diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 33332-8.txt | 13965 | ||||
| -rw-r--r-- | 33332-8.zip | bin | 0 -> 348182 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 33332-h.zip | bin | 0 -> 405507 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 33332-h/33332-h.htm | 14026 | ||||
| -rw-r--r-- | 33332-h/images/cover.jpg | bin | 0 -> 32600 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 33332-h/images/spine.jpg | bin | 0 -> 9063 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 |
9 files changed, 28007 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/33332-8.txt b/33332-8.txt new file mode 100644 index 0000000..298981e --- /dev/null +++ b/33332-8.txt @@ -0,0 +1,13965 @@ +The Project Gutenberg EBook of De Ridderromantiek der Franse en Duitse +Middeleeuwen, by Valdemar Vedel + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen + +Author: Valdemar Vedel + +Translator: Hendrik Logeman + +Release Date: August 3, 2010 [EBook #33332] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE RIDDERROMANTIEK DER FRANSE *** + + + + +Produced by Frank van Drogen and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net + + + + + + +----------------------------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | + | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | + | moderniseren. | + | | + | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | + | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. | + | | + | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | + | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. | + | | + | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven | + | als _cursief_. | + | | + | In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. | + | De dubbele aanhalingstekens zijn in dit e-boek aangegeven als | + | »aanhalingstekens". De enkele aanhalingstekens zijn als | + | >aanhalingstekens< aangegeven. | + | | + | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | + | aangebrachte correcties. | + | | + +----------------------------------------------------------------+ + + + + + DE RIDDERROMANTIEK + DER + FRANSE EN DUITSE MIDDELEEUWEN + + + _Schrijver en Vertaler wensen de lezers op te doen + merken, dat de in deze bewerking te vinden afwijkingen + van het origineel aan gemeen overleg te danken zijn._ + + + KULTUUR-HISTORISCHE BIBLIOTHEEK + + + VALDEMAR VEDEL + + + DE RIDDERROMANTIEK + DER + FRANSE EN DUITSE MIDDELEEUWEN + + + GEAUTORISEERDE BEWERKING + NAAR HET DEENS DOOR + + H. LOGEMAN + + + UTRECHT--H. HONIG--1919 + + + BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ G. J. THIEME, NIJMEGEN + + + + +INLEIDING. + + +Meer dan eens heeft de vorige eeuw getracht de Ridderromantiek der +Middeleeuwen weer tot een kunstmatig leven op te wekken. Eerst de Duitse +romantici met hun Heinrich von Offerdingen en Barbarossa, de Genoveva +van Tieck en de Tempeliers van Werner; daarna Walter Scott met zijn +Ivanhoe en Victor Hugo met zijn Burggraven; gelijk in Denemarken +Ingemann met zijn Otto en Jonkvrouw Inge. Nadat toen een paar geslachten +zich aan de schildering der werkelikheid en kritiek van de maatschappij +hadden overgegeven, ontwaakte de heerlikheid van Koning Arthur en zijn +Graal wederom in de dromende ridders van Burne Jones en Rossetti en de +smachtende jonkvrouwen van Tennyson. In de toondichten van een Wagner +weerklonk opnieuw de horen van de Zwaanridder, het lokkend spel uit de +Venusberg en Parsifal's Graal-verlangens. En in de toren-kamer en de +burchtgangen van Maeterlinck tastte de kinderachtige Blanchefleur-liefde +hulpeloos rond in het afschrikkende donker der Middeleeuwse mystiek. +Zeldzaam moderne incarnaties van de Middeleeuwen zijn het allemaal--de +edele Sir Galahad en de liefdezieke Lady Elaine, zo goed als de +Kristelik-Schopenhauerse Graalheld bij Wagner en de »fin-de-siècle" +Pelléas en Mélisande; in 't algemeen staan ze daar nog verder van af +dan Ridder von Trautwegen en jonkvrouw Inge van de flinke Ridders en +schelmse dames van de oude Meester Chrétien de Troyes of van Wolfram +von Eschenbach's kernachtige maar naieve Parsifal. + +Maar er was nog wel iets meer in de volksboeken gebleven van de +sentimentaliteit en het sprookjeselement dier oude romans--denk aan +Vigoleis met 't Gouden wiel, de schoone Magelone of Alexander de +Grote--die nog voor een paar generaties menige boerenjongen allerlei +grillen in het hoofd zetten en menig boerenmeisje zilte tranen deden +storten. Ofschoon ook deze volkslektuur niet veel meer van de geur en +de ziel der oude Romantiek bewaard had, dan voor zover de houtsneden +en het papier van de cents-prenten aan de oude, sierlike geïllumineerde +handschriften herinnerden, of voor zover het tegenwoordig publiek denken +deed aan de bloem van de adel in de tijd van Lodewijk de Heilige. + +Maar noch deze vergroeide spruiten, noch ginds kunstmatig doen herleven +van 't voorheen, is het wat feitelik van onze tegenwoordige kultuur +naar de Ridderromantiek terug leidt. De verbinding is dieper en meer +vertakt. De moderne Franse roman,--of die nu het moderne Parijs +schildert, of zich verdiept in de psychologie van de liefde,--kan +met de nodige schakels direkt op de dertiende-eeuwse Franse romans +teruggevoerd worden, evenzeer als de stamboom van de moderne Engelse +roman, van het spannende, excentriese genre, ons terug brengt tot de +ingewikkelde mystieke verhalen van de Arthurcyclus. De gehele moderne +liefde-lyriek--Lamartine, Heine, zowel als bij ons in Denemarken +Christian Winther--leeft van motieven en zingt in een toon die +de troubadours en de minnezangers het eerst ontwikkeld hebben. En +afgezien van het puur-literaire, zijn het de gehele moderne vormen der +samenleving zowel als veel van de moderne sentimentaliteitskultuur die +op de tijden van toernooien terug gaan en op die waarin dames er hun +apart hof op na hielden. Onze begrippen over een »gentleman" en een +»lady", over ridderlikheid en vrouwelikheid, over liefde en eer, over +goede zeden en nette manieren, dat alles heeft zich ontwikkeld uit de +idealen die zevenhonderd jaar geleden ontstonden aan de hoven van de +landgraven van Thuringen of die van Provence en Champagne. + +Wat dus hier onder de naam van Ridderromantiek der Middeleeuwen +samengevat is, die Franse en Duitse kultuur der 12de en 13de eeuwen, +aristokraties, sosiaal en romanties, betekent daarom de studie in +oorsprong en in een hele ontwikkelingsfase van de moderne dichtkunst +en zelfs van de moderne maatschappij. + + + + +I. + +VAN BARON-BURCHT TOT RIDDERHOF. + + +Ons uitgangspunt zal de anarchie van de adel zijn die in het 11de eeuwse +Frankrijk en Duitsland haar toppunt bereikte. Door het eentonige +monnikenlatijn van de kronieken heen, komt ons het lawaai en de +verwarring tegemoet van het onophoudelik gekrakeel der grote +Heren,--door dat van een Raoul Glabers van Cluny, de abt Guibert van +Nogent, Ordericus Vitalis in zijn Normandies klooster, zo wel als de +Beierse abt Ekkehard of de Sassenbisschop Tietmar. De kroonvazallen +heersen zo goed als geheel onafhankelik, elk in zijn eigen landje; in +Frankrijk onder de zwakke Capetingers, in Duitsland onder de alles +onderste boven werpende strijd der Saksiese keizers met de Pausen. +In Frankrijk zijn het hertogen als die van Normandië, Bourgondië, +Aquitanië, graven, als die van Vlaanderen, Poitou of Toulouse. In +Duitsland de hertogen van Beieren, Zwaben, Saksen, de markgraven van +Babensberg in Oostenrijk, de Paltsgraven van Wittelsbach en de +landgraven van Thuringen. En onder hen weer een hele massa van kleine +burchtheren en gewone baronnen die het met elkaar en met hun leenheren +even dikwels aan de stok hebben als de laatsten met de Koningsmacht. Elk +voorjaar trekken de Heren met hun volgelingen te velde, om hun buurman +een stuk grond te ontnemen; en naar aanleiding van de ene of andere +belediging, uit bloedwraak of uit tijdverdrijf, om de boerenhofsteden en +de kooplieden langs de openbare weg te plunderen of steden en kloosters +te brandschatten. In Anjou raast de zwarte graaf Foulques als een +wild beest, in Normandië staan de boeren in hun wanhoop tegen hun +onderdrukkers op, maar worden weer ten ondergebracht, met een wreedheid, +wier bizonderheden de kronieken koelbloedig uitvoerig vermelden, te +Brugge vermoorden de samengezworen baronnen de »goede" graaf Karel +midden in de kerk en gebruiken daarna deze laatste als vesting tegen de +Koning en de burgers. Bij Guibert kan men lezen hoe de intrigante gravin +van Namen, Enguerrand de Coucy en diens bloeddorstige zoon Thomas de +Marle, jaren lang de omstreken van Laon in een eeuwige onrust hielden. +En over de wijze waarop menig Hendrik van de Welfen en menig Frederik +van de Staufen in Frankenland en in Zwaben huis wisten te houden, daar +weten de Duitse kronieken genoeg van te verhalen. + +Wat zijn ze ruw en plomp, al die »barones" en »milites"; met een robust +geweten en een vrolik gemoed slaan ze hun medemensen dood, hebzuchtig +als de gieren strijken ze op goederen en vee neer en als dolle stieren +op de vrouwen. Even uiterlik als hun verhouding is tot wet en recht, zo +is die tot het Kristendom. Steeds is hun weer ingestampt, dat men, om +zalig te worden, gedoopt moet worden, de mis moet bijwonen, moet vasten, +te communie gaan en dat doen ze dan ook, maar meer laten ze zich door +geen enkele kerkelike band in hun vrijheid beperken. Integendeel,--als +rebellen staan de baronnen in hun anarchie tegenover de Kerk, gelijk ze +het recht trotseren en de maatschappij. Het is niet alleen wetteloosheid +die er heerst, maar een gewilde teugelloosheid, de baronnen zijn niet +alleen zonder moraal, er zit een godvergeten woestheid in hen, die aan +het Titaniese herinnert uit de tijd der Italiaanse renaissance. Een +hunner heeft er plezier in zijn biechtvader op Goede Vrijdag op een +kolossaal banket te nodigen en hem zijn dikke buik te wijzen, »vol van +de eere Gods"; een ander houdt er een hele harem, d. w. z. bordeel op +na, voor het uiterlik een nonnenklooster. De ene vrouw na de andere +laat men lopen, rooft die van zijn buurman en dwingt de kerk om zowel +de scheiding met de ene, als het huwelik met de volgende te wettigen. +Een baron laat zijn gevangenen bij de geslachtsdelen ophangen of bij de +duimen en hangt er zware stenen aan, om het gewicht te vermeerderen. Een +ander die het met zijn leenheer te kwaad heeft gehad en hem eindelik +in zijn macht heeft gekregen, werpt hem in de gevangenis, maar laat +hem 's winters in een nat hemd voor een open venster in de gevangentoren +plaatsen, totdat het hemd door de ijzige wind bevriest. Een Normandies +ridder en zijn vrouw laten een onneembare toren bouwen en wanneer die +gereed is, laat de burchtvrouwe de bouwer doden, om zeker te zijn dat +hij voor de buren niet ook zulk een toren zet. Niet lang daarna jaagt +zij haar man ook weg, zij wenst alleen te zijn; hij ziet echter kans +weer binnen te komen en dan laat hij haar om 't leven brengen. + +Over deze en dergelijke dingen kan de kroniekschrijver een »ach" +en »wee" laten horen en er de vloek der kerk over inroepen. Maar +toch, in al die bandeloosheid schuilen krachten, waarvan de ogen der +geestelikheid alleen de slechte kant gezien hebben. De ideale kant, +de idealen zelf en de aspiraties welke in hun beste ogenblikken die +anarchie van de adel bezield heeft, die ontrolt zich voor ons in +de nationale heldendichten, die op de grondslag van oude sages en +overleveringen door 't vlees en 't bloed van de adel geschapen zijn. In +Frankrijk hebben wij die nog vrij zuiver in het »Chanson de Roland" en +nog een paar anderen van de oudere »Chansons de geste", in Duitsland +is die in het Nibelungenlied en »Goedroen" overstreken met een laagje +ridderromantiek dat er eerst afgeschrapt moet worden. Maar door het +woeste en het ruwe in deze gedichten, schijnt een noblesse en een +krijgsgeest van hoge menselike waarde. + +Neem b.v. de wanhopige heldenstrijd van Roland en zijn wapengenoten bij +Ronceval tegen de scharen der Saracenen of Ogier li Danois die geheel +alleen zijn burcht tegen het leger van Karel de Grote verdedigt. Of wel +de geschiedenis van Siegfried die Brynhilde wil trouwen, en het bloedbad +der Nibelungen in Huneland op de tochten der Vikingen en de hevige +zeeslagen in »Goedroen". Dat zijn beelden van een machtig spel van +het noodlot waar het om leven en dood gaat, krachtige majeur tonen en +hartverscheurend tragies. Verheerliking van de man en het mannelike, +verheerliking van kamp en strijd. Die heldendichten verkondigen ook de +moraal van een elementaire oorlogseer, ze bezingen wat Roland en Olivier +samenbindt, en Hagen en Volker en schilderen het opperhoofd en zijn +getrouwen, Karel de Grote en zijn twaalf pairs, Didrik van Bern met zijn +twaalf »Recken". Het grote ideale beeld van de krijgskoning en zijn adel +is Karel de Grote op zijn »faldestueil" in de koningshal te Aken, in de +Raad met zijn baronnen of op de morgen van de slag aan het hoofd van +zijn leger. + +Maar dit hoort eigelik bij de oudere lagen der Heldendichten, de +inspiratie uit het meer oorspronkelike stadium in de maatschappij van +de _clans_. Gedurende het uitéénvallen van het oude soldatenkoningschap +en de anarchie der baronnen, ging de belangstelling der heldendichten +over op de Vazallen en de Baronnen en schilderen zij nu de krijgsadel in +zijn geweldige worsteling met de onbekwame en despotiese vorsten--het +rebelliese zich zelf op de voorgrond zetten van de Franse Heemskinderen +of de Duitse Hertog Ernst--en de veten der baronnen onder elkaar, +dezelfden waarvan de kronieken _hun_ beeld gaven. Maar Begon, de +»oorlogsdemon" en Raoul de Cambray uit de chansons de geste of Hagen en +Krimhilde van het Nibelungenlied, die hebben ook een soort Idealiteit; +wat laten die zich niet met geniale kracht op hun »baronscap" of hun +»Reckenthum" voorstaan als adelmensen die ver boven monnikskappen en +kramers en de verachtelike menigte verheven zijn, zij, Heer over hun +eigen wil en aan geen andere wet gehoorzamende van mensen nòch van God, +dan die welke zij zich zelf voorschrijven. + +Dat is, gezien in de dubbele spiegel van kroniek en heldendicht, de +adelsanarchie in Frankrijk en Duitsland. Maar er voltrekt zich in +de 11de en 12de eeuw--voorlopig handelen wij hier voornamelik over +Frankrijk--een ontwikkeling die in het een zoowel als in het andere +genre al in de kiem te vinden is en die ten slotte verder voert dan +baronnen-werkelikheid en baronnen-idealen. + +Uit die anarchie rijst weer een maatschappelike orde op. De kastelen +die de baronnen overal in het land gebouwd hebben ter bescherming van +hun eigenmachtig optreden, zijn feitelik de cellen voor een nieuwe +maatschappij geworden. Achter de muren en grachten wordt er op die +burchten een leven van tot zekere hoogte veilige voorspoed geleid; +de familie en het gezin worden door het samenleven als één, vooral de +eenzame winteravonden, wanneer het met de oorlog en de jacht gedaan +is; in de gedichten zien wij de baron bij de haard zitten met zijn +echtgenote, haar innig kussen en zich verheugen over het spelen van een +paar flinke jongens, of wel hij zit in de hal met zijn mannen en hoort +een zanger de heldendichten voordragen. Als er niets anders te doen +is, houdt men wapenoefeningen of men speelt met de teerling of er wordt +gedanst. Ook begint men het huis te verfraaien; de balken worden fraai +uitgesneden en met ornamenten versierd, ook de muren worden geschilderd +of bekleed met geborduurde behangsels. Er komt gezelligheid en gevoel in +het leven der baronnen, een zekere schoonheid en een drang naar +geestelik verkeer. + +Aan de voet van de burcht ontstaat een kleine maatschappij, die zich +onder de bescherming van de burchtheer stelt, opdat hij op zijn beurt +hen beschutte tegen de andere baronnen en de struikrovers zal laten +ophangen. En hoe volkomen willekeurig de baron zich ook tegen zijn +boeren en dienstmannen moge gedragen, toch komt er een zeker gevoel +bij hem op van zijn plichten als beschermheer en ontstaat er een +landsvaderlike verhouding van hem tot zijn »serfs". De burchtvrouwe +begeeft zich naar 't dorpje en zorgt voor de zieken en de armen en +wanneer de heer weduwnaar mocht worden zonder kinderen, dan komen de +kleine burgers en vragen hem om toch vooral weer te trouwen opdat zij na +zijn dood niet zonder heer zullen achterblijven. + +Ondertussen zijn ook de kleinere burchtheren door de desorganisatie +van het leenstelsel steeds afhankeliker van de vorsten geworden en +langzamerhand bouwt zich dat trapsgewijze op: Seigneur, Vicomte, +Graaf en Hertog; meer en meer beginnen geschreven kontrakten en een +gedétailleerd gewoonterecht de onderlinge rechten en plichten tot in de +kleinste kleinigheden te regelen. Stukken welke uit die tijd stammen, +tonen heel duidelik hoe hoog ontwikkeld het feodale geweten is en zelfs +in woeste heldendichten vertoont de kleine vazal dikwels onkreukbare +trouw jegens zijn leenheer, maar hij zegt hem zijn manschap ook zonder +gewetenswroegingen op, wanneer de leenheer _zijn_ plichten niet nakomt. +Onder deze omstandigheden ontwikkelen graafschappen en hertogdommen zich +meer en meer tot werkelike rijken, onder vaste vorstendynastiën, en de +kleine vorsten verbieden »les guerres privées", trekken rond en breken +de »chateaux forts" af, stellen baljuws aan en richten rechtbanken op; +meer en meer van de eigendommen der baronnen komen in hun eigen handen, +terwijl zij de baronnen om zich heen verzamelen bij hun hof, waar ze de +hoge plaatsen innemen en deel uitmaken van de raadgevende vergaderingen. +Op die wijze verzamelt de Vlaamse adel zich aan de grafelike hoven van +Ardres, St. Pol, Boulogne of aan het hof van den leenheer te Atrecht of +Brugge, de adel van Champagne aan het hof te Troyes, in Provence, te +Brienne of Bar; de adel van Languedoc aan de hoven te Toulouse, Narbonne +en Beziers. In plaats van de treurige, armoedige burchten overal in 't +land verspreid, waar een zeer beperkte kring een vrij eentonig leven +geleid had in tamelik primitieve toestanden, en om zo te zeggen, onder +voortdurende dreigementen van vijandig-gezinde buren, daar komen nu die +vorstenhoven op als de middelpunten van de adel en met een sosiaal leven +onder veel gunstiger en vreedzamer omstandigheden. + +In 't algemeen kan men zeggen, dat de adel zijn levenswijze en zijn +wijze van denken aristokratiseert, terwijl die zich aldus om de vorsten +heen organiseert. Het is dan ook in deze tijd dat de standen zich meer +van elkaar gaan onderscheiden. Door de strijd om de investituur, de +invoering van het celibaat en de ontwikkeling der monniksorden, neemt +de geestelikheid een geheel aparte plaats naast de burgermaatschappij +en de staatsorganisatie in, en wordt onder de leiding der pausen tot +een Europese, internationale grootmacht. Ondertussen verzamelen de +handwerkers zich in hun gilden en gemeenten, kooplieden werken zich +op tot rijkdom en verkrijgen privileges en de grote steden beginnen +in het Noorden zowel als het Zuiden van Frankrijk, door hun uitdagende +houding, ekonomiese zowel als politiese vrijheid te verwerven. Zowel de +geestelikheid als de burgerij stellen door allerlei machtsmiddelen paal +en perk aan het vrije optreden van de adel en de kloosters scheppen +zich een eigen opbouwende, stichtelike literatuur, evenals de burgerlike +geest zich weldra zelfstandig uit in een humoristiese vertellingtrant en +didaktiese dichtkunst. Maar daarentegen verschanst de adel zich des te +exclusiever tegenover de klerken en de kramers achter zijn macht en zijn +privileges en leeft zijn eigen