat het niemand anders kon zijn +dan de oude sibylle. + +Iets zoo ouds, zoo verweerds, zoo reusachtigs hadden ze nog nooit +gezien. Indien de keizer er niet geweest was, zouden ze allen naar +huis gevlucht zijn. + +"Dat is zij," fluisterden ze, "die zoo vele jaren telt als er +zandkorrels gevonden worden op de kusten van haar vaderland. Waarom +is zij juist vannacht uit haar hol gekomen? Wat voorspelt zij den +keizer en het rijk, zij, die haar profetieën op de blaren der boomen +schrijft en weet, dat de wind het orakelwoord tot dengene voert, +die het noodig heeft?" + +Ze waren zoo ontsteld, dat zij zich allen op de knieën geworpen zouden +hebben met het voorhoofd tegen den grond, indien de sibylle slechts één +beweging gemaakt had. Maar ze zat zoo onbeweeglijk alsof ze levenloos +was. Ze zat neergehurkt op den uitersten rand van de rotshelling, +en beschutte haar oogen met de hand, terwijl zij in den duisteren +nacht tuurde. + +Ze zat daar, alsof ze den berg beklommen had om beter iets te zien +dat ergens ver weg geschiedde. + +Zij kon dus iets zien, zij! In zulk een nacht! + +Op hetzelfde oogenblik bemerkten de keizer en allen van zijn gevolg +hoe diep de duisternis was. Geen van hen kon een handbreed voor zich +uitzien. En welk een stilte! welk een rust! + +Zelfs niet het doffe murmelen van den Tiber konden zij hooren. + +Maar 't was alsof de lucht hen wilde verstikken, het koude zweet +parelde hun op het voorhoofd en hun handen waren verstijfd en +machteloos. Zij dachten dat er iets ontzettends moest gebeuren. + +Geen van hen wilde echter toonen, dat hij bang was, maar ze zeiden +tegen den keizer, dat het een goed voorteeken was: de heele natuur +hield den adem in om een nieuwen god te begroeten. + +Ze spoorden den keizer aan zich te haasten met het offeren en zeiden, +dat de oude sibylle waarschijnlijk uit haar hol was gestegen om zijn +genius te begroeten. + +Maar de waarheid was, dat de oude sybille geboeid was door een +visioen. Zij wist niet eens, dat Augustus op het Kapitool gekomen +was. In den geest vertoefde zij in een ver land, en daar meende +zij over een groote vlakte te schrijden. In de duisternis stiet ze +onophoudelijk met den voet tegen iets, dat ze dacht, dat aardheuveltjes +waren. + +Zij boog zich voorover en voelde met de hand. Neen, het waren geen +aardheuveltjes maar schapen. Ze schreed tusschen groote, slapende +kudden. Nu bemerkte zij het vuur der herders. Dat brandde midden op +het veld, zij trachtte het te naderen. De herders sliepen bij het +vuur en naast hen lagen de lange, spitse herdersstaven, waarmee ze +de kudden tegen de wilde dieren plachten te beschermen. + +Maar die kleine dieren met hun glinsterende oogen en groote staarten, +die naar het vuur slopen, waren dat geen jakhalzen? + +En toch wierpen de herders hun staf niet naar hen, de honden bleven +doorslapen, de kudde vluchtte niet weg en de wilde dieren vlijden +zich naast de menschen neder. + +Dat zag de sibylle, maar zij wist niets van hetgeen achter haar op den +berg plaats greep. Ze wist niet, dat men daar een altaar oprichtte, +kolen deed gloeien, wierook verspreidde, en dat de keizer één der +beide duiven uit de kooi nam om haar te offeren. + +Maar zijn handen waren zoo krachteloos, dat hij den vogel niet kon +vasthouden. Met een enkelen slag van den vleugel bevrijdde de duif +zich en verdween in de duisternis van den nacht. + +Toen dit geschiedde, blikten de hovelingen achterdochtig naar de oude +sibylle. Ze geloofden dat zij het was, die het ongeluk veroorzaakte. + +Konden zij weten, dat de sibylle nog steeds bij het herdersvuur +dacht te staan, terwijl zij luisterde naar een zwak geluid, dat in +den doodstillen nacht begon te trillen? + +Zij luisterde lang daarna, vóórdat zij bemerkte, dat het niet van de +aarde, maar uit de wolken kwam. Eindelijk hief zij het hoofd op en +toen zag zij lichte stralende gestalten in de duisternis voortglijden. + +Het waren kleine engelenscharen, die lieflijk zingend en als zoekende, +heen en weer vlogen over de groote vlakte. En terwijl de sibylle naar +den engelenzang luisterde, maakte de keizer zich gereed tot een nieuw +offer. Hij waschte zijn handen, reinigde het altaar en liet zich de +tweede duif aanreiken, maar ofschoon hij nu zijn uiterste krachten +inspande om deze vast te houden, gleed het slanke lichaam der duif +uit zijn hand, en de vogel verdween in den ondoordringbaren nacht. + +De keizer werd bevreesd. Hij viel op de knieën voor het leege altaar +en bad tot zijn genius. Hij smeekte zijn beschermgeest hem de kracht +te verleenen om de ongelukken af te wenden, die deze nacht scheen +te voorspellen. + +Ook daarvan had de sibylle niets gemerkt. Ze luisterde met heel haar +ziel naar den engelenzang die al sterker en sterker werd. Op het +laatst was deze zoo luid, dat de herders ontwaakten. Ze leunden op +hun ellebogen en zagen lichte scharen zilverwitte engelen in lange +fladderende lijnen, trekvogels gelijk, in de duisternis voortzweven. + +Sommigen hadden luiten en violen in de hand, anderen speelden op +citers en harpen, en hun gezang klonk zoo blijde als kindergelach +en zoo jubelend als het lied van den leeuwerik. Toen de herders dit +hoorden, togen ze opwaarts om naar de bergstad te gaan, waar ze thuis +behoorden, om het wonder te verhalen. + +Zij gingen langs een smal, slingerend paadje en de oude sibylle +volgde hen. Opeens werd het helder licht boven den berg. Een groote, +stralende ster schitterde juist daarboven, en de stad op den bergtop +blonk als zilver in het licht der ster. + +Alle zwevende engelenscharen spoedden zich jubelend daarheen en de +herders verhaastten hun schreden, zoo dat zij bijna sprongen. Toen +ze de stad bereikt hadden, zagen ze, dat de engelen zich boven een +lagen stal in de nabijheid van de stadspoort verzameld hadden. Het +was een ellendig huis met een dak van stroo en de naakte rots tot muur. + +Daarboven straalde de ster en daar verzamelden zich al meer en meer +engelen. Sommigen lieten zich neder op het stroodak of streken neer op +de steile berghelling achter het huis, anderen bleven met fladderende +vleugels daarboven zweven. + +Hoog, hoog was de lucht licht van flikkerende vleugels. + +Op hetzelfde oogenblik, dat de ster boven de bergstad ontstoken werd, +ontwaakte de gansche natuur, de mannen die op de hoogte van het +Kapitool stonden, moesten dat wel merken. Ze voelden hoe frissche, +streelende winden het luchtruim doorzweefden, heerlijke geuren stegen +op uit de aarde, de boomen ruischten, de Tiber begon te murmelen, +de sterren straalden en de maan stond opeens hoog aan den hemel +en verlichtte de wereld. En uit de wolken kwamen de twee duiven +aangevlogen en namen plaats op den schouder van den keizer. + +Toen dit wonder geschiedde, richtte keizer Augustus zich op in trotsche +vreugde, maar zijn vrienden en slaven wierpen zich op hun knieën. "Ave +Cesar," riepen zij. "Uw genius heeft u geantwoord. Gij zijt de god, +die op de hoogte van het Kapitool moet worden aangebeden." + +En de hulde, die de geestdriftige mannen den keizer toejubelden, +was zoo luidruchtig, dat de oude sibylle het hoorde. Dit deed haar +uit haar visioenen ontwaken. Ze verliet haar plaats op de rotshelling +en begaf zich tusschen de menschen. 't Was alsof een donkere wolk uit +den afgrond opsteeg en neerstortte op de hoogte. Zij was vreeselijk +om aan te zien in haar ouderdom. Ruig haar hing in dunne vlokken +rondom haar hoofd, de gewrichten der ledematen waren gezwollen en de +donkere huid omkleedde het lichaam, hard als boomschors, met rimpel +naast rimpel. Maar geweldig en waardig schreed ze den keizer tegemoet. + +Met de eene hand greep zij hem bij de pols, met de andere wees ze +naar het verre Oosten. + +"Zie," beval zij hem, en de keizer hief zijn blik op naar den hemel en +zag. Het luchtruim opende zich voor zijn blikken en deze drongen door +tot het verre Oosterland. En hij zag een armoedigen stal onder een +steilen rotswand en in de geopende deur eenige knielende herders. In +den stal zag hij een jonge moeder gekield liggen voor een klein kind, +dat op een stroobos op den grond lag. + +En de groote, knokige vingers der sibylle wezen naar dat arme kind. + +"Ave Cesar," zei de sibylle, terwijl zij hoonend lachte. "Daar is de +god, die op de hoogte van het Kapitool zal worden aangebeden." + +Toen deinsde Augustus terug als voor een waanzinnige. Maar de machtige +geest der profetie werd vaardig over haar, de oogen begonnen te +branden, haar handen wezen hemelwaarts, haar stem veranderde, zoo dat +die niet meer de hare scheen te zijn, maar zulk een klank en kracht +bezat, dat die over de gansche wereld gehoord kon worden. En zij sprak +woorden, die ze in den hemel tusschen de sterren, scheen te lezen: + +"Op de hoogte van het Kapitool zal de wereldverlosser worden +aangebeden, Christus of Antichrist, maar geen sterflijke menschen." + +Toen ze dit gezegd had, schreed ze tusschen de door schrik bevangen +mannen, daalde langzaam van den berg en verdween. + +Maar Augustus liet den volgenden dag het volk streng verbieden hem +een tempel op het Kapitool op te richten. + +In plaats daarvan liet hij een kapel voor het pasgeboren Godskind +bouwen en noemde dat het altaar des hemels, Aracoeli. + + + + + + +II. + +ROME'S HEILIG KIND. + + +Op den heuvel van het Kapitool verhief zich een klooster dat bewoond +werd door Franciscaner monniken. Maar men kon het nauwelijks als +een klooster beschouwen, veeleer als een vesting. Het was gelijk een +wachttoren aan de zeekust, waar men naar een naderenden vijand tuurt +en staart. + +Naast het klooster stond de prachtige basiliek Santa Maria in +Aracoeli. De basiliek was gebouwd als herinnering aan het bezoek der +sibylle, die keizer Augustus hier Christus had doen aanschouwen. + +Maar het klooster was opgericht, omdat men vreesde voor de vervulling +van de profetie der sibylle, dat de Antichrist op het Kapitool zou +worden aangebeden. + +En de monniken voelden zich als krijgers. Als ze naar de kerk gingen +om te zingen en te bidden, meenden zij op vestingwallen te loopen en +wolken van pijlen neer te zenden op den aanstormenden Antichrist. + +Ze leefden altijd denkende aan den Antichrist, en hun gansche +godsdienst was één strijd om hem ver van het Kapitool te houden. + +Ze trokken hun hoeden diep in het gelaat, om hun oogen te beschutten, +en tuurden in de wereld. + +Hun blikken werden koortsachtig van het staren, en voortdurend meenden +ze den Antichrist te ontdekken. + +"Hij is hier, hij is daar," riepen ze. En ze fladderden in hun bruine +pijen rond en maakten zich gereed tot den strijd, gelijk kraaien, die +op een rotspunt verzameld zijn en een adelaar in het gezicht krijgen. + +Maar sommigen zeiden: Wat baten gebeden en boetedoeningen? De sibylle +heeft het gezegd. De Antichrist moet komen. + +Toen zeiden anderen: God kan een wonder verrichten. Indien het kampen +niet baatte, zou Hij ons niet hebben laten waarschuwen door de sibylle. + +Jaar na jaar verdedigden de Franciscanen het Kapitool door +boetedoening, werken van barmhartigheid en de verkondiging van +Gods woord. + +Zij beschermden het eeuw na eeuw, maar naarmate de tijden verstreken, +werden de menschen krachteloozer en zwakker. + +De monniken zeiden: + +"Spoedig kan het rijk van dezen tijd niet langer bestaan. Er moet +een wereldherschepper komen zooals ten tijde van Augustus." + +Ze rukten hun haren uit en geeselden zich, want ze wisten, dat de +wereldverlosser de Antichrist moest zijn, en dat het een rijk van +geweld en kracht zou worden. + +Gelijk zieken door hun kwalen gepijnigd worden, zoo werden zij gekweld +door de gedachte aan den Antichrist. En zij zagen hem voor zich. Hij +was even rijk als Christus arm, even slecht als Christus goed, even +geëerd als Christus vernederd was. Hij voerde scherpe wapens en reed +aan de spits van bloeddorstige woestelingen. Hij wierp kerken omver, +vermoordde priesters en wapende de menschen tot den strijd, zóó dat +broeder tegen broeder worstelde en de eene mensch den anderen vreesde +en nergens vrede te vinden was. + +En telkens als een mensch van geweld en kracht zijn weg over de zee +der tijden nam, werd er van den wachttoren op het Kapitool geroepen: +"De Antichrist, de Antichrist!" + +En voor elken geweldenaar, die verdween en ten onder ging, riepen de +monniken hosanna en zongen ze een Te-Deum. + +En ze zeiden: "Het is door de kracht onzer gebeden, dat de slechten +vielen, vóórdat ze het Kapitool konden bereiken." + +Het was een harde straf voor het schoone klooster, dat zijn monniken +nooit rust konden vinden. Hun nachten waren nog zwaarder dan hun +dagen. Dan zagen ze hoe wilde dieren hun cellen binnendrongen en zich +naast hun brits uitstrekten. En elk wild dier was de Antichrist. Maar +sommige monniken zagen hem als een draak, en andere als een griffioen, +en weer andere als een sfinx. En als ze uit hun droomen ontwaakten, +waren ze mat als na een zware ziekte. + +De eenige troost, dien deze arme monniken bezaten, was het wonderdoende +Christusbeeld, dat in de basiliek te Aracoeli bewaard werd. Wanneer +een monnik tot vertwijfeling gedreven was, ging hij naar de kerk om +daar troost te zoeken. Hij liep dan de geheele basiliek door naar een +afgesloten kapel naast het hoofdaltaar. Daarin ontstak hij gewijde +waskaarsen en deed een gebed, vóórdat hij de altaarkast opende, die +deuren van ijzer met dubbele sloten had. En hij lag op zijn knieën, +zoo lang hij het beeld aanschouwde. + +Het beeld stelde een klein kind voor, het had een gouden kroon op het +hoofd, gouden schoentjes aan de voeten, en zijn kleertjes schitterden +van sieraden, die het beeld geschonken waren door lijdenden, die het +hadden aangeroepen om hulp. En de wanden der kapel waren bedekt met +schilderijen, die deden zien hoe velen het uit brand- en zeegevaar +gered had, hoe het zieken genezen en ongelukkigen geholpen had. En +als de monnik dit zag, jubelde hij en zei tot zich zelf: + +"God zij geprezen! Nog is het Christus, die op het Kapitool wordt +aangebeden." + +De monnik merkte op, hoe het beeld in mystieke, zelfbewuste macht tegen +hem glimlachte en zijn geest verhief zich tot de heilige sferen der +vertroosting. "Wat kan U doen neerstorten, Gij machtige?" zei hij. "Wie +kan U doen vallen? Voor U buigt de eeuwige stad haar knieën. Gij zijt +Rome's heilig kind. Gij zijt de gekroonde, dien het volk aanbidt. Gij +zijt de machtige, die hulp, troost en kracht verleent. Gij alleen +zult op het Kapitool worden aangebeden." + +Hij zag hoe de kroon van het beeld veranderde in een aureool, die +stralen over de gansche aarde zond. En in welke richting hij ook den +loop der stralen volgde, overal zag hij hoe de wereld vol kerken was, +waar Christus werd aangebeden. Het was alsof een machtige heerscher +hem al de vestingen en burchten getoond had, die zijn rijk beschermden. + +"Het is zeker, dat Gij niet kunt vallen," zei de monnik. "Uw rijk +moet blijven bestaan." + +En elke monnik, die het beeld zag, genoot een paar uur van vertroosting +en vrede, totdat de vrees zich opnieuw van hem meester maakte. Maar +indien zij dit beeld niet bezeten hadden, zouden hun zielen geen +oogenblik rust gevonden hebben. + +Zoo hadden Aracoeli's monniken zich onder gebed en strijd door de +tijden geworsteld, en nooit had het aan wachters ontbroken, want +zoodra een van hen uitgeput was door angst, haastten anderen zich +zijn plaats in te nemen. + +En ofschoon de meesten, die in het klooster gingen, door waanzin of een +te vroegen dood getroffen werden, nooit slonk de rij der monniken, want +het werd als een groote eer beschouwd te Aracoeli voor God te strijden. + +Zoo gebeurde het, dat deze strijd nog vóór zestig jaar in vollen gang +was, en wegens de verdorvenheid der tijden streden de monniken met +grooter ijver dan ooit en verwachtten den Antichrist zoo stellig als +nooit te voren. + +In dien tijd kwam er een rijke Engelsche vrouw te Rome. Ze ging naar +Aracoeli en zag het beeld, en zij was daardoor zóó getroffen, dat ze +dacht niet te kunnen leven, indien het niet in haar bezit kwam. Zij +ging telkens terug naar Aracoeli om het beeld te zien en ten slotte +smeekte zij de monniken het van hen te mogen koopen. + +Maar indien ze den ganschen mozaïekvloer in de groote basiliek met +gouden munten bedekt had, dan nog hadden de monniken haar dit beeld, +dat hun eenige troost was, niet willen afstaan. + +Doch de Engelsche was in die mate in vervoering over het beeld, +dat zij zonder dit vreugde noch vrede kon vinden. + +En daar ze op geen andere wijze haar verlangen kon bevredigen, +besloot ze het beeld te stelen. + +Zij dacht niet aan de zonde, die ze beging, maar voelde slechts een +onweerstaanbaren drang en brandenden dorst en liever wilde zij haar +ziel wagen dan haar hart het geluk weigeren het vurig begeerde beeld te +bezitten. En om haar doel te bereiken, liet ze een beeld vervaardigen, +dat volkomen gelijk was aan dat te Aracoeli. + +'t Beeld van Aracoeli is van olijvenhout uit Getsemane's olijvenberg +gesneden, maar de Engelsche waagde het een beeld van olmhout te laten +snijden, dat volkomen daarop geleek. + +'t Beeld te Aracoeli is niet door menschenhanden beschilderd. + +Toen de monnik, die het sneed, penseel en verf genomen had, sluimerde +hij in over zijn arbeid. En toen hij ontwaakte, was het beeld +geschilderd. Het had zich zelf voltooid, als teeken, dat God het +beminde. Maar de Engelsche was zoo vermetel een aardschen schilder +haar houten beeld zóó te laten schilderen, dat het volkomen gelijk +aan het heilige beeld werd. + +Het nagemaakte beeld kocht ze een kroon en schoentjes, maar die +waren niet van goud; het was slechts zink en verguldsel. Ze bestelde +sieraden, ze kocht ringen en halskettingen, armbanden en juweelen +sterren--maar dat alles was van koper en glas--en zij kleedde het, +zooals de hulpzoekenden het ware en echte beeld gekleed hadden. + +Toen het beeld klaar was, nam ze een naald en grifte in de kroon: +"Mijn rijk is slechts van deze wereld." + +'t Was alsof ze vreesde, dat ze zelf niet meer beeld van beeld +kon onderscheiden. En 't was alsof ze haar geweten had willen +geruststellen. "Ik heb immers niet een valsch Christusbeeld willen +maken. Ik heb toch in zijn kroon geschreven: Mijn rijk is slechts +van deze wereld." + +Daarop wierp zij een wijden mantel om, verborg het beeld daaronder +en ging naar Aracoeli. Daar verzocht ze, haar devotie te mogen doen +vóór het Christusbeeld. + +Toen zij nu stond in het heiligdom, en de kaarsen aangestoken, de +ijzeren deuren geopend waren, en het beeld zich aan haar blikken +vertoonde, begon ze te trillen en te beven en 't scheen alsof ze +bezwijmen zou. + +De monnik, die haar vergezelde, haastte zich naar de sacristij om +water te halen en zij bleef alleen in de kapel. + +En toen hij terugkwam, had zij de heiligschennis gepleegd. + +Zij had het heilige, wonderdoende beeld genomen en het valsche en +machtelooze daarvoor in de plaats gezet. + +De monnik bemerkte niets van den ruil. Hij sloot het valsche +beeld achter ijzeren deuren met dubbele sloten en de Engelsche ging +huiswaarts met Aracoeli's schat. Zij plaatste het in haar paleis op een +voetstuk van marmer en was zoo gelukkig als ze nog nimmer geweest was. + +In Aracoeli, waar men niets wist van de schade, die men geleden +had, aanbad men het onechte Christusbeeld gelijk men het echte had +aangebeden. En toen het Kerstfeest aanbrak, bouwde men het, zooals +gebruikelijk was, een der schoonste grotten in de kerk. + +Daar lag hij stralend als een edelgesteente, in Maria's schoot en +rondom hem stonden herders, engelen en wijze mannen. En zoo lang +de grot daar was, kwamen er kinderen van Rome en van de Campagne en +werden in een kleinen preekstoel in Aracoeli's basiliek geheven. Dan +predikten ze de lieflijkheid, zoetheid, macht en heiligheid van het +kleine Christuskind. + +Maar de Engelsche leefde in grooten angst, dat iemand ontdekken zou, +dat zij Aracoeli's Christusbeeld gestolen had. Daarom bekende zij +voor niemand, dat het beeld hetwelk zij bezat, het echte was. + +"Dit is een nagemaakt beeld," zei ze, "het is zoo gelijk aan het +echte als het slechts zijn kan, maar het is nagemaakt." + +Nu had zij een klein Italiaansch meisje in haar dienst. Op een dag toen +deze door het vertrek ging, bleef ze voor het beeld staan en sprak: + +"Gij, arm Christuskind, dat eigenlijk geen Christuskind zijt, indien +gij wist hoe het ware kind in al zijn heerlijkheid in de grot te +Aracoeli ligt, en hoe Maria en San Giuseppe en de herders voor hem +geknield liggen! En indien ge slechts wist hoe de kinderen op een +kleinen preekstoel tegenover hem staan, en hoe ze buigen, en hem +kushandjes toewerpen en hoe ze prediken voor hem, zoo schoon als zij +slechts kunnen!" + +Eenige dagen later kwam het kleine dienstmeisje weer en sprak tot +het beeld: + +"Arm Christuskind, gij, die geen Christus zijt, weet gij, dat ik +vandaag in Aracoeli geweest ben en gezien heb hoe het ware kind in +processie rondgedragen werd? Ze hielden een troonhemel boven hem, +en alle menschen zonken voor hem op de knieën, en zongen en speelden +voor hem. + +"Nooit zult gij zoo iets heerlijks beleven!" + +En hoor nu, wat het dienstmeisje voor de derde maal tot het beeld +sprak: + +"Weet gij, Christuskind, dat geen echt Christuskind zijt, dat het +beter voor u is te staan, waar gij staat? Want het ware kind wordt +bij de zieken geroepen, en het rijdt in zijn gouden wagen daar heen, +maar het kan hen niet helpen, en ze sterven in vertwijfeling. En +men begint te zeggen, dat het heilige kind van Aracoeli de kracht om +goed te doen verloren heeft, en dat gebeden en tranen hem niet meer +roeren. Het is beter voor u, dat ge staat waar ge staat, dan dat ge +aangeroepen wordt en niet kunt helpen." + +Maar den volgenden nacht geschiedde er een wonder. Tegen middernacht +werd er hevig aan de kloosterpoort te Aracoeli geluid. En toen de +poortwachter zich niet genoeg haastte om te openen, werd er op de +poort geklopt. Dat kloppen klonk zoo luid alsof het met klinkend +metaal geschiedde, en het werd door het gansche klooster gehoord. Alle +monniken rezen tegelijk op van hun bedden. Allen die gepijnigd werden +door vreeselijke droomen, vlogen plotseling op en dachten, dat de +Antichrist gekomen was. + +Maar toen men de poort opende--toen men de poort opende! + +Het was het kleine Christusbeeld, dat op den drempel stond. 't Was +zijn kleine hand die aan het klokketouw getrokken had, het was zijn +kleine goudgeschoeide voet, die tegen de poort geschopt had. + +De poortwachter nam het heilige kind haastig in zijn armen. Toen zag +hij, dat het tranen in de oogen had. + +Ach, het arme heilige kind had in den nacht door de stad geloopen! Wat +had het niet moeten zien! + +Zoo veel armoede en zoo veel ellende en zoo veel ondeugd en zoo +veel misdaden! Het was verschrikkelijk te denken wat het al niet had +moeten ondervinden! + +De poortwachter ging naar den prior en toonde hem het beeld. En zij +waren verbaasd dat het 's nachts buiten was gekomen. + +Maar de prior liet de kerkklok luiden en den monniken tot een +godsdienstoefening bijeenroepen. En al de monniken van Aracoeli trokken +naar de groote schemerachtige basiliek om in alle plechtigheid het +beeld weer op zijn plaats te zetten. + +Uitgeput en lijdend liepen ze te rillen in hun zware duffel +monnikspijen. Velen van hen weenden alsof ze aan een levensgevaar +ontsnapt waren. + +"Hoe zou het ons gegaan zijn," zeiden ze, "indien onze eenige troost +van ons was genomen? Is het niet de Antichrist, die Rome's heilig +kind uit het beschermende heiligdom gelokt heeft?" + +Maar toen ze het Christusbeeld in de altaarkast wilden plaatsen, +vonden ze daarin het valsche kind, dat op zijn kroon het inschrift +droeg: "Mijn rijk is slechts van deze wereld." + +En nu ze het beeld nader onderzochten, vonden ze het inschrift. + +Toen wendde de prior zich tot de monniken en sprak tot hen: + +"Broeders, we zullen een Te-Deum zingen, de zuilen onzer kerk met +zijde omwinden en alle waskaarsen en lampen aansteken en we zullen +een groot feest vieren. + +"Zoo lang het klooster bestaan heeft, is het een huis van vervloeking +geweest, maar om den wille van al het lijden dergenen, die hier geleefd +hebben, heeft God genade geschonken. En nu is alle gevaar geweken. + +"God heeft den strijd met zege bekroond en wat gij gezien hebt, is het +teeken, dat de Antichrist niet op het Kapitool zal worden aangebeden. + +"Want opdat de woorden der sibylle niet onvervuld zouden blijven, +heeft God dit valsche beeld van Christus gezonden, dat de woorden +van den Antichrist in zijn kroon voert, en Hij heeft het ons laten +aanbidden en vereeren, alsof hij de groote Zaligmaker ware. + +"Maar nu kunnen wij vol vreugde en blijdschap rusten, want de duistere +profetie der sibylle is vervuld, en de Antichrist is hier aangebeden. + +"Groot is God, de Almachtige, die den verterenden angst van ons nam +en Zijn wil geschieden liet, zonder dat de wereld het valsche beeld +van Gods Zoon behoefde te aanschouwen. + +"Gelukkig is Aracoeli's klooster, dat in Gods genade staat, Zijn wil +volvoert en gezegend is door Zijn oneindige genade." + +Toen de prior dit gezegd had, nam hij het valsche beeld in zijn +handen, schreed de kerk door en opende de groote hoofddeur. Daar +trad hij op het terras. Beneden hem lag de hooge, breede trap met +honderd negentien marmeren treden, die van het Kapitool als naar een +afgrond leidt. En hij hief het beeld boven zijn hoofd en riep luid: +"Anatema Antichristo" en slingerde het beeld van de hoogte van 't +Kapitool naar beneden in de wereld. + + + + + + +III. + +OP DE BARRICADE. + + +Toen de rijke Engelsche 's morgens ontwaakte, miste zij het beeld en +wist niet waar zij het moest zoeken. Zij geloofde dat niemand anders +dan Aracoeli's monniken het weggenomen konden hebben. En haastig ging +ze naar het Kapitool om het daar te zoeken. Zoo kwam ze bij de groote +marmeren trap, die naar Aracoeli's basiliek voert. En haar hart klopte +onstuimig van vreugde, want op de onderste trede lag hetgeen zij zocht. + +Zij greep het beeld, verborg het onder haar mantel en spoedde zich +huiswaarts. En weer plaatste zij het in haar feestzaal. + +Maar toen zij zich nu verdiepte in zijn schoonheid, zag ze, dat er +een deuk in de kroon gekomen was. + +Zij nam die in haar hand om te zien zien hoe groot de schade was en +in hetzelfde oogenblik vielen haar oogen op het inschrift dat ze zelf +gegrift had: + +"Mijn rijk is slechts van deze wereld." + +Toen wist zij, dat dit het valsche Christusbeeld was en dat het echte +weer in Aracoeli's kapel stond. + +Zij wanhoopte dit ooit weer in haar bezit te krijgen en zij besloot den +volgenden dag uit Rome te vertrekken, want ze wilde daar niet langer +blijven, nu zij het beeld niet meer bezat. Maar toen zij vertrok, nam +zij het valsche beeld mede, omdat het haar herinnerde aan het andere, +dat zij beminde; en het vergezelde haar later op al haar reizen. + +Zij vond nergens rust, maar reisde voortdurend, en op deze wijze +werd het beeld over de gansche wereld gevoerd. En overal waar het +beeld kwam, was het alsof Christus' macht verminderde, zonder dat +iemand recht begreep wat de oorzaak daarvan was. Want niets zag er +machteloozer uit dan dit armzalige beeld van olmhout, dat versierd +was met koperen ringen en glazen kralen. + +Toen de rijke Engelsche, die eerst het beeld bezeten had, dood +was, kwam het in het bezit van een andere rijke Engelsche, die ook +voortdurend reisde, en na deze in handen van een derde. + + + +Eens, het was nog in den tijd der eerste Engelsche, kwam het beeld +in Parijs. + +Toen het de groote stad binnenreed, was daar oproer. Volksmenigten +trokken luid schreeuwend door de straten en riepen om brood. Ze +plunderden de winkels en wierpen steenen naar de paleizen der +rijken. Gewapende macht trok tegen hen op, toen rukten ze de +straatsteenen uit, stapelden wagens en huisraad opeen en versperden +de straten met barricades. + +Toen nu de rijke Engelsche de stad binnenreed in haar grooten +reiswagen, stormde het volk daarop los, dwong haar uit te stappen en +sleepte den wagen naar één der barricades. + +Terwijl men trachtte deze te stapelen op de duizenden voorwerpen, die +de barricade vormden, viel één der grootste koffers op den grond. Het +slot sprong open en onder het vele dat uit den koffer rolde, was ook +het verworpen Christusbeeld. + +'t Volk stortte zich daarop, om het plunderen, maar men ontdekte +spoedig dat al zijn sieraden valsch en geheel waardeloos waren, en +men begon het beeld te bespotten en te hoonen. Het ging van hand tot +hand onder de oproerlingen, totdat één van hen zich bukte om de kroon +te bekijken. Zijn blik viel op de woorden, die daarin gegrift waren: +"Mijn rijk is slechts van deze wereld." + +De man riep dit luide en allen schreeuwden, dat het kleine beeld hun +veldteeken zou zijn. Ze plaatsten het op den top der barricade en +plantten het daar als een banier. + +Onder degenen, die de barricade verdedigden, was een man, die geen +arme arbeider, maar een geleerde was, die zijn gansche leven in de +studeerkamer had doorgebracht. Hij kende al de ellende, waaronder +de menschen gebukt gaan, en zijn hart was vervuld van medelijden; +voortdurend zocht hij naar een middel om hun lot te verbeteren. + +Gedurende dertig jaar had hij geschreven en gepeinsd, zonder hulp +te vinden. Toen hij nu de stormklok hoorde luiden, volgde hij deze +roepstem en snelde de straat op. Hij had een wapen gegrepen en was de +oproerlingen gevolgd in de meening, dat het raadsel, hetwelk hij niet +vermocht op te helderen, opgelost kon worden door geweld en macht en +dat de armen zich door strijd een beter lot konden verwerven. Daar +stond hij nu den ganschen dag te strijden, de menschen sneuvelden +rondom hem, bloed spatte hem in het gelaat, en de ellende van het +leven scheen hem grooter en jammerlijker dan ooit. + +Maar zoo dikwijls de kruitdamp optrok, schitterde in zijn oogen het +kleine beeld dat gedurende al het krijgstumult onbeweeglijk hoog boven +op de barricade stond. En iederen keer, dat hij het beeld zag, werd +hij getroffen door de woorden: "Mijn rijk is slechts van deze wereld." + +Ten slotte kwam het hem voor, dat deze woorden zich zelf in de lucht +schreven, en voor zijn oogen begonnen te zweven, nu in vuur, dan in +rook of in bloed. + +Hij werd stil, hij stond daar met het geweer in de hand, en staakte +den strijd. Plotseling wist hij, dat dit de woorden waren, waarnaar +hij zijn leven lang gezocht had. Nu wist hij wat hij den menschen +moest zeggen, en dit armzalige beeld was het, dat hem de oplossing +gegeven had. + +Hij zou de gansche wereld doortrekken om te verkondigen "Uw rijk +is slechts van deze wereld." Daarom moet gij trachten dit leven +gelukkig te maken en als broeders leven. En ge zult uw rijkdommen +deelen opdat niemand rijk en niemand arm zij. Ge zult allen arbeiden, +en de aarde zal het eigendom van allen zijn en ge zult allen gelijk +worden. Niemand zal honger lijden, niemand zal in overdaad leven en +niemand zal op zijn ouden dag gebrek lijden. En ge zult streven naar +het geluk van allen, want er is geen hiernamaals, dat u wacht. + +Dit alles voer hem door het hoofd, terwijl hij daar op de barricade +stond, en toen de gedachte hem helder was, legde hij de wapens neder +en hief die niet weder op tot strijd en bloedvergieting. + +Spoedig daarop werd de barricade opnieuw bestormd en genomen. De +troepen trokken zegevierend voorwaarts en dempten het oproer; en +vóórdat de avond viel, heerschte er vrede en orde in de groote stad. + +Toen zond de Engelsche eenige dienaren uit om haar verloren eigendommen +te zoeken, en ze vonden verschillende zaken, zoo niet alles. 't Eerst +zagen ze op de bestormde barricade den verworpeling van Aracoeli. + +Maar de man, die gedurende den strijd van het beeld geleerd had, +begon der wereld een nieuwe leer te verkondigen, die socialisme +genoemd wordt, maar het Antichristendom is. + +En die leer bemint, verzaakt, leert en strijdt als het Christendom, +zoodat die volkomen op deze gelijkt, evenals het valsche beeld van +Aracoeli volkomen gelijkt op het echte Christusbeeld. En evenals het +valsche beeld zegt zij: "Mijn rijk is slechts van deze wereld." + +Maar terwijl het beeld, dat deze leer verspreid heeft, onopgemerkt +is en onbekend, is de leer bekend en gaat over de gansche wereld om +die te verlossen en te herscheppen. + +Van dag tot dag wint zij veld. Zij gaat door alle landen en draagt +velerlei namen en ze is zoo verleidelijk, omdat ze allen aardsch +geluk en genot belooft, en ze lokt meer aanhangers dan welke leer ook, +die over de wereld is gegaan sedert Christus' tijd. + + + + + + +EERSTE DEEL. + + + "Daar zal groote nood heerschen." + + +I. + +DE MONGIBELLO. + + +Omstreeks 1870 woonde er in Palermo een arme knaap, die Gaetano +Alagona heette. Dat was een geluk voor hem! Ware hij niet een der +oude Alagona's geweest, dan zou men hem misschien hebben laten +verhongeren. Hij was immers slechts een kind, en had geld noch +ouders. Maar nu hadden de jezuïeten van Santa Maria in Gesu hem uit +barmhartigheid in de kloosterschool opgenomen. + +Op een dag, terwijl hij in zijn lessen verdiept was, kwam een pater +hem uit de school roepen, omdat een bloedverwante hem wilde spreken. + +Wat, een bloedverwante! Hij had altijd gehoord, dat zijn geheele +familie overleden was. Maar pater Jozef beweerde, dat er familie +van hem, een signora in levenden lijve was, die hem uit het klooster +wilde nemen. + +Het werd al erger en erger. Wilde zij hem uit het klooster nemen? Daar +zou ze toch zeker de macht niet toe hebben! + +Hij zou immers monnik worden. + +Hij wilde de signora in het geheel niet zien. Kon pater Jozef haar +niet zeggen, dat Gaetano het klooster nooit zou verlaten, en dat het +haar niets baatte hem dat te vragen? + +Neen, pater Jozef zei, dat het niet ging haar te laten vertrekken, +zonder dat zij hem gezien had, en hij sleepte Gaetano half naar +de ontvangkamer. + +Daar stond ze bij een der vensters. Heur haar was grauw, haar +gelaatstint bruin en haar oogen waren zwart en rond als paarlen. Zij +droeg een kanten sluier op het hoofd, en haar zwarte kleederen +waren glad van het dragen, en een weinig vaal, zooals pater Jozefs +alleroudste kaftan. + +Ze maakte het teeken des kruises, toen zij Gaetano zag. + +"God zij geloofd, hij is een echte Alagona!" riep zij en kuste hem +de hand. + +Zij zei, dat het haar leed deed, dat hij twaalf jaar oud was geworden, +zonder dat één zijner familieleden naar hem gevraagd had. Maar zij had +niet geweten, dat er nog iemand van den anderen tak in leven was. Hoe +zij dat nu opeens was te weten gekomen? Ja, Luca had zijn naam in de +courant gelezen. Die had gestaan bij degenen, die een prijs gekregen +hadden. Dat was nu een half jaar geleden, maar het was een verre reis +naar Palermo. Zij had moeten sparen en sparen om het reisgeld bijeen +te krijgen. Ze had niet eerder kunnen komen. Maar hierheen gaan om +hem te zien, dat moest ze. Santissima Madre, zij was zoo blij geweest! + +Zij was het, donna Elisa, die Alagona heette. Haar overleden man +was een Antonelli geweest. Er bestond nog één Alagona, dat was haar +broeder. Hij woonde ook in Diamante. Maar Gaetano wist zeker niet +waar Diamante lag? + +De knaap schudde met het hoofd. Neen dat kon ze wel denken, ze lachte. + +"Diamante ligt op den Monte Chiaro. Weet je waar de Monte Chiaro ligt?" + +"Neen." + +Zij trok haar wenkbrauwen op en zag er heel schalks uit. "De Monte +Chiaro ligt op den Etna, indien je weet waar de Etna ligt?" + +Dat klonk zoo aarzelend alsof het al te veel verlangd was, dat +Gaetano iets van den Etna zou weten. En zij lachten alle drie, zij, +zoowel als pater Jozef en Gaetano. Ze werd een heel ander mensch, +nadat zij hen aan het lachen gebracht had. + +"Wil je met mij meegaan om Diamante, den Etna en den Monte Chiaro te +zien?" vroeg ze vlug. + +"Den Etna moet je zien. Dat is de grootste berg op de geheele +wereld. De Etna is een koning en de bergen rondom hem liggen op +hun knieën en wagen het niet hun blikken te verheffen naar zijn +aangezicht." Toen begon zij al het mogelijke van den Etna te vertellen. + +Ze dacht zeker, dat dit hem zou kunnen lokken. + +En 't was werkelijk waar, dat Gaetano er nooit over nagedacht had, +wat de Etna eigenlijk voor een berg was. Hij had niet geweten, dat +hij sneeuw op zijn kruin had, eikenloof in den baard, en wijnranken om +het middel en dat hij tot over de knieën in oranjebosschen trapte. En +langs den berg stroomden groote, breede zwarte rivieren. Die waren +heel merkwaardig, ze vloeiden zonder te murmelen, zij golfden zonder +wind, de slechtste zwemmer kon er zonder een brug over komen. + +Gaetano raadde, dat zij lavastroomen bedoelde. En zij was zoo blij, +dat hij dit had kunnen raden. Hij had dus verstand. Hij was een +echte Alagona. + +En dat de Etna zoo groot was! Denk eens aan, dat men drie dagen noodig +heeft om er omheen, en drie dagen om naar den top en weer naar beneden +te rijden. + +En dat er behalve Diamante nog vijftig steden en veertien groote +bosschen en twee honderd kleine bergen op den Etna gevonden werden, +die toch ook nog zoo klein niet waren, ofschoon de berg zoo groot was, +dat deze niet meer in het oog vielen dan een zwerm vliegen op een +kerkdak. En dat er grotten waren, die een geheel krijgsheer konden +bevatten; en holle oude boomen, waaronder een groote kudde schapen +beschutting kon vinden bij onweer. + +Alles wat merkwaardig was scheen op den Etna gevonden te worden. Daar +waren rivieren, waarvoor men zich in acht moest nemen, 't water daarin +was zoo koud, dat men zou sterven, indien men daarvan dronk. Andere +stroomen waren er, die alleen overdag vloeiden en weer andere, +die alleen gedurende den winter stroomden, sommige verborgen zich +bijna voortdurend diep onder den grond. En er waren warme bronnen, +leemvulkanen en zwavelgroeven.--En 't zou jammer voor Gaetano zijn, +indien hij den Etna nooit zag want de berg was zoo grootsch. + +Hij verhief zich ten hemel als een praaltent. Hij was veelkleurig als +een caroussel. Gaetano zou hem 's morgens en 's avonds willen zien, +als hij rood was, en hij zou hem 's nachts willen zien als hij wit +getint was. En dan zou Gaetano zeker ook willen weten of het waar was, +dat hij alle kleuren kon aannemen, of hij blauw, zwart, bruin en violet +kon worden? En of hij een schoonheidssluier droeg als een signora? Of +hij gelijk een tafel was, bedekt met pluche kleeden? Of hij een tunica +van gouddraad en een mantel van pauweveeren droeg? Hij zou zeker ook +gaarne willen weten of het waar was, dat de oude koning Arthur daar in +een grot zat? Donna Elisa zei, dat het zeer zeker was, dat hij nog op +den Etna woonde, want eens, toen de bisschop van Catania over den berg +reed, sprongen drie zijner muilezels weg, en de jongen die ze zocht +vond ze in de grot bij koning Arthur. De koning verzocht den knaap, +den bisschop te willen zeggen, dat zoodra zijn wonden geheeld waren, +hij met zijn ridders van de ronde tafel zou komen, om het onrecht +dat op Sicilië was tot recht te maken. + +En degene die oogen bezat om te zien, die wist wel, dat koning Arthur +nog niet uit zijn grot was gekomen. + +Gaetano wilde zich niet door haar laten lokken, maar hij dacht, dat hij +toch wel een weinig vriendelijk tegen haar kon zijn. Zij stond nog, +maar nu zette hij een stoel voor haar neer. Zij moest echter niet +denken, dat dit was, omdat hij met haar mee wilde gaan. Hij vond het +werkelijk heerlijk haar van heur berg te hooren vertellen. 't Was zoo +grappig, dat die zooveel kunsten kende. Hij geleek in het geheel niet +op den Monte Pellegrino bij Palermo die slechts stond waar hij stond. + +De Etna kon rooken als een schoorsteen, en licht verspreiden als een +gaslantaarn. Hij kon rollen en rommelen, lava spuwen, met steenen +werpen, asch zaaien, weer voorspellen en regen verzamelen. + +Wanneer de Mongibello zich slechts verroerde, viel stad na stad omver +alsof de huizen kaarten waren, die op den rand opgesteld waren. + +Mongibello, dat was ook een naam van den Etna. Hij werd Mongibello +genoemd, omdat dit beteekende: berg der bergen. Hij verdiende nog eens, +zoo te heeten. + +Gaetano zag, dat donna Elisa bepaald geloofde, dat hij haar niet zou +kunnen weerstaan. Zij had zooveel rimpels in haar gezicht, en toen +zij lachte, liepen die gelijk een net in elkaar. + +Hij moest daarnaar kijken. Het zag er zoo merkwaardig uit, maar nog +was hij niet in dat net gevangen. + +Ze was verlangend te weten of Gaetano werkelijk den moed zou hebben +om op den Etna te komen. Want diep in den berg lagen veel geboeide +reuzen en er was een zwart slot, dat bewaakt werd door een hond met +vele koppen. Er werd ook een groote smidse in gevonden en een kreupelen +smid met slechts één oog, dat hem midden in het voorhoofd zat. + +En 't ergst van alles was, dat diep in den berg een zwavelzee was +die kookte als een olieketel, en daarin lag Lucifer en alle verdoemden. + +Neen, hij zou wel geen moed hebben daar te komen, zei ze. Anders +bestond er geen gevaar om er te wonen, omdat de berg God vreesde. Donna +Elisa zei, dat de Mongibello vele heiligen bezat, maar bovenal Santa +Agatha van Catania. + +En indien de Cataniënsers altijd tegen hem waren, zooals ze moesten, +dan kon geen aardbeving of lavastroom hen deren. + +Gaetano stond heel dicht bij haar en lachte om alles wat zij zeide. Hoe +was hij daar gekomen en waarom kon hij niet nalaten te lachen? Het +was een merkwaardige signora! + +Plotseling zei hij om haar niet te bedriegen: + +"Donna Elisa, ik wil monnik worden."--"Zoo, werkelijk?" zei ze. Toen +vervolgde zij, zonder verder acht te slaan op zijn gezegde, haar +verhaal van den berg. Zij zei, dat hij nu goed moest luisteren, +nu kwam ze aan het allergewichtigste. Hij moest haar volgen naar de +Zuidzijde van den berg, zoo ver naar beneden, dat ze dicht bij de +groote vlakte van Catania waren en daar zou hij een dal zien, een +heel groot, breed en cirkelvormig dal. Maar het was volkomen zwart, +lavastroomen vloeiden van alle kanten daarin. En er waren slechts +steenen, geen enkele grashalm! + +Wat had Gaetano nu wel van de lava gedacht? Donna Elisa vermoedde, +dat hij meende, dat de lava zoo vlak en glad langs den Etna stroomde, +als die op straat ligt. Maar in den Etna was zooveel tooverij. Kon +hij begrijpen, dat alle slangen en draken en heksen, die in de kokende +lava lagen, er mee uitstroomden, wanneer er een uitbarsting was? Daar +lagen ze en krioelden en slingerden om elkaar heen en trachtten op +den kouden grond te komen maar hielden elkaar terug in de ellende, +totdat de lava rondom hen stolde. En los konden ze niet meer komen! + +Neen, nooit! + +De lava was ook niet zoo onvruchtbaar, als hij dacht. + +Ofschoon geen gras daarop groeide, was daar nog wel iets anders op te +vinden. Maar hij zou nooit kunnen raden, wat het was. Dat strompelde +en stortte, dat viel en kroop, dat liep op de knieën en op het hoofd +en op de ellebogen. Het was binnen en buiten het dal, het had slechts +stekels en knobbels, en het had een mantel van spinnewebben, en poeder +op zijn pruik en leden zoo vele als een worm. + +Kon dat iets anders zijn dan de cactus? + +Wist hij dat de cactus op de lava groeide en den grond bewerkte gelijk +een boer? Wist hij, dat alleen de fichidenda de lava kon beteugelen? + +Nu keek zij naar pater Jozef en trok een vroolijk gezicht. De cactus +was de beste toovenaar, die op den Etna woonde; maar toovenaar blijft +toovenaar. + +De cactus was een Saraceen, want hij hield het met slavinnen. + +Het was werkelijk waar, want zoodra de cactus ergens wortel geschoten +had, wilde hij den amandelboom bij zich hebben. + +De amandelboom is een schoone, stralende signorina. Ze waagt zich +nauwelijks op den zwarten bodem, maar dat helpt haar niet. Er op zal +en moet ze! + +O, Gaetano zou het zien als hij daar kwam. + +Als in de lente de amandelboomen wit van bloemen staan op het zwarte +veld te midden van de grauwe cactussen, zijn ze zoo onschuldig en +schoon, dat men over hen kon weenen als over geroofde prinsessen. + +Nu zou hij eindelijk hooren, waar de Monte Chiaro lag. Die schoot op +uit den bodem van dat zwarte dal. Ze beproefde haar parapluie op den +grond te laten staan. Zóó stond de Monte Chiaro, hij stond rechtop. En +nooit had hij aan zitten of liggen gedacht. + +En even zwart als het dal, even groen was de Monte Chiaro. Daar stond +palm naast palm, wijnstok naast wijnstok. Het was een heer in een +groot-bloemigen slaaprok. Het was een koning met een kroon op het +hoofd. Het droeg geheel Diamante in het haar geslingerd. + +Na een tijdje voelde Gaetano zoo'n grooten lust om Donna Elisa's +hand te grijpen. Zou dat kunnen? Ja, het ging. Hij trok haar hand +naar zich toe als een geroofden schat. Maar wat zou hij daarmee +doen? Streelen? Indien hij het heel zachtjes probeerde met één vinger, +misschien zou zij het dan niet merken? Misschien zou ze het niets +eens merken, als hij haar hand kuste? + +Ze sprak en sprak maar steeds door. Neen, ze merkte het in het +geheel niet. + +Er was nog zooveel, dat ze wilde vertellen. + +En zoo iets grappigs als haar geschiedenis van Diamante! + +Ze zei, dat de stad in het dal gelegen had. Toen kwam de lava en +gloeide vuurrood over den rand van het dal. Hoe, was de dag des +oordeels aangebroken? De stad nam in allerijl haar huizen op den nek, +op het hoofd en onder den arm, en sprong tegen den Monte Chiaro op, +die juist bij de hand lag. + +Op tegen den berg in zag-zaglijn sprong de stad. Toen ze hoog genoeg +gekomen was, wierp ze een stadspoort en een heel kleinen stadsmuur +naar beneden. Sedert sprong ze in een spiraal rond en wierp met +huizen. De hutten der arme menschen mochten juist neerrollen, waar ze +wilden of konden. Daarvoor had men geen tijd. Men kon niets beters +verlangen dan gedrang en nauwe en bochtige straten. Neen, dat kon +men werkelijk niet. Groote straten liepen spiraalvormig rondom den +berg, juist zooals de stad gesprongen was, en hier had ze een kerk +heengeworpen en daar een paleis. Maar zooveel regelmaat was er toch +geweest dat het beste het hoogst kwam te liggen. + +Toen de stad den bergtop bereikte, had ze een marktplein aangelegd, +en daarop het raadhuis, de domkerk en het oude palazzo Geraci gezet. + +Maar indien hij, Gaetano Alagona, haar naar Diamante wilde volgen, +dan zou ze hem meenemen naar het marktplein op den bergtop en hem +wijzen waar de grondbezittingen der oude Alagona's op den Etna en +op de vlakte van Catania gelegen hadden en welke hun burchten op de +bergen rondom geweest waren. + +Want daarboven op den berg kon men dat alles zien en nog veel meer. De +gansche zee zag men daar. + +Gaetano had er niet aan gedacht, dat ze lang gesproken had, maar +pater Jozef werd zeer ongeduldig. + +"Nu zijn we immers aan uw eigen huis gekomen, donna Elisa," zei hij +heel vriendelijk. + +Maar zij verzekerde pater Jozef, dat er bij haar niets bizonders was +te zien. Wat ze Gaetano 't allereerst wilde wijzen, was het groote +huis aan de corso, dat het zomerpaleis genoemd werd. + +Dat was niet zoo schoon als het palazzo Geraci, maar het was groot en +toen de oude Alagona's in hun bloeitijd waren, woonden ze des zomers +daarin, om dichter bij de sneeuw van den Etna te zijn. + +Ja, zooals zij gezegd had, van buiten was er niets bizonders aan +te zien, maar het had een heerlijk park en open booggangen langs +beide zijvleugels. En op het dak was een terras, dat was bevloerd +met witte en blauwe tegelsteenen, en in iederen steen was het wapen +der Alagona's gebrand. + +Dat zou hij toch zeker willen zien? + +Het viel Gaetano in, dat donna Elisa zeker wel gewoon was, dat kinderen +op haar schoot zaten, als zij thuis was. Misschien zou zij het niet +merken, wanneer hij op haar schoot klauterde? En hij beproefde het. Ja, +het was zoo. Zij was het gewoon. Zij merkte er in 't geheel niets +van. Zij vertelde maar door van het paleis. Daarin was een groote +praalwoning, waar de oude Alagona's gedanst en gespeeld hadden. Er +was een groote zaal met een muziekgalerij, daar waren oude meubels +en uurwerken, in kleine witte albasten tempels, die op een voetstuk +van zwart ebbenhout stonden. In de praalwoning woonde niemand, maar +zij zou er met hem heengaan. + +Misschien had hij gedacht, dat zij in het zomerpaleis woonde? + +O, neen, daar woonde haar broer, don Ferrante. Hij was koopman en had +zijn winkel beneden en daar hij nog geen signora bezat, bleef alles +boven staan, zooals het stond. + +Gaetano vroeg zich af of hij nog op haar schoot kon blijven zitten. 't +Was wonderlijk, dat zij niets merkte. En het was een geluk, anders +zou ze geloofd hebben, dat hij het plan om monnik te worden uit zijn +hoofd had gezet. + +Maar ze was juist nu meer dan ooit met zich zelf bezig. + +Een zacht rood kleurde haar bruine wangen en ze trok een paar malen +haar wenkbrauwen allergrappigst in de hoogte. Toen begon zij te +vertellen, hoe zij het zelf had. + +Het scheen wel, alsof donna Elisa in het allerkleinste huis van de +stad woonde. Het lag juist tegenover het zomerpaleis, maar dat was +ook de eenige verdienste ervan. Zij had een kleinen winkel, waar zij +medaillons en waskaarsen en alles verkocht, wat bij den godsdienst +behoorde. Maar met allen eerbied voor pater Jozef, zulk een handel +gaf niet veel winst in deze tijden, hoe het dan ook vroeger geweest +mocht zijn. Achter den winkel was een kleine werkplaats. + +Daar had haar man gestaan om heiligenbeelden en rozenkransen te +snijden, want hij was artist, signor Antonelli. + +En naast de werkplaats waren een paar kleine muizegaten, men kon er +zich niet in wenden, men moest er op de hurken in zitten, zooals in +de gevangenissen der oude koningen en een trap op, dan waren er een +paar kleine kippenhokken. In een daarvan had ze wat stroo voor een +nestje gelegd en een paar stokken geplaatst. Daar zou Gaetano slapen +als hij bij haar wilde komen. + +Gaetano dacht, dat hij gaarne haar wang wilde streelen. + +Zij zou zoo bedroefd zijn, als hij niet met haar meeging. Zou hij +het wagen haar te streelen? + +Hij keek tersluiks naar pater Jozef. + +Deze zat stil naar den grond te staren, en zuchtte, gelijk hij +gewoonlijk deed. + +Hij dacht niet aan Gaetano, en zij, zij merkte het in het geheel niet. + +Zij vertelde dat zij een dienstmeisje had, dat Pacifica, en een knecht, +die Luca heette. + +Maar ze had van beiden weinig hulp, want Pacifica was oud en sedert +zij doof was geworden, was zij zoo prikkelbaar, dat zij haar niet in +den winkel kon laten helpen. + +En Luca, die eigenlijk beeldsnijder was en heiligenbeelden maken moest, +had nooit tijd om in de werkplaats te zijn, maar hij was altijd in +den tuin te vinden, waar hij de bloemen verzorgde. + +Ja, ze hadden ook een tuin op den rotsgrond van den Monte Chiaro. Maar +Gaetano moest niet denken dat daarin iets bizonders groeide. Bij haar +was niets zooals in het klooster, dat kon hij toch wel begrijpen. + +Maar zij wilde hem zoo gaarne meenemen, omdat hij een der oude +Alagona's was. En thuis hadden zij, Luca en Pacifica tegen elkaar +gezegd: + +"Wij vragen niet of wij meer zorg krijgen; als wij hem maar hier +hebben." + +Neen, dat wist de Madonna, dat ze dat niet deden. + +Het was nu slechts de vraag, of hij wat wilde ontberen, om bij hen +te zijn. + +En nu had zij haar verhaal geëindigd en pater Jozef vroeg wat Gaetano +dacht te antwoorden. Het was de wil van den prior, zei pater Jozef, +dat Gaetano zelf zou beslissen. + +En men had er niets tegen, dat hij in de wereld ging, omdat hij de +laatste van zijn geslacht was. + +Gaetano gleed zacht van donna Elisa's schoot. + +Maar antwoorden! Het was niet zoo gemakkelijk te antwoorden. + +Het was heel moeilijk neen te zeggen tegen deze signora. + +Pater Jozef kwam hem te hulp. + +"Vraag de signora, of je over een paar uur antwoorden moogt, Gaetano." + +"De knaap heeft nooit anders gedacht dan monnik te worden," zei hij +verklarend tot donna Elisa. + +Zij stond op, nam haar parapluie en beproefde er vroolijk uit te zien, +maar ze had tranen in de oogen. + +"Zeker, zeker moest hij zich bedenken," zei zij. + +"Maar indien hij Diamante kende, dan zou hij dat niet noodig hebben. Nu +woonden daar slechts boeren, maar eens leefden daar een bisschop en +vele priesters en een groote menigte monniken. + +"Wel waren dezen nu weg, maar daarom niet vergeten. Want sedert dien +tijd was Diamante een heilige stad. Daar werden meer feestdagen gevierd +dan ergens anders; en er waren zeer vele heiligen en nog heden ten +dage kwamen daar een menigte pelgrims. En hij, die in Diamante woonde, +hij kon God nooit vergeten. Hij was bijna zelf een priester. Dus wat +dat betreft, kon hij gerust daar heengaan. + +"Maar Gaetano moest zich bedenken, indien hij dat wilde. Zij zou +morgen terugkomen." + +Gaetano gedroeg zich al heel slecht. Hij wendde zich van haar af en +ijlde naar de deur. Hij zei geen woord, dat hij dankbaar was voor +haar bezoek. Hij wist dat pater Jozef dit van hem verwacht had, +maar hij kon niet. + +Hij dacht aan den grooten Mongibello, dien hij nooit te zien zou +krijgen en aan donna Elisa, die nooit weer terug zou komen, en aan +de school en aan den door hooge muren omgeven kloostertuin en aan +een geheel leven als van een gevangene. Neen, pater Jozef mocht van +hem verwachten, wat hij wilde, Gaetano moest vluchten. + +En het was hoog tijd. Toen Gaetano tien stappen van de deur was, brak +hij in tranen uit. 't Was zoo hard voor donna Elisa. O! dat zij nu +genoodzaakt was alleen naar huis te gaan! Dat Gaetano niet met haar +kon vertrekken! + +Hij hoorde, dat pater Jozef er aankwam en hij drukte zijn gelaat tegen +den muur. Kon hij dat snikken slechts laten! Pater Jozef zuchtte en +prevelde gebeden, zooals hij gewoonlijk deed. Toen hij bij Gaetano +kwam, bleef hij staan en zuchtte dieper dan ooit. + +"Dat is de Mongibello, de Mongibello," zei pater Jozef, "niemand kan +den Mongibello weerstaan." + +Gaetano antwoordde hem door nog heftiger te schreien. + +"'t Is de berg, die hem lokt," mompelde pater Jozef. "De Mongibello +is gelijk aan de gansche aarde, daarop worden alle planten en +luchtstreken, alle schoonheid, alle betoovering, alle wonderen +der geheele wereld gevonden. De gansche aarde komt opeens om hem +te lokken." + +Gaetano voelde, dat pater Jozef de waarheid sprak. 't Was alsof de +aarde krachtige armen uitstrekte om hem te vangen. Hij voelde, dat +hij zich aan den muur moest vastklemmen om niet weggerukt te worden. + +"'t Is beter, dat hij de wereld te zien krijgt," zei pater Jozef. "Hij +zou slechts naar haar verlangen, indien hij in het klooster bleef. Als +hij de aarde te zien krijgt, zal hij misschien eens terugverlangen +naar den hemel." + +Gaetano begreep nog niet wat de pater meende, toen hij zich voelde +optillen door pater Jozefs armen en terugdragen naar de ontvangkamer, +waar hij op donna Elisa's schoot werd gezet. + +"Gij moet hem nemen, donna Elisa, want gij hebt hem gewonnen," zei +pater Jozef. "Gij moet hem den Mongibello laten zien en trachten of +gij hem behouden kunt." + +Maar toen Gaetano opnieuw op donna Elisa's schoot zat, voelde hij +zich zoo gelukkig, dat het hem onmogelijk was nog eens van haar te +vluchten. Hij was zoo gevangen, alsof hij in den Mongibello zat en +de bergwanden zich achter hem gesloten hadden. + + + + + + +II. + +FRA GAETANO. + + +Een maand had Gaetano bij donna Elisa gewoond en hij was zoo gelukkig +geweest als een kind slechts zijn kan. Alleen te reizen met donna +Elisa, was geweest als te rijden in een wagen, bespannen met gazellen +en paradijsvogels, maar bij haar te wonen was gedragen te worden op +een gouden stoel met zilveren zonneschermen. + +Toen kwam de beroemde Franciscaner, pater Gondo, in Diamante en donna +Elisa en Gaetano gingen naar de markt om hem te hooren. Want pater +Gondo preekte nooit in de kerk, maar verzamelde altijd de menschen +om zich heen op een marktplein of bij een stadspoort. + +De geheele markt was zwart van menschen, maar Gaetano, die op de +leuning van de raadhuistrap zat, kon pater Gondo, die op den rand van +de bron stond, duidelijk onderscheiden. Hij dacht er telkens aan of +het waar kon zijn, dat de monnik onder zijn pij een haren boetekleed +droeg en of het koord, dat hij om het middel had, vol knoopen en +ijzeren stekels was om hem tot geesel te kunnen dienen. + +Wat pater Gondo sprak, kon Gaetano niet verstaan, maar de eene rilling +na de andere ging hem door de leden bij de gedachte, dat hij nu een +heilige zag. + +Toen de pater ongeveer een uur gesproken had, maakte hij met de +hand een teeken, dat hij een oogenblik wilde rusten. En hij daalde +neer van den bronrand, ging zitten en steunde zijn gelaat met beide +handen. Terwijl de monnik zoo zat, hoorde Gaetano een dof geruisch. Dat +had hij vroeger nooit gehoord. Hij keek om zich heen om te zien wat +het was. En het was het geheele volk, dat tegelijk sprak. + +"Gezegend! gezegend! gezegend!" zeiden allen als uit één mond. De +meesten fluisterden slechts, of prevelden, niemand sprak luid, +daarvoor was de eerbied te groot. + +En allen hadden tegelijk hetzelfde woord gevonden. + +"Gezegend! gezegend!" klonk het over de geheele markt. "Gezegend zijn +uwe lippen! Gezegend uwe tong! Gezegend uw hart!" + +De stemmen klonken dof, als verstikt door tranen en ontroering, +maar toch was het alsof een storm door de lucht voer. + +Het was gelijk het ruischen van duizenden zeeschelpen. Dit greep +Gaetano veel meer aan dan de preek van den monnik. + +Hij wist niet wat hij wilde doen, want dit zachte prevelen vervulde +hem met aandoening, tot het hem werd, alsof hij stikken zou. + +Hij klemde zich aan de leuning vast, verhief zich boven alle anderen +en begon hetzelfde als zij te roepen, maar veel luider, zoodat zijn +stem boven alle andere uitklonk. + +Donna Elisa hoorde dit en het scheen haar te mishagen. Zij trok Gaetano +naar beneden en wilde niet langer blijven, maar ging met hem naar huis. + +Maar midden in den nacht stond Gaetano op van zijn bed. + +Hij trok zijn kleeren aan, bond alles wat hij bezat in een bundeltje, +zette zijn hoed op het hoofd en nam zijn schoenen onder den arm. Hij +wilde wegloopen. + +Hij kon het niet uithouden bij donna Elisa. Sedert hij pater Gondo +gehoord had, waren Diamante en de Mongibello niets meer voor hem. Alles +beteekende niets dan te zijn zooals pater Gondo en gezegend te worden +door de menschen. + +Gaetano zou niet kunnen leven indien hij nooit bij de bron zou zitten +om legenden te vertellen. + +Maar als Gaetano niets anders deed dan wandelen in donna Elisa's tuin +en perziken en mandarijnen eten, zou hij nooit de machtige menschenzee +om zich hooren bruisen. Hij moest de wereld ingaan en heremiet op den +Etna worden, hij moest in een der groote grotten wonen en leven van +wortelen en vruchten. Hij zou nooit een mensch zien of spreken, nooit +zou hij zijn haar knippen en hij zou gekleed gaan in vuile lompen. + +Maar na tien of twintig jaar zou hij terugkomen in de wereld, dan +zou hij er uitzien als een dier en spreken als een engel. + +Dat zou heel iets anders zijn dan te wandelen in een fluweelen buis +met een zijden hoed, zooals hij nu deed. Dat zou heel iets anders zijn +dan in den winkel bij donna Elisa te zitten en heilige na heilige van +de planken te halen en haar te hooren vertellen wat zij gedaan hadden. + +Verscheidene malen had hij een mes genomen en een stuk hout en beproefd +een heiligenbeeld te snijden. Dat was heel moeielijk, maar het zou +nog veel moeielijker zijn zich zelf tot een heilige te maken, veel +moeielijker! Maar hij was niet bang voor moeilijkheden en beproevingen. + +Hij sloop uit zijn kamertje over den zolder naar de zoldertrap. Toen +moest hij nog slechts door den winkel gaan om op straat te komen, +maar op de laatste trede der trap bleef hij staan. Er drong een zwakke +lichtschijn door een spleet van de deur, links van de trap. + +Dat was de deur van donna Elisa's kamer en Gaetano waagde het niet +verder te gaan, nu er in zijn pleegmoeders kamer nog licht brandde. Als +zij niet sliep, zou zij hem hooren, wanneer hij de zware grendels +van de winkeldeur wegschoof. Hij ging stil zitten op een trede der +trap om te wachten. + +Plotseling viel het hem in, dat donna Elisa zoo laat in den nacht +moest zitten werken om hem eten en kleeren te verschaffen. Hij was diep +getroffen, dat ze hem zoo liefhad, dat zij dit voor hem wilde doen. + +En hij begreep hoe bedroefd zij zou zijn, als hij wegliep. Toen hij +daaraan dacht, schreide hij. Maar tegelijk begon hij in gedachte +donna Elisa te berispen. Hoe kon zij toch zoo dom zijn te treuren +omdat hij wegliep? Het zou zulk een groote vreugde voor haar zijn, +wanneer hij een heilige werd. Dat zou haar loon zijn, omdat zij naar +Palermo was gekomen om hem te halen. + +Zelf schreide hij al heftiger, terwijl hij op deze wijze donna Elisa +trachtte te troosten. 't Was zoo jammer voor haar, dat zij niet +begreep, welk loon haar wachtte. + +Zij behoefde in het geheel niet zoo bedroefd te zijn. Slechts tien +jaar zou Gaetano op den berg leven, dan zou hij terugkomen als de +beroemde heremiet fra Gaetano. + +Dan zou hij door de straten van Diamante loopen, gevolgd door een +groote menigte menschen, evenals pater Gondo nu. En boven de straten +zouden vlaggen wapperen en de huizen zouden versierd zijn met kleurige +doeken, dekens en kransen. + +Dan zou hij stilstaan voor den winkel van donna Elisa en zij zou hem +niet herkennen, maar op het punt staan voor hem te knielen. Dat zou +echter niet gebeuren, maar hij zou op de knieën vallen voor donna +Elisa, en haar smeeken hem te vergeven, omdat hij tien jaar geleden +van haar weggeloopen was. + +"Gaetano," zou donna Elisa dan antwoorden, "gij geeft mij een zee +van vreugde voor een beekje van verdriet. Zou ik u dan niet vergeven?" + +Gaetano zag dit alles voor zich en het was zoo schoon, dat hij al +heftiger begon te schreien. Hij was slechts bang, dat donna Elisa +zou hooren hoe hij snikte, en dat ze uit haar kamer komen en hem +vinden zou. + +En dan zou ze hem niet laten gaan. + +Hij moest haar tot rede brengen. Zou hij haar ooit tot grooter vreugde +kunnen worden, dan indien hij nu van haar ging? En 't was niet alleen +donna Elisa, maar Luca en Pacifica, die zoo gelukkig zouden zijn, +wanneer hij terugkwam als een heilig man. + +Zij zouden hem allen volgen naar de markt. Daar zouden nog meer +vlaggen zijn dan op straat en Gaetano zou op de trap van het raadhuis +spreken. Maar uit alle straten en steegjes zouden de menschen +toestroomen. + +Dan zou Gaetano zóó spreken, dat allen op de knieën zouden vallen en +roepen: "Zegen ons! fra Gaetano, zegen ons!" + +En hij zou Diamante niet meer verlaten, maar onder de groote trap voor +donna Elisa's winkel blijven wonen. En ze zouden tot hem komen met alle +zieken; en de bedroefden van harte zouden een bedevaart naar hem doen. + +Als de Sindaco van Diamante voorbijging, zou hij Gaetano de hand +kussen. + +Donna Elisa zou het beeld van fra Gaetano in haar winkel verkoopen. + +En Giannita, donna Elisa's peetdochter, zou voor Gaetano buigen en +hem nooit meer een dommen kleinen monnik noemen. En donna Elisa zou +zoo gelukkig zijn. + + + +O!.... Gaetano sprong op en ontwaakte. 't Was klaarlichte dag en +donna Elisa en Pacifica stonden naar hem te kijken. En Gaetano zat +op de trap met zijn schoenen onder den arm, den hoed op het hoofd en +zijn bundeltje aan de voeten. + +Donna Elisa en Pacifica schreiden. "Hij wilde wegloopen van ons," +zeiden ze. + +"Waarom zit je daar, Gaetano?" + +"Donna Elisa, ik wilde wegloopen." + +Gaetano was vroolijk te moede en antwoordde zoo onbeschroomd, alsof +het de natuurlijkste zaak ter wereld was. + +"Wilde jij wegloopen?" riep donna Elisa. + +"Ja, ik wilde naar den Etna gaan om heremiet te worden." + +"En waarom zit je dan hier?" + +"Dat weet ik niet, donna Elisa, ik moet geslapen hebben." + +Donna Elisa toonde nu hoe bedroefd zij was. + +Ze drukte de handen tegen heur hart alsof zij vreeselijke smarten +leed en schreide bitter. + +"Maar nu zal ik bij u blijven, donna Elisa," zei Gaetano. + +"Gij blijven!" riep donna Elisa uit. "Ge moogt gerust gaan. Zie hem +aan, Pacifica, zoo ziet een ondankbare er uit! Hij is geen Alagona. Hij +is een avonturier." + +'t Bloed steeg Gaetano naar het gelaat, hij stond op en maakte een +gebaar met de hand, dat donna Elisa verbaasd deed staan. Zoo hadden +al de mannen van haar geslacht zich gedragen. Haar vader en haar +grootvader, zij herkende daaraan al de trotsche heeren van Alagona's +stam. + +"Ge spreekt zoo, omdat ge niets weet, donna Elisa," zei de +knaap. "Neen, neen, ge weet niets, ge weet niet waarom ik God moet +dienen. Maar nu zult gij het weten. Ziet ge, het is lange jaren +geleden. Vader en moeder waren zoo arm en we hadden niets te eten en +toen ging vader weg om werk te zoeken en hij kwam nooit terug. Moeder +en wij kinderen waren op het punt te verhongeren. Toen zei moeder: "Wij +zullen vader gaan zoeken!" En wij gingen. Het werd avond, het regende +hevig en op enkele plaatsen stroomde er een heele rivier over den weg. + +"Moeder vroeg in een huis of wij daar mochten overnachten. Neen, ze +joegen ons weg. Moeder en wij stonden op den weg te schreien. Toen +bond moeder haar kleeren op en waagde zich in den stroom die over +den weg bruiste. Zij had klein zusje op den arm en groote zus bij +de hand, en een zwaar pak op het hoofd. Ik volgde haar zoo vlug ik +slechts kon. Ik zag hoe moeder struikelde. De bundel dien zij op +het hoofd droeg, viel in den stroom, moeder greep er naar en verloor +klein zusje. Zij greep naar klein zusje en toen werd groote zus door +den stroom meegesleurd. Moeder trachtte haar beiden te grijpen, maar +ook zij werd door het water meegesleept. Ik werd bang en sprong aan +land. Pater Jozef heeft mij gezegd, dat ik gespaard bleef, opdat ik +God voor de dooden zou kunnen dienen en bidden. En dat was de reden, +dat ik eerst monnik zou worden, en dat ik nu naar den Etna wilde gaan +om heremiet te worden. + +"Want, donna Elisa, ik moet God dienen." + +Donna Elisa gaf zich nu gewonnen. + +"Ja, ja, Gaetano," zei zij, "maar het doet mij zoo'n verdriet. Ik +kan niet verdragen dat je van mij weggaat." + +"Neen, maar ik ga ook niet weg," zei Gaetano. Hij was zoo vroolijk, +dat hij lust gevoelde te lachen. + +"Ik zal niet weggaan." + +"Zal ik met den pastoor spreken, dat je op een seminarium kunt +komen?" vroeg donna Elisa ootmoedig. + +"Neen maar, dat ge niets begrijpt, donna Elisa, dat ge niets +begrijpt! Ik zeg u immers, dat ik niet van u wil gaan. Ik heb iets +anders gedacht." + +"Wat hebt ge bedacht?" vroeg zij treurig. + +"Wat gelooft ge dat ik gedaan heb, terwijl ik daar op de trap zat, +donna Elisa? Ik droomde. Ik droomde, dat ik weg wilde loopen. Ja, +donna Elisa, ik stond in den winkel en wilde de deur openen, maar kon +niet omdat er zooveel grendels voor waren. Ik stond in de duisternis +en schoof grendel na grendel weg, maar steeds waren er weer nieuwe. Ik +maakte een vervaarlijk leven en dacht: Nu hoort donna Elisa me stellig. + +"Eindelijk was de deur open en ik wilde de straat op ijlen, toen ik een +hand in mijn nek voelde, en gij mij naar binnen trokt. Ik schopte en +schopte en ik sloeg u, omdat ik niet mocht gaan. Maar donna Elisa, +ge droegt een lantaarn, en toen zag ik dat gij het niet waart, +maar moeder. + +"Toen durfde ik niet langer tegenstribbelen, ik werd zoo bang, +want moeder is immers dood. Maar zij nam den bundel, dien ik droeg, +en maakte hem los. + +"Moeder lachte en zag er verheugd uit, en ik was gelukkig, omdat zij +niet boos op mij was. + +"Het was zoo vreemd. Hetgeen zij uit den bundel haalde, waren al de +kleine heiligenbeeldjes die ik gesneden heb, terwijl ik in den winkel +zat en die waren zoo mooi. + +"Kan je nu zulke mooie beelden snijden, Gaetano?" vroeg moeder. + +"Ja," antwoordde ik. + +"Dan kan je God daarmee dienen," zei moeder. + +"Behoef ik donna Elisa dan niet te verlaten?" + +"Neen," zei moeder. + +"En juist toen moeder dat zei, wektet gij mij." + +Gaetano zag donna Elisa triomfeerend aan. + +"Wat meende moeder daar nu mee?" + +Donna Elisa stond verbaasd. + +Gaetano wierp het hoofd achterover en lachte. + +"Moeder meende, dat ge mij in de leer moest doen, opdat ik God zou +kunnen dienen door schoone beelden van engelen en heiligen te snijden, +donna Elisa!" + + + + + + +III. + +DE GODSZUSTER. + + +Op het edele eiland Sicilië, waar nog meer oude zeden heerschen +dan ergens anders in het Zuiden, bestaat nog de gewoonte, dat ieder +mensch zich in de jeugd een godszuster of godsbroeder kiest, die haar +of zijn kind ten doop zal houden indien zij of hij dit eens krijgt. + +Maar dat is volstrekt niet het eenige nut, dat godszusters en +broeders van elkaar hebben. Zij moeten elkaar liefhebben, elkaar +dienen en wreken. In het oor van een godsbroeder kan men al zijn +geheimen begraven. Men kan hem zoowel zijn geld als zijn liefste +toevertrouwen, zonder bedrogen te worden. + +Godszusters en broeders zijn elkaar trouw, alsof ze uit één moeder +geboren waren, omdat hun verbond gesloten is voor San Giovanni +Battista, den meest gevreesde van alle heiligen. + +Dikwijls gaan arme menschen met hun half volwassen kinderen naar +rijke menschen om dezen te verzoeken of ze godszuster of broeder met +hun jonge dochters of zonen willen worden. Welk een heerlijk gezicht +is het niet op den dag van den heiligen Dooper al deze feestelijk +gekleede kinderen te zien, die door de groote steden trekken om +godszusters en broeders te zoeken. + +En als het den ouders gelukt is hun zoon een rijken godsbroeder te +geven, zijn zij zoo gelukkig alsof ze hem een landgoed als een erfenis +kunnen nalaten. Toen Gaetano in Diamante kwam, was er een klein meisje, +dat voortdurend den winkel van donna Elisa in- en uitliep. Ze droeg +een rooden mantel en een puntig mutsje en acht lange, zwarte lokken +kwamen onder dat mutsje te voorschijn. Zij heette Giannita en was de +dochter van donna Olivia die groenten verkocht. + +Maar donna Elisa was haar peettante en daarom dacht deze er dikwijls +over, wat zij voor haar zou kunnen doen. + +Nu goed, toen Sint-Jansdag aanbrak, bestelde donna Elisa een wagen +en reed naar Catania, dat volle vier mijl van Diamante ligt. Zij had +Giannita bij zich en beiden waren in feestgewaad. + +Donna Elisa was in zwarte zijde met paarlen gekleed en Giannita had een +wit tulen kleedje aan, met bloemen versierd. In de hand droeg Giannita +een mand met bloemen en boven op de bloemen lag een granaatappel. De +reis ging zeer voorspoedig voor donna Elisa en Giannita. Toen ze +eindelijk aan het witte Catania gekomen waren, dat glanzend op den +zwarten lavabodem ligt, reden ze naar het schoonste paleis van de stad. + +Dit was hoog en groot, zoodat de arme, kleine Giannita zich zeer +verlegen gevoelde, omdat ze genoodzaakt was daar in te gaan. Maar +donna Elisa stapte moedig naar binnen en zij werd naar cavaliere +Palmeri en zijn vrouw gevoerd, die het paleis bewoonden. + +Donna Elisa herinnerde signora Palmeri er aan, dat zij vriendinnen +der jeugd waren en verzocht of Giannita godszuster met de signora's +jong dochtertje mocht worden. Dat voorstel vond bijval en de jonge +signorina werd binnengeroepen. Zij was een klein wonder van lichte +zijde, Venetiaansche kant, groote zwarte oogen en welig krullend +haar. Haar klein lichaam was zoo tenger en slank, dat men het in het +geheel niet opmerkte. + +Giannita reikte haar de mand met bloemen en zij nam die genadig aan, +liep om haar heen en was opgetogen over haar lange gladde lokken. + +Zoodra zij deze gezien had, snelde zij weg om een mes te halen. Zij +sneed den granaatappel door en gaf Giannita een der helften. + +Terwijl ze den appel aten, hielden ze elkaar bij de hand en zeiden +beiden: + + + "Zuster, zuster, zuster mijn, + Ik ben dijn en gij zijt mijn. + Dijn mijn hut, dijn mijn spijs, + Dijn mijn vreugd', dijn mijn prijs, + Dijn mijn plaats in 't Paradijs." + + +Toen kusten ze elkaar en zeiden godszuster tot elkaar. + +"Nu moet ge mij nooit ontrouw worden, godszuster," zei de kleine +signorina en beide kinderen waren zeer ernstig en aangedaan. + +Ze werden in dien korten tijd zulke goede vrienden, dat zij schreiden, +toen ze van elkaar gingen. + +Maar sedert verliepen twaalf jaren en de beide godszusters leefden elk +in haar wereld en zagen elkaar nooit. Gedurende dezen ganschen tijd +bleef Giannita stil in huis en kwam zelfs geen enkelen keer in Catania. + +Maar toen geschiedde er werkelijk iets wonderbaarlijks. Giannita +zat op een namiddag in het vertrek achter den winkel te borduren, +zij was zeer bekwaam, zoodat zij dikwijls overladen was met arbeid. + +Bij het borduurwerk komt het echter op de oogen aan en het was zeer +donker in Giannita's kamer. Daarom had ze de deur van den winkel op +een kier gezet om wat meer licht te hebben. + +Juist nadat de klok vier uur geslagen had, kwam de oude molenaarsweduwe +Rosa Alfari voorbij. + +Donna Oliva's winkel was zeer aanlokkelijk, als men dien van de straat +zag. De blik gleed door de geopende deur naar de groote manden met +versche groenten en kleurige vruchten; verder op den achtergrond zag +men de omtrekken van Giannita's mooi hoofd. + +Rosa Alfari bleef staan en begon met donna Oliva te spreken, alleen +omdat haar winkel er zoo vriendelijk uitzag. + +Zuchten en klachten behoorden altijd tot het gevolg van Rosa Alfari. Nu +was zij verdrietig, omdat ze genoodzaakt was den volgenden nacht +alleen naar Catania te reizen. + +"'t Is ellendig, dat de postwagen niet vóór tien uur in Diamante komt," +zei zij. "Ik val natuurlijk onderweg in slaap, en misschien steelt +men dan mijn geld. En wat moet ik beginnen als ik vannacht om twee +uur in Catania kom?" + +Toen riep Giannita plotseling uit den winkel: + +"Wilt ge mij niet meenemen naar Catania, donna Alfari?" + +Ze vroeg het half schertsend zonder een antwoord te verwachten. + +Maar Rosa Alfari werd ijverig. "God, kind, wil je met mij gaan?" zei +zij. "Wil je het werkelijk?" + +Giannita kwam uit den winkel, rood van vreugde. "Of ik wil," zei zij, +"ik ben in geen twaalf jaar in Catania geweest!" + +Rosa Alfari keek haar vergenoegd aan, want Giannita was groot en sterk, +haar oogen waren vroolijk en zij had steeds een kwinkslag op de lippen. + +Dat was een heerlijke reisgenoote! + +"Maak je maar klaar," zei de oude vrouw. "Je gaat om tien uur met +mij mede, dat is afgesproken." + +Den volgenden dag dwaalde Giannita in de straten van Catania. Zij +dacht den ganschen tijd aan haar godszuster. Zij was wonderlijk te +moede weer in haar nabijheid te zijn. + +Zij had haar godszuster lief, niet alleen, omdat San Giovanni den +menschen beveelt hun godszusters en broeders te beminnen. Zij had +het kleine meisje in het zijden kleedje vereerd als het schoonste, +dat zij ooit gezien had. 