afgesloten leven in een maatschappij, die +door heel haar wijze van zijn zich als een hogere stand en een +soldatenkaste wil doen gelden en zich weldra ook een heel wat +karakteristieker _adellike_ dichtkunst vormt dan de nationale +heldendichten geweest waren. + +Maar het waren niet alleen die andere standen die de adel in 't gedrang +zouden brengen. Van het jaar 1100 af blijft het daarvóór zo diep +gezonken koningschap langzaam maar voortdurend in macht toenemen. Van +Lodewijk de Dikke tot Lodewijk de Heilige groeien de koninklike domeinen +stukje voor stukje aan: van Ile de France breidt het land in direkt +koninklik bezit zich langzamerhand over het grootste gedeelte van +Noord-Frankrijk en grote stukken van het land zuidelik van de Loire uit, +en waar Lodewijk de zesde in 't jaar 1100 nog in eindeloze veten lag +met de kleine rebelliese burchtheren bij de Seine, kan Philip Auguste +in 1214 de verenigde legers verslaan die de Engelse koning, de Duitse +keizer, de graaf van Vlaanderen en andere rebelliese leenmannen tegen +hem aan hadden gevoerd. De geestelikheid staat met de machtige abt Suger +de St. Dénis en later bisschop Guillaume van Parijs steeds aan de kant +van het koningschap en de staatsautoriteit, en aan de Universiteit +werden de docenten van het Romeinse recht de beste steunpilaren van de +kroon; als koninklike baljuws en drossaten, werden ze uitgezonden om, +ten koste van het feodale lokale bestuur, de rijksadministratie en +wetgeving meer en meer te centraliseren. + +Maar het gevolg van die innerlike organisatie en de uiterlike +beperking van de adel is nog bovendien dit--een andere zijde van de +ontwikkeling--dat een groot deel van de krijgshaftige teugelloosheid van +de wereld der baronnen onschadelik gemaakt moet worden, omdat die in de +nieuwe maatschappij geen plaats kunnen vinden, niet in de nieuwe vormen +»in-getemd" kunnen worden. Er zijn jongere zonen, die, al naarmate +het eerstgeboorte recht bij de leenssuccessie toegepast wordt, zich +van hun erfdeel beroofd zien en die daardoor tot een afhankelik hofleven +bij de oudere broeder gedwongen worden; er zijn burchtheren, wier +»chateau-fort" door de leenheer tegen den grond gegooid is of die arm +geworden zijn omdat het volkje aan de voet van de burcht een charter had +weten te verkrijgen en weigerden belastingen te betalen en de verplichte +arbeid uit te voeren; bovendien nog al die onrustige elementen die zich +niet in een meer geordende maatschappij vinden kunnen. Uit deze adel +zonder land die niets heeft om voor eigen rekening om te vechten, worden +de »chevaliers errants" gerekruteerd, die ridders die rondtrokken en hun +armen en hun zwaard verhuurden als soldeniers--soldaten--aan de een of +andere vorst, of die op avontuur uittrokken en zo dikwels genoeg in hun +verval als struikrovers eindigden of zich bij de benden van Navarrezen, +Brabanders en andere »routiers" aansloten die het Frankrijk van de 12de +eeuw onveilig maakten. Een surrogaat voor de vroegere »guerres privées" +werden ook voor velen de toernooien, die--oorspronkelik de oudste soort +wapenoefeningen--in deze tijden meer en meer tot een feest werden, +waarmede de vorsten in vredestijd de onrustige, oorlogszuchtige ridders +bezighielden. Lang trachtte de geestelikheid die te verhinderen, maar ze +bleken een zeer doelmatige veiligheidsklep voor de maatschappelike orde +te zijn en de afstammelingen van de altijd kibbelende baronnen vonden er +behagen in, de gehele zomer door, van 't ene toernooi bij de vorstelike +hoven naar het andere te trekken. En 's winters vond men weer een +ander surrogaat voor het vrije leven van strijd in het voordragen van +heldendichten, wat nu in de mode kwam. Want het was nu eerst dat het +grootste deel van de heldengedichten geredigeerd werd waarin wij de +ideale zijde van de geest der baronnen uitgedrukt zagen en dat zij +algemeen op de burchten gelezen werden; het »vertel, vertel!" dat men +in de 12de eeuw over heel Frankrijk horen kon, is niet anders dan een +uitdrukking er voor dat zekere krachten die in de werkelikheid geen vrij +spel meer hebben, nu dit plezier op 't gebied van de fantasie moeten +zien over te brengen. Maar ten slotte vond de maatschappij nog een +veiligheidsklep in de krijgstochten en emigraties die gedurende de +hele 11de en 12de eeuw de Franse adel aderlaten en daardoor een grote +hoeveelheid van gistende stoffen verwijderen. Onder aanvoering, zeer +natuurlik, van de Noormannen--de laatst er bij gekomenen van de +Germaanse soldatenvolkeren--staken de mannen van Anjou, Bourgondië en +Vlaanderen over naar Engeland onder Willem de Veroveraar en schiepen het +machtige Engels-Normandiese rijk; andere Noormannen hadden zich kort +daarvoor in Zuid-Italië vastgezet en daar te Napels en op Sicilië een +Frans rijk gegrondvest; op het Pyrenése schiereiland steunden Franse +baronnen Aragon tegen de Arabieren en een Bourgondise hertogszoon +richtte een koninkrijk in Portugal op. En nu kwam Paus Urbanus en sprak +te Clermont de verstandige woorden tot de adel: »Het land dat gij +bewoont is te klein voor uw aantal, het heeft geen levensmiddelen genoeg +om U allen te voeden. Daarom verscheurt gij elkander en eet gijlieden +elkaar op. Sluit liever vrede en volgt mij op mijn kruistocht." Met +entoesiasme greep de Franse adel deze oplossing aan en een hele eeuw +lang werd het Oosten nu de plaats waar het instinkt van de vagebond en +de grootspreker, waar eergierigheid en lust tot avonturen uiting en +bevrediging konden vinden, alle gevoelens waarvoor er geen plaats was in +het Frankrijk dat zich nu vormde. + +De ridder is het type van den adel in de 12de en 13de eeuw, gelijk de +baron het was in de 11de eeuw; waren toen de verspreid liggende kleine +kastelen de centra van het adelsleven, nu worden het de grote grafelike +en hertogelike hoven en die roepen tot ridderspel op en kruistocht, +waar de adel alom aan mededoet. In de 12de en 13de eeuw is »Ridder" de +aanduiding van de kleine adel, die slechts weinig grond bezit, zo al +iets, maar die in dienst staat bij de grote seigneurs of die dan eens +hier dan eens daar verblijf houden en die in bizondere mate de +krijgsdienst en hofdienst tot hun levenstaak gemaakt hebben. De grote +baronnen die hun goederen besturen moeten, hebben dikwels noch lust om +zich op toernooien en in oorlogen in de wapenen te oefenen, noch om aan +de hoven te dienen, dikwels laten zij zich dan ook helemaal niet tot +ridder slaan. Aan de andere kant vindt men vele edellieden die te arm +zijn om zich de dure wapenrusting aan te schaffen of het strijdros en +de wapenen waar een ridder van voorzien moet zijn; die blijven geheel +hun leven »equyers". Maar er zijn jongere zonen van goede familie of +kinderen uit de verarmde adel die aan het hof van een vorst aangenomen +worden en daar opgevoed; daar worden ze dan in de wapenhandel geoefend +en leren er allerlei hofdiensten; wanneer ze òf de heer die ze dienen òf +hun familie er toe kunnen brengen hun een wapenrusting of een paard ten +geschenke te geven, dan worden ze bij het bereiken van de mannelijke +leeftijd »adoubé", met het zwaard omgord, en ontvangen ze de »colée", +de ridderslag met verschillende ceremonieën, en dan moeten ze voortaan +hun »chevalerie" hoog houden, door zich zelf te voorzien, of zich +door anderen te laten voorzien van ridderwapens en paard en door zich +vlijtig in de wapenen te blijven oefenen. De ridders zijn daarom, +niettegenstaande het feit dat zij dikwels onvermogend zijn, tot zekere +hoogte een adel in de adel, zij zijn het die bij de hoven een opvoeding +hebben gehad, het meest met hun stand overeenkomende en die door hun +wapenen de oude eer van het vroegere werken van de adel ophouden. Het +is een zeer individuele adel, niet erfelik en niet geërfd, maar door de +enkeling verkregen, door zijn persoonlike verdienste en door zijn gehele +wijze van leven opgehouden, bovendien ook een zeer ideële adel, noch aan +grondbezit, noch aan bepaalde leenstoestanden gebonden, maar door de +traditionele woorden tot de jonge ridder: »Sois preux!" aan het adelike +krijgsmansideaal gewijd, dat zich langzamerhand gevormd had. En het is +deze élite-adel, zeer individueel en ideël die in de 12de en 13de eeuw +de drager wordt van de adelkultuur... + +Op het baronnenleven en de baronnenpoëzie volgt een ridderlike +hofkultuur en een ridderlike, avontuurlike poëzie... + + + + +II. + +KRISTELIKE GEVOELSKULTUUR. + + +»Zalig zijn de zachtmoedigen... zalig zijn de barmhartigen... zalig zijn +de vreedzamen... hebt uwe vijanden lief; zegent ze die u vervloeken." +Kan men zich een groter tegenstelling denken met de krijgsmoraal die +de baronnen in hun geweten gegrift vonden, dan zulke woorden die de +huiskapelaans en biechtvaders overal de baronnen en hunne volgelingen +lieten horen? »Zalig zijn die treuren... het is lichter dat een kamel +ga door het oog van een naald, dan dat een rijke inga in het koninkrijk +Gods... Gij lieden moet den boze niet wederstaan... zoo iemand achter +mij wil komen, die verloochene zich zelven en neme zijn kruis op en +volge mij!" Wat zal deze monnikenleer niet vreemd die Seigneurs met hun +heersersmoraal in de oren geklonken hebben! En toch was die kristelike +levensopvatting door vele eeuwen heen offisieel aangenomen en het in +alle lagen der maatschappij bekende geloof geweest, van kindsbeen af +was elke baronnenzoon in zijn kristendom opgevoed geworden; met de +stille stem van de biechtstoel had dat tot het geweten gesproken, +op de hoogtijden der kerk was het door de priesters verkondigd en nu, +in de 11de eeuw stond een machtige Europese kerk in de dienst van dat +geloof en een talrijk leger van geesteliken streden in scholen, bij de +kommuniegang en bij het ziekbed voor de zaak van Kristus. + +Zekere kanten en vormen van het Kristendom waren altijd verenigbaar +geweest met de levensopvatting der baronnen. Reeds van de tijd der +Roomse keizers en de frankiese koningen af, had de kerk zich veelal aan +de zijde van de Groten en de Heersers geschaard en getracht ze er van +boven af voor te winnen de lagere volksklassen te kerstenen. »Geef +Caesar wat Caesar's is... zo onderwerpt u dan Gode", heet het in de +schrift en de kerk zalfde de koning, verklaarde zijn persoon heilig en +onschendbaar en steunde de vorsten tegen hun onderdanen. Evenals de kerk +zich zelf monarchisties organiseerde onder de paus, tracht die overal +een daarmee overeenkomende hierarchiese indeling van de maatschappij +in te voeren en te steunen. Gelijk de heerscharen der engelen in negen +rangklassen ingedeeld waren, van de seraphine tot de laagste gewone +»boodschappers", of gelijk de goddelike openbaring zich in de +geschiedenis trapsgewijze voltrok door zeven wereldtijdperken heen,--zo +was ook de sosiale standenindeling een goddelike instelling. + +De natuurlike deugden van de adel kwamen bovendien dikwels vrijwel +overeen met die welke het Kristendom inprentte. Hoe dikwijls vond de +kerk niet bij de besten der edellieden een drang om de zwakken te +beschutten, een mildheid tegenover de armen en een trotse hoogmoedigheid +tegenover de overwonnenen die men zonder aarzeling tot kristelike +deugden zou kunnen stempelen? En het gevoel dat de baronnen als »mensen" +tegenover hun leenheer stonden--hoe gemakkelik liet zich dat niet +verklaren tot trouw jegens den Hemelheer? Reeds de oud Angelsaksiese +en Nedersaksiese dichters zongen van Kristus als de volksleider, de +zegevorst die met zijn twaalf getrouwe »mannen", of »Recken", om trok, +totdat een van hen tot verrader werd en zijn Meester in de handen van de +vijand overleverde. En nu in de 11de eeuw, houdt de stervende Roeland +zijn God de handschoen voor, gelijk een vazal zijn handschoen uit doet +wanneer hij in de tegenwoordigheid van zijn leenheer komt. Menig bejaard +ridder ging in zijn oude dagen in een klooster--gelijk van vele helden +uit de gedichten verteld wordt--en diende trouw zijn hemelse heer, +wanneer hij niet langer de macht had om zijn aardse heer te dienen. +»Toen ik de eer had", zeide zulk een oude edelman in 't klooster, die +ootmoedig 't werk van een kaarsdrager op zich genomen had, »ridder +te zijn in de wereld en graaf, droeg ik gewillig de fakkel van een +sterfelik koning; zou ik dan nu niet des te gewilliger een kaars dragen +voor de hemelse keizer die ik nu dien?" + +Het Kristendom zelf werd gekleurd door de aristokratie, eerst van +het Romeinse keizerdom en daarna van de feodale maatschappij. Op de +kristelike ootmoed en de drang om te knielen en te aanbidden, was +het algemene servilisme niet zonder invloed. Wanneer men de brieven +der geesteliken aan hun superieuren leest, of aan vorsten, of de +grafschriften over hen, dan ziet men pas goed, hoe de kruipende +beleefdheidsvormen van het Roomse keizerdom in het ootmoedige +ceremonieel der monniken en de onderdanige politiek der kerk overgegaan +zijn; terwijl de briefschrijver de geadresseerde overstroomt met titels +als »Uwe Voortreffelikheid", »Uwe Grootmoedigheid" en »Uwe Genade": +kruipt hij zelf in elkaar als »mea parvitas" en »mea humilitas". En +wanneer men de geestelike kronieken leest, ziet men overal de gebogen +nek van de monnik, die 't liefst zijn eigen mening onder stoelen en +banken steekt, of in elk geval slechts vage en voorzichtige woorden over +de machtigen op aarde uiten durft en van de panegyriën der antieke +rhetoren over hun keizer en Maecenas, heeft hij een hoogdravende en +opgemaakte stijl van zijn lofzanger geërfd, die 't eerst in de officiële +»Vitae" der heiligen aangewend werden, maar langzamerhand op de +wereldlike grote Hansen en mondaine onderwerpen overgebracht werd. Met +plompe hovelingen-vleierij en in een opgeschroefde, bombastiese stijl +vertelt hij van »de god-gewijde en om zijn vroomheid zo prijzenswaardige +Jarl Adgar en zijn voortreffelike zonen" of »Philip, 's konings zoon, +dewelke een liefelike bloem der jeugd is, die door de edele eenvoud van +zijn aangezicht en de schoonheid van zijn lichaam waardig geschenen +zou zijn over de gehele wereld te gebieden", en in de gezwollen stijl +van de heiligenlevens, met voortdurende paralellen uit de bijbelse +geschiedenis, wordt de nietswaardige Lodewijk de Vrome verheerlijkt, +of de moord op de »goede" graaf Karel geschilderd en bij de dood van +een der meest wereldlike en intrigante koninginnen, getuigt de kerk +dat zij over de gehele wereld straalde door de glans van haar koninklike +geboorte, zij smukte de adel van haar geslacht door haar eervol leven, +verrijkte die door haar reine zeden, versierde die door de bloemen +harer deugden en overtrof bijna alle andere wereldse vorstinnen, door +de roem harer onvergelijkelike rechtvaardigheid. Door de idealiserende +verheerliking der voornámen en hun leven konden zulke kronieken heel +dikwels de onmiddellike voorgangers zijn van de heldendichten der +baronnen en van de Ridderromans; evenals de kerk in het wereldlike leven +medehielp om het gebouw der feodale hiërarchie te bevestigen, door er de +stopverf der kristelike onderdanigheid bij te doen. + +De verhouding van de kerk tot het krijgswezen was niet onverzoenliker +dan tot de adel. Natuurlik moest het Kristendom in theorie zowel als in +praktijk met afgrijzen voor het bloedvergieten terugdeinzen. Maar een +zeker militair element drong toch reeds vroeg in het Kristendom door. +De Schrift zelf schildert reeds de Kristelike loopbaan als de _strijd_ +voor het Geloof. In de 2de en 3de eeuwen spreekt men van de _strijdende_ +Kerk, de _strijders_ van Kristus; de doop wordt vergeleken met de eed +die de soldaat op het vaandel aflegt en de martelaren die hun geloof met +hun bloed bezegeld hebben, heten: »militum Christi cohors candida". +Spoedig zag de kerk ook al in dat de gewapende macht een noodzaak was en +trachtte de machtigen voor zich te winnen door hun de zege te beloven; +Constantijn de Grote, zowel als de Frankenkoning Chlodewig, moeten +beloofd hebben het Kristelike geloof aan te nemen indien Kristus hun +wapenen de zege wilde verlenen. En van nu af was dat de gewone toestand: +de soldaten zochten de hulp van Kristus en de kerk in de slag en de +kerk trachtte de arm der soldaten voor haar bescherming te winnen. +Constantijn zette het monogram van Kristus in zijn banier en een der +kruisnagels in zijn helm, een ander in zijn leidsels. Karel de Grote +had een zwaard dat hem door een engel uit de hemel gebracht was en zijn +lans was dezelfde die eens in het lichaam van Kristus gestoken was. De +ridders lieten relikwieën in de handvatsels van hun zwaarden zetten en +deden hun wapens en de uitrusting met wijwater besprenkelen. Daar staat +tegenover dat de kerk onder haar heiligen de Cappadociese ridder Joris +had die de draak doodde en de prinses redde--de oude draken-doder der +heldensagen die tot ridder geslagen is--en dezelfde H. Joris werd nu de +heilige der soldaten. + +Van betekenis werd het ook dat de kerk langzamerhand iets bij de +ceremonieën van de ridderslag te zeggen kreeg. Reeds van het begin der +11de eeuw vindt men een kerkelik ceremonieel voor de »zegening van de +Ridder", maar in elk geval werd het op het einde van de eeuw gewoonte +dat de geestelikheid de wapenen van de jonge Ridder zegende, zelfs +dienaren hem die aangordden en zo kwam natuurlik de ridderschap de +plichten mede te brengen, ook in de kristelike deugden vooraan te staan +en het zwaard te wijden »ter bescherming van de kerk, der weduwen en +wezen en alle dienaren Gods." De gehele drang van het ridderwezen +tot daden, om alle krachten boven het gewone en het gemiddelde in te +spannen, om door zijn verdiensten roem en eer te verwerven--was dat +niet hetzelfde streven dat alle kluizenaars en monnik-asceten der kerk +bezielde? Hoe gemakkelik zou dat niet door de kerk van de wereldlike in +de geestelike sfeer overgebracht kunnen worden? Niet weinig eergierige +ridders zetten, wanneer een priester hen tot 't hart gesproken had, er +al hunne zinnen op tot een soort adel van de Maatschappij van Kristus +te worden en onder hen uit te blinken die 't hoogst op de ladder der +volmaaktheid gestegen waren. Daar had men b.v. zulk een figuur als de +gravenzoon Etienne d'Auvergne (11de eeuw) die op een mooie dag van heel +zijn erfenis afstand deed, en alles opgaf, alleen zijn zegelring aan de +vinger behield--het teken van zijn adelike geboorte--en naar een woeste +bergkloof in de buurt van Limoges trok waar hij zich plechtig aan God en +een asceties kluizenaarsleven wijdde. + +Al deze aanrakingspunten hadden de baronnen met de kerk. En de meesten +der bisschoppen en abten van de 11de en 12de eeuw die ook zelf door +de goederen der kerk tot de feodale wereld hoorden, zelf leenheren en +vazallen waren, leefden in vrede en vriendschap met de baronnen. Het was +een aristokraties en zeer wereldlik Kristendom dat zij representeerden. +Suger, de abt van St. Denis, de aanzienlikste der prelaten uit die +tijd, leefde geheel en al gelijk een feodaal Seigneur; in zijn klooster +weerklonken de gangen van de gespoorde ridderlaarzen, in de kapittelzaal +onderhandelden advokaten over de geldzaken van het rijke klooster, +Suger gaf schitterende feesten en jachtpartijen voor de vazallen van +'t klooster en als de koning uittrok om zijn baronnen te tuchtigen, +volgde de abt hem in volle wapenrusting, onze eigen Absolon gelijk, de +stichter van Kopenhagen, die Aartsbisschop van Lund was, maar tegelijk +de ziel van de krijgstochten tegen de Wenden. Over het klooster van +Cluny schrijft de H. Bernardus dat »spaarzaamheid wordt daar als +gierigheid beschouwd", soberheid als boersheid, stilzwijgendheid als +zwaarmoedigheid; teugelloosheid werd daarentegen als liberaliteit +beschouwd, verkwisting als vrijgevigheid, de praatjes der leeglopers +heten goede manieren, gelach en grapjes zijn vrolikheid. + +Maar toch,--nooit kon het geheel verborgen blijven, dat de +levensbeschouwing en de moraliteit van het Kristendom in de grond van +die van de baronnen verschilden. En van 't eigen ogenblik af dat de +Frankiese krijgers de doop ontvangen hadden, had het Kristendom in +steeds toenemende mate als een religie van liefde en zelfverlochening +getracht, de verstokte harten der baronnen te vermurwen en hun stijve +nekken te buigen. + +Aan de ene kant dus als de verkondiging van de liefde. De kerk trachtte +tegenstanders tot elkaar te brengen en op de kerkelike feestdagen +gelijk op zekere weekdagen, een Godsvrede uit te schrijven en die deed +altijd alles wat in haar macht stond om krijgsgevangenen los te kopen. +Tegenover het woeste optreden van echtgenoten en broeders, trachtte die +voor de vrouw op te komen, zij beschermde kinderen tegen het egoïsme +der ouders--eeuw in, eeuw uit vocht zij tegen kindermoord, tegen +het uitbesteden en de verkoop van kinderen; zij trachtte slaven en +dienstbaren te beschutten tegen de hardheid en ruwheid hunner meesters; +voor misdadigers die vol berouw de bescherming der kerk zochten, poogde +zij genade te verkrijgen. Bij de hebzuchtige baronnen bedelde zij geld +voor »Gods armen" en voor de bouw van hospitalen. Reeds midden in het +donkere tijdperk der Merovingiërs vond men ze overal als de apostels +van vrede en milddadigheid--een bisschop als de H. Germanus: een oude +levensbeschrijving vertelde hoe hij aalmoezen bij de banketten der +groten verzamelde en wanneer hij dan genoeg bijeen had om een slaaf los +te kopen, dan verdwenen de rimpels van zijn voorhoofd, dan straalde +zijn gezicht, dan liep hij met lichter schreden,--zijn spreken werd +opgewekter, zodat men zou menen dat hij door een ander los te kopen, +zich zelf bevrijd had van het »juk der slavernij";--of een abt als de H. +Wandrégisilus: de oude »vita" vertelt hoe hij eens op een dag toen hij +naar 't slot van Koning Dagobert moest, vlak voor de poort een arme man +zag wiens wagen omgevallen was; de aanzienliken gingen de poort uit en +in, niemand dacht er aan om de arme kerel te helpen, velen gaven hem +zelfs een schop of vertrapten hem. Maar de abt stapte terstond van zijn +paard en leende zelf de helpende hand om de wagen weer op te krijgen. +Een anekdote als deze brengt ons in al haar eenvoud en geloofwaardigheid +duidelik voor 't oog, hoe de kristelike geest in zijn meest gewone, +meest humane vorm tegenover de gevoelloosheid der barbaren optrad. + +En nu, in de 11de en 12de eeuw, is dit ontluikend gevoel van liefde van +het Kristendom aangegroeid tot een dwepende sentimentaliteit die als +een warme golf over de harde, woeste wereld der baronnen heenspoelt. +Literair werkt die richting door vertalingen in de volkstaal en door +veel van de meest gevoelvolle poëzie van 't Kristendom in de gedichten +te geven, episoden uit de bijbel, van de oude poëtiese verhalen uit het +evangelie en van de overal welig opschietende Grieks-Latijnse legenden. +Wat werden de hoorders niet geroerd in burcht zowel als hut bij de +voordracht door kristelike zangers van de geschiedenis van Josef--de +uitvoerige schildering van de boze broeders en de hevige smart van de +vader, 's jongelings moeilikheden in Egypte, zijn herstel, de ontmoeting +met zijn broeders en ten slotte de tedere hereniging van vader en zoon. +Wat een allerliefste, treffende kleine idyllen wisten de evangeliese +verhalen niet te ontvouwen van de jeugd van Kristus en Maria: het +verdriet van Joachim en Anna over hun kinderloos huwelik, hun vreugd +toen zij eindelik Maria kregen--het opgroeien van 't meisje in de +tempel en dan de keuze van de oude Josef tot haar echtgenoot,--alle +omstandigheden bij de ontvangenis en de geboorte van Kristus--zijn +spelen met de andere knapen: de zonnestralen waar hij op treedt, en de +vogels van klei die hij 't leven geeft door in zijn handen te klappen. +Vervolgens al die hartverscheurende schilderingen van Jezus' dood en +lijden, de moeder die met het dode lichaam in haar armen klagend +rondloopt, zij kust hem op zijn ogen, wangen en neus, omhelst hem met +»al het zoete harer liefde", baadt zijn lichaam in tranen en smeekt +haar »filium dulcissimum" om een levensteken te geven. En eindelik al +die schone, sentimentele legenden,--over kluizenaars uit wier hand de +leeuwen der wildernis vruchten eten of die zij te hulp komen,... over +de H. Martinus die de helft van zijn mantel aan de bedelaar geeft, of +over Christophorus, ongemeen groot van gestalte, die het kind Jezus op +zijn schouders draagt... over de H. Margarethe, wier reinheidsstralen +haar in de gevangenis tegen de draken van de Duivel beschermen en op +wier schouders de hemelse witte duif nederfladdert. In al dergelijke +kristelike poëzie hoort men tonen die in de muziek der ridderromantiek +terug te vinden zijn. + +Dat zijn de vrouwelike zijden van de menschelike natuur, waarvan het +Kristendom zich midden in de ruwe mannen-wereld tot verdediger opwerpt. +Reeds van de oudste dagen van het Kristendom af waren het de vrouwen +geweest die het eerst het Evangelie hadden aangegrepen, zich de +kristelike deugden het gemakkelikst eigen hadden gemaakt en de zaak van +de Kerk bij hun echtgenoten en broeders hadden bepleit. Vele kerkvaders +beweerden ook dat de vrouw vromer is dan de man. Reeds Augustinus leerde +dat zij minder deel aan de zondeval heeft dan Adam. Zij is dan ook van +een zuiverder stof gemaakt; terwijl hij van de dode klei gemaakt werd, +is zij uit het levende vlees gesneden; en zij werd geschapen, op +een voornamer en schoner plaats dan de man, nl. in het Paradijs en +»misschien omdat God de vrouwen zulk een grote eer aandeed, vereren zij +tot dank God hoger dan de mannen het doen." De vrouw--wordt er verder +gezegd--is het zachte, gemoedelike, gevoelige van de twee geslachten. +Daarin ligt een gevaar,--hoeveel vrouwen hebben niet mannen verleid en +week gemaakt? Samson en Salomon zowel als Hercules en Jupiter! (en een +vrouwenhatend monnikendom ontwikkelt dit punt steeds weer); maar de +mildere opvatting legt er meer de nadruk op hoe gemakkelik de vrouw +zich tot het goede laat brengen. Van 't begin af werkt de kerk er ook +energies aan de maatschappelike positie van de vrouw te verbeteren. De +vrouw is uit het dijbeen van de man geschapen--diens »zij-been"--en +behoort ook aan zijn zijde te staan. In schone woorden wordt er +verklaard dat man en vrouw samen in innige gemeenschap leven moeten, zij +moet zijn kameraad zijn en alles met hem delen. En met strengheid wordt +er een reinere geslachtsmoraal geëist die de vrouw tegen de +ongebondenheid van de man beschermd. + +Maar daarentegen wordt de vrouw door de kerk meer dan ooit te voren in +haar vrouwelijkheid terug gedwongen; zij moet vrouw zijn, maar dan ook +niets dan vrouw. De geslachtseigenschappen zijn het die alleen haar +waarde bepalen, al haar deugden bloeien in haar geslachtseer. Ambrosius +wil ingetogenheid bij de opvoeding van de vrouw; ook moet er ook voor +gezorgd worden b.v. door een diëet, haar zinnen zo weinig mogelijk +te prikkelen en moet men haar lichaam in een zekere staat van tedere +zwakheid houden, om het jonkvrouwelike, koele, teruggetrokkene bij haar +te bewaren. De missie van de vrouwelijkheid is de begeerten van de man +te bedwingen, zijn woestheid te dwingen om te knielen en om de gunst van +de vrouw te _bedelen_. Maagden--schreef Hieronymus--zijn gelijk engelen. +»Wat anderen later in de hemel zullen worden, dat beginnen de maagden +reeds hier op aarde te zijn." Alle martelaressen hebben geleden voor hun +geslachtseer: de H. Agatha als de H. Lucia of Ursula en de 11000 maagden +te Keulen. + +Het grote voorbeeld van de kristelike vrouwelikheid werd de persoon van +Maria. Elke eeuw vinden wij haar weer dichter bij de hemel gestegen, +totdat zij nu in de 11de en 12de eeuw bijna de troon met de Driëenheid +deelt. Op afbeeldingen, in hymnen, in legenden wordt zij als de +Maagd verheerlikt, het ideaal van de reine, jonge Ongereptheid en +tegelijkertijd de Moeder Gods, zij die geleden heeft en liefgehad als +geen ander en die nu de barmhartige pleitster bij Kristus is voor de +zondige mensheid. In de hymnen wordt de schoonheid der gehele schepping +haar als een krans om het hoofd gebonden; zij is de Roos en de Lelie +en de Sterre der Zee en de reine Parel en die aanbidding krijgt een +kleurtje van de meest dwepende liefde-hulde. »Het is voor U gelijk een +kus, Maagd!--zegt Bernard van Clairvaux--telkens wanneer gij het Ave der +Engelen hoort! Telkens wanneer men U ootmoedig met dat Ave groet, wordt +Gij, o Zaligste, gekust!" En de legenden worden niet moe te vertellen +hoe de Madonna de grootste zondaars voor straf behoedt, zoowel op aarde +als hiernamaals, wanneer ze maar ijverig tot haar gebeden hebben en haar +altaar met bloemen versierd. + +Terwijl deze schone veilige sentimentaliteitsgolf over de wereld der +baronnen begon te spoelen en op zijn manier de ridder-romantiek +voorbereidde, was er ondertussen nog een andere kristelike gevoelsgolf, +somber en bitter en gloeiend, die zich met de andere vermengde, +maar toch ook duidelik in de latere ridder-romantiek onderscheiden +kan worden. Dat was de religie van de levensverzaking en de +levensverlochening die van uit het Oosten, en door de onderdrukking van +het Jodenvolk in de leer van Jezus gekomen was, en van daar weer over +Europa stroomde. + +Naast de Antieken en Germanen met hun robuste Heersersmoraal was het +Kristendom gekomen en had zijn moraal aan de zwakken verkondigd en de +dienstbaren en de ongelukkigen; onder de Slaven had het dan ook reeds +vroeg de meeste proselyten en de meeste martelaars gemaakt. Voor de +Romeinse patriciërs zo wel als voor de Frankiese baronnen had het de +moeilike deugden van de ootmoed en de zelfverlochening, gepreekt en +even onbekend voor Romein als voor Germaan was het bewustzijn van de +zonde dat het Kristendom tracht te wekken en dat het aan het gehele +menselike leven te gronde wil leggen. Uit het Oosten druppelde meer en +meer ascesis en zelfkastijding het Kristendom binnen; in de wildernissen +van Aegypte en Syrië trachtten kristen-kluizenaars elkaar in harde +ontberingen en gruwelike pijnigingen de loef af te steken, en sedert +dien bracht het monnikswezen in andere vormen de gehele zijde van de +zelfverlochening van het Kristendom in systeem. Nu in de 11de eeuw was +de kristelike sentimentaliteit, die zich over de landen verspreidde, +vermengd met veel van de zwarte bitterheid der ascese. + +Vrees, angst voor de zonde en voor het verlies van de ziel, dat is wat +de ware Kristen in zijn gemoed moet voelen,--leert men. »Een bedroefde, +naar de aarde gerichte blik, een verwaarloosd uiterlik, ongekamd haar en +vuile kleeren",--zo moet de Kristen er uit zien. Bevend gaat hij door +het leven. Alle geluk en vreugde zijn valstrikken van den duivel en +staan in de soldij van de Dood; smart daarentegen en ongeluk zijn de +voorschool van de Deugd, een beloning die God de uitverkorenen ten deel +doet worden, een pand voor het loon hiernamaals. Men moet dezer wereld +sterven. En afstand doen van geld en goederen,--leerde Kristus niet dat +er geen goud of zilver in ulieder gordels zijn moet en dat gijlieden +heen moet gaan en alles verkopen wat gij bezit? En alle macht en eer +opgeven--alle wereldlike macht is slechts diefstal, alle wereldlike eer +is slechts ijdelheid, leert Augustinus. Van kennis en wetenschap,--»de +wijsheid dezer wereld is dwaasheid bij God," zegt Paulus. Geeft uw +familie, ouders en kinderen op, »indien iemand tot mij komt en niet haat +zijnen vader en moeder, en vrouw en kinderen en broeders en zusters, +die kan mijn discipel niet zijn," zegt Kristus. Men moet het vlees +doden,--was het niet gulzigheid die er onze voorouders in het paradijs +toe bracht van de vrucht te eten? zegt Paus Leo. Men moet zich +vernederen,--»die zich vernedert, zal verhoogd worden". Men moet +geduldig zijn in het ongeluk, zachtmoedig tegenover het onrecht. Men +moet uit zich zelf tot hen gaan die lijden en zich in tranen baden over +de smart van anderen, zelf verdriet gevoelen bij dat van anderen, »wenen +met de wenenden en klagen met de klagenden." + +Ook voor deze zijde van het Kristendom stond er een hele kristelike +dichtkunst ter beschikking, die op de fantasie en het gevoel van de +lekenwereld werken kon en een grote massa sombere en droeve legenden, +uit het Latijn en Grieks vertaald, vlogen in de 11de eeuw de wereld door +en sloegen in het menselik gemoed neer. Schilderingen van de pijnigingen +der martelaren en de zelfkwellingen der kluizenaars,--van gevallen +vrouwen zoals Thais en Maria Aegyptiaca, die in hun wroeging allerlei +ootmoedigende en vernederende boetedoeningen voor zich bedenken... +onschuldige maagden, die door woestelingen vervolgd worden... zwarte +misdaden die de straf des hemels over zich halen... moeders, die zich +van hun kinderen losmaken of de H. Alexis die zijn bejaarde ouders en +zijn bruid verlaat, ze aan verdriet en wanhoop overgeeft en die als +bedelaar rond gaat trekken; zonder dat men hem herkent komt hij terug en +woont jaren lang bij hen zonder zich bekend te maken, ofschoon hij ziet +dat zij van smart sterven... alle menselike gevoelens worden getrapt, +alle natuurlike banden verscheurd. Die legenden willen tranen zelfs uit +de meest gevoellozen persen, zelfs de hardste harten tot bloeden brengen +en het zijn dikwels feitelik al heel kleine romans die direkt de +overgang vormen tot de sentimentele richting in de ridderromantiek. + +De zelfzuchtige hardheid der baronnen vermurwen, en in liefde +veranderen,--de stijve halzen dier Heren in ootmoedige zelfverlochening +doen buigen--dat is het waar de kristelike gevoelsrichting in de 11de +en 12de eeuw op aan stuurt. In tegenstelling met de beweging der +bedelmonniken in de volgende eeuwen, tracht de Kerk zich voorlopig meest +tot de andere maatschappelike lagen te richten en werkt dan ook het +meeste onder hen uit. De religieuse herleving van de adel wordt goed +geïnkarneerd in de twee grote kerkelike figuren uit het begin van de +12de eeuw. De een is Norbert van Xanten, een voornaam en rijk edelman, +een bloedverwant van keizer Hendrik V. Eens op een dag dat hij in een +prachtig zijden wambuis gekleed, door een wapendrager vergezeld, over de +Rijn reed, werd hij door een bliksemschicht getroffen en bewusteloos ter +aarde geworpen. Daardoor werd hij tot een godsdienstig leven gebracht, +hij verzaakte zijn positie en zijn goederen, gaf zich aan zulk een hard +asceties leven over, dat hij er door op het ziekbed werd geworpen en +werd de stichter van de strenge orde der Premonstratensen, aan het +hoofd waarvan hij stond als een streng niets-ontziend meester. Van meer +betekenis nog was Bernard van Clairvaux. Zijn vader en zijn broeder +dienden als ridders de Hertog van Bourgondië, maar Bernhard zelf was +door zijn moeder een sterk religieus gevoel ingeprent en hij werd +monnik. Hij begon met in heilige geestdrift zich zelf zo te kastijden +dat zijn gezondheid er bij in schoot en daarna maakte hij de +Cisterciensers tot een zeer streng-ascetiese orde; maar zijn ascetisme +viel samen met een mystiese, sentimentele dweperij, die hij van uit zijn +kloostercel aan grote kringen van de Franse adel wist mede te delen, +door preken, traktaten, een uitgestrekte briefwisseling, niet het minst +juist door die heerlik gevoelvolle brieven, bijna in de trant der Duitse +piëtisten, aan de vorstinnen van Lotharingen en Bretagne. Liefde, leert +hij, is het binnenste in de ziel; het komt er op aan het ijs in zich +te smelten en herboren te worden tot de mildheid en klaarheid van het +geestelike voorjaar; zelfzucht in een zee van liefde te verdrinken, +waarin men samenvloeit met het oneindige; wanneer de drang tot die +liefde door het lichaam schijnt, gelijk de lamp door het scherm, dan is +de ziel »huweliks-bereid", bereid tot het geestelike huwelik met het +Woord Gods. En Bernhard vertaalt de gloeiende Liefdes uitingen van het +Hooglied en verklaart die gelijk een mysties-religieus dwepen; in schone +hymnen schildert hij het kindeke Jezus als een minnaar en huldigt de +Maagd Maria met de geestdrift van een troubadour. + +Bernard werd dan ook de voornaamste prediker der kruistochten van zijn +tijd. En al waren het ook--zoals wij gezien hebben--in overwegende mate +wereldlike redenen die de meesten edellieden aan de kruistochten mede +deden doen, toch had de gehele godsdienstige herleving dier dagen +er een wezenlik deel aan. De kruistochten betekenen de officiele +Heiligprediking van de oorlog door de kerk. In plaats van de »Gods +vrede" waar men zich zo moeilik aan houden kon, proklameerde nu de Kerk +een »Gods Oorlog", waar men heel wat meer voor voelde. Zo als een der +kroniekschrijvers 't heeft; »God heeft in onze tijd de heilige oorlogen +ingesteld om de Ridders nieuwe middelen tot redding te geven, opdat zij +niet verder genoodzaakt zullen zijn zich aan een monniksleven te wijden +om zich te kunnen bekeren, maar dat zij met hun gewone leven en werken, +tot zekere hoogte altans, zich de genade Gods zullen kunnen verwerven." +De baronnen beschouwen zich nu als de Vazallen Gods: de Koning van het +Paradijs--zeggen zij in een gedicht over de kruistochten van de 12de +eeuw,--heeft zijn getrouwe Franse baronnen ter hulp geroepen »por Dame +Dieu vengier" en om van de heidenen het rijk te heroveren, dat »de +droite Antiquité" aan Kristus toekomt; zij zijn het, verklaren ze, »cil +qui Damedieu servant d'un loyal cuer entier." En de drang der ridders +om zich uit de maatschappij los te maken en op eigen hand eer te +behalen en op avontuur uit te gaan,--die ging om zo te zeggen bij de +kruistochten een kompagnieschap aan met het individualisme van het +Kristendom en werd daardoor geheiligd. In het Kristendom is er toch +reeds van huis uit een tendens die de banden der maatschappij en van +de familie losser maakt; die tendens wees de enkeling op zich zelf aan +en leerde hem dat de zaligheid van zijn eigen ziel het enige is dat +hij steeds voor ogen moet hebben, en dat hij zich alleen door eigen +verdienste kan verwerven. Gelijk de vromen die in het klooster gingen, +alle banden van het familieleven doorsneden en alle burgerlike +verplichtingen van zich afwierpen, zo konden nu de ridders op de +kruistochten het als heilig en verdienstelik beschouwen zich van alle +maatschappelike plichten los te maken en hun lust tot doden op eigen +hand bot te vieren. Maar ongetwijfeld is ook een zuiver godsdienstige +geestvervoering een machtige hefboom geweest voor die beweging. En door +Franse en Provençaalse kruisliederen, gelijk door het lied van de +Duitsche kruisvaarder Ezzo, over »de wonderen van Kristus" klinkt er een +dwepend verlangen naar het graf van Kristus en het Hemelrijk, en velen +waren er die werkelik voelden--gelijk een der kroniekschrijvers van de +eerste kruistocht het uitdrukt--dat »de tijd nu gekomen was waar het +woord van Kristus op doelde: »Zo iemand achter mij wil komen, die neme +zijn kruis op en volge mij."" + + + + +III. + +WERELDLIKE KULTUUR. + + +Naast de kristelik-sentimentele beweging was er ook een soort +wereldlike, humane kultuur die zich in de 11de eeuw aan de horizon +begon te vertonen en die niet zonder opvoedende kracht zou blijken. +Het werd al meer en meer duidelik, dat er ook buiten het Kristendom +een beschavingswereld te vinden was,--een beschaving van de manieren en +zeden, intellektueel