't Was bijna haar afgod geworden. + +Zij wist slechts dat haar godszuster nog ongetrouwd was en in Catania +woonde. Haar moeder was overleden en zij had haar vader niet willen +verlaten, maar was bij hem gebleven. + +"Ik wil trachten haar te zien," dacht Giannita. + +En telkens als Giannita een elegante equipage ontmoette, dacht zij: +Misschien is het mijn godszuster, die daar rijdt. + +En zij staarde naar de rijdenden om te zien of één van hen ook geleek +op het kleine meisje met het welige haar en de groote oogen. Giannita's +hart begon onstuimig te kloppen. Zij had altijd naar haar godszuster +verlangd. + +Zij was nog ongetrouwd, omdat zij een jongen beeldhouwer, Gaetano +Alagona, liefhad en hij nooit de minste neiging getoond had met haar +te trouwen. + +Giannita was daarom dikwijls boos geweest op hem, en niet het minst +had het haar geërgerd, dat zij nooit haar godszuster op haar bruiloft +kon uitnoodigen. + +Trotsch was zij ook op haar geweest. Zij had zich zelf voornamer +gevonden dan de anderen, omdat zij zulk een godszuster had. Als zij +nu eens naar haar toeging, omdat zij toch in de stad was? + +Dat zou glans geven aan haar geheele reis. + +Terwijl zij daaraan dacht en dacht, kwam er een courantenjongen +aan. "Giornale da Sicilia!" schreeuwde hij. "De zaak Palmeri! Groote +oplichterijen!" + +De lange Giannita greep den jongen in den nek, toen hij haar voorbij +ijlde. + +"Wat zeg je?" schreeuwde zij. "Je liegt, je liegt!" en zij was op +het punt hem te slaan. + +"Koop mijn courant, signora, vóórdat ge mij slaat," zei de +knaap. Giannita kocht de courant en begon te lezen. Al spoedig ontdekte +zij de zaak Palmeri. + +"Daar deze zaak heden voor het gerecht behandeld wordt, willen wij +onze lezers daarvan op de hoogte stellen." + +Giannita las en las en zij herlas het telkens weer vóórdat zij het +begreep. Er was geen spier in haar lichaam, die niet van ontzetting +trilde, toen zij het eindelijk begreep. + +De vader van haar godszuster, die groote wijngaarden bezat, was +geruïneerd. De druivenziekte had zijn bezittingen verwoest. + +En dat was nog niet het ergste. Hij had een liefdadigheidsfonds +gebruikt, dat hem toevertrouwd was. Hij was gearresteerd en vandaag +zou hij voor het gerecht moeten verschijnen. Giannita frommelde de +courant in elkaar, smeet die op de straat en trapte er op. Beter lot +verdiende ze niet, die zulke nieuwstijdingen bracht. + +Ze was geheel verslagen dat dit haar moest treffen, nu zij na twaalf +jaar voor 't eerst weer in Catania kwam. "Heere God," zei zij. "Wat +moet dit alles beteekenen?" + +Thuis in Diamante had nooit iemand zich de moeite getroost haar te +zeggen, wat er gebeurd was. + +Was het een beschikking Gods, dat zij juist hier op den gerechtsdag +moest zijn? + +"Hoor eens, donna Alfari," zei zij. "Ge moogt doen wat ge wilt, +maar ik moet naar de terechtzitting." + +Giannita's houding teekende groote beslistheid, niets kon haar in +haar besluit doen wankelen. + +"Begrijpt gij niet dat het ter wille van deze zaak en niet om +uwentwille is, dat God u bewogen heeft mij naar Catania mee te +nemen?" zei zij tot Rosa Alfari. + +Geen oogenblik twijfelde Giannita. + +Rosa Alfari moest haar laten gaan, en zij zocht den weg naar het paleis +van justitie. Daar stond ze tusschen de straatjongens en leegloopers +op de publieke tribune en zag cavaliere Palmeri zitten op de bank +der aangeklaagden. + +Het was een voornaam heer met een puntbaard en witten knevel. Giannita +herkende hem dadelijk. + +Ze hoorde hoe hij veroordeeld werd tot een halfjaar gevangenisstraf +en Giannita voelde steeds duidelijker, dat zij hier als gezant van +God was. + +Nu heeft mijn godszuster mij noodig, dacht zij. + +Zij ging weer op straat en vroeg den weg naar het paleis Palmeri. + +Onderweg ging een rijtuig haar voorbij. Zij zag op en haar oogen +ontmoetten die der dame, die in het rijtuig zat. + +In hetzelfde oogenblik was er iets, dat haar zeide dat dit haar +godszuster was. De dame in het rijtuig was bleek en gebogen en had +smeekende oogen. Giannita kreeg haar dadelijk zeer lief. + +"Gij zijt het, die mij zoo vele keeren verblijd hebt," zei ze, +"omdat ik zooveel vreugde van u verwachtte. Nu zal ik u misschien +kunnen beloonen." + +Giannita was plechtig gestemd, toen zij de hooge marmeren trap van +het palazzo Palmeri besteeg, maar plotseling kwam er twijfel over haar. + +Wat kan God willen, dat ik voor haar zal doen, die in zulk een weelde +is opgegroeid? dacht zij. Vergeet onze lieve Heer, dat ik slechts de +arme Giannita van Diamante ben? + +Zij liet signorina Palmeri door een bediende zeggen, dat haar +godszuster haar wenschte te spreken. Zij was verbaasd toen de bediende +terugkwam en zei, dat zij niet ontvangen kon worden. + +Zou zij zich daarmee tevredenstellen? O, neen, o, neen! "Zeg de +signorina, dat ik den geheelen dag op haar zal wachten, want ik moet +haar spreken." + +"De signorina zal over een half uur het paleis verlaten," zei de +bediende. + +Giannita geraakte buiten zich zelf: "Maar ik ben haar godszuster, +haar godszuster, versta je mij niet?" zei ze tegen den knecht. "Ik +moet haar spreken." + +De bediende glimlachte, maar verroerde zich niet. + +Maar Giannita wilde niet afgewezen worden. Zij was immers door God +gezonden. Dat moest hij toch begrijpen, zei zij en verhief haar +stem. Ze kwam uit Diamante en was in twaalf jaar niet in Catania +geweest. Zelfs tot gistermiddag vier uur had zij er niet aan gedacht +hierheen te gaan. + +Denk eens, tot gistermiddag vier uur had zij er zelfs niet aan gedacht! + +De bediende stond onbeweeglijk. Giannita was op het punt hem haar +geheele geschiedenis te vertellen om hem te bewegen haar binnen +te laten, toen een deur opengerukt werd. Haar godszuster stond op +den drempel. + +"Wie spreekt hier over gistermiddag vier uur?" vroeg zij. + +"Een vreemde vrouw wenscht u te spreken, signorina Micaela." + +Nu snelde Giannita op haar toe. "Zij was volstrekt geen vreemde. Zij +was haar godszuster uit Diamante, die hier voor twaalf jaar met donna +Elisa geweest was. Herkende zij haar niet? Wist signorina Micaela +niet meer, dat zij een granaatappel samen gedeeld hadden?" + +De signorina luisterde niet naar haar. + +"Wat gebeurde er gisteren om vier uur?" vroeg zij met grooten angst +in haar stem. + +"Toen was het, dat ik Gods bevel ontving om tot u te gaan, godszuster," +zei Giannita. + +De andere keek haar verschrikt aan. "Ga met mij," zei ze, alsof ze +bevreesd was, dat de bediende zou hooren, wat Giannita haar wilde +vertellen. + +Zij ging diep in de woning voordat zij staan bleef. Toen wendde zij +zich zoo plotseling tot Giannita, dat deze verschrikte. + +"Zeg het mij dadelijk!" zei zij. "Pijnig mij niet, zeg het mij zoo +vlug mogelijk." + +Zij was even lang als Giannita, maar deze in geenen deele gelijk. Zij +was veel tengerder gebouwd en zij, de dame van de wereld, had een +veel wilder, ongetemder uiterlijk dan het meisje van het land. Alles +wat zij gevoelde was op haar gelaat te lezen. + +Ze scheen zich in het geheel niet te kunnen beheerschen om het +verborgen te houden. + +Giannita was zoo verbaasd over haar heftigheid, dat zij niet zoo +spoedig een antwoord kon geven. + +Toen hief haar godszuster in vertwijfeling haar armen boven het hoofd +en de woorden stroomden over haar lippen. + +Zij zei, dat zij wist dat Giannita Gods bevel ontvangen had om haar +nieuwe ongelukken te berichten. God haatte haar, dat wist zij. + +Giannita sloeg haar handen in elkaar. God haar +haten! Integendeel! Integendeel! + +"Ja, ja," zei signorina Palmeri. "Zoo is het." En daar ze zielsbevreesd +was voor de tijding, die Giannita haar kwam brengen, bleef zij maar +steeds doorpraten. Zij liet Giannita niet aan het woord komen, maar +viel haar voortdurend in de rede. + +Zij scheen zoo geschokt te zijn door alles, wat haar in de laatste +dagen overkomen was, dat zij zich in het geheel niet meer beheerschen +kon. + +"Giannita kon toch wel begrijpen, dat God haar moest haten," +zei zij. "Zij had zoo iets vreeselijks gedaan. Zij had haar vader +verloochend, haar vader verzaakt. + +"Giannita kende toch wel het vierde gebod." Toen barstte zij opnieuw +uit in tal van onstuimige vragen. + +"Waarom zei Giannita haar toch niet, wat zij haar wilde zeggen? Zij +verwachtte immers niets anders dan kwaad. Zij was voorbereid." + +Maar de arme Giannita kon niet aan het woord komen, want zoodra zij +wilde spreken, werd de signorina bang en viel haar in de rede. + +Zij vertelde Giannita haar geschiedenis, als om deze te bewegen niet +hard jegens haar te zijn. + +Giannita moest niet denken, dat haar ongeluk slechts daarin bestond +dat zij niet langer een eigen rijtuig zou hebben, of een loge in het +theater of mooie kleeren, of veel bedienden of zelfs een dak boven +haar hoofd. Ook niet hierin, dat zij al haar vrienden verloren had, +zoodat zij niet wist waar zij een schuilplaats zou zoeken; evenmin +dat zij zulk een schaamte gevoelde, dat zij meende nooit weer de +oogen te durven opheffen tot eenig mensch. Neen, het was nog iets +veel vreeselijkers. + +Zij had plaats genomen en zweeg nu een oogenblik, terwijl zij van +angst heen en weer wiegde. + +Maar toen Giannita nu begon te spreken, viel zij haar weer in de rede. + +Giannita kon niet denken, hoe haar vader haar had liefgehad. Hij had +haar altijd laten leven in glans en heerlijkheid, gelijk een vorstin. + +Zij had niet veel voor hem gedaan, slechts hem heerlijke plannen laten +verzinnen om haar te vermaken. Het was volstrekt geen opoffering +geweest, dat zij niet getrouwd was, want zij had nooit een man zoo +liefgehad als haar vader, en haar eigen thuis was prachtiger geweest +dan dat van iemand anders. + +Maar toen was haar vader op een dag bij haar gekomen en had tot +haar gezegd: + +"Zij willen mij arresteeren. Ze verspreiden het gerucht dat ik gestolen +heb, maar dat is niet waar." + +Toen had zij hem geloofd en hem geholpen zich verborgen te houden +voor de karabiniers. En zij hadden hem tevergeefs gezocht in Catania, +op den Etna en over geheel Sicilië. + +Maar toen de politie cavaliere Palmeri niet kon vinden, begon het +volk te zeggen: + +"'t Is een voornaam heer en het zijn hooge heeren, die hem helpen, +anders zou men hem reeds lang geleden gevonden hebben." + +En toen was de prefect van Catania bij haar gekomen. Zij ontving +hem lachend en de prefect deed alsof hij kwam spreken over rozen +en over het mooie weer. Plotseling zei hij: "Wil de signorina dit +kleine papier even inzien? Wil de signorina dit kleine briefje eens +lezen? Wil de signorina letten op de onderteekening?" + +Ze las en las. En wat zag ze? Haar vader was niet onschuldig. Haar +vader had het geld van anderen genomen. Toen de prefect weg was, +ging zij naar haar vader. + +"Gij zijt schuldig!" zei ze tot hem. "Ge kunt doen wat ge wilt maar +ik kan u niet meer helpen." + +O, zij had niet geweten wat zij zei. Zij was altijd zoo trotsch +geweest. Zij had niet kunnen dulden, dat er een smet op haar naam +kleefde. Een oogenblik had zij gewenscht, dat haar vader dood was, +liever dan dat dit haar moest overkomen. Misschien had zij hem dit +ook gezegd. Zij wist niet precies wat zij gezegd had. + +Maar daarna had God haar verlaten. De vreeselijkste dingen waren +gebeurd. Haar vader had haar aan haar woord gehouden. Hij had zichzelf +aan het gerecht overgeleverd. En sedert hij in de gevangenis zat, +had hij haar niet willen zien. Hij antwoordde niet op haar brieven, en +het eten, dat zij hem zond, stuurde hij haar onaangeroerd terug. Dat +was het vreeselijkste van alles. Hij scheen te denken, dat zij hem +wilde dooden. Zij keek Giannita zoo angstig aan, alsof zij haar +doodvonnis verwachtte. + +"Waarom vertel je mij toch niet, wat je mij te zeggen hebt?" riep +zij uit. "Je doodt mij." + +Maar 't was haar onmogelijk zich zelf tot zwijgen te dwingen. "Je +moet weten," vervolgde zij, "dat dit paleis nu verkocht is en dat de +kooper het aan een Engelsche dame verhuurd heeft, die hier vandaag +zal intrekken. Maar enkele van haar bezittingen droegen ze reeds +gisteren hier in en daaronder was een klein beeld van het Christuskind. + +"Ik zag het, toen ik door de vestibule liep. Zij hadden het uit een +valies genomen en het op den grond gelegd. Het was zoo beschadigd, +dat niemand er acht op sloeg. Zijn kroon was vol deuken, zijn kleertjes +waren vuil en de sieraden, die het bedekten, waren verroest en leelijk +geworden. Maar toen ik het op den grond zag liggen, nam ik het op en +droeg het in de kamer, waar ik het op een tafel plaatste. En terwijl +ik dat deed, viel het mij in, dat ik zijn hulp moest vragen. + +"Ik knielde en bad lang. "Help mij in mijn grooten nood," zei ik tot +het Christuskind. + +"Terwijl ik bad, scheen het mij, dat het beeld mij wilde antwoorden. Ik +hief het hoofd op, maar het stond daar nog even sprakeloos als vroeger; +juist toen begon een pendule te slaan. + +"Er klonken vier slagen en 't was alsof het vier woorden waren. 't +Was alsof het Christuskind met een viervoudig ja op mijn bede had +geantwoord. + +"Dat gaf mij moed, Giannita, zoodat ik vandaag naar het paleis van +justitie reed om mijn vader te zien. Maar hij verwaardigde mij met +geen blik gedurende al den tijd, dat hij voor zijn rechters stond. + +"Ik wachtte op het oogenblik, dat zij hem zouden wegvoeren en wierp +me voor hem op de knieën in een der nauwe gangen. Giannita; hij liet +mij door de soldaten wegleiden, zonder mij een woord te schenken. + +"Zie je nu, dat God mij haat? Toen ik hoorde dat je sprak van +gistermiddag vier uur, werd ik bang. + +"Het Christuskind zendt mij een nieuw ongeluk, dacht ik. Het haat mij, +die mijn vader verloochend heb." + +Toen zij dit gezegd had, zweeg ze eindelijk en luisterde ademloos +naar hetgeen Giannita zou vertellen. + +En Giannita verhaalde signorina Micaela haar geschiedenis. + +"Zie nu eens, is dat niet merkwaardig," zei ze ten slotte. "Ik ben in +twaalf jaar niet in Catania geweest en nu reisde ik geheel onverwacht +hierheen. En ik weet van niets, maar zoodra ik hier mijn voet op +straat zet, hoor ik je ongeluk. God heeft mij gezonden, zei ik tot +mij zelf. Hij heeft mij hierheen geleid, opdat ik mijn godszuster +zou kunnen helpen." + +Signorina Palmeri's oogen waren angstig vragend op haar gericht. + +Nu zou zeker de slag komen. Zij verzamelde al haar moed om dien +te ontvangen. + +"Wat wil je, dat ik voor je doen zal, godszuster?" vroeg Giannita +"Weet je wat ik dacht toen ik op straat liep? Ik wil haar vragen +of zij mij naar Diamante wil volgen, dacht ik. Ik weet daar een oud +huis, waar we goedkoop zouden kunnen wonen. Ik zou borduren en naaien, +zoodat we daarvan konden leven. Toen ik op straat was, dacht ik, dat +het gaan zou, maar nu begrijp ik, dat het onmogelijk is, onmogelijk! Je +verlangt iets anders van het leven, maar zeg toch of ik iets voor je +doen kan. Je moogt mij niet afwijzen, want God heeft mij gezonden." + +De signorina boog zich over tot Giannita. + +"Nu!" zei zij angstig. + +"Je moet mij voor je laten doen, wat in mijn macht staat, want ik heb +je lief," zei Giannita en gleed op de knieën, terwijl ze de armen om +haar godszuster sloeg. + +"Heb je niets anders te zeggen?" vroeg de signorina. + +"Dat zou ik gaarne willen," zei Giannita, "maar ik ben immers maar +een arm meisje." + +Het was wonderbaarlijk te zien, hoe nu de gelaatstrekken der jonge +signorina verteederden, hoe haar blik verhelderde en hoe haar oogen +begonnen te stralen. Nu bleek het, dat zij een groote schoonheid was. + +"Giannita," zei ze zacht, nauwelijks hoorbaar, "geloof je dat dit +een wonder is? Geloof je, dat God een wonder kan laten geschieden +om mijnentwille?" + +"Ja, ja," fluisterde Giannita. + +"Ik smeekte het Christusbeeld, dat hij mij zou helpen, en hij zendt mij +jou. Geloof je, dat het Christus was die je gezonden heeft, Giannita?" + +"Ja zeker, hij was het." + +"God heeft mij dus niet verlaten, Giannita?" + +"Neen, God heeft je niet verlaten." + +Signorina Micaela zat een tijdje stil te weenen. "Toen jij kwam, +Giannita, dacht ik dat mij niets anders overbleef, dan mij te dooden," +zei ze daarna. "Ik wist niet waarheen ik mijn weg zou nemen want ik +dacht, dat God mij haatte." + +"Maar zeg mij nu, wat ik voor je doen kan, godszuster," zei Giannita. + +Tot antwoord trok de andere haar naar zich toe en kuste haar. + +"Maar het is immers al voldoende, dat je door het kleine Christusbeeld +gezonden zijt," zei ze. "Het is immers al voldoende, nu ik weet, +dat God mij niet verlaten heeft." + + + + + + +IV. + +DIAMANTE. + + +Micaela Palmeri was op reis naar Diamante in gezelschap van +Giannita. Ze hadden 's morgens om drie uur plaats genomen in den +postwagen en ze waren langs den schoonen weg gereden, die zich van +den voet van den Etna langs den berg omhoog slingert. + +Maar het was nog geheel donker. Ze hadden niets van de omgeving +kunnen onderscheiden. + +De jonge signorina beklaagde zich volstrekt niet daarover. Zij zat +met neergeslagen oogen en verdiepte zich in haar smart. Zelfs toen het +begon te dagen, wilde zij haar oogen niet opslaan om uit te zien. 't +Was niet, vóórdat ze vlak bij Diamante waren, dat Giannita haar kon +bewegen het landschap te beschouwen. + +"Zie nu eens uit! Hier is Diamante, dat je thuis zal worden," zei zij. + +Toen had Micaela Palmeri rechts van den weg den machtigen Etna +gezien, die een groot stuk van den hemel sneed. Ver achter den berg +ging de zon op, en toen de bovenste rand der zonneschijf zich over +den bergtop verhief, scheen het alsof de witte sneeuwberg begon te +gloeien, en vonken en stralen verspreidde. + +Maar Giannita verzocht haar naar den anderen kant te zien. En aan +de andere zijde zag ze de geheele getakte bergketen, die den Etna +gelijk een met torens versierden muur omringt, gloeiend rood staan +in den zonsopgang. + +Maar Giannita wees naar een anderen kant. Dat was het niet, wat ze +moest zien, dat niet. + +Toen liet ze haar blik dalen en zag neer in een zwarte vallei. Daar +glansde het veld als fluweel en de witte Simeto schuimde naar beneden +in het dal. + +Maar nog richtte zij haar blik niet naar de goede plaats. + +Toen eindelijk zag ze den steilen Monte Chiaro, die zich uit het +zwarte, fluweelen dal verhief; stralend in het morgenrood en begroeid +met statige palmen, die hem als met zonneschermen beschutten tegen +de stralen der zon. + +En op de kruin zag zij een stad, met torens versierd en door +muren omgeven, en alle vensters en windwijzers schitterden in den +zonneschijn. + +Bij dit gezicht had zij Giannita's arm gegrepen en haar gevraagd of +dit een werkelijke stad was en of daar ook menschen woonden. + +Zij geloofde, dat dit een der steden des hemels was en dat die even +spoedig verdwijnen zou als een droomgezicht. Zij kon niet denken, dat +er ooit een mensch langs den weg gewandeld had, die zich van uit het +dal over hooge heuvels naar de Monte Chiaro slingerde en in zigzag-lijn +langs den berg opkroop om in de donkere stadspoort te verdwijnen. + +Maar toen ze dichter bij Diamante kwam en zag dat het een werkelijke +aardsche stad was, kwamen haar de tranen in de oogen. + +Het ontroerde haar, dat de aarde voor haar nog al haar schoonheid +bezat. Zij had geloofd, dat sedert die het tooneel van al haar rampen +was geweest, zij die steeds grauw, verdord en bedekt met distels en +giftbloemen zou vinden. + +Ze reed met gevouwen handen het arme Diamante binnen, alsof ze een +heiligdom betrad. + +En haar scheen het, dat deze stad haar evenveel geluk als schoonheid +zou kunnen bieden. + + + + + + +V. + +DON FERRANTE. + + +Een paar dagen later stond Gaetano in zijn werkplaats en sneed +wijnranken op koralen van rozenkransen. Het was Zondag, maar Gaetano +maakte zich geen gewetenswroeging van zijn arbeid, hij werkte immers +tot Gods eer. + +Groote angst en onrust waren over hem gekomen. De gedachte was in +hem ontwaakt, dat de gelukkige tijd, dien hij bij donna Elisa had +doorgebracht, nu zijn einde genaderd was. En hij geloofde, dat hij +spoedig de wereld ingedreven zou worden. Want groote armoede was +over Sicilië gekomen, en hij zag den nood als een besmetting van +stad tot stad en van huis tot huis trekken. En zoo was die ook in +Diamante gekomen. + +Daarom kwam er nooit meer een mensch in den winkel van donna Elisa om +iets te koopen. De kleine heiligenbeelden, die Gaetano vervaardigde, +stonden in dichte rijen op de planken en de rozenkransen hingen in +groote trossen onder de toonbank. En donna Elisa was in grooten kommer +en nood, omdat zij nu niets kon verdienen. + +Dit was Gaetano een teeken, dat hij Diamante moest verlaten en de +wijde wereld ingaan, tenzij er zich een andere mogelijkheid voordeed, +want het kon geen arbeiden heeten voor Gods eer beelden te snijden, +die nooit werden aangebeden en koralen voor rozenkransen te draaien, +die nooit door de vingers van een biddende gleden. + +Hij geloofde dat ergens in de wereld een schoone, nieuwe kathedraal +stond, waarvan de muren opgetrokken waren, maar die nog van binnen +van naaktheid trilde. Die verbeidde en wachtte, dat Gaetano zou +komen om de koorstoelen, 't altaarhek, den preekstoel, 't boekenrek +en de heiligenkast te snijden. En zijn hart smachtte naar dit werk, +dat hem wachtte. + +Maar deze kathedraal werd niet op Sicilië gevonden, want daar dacht +men er nooit aan een nieuwe kerk te bouwen; die moest ver weg in +landen als Florida of Argentinië gezocht worden, waar de grond nog +niet bedekt was met heilige gebouwen. + +Hij voelde zich tegelijkertijd bedroefd en gelukkig en was met +verdubbelde vlijt aan den arbeid getogen opdat donna Elisa iets zou +hebben te verkoopen, terwijl hij weg was en groote schatten voor +haar verdiende. + +Nu wachtte hij nog slechts op een teeken van God vóórdat hij besloot +te vertrekken. Het was, alsof hij de kracht zou moeten ontvangen om +tot donna Elisa te kunnen spreken van zijn verlangen om te reizen, +want hij wist dat dit haar zóóveel verdriet zou veroorzaken, dat hij +niet begreep, hoe hij den moed zou hebben met haar daarover te spreken. + +Terwijl hij daarover dacht, kwam donna Elisa in de werkplaats. Toen +zei hij tot zichzelf, dat hij nu er niet aan kon denken het haar te +zeggen, want heden was donna Elisa vroolijk. + +Haar tong was onophoudelijk in beweging en haar gelaat straalde. + +Gaetano vroeg zich af, wanneer hij haar voor het laatst zoo gezien +had. Sedert de nood kwam, was het geweest, alsof ze zonder daglicht +in een der grotten van den Etna leefden. + +"Waarom was Gaetano niet mee naar de markt gegaan om de muziek te +hooren?" vroeg donna Elisa. + +"Waarom ging hij toch nooit mede om haar broer, don Ferrante, te zien +en te hooren? Gaetano die hem slechts zag, als hij in den winkel stond, +gekleed in een kort buis en puntige muts, wist niet wat voor een man +don Ferrante was. Hij hield hem voor een ouden, leelijken koopman +met een rimpelig gelaat en een borsteligen baard. Niemand kende don +Ferrante, die hem 's Zondags niet de muziek had zien dirigeeren. + +"Heden had hij een nieuwe uniform aangehad. Hij droeg een driekantigen +hoed met groen-rood en witte pluimen, een zilveren kraag, epauletten +met zilveren franje, zilveren tressen op de borst en een sabel op +zij. En toen hij het bankje van den dirigent besteeg, waren de rimpels +van zijn gelaat weggevaagd, zijn gestalte scheen gegroeid te zijn. + +"Men zou hem bijna schoon kunnen noemen. + +"Toen hij de Cavalleria liet spelen, had men nauwelijks kunnen +ademhalen. En wat zei Gaetano er van, dat de groote huizen aan de +markt meegezongen hadden! + +"Uit het zwarte palazzo Geraci had donna Elisa duidelijk een +liefdeslied hooren klinken en uit het nonnenklooster, zoo uitgestorven +als het daar stond, was een hymne over de markt gestroomd. + +"En toen er een pauze in de muziek was, ging de schoone advocaat +Favara, die gekleed was in een zwart fluweelen mantel, met een grooten +roovershoed en helrooden halsdoek, naar don Ferrante en wees naar de +open zijde der markt, waar men den Etna en de zee zag. + +"Don Ferrante," had hij gezegd, "gij verheft ons ten hemel gelijk de +Etna en gij voert ons op naar het eeuwige gelijk de oneindige zee." + +"Als Gaetano don Ferrante heden gezien had, zou hij hem hebben moeten +liefhebben. Tenminste had hij moeten erkennen, dat don Ferrante een +statig man was. Toen hij eenige oogenblikken geleden den maatstok +neerlegde en gearmd met den advocaat heen en weer wandelde op de +gladde steenen tusschen de Romeinsche poort en het palazzo Geraci, had +een ieder moeten zien, hoe goed hij zich kon meten met den schoonen +Favara. Donna Elisa had in gezelschap van de sindaco's-vrouw op de +steenen bank onder den dom gezeten. En donna Valtara had plotseling +gezegd, nadat ze don Ferrante een tijdlang beschouwd had: + +"Donna Elisa, uw broer is immers nog een jonge man. Hij kan nog heel +goed trouwen, trots zijn vijftig jaar." + +"En zij, donna Elisa, had geantwoord dat zij God iederen dag daarom +bad. + +"Maar nauwelijks had zij dit gezegd of een dame in rouwgewaad schreed +over de markt. Nooit had men nog zoo iets zwarts gezien. Niet alleen +waren haar kleeren, hoed en handschoenen zwart, maar ook haar sluier +was zóó dicht, dat men niet kon gelooven, dat daar een wit gezicht +achter was. Santissima Dio, het was, alsof ze zich bedekt had met een +lijkwade. En ze liep zoo langzaam en gebogen. Men was bang geworden, +men had bijna geloofd dat het een spook was. + +"O! O! en de geheele markt was zoo vol vroolijkheid geweest. + +"De boeren, die voor den Zondag thuis waren, hadden daar in groote +groepen gestaan, feestelijk gekleed met hun roode doeken om den +hals. Boerenvrouwen die naar de kerk gingen, waren voorbij gestroomd +in groene rokken en gele halsdoeken. Een paar in het wit gekleede +vreemdelingen hadden bij de balustrade gestaan om den Etna te +beschouwen. En al de muzikanten in uniform, die er bijna zoo statig +uitzagen als don Ferrante, en die glinsterende muziekinstrumenten +en de met beelden versierde dom! En de zonneschijn en Mongibello's +sneeuwkruin, die vandaag zoo dicht bij was geweest dat men hem bijna +grijpen kon, dat alles was onvergelijkelijk vroolijk geweest. + +"Toen nu de arme, zwarte dame te midden van dit alles gekomen was, +hadden allen haar aangestaard en sommigen hadden het teeken des kruises +gemaakt. En de kinderen waren gegleden van de trap van het raadhuis +waar ze op de leuning reden en waren haar gevolgd op een paar schreden +afstands. En zelfs de luie Pietro, die zich in de zon lag te koesteren, +had zich op zijn ellebogen opgericht. Het was een opstand, alsof de +zwarte Madonna uit de domkerk was komen aanwandelen. Maar had één van +allen medelijden gevoeld met deze zwarte dame, naar wie allen staarden? + +"Was iemand geroerd, omdat zij zoo langzaam en gebogen liep? + +"Ja, ja, één was getroffen, en dat was don Ferrante geweest. Muziek +was in zijn hart, hij was een goed mensch en hij dacht: Vervloekt zijn +al deze fondsen, bijeengebracht voor noodlijdenden, die de menschen +slechts in het ongeluk storten! + +"Is dit niet de arme signorina Palmeri, wier vader genomen heeft +van een liefdadigheidsfonds en die zich nu zoo schaamt, dat zij haar +gelaat niet durft toonen? + +"En terwijl hij dit dacht, ging don Ferrante naar de zwarte dame en +trad haar bij de kerkdeur in den weg. + +"Daar maakte hij een buiging voor haar en noemde zijn naam. "Indien ik +mij niet al te zeer vergis," had don Ferrante gezegd, "is u signorina +Palmeri. Ik heb een verzoek aan u." + +"Toen was ze achteruitgeweken als wilde ze vluchten, maar zij was +toch gebleven. + +"Het betreft mijn zuster, donna Elisa," had hij gezegd. "Zij heeft +uw moeder gekend, signorina, en zij brandt van verlangen met u kennis +te maken. Zij zit bij den dom. Mag ik u tot haar geleiden?" + +"En don Ferrante had haar arm in den zijne gelegd en haar naar donna +Elisa gevoerd. En zij had geen tegenstand geboden. Donna Elisa had +trouwens degene wel eens willen zien, die heden don Ferrante had +kunnen weerstaan. + +"Maar toen was donna Elisa opgerezen. Zij was de zwarte dame tegemoet +gegaan, en had haar sluier teruggeslagen. En zij had haar op beide +wangen gekust. + +"Welk een gelaat! welk een gelaat! Zij was misschien niet mooi, maar +ze had oogen, die duidelijk spraken en die klaagden en jammerden, +zelfs als het geheele gelaat glimlachte. Ja, Gaetano zou misschien +geen Madonna naar dit gelaat willen snijden of schilderen, want +daarvoor was het te bleek en te mager, maar men moest wel gelooven, +dat onze lieve Heer wist wat hij deed, toen hij deze oogen niet in +een gezicht zette, dat rond en blozend was. + +"Toen donna Elisa haar kuste, had zij het hoofd op haar schouder gelegd +en een paar korte snikken hadden haar lichaam doorschokt. Daarna had +zij met een glimlach opgezien. + +"'t Was alsof haar glimlach had willen zeggen: + +"O, ziet de wereld er zoo uit? Is die zoo mooi? Laat mij die zien en +tegen haar glimlachen! Kan een arme ongelukkige het werkelijk wagen +haar aan te zien? Kan ik het ook wagen gezien te worden?" + +"Dit alles had zij zonder woorden gezegd, slechts met een +glimlach. Welk een gelaat! welk een gelaat!" + +Maar nu viel Gaetano donna Elisa in de rede. + +"Waar is zij nu?" zei hij. "Ik moet haar zien." + +Toen zag donna Elisa Gaetano in de oogen. En die waren brandend +klaar alsof ze met vuur gevuld waren en aan zijn slapen steeg een +donkerrood op. + +"Gij zult haar vroeg genoeg zien," zei ze kortaf. En zij had berouw +van elk woord, dat zij gesproken had. + +Gaetano zag, dat zij bang was, dat hij begreep, wat zij vreesde. Hij +kreeg toen de ingeving haar juist nu te zeggen, dat hij voornemens +was te vertrekken, naar Amerika te reizen. + +Toen begreep hij dat deze vreemde signorina zeer gevaarlijk moest +zijn. Zoo overtuigd was donna Elisa dat Gaetano haar lief zou krijgen, +dat zij bijna verheugd was te hooren, dat hij van plan was het land +te verlaten. Want haar scheen alles beter dan een arme schoondochter, +wier vader een dief was. + + + + + + +VI. + +DON MATTEO'S ZENDING. + + +En nu kwam er een namiddag, dat de geestelijke herder, don Matteo, +zijn voeten in glanzend gepoetste schoenen stak, een schoon geborstelde +soutane aantrok en zijn mantel in de sierlijkste plooien schikte. Zijn +gelaat straalde, terwijl hij door de steeg liep en zegeningen uitdeelde +aan de oude spinnende vrouwtjes, die voor haar huisdeuren zaten; +en zijn handgebaren waren zoo bevallig, alsof hij rozen strooide. + +Over de steeg, waardoor don Matteo liep, welfden zich minstens zeven +bogen, alsof elk huis zich wilde verbinden met zijn buurman. De +steeg liep dood tegen den berg, voor de helft was het een trap, +voor de andere helft een straat; er was altijd overstrooming bij de +goten en het lag er altijd vol sinaasappelschillen en koolblaren, +genoeg om op uit te glijden. Van den grond tot aan den hemel hing er +waschgoed aan de drooglijnen. + +Natte hemdsmouwen en banden van boezelaars werden door den wind in don +Matteo's gezicht geslingerd. En dat was een even klam en kil gevoel, +alsof don Matteo door een lijk gestreeld werd. + +Aan het einde der steeg lag een kleine, donkere markt, en daar +zag don Matteo een oud huis, waarvoor hij staan bleef. Het was +groot en vierkant en bijna geheel zonder ramen. Het had twee hooge +buitentrappen met verbazend breede treden en twee groote deuren met +zware grendels. En het had muren van zwarte lava en een loggia, waar +groene schimmel den vloer van tegelsteenen bedekte, en er waren zooveel +spinnewebben, dat de lenige hagedissen er bijna in verward raakten. + +Don Matteo lichtte den deurklopper op en liet dien zóó hard vallen, +dat het geheele huis dreunde. Toen hoorde men hoe al de vrouwen uit +de geheele steeg begonnen te vragen en te spreken. + +En men zag hoe de waschvrouwen aan het marktbassin haar waschbord en +linnenklopper lieten vallen en begonnen te vragen en te fluisteren: + +"Met welk doel komt don Matteo hier? + +"Waarom klopt hij op de deur van het oude huis, waar het spookt, +en waarin niemand het waagt te wonen behalve de vreemde signorina, +wier vader in de gevangenis zit?" + +Maar nu deed Giannita de deur open voor don Matteo en voerde hem door +lange gangen, die vochtig en schimmelig roken. Op enkele plaatsen +waren de steenen van den vloer losgeraakt, en don Matteo kon tot diep +in den kelder zien, waar een groote menigte ratten over den zwarten +lavagrond joegen. + +Terwijl don Matteo door het oude huis wandelde, verloor hij zijn goede +luim. Hij liep voorbij geen trap, zonder wantrouwend naar beneden te +kijken, en hij hoorde geen geritsel zonder te huiveren. + +Hij werd neerslachtig als vóór een ongeluk. Don Matteo dacht aan den +kleinen getulbanden Moor, die zich in dit huis placht te vertoonen, +en indien hij hem ook niet zag, kon men toch zeggen, dat hij hem op +de een of andere wijze gewaar werd. + +Eindelijk opende Giannita een deur en liet den geestelijke in een +vertrek. Daar waren de wanden naakt als in een stal, het bed hard +als dat van een non en daarboven hing een houten Madonna, die niet +meer waard was dan drie soldi. + +Don Matteo staarde zoo lang naar dit kleine beeld, dat de tranen hem +in de oogen kwamen. + +Terwijl hij daar stond, kwam signorina Palmeri de kamer binnen. Ze +hield haar hoofd gebogen, en haar bewegingen waren zoo langzaam alsof +zij gewond was. Toen don Matteo haar zag, scheen hij te willen zeggen: + +"U en ik, signorina Palmeri, ontmoeten elkaar hier in een wonderlijk +oud huis. Is u hier om de Moorsche inscripties te bestudeeren of zoekt +u in de kelders naar mozaïekwerk?" Want de pastoor werd verlegen, +toen hij signorina Palmeri zag. + +Hij kon niet begrijpen, dat deze edele dame arm was. Hij kon niet +vatten, dat zij woonde in het huis van den kleinen Moor. + +Hij zei tot zichzelf, dat hij haar moest redden uit het spookhuis +en van de armoede. En hij bad de heilige Madonna om de macht haar +te redden. + +Daarna zei hij tot de signorina, dat hij een opdracht van don Ferrante +kwam uitvoeren. Don Ferrante had hem toevertrouwd, dat zij zijn +aanzoek had afgeslagen. + +Waarom had zij dat gedaan? Wist zij niet dat, hoewel don Ferrante arm +scheen als hij daar in zijn winkel stond, hij toch de rijkste man in +Diamante was? + +En don Ferrante behoorde tot een oud Spaansch geslacht, dat groot +aanzien genoot, zoowel in zijn vaderland als hier op Sicilië. En +hij bezat nog het groote huis aan de corso, dat zijn voorvaderen +toebehoord had. Zij had niet neen moeten zeggen. + +Terwijl don Matteo zoo sprak, zag hij hoe het gelaat van de signorina +plotseling doodsbleek en strak werd. Hij waagde het bijna niet te +spreken. Hij vreesde, dat zij zou bezwijmen. + +Het was ook slechts met de grootste inspanning, dat zij hem kon +antwoorden. De woorden wilden niet over haar lippen komen. 't Was +alsof die te afschuwelijk waren om uitgesproken te worden. + +"Zij kon wel begrijpen," zei zij, "dat don Ferrante wilde weten waarom +zij zijn aanzoek had afgeslagen. Ze was diep geroerd en dankbaar, +maar zij kon zijn vrouw niet worden. Zij kon niet trouwen, want zij +bracht smaad en schande als bruidsgift mede." + +"Als ge trouwt met een Alagona, lieve signorina," zei don Matteo, +"behoeft ge niet te vreezen, dat men zal vragen van welk geslacht ge +zelf zijt. Dat is een roemrijk, oud stamhuis. Don Ferrante en zijn +zuster, donna Elisa, worden steeds tot de eersten der stad gerekend, +ofschoon zij al de bezittingen van hun geslacht verloren hebben en +handel moeten drijven. + +"Don Ferrante weet wel, dat de glans van zijn ouden naam niet +verduisterd zal worden door een huwelijk met u. + +"Maak geen bezwaren om die reden, signorina, indien ge anders met +don Ferrante zoudt willen huwen." + +Maar signorina Palmeri herhaalde wat zij gezegd had. Don Ferrante +moest niet trouwen met een dochter van een misdadiger. Ze zat daar +bleek en wanhopig en scheen zich te willen oefenen in het zeggen van +deze vreeselijke woorden. + +Zij zeide, dat zij zich niet indringen wilde in een geslacht, dat +haar zou verachten. Het gelukte haar dit hard en koud te zeggen, +zonder dat haar stem beefde. + +Maar hoe langer ze sprak, hoe grooter de begeerte van don Matteo werd +om haar te helpen. Het was alsof hij een koningin ontmoet had, die van +haar troon gestooten was. En er kwam een brandend verlangen over hem, +haar weer de kroon op het hoofd te zetten en den koningsmantel om de +schouders te slaan. + +Daarom vroeg don Matteo haar of haar vader niet spoedig uit de +gevangenis zou komen en waarvan hij dan leven moest. + +De signorina antwoordde dat hij zou leven van haar arbeid. Don Matteo +vroeg haar zeer ernstig of zij zich wel afgevraagd had, hoe haar vader, +die altijd een rijke man was geweest, de armoede zou kunnen dragen. + +Nu zweeg zij. Ze trachtte de lippen tot een antwoord te bewegen, +maar kon geen geluid uitbrengen. + +Don Matteo sprak en sprak. Zij zag er hoe langer hoe wanhopiger uit, +maar gaf toch niet toe. + +Hij wist ten slotte geen raad meer. + +Hoe zou hij haar toch kunnen redden uit het spookhuis, uit de armoede +en van den last der schande die haar drukte? Maar toen vielen zijn +oogen op het kleine Madonnabeeldje boven het bed. De jonge signorina +was dus een geloovige. + +Nu werd de geest vaardig over don Matteo. Hij voelde dat God hem +gezonden had, om deze arme vrouw te redden. En toen hij weer sprak, +was er een klank in zijn stem, die hem anders vreemd was. Hij begreep, +dat hij het niet alleen was, die nu tot haar sprak. + +"Mijn dochter," zei hij, terwijl hij oprees, "om der wille van uw vader +zult ge huwen met don Ferrante. De Madonna wil het, mijn dochter." + +Er kwam iets imponeerends over don Matteo's uiterlijk. Zoo had nog +geen mensch hem ooit gezien. + +De signorina beefde alsof de Heilige Geest tot haar gesproken had, +en zij vouwde haar handen. + +"Word een goede en trouwe echtgenoote voor don Ferrante," zei don +Matteo, "en de Madonna belooft u door mij, dat uw vader een onbezorgden +ouderdom zal hebben." + +Toen zag de signorina dat het een heilige ingeving was, die don Matteo +inspireerde. Het was God die door hem sprak. En zij wierp zich op de +knieën en boog het hoofd. + +"Ik zal doen wat gij beveelt," zei ze. + + + +Maar zie, toen de geestelijke, don Matteo, uit het huis van den kleinen +Moor kwam, en door de steeg ging, nam bij plotseling zijn brevier en +begon te lezen. En ofschoon het waschgoed hem om de wangen sloeg, en +sinaasappelschillen en kleine kinderen op de straat schenen te liggen, +alleen om hem te doen struikelen, hij zag niet op uit zijn boek. + +Hij had behoefte Gods heilige woorden te hooren. + +Want daarbinnen in het zwarte huis had hem alles zoo zeker en gewis +geschenen, maar nu hij buiten kwam in den zonneschijn, begon hij +bevreesd te worden voor de belofte, die hij in der Madonna's naam +gegeven had. + +Don Matteo bad en las en las en bad. + +Mocht de almachtige God in den hemel de vrouw beschermen, die op hem +vertrouwd en hem gehoorzaamd had, alsof hij een profeet ware! + +Don Matteo sloeg den hoek om naar de corso. Hij bonsde tegen ezels, +die naar huis gedreven werden met reizende signorina's op hun rug, hij +liep recht tegen veldarbeiders aan, die van hun werk naar huis keerden +en hij stiet tegen de oude spinnende vrouwtjes en raakte verward in +haar linnen. Eindelijk bereikte hij een kleinen, donkeren winkel. + +Het was een vertrek zonder ramen, dat in den hoek van een oud paleis +lag. De drempel was een voet hoog, de vloer was van vastgetrapte aarde, +en de deur moest altijd openstaan om licht binnen te laten. De toonbank +was belegerd door voerlieden en ezeldrijvers. + +En voor de toonbank stond don Ferrante. Zijn baard was in wanorde, +zijn gelaat één en al rimpel, zijn stem heesch van woede. De voerlieden +verlangden een onmatig hooge betaling voor de vrachten, die ze van +Catania naar Diamante gebracht hadden. + + + + + + +VII. + +DE KLOKKEN VAN SAN PASQUALE. + + +Men merkte spoedig in Diamante, dat don Ferrante's echtgenoote, donna +Micaela, niet veel meer was dan een kind. Zij kon er nog zoo uitzien +als een voorname dame van de wereld, zij was toch niets anders dan +een kind. En iets anders kon men ook niet van haar verwachten na het +leven, dat zij geleid had. + +Van de wereld had zij niets gezien dan theaters, museums, +balzalen, promenades en renperken, en dit alles zijn immers slechts +speelplaatsen. Zij was nog nooit alleen op straat geweest. Zij had +nooit gewerkt. Men had nooit een ernstig woord tot haar gesproken. Ze +was niet eens ooit verliefd geweest. + +Toen zij in het zomerpaleis trok, vergat zij al haar zorgen, even +licht en luchtig als een kind het gedaan zou hebben. En het bleek +dat zij de spelende phantasie van een kind bezat en dat zij alles +wat haar omgaf kon veranderen en herscheppen. De oude Saracenenstad +Diamante leek donna Micaela een paradijs. + +Ze zeide dat zij in het geheel niet verbaasd was geweest, toen don +Ferrante haar op de markt aansprak en aanzoek om haar hand deed. Het +kwam haar zeer natuurlijk voor dat zoo iets in Diamante gebeurde. Zij +had dadelijk gezien, dat Diamante een stad was, waar rijke mannen +zochten naar arme, ongelukkige signorina's om haar tot heerscheressen +te maken in hun zwarte lavapaleizen. + +Het zomerpaleis behaagde haar zeer. Het verbleekte, honderdjarige +mousseline, dat de meubels bedekte, vertelde haar vele verhalen. En +ze vond een diepe beteekenis in al de liefdestooneelen, die +tusschen de herders en herderinnetjes op de wandschilderingen +werden afgespeeld. Zij had ook dadelijk het geheim van don Ferrante +geraden. Hij was in het geheel geen gewone koopman in een der straten +van een kleine stad. + +Hij was een eergierig man, die geld verzamelde om de familiegoederen +op den Etna terug te kunnen koopen, evenals het paleis in Catania +en het slot in de bergen. En indien hij een kort buis en een puntige +muts droeg gelijk een boer, was dit slechts om des te eerder te kunnen +optreden als grande van Spanje en prins van Sicilië. + +Sedert hij getrouwd was, placht don Ferrante zich iederen avond te +kleeden in een fluweelen rok, zijn gitaar in de hand te nemen, en zich +te plaatsen op de koortrap van de muziekzaal in het zomerpaleis om +canzones te zingen. Terwijl hij zong, droomde donna Micaela, dat ze +gehuwd was met den edelsten man van het gansche schoone eiland Sicilië. + +Toen donna Micaela een paar maanden getrouwd was, kwam haar vader uit +de gevangenis en vestigde zich in het zomerpaleis bij zijn dochter. Hij +bevond zich heel wel in Diamante en werd aller vriend. Hij sprak gaarne +met de iemkers en de wijngaardeniers, die hij in het café Europa trof; +en hij vermaakte zich iederen dag met het rijden naar den voet van +den Etna om naar historische overblijfselen te zoeken. Maar hij had +zijn dochter volstrekt geen vergiffenis geschonken. Wel woonde hij +onder haar dak, maar hij behandelde haar als een vreemde en was nooit +teeder jegens haar. + +Donna Micaela liet hem stil geworden en hield zich alsof zij niets +bemerkte. + +Zij kon zijn toorn niet meer zoo ernstig opnemen. Deze oude man, +dien zij liefhad, geloofde, dat hij haar jaar na jaar zou kunnen +blijven haten. Hij zou in haar nabijheid leven, haar stem hooren, +haar oogen zien en omgeven zijn door haar liefde, en hij zou kunnen +voortgaan haar te haten! + +O, hij kende haar noch zich zelf! En dikwijls zat zij te phantaseeren +hoe het zou gaan als hij tot de erkentenis kwam, dat hij overwonnen +was, wanneer hij tot haar komen en haar toonen zou, dat hij haar +liefhad. + + + +Op een dag stond donna Micaela op haar balkon, en wuifde tegen haar +vader, die op een kleine donkerbruine ponny wegreed, toen don Ferrante +uit zijn winkel kwam om met haar te spreken. + +En wat don Ferrante haar wilde zeggen, was, dat het hem gelukt was +voor haar vader een plaats te koopen in de broederschap van het heilig +hart te Catania. + +Maar ofschoon don Ferrante zeer duidelijk sprak, scheen donna Micaela +hem volstrekt niet te verstaan. + +Hij moest herhalen, dat hij gisteren in Catania was geweest, en dat +het hem gelukt was cavaliere Palmeri een plaats te verschaffen in +een broederschap. Hij zou over een maand daar intreden. + +Zij vroeg slechts: "Wat wil dit zeggen? Wat beteekent dit?" + +"O," zei don Ferrante, "kan het mij niet vervelen kostbaren wijn +van het vasteland voor je vader te laten komen en kan ik geen lust +hebben zelf eens op Domenico te rijden?" Toen hij dit gezegd had, +wilde hij heengaan. Er was immers niets meer te zeggen. + +"Maar vertel mij toch eerst wat voor een broederschap dat is," +zeide zij. + +"Wat dat is? Daar wonen vele oude mannen." + +"Arme oude mannen?" + +"O ja, ze zijn juist niet rijk." + +"Ze hebben zeker geen eigen kamer?" + +"Neen, maar zeer groote slaapzalen." + +"En ze eten uit tinnen borden aan ongedekte tafels?" + +"Neen, ze zullen wel uit porselein eten." + +"Maar zonder tafelkleed?" + +"Mijn hemel, wat zou dat, indien de tafel slechts schoon is!" + +Hij trachtte haar gerust te stellen. "Daar wonen heel goede +menschen. En als je het wilt weten, dan was het niet zonder aarzelen, +dat men cavaliere Palmeri aannam." + +Toen verliet don Ferrante de kamer. Zijn vrouw was bedroefd, maar +ook zeer verontwaardigd. Haar scheen het, dat hij zich beroofd had +van rang en stand en een gewone koopman was geworden. + +Ze zei heel luid, ofschoon niemand het kon hooren, dat het zomerpaleis +slechts een groot en leelijk oud huis was en Diamante een arme, +ellendige stad. + +En natuurlijk zou ze niet toestaan, dat haar vader vertrok. Don +Ferrante moest iets anders verzinnen. + +Nadat de maaltijd geëindigd was, wilde don Ferrante naar café Europa +gaan om domino te spelen en hij zocht naar zijn hoed. + +Donna Micaela nam zijn hoed en volgde hem naar de galerij, die rondom +den tuin liep. Toen ze ver genoeg van de eetzaal verwijderd waren, +dat haar vader haar niet kon verstaan, zei ze heftig: + +"Heb je iets tegen mijn vader?" + +"Hij is te duur." + +"Maar je bent immers rijk." + +"Wie heeft je zoo iets verteld? Zie je dan niet hoe hard ik moet +werken?" + +"Wees dan liever zuinig met iets anders." + +"Ik zal ook zuinig zijn met iets anders. Giannita heeft nu genoeg +geschenken gekregen." + +"Neen, onthoud mij liever iets." + +"Jij bent mijn echtgenoote, jij zult het houden, zooals je het hebt." + +Zij zweeg een oogenblik. Zij dacht na wat zij hem zou kunnen zeggen, +dat hem bang zou maken. + +"En indien ik nu je echtgenoote ben, weet je dan ook waarom ik dat +geworden ben?" + +"O, ja." + +"Weet je ook wat don Matteo mij beloofde?" + +"Dat is don Matteo's zaak, maar ik doe wat ik kan." + +"Je hebt misschien wel gehoord, dat ik brak met al mijn vrienden in +Catania toen ik vernam, dat mijn vader hulp bij hen gezocht en niet +gekregen had?" + +"Dat weet ik." + +"En dat ik naar Diamante vertrok, opdat hij hen niet langer behoefde +te zien en zich voor hen schamen moest?" + +"Zij komen ook niet in de broederschap." + +"Indien je dit alles weet, ben je dan niet bang iets tegen mijn vader +te doen?" + +"Bang? Neen, voor mijn vrouw ben ik niet bang." + +"Heb ik je niet gelukkig gemaakt?" vroeg zij nu. + +"O, ja," antwoordde hij onverschillig. + +"Vondt je het niet aangenaam voor mij te zingen? Beviel het +je niet, dat ik je hield voor den edelmoedigsten man van geheel +Sicilië? Vondt je het niet prettig, dat ik me zoo wel bevond in het +oude paleis? Waarom moet dit alles nu eindigen?" + +Hij legde zijn hand op haar schouder en waarschuwde haar. + +"Denk er aan, dat je niet gehuwd bent met een voornamen heer van +Via Etnea!" + +"O, neen." + +"Hier op den berg heerschen andere zeden. Hier gehoorzamen de vrouwen +haar mannen. En wij storen ons weinig aan schoone woorden. Maar als +wij die willen hebben, weten we wel hoe we die moeten krijgen." + +Toen hij zoo sprak, werd zij bang. Het volgende oogenblik lag zij op +de knieën voor hem. + +Het was een donkere avond, maar er stroomde zoo'n heldere lichtschijn +uit de vertrekken dat hij haar oogen kon zien. + +In een vurige smeekbede, heerlijk als sterren, waren die op hem +gevestigd. + +"Wees barmhartig. Je weet niet hoe lief ik hem heb!" + +Don Ferrante lachte. "Daarmee hadt je moeten beginnen. Nu heb je mij +eerst boos gemaakt." + +Zij lag nog steeds onbeweeglijk en zag naar hem op. + +"'t Is goed," zei hij, "dat je voor het vervolg weet, hoe je je +gedragen moet." + +Nog steeds lag ze op haar knieën. + +Toen vroeg hij: "Zal ik het hem zeggen of wil je het zelf doen?" + +Donna Micaela schaamde zich, dat zij zich zoo verootmoedigd had. Zij +rees op en antwoordde trotsch: + +"Ik zal het hem zeggen, maar niet vóór den laatsten dag. En jij zult +hem niets laten merken." + +"Neen, dat zal ik niet," zei hij, haar nasprekend. "Een korte ellende +is aangenamer voor mij." + +Maar toen hij was heengegaan, lachte donna Micaela om don Ferrante, +omdat hij meende, dat hij met haar vader kon doen wat hij wilde. Zij +kende wel iemand, die haar helpen zou. + + + +In den dom van Diamante bevindt zich een wonderdoend Madonnabeeld, +en dit is zijn geschiedenis: + +Lange, lange jaren geleden woonde een heilige heremiet in een +grot op den Monte Chiaro. En deze heremiet droomde op een nacht, +dat er in de haven van Catania een schip lag, dat geladen was met +heiligenbeelden. Onder deze was er één, dat zoo heilig was, dat de +Engelschen, die rijker zijn dan alle andere menschen, het tegen goud +wilden opwegen. + +Zoo spoedig de heremiet uit dezen droom ontwaakte, begaf hij zich naar +Catania. Toen hij daar kwam, zag hij, dat hij de waarheid gedroomd had. + +In de haven lag een schip, dat geladen was met heiligenbeelden en +onder deze beelden was er één van de Madonna, dat heiliger was dan +alle andere. Nu smeekte de heremiet den kapitein, dat hij dit beeld +niet zou wegvoeren van Sicilië, maar het hem zou schenken. + +Maar de kapitein weigerde dat. + +"Ik breng het naar Engeland," zei hij, "en de Engelschen zullen het +tegen goud opwegen." + +De heremiet hernieuwde zijn bede. Op het laatst liet de kapitein hem +door zijn matrozen van het schip jagen en heesch de zeilen tot vertrek. + +Het scheen, alsof het heiligenbeeld voor Sicilië verloren zou gaan, +maar de heremiet zonk op de knieën naast een der lavablokken op het +strand en bad God, dat dit niet zou gebeuren. + +En wat geschiedde er? + +Het schip kon niet vertrekken. Het anker was gelicht, de zeilen waren +geheschen en de wind was gunstig, maar gedurende volle drie dagen +lag het schip onbeweeglijk, alsof het een rots was. + +Den derden dag nam de kapitein het Madonnabeeld en wierp het den +heremiet toe, die nog op het strand lag. En dadelijk daarna kon het +schip de haven uitzeilen. + +Maar de heremiet voerde het beeld naar den Monte Chiaro en nu bevindt +het zich nog in Diamante, waar het een kapel en een altaar heeft in +de domkerk. + +Donna Micaela begaf zich naar deze Madonna om voor haar vader te +bidden. + +Ze zocht de kapel der Madonna op, die gebouwd was in een donkeren +hoek van de domkerk. + +Daar waren de wanden geheel bedekt met gaven, het beeld krachtens een +belofte vereerd, met zilveren harten en schilderijen, geschonken door +al degenen, die geholpen waren door Diamante's Madonna. + +'t Beeld was gebeiteld uit zwart marmer, en toen donna Micaela het +in zijn nis zag staan, hoog en duister, bijna geheel verborgen achter +het vergulde traliehek, meende zij te zien, dat het gelaat der Madonna +schoon was, en straalde van mildheid. + +En haar hart was vervuld van hoop. + +Hier was de machtige koningin des hemels, hier was de goede moeder +Maria, hier was de bedroefde, die aller smarten begreep, hier was zij, +die niet zou toestaan, dat haar vader van haar werd genomen. + +Hier bij de Madonna zou zij hulp vinden. Zij zou niets anders behoeven +te doen dan op haar knieën vallen en haar nood klagen, opdat de zwarte +Madonna haar zou bijstaan. + +Terwijl zij bad, was zij overtuigd, dat don Ferrante reeds op hetzelfde +oogenblik van meening veranderde. + +Als zij thuis kwam, zou hij haar tegemoet loopen om haar te zeggen, +dat haar vader haar niet behoefde te verlaten. + + + +'t Was een morgen, drie weken later. + +Donna Micaela kwam uit het zomerpaleis om naar de vroegmis te gaan, +maar vóórdat zij zich naar de kerk begaf, ging ze naar donna Elisa's +winkel om een waskaars te koopen. + +'t Was nog zoo vroeg, dat ze vreesde, dat de winkel nog niet open zou +zijn, maar haar vrees bleek ongegrond, en zij was blijde, dat zij een +geschenk kon meenemen voor de zwarte Madonna. Er was niemand in den +winkel, toen donna Micaela binnentrad, en zij bewoog de deur heen en +weer, opdat de bel zou luiden en donna Elisa binnen roepen. + +Eindelijk verscheen er iemand, maar het was niet donna Elisa, maar +een jonge man. + +Deze jonge man was Gaetano, dien donna Micaela nauwelijks kende. Want +Gaetano had zooveel van haar hooren vertellen, dat hij bang was haar +te ontmoeten, en iederen keer, dat zij donna Elisa bezocht, had hij +zich in zijn werkplaats opgesloten. Donna Micaela wist niets anders +van hem dan dat hij Diamante wilde verlaten, en dat hij voortdurend +heiligenbeelden sneed, opdat donna Elisa thuis iets zou hebben te +verkoopen, terwijl hij groote schatten verdiende in Argentinië. + +Toen zij nu Gaetano zag, vond zij hem zoo mooi dat het haar een genot +was naar hem te kijken. Wel was ze angstig als een gejaagd hert, +maar geen smart ter wereld kon haar verhinderen vreugde te gevoelen +als zij iets schoons zag. + +Zij vroeg zich af, waar zij hem vroeger gezien had, en zij +herinnerde zich, dat zij zijn gezicht kende van haar vaders heerlijke +schilderijenverzameling in het paleis te Catania. + +Daar was hij niet gekleed geweest in een arbeiderskiel, maar droeg +hij een zwarten, vilten hoed met lange, wuivende witte pluimen en een +breeden, kanten kraag op een fluweelen mantel. En hij was geschilderd +door den grooten meester Van Dijck. + +Donna Micaela verzocht Gaetano om een waskaars, en hij begon daarnaar +te zoeken. En nu deed zich het vreemde geval voor, dat Gaetano, die +iederen dag in den kleinen winkel was, daar geheel vreemd scheen te +zijn. Hij zocht naar een waskaars in de lade der rozenkransen en in de +doozen der kleine medaillons. Hij kon er geen vinden en toen werd hij +zoo ongeduldig, dat hij laden omver smeet en doozen kapot drukte. En +het werd een groote wanorde en verwoesting. 't Zou donna Elisa zeker +veel verdriet doen, als zij thuis kwam. Maar donna Micaela vond het +heerlijk te zien, hoe hij de dichte lokken van zijn voorhoofd streek +en hoe zijn goudkleurige oogen fonkelden, gelijk gulden wijn wanneer +de zon daarop straalt. + +Het gaf haar troost iets te zien, dat zoo schoon was. + +Donna Micaela vroeg toen vergiffenis aan de edele heeren die door +den grooten Van Dijck geschilderd waren. Hoe dikwijls had zij tot +hen gezegd: + +"O, signor, ge zijt schoon geweest, maar zoo donker, zoo bleek, en zoo +weemoedig hebt ge niet kunnen zijn. En zulke vuuroogen hebt ge niet +bezeten, maar dit alles heeft de schilder slechts in uw gelaat gelegd." + +Maar toen donna Micaela Gaetano nu zag, vond ze dat dit alles in een +gezicht kon gevonden worden en dat de meester niet noodig had gehad +er iets aan toe te voegen. Daarom vroeg ze vergiffenis aan de oude +edele heeren. + +Onderwijl had Gaetano de lange doozen met kaarsen gevonden, die op +dezelfde plaats onder de toonbank stonden waar ze altijd gestaan +hadden. + +En hij gaf haar een waskaars, maar wist niet wat die kostte; hij zeide, +dat zij die later wel kon betalen. Toen zij om een stuk papier verzocht +om de kaars in te wikkelen, werd hij zoo verlegen, dat zij hem moest +helpen zoeken. + +Het bedroefde haar dat zulk een man er aan dacht naar Argentinië +te vertrekken. + +Hij liet het aan donna Micaela over, de kaars in te pakken, terwijl +hij zelf haar stil beschouwde. + +Zij zou gewenscht hebben, dat zij hem kon verzoeken haar nu niet aan te +zien, nu niets anders dan hopeloosheid en smart uit haar gelaat sprak. + +Gaetano had haar trekken niet meer dan één oogenblik beschouwd, toen +hij op een kleine trap sprong en een beeld van de bovenste plank nam +en daarmee naar haar toe kwam. + +Het was een kleine vergulde en geschilderde aartsengel, voorstellende +San Michaël in strijd met den aartsvijand, dien hij nu uit het papier +wikkelde. + +Dezen reikte hij donna Micaela toe en verzocht hij haar aan te +nemen. Hij wilde haar dit beeld schenken, omdat dit het beste was, +dat hij ooit gesneden had. Hij was zoo overtuigd dat dit grooter +macht bezat dan zijn andere beelden dat hij dit op de bovenste +plank geplaatst had, opdat niet de eerste de beste dit beeld zou +zien en koopen. Hij had donna Elisa verboden het aan iemand anders te +verkoopen, dan aan dengene, die gebukt ging onder een groote smart. En +nu moest donna Micaela dit beeld van hem aannemen. + +Zij stond zwijgend, zij vond hem haast te indringend. + +Maar Gaetano verzocht haar te zien, hoe goed het beeld gesneden +was. Zag zij wel, dat de vleugels van den aartsengel in toorn +opstonden en dat Lucifer zijn klauwen drukte in de stalen sporen van +San Michaëls voet? + +Zag zij met hoeveel kracht San Michaël zijn lans velde en hoe hij +zijn voorhoofd fronste en zijn lippen op elkaar klemde? + +Hij wilde het kleine beeld in haar hand leggen, maar zij schoof het +zacht ter zijde. + +Ze zag wel, dat het beeld schoon en machtig was, zei zij, maar zij +wist, dat het haar niet kon helpen. Zij dankte hem voor zijn geschenk, +maar zij wilde het niet aannemen. Toen trok Gaetano het beeld naar +zich toe, wikkelde het in papier en zette het weer op zijn plaats. + +En niet vóórdat het weer op de bovenste plank stond, sprak hij +tot haar. + +Maar toen vroeg hij haar waarom zij waskaarsen kocht indien zij geen +geloovige was? Was het haar bedoeling te zeggen, dat zij niet aan San +Michaël geloofde? Wist zij dan niet, dat hij de machtigste der engelen +was en dat hij het was, die Lucifer overwonnen en in den Etna geworpen +had? Twijfelde zij of dat waar was? Wist ze niet, dat San Michaël +gedurende den strijd een veer uit zijn vleugel verloren had en dat +deze in Caltanisette gevonden was? Wist zij dat of wist zij dat niet? + +Of wat bedoelde zij anders ermee, dat San Michaël haar niet kon +helpen? Geloofde zij, dat geen heilige haar helpen kon? En hij dan, +die iederen dag in zijn werkplaats heiligen sneed? Zou hij dat doen, +indien ze nergens voor dienden? Dacht zij, dat hij een bedrieger was? + +Maar daar donna Micaela een even streng geloovige was als Gaetano, vond +zij zijn woorden onrechtvaardig en dat prikkelde haar tot tegenspraak. + +"Het gebeurt toch soms, dat de heiligen niet helpen," zeide ze. En toen +Gaetano er ongeloovig uitzag, kreeg ze een onweerstaanbare neiging +hem te overtuigen; en zij zei hem, dat men haar uit naam der Madonna +beloofd had, dat indien zij don Ferrante een trouwe echtgenoote werd, +haar vader een onbezorgden ouden dag zou hebben. + +En nu wilde haar man toch haar vader in een broederschap plaatsen, +die arm was als een armhuis en streng als een gevangenis. En de +Madonna had dit niet afgewend, maar over acht dagen zou het gebeuren. + +Gaetano luisterde aandachtig naar haar. + +Dit maakte, dat zij hem haar gansche geschiedenis toevertrouwde. + +"Donna Micaela," zei hij, "ge moet u wenden tot de zwarte Madonna in +de domkerk." + +"Gelooft ge dan, dat ik niet tot haar gebeden heb?" + +Toen steeg een blos naar Gaetano's wangen en hij zei bijna toornig: + +"Ge wilt toch niet zeggen, dat ge u tevergeefs gewend hebt tot de +zwarte Madonna?" + +"Ik heb de laatste drie weken tevergeefs tot haar gebeden, haar +gesmeekt en gebeden." + +Toen donna Micaela dit zei, kon zij nauwelijks ademhalen. + +Ze kon over zichzelf weenen, omdat ze iederen dag hulp verwacht had +en iederen dag teleurgesteld werd en toch geen beter middel wist dan +opnieuw met haar smeekbeden te beginnen. + +En men zag op haar gelaat, dat haar ziel opnieuw doorleefde, wat zij +geleden had, toen zij elken dag de vervulling van haar bede verwachtte, +en de tijd verstreek zonder dat dit gebeurde. + +Gaetano werd echter niet getroffen door haar woorden, maar stond +glimlachend te trommelen op een der glazen uitstalkasten, die op de +toonbank stonden. + +"Hebt ge slechts tot de Madonna gebeden?" zei hij. + +Slechts gebeden, slechts gebeden! Maar zij had de Madonna ook beloofd +al haar zonden af te leggen. + +Ze was naar de steeg gegaan, waar zij eerst gewoond had om de vrouw +met de beenwonde te verplegen. + +Ze liep nooit een bedelaar voorbij, zonder hem een aalmoes te geven. + +Slechts gebeden! En zij zeide hem, dat indien de Madonna de macht +bezeten had haar te helpen, zij tevreden had moeten zijn met haar +gebeden. Zij had haar dagen in de domkerk doorgebracht. En de angst, +de angst, die haar verteerde! Werd die dan in 't geheel niet gerekend? + +Hij trok slechts zijn schouders op. "Had zij niets anders beproefd?" + +"Niets anders! Maar er was niets ter wereld, dat zij niet beproefd +had. Zij had de Madonna zilveren harten en waskaarsen geschonken. Zij +legde de rozenkrans niet uit haar handen." + +Gaetano's woorden wonden haar op. + +Niets wat zij gedaan had wilde hij rekenen, maar hij vroeg slechts: + +"Niets anders? Niets anders?" + +"Maar ge moet toch begrijpen," zeide ze, "don Ferrante geeft mij +toch niet zooveel geld. Ik kan niet meer doen. Nu eindelijk is het +mij gelukt zijde voor een altaarkleed aan te schaffen. Ge moet dat +toch begrijpen!" + +Maar Gaetano, die alle dagen met heiligen verkeerde en die de macht der +geestvervoering en der heftigheid kende, die over hen was als ze God +dwongen hun gebeden te verhooren, lachte hoonend om donna Micaela die +geloofde de Madonna door waskaarsen en altaarkleeden te kunnen dwingen. + +"Hij begreep het wel," antwoordde hij haar. "De geheele samenhang +was hem duidelijk. Zoo ging het den armen heiligen nu altijd. De +gansche wereld riep hen aan om hulp, maar slechts weinigen wisten +hoe zij moesten bidden om geholpen te worden. En dan zei men, dat de +heiligen geen macht hadden. + +"Allen, die wisten hoe ze moesten bidden, werden geholpen." + +Donna Micaela zag op in blijde verwachting. Er klonk zulk een kracht +en overtuiging uit Gaetano's woorden, dat zij begon te gelooven, +dat hij haar het verlossende woord zou kunnen leeren. + +Maar Gaetano nam de kaars, die voor haar op de toonbank lag en wierp +die weer in de lade en zeide haar wat ze doen moest. Hij verbood haar +de Madonna geschenken te geven of tot haar te bidden of iets voor de +armen te doen. + +Hij zei haar, dat hij haar altaarkleed zou verscheuren, indien zij +nog een steek daaraan naaide. + +"Toon haar, donna Micaela, dat het iets voor u beteekent," zei hij, +terwijl hij haar met dwingende kracht in de oogen keek. + +"Mijn God, ge moet iets kunnen bedenken, dat haar bewijst dat het u +ernst is en geen spel. + +"Ge moet haar kunnen toonen, dat ge niet langer wilt leven, indien +ge niet geholpen wordt. Denkt ge trouw te blijven aan don Ferrante, +indien hij uw vader wegzendt? Ja, dat denkt ge zeker. En als de Madonna +niet bevreesd behoeft te zijn, voor hetgeen ge in wanhoop doen zult, +waarom zal ze u dan helpen?" + +Donna Micaela deinsde achteruit. Hij kwam plotseling achter de toonbank +vandaan en hield haar bij de mouw van haar mantel vast. + +"Begrijpt ge, ge moet haar toonen, dat ge u zelf weg kunt werpen, +indien ge geen hulp krijgt. Dat ge u in zonde en verderf zult +storten als ge niet krijgt, wat ge wilt. Het is op deze wijze, dat +men heiligen dwingt." + +Zij week voor hem terug en ging zonder een woord te spreken uit den +winkel. Zij haastte zich langs de kronkelende straat, bereikte den dom +en wierp zich geheel ontsteld neder voor het altaar der zwarte Madonna. + +Dit gebeurde op een Zaterdagmorgen en donna Micaela zag Zondagavond +Gaetano opnieuw. De maan scheen helder en in Diamante is het +gebruikelijk, dat bij maneschijn een ieder zijn huis verlaat en op +straat gaat. + +Zoodra de bewoners van het zomerpaleis buiten kwamen, hadden ze +bekenden getroffen. Donna Elisa had cavaliere Palmeri's arm genomen +en sindaco Voltaro had zich bij don Ferrante gevoegd om met hem over +de verkiezingen te spreken, maar Gaetano ging naar donna Micaela om +te hooren of ze zijn raad gevolgd had. + +"Hebt ge opgehouden aan het altaarkleed te naaien?" + +Donna Micaela antwoordde hem, dat ze den ganschen dag daaraan +gewerkt had. + +"Dan zijt ge zelf de oorzaak, dat ge niet geholpen wordt, donna +Micaela." + +"Ja, nu is er geen hulp meer voor mij mogelijk, don Gaetano." + +Zij zorgde er voor, dat ze een afstand van de anderen bleven, want +zij wilde hem ergens over spreken. Toen ze bij de Porta Etnea kwamen, +liepen ze door de poort en daalden af van de treden, die naar de +palmbosschen van den Monte Chiaro leiden. + +Ze hadden niet in de drukke straten kunnen blijven. + +Donna Micaela sprak zóó, dat de menschen in Diamante haar gesteenigd +zouden hebben, indien ze gehoord hadden, wat ze zeide. + +Zij vroeg Gaetano of hij ooit de zwarte Madonna van de domkerk gezien +had. Den vorigen dag had zij haar voor de eerste maal gezien. De +Madonna was misschien in zoo'n donkeren hoek van den dom geplaatst, +opdat niemand haar zou kunnen zien. Zij was immers zwart en stond +achter een traliehek. Geen mensch kon haar zien. + +Maar heden had donna Micaela haar gezien. De Madonna had een feestdag +en zij was uit haar nis gehaald. De vloer en de wanden van haar kapel +waren versierd met witte amandelbloemen en zij zelf had beneden op +het altaar gestaan, groot en donker, omgeven door de verblindend +witte bloemenpracht. + +Maar toen donna Micaela het beeld gezien had, was ze in vertwijfeling +geraakt. Want dat beeld stelde geen Madonna voor. Neen, degene, tot +wie zij gebeden had, was geen Madonna. O, wat een ramp, wat een ramp! + +'t Was stellig een oude godin. Zij die iets gezien hadden, konden +zich daarin niet vergissen. Zij droeg geen kroon, maar een helm, ze +had geen kind op den arm, maar een schild. Het was een Pallas Athene. + +Het was geen Madonna. O, neen! O, neen! + +'t Was hier in Diamante, dat men zulk een godslastering vereerde! En +wist hij, wat het grootste ongeluk was? + +Hun Madonna was zoo leelijk. Zij was zoo verweerd en oud, ook was ze +nooit een kunstwerk geweest. Zij was zoo leelijk, dat men niet naar +haar kijken kon. + +Dat ze op een dwaalspoor was geleid door al de duizenden gaven, die +in de kapel hingen, bedrogen was door al de legenden, die van haar +verteld werden! + +Drie weken verspild met het bidden tot haar! + +Zie, daardoor was ze niet geholpen! Het was geen Madonna, het was +geen Madonna! + +Ze sloegen den weg in, die rondom den Monte Chiaro onder den stadsmuur +loopt. + +De geheele wereld rondom hen was wit. + +Witte nevels omhulden den voet van den berg en de amandelboomen verder +op den Etna waren geheel wit van bloemen. Soms liepen ze zelf onder +een amandelboom, die zijn glinsterende takken boven hun hoofd welfde +en zoo volgeladen was met bloemen, alsof hij in een bad van zilver +gedompeld was. De maneschijn lag zoo verblindend wit op de aarde, +dat alles van zijn kleuren beroofd werd en wit scheen. Men was bijna +verbaasd, dat men die niet voelde, dat zij geen warmte gaf en dat +zij de oogen niet verblindde. Donna Micaela vroeg zich af of het de +maneschijn was, die Gaetano bedwong, zoodat hij haar niet greep en +in den Simeto wierp, toen zij de zwarte Madonna lasterde. + +Hij ging zwijgend en kalm aan haar zijde, maar zij was bevreesd +voor hetgeen hij doen zou. Doch hoe angstig zij ook was, zij kon +niet zwijgen. + +Hetgeen zij nu nog moest vertellen, was het vreeselijkste van +alles. Zij zei, dat zij den ganschen dag beproefd had aan de werkelijke +Madonna te denken, en dat zij zich alle beelden van haar die zij kende, +voor den geest geroepen had. + +Maar alles was vergeefsch geweest, omdat zoodra zij dacht aan de +stralende hemelkoningin, de oude godin zich voor haar stelde. En +zij zag haar komen gelijk een rimpelige, oude jonkvrouw om de groote +koningin der hemelen te verjagen, zoodat er voor haar nu geen Madonna +meer bestond. + +Zij vreesde, dat deze vertoornd op haar was, omdat zij te veel voor +die andere gedaan had en dat zij nu haar aangezicht en genade van +haar afwendde. Maar ter wille van de valsche Madonna zou haar vader +nu in het ongeluk gestort worden. Nu zou zij hem niet meer in haar +huis mogen behouden. + +Nu zou ze nooit zijn vergiffenis ontvangen. + +O, God! O, God! + +En dit alles zeide zij tot Gaetano, die de zwarte Madonna van Diamante +meer vereerde dan iets anders. + +Hij naderde haar nu heel dicht, en zij vreesde dat haar laatste uur +geslagen had. Zij zei met zwakke stem als om zich te verontschuldigen: + +"Ik ben waanzinnig. De angst maakt me waanzinnig. Ik slaap nooit." + +Maar Gaetano was stil naast haar gegaan en had aan niets anders +gedacht dan welk een kind zij was, en hoe weinig zij zich naar het +leven wist te schikken. + +Hij wist het nauwelijks zelf vóórdat hij haar zacht naar zich toe +getrokken en haar gekust had, omdat zij zulk een onervaren en dwaas +kind was. Ze werd door zulk een verbazing aangegrepen, dat zij er in +het geheel niet aan dacht weg te loopen. En ze gilde noch vluchtte. Ze +begreep dadelijk, dat hij haar kuste, zooals men een kind kust. Ze +ging slechts haastig verder en begon toen te weenen. + +Juist deze kus deed haar gevoelen hoe hulpbehoevend en eenzaam zij +was en hoezeer zij verlangde naar iemand, die sterk en goed was en +die haar in bescherming nam. Het was een ongeluk, dat zij hoewel zij +een man en een vader bezat, toch zoo verlaten was, dat deze vreemde +medelijden met haar gevoelen moest. + +Toen Gaetano haar gestalte zag schokken onder stille snikken, voelde +hij hoe ook hij begon te beven. Een diepe en heftige ontroering greep +hem aan. + +Weer naderde hij haar en legde zijn hand op haar arm. Toen hij +sprak, was zijn stem niet luid en helder, maar dof en verstikt door +aandoening. + +"Wilt ge met mij vluchten naar Argentinië, indien de Madonna u +niet helpt?" + +Nu week donna Micaela voor hem terug. Ze voelde plotseling, dat hij +niet meer tot haar sprak als tot een kind. Zij wendde zich om en ging +naar de stad terug. + +Gaetano volgde haar niet, maar bleef staan op de plek, waar hij haar +gekust had en het was hem alsof hij nooit meer in zijn leven deze +plaats zou kunnen verlaten. + + + +Gedurende twee dagen droomde Gaetano van donna Micaela, maar op den +derden dag ging hij naar het zomerpaleis om met haar te spreken. + +Hij trof haar op het terras en hij zei haar dadelijk, dat zij met +hem vluchten moest. + +Hij had aan haar gedacht, sedert ze van elkaar gescheiden waren. + +Hij had in zijn werkplaats staan peinzen over alles, wat er gebeurd +was, en nu was hij tot klaarheid gekomen. + +Ze was een roos, door den sterken sirocco van den struik gerukt en ruw +door de lucht geslingerd, opdat zij des te beter rust en beschutting +zou vinden bij een hart, dat haar beminde. + +Zij moest begrijpen, dat God en alle heiligen wenschten en verlangden, +dat ze elkaar zouden liefhebben, anders zouden die groote ongelukken +haar niet in zijn nabijheid gevoerd hebben. En indien de Madonna +weigerde haar te helpen, dan was dat, omdat ze haar wilde ontslaan van +haar trouwbelofte aan don Ferrante. Want alle hemelsche goden wisten, +dat zij de zijne was. Zij was voor hem geschapen, voor hem was zij +opgegroeid, voor hem leefde zij. Toen hij haar in den maneschijn op +den weg gekust had, was hij geweest als een wanhopig kind, dat lang +in de woestijn gedoold heeft, en nu eindelijk aan de poort van het +ouderlijk huis is gekomen. + +Hij bezat niets, maar zij was zijn thuis en zijn haard. + +Zij was het erfdeel, dat God hem toegedacht had, het eenige in de +wereld, dat het zijne was. + +Daarom kon hij haar niet achterlaten. Ze moest hem volgen, ze moest, +zij moest! + +Hij lag volstrekt niet voor haar op de knieën. + +Hij sprak tot haar met gebalde handen en vlammende oogen. Hij smeekte +haar niet, maar beval haar met hem te vertrekken, omdat zij de +zijne was. + +Het was geen zonde haar weg te voeren, maar veeleer zijn plicht dat +te doen. Hoe zou het haar gaan, indien hij haar hier achterliet? + +Donna Micaela hoorde hem aan, zonder een beweging te maken. Een langen +tijd zweeg zij, ook nadat hij opgehouden had met spreken. + +"Wanneer vertrekt ge?" vroeg zij eindelijk. + +"Ik vertrek Zaterdag van Diamante." + +"En wanneer gaat de stoomboot?" + +"Die vertrekt Zondagavond uit Messina." + +Donna Micaela stond op en liep naar de trap van het terras. + +"Mijn vader zal Zaterdag naar Catania reizen," zei zij. + +"Ik zal don Ferrante verzoeken hem daarheen te mogen brengen." + +Ze daalde een paar treden van de steenen trap, alsof zij niets meer +te zeggen had. Toen bleef zij staan. + +"Indien gij mij dan in Catania ontmoet, zal ik u volgen waarheen +ge wilt." + +Zij haastte zich van de trap. Gaetano beproefde niet haar terug te +houden. Er zou zeker eens een tijd komen, dat zij niet voor hem zou +vluchten. Hij wist dat zij niet kon nalaten hem lief te hebben. + + + +Den ganschen Vrijdagmiddag had donna Micaela in de domkerk +doorgebracht. Zij had zich in wanhoop voor de Madonna op de knieën +geworpen. + +"O, Madonna mia, Madonna mia! Zal ik morgen een ontrouwe echtgenoote +zijn? Zullen de menschen dan het recht hebben al het mogelijke kwaad +van mij te spreken?" + +En alles scheen haar even vreeselijk. Zij was bang om met Gaetano te +vluchten, en zij wist niet hoe zij het zou kunnen uithouden bij don +Ferrante. Zij haatte den eene zoowel als den andere. Geen van beiden +scheen haar iets anders dan ongeluk te kunnen bieden. + +Zij zag wel, dat de Madonna haar niet zou helpen. + +--En nu vroeg zij zich af, of het nog geen grooter ellende was met +Gaetano te vluchten, dan te blijven bij don Ferrante. Was het de +moeite waard, dat zij zich in het verderf stortte, om zich op haar +man te wreken? + +En bestond er wel iets afschuwelijkers dan te vluchten met een man, +dien zij niet liefhad? + +Ze leed hevige smarten. De gansche week werd ze gekweld door een +verterende onrust. Het vreeselijkste was, dat ze nooit kon slapen. Zij +dacht geen gezonde, klare gedachten meer. + +Keer op keer begon zij haar gebeden opnieuw. Maar toen dacht zij +opeens: De Madonna kan mij niet helpen; en zij hield dadelijk op +met bidden. + +Toen moest ze denken aan de smarten van vroeger dagen en herinnerde +zich het kleine beeld, dat haar eens bijgestaan had, toen zij in +groote wanhoop verkeerde. En nu richtte zij met hartstochtelijken +ijver haar gebeden tot het kleine, arme Christuskind. + +"Help mij, help mij! Help mijn ouden vader en help mij zelf, opdat +ik mij niet laat verleiden tot zonde en wraak." + +Toen zij dien nacht ging liggen, streed zij nog steeds tegen haar +onrust en angst. + +"Kon ik slechts een enkel uur slapen," zei ze, "dan zou ik weten wat +ik wil." + +Gaetano zou den volgenden morgen heel vroeg vertrekken. Ten slotte +nam zij het besluit met hem te spreken, vóórdat hij vertrok, en hem +te zeggen, dat zij hem niet kon volgen. Zij kon het niet verdragen +beschouwd te worden als een gevallen vrouw. + +Nauwelijks had zij dit besluit genomen of zij viel in slaap. Ze +ontwaakte niet vóórdat de klok den volgenden morgen negen uur sloeg. En +toen was Gaetano reeds vertrokken. Zij kon hem niet meer zeggen, dat +ze berouw had van haar besluit. Maar daaraan dacht zij niet meer. In +den slaap was er iets nieuws en vreemds over haar gekomen. Haar scheen +het, dat zij gedurende den nacht in den hemel vertoefd had en dat ze +de gelukzaligheid gesmaakt had. + + + +Waar wordt er een heilige gevonden, den menschen tot grooter nut dan +San Pasquale? Gebeurt het niet somtijds, dat ze op een eenzame plaats +in het bosch of op het veld staan te praten en dat ze óf kwaad van +iemand spreken óf plannen beramen tot iets slechts? Nu, let eens op, +als zij daar op hun best staan, hooren ze een geraas achter zich, +zoodat ze omkijken en denken, dat iemand hen met een steen geworpen +heeft. + +'t Is niet noodig, dat zij lang omkijken. 