zowel als aesteties--waar men zijn deel van krijgen +moest op poene van een barbaar te blijven. Geesteliken, die als kleine +jongens in de Latijnsche school het Latijn ingestampt was geworden door +middel van de klassieke schrijvers, konden midden in een scholastiese +discussie op eens een paar citaten uit Virgilius in de mond krijgen, +die hen plotseling vreemde rijken van schoonheid deed vermoeden, en +in uitverkoren kringen dier klerken begon men zich in die antieke +literatuur in te leven en zich te laten doortrekken van, al was het +een zwakke dosis, aesteties humanisme. En ridders die in Spanje geweest +waren en daar gastvrijheid genoten hadden bij de ongelovige muzelmannen, +of kooplieden die in Byzantium vertoefd hadden en een klein idee +gekregen hadden van wat de beschaving daar betekende, die kwamen naar +huis en vonden het leven lelik en vulgair, de zeden plomp en naief, +zelfs in de kastelen van de machtigste baronnen. In de bovenste lagen +der bevolking ontwaakten er toen vage voorstellingen van een hogere, +zuiver wereldlike kultuur--een kultuur, zelfs ongelovig en heidens--en +jeugdige verlangens om daar in door te dringen. + +De antieke kultuur was ook nooit in de middeleeuwen geheel afgestorven; +hoe beter men kijkt, des te duideliker ziet men dat de samenhang +ongebroken is, zelfs in de donkerste eeuwen. Als taal der kerk was het +Latijn immers de basis van alle geestesleven der klerken. Het was het +hoofdvak op school, de taal van de godsdienst, in 't Latijn werd de +bijbel gelezen en alle kerkvaders, in 't Latijn disputeerden alle +scholastici en werden alle kronieken en traktaten geschreven. En voor +het onderwijs werden de heidense klassieken gebruikt, in elk geval in +proza-uittreksels en bloemlezingen uit de laatste perioden der oudheid; +in de kloosters werden de oude manuscripten bewaard en afgeschreven, en +al waren er ook strenge richtingen in de kerk die de lektuur van al die +heidense onzin verboden, er zaten toch overal monniken in hun scriptoria +en bisschoppen in de biblioteken der kathedralen die hun otium wijdden +aan de studie van Virgilius of Lucanus, Seneca of Cicero. Had niet +Augustinus zelf de kinderen de lektuur van Virgilius aangeraden »opdat +deze grote, beroemde en uitstekende dichter niet zo licht uit hun +herinnering zal verdwijnen?" En waren de geschriften der kerkvaders niet +gespekt met citaten uit deze heidenen? Ze konden b.v. niet van de goede +rover vertellen die van het kruis naar Kristus op ziet of het vers van +Virgilius liep hen in de pen over de gevangen Cassandra, die haar blik +omhoog hief: »de blik alleen, de magere handen bonden de boeien." + +Zo volkomen was feitelik de kristelike leer der kerkvaders en +daarmede die van de gehele middeleeuwen--b.v. die van de moraal +der mensenliefde--van het materiaal der antieken doortrokken, dat, +wanneer de klerken in 't geheim de geschriften der heidenen inkeken, +ze elk ogenblik weer de waarheid zouden ondervinden van de woorden der +kerkvaders dat het niet alleen de Joodse profeten geweest waren, maar +ook veel geesten van het heidendom, die het licht van het Evangelie +reeds te voren hadden zien gloren. Wanneer b.v. Cicero sprak van de +»caritas generis humani" en de plicht in 't algemeen om zijn medemensen +te helpen. Wanneer Lucanus voorspelde dat de volkeren eens hunne wapenen +weg zouden werpen en elkander liefhebben. Of wanneer Seneca ontwikkelde +hoe wij allen ledematen van een lichaam zijn. En was het geschrift van +Ambrosius over de plichten niet slechts een bewerking met een licht +kristelik kleurtje van »De Officiis" van Cicero--evenals men in het +begin van de 12de eeuw de Engelse abt Aelred van Riedval de »Lelius" +van Cicero ten grond kon leggen aan zijn dialogen over »de geestelike +vriendschap"? + +Overigens trekt die zelfde abt tegen zijn tijdgenoten onder de +geestelikheid te velde, die tegelijk met de Evangeliën de Bucolica +studeren, Horatius tegelijk met de Profeten en Tullius met Paulus. En in +de 11de en 12de eeuw had de sterke bloei der scholen--vooral in West- +en Zuid-Frankrijk zowel als Noord-Italië--ook daar vruchten gezet die +de ernstige kristenen wel moesten ergeren. Eén dier vruchten was de +vrije gedachte die overal, in Noord als in Zuid, tegen het juk van de +kerkelike autoriteit opstond, in de ketterijen van een Berengarius van +Tours, in de vrije opvattingen der ketters, in Roscelin en Abélard en de +ontluikende Parijse scholastiek. Van groter en direkter belang voor het +literaire leven waren toch voorlopig de geestelike kringen die hier en +daar opkwamen waar men zich niet afgaf met dogmatiese ketterijen, maar +con amore zich aan de profane studie der oudheid overgaf, en zo goed als +'t kon, zich door de geest der oudheid liet doortrekken en ontwikkelen. +Het was vooral in de West-Franse provinciën in Touraine, Anjou en Maine, +dat de scholen bloeiden en dat de filosofiese vrije denkers en de +aestetiese humanisten onder de geestelikheid opkwamen. + +Daar was Hildebert van Lavardin die eerst een school had te Le Mans, die +daar later bisschop werd en als aartsbisschop van Tours stierf. Hij nam +sterk deel aan de kerk-politiek van zijn tijd en hield zijn bisdom vrij +van de ketterse beweging, maar zoals men hem in zijn talrijke gedichten, +redevoeringen en brieven leert kennen, is hij toch eigelik een leerling +der oudheid. In zijn preken mengt hij voortdurend beelden en +uitdrukkingen van de klassieke dichters onder de bijbelse. In de brieven +die hij aan zijn biechtelingen schrijft, haalt hij dikwels zijn raad en +zijn troostgronden uit de filosofiese epistels van Seneca zonder van +kristelike argumenten gebruik te maken. Een massa wereldlike briefjes +vertonen elegante beleefdheidjes in de vorm van de antieke brievenstijl. +In hopen kleine latijnse gedichtjes proberen de poëten het met alle +mogelike antieke genres: gedichten in antitese-rijke taal, gewijd aan +Koningin Matilde van Engeland, grafverzen ter ere van een gravin van +Maine, verzen vol komplimentjes aan de literair-ontwikkelde gravin +Adèle van Blois, epigrammen en schuine erotiese versjes. Door Ovidius +geïnspireerd, dicht onze prelaat een klacht van Apollo over de dood van +Hyacinthus, pompeus bezingt hij de grootheid van het antieke Rome en +houdt volkomen onkristelike beschouwingen over het Rad der Fortuin. +Maar daar midden tussen in weer legenden en verzen, epigrammen over +kristelike dogmata, of een gedicht, vol woordspelingen over de +drieënigheid.--Wanneer zijn vorstelike of altans adellike biechtelingen +aanvechtingen krijgen om zich in 't klooster te begeven of op een +pelgrimage uit te trekken, verklaart de humanistiese bisschop dat men +alle overdrijvingen en opzienbarende boetedoeningen moet vermijden en +dat een graaf van Anjou werkelik gewichtiger plichten heeft dan als een +pelgrim de wereld rond te trekken. En wanneer zijn vorstelike vriendin, +de gravin van Blois op oudere leeftijd zich absoluut in het klooster wil +begeven, weet hij haar in elk geval in de moederschoot der Kerk over te +leveren met het meest elegante-hoffelike gedicht. + +Een andere korrespondent van die gravin Adèle was de abt Baudri de +Bourgueil. Van zijn hand heeft men kleine epigrammen om onder een +portret te zetten of in een exemplaar van Ovidius, gelegenheidsgedichten +op een roos of een gebroken grift, groeten op rijm en uitnodigingen of +antwoorden daarop. Met een zekere Jonkvrouw Agnes en een non Emma voert +die abt een correspondentie in verzen, hij onderwerpt zijn gedichten +aan hun oordeel, en bromt op een vriendin van hun beiden, omdat zij +niet aan die poëtiese oefeningen mede wil doen. In een lang gedicht aan +die gravin Adèle schildert hij haar woning, zoals hij zich die in zijn +fantasie voorstelt en beschrijft o.a. de wandtapijten met voorstellingen +uit de Griekse mythologie en de Romeinse historie. In Latijnse +hexameters schrijft Paris minnebrieven aan Helena en richt Florus +brieven van troost tot Ovidius in diens ballingschap. + +Zulke beaux-esprits heeft de geestelikheid omstreeks 1100 zeker niet +weinige geteld en tussen het bisdom of een rijke abdij en het grafelike +hof in de buurt, heeft zich ongetwijfeld zeer dikwels een druk verkeer +ontwikkeld. De adellike dames stonden meestal zeer hoog in beschaving +en hadden veel meer geestelike belangen dan de ruwe baronnen, en +korrespondeerden druk met hun biechtvaders of met voorname nonnen in +de buurt. In dergelijke kringen trachtte men religieuse stichting met +literaire kultuur te verenigen. Men las de klassieken met elkander, +schreef brieven in den trant van Cicero, en legde zich op een wereldse +konversatietoon toe. De nonnen in het klooster Ronceras te Angers +schrijven nu en dan de zaakpapieren van het klooster in verzen en een +hunner kontrakten van overdracht begint aldus: »Kadmus, de wijze koning +van Thebe voerde volgens het bericht van Isidorus het gebruik van het +alfabet in Griekenland in, daar hij voorzag hoe noodzakelik dat in vele +gevallen zijn zou." Bij sommige gelegenheden heeft men in die literaire +abdijen eigengemaakte komedies opgevoerd in de trant van Terentius en +Plautus, soms met een kristelik morele tendens, gelijk die welke een +voorname Saksiese non, Hroswitha in het klooster te Gandersheim schreef, +soms zeer wereldse Amphitryon-intriges en verleidingsgeschiedenissen, +gelijk die welke aan een der klerken van Blois worden toegeschreven. In +een klooster zette men de minnedichten van Horatius op muziek, later +werd die melodie gebruikt voor een kerkelike hymne. + +Een zekere mate van schertsende lichtvaardigheid en sentimentele +liefde-uitingen ontwikkelden zich natuurlik dikwels bij de vrije omgang +der twee geslachten onder de mantel der religie. Het is algemeen bekend +hoe het Abélard en Heloïse ging. Abélard was de leraar en vogue bij de +Kathedraalschool van de Notre Dame te Parijs, van hoge geboorte, schoon +en elegant, met een innemende stem, literair ontwikkeld en muzikaal. +Plato en Boethius, Virgilius en Lucanus lagen even vaak op zijn lippen +als de woorden van de Schrift en zijn minnezangen vlogen op lichte +populaire melodieën over het gehele »quartier Latin" te Parijs. Die +waren op Heloïse gemaakt die bij haar oom woonde, een kanunnik bij wie +meester Abélard in de kost gekomen was, o.a. op voorwaarde dat hij diens +nichtje dageliks zou onderwijzen. Hun verstandhouding leidde tot de +treurige resultaten die men kent, maar van uit hun respektieve kloosters +bleven zij regelmatig met elkaar korresponderen;--brieven in een pedant +Latijn geschreven, half moraliserend, half retories-hartstochtelik, met +citaten uit Seneca en Paulus, Salomon en de »ars amandi" door elkaar, +en met aangrijpende hartekreten te midden van opgeschroefde onnatuur... +Ook uit Beieren kent men uit de 11de en 12de eeuw Latijnse brieven +tussen geesteliken en nonnen of geleerde vrouwen gewisseld, met +sierlijke hofmakerijen en zoetsappige sentimentaliteit, in geestelike +bloementaal geschreven en met citaten uit Ovidius, maar die +langzamerhand van geestelike vriendschap eens biechtvaders overglijden +in de plompe eis van de man dat de vrouw »haar vertrouwen in daden zal +tonen",--waar de vrouw met duidelike woorden voor bedankt. + +Dat hele zalvend zoete sentimentaliseren tussen mannen en vrouwen, +dat zo in de briefwisseling der geesteliken met vrouwen te voorschijn +komt--veel dergelijks vonden wij ook in de brieven van Bernhard van +Clairvaux aan zijn hoge kliënten--is niet zonder invloed, gelijk wij +zien zullen, in ridderkringen en dat is ook het geval met de manieren +en de spraak van de man van de wereld, waar men zich in die literaire +conventikels op toelegde. + +In een lagere sfeer--de wereld der arme »rondtrekkende scholieren"--had +de klassieke opvoeding een nog profanerender uitwerking. In kroegen +en herbergen deden deze rondzwervende, halfgeleerde _Bohémiens_ hun +latijnse liederen horen, ter ere van Venus en Bacchus en ten spot van +de officieele kerk en de welgedane geestelikheid. Daar krijgt men +verheerliking van wijn en spel, gesprekken tussen die scholieren en hun +liefjes,--ondeugende minneliedjes, maar ook gezangen waarin liefde tot +het voorjaar en liefdedweperijen een heel schoon geheel vormen. De goden +der antieken worden aangeroepen: Paris en Helena en Aeneas en Dido zijn +de voorbeelden aller liefhebbende harten en reminiscenties aan Horatius, +Ovidius en Virgilius zijn overal in de liederen dezer _vagantes_ te +horen. Niettegenstaande de geestelike tucht van het Kristendom, waaraan +ze in hun school onderworpen waren geweest, waagden deze klerken het, +zich over het voorjaar te verheugen en de schoonheid der vrouw te +prijzen, de lusten der zinnen te bezingen en de verschrikkelikheden van +de kerk, en die met alle satyren der antieken te kastijden, gelijk niet +lang daarna de troubadours het in de volkstaal zouden doen. + + * * * * * + +Als erfgenaam van de antieke kultuur gold in de middeleeuwen het +Oost-Romeinse rijk. Terwijl de klassieken in West-Europa slechts +zo nu en dan eens bestudeerd werden, 't zij dan zonder medeweten +van de kerk of wel door haar beschermd, zaten de overleveringen der +oudheid daar ginds in Byzantium nog steeds officieel op de troon. Daar +heersten nog de opvolgers van de Romeinse imperatoren die zich nog +Caesar noemden en Augustus,--de taal van Aristoteles en ook van Cicero +leefde nog op de lippen der beschaafden, de gehele Staatsmachinerie +was die van het Romeinse keizerrijk en wat de klederdracht betreft, +zowel als in alle gewoonten en vormen des levens waren de klassieke +tradities merkbaar. De keizerlike biblioteek stelde al de schatten der +oude literatuur ter beschikking van een talrijke staf van professoren +die op de kateders der Universiteit filosofie doceerden en filologie +en de rechtsgeleerdheid en de werken der oudheid werden afgeschreven, +uitgegeven, bestudeerd en bekommentarieerd; in enorme verzamelwerken +zowel als in praktiese compendia werd de quintessens van de +gedachtenwereld der antieken neergelegd en onverflauwd trachtten +de strijders in rhetorica, geschiedschrijving en dichtkunst, op de +glorierijke banen der Griekse en Latijnse literatuur voort te schrijden. +Onafhankelik van de geestelikheid vond men daar--in tegenstelling +met West-Europa--voortdurend een zeer uitgebreide laag van zuivere +wereldlike beschaving, waartoe het gros van de ambtenaarswereld hoorde +en het hof; vele prinsen en prinsessen van het keizerlike huis waren +werkzaam op het gebied van de literatuur. + +Met eerbied zagen de jonge halfbarbaarse volkeren van Europa naar +dat oude keizerrijk in het Oosten op. Er waren altijd door talrijke +verbindingen, en de macht en het aanzien van Byzantium waren over heel +Europa groot. Over Zuid-Italië en de Noord-Italiaanse steden ging er een +voortdurende stroom van handelswaren van de Bosporus naar West-Europa; +over en weer zond men gezantschappen, Griekse prinsessen trouwden in de +West-Europese vorstenhuizen en uit West- en Noord-Europa trok menigeen +daar als koopman heen of om in de keizerlike lijfgarde dienst te +nemen; velen werden ook als slaven naar 't Oosten verkocht. Het waren +machtige, bonte indrukken van een alles overtreffende beschaving, die +de westerlingen op die wijze ontving. Veel van de Byzantijnse bouwkunst +en dekoratie ging op de Romaanse kerken over en de Byzantijnse mozaïek, +de geweven tapijten, het Byzantijnse email en ivoor, verblindden niet +alleen door het kostbare materiaal of de schitterende kleuren, maar +werden ook gevoeld als de openbaring van een fijnere, hogere kultuur +van schoonheid. Men denke b.v. aan al die kleine ivoren beeldjes die +van de werkplaatsen in Konstantinopel over Europa verspreid werden: +deksels en banden voor de evangelies, kleine wassen schrijf-tafels, +kistjes voor juweelen of toilet-benoodigheden, allemaal uitgesneden +met figuren in ornamentale omlijsting. Er was een stijlgevoel in die +kleine kunstwerken, een fijnheid en een scherpte van lijn en omtrek, een +eenvoudige rytmiek in die eenheid van lijnen, die direkt van de oudheid +stamde en die de blik dier barbaren met een gevoel van godsvrucht gevuld +moet hebben. Daar stond de aartsengel Gabriël met zijn kruis-staf en +met zijn lange vleugels recht naar beneden, of de maagd Maria in haar +vrouwenkleed gehuld, met voorover gebogen hoofd en de hand als tot een +klacht opgeheven,--slanke tengere figuren in stijf-ceremonieele maar +toch gracieus elegante houding, de gehele lichaamshouding als gedragen +door een stille innerlike muziek en met een hoogheid en een fijnheid +over zich, als hoorden zij tot een oud vorstengeslacht en als hadden zij +zich aldoor in die verstijfde vormen van het hofleven bewogen. Die dunne +zijden kleeren met het fijne spel der plooien en de geborduurde randen +vergrootten nog de indruk van voornaamheid. Ogen, die gewoon waren een +gespierde baronnenfiguur of een gezette adellike jonkvrouw als typen +van alle schoonheid te beschouwen, gingen hier nu voor een fijner, +geesteliker lichaamsideaal open en voor een manier om zich voor te doen +en het uiterlik van uit zijn innerlik te beheersen, waar ze te voren +geen idee van gehad hadden. + +Pelgrims en handelslieden die uit Byzantium kwamen, hadden nog veel meer +te vertellen over de schoonheid van het leven en de elegance die er in +de huizen der rijken aan de Bosporus gevonden werden. Binnenplaatsen met +fonteinen, muren van marmer en mozaïek-vloeren, meubelen van ebbenhout +en ivoor, zijden kleden en Oosterse tapijten, tafelserviezen en kostbare +metalen. Dan die fraaie kleederdrachten en de fijne manieren. Naast de +dikbuikige, onbeholpen Franken, schijnen de gracieuse Grieken in hun +nauwsluitende lichte zijden gewaden vlug en behendig als gymnasten, +zoals een Franse kroniekschrijver zich uitdrukt. Met bewondering kijken +de Franken naar de beleefde en ceremoniele manieren van hun gastheren, +met enig wantrouwen horen zij hun vleiende beleefdheidsformules aan; +»indien de elegantie van houding en beweging, de vriendelikheid van de +blik en de lieve woorden," zegt die zelfde kroniekschrijver, »altijd +onthulde wat het harte dacht, dan zou men aan de hartelikste gevoelens +dier Grieken niet kunnen twijfelen." Vergeefs proberen de Franse +gezanten gelijk de Weringen, de Scandinaven in dienst van de Griekse +keizer, zich onverschillig voor al die pracht en praal voor te +doen, die er aan het keizerlike hof ten toon gesteld werd om hen te +verblinden,--hele theatrale opvoeringen die de ceremoniemeesters bij +de audiënties der keizers arrangeerden om de Barbaren te imponeren. De +beschrijvingen van West-Europeërs van de tuinen en het hippodroom, van +de troonzaal, de optochten die ze daar te zien kregen, tonen duidelik +aan hoe zeer ze daarvan onder de indruk waren, de Griekse historici +beweerden dat de Barbaren als die aan het hof kwamen, meenden dat ze in +het Paradijs waren. En vervolgens die ganse ingewikkelde hofstoet, de +Rangorde! Titels, privileges die de oorzaak waren van eeuwige afgunst en +voortdurende intriges. De hoofd-kamerheer met zijn staf van kamerheren, +de meester van de garderobe, de protostator die de strijder op +zijn paard helpt, de Proto à secretis of de eerste secretaris, de +silentiarii--zij die 't stilzwijgen opleggen--de referendarii die +smeekschriften in ontvangst nemen,--tot aan de Sebastokrator en de +Pan-hypersebastos. Elke rangklasse met zijn titulatuur: Nobilissimi, +spectabiles, clarissimi; elk met zijn uitsluitende rechten; zij die op +groene laarzen mogen lopen, (de keizer alleen mag rode laarzen dragen), +zij die met groene inkt mogen schrijven, (de keizer alleen en zijn +voogden mogen met rode inkt schrijven). Voor de Franse baronnen die uit +hun gewone patriarchale burcht-leven kwamen, was dat de openbaring ener +verfijning en aristocratisering van het maatschappelik leven die zij wel +moesten trachten na te bootsen. + + * * * * * + +Nog op een derde wijze kwamen de baronnen in aanraking met een vreemde +kultuur, waar tegenover zij zich niet anders dan als arme duivels en +naïeve barbaren konden voelen. Ginds in de steden van Spanje kwamen +de bewoners van Zuid-Frankrijk geregeld in vrede en vriendschap met de +Arabieren samen, te Palermo woonden de Franse Noormannen om zo te zeggen +vlak naast hen en koning Roger had vele Muzelmannen aan zijn hof en in +'t verre Syrië profiteerden pelgrims of handelslieden dikwels van de +gastvrijheid der ongelovigen. En zelfs bij een vluchtig bezoek moet +die vreemdsoortige schoonheid en rijkdom, de fijne omgangsvormen en de +atmosfeer van Oosterse genotzucht en een rijk Arabies milieu, op een +Fransman van de 11de eeuw als een sprookje en een droom gewerkt hebben. + +Over een met marmer geplaveide binnenplaats waar de waterstralen uit +leeuwen-bekken in marmeren vazen plassen, wordt hij--te Sevilla, +Palermo of Damascus--in vertrekken binnengeleid met muren van wit +pleisterwerk en met zolderingen van verguld mozaïek. Op de grond golven +dikke tapijten, voor de deur en de ramen hangen zware zijden gordijnen +met opgenaaide gouden arabesken; op consoles staan overal lakwerk en +Chinese vazen; aan de zoldering hangen lampen. Langs de muren staan +divans en ligbanken, in wierookvaten brandt aloe en sandelhout. Naar +binnen komen die vertrekken uit op een zuilengang om een tuin met +zeldzame planten en vruchten. Onze Frank weet niet of hij wel op de +tapijten durft treden en zich op de divan zetten... hij voelt zich als +dronken door de geur en verblind door het goud en de kleuren. + +Hier wordt hij door zijn gastheer ontvangen. Die is in een lange, +safraangele zijden kaftan gekleed met een violetten sjerp, en op het +hoofd een tulband met een witte sluier er over heen, een teken dat hij +tot de stand der geleerden hoort. Vol welriekende olieën zit hij sorbet +te slurpen door een lang strootje, terwijl hij schaak speelt met zijn +lievelingsslaaf. Maar nu staat hij dadelik op en gaat zijn gast te +gemoet--hoe ver, dat is nauwkeurig bepaald in overeenstemming met diens +stand--heet hem in Allah's naam welkom en wijst hem de ereplaats aan +in het hoekje van de divan terwijl de slaaf op een wenk van de meester +de gast sorbet brengt. Met een »God schenke U een lang leven" begint +de gastheer zich met hem te onderhouden: in bloemrijke woorden en +beeldspraak prijst hij de dapperheid der Franse ridders en hult zijn +komplimenten in sierlike woord-boeketten, met lichte gratie leidt +hij het gesprek op allerlei onderwerpen, en het wordt voortdurend met +woordspelingen en treffende uitdrukkingen gekruid. Wat voelt onze Frank +zich plomp en onhandig bij al die ceremoniële beminnelikheid en al die +schitterende, bloeiende konversatie-kunst! + +Nu wordt er een gedekte tafel binnengebracht met eten en drinken. Eerst +wast men zijn handen, de handen worden geparfumeerd door ze over een +wierookvat te houden en voor men begint te eten zegt de gastheer: »In +Allah's naam!" Ook de gerechten en het servies wekken de bewondering van +de Kristen op. De dadelwijn wordt in een bokaal van onyx geschonken en +de kippenpastei opgediend op Chinees porcelein. En nieuw is het ook voor +hem dat de gastheer na de maaltijd hem een »Wel moge 't u bekomen" +toeroept. + +Zulke indrukken werden dieper en kompleter wanneer men gedurig met +hen omging b.v. in Andalusië. Wel lag er dikwijls een grote mate van +berekening aan ten grondslag en werd er heel wat Oosterse wreedheid +onder dat alles verborgen, maar de façade, wat de vreemdeling zag, was +schitterend en nam ieder voor zich in. Reeds in de oorlog verblindden +de Saracenen hun tegenstanders door hun elegante vormen en houding; in +prachtige wapenrustingen op volbloed paarden en waar de gelegenheid +het medebracht, met een ridderlikheid tegenover de vijand die iets +van kokette galanterie over zich kon krijgen,--b.v. wanneer zij in de +slag met de vijandelikheden ophielden, bij de val van de kristelike +bevelhebber, of wanneer zij bij een overwinning alle oude mannen +spaarden en alle vrouwen en kinderen. Bij de dagelikse omgang in +vredestijd konden duizende kleine trekjes van grote delikatesse en +fijngevoeligheid de Franken de hoger ontwikkelde kultuur der Saracenen +tonen: de hoffelikheid b.v. waarmede hij een geschenk aannam, zelfs als +hij er niet op gesteld was, de delikatesse waarmede hij die beleefdheid +wist te vergelden of de schuchterheid waarmede hij zich ontzien zou +de dienstwilligheid van een vriend te misbruiken. Dat waren allen +raffinementen waar de Franse baronnen nog niet zeer bekend mee waren. +Aan alle kleine vorstelike hoven zagen ze bovendien schitterende +ridderspelen en de atmosfeer van het hof was vol van feesten, muziek en +gezang. Het volk dat zo zeer op muziek gesteld was, bezat instrumenten +die heel wat hoger stonden dan in Europa en hun melodieuse taal werd +door hoog en laag tot verzen gesmeed en ontwikkeld. Allen schreven +verzen, de boer achter de ploeg, de vrouwen in de Harem, op muren en +om zuilen maakten versregels het hoofdsieraad uit. Van hof tot hof +trokken de zangers rond en zongen hun gedichten op muziek. Het waren +hyperboliese lofzangen over de vorsten: »Uw grootmoedigheid, o Heer, +beschaamt der wolken vochtigheid... Uwe paarden, Heer! vliegen vlugger +dan de bliksemschicht en de sterre vermoeit zich in haar pogingen om +die bij te houden!" Of het waren gedichten van lof en hulde voor de +vrouwen--de gesluierde Andalusiese schonen, van wier heerlikheid men +slechts in de Moskee of achter een betralied raam een idee krijgen +kon, en wier afgezonderd leven en wier verhoogde vrouwelikheid een +eigenaardige romantiese kleur aan de liefde bijzette. »Afgunstig +wordt de wijn rood bij de blos op uwe lippen, de volle maan verbergt +zich wanneer uw aangezicht zich vertoont, uw haar is gelijk donker +myrthenloof, uw oog is smachtend als van de narcis, de gang van de +gazelle is niet zo licht als de uwe. Ik ben dronken, niet van wijn, maar +van verlangen en ontberen; met een tranenvolle blik roep ik uw naam aan, +gelijk een monnik zijn heiligenbeeld!"--aldus klonken de liederen der +Andalusiese troubadours, door de mandoline begeleid. + +Bij een Arabies kroniekschrijver kan men een merkwaardige schets van +een graaf uit Zuid-Frankrijk vinden, die zich in de woning van de +Saraceense gouverneur had ingericht toen de stad door de Spanjaarden +op de Muzelmannen veroverd was geworden. Die had de kleederdrachten van +de vorige eigenaars aan, en diens harem overgenomen en leefde nu geheel +op zijn Oosters. Een Joodse koopman die hem kwam bezoeken, vertelt hoe +de graaf op zijn divan liggende en het Arabies vreselik radbrakende, +een der jonge vrouwen riep en haar beval voor hem bij de luit te +zingen; terwijl de tranen langs haar wangen stroomden, stemde zij haar +instrument en zong zij haar liederen, die noch de gast noch de gastheer +verstond, terwijl toch de laatste al drinkend met groot animo +applaudiseerde. + +De begeerte naar de schatkamers der Saracenen en de tuinen van Armida +hebben er het hunne toe bijgedragen om de baronnen aan de kruistochten +te doen deelnemen, zo wel als al de fantastiese verhalen over de +heerlikheden van Byzantium en het verlangen naar de landen der ouden +om de Middellandse Zee. En de kruistochten openden pas de vreemde +kultuurwerelden voorgoed,--zetten de deuren van West-Europa pas +wagenwijd open voor 't Oosten en Arabië, Byzantium en de Griekse +kultuur, en langs die weg ook voor buitengewoon veel van de klassieke +kultuur. De invloed van deze vreemde beschavingen is, tegelijk met eigen +innerlike ontwikkeling van het Ridderwezen en de kristelike sentimentele +stromingen der 11de en 12de eeuw, wat het ontstaan der Ridderromantiek +verklaart en mogelik maakt. + + + + +IV. + +HOFKULTUUR. + + +Het leven der edelen concentreert zich, zoals wij zagen, in de 12de +en 13de eeuw op de kastelen der rijke graven en hertogen; de kleinere +adel, in elk geval de zoons, komen van de verspreid liggende sloten +der baronnen meer en meer naar de residenties der Leenheren. Hier +ontwikkelt zich een sosiaal samenleven en een daaraan beantwoordende +kultuur. + +Het zijn eerst en vooral nog maar vestingen, deze vorstelike +kastelen--Narbonnes van de graven van Toulouse, de burchten van de +hertogen van Champagne in Provence, die van de graven van Guines in +Ardres of de Wartburg van de landgraven van Thuringen, het slot der +Wellen te Dankwarderode--akelig somber zijn ze om aan te zien en +moeilik toegankelik, en ook van binnen beantwoorden zij met hun kleine +binnenplaatsen en nauwe wenteltrappen en vele kleine vertrekken slechts +weinig aan de moderne opvatting van wat zulk een slot moet zijn. En +toch--vergeleken met de kleine kastelen der baronnen--is er alles heel +wat groter, en vindt men er meer rijkdom en groter veiligheid en reeds +hebben allerlei vreemde kultuurinvloeden een zekere luxe--soms er nog +zeer bovenop--verspreid over de nog altijd vrij primitieve toestanden. + +Er is meer plaats binnen de wallen, en de veiligheid is ook groter omdat +de vestingwerken, vroeger dikwels van hout, nu altijd van steen zijn +en nu meer als zelfstandige uitbouwen met soliede verdedigingswerken +gemaakt zijn, gelijk ze dat op de eerste kruistocht bij de Arabiese +vestingen, om Jeruzalem en Antiochië, gezien hadden. En zo krijgt men nu +een gelegenheid om rondom de eigelike burcht tuinen aan te leggen--met +rozen en lelies, rozemarijn en heliotroop, met genezende kruiden voor +de huisapotheek en met alle soorten van vruchtbomen, zelfs met een +paviljoen waar de Landheer zich 's zomers ophoudt. Van de geheel vrij in +'t midden staande, bijna onneembare toren (donjon, bergfried), waar men +hoogst bekrompen woonde, is de woning nu gebracht naar een zelfstandig +langwerpig stenen gebouw, dat de van de Romeinse Keizertijd stammende +naam van »paleis" draagt. Vrije stenen trappen voeren naar de belétage +op en langs de façade daarvan, een open korridor, een »loggia" of +»laube", op de open trap zowel als op die loggia houdt men zich dikwels +bij goed weer op. De grote zaal zowel als de kleine kamers hebben nu ook +veel meer vensters zodat er ook beter licht en lucht in komt,--door het +naar buiten schuiven van de vestingwerken is nu ook het gevaar voor het +vijandelik geschut geweken,--al meer en meer bouwt men de vensters nu in +Romaanse stijl, rhytmies gegroepeerd,--twee of drie te samen bij elkaar +gehouden en omgeven door arkaden en boogfriezen. Bij wijze van bizondere +luxe ziet men in navolging van de kerkbouw, hier en daar glazen ruiten. + +Gezelliger en gemakkeliker voor een verblijf zijn ook de verschillende +vertrekken geworden. De haardsteden zijn nu niet meer geheel open maar +van een schoorsteen voorzien. Naast de ouderwetse vaste muurbanken in +de ridderzaal, duiken er langzamerhand andere meubels op: veldstoelen +en taboeretten, kleine kleedjes en kussens die op de grond liggen om op +te zitten; ook vindt men een soort ligbank met matrassen er in, die 's +nachts als bed gebruikt wordt, maar waarop overdag de gast uitgenodigd +wordt naast de gastheer of gastvrouw plaats te nemen. Veel van deze +gemakken komen zeker uit het Oosten; een woord als »matras" is Arabies +van oorsprong, een »tapijt" stamt uit Byzantium. De verlichting is ook +al heel wat meer ontwikkeld dan in de tijd van de pikfakkels of een +enkel licht hier en daar; ook alweer onder invloed van de Kerk ziet +men overal kandelaars die aan de muur vastgemaakt zijn en kronen aan +de zoldering. In de vertrekken, altans in de grote zaal, vindt men nu +allerlei ornamenten, en schone kleuren. In plaats van een open dakstoel +krijgt men beschoten zolderingen of zelfs gewelven als in de Romaanse +kerken. De gepleisterde muren en zolderingen worden met levendige +kleuren versierd: een blauwe grond met gouden sterren of overal bloemen +en gestileerde takken en vogels--meestal geel en roodbruin op witte +grond--of afbeeldingen van bijbelse of historiese tafrelen of uit een +roman; op deze wijze waren ook vroeger de paleizen van een Theoderik of +Karel de Grote met historiese muurschilderingen naar de overlevering +der antieken versierd geweest. Veel nieuwe kleurstoffen worden nu uit +het Oosten bekend (indigo-blauw, damast-rood en safraan-geel) nieuwe +kleurnamen worden uit het Arabies ontleend (karmozijn, oranje, azuur); +zelfs de ornamenten hebben hun naam en dikwels de motieven van de +moskeeën en de huizen der Arabieren (arabesken). Bij feestelike +gelegenheden worden de muren nog bizonder, spesiaal met geborduurd +linnen bedekt--soms een hele beeldenreeks als bij het enorme tapijt +van Bayeux, waar de gehele slag bij Hastings in geborduurd is,--of met +tapijten die eerst uit Syrië en Perzië kwamen--waar dan fantasties +gestileerde Oosterse planten en dieren in geweven waren--en die later in +Vlaanderen gemaakt werden. Ook de vloer werd in stenen vakken ingedeeld +als de ruiten van een schaakbord of met ornamenten; bij feesten werden +daar levende bloemen over gestrooid. + +De edelen zelf begonnen het lichaam beter dan vroeger te verzorgen, +om welke reden de moralisten van de tijd hen verwekelikt en verwijfd +noemen. Uit de termen van Byzantium en de badgelegenheden van de +Mohamedanen komen de warme baden en dampbaden overal in West-Europa in +zwang; het baden is blijkbaar niet alleen een noodzaak geweest--vooral +groot in een tijd dat er geen linnen gedragen werd en men het lichaam +zo buitengewoon sterk inspande--maar moet ook als een wellustig genot +beschouwd zijn geworden, waar velen een overdadig gebruik van maakten. +De kerk stond dan ook nooit goed gezind tegenover die nieuwe manier +om aan de zinnen toe te geven. Ook het haar en de huid begon men te +verzorgen. Uit Byzantium kreeg men fijn gesneden ivoren kammen en +weelderige spiegeltjes met deksels van ivoor, uit het Oosten welriekende +oliën: rozenolie, amber en balsem. Het haar werd gevlochten en met +krulijzers gekroesd, zo wel bij mannen als bij vrouwen; de vrouwen +wisten het haar te verven zo wel als vals haar te gebruiken, en +verstonden de kunst om zich te blanketten en dikwels droegen ze +sluiers--op de wijze der Oosterlingen. Vooral waren het juist de stoffen +uit het Oosten en het Oosterse voorbeeld in het algemeen, die een +ongehoorde lukse van kleeren en versierselen in zwang brachten en dat +niettegenstaande alle gepreek van de familievaders en van de Kerk. Over +de handelscentra van Italië stroomde dat alles Europa binnen--zijde uit +Tyrus, Arabië en van de »Hindoe koesj", »de Indiese Kaukasus", satijn +en fluweel van Alexandrië, damast van Damascus, »baldakijn" van Bagdad, +mouseline van de stad Musul aan de Tigris, »Sindu-wol" uit Indië. Van +de kledij der Byzantijnen, zo als men die, in mozaiek gereproduceerd, +in ivoor uitgesneden kon vinden en van de burnu's en de kaftans der +Arabieren kwam de nieuwe mode in de klederdrachten: de korte kiel van +de mannen en hun mantel gaan nu tot aan de enkels; ook de vrouwen +dragen lange gewaden van lichte, fijne stoffen met wijde mouwen en +een sleep. In de »visioenen" van een monnik uit die tijden lijdt +keizerin Theophano, een Griekse prinses, alle pijnen der hel, omdat +zij de weelderige Byzantijnse modes in de vrouwelike klederdracht naar +Duitsland en Frankrijk overgebracht heeft. De namen van klederen, als +b.v. »Jupe" en »hoqueton" zijn Arabies. Maar die kleeren van de ridders +en hun vrouwen zijn heel wat bonter geweest dan die van hun voorbeelden; +met een naïeve opvatting van kleuren hebben ze de meest schreeuwende +daarvan te samen gebracht; het is niet zeldzaam dat men een dame +hoort prijzen omdat haar kleeren aan een papegaai doen denken, en de +»mi-parti" klederdrachten der mannen en het dragen van bellen er op, +zijn zeker Europese uitvindingen. Borduursels in en op de stof, gespen +en spelden, ringen en kettingen voltooiden de feestkleedij. Een bedorven +jeugd--zo klaagt een kroniekschrijver--is meer en meer verwijfd +geworden; ze dragen lang, sierlik gekapt haar, ze werpen stof op door +hun lange mantels en bemoeiliken zich alle handbewegingen door hun +lange, wijde mouwen; ze dragen lange baarden, als van de bok, (dat komt +ook uit het Oosten) en lopen met een kaproen op het hoofd en lange +puntschoenen. + +Ook de maaltijden worden meer en meer uitgebreid en fijner. Uit het +Oosten krijgen ze pasteien en taarten, peper, muskaat, meloenen en +sinaasappelen, hete wijnen--van Cyprus en Malvezij--en ook limonaden. +En het eten werd ook al wat schoner en netter opgediend. Wel is waar +nog altijd alles in één pot, en worden de vingers als vorken gebruikt +en hebben elke twee personen samen maar één bord en één beker, maar +er wordt toch iets meer dan vroeger acht geslagen op wat de reinheid +en de schoonheid eisten. Byzantium en de Arabieren waren steeds +de voorbeelden; het gouden of zilveren servies voor de vorstelike +feest-maaltijden was meestal Grieks werk; er zijn drinkbekers bewaard +gebleven van émail en in goud gevat kristal en door de Byzantijnse +kunstenaar met Grieks mytologiese voorstellingen versierd. Woorden als +»tasse" en »karaf" zijn Arabies. Voor de maaltijd de handen te wassen +was iets wat men bij een bezoek in het eerste het beste Saraceense huis +kon leren, een wasbekken, dat nog uit een der ridderkastelen stamt, +noemt zich dan ook »vervaardigd door Mohammed, de zoon van Abzeny", maar +die gewoonte kan ook uit de Kerk overgenomen zijn, waar de priester van +ouds de handen wies, vóór hij bij de mis de Heilige Voorwerpen aanraakte +en uit de altaar-kelk dronk,--het zijn dan ook kerkelike Aquamanilen (de +schaal, in de vorm van draken en leeuwen, waarin de priester zijn handen +wast) die zich later tot wereldlike kannen voor het wassen der handen +ontwikkelden. + +En wat tafelmanieren aangaat, krijgen de edellieden nu een opvoeding +waar men zich te voren geen idee van gevormd had. Geesteliken die als +huiskapellanen of als opvoeders voor de zonen der adelliken aan de hoven +vertoefden, trachten de jongelui iets van de tucht en fatsoenlike +manieren aan de maaltijden bij te brengen, die volgens de oude +reglementen in de refectoria der kloosters in gebruik waren. Uit de +Talmud en van de Arabieren uit Spanje had de gekerstende Spaanse Jood +Petrus Alphonsus dergelike regels voor tafelmanieren opgesteld in zijn +»Disciplina Clericalis", geliefkoosde lectuur in de 12de en 13de eeuw. +En kon men niet bij Ovidius lezen dat men niet schrokken moest, maar het +eten netjes met de hand naar de mond moest brengen en zijn gezicht niet +mocht volsmeren? Indien Helena schrokkerig gegeten had en zich bemorst +had, dan zou Paris niets met haar te maken hebben willen hebben. Of was +er in de wijsheid van Jezus Sirach niet eigelik een heel Leerboek voor +tafelmanieren in den dop te vinden,--dat men niet met een »hemel, wat +een hoop eten!" er het eerst bij moest trachten te komen, dat men zijn +maag niet mocht overladen, en indien men daar toch door de tafelgenoten +toe mocht zijn verleid, dat men zich dan onopgemerkt even van tafel +moest verwijderen om het »overvloedige" kwijt te raken? Al dergelijke +nuttige voorschriften leerden de Ridders en hunne dames, dat men +geen grote brokken in de mond mocht nemen, niet met eten in de mond +mocht spreken, niet met de hand in