't Is niet de moeite +waard dat ze opstuiven om dengene te zoeken, die den steen geworpen +heeft. Die kwam van San Pasquale. + +Zoo zeker als er rechtvaardigheid in den hemel bestaat, was het San +Pasquale die hoorde, dat zij over iets slechts spraken en hen met +een zijner steenen wierp om hen te waarschuwen. + +En degene, die er niet van houdt gestoord te worden in zijn +booze plannen, moet zich niet daarmee troosten, dat San Pasquale's +steenenvoorraad spoedig uitgeput zal raken. Zijn steenen zullen nooit +opgebruikt zijn. Er zijn er zoo vele, dat ze zullen reiken tot den +laatsten dag der wereld. + +Want toen San Pasquale hier op aarde leefde, weet ge wat hij toen +deed? Weet ge waaraan hij meer dacht, dan aan iets anders? San +Pasquale lette op al de kleine kiezelsteenen, die op zijn weg lagen, +en verzamelde deze in zijn zak. + +Gij, signor, wilt u nauwlijks bukken om een soldo op te rapen, maar +San Pasquale bukte zich voor elk kiezelsteentje, en toen hij stierf, +nam hij die alle mede naar den hemel en daar zit hij nu en werpt allen, +die iets slechts beramen, met een zijner steenen. Maar dit is zeker +niet het eenige nut, dat San Pasquale den menschen doet. Hij is het +ook, die een teeken geeft als iemand zal trouwen of sterven en hij +kan ook teekens geven met iets anders dan steenen. + +Oude Saraedda in Randazzo zat op een nacht bij haar dochters +ziekbed te slapen. Maar haar dochter was bewusteloos en stervende, +en niemand kon de priesters waarschuwen. Hoe werd de moeder toen +intijds gewekt? Hoe werd ze gewekt, zoodat ze iemand kon zenden om +den pastoor te halen? Door niets anders dan dat een stoel heen en weer +begon te wiegelen en te kraken en te krakken, totdat zij ontwaakte. En +het was San Pasquale, die dat deed. Wie anders dan San Pasquale denkt +aan zoo iets? + +Er valt nog een geschiedenis van San Pasquale te verhalen. Deze betreft +den langen Kristoforo van Tre Castagni. Hij is geen kwade man, maar +hij had zich een slechte gewoonte eigen gemaakt, hij kon zijn mond +niet openen zonder te vloeken. Hij kon geen twee woorden zeggen, +zonder dat het eene een vloek was. + +En gelooft ge, dat het hielp, dat zijn vrouw en buurlieden hem +waarschuwden? + +Maar boven zijn bed hing een klein schilderij, dat San Pasquale +voorstelde en het gelukte dit kleine beeld hem te helpen. Iederen nacht +slingerde het heen en weer in zijn lijst, slingerde hard of zacht, +naarmate Kristoforo overdag gevloekt had. En hij merkte, dat hij geen +enkelen nacht zou kunnen slapen, vóórdat hij ophield met vloeken. + +San Pasquale heeft in Diamante een kerk, die buiten de Porta Etnea +ligt, een weinig beneden de stad. Die kerk is heel klein en arm, +maar de witte wanden en de roode koepel liggen heerlijk in een bosch +van amandelboomen. + +Daarom is San Pasquale's kerk, zoodra de amandelboomen bloeien, de +schoonste godstempel in Diamante. Want de bloeiende takken welven zich +daarboven, vol geladen met glinsterende witte bloemen, een prachtig +kleed gelijk. + +San Pasquale's kerk is zeer ongelukkig en verlaten, omdat er nooit meer +een godsdienstige plechtigheid in gehouden kan worden. Want toen de +Garibaldisten, die Sicilië bevrijdden, in Diamante kwamen, sloegen +ze hun leger op in San Pasquale en in het Franciscanerklooster, +dat naast de kerk ligt. En ze waagden het redelooze dieren in de +kerk te brengen en daar zulk een woest leven te leiden met vrouwen +en kaartspel, dat de kerk sedert als onrein en onheilig beschouwd +werd en nooit meer voor den godsdienst geopend kon worden. + +Daardoor komt het, dat slechts als de amandelboomen in bloei staan +de voorname menschen San Pasquale's kerk opmerken. Want hoewel dan +de geheele voet van den Etna wit is van amandelbloemen, staan toch +de grootste en schoonste boomen rondom de oude, verlaten kerk. + +Maar de arme menschen komen gedurende het gansche jaar tot San +Pasquale. Ofschoon de kerk gesloten is, gaan ze daarheen om raad te +vragen aan den heilige. Want bij den ingang staat onder een groot +steenen baldakijn een beeld van hem, dat men pleegt aan te roepen +om iets van de toekomst te vernemen. Niemand voorspelt de toekomst +beter dan San Pasquale. + +Nu gebeurde het, dat juist op den morgen, dat Gaetano van Diamante +vertrok, wolken uit den Etna nederdaalden, zoo dicht alsof ze uit +stof bestonden, en opgejaagd waren door ontelbare krijgsscharen. + +En ze verduisterden de lucht als donker gevleugelde draken, ze spuwden +regen, en slingerden nevels en duisternis op de aarde. En er hing +zulk een dichte mist boven Diamante, dat men de overzijde der straat +niet kon onderscheiden. De nevel maakte alles nat, de vloer was even +vochtig als het dak, van de deurposten droppelde het water, de treden +der trap waren overstroomd: nevel hing en trilde in alle vertrekken, +zoodat men had kunnen denken dat ze met rook gevuld waren. Maar +zeer vroeg op dezen morgen, nog voordat het begon te regenen, reed +een rijke Engelsche dame in haar grooten reiswagen uit de poort van +Catania om een rit te maken rondom den Etna. Toen ze echter eenige +uren gereden had, plaste een vreeselijke regen neer, die alles in +een dichten nevel hulde. + +En daar zij het genot der heerlijke streken, waardoor ze reed, niet +wilde missen, besloot ze de naastbijzijnde stad binnen te rijden +en daar te vertoeven, totdat de bui voorbij was. Maar die stad was +juist Diamante. + +Deze Engelsche dame was miss Tottenham, en zij was het, die het +palazza Palmeri in Catania bewoonde. Onder al de voorwerpen, die zij +in haar koffer meevoerde, was ook het Christusbeeld, dat donna Micaela +eens had aangeroepen. Want dit beeld, dat nu oud en onooglijk was, +vergezelde haar altijd op al haar reizen, als een herinnering aan +een oude vriendin, die haar al haar rijkdommen geschonken had. + +Men zou geloofd hebben, dat San Pasquale wist, welk een groot +wonderdoener het beeld was, want het scheen als wilde hij het +begroeten. Op hetzelfde oogenblik, dat miss Tottenham's reiswagen +door de Porta Etnea reed, begonnen de klokken te luiden in de kerk +van San Pasquale. + +En zij luidden gedurende den ganschen dag geheel vanzelf. + +San Pasquale's klokken zijn niet veel grooter dan die gebruikt +worden op de landhoeven om het arbeidsvolk naar huis te roepen en +evenals deze hangen ze boven op het dak onder een kleinen luifel; +men pleegt ze in beweging te brengen door aan een touw te trekken, +dat langs den kerkmuur hangt. + +Het is geen zwaar werk deze klokken te luiden, maar ze zijn toch niet +zoo licht, dat ze geheel vanzelf in beweging kunnen komen. Degene, +die gezien heeft, hoe de oude fra Felice van het Franciscanerklooster +zijn voet zet in een lus van het klokketouw en op en neer trapt om +ze aan den gang te brengen, weet wel, dat de klokken niet kunnen +beginnen te luiden zonder hulp. + +Maar dat was het, wat ze juist wel deden op dezen morgen. Het touw was +stevig vastgebonden aan een spijker in den muur, en er was niemand, +die het aanraakte. En er was ook niemand op het dak gekropen om de +klokken in beweging te brengen. Men kon duidelijk zien hoe de klokken +heen en weer slingerden en hoe de klepels tegen de metalen wanden +sloegen. Het was onbegrijpelijk, hoe ze in beweging waren geraakt. + +Toen donna Micaela ontwaakte, luidden de klokken reeds en zij lag +langen tijd stil te luisteren en te luisteren. Zoo iets schoons had +zij nog nooit gehoord. + +Zij wist niet, dat het een wonder was, maar ze vond slechts dat het +heerlijk klonk. + +En zij was verwonderd, dat aardsche metalen klokken zoo konden klinken. + +Men kan immers ook niet weten wat voor metaal het was, dat er op +dien dag klonk in de klokken van San Pasquale! Haar scheen het, dat +de klokken haar zeiden, dat ze nu blijde moest zijn, nu zou ze leven +en liefhebben, nu zou ze nooit meer angstig of bedroefd zijn. Toen +begon haar hart te kloppen op de maat van een statige melodie, en +onder het luiden der klokken betrad zij plechtig een heerlijken burcht. + +En wien anders kon deze burcht toebehooren, wie kon de heer zijn +van zulk een prachtig slot, dan de liefde? Men kan het niet langer +verbergen, toen donna Micaela ontwaakte, voelde zij, dat ze Gaetano +liefhad en dat zij niets vuriger verlangde dan met hem te vluchten. + +En toen donna Micaela het luik van haar raam wegschoof en den grauwen +morgen zag, zond zij dien een kushand en fluisterde: + +"Gij, die de morgen zijt van den dag, dat ik zal vertrekken, gij zijt +de schoonste morgen, dien ik nog ooit gezien heb, en zoo grauw als +ge zijt, wil ik u streelen en liefkoozen." + +Maar het klokgelui behaagde haar het meest. Daaruit kon men zien, dat +haar liefde sterk was, want alle andere menschen vonden het pijnlijk +deze klokken te hooren, die maar niet met kleppen wilden ophouden. + +Niemand dacht er aan gedurende het eerste half uur, toen hoorde +men nauwelijks het klokgelui, maar gedurende het tweede en derde +uur.-------- + +Gij moet niet denken, dat de kleine klokken van San Pasquale zich niet +konden doen hooren. Zij hadden altijd een helderen klank, maar nu was +het alsof het geluid in haar groeide en groeide. Spoedig scheen het, +alsof er niets anders dan klokken in den nevel waren. Het was alsof +de gansche hemel er vol van hing, ofschoon men ze niet kon zien door +den dichten mist. + +Toen donna Elisa voor het eerst den klank hoorde, meende zij dat San +Giuseppe's kleine klok luidde; en later geloofde zij, dat het de klok +van de domkerk was. Daarna dacht ze te hooren, hoe de klokken van +het Dominicanenklooster met het gelui instemden en ten slotte wist +zij zeker, dat alle klokken der stad luidden en luidden, zoo hard ze +slechts konden; al de klokken der vijf kloosters en zeven kerken. Ze +meende het geluid van elk afzonderlijk te onderscheiden, tot ze vroeg +en hoorde, dat het slechts de kleine klokken van San Pasquale waren, +die luidden. Gedurende de eerste uren, toen men ook nog niet overal +wist, dat de klokken geheel vanzelf luidden, bemerkte men slechts, +dat de regendroppels op de maat van het klokgelui neervielen, +en dat allen, die spraken een harde metaalstem hadden. Ook merkte +men, dat het onmogelijk was op de mandoline of de gitaar te spelen, +omdat het klokgelui zich met de muziek vermengde en die oorverdoovend +maakte. Men kon ook niet lezen, omdat de letters gelijk klokklepels +heen en weer slingerden en de woorden een stem hadden en zich zelf +volkomen duidelijk oplazen. + +Spoedig konden de menschen het niet uithouden naar bloemen te zien, +die aan lange stengels hingen, ze schenen heen en weer te wiegelen. En +de menschen klaagden, dat de bloemen in plaats van geur klank gekregen +hadden. + +Maar anderen beweerden, dat de nevel, die door de lucht zweefde, zich +op de maat van het klokgelui bewoog, en ze zeiden, dat de slingers +van alle pendules zich daarnaar richtten, en dat alle menschen, +die in den regen buiten liepen, hetzelfde trachtten te doen. + +En dat was toen de klokken nog slechts een paar uur geluid hadden +en de menschen er nog om lachten. Maar in het derde uur scheen het +gelui nog krachtiger te worden en enkelen stopten watten in de ooren, +terwijl anderen onder dikke dekens kropen. Maar evenwel voelde men +hoe de lucht trilde van de klokslagen en men scheen te bemerken hoe +alles zich op de maat van het gelui bewoog. + +En degenen die naar den donkeren zolder vluchtten, hoorden daar het +klokgelui zoo duidelijk alsof het van den hemel kwam en degenen, +die zich in den diepen kelder verstopten, hoorden het daar zoo sterk +en dreunend, alsof San Pasquale's kerk in de onderwereld stond. En +alle menschen in Diamante werden angstig, behalve donna Micaela, +die door de liefde voor allen angst behoed werd. + +Nu begon men te denken, dat het iets moet beteekenen, dat het juist +de klokken van San Pasquale waren die luidden. En elk vroeg zich af +wat de heilige voorspelde. En ieder had zijn eigen vrees en geloofde +dat San Pasquale juist hem profeteerde, wat hij het minst van alles +wenschte. En elk had een daad die hem op het geweten drukte en geloofde +nu dat San Pasquale straf neerluidde over hem. + +Maar tegen den middag, toen de klokken nog steeds bleven doorluiden, +was men overtuigd, dat San Pasquale zulk een ramp over Diamante luidde, +dat men niets anders kon verwachten dan dat alle menschen binnen het +jaar zouden sterven. + +En de mooie Giannita kwam hevig ontsteld, schreiende bij donna Micaela +en klaagde, dat het San Pasquale was die de klokken luidde. + +"O, God, o God, indien het slechts een ander was geweest dan San +Pasquale! + +"Hij ziet dat ons iets ontzettends dreigt," zei Giannita. "De nevel +verhindert hem niet om zoo ver te zien als hij wil. Hij ziet, dat +een vijandelijke vloot op zee nadert, hij ziet, dat er een aschwolk +uit den Etna opstijgt, die op ons zal neervallen en ons zal begraven." + +Maar donna Micaela lachte en meende, dat zij wel wist waaraan San +Pasquale dacht. + +"Hij luidt de doodsklok over de schoone amandelbloemen, die door den +regen verwoest worden," zei ze tegen Giannita. + +Zij liet zich door niemand beangstigen, omdat zij geloofde, dat de +klokken slechts voor haar luidden. Ze wiegden haar in droomen. Zij +zat stil in de muziekzaal en liet de vreugde in haar opstijgen. + +Maar de gansche wereld rondom haar was in vrees, onrust en angst. + +Nu kon men niet meer stil bij den arbeid blijven. Men kon aan niets +anders denken dan aan de ramp die San Pasquale voorspelde. + +En de bedelaars kregen meer geschenken dan ooit te voren; maar zij +verheugden zich niet daarover, daar zij niet geloofden, dat zij een +volgenden dag zouden beleven. En de priesters waren niet verheugd, +hoewel zij zoo vele biechtelingen hadden, dat zij den ganschen dag +in den biechtstoel moesten zitten en ofschoon gave na gave gestapeld +werd op het altaar der heiligen. + +Zelfs Vicenzo de Lozza, de briefschrijver, was niet blijde met dezen +dag, ofschoon men zijn schrijftafel onder de loggia van het raadhuis +belegerde en hem gaarne een soldo per woord wilde betalen, indien men +slechts op dezen dag des oordeels een afscheidswoord aan de beminde +afwezigen geschreven kreeg. + +En 't was onmogelijk school te houden, want de kinderen schreiden +den ganschen tijd. Maar tegen den middag kwamen de moeders met een +gelaat, verstijfd van ontzetting, en namen de kleinen mee naar huis, +opdat men tenminste bij elkaar zou zijn, indien er iets gebeurde. + +Eveneens hadden alle leerjongens bij de schoenmakers en kleermakers een +vrijen dag. Maar de arme knapen waagden het niet daarvan te genieten, +ze bleven liever stil op de werkplaats om te wachten. + +En de klokken bleven tot in den namiddag doorluiden. + +Aan de poort van het palazzo Gerazi, waar nu slechts bedelaars wonen, +verhief zich de oude poortwachter, die zelf een bedelaar was en gekleed +ging in de ellendigste lompen, en trok zijn lichtgroene livrei aan, +die hij slechts droeg op feestdagen en op den geboortedag des konings. + +En niemand kon hem daar in de poort zien zitten in zijn feestgewaad, +zonder door vrees aangegrepen te worden, want men wist, dat de +grijsaard verwachtte, dat geen geringer heer dan de ondergang zelf, +door de poort zou gaan, die hij bewaakte. + +En de angst ging gelijk een besmetting van mensch tot mensch. Zoo +liep de arme Torino, die eens een welgesteld man was geweest, van +huis tot huis en riep dat de tijd nu gekomen was, dat allen die hem +bedrogen en bestolen hadden hun straf zouden ontvangen. Hij ging in +al de kleine winkels aan de corso, sloeg met de vuist op de toonbank +en zei, dat nu allen in de stad hun vonnis zouden krijgen, omdat ze +meegeholpen hadden hem te bedriegen. + +En even beangstigend was het, wat men hoorde van het speelgezelschap +in café Europa. Daar hadden dezelfde vier spelers jaar in jaar uit +aan de speeltafel gezeten, en men had nooit gedacht dat ze iets anders +konden doen dan spelen. Maar nu lieten ze plotseling de kaarten vallen +en beloofden elkaar, dat indien ze in 't leven bleven na dezen dag +der verschrikking ze de kaarten nooit meer zouden aanraken. + +Donna Elisa's winkel stond vol menschen, en om de heiligen te bewegen +het dreigende gevaar af te wenden, kochten ze al de heilige zaken, +die donna Elisa te verkoopen had. Maar donna Elisa dacht slechts +aan Gaetano, die reeds vertrokken was en zij meende dat San Pasquale +voorspelde dat hij op reis zou omkomen. + +En zij verheugde zich volstrekt niet over al het geld, dat zij +verdiende. + +Maar toen de klokken van San Pasquale den ganschen namiddag bleven +doorluiden, kon men nauwelijks het leven uithouden. + +Want nu wist men dat zij een aardbeving voorspelden, en dat geheel +Diamante verwoest zou worden. + +In de stegen, waar zelfs de huizen bang schenen te zijn voor de +aardbeving en zich tegen elkander aandrukten om elkander te steunen, +zetten de menschen hun armzalige oude meubels in den regen op straat +en spanden daarboven een tent van beddelakens. En ze droegen zelfs +de kleine kinderen in hun wiegen naar buiten en wierpen doeken over +hen heen. Trots den regen was er zulk een gedrang op de corso, dat +men er nauwelijks door kon komen. Want een ieder wilde door de Porta +Etnea gaan om de klokken te zien slingeren en zwaaien en om zich te +overtuigen, dat niemand aan het touw trok, maar dat dit voortdurend +vastgebonden was. En allen die buiten kwamen vielen op hun knieën op +den weg, waar het water in stroomen naar beneden bruiste en de modder +grondeloos was. + +De deuren van San Pasquale's kerk waren als altijd gesloten, maar daar +buiten ging de oude monnik fra Felice tusschen de biddenden rond met +een koperen schaal om de gaven in ontvangst te nemen. + +In optocht trokken de verschrikte menschen naar het beeld van San +Pasquale onder den steenen baldakijn en kusten hem de hand. Een oude +vrouw droeg heel voorzichtig iets, dat ze met een groene parapluie +beschermde. Het was een glas, gevuld met water en olie, waarop een +pitje dreef dat met zwakken glans lichtte. Dat plaatste zij vóór het +beeld, en daarna zonk ze er voor op de knieën. Hoewel velen vonden, +dat men trachten moest de klokken vast te binden, was er niemand, +die den moed had het voor te stellen. Want men waagde het niet Gods +stem tot zwijgen te brengen. + +Ook durfde niemand zeggen, dat het een list van den ouden fra Felice +kon zijn om geld te verzamelen. Fra Felice was bemind, en degene, +die dat zei, zou slecht te pas zijn gekomen. + +Ook donna Micaela kwam naar San Pasquale, ze had haar vader bij +zich. Zij liep met fier opgeheven hoofd en geheel zonder vrees. + +Zij kwam tot San Pasquale om hem te danken, hem die den grootsten +hartstocht in haar ziel luidde. + +"Mijn leven begint dezen dag," zei ze tot zichzelf. En het scheen ook +niet, dat don Ferrante angstig was, maar boos en kwaad was hij! Want +allen gingen naar zijn winkel om hem te zeggen wat zij van 't klokgelui +dachten en hem te vragen naar zijn meening, omdat hij een der Alagona's +was, die zoo lange jaren over de stad geregeerd hadden. + +Den ganschen dag kwamen bevende, angstige menschen in zijn winkel. En +allen zeiden tegen hem: + +"Welk een vreeselijk klokgelui, don Ferrante. Wat zal er van ons +worden, don Ferrante?" + +Er was nauwelijks één der inwoners van de stad, die niet in don +Ferrante's winkel kwam om hem te raadplegen. Zoo lang het klokgelui +duurde, hingen ze over de toonbank zonder voor zooveel als een soldo +te koopen. + +Zelfs Ugo Favara, de zwaarmoedige advocaat, kwam in zijn winkel, +nam een stoel en ging achter de toonbank zitten. En den ganschen dag +bleef hij daar, doodsbleek, volkomen onbeweeglijk, de ondraaglijkste +smarten lijdend zonder een woord te spreken. + +Maar elke vijf minuten kwam Torino il Martello binnen, sloeg met +de vuist op de toonbank en zei, dat nu het uur gekomen was, dat don +Ferrante zijn straf zou ontvangen. + +Don Ferrante was een harde man, maar hij kon de klokken evenmin +ontloopen als iemand anders. En hoe langer hij ze hoorde, hoe +meer hij zich verwonderde, dat alle menschen juist zijn winkel +binnenstroomden. Het was alsof ze iets daarmee bedoelden. + +'t Was alsof zij hem aansprakelijk wilden stellen voor het klokgelui +en voor de ramp, die het voorspelde. + +Hij had het aan niemand gezegd, maar zijn vrouw had het zeker +verspreid. Hij begon te gelooven, dat allen aan hetzelfde dachten, +ofschoon zij niet waagden het te zeggen. Hij dacht, dat de advocaat +er op zat te wachten, dat hij zou toegeven. Hij geloofde, dat de +geheele stad kwam om te zien of hij werkelijk zijn schoonvader durfde +wegzenden. + +Donna Elisa, die het zoo druk had in haar eigen winkel, dat zij zelf +niet kon komen, zond gedurig de oude Pacifica naar hem om te vragen, +wat hij dacht van het klokgelui. En de pastoor kwam ook een oogenblik +in zijn winkel en zeide evenals alle anderen: + +"Hebt ge ooit zulk een vreeselijk klokgelui gehoord, don Ferrante?" + +En don Ferrante zou gaarne geweten hebben of de advocaat en don Matteo +en al de anderen slechts kwamen om hem te verwijten, dat hij cavaliere +Palmeri wilde wegzenden. + +'t Bloed begon aan zijn slapen te kloppen. De winkel begon met hem +rond te draaien. En onophoudelijk kwam er iemand binnen om te vragen: + +"Hebt ge ooit zulk een vreeselijk klokgelui gehoord?" + +Maar wie niet kwam was donna Micaela. Zij kwam niet, omdat zij +volstrekt geen angst gevoelde. Zij was slechts trotsch en opgetogen, +dat de hartstocht nu was gekomen, die haar gansche leven vullen zou. + +"Nu zal ik leven het groote en machtige leven," zei zij. En het +ontstelde haar, dat zij tot nu toe slechts een kind was geweest. Zij +zou vertrekken met den postwagen, die om tien uur 's avonds voorbij +Diamante kwam. Toen het tegen vier uur liep, dacht zij dat zij nu +alles aan haar vader moest zeggen, en zijn goed moest inpakken. + +Maar ook dit scheen haar niet moeilijk. Haar vader zou haar spoedig +nakomen naar Argentinië. Zij zou hem vragen eenige maanden geduld +te hebben tot ze een thuis hadden om hem aan te bieden. En zij was +overtuigd, dat hij het goed zou keuren, dat zij don Ferrante verliet. + +Zij was in een zalige vervoering. Alles wat haar vreeselijk moest +schijnen, bestond niet meer voor haar. + +Geen schaamte, geen gevaar, neen niets meer. + +Zij verlangde slechts het ratelen van den naderenden postwagen +te hooren. + +Toen klonken er vele stemmen op de trap, die van den binnenhof naar de +woning leidde. Zij hoorde het geluid van vele zware voetstappen. Zij +zag menschen gaan door de open zuilengangen, die rondom den binnenhof +liepen en waardoor men moest gaan om in de vertrekken te komen. Zij +zag dat zij iets zwaars droegen maar zij kon niet onderscheiden, +wat het was, omdat er zoo veel menschen waren. + +De bleeke advocaat liep vooruit, en zeide haar, dat don Ferranto +Torino uit den winkel had willen jagen, maar dat deze hem toen met +zijn mes verwond had. + +Het was niet gevaarlijk. Don Ferrante was reeds verbonden en zou na +veertien dagen geheel hersteld zijn. + +Don Ferrante werd nu naar binnen gedragen, en zijn blikken dwaalden +in het rond, niet om donna Micaela, maar om cavaliere Palmeri te +zoeken. Toen hij hem zag, deed hij zonder een woord te spreken, met +eenige handgebaren zijn vrouw verstaan, dat haar vader nooit zijn +huis zou behoeven te verlaten, nooit! nooit! + +Toen drukte donna Micaela de handen tegen de oogen. Hoe? haar vader +zou niet vertrekken? Zij was dus gered. Er was een wonder geschied +om haar te helpen. O, nu moest zij verheugd, gelukkig zijn! + +Maar dat was zij niet. Zij voelde een heftige smart. + +Zij kon niet weggaan. Haar vader zou blijven en dus moest zij don +Ferrante trouw zijn. Zij deed moeite om die gedachte te begrijpen. Het +was zoo. + +Zij kon niet vertrekken. + +Zij trachtte het op een andere wijze te verklaren. Misschien was +dit een valsche gevolgtrekking. Zij was zoo verward. Neen, neen, +het was zoo, zij kon niet weggaan. + +Toen gevoelde zij zich zoo nameloos moede. Zij had immers gereisd en +gereisd den ganschen dag. Zij was zoo lang onderweg geweest. En nu zou +zij nooit gaan. Zij zonk ineen, een bezwijming nabij. Er bleef haar +niets over dan te rusten na de verre reis, die zij gemaakt had. Maar +dat zou zij zeker nooit kunnen. Zij begon te weenen, omdat zij nu +nooit zou gaan. Gedurende haar geheele leven zou zij reizen en reizen +en toch nooit vertrekken kunnen. + + + + + + +VIII. + +TWEE CANZONES. + + +Het was de morgen na den dag, dat San Pasquale's klokken geluid hadden +en donna Elisa zat in haar winkel geld te tellen. Den vorigen dag, +toen alle menschen zoo angstig waren, had zij ongelooflijk veel +verkocht, en 's morgens, toen zij in haar winkel kwam, was zij +bijna verschrokken. Want de geheele winkel was als uitgeplunderd, +de medaillons waren weg, de waskaarsen waren weg en evenzoo de groote +trossen rozenkransen. Al die mooie heiligenbeeldjes van Gaetano waren +van de planken gehaald en verkocht, en het deed donna Elisa werkelijk +veel verdriet, niet meer deze groote schare heilige mannen en vrouwen +om zich heen te zien. + +Toen trok zij de geldlade uit en die was zoo boordevol, dat zij die +nauwelijks kon openschuiven. En terwijl zij haar geld telde, schreide +zij, alsof al de geldstukken valsch waren. Want wat baatte het haar al +deze vuile bankbiljetten en deze groote bronzen munten te bezitten, +nu zij Gaetano verloren had! En zij dacht dat indien hij slechts één +dag langer in huis was gebleven, hij niet had behoeven te vertrekken, +want nu had zij geld in overvloed. + +Terwijl ze daar zoo zat, hoorde zij den postwagen voor haar deur +stilhouden. + +Maar zij keek niet eens op, wat gaf zij er om wat er gebeurde, +nu Gaetano weg was. Toen werd de deur geopend, de winkelbel luidde +hevig. Ze schreide slechts en telde. Toen zei iemand: + +"Donna Elisa! Donna Elisa!" + +'t Was Gaetano. + +"Mijn God, waarom ben je teruggekomen?" riep zij. + +"Ge hebt immers al uw beelden verkocht, ik ben thuis gekomen om nieuwe +beelden voor u te snijden." + +"Maar hoe weet je dat?" + +"Ik was vannacht om twee uur bij den postwagen. Rosa Alfari heeft +mij alles verteld." + +"Hoe gelukkig, dat je naar den postwagen ging! Hoe gelukkig, dat je +den inval kreeg om naar den postwagen te gaan!" + +"Ja, was dat niet gelukkig," zei Gaetano. + +Nauwelijks een uur later stond Gaetano weer in zijn werkplaats en donna +Elisa die niets in haar leegen winkel te doen had, kwam onophoudelijk +in de deur der werkplaats om naar hem te kijken. + +Neen, dat hij nu werkelijk daar weer stond te snijden! Ze kon geen +vijf minuten voorbij laten gaan, zonder naar hem te kijken. + +Maar toen donna Micaela hoorde, dat Gaetano weer terug was, voelde +zij geen vreugde, maar veeleer toorn en wanhoop. + +Want zij was bang, dat hij als een verleider zou komen om haar te +verlokken. + +Zij had immers gehoord dat een rijke Engelsche dame naar Diamante +was gekomen op den dag, dat San Pasquale's klokken geluid hadden. + +En zij was zeer getroffen, toen zij hoorde dat het juist de dame met +het Christusbeeld was. Hij was dus dadelijk gekomen, toen zij hem +aangeroepen had. + +De regen en het klokgelui was zijn werk! + +Zij trachtte haar hart te verblijden met de gedachte, dat er een +wonder was geschied om harentwille. + +Het moest haar meer zijn dan alle aardsch geluk en liefde, dat zij +zich omgeven gevoelde door Gods genade. Zij wilde niet dat eenig +aardsch gevoel haar rukken zou uit deze gezegende geestvervoering. + +Maar toen zij Gaetano op straat ontmoette, zag hij nauwelijks naar +haar en wanneer zij hem trof bij donna Elisa gaf hij haar niet de +hand en sprak in het geheel niet tot haar. + +Want de waarheid was, dat hoewel Gaetano thuis was gekomen, omdat +het hem te zwaar viel zonder donna Micaela te vertrekken, hij haar +niet wilde verleiden of verlokken. + +Hij zag dat zij onder bescherming der heiligen stond en zij was hem +zoo heilig geworden, dat hij nauwelijks waagde van haar te droomen. + +Hij wilde in haar nabijheid zijn, niet om haar lief te hebben, +maar omdat hij geloofde dat uit haar leven heilige daden zouden +opbloeien. Gaetano verlangde naar een wonder, gelijk een bloemkweeker +smacht naar de eerste roos in de lente. + +Maar toen de weken gingen en Gaetano nooit donna Micaela trachtte +te naderen, begon ze te twijfelen en te denken, dat hij haar nooit +had liefgehad. Zij zeide tot zichzelf dat hij haar de belofte, om +met hem te vluchten, slechts ontlokt had om haar te toonen, dat de +Madonna wel een wonder kon verrichten. + +Maar als dat zoo was, begreep ze niet, waarom hij zijn reis niet +vervolgd had, maar teruggekeerd was. + +Dat veroorzaakte haar onrust. Zij meende haar liefde niet te kunnen +bedwingen, indien zij niet wist dat Gaetano haar liefhad. Zij woog +het voor en het tegen, en ze werd al meer overtuigd, dat hij haar +nooit had liefgehad. Terwijl donna Micaela dit dacht moest zij don +Ferrante gezelschap houden, hij was lang ziek geweest, en had een paar +aanvallen van beroerte gehad. Hij was van het ziekbed opgestaan als +een gebroken man. Opeens was hij oud, stompzinnig en bang geworden, +zoodat hij nooit meer alleen durfde zijn. Hij ging nooit meer naar +den winkel, in alles was hij een geheel ander mensch geworden. + +Een groote lust om voornaam en schitterend te zijn had zich van hem +meester gemaakt. + +Het scheen alsof de arme don Ferrante door hoogmoedswaanzin aangegrepen +was. + +Donna Micaela was zeer goed voor hem en zat urenlang met hem te tobben. + +"Wie zou dat zijn," placht zij hem te vragen, "die eens op de markt +stond met pluimen op den hoed, tressen op de uniform, en een sabel op +zij en die zoo schoon speelde, dat men zei, dat zijn muziek verheven +was als de Etna en machtig als de zee? En wie was het, die toen een +arme signorina in rouwgewaad zag, die het niet waagde haar gelaat aan +de menschen te toonen en haar den arm bood? Wie kon dat zijn? Kon het +don Ferrante zijn, die de gansche week in een kort buis en puntige +muts in zijn winkel stond? Neen, dat kon niet mogelijk zijn. Zoo iets +kon een oude koopman niet doen! + +Don Ferrante lachte. Juist zóó wilde hij dat men tegen hem sprak. Zij +moest hem ook vertellen hoe het zou zijn, als hij aan het hof kwam. + +Wat de koning en wat de koningin zou zeggen. + +"De oude Alagona's zijn dus tot nieuw leven gekomen," zou er aan het +hof gezegd worden. + +"Wie heeft het geslacht doen herleven?" En men zou vragen en +vragen. Die don Ferrante, vorst van Sicilië en grande van Spanje, +is dat dezelfde man, die in zijn winkel te Diamante stond en de +voerlieden uitschold? + +"Neen," zou men zeggen, "dat kan niet dezelfde man zijn. Het kan +onmogelijk dezelfde zijn." + +Dit vond don Ferrante prettig, en hij wilde hebben dat zij zoo dag in, +dag uit met hem sprak. + +Het verveelde hem nooit en donna Micaela was zeer geduldig jegens hem. + +Maar eens toen zij zoo met den zieke zat, kwam donna Elisa binnen. + +"Schoonzuster, indien gij de legende van de heilige maagd van Pompeje +bezit, wilt ge mij die dan leenen?" vroeg zij. + +"Wat! wilt gij gaan lezen?" zei donna Micaela. + +"De hemel beware mij, ge weet wel, dat ik niet lezen kan. 't Is voor +Gaetano, dat ik het u vraag." + +Donna Micaela bezat de legende van de heilige maagd van Pompeje +niet. Maar dat zei ze donna Elisa niet; zij ging naar haar boekenrek en +nam een klein boek, dat een verzameling Siciliaansche liefdesliederen +bevatte, en gaf dat aan donna Elisa, die het weer aan Gaetano bracht. + +Maar nauwelijks had donna Micaela dit gedaan of een hevig berouw +maakte zich van haar meester. + +Zij vroeg zich af wat zij bedoeld had door zoo te handelen, zij, +die geholpen was door het heilige Christuskind. + +Zij bloosde van schaamte toen zij er aan dacht dat ze een teeken had +gezet bij een der kleine liederen, dat zoo luidde: + + + O, had ik antwoord op één enkle vrage! + 'k Heb het gevraagd aan den dag, aan de sterren, + Zelfs aan de vogelenschaar en de wolken. + 'k Goot reeds het lood in het kokende water, + Blaadje na blaadje der bloeme ik plukte. + 'k Lokte de zwarte, de waarzegster buiten, + 'k Smeekte ten slotte de engelenscharen. + Mint hij mij nog, gelijk eens hij wel deed? + + +Zij had zeker gehoopt dat zij antwoord zou krijgen. + +Haar geschiedde recht indien Gaetano haar verachtte en haar onbeschaamd +noemde. + +Toch had zij niets kwaads bedoeld. Het eenige dat zij begeerd had, +was te weten of Gaetano haar liefhad. + +Weer verliepen eenige weken en donna Micaela zat nog steeds bij +don Ferrante. + +Maar op een dag had donna Elisa haar mee naar buiten gelokt. + +"Ga met mij mede naar mijn tuin, schoonzuster, en kijk eens naar mijn +grooten magnolieboom. + +"Ge hebt nog nooit zoo iets moois gezien." + +En zij was met donna Elisa naar den tuin gegaan. + +Donna Elisa's magnolie was gelijk de stralende zon, die men voelt +vóórdat men haar ziet. Op verren afstand zweefde de geur reeds in de +lucht en het was een gegons van bijen en een gekweel van vogels! + +Toen donna Micaela den boom zag, kon zij nauwlijks ademhalen. Hij +was heel hoog en groot van een schoonen regelmatigen groei en zijn +groote, breede bladeren hadden een frissche donkergroene kleur. Maar +nu was hij geheel bedekt met groote rose bloemen, die hem versierden +en verlichtten, zoodat men meende, dat hij in feestgewaad was en men +voelde hoe er een meesleepende vreugde van uit den boom stroomde. Donna +Micaela werd als bedwelmd, zij voelde hoe een vreemde onweerstaanbare +macht zich van haar meester maakte. Zij trok een der rechte takken +naar zich toe, spreidde de bloemen uiteen en zonder deze af te breken, +begon zij met een naald letters te prikken in de bloembladeren. + +"Wat doet ge daar, schoonzuster?" vroeg donna Elisa. + +"Niets, niets." + +"In mijn tijd plachten de jonge meisjes minnebrieven te prikken in +de magnoliebloemen." + +"Misschien doen zij dat nog." + +"Neem u in acht, ik zal het nakijken, zoodra ge vertrokken zijt." + +"Gij kunt immers niet lezen." + +"Maar ik heb Gaetano toch." + +"En Luca, het is 't beste, dat ge u tot Luca wendt." + +Maar toen donna Micaela thuis kwam, had zij berouw. Zou donna Elisa +werkelijk de bloem aan Gaetano toonen? Neen, neen, donna Elisa was +daarvoor te verstandig. Maar indien hij haar gezien had van uit +het raam van zijn werkplaats? Nu ja, hij zou haar wel geen antwoord +geven. Maar zij maakte zich belachelijk. + +Neen nooit, nooit meer zou zij zoo iets doen. Het was immers het +beste voor haar, dat zij niets wist. En toch was zij verlangend naar +het antwoord dat zij krijgen zou. Maar er kwam geen antwoord. + +En zoo verliep er weer een week. Toen kreeg don Ferrante den inval, +dat hij 's middags wilde rijden. In het wagenhuis van het zomerpaleis +was een ouderwetsche galakoets, die zeker meer dan honderd jaar oud +was. Die was zeer hoog, met een zeer kleinen en nauwen wagen, die in +leeren riemen schommelde tusschen de achterwielen, welke zoo groot +waren als het waterrad van een molen. + +Die koets was wit gelakt met gouden randen, de banken waren bekleed +met rood pluche, en op de portieren waren wapens geschilderd. + +Eens was het een groote eer geweest in dien wagen te rijden, en +als de oude Alagona's door de corso reden, stroomden de menschen +uit hun huizen of hingen over hun balkons om hen te zien. Maar toen +werd die getrokken door vlugge paarden van Berberie, toen droeg de +koetsier een pruik en de bedienden livrei, en ze reden met geborduurde +leidsels. Maar nu wilde don Ferrante zijn oude paarden voor de koets +spannen, en zijn ouden winkelbediende op den bok zetten. + +Toen donna Micaela hem zei, dat dit niet kon, begon don Ferrante te +schreien. Wat zou men wel van hem denken indien hij zich 's middags +niet in zijn wagen op de corso vertoonde. + +Dat was immers het laatste, wat een voornaam man naliet. Hoe zou +iemand begrijpen dat hij een man van hooge geboorte was, indien hij +niet op en neer reed in den ouden wagen der Alagona's? + +Het was het gelukkigste oogenblik, dat don Ferrante na zijn ziekte +genoot, toen hij voor de eerste maal uitreed. + +Hij zat rechtop en boog en knikte zeer genadig naar alle kanten. En +de menschen van Diamante bogen en namen den hoed zoo diep af, dat +deze over den grond sleepte. Waarom zou men don Ferrante deze vreugde +niet gunnen? + +Donna Micaela reed ook mee, want don Ferrante waagde het niet alleen +te rijden. Zij was niet gaarne meegegaan, maar toen had don Ferrante +geschreid en haar er aan herinnerd, dat hij haar gehuwd had, toen +zij arm en veracht was. Zij moest niet ondankbaar zijn en vergeten +wat hij voor haar gedaan had. En waarom wilde zij niet in zijn wagen +rijden? Het was de mooiste oude wagen van gansch Sicilië. + +"Waarom wil je niet met mij rijden?" zei don Ferrante. "Vergeet niet, +dat ik de eenige ben, die je liefheeft. Zie je niet dat je vader niet +eens van je houdt? Je moet niet ondankbaar zijn." + +Op deze wijze had hij donna Micaela gedwongen plaats te nemen in den +ouden galawagen. + +Maar het ging in 't geheel niet, zooals zij verwacht had. Er was +niemand die lachte. De vrouwen negen even diep en de mannen bogen +even statig alsof de wagen honderd jaar jonger was geweest. En donna +Micaela kon op geen enkel gelaat een glimlach bespeuren. + +In geheel Diamante zou er geen mensch te vinden zijn, die zou hebben +willen lachen. Want men wist heel goed hoe veel donna Micaela te +stellen had met don Ferrante. + +Men wist hoe lief hij haar had en hoe hij schreide, als zij hem +slechts een oogenblik verliet. Men wist ook hoe hij haar kwelde met +zijn jaloezie en haar hoeden vertrapte, als deze haar goed stonden, +en haar nooit geld gaf voor nieuwe kleeren, opdat niemand haar schoon +vinden en haar liefhebben zou. Maar tegelijkertijd zei hij haar altijd, +dat zij zoo leelijk was, dat niemand anders dan hij het kon uithouden +haar gezicht dagelijks te zien. En omdat men dit alles wist, was er +niemand in Diamante die lachte. + +Haar uitlachen, die zich zoo aftobde met een zieken man! + +De menschen in Diamante waren vrome Christenen en geen barbaren. + +Zoo reed de galawagen tusschen vijf en zes uur in zijn oude verbleekte +pracht de corso op en neer. In Diamante reed die geheel alleen, want +behalve deze waren er geen voorname wagens, maar men wist toch dat +op denzelfden tijd alle equipages in Rome naar Monte Pincio reden, +en in Napels naar Villa Nazionale en te Florence naar de Cascines en +in Palermo naar La Favorite. Maar toen de wagen voor de derde maal +naar de Porta Etnea reed, weerklonk er een vroolijk hoorngeschal. En +door de poort zwaaide een groote, hooge jachtwagen in Engelschen stijl. + +Die moest ook voor ouderwetsch doorgaan. De postillon die als +voorrijder op een groot paard reed, droeg een pruik en een lederen +broek. De wagen geleek op een oude diligence, met een hooge, dichte +coupé, waarop de reizigers zaten. + +Maar alles was nieuw, de paarden waren schoone, sterke dieren, +de wagen en het tuig glansden en de reizigers zelf waren eenige +jonge heeren en dames uit Catania, die een uitstapje op den Etna +maakten. En zij konden niet nalaten te lachen, toen zij den ouden +galawagen voorbijreden. Zij bogen over het hek van den wagen om er +naar te zien, en hun lachen klonk zeer luid en helder tusschen de +hooge, stille huizen van Diamante. + +Donna Micaela gevoelde zich plotseling zeer ongelukkig. + +Ze herkende in de reizigers haar oude kennissen. Wat zouden zij zeggen, +als zij thuis kwamen? + +"Wij hebben Micaela Palmeri in Diamante gezien," en dan zouden zij +vertellen en lachen, en vertellen en lachen. + +Haar geheele leven scheen haar één groote ellende. Zij was niets +anders dan de slavin van een dwaas. Haar gansche leven zou zij niets +anders doen dan tobben met don Ferrante. + +Toen zij thuis kwam, was zij geheel uitgeput. Zij was zoo moede en +krachteloos, dat zij zich nauwelijks de trappen op kon sleepen. + +Onderwijl prees don Ferrante zijn geluk, dat hij deze voorname +menschen ontmoet had, en dat zij zijn staatsie gezien hadden. Hij +zei tot donna Micaela, dat nu niemand er meer naar vragen zou of zij +leelijk was en of haar vader gestolen had. Nu wist men dat zij de +echtgenoote was van een voornamen heer. + +In den namiddag zat donna Micaela stil bij don Ferrante en liet haar +vader met hem spreken. Toen begon een mandoline zacht te zingen onder +de vensters van het zomerpaleis. Het was een enkele mandoline zonder +begeleiding van een gitaar of viool. + +Niets kon zoo teeder en luchtig zijn, niets lieflijker of +roerender. Men kon niet gelooven dat het menschelijke handen waren, +die de snaren der mandoline aanraakten. Het was alsof de bijen, +krekels en sprinkhanen een concert gaven. + +"Er is weer iemand verliefd op Giannita," zei don Ferrante. "Dat +is nog eens een vrouw, die Giannita! Ieder kan zien dat zij mooi +is. Als ik jong was, zou ik ook verliefd worden op Giannita. Zij weet +te beminnen." + +Donna Micaela zweeg. Hij had gelijk, dacht zij. De mandolinespeler +minde Giannita. Dezen avond was Giannita thuis bij haar moeder, +anders woonde zij nu in het zomerpaleis. + +Donna Micaela had in dit opzicht haar wil doorgedreven, nadat don +Ferrante zoo lastig was geworden. + +Maar wie het dan ook gold, het mandolinespel behaagde donna +Micaela. Het klonk zoo liefelijk, zacht en vertroostend. Ze ging stil +naar haar kabinet om beter te kunnen luisteren in de eenzaamheid. + +En sterke zoete geur sloeg haar tegemoet. Wat was dat? Haar handen +begonnen te beven, voordat ze een kaars en lucifer vond. Op haar +werktafel lag een groote, wijd opengesprongen magnoliebloem. + +Op één der bladen was geprikt: + +"Wie heeft mij lief?" En nu stond daaronder: + +"Gaetano." + +Naast de bloem lag een klein wit boek met liefdesliederen. + +Bij een der kleine canzones stond een teeken: + + + Nooit van mijn liefde heeft iemand geweten. + Heimlijk en stil werd des nachts zij geboren, + Zachtjes toch slopen mijn droomen tot u. + Gierig bewaakte ik angstig mijn schat. + Spoedt zich mijn biechtvader eens naar mijn sterfbed, + Zullen mijn lippen 't geheim nog bewaren. + Sluitend de deur, werp 'k den sleutel in d'afgrond. + 'k Neem mijn geheim naar de eeuwigheid mee. + + +De mandoline bleef doorspelen. Er klinkt iets van frissche lucht +en zonneschijn in den klank der mandoline. Iets dat verkwikt en +versterkt. Iets van de vertroostende zorgeloosheid der schoone natuur. + + + + + + +IX. + +DE VLUCHT. + + +In dezen tijd bevond het kleine beeld van Aracoeli zich nog in +Diamante. + +De Engelsche dame die het beeld bezat, was zoo verrukt over Diamante, +dat zij het niet verlaten kon. Zij had voor haar rekening de geheele +eerste verdieping van het hotel gehuurd, en die geheel voor zich +ingericht. Zij kocht voor groote sommen alles wat ze maar kon +krijgen aan oud aardewerk en oude munten. Zij kocht mozaïekwerk, +altaarschilderijen en heiligenbeelden. Toen kreeg zij den inval, dat +zij zich een verzameling wilde aanschaffen van alle heiligen der kerk. + +Zij hoorde spreken van Gaetano en zond hem een boodschap, dat hij +bij haar in het hotel zou komen. + +Gaetano verzamelde in der haast alles wat hij in den laatsten tijd +gesneden had en nam dat mee naar miss Tottenham. Zij was zeer tevreden +over zijn kleine beelden en wilde ze alle koopen. + +Maar de vertrekken van de Engelsche dame waren gelijk de rommelkamers +van een museum. Al het mogelijke werd daarin gevonden, maar alles +was wanordelijk en slordig. Daar stonden halfvolle koffers, daar +hingen mantels en hoeden, daar lagen schilderijen en gravures, daar +waren reisboeken, theeserviezen en spiritustoestellen, daar werden +hellebaarden, misboeken, mandolines en wapenschilden gevonden. + +Dat opende Gaetano de oogen. Hij bloosde plotseling, beet zich op de +lippen, en begon zijn beelden in te pakken. + +Hij had een beeld van het Christuskind gezien; het was het verworpen +beeld, dat midden tusschen al die wanorde stond, met zijn kroon vol +deuken op het hoofd en zijn koperen schoentjes aan de voeten. De +verf was van zijn gezicht verdwenen, de ringen en sieraden, die +hem bedekten, waren verroest, en zijn kleertjes waren geel van +ouderdom. Toen Gaetano dit zag, wilde hij zijn beelden niet aan miss +Tottenham verkoopen, maar stil heengaan. + +En toen zij hem vroeg wat hem deerde, voer hij tegen haar uit: + +"Wist zij dat vele der zaken, die zij bezat, heilig waren? Wist zij +of wist zij niet, dat dit het heilige Christuskind zelf was? En zij +had het drie vingers van de eene hand laten verliezen en de steenen +uit zijn kroon laten vallen, en het daar vuil, verroest en ontheiligd +laten liggen. Indien zij zoo het beeld van Gods zoon behandelde, +hoe zou ze dan niet alle andere verwaarloozen? Hij wilde haar geen +heiligenbeelden verkoopen." + +Toen Gaetano op deze wijze tegen miss Tottenham uitvoer was ze verrukt, +verrukt! + +Hier was het ware geloof en heilige toorn. + +Deze jonge man moest kunstenaar worden. + +Naar Engeland moest hij gaan. Zij wilde hem naar den grooten meester +zenden, haar vriend, die de kunst trachtte te herscheppen; naar hem +die den menschen wilde leeren schoon huisraad, schoone kerkinrichtingen +te vervaardigen, en die een heele schoone wereld wilde scheppen. + +Zij regelde en schikte alles en Gaetano liet haar stil geworden, +omdat hij nu liefst Diamante wilde verlaten. + +Hij zag dat hij het leven daar niet meer kon uithouden en hij geloofde +dat het God was, die hem aan de verleiding onttrok. + +Hij verliet Diamante geheel onbemerkt. Donna Micaela wist nauwelijks +iets van de geheele zaak, vóórdat hij weg was. Hij had het niet +gewaagd bij haar te komen om afscheid te nemen. + + + + + + +X. + +DE SIROCCO. + + +Hierna verliepen twee jaren volkomen stil. Het eenige, dat in +Diamante en op geheel Sicilië gebeurde, was dat de menschen al armer +en armer werden. + +Toen brak de herfst aan, en het was de tijd, dat de wijn geoogst +moest worden. + +In dien tijd plegen de lieflijke canzones van de lippen te stroomen; +in dien tijd springen er nieuwe en schoone melodieën uit de mandoline. + +Dan pleegt de jeugd in scharen naar de wijngaarden te trekken, en er +is arbeid en gelach den ganschen dag, dans en gejubel den geheelen +nacht en men weet niet meer wat slaap is. + +Dan koepelt de blauwe luchtzee zich schooner dan ooit boven den +berg. Dan tintelt de lucht van vroolijke invallen, dan vliegen +fonkelende blikken als bliksemstralen door de lucht, dan ontvangt +deze niet alleen warmte en licht van de zon, maar ook van de stralende +gezichten der jonge vrouwen van den Etna. + +Maar in dezen herfst waren alle wijngaarden verwoest door de +phylloxera. Geen druivenplukker drong zich tusschen de wijnranken, +geen lange rij van vrouwen met volle manden op het hoofd kronkelde zich +naar de wijnpers en 's nachts werd er niet gedanst op de platte daken. + +In dezen herfst welfde zich geen klare, heldere Octoberlucht boven den +Etna. En als om de natuur in overeenstemming te brengen met den nood, +kwam de beklemmende verstijvende woestijnwind van Afrika, stof en nevel +met zich voerend, en verdonkerde het gansche luchtruim. Nooit, zoo +lang deze herfst duurde, voelde men een frisschen bergwind. Voortdurend +blies de met ongeluk bezwangerde sirocco. + +Soms was die zoo droog en stoffig, en zoo verschroeiend heet, dat +men de deuren en vensters sluiten en in huis moest blijven om niet +te versmachten. + +Maar meestal was die lauw, vochtig en drukkend. En de menschen kenden +geen rust, de zorg verliet hen dag noch nacht en de ellende stapelde +zich boven hun hoofd, als de sneeuwlagen op de hooge bergen. + +En de onrust kwam ook tot donna Micaela, terwijl zij nog steeds zat +bij haar ouden man, don Ferrante. + +Gedurende dezen herfst hoorde zij nooit een lach, nooit een lied. De +menschen slopen elkaar voorbij, zoo vol toorn en vertwijfeling, +dat zij bijkans schenen te bersten. + +En zij zeide tot zich zelf, dat zij zeker zonnen op een oproer. Zij +begreep dat zij in opstand moesten komen. + +Wel zou het zeker niemand helpen, maar er bleef hun geen ander +middel over. + +In het begin van den herfst had zij op haar balkon gezeten en de +menschen op straat hooren spreken. Ze spraken altijd over den nood. + +"De oogst van het graan en van den wijn is mislukt, er is +gebrek aan zwavel en aan oranjeappels, al Sicilië's geel goud is +verongelukt. Waarvan moest men dan leven?" + +En donna Micaela begreep dat dit vreeselijk was. + +Graan, wijn, oranjeappels en zwavel, al hun geel goud! Zij begon ook +te begrijpen, dat de ellende grooter was dan de menschen konden dragen +en zij was wanhopig, dat het leven zoo hard was. + +En zij vroeg zich af waarom de menschen gedwongen waren zulke +bovenmatig hooge belastingen te betalen. Waarom moest er accijns op +zout zijn, zoodat een arme vrouw geen recht had naar het strand te +gaan om een emmer zout water te halen, maar het zout tegen hoogen +prijs moest koopen in de winkels der regeering? + +En waarom moest er een belasting op de palmboomen zijn? Nu velden de +boeren met toorn in het harte de oude boomen, wier kronen zoo lang +boven het edele eiland gewuifd hadden. En waarom moest er belasting op +de vensters zijn? Wat wilde men toch daarmee? Was het de bedoeling, +dat de arme menschen hun vensters weg zouden nemen en hun kamers +zouden verlaten om in de kelders te gaan wonen? + +In de zwavelmijnen waren werkstakingen en woelingen uitgebroken en de +regeering zond troepen om het volk te dwingen weer aan den arbeid te +gaan. Donna Micaela vroeg zich af of de regeering niet wist, dat men in +het geheel geen machines in de mijnen gebruikte. Had zij nooit gehoord, +dat het kinderen waren, die het erts uit de diepe schachten sleepten? + +De regeering wist niet, dat deze kinderen slaven waren; zij kon immers +niet weten, dat hun ouders hen verkocht hadden aan de patroons. Of +indien de regeering dit wist, waarom hielp ze dan de mijneigenaars? + +Opeens hoorde zij spreken over een ontzettende menigte misdaden. En +opnieuw begon zij te vragen: + +Waarom liet men de menschen zoo misdadig worden? + +En waarom liet men het volk tot zoo'n groote armoede en ellende +vervallen? Waarom moesten ze allen zoo ellendig zijn? Zij wist, dat +degenen, die in Palermo of Catania woonden, zoo niet behoefden te +vragen. Maar hij, die in Diamante woonde, hij kon niet nalaten te +vreezen en te vragen. Waarom liet men de menschen zoo arm worden, +dat zij stierven van den honger? + +De zomer was nauwelijks verstreken en men was nog maar in het einde +van de maand October, toen donna Micaela den dag reeds voor zich zag, +dat het oproer zou uitbreken. Ze zag de uitgehongerde menschen door +de straten aanstormen. Zij zouden de winkels plunderen en ze zouden +de huizen binnendringen der weinige rijken, die in de stad gevonden +werden. Voor het zomerpaleis zou de wilde schare staan blijven, +en langs de balkons en vensters naar binnen klimmen. + +"Hier met de juweelen der oude Alagona's, hier met don Ferrante's +millioenen!" + +Het was immers hun droom, het zomerpaleis! Ze geloofden dat het zoo +vol goud was als een sprookjesslot. Maar als zij niets vonden, zouden +zij haar het mes op de keel zetten, om haar te dwingen de schatten +uit te leveren, die zij nooit bezeten had, en zij zou vermoord worden +door de roofgierige bende. + +Waarom konden de groote grondbezitters niet thuis blijven? Waarom +moesten zij de armen verbitteren met het leiden van een weelderig +leven in Rome of in Parijs? + +Men zou hen zoo niet haten, als zij op het eiland bleven. Dan zou men +niet zulke dure en heilige eeden zweren, alle rijken te zullen dooden. + +Donna Micaela wenschte slechts dat zij kon vluchten naar één der +groote steden. Maar zoowel haar vader als don Ferrante werd in dezen +herfst ziek, en om hunnentwille was zij gedwongen te blijven, waar +zij was. En zij wist, dat zij gedood zou worden als een zoenoffer +voor de zonden der rijken tegenover de armen. + +Gedurende vele jaren hadden de ongelukken zich boven Sicilië +opeengehoopt en nu konden ze niet langer tegengehouden worden. + +Nu begon de Etna zelf te dreigen met een uitbarsting. + +De zwaveldamp gloeide 's nachts vuurrood en het onderaardsche gerommel +werd tot in Diamante gehoord. + +De wereld zou vergaan. Alles zou verwoest worden. Wist dan de regeering +niets van de stemming van het volk? O, eindelijk, eindelijk had de +regeering er kennis van gekregen, en een comité samengesteld. Het +was een groote troost, op een mooien dag de gevolmachtigden door de +corso te zien komen aanrijden. + +Indien het volk slechts begrepen had dat zij het goed met hen +meenden. Indien slechts de vrouwen niet in haar deuren hadden gestaan +en de fijne heeren van het vasteland bespot hadden, en indien slechts +de kinderen niet naast de wagens hadden geloopen en geroepen: "Dief, +dief!" Alles wat men deed verhaastte slechts het oproer. En er was +niemand die het volk leiden en kalmeeren kon. Er was geen enkele +ambtenaar, dien men vertrouwde. Degenen, die zich slechts lieten +omkoopen, waren nog de minst verachten. Maar men zei dat de meesten van +hen leden van de mafia waren. Men zei, dat zij er slechts aan dachten +zich geld en macht toe te eigenen. En naarmate de herfst verstreek, +duidden meer en meer teekenen er op, dat er iets ontzettends dreigde. + +In de couranten las men dat de arbeiders zich in de groote steden +vereenigden en door de straten trokken. En men las ook hoe de leiders +der socialisten door het land trokken en opruiende toespraken hielden, + +Opeens werd het donna Micaela duidelijk, wat de oorzaak was van alle +onrust. Het waren de socialisten, die het oproer verwekten. Het was +hun vurige taal, die de gemoederen in beweging bracht. Hoe kon men +hen dat laten doen? Wie was dan koning van Sicilië? Heette hij Da +Felice of Umberto? + +Toen greep ontzetting haar aan. + +Het was alsof men alleen tegen haar samenspande. En hoe meer zij over +de socialisten hoorde spreken, des te meer vreesde zij hen. + +Giannita trachtte haar gerust te stellen. + +"Wij hebben geen socialisten in Diamante," zei zij. "In Diamante +denkt men er niet aan om oproer te maken." + +Maar donna Micaela vroeg haar of zij niet wist wat het beteekende, +dat de oude spinsters in donkere hoeken zaten en geschiedenissen +verhaalden van de groote rooverhelden en den beruchten visscher +Giuseppe Alesi, dien men de Massaniello van Sicilië noemde? + +Indien de socialisten slechts de menschen tot oproer konden overhalen, +zou ook Diamante wel meedoen. + +Geheel Diamante wist reeds, dat iets ontzettends dreigde. Men had +den grooten zwarten monnik zien spoken op het terras van het palazzo +Geraci. + +Men hoorde de uilen den ganschen nacht schreeuwen, en sommigen +beweerden, dat de hanen kraaiden bij zonsondergang en zwegen bij +het ochtendgekriek. + +Op een dag in November, was Diamante plotseling vol woeste menschen. + +Het waren mannen met roofdiergezichten, ruige baarden, en groote +handen aan ontzettend lange armen. Verscheidenen van hen droegen wijde, +fladderende linnen mantels en men meende beruchte bandieten en onlangs +ontslagen galeiboeven in hen te herkennen. + +Giannita vertelde dat al deze woeste menschen in de bergen woonden, +en nu over den Simeto waren getrokken, omdat het gerucht verspreid +was, dat het oproer in Diamante reeds uitgebroken was. Maar toen alles +rustig was en de kazernes vol karabiniers waren, trokken zij weer weg. + +Donna Micaela dacht nu voortdurend aan deze menschen en ze was +overtuigd dat zij haar moordenaars zouden worden. Zij zag hen voor zich +in hun fladderende linnen mantels en met hun roofdiergezichten. Zij +wist dat zij in hun berggrotten op de loer lagen, en op den dag +wachtten, dat zij schoten en oproerkreten in Diamante hoorden. Dan +zouden zij zich met moord en brand op de stad werpen en zich aan +de spits stellen van het gansche uitgehongerde volk, generaals en +aanvoerders der verwoesting gelijk. + +Donna Micaela moest gedurende dezen geheelen herfst zoowel haar +vader als don Ferrante verplegen, die beiden maand na maand ziek +lagen. Men had haar verzekerd, dat er volstrekt geen gevaar voor +hun leven bestond. Zij was zeer blijde don Ferrante in het leven +te mogen behouden, want het was haar eenige hoop, dat de menschen +hem ten slotte zouden sparen, omdat hij uit een oud geslacht was, +dat hoog in aanzien stond. + +Terwijl zij daar bij het ziekbed zat, ging haar verlangen dikwijls +naar Gaetano en ontelbaar waren de keeren dat zij wenschte dat hij +thuis was. Zij zou angst noch doodsvrees gevoelen, indien hij slechts +in zijn werkplaats stond. Dan zou er slechts vrede en veiligheid in +haar ziel heerschen. + +Zelfs nu hij zoo ver weg vertoefde, was hij degene, bij wien zij in +gedachten hulp zocht, toen de ontzetting haar tot waanzin dreef. + +Toch had zij geen enkelen brief van hem ontvangen, in al dien tijd dat +hij weg was; zoodat zij dikwijls geloofde, dat hij haar geheel vergeten +had. Op andere tijden wist ze evenwel zeker, dat hij haar liefhad, want +dan voelde zij zich zoo onweerstaanbaar gedrongen aan hem te denken, +dat zij begreep, dat hij haar in gedachten nabij was en haar riep. + +In dezen herfst kreeg zij eindelijk een brief van Gaetano. Ach, +welk een brief! Donna Micaela's eerste gedachte was hem te verbranden. + +Ze was naar het terras op het dak gegaan, om alleen te zijn, terwijl +zij den brief las. Hier had ze ook eens Gaetano's liefdesverklaring +gehoord. En die had haar volstrekt niet ontroerd. Die had haar +geschokt, noch verschrikt. Maar deze brief was iets geheel anders. Hij +smeekte haar bij hem te komen, de zijne te worden, hem haar leven +te geven. + +Toen zij dit las, schrikte zij van zich zelf. Zij voelde hoe zij had +willen uitroepen: "ik kom" en weg had willen vliegen. Zij voelde zich +tot hem getrokken, meegesleept. + +"Laat ons gelukkig zijn!" schreef hij. "Wij verspillen den tijd, +de jaren gaan voorbij. Laat ons gelukkig zijn." + +Hij beschreef haar hoe zij zouden leven. Hij vertelde haar van andere +vrouwen, die de stem der liefde gehoorzaamd hadden en gelukkig waren +geworden. Hij schreef even verlokkend als overtuigend. + +Het was niet juist de inhoud, maar de liefde, die in den brief brandde +en gloeide en die haar vervoerde. Die steeg op uit het papier gelijk +bedwelmende wierook en zij voelde hoe die haar doordrong. Vurig +verlangen was het, dat uit elk woord sprak. + +Nu was zij niet meer een heilige voor hem, zooals zij vroeger was +geweest. Deze brief kwam overweldigend onverwacht na een paar jaar +van zwijgen, en zij was ontsteld dat deze haar zoo verrukte. + +Zóó had zij zich de liefde nooit gedacht. Zou die haar ook in dezen +nieuwen vorm behagen? En met angst ontdekte zij dat die haar ook +zoo behaagde. + +Toen strafte zij hem zoowel als zich zelf door een zeer streng antwoord +te schrijven. Dat was moraal, moraal, niets anders dan moraal. Zij +was trotsch dat zij zoo geschreven had. Zij ontkende niet dat zij hem +liefhad, maar misschien zou Gaetano haar liefdeswoorden niet kunnen +vinden, zoo verborgen waren ze onder verwijten. Het was ook beter, +dat hij ze niet vond. + +Hij schreef haar geen brieven meer. Maar nu kon donna Micaela +nooit meer aan Gaetano denken als steun en beschermer. Nu was hij +gevaarlijker dan de mannen uit de bergen. + +En iederen dag bracht Diamante een onheilspellender bericht. Nu begon +iedereen zich wapens aan te schaffen. En hoewel het verboden was die +te bezitten, droegen toch alle menschen die in 't geheim. + +Alle vreemdelingen verlieten het eiland, maar in hun plaats werd er +van Italië het ééne duizendtal soldaten na het andere gezonden. + +De socialisten hielden voortdurend redevoeringen. + +Waren zij dan bezeten door een boozen geest, dat zij niet tevreden +waren, vóórdat zij het ongeluk opgeroepen hadden! + +Eindelijk hadden de oproerlingen den dag bepaald dat de storm zou +losbreken. Geheel Sicilië, geheel Italië zou in opstand komen. Het +was nu niet meer een holle bedreiging maar werkelijkheid. + +Toen kwamen er al meer en meer troepen van het vasteland. En de meesten +waren Napolitanen, die in eeuwige veete met de Sicilianen leven. + +Het eiland werd in staat van beleg verklaard. + +Er zouden geen gerechtshoven meer zijn, slechts de krijgsraad. En +het volk vertelde dat de soldaten verlof hadden te plunderen en te +moorden naar hartelust. + +Niemand wist wat er gebeuren zou. De boeren wierpen verschansingen op +in de bergen. In Diamante stonden mannen in groote groepen bijeen op +de markt, stonden daar dag aan dag zonder aan den arbeid te gaan. Deze +groepen mannen, die gekleed waren in donkere mantels met slappe hoeden, +zagen er onheilspellend uit. + +Zij droomden zeker allen van het oogenblik, dat zij het zomerpaleis +zouden plunderen. + +Hoe meer men den dag naderde, dat het oproer zou uitbreken, hoe zieker +don Ferrante werd. En donna Micaela begon voor zijn leven te vreezen. + +Het scheen haar een teeken, dat zij voorbeschikt was tot ondergang, +nu zij ook don Ferrante moest verliezen. + +Wie zou haar ontzien, als hij niet meer leefde? + +Zij waakte bij hem. Zij en alle vrouwen der wijk zaten in stil gebed +bij zijn legerstede. + +Maar op een morgen, tegen zes uur, stierf don Ferrante. En donna +Micaela betreurde hem, omdat hij haar eenige beschermer was en de +eenige, die haar van den ondergang had kunnen redden, en zij wilde +den doode alle eer bewijzen, die nog gebruikelijk is op Sicilië. Zij +liet de sterfkamer met zwart doek bekleeden en sloot alle luiken, +opdat het blijde zonlicht niet in het vertrek zou dringen. + +Zij liet ook het vuur dooven in den haard en zond om een blinden +zanger, opdat hij elken dag in het paleis zou komen om klaagliederen te +zingen. Zij liet het aan Giannita over cavaliere Palmeri te verplegen, +opdat zij zelf stil in de sterfkamer zou kunnen zitten tusschen de +treurende vrouwen. + +Het liep tegen den avond van den sterfdag, men had alle beschikkingen +gemaakt en wachtte nu slechts op de witte broeders, die het lijk +zouden wegvoeren. + +In de sterfkamer was het doodstil. Al de vrouwen van de wijk zaten +daar onbeweeglijk met betraande gezichten. Donna Micaela was bleek +in haar grooten angst en staarde onafgebroken naar het lijkkleed, +dat over den doode gespreid was. + +Het was een baarkleed, dat aan het geslacht der Alagona's behoorde, +een reusachtig groot familiewapen prijkte in het midden en het was +afgezet met zilveren franje en dikke kwasten. Dit kleed was nooit +gespreid over iemand anders dan over een Alagona. Het scheen daar +te liggen, opdat donna Micaela geen oogenblik zou vergeten, dat +haar laatste steun van haar was genomen en zij nu eenzaam en zonder +bescherming stond tusschen het verwoede volk. + +Nu kwam iemand binnen om te melden, dat de oude Assunta was gekomen. De +oude Assunta, wat wenschte de oude Assunta? + +"Assunta was een lofspreekster, ze placht over de dooden te spreken." + +Donna Micaela liet Assunta in de kamer komen. Ze was zooals zij op +de domtrap zat te bedelen, met dezelfde gelapte kleeding, denzelfden +verschoten hoofddoek en dezelfde oude kruk. + +Klein en met gebogen rug hinkte zij naar de kist. Zij had een +verschrompeld gelaat, een ingevallen mond en doffe oogen. Donna +Micaela zei tot zichzelf dat de hulpeloosheid en de onmacht nu haar +kamer binnentraden. + +De oude verhief haar stem en begon te spreken uit naam der echtgenoote. + +"Mijn heer is dood, en ik ben eenzaam. Hij die mij verhief aan +zijn zijde, is niet meer. Hoe vreemd is het, dat mijn huis zijn +meester verloren heeft!--Waarom zijn de luiken voor uw vensters +gesloten? vragen de voorbijgangers.--Ik antwoord: ik kan het licht niet +verdragen, daarvoor is mijn smart te groot, mijn smart is drievoudig." + +"Hoe, zijn er zoo velen van uw geslacht door de witte broeders +weggedragen? + +"Neen, niemand van mijn geslacht is dood, maar ik heb mijn man +verloren, mijn man, mijn man!" + +De oude Assunta behoefde niet meer te zeggen. Donna Micaela barstte +in klachten uit. Het gansche vertrek was vervuld van het geweeklaag +der jammerende vrouwen. + +Want er bestaat geen smart zoo groot als het verlies van een +echtgenoot. Zij, die weduwe waren, dachten aan hetgeen zij verloren +hadden en zij die het nog niet waren, dachten aan den tijd, dat zij +niet meer op straat zouden gaan, omdat geen man haar vergezelde, en +ze tot eenzaamheid, armoede en vergetelheid gedoemd zouden zijn, en +dat zij niets zouden beteekenen, niets zouden zijn, dat zij behooren +zouden tot de verworpelingen dezer aarde, omdat zij geen man meer +hadden, omdat niemand haar meer het recht tot leven gaf. + + + +Het was in het eind van December, de dagen tusschen Kerstfeest en +Nieuwjaar. + +Er bestond nog steeds hetzelfde gevaar voor oproer en nog steeds +hoorde men dezelfde beangstigende berichten. Er werd verteld dat Falco +Falcone een groote rooversbende in de steengroeve verzameld had en +dat hij slechts wachtte op den dag, die bepaald was voor het oproer, +om Diamante binnen te stormen en te plunderen. + +Er werd ook verteld, dat de menschen in verscheidene kleine bergsteden +opgestaan waren, de tolkantoren bij de stadspoorten in brand hadden +gestoken en de tolkommiezen weggejaagd hadden. + +Men wist ook te vertellen, dat de troepen van stad tot stad trokken +en allen arresteerden, die slechts verdacht werden, en de menschen +bij honderden tegelijk doodschoten. + +Elk zei dat men zich wapenen moest voor den strijd. Men kon zich toch +niet door deze Italianen laten vermoorden zonder zich te verzetten. + +Gedurende dezen tijd zat donna Micaela gevangen bij haar vaders ziekbed +evenals zij vroeger bij don Ferrante gezeten had. Zij kon Diamante +niet ontvluchten en de angst groeide en groeide in haar zoodat zij +niets anders was dan trillende vrees. + +Het laatste en het vreeselijkste van alle onheilsberichten betrof +Gaetano; ongeveer een week na don Ferrante's dood was Gaetano thuis +gekomen. + +En dit had haar volstrekt niet beangstigd, maar integendeel +verheugd. Zij had gejubeld eindelijk iemand in haar nabijheid te +hebben, die haar beschermen kon. + +Terzelfder tijd besloot zij, dat zij Gaetano niet zou ontvangen indien +hij bij haar kwam. Zij voelde dat zij den doode nog toebehoorde. Zij +wilde liefst Gaetano niet zien vóórdat een jaar verstreken was. + +Maar toen Gaetano acht dagen thuis was zonder dat hij naar het +zomerpaleis kwam, vroeg zij Giannita naar hem. + +"Waar is Gaetano, is hij misschien reeds weer vertrokken daar niemand +over hem spreekt?" + +"Ach, Micaela," antwoordde Giannita, "hoe minder men spreekt over +Gaetano, hoe beter het is voor hem." + +Zij vertelde donna Micaela nu, gelijk zij een groote schande zou +verhalen, dat Gaetano socialist was geworden. + +"Hij is daarginds in Engeland geheel veranderd," zei zij. "Hij gelooft +niet meer aan God of aan de heiligen. Hij kust den pastoor niet meer +de hand, wanneer hij hem ontmoet. Hij zegt tot alle menschen, dat zij +geen tol meer moeten geven bij de stadspoort. Hij spoort de boeren +aan hun pacht niet meer te betalen. Hij heeft wapens meegebracht en +hij is slechts thuis gekomen om oproer te verwekken en de bandieten +te helpen." + +Zij behoefde niets meer te zeggen, opdat donna Micaela aangegrepen +zou worden door een grooter ontzetting dan zij nog ooit gevoeld had. + +Dit was het dus, dat de onheilspellende herfstdagen geprofeteerd +hadden. Juist hij moest het zijn, die den bliksem uit de wolken +slingerde. Dat zij dit niet reeds lang geleden vermoed had! + +Dit was de straf en wraak. Juist hij moest het zijn die het ongeluk +opriep. + +De laatste dagen was zij kalmer geweest. Zij had gehoord, dat alle +socialisten op het gansche eiland gevangen waren genomen. En al de +kleine oproervuren, die in de bergsteden ontstoken waren, werden +uitgedoofd. Het had bijna geschenen, dat het oproer op niets zou +uitloopen. + +Maar nu was de laatste Alagona gekomen en hem zou het volk volgen. Er +zou beweging komen in de zwarte groepen op de markt. De mannen in +de linnen mantels zouden over den Simeto trekken. Falco Falcone's +rooverbende zou uit de steengroeve te voorschijn komen. + + + +Den volgenden avond sprak Gaetano op de markt. Hij had bij de marktbron +gezeten en gezien hoe de menschen kwamen om water te halen. Twee jaar +had hij de vreugde moeten ontberen, te zien hoe de slanke meisjes +de zware waterkruiken op haar hoofd hieven en hoe zij met vaste, +statige schreden haar weg vervolgden. + +Maar het waren niet alleen jonge meisjes die bij de bron kwamen, maar +menschen van elken leeftijd. En toen hij nu zag hoe arm en ongelukkig +de meesten waren, begon hij met hen over de toekomst te spreken. + +Hij beloofde hun dat er spoedig betere tijden zouden aanbreken. Hij +zei tot de oude Assunta, dat zij voortaan haar dagelijksch brood +zou hebben, zonder dat zij eenig mensch om een aalmoes zou behoeven +te vragen. En toen zij zeide, dat zij niet begreep, hoe dat moest +geschieden, vroeg hij haar bijna toornig, of zij dan niet wist, dat +de tijd nu gekomen was, dat geen oud mensch of jong kind meer zonder +steun en beschutting zou zijn. + +Hij wees op den ouden stoelenmatter, die even arm als de oude Assunta +en daarenboven nog zeer ziek was, en hij vroeg of zij geloofde, dat +men het nog langer zou dulden, dat er geen ziekenhuis of armenzorg +was. Kon zij niet begrijpen, dat er in de toekomst voor de ouden en +zieken gezorgd zou worden? + +Hij zag ook eenige kinderen, van wie hij wist, dat zij voornamelijk +leefden van planten en wortelen, die zij aan de oevers der rivier en +aan den weg verzamelden, en hij beloofde dat voortaan niemand meer +honger zou behoeven te lijden. Hij legde de hand op het hoofd der +kinderen en verzekerde zoo trotsch als ware hij de vorst van Diamante, +dat zij nooit meer brood zouden derven. + +Zij wisten niets in Diamante, zei hij; zij waren onwetend en wisten +niet, dat een nieuwe gezegende tijd aangebroken was. Zij geloofden, dat +deze ellende steeds zou blijven voortduren. Terwijl hij zoo de armen +troostte, hadden al meer en meer menschen zich om hem verzameld. Hij +sprong plotseling op den rand der bron en begon te spreken. + +"Hoe konden zij zoo onnoozel zijn," zei hij, "om te gelooven, dat er +geen betere tijd zou komen? Zouden de menschen, die de heele aarde +bezaten, het dulden dat de ouden verhongerden en de kinderen tot +ellendelingen en misdadigers opgroeiden? + +"Wisten ze dan niet, dat er schatten verborgen waren in den berg en +in de zee en in den grond? Hadden zij nooit gehoord, dat de aarde +rijk was? Geloofden ze, dat ze haar kinderen niet voeden kon? + +"Ze moesten niet tot elkaar zeggen, dat het onmogelijk was de zaken +anders te regelen. Zij moesten niet denken, dat er steeds rijken en +armen moesten zijn. + +"Ach, zij wisten niets. Zij kenden hun moederaarde niet. Geloofden +zij, dat zij een van hen haatte? Hadden zij dan op het veld gelegen +en de aarde hooren spreken? Hadden zij gezien hoe de aarde wetten +voorschreef? Hadden zij gehoord, hoe zij een vonnis velde? Had +de aarde dan bevolen, dat sommigen honger zouden lijden, terwijl +anderen aan een overdadig leven zouden sterven? Waarom richtten zij +zich niet op om te luisteren naar de nieuwe leer, die over de wereld +ging? Verlangden zij het niet beter te hebben? Zij gingen dus gaarne +gekleed in lompen? Ze waren dus tevreden met planten en wortelen tot +voedsel? Wilden ze dan geen dak boven het hoofd hebben?" + +En hij zeide hun, dat het er niets toe deed, niets, in het geheel +niets, of zij weigerden te gelooven aan den nieuwen tijd, die in +aantocht was. Die zou in ieder geval toch komen. + +Ze behoefden immers ook niet 's morgens de zon uit de zee op te +heffen. De nieuwe tijd zou tot hen komen, gelijk de zon kwam, maar +waarom wilden zij haar niet tegemoet gaan? Waarom sloten zij zich op +en vreesden het nieuwe licht? + +Hij sprak lang op deze wijze en steeds verzamelden zich meer menschen +om hem heen. + +Maar hoe langer hij sprak, hoe schooner zijn taal werd, en hoe +helderder zijn stem. + +Er kwam gloed in zijn fonkelende oogen en het arme volk, dat naar +hem opzag, vond hem schoon als een jongen vorst. + +Hij was als een der oude, machtige heeren van zijn stam, die het +vermogen bezeten hadden geluk en goud te schenken aan alle menschen +in hun rijk. + +Zij geloofden hem toen hij zei, dat hij hun geluk kon geven. Ze waren +reeds gelukkig en blijde, omdat hun jonge heer hen liefhad. + +Toen hij ophield met spreken, begonnen zij te jubelen en riepen dat +zij hem wilden volgen, en doen wat hij hun beval. In een oogenblik +was hij hun heer geworden. Hij was zoo schoon en zoo heerlijk dat +zij hem niet konden weerstaan. En zijn geloof was zoo overtuigend, +dat het vervoerde en meesleepte. + +Dien nacht was er niet één arm mensch in Diamante, die niet geloofde, +dat Gaetano hem onbezorgde en gelukkige dagen zou schenken. Dien nacht +zegenden allen hem, allen, die in schuren en hutten woonden. Dien +nacht begaven de hongerigen zich ter ruste in de vaste overtuiging, +dat ze den volgenden dag bij hun ontwaken een tafel volgeladen met +allerlei gerechten voor hun bed zouden vinden. + +Want toen Gaetano sprak, was zijn macht zoo groot dat hij den grijsaard +kon overtuigen dat hij jong, en den verkleumde, dat hij warm was. Men +voelde dat hetgeen Gaetano beloofde, moest komen. + +Hij was de vorst van den nieuwen tijd. Zijn handen waren zoo mild, +wonderen en zegeningen zouden neerdalen op Diamante, nu hij weer +terug was gekomen. + + + +Den volgenden dag toen de zon onderging, kwam Giannita in de +ziekenkamer en fluisterde: + +"Er is oproer in Paterno, sedert verscheidene uren zijn ze daar +aan het schieten, men kan het hier hooren. Er is reeds naar Catania +gezonden om troepen. En Gaetano zegt, dat het oproer hedenavond hier +zal uitbreken. Hij zegt, dat het tegelijkertijd in al de Etnasteden +zal uitbreken." + +Donna Micaela beduidde Giannita, dat zij bij cavaliere Palmeri zou +blijven, zelf ging zij over de straat naar donna Elisa's winkel. + +Donna Elisa zat achter haar toonbank voor haar borduurraam, maar zij +werkte niet. De tranen druppelden haar zwaar en onophoudelijk langs +de wangen zoodat zij moest ophouden met borduren. + +"Waar is Gaetano?" zei donna Micaela zonder omwegen. "Ik moet hem +spreken." + +"God schenke je kracht om met hem te spreken," antwoordde donna +Elisa. "Hij is in den tuin." + +Donna Micaela ging over den binnenhof naar den door hooge muren +omgeven tuin. + +In den tuin waren vele kleine paadjes, die zich van terras tot terras +slingerden. Er waren ook vele priëelen, grotten en rustbanken. En +de tuin was zoo dicht begroeid met stijve agaven, dichte dwergpalmen +en stijfbladige ficussen en rhododendrons dat men geen twee schreden +voor zich uit kon zien. + +Donna Micaela liep langen tijd door deze ontelbare kronkelpaadjes, +vóórdat zij Gaetano kon vinden. En hoe langer zij zocht, hoe +ongeduldiger zij werd. Eindelijk vond zij hem heel achter in den +tuin. Hij bevond zich op het laagste terras, dat uitgebouwd was op +één der bastions van de stadsmuren. Daar zat Gaetano kalm met hamer +en beitel aan een beeld te werken. Toen hij donna Micaela zag, liep +hij haar met uitgestrekte handen tegemoet. + +Zij gaf zich nauwelijks tijd hem te groeten. + +"Is het waar," zei zij, "dat gij gekomen zijt om ons in het verderf +te storten?" + +Hij begon te lachen. + +"De sindaco is hier geweest," zei hij, "en de pastoor is hier +geweest. Komt gij nu ook nog hier?" + +Het griefde haar, dat hij lachte en dat hij sprak van den sindaco en +den pastoor. + +Het was toch zeker iets anders en van meer beteekenis, dat zij kwam. + +"Wilt gij mij zeggen," vroeg zij scherp, "of het waar is, dat wij +hier vanavond oproer krijgen?" + +"O, neen," antwoordde hij, "hier komt geen oproer." + +En hij zei dat op zulk een moedeloozen toon, dat het haar bijna +bedroefde om zijnentwille. + +"Ge doet donna Elisa heel veel verdriet," barstte zij los. + +"En u ook, niet waar?" zei hij met lichten spot. + +"Ik ben de verloren zoon, ik ben Judas. Ik ben de strafengel die u +allen drijft uit dit paradijs, waar men gras eet." + +Zij antwoordde: + +"Misschien verkiezen wij onzen toestand boven den gewelddadigen dood." + +"Ja zeker, het is beter te verhongeren. Daaraan is men immers gewoon." + +"'t Is ook niet zoo aangenaam door bandieten vermoord te worden." + +"Maar wat ter wereld wil men met bandieten, als men zich niet door +hen wil laten vermoorden?" + +"Ja, ik weet wel," zei zij steeds heftiger, "dat gij wilt dat alle +rijken gedood zullen worden." + +Hij antwoordde haar niet dadelijk, maar beet zich op de lippen om +zich niet te overijlen. + +"Laat mij eens met u spreken, donna Micaela," zei hij ten slotte. "Laat +mij het u eens verklaren." + +En hij trok zijn gelaat in een plooi van geduld, en verklaarde haar +het socialisme, zoo duidelijk en eenvoudig, dat een kind het had +kunnen begrijpen. + +Doch het was er verre van, dat zij hem kon volgen. Misschien had zij +het wel gekund, maar zij wilde niet. Zij wilde juist nu niet hooren +spreken over het socialisme. + +'t Was haar zoo vreemd geweest, toen zij hem nu weer zag. De grond was +begonnen te trillen onder haar voeten en een heerlijk en gelukzalig +gevoel had haar doorstroomd en haar geheel vervuld. + +"Mijn God, daar is hij dien ik lief heb," zei zij tot zich zelf. "Hij +is het werkelijk." + +Voordat zij hem gezien had, wist zij heel goed wat zij tot hem zou +zeggen. Zij zou hem teruggebracht hebben tot het geloof zijner jeugd. + +Zij zou hem bewezen hebben, dat deze nieuwe leer afschuwelijk en +gevaarlijk was. Maar toen kwam de liefde en die maakte haar dom +en verward. + +Zij kon hem niets antwoorden. Zij was slechts verbaasd, dat hij zoo +spreken kon. + +En zij vond hem nog veel schooner dan vroeger. Nooit tevoren was +zij zoo verward geweest, als zij hem zag. Nooit had hij zulk een +indruk op haar gemaakt. Of kwam het, omdat hij nu een vrije sterke +man was geworden? Zij werd bang, toen zij voelde hoeveel macht hij +over haar had. + +Zij waagde het niet hem tegen te spreken. Zij durfde niet eens spreken +om niet in tranen uit te barsten. En indien zij gewaagd had te spreken, +dan zou zij wel niet over politiek gesproken hebben. + +Zij zou hem verteld hebben, wat zij gedacht had op den dag, dat de +klokken luidden. Of zij zou hem gesmeekt hebben zijn hand te mogen +kussen. Zij zou hem hebben willen zeggen hoe zij van hem gedroomd +had. Zij zou hem gezegd hebben, dat indien zij hem niet had bezeten +om van te droomen, zij het leven niet uitgehouden had. + +Zij zou hem verzocht hebben zijn hand te mogen kussen uit dankbaarheid, +omdat hij haar het leven geschonken had in al deze jaren. + +Indien er geen oproer zou komen, waarom sprak hij dan over +socialisme? Wat ging het socialisme hun aan, die rustig zaten in +donna Elisa's ouden tuin? Zij keek door een kronkelend tuinpad. Luca +had houten bogen aan beide zijden geplaatst en langs deze slingerden +zich nu guirlandes van lichte rozen, vol kleine knoppen en geurende +bloemen. Men was altijd verwonderd, waar men zou komen als men door dit +pad ging. En men kwam bij een kleinen, verweerden amor. De oude Luca +verstond die zaken beter dan Gaetano. Terwijl zij daar zoo zaten, ging +de zon onder en de Etna kleurde zich rozerood. Het was alsof de Etna +bloosde van toorn over hetgeen in donna Elisa's tuin geschiedde. Het +was gewoonlijk bij zonsondergang, wanneer de Etna stralend rood was, +dat zij aan Gaetano had gedacht. + +Het was alsof zij beiden op hem gewacht hadden. En zij beiden hadden +gedroomd hoe het zou zijn als Gaetano terugkwam. Zij had slechts +gevreesd dat hij al te vurig en te onstuimig zou zijn. En nu sprak hij +slechts over deze afschuwelijke socialisten, die zij haatte en vreesde. + +Hij sprak zeer lang. Zij zag hoe de Etna verbleekte en bronsachtig +bruin werd en toen kwam de duisternis. Zij wist dat de maan zou +schijnen. En zij zat onbeweeglijk stil en hoopte op de maneschijn. Zelf +kon zij niets meer doen. Zij was volkomen in zijn macht. Maar toen +de maneschijn kwam, hielp die haar ook niet. Gaetano bleef slechts +doorspreken over kapitalisten en arbeiders. + +Toen meende ze dat er slechts één verklaring voor te vinden was. Hij +had haar niet meer lief. + +Plotseling viel haar iets in. Het was acht dagen geleden, dezelfde +dag, dat Gaetano thuis kwam. Toen was zij in Giannita's kamer gekomen, +maar zij had zoo zacht geloopen, dat Giannita haar niet had gehoord. + +Zij had Giannita toen als in vervoering met uitgestrekte armen en +naar boven gewend gelaat zien staan. En in haar handen hield zij een +portret. Nu eens bracht zij het aan haar lippen en kuste het, dan +weer hief zij het boven haar hoofd om er in verrukking naar op te zien. + +'t Was een portret van Gaetano geweest. + +Toen donna Micaela dit had gezien, had zij zich zacht teruggetrokken, +gelijk zij gekomen was. En zij had slechts gedacht, dat het jammer +was voor Giannita, dat zij Gaetano liefhad. Maar nu Gaetano slechts +sprak over het socialisme, moest zij daaraan denken. + +Nu begon zij te gelooven, dat Gaetano ook Giannita liefhad. Zij +herinnerde zich, dat zij vrienden der jeugd waren. Misschien had hij +haar reeds lang liefgehad, misschien was hij teruggekomen om met haar +te trouwen. + +Donna Micaela kon niets zeggen, zij had geen recht zich te +beklagen. Het was nauwlijks een maand geleden sedert zij Gaetano +geschreven had, dat het niet goed was dat hij haar liefhad. + +Hij boog zich nu tot haar over, keek haar in de oogen, en dwong haar +eindelijk te luisteren, naar wat hij zei. + +"Ge zult begrijpen, donna Micaela, ge moet het begrijpen. Wat wij hier +in het Zuiden noodig hebben, is een wedergeboorte, een herschepping, +zooals het Christendom was in zijn tijd. Naar boven de slaven, naar +beneden de heeren! Een ploeg, die nieuwe aardlagen opwerpt! Wij moeten +in nieuwe aarde zaaien, de oude grond is uitgeput. De oude aardlaag +draagt slechts zwakke, ellendige planten. Laat de grondaarde voor +den dag komen en ge zult iets geheel anders zien! + +"Zie, donna Micaela, hoe komt het dat het socialisme nog leeft, dat het +niet vernietigd is? Omdat het met een nieuwe leuze gekomen is. "Denk +aan de aarde", zegt het, evenals het Christendom met de leuze kwam: + +--"Denk aan den hemel." + +"Zie om u heen! Zie naar de aarde, is die niet alles wat wij +bezitten? Laat ons dan het leven hier zóó inrichten dat wij gelukkig +worden. Waarom, o waarom heeft men vroeger niet zoo gedacht? Omdat +wij ons te veel bezighielden met het leven hiernamaals. Laat ons +verlost zijn van dat hiernamaals. + +"De aarde, de aarde, donna Micaela! Ach, wij socialisten, wij hebben +haar lief. Wij aanbidden de heilige aarde, die arme, verachte moeder, +die rouw draagt, omdat haar kinderen naar den hemel willen opstijgen. + +"Geloof mij, donna Micaela," zei hij, "de nieuwe leer zal in zeven +jaren verspreid zijn. Als de nieuwe eeuw aanbreekt, zal zij over +de geheele aarde heerschen. Dan zullen de martelaars hun bloed voor +haar geofferd hebben, dan zullen de apostelen gesproken hebben, dan +zal schare na schare tot haar overgegaan zijn. Wij, de echte zonen +der aarde, zullen de overwinnaars zijn. En zij zal zich in al haar +schoonheid aan onze blikken vertoonen. Zij zal ons genot, gezondheid, +kennis en schoonheid geven." + +Gaetano's stem begon te trillen, en tranen kwamen in zijn oogen. Hij +ging naar den rand van het terras en strekte de armen uit als wilde +hij de door de maan beschenen aarde omvatten. + +"Gij zijt zoo verblindend schoon," zei hij, "zoo verblindend schoon." + +En donna Micaela meende gedurende een oogenblik zijn smart mee te +gevoelen over de verschrikking, die verborgen was onder dit uiterlijk +omhulsel van schoonheid. Zij zag het leven met al zijn ellende en +lijden, gelijk een modderige beek vol verpestende onreinheden, zich +slingeren door die schitterende wereld van schoonheid. + +"En niemand kan van u genieten," zei Gaetano, "niemand kan +het wagen van u te genieten. Ge zijt ongetemd en vol nukken en +boosaardigheid. Gij zijt de onzekerheid en het toeval, gij zijt +het berouw en de kwelling, gij zijt de zonde en de schande, gij +zijt het dwangbuis, dat wij willen verbreken, gij zijt alles wat de +verschrikking vormt, omdat de menschen u niet beter hebben willen +maken." + +"Maar uw dag zal komen," zei hij jubelend. "Eens zullen ze allen met +liefde tot u komen. Ze zullen zich niet aan een droom vastklampen, +die niets geeft, noch iets vermag." + +Zij viel hem plotseling in de rede. + +Zij begon hem al meer en meer te vreezen. + +"Het is dus waar, dat het u niet goed gegaan is in Engeland?" + +"Wat meent ge?" + +"Men zegt dat de groote meester, tot wien miss Tottenham u zond, +gezegd heeft, dat gij-- -- --" + +"Wat heeft hij gezegd?" + +"Dat gij en uw beelden in Diamante pasten, maar nergens anders." + +"Wie zegt dat?" + +"Men gelooft dat, omdat gij zoo veranderd zijt." + +"Omdat ik nu socialist ben?" + +"Waarom zoudt ge dat zijn, indien het u goed ging?" + +"O, waarom....? Ge weet dus niet," vervolgde hij lachend, "dat mijn +meester in Engeland zelf een socialist is. Ge weet niet dat hij mij +zelf deze leer verkondigd heeft-- -- --" + +Hij zweeg plotseling en vervolgde de woordenwisseling niet. Hij ging +naar de bank waar hij gezeten had toen zij kwam en nam het beeld. Dat +reikte hij donna Micaela. + +'t Was als wilde hij zeggen: "Zie nu zelf of gij gelijk hebt." + +Zij hield het in den maneschijn. Het was een Mater Dolorosa van zwart +marmer. Dat kon zij duidelijk zien. Zij kon het ook herkennen. Het +beeld droeg haar eigen gelaatstrekken. Een oogenblik bracht dit haar in +verrukking. In het volgende werd zij door ontzetting aangegrepen. Hij +een socialist, hij, die niet geloofde, waagde het een Madonna te +scheppen! En hij had het beeld haar trekken gegeven. Hij sleepte haar +mede in zijn zonde! + +"Ik heb dit beeld voor u gemaakt, donna Micaela," zei hij. + +O, indien het beeld van haar was! Zij wierp het over de balustrade. Het +stiet tegen den steilen bergwand, viel al dieper, rukte steenen +los en sloeg zich zelf te pletter. Eindelijk hoorde men het in den +Simeto neerploffen. + +"Met welk recht schept gij Madonna's?" vroeg zij Gaetano. + +Hij stond zwijgend. Zóó had hij donna Micaela nog nooit te voren +gezien. + +In hetzelfde oogenblik dat zij tegen hem streed, was zij groot en +statig geworden. De schoonheid, die bij haar altijd kwam en ging +als een onrustige gast, troonde nu op haar gelaat. Zij zag er koud +en ongenaakbaar uit, een vrouw, verleidelijk om te overtuigen en +te winnen. + +"Gij gelooft dus nog aan God, daar ge Madonna's beitelt?" vroeg zij. + +Hij haalde heftig adem. Nu was het alsof hij verlamd was. Hij was zelf +een geloovige geweest. Hij wist hoe diep hij haar gegriefd had. Hij +zag dat hij haar liefde verspeeld had. Hij had een vreeselijke, +ondempbare kloof tusschen hen gelegd. + +Hij moest spreken, moest haar winnen voor zijn overtuiging. + +Hij begon te spreken, maar zwak en stamelend. + +Ze luisterde stil. Toen viel zij hem medelijdend in de rede. + +"Hoe zijt ge zoo geworden?" + +"Ik dacht aan Sicilië," zei hij ontwijkend. + +"Gij dacht aan Sicilië," herhaalde zij nadenkend. + +"En waarom kwaamt gij thuis?" + +"Ik kwam terug om een oproer te verwekken." + +'t Was alsof ze over een ziekte spraken, een verkoudheid, die hij +zich op den hals gehaald had, waarvan hij na een paar dagen genezen +zou zijn. + +"Ge kwaamt dus thuis om ons in het verderf te storten," zei ze streng. + +"Zooals gij wilt, zooals gij wilt," zei hij ootmoedig. + +"Gij kunt het immers zoo noemen. Zooals het nu loopt, hebt ge zeker +gelijk het zoo te noemen. O, indien men mij geen onjuiste mededeelingen +gedaan had, zoodat ik niet een week te laat was gekomen! Is het niet +juist iets voor ons Sicilianen om ons door de regeering te laten +verhinderen in onze plannen? + +"Toen ik hier kwam waren alle leiders reeds gearresteerd en het eiland +bezet door veertigduizend man. Alles is voorbij!" + +Het klonk zoo droevig leeg, toen hij zei: "alles is voorbij." En +om der wille van dit plan, dat tot niets werd, had hij zijn geluk +verspeeld. Zijn beginselen en principes schenen hem nu louter +spinnewebben, waarin hij gevangen was geweest. Hij wilde zich losrukken +om haar te naderen. Zij was het eenige dat hij bezat. Zoo had hij +het ook vroeger gevoeld. En nu kwam dat gevoel terug. Zij was zijn +eenige schat in de wereld. + +"Ze strijden vandaag in Paterno." + +"Dat is slechts een twist bij de stadspoort," zei hij. "Dat beteekent +niets. Indien ik slechts den geheelen Etna had kunnen aansteken, den +geheelen stedenkrans rondom den berg. Dan zou men ons begrepen hebben, +dan zou men naar ons geluisterd hebben. Nu schiet men slechts enkele +boeren dood om eenige honderden hongerige monden minder te hebben. Men +scheldt ons niets kwijt." + +Hij rukte aan zijn spinneweb. Kon hij het wagen tot haar te gaan, +haar te zeggen, dat dit alles hem onverschillig was? Hij behoefde +immers niet aan politiek te denken, hij was toch kunstenaar, hij was +vrij en hij wilde haar bezitten. + +Op dit oogenblik was het alsof de lucht beefde. + +Een schot dreunde door den nacht, toen nog één en nog één. + +Zij naderde hem en greep hem bij den pols. + +"Is dit het oproer?" vroeg zij. + +Schot op schot dreunde door de lucht. Toen hoorde men geschreeuw en +geroep van menschen, die door de straten stormden. + +"Het is het oproer! het moet het oproer zijn!" + +"Leve het socialisme!" + +Jubelend kwam het geloof aan zijn zaak weer terug. Haar zou hij ook +daarvoor winnen. Vrouwen hadden nog nooit geweigerd den overwinnaar +te behooren. + +Ze haastten zich beiden zonder een woord te spreken naar de +tuinpoort. Daar begon Gaetano te vloeken en te roepen, hij kon er +niet uitkomen. Er was geen sleutel in het slot. Hij was opgesloten. + +Hij keek rond. Aan drie zijden waren er hooge muren en aan de vierde +gaapte de afgrond. Er bestond geen uitweg voor hem. Maar van de straat +klonk een vreeselijk tumult; menschen, die schreeuwden en riepen, +en schoten die dreunden. En men hoorde hen brullen: Leve de vrijheid, +leve het socialisme! + +Gaetano wierp zich tegen de poort, en ook hij brulde bijna, hij was +gevangen, hij kon er niet bij zijn. + +Donna Micaela volgde hem zoo vlug zij slechts kon. Nu zij hem had +hooren spreken, dacht zij er niet meer aan, hem terug te houden. + +"Wacht slechts, wacht slechts," riep zij. "Ik ben het, die den sleutel +uit het slot heb genomen." + +"Gij, gij?" zei hij. + +"Ja, ik nam hem er uit, toen ik kwam. Het viel mij in, dat ik u +hier opgesloten kon houden, indien gij oproer wildet maken. Ik wilde +u redden." + +"Welk een dwaasheid!" zei hij en rukte haar den sleutel uit de hand. + +Terwijl hij naar het sleutelgat zocht, had hij nog tijd iets te zeggen. + +"Waarom wilt gij mij nu niet meer redden?" + +Zij gaf geen antwoord. + +"Misschien opdat uw God gelegenheid zal hebben mij in het verderf +te storten?" + +Zij zweeg nog steeds. + +"Waagt gij het niet mij voor Zijn toorn te beschutten?" + +"Neen, dat waag ik niet," zei ze zacht. + +"Gij geloovigen zijt vreeselijk," zei hij. + +Hij voelde dat zij hem losliet. Het trof hem diep en het ontnam hem +den moed, dat zij geen enkele poging deed om hem tegen te houden. + +Hij draaide den sleutel heen en weer zonder het slot te kunnen openen, +verlamd doordat zij daar zoo bleek en koud achter hem stond. + +Toen voelde hij plotseling haar armen om zijn hals en haar lippen, +die de zijne zochten. + +In hetzelfde oogenblik vloog de poort open en ijlde hij weg. Hij +wilde haar kussen niet, die hem slechts aan den dood wijdden. In +haar oud geloof scheen zij hem huiveringwekkend als een lijk. Als +een vluchteling snelde hij heen. + + + + + + +XI. + +HET FEEST VAN SAN SEBASTIAAN. + + +Toen Gaetano weg was, stond donna Micaela nog langen tijd in donna +Elisa's tuin. Zij stond daar als versteend en kon voelen noch denken. + +Toen ontwaakte de gedachte plotseling in haar, dat zij en Gaetano +niet alleen op de wereld bestonden. Zij dacht aan haar zieken vader, +dien zij gedurende zoo vele uren geheel vergeten had. + +Ze ging door de poort naar de corso, die eenzaam en verlaten lag. De +schoten en het geschreeuw klonken zeer ver weg en zij zei tot zichzelf, +dat er zeker bij de Porta Etnea gestreden werd. + +Heldere maneschijn gleed over den gevel van het zomerpaleis en het +verbaasde haar, dat op dezen tijd en in dezen nacht de balkondeuren +wijd openstonden en dat de vensterluiken niet gesloten waren. En nog +meer was zij verbaasd dat de poort openstond en de winkeldeur ook +niet gesloten was. + +Toen zij door het poortgewelf ging, zag zij daar den ouden poortwachter +Piero niet. De lantaarn was niet opgestoken en geen mensch was er te +zien op den binnenhof. + +Ze ging de trap op naar de galerij, haar voet stiet tegen iets +hards. Het was een kleine bronzen vaas, die anders in de muziekzaal +stond. Een paar schreden verder vond zij een mes. + +Het was een scherp geslepen mes gelijk een dolk. Toen zij het opnam, +vielen een paar donkere druppels van de punt. Zij begreep dat het +bloed moest zijn. + +En eveneens begreep zij, dat hetgeen zij den ganschen herfst gevreesd +had, nu geschied was. Bandieten waren in het zomerpaleis gedrongen +om het te plunderen. + +En allen, die vluchten konden, waren gevlucht, maar haar vader, +die zijn bed niet kon verlaten, zou nu zeker vermoord zijn. + +Ze kon onmogelijk weten of de roovers nog in haar huis waren. Maar +nu zij midden in het grootste gevaar was, verdween haar angst en +zij haastte zich verder zonder er aan te denken, dat zij alleen en +weerloos was. + +Zij ging door de galerij en kwam in de muziekzaal. Daar vielen breede +strepen maanlicht over den vloer en midden in een dezer strepen lag +een mensch onbeweeglijk uitgestrekt. + +Donna Micaela boog zich over dit onbeweeglijke lichaam. + +Het was Giannita. Zij was vermoord, zij had een diepe gapende wonde +aan den hals. + +Donna Micaela legde het lichaam terecht, kruiste haar de handen over +de borst en sloot haar de oogen. + +Zij kreeg bloed aan haar handen en toen zij dit lauwe kleverige bloed +voelde, begon zij te schreien. + +"Ach mijn goede, beminde zuster," zei zij luide, "het is uw jong +leven dat weggevloeid is met dit bloed. Gedurende uw gansche leven +hebt ge mij liefgehad en nu hebt ge uw bloed geofferd, om mijn huis +te beschermen. Is het tot straf voor mijn hardheid, dat God u van +mij heeft genomen? + +"Is het omdat ik u niet gunde dengene te beminnen, dien ik +liefhad? Zijt gij daarom van mij gegaan? + +"Ach zuster, zuster, kondt gij mij niet minder hard straffen?" + +Zij boog zich voorover en kuste de doode op het voorhoofd. "Ge gelooft +het niet," zei zij. "Ge weet dat ik u altijd trouw ben geweest. Ge +weet dat ik u heb liefgehad." + +Toen herinnerde zij zich dat de doode nu niet meer op de aarde +vertoefde en zij niet meer behoefte had aan betuigingen van vriendschap +en berouw. + +En zij deed een paar gebeden bij het lijk, omdat het eenige, dat zij +voor haar zuster doen kon, was met vrome gedachten den vluchtenden +geest op zijn tocht naar God te steunen. + +Daarna ging zij verder, niet meer bevreesd voor iets, dat haar zelf +kon treffen, maar in een onbeschrijflijken angst voor hetgeen haar +vader wedervaren was. + +Toen zij eindelijk door de lange zalen in de praalwoning kwam, en +vóór de deur stond van de ziekenkamer, zochten haar handen lang naar +het slot en toen zij het gevonden had, ontbrak haar de kracht om den +sleutel om te draaien. + +Toen riep haar vader van uit zijn kamer wie daar was. + +Nu zij zijn stem hoorde en begreep dat hij leefde, had zij het gevoel +alsof alles in haar trilde en brak, en het vermogen verloor haar te +dienen. Haar hart en verstand hielden tegelijk op te werken en haar +spieren konden haar niet langer staande houden. Zij dacht nog, dat +dit het gevolg was van de vreeselijke spanning waarin zij verkeerd +had. En met een eigenaardig gevoel van verlichting zonk zij in een +langdurige bezwijming. + +Donna Micaela ontwaakte tegen den volgenden morgen uit haar +onmacht. Toen was er veel voorgevallen. + +De bedienden waren te voorschijn gekomen uit hun schuilplaatsen en +hadden donna Elisa gewaarschuwd. Zij had het beheer over het verlaten +paleis genomen, en om de politie gezonden, zij had de witte broeders +laten komen. En dezen hadden het lijk van Giannita gedragen naar haar +moeders huis. + +Toen donna Micaela ontwaakte, lag ze op een sofa in een vertrek naast +haar vaders kamer. Niemand was bij haar, maar daarbinnen hoorde zij +donna Elisa spreken. + +"Mijn zoon en mijn dochter," zei donna Elisa snikkend. "Ik heb mijn +zoon zoowel als mijn dochter verloren." + +Donna Micaela trachtte zich op te richten, maar zij kon niet. Haar +lichaam lag nog in een verstijving, hoewel haar ziel reeds ontwaakt +was. + +"Cavaliere, cavaliere," zei donna Elisa "kunt gij het +begrijpen? Bandieten van den Etna sluipen in de stad, zij schieten +op het tolkantoor en roepen: "Leve het socialisme!" En dat doen zij +slechts om de menschen van de straat te jagen en de karabiniers te +lokken bij de Porta Etnea. Geen enkele man van Diamante was er bij. Het +zijn bandieten, die dit plan slechts beraamd hebben om te plunderen +bij miss Tottenham en bij donna Micaela, bij twee vrouwen, cavaliere! + +"Wat moeten die heeren officieren, die in den krijgsraad zitten, +toch gedacht hebben? Geloofden zij dat Gaetano samenspande met de +bandieten? Zagen zij dan niet dat hij een edelman was, een echte +Alagona, een kunstenaar? Hoe hebben ze hem kunnen veroordeelen?" + +Donna Micaela luisterde met ontzetting, maar zij trachtte zich in te +spreken, dat zij nog droomde. + +Ze hoorde opnieuw hoe Gaetano haar vroeg of zij hem aan God offerde. En +weer meende zij te antwoorden, dat zij dat deed. Nu droomde zij hoe +het zou zijn, indien hij werkelijk gevangen was genomen. + +"Wat is dit toch voor een ongeluksnacht?" zei donna Elisa. "Wat is +het toch, dat in de lucht zweeft en de menschen verward en waanzinnig +maakt? + +"Ge kent Gaetano, cavaliere. Hij is immers altijd heftig en vurig +geweest, maar hij was toch niet zonder verstand, hij kon zich toch +altijd wel beheerschen. Maar hedennacht werpt hij zich den vijand in +de armen. + +"Gij weet, dat hij oproer wilde maken, ge weet dat hij thuis was +gekomen om oproer te verwekken. Toen hij nu hoort dat er geschoten +wordt en dat men roept "Leve het socialisme" wordt hij wild en +woest. Hij zegt tot zich zelf, dat dit het oproer is, en hij ijlt +de straat op om er bij te zijn. En hij roept den ganschen tijd: +"Leve het socialisme", zoo hard hij slechts kan. + +"En toen ontmoet hij een groote menige soldaten, een gansch leger. Want +zij waren op weg naar Paterno maar hoorden het schieten in Diamante en +trokken hier binnen om te zien wat er gaande was. En Gaetano kan geen +soldatenmuts meer herkennen, hij gelooft dat het de oproerlingen zijn, +hij meent in hen gezanten des hemels te zien, en hij stort zich in +hun midden en laat zich zoo gevangennemen. En de soldaten, die even +tevoren alle bandieten hadden opgevangen, terwijl zij met hun buit +wegslopen, leggen nu ook de hand op Gaetano. En zij gaan verder door de +stad en vinden alles rustig. Maar vóórdat zij wegtrekken, houden zij +krijgsraad over hun gevangenen. En zij veroordeelen Gaetano tegelijk +met de anderen, veroordeelen hem evenals hen, die inbraak gepleegd +en vrouwen vermoord hebben. + +"Hadden zij hun verstand niet verloren, cavaliere?" + +Donna Micaela kon niet hooren wat haar vader antwoordde. Zij zelf +wilde duizend vragen stellen, maar zij was nog verstijfd en kon zich +niet verroeren. Zij zou willen weten of Gaetano doodgeschoten was. + +"Wat bedoelden zij met hem te veroordeelen tot negen en twintig jaar +gevangenisstraf?" vroeg donna Elisa. + +"Gelooven zij dat hij of iemand, die hem liefheeft zoo lang kan leven? + +"Hij is dood, cavaliere, dood voor mij, evenals Giannita." + +Donna Micaela had een gevoel alsof zij gebonden was met sterke ketenen, +opdat zij niet zou kunnen ontvluchten. Dit was erger, vond zij, +dan aan een schandpaal gebonden te zijn en gegeeseld te worden. + +"'t Is al de vreugde van mijn ouderdom, die nu van mij is genomen," +klaagde donna Elisa. + +"Giannita en Gaetano! Ik had altijd gedacht, dat deze twee nog eens +een paar zouden worden. Zij zouden zoo goed bij elkaar gepast hebben, +omdat beiden mijn kinderen waren en mij liefhadden. Waarvoor zal ik +nu leven, nu ik niet langer jeugd om mij heen heb? + +"Ik had het dikwijls zeer arm, toen Gaetano bij mij kwam en men zeide +mij, dat ik minder zorg zou hebben, indien ik alleen was. Maar ik +antwoordde: "Daar geef ik niets om, indien ik slechts jeugd om mij +heen heb." En ik hoopte, dat hij, als hij volwassen zou zijn, een +jonge vrouw zou nemen en zij zouden kleine kinderen krijgen en ik +zou nooit eenzaam behoeven te zitten als een onnut oud mensch." + +Donna Micaela moest er aan denken, dat zij Gaetano had kunnen redden, +maar niet had gewild. Maar waarom had zij toch niet gewild? Dat +scheen haar nu onbegrijpelijk. Zij begon bij zich zelf al de redenen +op te sommen, die zij gehad had om hem zich in het verderf te +laten storten. Hij was een godloochenaar en socialist en hij wilde +oproer maken. En dit had opgewogen tegen al het andere, toen zij de +tuinpoort voor hem opende. Deze redenen hadden ook opgewogen tegen +haar liefde. Nu begreep zij dat niet. Het was alsof een schaal vol +veeren had kunnen opwegen tegen een schaal vol goud. + +"Mijn mooie jongen," klaagde donna Elisa, "mijn mooie jongen. Hij was +reeds een groot man daarginds in Engeland, en hij kwam thuis om ons +arme Sicilianen te helpen. En nu hebben zij hem veroordeeld als een +bandiet. Men zegt dat zij op het punt stonden hem dood te schieten, +evenals zij dat de anderen gedaan hebben. + +"Misschien was het beter geweest, cavaliere. 't Ware beter hem op +het kerkhof te weten, dan dat hij in de gevangenis versmacht. Hoe +zal hij dat lijden kunnen dragen? Hij zal het niet kunnen uithouden, +hij zal ziek worden, en spoedig sterven." + +Toen zij dit zei, rukte donna Micaela zich los uit haar verdooving en +richtte zich op van de sofa. Zij wankelde door de kamer en kwam bij +haar vader en donna Elisa, even doodsbleek als de vermoorde Giannita. + +Zij was zoo zwak, dat zij het niet waagde te loopen, maar bij de deur +bleef staan en tegen den deurpost leunde. + +"Hier ben ik," zei zij, "donna Elisa, hier ben ik-- -- --" + +De woorden wilden niet over haar lippen komen. Zij wrong de handen +in vertwijfeling, omdat zij niet kon spreken. + +Donna Elisa was oogenblikkelijk bij haar. Zij legde haar arm om donna +Micaela's middel om haar te steunen, zonder zich er om te bekommeren +dat donna Micaela haar trachtte af te weren. + +"Gij moet mij vergeven, donna Elisa," zei zij met nauwelijks hoorbare +stem. "Ik heb het gedaan." + +Donna Elisa lette niet veel op hetgeen zij zeide. Zij zag dat donna +Micaela koorts had en geloofde dat zij ijlde. + +Haar lippen bewogen zich, en men zag dat zij iets wilde zeggen, maar +men hoorde slechts enkele woorden. 't Was onmogelijk te begrijpen +wat zij meende. + +"Tegen hem, zooals tegen mijn vader," zei zij herhaaldelijk. En toen +riep zij, dat zij allen, die haar liefhadden, in het verderf stortte. + +Donna Elisa had haar naar een stoel geleid en daar zat donna Micaela en +kuste donna Elisa's oude rimpelige handen, en vroeg haar om vergeving +voor hetgeen zij gedaan had. + +"Ja, zeker! Ja, zeker! donna Elisa vergaf het haar." Donna Micaela +zag haar scherp aan met groote koortsachtige oogen en vroeg of het +waar was. + +"Ja, zeker is het waar." + +Toen legde zij haar hoofd op donna Elisa's schouder en snikte. Zij +dankte haar en zei dat zij niet had kunnen leven, indien zij donna +Elisa's vergiffenis niet ontving. Tegen niemand had zij zoo gezondigd +als tegen haar. Kon zij haar vergeven? + +"Ja, ja," zei donna Elisa keer op keer en zij geloofde dat donna +Micaela ijlde, tengevolge van schrik en koorts. + +"Er is iets dat ik u moet zeggen," zei donna Micaela. "Ik weet het, +maar gij weet het niet. Gij vergeeft mij nooit, indien ge het weet." + +"Ja zeker vergeef ik het u," zei donna Elisa. + +Op deze wijze spraken zij lang, zonder elkaar te begrijpen, maar +het was goed voor de oude donna Elisa, dat ze dien nacht iemand +kon koesteren en troosten en versterkende kruiden en droppels kon +geven. Het was goed voor haar, dat er nog iemand was, die het hoofd +tegen haar schouder legde en weende over haar verdriet. + + + +Donna Micaela, die gedurende drie jaar Gaetano had liefgehad, zonder +ooit te denken, dat zij elkaar eens zouden toebehooren, had zich aan +een eigenaardige soort liefde gewend. 't Was haar genoeg te weten, +dat Gaetano haar liefhad. Als zij daaraan dacht, doorstroomde haar +een heerlijk gevoel van veiligheid en geluk. + +"Wat doet het er toe?" zei zij als zij tegenspoed ondervond. "Gaetano +heeft mij lief!" Hij was haar altijd nabij om haar op te beuren. Hij +was een deel van al haar gedachten en plannen. Hij was de ziel van +het leven zelve voor haar. + +Zoo spoedig donna Micaela zijn adres wist, schreef zij hem. Ze bekende +hem, dat zij de vaste overtuiging had gehad, dat hij zijn ongeluk +tegemoet ging. Maar zij was zoo bevreesd geweest voor hetgeen hij +nog in de toekomst zou verrichten, dat zij het niet gewaagd had hem +te redden. Zij schreef ook hoezeer zij zijn leer verafschuwde. Zij +verborg niets voor hem. Zij zeide, dat zelfs indien hij vrij was, +zij nooit de zijne kon worden. + +Zij vreesde hem. Hij had zulk een macht over haar dat indien zij +vereenigd waren, hij haar tot een godloochenaarster en socialiste +zou maken. Zij moest altijd van hem gescheiden leven, om haar ziel +te kunnen redden. + +Maar zij bad en smeekte hem, dat hij trots alles niet zou ophouden +haar lief te hebben. + +Hij mocht niet doen gelijk haar vader. 't Was waarschijnlijk, dat ook +hij haar nu uit zijn hart bande, maar dat mocht hij niet doen. Hij +moest barmhartig zijn. Indien hij wist hoe lief zij hem had, indien +hij wist hoe zij van hem droomde! + +En zij bekende hem, dat hij het leven zelf voor haar was. "Moet ik +sterven, Gaetano?" vroeg zij. + +"Is het dan niet reeds ongelukkig genoeg, dat deze leer ons scheidt? Is +mijn ongeluk niet reeds groot genoeg, nu men u in de gevangenis +gevoerd heeft? Zult gij nu ook nog ophouden mij lief te hebben, +omdat wij niet gelijk denken? Och, Gaetano, heb mij toch lief. Onze +liefde leidt tot niets, er is geen hoop voor ons, maar heb mij lief, +ik sterf als ge mij niet lief hebt." + +Donna Micaela had nauwelijks dezen brief verzonden, of zij begon reeds +op het antwoord te wachten. Zij geloofde, dat zij een brief vol toorn +terug zou krijgen, maar zij hoopte, dat zij een enkel woord daarin +zou vinden, dat haar bewees, dat hij haar nog liefhad. + +Maar zij wachtte verscheidene weken zonder een brief van Gaetano +te ontvangen. + +'t Baatte haar niets, dat zij iederen dag buiten op de galerij den +postbode opwachtte, en hem bijna bedroefd maakte, omdat hij altijd +genoodzaakt was te zeggen, dat hij niets voor haar had. + +Een dag ging zij zelf naar het postkantoor en verzocht met smeekende +oogen, dat men haar toch den brief zou geven, dien zij verwachtte. "Die +moest er toch zijn," zei zij. Misschien hadden zij het adres niet +kunnen lezen, misschien was hij in een verkeerd vak gekomen. + +En haar mooie smeekende oogen bewogen den postmeester, zoodat zij +mocht zoeken tusschen hoopen oude, onafgehaalde brieven en alle laden +van het postkantoor mocht nazien. Maar dat alles baatte niets. + +Toen schreef zij een tweeden brief aan Gaetano, maar er kwam geen +antwoord. + +Nu trachtte zij te gelooven, wat haar onmogelijk scheen. Zij beproefde +zich zelf te overtuigen, dat Gaetano haar niet meer liefhad. + +En naarmate deze overtuiging vaster vorm aannam, begon zij zich op +te sluiten in haar kamer. Zij werd bang voor de menschen en was het +liefst alleen. + +Dag aan dag werd zij zwakker. Zij liep gebogen en zelfs haar schoone +oogen schenen allen glans en leven verloren te hebben. + +Na eenige weken was zij zoo verzwakt, dat zij niet meer kon staan, maar +den geheelen dag op de sofa moest liggen. Ze was een gemakkelijke prooi +voor een ziekte, die haar al haar levenskracht ontnam. Zij voelde, +dat zij den dood nabij was en zij was bevreesd te sterven. Maar zij +kon niets doen. Een enkel geneesmiddel bestond er voor haar, maar +dat kwam niet. + +Terwijl donna Micaela op deze wijze zacht uit het leven scheen te +glijden, maakte men in Diamante toebereidselen om het feest van San +Sebastiaan te vieren dat in het eind van Januari valt. + +Het was het grootste feest dat in Diamante gehouden werd, maar in de +laatste jaren was het niet met de gewone pracht gevierd, omdat nood +en kommer de gemoederen te veel drukten. + +Maar dit jaar nadat het oproer mislukt was, terwijl Sicilië nog vol +vreemde troepen was en de geliefde helden van het volk in de gevangenis +smachtten, stelde men voor, het feest met ouderwetschen luister +te vieren. Want nu was het geen tijd de heiligen te verwaarloozen, +zei men. + +En het vrome volk van Diamante besloot, dat het feest drie dagen zou +duren en dat San Sebastiaan gevierd zou worden door het uitsteken +der vlaggen, het versieren der huizen, hardrijderijen en bijbelsche +optochten, illuminaties en een wedstrijd van zangers. En met grooten +lust en ijver toog men aan het werk. In ieder huis werd er geboend +en gewreven. Men haalde de oude processiekleederen te voorschijn en +men bereidde zich tot de ontvangst van vreemden van den geheelen Etna. + +Het eenige huis in Diamante, waar geen toebereidselen gemaakt werden, +was het zomerpaleis. Donna Elisa was daarover diep bedroefd, maar ze +kon donna Micaela niet bewegen het zomerpaleis te versieren. + +"Hoe kunt gij verlangen, dat ik een huis van rouw met bloemen en +groen zal versieren?" zei zij. "De rozen zullen haar bladeren laten +vallen, indien ik ze wilde gebruiken om de rampen te bedekken, die +dit huis vervullen." + +Maar donna Elisa dacht aan niets anders dan aan het feest en verwachtte +veel goeds van het vieren der heiligen, gelijk in vroegere dagen. Zij +sprak over niets anders dan hoe de priesters den gevel der domkerk +op oud-Siciliaansche wijze lieten versieren met zilveren bloemen +en spiegels. En zij beschreef den feestrit. Zooveel ruiters zouden +daaraan meedoen, en zulke hooge pluimen zouden zij op den hoed dragen, +en zij zouden lange, met bloemslingers omwonden stokken, waarop een +waskaars prijkte, in de hand houden. + +Toen de feestdag aanbrak, was donna Elisa's huis het mooist van +alle versierd, Italië's groen-rood-witte vlag wapperde van het dak, +en roode kleeden met gouden franje en het naamcijfer van den heilige +waren over de vensterkozijnen en balkonhekken gespreid. + +Maar langs den muur slingerden zich guirlandes van steeneik, gevormd +tot bogen en sterren, en rondom de ramen waren kransen gevlochten +van de kleine witte rozen uit donna Elisa's tuin. + +Boven den ingang stond het beeld van San Sebastiaan, omlijst door +leliën, en op den drempel lagen cypressetakken. En ware men het huis +binnengetreden, dan zou men gezien hebben, dat het van binnen even +heerlijk versierd was als van buiten. Van den kelder tot den zolder +was het schoongemaakt en met bloemen getooid en op de planken in den +winkel stond nog niet zoo'n klein en nietig heiligenbeeldje of het +had een immortel of een bellis in de hand. + +En evenals bij donna Elisa, had men in het arme Diamante straat +aan straat versierd. Er was zoo'n gewapper van vlaggen, dat men +moest denken aan het waschgoed, dat van den grond tot den hemel +in de steeg hing, waar het huis van den kleinen Moor stond. Alle +huizen en eerepoorten droegen vlaggen en dwars over de straat waren +touwen gespannen, waaraan wimpel naast wimpel waaide. En bij elke +tien schreden had men eerepoorten opgericht. En boven op iedere +eerepoort stond het beeld van den heilige, omlijst door kransen van +gele immortellen. De balkons waren bekleed met roode doeken en bonte +tafelkleeden, en langs de muren slingerden zich stijve guirlandes. + +Er was zooveel groen en bloemen, dat niemand begrijpen kon hoe men +die bijeen had kunnen krijgen in Januari. Alles was met bloemen +versierd. De bezemsteel droeg een krans van krokusjes en de +poortklopper was versierd met een bouquet hyacinthen. + +Maar voor de ramen stonden borden met naamcijfers en inscripties van +blauw-roode anemonen. + +En tusschen deze versierde huizen bruiste de menschenstroom, machtig +als een stijgende vloed. + +Het waren niet alleen de inwoners van Diamante, die San Sebastiaan +vierden. Van den ganschen Etna kwamen gele, prachtig beslagen en +geverfde karretjes vol menschen aanrollen, getrokken door paarden +met versierde leidsels. + +Zieken, bedelaars en blinde zangers waren in grooten getale +opgekomen. En er waren heele pelgrimstochten van arme ongelukkige +menschen, die nu na de ongelukken iemand hadden om voor te bidden. + +Er waren zooveel menschen bijeen, dat men verbaasd was, hoe allen +plaats konden vinden binnen de stadsmuren. Er waren menschen op straat, +menschen voor de ramen, menschen op de balkons. + +Op de hooge steenen trappen zaten menschen, en de winkels waren vol, +de groote huisdeuren stonden wijd open en in de vestibule waren de +stoelen in een halven cirkel geplaatst zooals in een theater. Daar +zaten de eigenaars met hun gasten en keken naar de voorbijtrekkende +menschenmenigte. + +De heele stad was vervuld van een feestelijk geruisch. Niet +alleen lachten en spraken alle menschen, maar er waren ook nog +positiefspelers, die op een positief, zoo groot als een orgel, +speelden. Er waren straatzangers en er waren mannen en vrouwen, +die Tasso declameerden met heesche, schreeuwende stemmen. Allerlei +marktventers waren er en uit alle kerken stroomden orgeltonen. Op de +Markt boven op den bergtop speelden stadsmuzikanten zoo luid dat men +de muziek in geheel Diamante kon hooren. + +Dit vroolijk rumoer en deze bloemengeur, al dit vlaggen-gewapper in +de lucht voor donna Micaela's venster had de macht haar op te wekken +uit haar verdooving. + +Zij rees op, alsof het leven zelf om haar gezonden had. + +"Ik wil niet sterven," zei ze tot zich zelf. "Ik wil trachten te +leven." + +Zij leunde op haar vaders arm, en ging op straat. Zij hoopte dat het +leven daarbuiten haar zou bedwelmen, zoodat zij haar smart vergeten +zou. "Gelukt dit mij niet," dacht zij, "kan ik geen verstrooiing +vinden, dan moet ik sterven." + +Maar nu woonde er in Diamante een arme, oude beeldhouwer, die gaarne +een paar soldi met het feest wilde verdienen. Daarom had hij een paar +kleine lavabustes gemaakt van San Sebastiaan en van Paus Leo XIII. En +daar hij wist dat velen in Diamante Gaetano liefhadden en treurden +om zijn lot, maakte hij ook een paar beelden van hem. + +En dadelijk toen donna Micaela op straat kwam, ontmoette zij dezen +man die haar een van zijn kleine, ellendige beeldjes te koop aanbood. + +"Koop don Gaetano, donna Micaela," zei de man. + +"Koop don Gaetano, dien de regeering gevangengenomen heeft, omdat +hij Sicilië wilde redden." + +Donna Micaela drukte haar vaders arm heftig en spoedde zich verder. + +Maar in het café Europa stond de zoon van den waard canzones te +zingen. Ter eere van het feest had hij eenige nieuwe liederen gedicht +en onder andere ook een paar over Gaetano. Hij kon immers niet weten +of de menschen niet juist van Gaetano wilden hooren. + +Donna Micaela ging voorbij het café, toen zij echter hoorde, dat er +gezongen werd, bleef zij staan om te luisteren. + +"Ach, Gaetano Alagona," zong de jonge man. "Zangers zijn machtig. Met +mijn liederen zal ik u vrij zingen. Eerst zend ik u de lieflijke +canzone. Die zal glijden door de traliën van uw gevangenis en deze +verbreken. Dan zend ik u het sonnet, dat schoon is als een vrouw +en dat uw bewakers zal omkoopen. Daarna dicht ik de heerlijke ode, +die de hooge gevangenismuren door haar trotschen rhythmus zal doen +schudden! Maar als niets u helpt, treed ik te voorschijn met het +machtige epos, dat een leger van woorden bezit. O, Gaetano, sterk +als een krijgsschaar, schrijdt het epos voorwaarts. Al de legioenen +van het oude Rome bezaten niet de macht het tegen te houden." + +Donna Micaela klemde zich krampachtig vast aan haar vaders arm, maar +zij zei niets, ze ging slechts verder. Toen begon cavaliere Palmeri +te spreken over Gaetano. + +"Ik wist niet dat hij zoo bemind was," zei hij. + +"Ik ook niet," fluisterde donna Micaela. + +"Maar heden zag ik hoe vreemde menschen in donna Elisa's winkel kwamen +en haar smeekten iets te mogen koopen, dat hij gesneden had. Ze had +nog slechts een paar oude rozenkransen, die trok zij stuk en daarvan +deelde zij de koralen uit." + +Donna Micaela zag haar vader smeekend aan. Maar hij wist niet of zij +wilde, dat hij zou zwijgen of doorgaan met vertellen. + +"Donna Elisa's oude vrienden loopen in den tuin met Luca," zei +hij. "Luca wijst hun Gaetano's lievelingsplekjes en den grond, dien +hij gewoonlijk bewerkte. En Pacifica zit in de werkplaats naast de +schaafbank en vertelt al het mogelijke van hem van af den tijd dat +hij niet grooter was dan zóó." + +Meer kon hij niet vertellen, het gedrang en het rumoer werd zoo hevig +dat hij moest afbreken. + +Zij gingen naar den dom. Op de domtrap zat de oude Assunta. Zij had +een rozenkrans in de hand en mompelde hetzelfde gebed, den geheelen +rozenkrans langs. Zij smeekte den heilige dat Gaetano, die beloofd +had de armen te helpen, weer in Diamante zou terugkomen. + +Toen donna Micaela haar voorbijging, hoorde zij haar zeggen: "San +Sebastiaan, geef ons Gaetano. Ach, uit barmhartigheid, ach, om onze +ellende, geef ons Gaetano terug, San Sebastiaan." + +Donna Micaela was van plan geweest naar de kerk te gaan, maar nu +wendde zij zich om. + +"Er is zulk een gedrang," zei zij. "Ik durf er niet ingaan." + +Zij ging weer naar huis. Maar terwijl ze weg was, had donna Elisa van +de gelegenheid gebruik gemaakt. Zij had een vlag op het dak van het +zomerpaleis geheschen en doeken over de balkons gespreid en toen donna +Micaela thuis kwam, was zij bezig een guirlande vast te maken. Donna +Elisa kon het niet verdragen, dat het zomerpaleis niet versierd +was. Zij wilde, dat dezen keer niets aan San Sebastiaans feest zou +ontbreken. En zij vreesde, dat de heilige Diamante en Gaetano niet +zou helpen, indien het oude paleis der Alagona's hem niet vierde. + +Donna Micaela kwam terug, bleek als een ter dood veroordeelde en +gebogen alsof zij een tachtigjarig besje was. + +Zij mompelde in zich zelf: "Ik maak geen bustes van hem, ik zing +geen liederen over hem, ik waag het niet God voor hem te bidden, +ik koop geen zijner koralen. Hoe zal hij dan kunnen gelooven, dat ik +hem liefheb? Hij moet al die anderen, die hem aanbidden, liefhebben, +maar niet mij. Ik behoor niet tot zijn wereld, mij kan hij niet +meer liefhebben." + +En toen zij zag dat men haar huis met bloemen wilde versieren, +scheen haar dat zoo stuitend leelijk, dat zij den krans rukte uit +donna Elisa's hand en haar dien voor de voeten wierp, terwijl zij +vroeg of donna Elisa haar wilde vermoorden. Daarna ging zij haar +voorbij. Zij wierp zich in haar kamer op de sofa en verborg haar +gelaat in de kussens. + +Nooit vroeger had zij begrepen hoe al deze uiterlijke +omstandigheden hem van haar scheidden. De volksman kon haar niet +liefhebben. Daarenboven had zij het gevoel, dat zij hem verhinderd had, +al deze armen te helpen. + +Hoe moest hij haar verafschuwen! hoe moest hij haar haten! Haar booze +geest kwam weer over haar. Dit booze dat bestond in het niet bemind +zijn! Dat zou haar vermoorden. Zij dacht dat nu alles voorbij, dat +alles geëindigd was. + +Terwijl zij zoo lag, kwam haar plotseling het kleine Christusbeeld +in de gedachten. Het was alsof hij in al zijn armoedige pracht de +kamer binnentrad. Zij zag hem duidelijk. + +Donna Micaela begon het Christuskind om hulp aan te roepen. En zij +was verbaasd, dat zij zich niet vroeger tot dezen wonderdoener gewend +had. Maar dat kwam zeker, omdat het beeld niet in een kerk stond, +maar rondgevoerd werd als een der rariteiten van miss Tottenham, +zoodat zij slechts in den hoogsten nood aan hem dacht. + + + +Het was laat op den avond van denzelfden dag. Donna Micaela had al +haar bedienden verlof gegeven naar het feest te gaan, zoodat zij en +haar oude vader alleen in het groote huis waren. + +Maar tegen tien uur stond haar vader op en zei dat hij den wedstrijd +der zangers op de markt wilde gaan hooren. En toen hij ging, wilde +donna Micaela niet alleen achterblijven, en moest zij wel besluiten +hem te volgen. + +Toen zij op de markt kwamen, zagen zij dat het plein veranderd was +in een theater met rijen stoelen naast elkaar. Elk plekje was bezet +met menschen en ternauwernood konden zij een plaats vinden. + +"Vanavond is Diamante heerlijk, Micaela," zei cavaliere Palmeri. 't +Was alsof de lieflijkheid van den nacht hem zachter stemde. Hij sprak +meer en teederder tot haar, dan hij sedert langen tijd gedaan had. + +Donna Micaela scheen het, dat haar vader de waarheid sprak. Zij had +een gevoel, zooals zij gehad had, toen zij voor de eerste maal in +Diamante kwam. + +Het was de stad der wonderen, de stad van schoonheid, een klein +heiligdom van God. + +Tegenover haar verrees een hoog, statig gebouw, opgetrokken van +stralende diamanten. Zij moest een tijdlang nadenken, vóórdat zij +begrijpen kon, wat het was. + +Toch was het niets anders dan de gevel der domkerk, die bedekt was +met bloemen van stijf zilver- en goudpapier, waarin duizenden kleine +stukken spiegelglas waren gestoken. En in elke bloem hing een klein +olieglas met een vlammetje zoo groot als een vuurvlieg. Het was van +een zeldzame bekoring, de mooiste illuminatie, die donna Micaela ooit +gezien had. + +Er was geen andere verlichting op de markt, en dat was ook niet +noodig. Deze groote muur van diamanten verlichtte voldoende. + +Het zwarte palazzo Geraci stond gloeiend rood als werd het verlicht +door een vuurwolk. + +Men zag niets van de wereld behalve de markt; daarbuiten heerschte +diepe duisternis en dit maakte dat donna Micaela opnieuw het oude +betooverde Diamante meende te herkennen, dat niet op de aarde lag, +maar een heilige burcht was op een der hemelsche bergen. Het raadhuis +met de zware balkons en de hooge trap, het groote nonnenklooster en +de Romeinsche poort waren opnieuw heerlijk en wonderbaarlijk. En zij +kon nauwelijks gelooven, dat zulk een vreeselijk lijden haar hier +getroffen had. + +Te midden van deze menschenmassa voelde men geen koude. De winteravond +was zwoel als een nacht in 't voorjaar. Een lentestemming kwam op in +donna Micaela. Het begon in haar te beven en te trillen op een wijze, +die tegelijkertijd heerlijk en vreeselijk was. + +Zoo moest de sneeuwmassa op den Etna zich gevoelen als de zon haar +oploste in bruisende bergstroomen. + +Zij zag naar de menschen, die de markt vulden en zij was verbaasd +dat hun aanblik haar des voormiddags zoo gepijnigd had. Nu vond zij +het heerlijk dat zij Gaetano liefhadden. Ach, indien hij haar slechts +bleef liefhebben, zou zij zoo onuitsprekelijk trotsch op hun liefde +zijn, gelukkig over hun vereering. Dan zou zij deze oude bevende +handen willen kussen, die beelden van hem maakten en voor hem in +gebed gevouwen waren. + +Toen zij dit dacht, werden de kerkdeuren wijd opengeslagen en een +groote, platte wagen rolde uit de kerk. Boven op den met rood doek +bekleeden wagen stond San Sebastiaan bij een paal, en onder het beeld +zaten de vier zangers, die deelnamen aan den wedstrijd. + +Het was een oude blinde zanger van Nicolosi, een kuiper van Catania, +die beschouwd werd als de beste improvisatore van geheel Sicilië, +een smid van Termine en de kleine Gandolfo, zoon van den poortwachter +van het raadhuis. Alle menschen waren verbaasd, dat Gandolfo het +waagde deel te nemen aan zulk een gevaarlijken wedstrijd. Deed hij +dat misschien om zijn bruid, de kleine Rosalie, te behagen? Niemand +had ooit geweten, dat hij kon improviseeren. Hij had zijn gansche +leven niets anders gedaan dan mandarijnen eten en naar den Etna staren. + +Het eerste dat gedaan werd, was de deelnemers te laten loten, en het +lot viel zoo, dat de kuiper het eerst aan de beurt kwam en Gandolfo +het laatst. Toen de loting zoo uitviel, verbleekte Gandolfo. 't Was +immers vreeselijk het laatst te komen, daar allen over hetzelfde +onderwerp zouden spreken. + +De kuiper sprak over San Sebastiaan, toen hij legionair in het oude +Rome was en terwille van zijn geloof aan een paal werd vastgebonden +om als mikpunt voor zijn kameraden te dienen. Na hem kwam de blinde +zanger, die verhaalde hoe een vrome Romeinsche den martelaar vond, +bloedend en doorboord met pijlen en hoe het haar gelukte hem opnieuw +tot het leven te roepen. Toen kwam de smid, die al de wonderen vertelde +die San Sebastiaan verricht had op Sicilië gedurende de pest van het +jaar vijftienhonderd. + +Zij werden alle drie geprezen. Zij gebruikten sterke woorden van bloed +en dood en het volk juichte hen toe. Maar zij, die van Diamante waren, +werden bang voor den kleinen Gandolfo. + +"De smid heeft hem alle woorden ontnomen," zei men, "het zal hem +niet gelukken." + +"O," zeiden anderen, "de kleine Rosalie neemt om die reden den +verlovingsband niet uit haar vlechten." + +Maar Gandolfo kroop ineen in zijn hoek van den wagen. Hij werd al +kleiner en kleiner. Zij, die in zijn nabijheid zaten, konden hooren +hoe zijn tanden klapperden van vrees. + +Toen eindelijk zijn beurt kwam, stond hij op en begon te improviseeren, +maar hij sprak zeer slecht, nog veel slechter dan iemand verwacht +had. Hij stamelde een paar verzen, maar het was slechts een herhaling +van hetgeen de anderen gezegd hadden. + +Toen zweeg hij plotseling en haalde heftig adem. In dit oogenblik kwam +de kracht der wanhoop over hem. Hij richtte zich op en een zacht rood +kleurde zijn wangen. + +"O, signori," zei de kleine Gandolfo. "Laat mij spreken over hetgeen +mij altijd vervult. Laat mij spreken over hetgeen ik altijd vóór +mij zie!" + +En hij begon met wegsleepende welsprekendheid te vertellen wat hij +zelf gezien had. + +Hij verhaalde hoe hij, de zoon van den poortwachter van het raadhuis, +over donkere zolders geslopen was en verborgen had gelegen onder +een der galerijen van de gerechtszaal in den nacht dat de krijgsraad +verzameld was om de oproerlingen van Diamante te vonnissen. + +Toen had hij don Gaetano Alagona zien zitten op de bank der +aangeklaagden in een gezelschap van een menigte woeste gezellen, +die erger waren dan dieren. + +Hij vertelde hoe schoon Gaetano geweest was. Den kleinen Gandolfo +had hij een god toegeschenen naast de vreeselijke menschen, +die hem omringden. En hij beschreef deze bandieten met hun wilde +roofdiergezichten, hun ruig haar en plompe ledematen. Hij zei, +dat ze er zoo woest uitzagen, dat iemand die hen in de oogen keek, +het hart beefde. + +Toch was in al zijn schoonheid don Gaetano angstwekkender dan deze +menschen. + +Gandolfo wist niet hoe zij het waagden naast hem te zitten op de +bank. Onder zijn saamgetrokken wenkbrauwen schoten vlammende blikken +op zijn medegevangenen, die hun zielen vermoord zouden hebben, als +zij gelijk andere menschen zielen bezeten hadden. + +"Wie zijt gij," scheen hij te vragen, "dat ge het waagt op plundering +en moord uit te trekken, terwijl gij de heilige vrijheid aanroept? Weet +gij, wat gij gedaan hebt? + +"Weet gij, dat ik nu ter wille van uw list gevangen zit? En dat ik +het ben, die Sicilië gered zou hebben?" En iedere blik, dien hij op +hen wierp, was een terdoodveroordeeling. Zijn blikken vielen op al +die zaken, die de bandieten gestolen hadden en nu op de gerechtstafel +lagen. Hij herkende deze voorwerpen. Zou hij de pendules en zilveren +schalen van het zomerpaleis niet kennen, zou hij de heiligenbeelden +en munten niet kennen, die zij geroofd hadden van zijn Engelsche +beschermster? Maar toen hij deze zaken herkend had, zond hij zijn +medegevangenen een vreeselijken lach toe. + +"Gij helden, gij hebt geplunderd bij twee vrouwen," zei deze lach. + +Zijn edel gelaat wisselde voortdurend van uitdrukking. + +Eens had Gandolfo het plotseling zien samentrekken van schrik. Het +was toen de man, die naast hem zat, een hand had uitgestrekt, die +rood was van bloed. + +Had hij toen misschien plotseling een vermoeden van de waarheid +gekregen? Dacht hij er aan, dat deze menschen ingebroken hadden in +het huis, waar zijn geliefden woonden? + +Gandolfo vertelde hoe de officieren, die rechters zouden zijn, nu +zwijgend en ernstig binnen waren gekomen en plaats hadden genomen. Toen +hij deze hooge heeren gezien had, was zijn onrust verminderd. + +Hij had tot zich zelf gezegd, dat zij wisten, dat Gaetano een voorname +man was en dat zij hem niet zouden veroordeelen. Zij zouden hem niet +verwarren met de bandieten. Niemand kon toch gelooven, dat hij had +willen plunderen bij twee vrouwen. + +En zie, toen de rechter Gaetano Alagona opriep, was er geen strengheid +in zijn stem. Hij sprak tot hem als tot een gelijke. + +"Maar," zei Gandolfo, "toen nu don Gaetano zich verhief, stond hij zóó, +dat hij op de markt kon zien. En op de markt, op deze zelfde markt, +waar nu zoo vele menschen zitten in vreugde en genot, naderde toen een +lijkstoet. Het waren de witte broeders, die het lijk van de vermoorde +Giannita droegen naar haar moeders huis. Ze liepen met fakkels en +men kon duidelijk de baar zien, die zij op hun schouders droegen. + +"Terwijl de stoet langzaam over de markt schreed, kon men het +lijkkleed herkennen dat gespreid was over de doode. Het was het +kleed der Alagona's, versierd met het groote wapen en de rijke +zilverfranjes. Maar toen Gaetano dit zag, begreep hij dat de vermoorde +uit het huis der Alagona's zijn moest. + +"Zijn gelaat werd aschgrauw en hij wankelde, alsof hij op het punt +stond te vallen. + +"In dit oogenblik vroeg de rechter hem: + +"Kent ge de vermoorde?" + +En hij antwoordde: "Ja." + +Toen vervolgde de rechter, die een barmhartig mensch was: "Stond ze +u na?" + +En don Gaetano antwoordde: + +"Ik heb haar lief." + +Toen Gandolfo zoo ver met zijn verhaal was gekomen zag men dat +donna Micaela haastig oprees, alsof zij hem wilde tegenspreken, +maar cavaliere Palmeri trok haar vlug naast zich. + +"Stil, stil," zei hij tot haar. + +En ze zat stil met het gelaat tusschen haar handen verborgen. Nu en +dan schokte haar lichaam en jammerde zij zacht. + +Maar Gandolfo verhaalde hoe de rechter, toen don Gaetano dit bekend +had, op zijn medegevangenen gewezen en hem gevraagd had: + +"Indien ge deze vrouw lief hebt, hoe kunt ge dan in eenige gemeenschap +staan met deze menschen, die haar vermoord hebben?" + +Toen had Gaetano zich plotseling tot de bandieten gewend. Hij had zijn +vuist gebald en naar hen opgeheven. En hij had er uitgezien, alsof +hij zich een dolk wenschte om hen één voor één te kunnen neerstooten. + +"Met dezen!" had hij uitgeroepen. "Zou ik in eenige gemeenschap staan +met deze menschen?" + +Zeker had hij willen zeggen, dat hij niets had te maken met roovers +en moordenaars. + +De rechter had mild gelachen en er uitgezien alsof hij slechts op +dit antwoord gewacht had om don Gaetano vrij te spreken. + +Maar toen was er een Godswonder geschied. + +Gandolfo verhaalde hoe tusschen al de gestolen zaken, die op de +tafel lagen, ook een klein Christusbeeld geweest was. Dat was een +el hoog en rijk versierd met ringen en getooid met een gouden kroon +en gouden schoentjes. Juist op dit oogenblik boog een der officieren +zich voorover en trok het beeld naar zich toe. Terwijl hij dit deed, +viel de kroon op den grond en rolde naar don Gaetano. + +Deze nam de Christuskroon, hield die een oogenblik in zijn handen en +beschouwde ze nauwkeurig. Het scheen alsof hij daarop iets gelezen had. + +Hij hield de kroon slechts even in zijn handen, op hetzelfde oogenblik +ontnam de soldaat van de wacht hem die. + +Donna Micaela zag bijna verschrikt op. Het Christusbeeld! Daar was +het dus reeds. Zou zij spoedig antwoord krijgen op haar bede? + +Gandolfo vervolgde: "Maar toen Gaetano nu opkeek, beefden allen als +voor een wonder, want hij was geheel veranderd. + +"O, signori, hij was zoo bleek, dat zijn gelaat scheen te lichten en +zijn oogen waren mild en straalden zacht. + +"En er was geen toorn meer in hem. + +"En hij begon te smeeken voor zijn medegevangenen, hij begon te bidden +voor hun leven. + +"Hij smeekte dat zij deze arme menschen niet zouden dooden. Hij bad, +dat de hooge rechters iets voor hen doen zouden, opdat zij eens konden +leven als andere menschen. "Wij hebben slechts dit leven te leven," +zei hij. "Ons rijk is slechts van deze wereld." + +"Hij begon te verhalen hoe deze menschen geleefd hadden. Hij +sprak alsof hij had kunnen lezen in hun ziel. Hij beschreef hun +levensgeschiedenis zoo somber en ongelukkig, als die werkelijk was. Hij +sprak zoo dat enkelen der hooge heeren weenden. + +"Zijn woorden klonken sterk en machtig, zoodat het was alsof don +Gaetano rechter was en de rechters misdadigers waren. + +"Zie," zei hij tot hen, "wiens schuld is het, dat deze ongelukkige +menschen te gronde gaan? Zijt gij het niet, die de macht bezit, en +hen in uw bescherming moest nemen?" En men zag hoe allen ontstelden +over de verantwoordelijkheid, die hij hun oplegde. + +"Maar plotseling viel de rechter hem in de rede. + +"Spreek tot uw eigen verdediging, Gaetano Alagona," zei hij. "Spreek +niet voor anderen." + +Toen had Gaetano gelachen. "Signor," zei hij, "ik heb niet veel meer +dan gij om mij te verdedigen. Maar ik heb toch iets. Ik heb mijn +werkkring in Engeland verlaten om oproer te maken op Sicilië. Ik +heb wapens meegebracht. Ik heb oproerige taal gesproken. Ik heb iets +ofschoon niet veel." + +De rechter had hem bijna gesmeekt: + +"Spreek zoo niet, don Gaetano. Denk aan hetgeen gij zegt." + +Maar hij had bekentenissen gedaan, die de rechters gedwongen hadden hem +te veroordeelen. Toen men hem zei, dat hij veroordeeld was tot negen +en twintig jaar gevangenisstraf, had hij uitgeroepen: "Nu geschiedt +de wil van haar, wier baar hier zoo juist voorbij gedragen werd. Moge +het mij gaan, zooals zij wilde." + +"En meer zag ik niet van hem," zei de kleine Gandolfo, "want de +soldaten van de wacht namen hem in hun midden en voerden hem weg. + +"Maar ik, die hem hoorde smeeken voor degenen, die zijn liefste +vermoord hadden, deed mij zelf de gelofte, dat ik iets voor hem +doen zou. + +"Ik beloofde een schoone improvisatie over San Sebastiaan te houden, +opdat deze hem zou helpen. Maar dit is mij niet gelukt. Ik ben geen +improvisator, ik kon niet!" + +Hij zweeg en wierp zich luid weenend voor het beeld. "Vergeef mij, +dat ik niet kon," riep hij, "en help hem toch. Ge weet, dat ik deze +gelofte deed toen hij veroordeeld werd. Maar nu heb ik niet kunnen +spreken over u en nu zult ge hem niet helpen." + +Donna Micaela wist nauwelijks hoe het gegaan was, maar zij en de +kleine Rosalie, die Gandolfo liefhad, waren bijna gelijktijdig bij +hem. Ze trokken hem naar zich toe en kusten hem en zeiden, dat niemand +gesproken had als hij, neen niemand. + +Zag hij niet, dat allen weenden? San Sebastiaan was tevreden over +hem. Donna Micaela schoof een ring aan Gandolfo's vinger, rondom hem +wuifde men met veelkleurige zijden doeken, die glinsterden als de +golven der zee in het sterke licht van de domkerk. + +"Viva Gaetano, viva Gandolfo!" riep het volk. + +En het regende bloemen, vruchten, zijden doeken en sieraden op den +kleinen Gandolfo. + +Donna Micaela werd bijna met geweld van hem gerukt. Maar zij dacht +er niet aan bevreesd te zijn. + +Zij stond midden in de golvende menschenmassa te weenen. Tranen +stroomden over haar gelaat en zij weende van vreugde, omdat zij weende. + +Dat was de hoogste zegening. + +Zij wilde weer naar Gandolfo, zij kon hem niet genoeg danken. Hij +had haar immers verteld, dat Gaetano haar liefhad. + +Toen hij deze woorden aanhaalde: + +"De wil geschiede van haar wier baar hier werd voorbijgedragen," +had zij plotseling begrepen, dat Gaetano meende, dat zij het was, +die onder het lijkkleed der Alagona's lag. + +En van de doode had hij gezegd: "Ik heb haar lief." + +Het bloed stroomde opnieuw door haar aderen, haar hart klopte, haar +tranen vloeiden. + +"Dit is het leven, het leven," zei ze tot zich zelf, terwijl zij zich +willoos door de volksmassa meevoeren liet. + +"Het leven is weer tot mij gekomen, ik zal niet sterven." + +Allen wilden naar den kleinen Gandolfo om hem te danken, omdat hij +hun iemand geschonken had om op te hopen, om naar te verlangen, om +lief te hebben in deze dagen van tegenspoed, nu alles verloren scheen. + + + + + + +TWEEDE DEEL. + + + "De Antichrist zal van land tot land + gaan en den armen brood geven." + + +I. + +DE VROUW VAN EEN GROOT MAN. + + +Het was in Februari en de amandelboomen begonnen op het zwarte lavaveld +rondom Diamante te bloeien. + +Cavaliere Palmeri had een tocht op den Etna gemaakt en een grooten +amandeltak vol knoppen en bloemen meegebracht; dezen had hij in een +vaas in de muziekzaal gezet. + +Donna Micaela beschouwde den bloeienden tak. De amandelbloemen waren +dus reeds gekomen! Gedurende een gansche maand, gedurende zes volle +weken zou men ze nu overal vinden. + +Zij zouden op het altaar in de kerk staan, zij zouden liggen op de +graven, en zij zouden in het knoopsgat, op den hoed en in het haar +gedragen worden. + +Zij zouden bloeien langs den weg, op de bergen en ruïnes, en zij +zouden prijken op het zwarte lavaveld. + +En iedere amandelbloem zou haar herinneren aan den dag, toen de +klokken luidden en Gaetano nog vrij en gelukkig was, toen zij droomde +een heel leven met hem te zullen leven. + +Het kwam haar voor, dat zij nooit te voren volkomen begrepen had wat +het wilde zeggen, dat hij gevangen en weg was en dat zij hem nooit +meer zou zien. + +Zij moest gaan zitten om niet te vallen, haar hart scheen op te houden +met kloppen en zij sloot de oogen. + +Terwijl zij daar zoo zat, had ze een visioen. + +Opeens bevindt zij zich thuis in het paleis te Catania. Zij zit in de +hooge vestibule te lezen en zij is een vroolijke jonge dame, signorina +Palmeri. Een bediende voert een reizenden koopman tot haar. 't Is een +jonge, mooie man met een takje amandelbloemen in het knoopsgat, op +het hoofd draagt hij een plank vol heiligenbeeldjes, uit hout gesneden. + +Zij koopt eenige beeldjes van hem, onderwijl verslindt de jonge man +met zijn oogen alle kunstwerken in de vestibule. Zij vraagt hem of +hij hun verzameling wil zien. Ja, dat wil hij gaarne. En zij gaat +zelf met hem mee om hem alles te toonen. En hij is zoo gelukkig door +hetgeen hij ziet, dat zij denkt dat hij een kunstenaar moest worden +en zij doet zich zelf de gelofte, dat zij hem niet zal vergeten. + +Zij vraagt hem waar hij thuis behoort. + +Hij antwoordt: "In Diamante." + +"Is dat ver weg?" + +"Vier uur met den postwagen." + +"En met den trein?" + +"Er bestaat geen spoorweg naar Diamante, signorina." + +"Ge moest er een aanleggen." + +"Wij, wij zijn te arm. Vraag den rijken menschen in Catania of zij +voor ons een spoorweg willen aanleggen." + +Nadat hij dit gezegd had, wil hij gaan, maar in de deur wendt hij +zich om en komt terug om haar zijn amandelbloemen te geven. Dat is +tot dank voor al het schoone, dat zij hem heeft laten zien.-- + +Toen donna Micaela de oogen opende, wist zij niet of zij gedroomd +had of dat zoo iets misschien werkelijk eens gebeurd was. Gaetano +kon immers heel goed eens in het palazzo Palmeri geweest zijn om zijn +beelden te verkoopen, ofschoon zij het vergeten was; maar nu hadden +de amandelbloemen dat voorval weer in haar geheugen geroepen. + +Maar dit was hetzelfde. De hoofdzaak was, dat de jonge houtsnijder +Gaetano was. Het was als had zij met hem gesproken. Zij meende te +hooren hoe de deur achter hem dichtviel. En na dezen droom rijpte het +plan in haar, dat zij een spoorweg moest aanleggen tusschen Catania +en Diamante. + +Gaetano was zeker tot haar gekomen om haar te verzoeken dit te +doen. Het was een bevel van hem en zij voelde, dat zij hem moest +gehoorzamen. Zij deed volstrekt geen poging om zich te verzetten. Zij +was overtuigd dat Diamante meer behoefte had aan een spoorweg dan aan +iets anders. Zij had Gaetano eens hooren zeggen, dat indien Diamante +slechts een spoorweg bezat, zoodat het zijn oranjeappelen, zijn wijn, +honing en amandelen kon vervoeren, en de vreemdelingen het gemakkelijk +konden bereiken, het spoedig een rijke stad zou zijn. + +Zij was ook vast overtuigd, dat zij een spoorweg tot stand zou +kunnen brengen. Zij moest het in elk geval beproeven. Het viel haar +geen oogenblik in, dat zij het kon laten. Als Gaetano het wenschte, +moest zij gehoorzamen. + +Zij dacht er over na hoeveel geld zij zelf daarvoor zou kunnen +afstaan. Maar daarmee zou zij wel niet ver komen. Het eerste, dat +zij doen moest, was trachten geld te krijgen. Nog in hetzelfde uur +was zij bij donna Elisa en riep haar hulp in om een bazaar te regelen. + +Donna Elisa hief haar oogen op van haar borduurwerk. "Waarvoor wilt +ge een bazaar houden?" + +"Ik wil geld verzamelen voor een spoorweg." + +"Dat is juist iets voor u, donna Micaela, daar zou niemand anders +aan gedacht hebben." + +"Hoe, donna Elisa? Wat meent gij?" + +"O niets." + +En donna Elisa ging weer aan haar borduurwerk. + +"Gij wilt mij dus niet helpen met mijn bazaar?" + +"Neen." + +"En gij wilt geen kleine bijdrage daarvoor afstaan?" + +"Zij, die zoo kort geleden haar man verloren heeft," antwoordde donna +Elisa, "moest niet aan dergelijke grapjes denken." + +Donna Micaela begreep, dat donna Elisa boos op haar was om een of +andere reden en dat zij haar daarom niet wilde helpen. + +Maar er zouden wel andere menschen te vinden zijn die begrijpen zouden, +dat dit heerlijke plan Diamante zou redden. + +Maar donna Micaela moest tevergeefs van deur tot deur gaan. En al +sprak en smeekte zij nog zoo veel, zij kreeg geen aanhangers. + +Zij trachtte de menschen te overtuigen, zij wendde al haar +welsprekendheid aan om hun het plan te verklaren. + +Maar er was niemand, die op haar voorstel wilde ingaan. Waar zij kwam, +antwoordde men haar, dat men te arm was, te arm. + +De vrouw van den sindaco wilde niet, dat haar dochters op den +bazaar zouden helpen verkoopen. Don Antonio Greco, de eigenaar +van het marionetten-theater, wilde niet komen met zijn poppen. De +stadsmuzikanten wilden niet spelen. Geen koopman wilde goederen +afstaan. En als donna Micaela heengegaan was, lachte men haar uit. + +Een spoorweg, een spoorweg! Zij wist niet, wat zij wilde. Daarvoor +waren statuten, een maatschappij, aandeelen en een concessie +noodig. Hoe zou een vrouw dat alles kunnen regelen? + +Maar anderen vergenoegden zich niet met donna Micaela uit te lachen, +sommigen werden boos op haar. + +Zij ging naar den donkeren winkel naast het klooster der Benedictijnen, +waar meester Pamphilio zijn ridderromans vertelde. Zij kwam om hem te +vragen of hij op haar bazaar wilde komen om het publiek te onderhouden, +met Karel den Grooten en zijn paladijnen; maar daar hij midden in +een verhaal was, moest zij wachten. + +Toen sloeg zij donna Concetta gade, meester Pamphilio's echtgenoote, +die op de estrade aan zijn voeten zat te breien. + +Zoo lang meester Pamphilio sprak, bewogen donna Concetta's lippen +zich. Zij had zijn romans zoo dikwijls gehoord, dat zij die van +buiten kende en de woorden zei, vóórdat ze over meester Pamphilio's +lippen kwamen. Maar het was voor haar altijd nog hetzelfde genot hem +te hooren verhalen, en zij weende en lachte, zooals zij gedaan had, +toen zij hem voor de eerste maal had hooren vertellen. + +Meester Pamphilio was een oude man, die zeer veel gesproken had in +zijn leven, zoodat zijn stem hem in den steek liet, als hij aan +de groote oorlogstooneelen kwam, die met luide en krachtige stem +verhaald moesten worden. Maar donna Concetta, die iederen roman van +buiten kende, ontnam meester Pamphilio nooit het woord. Zij gaf den +toehoorders een teeken dat zij moesten wachten tot zijn stem terugkwam. + +Als echter zijn geheugen hem ontrouw werd, deed donna Concetta, alsof +ze een steek liet vallen; dan bracht zij haar kous bij de oogen en +daarachter wierp zij hem het woord toe, zoodat niemand het kon merken. + +En allen wisten, dat hoewel donna Concetta de romans misschien mooier +had kunnen verhalen dan meester Pamphilio, zij dat nooit zou willen +doen. Niet slechts omdat dit onpassend was voor een vrouw, maar +ook omdat dit haar nooit zulk een genot kon zijn als haar geliefden +meester Pamphilio te hooren vertellen. + +Toen donna Micaela zoo keek naar donna Concetta, verzonk zij in +droomen. O, zoo te zitten onder de estrade, waar de geliefde spreekt, +zoo daar te zitten dag uit en dag in om hem te aanbidden. Zij wist, +wie dat gaarne zou willen! Maar toen meester Pamphilio zijn verhaal +geëindigd had, ging donna Micaela naar hem toe en verzocht hem of +hij haar wilde helpen. 