de algemene schotel mocht roeren +of er afgekloven benen weer in leggen, zorgen dat er geen vetrandje +aan de beker achterbleef waaruit men gedronken had en de buurman nu +weer uit drinken moest, en ook de mond niet mocht afvegen met het +tafellaken--laat staan natuurlik er zijn neus in snuiten. + +In het algemeen is het de gehele dagelikse omgang die nu het voorwerp +van een cultivering en regulering wordt van het oogpunt van reinheid +uit, van het algemeen gemak en van de schoonheid. Het is het samenleven +der hogere kringen dat uit zich zelf, hier als overal, de manieren +der mensen verfijnt en polijst. De hoven worden nu een school der +beleefdheid, waarin de grote Heren van buiten wat worden gevijld +en geschaafd. Maar evenals de nieuwe lukse en de verfijning van de +uiterlike levensvormen dikwels slechts iets geweest zijn dat er buiten +op zat,--het rijke zijden dek verborg soms een bed van stroo, en in +plaats van de geraffineerde feestgerechten kwam er gewoonlik slechts +spek en worst op tafel--zo blijkt het maar al te dikwels dat al die +regels over de vormen van het hof niet natuurlik ontstaan zijn, en als +gewoonte tot ontwikkeling gekomen, maar dat die er van buiten af kant +en klaar in gebracht zijn en, als nieuwe kunstmatige modevoorschriften, +van buiten geleerd. In de 11de, 12de en 13de eeuw ontstaat er een hele +literatuur door klerken, die aan het hof leven, geschreven, eerst in 't +Latijn, later in Franse en Duitse verzen en die ten doel heeft regelen +voor de goede manieren en de goede toon op te stellen voor alle +mogelike levensomstandigheden. De enige leermeester tot wien men zich +wendt is de oudheid. Bij Ovidius, bij Cicero en bij Seneca en in de +verschillende verzamelingen van spreuken die in de middeleeuwen onder de +naam gaan van Publius Syrus, Cato en Seneca, vindt men regels over hoe +men zijn tanden en nagels schoon kan houden, hoe men niet te luid of +te veel moet spreken, hoe men niet te hard of te veel mag lachen en +dergelijke dingen meer die allen onder het »decorum" te rangschikken +zijn. Maar in het bizonder had de Kerk langzamerhand als een schakel in +de kristelike moraal een verfijnde opvoedingsleer ontwikkeld. In een +Grieksch geschrift van Clemens van Alexandrië (ongeveer 200 n. C), de +»Paedagoog", vindt men een massa zulke voorschriften: men mag zijn neus +niet snuiten, of niet niezen met al te veel lawaai, bij het drinken het +hoofd niet te veel naar achteren werpen, enz. En dit alles--leert die +Kerkvader--zijn geen bagatellen, want »wij moeten altijd leven alsof +wij in de tegenwoordigheid van God leefden." Dat was het juist wat +de heilige kluizenaars deden. Daden van kristelike ootmoed en liefde +waren voor hen niet iets wat alleen de grote handelingen betrof; die +moesten integendeel het dagelikse leven tot in de kleinste kleinigheden +doordringen, alles zou bij het opmaken van de rekening meetellen. Liefde +wordt in de dagelikse omgang tot een meest delikaat in acht nemen van +vormen en respekt, ootmoed tot de meest geraffineerde bescheidenheid. +Wanneer de heilige Paulus bij de heilige Antonius op bezoek is, trachten +zij elkaar in damesachtig-fraaie beleefdheidjes te overtreffen en +parlementeren er een langen tijd over wie het eerst van het brood +zal nemen, enz. Later heeft het kloosterleven een heel sisteem van de +regelen der etikette bij de dagelikse omgang ontwikkeld--de regel van +de H. Benedictus bevat een massa van dergelike voorschriften--hoe de +monniken elkander of hun Abt zullen moeten begroeten of toespreken en er +bestaan strenge straffen voor wie onder het zingen der psalmen hoest of +wie bij het drinken met zijn tanden tegen de altaarkelk stoot, enz. Wij +hebben uit het jaar 1000 ongeveer, verschillende leefregels voor jonge +geesteliken en nonnen, door geesteliken geschreven. Zo is er b.v. één, +waarin Bernhard van Clairvaux de jonge man inprent hoe hij zich gedragen +moet, spreken, de mensen moet aankijken, enz. Zulke leraars zijn het die +de klerken naar de adel op de kastelen sturen voor hun zoons. En het +doet werkelik goed te zien welke drang naar goede manieren de ridders +nu tot de leerlingen van klerken en Joden maakt, van de Muzelmannen en +de oude klassieken,--en de energie die ze er aan besteden om zich die +lessen ten nutte te maken. Zo leren ze b.v. om altijd te kloppen als ze +een kamer binnen willen. »U" te zeggen tot hun gelijken en de hogeren +in rang. »Heer", »Vrouw" en »Jonkvrouw" te zeggen--men zegt dat de +meervoudsvorm »U" reeds in de tijd van Caesar in gebruik kwam als +men iemand aansprak,--bij het binnentreden iemand met een »God zegene +U" te begroeten, te bedanken als men iets krijgt, niet te hevig te +gestikuleren bij het spreken, de hand niet op het hoofd of op de +schouder te leggen van een persoon die men aanspreekt, hem van wie men +afscheid neemt Gode te bevelen... alles kleinigheden, maar die te zamen +het sisteem vormden dat de tijd op zou bouwen. + +Tot die hoofse vormen en gebruiken hoorde natuurlik nog in de eerste +plaats vaardigheid in het hanteren van de wapenen en in het paardrijden; +die worden tot ridderlike deugden met allerlei regels en steeds groter +raffinement. Van de kinderjaren af worden de jongens daar reeds in +geoefend en in vredestijd blijft men zich oefenen door toernooien +en andere sport. Het fokken van paarden en hoe ze te verzorgen, de +versierselen op de wapenrusting, de heraldiek, de schermkunst of hoe +een lans te breken,--dit alles en dergelike dingen werden bij de hoven +voorwerpen van grote zorg. Hoe zeer de wapens en de paarden bij de +ridders geëerd en geliefd waren en hun altijd voor de geest stonden, dat +tonen al de beelden en vergelijkingen uit die gedachtesferen waar de +ridderpoëzie van doortrokken is. En het zelfde geldt van de jacht,--de +hoofdpassie der ridders, behalve toernooien. Dan eens vergelijkt de +dichter zijn verliefd hart met een teugelloos paard, dan met een havik, +die zijn prooi in 't oog krijgt, de welopgevoede ridder wordt vergeleken +met de welgedresseerde jachtvalk en de ongelukkige minnaar met een vogel +in de ruitijd. Er zijn reeds vroeg leerboeken--veelal naar het Arabies +bewerkt--voor alle mysteriën van de jacht-wetenschap, en een valk te +kunnen dresseren, of de buit volgens de ware regels te kunnen verdelen, +waren kunsten waar men de gunst van vorsten zo wel als dames mede kon +winnen, als men zich daar een meester in toonde. Maar als gewichtige +elementen in de hoofse vormen kwamen er bij die lichaamssport nog +allerlei gezelschapskunsten. De jongelui van beider kunne worden in het +teerlingspel onderwezen, in het schaken en de dans; het een of ander +instrument te kunnen bespelen en de kunst van lezen en schrijven kwam +er naderhand bij, altans voor vorstenkinderen. Voor deze laatsten hield +men er veelal een »Paedagogus",--een »maistre"--een »zuchtmeister" of +»meisterinne" bij het hof op na; vooral de meisjes uit de voorname +families leerden niet alleen lezen en schrijven maar ook zingen en +spelen. + +Zelfs de innerlike habitus der mensen komt onder de invloed van dit +leven der hogere klassen en het sosiale leven op het adellik slot en +aan het hof--in hoofdzaak juist in die zelfde mate als dat het geval is +waar dit elders in de geschiedenis voorkomt,--aan de Indiese en Perziese +hoven, die van de Italiaanse renaissance of bij het leven te Versailles. + +Het gezelschap bestaat in de eerste plaats uit de Seigneur en zijn +familie--daaronder vele behoeftige mannelike en vrouwelike verwanten +die op het kasteel genadebrood eten;--daarnevens een heel garnizoen van +ridders die een soort lijfgarde van de Seigneur vormen. Verder zijn daar +een hele schare van jonge edellieden die naar het hof gezonden worden om +zich daar in de wapenen te oefenen en de ridderlike tucht te leren, zulk +een vorstenhof is feitelik een soort Ridderakademie. Die jonge lui doen +eerst dienst als pages en als fakkeldragers of boodschappers, zorgen +voor de valken op de jacht en het aankleden en ontkleden hunner heren; +later worden zij schildknapen en de armen onder hen brengen het veelal +niet verder; de rijken daarentegen, of zij die hun wapenrusting en +riddertooi door een ander kunnen laten bekostigen, worden tot ridder +geslagen en trekken dan weg. Vervolgens heeft men de arme »Chevaliers +sans terre" die op het ene hof voor, het andere na, gastvrijheid komen +vragen, ook zelfs edelen in goeden doen die ergens hun eigen goed en +burcht hebben, maar die er de voorkeur aan geven aan het hof van de +leenheer hun leven te slijten. En verder een heel stel hofambtenaren, +de seneschalk, de keukenmeester, de keldermeester, de intendant en +de maarschalk. De burchtvrouw en haar dochters hebben--evenals de +vorst--ook hun suite van arme tantes, nichtjes en andere adellike +dames die op het kasteel wonen als dames van gezelschap of kameniers en +evenals hun broeders worden de adellike jonge meisjes voor hun opvoeding +daar heen gezonden, om daar dienst te doen en liefst ook te trouwen. +Wanneer daar nu nog een heel dienstpersoneel bij komt, dan begrijpt men +dat de burcht in de regel niet het hele hof kon bergen, vooral niet bij +feestelike gelegenheden, wanneer de adel uit de buurt ook nog aan kwam +zetten; dan moesten velen bij de gegoede burgers hun intrek nemen, de +residentie lag ook bijna altijd in of bij een stad. + +Hier wordt er het leven van de grote Heren geleid. Alle werk voor +het dageliks brood is onterend. Is er eens een edelman die zich in 't +geheim met de schaapsteelt afgeeft, dan voelt hij zich diep beschaamd +wanneer het aan den dag komt. Handel is een zaak voor kramers en Joden. +Alle »gaigneurs" worden veracht,--zij die hun brood moeten verdienen +en alleen des Zondags vrij hebben. Zelfs van die zaken welke de +administratie der goederen medebrengt, wil men niets weten. Het jonge +geslacht stelt de aanvaarding van de erfenis zolang mogelik uit, zij +blijven liever bij het hof dan zich daarmee druk te maken. Wanneer er +recht gesproken zal worden en er plotseling bezoek komt, dan laten de +jongelui zowel als de baronnen alle rechtspleging in de steek en haasten +zich volgens de verhalen in de romans, de gasten te ontvangen. En gelijk +de zaken op de schouders hunner beambten geschoven worden, zijn ook +zorgen en bekommeringen iets waar een edelman zich boven moet weten te +verheffen. In de oude heldengedichten zag men zelfs de hoogststaanden +tranen storten, maar nu heet het--gelijk dikwijls in de romans +voorkomt--: »Laat de mindere man verdriet hebben, die is er aan +gewoon,--maar dat past niet bij een vorst of een voorname dame." Vooral +van de bezittingen moet men zich nooit iets aantrekken of er een traan +voor laten, wanneer men het hart van een baron in zich heeft. »De +vreugde te beminnen"--joye aimer--is ridderplicht, en »jeunesse" wordt +als een van de ridderdeugden voorgesteld. Het is een van de eisen der +hogere kringen dat men rijk moet zijn, niets te doen moet hebben, vrolik +zijn en jong,--gelijk naderhand in de salons der 18de eeuw. + +Het leven is een en al gezelligheid,--een leven van uiterlikheden, vóor +en met anderen. Slechts in de eenzaamheid of in kleine kring kan een +intiem innerlik leven ontstaan, een warm gemoedsleven, een dieper +denken, gaan met de gezelligheid niet samen. Het is een leven van +ogenblikken, van op zich zelf staande momenten, op de omgeving +gericht. Zulke mensen zijn licht bewogen gevoelsmensen: zij zijn +nerveus-ontvankelik voor de stemmingen van hun omgeving, zij nemen +gretig deel, ofschoon misschien niet diep, aan het wel en wee van +anderen; zelf zijn zij expansief in hun gevoelens en hebben er behoefte +aan bij anderen sympatie te vinden; beminnelikheid en behaagzucht, +koketterie en ijdelheid, sympatie en fijngevoeligheid zijn eigenschappen +die dat leven ontwikkelen. Maar geen sterke passie zal licht gelegenheid +krijgen om bij zulk een versnippering van het gevoelsleven tot volle +groei te komen, die zou ook een einde maken aan het sosiale leven +en aan het intieme huweliksleven, en het familieleven begint onder de +ontwikkeling van het sosiale leven te kwijnen; aan de hoven der 13de +eeuw gelijk in de salons der 18de; glijden man en vrouw van elkander, +zij hebben geen tijd en gelegenheid om voor elkaar te leven, men moet +zich grotendeels aan het leven geven. Zelfs komt het huwelijk in +miskrediet, als het gezellige sosiale leven in de weg staande; in een +Duitse roman verklaart Gawein dat voor Iwein: wat zijn er niet een +menigte echtgenoten die zich met hun vrouw opsluiten, alle riddervreugd +er aan geven, zich in de gewoonste kledij steken, ongesoigneerd er uit +zien en een hoogst onaangenaam leven leiden, het hoofd vol van huiselike +beslommeringen. + +En daarenboven: mensen van de wereld leren de kunst van observatie, in +elk geval leren ze de kleinigheden en uiterlikheden opmerken, en de +eigenaardigheden der verschillende mensen kennen, nauwkeurig de omslag +in de conversatie volgen, het verholen spel van het eigenbelang en der +ijdelheidjes fijn doorzien, snel te begrijpen, gewillig zich aan het +nieuwe aan te passen, zonder aarzelen anderen na te volgen; zij worden +gevat en vindingrijk, mededeelzaam en onderhoudend en weten aan hun +innerlik vorm en uitdrukking te geven die hun uitwerking niet missen. +Maar bij al dat heldere vernuft en dat veelzijdige aanpassingsvermogen, +al die improviserende »Esprit" en die handige vorm-kunst, blijft er geen +plaats over voor diepe oorspronkelikheid, voor eigelike geestelike +productiviteit. Aan de hoven der 13de eeuw wordt de persoonlikheid als +in de salons der 18de uitgewist, de scheppingskracht vermindert en daar +kan het geestesleven wel vrijheid en veelzijdigheid ontvouwen, maar +diepte en grootheid zijn er niet in te vinden. + +Ontwikkelen nu de mensen zich in dit maatschappelike leven als van zelf +in de genoemde richtingen, de druk dier maatschappij geeft de enkeling +in een dubbel opzicht zijn vorm. Aan de ene kant slijpt dat n.l. alle +hoekjes en kantjes bij hem af, vormt hem naar één model, stemt hem in +de heersende toon en dwingt hem tot een zeker jargon. Alles wat één +enkele doet is »onopgevoed"--»doet men niet--dat lijkt op niets, zò +doet men, dat is zoals het hoort." Curialis, courtois, dat betekent het +conventionele begrip, voor wat aan de curia, de cour, past, wat hoffelik +is. Maar toch, binnen de perken van de mode en de goede toon, stelt +men, tot zekere hoogte altans, het individuele op prijs. Een ieder moet +trachten uit te steken, zich niet in het gezelschap op de achtergrond +houden, ieder moet zijn loodje bijdragen, zijn talent voor de anderen +nuttig maken. Allen moeten proberen hun natuurlike goede eigenschappen +tot hun recht te laten komen, moeten trachten in of met iets uit te +blinken--in de ontvangstzaal zal b.v. de ene dame de gelegenheid +aangrijpen om haar mooie handen te laten zien, de ander glimlachen om +haar frisse tanden te vertonen, de een schittert door haar vernuft, de +ander door haar gevoeligheid. En men tracht elkaar steeds de loef af te +steken in elegantie, in hoofse vormen; de grote kwestie is een nieuwe +mode in te voeren of nieuwe paragrafen bij het Wetboek van de goede toon +te voegen. + +Wat ook tot de vrijheid en vernieuwing bijdraagt is, dat er in de 12de +en 13de eeuw, èn in Frankrijk èn in Duitsland, zo veel van die hoven +zijn met hun intellectuele feesten en partijen, en dat er een intens +verkeer daar tussen plaats vindt. Een hoofdstad is er nog niet en ook +geen koninklik of keizerlik hof dat een werkelik toonaangevend centrum +uitmaakt. De ridders trekken over en weer naar de hoven van Ardres, +Boulogne en St. Pol, men ziet elkaar bij toernooien en feesten, en als +er een te Atrecht gegeven is, geeft een ander er een even groot, of +groter, te Brugge. Evenals in het oude Griekenland, in het Italië der +renaissance, of het Duitsland der 18de eeuw, blijken ook hier die vele +kleine centra die in zulk een levendig verkeer met elkander staan, op de +ontwikkeling van het geestesleven een zeer gunstige invloed te oefenen. +De mode regeert, maar er komen steeds nieuwe modes op, de goede toon +»stemt" de anderen wel, maar wordt toch weer op zijn beurt opnieuw +»bestemd" door hem, die de nieuwe toon aangeeft. Op die wijze werkt +dit maatschappelijke leven tegelijkertijd nivellerend en toch ook +voortdurend variërend. + +En ten slotte: dat maatschappelik leven is een hofleven. Overal merkt +men een indeling in verschillende klassen, een rangorde, een soort +hiërarchie: van de Seigneur af, door heel zijn familie heen, van +de baronnen tot de ridders zonder iets toe, van de ridders tot de +schildknapen en pages, van de hofbeambten tot de laagste rangen van het +dienstpersoneel. Aan tafel zit men volgens zijn rang aan, in de Kapel +heeft een ieder zijn vaste plaats, er is verschil bij de titulatuur: +Heer, Jonker, Dame, Demoiselle en Pucelle. Bij het afscheid geeft +de Seigneur de baronnen zijn hand, maar de dienende ridder zegt hij +alleen maar goeden dag. Natuurlik zijn wij hier ver van de etikette +van Byzantium of van het hof van Lodewijk XIV, maar de vraag naar +geboorte en rang, »parage", speelt een steeds belangrijker rol. +»Mesure", »Maze" heeft in het bizonder de betekenis van de takt en het +berusten waarmee een ieder zich in die hiërarchie invoegt, met de hem +toebedeelde plaats tevreden is en voor een ieder het respekt heeft +dat hem wegens zijn rang en stand toekomt. En er ontwikkelt zich een +geest van onderdanigheid en een vleiende toon jegens de supérieuren, +een van hoogmoedige trots tegen de inférieuren die ten allen tijde +onafscheidelik van het hofleven geweest zijn. Ten eerste worden van die +kringen natuurlik alle »villains" uitgesloten; men houdt alleen rekening +met »gentilhommes". De fundamentele opvatting van die adelskultuur,--en +dit wordt steeds meer en meer emfaties door de gedichten gestaafd,--is +volkomen tegen de geest van het Kristendom in, dat de menselike natuur +bij de »geborenen" en »niet-geborenen" absoluut verschillend van aard +is, dat de »nourriture", de opvoeding, zo goed als niets betekent +tegenover de »nature"; de voornamen zijn van andere stof gemaakt of +altans in een andere vorm gegoten door de natuur, dan het volk. Maar +in de adel zelf is ook gelijkheid van geboorte een bijna noodzakelike +voorwaarde voor een huwelik. Een »vavassor" durft zijn ogen niet tot de +dochter van een baron opheffen, een baron niet tot een vorstendochter, +alhoewel het als een teken van een »verheven gemoed" geldt, wanneer men +tracht de maatschappelike ladder op te klimmen. + + + + +V. + +DE »SALON-POËZIE" DER RIDDERKRINGEN. + + +Het oude nationale helden-epos had nog een ereplaats aan de nieuwe hoven +zo wel als op de oude kastelen der baronnen; aan de oorspronkelike +gedichten werd steeds bijgevoegd en veranderd en er ontstonden nieuwe +gedichten in de trant der ouden, uur aan uur hielden de zangers de +adellike heren en dames in spanning door hun voordrachten onder +begeleiding van muziek van de eindeloze gevechten met die »honden" van +Saracenen of tussen de krakélende baronnen. Maar in de 12de eeuw was +de produktieve tijd voorbij; de atmosfeer en het hofleven waren weinig +geschikt om tot heldendichten te inspireren. De helden-epiek was toch +een maatschappelike poëzie, ontstaan uit een levende algemeen nationale +sageschat en gaf uitdrukking aan een levende nationale of provinciale, +algemene geest. Maar de nieuwe ridderkringen hadden niets van die +maatschappelike geest, de laatste echo van de oude Germaanse stamgeest. +Hier waren ridders bij elkaar die gewoon waren hun leven op eigen