't Viel hem moeielijk neen te zeggen op de +duizenden smeekbeden, die in haar oogen geschreven stonden. + +Donna Concetta kwam hem te hulp. "Meester Pamphilio," zei zij, +"verhaal donna Micaela van Guglielmo den Slechten." + +En meester Pamphilio vertelde: + +"Donna Micaela, weet ge, dat er eens een koning in Sicilië heerschte, +die Guglielmo de Slechte heette? + +"Hij was zoo gierig, dat hij zijn onderdanen al hun geld ontnam. Hij +beval dat allen die gouden munten bezaten, hem die moesten afstaan. En +hij was zoo slecht, dat allen hem moesten gehoorzamen. + +"Nu, donna Micaela, wilde Guglielmo de Slechte weten of iemand nog +gouden munten in zijn huis verborgen had. En daarom zond hij een +zijner dienaren met een schoon paard door de corso in Palermo. En de +man bood het paard te koop aan en riep luid: + +"Te koop voor een gouden munt! te koop voor een gouden munt!" + +"Maar er was niemand, die het paard kon koopen. + +"Doch het was een zeer schoon paard en een jonge heer in Palermo, +de hertog Montefiascone, was opgetogen daarover. + +"Er bestaat voor mij geen vreugde op deze aarde meer indien ik dit +paard niet kan koopen," zei hij tot zijn hofmeester. + +"Signor duca," antwoordde de hofmeester, "ik kan u zeggen, waar gij +een gouden munt kunt vinden. Toen uw heer vader stierf en door de +Kapucijners werd weggehaald, legde ik volgens oud gebruik een gouden +munt in zijn mond. Die kunt ge immers nemen, signor." + +"Want ge moet weten, donna Micaela, dat men in Palermo zijn dooden +niet in den grond begraaft. Men brengt hen naar het klooster der +Kapucijnen, waar de monniken hen in hun grafkamers hangen. + +"O, hoe velen hangen daar! Zoo vele dames gekleed in zijde en satijn, +zoo vele hooge heeren met ridderorden op hun uniform, en zoo vele +priesters met pij en kalotje op het doodshoofd en over het geraamte. + +"De jonge hertog volgde den raad. Hij begaf zich naar het klooster +der Kapucijnen en nam de gouden munt uit zijns vaders mond en kocht +het paard daarvoor. + +"Maar gij begrijpt, dat de koning slechts zijn dienaar met het paard +uitgezonden had om te weten te komen of nog iemand geld bezat. En nu +werd de hertog voor den koning gevoerd. + +"Hoe komt het, dat gij nog eene gouden munt bezit?" zei Guglielmo +de Slechte. + +"Sire, die was niet van mij, maar van mijn vader." En hij verhaalde +vanwaar hij de munt gekregen had. + +"'t Is waar ook," zei de koning. "Ik had vergeten, dat de dooden nog +geld bezitten." + +"En hij zond zijn dienaar naar de Kapucijners om alle munten uit den +mond der dooden te nemen." + +Hier eindigde de oude meester Pamphilio zijn verhaal. En nu wendde +donna Concetta zich met van toorn fonkelende oogen naar donna Micaela. + +"Gij zijt het die met het paard uitgaat," zei zij. + +"Ben ik dat? ik?" + +"Ja, gij donna Micaela. Nu zal de regeering zeggen: "Zij leggen een +spoorweg aan in Diamante. De menschen daar zijn dus rijk." En men +zal onze belastingen verhoogen. En God weet, dat wij de belastingen, +die ons reeds zijn opgelegd, niet kunnen betalen, zelfs indien wij +onze voorvaderen plunderden." + +Donna Micaela wilde haar kalmeeren. + +"Zij hebben u uitgezonden om te vernemen of wij nog geld bezitten. Gij +zijt een spion der rijken, gij wordt betaald door de regeering. Die +bloedzuigers in Rome hebben u betaald." + +Donna Micaela wendde zich van haar af. + +"Ik kwam om met u te spreken, meester Pamphilio," zei zij tot den +grijsaard. + +"Maar ik ben het, die u antwoorden zal," viel donna Concetta haar in +de reden, "want het is een onaangename zaak, en die moet ik op mij +nemen. Ik weet, wat de vrouw van een groot man past, donna Micaela." + +Donna Concetta zweeg, want de voorname dame keek haar aan met een blik, +zoo vol afgunstig verlangen, dat zij medelijden met haar gevoelde. God +ja, er bestond ook verschil tusschen mannen, don Ferrante of meester +Pamphilio! + + + + + + +II. + +PANEM ET CIRCENSES. + + +In Diamante wijst men den vreemdelingen twee paleizen, die op het +punt staan tot ruïnes te vervallen, zonder ooit voltooid geweest te +zijn. Zij hebben groote vensteropeningen zonder ramen, hooge muren +zonder dak en groote poorten, die met planken en stroo gesloten zijn. + +Die twee paleizen liggen tegenover elkaar aan beide zijden der straat, +beide even onvoltooid en even vervallen. Rondom hen staan geen andere +gebouwen en geen mensch kan er in komen. Zij schijnen slechts gebouwd +te zijn voor de duiven. Hoor nu, wat men daarvan vertelt: + +Wat is een vrouw, o signori? Haar voet is zoo klein, dat zij over de +wereld gaat zonder een spoor achter te laten. Voor den man is zij +gelijk zijn schaduw. Zij heeft hem gevolgd gedurende zijn gansche +leven, zonder dat hij haar opgemerkt heeft. + +Men kan niet veel verlangen van een vrouw. Zij moet immers den geheelen +dag opgesloten zitten als een gevangene. Zij kan niet eens leeren +een minnebrief goed te spellen. Zij kan niets tot stand brengen, +dat duurzaamheid bezit. + +Als zij gestorven is, valt er niets op haar grafsteen te +vermelden. Alle vrouwen zijn van gelijke hoogte. + +Maar eens kwam in Diamante een vrouw, die zoo hoog boven alle andere +uitstak, als de honderdjarige palm zich verheft boven het grasveld. + +Zij bezat lira bij duizenden en kon die wegschenken of behouden, +gelijk zij verkoos. Zij ging voor niemand uit den weg. Zij vreesde +niet gehaat te worden. Zij was het grootste wonder, dat de oogen ooit +aanschouwd hadden. + +'t Spreekt immers vanzelf dat zij geen Siciliaansche vrouw was. Zij was +een Engelsche. En het eerste, dat zij deed toen zij in Diamante kwam, +was de geheele eerste verdieping van het hotel alleen voor haar zelf +te huren. Wat was dat voor haar? Gansch Diamante was haar niet groot +genoeg. Maar zoodra zij daar was, begon zij over de stad te heerschen +als een koningin. + +De sindaco moest haar gehoorzamen. Was zij het niet, die hem dwong +steenen banken op de markt te plaatsen? Was het niet op haar bevel, +dat de straten der stad iederen dag geveegd werden? + +Als zij 's morgens ontwaakte, stonden alle jonge mannen van Diamante +voor haar deur te wachten om haar te vergezellen op een uitstapje. Zij +hadden de schoenmakersleest en de schaafbank verlaten om haar als +gids te dienen. Zij hadden hun moeders zijden kleed verkocht om een +dameszadel voor hun ezel te koopen, waarop zij kon rijden naar het +kasteel of naar 'Tre Castagni. Zij hadden zich ontdaan van huis en +haard om een paard en wagen te koopen, opdat zij haar naar Randozzo +of Nicolosi konden rijden. + +En allen waren zij haar slaven. De kinderen begonnen in het Engelsch +te bedelen en de blinde vrouwtjes bij de hotelpoort, donna Pepa en +donna Tura, drapeerden zich in witte doeken om haar te behagen! + +Alles bewoog zich om haar; handwerk en nijverheid bloeiden +op rondom haar. Zij, die niets anders doen konden, groeven in +den grond naar munten en leemen kruiken om haar die te kunnen +aanbieden. Photografen vestigden zich in de stad en begonnen voor +haar te werken. Koraalhandelaars en kooplieden in schildpad schoten +rondom haar op uit de aarde. De priesters van Santa Agnese groeven +om harentwille het oude Dionysius-theater op dat achter hun kerk +lag. En elk die een vervallen villa bezat, groef uit de duisternis +der kelders overblijfselen op van een mozaïekvloer en noodigde haar +uit deze te komen zien. + +Wel waren er ook vroeger vreemdelingen geweest in Diamante, maar zij +waren gekomen en gegaan en niemand had zulk een macht bezeten als +zij. Spoedig was er geen enkele man in de stad, die niet al zijn hoop +op de Engelsche signorina vestigde. + +Haar gelukte het zelfs een weinig leven te brengen in Ugo Favara. Gij +weet wel, Ugo Favara, den advocaat, die eens een groot man beloofde te +worden, maar tegenspoed had en thuis kwam als een gebroken man. Zij +gebruikte hem om haar zaken te beheeren. Zij had hem noodig en zij +nam hem. + +Er is nooit een vrouw in Diamante geweest, die zulke zaken deed als +zij. Zij breidde zich uit gelijk de brem in de lente. Den eenen dag +weet nog niemand, dat zij er is en den volgenden dag is zij reeds +een groote struik. Spoedig wist men niet waarheen men zou gaan in +Diamante om niet op de velden der Engelsche signorina te loopen. Ze +kocht landgoederen en huizen in de stad, zij kocht amandelbosschen +en lavastroomen. De schoone plekjes, vanwaar men uitzicht genoot op +den Etna, waren haar eigendom en eveneens de drassige grond van het +dal. En in de stad begon zij twee groote paleizen te bouwen. 't Was +daarin, dat zij wonen en over haar koninkrijk heerschen wilde. + +Nooit zal men weer een vrouw als zij vinden. + +Dat alles was haar nog niet genoeg. Zij wilde ook den strijd aanbinden +tegen de armoede. O, signori, tegen de Siciliaansche armoede! Wat +gaf zij niet iederen dag weg! en wat deelde zij niet uit op feestdagen! + +Wagens, getrokken door twee paar ossen, gingen naar Catania en +kwamen terug hoog beladen met allerlei kleedingstukken. Zij had zich +voorgenomen dat een ieder heele kleeren zou dragen in de stad, waar +zij regeerde. + +Maar hoor nu, hoe het haar ging, hoe het eindigde met den strijd +tegen de armoede, met het koninkrijk en de paleizen. + +Zij gaf een feestmaal aan de armen in Diamante en na den maaltijd +een tooneelspel in het Grieksche theater. Dat was hetgeen een der +oude keizers gedaan zou hebben. + +Maar wie heeft ooit gehoord, dat een vrouw op dergelijke gedachten +kwam! + +Zij noodigde alle armen uit. Daar waren de twee blinde vrouwen van +de hotelpoort en de oude Assunta van de domtrap. Daar was de man van +het postkantoor die zijn kin bedekt had met een rooden doek om zijn +gelaatskanker te verbergen en dan was er de idioot, die de ijzeren +deuren van het Grieksche theater openschuift. + +Alle ezeldrijvers waren er, ook de beide broeders zonder handen, +die in hun jeugd een bom hadden laten ontploffen en toen alle vingers +hadden verloren; en dan was er de invalide met het houten been en de +oude stoelenmatter, die te oud was geworden om te werken. + +Het was wonderlijk hen allen uit hun holen te voorschijn te zien +kruipen, al deze armen van Diamante. Oude vrouwtjes die haar gansche +leven hadden zitten spinnen in donkere steegjes, waren op 't feest +en ook de positiefspeler, die een instrument heeft, zoo groot als +een kerkorgel, en een jonge, rondtrekkende mandolinista van Napels, +met zijn hoofd vol alle mogelijke dolle streken. Al de ooglijders +en ouden van dagen, die geen dak boven hun hoofd hadden, en zij die +wortelen aan den wegkant zochten voor het middagmaal, de steenhouwer +die een lire per dag verdiende en zes kinderen had om te verzorgen, +allen waren zij uitgenoodigd en aanwezig op het feest. + +De armoede zond haar troepen uit tegen de Engelsche signorina. Wie +bezit zulk een leger als de armoede? Maar eens gelukte het de Engelsche +signorina haar te overwinnen. + +Zij had ook iets om mee te strijden en te overwinnen. De geheele markt +stond vol gedekte tafels. En zij had wijnvaten laten stapelen langs +de steenen bank, die langs den geheelen muur der domkerk loopt. Zij +had het uitgestorven nonnenklooster herschapen in een provisiekamer en +keuken. Ze had de geheele vreemdelingenkolonie in Diamante, gekleed in +witte boezelaars, om de spijzen rond te deelen. En als toeschouwers bij +haar feestmaal had zij heel Diamante dat pleegt zich verzadigd te eten. + +Toeschouwers! wie had zij niet tot toeschouwers! Den grooten Etna, +de stralende zon, den rooden berg en den ouden Vulcanitempel, die nu +aan San Pasquale gewijd was. + +En geen van alle had nog ooit een verzadigd Diamante aanschouwd. Geen +van hen alle had er vóór dit oogenblik aan gedacht hoezeer het +hun eigen schoonheid zou verhoogen, indien men hen kon beschouwen, +zonder dat de honger den menschen in de ooren siste en hen op de +hielen volgde. + +Maar let nu op één ding! Hoe merkwaardig en groot deze signorina +ook was, schoon was zij niet. En trots al de macht, die zij bezat, +was zij niet vriendelijk of innemend. Zij regeerde niet met scherts, +zij beloonde niet met een glimlach. Zij had een zwaar, plomp lichaam +en een zwaar, plomp gemoed. + +Maar dezen dag, dat zij eten gaf aan al de armen, werd zij een geheel +ander mensch. + +Er woont een ridderlijk volk op het eiland Sicilië. Van al deze armen +liet geen enkele haar voelen, dat zij liefdadigheid uitoefende. Zij +aanbaden haar, maar zij aanbaden haar als vrouw. Zij namen plaats +aan haar tafel als bij een gelijke. Zij behandelden haar, zooals een +gastvrouw door haar gasten behandeld wordt. Heden doe ik u de eer +bij u te komen, morgen doet ge mij de eer bij mij te komen. Zoo en +niets anders was het! + +Zij stond op de hooge trap van het raadhuis en zag neer op de +menigte. En toen men het glas volschonk van den ouden stoelenmatter, +die aan 't boveneinde der tafel zat, richtte hij zich op, boog voor +haar en zei: + +"Ik drink op uw welzijn, signorina." + +Zoo deden allen. Zij legden de hand op het hart en bogen voor +haar. Het was misschien goed voor haar geweest, indien zij zulk een +ridderlijkheid vroeger in haar leven ontmoet had. Waarom hadden de +mannen in haar vaderland haar doen vergeten, dat de vrouwen bestaan +om te worden aangebeden? + +Hier zagen allen er uit of ze gloeiden van een stille vereering. Zoo +worden de vrouwen behandeld op het edele eiland. Wat gaven zij haar +niet terug voor de spijzen en den wijn, die zij hun schonk! Zij gaven +haar en jeugd en vroolijkheid, en de eer om navolgenswaardig te zijn. + +Ze hielden toespraken tot haar. + +"Edele signorina, gij die over de wijde zee gekomen zijt, gij die +Sicilië bemint"--en zoo voort, en zoo voort. + +En zij toonde, dat zij kon blozen, zij schaamde zich niet langer, +dat zij glimlachen kon. + +Toen zij gesproken hadden, begon het te beven om den mond der +Engelsche signorina. Zij werd twintig jaar jonger. Dat was hetgeen +zij noodig had. + +Op het feest was ook de ezeldrijver, die de Engelsche dames naar +Tre Castagni pleegt te geleiden, en die altijd verliefd op haar +was, vóórdat hij van haar scheidde. Nu viel zijn oog op de groote +weldoenster. + +Niet alleen een slank, fijn lichaam en een zachte gelaatstint zijn +waard aangebeden te worden, maar ook sterkte en kracht. + +De ezeldrijver liet plotseling mes en vork vallen, leunde met +de ellebogen op de tafel en bleef zoo zitten om naar haar te +kijken. En gelijk hij, deden al de andere ezeldrijvers. Het ging +als een besmetting rond. Het werd rondom de Engelsche signorina +heet van gloeiende blikken. Het waren niet alleen de armen die haar +aanbaden. De advocaat Ugo Favara kwam bij haar en fluisterde haar in +het oor, dat zij een voorzienigheid was voor zijn arm land en voor hem. + +"Indien ik slechts vroeger een vrouw gelijk u getroffen had," zei hij. + +"Denk u een ouden vogel, die lange jaren in een kooi was opgesloten +en ruig geworden is en den glans zijner veeren verloren heeft. En +plotseling komt er iemand, die hem streelt en den glans opnieuw te +voorschijn roept. Stel u dat voor, signorina!" + +En dan was er ook die knaap van Napels. Hij haalde zijn mandoline te +voorschijn en begon te zingen. Gij weet, hoe hij pleegt te zingen, +hoe hij gewoonlijk zijn grooten mond vertrekt en leelijke woorden +zegt. Dikwijls gelijkt hij op een spottend masker. Maar hebt gij +gezien dat hij een engel in zijn oogen heeft? + +Een engel, die schijnt te weenen over zijn val en vervuld is van een +goddelijken waanzin. En dezen avond was hij slechts engel. Hij hief het +hoofd op als een door God geïnspireerde dichter, zijn gebogen lichaam +werd veerkrachtig en richtte zich op in trotsche levensvreugde. Er +kwam kleur op zijn doodsbleeke wangen. En hij zong, hij zong, zoo dat +men de tonen als vuurvliegen van zijn lippen zag zweven om de lucht +met hun gejubel en gedans te vervullen. + +Toen het nacht werd trokken allen naar het Grieksche theater. Dat +was het glanspunt van het feest. En wat had de gastvrouw daar haar +gasten aan te bieden? + +Daar was de Russische zangeres en de Duitsche variété-kunstenaar, +de Engelsche clowns en de Amerikaansche goochelaar. Maar wat was dit +alles vergeleken met den zilverwitten maneschijn, met de plaats en al +haar herinneringen! Het was alsof de armen zich voelden als Grieken +en cultuurdragers, toen zij zich neervlijden op de rotsbanken van hun +eigen oud theater, en tusschen de bouwvallige zuilen van het tooneel +het schoone panorama aanschouwden. + +De armen zijn niet spaarzaam, ze deelen mild van de vreugde, die ze +krijgen. Ze waren niet zuinig met de toejuichingen, ze waren uitbundig +in hun handgeklap. Zij die op het tooneel optraden, vertrokken met +een schat van lof. + +Toen spoorde iemand de Engelsche signorina aan om ook op te treden. Al +deze vereering gold immers haar. Zij moest eens oog in oog met haar +gasten staan. En zij zeiden haar hoe bijval bedwelmt, hoe die vervoert +en bezielt. + +Dit voorstel behaagde haar, en zij volgde dezen raad onmiddellijk. + +Zij had in haar jeugd dikwijls gezongen en de Engelschen zijn nooit +afkeerig om te zingen. Anders zou zij het zeker niet gedaan hebben, +maar nu was zij goed geluimd, en nu wilde zij zingen voor hen, die +haar liefhadden. + +Zij trad het laatst van allen op. + +Stel u nu eens voor wat het is op zulk een oud tooneel op te +treden! Daar was het dat Antigone levend begraven was en Iphegenie +geofferd had. Maar de Engelsche signorina trad slechts op om gehuldigd +te worden. + +Een storm van bijval barstte los, zoodra zij zich vertoonde. Men +wilde den grond verpletteren om haar te huldigen. + +Het was een trotsch oogenblik. Zij stond daar met den Etna tot +achtergrond en de Middellandsche zee tot zijcoulisse. Voor haar op +de met mos begroeide banken strekte zich de overwonnen armoede uit +en zij voelde, dat geheel Diamante aan haar voeten lag. + +Ze koos Bellini, hun eigen Bellini. Zij ook wilde beminnelijk zijn +en daarom zong zij een lied van Bellini, die geboren is aan den voet +van den Etna, Bellini, dien zij vanbuiten kenden, noot voor noot. + +Natuurlijk, o signora, natuurlijk kon zij niet zingen. Zij was alleen +op het tooneel gekomen om zich te laten huldigen. Zij was opgetreden, +opdat de volksliefde zich uiten kon. Maar nu zong zij valsch en +zwak. En de menschen kenden elken toon. + +Het was de mandolinista van Napels, die het eerst met zijn geheele +gezicht lachte en een toon nazong even valsch als de Engelsche +signorina. Later was het de man met kanker in 't gezicht, die zoo +lachte, dat zijn verband afviel. Daarna begon een ezeldrijver in de +handen te klappen, en volgden de anderen zijn voorbeeld. Het was een +krankzinnige daad maar dat begrepen zij niet. + +Men kon toch op den grond der oude Grieken geen barbaren dulden, +die valsch zingen. + +Donna Pepa en donna Tura lachten, zooals zij nog nooit in haar leven +gedaan hadden. + +Geen enkele zuivere toon! Bij de Madonna en San Pasquale, geen enkele +zuivere toon! + +Ééns in hun leven waren zij verzadigd. Het stond nu eenmaal geschreven, +dat er waanzin en razernij over hen zou zijn dien avond. En waarom +zouden zij niet lachen? Men had hun toch zeker geen eten gegeven om +hun ooren te pijnigen met vijl en zaag? + +Mochten zij zich niet verdedigen door te lachen, moesten zij haar niet +nadoen, sissen en fluiten? Mochten zij zich niet achteroverwerpen om +in een daverend gelach uit te barsten? + +Ze waren toch zeker geen slaven der Engelsche signorina! + +Het kwam overweldigend voor haar. 't Kwam al te overweldigend +onverwacht, dan dat zij het zou kunnen begrijpen. + +Floten zij haar uit? Het was zeker om iets daar beneden, om iets dat +zij niet zien kon. + +Zij zong de aria ten einde. Zij was overtuigd, dat dit lachen iets was, +dat haar niet aanging. + +Toen zij eindigde, stortte er een stroom van twijfelachtigen bijval +op haar neer. Die was zóó, dat zij eindelijk alles begreep. Fakkels +en maneschijn verlichtten den nacht, zoodat zij de menschenmassa kon +zien schudden van 't lachen. + +Zij hoorde den hoon en spot, nu zij niet meer zong. Die gold haar. Toen +vluchtte zij van het tooneel, en het was alsof de groote Etna schudde +van 't lachen en de zee glinsterde van pret. + +Maar het werd al erger en erger. Ze hadden zoo gelachen, de armen, zoo +gelachen als nooit tevoren, en zij wilden haar nog éénmaal hooren. Zij +riepen haar terug. "Bravo! Bis! Da capo!" Zulk een genoegen konden +zij zich niet laten ontgaan. + +En zij, de Engelsche signorina, zij was bijna bewusteloos. + +Een storm verhief zich rondom haar. Het volk schreeuwde, brulde om +haar te dwingen weer op het tooneel te verschijnen. Zij zag hoe zij +de armen ophieven om haar te dreigen; opeens was het tooneel veranderd +in een oud circus, zij werd naar binnen gesleurd om door wilde dieren +verslonden te worden. + +En de razernij steeg en steeg. De anderen, die opgetreden waren, +werden bevreesd en smeekten haar toe te geven. En zij zelf werd ook +bang, het was alsof men haar wilde vermoorden, indien zij niet toegaf. + +Zij sleepte zich naar het tooneel en stond oog in oog met de tierende +volksmassa. Voor haar was er geen verschooning. Zij moest zingen, +omdat allen lachen wilden. Dat was het ergste. Zij zong, omdat zij +bang was voor hen en niet den moed had het hun te weigeren. Zij was +een weerlooze vreemdelinge en zij had niemand, die haar beschermde +en zij was bang. + +En zij lachten en lachten! + +Gedurende de geheele aria hoorde men niets anders dan geschreeuw, +gesis, gelach en gefluit. Niemand had medelijden met haar. Het was +misschien de eerste maal in haar leven, dat zij voelde, dat zij +behoefte had aan iemand, die barmhartig jegens haar was.... + +Den volgenden dag wilde zij vertrekken. Zij kon het niet langer +uithouden in Diamante. Maar toen zij dit zeide tegen advocaat Favara, +bezwoer hij haar om zijnentwille te blijven en hij vroeg haar zijn +vrouw te worden. + +Hij had het rechte oogenblik gekozen. Zij nam zijn aanzoek aan en +trouwde met hem. + +Maar na dien tijd bouwde zij niet meer aan haar paleizen, zij streed +niet meer tegen de armoede, zij wilde niet meer koningin van Diamante +zijn. + +Zoudt gij het willen gelooven? Zij vertoonde zich nooit meer op straat, +maar leefde binnenshuis als een Siciliaansche. + +Haar klein huis lag verborgen achter een hooge schutting en van haar +zelf merkte men niets. + +Men wist slechts, dat zij geheel was veranderd; maar men wist niet +of zij gelukkig of ongelukkig was, en of zij zich opsloot omdat zij +de menschen haatte, dan of zij wilde zijn zooals een Siciliaansche +huisvrouw behoort te zijn. + +Maar eindigt het op deze wijze niet altijd met vrouwen? Als zij +paleizen bouwen, komen zij nooit klaar. Vrouwen kunnen niets tot +stand brengen, dat duurzaamheid bezit. + + + + + + +III. + +DE VERWORPELING. + + +Toen donna Micaela hoorde hoe de armen miss Tottenham uitgelachen +hadden, haastte zij zich naar het hotel om haar leedwezen daarover +te betuigen. + +Zij wilde miss Tottenham smeeken deze stakkers niet te beoordeelen +naar hetgeen zij gedaan hadden, toen zij opgewonden waren van vreugde +en wijn. Zij wilde haar smeeken toch niet haar hand af te trekken van +Diamante. Zelf hield zij niet veel van miss Tottenham, maar terwille +van de armen----Zij wilde al het mogelijke doen om haar over te halen +te blijven. + +Toen zij naar het hotel Etna ging, zag zij dat de geheele straat vol +reiswagens stond. Er was dus geen hoop meer. De groote weldoenster +zou vertrekken. + +In het hotel heerschte veel droefheid en berouw. De twee blinden, +donna Pepa en donna Tura, die vroeger altijd op de binnenplaats van +het hotel zaten, waren nu buitengesloten en lagen op haar knieën voor +de poort. En de jonge ezeldrijver, die verliefd was op alle Engelsche +signorina's, stond met zijn gezicht tegen den muur te weenen. + +Maar in het hotel liep de waard op en neer in de lange gang en hij +was vertoornd op de Voorzienigheid, die hem dit ongeluk toevoegde. + +"Signor Dio," mompelde hij, "ik ben geruïneerd. Als gij dit laat +geschieden, neem ik mijn vrouw bij de hand en mijn kinderen op den +arm en werp mij in den Etna." + +De waardin was zeer bleek en ootmoedig. Zij waagde het nauwelijks +haar oogen van den grond op te heffen. Zij had wel op haar knieën +willen kruipen om de rijke signorina te bewegen toch te blijven. + +"Wilt ge met haar spreken, donna Micaela?" zei ze. "Moge God u kracht +schenken om met haar te spreken! Ach, zeg haar, dat die knaap van +Napels, die de schuld is van het geheele ongeluk, reeds uit de stad +verbannen is. Zeg haar, dat allen boete willen doen. O, spreek met +haar, signora!" + +Zij voerde donna Micaela naar de ontvangkamer der Engelsche en ging +met haar kaartje naar het salon. Zij kwam dadelijk terug en verzocht +donna Micaela een paar minuten te willen wachten. Signorina Tottenham +sprak met signor Favara over zaken. + +Maar dit was juist het oogenblik dat advocaat Favara aanzoek deed om +de hand van miss Tottenham, en terwijl donna Micaela wachtte, hoorde +zij hem duidelijk zeggen: "Gij moogt niet vertrekken, signorina! Wat +zal er van mij worden, indien gij vertrekt! Ik heb u lief, ik kan +u niet laten vertrekken. Ik zou het niet gewaagd hebben te spreken, +indien ge niet gedreigd hadt te vertrekken. Maar nu------" Hier daalde +zijn stem, maar donna Micaela wilde niets meer hooren, zij verwijderde +zich snel. Zij begreep dat zij hier overbodig was. Indien het signor +Favara niet gelukte de groote weldoenster in Diamante te doen blijven, +zou niemand dat kunnen. + +Toen zij weer door de poort ging, stond de waard te twisten met den +ouden Franciscaner, fra Felice. En hij was zoo opgewonden, dat hij +niet slechts twistte met fra Felice, maar hem ook uit zijn huis joeg. + +"Fra Felice," riep hij, "gij komt hier om ruzie te maken met de groote +weldoenster. Gij wilt haar nog meer opwinden. + +"Ga weg, zeg ik u. Gij wolf, gij menscheneter, ga weg!" + +Fra Felice was even vertoornd als de waard, en wilde hem op zij +duwen. Maar toen nam deze hem bij den arm en zette hem de deur uit. + +Fra Felice was een man, die een groote gave van zijn Schepper had +ontvangen. Op Sicilië, waar iedereen in de loterij speelt, worden +menschen gevonden, die de gave bezitten te voorspellen welke nummers +bij de volgende trekking uit zullen komen. Degene, die de gave der +helderziendheid ontvangen heeft, wordt polacco genoemd, en men vindt +hen het meest onder de oude bedelmonniken. En zulk een monnik was fra +Felice. Hij was de grootste polacco van den Etna. En daar een ieder +gaarne wilde, dat hij hem zou zeggen op welk lot een prijs zou vallen, +werd fra Felice met veel eerbied behandeld. Hij was niet gewoon, +dat men hem bij den arm nam en op straat zette; neen, dat was fra +Felice zeker niet gewoon. + +Hij was ongeveer tachtig jaar en geheel verdroogd en +verschrompeld. Toen hij tusschen de wagens wankelde, struikelde hij, +trapte op zijn pij en stond op het punt te vallen. Maar geen van +de ezeldrijvers of koetsiers, die bij de poort stonden te klagen, +hadden heden tijd om aan fra Felice te denken. + +De grijsaard waggelde heen en weer in zijn wijde duffel pij. Hij +was zoo klein en mager, dat er meer kracht in de pij dan in den +monnik scheen te zijn. Het leek alsof de pij den ouden fra Felice +staande hield. + +Donna Micaela ging naar hem toe en schoof zacht den arm van den +grijsaard in den hare. Zij kon het niet aanzien, dat hij stiet tegen +een lantaarn en struikelde over een drempel. Maar fra Felice merkte +niet eens dat zij hem steunde. Hij liep daar in zich zelf te mompelen +en te vloeken en meende dat hij even eenzaam was, alsof hij in zijn +cel zat. Donna Micaela vond het vreemd dat fra Felice zoo vertoornd +was op miss Tottenham. Was zij in zijn klooster geweest en had zij +fresco's van de wanden gehaald, of wat had zij anders gedaan? + +Want fra Felice had gedurende zestig jaar gewoond in het groote +Franciscanerklooster, dat buiten de porta Etnea ligt, vlak naast de +kerk van San Pasquale. + +Daar had fra Felice reeds dertig jaar gewoond, toen het klooster +opgeheven en aan een koopman verkocht werd. + +De andere monniken vertrokken, maar fra Felice bleef, omdat hij +niet kon begrijpen, wat het wil zeggen het huis van San Franciscus +te verkoopen. + +Indien de anderen vertrokken, scheen het fra Felice nog des te +noodzakelijker, dat ten minste één monnik in het klooster bleef. + +Wie zou anders zorgen voor het luiden der klokken of het bereiden +der geneesmiddelen voor de boerenvrouwen, of wie zou brood geven aan +de armen van het klooster? En fra Felice koos zich een cel in een +verborgen hoekje en bleef in het klooster wonen, zooals hij altijd +gedaan had. + +De koopman, die het klooster gekocht had, kwam er nooit. Hij bekommerde +zich niet om het oude klooster, hij had het slechts gekocht om de +groote wijngaarden, die er bij behoorden. + +Zoo kwam het dat fra Felice nog steeds regeerde in het oude klooster +en hij was het die de gebroken vensterkozijnen herstelde en de muren +witte. Even vele armen als vroeger die brood van het klooster kregen, +ontvingen dat nog steeds. Voor zijn voorspellingsgave kreeg fra Felice +zulke groote aalmoezen, als hij zwierf door de Etnasteden, dat hij een +rijke man had kunnen zijn; maar hij besteedde alles voor het klooster. + +Nog grooter zorg had fra Felice voor de kloosterkerk. Die was in +oorlogstijd ontheiligd geworden door bloedigen strijd en andere +wandaden, zoodat de mis niet meer daarin gelezen mocht worden. + +Maar ook dat kon fra Felice niet begrijpen. De kerk waar hij zijn +gelofte had afgelegd, was altijd even heilig voor den ouden monnik. + +Het was zijn grootste verdriet, dat de kerk in verval geraakte. Hij had +moeten aanzien dat Engelschen het preekgestoelte, de koorstoelen en het +pulpitum kochten en wegvoerden. En hij had niet kunnen verhinderen, +dat de heeren van het museum te Palermo de kronen, schilderijen +en hostiekelken wegnamen. Hoezeer hij het ook gewenscht had, hij +had niets kunnen doen om zijn kerk te redden. Maar hij haatte deze +kerkplunderaars, en toen donna Micaela hem nu zoo toornig zag, geloofde +zij dat miss Tottenham eenige van zijn schatten had willen wegnemen. + +Maar de waarheid was, dat nu fra Felice's kerk zoo leeg was, dat +niemand meer kon komen om te plunderen, hij begonnen was er over +te denken, die opnieuw te versieren en zijn oog was gevallen op de +verzameling heiligenbeelden die de rijke Engelsche dame bezat. + +Op haar feest, toen zij goed en mild jegens allen was, had hij gewaagd +haar te verzoeken om haar schoone Madonna, die een kleed van satijn +droeg en oogen had, die straalden gelijk de zon. En zij had zijn +verzoek toegestaan. + +Dezen morgen had fra Felice zijn kerk geveegd en gestoft en bloemen +op het altaar gezet vóórdat hij het beeld ging halen. + +Maar toen hij in het hotel kwam, was de Engelsche van gedachten +veranderd en zij had hem het kostbare Madonnabeeld niet willen +geven. Daarvoor in plaats had zij hem een klein vuil, in lompen +gehuld beeld van het Christuskind geschonken, waar zij zonder spijt +van scheiden kon. + +Ach! de oude fra Felice was zoo vol vreugde en verwachting geweest en +nu was hij zoo teleurgesteld. Hij kon niet berusten in haar besluit, +maar was keer op keer teruggekomen om te bedelen om het andere beeld. + +Het was zoo kostbaar, dat hij het niet zou kunnen koopen voor alles +wat hij gedurende een geheel jaar bijeen bedelde. + +Ten slotte had de groote weldoenster hem laten wegjagen; het was op +dit oogenblik dat donna Micaela hem gevonden had. + +Terwijl zij door de straat liepen, begon zij met den grijsaard te +spreken en hem over te halen haar zijn verdriet te vertellen. + +Hij droeg het beeld en midden op de straat bleef hij staan om het haar +te toonen en haar te vragen of zij ooit iets erbarmelijkers had gezien. + +Donna Micaela zag een oogenblik ontsteld naar het beeld. Toen +glimlachte zij en zei: "Leen mij het beeld een paar dagen, fra Felice." + +"Gij moogt het gaarne behouden," zei de grijsaard. "Moge het mij +nooit weer onder de oogen komen." + +Donna Micaela nam het beeld met zich mede naar huis en werkte er +aan, gedurende twee dagen. Toen zij het daarna zond naar fra Felice, +glinsterden de gepoetste sieraden, het droeg een nieuw, helder kleedje, +het was opnieuw geschilderd en in zijn kroon schitterden veelkleurige +steenen. + +Hij was zoo schoon, de verworpeling, dat fra Felice hem op het leege +hoogaltaar van zijn kerk plaatste. + + + +Het was zeer vroeg in den morgen. De zon was nog niet opgegaan +en de zee was nauwelijks zichtbaar. Het was werkelijk nog zeer +vroeg. De katten slopen nog over de daken, geen rook steeg op uit de +schoorsteenen en de nevels schoven op elkaar en stapelden zich opeen +boven den bodem van het dal, rondom den steilen Monte Chiaro. In +dezen vroegen ochtend ijlde de oude fra Felice naar de stad. + +Hij sprong zoo, dat hij meende te voelen, hoe de berg onder hem +schudde. Hij liep zoo haastig, dat de grashalmen aan den weg niet eens +dauw konden sprenkelen op zijn pij, zóó vlug, dat de schorpioenen +niet eens hun giftangel uit konden steken om hem te wonden. Terwijl +de grijsaard zoo sprong, woei zijn pij los om hem heen en hing het +koord ongebonden op zijn rug. + +De wijde mouwen fladderden gelijk vleugels en de zware capuchon +danste op en neer op zijn rug, als wilde die hem tot nog grooter +haast aansporen. + +De man in het tolkantoor, die nog zat te slapen, ontwaakte en wreef +zich de oogen uit, toen fra Felice voorbijsnelde, maar hij herkende +hem niet. + +De straatsteenen waren glibberig van den dauw, bedelaars lagen bij de +hooge steenen trappen te slapen met hun beenen onachtzaam op straat +uitgestrekt; late domino-spelers keerden van het café huiswaarts, +waggelend van slaap. Maar fra Felice ijlde verder, hij ontweek alle +hinderpalen. En huizen en portalen, markt en straten verdwenen achter +den ouden fra Felice. Hij snelde door de halve corso, vóórdat hij +bleef stilstaan. + +Hij stond voor een groot huis met zware balkons. Hij greep een +poortklopper en klopte, totdat een dienaar ontwaakte. Daarna rustte +hij niet vóórdat de knaap een dienstmeisje wekte, en dit dienstmeisje +riep de signora. + +"Donna Micaela, fra Felice is beneden. Hij beweert, dat hij u moet +spreken." + +Toen donna Micaela eindelijk bij fra Felice kwam, hijgde hij nog naar +adem, maar zijn oogen schitterden en kleine bleeke rozen bloeiden op +zijn wangen. + +Het was het beeld, het beeld! Toen fra Felice dien morgen om vier uur +de klokken geluid had, was hij in de kerk gegaan om het te beschouwen. + +Toen had hij gezien dat groote steenen losgelaten hadden juist boven +het beeld. Die waren op het altaar gevallen en hadden het verbrijzeld, +maar het beeld was onbeschadigd gebleven. + +En van alle steenen en stof, die naar beneden gevallen waren, had +niets het beeld getroffen, maar het stond er nog volkomen ongedeerd. + +Fra Felice nam donna Micaela bij de hand en zei tot haar, dat zij hem +naar het klooster moest volgen om het wonder te aanschouwen. Zij moest +het 't eerst van allen zien, omdat zij het beeld in haar bescherming +genomen had. + +En donna Micaela volgde hem door den grauwen koelen morgen naar zijn +klooster, terwijl haar hart van spanning en verwachting klopte. + +Toen zij daar kwam en zag, dat fra Felice de waarheid had gesproken, +vertelde zij hem dat zij het beeld herkend had, zoodra zij het weerzag, +en dat het een wonderdoener was. + +"Hij is de grootste en mildste wonderdoener," zei zij. + +Fra Felice ging nu naar het beeld en keek het in de oogen. Want er +bestaat een groot verschil tusschen beeld en beeld, maar de ervaring +van een ouden monnik is er toe noodig om te zien welk beeld macht +heeft en welk niet. + +Nu zag fra Felice, dat de oogen van dit beeld diep en stralend waren, +alsof het leven bezat, en dat om zijn lippen een geheimzinnig lachje +speelde. + +Toen oude fra Felice dit zag, viel hij op de knieën en strekte zijn +gevouwen handen naar het beeld uit. En zijn oud rimpelig gelaat werd +verhelderd door een groote vreugde. Het scheen fra Felice plotseling, +dat de wanden zijner kerk bedekt waren met schilderijen en purperen +kleeden, licht straalde boven het altaar, gezang klonk van het koor, +en over den geheelen vloer lagen knielende, biddende menschen. Alle +heerlijkheid, die men slechts kon droomen, zou zijn arme oude kerk +ten deel vallen, nu zij een der machtige wonderdoende beelden bezat. + + + + + + +IV. + +HET OUDE PASSIESPEL. + + +Van het zomerpaleis in Diamante werden gedurende dezen tijd +vele brieven verzonden naar Gaetano Alagona, die gevangen zat te +Como. Maar de postbode had in zijn tasch nooit een brief van Gaetano, +die geadresseerd was aan het zomerpaleis. Want Gaetano was in zijn +levenslange gevangenis gegaan, alsof het een graf was. Het eenige dat +hij begeerde en wenschte was, dat het hem de vergetelheid en de rust +van het graf zou schenken. + +Hij gevoelde zich als dood en hij zei tot zich zelf, dat hij het +geklaag en gejammer der overlevenden niet wilde hooren. Ook wilde +hij niet verleid worden tot hoop, of door teedere woorden verlokt +worden te verlangen naar bloedverwanten en vrienden. Hij wilde ook +niet hooren wat er geschiedde in de wereld, nu hij geen macht bezat +in te grijpen en te leiden. + +Hij verschafte zich werk in de gevangenis en sneed schoone kunstwerken +zooals hij altijd gedaan had. + +Maar hij ontving nooit een brief, nooit een bezoek. Hij meende dat +hij op deze wijze niet meer de geheele bitterheid van zijn ongeluk +zou voelen. Hij geloofde, dat hij kon leeren een heel leven te leven +binnen vier muren. + +Dit was de reden, dat donna Micaela nooit een brief tot antwoord van +hem ontving. + +Eindelijk schreef zij naar den directeur der gevangenis en vroeg of +Gaetano nog leefde. En deze antwoordde, dat de gevangene naar wien +zij vroeg nooit een brief las. Hij wilde geen enkel bericht van de +buitenwereld hooren. + +Toen schreef zij hem niet meer, maar werkte des te harder aan haar +spoorweg. Ze waagde het nauwlijks daarover te spreken in Diamante, +maar toch dacht ze aan niets anders. Zij zelf borduurde en naaide, +en ze liet door haar dienaren allerlei goedkoope zaken vervaardigen, +die zij op haar bazaar wilde verkoopen. + +Uit den winkel nam zij oude artikelen voor de tombola. Zij liet +Piero, den poortwachter, gekleurde lampions maken. Zij overreedde +haar vader schilden en aanplakbiljetten te schilderen, en zij liet +haar kamenier, Lucia, die van Capri was, kettingen van koraal en +doosjes van schelpen maken. + +Zij was evenwel volstrekt niet zeker, dat er een enkel mensch zou komen +op haar feest. Allen waren tegen haar, niemand wilde haar helpen. Ze +vonden het niet eens goed, dat zij zich op straat vertoonde en over +zaken sprak. Zoo iets paste niet voor een voorname dame. + +Toen was het, dat de oude fra Felice haar trachtte te helpen, want +hij had haar lief omdat zij hem geholpen had met het beeld. + +Eens, toen donna Micaela klaagde, dat zij niemand kon overtuigen, +dat men den spoorweg moest aanleggen, nam hij het kalotje van zijn +hoofd en wees op zijn kalen schedel. + +"Zie naar mij, donna Micaela," zei hij. "Zoo kaal zal deze spoorweg +uw hoofd maken, indien gij voortgaat, zooals gij begonnen zijt." + +"Wát meent gij, fra Felice?" + +"Donna Micaela," zei de grijsaard, "is het geen dwaasheid, een groot +plan te ondernemen zonder een vriend of helper te bezitten?" + +"Ik heb dikwijls beproefd vrienden te winnen, fra Felice." + +"Ja, menschen," zei de grijsaard. "Maar wat helpen menschen? Als +iemand uit visschen gaat, donna Micaela, weet hij, dat hij San Pietro +moet aanroepen, wanneer iemand een paard wil koopen, kan hij bijstand +begeeren van San Antonio Albate. Maar indien ik wil bidden voor uw +spoorweg, weet ik niet tot wien ik mij zal wenden." + +'t Was fra Felice's bedoeling te zeggen, dat de fout was dat zij geen +schutspatroon gekozen had voor haar spoorweg. Hij wilde, dat zij het +gekroonde kind, dat in zijn oude kerk stond, zou kiezen tot vriend en +beschermer. Hij zeide haar, dat zij zeer zeker geholpen zou worden, +indien zij dit slechts deed. + +Zij was zoo getroffen, dat iemand haar wilde bijstaan, dat zij dadelijk +beloofde te bidden voor haar spoorweg tot het kind in San Pasquale. + +Maar fra Felice ging heen en schafte zich een groote collectebus aan +en liet daarop met groote duidelijke letters schilderen: "Gaven voor +den Etnaspoorweg." Deze hing hij op in zijn kerk naast het altaar. + +'t Was niet meer dan een dag later, dat donna Emilia, de echtgenoote +van don Antonio Greco, naar de oude, verlaten kerk ging om San Pasquale +te raadplegen, omdat hij de verstandigste van alle heiligen is. + +In den herfst was namelijk don Antonio's theater begonnen achteruit +te gaan, zooals wel te verwachten was in een tijd, dat allen gebrek +aan geld hadden. + +Don Antonio was toen op de gedachte gekomen te trachten het theater met +minder groote kosten dan vroeger te exploiteeren. Hij had op de lampen +bezuinigd en de groote, prachtig geschilderde affiches afgeschaft. + +Maar dat was een groote dwaasheid geweest. Want als de menschen den +lust verliezen om naar een theater te gaan, is het niet het rechte +oogenblik de slepen der prinsessen te verkorten of zuinig te zijn op +het verguldsel der kronen. + +Misschien is het niet zoo gevaarlijk bij een anderen schouwburg, maar +in een marionetten-theater is het meer dan moeilijk veranderingen te +brengen. Dat komt omdat het meest halfvolwassen knapen zijn, die naar +een marionetten-theater gaan. Volwassen menschen kunnen begrijpen, +dat men nu en dan zuinig moet zijn, maar kinderen willen het altijd +op dezelfde wijze hebben. + +Al minder en minder toeschouwers kwamen bij don Antonio en hij ging +steeds door met bezuinigen. Toen viel het hem in, dat hij best de +twee blinde vioolspelers kon ontberen, vader Elia en broeder Tommaso, +die gewoonlijk in de tusschenbedrijven en bij krijgstooneelen speelden. + +Deze blinden, die veel geld verdienden met het zingen in sterfhuizen, +en die groote sommen wonnen gedurende de feestdagen, verlangden een +zeer hooge betaling. + +Don Antonio ontsloeg hen uit zijn dienst en schafte zich een orgel aan. + +Maar dit werd zijn ongeluk. De leerjongens en winkelbedienden van +geheel Diamante bleven weg van het theater. + +Zij wilden geen orgel dulden in hun theater, en ze beloofden elkaar, +niet naar het theater te gaan, vóórdat don Antonio de blinde muzikanten +weer in zijn dienst genomen had. En zij hielden hun belofte. Don +Antonio's poppen moesten voor leege banken optreden. + +En de jonge knapen, die anders liever afstand deden van hun avondbrood +dan van hun theater, lieten avond op avond voorbijgaan, zonder er +heen te gaan. + +Ze waren overtuigd, dat zij don Antonio ten slotte konden dwingen, +alles weer zooals vroeger in te richten. + +Maar don Antonio stamde van een kunstenaarsgeslacht. Zijn vader en +broeder bezaten een marionetten-theater, zijn zwager en al zijn +familieleden waren menschen van het vak. En don Antonio verstond +zijn kunst. Hij kon zijn stem tot in het oneindige veranderen, hij +kon gelijktijdig manoeuvreeren met een heel leger van poppen, en hij +kende den tekst uit het hoofd van den geheelen cyclus tooneelspelen, +die getrokken zijn uit de kroniek van Carolus Magnus. + +En nu was don Antonio's kunstenaarsgevoel beleedigd. Hij wilde niet +gedwongen worden de blinden weer in zijn dienst te nemen. Hij wilde +dat men naar zijn theater zou gaan om zijnentwille en niet om de +muzikanten. + +Hij veranderde zijn repertoire en begon groote stukken te spelen met +prachtige monteering. + +Maar ook dat hielp niets. + +Er is een tooneelspel, dat "de dood van den paladijn" genoemd wordt +en Rolands strijd bij Ronceval behandelt. Daarvoor zijn zoovele +machinerieën noodig dat een poppentheater gedurende twee dagen gesloten +moet zijn, voordat het gespeeld kan worden. + +Maar het publiek is er zoo op verzot, dat men het gewoonlijk gedurende +een geheele maand speelt voor dubbele prijzen en een uitverkocht huis. + +Nu maakte don Antonio alles gereed voor dit tooneelstuk, maar hij +behoefde het niet te spelen, hij had geen toeschouwers. + +Toen was don Antonio gebroken. Hij beproefde vader Elia en broeder +Tommaso weer terug te krijgen, maar dezen wisten nu wat zij waard +waren. En zij verlangden zulk een hooge betaling dat het don Antonio +een onmogelijkheid was, hun dat te betalen. Zij konden niet tot een +vergelijk komen. + +In de kleine woning achter het marionetten-theater leefde men als in +een belegerde vesting. Men kon niets anders doen dan verhongeren. + +Donna Emilia en don Antonio waren beiden jonge vroolijke menschen, maar +nu lachten zij nooit meer. 't Was niet zoozeer de nood, die hen drukte, +maar don Antonio was een trotsche man, en hij kon de gedachte niet +verdragen, dat zijn kunst geen toeschouwers meer vermocht te trekken. + +Toen ging donna Emilia naar de kerk van San Pasquale ten einde den +heilige te smeeken om een goeden raad. Zij wilde negen gebeden doen +voor het groote steenen beeld, dat in het portaal der kerk stond. Maar +toen zij begon te bidden, bemerkte zij, dat de kerkdeuren openstonden. + +"Waarom staan San Pasquale's kerkdeuren open?" zei donna Emilia. "Dat +heb ik van mijn levensdagen nog nooit gezien." En zij trad de kerk +binnen. + +Het eenige, dat daarbinnen te zien was, was fra Felice's geliefd +beeld en de groote collectebus. + +En het beeld straalde zoo schoon met zijn kroon en zijn ringen, dat +donna Emilia zich tot hem aangetrokken gevoelde. Maar toen zij hem +in de oogen zag, vond zij hem zoo liefelijk en schoon, dat zij op +haar knieën zonk om te bidden. + +En zij beloofde, dat indien hij haar en don Antonio wilde helpen uit +hun nood, zij de opbrengst van een geheelen avond zou leggen in de +groote bus, die naast hem hing. + +Nadat zij gebeden had, verborg donna Emilia zich achter de kerkdeuren +en beproefde te verstaan, wat de voorbijgangers zeiden. Want indien +het beeld haar wilde helpen, zou hij haar een woord laten hooren, +dat haar zeide, wat zij doen moest. + +Zij had daar nauwelijks twee minuten gestaan, toen Assunta van de +domkerktrap er aankwam in gezelschap van donna Pepa en donna Tura. + +En zij hoorde Assunta met haar plechtige stem zeggen: + +"Het was in het jaar, dat ik voor de eerste maal het oude Passiespel +hoorde." + +Donna Emilia verstond het volkomen duidelijk. Assunta zei werkelijk: +"het Passiespel." + +Het was donna Emilia alsof zij nooit zou thuis komen. Haar beenen +konden haar niet vlug genoeg dragen, het was alsof de weg tienvoudig +verlengd was. + +Toen zij eindelijk den gevel van het theater zag, met de roode +lantaarns en de groote kleurrijke affiches, scheen het haar dat zij +vele mijlen afgelegd had. + +Toen zij binnentrad, zat don Antonio met zijn groot hoofd tusschen zijn +beide handen en staarde naar den grond. 't Was droevig don Antonio +aan te zien. Gedurende deze laatste weken was zijn haar begonnen +uit te vallen. Boven op den schedel was het zoo dun, dat de huid er +door scheen. + +Was dat te verwonderen, nu hij verteerd werd door zulk een +verdriet? Terwijl zij weg was, had hij al zijn poppen te voorschijn +gehaald om ze te beschouwen. Dat deed hij nu elken dag. Vooral placht +hij lang te staren naar de pop, die voor Aminda speelde. Was zij dan +niet schoon en verleidelijk meer? kon hij vragen. En dan trachtte hij +het zwaard van Roland of de kroon van Karel den Grooten te verbeteren. + +Donna Emilia zag, dat hij de keizerskroon opnieuw verguld had, het was +nu zeker wel voor de vijfde maal, dat hij dit deed. Plotseling had +hij echter zijn werk neergelegd en was in gedachten verzonken. Hij +had het zelf wel gevoeld, dat het hem niet aan verguldsel, maar aan +een idee ontbrak. + +Toen donna Emilia binnentrad, strekte zij de handen naar haar man uit: + +"Zie mij aan, don Antonio Greco," zei ze. "Ik breng u gouden schalen +vol koningsvijgen!" + +En zij vertelde hem hoe zij tot het Christuskind gebeden had. Ook +zei ze hem, wat zij beloofd en wat het beeld haar geraden had. + +Toen zij don Antonio dit verhaalde, sprong hij op. Zijn armen +vielen slap langs het lichaam, zijn haren rezen te berge. Een +onbeschrijfelijke ontroering maakte zich van hem meester. "Het oude +Passiespel," schreeuwde hij. "Het oude Passiespel." Want het oude +passiespel is een mysterie, dat vroeger op gansch Sicilië gespeeld +werd. Het verdrong alle andere oratoria en mysteriën en werd gedurende +een paar eeuwen elk jaar in iedere stad gespeeld. + +Het was de gewichtigste dag van het jaar wanneer het oude passiespel +vertoond werd. Maar nu speelde men het niet meer, nu leefde het nog +slechts als een sage in de herinnering van het volk. + +In vroeger dagen werd het ook wel in marionetten-theaters +gespeeld. Maar nu vond men het te oud en te afgezaagd. Misschien was +het sedert dertig jaar niet meer opgevoerd. + +Don Antonio begon uit te varen tegen donna Emilia, omdat zij hem kwelde +met dergelijke dwaasheden. Hij streed tegen haar als tegen een demon, +die zich van hem meester wilde maken. Zij wekte slechts ijdele hoop +in hem, die niets dan teleurstelling zou baren, zei hij. Hoe kon +zij met zoo iets bij hem aankomen? Maar donna Emilia liet hem kalm +uitrazen. Zij zeide slechts, dan hetgeen zij gehoord had, Gods wil was. + +Don Antonio begon spoedig te twijfelen. De grootsche gedachte maakte +zich langzamerhand van hem meester. Er was niets ter wereld dat op +gansch Sicilië zoo geliefd was als het oude passiespel. En woonde er +niet nog steeds hetzelfde volk op het edele eiland? Beminden zij niet +denzelfden hemel dien hun voorvaderen bemind hadden? Waarom zouden +zij het oude passiespel ook niet liefhebben? + +Hij verzette zich zoolang hij kon. Hij zei tot donna Emilia dat het +te kostbaar zou worden. Waar zou hij de apostelen met lang haar en +witten baard vandaan krijgen? Hij bezat geen tafel voor het avondmaal, +en hij had de machinerieën ook niet, die noodig waren voor den intocht +en de kruisiging. + +Maar donna Emilia zag wel, dat hij toe zou geven, en vóórdat de avond +viel, ging hij werkelijk naar fra Felice en hernieuwde zijn vrouws +belofte om de opbrengst van een avond in de collectebus te leggen, +als het beeld hen wilde bijstaan. + +Fra Felice vertelde dit aan donna Micaela en zij was verheugd en +tegelijkertijd angstig hoe dit zou afloopen. + +In de geheele stad werd het bekend, dat don Antonio bezig was het +oude passiespel op te zetten en men lachte hem uit. Don Antonio had +zijn verstand verloren. Men zou het oude passiespel wel willen zien, +indien het gespeeld werd zooals in vroeger dagen. + +Men had het willen zien opvoeren zooals in Aci, waar de edellieden +der stad voor koningen speelden en huurlingen en handwerkslieden de +rollen der Joden en der apostelen vertolkten en waar zoovele scènes +uit het oude testament waren opgevoerd, dat het schouwspel een ganschen +dag duurde. + +Ook zou men de heerlijke dagen van Castelbucco willen doen herleven, +toen de gansche stad veranderd was in Jeruzalem. Daar werd het +passiespel zoo opgevoerd, dat Jezus door een met palmen omgeven poort +de stad binnenreed. De kerk stelde den tempel van Jeruzalem voor en +het raadhuis was het paleis van Pilatus. En Petrus warmde zich bij +een vuur op den hof van den pastoor; de kruisiging geschiedde op een +berg bij de stad en Maria zocht het lijk van haar zoon in de grotten +van des sindaco's tuin. + +Hoe kon men zich vergenoegen met het groote mysterie te zien spelen in +don Antonio's theater, wanneer men zulke herinneringen bezat? Maar +trots dit alles werkte don Antonio met onvermoeiden ijver om de +tooneelspelers te vervaardigen en de machinerieën in orde te brengen. + +En zie, na eenige dagen kwam meester Battesta, die uithangborden +schilderde, bij hem en schonk hem een affiche. 't Had hem zoo verheugd +te hooren, dat don Antonio het oude passiespel wilde vertoonen. Zelf +had hij het in zijn jeugd zien spelen en het had hem zooveel vreugde +gegeven. Nu stond er dus met groote letters op het theater te lezen: +"Het oude passiespel of de wedergeborene Adam, tragedie in drie +bedrijven door cavaliere Filippo Orioles." + +Don Antonio was zeer verlangend te weten, hoe de volksstemming +was. Maar de ezeldrijvers en leerjongens, die voorbij zijn theater +gingen en het aanplakbiljet lazen, lachten hoonend. Het zag er heel +duister uit voor don Antonio, maar hij werkte onvermoeid door. + +Toen de avond aanbrak, dat het passiespel gespeeld zou worden, was +niemand ongeruster dan donna Micaela. + +"Zal het kleine beeld mij helpen?" vroeg zij onophoudelijk. Zij zond +haar kamenier Lucia naar het theater om te spionneeren. Stonden +er reeds groepen jongens? Scheen het of er veel menschen zouden +komen? Lucia kon ook wel eens naar donna Emilia gaan, die bij het +loket zat, om te vragen hoe de zaken stonden. + +Maar toen Lucia terugkwam, kon zij donna Micaela volstrekt geen hoop +geven. Voor het theater stonden in het geheel geen menschen. De knapen +hadden besloten don Antonio te ruïneeren. + +Tegen acht uur kon donna Micaela het niet langer in huis uithouden. Zij +overreedde haar vader met haar naar het theater te gaan. Zij wist wel +dat nog nooit een signora een voet gezet had in don Antonio's theater, +maar zij moest zien hoe het afliep. Het zou zulk een verbazend groote +vooruitgang voor haar spoorweg zijn, indien don Antonio nu slaagde. + +Toen donna Micaela in het theater kwam, was het nog eenige minuten +voor achten, en donna Emilia had nog geen enkel biljet verkocht. + +Maar toch was zij niet terneergeslagen. "Treed binnen, donna Micaela," +zei ze. "We zullen in elk geval spelen. Het is zoo schoon! Don Antonio +zal het spelen voor u, uw vader en voor mij. Het is het schoonste +treurspel dat hij nog ooit opgevoerd heeft." + +Donna Micaela kwam in een kleinen schouwburg, die met rouwdoek bekleed +was, zooals de groote theaters altijd geweest waren, wanneer het oude +passiespel opgevoerd werd. Voor het tooneel hingen zwarte gordijnen, +met zilveren franjes omzoomd. En de banken waren met zwart doek +bekleed. + +Dadelijk nadat donna Micaela binnengetreden was, vertoonde don +Antonio's borstelige wenkbrauw zich voor een kleine opening in de +coulisse. + +"Donna Micaela," riep hij, evenals donna Emilia eenige oogenblikken +geleden, "we spelen toch, het is zoo schoon, we hebben geen +toeschouwers noodig." + +Op hetzelfde oogenblik kwam donna Emilia binnen en hield diep buigend +de deur wijd open om den geestelijken herder, don Matteo, binnen +te laten. + +"Wat zegt ge van mij, donna Micaela?" zei hij lachend. "Maar gij +begrijpt, dat is het oude passiespel. Ik zag het eens in mijn jeugd +in de groote opera te Palermo en ik geloof, dat het dit stuk was, +dat mij tot priester gemaakt heeft." + +Den volgenden keer, dat de deur openging, waren het vader Elia en +broeder Tommaso, die met hun violen onder den arm hunne oude plaatsen +opzochten, zoo kalm, alsof zij nooit in twist waren geweest met +don Antonio. + +De deur gleed opnieuw open. Het was een oud vrouwtje uit de steeg +tegenover het huis van den kleinen Moor. Zij was in het zwart gekleed +en maakte het teeken des kruises toen zij binnentrad. + +Na haar kwamen vier, vijf andere oude vrouwtjes. + +Donna Micaela keek verdrietig naar hen, terwijl zij zoo langzamerhand +het theater vulden. + +Zij wist, dat don Antonio niet tevreden zou zijn, vóórdat hij weer +zijn eigen publiek had, vóórdat hij weer kon spelen voor zijn geliefde, +eigenzinnige knapen. + +Plotseling hoorde zij een vreeselijk geraas. Was het een storm of +een donderslag? De deuren vlogen wijd open, en tegelijk stormden +allen binnen. Dat waren de jongens. Ze vielen met een zekerheid op +hun oude plaatsen neer, alsof ze hun eigen huis binnentrokken. + +Ze zagen elkaar aan, een weinig beschaamd. Maar zij hadden het +niet kunnen verdragen, dat het eene oude vrouwtje na het andere in +hun theater ging om te zien wat voor hen gespeeld werd. 't Was hun +onmogelijk geweest te zien, hoe de gansche straat vol oude spinsters +was, die naar hun theater trokken. En toen waren zij naar binnen +gestormd. + +Maar nauwelijks waren de jonge menschen op hun plaatsen gezeten, +of zij merkten, dat zij bij een tuchtmeester gekomen waren. O, +het oude passiespel! 't Werd niet opgevoerd zooals in Aci of in +Castelbucco. Het werd niet zoo gespeeld als in de opera te Palermo, +het werd slechts vertoond door armzalige marionetten met onbeweeglijke +gezichten en stijve lichamen. Maar het oude mysterie had zijn macht +nog niet verloren. + +Donna Micaela bemerkte dit reeds in het tweede bedrijf bij het +avondmaal. De knapen begonnen Judas te haten. + +Ze slingerden hem bedreigingen en scheldwoorden naar het hoofd. + +Toen de lijdensgeschiedenis verder gespeeld werd, namen ze hun hoeden +af en vouwden hun handen. Zij zaten roerloos met hun mooie bruine +oogen naar het tooneel gewend. Nu en dan sprongen hun de tranen in +de oogen, nu en dan werd een vuist in toorn opgeheven. + +Don Antonio sprak met tranen in zijn stem, donna Emilia lag geknield +op den drempel. Don Matteo zag met een milden glimlach naar de kleine +poppen en dacht aan het heerlijke schouwspel te Palermo, dat hem tot +priester gemaakt had. + +Maar toen Jezus gevangengenomen en gepijnigd werd, schaamden de knapen +zich over zich zelf. Zij ook hadden kunnen haten en vervolgen. Zij +waren gelijk deze Farizeërs, gelijk deze Romeinen. Ze schaamden zich +nu zij er aan dachten. Mocht don Antonio het hun vergeven! + + + + + + +V. + +DE DAME MET DEN IJZEREN RING. + + +Donna Micaela dacht dikwijls aan een arme, kleine naaister, die zij +in haar jeugd in Catania gekend had. Zij woonde in een huis naast +het paleis Palmeri en zij zat altijd in haar deur te werken, zoodat +donna Micaela haar wel duizend malen gezien had. Zij zong altijd, +maar zij had zeker slechts een enkel lied gekend. Altijd, altijd had +zij dezelfde wijs gezongen. + +"Ik heb een lok geknipt van mijn haren," zoo zong ze. "Ik heb mijn +glanzende, zwarte vlechten losgemaakt, en een lok geknipt van mijn +haar. Ik heb dat gedaan om mijn vriend te verheugen, die bedroefd +is. Ach, mijn geliefde zit in de gevangenis, mijn geliefde zal nooit +meer mijn haar streelen. Ik heb hem een lok van mijn haar gezonden +om hem te herinneren aan de zijden lokken, die hem nooit meer zullen +omstrengelen." + +Donna Micaela moest voortdurend denken aan dit lied. Het was alsof +het door haar geheele jeugd geklonken had om haar het lijden te +voorspellen, dat haar wachtte. + + + +Donna Micaela zat gedurende dezen tijd vaak op de steenen trap van +de kerk San Pasquale. Zij zag de wonderbaarlijkste dingen geschieden +op den sagenrijken Etna. Over het zwarte lavaveld kwam een trein +aanglijden op nieuwe glinsterende rails. 't Was een feesttrein. Er +wapperden vlaggen langs den weg, de wagens waren bekranst, de +zitplaatsen bedekt met purperen kussens. Bij de stations stonden +jubelende menschen. "Leve de koning! leve de koningin! leve de nieuwe +spoorweg!" riepen ze. + +Zij verstond het duidelijk, want zij zelf zat in den trein. + +En hoe gevierd en hoe geëerd was zij! Zij werd geroepen voor den +koning en de koningin, die haar dankten voor den nieuwen spoorweg. + +"Verlang een gunst van ons, vorstinne!" zei de koning, haar aansprekend +met den titel, dien de dames van het geslacht der Alagona's vroeger +gevoerd hadden. + +"Sire," antwoordde zij, gelijk men in de sage antwoordt, "schenk de +vrijheid aan den laatsten Alagona!" + +En dat verzoek werd haar toegestaan. De koning kon niet neen zeggen +op een bede van haar, die dezen heilrijken spoorweg aangelegd had, +die rijkdom zou schenken aan den ganschen Etna. + + + +Toen donna Micaela den arm ophief, zoodat haar mouw naar boven gleed, +zag men, dat zij als armband een ring van verroest ijzer droeg. Dien +had zij op straat gevonden en hem over de hand gewrongen en nu droeg +zij dien altijd. En wanneer zij dien zag of aanraakte, verbleekte +zij, en haar oogen zagen niets meer van de wereld rondom haar. Maar +zij zag een gevangenis zooals Foscaris in het paleis der dogen te +Venetië. Het was een donkere, nauwe kelderruimte, het licht drong +zwak door een tralievenster, en uit den muur kwam een groote bundel +ketenen, die zich gelijk slangen kronkelden om de beenen, de armen +en den hals van den gevangene. + +O, mocht de heilige een wonder verrichten! Mochten de menschen +werken! Mocht zij zelf spoedig zoo beroemd zijn, dat zij kon smeeken +om de vrijheid van haar gevangene. Hij zal sterven indien zij zich +niet haast. Mocht de ijzeren ring haar arm voortdurend wonden, opdat +zij hem geen oogenblik vergete! + + + + + + +VI. + +FRA FELICE'S TESTAMENT. + + +Toen donna Emilia het loket opende om de biljetten te verkoopen voor +de tweede voorstelling van het oude passiespel, maakten de menschen +queue voor den ingang om plaats te krijgen; den avond daarop was +het theater zoo overvol, dat er menschen bezwijmden in het gedrang, +en den derden avond kwamen er menschen van Aderno en Paterno om het +geliefde treurspel te zien. + +Don Antonio voorzag, dat hij het gedurende een gansche maand voor +dubbelen prijs zou kunnen spelen met twee voorstellingen iederen avond. + +Hoe gelukkig waren zij, hij en donna Emilia, en met welk een vreugde +en dankbaarheid legden zij vijf en twintig lire in de collectebus +van het kleine beeld. + +In Diamante wekte deze gebeurtenis zeer veel verbazing en vele menschen +gingen naar donna Elisa om te hooren of zij geloofde, dat de heilige +wilde, dat men donna Micaela zou bijstaan. + +"Hebt ge gehoord, donna Elisa," zei men, "dat don Antonio Greco +geholpen is door het kleine Christuskind in San Pasquale, omdat hij +beloofd had de opbrengst van een avond te geven voor donna Micaela's +spoorweg?" + +Maar als men dit aan donna Elisa vroeg, kneep zij den mond dicht +alsof zij aan niets anders denken kon dan aan haar borduurwerk. + +Fra Felice kwam in haar winkel om haar de twee wonderen te verhalen, +die het beeld reeds verricht had. + +"Signorina Tottenham was zeer dom, dat zij het beeld wegschonk, +als het zulk een groote wonderdoener is," zei donna Elisa. + +Datzelfde vonden allen. Signorina Tottenham had het immers gedurende +zoo vele jaren bezeten en zij had nooit iets gemerkt. Het beeld kon +zeker geen wonderen doen. Het was slechts een toeval. + +Het was een ongeluk dat donna Elisa niet wilde gelooven. Ze was de +eenige der oude Alagona's die nog in Diamante woonde. De menschen +richtten zich meer naar haar dan zij zelf wisten. Indien donna Elisa +het wonder geloofd had, zou de gansche stad donna Micaela hebben +willen helpen. + +Maar donna Elisa kon niet gelooven, dat God en de heiligen haar +schoonzuster wilden bijstaan. + +Zij had haar reeds sinds het feest van San Sebastiaan +gadegeslagen. Zoodra iemand sprak van Gaetano verbleekte donna Micaela +en zag er ontsteld uit. Haar gelaatstrekken werden als die van een +zondaar, gekweld door gewetenswroeging. + +Op een morgen dacht donna Elisa hieraan en zij was zoo verdiept in +deze gedachten, dat zij haar naald liet rusten. + +"Donna Micaela is geen vrouw van den Etna," zei zij tot zich zelf. "Ze +houdt het met de regeering en ze is blijde, dat Gaetano gevangen zit." + +Op hetzelfde oogenblik droeg men op straat een groote baar +voorbij. Daarop waren een menigte kerksieraden gestapeld. Het waren +lichtkronen, een altaarhemel en reliquieënkastjes. + +Donna Elisa keek een oogenblik op, toen keerde zij weer tot haar +gedachten terug. + +"Zij wilde mij niet toestaan het huis der Alagona's te versieren +op San Sebastiaans feest," dacht zij. "Zij wilde zeker niet dat de +heilige Gaetano zou helpen." + +Twee mannen kwamen er nu aansleepen met een krakende kar. Daarop lag +een heele berg van roode wandbekleedingen, rijk geborduurde antependiën +en altaarstukken in breede vergulde lijsten. + +Donna Elisa wuifde met haar hand als om allen twijfel te verjagen. Het +kon geen echt wonder geweest zijn, dat geschied was. De heilige +moest toch weten dat Diamante geen geld had om een spoorweg aan te +leggen. Maar nu reed er een gele wagen voorbij, hoog beladen met +muzieklessenaars, misboeken, bidbankjes en biechtstoelen. + +Donna Elisa ontwaakte uit haar gepeins. Ze keek tusschen de +rozenkransen door, die in trossen voor haar winkelraam hingen, +naar de straat. Dat was immers al de derde vracht kerksieraden, +die voorbijging. Werd Diamante geplunderd? Waren de Saracenen in de +stad gekomen? + +Ze ging nu voor haar deur staan om beter te kunnen zien. En weer kwam +er een baar voorbij en daarop lagen rouwkransen van ijzer, stukken +zerk met lange inscripties en wapenschilden, zooals men in de kerk +hangt tot nagedachtenis der dooden. + +Donna Elisa vroeg een der dragers, wat dit beteekende en hoorde nu wat +er gaande was. Men was bezig de kerk Santa Lucia in Gesu te ontruimen. + +De sindaco en de gemeenteraad hadden bevolen, dat men de kerk in een +theater zou veranderen. + +Na het oproer had men een nieuwen sindaco in Diamante gekregen. 't +Was een jonge man uit Rome, hij kende de stad niet, maar hij wilde +toch gaarne iets voor haar doen. Nu had hij in den gemeenteraad +voorgesteld, dat Diamante zich op dezelfde wijze een schouwburg zou +verschaffen als men in Taormina en in andere steden gedaan had. Men +zou eenvoudig een der kerken tot schouwburg inrichten. Men had toch +zeker meer dan voldoende aan vijf stadskerken en zeven kloosterkerken; +men zou zeker heel goed een daarvan kunnen missen. + +Daar was b. v. de Jezuïetenkerk, Santa Lucia in Gesu. Het klooster dat +er bij behoorde was reeds veranderd in een kazerne en de kerk was zoo +goed als verlaten. Deze kerk zou een uitstekend theater kunnen worden. + +Dit had de sindaco voorgesteld en de gemeenteraad had het voorstel +aangenomen. + +Toen donna Elisa hoorde, wat er plaats greep, wierp zij een mantille +en een sluier om en spoedde zich naar de Santa Lucia met even groote +haast als waarmee men ijlt naar het huis, waar een stervende ligt. + +Hoe zou het nu met de blinden gaan? dacht donna Elisa. Hoe zouden +dezen kunnen leven zonder hun kerk Santa Lucia in Gesu? + +Toen donna Elisa op de kleine stille markt kwam waar omheen de lange, +leelijke gebouwen der Jezuïeten zijn opgetrokken, zag zij op de +breede steenen trappen, die langs den ganschen gevel der kerk loopen, +een schaar in lompen gehulde kinderen en vele langharige honden. Dat +waren de geleiders der blinden, en allen schreiden en klaagden zoo +hard zij slechts konden. + +"Wat is er te doen?" vroeg donna Elisa. + +"Ze willen ons onze kerk ontnemen," jammerden de kinderen en +tegelijkertijd blaften de honden nog klaaglijker dan te voren, want +de honden der blinden zijn bijna menschen gelijk. + +In de kerkdeur ontmoette donna Elisa meester Pamphilio's echtgenoote, +donna Concetta. + +"Ach, donna Elisa," zei ze, "nooit in uw leven hebt ge zoo iets +vreeselijks gezien. Ge doet beter niet in de kerk te gaan." + +Maar donna Elisa ging verder. + +In de kerk zag zij eerst niets anders dan een wolk van stof. Maar +in dien nevel dreunden hamerslagen, eenige arbeiders waren bezig een +grooten steenen ridder los te breken, die in een der vensternissen lag. + +"Mijn God," zei donna Elisa en vouwde haar handen, "ze breken Sor +Arrigo los." + +En zij dacht er aan, hoe veilig hij altijd in zijn nis gelegen +had. Iederen keer, als zij hem gezien had, wenschte zij, zoo verlost +te zijn van alle onrust en smart als de oude Sor Arrigo. En nu +werd ook zijn rust verstoord. In de Luciakerk was nog een groot +grafmonument. Dat stelde een ouden Jezuïet voor, die op een zwart +marmeren sarcophaag lag met een geesel in de hand en zijn hoed diep +over het voorhoofd getrokken. Hij werd pater Succi genoemd en men +placht de kinderen in Diamante bang te maken met hem. + +"Zouden zij het wagen pater Succi aan te raken?" dacht donna Elisa. En +door de kalkwolk heen, trachtte zij den weg te vinden naar het koor +waar de sarcophaag stond, om te zien of ze den moed hadden den ouden +Jezuïet aan te raken. + +Maar pater Succi lag nog op zijn steenen bed. Hij lag daar, duister +en hard, zooals hij bij zijn leven geweest was, en men kon bijna +gelooven, dat hij nog leefde. Was er een dokter en een tafel met +medicijnflesschen benevens een brandende kaars voor het bed geweest, +dan zou men gedacht hebben dat pater Succi ziek lag in het koor van +zijn kerk en op zijn laatste stonde wachtte. + +De blinden zaten om hem heen, gelijk bloedverwanten, die zich +verzamelen om een stervende, en wiegden hun lichamen van smart heen +en weer. Daar waren de beide vrouwen van de hotelpoort, donna Pepa +en donna Tura, dan was er oude moeder Saraedda, die genadebrood at +bij den sindaco Voltaro. Er waren blinde bedelaars, blinde zangers, +blinden van elken leeftijd en stand. Alle blinden van Diamante waren +er en in Diamante zijn er ongelooflijk velen, die nooit meer het +zonnelicht zien. + +Al deze blinden zaten meest zwijgend, maar nu en dan barstte een van +hen in jammerklachten uit. Nu en dan trachtte een van hen den weg te +vinden naar pater Succi en wierp zich luid jammerend over hem heen. + +En wat het nog meer op een sterfbed deed gelijken, was dat de pastoor, +don Matteo, en pater Rossi van het Franciscanerklooster rondgingen +om de bedroefden te troosten. + +Donna Elisa was diep getroffen. Ach, hoe vele malen had zij deze +menschen gelukkig gezien in haar winkel, en nu moest zij hen in zulk +een ellende treffen? + +Zij hadden haar oogen milde tranen ontlokt toen zij treurzangen +hadden gezongen over haar man, signor Antonelli, en over haar broer, +don Ferrante. Het bedroefde haar hen nu in zulk een nood te zien. + +Oud moedertje Saraedda begon te spreken tegen donna Elisa. + +"Ik wist niets, toen ik hier kwam, donna Elisa," zei het oude +vrouwtje. "Ik liet mijn hond buiten op de trap en trad binnen door +de kerkdeuren. Toen strekte ik mijn armen uit, om mij te steunen aan +den deurpost, maar er was geen deurpost. Ik zette mijn voeten neer, +alsof er een drempel voor de deur was, maar er was geen drempel. Ik +strekte mijn hand uit om wijwater te nemen, ik boog mijn knieën, +toen ik voorbij het hoogaltaar ging en ik luisterde naar het klokje, +dat geluid wordt, als pater Rossi ter misse gaat. + +"Donna Elisa, er was geen wijwater, geen altaar, geen klokgelui, +niets, niets was er." + +"Och, arme!" zei donna Elisa. + +"Toen hoorde ik gehamer en geklop in een venster. "Wat doet ge met +Sor Arrigo?" riep ik, want ik hoorde dadelijk, dat het geluid uit de +nis van Sor Arrigo kwam. + +"Wij moeten hem wegvoeren," antwoordde men mij. + +"Tegelijkertijd komt don Matteo naar mij toe, neemt mij bij de hand +en verklaart mij alles. En ik word bijna boos op den pastoor, als hij +mij vertelt, dat men onze kerk voor een theater wil gebruiken. Onze +kerk voor een theater! + +"Waar is pater Succi?" vraag ik eindelijk. "Is pater Succi nog +hier?" En hij brengt mij bij pater Succi. Hij moet mij er wel heen +geleiden, want ik kan den weg niet vinden. Sedert ze alle stoelen en +bidbankjes, matten en losse treden weggenomen hebben, weet ik niet +meer waar ik ben. Vroeger kon ik hier zoo goed den weg vinden als gij." + +"De pastoor zal jelui een andere kerk geven," zei donna Elisa. + +"Donna Elisa, wat wilt ge daarmee zeggen? Ge kunt evengoed zeggen, +dat de pastoor ons het gezicht terug zal geven. Kan don Matteo ons +een kerk geven, waar wij zien kunnen, zooals wij hier zagen? Geen +van ons behoefde hier zijn geleider mee te nemen. + +"Daarginds, donna Elisa, stond een altaar, de bloemen daarop waren even +rood als de Etna bij zonsondergang en dat konden we zien. Des Zondags +telden we zestien kaarsvlammen boven het hoofdaltaar en op feestdagen +dertig. Wij konden zien dat pater Rossi hier de mis bediende. + +"Wat moeten wij in een andere kerk doen, donna Elisa? Daar kunnen we +niets zien. Ze hebben ons het licht onzer oogen opnieuw ontnomen." + +Donna Elisa's hart werd zoo warm, alsof er gesmolten lava over +stroomde. Het was stellig een groot onrecht, dat men dezen ongelukkigen +aandeed. + +Toen ging donna Elisa naar don Matteo. + +"Uw Hoogeerwaarde," zei ze, "heeft u gesproken met den sindaco?" + +"Ach, ach, donna Elisa," zei don Matteo. "'t Is beter, dat gij beproeft +met hem te spreken, dan dat ik het doe." + +"Don Matteo, de sindaco is een vreemdeling, misschien heeft hij nooit +hooren spreken over de blinden." + +"Signor Voltara is bij hem geweest, pater Rossi is bij hem geweest +en ook ik, ook ik was bij hem. Hij antwoordde niets anders dan dat +hij niet kan veranderen wat in den gemeenteraad besloten is. + +"Dat weet ge immers wel, donna Elisa, een besluit van den gemeenteraad +kan nooit herroepen worden. Als deze besloten heeft, dat uw kat de +mis zal lezen in de domkerk, kan er niets aan dit besluit veranderd +worden." + +Er ontstond plotseling een opschudding in de kerk. Een groote blinde +man kwam binnen. + +"Vader Elisa," fluisterde men. "Vader Elisa." + +Vader Elisa was de deken van het gilde der blinde zangers, die zich in +deze kerk plachten te verzamelen. Wit was zijn haar en hij droeg een +langen witten baard; hij was schoon als een der heilige patriarchen. + +Hij ging gelijk alle anderen naar pater Succi, nam naast hem plaats +en drukte zijn voorhoofd tegen het marmer. Donna Elisa ging naar +vader Elisa om met hem te spreken. + +"Vader Elisa," zei ze, "ge moest naar den sindaco gaan." De +grijsaard herkende donna Elisa's stem en hij antwoordde met zijn +grove oudemannenstem: + +"Gelooft ge dat ik gewacht heb tot gij mij dat zoudt zeggen? Denkt ge +dan niet, dat het mijn eerste gedachte was naar den sindaco te gaan?" + +Hij sprak zoo luid en duidelijk, dat de arbeiders ophielden met +hameren, omdat ze meenden, dat iemand begon te preeken. "Ik heb hem +verteld, dat wij blinde zangers een gilde vormen en dat de Jezuïeten +reeds drie eeuwen geleden hun kerk voor ons openden en ons het +recht gaven hier te vergaderen om nieuwe leden te kiezen en zangen +te beoordeelen. + +"En ik vertelde hem, dat ons gilde uit dertig zangers bestaat, en +dat de heilige Lucia onze schutspatrones is en wij nooit op straat +zingen, maar slechts op binnenplaatsen en in de huizen. Ik zei hem, +dat we legenden van heiligen zingen en treurzangen, maar nooit een +wereldsch lied en dat de Jezuïet pater Succi zijn kerk voor ons opende, +omdat wij blinden de zangers zijn van Onzen Lieven Heer. + +"Ik vertelde hem, dat sommigen van ons recitatores zijn, die de oude +gedichten voordragen, en dat anderen trovatores zijn, die nieuwe +dichten. + +"Ik zei hem dat wij tot vreugde waren van vele menschen op het +edele eiland, en vroeg hem, waarom hij ons niet het leven wilde +laten behouden; een daklooze kan niet leven. Ook vertelde ik hem +dat wij van stad tot stad plegen te trekken op den Etna, maar dat +de Luciakerk ons thuis is en dat hier iederen morgen de mis voor ons +wordt gelezen. Waarom wilde hij ons den troost van Gods woord weigeren? + +"Ook verhaalde ik hem, dat de Jezuïeten eens van gevoelens jegens ons +veranderden en ons uit hun kerk wilden verdrijven, maar dat dit hun +niet gelukt was. Wij kregen een gezegeld document van den vice-koning, +dat wij ten eeuwigen dage onze vergaderingen in de Santa Lucia in +Gesu mogen houden. En ik toonde den sindaco het document." + +"Wat antwoordde hij toen?" + +"Hij lachte mij uit." + +"Kan geen der andere raadsleden u helpen?" + +"Ik ben bij hen allen geweest, donna Elisa. Ik ben den ganschen morgen +van Pontius naar Pilatus gezonden." + +"Vader Elisa," zei donna Elisa, en ze liet haar stem dalen, "hebt ge +vergeten de heiligen aan te roepen?" + +"Ik heb de zwarte Madonna aangeroepen, zoowel als San Sebastiaan en +Santa Lucia. Ik heb gebeden tot zoo vele heiligen, als ik slechts +bij naam kende." + +"Gelooft gij, vader Elisa," zei donna Elisa en zij liet haar stem nog +meer dalen, "dat don Antonio Greco geholpen werd, omdat hij beloofde +geld te geven voor donna Micaela's spoorweg?" + +"Ik heb geen geld te geven," zei de grijsaard moedeloos. + +"Gij moest er toch eens over denken, vader Elisa," zei donna Elisa, +"nu gij in zulk een grooten nood verkeert. Gij moest het Christusbeeld +beloven, dat gij zelf en allen, die tot uw gilde behooren, zullen +zingen en spreken over den spoorweg, om den menschen te overreden +bijdragen daarvoor af te staan, indien gij uw kerk moogt behouden. Wij +weten niet of het helpt, maar we moeten al het mogelijke beproeven, +vader Elisa. Een belofte kost niets." + +"Ik wil beloven wat gij slechts wilt," zei de grijsaard. + +Hij legde weer zijn hoofd op het zwarte marmer, en donna Elisa begreep +dat hij de belofte slechts gegeven had om met zijn smart alleengelaten +te worden. + +"Zal ik uw belofte tot het Christuskind brengen?" zei ze. + +"Doe gelijk gij wilt, donna Elisa," zei de grijsaard. + + + +Denzelfden dag was fra Felice om vijf uur 's morgens opgestaan en zijn +kerk begonnen te vegen. Hij voelde zich vroolijk te moede, maar toen +hij daar zoo bezig was, meende hij opeens dat San Pasquale met den +zak vol steenen, die in het kerkportaal stond, hem iets te zeggen had. + +Hij ging nu naar hem toe, maar San Pasquale stond even onbeweeglijk +als altijd. Op hetzelfde oogenblik steeg de zon boven den Etna en zond +veelkleurige stralen, harpsnaren gelijk, over den bergketen. Toen +de stralen fra Felice's oude kerk bereikt hadden, tintten ze deze +rozerood, rozerood werden ook de oude, verweerde zuilen, die den +baldakijn boven het beeld droegen, en San Pasquale met den zak, +evenals fra Felice zelf. + +"Wij zien er uit als jonge knapen," dacht de grijsaard. "We hebben +nog vele jaren te leven." + +Maar toen hij de kerk weer wilde binnengaan, voelde hij een +beklemmenden druk boven het hart en het viel hem in, dat San Pasquale +hem geroepen had om hem vaarwel te zeggen. Op hetzelfde oogenblik +werden zijn beenen zoo zwaar, dat hij ze nauwelijks kon verzetten. Hij +gevoelde geen pijn, maar een loodzware moeheid, die niets anders dan +den dood kon beteekenen. Hij had nauwelijks de kracht om den bezem +weg te zetten achter de deur van de sacristie; toen sleepte hij zich +naar het koor en ging voor het hoogaltaar liggen, terwijl hij zich +in zijn pij wikkelde. + +'t Was alsof het Christuskind tegen hem knikte en zei: "Nu heb ik je +noodig, fra Felice." + +Hij knikte terug. "Ik ben gereed, ik zal je niet ontrouw worden." + +Hij lag daar slechts te wachten, en dat was heerlijk, vond fra +Felice. Gedurende zijn gansche leven had hij geen tijd gehad om te +voelen hoe moede hij was. Nu kon hij eindelijk eens uitrusten. Het +beeld zou de kerk en het klooster wel zonder hem in stand houden. + +Hij glimlachte omdat de oude San Pasquale hem naar buiten geroepen +had om hem vaarwel te zeggen. + +Zoo lag fra Felice een groot gedeelte van den dag, meestal sluimerde +hij. Niemand was bij hem, en er kwam een gevoel over hem, dat het +niet aanging zoo uit het leven te glijden. + +'t Was alsof hij iemand daarmee te kort deed. Die gedachte wekte hem +keer op keer. Hij behoorde de priesters bij zich te hebben, maar hij +had immers niemand om hen te halen. + +Terwijl hij daar zoo lag, scheen het hem dat zijn lichaam al meer +en meer inkromp, dat hij steeds kleiner werd. 't Was alsof hij +geheel verdwijnen zou. Nu kon hij zich zeker wel viermaal in zijn +pij wikkelen. + +Hij zou heel eenzaam gestorven zijn, indien donna Elisa niet gekomen +was om het kleine beeld aan te roepen om hulp voor de blinden. + +Zij was wonderlijk te moede, want zij wilde gaarne, dat de blinden +geholpen werden, maar zij wenschte niet, dat donna Micaela's zaak +bevorderd zou worden. + +Toen zij in de kerk kwam, zag zij fra Felice voor het altaar liggen +en zij ging naar hem toe en knielde bij hem neer. + +Fra Felice wendde zijn oogen naar haar en glimlachte stil. "Ik moet +sterven," zei hij heesch, maar toen verbeterde hij zich en zei: +"Ik ga sterven." + +Donna Elisa vroeg wat hem scheelde en zei, dat zij hulp wilde halen. + +"Ga hier zitten," zei hij en deed een matte poging om met zijn mouw +het stof van den grond te wisschen. + +Donna Elisa zei, dat zij den pastoor en de liefdezusters wilde +halen. Hij greep haar bij haar mantel en hield haar terug. + +"Eerst moet ik u iets zeggen, donna Elisa." + +'t Spreken viel hem moeielijk, tusschen ieder woord haalde hij zwaar +adem. Donna Elisa ging naast hem zitten om te wachten. + +Een tijd lang hijgde hij naar adem, toen steeg een vlammend rood op +in zijn gelaat, zijn oogen begonnen te glinsteren, en hij sprak vol +vuur en zonder eenige moeite. + +"Donna Elisa," zei fra Felice, "ik heb een erfenis weg te schenken. 't +Heeft mij den ganschen dag zorg gebaard, want ik wist niet aan wien +ik die zou nalaten." + +"Fra Felice," zei donna Elisa, "wees daarover niet bezorgd. Er is +geen mensch, die een goede gave niet gebruiken kan." + +Maar daar fra Felice zich nu beter gevoelde, wilde hij, vóórdat hij +over zijn erfenis beschikte, donna Elisa vertellen hoe goed God voor +hem was geweest. + +"Heeft God mij geen groote genade bewezen, door mij tot een polacca +te maken?" zei hij. + +"Ja, dat is een groote gave," zei donna Elisa. + +"Reeds een kleine, zeer kleine polacca te zijn is een groote gave," +zei fra Felice. "Vooral was het nuttig, toen het klooster opgeheven +werd en de kameraden weggetrokken of dood waren. 't Is alsof men een +zak vol brood heeft, voordat men de hand uitsteekt om te bedelen, +het maakt, dat men altijd vriendelijke gezichten om zich heen ziet +en begroet wordt met diepe buigingen. Ik ken geen grooter gave voor +een armen monnik, donna Elisa." + +Donna Elisa dacht er aan hoe geliefd en geëerd fra Felice altijd +geweest was, omdat hij kon voorspellen op welke nummers prijzen zouden +vallen. En zij kon niet nalaten hem gelijk te geven. + +"Als ik langs den weg kwam in zonnehitte," zei fra Felice, "kwam +de herder naar mij toe en vergezelde mij een eindweegs, terwijl +hij zijn parapluie boven mijn hoofd hield om mij te beschutten +tegen de zonnestralen. En als ik bij de arbeiders kwam in de koele +steengroeve, deelden zij hun brood en boonensoep met mij. Ik ben +nooit bang geweest voor roovers, noch voor karabiniers. De man in +het tolkantoor sluimerde, toen ik voorbij ging met mijn zak. 't Is +een goede gave geweest, donna Elisa." + +"Ja, dat is waar," zei donna Elisa. + +"En 't is geen harde arbeid geweest," zei fra Felice. + +"Zij spraken tot mij en ik antwoordde hun, dat was alles. Zij wisten +dat elk woord zijn nummer had, en zij luisterden naar hetgeen ik zei +en speelden daarnaar. Ik wist niet, hoe het toeging, donna Elisa, +het was een Godsgave." + +"Het arme volk zal u zeer missen, fra Felice," zei donna Elisa. + +Fra Felice glimlachte: "Ze geven niets om mij op Zondag of Maandag, +als de trekking pas geweest is," zei hij. "Maar Donderdags en Vrijdags +en Zaterdagsmorgens komen zij tot mij, omdat iederen Zaterdag de +loting is." + +Donna Elisa begon onrustig te worden omdat de stervende aan niets +anders dacht dan aan dit. Plotseling kwamen haar verschillende menschen +in de gedachte, die in de loterij verloren hadden, en zij herinnerde +zich velen die hun geheele vermogen daarmee verspeeld hadden. Zij +wilde zijn gedachten leiden van dit zondige loterijspel. + +"Gij zeidet, dat gij over uw testament wildet spreken, fra Felice." + +"Maar juist omdat ik zoo vele vrienden bezit, valt het mij zoo +moeilijk te weten aan wien ik mijn erfenis moet schenken. Zal ik +haar geven aan hen, die de zoete koekjes voor mij bakten of aan hen, +die artisjokken voor mij roosterden in versche olie? Of zal ik het +geven aan de liefdezusters, die mij verpleegden, toen ik ziek was?" + +"Hebt gij veel weg te schenken, fra Felice?" + +"Dat gaat wel, donna Elisa. Dat gaat wel." + +Fra Felice scheen weer benauwd te worden, zijn borst rees en daalde +heftig. + +"Ik zou het ook willen geven aan de arme monniken, die hun klooster +verloren hebben," fluisterde hij. + +En na een tijdje vervolgde fra Felice: "Ik zou het ook wel gaarne +willen schenken aan den goeden man in Rome. Aan hem die over ons +allen waakt." + +"Zijt gij zoo rijk, fra Felice?" vroeg donna Elisa. + +"Dat gaat wel, donna Elisa, dat gaat wel." + +Hij sloot de oogen een wijle, toen vervolgde hij: + +"Ik wil het aan alle menschen schenken, donna Elisa." + +Hij kreeg nieuwe kracht door deze gedachte, weer kleurde een zwak +rood zijn wangen en hij richtte zich op zijn ellebogen op. + +"Ziehier, donna Elisa," zei hij, terwijl hij zijn hand in zijn pij +stak en een verzegelden brief te voorschijn haalde dien hij haar +overreikte. "Dezen moet gij aan den sindaco geven, den sindaco van +Diamante." + +"Hier, donna Elisa," zei fra Felice, "hier zijn de vijf cijfers, +die den volgenden Zaterdag zullen winnen. Zij zijn mij geopenbaard +geworden en ik heb ze opgeteekend. En de sindaco moet deze cijfers aan +de Romeinsche poort laten aanplakken, waar al het gewichtige nieuws +aangekondigd wordt. En hij moet het volk doen weten dat dit mijn +testament is. Dit schenk ik aan alle menschen Vijf winnende cijfers, +een heele quinterne, donna Elisa." + +Donna Elisa nam den brief en beloofde dien aan den sindaco te +geven. Zij kon niets anders doen, want de arme fra Felice had niet +vele oogenblikken meer te leven. + +"Als het nu Zaterdag is," zei fra Felice, "zullen er velen aan fra +Felice denken. + +"Zou oude fra Felice ons bedrogen hebben?" zullen zij vragen. "Kan +het mogelijk zijn dat we een heele quinterne winnen?" + +"Zaterdagavond is er trekking op het balkon van het raadhuis te +Catania, donna Elisa. Dan brengt men het loterijrad en de tafel +naar buiten en de heeren van de loterij verschijnen, met het kleine, +aanvallige kind uit het weeshuis. En het eene na het andere nummer +wordt gelegd in het rad van het avontuur, tot ze er alle in zijn, +alle honderd. + +"Maar de menschen staan beneden op het marktplein te beven van +verwachting, gelijk de zee trilt bij storm. + +"En alle menschen van Diamante zullen daar zijn, bleek en vol +spanning. Ze wagen het nauwelijks elkaar aan te zien. Vóór dien tijd +hebben zij geloofd maar nu niet meer. Geen van hen waagt het de minste +hoop te koesteren. + +"Dan wordt het eerste nummer getrokken en het komt uit. O, donna Elisa, +zij zullen zoo ontroerd zijn dat ze nauwelijks kunnen jubelen. Want +zij allen hadden gedacht dat zij bedrogen waren. Als het tweede +cijfer uitkomt, blijft het doodstil. Dan komt het derde. De heeren +van de loterij zullen verbaasd zijn, dat alles zoo stil blijft. "Heden +winnen zij niets," zullen zij zeggen, "heden maakt de staat een goede +winst." Dan komt het vierde cijfer. Het weesje neemt de rol uit het +rad en de markeur opent de rol en toont het cijfer. + +"Het volk zwijgt in angstige spanning, men kan geen woord spreken bij +zooveel geluk. Dan komt het laatste cijfer. Donna Elisa, men schreeuwt, +men jubelt, men valt elkaar in de armen, en snikt van vreugde. Men +is rijk. Geheel Diamante is rijk..." + +Donna Elisa had fra Felice's hoofd met haar arm gesteund, terwijl +hij dit hijgend stamelde. Nu viel zijn hoofd plotseling zwaar +achterover. De oude fra Felice was dood. + + + +Terwijl donna Elisa in de kerk was bij fra Felice, hadden vele +menschen gehoord van het lot der blinden en waren daardoor diep +getroffen. Niet juist mannen, de meeste mannen werkten op het land, +maar de vrouwen. Ze waren in groote scharen opgetrokken naar Santa +Lucia om de blinden te troosten, en toen er ten slotte ongeveer vier +honderd vrouwen verzameld waren, was het haar tegenvallen, dat zij +naar den sindaco moesten gaan om met hem te spreken. + +Ze waren naar de markt gegaan en hadden om den sindaco geroepen. Toen +was hij op het balkon van het raadhuis verschenen en zij hadden +gesmeekt, dat de blinden hun kerk mochten behouden. De sindaco was +een mooie, vriendelijke man. Hij had haar welwillend te woord gestaan, +maar niet toegegeven. + +Hij kon niet herroepen, wat de gemeenteraad besloten had. Maar de +vrouwen hadden zich stellig voorgenomen, dat het besluit herroepen +zou worden, en zij bleven wachten op de markt. De sindaco trok zich +terug in het raadhuis, maar zij bleven staan om te roepen. Zij wilden +niet naar huis gaan voordat hij toegegeven had. + +Terwijl dit plaats vond, kwam donna Elisa er aan om den sindaco het +testament te brengen van fra Felice. Zij was zielsbedroefd over al +de ellende, maar tegelijkertijd gevoelde zij een bittere voldoening +in het feit dat zij geen hulp gevonden had bij het Christuskind. Zij +had immers altijd gedacht, dat de heiligen donna Micaela niet wilden +bijstaan. + +Het was een mooi geschenk dat zij ontvangen had in San Pasquale. Niet +alleen dat het de blinden niet kon helpen, maar het was in staat de +gansche stad in het verderf te storten. Nu zou het weinige dat het +volk nog bezat in de loterij verspeeld worden. Alles wat ze bezaten, +zouden ze verpanden en verkoopen. + +De sindaco ontving donna Elisa dadelijk en was even beleefd en +vriendelijk als altijd, ofschoon de vrouwen nog op de markt stonden +te smeeken, blinden in de wachtkamer jammerden en hij den ganschen +dag lastig gevallen was door allerlei menschen. + +"Waarmee kan ik u van dienst zijn, signora Antonelli?" zei hij. Donna +Elisa wist eerst niet tot wie hij sprak. + +Toen vertelde zij hem van het testament. + +De sindaco was noch bevreesd, noch verwonderd. + +"Dat is zeer interessant," zei hij en strekte de hand uit naar +het papier. + +Maar donna Elisa hield den brief vast, en vroeg: + +"Signor sindaco, wat zijt ge van plan er mee te doen, is het uw +voornemen het aan de Romeinsche poort te laten aanplakken?" + +"Ja, wat kan ik anders doen, signora? Het is de laatste wil van +een stervende." + +Donna Elisa zou hem hebben willen zeggen, welk een noodlottig testament +het was. Maar zij zweeg om de zaak der blinden te kunnen bepleiten. + +"Pater Succi, die verordende, dat de blinden in zijn kerk mochten +bijeenkomen, behoort ook tot de dooden," sprak zij nu. + +"Signora Antonelli, begint gij ook hierover?" zei de sindaco heel +vriendelijk. "'t Was een vergissing, maar waarom heeft niemand mij +vóór dien tijd gezegd, dat de blinden vergaderden in de Luciakerk? Nu +het eenmaal besloten is, kan ik het besluit niet herroepen. Dat kan +ik niet." + +"Maar hun rechten en hun document, signor sindaco?" + +"Hun rechten beteekenen niets. Die gelden voor het Jezuïetenklooster, +maar zulk een klooster bestaat niet meer. + +"En signora Antonelli, wat zou er van mij worden, indien ik nu toegaf?" + +"Men zou u liefhebben als een goeden man." + +"Signora, men zal gelooven, dat ik zwak ben, en elken dag zullen +er vierhonderd vrouwen voor het raadhuis komen bedelen om het een +of het ander. Het is immers slechts de quaestie om één dag vol te +houden. Morgen zal het vergeten zijn." + +"Morgen!" zei donna Elisa. "Nooit zullen wij het vergeten." + +De sindaco glimlachte, en donna Elisa zag, dat hij geloofde het volk +van Diamante beter te kennen dan zij. + +"Ge gelooft, dat deze zaak hun na aan het harte ligt?" vroeg hij. + +"Ja, dat geloof ik, signor sindaco." + +Toen glimlachte de sindaco weer. "Geef mij dien brief eens, signora." + +Hij ging ermee op het balkon en begon tot de vrouwen te spreken. + +"Ik wil u zeggen," sprak hij, "dat ik juist nu verneem, dat de oude +fra Felice dood is en een testament voor u allen nagelaten heeft. Hij +heeft vijf cijfers opgeteekend, die den volgenden Zaterdag in de +loterij zullen winnen en deze schenkt hij u. Niemand heeft ze nog +gezien. Ze zijn opgeteekend in dezen brief, die nog ongeopend is." + +Hij zweeg een oogenblik, opdat de vrouwen konden nadenken over hetgeen +hij gezegd had. + +En oogenblikkelijk begonnen ze te roepen: "De cijfers, de cijfers!" + +De sindaco gaf haar een teeken om te zwijgen. + +"Ge moet er wel aan denken," zei hij, "dat fra Felice onmogelijk weten +kon welke nummers den volgenden Zaterdag uit de loterij zullen komen. + +"Indien gij op deze cijfers speelt, is het mogelijk dat gij allen +verliest. En wij mogen in Diamante niet armer worden, dan wij reeds +zijn. Ik verzoek u daarom het testament te mogen vernietigen, vóórdat +iemand het gelezen heeft." + +"De cijfers," riepen de vrouwen. "Laat ons de cijfers zien!" + +"Indien ik het testament mag vernietigen," zei de sindaco, "beloof +ik u, dat de blinden hun kerk mogen behouden." + +Het werd stil op de markt. Donna Elisa rees op van haar stoel in +de zaal van het raadhuis en klemde zich met beide handen aan de +leuning vast. + +"Hemelsche Vader," zuchtte donna Elisa, "is hij een duivel dat hij +het arme volk op deze wijze in verzoeking brengt?" + +"We zijn tot nu toe arm geweest," riep nu een vrouw, "we kunnen ook +in de toekomst de armoede dragen." + +"We willen Barabbas niet kiezen in plaats van Christus," riep een +andere. + +De sindaco nam een lucifersdoosje uit den zak, stak een lucifer aan +en bracht dien langzaam bij het testament. De vrouwen lieten lijdelijk +toe, dat de sindaco de winnende cijfers van fra Felice vernietigde. + +De kerk der blinden was gered. + +"Dit is een wonder," fluisterde de oude donna Elisa. "Allen +gelooven aan fra Felice en toch laten ze kalm zijn winnende nummers +verbranden! Dat is een wonder." + + + +'s Namiddags zat donna Elisa weer in haar winkel te borduren. Zij +zag er oud uit, het was alsof er iets in haar gebroken en vernietigd +was. Het was niet de gewone donna Elisa, die daar zat, het was een +arme, oude, verlaten vrouw. + +Zij trok de naald langzaam op uit haar werk en toen zij die weer +insteken moest, ging dat aarzelend en onwillig. 't Kostte haar +moeite te verhinderen, dat de tranen op haar borduurwerk vielen en +het bedierven. + +Donna Elisa had zulk een groot verdriet. Heden had zij Gaetano voor +altijd verloren. Er was geen hoop hem ooit weer te zien. + +De heilige was tegen hem en hielp donna Micaela. Niemand kon er aan +twijfelen, dat er nu een wonder was geschied. + +De vrouwen van Diamante zouden niet lijdelijk toegestaan hebben, +dat men fra Felice's nummers verbrandde, indien zij niet gebonden +waren door een wonder. + +Het deed een arm mensch zoo'n verdriet, dat de goede heilige donna +Micaela hielp, die niet hield van Gaetano. De bel luidde hevig en +donna Elisa stond uit oude gewoonte op. 't Was donna Micaela, die nu +binnenkwam. Zij was verheugd en strekte beide handen uit naar donna +Elisa, maar deze wendde zich af. Zij kon haar hand niet drukken. + +Donna Micaela was overgelukkig. + +"O, donna Elisa, gij hebt mijn spoorweg geholpen. Hoe zal ik u danken!" + +"Gij behoeft mij volstrekt niet te danken, schoonzuster!" + +"Donna Elisa!" + +"Indien de heiligen ons een spoorweg willen geven, dan is dat +zeker omdat Diamante daaraan behoefte heeft, maar niet omdat ze +u liefhebben." + +Donna Micaela deinsde achteruit. Nu eindelijk meende zij te begrijpen +waarom donna Elisa kwaad op haar was. + +"Indien Gaetano thuis was," zei zij, terwijl zij haar hand tegen heur +hart drukte: + +"Indien Gaetano thuis was, zou hij niet toestaan, dat gij zoo slecht +tegen me waart." + +"Gaetano! Zou Gaetano dat niet toestaan?" + +"Neen. Zelfs indien gij boos op mij waart, omdat ik hem reeds liefhad, +terwijl mijn man nog leefde, zoudt gij het niet wagen mij dat te +verwijten indien hij thuis was." + +Donna Elisa trok de wenkbrauwen een weinig op. + +"Ge denkt, dat hij mij zou kunnen dwingen te zwijgen over zulk een +zaak?" en haar stem klonk wonderlijk vreemd. + +"Maar donna Elisa," fluisterde donna Micaela nu. "'t Is immers geheel +onmogelijk hem niet lief te hebben. + +"Hij is zoo schoon en hij heeft zooveel macht over mij, dat ik bang +voor hem ben. + +"Ge moest begrijpen, dat ik hem moest liefhebben." + +"Moest ik dat?" Donna Elisa ging zitten en sprak heel kort af. + +Donna Micaela geraakte buiten zich zelf. + +"En Gaetano heeft ook mij lief," riep zij. "Niet Giannita maar mij +had hij lief. Gij moest mij als een dochter beschouwen en mij helpen, +en gij moest goed jegens mij zijn. Maar in plaats daarvan zijt ge +boos op mij. Gij staat mij niet toe tot u te komen om met u over hem +te spreken. Hoe ik verlang en hoe ik werk, dat mag ik u niet zeggen." + +Donna Elisa kon zich niet langer bedwingen. Donna Micaela was immers +nog een echt kind, jong, dwaas en bevend als een vogelhartje. Juist +een wezentje, dat bescherming noodig had. Zij moest haar armen wel +om haar heen slaan. + +"Dat wist ik immers niet, jij dom, dwaas kindje," zei zij. + + + + + + +VII. + +NA HET WONDER. + + +Er was een vergadering van het gilde der blinde zangers, in de +Luciakerk. Hoog boven op het koor achter het altaar zaten dertig oude +blinde mannen op de gebeeldhouwde koorstoelen der Jezuïeten. Zij +waren allen arm, de meesten van hen hadden den bedelaarszak en hun +kruk naast zich liggen. + +Er heerschte een plechtige, ernstige stemming. De blinden wisten, +wat het wilde zeggen lid te zijn van dit heilige zangersgilde, van +deze heerlijke, oude academie. + +Beneden in de kerk klonk nu en dan een dof rumoer. Daar zaten de +geleiders der blinden, kinderen, oude vrouwtjes en honden, te wachten, +maar spoedig was alles weer rustig en stil. + +De blinden, die trovatores waren, traden nu de een na den andere op +om nieuwe gedichten voor te dragen. + +"Gij menschen, die op den heiligen Etna woont," reciteerde een van +hen. "Gij menschen, die leeft op den berg der wonderen, verheft +u. Schenkt uwe heerscheres een nieuw sieraad. Zij verlangt naar twee +lange linten om haar schoonheid te verhoogen, twee lange smalle linten +van ijzer wil ze vasthechten aan haar mantel. + +"Schenk deze aan uwe heerscheres en zij zal u met rijkdom beloonen. Zij +zal u goud geven voor ijzer. Ontelbaar zullen de schatten zijn, +die de machtige u schenken zal, indien gij haar nu geeft, hetgeen +zij verlangt." + +"Een milde wonderdoener is in ons midden gekomen," zei een andere. "Hij +staat arm en onbemerkt in de naakte, oude kerk en zijn kroon is van +blik en zijne diamanten zijn van glas. + +"Brengt geen offers aan mij, gij armen," zegt hij. "Bouwt geen tempel +voor mij, gij ellendigen. + +"Voor uw geluk wil ik werken. En wanneer rijkdom heerscht in uwe +hutten, zal ik stralen in den glans van echte edelgesteenten, en +als de nood gevlucht is uit het land, zullen mijne voeten gouden +schoentjes dragen, met paarlen versierd." + +En telkens als er een nieuw gedicht werd voorgedragen, werd het +aangenomen of verworpen. + +De blinden gingen met groote strengheid te werk. + +Maar den volgenden dag trokken ze over den Etna en zongen den spoorweg +in het hart van het volk. + + + +Na het wonder van fra Felice's testament begonnen de menschen gaven te +geven voor den spoorweg. Donna Micaela had spoedig ongeveer honderd +lire bijeen. Toen reisde zij met donna Elisa naar Messina om de +stoomtram te zien, die tusschen Messina en Pharo loopt. Zij hadden +niet zulke groote wenschen. Zij zouden tevreden zijn met een stoomtram. + +"Waarom behoeft een spoorweg zoo duur te zijn?" zei donna Elisa. "'t +Is immers slechts een gewone weg, waarop men ijzeren spoorstaven legt. + +"Maar het zijn die ingenieurs en voorname heeren, welke een spoorweg +zoo duur maken! Neem geen ingenieur in je dienst, Micaela! Laat onze +goede wegwerkers Carmelo en Giovanni je spoorweg aanleggen." + +Ze bekeken nauwkeurig de stoomtram van Pharo en trachtten alle +inlichtingen te verkrijgen, die zij slechts konden. Ze maten hoeveel +ruimte er tusschen de rails was en donna Micaela teekende op een klein +stuk papier hoe de sporen bij de stations moesten loopen. Dat was niet +zoo moeilijk. Zij waren overtuigd, dat zij zich zelf konden redden. + +Dezen dag schenen er in het geheel geen bezwaren te bestaan. 't Was +niets moeielijker een station te bouwen dan een gewoon huis, zeiden +ze. En meer dan een paar stations hadden zij ook niet noodig. Op de +meeste halten was een overdekte wachtplaats voldoende. + +Indien zij er slechts geen maatschappij van maakten en geen voorname +heeren in betrokken, want dat alles kostte zooveel geld, dan zou de +spoorweg wel tot stand komen. + +Ook zou die niet zoo kostbaar worden. Den grond zouden zij zeker wel +voor niets krijgen. De rijke grondbezitters, die land bezaten op den +Etna, zouden wel begrijpen van hoeveel belang een spoorweg voor hen +was, en hem vrij over hun grond laten gaan. + +Zij braken er haar hoofden niet mede om de juiste richting van een +spoorweg vooraf te bepalen. Ze zouden eenvoudig beginnen bij Diamante +en zoo verder gaan naar Catania. Men behoefde slechts een aanvang te +maken, en iederen dag een klein eindje verder aan te leggen. Dat was +niet zoo moeilijk. + +Na deze reis begonnen zij te beproeven den spoorweg op eigen hand aan +te leggen. Don Ferrante had geen groot vermogen nagelaten aan donna +Micaela. Maar het was een geluk dat hij een groot stuk woest land op +den Etna bezeten had. Hierop begonnen Giovanni en Carmelo te graven +voor den nieuwen spoorweg. + +Toen ze een aanvang maakten met dit werk, bezaten de spoorwegaanleggers +niet meer dan honderd lire. Maar het was het wonder met het testament, +dat hen met heiligen waanzin vervulde. + +Welk een spoorweg zou dat worden! welk een spoorweg! + +Blinde zangers waren de actiënverzamelaars, het heiligenbeeld gaf de +concessie en de oude koopvrouw, donna Elisa, was de ingenieur. + + + + + + +VIII. + +EEN JETTATORE. + + +In Catania leefde eens een man met "het booze oog", een jettatore. Van +alle jettatoren op Sicilië duchtte men hem het meest. + +Zoodra hij zich op straat vertoonde, haastten de menschen zich om het +beschermende teeken met de hand te maken. Toch hielp dit dikwijls in +het geheel niet. + +Degene die hem ontmoet had, kon zich voorbereiden op een onaangename +gebeurtenis. Als hij thuis kwam was zijn eten aangebrand, en de mooie, +oude kristallen schotel lag in scherven op den grond. Hij zou hooren, +dat zijn bankier de betalingen gestaakt had, en dat het briefje, +dat hij aan de vrouw van zijn vriend geschreven had, in verkeerde +handen was terechtgekomen. + +Meesttijds was de jettatore een lange, magere man met bleeke schuwe +oogen en een langen neus, die kromde over de bovenlip. God heeft den +jettatore dezen papagaaienneus gegeven als kenteeken. + +Maar alles verandert, niets blijft zich steeds gelijk. + +Deze jettatore was een kleine man met een neus als van San Michaël. + +Daardoor kwam het dat hij nog veel meer kwaad stichtte dan een gewone +jettatore. + +Hoeveel vaker steekt men zich niet aan de doornen van de roos, dan +dat men zich brandt aan een netel. + +Een jettatore moest nooit volwassen zijn; zoo lang hij nog een kind +is, heeft hij het goed. Dan waakt zijn moedertje nog over hem en zij +ziet nooit het booze oog, zij begrijpt nooit waarom zij zich steeds +met de naald in den vinger prikt, wanneer hij bij haar naaitafeltje +komt. Zij is nooit bang om hem te kussen. Ofschoon er altijd ziekte +in haar huis heerscht en de dienstboden voortdurend wegloopen, en +haar vrienden het huis verlaten, merkt zij nooit iets. + +Maar als de jettatore later in de wereld komt, is zijn lot dikwijls +treurig genoeg. Men moet immers in de eerste plaats aan zich zelf +denken, men kan toch niet zijn geheele leven bederven door goed +te zijn jegens een jettatore. Er zijn verscheidene jettatores, die +priester zijn. + +Dit is niet zoo vreemd, de wolf is immers gelukkig, als hij vele +schapen kan verslinden. En zeker kan een jettatore niet meer kwaad +stichten, dan wanneer hij priester wordt. Men moest slechts weten, +hoe het den kinderen gaat, die zij doopen en den bruidsparen, wier +huwelijk zij inzegenen. + +Deze jettatore van Catania werd ingenieur en wilde spoorwegen +aanleggen. + +Hij werd geplaatst bij een der staatsspoorwegen. De staat kon toch +niet weten, dat hij een jettatore was. + +Maar, o, welk een ellende, welk een ellende! + +Zoodra hij aangesteld was bij den spoorweg, geschiedden er niets +dan ongelukken. + +Wilde men een heuvel doorboren, dan had er een instorting plaats, +als men een brug wilde leggen, mislukte het keer op keer. + +Wanneer men een mijn liet springen, werden de arbeiders gedood door +de rondvliegende steenen. + +De eenige die steeds ongedeerd bleef, was de ingenieur, de jettatore. + +Maar de arme menschen, die onder hem werkten! Ze telden iederen morgen +hun vingers en ledematen. + +"Morgen hebben wij ze misschien niet meer allemaal," zeiden ze. + +Men deed zijn beklag bij den hoofdingenieur, men klaagde bij den +minister. Geen van beiden wilde hooren. Ze waren te geleerd en te +verstandig om aan het booze oog te gelooven. De arbeiders moesten maar +beter bij het werk opletten. 't Was aan hun eigen onvoorzichtigheid +te wijten, dat er ongelukken geschiedden. + +En de kolenwagens stortten in den afgrond, en de locomotieven +ontploften. + +Op een morgen fluisterde men, dat de ingenieur weg was. Hij was +verdwenen, niemand wist waar hij gebleven was. + +Had iemand hem soms vermoord? + +O, neen, o, neen! wie zou het gewaagd hebben een jettatore te dooden! + +Maar hij was werkelijk weg, geen mensch wist waar hij was. + +Eenige jaren daarna was het, dat donna Micaela begon te denken aan +haar spoorweg. En om geld daarvoor bijeen te brengen, wilde zij een +bazaar houden in het groote Franciscanerklooster. + +Daar was een groote tuin, omringd door prachtige, oude +zuilengangen. Donna Micaela richtte kleine kraampjes en tenten voor +ververschingen in onder deze arcaden. Zij slingerde guirlandes van +Venetiaansche lampions van zuil tot zuil. Ze liet groote vaten Etnawijn +rondom de kloosterbron opstapelen. + +Terwijl donna Micaela daar buiten werkte, sprak zij dikwijls met +den kleinen Gandolfo, die na den dood van fra Felice, wachter van +het klooster geworden was. Op een dag liet zij zich door Gandolfo +door het geheele klooster geleiden. Zij liep het door van den zolder +tot den kelder. En toen zij deze ontelbare kleine cellen met haar +tralievenster en naakte muren en harde houten banken zag, kreeg zij +een inval. Zij verzocht Gandolfo haar op te sluiten in een dezer +cellen en haar daar gedurende vijf minuten te laten. + +"Nu ben ik een gevangene," zei ze, toen zij alleengelaten werd. Ze +voelde, dat de deur gesloten was, ze zag dat er dikke traliën voor +de vensters waren. Zij was opgesloten. Zoo was het dus gevangen te +zijn! Vier naakte wanden om zich heen, de stilte, de kilheid van +het graf! + +"Nu wil ik gevoelen zooals een gevangene," dacht zij. + +Op hetzelfde oogenblik vergat zij alles voor de gedachte, dat +Gandolfo misschien niet komen zou om haar deur te ontsluiten. Hij +kon immers weggeroepen worden, hij kon plotseling ziek worden, hij +kon doodgevallen zijn in een der donkere gangen. + +Er kon zooveel gebeurd zijn, dat hem verhinderde te komen. En +niemand wist, waar zij was, niemand kon haar zoeken in die afgelegen +cel. Indien zij een uur daarin moest vertoeven, zou ze waanzinnig +van angst worden. + +Ze dacht aan de kwelling van den honger en van de eindelooze uren +van angst. + +O, hoe zou ze ingespannen luisteren naar naderende schreden, hoe zou +ze roepen! + +Hoe zou zij rukken aan de deur. Zij zou de kalk van den muur schrappen, +zij zou trachten de traliën voor het venster kapot te bijten. + +En als zij haar dan eindelijk vonden, zou zij dood op den grond liggen, +en overal zou men sporen vinden van haar pogingen om zich te bevrijden. + +Waarom kwam Gandolfo niet? Nu was zij toch een kwartier, een half +uur in de cel geweest. + +O, waarom kwam hij toch niet? + +Ze was overtuigd, dat ze een heel uur opgesloten was geweest, toen +Gandolfo kwam. Waar was hij toch zoo lang geweest? + +Maar hij was niet lang weggeweest. Donna Micaela was slechts vijf +minuten in de cel. + +O God, zóó was het dus gevangen te zijn! Zoo was dus Gaetano's +leven! Ze barstte in tranen uit, toen ze weer den blauwen hemel boven +zich zag. + +Een tijdje daarna toen zij op een open loggia stonden, wees Gandolfo +haar een raam met luiken en groene gordijnen. + +"Woont daar iemand?" vroeg zij. + +"Ja, donna Micaela." + +Gandolfo vertelde, dat daar een man woonde, die nooit anders dan +'s nachts uitging. Een man die nooit met iemand sprak. + +"Is hij krankzinnig?" vroeg donna Micaela. + +"O neen, o neen, hij is even wel bij het hoofd als gij of ik. Men zegt, +dat hij zich moet verbergen. Hij is bang voor de regeering." + +Donna Micaela stelde veel belang in dezen man. + +"Hoe heet hij?" vroeg ze. + +"Ik noem hem signor Alfredo." + +"Hoe krijgt hij eten?" vroeg zij hem. + +"Ik kook voor hem," zei Gandolfo. + +"En kleeren?" + +"Die verschaf ik hem. Ik ben het ook, die hem boeken en tijdschriften +bezorg." + +Donna Micaela zweeg een tijdlang. + +"Gandolfo," zei ze, terwijl zij hem de roos gaf, die zij in de hand +hield, "leg deze roos op het blad, als je straks eten brengt aan je +ongelukkigen gevangene!" + +Na dien dag zond donna Micaela bijna elken dag een kleinigheid aan +den gevangene in het klooster. Nu eens was het een boek, dan een +bloem of een vrucht. + +'t Was haar zulk een genot, ze speelde met haar phantasie. 't Gelukte +haar bijna zich voor te stellen, dat het Gaetano was aan wien ze dit +alles zond. + +Toen de dag aanbrak, dat de bazaar geopend zou worden, was donna +Micaela 's morgens reeds vroeg in het klooster. + +"Gandolfo," zei ze, "ga voor mij naar je gevangene en vraag hem of +hij vanavond op het feest wil komen." + +Gandolfo kwam spoedig met het antwoord terug. + +"Hij dankt u zeer voor uw uitnoodiging, donna Micaela," zei de +knaap. "Hij wil gaarne komen." + +Zij was verbaasd, want zij had niet gedacht, dat hij zich zou durven +vertoonen. Zij had hem slechts een vriendelijkheid willen bewijzen. + +Er was iets, dat donna Micaela dwong om op te zien. Zij stond in den +kloostertuin, een venster in een der gebouwen tegenover haar werd +geopend. Donna Micaela zag een man van middelbaren leeftijd met een +aangenaam uiterlijk voor het raam staan en naar haar kijken. "Daar +is hij, donna Micaela," zei Gandolfo. + +Zij was gelukkig. 't Was alsof ze dezen man gered en verlost had. En +meer dan dit. Menschen, die geen phantasie bezitten, kunnen dit +niet begrijpen. + +Maar donna Micaela was den ganschen dag in spanning en verwachting. Ze +overwoog, hoe zij zich 's avonds zou kleeden. 't Was alsof zij Gaetano +verwachtte.-- + +Maar donna Micaela had spoedig wel iets anders te doen dan te +droomen. Den geheelen dag werd ze overstelpt door onaangename +wederwaardigheden. + +Eerst ontving ze een brief van den ouden rooverhoofdman Falco Falcone. + + + Waarde vriendin, donna Micaela, + + Daar ik gehoord heb, dat ge voornemens zijt een spoorweg aan + te leggen op den Etna, wil ik u zeggen, dat dit nooit met mijn + toestemming zal geschieden. Ik zeg u dit nu maar dadelijk, opdat + ge aan deze zaak niet meer geld en moeite zult verspillen. + + Hooggeboren en edele signora, ik verblijf + + uw nederige dienaar, + Falco Falcone. + + P.S. Passafiore, mijn neef, heeft dezen brief geschreven. + + +Donna Micaela smeet het vuile briefje op den grond. Het was haar +alsof ze het doodvonnis van haar spoorweg in de hand hield, maar +heden wilde zij daaraan niet denken, heden had zij haar bazaar. + +Een oogenblik daarna kwamen haar wegwerkers, Giovanni en Carmelo, +bij haar. Ze wilden haar raden een ingenieur te raadplegen. + +Zij wist zeker niet, hoe de grond was op den Etna. Eerst was het lava, +dan asch en dan weer lava. + +Moest de weg aangelegd worden op de bovenste lavalaag of op het +aschbed, of moesten zij nog dieper graven? Moest de bodem voor een +spoorweg zeer vast zijn? Zij moesten er iemand bij hebben, die er +verstand van had. + +Donna Micaela kon hen echter nu niet te woord staan. + +Morgen, morgen! heden had zij geen tijd om daaraan te denken. Dadelijk +daarna kwam donna Elisa met nog slechter nieuws. + +Er was een stadswijk in Diamante, waar arme en woeste menschen +woonden. Deze ongelukkige stakkers waren angstig geworden, toen ze +hoorden van den spoorweg. + +Nu komt er gewis een aardbeving of een uitbarsting van den Etna, +hadden ze gezegd. + +De machtige Etna duldt geen ijzeren banden. Hij zal den geheelen +spoorweg van zich afslingeren. + +En het volk zei, dat men den spoorweg moest opbreken zoodra die +gelegd was. + +Welk een ongeluksdag! Donna Micaela voelde zich verder dan ooit van +haar doel. + +"Waarvoor dient het nu, of wij geld bijeenbrengen op den bazaar?" zei +ze mismoedig. + +En het scheen ook niet, dat zij veel geld zou krijgen op haar feest. 's +Namiddags begon het te regenen. Sedert den dag, dat de klokken luidden, +had het nog niet zoo geregend in Diamante. 't Was alsof de wolken op +de daken drukten, en het water er uit stroomde. Eer men twee minuten +op straat liep, was men doornat. + +Tegen zes uur, toen donna Micaela's bazaar geopend zou worden, regende +het zoo hard mogelijk. Toen zij in het klooster kwam, waren daar +geen andere menschen dan degenen, die haar zouden helpen verkoopen +en bedienen. + +Zij had wel kunnen schreien! Welk een ongeluksdag! Wie had toch al +dezen tegenspoed over haar hoofd gebracht? + +Donna Micaela's blikken vielen op een vreemden man, die tegen een +pilaar leunde en haar beschouwde. + +Opeens herkende zij hem! Dat was de jettatore. Het was de jettatore +van Catania, dien men haar reeds als kind had leeren vreezen. + +Donna Micaela ging dadelijk naar hem toe. + +"Wilt ge even met mij gaan, signor," zei ze, terwijl zij hem +voorging. Zij wilde zoo ver weggaan, dat niemand hen hooren kon, dan +wilde zij hem verzoeken haar nooit meer onder de oogen te komen. Zij +moest het doen, zij kon niet toelaten dat hij haar geheele leven +verwoestte. + +Zij dacht er in het geheel niet aan waar zij heenging. Plotseling +stond ze bij de deur van de kloosterkerk en trad naar binnen. + +Het was er bijna donker. Alleen een klein olielampje brandde bij +het Christusbeeld. + +Toen donna Micaela het Christusbeeld zag, verschrikte zij. Juist nu had +zij het liever niet gezien. Zij herinnerde zich hoe zijn kroon gerold +was voor Gaetano's voeten, toen deze zoo vertoornd was op de bandieten. + +Misschien wilde het Christusbeeld niet, dat zij den jettatore verstiet. + +Maar zij had toch werkelijk reden hem te vreezen. En 't was slecht +van hem op haar feest te verschijnen. Zij moest trachten hem van hier +te verwijderen. + +Donna Micaela liep de geheele kerk door en stond nu stil voor het +Christusbeeld. + +Zij kon geen woord zeggen tot den man, die haar volgde. Zij herinnerde +zich hoeveel medelijden zij nog onlangs met hem gehad had, omdat hij +gevangen zat, hij evenals Gaetano. + +Zij was zoo gelukkig geweest hem tot het leven terug te voeren. Wat +wilde zij nu doen? + +Hem weer in de gevangenis zenden? + +Zij dacht aan haar vader en aan Gaetano. Zou het nu voor den derden +keer zijn, dat zij... + +Zij stond zwijgend en voerde een hevigen strijd met zich zelf. + +Eindelijk begon de jettatore te spreken. + +"Niet waar, signora, ge hebt genoeg van mij?" + +Donna Micaela maakte een ontkennende beweging. + +"Wenscht gij, dat ik terugkeer naar mijn cel?" + +"Ik begrijp u niet, signor." + +"Ja zeker, gij begrijpt me wel. Er is u vandaag iets vreeselijks +overkomen. Gij ziet er nu geheel anders uit dan dezen morgen." + +"Ik ben zeer moede," zei donna Micaela ontwijkend. + +Hij trad dicht op haar toe, als om haar de waarheid af te dwingen. De +vragen en antwoorden volgden elkaar kort en stootend. + +"Ziet ge niet, dat uw geheele feest dreigt te mislukken?" + +"Dan doen we het morgen weer over." + +"Hebt ge mij dan niet herkend?" + +"Ja, ik heb u vroeger wel eens in Catania gezien." + +"En gij zijt niet bang voor den jettatore?" + +"Ja, vroeger als kind." + +"Maar nu zijt ge niet meer bevreesd?" + +Zij ontweek hem te antwoorden. + +"Zijt ge zelf bang?" vroeg ze. + +"Zeg de waarheid!" zei hij ongeduldig. "Wat wildet gij mij zeggen, +toen gij mij hierheen voerdet?" + +Zij zag onrustig om zich heen. Zij moest hem iets zeggen, zij moest +hem een antwoord geven. Toen kwam er een gedachte in haar op, die +haar angstig maakte. Zij zag naar het Christusbeeld. + +"Eischt gij dit van mij?" scheen ze hem te vragen. + +"Moet ik dit doen voor een vreemden man? Maar dit staat immers gelijk +met mijn eenige hoop te vernietigen." + +"Ik weet nauwelijks of ik het wel wagen durf u te zeggen, wat ik u +verzoeken wilde," zeide zij. + +"Neen, ziet ge wel dat gij den moed niet hebt." + +"Ik ben van plan een spoorweg aan te leggen, weet ge dat?" + +"Ja, dat weet ik." + +"Ik wilde u vragen of gij mij helpen wildet?" + +"Ik! Ik!" + +Nu zij eenmaal begonnen was, viel het haar gemakkelijker te +vervolgen. Zij was verbaasd hoe natuurlijk het klonk, toen zij het +hem vroeg. + +"Ik weet, dat ge een spoorwegingenieur zijt. Ja, ge begrijpt wel, +dat aan mijn spoorweg geen geld verdiend wordt. Maar het was beter, +dat ge me hielpt, dan dat ge in uw cel opgesloten zit. Gij verspilt +slechts uw tijd." + +Hij keek haar bijna streng aan. + +"Weet ge, wat ge daar zegt?" + +"Ja, het is natuurlijk een vermetel verzoek." + +"Ja juist, een vermetel verzoek." + +Daarna begon de ongelukkige man haar te waarschuwen voor al het onheil, +dat haar dreigde, indien zij zijn hulp aannam. + +"Het zou met uw spoorweg gaan, zooals met uw feest." + +Donna Micaela was overtuigd van de waarheid zijner woorden, maar zij +had nu alle wegen achter zich afgesloten, zij moest nu voortgaan, +goed te zijn. + +"Mijn feest zal spoedig in vollen gang zijn," zei ze beslist. + +"Hoor naar mij, donna Micaela," zei de jettatore. + +"Het laatste waaraan men weigert niet te gelooven is aan zich zelf. Men +kan niet nalaten zich zelf te vertrouwen." + +"Neen, waarom zou men dat ook doen?" + +Hij maakte een beweging, alsof hij ongeduldig was over haar vertrouwen. + +"Toen ik eerst over de zaak begon te denken," zei hij, "troostte ik +mij gemakkelijk. Door een paar ongelukkige toevallen, zei ik tot mij +zelf, heb je den naam van jettatore gekregen, zoodat dit langzamerhand +een vaste overtuiging is geworden. En juist dit geloof sticht het +kwaad. Men heeft mij ontmoet en geloofd, dat men zou verongelukken, +en toen geschiedde het ook. Het is een ongeluk erger dan de dood, +aangezien te worden voor een jettatore. Maar gij behoeft het zelf +niet te gelooven." + +"Het is zoo ongerijmd," zei donna Micaela. + +"Ja, niet waar, hoe zouden mijn oogen de macht bezitten kwaad te +stichten? Ik wilde een proef nemen. Ik reisde naar een plaats, waar +niemand mij kende. Den volgenden morgen las ik in de courant, dat door +den trein waarmee ik gereisd had, een baanwachter overreden was. Toen +ik een dag in het hotel was, zag ik dat de hotelhouder wanhopig was, +en alle gasten ontsteld waren. + +"Wat is er gebeurd?" vroeg ik. + +"Een van onze bedienden is door de pokken aangetast. O, welk een +ellende!" + +"Donna Micaela, toen sloot ik mij op en onthield mij van allen omgang +met menschen. + +"Toen een jaar verstreken was, kwam ik tot rust. Ik ben immers +geen gevaarlijk mensch, zei ik, en ik wil toch niemand eenig kwaad +doen. Waarom zou ik dan als een misdadiger leven? + +"Ik had mij juist voorgenomen terug te keeren tot het leven, toen ik +fra Felice in een der gangen ontmoette. + +"Fra Felice, waar is de kat?" + +"De kat, signor?" + +"Ja, de kat van 't klooster, wie ik altijd melk geef. Waar is zij?" + +"Zij is in een rattenval geraakt." + +"Wat zegt u, fra Felice?" + +"De kat is met haar staart in de val gekomen en kon zich toen niet +bevrijden. Zij heeft zich naar een der ramen gesleept en is van +honger gestorven." + +"Wat zegt ge daarvan, donna Micaela?" + +"Was het dan uw schuld, dat de kat stierf?" + +"Ik ben immers een jettatore." + +Zij trok de schouders op. "Ach, welk een dwaasheid!" + +"Toen eenige tijd verstreken was, ontwaakte opnieuw de lust in mij +om te leven. Toen klopte Gandolfo op mijn deur en noodigde mij op +dit feest. Waarom zou ik niet gaan? Men kan onmogelijk van zich zelf +gelooven, dat men ongeluk aanbrengt, alleen door zich te vertoonen. + +"'t Was reeds een feest, donna Micaela, me klaar te maken, en mijn +zwarte kleeren voor den dag te halen, ze te borstelen en aan te +trekken. Maar toen ik op het feestterrein kwam, was dit verlaten, +de regen stroomde neer, en uw Venetiaansche ballons waren vol water. + +"En gij zelf zaagt er uit, alsof al de rampen van het leven u op één +dag getroffen hadden. + +"Toen ge mij zaagt, werdt ge aschgrauw van schrik. + +"Ik vroeg iemand: Hoe heet signora Alagona van zich zelf?--Palmeri-- + +"O, Palmeri, zij is dus uit Catania? Zij heeft den jettatore herkend." + +"Ja, 't is waar, ik heb u herkend." + +"Ge zijt zeer goed en vriendelijk geweest en ik ben zeer bedroefd, +dat ik uw feest verstoord heb. Maar nu beloof ik u, dat ik mij verre +van uw feest zoowel als van uw spoorweg zal houden." + +"Waarom zoudt gij u daar verre van houden?" + +"Ik ben immers een jettatore." + +"Dat geloof ik niet. Ik kan het niet gelooven." + +"Ik geloof het zelf ook niet. Maar toch, ja, ik geloof het. Weet ge, +dat men zegt, dat niemand een jettatore kan overwinnen, dan hij die +even groot in slechtheid is, als de jettatore zelf? + +"Men vertelt, dat eens een jettatore in den spiegel zag, en dat hij +toen neerstortte en stierf. Ik zie nooit in den spiegel. Ik geloof +het dus zelf." + +"Ik geloof het niet. Misschien geloofde ik het nog wel, toen ik u +daarbuiten zag. Nu echter geloof ik het niet meer." + +"Gij wildet mij misschien laten werken aan uw spoorweg?" + +"Ja, ja, indien gij slechts zelf wilt." + +Weer trad hij dicht op haar toe, en zij wisselden eenige korte zinnen. + +"Kom in het licht, ik wil uw gelaat zien." + +"Ge gelooft, dat ik niet de waarheid spreek?" + +"Ik geloof, dat ge slechts beleefd wilt zijn." + +"Beteekent die spoorweg iets voor u?" + +"Die beteekent leven en geluk voor mij." + +"Hoezoo?" + +"Die moet iemand winnen, dien ik liefheb." + +"Zeer lief?" + +Zij antwoordde niet, maar hij kon het antwoord lezen in haar blik. + +Toen viel hij op de knieën voor haar en boog zijn hoofd zoo diep, +dat hij den zoom van haar kleed kon kussen. + +"Gij zijt goed, gij zijt zeer goed. Dit zal ik nooit vergeten. Indien +ik degene was, waarvoor ge mij hieldt, hoe zou ik u dan dienen!" + +"Maar ge moet mij dienen," zei ze. En zij was zoo getroffen door zijn +ongeluk, dat zij in het geheel geen vrees meer gevoelde, dat hij haar +deren zou. + +Hij sprong op. + +"Ik wil u iets zeggen. Ge kunt niet loopen zonder te struikelen +wanneer ik naar u zie." + +"O, waarom niet?" + +"Beproef het!" + +En zij beproefde het. Maar zij was bang. Reeds bij de eerste schrede +voelde zij zich onzeker. + +Maar toen dacht zij: "Indien het voor Gaetano was, dan kon ik het +zeker wel." En toen ging het ook. + +Zij liep heen en weer. + +"Zal ik het nog één maal doen?" Hij knikte. + +Terwijl zij liep kwam de gedachte bij haar op: + +Het Christusbeeld heeft den vloek van hem genomen, omdat hij mij +wil helpen. + +Zij wendde zich plotseling om en kwam naar hem toe. + +"Weet ge, weet ge dat ge geen jettatore zijt?" + +"Ben ik dat niet?" + +"Neen, neen!" zij greep hem bij den arm en schudde dien. "Begrijpt +ge dan niet, ziet ge dan niet? 't Is van u genomen." + +De stem van den kleinen Gandolfo klonk buiten de kerk. + +"Donna Micaela, donna Micaela, waar zijt ge? Er zijn zooveel menschen, +donna Micaela! Waar zijt ge?" + +"Regent het dan niet meer?" zei de jettatore met onzekere stem. + +"'t Regent niet meer, hoe zou het kunnen regenen? Het Christusbeeld +heeft den vloek van u genomen, opdat gij zijn spoorweg zoudt kunnen +dienen." + +De man wankelde en greep met zijn hand in de lucht. + +"'t Is weg. 'k Geloof, dat het weg is. Nog zooeven was het over mij, +maar nu..." + +Weer wilde hij knielen voor donna Micaela. + +"Dank mij niet," zei zij. "Maar hem, hem!" en zij wees op het +Christusbeeld. + +Maar toch viel hij voor haar op de knieën, kuste haar handen, en onder +snikken en tranen vertelde hij haar hoe de menschen hem vervolgd en +verafschuwd hadden en hoeveel ellende het leven hem gebracht had. + +Den volgenden dag begon de jettatore te werken aan den spoorweg. En +hij was niet gevaarlijker dan eenig ander mensch. + + + + + + +IX. + +HET PALEIS GERACI EN HET PALEIS CORVAJA. + + +In den tijd, toen de Noormannen nog op Sicilië heerschten, lang +voordat het geslacht Alagona op het eiland kwam, werden in Diamante +twee heerlijke gebouwen opgetrokken, het palazzo Geraci en het +palazzo Corvaja. + +De edele baronnen Geraci kozen hun verblijf bij de markt, hoog op de +kruin van den Monte Chiaro. De baronnen Corvaja daarentegen bouwden +hun paleis aan den voet van den berg en omgaven het met groote parken. + +De zwarte lavamuren van het palazzo Geraci werden opgetrokken rondom +een kleinen, vierkanten binnenhof, die louter stemming en heerlijkheid +was. Een hooge trap, onder een eerepoort met wapens versierd, voerde +naar de tweede verdieping. + +Niet rondom den hof, maar hier en daar op de meest onverwachte +plaatsen openden de muren zich om plaats te maken voor kleine, met +zuilen versierde loggia's. + +De wanden waren bedekt met reliëfs, bonte platen Siciliaansch marmer +en met de wapenschilden der baronnen Geraci. Er waren ook vensters, +maar die waren zeer klein, met prachtig bewerkte vensterkozijnen. Er +waren ronde raampjes met zulke kleine lichtopeningen, dat ze bedekt +konden worden door een druiveblad, of langwerpige, die zoo smal waren, +dat ze niet meer licht doorlieten dan een reet van een gordijn. + +De baronnen van Corvaja dachten er niet aan den binnenhof van +hun paleis te versieren, maar ze bouwden een heerlijke zaal op +de benedenverdieping. In den vloer werden groote waterbakken voor +goudvisschen gemetseld, in de muurnissen werden fonteinen met mozaïek +geplaatst, waar helder water neerbruiste in geweldige reuzenschelpen. + +Boven deze zaal welfden zich Moorsche bogen, gedragen door slanke +zuilen, omslingerd door ranken van mozaïek. Het was een zaal, waarvan +de weerga slechts te vinden was in het Saracenenslot te Palermo. + +Er heerschte een felle wedijver tusschen de beide geslachten gedurende +de gansche bouwperiode. + +Wanneer het palazzo Geraci een balkon kreeg, werd het palazzo Corvaja +versierd met hooge Gothische boogvensters; toen het dak van het paleis +Geraci getooid werd met rijk gebeeldhouwde tinnen, werd er op het +palazzo Corvaja een meterhooge fries aangebracht van zwart marmer +met wit ingelegd. + +Het huis Geraci had een hoogen toren, maar het paleis Corvaja een +dakterras met hooge vazen op de balustrade. + +Toen de paleizen eindelijk voltooid waren, werd de wedstrijd voortgezet +tusschen de families die ze gebouwd hadden. + +De vijandschap en de strijd schenen zich van de huizen mee te deelen +aan allen, die daarin woonden. + +Een baron Geraci kon nooit gelijk denken met een baron Corvaja. + +Als Geraci voor Anjou streed, vocht Corvaja voor Manfred. Veranderde +Geraci van kleur en stond hij Aragonie bij, dan trok Corvaja naar +Napels om voor Robert en Johanna te strijden. + +Maar dat alles was nog niet genoeg. Het stond vast, dat wanneer Geraci +een schoonzoon kreeg, ook Corvaja zijn macht moest vermeerderen door +een goed huwelijk. + +De beide geslachten konden nooit tot rust komen. + +Men moest eten om strijd, zich vermaken om strijd, en werken om +strijd. De Geraci's trokken naar het hof der Bourbons in Napels, +niet uit lust om zich te onderscheiden, maar omdat de Corvaja's daar +ook waren. + +De Corvaja's van hun kant moesten wijn verbouwen en zwavelmijnen +bezitten, omdat de Geraci's belangstelden in landbouw en mijnwezen. + +Als een Geraci een erfenis gekregen had, moest ook een oude +bloedverwant van Corvaja sterven, opdat de eer van het geslacht niet +overstraald zou worden. + +'t Palazzo Geraci had voortdurend werk om zijn dienaren te tellen, +opdat het palazzo Corvaja het niet zou overtreffen. + +Maar niet alleen lette men op de bedienden, men hield ook rekening +met de galons der livreien en met het tuig der paarden. + +De pluimen van Corvaja's vierspan mochten geen duim hooger zijn dan +die der Geraci's. Hun kudden geiten moesten zich in dezelfde mate +vermenigvuldigen, en de ossen der Geraci's moesten even groote hoornen +hebben als die van Corvaja. + +Men zou geloofd hebben, dat in onze dagen de vijandschap tusschen +beide paleizen geëindigd was. Nu woont er noch een der Corvaja's in +het eene paleis, noch een der Geraci's in het andere. + +Nu is de binnenhof der Geraci's een vuile plaats, waarop zoowel +ezelstallen als varkenshokken en kippenloopen te vinden zijn. Op de +hooge trap hangen lompen te drogen, en de reliëfs zijn beschadigd +en gebroken. + +In een der beide hallen wordt handel in groenten gedreven, in de +andere is een schoenmakerswerkplaats. + +De poortwachter ziet er uit als een ellendige bedelaar, en van den +kelder tot den zolder vindt men niets anders dan arme uitgehongerde +menschen. + +En met het paleis Corvaja gaat het niet veel beter. + +Er is geen spoor meer te vinden van de mozaïekbekleeding in de groote +zaal, nu zijn er nog slechts naakte, kale gewelven. + +Daar wonen geen bedelaars, omdat het paleis voor het grootste gedeelte +in puinhoopen ligt. Slechts zijn schoone gevel met de gebeeldhouwde +vensterbogen verheft zich nog naar den blauwen Siciliaanschen hemel. + +Maar toch is de vijandschap tusschen Geraci en Corvaja niet +geëindigd. In de oude tijden waren het niet alleen de edele +geslachten zelve, die met elkaar in strijd waren, maar ook hun buren +en onderhoorigen. + +Gansch Diamante werd verdeeld tusschen Geraci en Corvaja. Nog loopt +er een hooge, met puntige glasscherven bedekte muur door de stad, +die het deel van Diamante, dat aan de zijde der Geraci's staat, +scheidt van dat, hetwelk zich voor Corvaja verklaard heeft. + +Nog in onze dagen wil geen man van Geraci trouwen met een meisje +van Corvaja. En een herder van Corvaja kan zijn schapen niet laten +drinken van de bron van Geraci. Ze hebben niet eens dezelfde heiligen. + +San Pasquale wordt aangebeden door Geraci, terwijl de zwarte Madonna +de schutspatrones van Corvaja is. + +Een man van Geraci zal nooit iets anders gelooven, dan dat geheel +Corvaja vol is van toovenaars, heksen en weerwolven. + +Een man van Corvaja zal bij zijn zaligheid zweren, dat in Geraci +niets anders gevonden worden dan bandieten en gauwdieven. + +Donna Micaela woonde op Geraci's gebied, en spoedig waren al de +bewoners van dat stadsdeel aanhangers van haar spoorweg. Maar toen +kon Corvaja natuurlijk niets anders doen dan haar tegenwerken. + +Corvaja's bewoners waren bizonder misnoegd over twee zaken. Ze waren +naijverig op de eer der zwarte Madonna en het stond hun dus niet aan, +dat er nog een wonderdoend beeld in Diamante gekomen was. + +Dit was het eene; het tweede was, dat zij vreesden dat de Mongibello +geheel Diamante onder asch en vuur zou begraven, indien men hem door +een spoorweg wilde bedwingen. + +Eenige dagen na den bazaar, begon het palazzo Corvaja zich vijandig te +gedragen. Donna Micaela vond op een dag op haar dakterras een citroen, +die zoo dicht met spelden bezet was, dat die geleek op een stalen bal. + +Die kwam van het palazzo Corvaja, dat zoo vele smarten in haar hoofd +wilde tooveren, als er spelden in den citroen waren. + +Toen wachtte Corvaja eenige dagen om te zien welke uitwerking de +citroen had. Maar toen donna Micaela's arbeiders bleven doorwerken +aan den spoorweg, kwamen de mannen van Corvaja op een nacht om den weg +op te breken. En toen de staven den volgenden dag weer gelegd waren, +sloeg men de ruiten in San Pasquale stuk en wierp het Christusbeeld +met steenen.-- + +--Het was een langwerpig en smal marktplein aan de Zuidzijde van +den Monte Chiaro. Aan de beide lange zijden stonden donkere, hooge +huizen. Aan een der korte zijden gaapte een afgrond, aan den anderen +kant verhief zich een steile berg. Er waren terrassen uitgehouwen +in de berghelling, maar de trappen waren vervallen en de treden +gebroken. Op het grootste terras verhief zich de statige ruïne van +het paleis Corvaja. + +Het voornaamste sieraad van het marktplein was een prachtig, langwerpig +waterbassin, dat onder de terrassen, dicht bij den berg stond. Het +was van sneeuwwit marmer met relief versierd en gevuld met helder, +koel water. Dit was het best bewaard gebleven van al de vroegere +heerlijkheden van Corvaja. + +Op een schoonen, vredigen avond kwamen er twee dames, in het zwart +gekleed, op het kleine marktplein. Op dit oogenblik lag het geheel +verlaten. De beide dames keken rond, maar toen zij geen enkel mensch +zagen, namen zij plaats op de bank bij de bron om te wachten. + +Spoedig kwamen er eenige nieuwsgierige kinderen te voorschijn en +keken naar haar, en de oudste der beide dames begon met de kinderen +te spreken. Zij vertelde hun sagen. + +"Er was eens," zei ze. + +Toen vertelde ze den kinderen van het Christuskind, dat zich +in rozen en leliën veranderde, toen de Madonna een van Herodes' +soldaten ontmoette, die het bevel ontvangen hadden alle kinderen te +dooden; en ze luisterden naar de legende van het Christuskind, dat +eens vogelen van leem maakte, en in de handen klapte en den leemen +koekoeken vleugels gaf om weg te vliegen, toen een slechte knaap ze +kapot wilde slaan. + +Terwijl de oude dame sprak, verzamelden zich vele kinderen om haar +heen, maar ook volwassen menschen. 't Was juist Zaterdagavond, zoodat +de arbeiders van hun werk op het land terugkeerden. De meesten kwamen +bij Corvaja's bron om een teug koel water te drinken vóórdat zij naar +huis gingen. + +Toen zij hoorden dat er sagen verteld werden, bleven zij staan om +te luisteren. + +De beide dames waren spoedig omringd door een donkeren muur van grove, +zwarte mantels en slappe hoeden. + +Plotseling zei de oude dame tot de kinderen: + +"Houdt ge van het Christuskind?" + +"Ja, ja," zeiden ze en hun groote, donkere oogen schitterden. + +"Zoudt ge het gaarne willen zien?" + +"Ja, ja," riepen de kinderen. + +De dame sloeg haar mantille op en toonde den kinderen een klein +Christusbeeld, rijk versierd met ringen, en een gouden kroon op het +hoofd en gouden schoentjes aan de voeten. + +"Hier is het," zei ze. "Ik heb het meegenomen om het je te toonen." + +De kinderen waren opgetogen. Eerst vouwden ze hun handjes voor het +ernstige gezicht van het beeld, toen wierpen zij het kushandjes toe. + +"Is hij niet schoon?" zei de oude dame. + +"Mogen wij hem hebben, mogen wij hem hebben?" riepen de kinderen. + +Maar nu drong een groote, ruwe arbeider, een donkere man met ruigen, +zwarten baard, naar voren. Hij wilde het beeld tot zich rukken. + +De oude dame had nauwelijks den tijd om het achter haar rug te +verbergen. + +"Geef hier, donna Elisa, geef hier!" zei de man. + +De arme donna Elisa wierp een blik op donna Micaela, die den ganschen +tijd stil en misnoegd naast haar gezeten had. Donna Micaela had zich +slechts met moeite laten overreden om mede te gaan naar Corvaja om +het beeld aan het volk te toonen. + +"'t Beeld helpt ons, wanneer het wil," zei zij. "Wij moeten het niet +tot wonderen dwingen." + +Maar donna Elisa had volstrekt willen gaan; ze had gezegd, dat het +beeld slechts wachtte om tot de ontrouwe stakkers in Corvaja gevoerd +te worden. + +Na alles, wat hij reeds gedaan had, konden zij wel zooveel vertrouwen +in hem stellen, dat ze geloofden dat hij ook deze menschen voor zich +zou winnen. + +Maar nu stond zij daar, donna Elisa, terwijl de woeste man zich over +haar heen boog en zij wist niet hoe zij kon verhinderen, dat hij het +beeld nam. + +"Geef het mij goedschiks, donna Elisa," zei de man, "anders, bij God, +neem ik het met geweld. Ik zal het in stukjes, in kleine, kleine +stukjes hakken. + +"Ge zult zien hoeveel er overblijft van uw houten pop. + +"Ge zult eens zien of 't het zal kunnen volhouden tegen de zwarte +Madonna." + +Donna Elisa drukte zich tegen den bergwand, ze zag geen uitweg. Ze +kon noch vluchten, noch zich verzetten. + +"Micaela!" riep zij klagend, "Micaela!" + +Donna Micaela was zeer bleek. Zij hield de handen tegen het hart +gedrukt, zooals ze placht te doen, als ze heftig bewogen was. Zij vond +het vreeselijk, vijandig te staan tegenover deze donkere mannen. 't +Waren juist deze mannen in korte mantels met slappe hoeden, waarvoor +zij altijd zoo bang was. + +Maar nu donna Elisa haar riep, wendde zij zich plotseling om, trok +het beeld naar zich toe en strekte het naar den man uit. + +"Neem het," zei zij fier. En zij ging hem zelfs een schrede +tegemoet. "Neem het en doe er mee, wat ge kunt." + +Zij hield het beeld voor zich uitgestrekt en trad al dichter op den +donkeren arbeider toe. + +Hij wendde zich naar zijn kameraden. + +"Zij gelooft dat ik haar pop niets doen kan," zei hij hoonend. + +En alle arbeiders sloegen zich op de knieën en lachten. + +Hij nam het beeld echter niet, maar greep naar de groote spade, +die hij in de hand hield. Hij week een paar stappen achteruit, hief +de spade boven zijn hoofd, en spande al zijn spieren tot een slag, +die in eens het gehate beeld zou verpletteren. + +Donna Micaela schudde waarschuwend het hoofd. + +"Je kunt het toch niet," zei ze en ze trok het beeld niet terug. + +Hij zag dat zij toch bevreesd was, en hij genoot van haar angst. + +Zoo stond hij langer met opgeheven spade dan strikt noodzakelijk was. + +"Piero!" klonk het toen luid jammerend. "Piero, Piero!" + +"Mijn God, Marcia roept mij," zei hij. + +Op hetzelfde oogenblik stormde een schaar menschen uit een kleine hut, +die gebouwd was tusschen de puinhoopen van het palazzo Corvaja. Het +waren ongeveer tien vrouwen, die met een karabinier vochten. + +De karabinier hield een kind op den arm, en de vrouwen trachtten hem +dit kind te ontrukken. Maar de politieagent, die een sterke man was, +maakte zich van haar allen los, zette het kind op den schouder, +en sprong de trede van het terras op. + +De donkere Piero had er naar gekeken zonder een beweging te maken. Toen +de karabinier zich losrukte, boog hij zich tot donna Micaela en +zei haastig: + +"Kan het beeld dit verhinderen, dan zal geheel Corvaja aan zijn +zijde staan." + +Nu was de karabinier op de markt. Piero maakte een beweging met +de hand, oogenblikkelijk sloten zijn kameraden een kring om den +vluchtende. Waar deze zich wendde, overal zag hij een dichte rij +mannen om zich heen, die hem dreigden met hun schoppen en spaden. + +Er ontstond plotseling een vreeselijke verwarring. De vrouwen, +die met den karabinier gestreden hadden, stortten zich nu gillend +tusschen de mannen. 't Meisje, dat de agent vasthield, schreeuwde +uit al haar macht en trachtte zich los te rukken. Menschen kwamen +van alle kanten aanstormen. Het was een ontzettend getier en geraas. + +"Laten wij nu gaan," zei donna Elisa tot donna Micaela. "Nu denkt +niemand meer aan ons." + +Maar donna Micaela's blik was gevallen op een der vrouwen. Zij +schreeuwde niet, maar men zag dadelijk dat haar de zaak aanging. Men +kon het haar aanzien, dat zij op het punt stond het geluk van haar +leven te verliezen. + +Het was een vrouw, die eens zeer schoon geweest moest zijn, hoewel +nu alle frischheid van haar geweken was, want zij was niet jong +meer. Maar nog had zij een indrukwekkend en fier gelaat. "Hier is +een ziel, die kan lijden en liefhebben," zei het gezicht. + +Donna Micaela voelde zich innig aangetrokken tot deze arme vrouw. + +"Neen, nog is het geen tijd om weg te gaan," zei ze tot donna Elisa. + +De karabinier vroeg en vroeg of men hem wilde laten gaan. + +"Neen, neen. Niet voordat hij het kind losliet!" + +'t Kind was van Piero en zijn vrouw Marcia, maar zij waren niet de +werkelijke ouders van het kind, daardoor was de twist ontstaan. + +De karabinier trachtte door overreding het volk aan zijn zijde te +krijgen. Niet Piero of Marcia, maar de anderen wilde hij overtuigen. + +"Ninetta is de moeder van het kind," zei hij, "dat weet ge immers +wel. Zij kon het kind niet bij zich hebben, toen zij ongetrouwd was, +maar nu is zij getrouwd en wil haar kind terughebben. En nu weigert +Marcia Ninetta's zoontje af te staan. 't Is zoo hard voor Ninetta, +die in acht jaar haar kind niet bij zich gehad heeft. Marcia wil het +niet afstaan; zij jaagt Ninetta weg, als zij om haar kind vraagt. Ten +slotte moest Ninetta bij den sindaco om hulp vragen. En de sindaco +heeft ons bevolen, haar het kind terug te bezorgen. + +"'t Is toch ook Ninetta's kind," zei hij overredend. + +Maar zijn woorden hadden niet veel uitwerking op de mannen van Corvaja. + +"Ninetta is een Geraci," riep Piero en de kring bleef rondom den +karabinier gesloten. + +"Toen we hier kwamen om het kind te halen," zei deze, "konden we het +niet vinden. Marcia was in den rouw, haar kamer was met zwart doek +bekleed, en vele vrouwen zaten bij haar te treuren. Zij toonden ons +het doodattest van het kind. Wij gingen naar Ninetta om haar te zeggen +dat haar kind op het kerkhof lag. + +"Nu goed! Een uur later moest ik hier op de markt op wacht staan. Ik +keek naar de spelende kinderen. Wie was het sterkste en wie riep het +luidst? Was dat niet een der meisjes? "Hoe heet je?" vroeg ik haar. + +"Francesco," antwoordde zij dadelijk. + +"'t Viel mij in dat dit meisje Francesco Ninetta's knaap kon zijn, en +ik wachtte stil, tot ik Francesco in Marcia's huis zag gaan. Ik trad +binnen en zag het meisje Francesco avondbrood eten bij Marcia. Zij +en al de treurende vrouwen begonnen te schreeuwen, toen zij mij +zagen. Toen greep ik signorina Francesco en vluchtte met haar, want +het kind is niet van Marcia. Begrijp het toch, signori! Het is van +Ninetta. Marcia heeft er geen recht op." + +Toen begon Marcia eindelijk te spreken. Zij sprak met een diepe stem, +die de omstanders dwong naar haar te luisteren, en zij maakte slechts +weinige maar edele gebaren. + +"Had zij geen recht op het kind? Maar wie had het dan voedsel en +kleeren gegeven? Het was duizend malen gestorven, indien zij het niet +genomen had. + +"En bovendien, recht! recht! Wat wilde dat zeggen? Degene, die het +kind liefhad, had recht op het kind. Piero en zij hadden den jongen +lief als hun eigen zoon. Zij konden niet van hem scheiden." + +De vrouw was wanhopig, maar misschien de man nog meer. Hij dreigde den +karabinier, zoodra deze zich slechts bewoog. Toch scheen de karabinier +te merken, dat hem de zege zou geworden. + +Men had gelachen toen hij sprak van signorina Francesco. + +"Dood mij, als ge wilt," zei hij tot Piero. "Maar helpt je dat? Zal +je het kind daardoor mogen behouden? Het is niet van jou maar van +Ninetta." + +Piero wendde zich tot donna Micaela. + +"Bid hem, dat hij mij helpt!" Hij wees op het beeld. + +Donna Micaela ging dadelijk naar Marcia. Zij was vol vrees en beefde +voor hetgeen zij waagde, maar nu was het geen tijd zich te onthouden +van inmenging. + +"Marcia," fluisterde zij, "beken! Beken het als je durft." + +De vrouw zag haar ontsteld aan. + +"Ik zie het immers," fluisterde donna Micaela. "Gij zijt zoo gelijk +als twee appels van denzelfden boom.--Maar ik zal niets zeggen, +als je het niet wilt." + +"Hij zal mij dooden," zei Marcia. + +"Ik weet, dat er één is, die niet zal toestaan dat hij u doodt," +zei donna Micaela. "Anders ontneemt men u het kind," vervolgde zij. + +Allen zwegen en keken naar de beide vrouwen. Men zag hoe Marcia +met zich zelf streed. Haar gelaatstrekken vertrokken zich in hevige +ontroering. Toen bewoog zij de lippen. "Het is mijn kind," zei zij, +maar haar stem was zoo diep, dat niemand het hoorde. Zij zei het nog +eens, nu klonk het als een doordringende kreet. + +"Het kind is van mij." + +"Wat zal je mij doen, nu ik het beken?" zei ze tot haar man. "Het +kind is van mij, maar niet van jou. Het werd geboren in het jaar, +dat jij in Messina werkte. Ik bracht het bij La Felucca en daar was +ook het zoontje van Ninetta. Een dag toen ik bij La Felucca kwam, +zei ze: Ninetta's zoontje is dood. Eerst dacht ik slechts: God, +indien het mijn kind was geweest! + +"Maar toen zei ik tot La Felucca: Laat mijn jongen dood zijn, en laat +Ninetta's zoontje leven. Ik gaf La Felucca mijn zilveren kam en zij +deed, gelijk ik wilde. + +"Toen jij thuis kwam van Messina, zei ik tot je: + +"Laten we een kind aannemen. 't Is nooit goed tusschen ons beiden +geweest. Laten we het eens probeeren met een kind." Jij vondt het goed, +en ik nam mijn eigen kind tot mij. En jij kreeg het kind lief en wij +leefden als in een paradijs." + +Reeds vóórdat zij uitgesproken had, zette de karabinier het kind op +den grond. De donkere mannen openden zwijgend hun gelederen voor hem +en hij vervolgde stil zijn weg. + +Maar een rilling voer donna Micaela door de leden, toen ze den +karabinier zag weggaan. Juist nu moest hij gebleven zijn om de +ongelukkige vrouw te beschermen. + +Het was als wilde hij door zijn heengaan zeggen: + +Die vrouw staat buiten de wet. + +De een na den ander ging weg. + +Piero stond roerloos en keek niet op. Maar de beklemming van iets +geweldigs en ontzettends lag op hem; toorn en wanhoop wies in hem +tot toomloozen hartstocht. Zoodra hij en Marcia alleen zouden zijn, +zou er iets ontzettends gebeuren. + +En het vreeselijkste was, dat de vrouw geen enkele poging deed om +haar noodlot te ontgaan. Zij stond onbeweeglijk, verlamd door de +zekerheid, dat haar vonnis geveld was en dat niets dit kon doen +veranderen. Zij smeekte noch vluchtte. Zij kromp ineen als een hond +voor zijn toornigen meester. + +De Siciliaansche vrouwen weten wat haar wacht, wanneer zij de eer +van haar man beleedigd hebben. + +De eenige, die haar trachtte te verdedigen, was donna Micaela.