hand +te leven en zich neer te slaan, of in dienst te treden, dan hier en dan +daar; het gehele leenstelsel berustte op het vrije kontrakt; de nieuwe +maatschappij die zich vormen zou, wees vooruit en voelde zich zeer +weinig solidair met de overleveringen van het oude Frankrijk der +Karolingiërs en nog was het slechts een vrije, bewegelike gastvrijheid, +nog ver verwijderd van een nieuwe maatschappelike geest, die de +vele kleine centra geschapen hadden. De resonantiewand voor de +heldengedichten was weggenomen--de piëteit van het terugkijken op het +verleden, een organies gevoel van saamhorigheid, de bijna religieuze +stemming van een feest ter herinnering aan de voorvaderen. + +Wat de gastvrijheid der ridders wenste, was een vrije +conversatie,--vrije geestesoefening, evenals men bij toernooien of op de +jacht het lichaam oefende. Terwijl de heldengedichten op geschiedenis +berustten, of op sagen die voor geschiedenis aangezien werden en als +geschiedenis werkten,--en terwijl de heldendichten uit een soort stam- +of provincie-patriotisme ontstonden en tot zekere hoogte een opbouwende, +opvoedende kracht bezaten,--emancipeert zich nu voor 't eerst de +aestetiese drang om histories te vertellen en te horen, zo wel van +historiese als van patriotiese belangen. In de grotere kringen wil men +eerst en vooral gesprekken hebben. Het begint tot de goede toon te horen +om te kunnen »bien parler", goed en flink te kunnen spreken; zo wel voor +ridders als voor de dames wordt dat als een bepaalde deugd beschouwd. +In de romans zien wij hoe men daar aan tafel zit te praten of de ridders +komen op bezoek in de vertrekken van de vrouwen, terwijl dezen daar met +hun naaiwerk zitten. Of wel komt men in het goede jaargetijde 's avonds +in de burchttuin onder een oude vruchtboom bij elkaar of wandelen +allen te zamen de tuin in. En dan wordt er gesproken over wapenen en +toernooien, over honden en vogels of over de liefde. Uit de romans kan +men ook zien dat men er altijd op uit was vlug en ad rem te antwoorden, +handig met een grap voor den dag te komen, met lichte toespelingen +of dubbelzinnigheden, en iemand te kunnen plagen of geestigheden ten +beste te geven op een elegante en onderhoudende manier. De Franse +conversatiekunst doet hier zijn eerste zwakke pogingen. Bovendien heeft +men allerlei soort gezelschapsspelletjes,--raadsels worden opgegeven, of +wel er wordt iemand tot Koning gekozen en allen moeten hem zelfs op de +meest intieme vragen antwoorden. + +Maar de gesprekken bestonden toch in een mate waar men zich nu geen idee +van maken kan, in het vertellen van geschiedenissen. Iedereen kende er +en niemand werd ooit moe ze uur aan uur te horen vertellen. Men vertelde +elkaar geschiedenissen 's avonds in bed--Meriaduc stond erop met Tristan +in één kamer te slapen, omdat die hem altijd 's nachts zulke aardige +avonturen vertelde--men vertelde elkaar verhalen te paard bij de +lange vervelende dagreizen; op jacht verhalen de deelnemers elkander +merkwaardige jager-grappen waar niemand geloof aan slaat; bij de wijn, +na tafel, trachten de ridders elkaar in grootsprekerijen te overtreffen +over hun avonturen in de oorlog of met vrouwen; de ouden van dagen +vertellen van hun vrolike jeugd; en er zijn ook dames die een grote +kring om zich heen verzamelen omdat zij de reputatie hebben van vele +geschiedenissen te kunnen vertellen. En de geestelike die boeken gelezen +heeft, wordt overal waar hij als gast op de kastelen komt, als een +levende encyclopaedie beschouwd en moet niet alleen van de »Gesta +Romanorum" vertellen--over alles wat er ten tijde der oude Romeinen +gebeurd is--maar ook van alles wat er in de heilige Schrift te lezen +staat. En als een passende vergoeding voor de genoten gastvrijheid, +moeten alle reizigers alles opdissen wat zij gezien hebben of +ondervonden of in vreemde landen hebben hooren vertellen. + +De stof voor die vertellingen kwam--zo als wij later zien +zullen--meestal uit vreemde landen, uit die ontzachelike bonte massa +van motieven die door het reizen en trekken, in het dooréénmengen der +volkeren en de uitwisseling van ideeën, in de tijd der kruistochten +in omloop kwamen. Maar de drang tot vertellen en de vertelkunst zijn +produkten van het gezellige maatschappelike leven en het letterkundige +genre--de geversificeerde vertelling, zo wel het korte »Conte" als de +lange »Roman"--dat uit die gezellige bijeenkomsten geboren wordt en zelf +de stof daarvoor uit moet maken, staat, èn in vorm en stijl, èn in geest +en wijze van voorstelling geheel onder de invloed van die oorsprong en +bestemming. De oude »Chansons de geste" die bestemd waren om in een +zaal, onder begeleiding van muziek, half gezongen, half gereciteerd +te worden, voor een groot gezelschap en bij feestelike gelegenheden, +rollen voort, deftig en zwaar en stijf, in lange regels van 10 of 12 +lettergrepen: »Carles li Reis nostre Emperere magne--sept ans tuz pleins +ad estet en Espagne". En in brede trekken wordt ons alles geschilderd, +met onvermengde, sterke kleuren, in grote, aanschouwelike scènes wordt +het verhaal ingedeeld en schrijdt met dramatiese stoten en in vlug tempo +voort: de toon is opgewekt en verheven en zo gaat het zonder grote +veranderingen tot het einde. Maar de nieuwe vertellingspoëzie moet +in de plaats van de conversatie in die kringen komen en moet in het +vrouwenvertrek of bij de maaltijd een gezelschap van heren en dames +onderhouden door gewoon en natuurlik een historie te vertellen. +Daarom loopt de taal daarvan als een rustige vlugge stroom, als +een gezellig babbeltje in versregels van acht voeten: »Chrestien +commance son conte--si comme l'histoire nous raconte--qui traite +d'un empereur--puissant de richesse et d'honneur--" En de toon en de +voorstelling verandert als in de levende gesproken taal; nu eens vertelt +men haastig en vlug, dan weer wijdt men bij een beschrijving wat uit, +het verhaal slaat in een levendig gesprek over, maar verliest zich dan +weer in allerlei beschouwingen, de toon is rustig en blijft zich gelijk, +zonder grote sprongen, maar met vele kleine veranderingen--medelijdend +zuchten, schertsende ironie. En het verhaal schrijdt steeds kalm door, +begint bij het begin, springt niets over, vat de geschiedenis niet in +dramatiese scènes samen, maar houdt steeds de belangstelling gaande. Het +is de stijl en de toon van de moderne roman en novelle die men hier ziet +ontstaan. En het was ook de geest van het Hofleven zelf die de nieuwe +vertelkunst zou bezielen niettegenstaande de vreemde van alle kanten +opgenomen stof; wat die kenmerkt is de licht-gewekte zo al niet +diepe sympatie met het geluk en het ongeluk der mensen, de sceptiese +mensenkennis en de fijne blik op het leven dat alles zoals wij gezien +hebben, karakteristiek was voor de mensen uit die kringen. Wat wij reeds +in het Frankrijk van de 12de en 13de eeuw in dat sosiale leven geboren +zien worden, is de Conte van de 19de eeuw, geestig als bij Voltaire, en +sentimenteel als bij Musset. + +Een andere manier waarop de gasten onderhouden werden, was zang en spel +en dans. Wanneer de vrouwen bij elkaar zitten te naaien of te spinnen, +begint één er van een lied en heffen de anderen het refrein aan; na +tafel wanneer de mannen en vrouwen samen aangezeten hebben, geeft een +der vrouwen ook een lied ten beste en wordt het refrein door de overigen +gezongen; of wel moet ieder der aanwezigen om de beurt een lied zingen. +Naast de viool en de harp die men van oudsher kende, komt nu de luit van +de Arabieren, wier hoven in Andalusië van muziek en gezang weerklonken. +Ouderwetse moralisten ijveren tegen al dat gezang en spel in gezelschap; +dat verwekelikt maar en leidt tot wellust zeggen ze. En nog meer is de +dans hun een reden tot ergernis, als zijnde een uitvinding des duivels. +Bijna bij alle feestelike bijeenkomsten wordt er aan de hoven gedanst, +en er komen massa's nieuwe dansen op waarvan enkele, naar de namen te +oordeelen, uit Griekenland schijnen te stammen. Het zijn kettingdansen, +rondedansen, dansen door vrouwen alleen of door mannen en vrouwen,--maar +de meesten zijn zeker begeleid geworden door gezang. + +En die liederen zijn het andere genre dat uit dat hogere sosiale leven +geboren wordt. Niet spesiaal uit dat aan de hoven; men kan ze tot in +de eerste tijden der middeleeuwen vervolgen, in alle maatschappelike +klassen horen ze thuis, maar wel worden ze bij de hoven meer in 't +bizonder gekultiveerd en krijgen ze daar kleur en vorm. + +Velen van die dansliederen, zoals die omstreeks het jaar 1100 op de +ridderkastelen gezongen werden, schijnen van de oude lentefeesten te +stammen, die uit de grijze voortijd in alle landen gevierd werden. In de +heidense tijd vermoedt men dat die Mei of April feesten in 't bizonder +aan de godin der liefde gewijd waren en de vrouwen hebben er de hoofdrol +bij gespeeld; het moeten een soort »vrouwelike Saturnalia" geweest zijn, +waarbij zij zich nu eens van de voogdij van man of broeder mochten +emanciperen, of in elk geval in wilde dansen en liederen zich allerlei +grappen veroorloofden. Die oorsprong verklaart het gewone begin van +die liederen; de lof en prijs van 't voorjaar en 't nieuwe jaar dat +in die tijd met het voorjaar begon en het zijn steeds vrouwen die het +woord voeren en die elkaar aanzetten om tegen hun mannen of moeders +in opstand te komen en van hun jeugd te genieten. In een liedje uit +Limousin van ongeveer 1100 zingt een van de dansende meisjes, die tot +»April-Koningin" gekozen was, aldus de lof van de lente: »Nu eindelik +de heerlike tijd gekomen is, zal de vreugde een aanvang nemen, de +ijverzuchtigen zich ergeren en daarom zal de koningin eens laten zien +hoe vol liefde zij is," en de meisjes vallen in: »Weg, uit den weg, +gij ijverzuchtigen!--laat ons dansen, laat ons dansen met elkaar!" +Overal--gaan ze door--heeft zij laten weten: alle meisjes en jongens +mogen komen dansen. Maar nu komt ook de koning, om het dansfeest te +verhinderen, hij is bang dat men hem zijn April-Koningin ontroven zal. +Maar zij wil van de oude niets weten, zij wil liever een jonge kerel +hebben die weet hoe een mooi meisje behandeld moet worden. En hij die +haar zag, zoals zij zich daar bij het dansen vertoonde, die kan zeggen +dat de vrolike koningin haars gelijke in de wereld niet heeft... »A +la vi', a la vie, jalous,--lassaz nous, lassaz nous--ballar entre nos, +entre nos." Een dergelijke half-conventionele wildheid kenmerkt andere +oude Noord-Franse of Duitse dansliederen. »De gehele wereld zal mij +niet verhinderen mij een »ami" te kiezen," zingt een meisje uit +Noord-Frankrijk; openlik verklaart zij aan haar moeder: »Ma mère, je +veux Robin"; de moeder dreigt haar met een stok en wil haar met haar +spinnewiel opsluiten, maar het meisje belooft zich zelf dat zij haar +geliefde toch wel zal krijgen: »Les mammelettes me poignent, je ferai +novel ami", zo zingt zij haar liefdeverlangens uit. En een Duitsch +meisje zingt: »ik zal mijn zorgen laten lopen en met mijn vriendinnen de +weide ingaan," en dan roept zij haar »Mei-geliefde": »zoete Rozenmond, +kom, kus mij gezond." In haar klooster klaagt de non; zij wil er vandoor +en zich met haar geliefde amuseren: »S'irons à Paris, mener bonne +vie,--car il est jolis et je suis jeunette," en liefde-smachtend luidt +haar refrein: »Je sens les douls mals leis ma seinturete--malois +sois de Deu ki fist nonnette!"--»ik voel de zoete smarten onder mijn +lendenen--vervloekt door God zij hij die mij een non deed worden!" + +Vooral klinken van alle kanten de protesten van de getrouwde vrouwen: +»Mijn man heeft mij overdag,--mijn vriend de korte nacht... Loop heen, +gij lelike bochel! bij God, ik zal u horens laten dragen; want nu is de +zoete tijd gekomen dat de weiden groenen. Nu zullen wij, mijn vriend en +ik, de nieuwe bloempjes gaan plukken (»bloemen plukken" betekent in deze +liedjes altijd zich aan de liefde overgeven). Waarom slaat mijn man mij? +Ik heb immers nooit iets anders gedaan dan mijn vriend beminnen. En gunt +hij mij _dat_ plezier niet eens meer, dan zal ik mij nog meer op hem +wreken." En de jonge Provençaalse zingt: »Wat zal ik u zeggen waarom ik +zo vol liefde ben,"--en zij zelf en haar vriendinnen vallen haar in de +rede: »Coindetta sui..." »Knap ben ik, maar ik heb verdriet over mijn +man, ik wil niets van hem weten--want ik ben maar klein en jong en een +maagd, ik moest een man hebben waar ik plezier in kon hebben... Maar +God weet dat ik geen smaak heb in mijn echtgenoot, als ik hem zie, wens +ik slechts dat de dood hem van mij wegneemt. Maar één ding heb ik wel +gemerkt en dat zal ik u zeggen: mijn vriend heeft mij reeds lang bemind +en hem zal ik mijn liefde schenken... En het lied dat ik hier op deze +melodie dicht, dat moet--vraag ik--wijd en zijd door alle vrouwen +gezongen worden, over mijn vriend dien ik bemin en naar wien ik zo +verlang." »Coindetta sui... Aardig ben ik" enz., zingt het koor daar +dan weer tussen in. + +Dat zijn oude conventionele volksliederen-motieven in de ridder- en +hofkringen in voorname vorm gegoten. Andere dansliedjes, eveneens +door vrouwen gezongen en oorspronkelik ook wel door haar gedicht, +zijn romanceachtig vertellend. Het zijn kleine liefde-episodes of +liefdegeschiedenissen, slechts met een paar losse lijnen opgetrokken, +in een paar trekken te voorschijn getoverd... alsof men in de muziek +maar even het tema aangeeft, maar de uitwerking aan de fantasie van +de hoorders overlaat... dikwels half dramaties in de gesprekvorm, maar +oorspronkelik altijd met een refrein dat de grondgedachte aangeeft... +de stemming waar de kleine »historie" uit ontkiemd is en die alleen +gebruikt zal worden om de toehoorders mee in slaap te wiegen. Dat zijn +de romancen waar onze Scandinaviese volksliederen ook meê samen hangen. +»Aalis main se leva--bon jor ait, qui mon cuer a... Alis stond 's +morgens op--geluk voor hem die mijn hart bezit--zij kleedde zich en +maakte zich mooi onder een elseboom--geluk voor hem die mijn hart +bezit,--het is niet langer mijn." Meer hebben wij van dit liedje niet. +Kompleet hebben wij daarentegen het lied van Gaiete en Oriour, twee +zusters die een Zaterdag naar de beek gingen om te baden. »De lucht +trilt en de takken wiegelen; mogen zij die minnen zoet slapen!" +luidt het refrein als van een wiegelied. De jonge Gerard komt van +wapenoefeningen terug, ziet Gaiete aan de beek en neemt haar in zijn +armen. »Als je nu water geput hebt, Oriour," zegt zij tegen haar kleine +zuster, »ga dan naar de stad terug, ik blijf bij Gerard." Oriour gaat +naar huis, maar weent haar beide oogen uit en zucht uit het diepst van +haar hart, omdat haar zuster niet met haar mede gaat. Maar Gerard en +Gaiete gaan terstond direct naar de stad en daar troost Gerard haar. +»Vante l'ore et li raim crollent,--ki s'antraimment, soweif dorment." +Men ziet bijna de dansenden de kleine geschiedenis mimies voorstellen. + +Minder bij de dans dan bij het werk in het vrouwenvertrek zijn die +oude romances gezongen geworden, die de adellike dame of jonkvrouw in +haar stille liefdedromen schilderen, in de smart of het geluk van haar +ootmoedige liefde. Daar zit de schone Dolette bij het venster en leest +in een boek, maar haar gedachten zijn er niet bij, zij denkt aan haar +Doon die ver weg getrokken is, naar 't een of ander toernooi. En nu komt +juist het bericht dat hij gevallen is; zij neemt terstond het boetekleed +aan en wijdt zich aan het nonnenleven. + +Zo zit ook de schone jonkvrouw Yolande in haar vertrek een fluwelen +wambuis te maken voor haar vriend die ver weg is. Zuchtend zegt zij: +»God, wat is de naam der liefde zoet. Nooit had ik gedacht dat ik daar +smarte bij zou voelen," en zij bidt God medelijden met haar te hebben. +Maar op het zelfde ogenblik komt haar lieve vriend de kamer binnen. Zij +ziet hem, buigt haar hoofd en kan geen woord uitbrengen. »Mijn lieve +dame, hebt gij mij heel vergeten?" vraagt hij. Maar nu lacht zij en +strekt zuchtend de schone armen naar hem uit. »Schone vriend, ik kan u +niet bedriegen. Met geheel mijn hart bemin ik u. Zo veel als gij wilt, +moogt gij mij kussen." Zij neemt haar vriend in haar armen. Zij zetten +zich op een mooi bed en daar omhelzen zij elkaar. »God! wat is de naam +der liefde zoet. Nooit had ik gedacht, dat ik daar smarte bij zou +voelen." + +Boven in het vrouwenvertrek is het ook dat de koningsdochter Erembourc +zit te borduren en zij door een torenvenster ziet dat haar vroegere +vriend, Graaf Raymond, de binnenplaats op rijdt; nu komt hij in de lente +thuis maar hij heft het hoofd niet meer op naar haar kamer als vroeger. +Maar zij roept hem, hij mag haar de belediging toch niet aandoen niet +eens meer even met haar te komen spreken. »Gij hebt niet goed gehandeld, +koningsdochter! Gij hebt een ander liefgehad, om hem hebt gij mij +vergeten", roept hij naar boven. Maar zij zweert van niet; met haar +dames en maagden is zij bereid een eed af te leggen dat zij onschuldig +is. En dan komt hij bij haar binnen--breed van schouders, smal van +middel--blond, met gekrulde haren; een knapper jongeling was niet te +vinden. Hij gaat op het geborduurde kussen zitten, zij zit naast hem; +»de joste lui se siet bele Erembors,--lors recomencent leurs premières +amors..." Het gehele kalme vrouwenleven in die torenkamers hangt als een +atmosfeer om de weinige woorden van die liederen,--in een vaag onbewust +verlangen naar vrijheid en een bereidwillige onderwerping aan de +heerschappij van de mannen. Het is alsof men de eenvoudige woorden hoort +zingen met begeleiding der akkoorden van een tedere guitaar. + +Duideliker spreken de gevoelens der geliefden zich in liederen uit, +die het afscheid schilderen van ridders en hun dames. Dit zijn ook +oorspronkelik meestal liederen van vrouwen of altans is de vrouw degene +die vooral het woord voert en de warm liefhebbende is, terwijl de man +er de rol van koelbloedige meerdere speelt. Wij hebben Duitse liederen +van dit genre over of altans fragmenten er van. De vrouw klaagt en hij +belooft haar niet te vergeten, of zij smeekt hem bij haar te blijven, +maar hij antwoordt lichtzinnig of, als om te tonen dat hij een man is, +dat hij zich niet eeuwig en altijd door een vrouw kan laten binden; soms +is zij een vorstin en eist dat hij haar beminnen zal of hij moet het +land verlaten, maar de ridder laat zijn paard zadelen, hij wil liever +vertrekken dan zich door een vrouw te laten dwingen. Of de vrouw is +verlaten achtergebleven en klaagt dat nu de lindebomen kaal zijn, dat +haar geliefde, een onervaren jongen, in het net van andere vrouwen +verward is geraakt, ofschoon God weet dat zij--dat »ich im diu holdeste +bin". Zij staat op de tinnen van het kasteel en kijkt hem achterna nu +hij wegrijdt; de valk die zij voor hem had afgericht, is nu ook van haar +weggevlogen. God »brenge hen samen die gaarne samen willen zijn." Of zij +verlangt naar hem in de verte. »Es stuont eine Frouwe alleine unt warte +über Heide." »Wanneer ik alleen sta in mijn hemd en aan u denk, mijn +Ridder, dan gloei ik als een roos en is mijn hart vol droefenis." + +Dikwels is het op een kruistocht dat de ridder moet gaan en roept zijn +kristelik en militair plichtsgevoel hem weg, over zee en land, terwijl +haar liefde hem terug wil houden. Allerliefst is zo bijvoorbeeld een +Provençaalse romance waar het adelike meisje een schonen zomerdag onder +een bloeiende vruchtboom in de tuin zit en tot Jezus klaagt dat haar +geliefde voor Hem naar het heilige land getrokken is en haar verlaten +heeft. De dichter tracht haar te troosten met de hoop op de hemel, +maar zij laat zich met