--Nooit +zou zij Marcia gevraagd hebben het te bekennen, zei zij tot Piero, +indien zij geweten had, hoe hij was. Zij had geloofd dat hij een +edele man was. Een edel mensch zou gezegd hebben: "Ge hebt slecht +gehandeld, maar omdat gij uw misdaad bekend hebt voor allen en ge +u aan mijn toorn blootgesteld hebt om uw kind te redden, schenk ik +u vergiffenis. Ge hebt straf genoeg gehad." Een edele man zou het +kind op den eenen arm genomen hebben, en den anderen om zijns vrouws +middel geslagen hebben, en stil naar huis gegaan zijn. Een signor zou +zoo gehandeld hebben. Maar hij was geen signor, hij was een bloedhond. + + + +Zij kon spreken zoo veel zij wilde, de man hoorde haar niet, de vrouw +hoorde haar niet. Het was alsof haar woorden teruggekaatst werden +door een ondoordringbaren muur. + +Het kind ging naar den vader en trachtte zijn hand te grijpen. Hij +keek den knaap toornig aan; nu deze gekleed was in meisjeskleeren en +zijn haar gladgekamd en achter de ooren weggestreken was, zag hij +dadelijk de gelijkenis met Marcia, die hem vroeger nooit getroffen +had. Hij schopte Marcia's zoon van zich weg. + +Een drukkende stemming heerschte er op de markt. De menschen trokken +zich langzaam en stil terug. Velen gingen onwillig en aarzelend, +maar zij gingen toch. Piero scheen slechts te wachten tot de laatste +heengegaan was. + +Donna Micaela had opgehouden te spreken, ze nam stil het Christusbeeld +en legde het in Marcia's armen. + +"Neem hem, zuster Marcia, moge hij u beschermen," zei ze. + +De man zag dit en het scheen zijn toorn te vermeerderen. 't Was +alsof hij niet meer op het oogenblik kon wachten, dat zij alleen +zouden zijn. Hij kromde zijn lichaam gelijk een roofdier, dat zich +gereedmaakt tot een sprong. + +Maar het beeld rustte niet tevergeefs in Marcia's armen. + +De verworpeling bewoog haar tot een handeling van de hoogste liefde. + +Wat zal Christus in het paradijs zeggen tot mij, die eerst mijn man +bedrogen en hem later tot een moordenaar gemaakt heb? dacht zij. En +zij herinnerde zich hoe lief ze dien grooten Piero gehad had in de +gelukkige dagen van haar jeugd. Nooit had zij gedacht zulk een ellende +over hem te brengen. + +"Neen, Piero, neen, dood mij niet!" schreeuwde zij. "Zij zullen je +naar de galeien zenden. Je behoeft mij nooit meer te zien." Zij ijlde +naar de andere zijde van de markt, waar een diepe afgrond gaapte. Men +begreep wat zij wilde doen. Haar gezicht sprak voor haar. + +Verscheidene menschen liepen haar na, maar zij was hun een goed eind +vooruit. Toen gleed het beeld dat zij op de armen droeg op den grond, +juist voor haar voeten. Zij struikelde er over en viel. Daardoor +haalden de anderen haar in. Zij worstelde om los te komen, maar een +paar mannen hielden haar vast. + +"Och, laat mij los! 't Is beter voor hem!" + +Maar nu kwam ook haar man bij haar. Hij droeg haar kind op den arm. Hij +was diep ontroerd. + +"Neen, Marcia, blijf!" zei hij. Hij was verlegen, maar zijn donkere +oogen schitterden van vreugde en spraken duidelijker dan woorden. + +"Misschien moest het zoo zijn naar oud gebruik! Maar daaraan stoor ik +mij niet. Kom! 't Zou zonde zijn van zulk een vrouw, als jij, Marcia." + +Hij legde den arm om Marcia's middel en ging met haar naar zijn huis +in de ruïnen van 't palazzo Corvaja. 't Was alsof een der vroegere +baronnen daar zijn intocht hield. De menschen van Corvaja stonden +aan beide zijden van den weg en bogen voor hem en Marcia. + +Toen ze voorbij donna Micaela gingen, stonden ze stil, bogen diep +voor haar en kusten het beeld, dat ze haar teruggaven. Maar donna +Micaela kuste Marcia. + +"Bid voor mij in je geluk, zuster Marcia," zei ze. + + + + + + +X. + +FALCO FALCONE. + + +Nu hadden de blinde zangers week na week gezongen van Diamante's +spoorweg, en de groote collectebus in San Pasquale's kerk was iederen +avond vol gaven. + +Signor Alfredo mat en bakende den weg af op den Etna en de spinnende +vrouwtjes in de donkere stegen vertelden van de heerlijke wonderen, +die het kleine Christusbeeld in de verachte kerk verrichtte. + +Van de rijke en machtige mannen, die grond bezaten op den Etna, kwam +brief na brief, dat zij land wilden afstaan voor het gezegende plan. + +In de laatste weken waren geschenken van alle kanten +toegestroomd. Eenige menschen gaven steenen voor de stations, +anderen schonken kruit om de lavablokken te doen springen, terwijl +weer anderen eten gaven aan de arbeiders. + +Maar de arme menschen in Corvaja, die niets hadden om te geven, kwamen +'s nachts, als zij hun werk gedaan hadden, met spaden en kruiwagens +en bestegen den Etna, om grond uit te graven en den weg te leggen. + +Zoodat als signor Alfredo en zijn arbeiders 's morgens opkwamen, +zij moesten gelooven, dat de toovenaar van den Etna zich losgerukt +had uit zijn lavastroomen om hen bij hun arbeid te helpen. + +Maar zoolang men aan den spoorweg werkte, had men gevraagd: + +Waar blijft toch de koning van den Etna, Falco Falcone? + +Waar is de machtige Falco, die gedurende vijf en twintig jaar over +den Etna geregeerd heeft? + +Hij schreef aan de weduwe van don Ferrante, dat zij dezen spoorweg +niet moest aanleggen. Wat meende hij met zijn bedreiging? + +Waarom houdt hij zich stil, nu men zijn gebod trotseert? + +Waarom schiet hij de mannen van Corvaja niet neer als ze 's nachts +met spaden en houweelen komen aangeslopen? + +Waarom sleept hij de blinde zangers niet in de steengroeve om hen +te geeselen? Waarom laat hij donna Micaela niet schaken uit het +zomerpaleis om haar op deze wijze te dwingen den aanleg te staken van +dezen spoorweg, die het doel haars levens is geworden? Donna Micaela +zei tot zichzelf: "Heeft Falco Falcone zijn woord vergeten of wacht +hij, tot hij ons het zekerst kan treffen?" + +Terwijl men angstig wachtte, dat Falco den spoorweg zou verwoesten, +sprak men over niets anders dan over hem. + +Vooral de arbeiders, die signor Alfredo volgden. Juist tegenover +den ingang van de kerk San Pasquale staat een klein huis tegen den +naakten rotswand. + +'t Huis is smal en hoog, zoodat het gelijkt op een schoorsteen, die +is blijven staan, nadat het huis is afgebrand. 't Is zoo klein, dat +er geen plaats voor de trappen binnenshuis is, maar die zich buiten +tegen den muur moeten opslingeren. + +Hier en daar hangen balkons en andere uitbouwsels die met niet meer +symmetrie geordend zijn dan de vogelnestjes in een boom. + +In dit huis werd Falco Falcone geboren, zijn ouders waren slechts +arme arbeidslieden. Maar in deze armoedige woning had de hoogmoed +zich ontwikkeld bij Falco. + +Zijn moeder was een ongelukkige vrouw, die in de eerste jaren van +haar huwelijk slechts dochters ter wereld bracht. Haar man en haar +buren verachtten haar. + +Deze vrouw smachtte naar een zoon. Toen zij haar vijfde kind +verwachtte, strooide zij iederen dag zout op den drempel, en wachtte +wie dien het eerst zou betreden. + +Zou er eerst een man of een vrouw komen? Zou zij een zoon of een +dochter baren? + +Iederen dag zat zij te tellen. Ze telde de letters van de maand, +waarin het kind geboren zou worden. Ze telde de letters van den naam +van haar man en van haar zelf. Ze telde de cijfers op en trok ze af, +het bleef een even getal. + +Zij zou dus een zoon baren. + +Den volgenden dag telde zij weer opnieuw. + +"Misschien heb ik mij gisteren vergist," zei ze. + +Toen Falco geboren werd, genoot zijn moeder zooveel eer, dat ze hem +om die reden meer beminde dan haar andere kinderen. Als de vader +binnenkwam om naar het kind te zien, nam hij zijn muts af en boog +diep. Boven de poort van het huis zette hij een hoed tot eereteeken +en men wierp het badwater van het kind over den drempel en liet het +over de straat vloeien. + +Falco lag op den rechterarm van zijn peetmoeder, toen hij naar de kerk +gedragen werd, en als de buurvrouwen naar zijn moeder kwamen kijken, +bogen zij voor het kind, dat in de wieg sluimerde. + +Het was ook grooter en sterker dan kinderen van zijn leeftijd +gewoonlijk zijn. Falco had reeds bij zijn geboorte dik, ruig haar, en +toen hij acht dagen oud was, bezat hij reeds een tand. Maar toen zijn +moeder hem aan de borst legde, was hij zoo wild, dat zij lachend zei: + +"Ik geloof dat ik een held het leven geschonken heb." + +Zij verwachtte altijd iets groots van hem, en daardoor wekte zij den +hoogmoed in hem. Maar wie anders verwachtte iets van hem? Falco kon +niet eens leeren lezen. Zijn moeder trachtte hem de letters te leeren. + +Ze wees op de groote A, dat was een hooge hoed, ze zei dat B een bril +was, en C een slang. Dat kon hij leeren. + +Toen zei zijn moeder: als je den bril en den grooten hoed bij elkaar +legt, zeggen ze Ba. Dat kon hij niet leeren. Hij werd boos en sloeg +haar, en zij liet hem met rust. + +"Uit jou wordt toch nooit iets anders dan een held," zei ze. + +In zijn jeugd was Falco lui en slecht. Als kind wilde hij niet spelen, +als volwassene wilde hij niet dansen, ook had hij geen liefste, +maar hij ging gaarne daarheen, waar hij strijd kon verwachten. + +Falco had twee broers, die waren als andere menschen en veel meer +aanzien genoten dan hij. Falco voelde zich gegriefd, omdat hij +achteruitgezet werd bij zijn broeders, maar hij was te trotsch om +dat te toonen. + +En zijn moeder was altijd aan zijn zijde; toen zijn vader overleden +was, liet zij hem aan het hoofdeind van de tafel zitten en zij stond +niet toe, dat men hem bespotte. + +"Mijn oudste zoon is de voornaamste van u allen," zei ze. + +Toen men aan dit alles dacht, zei men: "Falco is hoogmoedig. Hij zal +het zich tot een eer rekenen om den spoorweg te verwoesten." En toen +men bevreesd was geworden door deze herinnering, moest men denken +aan een andere geschiedenis van hem. + +Gedurende dertig jaar, zegt men, leefde Falco gelijk alle andere arme +menschen op den Etna. 's Maandags ging hij met zijn broeders naar +het land. Hij had brood in den zak, voldoende voor een geheele week, +en gelijk ieder ander kookte hij soep van boonen en rijst. En hij was +blijde als hij 's Zaterdagsavonds huiswaarts keerde. Hij verheugde +zich de tafel met wijn en macaroni gedekt, en zijn bed met zachte +kussens gespreid te vinden. + +Het was op zulk een Zaterdagavond. Falco en zijn broeders gingen naar +huis, Falco zooals gewoonlijk een weinig achter de anderen, met een +zwaren, langzamen gang. Maar zie, toen zijn broeders thuis kwamen, +wachtte hen geen avondmaal, hun bed was niet gespreid en de stof lag +nog op den deurdrempel. + +Hoe, waren allen in huis overleden? + +Toen zagen ze hun moeder in een donkeren hoek van de kamer zitten. Heur +haren hingen wanordelijk over haar gelaat en zij teekende met haar +vinger figuren op den grond. + +"Wat is er gebeurd?" vroegen de broers. Zij keek op, zij sprak alsof +zij tot den grond sprak. + +"Wij zijn tot den bedelstaf gebracht, tot den bedelstaf gebracht." + +"Wil men ons het huis ontnemen?" riepen de broeders. + +"Zij willen ons eer en brood ontnemen." + +Toen vertelde zij: "Je oudste zuster was in dienst bij bakker Gasparo, +en dat was een goede dienst. Signor Gasparo gaf Pepa al het brood, +dat overbleef in den winkel, en dat gaf zij mij. Het was zoo veel, +dat het voor ons allen genoeg was. Ik ben gelukkig geweest, sedert +Pepa dezen dienst had. Nu heb ik een onbezorgden ouden dag, dacht ik. + +"Maar den vorigen Maandag kwam Pepa weenend thuis. + +"Signora Gasparo had haar weggejaagd." + +"Wat had Pepa gedaan?" vroeg Nino, die na Falco de oudste was. + +"Signora Gasparo beschuldigde Pepa brood gestolen te hebben. + +"Ik ging naar signora Gasparo om haar te smeeken Pepa weer in haar +dienst te nemen. + +"Neen," zei ze, "het meisje is niet eerlijk." + +"Pepa heeft het brood gekregen van signor Gasparo," zei ik. "Vraag +het hem slechts." + +"Ik kan het hem niet vragen," zei de signora. "Hij is weg en komt +niet vóór de volgende maand thuis." + +"Signora," zei ik, "we zijn zoo arm! Laat Pepa weer bij u in dienst +komen." + +"Neen," zei ze "ik zelf verlaat signor Gasparo, indien hij Pepa weer +in huis neemt." + +"Neem u in acht," zei ik toen, "ontneemt gij mij het brood, dan +ontneem ik u 't leven." + +"Toen werd ze bang en riep om hulp, zoodat ik moest gaan." + +"Wat is er aan te doen?" zei Nino. "Pepa moet een anderen dienst +zoeken." + +"Nino," zei moeder Zia, "je weet niet wat die vrouw zei van Pepa en +signor Gasparo." + +"Wie kan een vrouw verhinderen te spreken?" zei Nino. + +"Indien Pepa niets anders te doen heeft, dan kon zij ten minste het +avondmaal voor ons bereid hebben," zei Toruddo. + +"Signora Gasparo heeft gezegd, dat haar man Pepa brood liet stelen, +omdat zij hem...." + +"Moeder," viel Nino haar met vuurroode kleur in de rede, "ik ben niet +voornemens mij op de galeien te laten zetten, ter wille van Pepa." + +"De galeien verslinden geen Christenen," zei moeder Zia. + +"Nino," zei toen Pietro, "we gaan naar de stad om ons eten te +verschaffen." + +Toen zij dit zeiden, hoorden zij iemand achter zich lachen. 't +Was Falco. + +Eenige oogenblikken later trad Falco den winkel binnen van signora +Gasparo en verzocht om een brood. De arme vrouw werd bang toen zij +Pepa's broer zag, maar zij dacht: + +"Hij komt pas van het veld, hij is nog niet thuis geweest, hij weet +nog van niets." + +"Bebbo," zei ze, want Falco heette toen nog niet Falco, "gaat het +goed met den wijnbouw?" + +Zij geloofde, dat hij haar geen antwoord zou geven. + +Maar Falco was spraakzamer dan hij gewoonlijk was, en hij vertelde +haar, hoeveel druiven ze onder de pers hadden gedaan. + +"Weet ge," zei hij, "dat onze pachter vermoord is?" + +"Ach ja, de arme signor Riego, ja, dat weet ik." + +En zij vroeg hem hoe het gebeurd was. + +"Salvatore heeft hem vermoord. Maar is het niet te naar voor een +signora om te hooren?" + +"O neen, wat gebeurd is, kan ook verteld worden." + +"Salvatore heeft het zóó gedaan, signora," en Falco nam zijn mes en +legde zijn hand op het hoofd der vrouw. + +"Zóó heeft hij hem de keel doorgesneden van oor tot oor." En +terwijl Falco dit zei, deed hij het. De vrouw had niet eens kunnen +schreeuwen! 't Was meesterlijk gedaan. Falco werd naar de galeien +gezonden, hij bleef daar vijf jaar. + +Toen men dit vertelde wies de angst. + +"Falco is moedig," zei men. "Niets ter wereld kan hem van zijn +voornemen afbrengen." + +Toen herinnerde men zich nog een voorval. + +Falco werd naar de galeien in Augusta gezonden en daar leerde hij +Biagio kennen, die hem later zijn gansche leven volgde. Op een dag +kregen hij, Biagio en nog een der gevangenen het bevel om op het +land te werken. Een der opzichters wilde een tuin rondom zijn huis +aanleggen. Terwijl ze in den grond groeven, zwierven hun blikken over +hun omgeving. Ze waren buiten de gevangenismuren en zagen het dal en +den berg, ze konden zelfs den Etna onderscheiden. + +"Nu is onze tijd gekomen," zei Falco tot Biagio. + +"Ik sterf liever dan dat ik terugga naar de gevangenis," zei Biagio. + +Daarna zeiden ze den derden gevangene dat hij hen moest bijstaan. + +Hij wilde niet, omdat zijn straftijd bijna om was. + +"Dan dooden we je!" dreigden ze hem, toen gaf hij toe. + +Maar de soldaat van de wacht stond met een geladen geweer tegenover +hen. Falco en Biagio sprongen, geboeid als ze waren met de ketenen +aan hun voeten, op hem toe, en zij sloegen hem met hun spade. Voordat +hij er aan had kunnen denken te schieten, was hij gebonden; een prop +in den mond belette hem te schreeuwen. Daarna stieten ze hun ketenen +stuk met hun spade, en vluchtten in de bergen. + +'s Nachts lieten Falco en Biagio den gevangene dien zij meegenomen +hadden, in den steek. Hij was oud en zwak en hinderde hen in hun +vlucht. Den volgenden dag werd hij door de karabiniers gegrepen en +doodgeschoten. + +En men beeft, als men daaraan denkt. Falco is onbarmhartig, zegt +men. Men begrijpt, dat hij den spoorweg niet zal sparen. + +En geschiedenis na geschiedenis doet de ronde om de arme menschen +bang te maken, die aan den spoorweg op den Etna werken. + +Men denkt aan de zestien moorden die Falco Falcone begaan heeft, +en men verhaalt van zijn plunderingen en rooftochten. + +Er is een verhaal, dat de menschen meer dan alle andere verschrikt. + +Toen Falco van de galeien kwam, woonde hij in de bosschen en grotten +op den Etna of in de steengroeve bij Diamante. Spoedig had hij een +groote bende om zich verzameld. Hij werd een groote rooverheld. + +Zijn familie genoot een heel ander aanzien dan vroeger. Zij werden +als machtigen geëerd, zij behoefden nauwelijks te werken, want Falco +had zijn bloedverwanten lief en was zeer mild jegens hen. Maar hij +was niet toegevend, hij was zeer streng. + +Moeder Zia was overleden. Nino was getrouwd en woonde nu in zijn vaders +hut. Toen gebeurde het op een dag, dat Nino geld noodig en hij wist +geen beter middel dan naar den pastoor te gaan, niet naar don Matteo, +maar naar zijn voorganger, den ouden don Giovanni. + +"Uw Hoogeerwaarde," zei Nino tot hem, "mijn broer verzoekt u om vijf +honderd lire." + +"Waar moet ik vijf honderd lire vandaan halen?" zei don Giovanni. + +"Mijn broer heeft ze noodig, dringend noodig," zei Nino. + +Toen beloofde de oude don Giovanni het geld te geven, indien hij +slechts tijd kreeg om het bijeen te brengen. + +Nino wilde hem nauwelijks die voorwaarde inwilligen. + +"Ge kunt toch niet verlangen dat ik vijf honderd lire uit mijn +snuifdoos zal halen," zei don Giovanni. + +En Nino stond hem drie dagen uitstel toe. + +"Maar neem u in dezen tijd voor mijn broer in acht," zei hij. + +Den volgenden dag reed don Giovanni naar Nicolosi om te trachten het +geld te krijgen. + +Wien ontmoette hij onderweg? Was dat niet Falco met zijn bende? + +Don Giovanni wierp zich op de knieën voor Falco. + +"Wat beduidt dit, don Giovanni?" + +"Ik heb nog geen geld voor u, Falco, maar ik zal trachten het te +krijgen. Wees barmhartig jegens mij." + +Falco vroeg wat dit beteekende en don Giovanni vertelde dat Nino bij +hem geweest was. + +"Uw Hoogeerwaarde," zei Falco, "men heeft u willen bedriegen." + +Hij verzocht don Giovanni met hem terug te gaan naar Diamante. + +Toen ze bij het oude huis op de rots kwamen, riep Falco zijn broer +Nino. Deze verscheen op een der balkons. + +"Wel Nino!" zei Falco lachend. "Je hebt den pastoor geld willen +afzetten!" + +"Weet je dat al?" vroeg Nino. "Ik wilde het je juist gaan vertellen." + +Nu werd Falco strenger. + +"Nino," zei hij. "De pastoor is mijn vriend en hij meent nu dat ik +hem had willen plunderen. Je hebt zeer slecht gehandeld." En hij +legde zijn geweer aan en schoot Nino dood. + +Toen hij dit gedaan had, wendde hij zich tot don Giovanni, die van +schrik bijna van zijn ezel viel. + +"Ziet ge nu, uw Hoogeerwaarde, dat ik geen aandeel had in Nino's +aanslag tegen u?" + +En dit geschiedde twintig jaar geleden, toen Falco nog slechts +gedurende vijf jaar roover was geweest. + +"Zal Falco den spoorweg sparen?" vraagt men als men deze geschiedenis +hoort; hij, die niet eens zijn eigen broer spaarde? + +Men herinnert zich nog een ander voorval. + +Na Nino's dood dreigde Falco een vendetta. Nino's vrouw was zoo +verschrikt toen zij haar man dood vond, dat zij aan één zijde verlamd +werd en nooit meer kon loopen. Maar ze nam plaats voor het venster +in de oude hut. Daar heeft ze twintig jaar gezeten met een geweer +naast zich om op Falco te wachten. + +En voor haar is de groote roover bang geweest. In twintig jaar is +hij niet voorbij zijn ouderlijk huis gegaan. + +De vrouw heeft nooit haar post aan het raam verlaten. Nooit ging +iemand naar de kerk van San Pasquale, of hij zag haar wraakzuchtige +oogen achter de ruiten schitteren. + +Heeft iemand haar ooit slapend gezien, heeft iemand haar ooit zien +werken? Zij kon niets anders doen dan wachten op den moordenaar van +haar man. + +Als men dit hoort, groeit de vrees. + +Falco heeft geluk, denkt men. De vrouw, die hem wil dooden, kan +zich niet van haar plaats bewegen. Hij is een gelukskind. 't Zal hem +stellig gelukken den spoorweg te vernielen. Het geluk had Falco nooit +verlaten. De karabiniers hadden hem vervolgd, maar hem nooit kunnen +pakken. Zij hadden Falco meer gevreesd dan hij hen. + +Men herinnert zich ook een geschiedenis van een jongen officier +der karabiniers, die Falco eens vervolgde. Hij had een drijfjacht +georganiseerd en Falco van de eene schuilplaats naar de andere +gejaagd. Eindelijk wist de jonge officier zeker, dat Falco in een +kreupelboschje gevangen was. Het boschje werd omsingeld door zijn +manschappen en de officier liep heen en weer met een geladen geweer +in de hand. Maar hoe hij ook zocht, hij vond Falco niet. + +Toen ontmoette hij een boer. + +"Heb je Falco Falcone ook gezien?" + +"Ja signor, hij ging mij zoo juist voorbij en verzocht me u te +groeten." + +"Diavolo!" + +"Hij zag u heen en weer loopen in het boschje, en hij stond op het +punt u dood te schieten, maar hij heeft dat niet gedaan omdat hij +dacht, dat het misschien uw plicht was hem te vervolgen." + +"Diavolo! Diavolo!" + +"Maar indien ge nog eenmaal tracht...." + +"Diavolo! Diavolo! Diavolo!" + +Denkt ge dat die officier terugkwam? Gelooft ge niet, dat hij naar +een plaats vertrok, waar hij geen roovers behoefde te vervolgen? + +En de arbeiders, die op den Etna werken, vragen: + +Wie zal ons bijstaan tegen Falco? Hij is oppermachtig, zelfs de +soldaten vreezen hem. + +Ze denken er aan, dat Falco Falcone nu een oude man is. Nu plundert hij +geen postwagens, nu berooft hij geen grondbezitters meer. Meesttijds +zit hij rustig in de steengroeve bij Diamante en in plaats van geld en +bezittingen te rooven, neemt hij nu geld en eigendommen in bescherming. + +Hij laat de rijke grondbezitters schatting betalen, opdat hij hun +goederen zal beschermen tegen andere roovers en er heerscht nu +veiligheid en vrede op den Etna, want hij staat niemand toe hen te +schaden, die hem schatting betalen. + +Maar toch groeit de angst. Nu Falco een vriend is geworden der grooten, +kan hij des te gemakkelijker den spoorweg vernielen. + +En ze moeten aan de geschiedenis denken van Nicola Galli, die +opzichter is op het landgoed van den markies de San Stefano. Eens +staakten zijn arbeiders het werk midden in den oogsttijd. Nicola +Galli was wanhopig. Het koren was rijp en hij kon niemand vinden die +het wilde maaien. + +Zijn arbeiders wilden niet werken, ze lagen te slapen in het +gras. Nicola trok naar Catania om zijn heer te raadplegen. Onderweg +ontmoette hij twee mannen met een geweer op den schouder. + +"Waar rijdt ge heen, Nicola?" + +Voordat Nicola nog veel woorden had kunnen zeggen, namen ze zijn ezel +bij de teugels en keerden om. + +"Ge zult niet naar den markies rijden, Nicola, ge gaat weer naar huis." + +Samen keerden zij nu huiswaarts. Nicola zat te beven op zijn ezel. Toen +zij nu op het landgoed gekomen waren, zeiden de mannen: + +"Wijs ons nu de akkers!" En ze gingen naar de arbeiders. "Werken, +jelui lummels! De markies heeft zijn schatting betaald aan Falco +Falcone. Je kunt ergens anders het werk staken, maar hier niet." + +De akker werd gemaaid zooals geen andere. Falcone stond aan den eenen +kant en Biagio aan den anderen. + +En de oogst gaat wonderlijk vlug, als men zulke opzichters heeft. Als +men denkt aan dit voorval, vermindert de angst niet. + +"Falco houdt woord," zegt men. "Hij zal doen, wat hij gedreigd heeft." + +Niemand is gedurende zoo langen tijd rooverhoofdman geweest als +Falco. Al de andere beroemde helden zijn gevallen of gevangen +genomen. Hij alleen is met ongelooflijke behendigheid aan alle +gevaren ontsnapt. + +Langzamerhand heeft Falco zijn geheele familie tot zich getrokken. Zijn +zwagers en neven, allen volgen hem. De meesten van hen zijn naar de +galeien gezonden; toch bekommert geen van hen zich om gevangenisstraf, +ze vragen er slechts naar of Falco tevreden is over hen. + +In de couranten staan Falco's heldendaden dikwijls vermeld. 't Is +bekend dat Engelsche toeristen hun gidsen een biljet van tien lire in +de hand stoppen, als zij hun Falco's steengroeve willen wijzen. Ook +weet men, dat de karabiniers niet meer op hem schieten, omdat hij de +laatste groote roover is. + +Falco is zoo weinig bevreesd dat men hem gevangen zal nemen, dat hij +dikwijls naar Messina en Palermo gaat. Hij is zelfs wel over de straat +van Messina getrokken en in Italië geweest. + +Hij reisde naar Napels, toen Guglielmo en Umberto daar waren om het +pantserschip te doopen. + +Hij trok naar Rome, toen Umberto en Margherita hun zilveren bruiloft +vierden. + +Men denkt er aan en beeft. "Falco is bemind en machtig," zeggen de +arbeiders. "Men aanbidt Falco, hij kan doen wat hij wil." + +Zij weten ook, dat toen Falco de zilveren bruiloft van koningin +Margherita zag, dit feest hem zóó behaagde dat hij zei: + +"Als ik vijf en twintig jaar op den Etna gewoond heb, wil ik mijn +zilveren bruiloft met den Mongibello vieren." + +De menschen hadden daarover gelachen en gezegd dat dit een goede +gedachte was. Want hij had nooit een liefste bezeten, maar de +Mongibello met zijn grotten, wouden, kraters en ijsvelden, had hem +beschermd en gediend als een echtgenoote. + +Aan niemand is Falco zooveel dankbaarheid verschuldigd als aan den +Mongibello. + +En men vraagt, wanneer Falco en de Mongibello hun zilveren bruiloft +zullen vieren, en men rekent na, dat dit in deze lente moet zijn. + +Dan denken de arbeiders: + +Hij zal den spoorweg vernielen op den dag van den Mongibello. En +er heerscht schrik en angst onder hen. Ze wagen het niet verder te +werken aan den spoorweg. Hoe meer de tijd nadert, dat Falco zijn +verbond met den Mongibello zal vieren, hoe meer arbeiders signor +Alfredo verlaten. Spoedig gaat deze zoo goed als alleen aan den arbeid. + + + +Er zijn niet veel menschen in Diamante, die de groote steengroeve op +den Etna ooit gezien hebben. Ze hebben geleerd die te ontvluchten, +omdat Falco Falcone daar woont; ze wachten zich om binnen het bereik +van zijn geweer te komen. + +Ze hebben nooit de groote groeve in den Mongibello gezien, waaruit hun +voorvaderen, de Grieken, in langvervlogen tijden steenen groeven. Zij +hebben nooit de heerlijk van kleuren tintelende wanden aanschouwd en +de machtige rotsblokken, die gelijken op gebroken zuilen. + +Zij weten misschien niet eens, dat op den bodem der steengroeve +schooner bloemen bloeien dan in eenige broeikas. + +Daar is niet Sicilië, daar is Indië. + +In de steengroeve staan mandarijneboomen, zoo geel van vruchten, dat +ze gelijken op reusachtige zonnebloemen. Daar worden de camelia's zoo +groot als tamboerijnen. En tusschen de boomen op den grond liggen +hoopen kostbare koningsvijgen en fluweelen perziken vallen op een +bed van rozeblâren. + +Een avond zit Falco eenzaam in de steengroeve. Hij is bezig een krans +te vlechten en heel veel bloemen liggen voor hem. Hij houdt den voet +op het kluwen touw opdat dit niet weg zal rollen; hij heeft een bril +op, maar die glijdt onophoudelijk van zijn krommen neus. + +Falco vloekt geweldig, want zijn handen zijn stijf en vol eelt door +het voortdurend afschieten van het geweer, en het valt hem moeilijk +de bloemen vast te houden. + +Zijn vingers sluiten met een ijzeren greep om haar teere stengels. + +Falco zegt vloekend, dat de leliën en anemonen verwelken, zoodra hij +er slechts naar kijkt. + +Falco is in zijn lederen broek en in zijn langen, toegeknoopten mantel +zoo omgeven van bloemen als een heilige op een feestdag. Biagio +en zijn neef Passafiore hebben die voor hem geplukt. Zij hebben +een geheelen Etna van de mooiste bloemen der steengroeve voor hem +opgestapeld. Falco kan kiezen tusschen leliën en cactusbloemen, +rozen en pelargonea's. En hij dreigt de bloemen, dat hij ze tot stof +zal vertrappen onder zijn sandalen, indien zij zich niet naar zijn wil +willen voegen. + +Nooit tevoren heeft Falco Falcone zich bekommerd om bloemen. Zoolang +hij leeft, heeft hij nog nooit een bouquet voor een meisje gebonden +of een roos geplukt om in zijn knoopsgat te steken. Hij heeft niet +eens een krans gelegd op het graf van zijn moeder. + +Daarom komen de teere bloemen in opstand tegen hem. In zijn haar en +op zijn hoed hechten zich bloemranken vast, en een bloemblad hangt +in zijn ruigen baard. Hij schudt heftig het hoofd en het litteeken +op zijn wang gloeit, zooals in vroeger dagen, toen hij tegen de +karabiniers streed. Toch wordt de krans steeds grooter, en kronkelt +als een slang om Falco's voeten en beenen. + +Falco vloekt alsof het de ijzeren boeien waren, die eens vastgeklonken +werden aan zijn voeten. + +En hij klaagt luider als hij zich prikt aan een doorn, of brandt aan +een netel, dan hij gedaan heeft, toen de zweep van den opzichter der +galeien zijn rug geeselde. + +Biagio en Passafiore, zijn neef, wagen het niet zich te vertoonen. Ze +liggen verborgen in een grot, tot alles gereed is. Ze lachen luidkeels, +want zooveel jammerklachten als Falco nu uit, hebben niet in de +steengroeve weerklonken, sedert ongelukkige krijgsgevangenen daar +aan den arbeid waren. + +Maar Biagio ziet op naar den grooten Etna, die gloeit in den +zonsondergang. + +"Zie eens naar den Mongibello," zegt hij tegen Passafiore, "zie +eens hoe hij bloost, zeker begrijpt hij, waarmee Falco bezig is in +de steengroeve." + +En Passafiore antwoordt: "De Mongibello heeft zeker nooit anders +gedacht dan sneeuw en asch op zijn kruin te krijgen." Maar plotseling +houdt Biagio op met lachen. + +"Dat gaat nooit goed, Passafiore," zegt hij, "Falco wordt al te +hoogmoedig. Ik vrees dat de groote Mongibello den spot met hem zal +drijven." + +De twee bandieten zien elkaar uitvorschend aan. + +"Ware het slechts hoogmoed," zegt Passafiore. + +Maar nu wenden zij gelijktijdig hun oogen af en wagen het niet iets +meer te zeggen. Dezelfde gedachte, dezelfde vrees heeft zich van +hen meester gemaakt. Falco staat op het punt krankzinnig te worden, +soms is hij reeds uren lang waanzinnig. + +Zoo gaat het met de groote rooverhelden, ze kunnen hun eer en grootheid +niet dragen, ze worden allen waanzinnig. + +Passafiore en Biagio hadden het reeds lang gezien, maar ze hadden +beiden gezwegen en elk had gehoopt, dat de andere niets zou merken. Nu +begrijpen ze, dat ze beiden het weten. Ze drukken elkaar de hand +zonder een woord te spreken. Nog heeft Falco zooveel groots. + +Zij beiden, Passafiore en Biagio, zullen waken dat niemand merkt, +dat Falco niet meer dezelfde is, die hij was. + +Eindelijk is Falco's krans klaar, hij hangt dien aan zijn geweer en +gaat naar de beide anderen. Alle drie treden nu uit de steengroeve +en nemen in de naastbijzijnde boerderij paarden, om zoo vlug mogelijk +op den top van den Mongibello te komen. + +Zij rijden in gestrekten draf, zoodat ze geen gelegenheid hebben met +elkaar te spreken, maar als ze voorbij de landhoeve rijden, kunnen +ze zien, hoe het volk danst op de platte daken. En uit de grotten +waar de landarbeiders hun nachtkwartier hebben opgeslagen, hooren ze +gepraat en gelach. Daar zitten vroolijke, vreedzame menschen raadsels +op te lossen en spotversjes te dichten. Maar Falco vliegt verder, +zoo iets is niet voor hem. Falco is een groot man. + +Ze stijgen al hooger. Eerst rijden ze onder amandelboomen en cactussen, +dan onder platanen en beuken, en later onder eiken en kastanjes. + +Maar de nacht is donker. Zij zien niets van Mongibello's +heerlijkheid. Zij zien niet den met wijnloof omkransten Monte Rossoze, +zien niet de tweehonderd kraters, die in een kring rondom de kruin van +den Etna staan als torens rondom een stad, ze zien niet de heerlijke +dichte wouden. + +In Casa del Bosca, waar de weg ophoudt, stijgen ze van hun +paarden. Biagio en Passafiore nemen den krans tusschen hen +beiden. Terwijl zij verder gaan, begint Falco te spreken. Sedert hij +oud is, spreekt hij gaarne. + +Falco zegt dat de berg gelijk is aan de vijf en twintig jaren, die +hij daarop doorgebracht heeft. Heldendaden waren rondom hem opgebloeid +gedurende de eerste jaren van zijn grootheid: met hem te leven in dien +tijd was gelijk te wandelen onder een eindelooze pergola, waarboven +citroenen en druiven hangen. Toen waren zijn heldendaden overvloedig +geweest als oranjes, die rondom den voet van den Etna groeien. Hij was +hooger gestegen en zijn daden waren minder in aantal geworden, maar +die hij verricht had, waren machtig als de eike- en kastanjeboomen op +den stijgenden berg. Nu hij op het hoogste punt van zijn grootheid +stond, verachtte hij de daad. Zijn leven was kaal als de bergtop, +hij vergenoegde zich met de wereld aan zijn voeten te zien. Maar men +moest weten, dat indien hij iets ondernam, niets hem weerstaan kon. + +Hij was vreeselijk als de vuurspuwende berg. + +Falco gaat sprekend vooruit, Passafiore en Biagio volgen hem in stille +ontzetting. Heel vaag zien ze den machtigen Mongibello met zijn steden, +velden en wouden zich uitbreiden onder hun voeten. + +En Falco meent even ontzagwekkend te zijn als deze reus. + +Hoe hooger zij stijgen, hoe meer ze bevangen worden door een stijgende +ontzetting. + +De gapende kloven, de zwaveldamp uit de kraters, te zwaar om dadelijk +in de lucht op te stijgen, het onderaardsche gerommel in den berg, de +voortdurend opstijgende aschwolken, de gladde, hobbelige ijsvelden, +doorsneden van bruisende beken, de bijtende koude, de verstijvende +wind, dit alles maakt den tocht huiveringwekkend. + +--En Falco zegt dat deze berg gelijkt op zijn leven. Hoe ziet het er +dan uit in zijn ziel? Heerscht daarin een kilheid en grauwen gelijk +aan die van den Etna? + +Ze struikelen over stukken ijs, ze worstelen zich door sneeuwhoopen, +die hier en daar een meter hoog liggen. De bergwind tracht hen +omver te blazen. Ze moeten door moerassen en beken waden, want den +vorigen dag heeft de zon veel sneeuw gesmolten. En ter zelfder tijd, +dat ze verstijven van koude, trilt de bodem onder hen van het eeuwige +vuur. Ze herinneren zich, dat Luciferno en alle verdoemden daar beneden +liggen. Zij rillen omdat Falco hen naar de poort der hel gevoerd heeft. + +Maar toch laten ze de ijsvelden achter zich en bereiken den steilen +aschkegel op den top van den berg, en ze kruipen door glijdende asch +en puimsteen. Als zij halverwegen gekomen zijn, neemt Falco den krans +en wenkt de anderen te wachten. Hij wil alleen de hoogte bestijgen. + +Het begint op hetzelfde oogenblik te lichten, en als Falco de hoogte +bereikt heeft, breekt de zon door. + +De Mongibello en de oude Etnaroover op zijn top worden omstraald door +het heerlijke morgenlicht. + +Maar de schaduw van den Etna valt over geheel Sicilië, en het is alsof +Falco, die daar boven op de bergkruin staat, van zee tot zee reikt, +dwars over het gansche eiland. + +Falco ziet om zich heen. Hij ziet de kusten van Italië, hij meent +Napels en Rome te onderscheiden. Hij laat zijn blikken over zee dwalen +naar het land der Turken in het Oosten en naar het land der Saracenen +in het Zuiden. + +Hij heeft een gevoel alsof de geheele wereld aan zijn voeten ligt en +zijne grootheid erkent. + +Falco legt den krans op Mongibello's top. + +Als hij terugkomt bij zijn kameraden, drukt hij hun zwijgend de hand, +en als hij van den aschkegel daalt, zien ze dat hij een puimsteen +opneemt en in zijn zak doet. + +Falco neemt een herinnering mee aan de schoonste ure van zijn +leven. Zoo groot als daar op Mongibello's top heeft hij zich nooit +tevoren gevoeld. + +Maar op dezen feestdag wil Falco niet werken. + +Den volgenden dag, zegt hij, zal hij aan den arbeid beginnen om den +Mongibello te bevrijden van den spoorweg. + + + +Er ligt een eenzame landhoeve op den weg van Paterno naar Aderno. Die +is vrij groot, de eigenares daarvan is een weduwe, donna Silvia, +die vele sterke zonen heeft. Dat zijn moedige menschen, die het wagen +eenzaam te wonen. + +'t Is de dag, nadat Falco den Etna bekranst heeft. Donna Silvia zit +voor haar huis te spinnen. Zij is alleen, niemand anders is op de +hoeve. Een bedelaar sluipt zacht door de tuinpoort. + +Hij is een oude man met een langen, krommen neus, die over de bovenlip +hangt, een borsteligen baard en doffe roodgerande oogen. Hij heeft de +leelijkste oogen, die men zich voorstellen kan, het wit daarin gaat +over in geel, en hij ziet daarenboven scheel. De bedelaar is lang +en zeer mager, en wanneer hij loopt, beweegt hij zijn lichaam zoo, +dat men meent dat hij heen en weert slingert. + +Hij loopt zoo zacht, dat donna Silvia hem niet hoort. Ze bemerkt hem +eerst, wanneer zijn schaduw zich als een slang voor haar uit kronkelt. + +Ze ziet op van haar werk, als zij die schaduw bemerkt. De bedelaar +buigt voor haar en verzoekt om een maal macaroni. + +"De macaroni staat op het vuur," zegt donna Silvia. "Ga zitten en +wacht een oogenblik, dan zult ge uw lievelingsgerecht hebben." + +De bedelaar neemt plaats naast donna Silvia en ze beginnen te +spreken. Spoedig is Falco Falcone het onderwerp van hun gesprek. + +"Is het waar, dat ge uwe zonen laat werken aan donna Micaela's +spoorweg?" vraagt de bedelaar. + +Donna Silvia klemt de lippen op elkaar en knikt toestemmend. + +"Gij zijt een moedige vrouw, donna Silvia. Falco zou zich op u +kunnen wreken." + +"Laat hij zich dan wreken," zegt donna Silvia. "Maar ik wil den +man niet gehoorzamen, die mijn vader gedood heeft. Falco heeft hem +gedwongen te vluchten uit de gevangenis in Augusta, toen werd mijn +vader door de karabiniers gegrepen en doodgeschoten." + +Nadat ze dit gezegd heeft, staat ze op om de macaroni te halen. Terwijl +zij in de keuken bezig is, ziet ze door het raam naar den bedelaar, +die op de bank zit heen en weer te wiegelen. Hij zit geen oogenblik +stil. En voor hem uit slingert zijn schaduw, lenig en beweeglijk als +een slang. + +Donna Silvia herinnert zich plotseling, wat zij Catherina, die getrouwd +is geweest met Nino, eens heeft hooren zeggen. Men vroeg haar, hoe +zij Falco na twintig jaar zou herkennen. + +"Zou ik den man met de slangeschaduw niet herkennen?" had zij +geantwoord. "Die verliest hij niet, zoolang hij leeft." + +Donna Silvia drukt de hand tegen het hart. Daar buiten voor haar huis +zit Falco Falcone. Hij is gekomen om zich te wreken, omdat haar zonen +aan den spoorweg werken. Zal hij haar huis in brand steken of zal +hij haar vermoorden? Donna Silvia trilt over haar geheele lichaam, +als zij de macaroni op den schotel doet. + +Maar Falco begint de tijd lang te vallen, terwijl hij zit te +wachten. Een kleine hond komt naar hem toe en drukt zich tegen hem +aan. Falco zoekt in zijn zak naar brood, maar hij vindt slechts een +steen, dien hij den hond toewerpt. + +De hond haalt den steen en brengt dien naar Falco terug. Falco werpt +dien nog eens weg. De hond haalt dien opnieuw, maar nu springt hij +er mee weg. + +Falco herinnert zich plotseling, dat dit de steen is, dien hij van +den tocht op den Mongibello meenam, en hij loopt den hond na om den +steen terug te halen. Hij fluit den hond en deze komt dadelijk. + +"Geef hier den steen." + +De hond houdt zijn kop op zij en wil den steen niet teruggeven. "Geef +hier den steen, canaille!" + +De hond sluit den bek, hij heeft immers geen steen. + +"Laat eens zien, laat eens zien!" roept Falco. Hij buigt den kop van +den hond achterover en dwingt hem den bek te openen. De steen ligt +achter zijn kiezen en Falco tracht hem er uit te halen. De hond bijt +hem zoo, dat het bloed uit de wonde stroomt. + +Falco wordt bang, hij gaat naar binnen en zegt tot donna Silvia: +"Uw hond is toch wel gezond?" + +"Mijn hond, ik heb geen hond, die is dood." + +"Maar die hond dan, die daarbuiten loopt?" + +"Ik weet niet welken hond ge meent," zegt ze. + +Falco zegt niets meer; ook doet hij donna Silvia geen kwaad. Hij gaat +stil weg, hij is bang. Hij gelooft, dat de hond dol is en dat hij nu +zelf watervrees zal krijgen. + + + +Op een avond zit donna Micaela alleen in de muziekzaal. Ze heeft +het licht uitgedaan en de balkondeuren geopend. Zij houdt er van 's +avonds en 's nachts naar het straatrumoer te luisteren. Dan zwijgt het +gehamer der timmerlieden en 't geschreeuw der uitroepers, dan klinkt +er slechts gezang, gelach, gefluister en het neuriën der mandolines. + +Plotseling ziet ze een donkere hand op het balkonhek. Na de hand komt +er een arm en een hoofd te voorschijn en een oogenblik later springt +een geheel mensch op het balkon. + +Zij kan hem duidelijk onderscheiden, want de straatlantaarns branden +nog. + +'t Is een kleine breedgeschouderde man met forschen baard. Hij is als +herder gekleed, met leeren sandalen, slappen hoed en een parapluie, +op zijn rug vastgebonden. + +Zoodra hij op zijn voeten staat, neemt hij een geweer uit zijn gordel, +en treedt daarmee de kamer binnen. + +Ze zit doodstil zonder eenig teeken van leven te geven, ze heeft geen +tijd om om hulp te roepen, noch om te vluchten. + +Zij hoopt, dat de man zal nemen, wat hij begeert en dan weg zal gaan, +zonder haar op te merken, die achter in de donkere kamer zit. + +De man zet zijn geweer op den grond en zij hoort hoe hij een lucifer +aansteekt. Zij sluit de oogen, dan zal hij gelooven, dat zij slaapt. + +Zoodra de roover licht gemaakt heeft, ontdekt hij haar. Hij hoest om +haar te wekken. Daar zij onbeweeglijk blijft zitten, sluipt hij naar +haar toe en raakt voorzichtig haar arm aan. + +"Raak mij niet aan, raak mij niet aan!" gilt zij doodelijk beangst. + +De man trekt zich haastig terug. + +"Lieve donna Micaela, ik wilde u slechts wekken." + +Zij zit te rillen van angst en hij hoort hoe zij snikt. + +"Lieve signora, lieve signora!" zegt hij. + +"Steek licht op, dat ik kan zien wie ge zijt!" roept zij. + +Hij steekt een nieuwen lucifer aan en neemt behendig als een +kamerdienaar het glas en den ballon van de lamp. Daarna keert hij terug +naar de deur, zoover mogelijk van haar verwijderd, maar als hij merkt, +dat haar angst niet vermindert, gaat hij met zijn geweer op het balkon. + +"Nu kan de signora toch niet meer bang zijn." + +Maar daar zij niet ophoudt met schreien, zegt hij: + +"Signora, ik ben Passafiore. Ik breng u een boodschap van Falco. Hij +wil uw spoorweg niet meer vernielen." + +"Zijt gij gekomen om mij te bespotten?" zegt zij. + +Somber antwoordt de man haar: + +"Ware het slechts scherts. Mijn God, indien Falco slechts was, die +hij geweest is." + +Hij verhaalt haar nu hoe Falco den Mongibello bestegen en een krans +gelegd heeft op diens top. Maar dit scheen den berg mishaagd te hebben, +want nu had hij Falco ter aarde geworpen. Een klein puimsteentje was +voldoende geweest om den gevreesden rooverhoofdman te vellen. + +"Nu is het gedaan met Falco," zegt Passafiore. "Hij loopt rusteloos op +en neer in de steengroeve en wacht slechts op zijn ziekte. Sinds acht +dagen heeft hij noch geslapen, noch gegeten. Hij is niet ziek, maar de +wonde aan zijn hand geneest niet. Hij gelooft, dat hij vergiftigd is." + +"Spoedig zal ik een dolle hond zijn," zegt hij. Geen wijn of spijs +ter wereld kan hem verlokken iets te gebruiken. Hij verheugt zich +niet eens, wanneer ik zijn heldendaden prijs. + +"Wat geeft het," zegt hij. "Ik eindig mijn leven als een dolle hond." + +Donna Micaela ziet Passafiore scherp aan. + +"Wat wenscht ge, dat ik doen zal? 't Is toch niet je wensch, dat ik +in de steengroeve zal gaan naar Falco Falcone?" + +Passafiore slaat zijn oogen neer en durft niet antwoorden. + +Zij vertelt hem, wat Falco haar heeft doen lijden. Hij heeft al de +arbeiders van haar spoorweg door schrik verjaagd. Hij heeft zich +verzet tegen haar liefste wenschen. + +Plotseling valt Passafiore op de knieën. Hij waagt het niet een +schrede dichterbij te komen, maar hij knielt voor haar. + +Hij smeekt haar te begrijpen wat op het spel staat. Zij weet niet, +zij kan niet begrijpen, wie Falco is. + +Falco is een groot man. Reeds toen Passafiore nog een klein kind was, +heeft hij van hem hooren spreken. Zijn gansche leven heeft hij verlangd +in de steengroeve bij Falco te leven. Al zijn neven waren bij hem, +zijn geheele familie was bij hem. Maar de pastoor had zich voorgenomen, +dat Passafiore niet naar Falco zou gaan, en liet hem tot kleermaker +opleiden, denk eens aan, tot kleermaker! De pastoor sprak met hem, en +zei, dat het zulk een vreeselijke zonde was te leven zooals Falco. En +Passafiore had terwille van don Matteo lange jaren tegen zijn begeerte +gestreden. Eindelijk had hij ze niet langer kunnen weerstaan, maar +was stil naar de steengroeve gegaan. En hij was niet meer dan een +jaar bij Falco geweest en nu was deze geheel veranderd. 't Is alsof +de zon aan den hemel gedoofd is, zijn geheele leven is nu verwoest. + +Passafiore kijkt naar donna Micaela; hij ziet, dat zij naar hem +luistert en hem begrijpt. + +Hij brengt donna Micaela in herinnering, dat zij een jettatore en een +echtbreekster geholpen heeft. Waarom wilde zij dan hard zijn jegens +een roover? + +Het Christusbeeld in San Pasquale geeft haar immers alles wat +zij wenscht. Hij was er van overtuigd, dat zij het Christusbeeld +gebeden had, haar spoorweg te beschermen tegen Falco. En het had door +Mongibello's puimsteen Falco's kracht gebroken. + +Maar nu wilde zij niet barmhartig zijn en hem helpen, dat Falco zijn +gezondheid terug zou krijgen en weer tot een eer voor het vaderland +zou worden, zooals hij vroeger geweest was. + +Het gelukte Passafiore donna Micaela te ontroeren. + +Plotseling begreep zij hoe de oude roover in de steengroeve moest +lijden. Zij ziet hem wachten op den waanzin. Zij denkt er aan hoe +trotsch hij geweest is en hoe gebroken en vernietigd hij nu is. Neen, +neen, geen mensch mag zoo lijden, dat is te veel, te veel. + +"Passafiore," barst zij uit, "zeg, wat je wenscht. Ik zal doen, +wat ik kan. Nu ben ik niet bang meer. Neen, nu ben ik volstrekt niet +bang meer." + +"Donna Micaela, wij hebben Falco gesmeekt, dat hij naar het +Christusbeeld zou gaan en om genade bidden. Maar Falco wil niet +gelooven aan het beeld. Hij wil niets anders doen dan wachten op +zijn ondergang. Maar heden, toen ik hem smeekte te gaan, zei hij: +"Je weet wie op mij zit te wachten in het oude huis tegenover de +kerk. Ga naar haar om te vragen of zij mij verlof wil geven dat +ik voorbij haar naar de kerk mag gaan. Geeft zij haar toestemming, +dan zal ik aan het beeld gelooven en hem bidden om redding." + +"Nu?" vroeg donna Micaela. + +"Ik ben bij de oude Catherina geweest en zij heeft haar toestemming +gegeven. Hij mag in de kerk gaan, zonder dat ik hem dood," zei zij. + +Passafiore wringt zijn handen in wanhoop. + +"Donna Micaela, Falco is zeer ziek, niet alleen door den beet van +den hond, maar hij was reeds lang ziek." + +Passafiore voert een zwaren strijd met zich zelf vóórdat hij het +zeggen kan. Eindelijk bekent hij dat, hoewel Falco een zeer groot +man is, hij soms aanvallen van waanzin heeft. + +Falco had niet alleen gesproken van de oude Catherina, maar hij had +gezegd: "Indien Catherina mij wil toestaan naar de kerk te gaan en +donna Micaela Alagona in de steengroeve komt en mij de hand reikt om +mij naar de kerk te voeren, dan zal ik voor het beeld bidden." + +En men heeft hem niet kunnen afbrengen van dit besluit. + +Donna Micaela, de heiligste en heerlijkste der vrouwen, moest tot +hem komen, anders wilde hij niet gaan. + +Toen Passafiore uitgesproken had, hield hij zijn hoofd gebogen, +hij waagt het niet op te zien. + +Maar donna Micaela aarzelt geen oogenblik, nu er sprake is van het +Christusbeeld. Zij schijnt er niet aan te denken dat Falco reeds +waanzinnig is. Zij zegt geen woord van haar angst. Haar vertrouwen in +het beeld is zóó groot, dat zij, als een onderworpen, gehoorzaam kind, +stil antwoordt: + +"Passafiore, ik zal je volgen." + +En zij volgt hem als in slaap. Geen oogenblik aarzelt ze om hem naar +den Etna te volgen. Ze aarzelt niet de steile berghelling naar de +steengroeve te beklimmen. + +Doodsbleek, maar met heerlijk glanzende oogen gaat ze naar den +ouden roover in zijn grot en reikt hem de hand. En hij rijst op, +even bleek als zij, en volgt haar. 't Is alsof zij geen menschen maar +geestverschijningen zijn. Doodstil schrijden zij naar hun doel. Hun +eigen ik is dood, een machtiger geest leidt hen. + +Reeds den volgenden dag schijnt het donna Micaela een sage, dat zij +zoo iets gedaan heeft. Zij is heilig overtuigd, dat niet haar eigen +barmhartigheid, erbarmen of liefde haar bewogen heeft midden in den +nacht naar het roovershol te gaan, maar dat een vreemde macht haar +geleid heeft. + +Terwijl donna Micaela in de steengroeve is, zit de oude Catherina +voor het raam op Falco Falcone te wachten. Zij heeft haar toestemming +gegeven, bijna zonder dat men haar daarom heeft behoeven te vragen. + +"Hij mag vrij in de kerk gaan," zegt ze. "Ik heb twintig jaar op hem +gewacht, maar hij zal vrij in de kerk mogen gaan." + +Spoedig verschijnt Falco met donna Micaela hand in hand. + +Passafiore en Biagio volgen. Falco loopt gebogen, men ziet dat hij +oud en zwak is. Hij gaat alleen in de kerk, de anderen wachten buiten. + +De oude Catherina heeft hem zeer duidelijk gezien, maar ze heeft geen +beweging gemaakt. Zoolang Falco in de kerk is, blijft ze roerloos +zitten. + +Haar nicht, die bij haar woont, gelooft, dat zij God dankt, omdat +zij haar wraaklust heeft kunnen overwinnen. + +Eindelijk verzoekt Catherina haar een raam te openen. + +"Ik wil zien of hij nog de slangeschaduw heeft!" zegt zij. + +Maar ze is mild en vriendelijk. + +"Neem het geweer weg als je wilt," zegt ze. En haar nicht legt het +geweer aan den anderen kant van de tafel. + +Eindelijk komt Falco uit de kerk. De maneschijn verlicht zijn gelaat +en Catherina ziet, dat hij niet meer de Falco van vroeger is. De +uitdagende trots en hoogmoed is nu van zijn gezicht geweken. Hij is +gebroken en vernietigd! + +Bijna wekt hij haar medelijden op. + +"Hij helpt mij," zegt hij luid tot Passafiore en Biagio. "Hij heeft +beloofd mij bij te staan." + +De roovers wilden gaan, maar Falco is zoo gelukkig dat hij eerst met +hen over zijn geluk wil spreken. + +"Ik gevoel geen gesuis meer in mijn hoofd, geen onrust meer, neen, +niets meer. Hij helpt mij." + +De kameraden nemen hem bij de hand om hem weg te voeren. Falco doet +een paar schreden, maar blijft dan opnieuw staan. Hij richt zich +op en beweegt zijn lichaam, zoodat zijn slangeschaduw heen en weer +slingert over den weg. + +"Ik zal volkomen genezen, volkomen genezen," zegt hij verheugd. + +Passafiore en Biagio willen hem meetrekken, maar 't is reeds te laat. + +Catherina heeft de slangeschaduw gezien. Zij kan zich niet meer +beheerschen, maar werpt zich over de tafel om het geweer te grijpen +en schiet het af. Falco stort getroffen ter aarde. + +Ze heeft het niet willen doen, maar nu zij hem ziet, is het haar +onmogelijk hem te laten gaan. Gedurende twintig jaar heeft zij de +wraakzucht in zich gevoed. + +Nu beheerscht die haar volkomen. + +"Catherina, Catherina," gilt haar nicht. + +"Hij verzocht mij slechts vrij in de kerk te mogen gaan," antwoordt +zij. + +De oude Biagio legt Falco's lijk terecht en zegt somber: + +"Hij zou volkomen genezen, volkomen genezen." + + + + + + +XI. + +OVERWINNINGEN. + + +In lang vervlogen dagen woonde de groote wijsgeer Empedokles op +Sicilië. Hij was de schoonste en meest volkomen mensch, zoo heerlijk +en wijs, dat men geloofde, dat hij een tot mensch geworden god was. + +Empedokles bezat een landgoed op den Etna; een avond gaf hij een +feest aan zijne vrienden. Op het feest sprak hij zulke wijze woorden, +dat zijn gasten riepen: + +"Gij zijt een god, Empedokles, gij zijt een god!" + +Toen de feestgenooten vertrokken waren, dacht Empedokles: + +"Ik heb het hoogste bereikt, dat men op aarde kan begeeren. Nu moet +ik sterven, voordat tegenspoed of zwakheid mij terneerdrukt." + +En hij steeg op tot den top van den Etna en wierp zich in den +brandenden krater. + +"Als niemand mijn lijk vindt," dacht hij, "zal men denken, dat ik +levend onder de goden opgenomen ben." + +Maar den volgenden dag zochten zijn vrienden hem in de villa en op +den ganschen berg. Zij kwamen ook bij den krater en daar vonden ze +Empedokles' schoenen. En zij begrepen, dat Empedokles den dood in +den krater gezocht had om gerekend te worden tot de onsterflijken. + +En dat zou hem gelukt zijn, indien de berg zijn schoenen niet had +opgeworpen. + +Toch werd juist door deze sage Empedokles' naam nooit vergeten, +en velen zochten naar de plaats, waar zijn villa eens gestaan heeft. + +Geschiedschrijvers en schatgravers hadden er naar gezocht, want de +villa van den wijsgeer was natuurlijk vol van de heerlijkste marmeren +en bronzen beelden en mozaïekwerk. + +Donna Micaela's vader, cavaliere Palmeri, had zich vast voorgenomen, +dat hij het probleem van de villa zou oplossen. Iederen morgen +reed hij op zijn ponny Dominico weg om de villa te zoeken. Hij was +toegerust als een geschiedvorscher met een schraapijzer in den gordel, +een spade op zij en een grooten ransel op den rug. + +Iederen avond als cavaliere Palmeri thuis kwam, vertelde hij donna +Micaela van Dominico. + +Gedurende deze jaren, dat ze samen op den Etna gezocht hadden, had +Dominico zich tot een archeoloog ontwikkeld. + +Dominico week af van den weg, zoodra hij een ruïne ontdekte. Hij +stampte op den grond, wanneer hij meende, dat men opgravingen moest +doen. Hij hinnikte verachtelijk en wendde den kop af, wanneer men +hem een nagemaakte oude munt vertoonde. + +Donna Micaela hoorde met veel geduld en belangstelling naar haar +vaders verhalen. Zij was overtuigd dat, wanneer de villa eindelijk +gevonden werd, Dominico de eer zou krijgen van de ontdekking. + +Maar cavaliere Palmeri vroeg zijn dochter nooit naar haar +onderneming. Nooit toonde hij eenige belangstelling voor haar +spoorweg. 't Was bijna, alsof hij niet eens wist waarvoor zij +werkte. Dat was trouwens zoo vreemd niet, hij toonde nooit eenige +belangstelling voor zijn dochter. + +Eens, toen ze 's middags aan den maaltijd zaten, begon donna Micaela +plotseling over den spoorweg te spreken. + +Ze had een paar heerlijke overwinningen behaald, zei ze. Eindelijk +had zij overwonnen. + +Hij moest hooren welke nieuwtjes zij heden had. Het zou geen +stoomtram worden tusschen Catania en Diamante, zooals zij eerst +gedacht had. Neen, het zou een spoorweg rondom den Etna worden. + +Door Falco's dood had zij niet alleen een machtigen vijand minder, maar +nu geloofde het volk ook, dat de groote Mongibello en alle heiligen aan +haar zijde stonden. Daarom was er een beweging onder het volk ontstaan +om geld te verzamelen voor den spoorweg. In alle Etnasteden waren +bijdragen daarvoor geteekend. Er was reeds een maatschappij gevormd. + +Heden was de concessie gekomen. Morgen zou men in ernst met den +arbeid aanvangen. + +Donna Micaela was opgewonden, zij kon niet eten. Haar hart zwol van +geluk en dankbaarheid. Ze kon niet laten te spreken over de machtige +vervoering, die het volk aangegrepen had. Zij sprak met tranen in de +oogen van het Christuskind in San Pasquale. + +'t Was roerend te zien, hoe haar gelaat straalde van hoop. 't Was +alsof zij, behalve het geluk waarover zij sprak, nog een heele +wereld van gelukzaligheid te wachten had. Dezen avond voelde ze, +dat een wijze voorzienigheid haar lot bestierde. Zij begreep, dat +Gaetano's gevangenneming Gods werk was om hem terug te voeren tot +zijn oud geloof. Hij zou bevrijd worden door de wonderen van het +kleine beeld en dit zou hem bekeeren, zoodat hij weer een geloovige +als vroeger zou worden. En zij zou hem toebehooren! + +O, God was goed. + +Terwijl deze groote gelukzaligheid haar vervulde, zat haar vader koel +en onbewogen tegenover haar. + +"Dat is heel merkwaardig," zei hij slechts. + +"Ge gaat toch zeker morgen mee naar het feest?" + +"Ik weet het nog niet, ik moet naar mijn uitgravingen." + +Donna Micaela begon haar brood heftig te verkruimelen. Ze begon haar +geduld te verliezen. Hij had geen deel genomen in haar zorgen, maar +in haar vreugde moest hij deelen. Hij moest deelen in haar vreugde! + +En plotseling braken de ketenen van onderdanigheid en vrees, die haar +gebonden hadden, sedert haar vaders gevangenistijd. + +"Gij, die zooveel tochten op den Etna maakt," zei zij met een zeer +vriendelijke stem, "gij zijt zeker ook wel eens in Gela geweest?" + +De cavaliere keek op en scheen in zijn geheugen te zoeken: + +"Gela, Gela!" + +"Gela is een dorp van ongeveer honderd huizen, dat aan de Zuidzijde +van den Monte-Chiaro ligt, aan den voet van den berg," vervolgde +donna Micaela met het onschuldigste gezicht van de wereld. "Het +ligt ingeklemd tusschen den Simeto en den bergwand, een tak van de +rivier neemt dikwijls zijn weg door de straten van Gela, zoodat het +een zeer ongewone gebeurtenis is, wanneer men met droge voeten door +het dorp komt. + +"Het dak der kerk stortte in bij de laatste aardbeving, en men heeft de +kerk niet kunnen herstellen, want Gela is zeer arm. Hebt ge werkelijk +nooit van Gela gehoord?" + +Cavaliere Palmeri antwoordde met onbeschrijfelijken ernst: + +"Mijn vorschingen hebben me bergopwaarts gevoerd. Ik heb er nooit +aan gedacht de villa van den grooten wijsgeer in Gela te zoeken." + +"Maar Gela is een zeer interessant dorp," zei donna Micaela. "Ze +hebben daar geen aparte schuren. De varkens zijn beneden in de huizen, +de menschen wonen een trap hooger. En er zijn heel wat varkens in +Gela. Ze bevinden zich daar beter dan de menschen, want de menschen +zijn er bijna altijd ziek. + +"Er heerscht voortdurend koorts, de malaria is er een trouwe gast. Het +is er zoo vochtig, de kelders staan altijd onder water en moerasdampen +drukken als een dichte mist op het dorp. In Gela zijn geen winkels, +ook geen politie, post, dokter of apotheek. Zeshonderd menschen leven +daar geheel vergeten en verlaten. + +"Hebt ge nooit gehoord van Gela?" + +Zij zag er heel verbaasd uit. + +Cavaliere Palmeri schudde het hoofd. "Den naam heb ik wel eens +gehoord...." + +Donna Micaela keek haar vader onderzoekend aan. Zij boog zich +haastig voorover en haalde uit zijn borstzak een gebogen klein mes +te voorschijn, zooals gebruikt wordt bij het snoeien der wijnstokken. + +"Arme Empedokles," zei ze en plotseling straalde haar geheele gelaat +van schalkscheid. + +"Ge waant u opgestegen tot de goden, maar de Etna werpt altijd uw +schoenen op." + +Cavaliere Palmeri zonk als door een schot getroffen achterover in +zijn stoel. + +"Micaela," zei hij zwak afwerend, als iemand die niet weet hoe hij +zich moet verdedigen. + +Maar zij was oogenblikkelijk even ernstig en zoo onschuldig als +tevoren. + +"Men heeft mij verteld," zei ze, "dat Gela eenige jaren geleden op het +punt stond geheel te gronde te gaan. Alle menschen daar verbouwen +wijn, en toen nu de phylloxera al hun wijngaarden verwoestte, +dreigden zij geheel te verhongeren. 't Landbouwgenootschap zond hun +toen Amerikaansche planten, die niet door de phylloxera aangetast +worden. De menschen in Gela plantten deze, maar al de wijnstokken +stierven. Hoe zouden de menschen in Gela weten hoe de Amerikaansche +wijndruif gekweekt moet worden. + +"Maar toen kwam er iemand die hun dat leerde." + +"Micaela," klonk het bijna steunend. Donna Micaela vond, dat haar +vader er reeds als een overwonnen man uitzag, maar toch vervolgde +zij haar verhaal, alsof zij niets gemerkt had. + +"Er kwam iemand," zei zij met sterken nadruk, "en hij liet zich nieuwe +planten zenden. Hij begon deze in hun wijngaarden te planten. Ze +lachten hem uit, ze zeiden dat hij zich dwaas aanstelde. Maar zie, +zijn planten groeiden, zij stierven niet. En hij redde Gela." + +"Ik vind je verhaal niet zeer amusant, Micaela," zei cavaliere Palmeri +met een poging het af te breken. + +"'t Is toch even belangrijk als uw vorschingen," zei ze kalm. "Maar +ik wil u iets vertellen. Op een dag ging ik naar uw kamer om een boek +over archeologie te halen. Toen ik zag dat uw boekenkast vol was met +geschriften over de phylloxera, den wijnbouw en de wijnbereiding." + +Cavaliere Palmeri schoof heen en weer op zijn stoel als een op +heeterdaad betrapte misdadiger. + +"Zwijg, zwijg!" zei hij zwak. Hij was nu meer beschaamd, dan toen +hij aangeklaagd werd wegens diefstal. + +Maar weer schitterde die onderdrukte schalkschheid in haar oogen. + +"Ik keek eens naar de brieven, die ge verzendt," vervolgde zij. "Ik +wilde eens zien met welke geleerde mannen ge in briefwisseling +waart. 't Verwonderde mij dat de brieven altijd geadresseerd waren +aan presidenten of secretarissen van landbouwvereenigingen." + +Cavaliere Palmeri was niet in staat een woord te spreken. + +Donna Micaela genoot onbeschrijfelijk hem zoo machteloos te zien. + +Ze keek hem vast in de oogen. + +"Ik geloof niet dat Dominico reeds een ruïne weet te onderscheiden," +zei ze. "De vuile kinderen in Gela spelen elken dag met hem en geven +hem waterkers te eten. + +"Dominico wordt als een god in Gela vereerd, om niet te spreken van +zijn-- -- --" + +Cavaliere Palmen scheen een idee te krijgen. + +"Je spoorweg!" zei hij. "Wat zei je ook weer van je spoorweg? + +"Misschien kan ik toch wel morgen meegaan naar je feest." + +Donna Micaela luisterde niet naar hem. Zij haalde haar portemonnaie +uit den zak. + +"Hier heb ik een nagemaakte oude munt," zei ze. "Een Demarata van +nikkel. Die heb ik gekocht om aan Dominico te toonen." + +"Hoor nu eens, kind!" + +Ze deed juist alsof zij zijn tegenwerpingen niet hoorde. + +Nu had zij hem in haar macht. Nu was er meer noodig om haar te +verzoenen. + +"Eens deed ik uw ransel open om uw vondsten te bewonderen. Het eenige, +dat hij bevatte, was een verdroogde wijnstok." + +Zij was louter stralende vroolijkheid. + +"Maar kind!" + +"Wat moet men daarvan denken? 't Is misschien wel geen onderzoek naar +geschiedkundige overblijfselen, misschien is het wel liefdadigheid, +misschien ook wel boete-- --" + +Nu sloeg cavaliere Palmeri met de vuist op de tafel, zoodat glazen +en borden rinkelden. Dit was hem te veel; een deftige, ernstige oude +heer kon zoo niet met zich laten spotten. + +"Zoo waar als gij mijn dochter zijt, zult ge nu zwijgen." + +"Uw dochter!" zei ze en oogenblikkelijk was haar vroolijkheid +verdwenen. "Ben ik werkelijk uw dochter? De kinderen in Gela mogen +Dominico streelen, maar ik-- --" + +"Wat meen je, Micaela? Wat wil je?" + +Ze keken elkaar aan. Hun oogen vulden zich gelijktijdig met tranen. + +"Ik heb niemand anders dan u!" fluisterde zij. + +Cavaliere Palmeri opende onwillekeurig zijn armen. Zij stond aarzelend +op, ze wist niet of zij goed zag. + +"Ik weet hoe het nu gaan zal," zei hij morrend. "Geen minuut houd ik +nu voor me zelf over." + +"Om de villa te ontdekken?" + +"Geef mij een kus, Micaela. Vanavond zijt ge voor de eerste maal, +nadat we Catania verlaten hebben, onweerstaanbaar geweest." + +En met een heeschen, wilden kreet, die hem bijna verschrikte, vloog +donna Micaela in haars vaders armen. + + + + + + +DERDE DEEL. + + + "En hij zal vele aanhangers krijgen." + + +I. + +DE OASE IN DE WOESTIJN. + + +In de lente van 1894 begon men den Etnaspoorweg aan te leggen, en +in den herfst van 1895 was die gereed. Hij steeg op van de kust, +omringde den berg in een halven cirkel, en bereikte dan de zee. + +De trein vertrekt en komt elken dag, en de Mongibello ligt geboeid, +maar verzet zich niet. Vreemdelingen rijden verbaasd door de zwarte, +grillige lavastroomen, door de witte amandelwouden, en de donkere, +oude steden der Saracenen. + +"Zie eens, welk een sprookjesland!" zeggen ze. + +In den trein is altijd wel iemand, die vertelt van den tijd toen +het Christusbeeld nog in Diamante was. Welk een tijd, welk een +tijd! Iederen dag verrichtte het beeld nieuwe wonderen. Men kan ze niet +eens alle verhalen, maar hij maakte het leven in Diamante zoo blijde, +dat de uren van den dag elkaar volgden als een rij lachende Horen. + +Men geloofde, dat de zandlooper van den tijd gevuld was met schitterend +stofgoud. + +Indien iemand gevraagd had wie in dien tijd in Diamante regeerde, +zou men geantwoord hebben: "het Christusbeeld." Alles voegde zich +naar zijn wil. Niemand trouwde of speelde in de loterij of bouwde +een huis zonder hem om raad te vragen. En heel veel messteken werden +terwille van het beeld niet uitgedeeld en menige oude veete werd +bijgelegd en menig bitter woord om zijnentwil niet uitgesproken. Men +moest wel goed zijn, want men merkte, dat het beeld hen bijstond, +die vreedzaam en hulpvaardig waren. Hun schonk hij goede gaven, +vreugde en rijkdom. Indien nu de wereld slechts was geweest, zooals +zij had moeten zijn, dan was Diamante spoedig een rijke en machtige +stad geweest. Maar in plaats daarvan, verwoestte het deel der wereld, +dat niet aan het beeld geloofde, al zijn werk. Het baatte niet veel +hoeveel geluk hij ook om zich heen verspreidde. + +De belastingen werden al hooger en verslonden al den rijkdom. En dan de +oorlog in Afrika. Hoe konden de menschen gelukkig zijn als hun zonen, +hun geld, hun muilezels naar Afrika moesten? En de oorlog was niet +voorspoedig, men leed nederlaag op nederlaag. Hoe kon men gelukkig +zijn, wanneer de eer van het vaderland op het spel stond? + +Sinds de spoorweg gereed was, merkte men, dat Diamante gelijk was +aan een oase in een woestijn. + +De oase is blootgesteld aan het stuifzand, de roovers en de wilde +dieren der woestijn. Zoo ook Diamante. + +De oase moest zich uitbreiden over de geheele woestijn om zich veilig +te gevoelen. Diamante begon te gelooven, dat het niet gelukkig kon +worden, vóórdat de gansche wereld zijn Christusbeeld aanbad. + +Nu geschiedde het, dat alles wat Diamante gewenscht en gehoopt had, +mislukte. + +Zoo verlangde donna Micaela en geheel Diamante Gaetano terug te +hebben. Toen de spoorweg gereed was, trok donna Micaela naar Rome en +smeekte om zijn invrijheidstelling. Men weigerde het haar. + +De koning en de koningin hadden haar wel willen helpen, maar ze +konden niet. Ge weet, wie toen minister in Italië was, hij regeerde +met ijzeren hand. Denkt ge, dat hij den koning toestond genade te +schenken aan een Siciliaanschen oproerling? + +Men wenschte vurig, dat het Christusbeeld van Diamante de vereering +zou ten deel vallen, die hem toekwam. Donna Micaela ging om die reden +op audiëntie bij den ouden man in het Vaticaan. + +"Heilige vader," zei ze, "laat u verhalen wat er geschied is in +Diamante op den Etna." + +En nadat ze al de wonderen van het beeld verteld had, verzocht ze, +dat de paus de oude kerk San Pasquale zou laten reinigen en inwijden +en priesters zou aanstellen voor den eeredienst van het Christusbeeld. + +Maar evenals in het Quirinaal, kreeg donna Micaela in het Vaticaan +een weigerend antwoord. + +"Waarde vorstin Micaela," zei de paus, "deze gebeurtenissen die gij +verhaalt, erkent de kerk niet als wonderen. Maar toch behoeft ge niet +te wanhopen. + +"Indien het Christusbeeld in uw stad wil worden aangebeden, dan zal het +nog een teeken geven. Het zal Ons zijn wil zoo duidelijk toonen, dat +Wij niet behoeven te twijfelen. Vergeef een ouden man, mijn dochter, +dat hij voorzichtig moet zijn." + +Nog een derde zaak had men in Diamante gehoopt. Men had verwacht +eindelijk iets te zullen hooren van Gaetano. Donna Micaela reisde +ook naar Como, waar hij gevangen zat. Zij had aanbevelingsbrieven +van hooggeplaatste ambtenaren in Rome, en ze was zeker, dat ze hem +spreken zou. + +Maar de directeur van de gevangenis had haar naar den dokter gezonden. + +Deze verbood haar met Gaetano te spreken. + +"Ge wilt den gevangene zien?" zei hij. "Neen, dat kan niet. Ge zegt, +dat hij u liefheeft en meent, dat ge gestorven zijt? Laat hem dat +gelooven. Laat hem dat gelooven! + +"Hij heeft leeren berusten, hij wordt niet meer gekweld door +verlangen. Wilt ge, dat hij opnieuw zal beginnen te verlangen, als +hij hoort, dat ge leeft? Wilt ge hem dan dooden? Ik wil u één ding +zeggen. Indien hij weer naar het leven gaat verlangen, zal hij binnen +drie maanden dood zijn." + +Donna Micaela begreep, dat zij er van moest afzien hem te spreken. + +Maar welk een teleurstelling! Welk een teleurstelling! + +Toen zij thuis kwam, had zij een gevoel als iemand, die zóó levendig +gedroomd heeft, dat hij wanneer hij ontwaakt, zich zelf niet kan +losrukken uit zijn droom. + +Zij kon maar niet begrijpen, dat al haar verwachtingen vernietigd +waren. + +Zij betrapte zich keer op keer, dat zij dacht: "Toen ik Gaetano +bevrijdde." Maar nu had zij heelemaal geen hoop meer hem te bevrijden. + +Nu eens dacht zij aan de eene, dan eens aan de andere onderneming, +die zij wilde beginnen. Zou zij het moeras dempen, of zou zij marmer +uit den Etna graven? + +Zij kon maar geen besluit nemen. + +En dezelfde lusteloosheid, die over donna Micaela gekomen was, drukte +de geheele stad. + +Het bleek immers dat alles wat afhankelijk was van menschen, die +niet geloofden aan het Christusbeeld van Diamante, verkeerd ging +en mislukte. + +Zelfs de Etnaspoorweg werd verkeerd bestuurd. Voortdurend grepen er +ongelukken plaats, ook waren de prijzen der biljetten te hoog. + +De menschen begonnen weer gebruik te maken van omnibussen en wagens. + +Donna Micaela en ook anderen dachten er aan het Christusbeeld in +de wereld te voeren. Zij zouden den ongeloovigen toonen dat hij +gezondheid, vreugde en geluk schonk aan allen, die vreedzaam, vlijtig +en goed voor hun naasten wilden zijn. + +Indien de menschen dat maar eerst begrepen, zouden ze zich wel +bekeeren. + +"Het beeld moest op het Kapitool staan en de wereld regeeren," zei +het volk in Diamante. + +"Allen, die ons regeeren, zijn onbekwaam," zeiden ze. "Wij willen +bestuurd werden door het heilige Christuskind. Hij is machtig en +weldadig. En indien hij regeerde, dan zouden de armen rijk worden, +en de rijken hebben reeds genoeg. Hij weet wie het goede wil. Indien +hij de macht had, dan zouden degenen, die nu geregeerd worden, +zitting krijgen in de raadszaal. Hij zou over de wereld gaan met +ploeg en scherpe egge, en hetgeen nu onvruchtbaar in den grond ligt, +zal ontkiemen en een rijken oogst dragen." + +Doch voordat deze plannen ten uitvoer gebracht konden worden, +kwam in de eerste dagen van Maart 1896 het bericht van den slag bij +Adua. De Italianen waren verslagen en duizenden van hen waren gedood +of gevangengenomen. + +Eenige dagen later trad het ministerie in Rome af. + +En de man die nu de macht in handen kreeg, vreesde den toorn en de +wanhoop der Sicilianen. Om hen te verzoenen hergaf hij de vrijheid +aan eenige gevangen socialisten. De vijf mannen, waarnaar het volk +het meest verlangde, werden in vrijheid gesteld. Dat waren Da Felice, +Bosco, Verro, Barbato en Alagona. + +Ach, donna Micaela trachtte blij te zijn, toen zij dit hoorde. Ze +beproefde niet te schreien. + +Zij had geloofd, dat Gaetano gevangen zat, opdat het Christusbeeld +de muren zijner gevangenis zou kunnen neerhalen. Deze beproeving had +God hem opgelegd, opdat hij genoodzaakt zou zijn het hoofd te buigen +voor het Christusbeeld en te zeggen: + +"Mijn God en Meester." + +En nu had niet het beeld hem bevrijd. Hij zou een heiden blijven +gelijk vóór zijn gevangenistijd. + +Dezelfde gapende kloof zou tusschen hen beiden zijn. Zij trachtte +verheugd te zijn. 't Was immers reeds een groot geluk dat hij vrij +was. Wat was zij en haar geluk in vergelijking daarmee! + +Maar zoo ging het nu met alles wat Diamante gewenscht en gehoopt had. + +De groote woestijn was zeer slecht jegens de arme oase. + + + + + + +II. + +IN PALERMO. + + +Eindelijk, eindelijk is het één uur 's nachts. + +Degenen, die bang zijn zich te verslapen, staan op van hun bed, +kleeden zich aan en gaan op straat. + +En zij, die opgebleven zijn en tot nu toe over de tafeltjes in de +café's gehangen hebben, rijzen op nu zij schreden hooren op het steenen +plaveisel. Ze schudden den slaap van zich en gaan naar buiten. Zij +sluiten zich aan bij de spoedig aangroeiende menschenmassa, en de +trage tijd begint iets vlugger te gaan. + +Menschen, die elkaar slechts oppervlakkig kennen, drukken elkaar +de hand met warme hartelijkheid. Dezelfde blijdschap trilt in alle +harten. En menschen die anders nooit een voet op straat zetten, +zijn hedennacht buiten, oude professoren, voorname edellieden en +fijne dames. Allen zijn even verheugd. + +"Mijn God, dat hij nu terugkomt, dat Palermo hem nu weer terugkrijgt," +zeggen ze. + +De studenten, die den geheelen nacht hun lievelingsverblijf in +Quattro Canti niet verlaten hebben, verschijnen nu met fakkels en +gekleurde lampions. + +Zij zouden die niet aansteken voor vier uur 's morgens als de verwachte +aan zal komen, maar tegen twee uur begint nu en dan eens een student +te probeeren of zijn fakkel wel branden wil. Dan steken ze allen hun +fakkels aan en begroeten het licht met luid gejuich. + +'t Is onmogelijk in het donker te staan, als zulk een groote blijdschap +in het hart vlamt. + +De vreemdelingen in de hotels worden gewekt. + +"Er is hedennacht feest in Palermo, o signori." + +"Ter eere van wien is er feest?" vragen de vreemdelingen. + +"Ter eere van een der socialisten, dien de regeering in vrijheid +gesteld heeft. Hij komt hedenmorgen met de stoomboot van Napels." + +"Wat is hij voor een man?" + +"Hij heet Bosco, het volk heeft hem lief." + +En er heerscht bedrijvigheid in de gansche stad. + +Een der geitenherders op den Monte Pellegrino is ijverig bezig kleine +ruikertjes van bellis te binden, die zijn geiten in den halsband +zullen dragen. + +En daar hij honderd geiten heeft en alle halsbanden dragen.... Maar +het moet. Zijn geiten kunnen zich den volgenden dag niet in Palermo +vertoonen, zonder versierd te zijn ter eere van den feestdag. + +De naaisters hebben tot middernacht moeten werken om alle nieuwe +kleedingstukken gereed te hebben, die den volgenden dag gedragen zullen +worden. En als zoo'n ijverig naaistertje klaar is met het werk voor +anderen, dan mag ze aan zichzelf denken. + +Ze zet een paar veeren op haar hoed en trekt de rozetten wat +hooger. Heden moet zij mooi zijn! + +Huis aan huis begint men te illumineeren. Hier en daar ontsteekt men +vuurwerk. Knallers en sissers kronkelen zich omhoog op iederen hoek +der straten. + +De bloemenwinkels aan den langen Via Vittorio Emanuele zijn telkens +en telkens geheel uitverkocht. + +Steeds meer en meer witte oranjebloemen worden er gevraagd. Geheel +Palermo is vervuld van den zoeten oranjegeur. + +De portier van Bosco's huis heeft geen oogenblik rust. Prachtige +taarten en torenhooge bouquetten worden voortdurend langs de trappen +opgedragen. Welkomstgedichten en telegrammen met gelukwenschen stroomen +van alle kanten. Er schijnt geen einde aan te zullen komen. De +arme bronzen keizer op Pazzi Bologna, de leelijke Karel de Vijfde, +die mager en ellendig is als Giovanni in de woestijn, heeft op een +onbegrijpelijke wijze een bloemruiker in de hand gekregen. Als de +studenten, die in de nabijheid in Quattro Canti zijn, dat hooren, +trekken ze in een goed geordenden optocht naar het standbeeld, +verlichten hem met hun fakkels en roepen een "lang zal hij leven" +voor den ouden despoot. + +Een van hen ontneemt hem den ruiker om dien aan den grooten socialist +te geven. + +Daarna trekken de studenten naar de haven. + +Lang vóórdat zij daar aankomen, zijn hun fakkels uitgebrand, maar +daar bekommeren zij zich niet om. Zij hebben de armen om elkaars hals +geslagen, en zingen luid. Nu en dan onderbreken zij hun gezang om te +roepen: "Weg met Crispi! Leve Bosco!" Dan valt het gezang opnieuw +in, maar wordt weer afgebroken, omdat zij, die niet zingen kunnen, +de zangers omhelzen. + +Gilden en broederschappen komen in optocht uit de stadswijken, waar +hetzelfde handwerk reeds meer dan duizend jaar uitgeoefend wordt. Daar +zijn de metselaars met hun zangkoor en vaandels, de mozaïekwerkers +en de visschers. + +Als de vereenigingen elkaar ontmoeten, groeten zij elkaar met de +vaandels. Nu en dan staan ze stil om toespraken te houden. Men spreekt +over de vijf socialisten, de vijf martelaars, die de regeering nu +eindelijk aan Sicilië teruggeschonken heeft. + +En de menschenmassa jubelt: + +"Leve Bosco! Leve Da Felice! Leve Verro! Leve Barbato! Leve Alagano!" + +Maar als iemand, die het rumoer der straten wil ontvluchten, naar de +haven gaat, vraagt hij verbaasd: + +"Waar ben ik hier? Madonna Santissima, waar ben ik gekomen?" + +Want hij had gedacht, dat het nog rustig en stil zou zijn aan de haven. + +Maar alle booten en sloepen in de haven van Palermo zijn in beslag +genomen door verschillende vereenigingen en gezelschappen. Ze drijven +in de haven, heerlijk versierd met gekleurde Venetiaansche lampions, +en ieder oogenblik stijgen er van deze booten groote bundels raketten +omhoog. + +Over de ruw houten banken heeft men prachtige kleeden en dekens +gespreid en daarop zitten de dames, de schoone dames van Palermo, +gekleed in lichte zijde en donker fluweel. Kleine ranke bootjes +zweven over het water, nu eens in groote groepen, dan weer elk +afzonderlijk. De masten en raas der groote schepen prijken met wimpels +en lampions, de kleine havenstoombootjes glijden over het water, +met bloemguirlandes om de stoompijpen. + +En onderwijl weerkaatst en spiegelt het water al het licht, zoodat +de schijn van een lantaarn tot een heelen vuurstroom wordt, en de +waterdruppels die van de roeispanen vallen, worden gelijk vloeibaar +goud. + +Op de kade staan honderdduizenden menschen, uitgelaten van vreugde. Ze +kussen elkaar, ze juichen en zijn gelukkig. + +Ze zijn hun vreugde niet meester, velen van hen weenen. + +Vuur is vreugde. 't Is goed dat men vuren ontsteekt. + +Plotseling vlamt een groot vuur op den Monte Pellegrino en daarna +stijgen hooge vlammen op van de geheele getakte bergketen, die de +stad omringt. Het vlamt op den Monte Falcone, op San Martino, op den +berg der duizenden, waarover Garibaldi trok.-- + +Maar op zee vaart de groote stoomboot van Napels, en op deze stoomboot +bevindt zich Bosco, de socialist. + +Hij kan dien nacht niet slapen. Hij loopt heen en weer op het +dek. Zijn oude moeder, die naar Napels gegaan is om hem te halen, +komt uit haar hut om hem gezelschap te houden. Maar hij kan nu niet +met haar spreken. Spoedig zal hij weer thuis zijn. O, Palermo! Palermo! + +Meer dan twee jaar heeft hij gevangen gezeten. Twee lange jaren van +kwelling en verlangen. En zijn die ergens goed voor geweest? Zie, +dat zou hij zoo gaarne willen weten. + +Heeft het zijn zaak iets gebaat, dat hij gevangen gezeten heeft? Heeft +Palermo aan hem gedacht? Heeft zijn lijden der zaak een enkelen +aanhanger doen winnen? + +Zijn moeder zit ineengedoken op de kajuittrap te rillen van de +koude. Hij heeft het haar gevraagd, maar zij weet niets. Zij spreekt +over den kleinen Francesco en de kleine Lena, hoe zij gegroeid +zijn. Zij weet niets van hetgeen, waarvoor hij strijdt. Maar nu +nadert hij zijn moeder, grijpt haar bij de hand en voert haar naar de +verschansing. Hij vraagt haar of zij niet iets ziet daar ver in het +zuiden. Zij ziet met haar droeve oogen over de zee en ziet slechts +den nacht, slechts den donkeren nacht op zee. Ze ziet niet dat er +een vuurwolk gloeit aan den horizon. + +En hij hervat zijn wandeling en zij kruipt onder de beschermende +tent. Hij behoeft niet met haar te spreken, 't is haar reeds een +geluk hem weer bij zich te hebben na een scheiding van twee lange +jaren. Hij was veroordeeld tot vier en twintig jaar gevangenisstraf, +en zij had niet gedacht hem ooit weer te zien. Maar de koning had hem +genade verleend, de koning was een goede man. Indien hij slechts de +macht had zoo goed te zijn, als hij was. + +Bosco wandelt rusteloos op het dek en vraagt den matrozen of ze niet +een vuurgloed daar ginds aan den horizon zien. + +"Daar is Palermo," zeggen de zeelieden. "'s Nachts zweeft er altijd +zoo'n lichtschijn boven de stad." + +Het kan niets zijn, dat hem aangaat, hij wil zich zelf overtuigen, +dat men niets voor zijn ontvangst doet. Hij kan toch niet verlangen, +dat alle menschen opeens socialisten geworden zijn. + +Maar na een tijdje denkt hij: "Er moet toch iets buitengewoons gaande +zijn." Alle matrozen verzamelen zich op het voordek. + +"Palermo staat in brand," zegt een matroos. + +Ja, dat kon wel het geval zijn.--En hij lijdt vreeselijk, omdat hij +verwacht, dat men iets tot zijn ontvangst zou doen. Maar nu bemerken +de zeelieden de vlammende vuren op de bergen. Neen, het kan toch +geen brand zijn. 't Is zeker een heilige dag. Ze vragen elkaar welk +feest heden gevierd wordt. Hij tracht ook te gelooven dat het zoo is, +en vraagt zijn moeder of het een feestdag is. + +Ze komen al nader bij Palermo. Het gedempte feestgeruisch van de +groote stad dringt tot hen door. + +"Geheel Palermo zingt en juicht vannacht," zegt een der zeelieden. + +"Er is zeker een telegram gekomen van een overwinning in Afrika," +meent een ander. + +Niemand denkt er aan dat het ter eere van Bosco kan zijn. Hij gaat +naar het achterdek, hij wil niets meer zien. Hij wil zichzelf niet +met ijdele verwachtingen kwellen. Zou geheel Palermo illumineeren +voor een armen socialist? + +Nu komt zijn moeder bij hem. "Kom mee," zegt ze. "Zie eens hoe Palermo +schittert van licht, 't moet zeker een koning zijn, die heden verwacht +wordt. Kom mee om Palermo te zien." + +Hij denkt na. Neen, hij gelooft niet dat de koning Palermo heden +bezoekt. Maar hij waagt het niet iets anders te denken, nu niemand, +zelfs niet zijn moeder.... + +Opeens schreeuwen allen op de stoomboot luid. 't Klinkt als een +noodkreet. Een groot pleizierjacht stuurt recht op hen aan en glijdt +nu zacht naast de stoomboot. + +Het geheele jacht schijnt slechts uit bloemen en licht te +bestaan. Roode en witte draperieën hangen over boord. Bosco staat op +de stoomboot en vraagt zich af welke tijding deze schoone bode zal +brengen. Daar slaat het zeil om en op het witte vlak schittert hem +tegemoet: "Leve Bosco." 't Is zijn naam! Niet die van een koning of +van een zegevierenden generaal! Niemand dan hem geldt deze hulde. Zijn +naam, zijn naam! + +Het jacht werpt eenige vuurraketten omhoog, een regen van gouden +sterren valt neer. + +De boot stoomt de haven binnen. Een donderend gejubel weerklinkt; +de menschen weenen van blijdschap en vervoering. + +Maar Bosco voelt, dat hij zulk een hulde niet verdient. Hij zou willen +knielen voor deze menschen, die hem huldigen, en hen smeeken hem te +vergeven, dat hij niets vermag, niets gedaan heeft voor hen allen. + + + +Door een bizonder toeval is donna Micaela dien nacht in Palermo. Ze +is daar voor een van de ondernemingen, die ze meent te moeten beginnen +om het leven te kunnen uithouden. Zij is daar óf voor de marmergroeve +óf voor het moeras, dat zij wil dempen. + +Zij staat beneden bij de haven, zij, zooals alle anderen. Men ziet +haar aan, als zij zich een weg baant naar het strand, een hooge, +donkere vrouw, met een voornaam uiterlijk, een bleek gelaat met +sprekende trekken en smeekende, verlangende, hartstochtelijke oogen. + +Terwijl het volk jubelt en juicht, voert donna Micaela een hevigen +strijd. "Indien dit nu Gaetano was," denkt zij, kon ik dan, zou +ik dan.... + +"Indien al deze menschen jubelen om hem, zou ik dan..." + +Er heerscht zulk een vreugde in de stad, grooter dan zij ooit gezien +heeft. De menschen hebben elkaar lief als broeders. En dat is niet +alleen omdat een socialist thuis komt, maar omdat ze gelooven, +dat de aarde spoedig gelukkig zal zijn. Indien hij nu kwam, nu deze +blijdschap rondom mij opbruist, denkt zij. Kon ik dan, zou ik dan.... + +Ze ziet hoe het rijtuig van Bosco door de menschenmenigte tracht te +dringen. Het gaat stap voor stap; langen tijd moet het stilstaan. Er +zullen vele uren noodig zijn, voordat het rijtuig voorbij de haven is. + +Indien hij het was, en ik zag hoe alle menschen zich om hem verdrongen, +kon ik het dan laten mij in zijn armen te werpen? Kon ik... + + + +Zoo spoedig zij uit het gedrang komen, neemt ze een wagen en rijdt +door de vlakte van Conca d'oras naar de groote domkerk der Noorsche +koningen te Monreale. + +Ze treedt binnen en staat oog in oog met het schoonste Christusbeeld, +dat menschelijke kunst geschapen heeft. Hoog op het koor zit +de gezegende Christus in stralend mozaïek, machtig, mystisch en +majestueus. + +Ontelbaar zijn de pelgrims, die naar Monreale trekken om troost te +zoeken in het aanschouwen van zijn aangezicht. Ontelbaar zijn de velen, +die in verre landen naar hem smachten. + +De grond trilt onder de voeten van hem die dit Christusbeeld voor +de eerste maal aanschouwt. Zijn oogen dwingen den vreemdeling de +knieën voor hem te buigen. Zonder dat de bezoeker het weet, stamelen +zijn lippen: + +"O God! Mijn God!" + +Rondom op de tempelwanden stralen de wereldgebeurtenissen in de +mozaïek. Die voeren de gedachten slechts tot hem; zij zijn daar +slechts om te zeggen: + +Het gansche verleden behoort hem, het heden is van hem en evenzoo +behoort hem de geheele toekomst. + +De mysteriën van leven en dood sluimeren in zijn hoofd. + +Daar woont de geest, die het lot der wereld bestuurt. + +Daar heerscht de liefde, die de wereld verlossen zal. + +En donna Micaela roept hem aan: + +"Gij, Gods zoon, verlaat mij niet! Laat geen mensch de macht hebben +mij van u te scheiden!" + + + + + + +III. + +DE THUISKOMST. + + +'t Is een wonderlijk gevoel thuis te komen. Terwijl ge nog op reis +zijt, kunt ge niet denken, dat het zoo wonderlijk zal zijn. + +Wanneer ge komt bij Reggio aan de straat van Messina en Sicilië uit +de zee ziet opduiken als een nevelland, wordt ge haast ongeduldig. + +"Is het niets anders?" zegt ge. "Dat is immers een land zooals alle +andere." + +En als ge bij Messina aan land stapt, zijt ge nog steeds ongeduldig. Er +moest iets gebeurd zijn, er moest iets geschied zijn, terwijl ge weg +waart. Ge hadt niet dezelfde ellende, dezelfde lompen, denzelfden +nood moeten terugvinden, die ge bij uw vertrek verlaten hebt. Wel ziet +ge dat de lente gekomen is. De vijgeboomen dragen reeds bladeren, de +wijnstokken zenden ranken uit, die in een paar uur zichtbaar groeien, +en een menigte erwten en boonen liggen op de kade. + +Slaat ge een blik op de heuvelen rondom de stad, dan ziet ge dat de +grauwe cactusplanten, die langs de rotshellingen groeien, bedekt zijn +met vuurroode bloemen, die schitteren als kleine, vurige vlammen. 't +Schijnt alsof de fichedenda's vol vuur zijn, dat nu is uitgebroken. + +Maar hoewel de cactus in vollen bloei staat, is hij nog even grauw, +stoffig en met spinnewebben bedekt als altijd. En ge zegt tot u zelf, +dat Sicilië gelijkt op den cactus. Hoe vele lenten er ook over het +eiland gegaan zijn, het blijft toch altijd het land der grauwe armoede. + +Ge kunt niet begrijpen, dat alles precies gelijk is gebleven. De +Scylla en de Charybdis hadden moeten bruisen gelijk in vroeger +dagen. De steenen reuzen in den Girgentitempel moesten opgestaan +zijn met geboeide leden. Selinunts tempel moest verrezen zijn uit +zijn puinhoopen. Heel Sicilië moest ontwaakt zijn. + +Als ge nu van Messina langs de kust reist, zijt ge nog steeds +ongeduldig. Ge ziet, dat de boeren nog steeds het land bewerken met +houten ploegen en dat hun paarden er nog even mager, ellendig en +uitgehongerd uitzien, als vóór uw vertrek. + +Ja, alles is precies gelijk gebleven. De zonneschijn valt neer op +de aarde als een regen van kleuren, de pelagonia's bloeien aan den +wegkant, de zee ligt zacht blauw en streelt het strand. + +Woeste bergen met hooge kruinen verheffen zich langs de kust. Het +hooggebergte van den Etna verrijst aan den horizon. Plotseling +bemerkt ge, dat er iets wonderbaarlijks geschied is. Ge zijt niet +meer ongeduldig, integendeel, ge verheugt u over de bloeiende velden, +de bergen en de blauwe zee. + +Ge wordt teruggevoerd tot de schoone aarde als een van haar verloren +bezittingen. Ge hebt geen tijd aan iets anders dan aan haar te +denken. Eindelijk komt ge in de nabijheid van uw echt thuis, waar ge +uw kindsheid hebt doorgebracht. + +Hoe hebt ge zulke goddelooze gedachten kunnen hebben, terwijl ge weg +waart? Dit arme thuis wildet ge nooit weerzien omdat ge daar te veel +geleden hebt?-- + +Dan aanschouwt ge opeens de oude bergstad op eenigen afstand, en die +ziet er vroolijk lachend uit en voelt zich volkomen onschuldig. + +"Kom, heb mij opnieuw lief," zegt ze. + +En ge kunt niet anders dan gelukkig en dankbaar zijn, omdat ze uw +liefde wil aannemen. + +O, als ge nu komt op den zigzagweg, die naar de stadspoort voert! De +schaduw van een olijfboom valt over u. Wil hij u liefkoozen? Een kleine +hagedis komt te voorschijn op een muur. Ge moet staan blijven om naar +haar te kijken. Kan zij niet een oude kennis zijn, die u goedendag +wil zeggen? + +Plotseling wordt ge angstig. Uw hart begint te kloppen en te +hameren. Ge herinnert u, dat ge niet weet wat ge zult hooren, +als ge thuis komt. Geen brief hebt ge geschreven, niemand hebt ge +ontvangen. Alles wat u aan uw thuis kon herinneren, hebt ge van u +gewezen. Dat was het verstandigste nu ge toch nooit weer thuis zoudt +komen. En tot dit oogenblik was alles wat uw huis betrof, dood voor u. + +Maar nu weet ge niet, hoe ge het leven zult kunnen uithouden indien er +thuis iets veranderd is. 't Zal u zulk een groot verdriet veroorzaken, +indien de Monte Chiaro slechts één palm verloren heeft, indien er +slechts één enkele steen losgeraakt is uit den stadsmuur. + +Zou de groote agave nog op het vooruitspringende rotsblok staan? Neen, +de agave is er niet meer, die is omvergehakt. En de steenen bank aan +den weg is gebroken. Die bank zult ge missen, het was altijd zulk een +heerlijk rustpunt. En zie, op het groene veld onder den amandelboom +is een schuur gebouwd. Nu kunt ge u nooit meer uitstrekken op dat +bloeiende klaverveld. + +Ge wordt angstig bij elke schrede. Wat zult ge nu zien? Zoo ontroerd +zijt ge, dat ge voelt dat ge in tranen zoudt uitbarsten, indien ge +slechts hoordet, dat er een der oude bedelaarsters gestorven is, +terwijl ge afwezig waart. + +Neen, ge wist niet dat het zoo wonderlijk is, thuis te komen. Ge +kwaamt eenige weken geleden uit de gevangenis, en de lusteloosheid +der gevangenis lag nog over u. Ge wist nauwelijks of ge wel naar +huis zoudt reizen. De geliefde was dood, 't was al te vreeselijk +de oude wonde opnieuw open te rijten. Zoo liept ge lusteloos rond, +maar eindelijk vermandet gij u. Gij moest toch naar uw oude, arme +moeder. En nu ge daar gaat, voelt ge, dat ge hebt verlangd naar elken +steen, iederen grashalm. + + + +Dadelijk nadat Gaetano in den winkel kwam, heeft donna Elisa zich +voorgenomen: "Nu zal ik met hem spreken over Micaela. Misschien weet +hij nog niet eens dat zij leeft." Maar zij stelt dat minuut na minuut +uit, niet alleen omdat zij hem een tijdje voor zich alleen wil houden, +maar ook omdat hij, zoodra hij Micaela's naam hoort, liefdesmart en +pijn zal gevoelen. Want Micaela wil niet met hem trouwen, dat heeft +ze donna Elisa duizenden malen gezegd. + +Zij wil hem bevrijden uit de gevangenis, maar ze wil niet de vrouw +van een vrijdenker worden. + +Slechts een half uur wil donna Elisa Gaetano voor zich zelf behouden, +slechts een enkel half uurtje. + +Maar zoo lang zal zij zeker niet kunnen zitten met zijn hand in de hare +en hem duizenden vragen doen, want het volk heeft zijn komst reeds +vernomen. Opeens staat de straat vol menschen, die hem allen willen +zien. Donna Elisa heeft den grendel voor de winkeldeur geschoven, +want zij wist immers, dat zij geen oogenblik rust zou hebben, zoodra +men Gaetano ontdekt heeft. Maar het baat haar heel weinig. + +De menschen kloppen op de ramen en rammelen aan de deur. + +"Don Gaetano," roepen ze. "Don Gaetano!" + +Gaetano verschijnt lachend op de trap. Ze zwaaien met hun mutsen en +roepen luid hoera. Hij ijlt tusschen de menschenmenigte en omhelst +den een na den ander. Maar dat is niet alles wat ze verlangen. Hij +moet op de trap een toespraak tot hen houden; hij moet hun vertellen +hoe hard de regeering voor hem geweest is en hoe hij geleden heeft +in de gevangenis. + +Gaetano lacht nog steeds en gaat op de trap staan. + +"De gevangenis," zegt hij, "wat zal ik u daarvan vertellen? Ik heb +elken dag mijn soep gehad, elken middag, dat is meer dan velen van +u kunnen zeggen." + +De kleine Gandolfo zwaait zijn muts en roept: + +"Nu zijn er heel wat meer socialisten in Diamante, dan toen ge +weggingt, don Gaetano." + +"Hoe zou dat anders kunnen zijn," lachte hij. "Alle menschen +moeten socialist worden. Is het socialisme dan iets gevaarlijks, +iets afschuwelijks? Het socialisme is een idylle. 't Is een idylle +van een eigen thuis, van gezegenden arbeid, zooals iedere mensch dat +droomt in zijn jeugd. Een heele aarde vervuld van...." + +Hier zwijgt hij plotseling. Toevallig heeft hij een blik geworpen +op het zomerpaleis. Daar staat donna Micaela op een der balkons en +kijkt naar hem. + +Hij denkt geen oogenblik, dat zij een visioen of een spookverschijning +is. Hij ziet dadelijk dat zij leeft. Maar juist daarom.... Of het +nu ook kwam omdat de gevangenistijd zijn krachten verzwakt heeft, +en hij zich nu niet beheerschen kan.... hij voelt dat hij zich niet +staande kan houden. Hij grijpt met de handen in de lucht, tracht tegen +den deurpost te leunen, maar 't helpt niets. Zijn beenen dragen hem +niet langer, hij valt van de trap en slaat met een harden bons zijn +hoofd tegen de steenen. + +Hij ligt daar als voor dood. + +Ze vliegen allen op hem af, dragen hem naar binnen, ijlen naar een +dokter, spreken allen tegelijk en slaan duizenden middeltjes voor om +hem te helpen. + +Donna Elisa en Pacifica krijgen hem eindelijk in een der +slaapkamers. Luca jaagt de menschen uit het huis, en stelt zich op +wacht voor de gesloten deur. Donna Micaela, die met de anderen naar +binnen gekomen is, neemt hij het eerst van allen bij de hand en brengt +haar buiten de deur. Zij vooral mag niet binnen blijven. Luca heeft +zelf gezien hoe Gaetano als door den bliksem getroffen neerstortte, +toen hij haar zag. + +De dokter doet alle mogelijke moeite om Gaetano weer tot het leven te +roepen. Maar dat gelukt hem niet, Gaetano ligt daar als versteend. De +dokter meent dat hij in een gevaarlijken toestand is, hij weet niet +of hij hem nog kan redden. De bezwijming op zich zelf beteekent immers +niets, maar de slag op de harde steenen.... + +Binnenshuis heerscht groote drukte, maar de arme buitengeslotenen +kunnen niets anders doen dan wachten en wachten. + +Ze staan den geheelen dag voor donna Elisa's deur. Daar staan donna +Emilia en donna Concetta, vroeger bestond er niet veel vriendschap +tusschen haar beiden, maar heden staan ze naast elkaar te treuren. + +Vele angstige oogen turen door het winkelraam van donna Elisa's +huis. De kleine Gandolfo en de oude Assunta van de domtrap en de arme +stoelmatter staan daar den heelen namiddag zonder een oogenblik rust +te nemen. 't Is vreeselijk, dat Gaetano zal sterven, nu zij hem juist +weer terug hebben gekregen. + +De blinden staan daar te wachten alsof ze hopen, dat hij hun het +gezicht terug zal geven, en arme menschen, zoowel van Geraci als van +Corvaja, wachten in angstige spanning hoe het met hun jongen Heer, +den laatsten Alagona, zal afloopen. + +Hij had hen allen lief, en hij had zulk een groote macht en kracht, +indien hij slechts in het leven bleef.... + +"God heeft zijn hand van Sicilië genomen," zeggen ze. "Allen, die +het volk willen helpen, laat hij sterven." + +Den geheelen namiddag, den avond tot middernacht staan de menschen +voor donna Elisa's huis. + +Precies klokslag twaalf verschijnt donna Elisa in de winkeldeur, +en daalt van de trap. + +"Is hij gered?" roepen ze allen. + +"Neen, zijn toestand is nog hetzelfde." + +Allen zwijgen, eindelijk vraagt een bevende stem: + +"Is het erger?" + +"Neen, neen, het is niet erger. Zijn toestand is hetzelfde, de dokter +is bij hem." + +Donna Elisa heeft een zwarte sjaal over het hoofd geworpen, ze draagt +een lantaarn in de hand. Zij gaat op straat, waar de menschen dicht +op elkaar gedrongen staan en liggen. + +"Is Gandolfo hier?" vraagt ze. + +"Ja, donna Elisa." Gandolfo komt te voorschijn. + +"Ga met mij mede om je kerk voor me te ontsluiten." Allen die donna +Elisa's woorden verstaan hebben, begrijpen dat ze wil gaan bidden in +San Pasquale om het Christusbeeld te smeeken voor Gaetano's leven. Ze +staan allen op en willen met haar gaan. + +Donna Elisa is zeer getroffen door dit medelijden, ze heeft een gevoel +alsof haar hart grooter wordt. + +"Ik zal u iets vertellen," zegt ze met bevende stem. + +"Ik heb gedroomd. Ik weet niet hoe het kwam, dat ik opeens in slaap +viel, maar terwijl ik zoo bedroefd bij Gaetano's bed zat, sliep ik +in. Nauweljks had ik mijn oogen gesloten, of ik zag het Christusbeeld +met zijn kroon en gouden schoentjes, zooals hij in San Pasquale's kerk +staat. En hij zei tot mij: "Maak de arme vrouw, die in mijn kerk ligt +te bidden, tot de echtgenoote van uw zoon, dan zal hij genezen." + +"Nadat hij dit gezegd had, ontwaakte ik, en toen ik mijn oogen opsloeg, +was het mij alsof ik het Christusbeeld door den muur zag verdwijnen. En +nu moet ik naar de kerk om te zien of er een vrouw is. + +"Maar gij hoort allen, dat ik heilig beloof, dat indien er eenige vrouw +in San Pasquale is, ik doen zal wat het beeld mij bevolen heeft. En +indien het ook het armste meisje van de straat is, ik zal haar als +mijn dochter beschouwen en haar maken tot mijn zoons echtgenoote." + +Als donna Elisa dit gezegd heeft, gaat ze door allen gevolgd naar +Pasquale. Alle arme menschen zijn in gespannen verwachting. Ze kunnen +zich nauwelijks bedwingen om donna Elisa niet voorbij te snellen om +te zien of er ook iemand in de kerk is. + +Denk eens, indien het een zigeunerin was, die daar vannacht beschutting +zocht. Wie anders kan 's nachts in de kerk zijn dan een arme verlaten +stakker? + +'t Is een vreeselijke gelofte, die donna Elisa gedaan heeft. + +Eindelijk hebben ze de Porta Etnea bereikt en nu gaat het vlug +heuvelafwaarts. + +Maar zie, de kerkdeur staat open. Er is dus werkelijk iemand. De +lantaarn trilt in donna Elisa's hand. + +Gandolfo wil die voor haar dragen, maar zij behoudt die. + +"In Godsnaam, in Godsnaam," mompelt zij, terwijl zij de kerk +binnentreedt. + +Het volk dringt om binnen te komen. Men drukt elkaar bijna dood, maar +van spanning zwijgen allen. Niemand zegt een woord. Allen staren naar +het hoogaltaar. Is daar iemand? Is daar iemand? De kleine lamp boven +het beeld werpt slechts een zeer zwakken lichtschijn. Is er iemand? + +Ja, er is iemand. Er ligt een vrouw voor het altaar geknield. Zij bidt +en heeft het hoofd zoo diep gebogen, dat men niet kan zien, wie zij is. + +Nu zij schreden achter zich hoort, richt zij den langen gebogen hals +op, en ziet om. 't Is donna Micaela. + +In het eerste oogenblik is zij verschrikt en ziet er uit als wilde +ze vluchten. Donna Elisa is ook verschrikt, ze zien elkaar aan, +alsof ze elkaar nooit tevoren gezien hebben. + +Maar nu zegt donna Micaela heel zacht: + +"Ge komt om voor hem te bidden, schoonzuster," en ze schuift een +weinig ter zijde, opdat donna Elisa voor het beeld zal kunnen knielen. + +Donna Elisa's hand beeft zoo, dat ze de lantaarn op den grond moet +zetten, haar stem is heesch, als zij vraagt: + +"Is niemand anders dan gij hier vannacht geweest, Micaela?" + +"Neen, niemand anders." + +Donna Elisa moet tegen het altaar leunen om niet te vallen, donna +Micaela ziet dat. Zij is dadelijk bij haar en legt den arm om haar +middel. + +"Ga zitten, ga zitten!" en donna Micaela knielt neer. + +"Is het zoo slecht met hem? Wij zullen voor hem bidden." + +"Micaela," zegt Elisa, "ik dacht dat ik hier geholpen zou worden." + +"Ja zeker, dat zult ge ook." + +"Ik droomde, dat het beeld tot mij kwam, en mij beval hier heen +te gaan." + +"Hij heeft ons reeds zoo vele malen geholpen." + +"Maar hij zei tot mij: Maak de arme vrouw, die voor mijn altaar ligt, +tot de echtgenoote van uwen zoon, dan zal hij genezen." + +"Wat zei hij?" + +"Ik zou de vrouw, die hier bad, tot mijn zoons echtgenoote maken." + +"En dat wildet ge? Gij wist immers niet wie gij hier zoudt vinden?" + +"Onderweg deed ik de belofte--en zij die mij volgden, hebben het +gehoord--dat wie het ook zou zijn, ik haar in mijn armen zou nemen +en naar mijn huis zou voeren. Ik dacht dat God een arme vrouw wilde +helpen." + +"Ja, dat is zeker ook het geval." + +"Ik was zoo bedroefd toen ik zag, dat niemand anders hier was dan gij." + +Donna Micaela geeft geen antwoord, ze ziet slechts naar het +beeld. "Wilt ge dat? Wilt ge dat?" vraagt ze ontroerd. + +Donna Elisa gaat door met klagen. "Ik zag hem zoo duidelijk, en hij +heeft ons nog nooit bedrogen. Ik dacht dat een arm meisje, dat geen +thuis had, om een man gesmeekt had. + +"Zoo iets is wel eens vroeger voorgekomen. Wat zal ik nu doen?" + +Zij klaagt en jammert, en zij kan de gedachte maar niet uit haar +hoofd zetten, dat het een arme vrouw moet zijn. + +Op 't laatst wordt donna Micaela ongeduldig. + +Zij grijpt haar bij den arm en schudt dien. "Maar donna Elisa, +donna Elisa." + +Donna Elisa hoort haar niet; ze jammert maar steeds. + +"Wat zal ik doen, wat zal ik doen?" + +"Maar maak dan de arme vrouw, die hier ligt, tot de echtgenoote van +uw zoon, donna Elisa!" + +Donna Elisa ziet op en aanschouwt een bekoorlijk stralend gelaat! + +Maar slechts een oogenblik, want donna Micaela verbergt het haastig +aan donna Elisa's schouder. + + + +Donna Elisa en donna Micaela gaan te zamen terug naar de stad. De +straat kronkelt zich zoo, dat ze donna Elisa's huis niet kunnen +zien, vóórdat zij er heel dicht bij zijn. Als zij het eindelijk in +het gezicht krijgen, zien ze dat de winkelramen verlicht zijn. Vier +groote waskaarsen branden achter de trossen rozenkransen. + +De twee vrouwen drukken elkaar de hand. "Hij leeft, hij leeft," +fluisteren zij. + +"Ge moogt hem niets zeggen van hetgeen het beeld u bevolen heeft," +zegt donna Micaela. + +Voor den winkel omhelzen zij elkaar en gaan elk naar haar huis. Na een +tijdje verschijnt Gaetano op de winkeltrap. Een oogenblik staat hij +stil, terwijl hij de frissche nachtlucht inademt. Dan ziet hij, dat +er nog licht brandt in het zomerpaleis aan de overzij van de straat. + +Gaetano ademt diep en heftig, hij schijnt haast bevreesd om verder +te gaan. Plotseling ijlt hij weg als iemand, die een onafweerbaar +ongeluk tegemoet gaat. + +De poort van het zomerpaleis is niet gesloten, hij springt de trap +op en rukt de deur der muziekzaal open zonder aan te kloppen. + +Donna Micaela zit te denken of hij nog hedennacht zal komen of wachten +zal tot den volgenden morgen. + +Dan hoort zij schreden op de galerij. + +Een angstig gevoel grijpt haar aan. Hoe zal hij nu zijn? Zij heeft +zoo ongelooflijk naar hem verlangd. Zal hij nu werkelijk zoo zijn, +dat eindelijk al haar verlangen bevredigd wordt? + +En zullen er geen nieuwe muren tusschen hen oprijzen? Zullen ze +elkaar één keer alles kunnen zeggen? Zullen ze nu over liefde of over +socialisme spreken? + +Als hij de deur openrukt, tracht ze hem tegemoet te gaan, maar zij kan +niet. Heel haar lichaam trilt, ze gaat zitten en bedekt haar oogen +met de handen. Zij verwacht dat hij haar in zijn armen zal sluiten +en haar kussen zal. Maar dat doet hij stellig niet. Gaetano pleegt +niet te doen, wat men van hem verwacht. + +Zoodra hij uit zijn bezwijming ontwaakte, heeft hij zich in de kleeren +geworpen om naar haar te gaan. Hij is eigenlijk uitgelaten vroolijk, +hij zou willen, dat ook zij het zoo licht opnam. Hij wil niet ontroerd +zijn. Hij kan nu geen aandoening verdragen, 's voormiddags is hij +toch ook in onmacht gevallen. Hij staat stil naast haar tot zij haar +kalmte herwonnen heeft. + +"Gij hebt geen sterke zenuwen," zegt hij. + +Dat is alles wat hij zegt. + +Zij en donna Elisa en alle menschen in Diamante zijn overtuigd, dat +hij gekomen is om haar in zijn armen te sluiten en haar te zeggen, +dat hij haar liefheeft. + +Maar juist daarom is het Gaetano onmogelijk. Sommige menschen hebben +een oppositiegeest, ze kunnen nooit doen, wat men verwacht, dat zij +zullen doen. + +Gaetano begint haar van zijn reis te vertellen. Hij spreekt niet +eens over het socialisme. Hij spreekt van den trein, den conducteur +en het eigenaardige reisgezelschap. + +Donna Micaela ziet hem aan, haar oogen beginnen al inniger te +smeeken. Gaetano schijnt blij en gelukkig te zijn haar te zien. Maar +waarom kan hij niet zeggen, wat hij moet zeggen? + +"Hebt ge met den Etnaspoorweg gereisd?" vraagt zij. + +"Ja," antwoordt hij en begint kalm uit te weiden over het nut en de +schoonheid van dezen nieuwen spoorweg. Hij weet in het geheel niet +hoe die tot stand is gekomen. + +Gaetano zegt tot zich zelf dat hij een barbaar is. Waarom zegt hij +haar niet de woorden waarnaar zij smacht? Maar waarom zit zij daar +ook zoo onderdanig? + +Waarom toont zij, dat hij slechts zijn hand behoeft uit te strekken +om haar te nemen? + +Hij is jubelend, stralend gelukkig weer in haar nabijheid te zijn, +maar zij is hem zoo zeker, zoo zeker.--'t Is zoo aardig haar een +weinig te plagen. + +Het volk staat nog op straat, en alle menschen voelen zich verheugd +alsof ze een dochter uithuwelijken. + +Zij hebben slechts geduld gehad om Gaetano tijd te geven zich te +verklaren. + +Maar nu moet hij dat zeker wel gedaan hebben. + +En zij beginnen te roepen: + +"Leve Gaetano! Leve Micaela!" + +Donna Micaela ziet met een onbeschrijflijk gepijnigden blik op. Hij +moet toch begrijpen, dat zij daaraan geen schuld heeft. Zij gaat +naar de galerij en zendt Lucia naar beneden met het verzoek of zij +daarbuiten stil willen zijn. + +Als zij weer in de kamer komt, is Gaetano opgestaan. Hij reikt haar +de hand, hij wil gaan. + +Donna Micaela geeft hem de hand zonder bijna te weten wat zij +doet. Maar plotseling trekt zij haar hand terug. + +"Neen, neen!" zegt zij. + +Hij wil gaan en wie weet of hij morgen terugkomt. En zij heeft niet +met hem gesproken, ze heeft geen woord gezegd van hetgeen haar op +het hart ligt. + +Het behoefde tusschen hen niet te zijn als tusschen gewone +verliefden. Hij had immers haar leven het leven gegeven, gedurende +zoovele jaren. Of hij haar nu sprak van liefde of niet, dat was haar +onverschillig. Zij wilde hem zeggen wat hij voor haar geweest was. + +En juist nu. Men moet den tijd gebruiken waar het Gaetano geldt. Zij +waagt het niet hem te laten gaan. + +"Ge moogt nog niet vertrekken," zegt zij. "Ik moet u iets zeggen." Zij +zet een stoel voor hem gereed, zelf neemt zij iets achter hem +plaats. Zijn oogen stralen al te vroolijk hedenavond, die doen haar +pijn. Dan begint zij te spreken. De groote, verborgen schatten +van haar leven legt zij voor hem bloot. Dat waren al de woorden, +die hij tot haar gesproken heeft, al de droomen, die hij haar heeft +doen droomen. Zij heeft niets verloren. Alles heeft zij gespaard en +verzameld; het is de gansche rijkdom van haar arm leven geweest. + +In het begin spreekt zij haastig, alsof zij een les opzegt. Zij is bang +voor hem; zij weet niet of het hem aangenaam is dat ze spreekt. Dan +waagt ze het hem aan te zien. Nu is hij ernstig, nu is hij in het +geheel niet vroolijk meer. + +Hij zit stil te luisteren alsof hij geen lettergreep wil verloren +laten gaan. Zoo straks was zijn gelaat ziekelijk aschgrauw, maar nu +verandert het plotseling. Zijn aangezicht begint te schitteren als +van een zalige. + +Zij vertelt en vertelt. Zij ziet aan hem, dat ook zij nu schoon +is. Hoe zou het ook anders kunnen zijn. Eindelijk, eindelijk kan zij +hem alles zeggen. + +Ze mag hem zeggen, hoe de liefde tot haar kwam en haar sedert +nooit weer verliet. Eindelijk mag zij hem zeggen, wat hij voor haar +geweest is. + +Woorden kunnen het niet genoeg uitdrukken. Ze grijpt zijn hand en +kust die. + +Hij laat dat geschieden zonder zich te verroeren. De kleur van zijn +gelaat wordt niet hooger, maar doorschijnender, klaarder. Zij moet +aan Gandolfo denken, die zei, dat Gaetano's gezicht zoo bleek werd, +dat het lichtte. + +Hij valt haar niet in de rede. Zij vertelt hem van den spoorweg, +verhaalt van de wonderen van het Christusbeeld. Nu en dan ziet hij +haar aan. Zijn oogen stralen haar tegemoet. Hij lacht haar volstrekt +niet uit. + +Zij zou gaarne willen weten wat hij nu denkt. Hij ziet er uit, alsof +hetgeen zij hem vertelt niet veel nieuws voor hem is. Hij schijnt +alles reeds te weten wat zij zegt. + +Kwam het misschien, omdat de liefde, die hij voor haar gevoelt, juist +zoo is als haar liefde voor hem? Wekte die in hem ook het edelste, +dat in zijn ziel sluimerde? Was die ook de verheffende kracht van zijn +leven geweest? Had die vleugels gegeven aan zijn kunstenaarsziel? Had +die hem de armen en onderdrukten doen liefhebben? Bezielt die liefde +hem, zoodat hij voelt dat hij een kunstenaar, een apostel is, en +niets te hoog is voor hem? + +Daar hij nog steeds zwijgt, denkt zij, dat hij zich misschien niet +wil binden aan haar. Hij heeft haar lief, maar hij wil misschien +een vrij man blijven. Hij meent misschien, dat zij niet past voor de +vrouw van een socialist. + +Haar bloed begint te koken. Zij denkt, dat hij misschien meent, +dat zij bedelt om zijn liefde. + +Zij heeft hem bijna alles verhaald, wat gebeurd is in den tijd, +dat hij afwezig was. Nu breekt zij plotseling haar verhaal af. + +"Ik heb je liefgehad," zegt zij. "Ik zal je altijd liefhebben en +ik zou gewenscht hebben, dat je mij nog éénmaal zeidet, dat je mij +liefhebt. Dan zou de scheiding gemakkelijker te dragen zijn." + +"Werkelijk?" zegt hij. + +"Kan ik ooit je vrouw worden?" zegt ze; haar stem beeft van smart. "Ik +vrees niet meer zooals vroeger je leer, ik ben niet meer bang voor je +armen; ook ik wil de aarde herscheppen zooals gij. Maar ik ben een +geloovige. Hoe zou ik met je kunnen leven als je daarin niet gelijk +met mij denkt? Of zou je mij tot ongeloof willen verleiden? Dan +zou de wereld dood voor mij zijn. Alles zou doel en beteekenis voor +mij verloren hebben. Ik zou een rampzalig, ellendig mensch zijn. We +moeten scheiden." + +"Werkelijk?" Zijn oogen beginnen te schitteren van ongeduld. + +"Nu moet je gaan," zegt ze stil. "Ik heb je alles verteld, wat ik +zeggen wilde. Ik zou gewenscht hebben, dat je mij iets te zeggen hadt +gehad. Maar misschien is het zoo beter voor ons beiden. We moeten de +scheiding niet zwaarder maken, dan zij reeds is." + +Gaetano's eene hand grijpt hard om haar handen, met de andere houdt +hij haar hoofd vast, zoo kust hij haar. + +Was zij waanzinnig, dat zij kon denken, dat hij door iets, iets ter +wereld zich van haar zou laten scheiden? + + + + + + +VI. + +SLECHTS VAN DEZE WERELD. + + +Toen zij opgroeide, zeiden alle menschen van haar: "Zij wordt een +heilige, zij wordt stellig een heilige." + +Haar naam was Margherita Cornado. Zij woonde in Girgenti, dat aan de +Zuidkust van Sicilië in het groote mijndistrict ligt. + +Toen zij nog een kind was, werkte haar vader in de mijnen, later kreeg +hij een kleine erfenis, zoodat hij niet meer behoefde te werken. Er +was een klein, smal, armoedig dakterras op het huis van Margherita +Cornado in Girgenti. Een steile, smalle trap leidde daarheen, en men +moest door een lage deuropening kruipen om op het terras te komen. + +Was men daar, dan zag men niet alleen een menigte daken, maar ook +de lucht boven de stad, die doorpriemd was met de talrijke torens +en spitse gevels der kerken. En iedere gevel en elke toren was een +trillend kantwerk van beelden, loggia's en sierlijke baldakijns. + +Achter de stad zag men een groote vlakte, die neerdaalde tot de zee, +en daaromheen een halven cirkel van bergen, die de vlakte bewaakten. + +De vlakte glansde gloeiend rood, de zee email blauw en de berghelling +goudgeel. Het geheel deed denken aan den kleurengloed en de pracht +van het Oosten. + +Maar men zag nog veel meer dan dit. Oude tempels lagen verstrooid +over het dal. Ruïnes en merkwaardige oude torens schitterden in den +zonneschijn. 't Was een heele sprookjeswereld. + +Toen Margherita Cornado opgroeide, placht zij het grootste gedeelte +van den dag hier door te brengen. Maar zij keek niet naar het heerlijke +landschap. Haar geest was door iets anders in beslag genomen. + +Haar vader had haar verteld van het leven in de zwavelmijnen, waar +hij gewerkt had. Terwijl Margherita Cornado daar op het frissche +terras zat, vertoefde ze in gedachten steeds in de donkere, benauwde +mijngangen. + +Zij kon niet nalaten aan al de ellende te denken, die in de mijnen +heerschte. Vooral moest zij aan de kinderen denken, die het erts uit +de mijnen aansleepten. + +"De kleine wagens" noemde men hen. Dat woord bleef steeds in haar +geheugen haken. + +Arme, arme wagentjes! kleine mijnwagentjes! + +Zij kwamen 's morgens vroeg bij de mijn, en volgden dan elk hun +arbeider in de groeve. Zoodra hij erts genoeg uitgehakt had, belastte +hij zijn "wagentje" met een mand vol erts en dan begonnen dezen op te +stijgen. Verscheidenen van hen ontmoetten elkaar onderweg en vormden +dan een langen optocht. Ze begonnen dan te zingen: + + + De tocht is gedaan met pijn en nood, + Met den twintigsten ben ik misschien reeds dood. + + +Als zij eindelijk in het daglicht kwamen, ledigden zij hun manden met +erts en wierpen zich op den grond om een oogenblik uit te rusten. De +meeste knapen sleepten zich dan naar de zwavelhoudende waterpoelen, +die dicht bij de mijnschacht waren en dronken van het stinkende water. + +Maar spoedig moesten ze weer naar beneden en ze verzamelden zich bij +de schacht. En terwijl ze naar beneden klauterden, riepen ze: + +"Mijn God, mijn God, erbarm u onzer! erbarm u onzer!" + +En elken keer, dat de wagentjes boven kwamen, werd hun gezang +klagender. Ze snikten en schreiden, terwijl ze opstegen uit de mijn. + +De wagentjes baadden in zweet, de zware manden groeven diepe wonden +in hun schouders. + +Terwijl ze op en neer gingen zongen ze: + + + Zeven tochten gedaan in pijn en nood, + 't Leven is erger dan de dood. + + +Gedurende heel haar jeugd had Margherita Cornado medelijden gevoeld +met deze ongelukkige kinderen. + +En juist omdat zij altijd aan hun rampzalig lot dacht, geloofde men +dat zij een heilige zou worden. + +Ze vergat hen ook niet, toen zij ouder werd. Zoodra zij volwassen +was, ging zij naar Grotte, waar de meeste mijnen zijn, en als dan de +wagentjes in het daglicht kwamen, verkwikte zij hen bij de schacht +met helder, zuiver water. Zij droogde het zweet van hun gelaat, +zij verbond de wonden aan hun schouders. + +'t Was niet veel, wat zij voor hen doen kon, maar toch geloofden de +wagentjes, dat zij het leven niet meer konden dragen, indien Margherita +Cornado niet kwam om hen te troosten. + +Maar ongelukkig voor de wagentjes, was Margherita zeer schoon. Eens +zag een der mijningenieurs haar, terwijl zij hen troostte, en hij +kreeg haar dadelijk zeer lief. Een paar weken later kwam Margherita +Cornado in het geheel niet meer bij de mijnen in Grotte. Zij zat +thuis in Girgenti aan haar uitzet te naaien. Ze zou trouwen met den +mijningenieur. Zij zou een goede partij doen en verwant worden aan +de eersten der stad. Nu kon zij zich immers niet meer bekommeren om +de wagentjes. + +Een paar dagen voor de bruiloft kwam de oude bedelaarster Santuzza, die +Margherita's peettante was, bij haar en verlangde haar te spreken. Ze +begaven zich naar het dakterras om ongestoord te kunnen zijn. + +"Margherita," zei de oude vrouw, "gij leeft in zulk een glans en +heerlijkheid, dat het misschien weinig baat nu tot u te spreken +over degenen, die in nood en kommer leven. Die allen hebt ge geheel +vergeten." + +Margherita berispte haar, omdat zij zoo kon spreken. + +"Ik breng u de groeten van mijn zoon Orestes. Het gaat hem slecht, +hij heeft uw raad noodig." + +"Ge weet dat ge vrij tot mij kunt spreken, Santuzza," zei het meisje. + +"Orestes werkt niet langer in de mijnen van Grotte, hij is vertrokken +naar Racalmuto, en hij heeft het daar zeer slecht. + +"Niet omdat het loon zoo karig is, maar omdat de ingenieur zoo hard +is, dat hij de arme menschen tot hun laatsten bloeddruppel pijnigt." + +Santuzza verhaalde nu hoe de ingenieur de arbeiders plaagde. Hij +berekende hun arbeidstijd te kort, hij liet hen boete betalen, als +zij een dag verzuimden. Hij bestuurde de mijnen niet goed. Instorting +op instorting vond plaats. Niemand was zeker van zijn leven zoolang +hij onder den grond was. + +Margherita, Orestes had een zoon. Een heerlijken knaap, die onlangs +tien jaar geworden is. Toen kwam de ingenieur op een dag bij Orestes +en wilde den knaap van hem koopen om hem bij de wagentjes te plaatsen. + +Maar Orestes wilde niet. Zijn zoontje zou niet vermoord worden door +zulk een bovenmatigen arbeid. + +Toen dreigde de ingenieur hem, dat hij van de mijn gejaagd zou worden. + +Santuzza maakte een pauze. + +"En toen?" vroeg Margherita. + +"Ja, toen stond Orestes zijn zoon af aan den ingenieur. + +"Den volgenden dag sloeg deze den knaap, hij sloeg hem bijna elken +dag. De knaap werd al zwakker en zwakker. Orestes smeekte den ingenieur +den knaap te sparen, maar hij had geen erbarmen. Hij zei dat de kleine +lui was, en hij bleef den knaap vervolgen.--En nu is hij dood. Mijn +kleinzoon is dood, Margherita." + +Het meisje had opeens haar gansche geluk vergeten. Opnieuw was zij +slechts de dochter van den mijnwerker, de schutspatrones der wagentjes; +het arme meisje, dat op het lichte terras placht te weenen over de +ellende in de zwarte mijnen. + +"Waarom laat men dien man leven?" riep zij uit. + +Santuzza keek haar uitvorschend aan. Toen haalde zij een mes uit +haar zak. + +"Dit zendt Orestes u met duizend vragen," zei ze. + +Margherita Cornado nam het mes, kuste de kling en gaf het terug zonder +een woord te spreken. + +De avond voor de bruiloft brak aan. De ouders van den bruidegom +wachtten op hun zoon. Tegen zonsondergang zou hij uit de mijnen +komen. Maar hij kwam niet. Laat in den nacht zonden ze een knecht +uit om naar hem te zoeken. Deze vond hem een mijl van Girgenti. Hij +lag vermoord aan den wegkant. + +Men zocht ijverig naar den moordenaar. Alle mijnwerkers moesten een +streng verhoor ondergaan, maar de schuldige werd niet ontdekt. + +Geen getuige gaf zich aan, niemand wilde een kameraad verraden. Toen +klaagde Margherita Cornado den zoon van haar peetmoeder, Orestes, +aan als den moordenaar van haar bruidegom. + +Dit deed zij hoewel zij wist, dat haar bruidegom schuldig was aan +alles, waarvan Santuzza hem aangeklaagd had. Dit deed zij hoewel zij +zelf zijn vonnis geveld had door het mes te kussen. + +Maar nauwelijks had zij Orestes aangeklaagd, of ze werd door een +hevig berouw aangegrepen, gewetenswroeging verteerde haar. + +In een ander land dan Sicilië zou hetgeen zij gedaan had, niet als +een misdaad gerekend worden. + +Een Siciliaan echter sterft liever dan dat hij als aanklager optreedt. + +Margherita Cornado had geen rust, dag noch nacht. In haar hart was een +voortdurende, verterende angst, een eeuwige rampzaligheid vervulde +haar. Zij werd niet streng veroordeeld, omdat men wist, dat ze den +vermoorden had liefgehad en vond, dat Santuzza te wreed jegens haar +was geweest. Niemand sprak verachtelijk over haar, niemand wendde +het hoofd af om haar niet te groeten. + +Maar het hielp haar niet, dat de anderen mild jegens haar waren. Het +berouw woonde in haar hart en schrijnde als een open wonde. + +Orestes werd veroordeeld tot levenslange galeistraf. Santuzza stierf +een paar weken, nadat haar zoon veroordeeld was. + +Margherita kon geen vergeving verkrijgen, noch van den een, noch van +de andere. + +Zij riep de heiligen aan, maar dezen wilden haar niet helpen. Niets +ter wereld scheen in staat te zijn om den verpletterenden last der +gewetenswroeging van haar af te wentelen. + +In dezen tijd verscheen de beroemde Franciscanermonnik fra Gondo in +Girgenti. Hij predikte om de menschen op te wekken een pelgrimstocht +naar Diamante te doen. + +Fra Gondo gaf er niet om, dat de paus het beeld in San Pasquale nog +niet als wonderdoend erkend had. Hij had de blinde zangers op hun +tochten over het eiland getroffen en hen hooren verhalen van het +beeld. Lange, heerlijke nachten had hij gezeten aan vader Elia's en +broeder Tomasso's voeten en zij hadden hem van het avondrood tot het +ochtendkrieken, verhaald van het beeld. + +En nu verwees de machtige prediker alle bedroefden naar dezen +wonderdoener. + +Hij spoorde de menschen aan, dezen heiligen tijd niet ongebruikt te +laten voorbijgaan. + +"Het Christuskind," zei hij, "wordt niet genoeg vereerd op Sicilië. Nu +is de tijd aangebroken, dat het hier een eigen kerk en eeredienst wil +hebben. En om dat te krijgen, laat hij nu wonder op wonder verrichten +door het heilige beeld." + +Pater Gondo, die zijn noviciaat doorgebracht had in Aracoeli's klooster +op het Kapitool, vertelde het volk van het Christuskind daar en van +de duizenden wonderen, die hij verricht had. + +"En nu wil dat goede, kleine kind op Sicilië aangebeden worden," +zei pater Gondo. + +"Laat hem niet langer tevergeefs aankloppen, opent de poort voor hem! + +"Nu in deze dagen is de hemel mild. Laten wij de eersten zijn, die +het beeld erkennen! Laten wij zijn als de herders en wijzen van het +Oosten, laat ons gaan naar het heilige kind, terwijl het nog ligt op +het stroobed in de armoedige grot!" + +Een nieuwe hoop ontwaakte in Margherita Cornado's hart toen zij +dit hoorde. Zij was de eerste, die gehoor gaf aan pater Gondo's +oproeping. Later sloten zich nog anderen bij hem aan.--Veertig pelgrims +ondernamen met hem den tocht door de woestijn naar Diamante. + +Ze waren allen zeer arm en ongelukkig, maar pater Gondo liet ze onder +gezang en gebed optrekken. Spoedig begonnen hun oogen te stralen, +alsof de ster van Bethlehem hen voorlichtte. + +"Weet ge," zei pater Gondo, "waarom Gods zoon grooter is dan alle +andere heiligen? Omdat hij de ziel heiligheid geeft, omdat hij de +zonden vergeeft, omdat hij den geest een zalige rust in God schenkt, +omdat zijn rijk niet slechts van deze wereld is." + +Als de kleine schare vermoeid was, wekte hij haar op met verhalen van +de wonderen, die het beeld reeds gedaan had. De legenden der blinde +zangers werden tot verkwikkende vruchten en opwekkenden wijn voor de +moede pelgrims. + +En ze schreden met lichten tred verder alsof ze trokken naar Nazareth, +om den timmermanszoon te zien. + +"Hij zal het lijden van ons nemen," zei pater Gondo. "Als wij +terugkeeren zal ons hart bevrijd zijn van alle kwelling." + +En gedurende den tocht door de verschroeide, gloeiend heete woestijn, +waar geen enkele boom schaduw gaf en waar het water bitter smaakte van +zwavel en zout, voelde Margherita Cornado dat haar smart draaglijker +werd. + +"De kleine hemelkoning zal dit lijden van mij nemen," zei ze. + +Op een dag in Mei bereikten de pelgrims eindelijk den voet van +Diamante's berg. Daar eindigde de woestijn, groene olijfbosschen en +frissche struiken omringden hen. De berg straalde, de stad straalde. Ze +voelden, dat ze op een plaats gekomen waren, die lag onder Gods genade. + +Verheugd gingen ze op langs den zigzagweg en met luide, jubelende +stemmen hieven ze een oud pelgrimslied aan. + +Toen ze den berg een eindweegs beklommen hadden, kwamen de menschen +uit Diamante hen juichend tegemoet. Men had den arbeid weggeworpen +en was naar buiten gesneld, toen men de eentonige klanken van het +oude pelgrimslied hoorde. En het volk van Diamante omhelsde en kuste +de pelgrims. + +Men had hen reeds zoo lang verwacht, men had niet kunnen begrijpen, +waarom ze niet eerder waren gekomen. + +Diamante's Christusbeeld was een machtige wonderdoener, hij was zoo +barmhartig, zoo goed, dat alle menschen tot hem moesten komen. Toen +Margherita Cornado dit hoorde, had zij een gevoel, alsof haar hart +reeds verlost was van alle pijn. + +De menschen van Diamante troostten haar. + +"Hij zal u stellig helpen, hij helpt u allen," zeiden ze. + +"Niemand heeft nog tevergeefs tot hem gebeden." + +Bij de stadspoort scheidden de pelgrims van elkaar. De menschen van +Diamante namen hen mede naar hun huizen, opdat zij zich verfrisschen +en verkwikken zouden, na den moeitevollen tocht. Over een uur zouden +ze elkaar weer ontmoeten bij de Porta Etnea om samen naar het beeld +te gaan. + +Maar Margherita had geen geduld om een heel uur te wachten. Zij +vroeg den weg naar de kerk San Pasquale en ging daar alleen heen vóór +alle anderen.... + +Toen Pater Gondo en de pelgrims een uur later in San Pasquale kwamen, +zagen ze Margherita Cornado liggen voor het hoogaltaar. Ze scheen +hen niet te bemerken. Maar toen pater Gondo in haar nabijheid kwam, +vloog ze op, alsof ze op den loer gelegen had en wierp zich op hem. Ze +greep hem bij de keel en wilde hem worgen. + +Zij was groot, en sterk en krachtig gebouwd. Het was een heete strijd +vóórdat pater Gondo en een paar pelgrims er in slaagden haar vast te +binden. Zij was volslagen krankzinnig en woest. + +De pelgrims waren in plechtigen optocht gekomen, ze zongen en hielden +brandende kaarsen in de hand. + +Het was een lange stoet, want heel veel menschen uit Diamante hadden +zich aangesloten bij de pelgrims. + +Zij, die het eerst in de kerk kwamen, hielden dadelijk op met zingen, +de laatsten hadden echter niets gemerkt en bleven doorzingen. Maar toen +verspreidde zich het gerucht van het gebeurde, en waar dit kwam zweeg +het gezang. 't Was droevig te hooren hoe het wegstierf en veranderde +in een luid geweeklaag. + +Al de moede pelgrims begrepen immers, dat hun tocht vergeefsch was. Hun +kwellingen en lijden zouden niet van hen genomen worden. De schoone +verwachtingen der laatste hoopvolle dagen werden ruw in hen gedood. + +Het heilige beeld zou hun geen vertroosting kunnen schenken. + +Pater Gondo zelf was ook verschrikt. Voor hem was het een harder +slag dan voor iemand anders; want elk der anderen had slechts zijn +eigen leed te dragen, maar hem drukte de smart van al deze menschen +op het harte. + +Hoe zou hij kunnen verantwoorden al de verwachtingen, die hij +opgewekt had? + +Plotseling gleed een schoone, kinderlijk vrome glimlach over zijn +gelaat. Het beeld wilde zeker het geloof van hem en de anderen op +de proef stellen! Indien zij slechts niet wankelden, zouden ze wel +geholpen worden. + +Hij begon opnieuw het pelgrimsgezang aan te heffen met zijn heldere +stem en schreed naar het altaar. + +Maar toen hij dichter bij het beeld kwam, onderbrak hij het gezang +opnieuw. Hij staarde met wijdopengesperde oogen naar het beeld. Toen +strekte hij de hand uit, nam de kroon en bracht die bij zijn oogen. + +"Het staat er, het staat er," mompelde hij, terwijl hij de kroon uit +zijn hand liet vallen. + +Van dat oogenblik af wist pater Gondo, dat hij den verworpeling van +Aracoeli voor zich had. + +Hij vertelde dit echter niet dadelijk aan het volk, maar zei met zijn +gewone zachtmoedigheid: + +"Mijn vrienden, ik wil u iets merkwaardigs verhalen." + +En hij vertelde hun van de Engelsche, die het Christusbeeld van +Aracoeli had willen stelen. Hij verhaalde hoe het beeld Antichrist +genoemd en in de wereld geworpen werd. + +"Ik herinner fra Simoni mij nog zoo goed," zei pater Gondo. + +"Hij toonde mij nooit het beeld, zonder te zeggen: + +"'t Was deze kleine hand, die aan het klokketouw trok, het was deze +kleine voet, die tegen de poort schopte." + +"Maar als ik fra Simoni vroeg, waar het andere beeld gebleven was, +zei hij altijd: "Wat zou er van hem geworden zijn? Rome's honden +hebben het zeker verscheurd." + +Pater Gondo sprak nog steeds even kalm en zacht, terwijl hij bukte +om de kroon op te rapen, die hij zoo juist had laten vallen. + +"Leest dit!" zei hij. En hij liet de kroon van man tot man gaan. De +menschen stonden nog met hun brandende kaarsen in de hand, en zij, +die lezen konden, lazen en de anderen zagen ten minste, dat er een +opschrift was. + +En elk die de kroon in de hand had, blies zijn kaars stil uit. Toen het +laatste licht gedoofd was, wendde pater Gondo zich tot zijn pelgrims, +die zich om hem heen verzameld hadden. + +"Ik heb u hierheen gevoerd," zei hij tot hen, "opdat gij Hem zoudt +vinden die de zielen vrede en ingang tot Gods rijk schenkt. Maar +ik heb u verkeerd geleid, want dit beeld kan u niets geven. Zijn +rijk is slechts van deze wereld. Onze arme zuster is waanzinnig +geworden," vervolgde pater Gondo, "omdat zij hier kwam en hoopte op +hemelsche weldaden. Zij verloor haar verstand, toen haar smeekbeden +niet verhoord werden. Hij kon haar niet bijstaan want zijn rijk is +slechts van deze wereld." + +Hij zweeg een oogenblik en allen zagen naar hem op om te weten, +wat zij van dit alles moesten denken. + +Toen vroeg hij zacht: "Zal een beeld, dat zulke woorden in zijn kroon +voert, nog langer een altaar ontheiligen?" + +"Neen, neen!" riepen de pelgrims. Het volk van Diamante stond zwijgend, +door ontzetting bevangen. + +Pater Gondo nam het beeld tusschen zijn handen, en droeg het met +uitgestrekte armen door de kerk naar den uitgang. + +Maar hoe zacht en ootmoedig de pater ook gesproken had, zijn +blikken hadden den ganschen tijd streng met bedwingende macht op de +volksmenigte gerust. + +Er was geen mensch, die niet onderworpen was aan zijn machtigen +wil. Allen stonden als verlamd en waren niet in staat een eigen +gedachte te denken. + +Toen pater Gondo den uitgang genaderd was, stond hij stil en keek +om. Een laatste bedwingende blik gleed over de menschenmassa. + +"Ook de kroon," zei pater Gondo. En ook de kroon werd hem overgereikt. + +Hij plaatste die op het beeld en ging onder den baldakijn, die San +Pasquale's beeld beschermt. + +Hij fluisterde een paar pelgrims iets in het oor, dezen gingen haastig +weg. Spoedig kwamen ze terug met hun armen vol droge takken. Deze +stapelden ze op voor pater Gondo, die den brandstapel aanstak. + +Allen, die in de kerk waren geweest, stroomden nu naar buiten. Daar +stonden ze nog steeds, verlamd en willoos. + +Zij zagen dat de monnik hun geliefd, wonderdoend beeld wilde +verbranden, maar zij verzetten zich niet. + +Zij begrepen het zelf niet, dat zij niet trachtten het beeld te redden. + +Maar toen pater Gondo de vlam zag oplaaien, en wist, dat het beeld +volkomen in zijn macht was, richtte hij zich op, zijn oogen bliksemden. + +"Mijn ongelukkige kinderen!" zei hij mild, terwijl hij zich tot +de menschen van Diamante wendde. "Gij hebt een vreeselijken gast +geherbergd. Maar hoe is het mogelijk, dat gij niet reeds vroeger +ontdekt hebt, wie hij is? Wat moet ik van u gelooven?" vervolgde +hij strenger. + +"Gij zegt zelve, dat het beeld u alles gaf, wat gij wenschtet. Zoo +is er dus niemand in Diamante, die gedurende al deze jaren gebeden +heeft om vergeving zijner zonden en om vrede voor zijn ziel? + +"Is het mogelijk? De menschen van Diamante hadden geen andere +wenschen, dan prijzen in de loterij, goede jaren, hun dagelijksch +brood, gezondheid en geld? + +"Niets anders dan wereldsche goederen hebt gij begeerd. Geen uwer +had ooit behoefte te bidden om hemelsche genade. + +"Kan dat werkelijk mogelijk zijn? Neen, het kan niet zoo zijn," +zei pater Gondo vragend, als vervuld van een blijde hoop. + +"Ik ben het, die mij vergis. Gij hebt begrepen, dat ik het beeld niet +in de vlammen zou werpen, vóórdat ik u allen gehoord had. Gij wacht +slechts tot ik zwijgen en u gelegenheid geven zal te getuigen voor +het beeld. Nu zullen velen uwer tot mij komen en zeggen: + +"Dit beeld heeft mij tot een geloovige gemaakt," en anderen zullen +getuigen: + +"Hij heeft mij vergeving geschonken voor mijn zonden," en velen +zullen zeggen: + +"Hij heeft mijn oogen geopend, opdat ik de heerlijkheid des hemels +aanschouwen kan." + +"Gij allen zult komen en ik zal tot spot en hoon zijn, en ge zult mij +noodzaken het beeld op het altaar terug te brengen, en ik zal moeten +erkennen, dat ik mij vergist heb." + +Pater Gondo zweeg en keek het volk afwachtend aan. Een hevige +ontroering maakte zich meester van de toehoorders. Velen schenen +te willen getuigen, maar zoodra ze een paar schreden gedaan hadden, +bleven zij aarzelend staan. + +"Ik wacht," zei de monnik en zijn blikken smeekten den menschen +te komen. + +Maar niemand kwam. De geheele volksmenigte leed een ondragelijke +smart niet te kunnen getuigen om het geliefde beeld te redden. Maar +niemand verroerde zich. + +"Mijn ongelukkige kinderen," zei pater Gondo diep bedroefd, "de +Antichrist heeft in uw midden vertoefd en hij heeft u geheel in zijn +macht. Gij hebt den hemel vergeten. Gij weet niet meer dat gij een +ziel bezit. Gij hebt slechts aan deze aarde gedacht. + +"Vroeger zei men, dat de menschen in Diamante de vroomste geloovigen +waren van gansch Sicilië. Maar nu is dat anders. Diamante's inwoners +zijn wereldlingen, misschien daarenboven nog godlasterende socialisten, +die slechts de aarde liefhebben. Zij kunnen niet anders zijn. De +Antichrist heeft immers in hun midden vertoefd." + +Toen deze aanklachten neervielen op het volk, scheen het eindelijk +in verzet te zullen komen. + +Een toornig gemompel ging door de menschenmenigte. + +"Het beeld is heilig," riep een. "Toen hij de stad binnentrok, +luidden de klokken van San Pasquale den geheelen dag." + +"Moesten zij u niet waarschuwen voor zulk een ramp?" antwoordde +de monnik. + +En met stijgende heftigheid slingerde hij zijn aanklachten onder +het volk. + +"Gij zijt afgodendienaars maar geen Christenen. Gij vereert den +Antichrist, opdat hij u bijstaan zal, maar de heilige geest is niet +meer in u." + +"Hij was goed en barmhartig gelijk Christus," riep het volk. + +"Dat is juist uw ongeluk," zei de pater en plotseling was hij +vreeselijk in zijn toorn. "Hij heeft Christus' gedaante aangenomen +om u te verleiden. + +"Op deze wijze heeft hij u in zijn net gevangen. + +"Juist door gaven en zegeningen op u neer te strooien, heeft hij u +in zijn net gelokt en u tot wereldlingen gemaakt. + +"Kan een uwer het tegendeel bewijzen? Misschien heeft een van u allen +gehoord, dat iemand, die hier niet tegenwoordig is, het beeld om een +hemelsche genade gesmeekt heeft." + +"Hij heeft den vloek weggenomen van een jettatore," zei iemand. + +"Kan niet alleen degene, die even groot in slechtheid is, als de +jettatore, dezen overwinnen?" antwoordde de pater somber. + +Toen deed men geen verdere pogingen meer om het beeld te +verdedigen. Alles wat men aanvoerde, scheen de zaak slechts erger +te maken. + +Verscheidenen blikten naar donna Micaela, die ook aanwezig was. Zij +stond midden in de volksmenigte, zag en hoorde alles, en toch deed +zij niets om haar geliefd beeld te redden. + +Toen pater Gondo zeide, dat het beeld de Antichrist was, verschrikte +zij hevig, en daar hij later aantoonde, dat men in Diamante slechts +wereldsche goederen begeerd had, wies de angst in haar. + +Zij waagde het niet zich te verzetten. + +Maar toen hij nu zei, dat zij en alle menschen in Diamante onder de +macht van den Antichrist waren gekomen, was er iets in haar ziel, +dat in opstand kwam tegen zijn woorden. + +"Neen, neen!" zei zij, "dat kan niet mogelijk zijn." + +Indien zij moest gelooven, dat een booze geest haar geleid had +gedurende zoovele jaren, zou zij haar verstand verliezen. + +En haar verstand begon zich te verdedigen. + +Toen brak, gelijk een te sterk gespannen snaar, het geloof aan het +bovennatuurlijke in haar. + +Haar gedachten doorliepen nu met een oneindige haast alles wat zij zelf +ervaren had en wat haar bovennatuurlijk geschenen had, en wogen dat +nu op de schaal van het koel verstand. Was een enkel dezer voorvallen +wel een wonder geweest? Zij zei tot zich zelf, dat het niets dan een +toeval was geweest, niets dan een toeval! + +'t Was alsof ze een spoel afwond. Van wat ze zelf beleefd had, +ging ze over op de wonderen van vroeger tijden. Alles was toeval, +werking van een overspannen geest, misschien was het meeste wel +verbeelding geweest. + +De toornige monnik ging door met het volk te vervloeken. Zij trachtte +naar hem te luisteren om afleiding te vinden voor haar eigen kwellende +gedachten. Maar zij vond alles wat hij zei waanzinnig en overdreven. + +Maar welke machten werkten in haar ziel, dat zij plotseling een +vrijdenkster werd? + +Zij zag naar Gaetano. Hij was daar ook, en stond in de nabijheid van +den monnik op de kerktrap. Zijn oogen rustten op haar. + +En even zeker alsof zij het hem gezegd had, wist hij wat zij nu +dacht. Maar hij zag er niet verheugd of triomfeerend uit. + +'t Was alsof hij pater Gondo in de rede zou willen vallen om haar +geloof te redden. + +Maar donna Micaela's gedachten kenden geen verschooning. Ze schreden +voorwaarts en plunderden haar ziel. + +Heel de bovennatuurlijke, stralende wereld schrompelde ineen, werd tot +niets. Zij zeide tot zich zelf, dat men van het bovennatuurlijke niets +kon weten. Vele boden waren gegaan van de aarde naar den hemel. Geen +enkele was teruggekomen van den hemel naar de aarde. + +"Maar ik wil gelooven aan God," zei ze, terwijl ze haar handen vouwde +als om ten minste het hoogste en heiligste te behouden. + +"Uw oogen zijn wild en woest," zei pater Gondo. "God leeft niet onder +u. De Antichrist heeft God in uw ziel verdrongen." + +Donna Micaela's blik zocht opnieuw Gaetano. + +"Kunt gij een zoo verlaten en rampzalig wezen iets geven om voor te +leven?" schenen haar oogen te vragen. + +Zijn blik ontmoette den hare met fier zelfvertrouwen. + +Hij las in haar schoone, smeekende oogen hoe haar bevende ziel zich +nu vastklemde aan hem om een steun te vinden. Hij twijfelde geen +oogenblik, dat hij haar leven niet rijk en heerlijk zou kunnen maken. + +Zij dacht aan de vreugde, die zij gevoelde, wanneer zij hem slechts +zag. Zij dacht aan de vreugde die opbruiste rondom haar in dien nacht +in Palermo. Zij wist, dat die ontsproot uit het nieuwe geloof aan +een gelukkige aarde. + +Zou dit geloof en deze vreugde ook haar kunnen bezielen? + +Zij wrong haar handen in angst. Zou dit nieuwe geloof het richtsnoer +van haar leven kunnen worden? Zou zij zich niet altijd even arm +gevoelen als op dit oogenblik? + +Pater Gondo boog zich over de vlammen. + +"Ik zeg u nog éénmaal," riep hij, "indien slechts één uwer verklaart, +dat dit beeld zijn ziel verlost heeft, zal ik het niet verbranden." + +Donna Micaela voelde plotseling dat zij het arme beeld niet kon +laten vernietigen. + +De herinneringen van de schoonste uren haars levens waren daaraan +verbonden. + +"Gandolfo, Gandolfo!" fluisterde zij. Een oogenblikje geleden had +zij hem naast zich gezien. + +"Ja, donna Micaela." + +"Laat hem het beeld niet verbranden, Gandolfo." + +De monnik had zijn vraag nog eenmaal herhaald, twee malen, drie +malen.--Niemand trad naar voren om het beeld te verdedigen. Maar de +kleine Gandolfo sloop al nader. Pater Gondo hield het beeld dicht +bij de vlammen. + +Onwillekeurig had Gaetano zich gebogen; een fiere glimlach gleed over +zijn gelaat. Donna Micaela begreep, dat hij voelde dat Diamante hem +nu toebehoorde. + +Het strenge optreden van den monnik maakte Gaetano tot meester over +de zielen. + +Zij keek verschrikt rond. Haar blik vloog van aangezicht tot +aangezicht. Ging misschien hetzelfde om in de zielen van al deze +menschen? Zij meende te zien, dat allen denzelfden strijd voerden +als zij zelf. + +"Gij, Antichrist," zei pater Gondo dreigend, "ziet ge wel dat niemand +aan zijn zieleheil gedacht heeft, zoolang gij hier vertoefdet? + +"Gij zult in de vlammen omkomen." + +En hij legde het beeld op den brandstapel. + +Maar het had daar nauwelijks een oogenblik gelegen, of Gandolfo greep +het, hief het hoog boven zijn hoofd en snelde er mee heen. + +Pater Gondo's pelgrims trachtten hem te grijpen en het werd een +woedende drijfjacht om den krater van den Monte Chiaro. + +Maar de kleine Gandolfo redde het beeld. + +Een groote reiswagen reed bergafwaarts. De vervolgers hadden Gandolfo +bijna ingehaald, toen wist hij geen anderen raad, dan het beeld in +den wagen te werpen. + +Daarna liet hij zich kalm vangen. Zijn vervolgers spoedden zich nu +naar den reiswagen, maar Gandolfo waarschuwde hen: + +"Wacht u, de signora in den wagen is een Engelsche." + +'t Was signora Favara, die eindelijk genoeg had van Diamante, en +opnieuw de wereld introk. En men liet haar ongedeerd vertrekken. + +Geen Siciliaan waagt het zich te vergrijpen aan een Engelsche. + + + + + + +V. + +EEN FRESCO VAN SIGNORELLI. + + +Een week later was pater Gondo in Rome; hij was op audiëntie bij +den ouden man in het Vaticaan, en vertelde, dat hij den Antichrist +gevonden had in Christus' gedaante, en hoe deze het volk van Diamante +verleid had tot liefde voor de wereld, en hoe hij het beeld had +willen verbranden. Hij verhaalde ook, dat hij het volk niet tot God +had kunnen terugvoeren, maar dat het geheel en al tot ongeloof en +socialisme vervallen was. + +Niemand wilde voor zijn ziel zorgen, niemand wilde aan den hemel +denken. + +Pater Gondo vroeg, wat hij toch moest beginnen met deze arme menschen. + +De oude paus, die de wijste mensch is die nu leeft, lachte niet om +pater Gondo's verhaal, hij was diep bedroefd. + +"Gij hebt verkeerd gehandeld, gij hebt zeer verkeerd gehandeld," +zei hij. Hij zweeg een tijdlang en dacht na, toen zei hij: "Hebt ge +nooit den dom in Orvieto gezien?"--"Neen, heilige vader." + +"Ga naar Orvieto om den dom te zien," zei de paus, "en als ge daar +geweest zijt, kom mij dan vertellen wat gij gezien hebt." + +Pater Gondo gehoorzaamde; hij ging naar Orvieto en zag den heiligen +dom. + +Na twee dagen kwam hij terug in het Vaticaan. + +"Wat hebt ge gezien in Orvieto?" vroeg de paus. + +Pater Gondo verhaalde nu, dat hij in een der kapellen der domkerk +fresco's gezien had van Luca Signorelli, voorstellende "het laatste +Oordeel." Maar hij had noch gezien naar "den Dag des Oordeels," +noch naar "der Dooden Opstanding." + +Hij had al zijn aandacht geschonken aan het groote schilderij, dat +de kerkwachter "de Wonderen van den Antichrist" genoemd had. + +"Wat hebt ge daarop gezien?" vroeg de paus. + +"Ik zag, dat Signorelli den Antichrist geschilderd had als een armen en +geringen man, als Gods Zoon was, toen deze hier op aarde vertoefde. Ik +zag, dat hij hem gekleed had als Christus en hem Christus' gelaat +had gegeven." + +"Wat zaagt ge nog meer?" vroeg de paus. + +"Het eerste dat ik op het fresco zag, was dat de Antichrist zoo +preekte, dat de rijken en machtigen hun schatten aan zijn voeten +legden. + +"Het tweede was, dat een zieke gedragen werd tot den Antichrist en +door hem genezen werd. + +"Het derde tafereel stelde voor een martelaar, die zijn leven gaf +voor de leer van den Antichrist. + +"Het vierde dat ik op het groote wandschilderij zag, was dat de +menschen zich spoedden naar een grooten tempel des vredes en de booze +geest uit den hemel stortte en alle geweldenaars gedood werden door +het vuur." + +"Wat dacht gij, toen ge dit zaagt?" vroeg de paus. + +"Toen ik dit zag, dacht ik: deze Signorelli was waanzinnig. Meent +hij, dat in den tijd van den Antichrist de booze geest overwonnen +zal worden, en de aarde heilig zal zijn als het paradijs?" + +"Zaagt ge nog meer?" + +"Het vijfde tafereel, dat ik zag, was dat monniken en priesters een +grooten brandstapel bestegen en verbrand werden. + +"Het zesde en het laatste was dat de duivel den Antichrist iets in het +oor fluisterde en hem den raad gaf hoe hij moest handelen en spreken." + +"Wat dacht ge, toen ge dit zaagt?" + +"Ik zei tot mij zelf: deze Signorelli was niet krankzinnig, maar hij +was een profeet. De Antichrist zal zeker komen in Christus' gedaante +en de wereld tot een paradijs maken. Hij zal haar zoo schoon maken, +dat de menschen den hemel vergeten. En dit zal de gevaarlijkste +verleiding der wereld worden." + +"Begrijpt gij nu," zei de paus, "dat gij mij niets nieuws verteldet? De +kerk heeft altijd geweten, dat de Antichrist zou komen, toegerust +met alle deugden van Christus." + +"Wist ge ook dat hij werkelijk gekomen is, heilige vader?" vroeg +pater Gondo. + +"Zou ik hier jaar na jaar op Petrus' stoel zitten en niet weten, +dat hij gekomen is?" zei de paus. + +"Ik zie hoe een volksbeweging ontstaat, die brandt van liefde +voor haar naasten en die God haat. Ik zie hoe martelaren hun leven +offeren voor het nieuwe geloof aan een gelukkige aarde. Ik zie hoe +ze nieuwe vreugde en moed putten uit de leuze: "Denk aan de aarde," +zooals vroeger uit het woord: "Denk aan den hemel." Ik wist dat hij, +dien Signorelli voorspeld had, gekomen was." + +Pater Gondo boog zwijgend het hoofd. + +"Begrijpt ge nu, hoe verkeerd gij gehandeld hebt?" + +"Heilige vader, verklaar me mijn zonde." + +De oude paus hief zijn blik op. Zijn heldere oogen doorboorden +den sluier der toevalligheden, die het leven bedekt, en zagen wat +daarachter verborgen was. + +"Pater Gondo," zei hij, "het kleine kind, waarmee ge streedt in +Diamante, het kind dat even barmhartig en wonderdoend is als Christus, +het arme verachte kind, dat zegevierde over u en dat gij den Antichrist +noemt, weet gij wie dat is?" + +"Neen, heilige vader." + +"En hij, die op Signorelli's schilderij zieken genas, rijken bewoog +afstand te doen van hun schatten, de wereld in een paradijs veranderde +en de menschen verleidde den hemel te vergeten, weet gij wie hij is?" + +"Neen, heilige vader." + +"Wie anders kan het zijn dan het Antichristendom, het socialisme? + +De monnik zag verschrikt op. + +"Pater Gondo," zei de paus streng, "toen gij het beeld in uw armen +hieldt, wildet gij het verbranden. Waarom? Waarom waart ge niet +liefdevol jegens hem en droegt hem terug naar het kleine Christusbeeld +op het Kapitool, vanwaar hij uitgegaan is? + +"Maar zoo handelt gij, gij bedelmonniken. Gij kondt de groote +volksbeweging op uw armen nemen als ze nog als een kind in haar +windsels ligt, en gij kondt haar leggen aan Jezus' voeten, en de +Antichrist zou zien, dat hij niets anders is dan Christus' namaaksel +en hem erkennen als zijn heer en meester. + +"Maar wat doet ge? Gij werpt het Antichristendom op den brandstapel, +en spoedig zal het op zijn beurt u daarop werpen." + +Pater Gondo boog zijn knieën. "Ik begrijp u, heilige vader. Ik zal +uitgaan om het beeld te zoeken." + +De paus verhief zich majestueus. + +"Ge zult het beeld niet zoeken, gij zult het nu ongestoord over de +wereld laten gaan. We vreezen hem niet. + +"En als hij komt om het Kapitool te bestormen en den wereldtroon +te bemachtigen, zullen we hem tegemoet gaan, en we zullen hem tot +Christus voeren. We zullen hemel en aarde verzoenen. + +"Maar gij handelt verkeerd," vervolgde hij milder, "wanneer gij hem +haat. Hebt gij dan vergeten, dat de Sibylle hem rekende tot een der +wereldverlossers? + +"Op de hoogte van het Kapitool zal de wereldverlosser worden +aangebeden, Christus of Antichrist." + +"Heilige vader, indien hij de rampen dezer wereld lenigt, en den +hemel geen schade berokkent, dan zal ik hem niet haten." + +Een fijn glimlachje gleed over het gelaat van den ouden paus. + +"Pater Gondo, sta mij toe, dat ook ik u een geschiedenis van Sicilië +verhaal. + +"Men vertelt, pater Gondo, dat toen Onze lieve Heer de wereld schiep, +Hij eens wilde weten of Hij nog veel te doen had. En Hij zond San +Pietro uit om te zien of de wereld gereed was. + +"Toen San Pietro terugkwam, zei hij: + +"Alle menschen weenen, snikken en klagen." + +"Dan is de wereld nog niet gereed," zei Onze lieve Heer en Hij +werkte verder. + +"Na drie dagen zond Onze lieve Heer San Pietro weer naar de aarde. + +"Alle menschen lachen, jubelen en juichen," zei San Pietro, toen +hij terugkwam. + +"Dan is de wereld nog niet gereed," zei Onze lieve Heer en werkte +verder. + +"San Pietro werd voor de derde maal uitgezonden. + +"Sommigen lachen en sommigen weenen," zei hij toen hij terugkwam. + +"Dan is de wereld gereed," zei Onze lieve Heer. + +"En zoo zal het zijn en blijven," zei de oude paus, "Niemand kan de +menschen verlossen van hun ellende, maar hem zal veel vergeven worden, +die nieuwe moed in hen wekt om die ellende te dragen." + + + EINDE. + + + + + + + +End of Project Gutenberg's De Wonderen van den Antichrist, by Selma Lagerlöf + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE WONDEREN VAN DEN ANTICHRIST *** + +***** This file should be named 36194-8.txt or 36194-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/3/6/1/9/36194/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/old/36194-8.zip b/old/36194-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..c216116 --- /dev/null +++ b/old/36194-8.zip |