het hiernamaals niet afschepen »wanneer God mij +ondertussen hier op aarde hem ontrooft die mijn vreugde was, hem die ik +nog maar zoo kort had, maar die nu zo ver weg is." + +»Liebesgrüsse", »saluts d'amour" zendt de verlatene haar geliefde in de +verte achterna. »Zoveel bladen, zoveel grassprietjes, zoveel bloemen als +er zijn, zend hem zo veel liefdegroeten van mij." Dikwels is het een +valk of een zwaluw wier vrije vlucht zij benijdt en aan welke zij haar +groeten medegeeft,--een overal in het volkslied geliefd motief. Later +zendt hij dan ook op zijn beurt haar groeten door vogels. »Weg vliegt de +montere vogel,"--heet het in een »salut d'amour", uit Provence--»recht +daar heen waar zij woont en slaat zich zonder angst neer, en wanneer de +schone zich vertoont, begint het vriendelike vogeltje een zoet gezang te +laten horen, zo als hij die tegen de avond ten beste pleegt te geven, +dan zwijgt hij en bedenkt hoe hij het beste zeggen zal wat zij genadig +horen wil." Dan zingt hij menig vleiend woord tot haar over haar +geliefde, zij hoort dat aan en zendt de gevleugelde boodschapper met +vele schone liefdewoorden terug. + +Een heel bizondere dichtsoort ontwikkelde zich langzamerhand door +mannelike kunstdichters uit het oude motief van »Het afscheid der +geliefden". De situatie van die twee die een nacht van liefdegenot +te samen doorgebracht hebben maar nu, om niet ontdekt te worden, +voor dageraad moeten scheiden, is er een die steeds overal in de +volksliederen te vinden is, algemeen menselik en poëties vruchtbaar +als die is. De geliefden hebben samen buiten op de weide of in bosjes +geslapen, en worden nu door het gezang der vogels of door de dageraad +gewekt; onder hevige klachten en verwensingen over die noodzaak moet de +vrouw zelf de man tot haast aanzetten; of wel zij tracht hem nog terug +te houden: neen, het is het daglicht niet, maar maneschijn, het is de +leeuwerik niet, maar de nachtegaal, zegt zij. Intussen verstomt de +twijfel spoedig; hij moet weg. Met dit volkslied-motief zijn bij de +kunstdichters literaire herinneringen samen gesmolten. Aan de ene kant +van de oud kerkelike hymnen aan de dageraad,--van de hoogdravende Hymne +aan het Licht van Prudentius af (Aeterne rerum conditor) tot de meer +moderne, als die welke men uit het jaar 1000 kent, in 't Latijn met +Provençaalse refreinen, waarin de wachter de Slapenden wekt, om dat »het +Morgenrood de zon reeds achter de natte zee opheft." Aan de andere kant +misschien ook van de antieke poëzie b.v. van Leander's brief aan Hero in +de »Heroides", waar de twee zich na een nacht van liefdegeneuchten onder +klachten uit hun omhelzingen los moeten scheuren, omdat de morgenster +Aurora de weg wijst en de trouwe bewaakster, de oude min van het meisje, +ze tot scheiden maant. De min van de antieke poëzie en de wachter van de +kristelike hymne worden bij de ridderlike dichters tot de torenwacht die +van de toren de dageraad ziet verschijnen en die daardoor als vanzelf +de vertrouwde der geliefden geworden is en de waarschuwende rol van de +leeuwerik over heeft genomen. Als zodanig is hij de derde persoon van +het drama. In een tuin, onder de meidoorn, ligt een vrouw met haar +vriend in haar armen, totdat de wachter roept dat hij de dageraad ziet. +»Ach God, ach God, wat komt de dageraad spoedig! Gave God, dat die +nacht nooit een einde nam, en dat mijn geliefde nooit van mij weg moest +trekken, en de wachter nooit de dag zou zien en de dageraad... Lieve, +zoete vriend, laat ons elkaar blijven kussen, gij en ik, hier op de +weide, waar de vogels zingen, tot op 't ogenblik dat de wachter op zijn +schalmei blaast." Schoon en lief is de vrouw en velen kijken naar haar +wegens haar schoonheid, maar zij is trouw aan de liefde in haar hart. +»Oi deus, oi deus! de l'alba, tan tost ve!" + +Bij Walter von der Vogelweide is het in een kamer dat het zonnelicht +de geliefden treft en de situatie ontwikkelt zich hier tot een hele +dialoog, een heel drama. De ridder ziet het daglicht, wekt het meisje en +wil weg, maar zij noodzaakt hem om te blijven. Ridderlik geeft hij toe, +niettegenstaande het gevaar en zegt: »Welaan, dan blijf ik hier," totdat +zij nu zelf het gevaar bemerkt en hem tot vertrekken aanspoort... maar +dan, zelf niet wetende wat zij wil, vraagt zij hem toch nog éen ogenblik +te blijven: »Nooit hadden zij het zo goed als nu." Maar... nu _moet_ hij +toch weg: »Ik doe het voor uw eer, het morgenlied van de wachter heeft +al weerklonken." En wenend blijft zij alleen achter: »nû lige ich +liebes âne--reht als ein senede wip." In de Albas uit Provence--_alba_: +morgenrood heet die dichtsoort in Zuid-Frankrijk--komt die wachter +langzamerhand meer en meer op de voorgrond, hij wordt in het vertrouwen +der geliefden genomen en zo wordt het niet meer zijn geroep als zodanig +dat hen waarschuwt, hij wekt die twee met opzet en raadt ze aan te +scheiden. In een der schoonsten dier Alba's is het een vriend die in de +tuin op wacht staat en die God bidt om hem zijn kameraad ongedeerd terug +te geven en hij roept de kamer in: »Beste vriend, slaap niet langer, in +het Oosten is de morgenster opgekomen, ik heb die duidelik gezien en nu +is het weldra morgen. Beste vriend, met mijn lied wek ik u, ik hoor de +vogelen zingen en ik vrees voor de jaloerse echtgenoot, nu is het weldra +morgen."--»Waarde, goede vriend--komt ten slotte het antwoord--ik zwelg +in een zodanig geluk dat ik wenste dat het nooit dag zou worden, want ik +houd de heerlikste van alle vrouwen ter wereld in mijn armen, en ik geef +niets om echtgenoot of dageraad." Hier is het nu, zo als men ziet, niet +langer de vrouw, maar de man die de nacht van liefde verheerlikt en +in zijn geluk alle voorzichtigheid over boord werpt. Het allerverst +uitgewerkt vindt men het motief bij Wolfram von Eschenbach in wiens +»dageliederen" de wachter zowel als de vriend die in het geheim is, +tot hoofdpersoon worden, en zijn waarschuwingen, de hevige passie der +geliefden die nog onder de hoge druk van 't geraas toeneemt, haar tranen +en zijn ridderlike onverschrokkenheid, vallen samen in een pateties +dramaties trio, dat bijna tot een simbool wordt van »de zaligheid van +gestolen liefde en al de bitterheid die daar onafscheidelik van is." + +Ten slotte vormde de hofpoëzie van het volkslied de Pastorale. Reeds +vroeg hebben tweespraken een deel uitgemaakt van volksfeesten en +volksdansen. Bij 't Meifeest kwamen zomer en winter op en kregen het met +elkaar in schone verzen aan de stok totdat de winter het op moest geven; +of twee meisjes stonden in verzen te disputeren over de vraag of een +klerk of een ridder de beste geliefde was. Bij de dansen hebben zeker +ook samenspraken gehoord tussen de man die het meisje wil omhelzen en +het laatste dat zich met schelmse spot terug trekt en hem ontwijkt, +misschien ook nog wel een derde--een mededinger die het meisje ook ten +dans nodigt--totdat zij zich ten slotte aan een van tweeën overgeeft. +Dergelijke disputen en liefdegesprekken op rijm, gaan in verband met +landelike feesten helemaal op het volksleven der oudheid terug; zij +hebben de literaire weerklank daarvan in de idyllen van Theocritus en +Virgilius; reminiscenties aan die schrijvers, die in de middeleeuwen +zoveel zijn nagebootst, hebben misschien enkele der dichters van de +ridderpoëzie voorgezweefd. Onder de latijnse liederen der vagantes vindt +men een andere soort gedichten die op _hun_ wijze aan één zijde der +pastorale beantwoorden: het zijn liedjes waarin zulk een rondtrekkend +scholier luchtigjes vertelt van een avontuurtje dat hij gehad heeft of +waar hij pocht op een »bonne fortune" die hem ten deel gevallen is,--hoe +hij de tegenstand van het schuchtere meisje wist te overwinnen, hoe +hij het herderinnetje dat hij ergens buiten tegen kwam gevraagd had de +ziekte te genezen waar hij aan leed, hoe zij eerst niet durfde voor +haar vader, maar toch gauw genoeg bezweek, of hoe hij de dansende +herderinnetjes aangeboden had gratis de declinatio en de conjugatio te +leren of hoe hij een gesprek over de liefde tussen twee meisjes had +afgeluisterd. + +De ridderlike pastorale die zich misschien oorspronkelik van +Noord-Frankrijk naar Provence verplantte en naar Duitsland, vertoont +een vermenging van die twee typen. De inleiding schildert een dichter, +een ridder en een stadsbewoner die over de velden lopen of rijden en òf +een gesprek tussen de herders en herderinnetjes afluisteren--Robin die +Marot om haar liefde vraagt, terwijl zij hem met Gueneviere plaagt, die +zij hem gisteren heeft zien kussen,--of boeren feestdansen, kibbelarijen +en vechtpartijen, of zij beginnen zelf een gesprek met de landmeisjes +en dan krijgen ze die tot hun wil of wel worden ze door de landelike +schonen weggezonden. Het is van boven af dat men al die landelikheid te +zien krijgt en de versvorm is licht, dansend, spelend; het boerenleven +en het herdersleven worden in hun vrolike natuurlikheid geschilderd, +onschuldig naief en komiek plomp; het zijn fijne beelden uit het +volksleven van Nederlandse schilders, in de Franse lyriek, evenals later +in de Duitse van Nidhardt. Pochend en met de nodige bluf vertelt de +zanger hoe hij het meisje tot zijn wil gekregen heeft of met goedmoedige +zelfbespotting hoe lelik hij van zijn vrijage af is gekomen; in beide +gevallen wordt het avontuurtje als een bagatel behandeld; zoo'n +veehoedstertje en haar liefde,--dat betekent namelik niet veel! + +»Verleden zag ik een herdersmeisje bij een heg staan, vrolik en aardig +zag ze er uit, met een net keurslijfje en een linnen mutsje, wollen +broek en een grof hemd... Ik ging op haar af: »Lief kind," zei ik, »ik +vind het treurig dat je het zo koud hebt."--»Heer," antwoordde zij, +»Goddank ben ik goed gezond en het zal mij heus geen kwaad doen als +de wind eens door mijn kleeren waait." Ik zeide dat ik haar graag +gezelschap wou houden, en dat het toch jammer was dat zij daar zo +alleen het vee zou moeten hoeden zonder een vriend in de wereld..." En +zo gaat het gesprek verder. Hij vleit haar, zij moet zeker de dochter +van een ridder zijn, een fee moest haar die schoonheid gegeven hebben, +die niet bij een boerenmeisje past. Zij moest hem nu maar zijn zin +geven--gaat hij door--zoo'n landmeisje is toch wel te temmen, alles in +de natuur wil toch paren, en hier achter die haag kunnen ze toch doen +wat ze willen zonder gezien te worden. Maar--gelijk Else in de ballade, +heeft zij een afwijzend preuts antwoord klaar voor de vleier en zijn +opdringerigheid: »van een ridder als vader, daar weet zij niets van, +soort zoekt soort, een boerenmeisje moet aan niemand dan aan boeren +denken en zij heeft geen lust haar maagdom te geven voor de naam van een +slet." Maar in andere gedichten komen er heel wat brutaler scenes voor. +»God zij met u, herderin, schoon gelijk een roos; ik ben zeer verbaasd u +nog alleen te vinden. Een kleed met zilveren zoom wil ik u geven." Maar +zij antwoordde dat zij niets met hem te doen wil hebben; zij wijst naar +haar vader die daar ginds het veld loopt te ploegen en wil daar heen +gaan. Maar hij liep haar achterna, greep haar beet en wierp haar in het +gras. Drie malen kuste hij haar en zij sprak geen woord tegen, en toen +hij haar voor de vierde keer wilde kussen, zeide zij: »Heer, ik geef +mij aan u over." De schelmse gratie van de dansliederen en het cynisme +van de pochende ridders (»gaps") vinden wij ook beiden in de pastorale +terug. In tedere liefdeverlangens loopt de herderin een zomermorgen rond +en neuriet er een liedje over hoe benauwd het haar in haar borst wordt +en hoe zij zich een vriend wenst, sedert Robin haar verlaten heeft. +Zelf roept zij een ridder aan die voorbij komt en toont zich meer dan +gewillig. Maar dikwels is de herderin ook »trop sage de garder son +pucelage" en houdt de al te vriendelike ridder voor den gek en op +een afstand, of weet hem een pak slaag te bezorgen door een paar +boerenjongens. Daarentegen scheurt de ridder bij andere gelegenheden +haar brutaal de kleeren van het lijf of weet haar met leugenachtige +beloften te paaien. En wanneer het dan gebeurd is, zoo eindigt hij +triomfantelik het gedicht: »lors me montai, si m'en alai,--à deu l'ai +commandée:--Dolente et esgarée--la laissai en la prée." + +Pastorale, alba, romance, ballade,--al deze verfijnde literaire +bewerkingen van het volkslied zijn duidelik gedicht en gezongen geworden +door ridderlike dillettanten--dames en heren--als een geliefd soort +gezelschapsspel. De naam van de auteurs is niet bekend, altans van +de meesten niet, het is de volkspoëzie van de ridderwereld, gelijk +onze Deense middeleeuwse balladen dat waren. Een volksliedje als +»Maagdedroomen" is in wezen niet verschillend van een romance als de +schone Yolande of de schone Erembourc en een schertsende ballade als die +van »koning Erik en de spottende Maagd" is na aan de Pastorale verwant. + +Maar deze gezelschapsliederen zowel als de vertelkunst die zich bij +de ontvangsten op de hoven ontwikkelden, krijgen nu beoefenaars van +professie in de schare van dichters en zangers die aan het hof leefden +om--en meer of minder ook van--die liederen en berijmde vertellingen +te dichten en voor te dragen. Van de dagen van Olim waren er talrijke +»jogleors" en »conteors" en »fableors" die van de ene stad naar +de andere trokken, en van burcht tot burcht, allerlei kunstjes +maakten, een beer lieten dansen, maar tegelijk ook viool speelden +of doedelzakken en berijmde vertellingen lieten horen of liedjes,--om +daarna geld in te zamelen van het kermispubliek of de gasten van de +burchtheer. Maar boven de jongleurs verheft zich in de tijden der +kruistochten een aristokratie, die soms uit die klasse voortgekomen +of daarin teruggevallen is, maar die zich niet verwaardigt op +kermissen op te treden en jongleurskunsten uit te voeren, maar die +zich alleen in de adellike kringen beweegt, zich naar die hogere +smaak vormt, zich enigsins de manieren van die kringen toeëigent +en dikwels daarin opgenomen wordt. Dat zijn de »menestrels", de +»troubadours",--»trouvères"; wanneer ze, wat dikwels 't geval is, tot +de »vagantes" horen, noemen zij zich dikwels »maîtres". Arme jongere +zonen en verarmde baronnen zelf beginnen nu ook mede te doen aan deze +wijze van het hof te vermaken, en zo vindt men ze weldra in deze nu +zo veelomvattende dichtergroep, naast klerken en zonen van burgers en +de lagere klassen. Het zijn musici van beroep, die allerlei kunstige +melodiën komponeren en spelen, voor de viool en voor harp; de Britse +en Bretonse melodieën (lais) werden over Frankrijk van hof tot hof +gekolporteerd. Bij de muziek komt dan ook zang en het zeggen van +gedichten. Zo brengen de zangers met de melodieën de Britse vertellingen +in 't Frans over en dragen ze de kleine berijmde verhalen voor, de »lais +Bretons". »Lais" worden nu langzamerhand ook andere kleine berijmde +vertellingen genoemd, welke de trouvères dichtten en voordroegen,--de +stof haalden ze òf uit het werkelike leven, òf uit de antieke myten +b.v. over Narcissus of Orpheus. Maar eerst en vooral ontwikkelen de +hofzangers van beroep in Zuid-Frankrijk een nieuwe kunstige hoflyriek, +die weldra ook aan de ridderhoven van Noord-Frankrijk en Duitsland +toonaangevend zou worden. + + + + +VI. + +ZUID-FRANKRIJK. + + +In Zuid-Frankrijk is het maatschappelike leven der ridders het sterkst +ontwikkeld en het uit zich in het lyries individualisme der troubadours. + +Het was een zeer eigenaardige wereld, dat stukje van Europa, dat in de +12de en 13de eeuw het vaderland zou worden van de Provençaalse poëzie. +In het Zuiden wordt het door de Middellandse Zee bespoeld, in het Westen +door de Atlantiese Oceaan, in het Zuidwesten is het door de Pyreneeën +begrensd,--behalve dat Catalonië en belendende dalen van het Spaanse +schiereiland er bij horen--in het Oosten door de Alpen, ofschoon er +toch volop voeling blijft met de daaraan grenzende delen van Italië; +eindelik gaat, wat het noordelik Frankrijk betreft, de grenslijn met +een vrij grote boog van de Gironde in het Westen, noordelik over +Poitou en weer zuidelik naar Lyon in de punt van het meer van +Genève,--hoofdzakelik wordt de grens gevormd door de bergvlakte van +Auvergne en Limousin. De met pijnbomen begroeide zandvlakte en de +moerasstreken van Gascogne bij de Atlantiese Oceaan; de wijnbergen van +Garonne; Toulouse en de bergdalen van de uitlopers der Pyreneeën; +daarachter de Cevennes bij de Middellandse Zee, Languedoc met zijn +rijke, oude Romeinse steden: Narbonne, Beziers, Nîmes; het dorre en +stormachtige kustlandschap van Provence met Arles, Aix en Marseille; de +alpenstreken van Dauphiné en Savoye, Poitou bij de Loire en Catalonië +aan de overzijde der Pyreneeën... al deze streken maakten op verre na +geen geografiese of politieke eenheid uit, maar toch bestond er een +innig, levendig verband tussen, en vormen ze tegenover de daar buiten +liggende provincies één geheel,--en wel ten gevolge van een gemeenschap +in hun ethnologie, hun historie, hun taal en hun kultuur. + +Hoe weinig men ook weet van de verschillende rassen, Liguriërs, Iberiërs +en Kelten, en de verhouding waarin die, de oudsten van Zuid-Frankrijk, +tot elkaar stonden, zeker is in elk geval dat die donkere kleine mannen +geheel en al verschild hebben van de sterk met Germaanse elementen +doortrokken Galliërs uit Midden- en Noord-Frankrijk. Of het nu het +klimaat is, de levenswijze of wat er ook de oorzaak van is,--het is geen +verbeelding dat het Zuid-Frankrijk van een Mirabeau, een Thiers of een +Gambetta, dat van een Montaigne of Montesquieu, dat van een Berlioz en +een Gautier en Daudet,--dat in het algemeen het Zuid-Frankrijk van de +advokaten en politici, der journalisten en raisonneurs, der kolonisten +en impressionisten een heel ander land is dan dat van Corneille en +Molière, van Voltaire en Rousseau, van Taine en Renan. Het was als +bloeiende rhetoren en scherpzinnige dialectici, dat de Zuid-Fransen +uitblonken zodra zij weer in de Romeinse kultuur werden opgenomen; +tot op het huidige ogenblik toe is het die steeds weer opborrelende +levendigheid en een soort lyriek die zich voor een ieder openbaren, +die de landgenoten van Numa Roumestan en Tartarin kenmerkten. + +De Romanisering van Zuid-Gallië--de streek met Narbonne in het +Zuid-oosten en het Aquitanië van Caesar in het Zuid-westen--greep niet +alleen éerder plaats dan die van het overige Gallië, maar geschiedde +ook grondiger; reeds van de tijd af dat Marseille door Griekse +kolonisten gesticht was, had Zuid-Frankrijk behoord tot de wereld der +landen om de Middellandse zee. In de grote steden uit de Romeinse tijd +staan nog poorten en aquadukten, termen en grafmonumenten, tempels +en amfiteaters, als herinneringen aan het rijke Romeinse leven. +Bij het einde van die periode waren deze steden om zo te zeggen het +meest beschaafde deel van het Romeinse rijk en zij waren de laatste +haardsteden waar de vonken van het uitdovende geestelik leven der +Oudheid nog brandend gehouden werden. De biblioteek van Arles, de +scholen van Toulouse, Bordeaux en Vienne bewaarden nog lang hun roem en +in Marseille waren er nog steeds Griekse overleveringen. + +In veel mindere mate dan de naburige landen zou Zuid-Frankrijk ook de +gevolgen van de Volksverhuizing ondergaan: omwentelingen en vermenging +van rassen. De Bourgondiërs die uit het Oosten kwamen, weinig talrijk +en half beschaafd als zij waren, voegden zich vrij gemakkelik in de +bestaande civilisatie, ook de West-Goten, die zich tussen de Garonne en +de Pyrenaeën vastzetten en het grootste deel van Spanje veroverd hadden, +smolten vrij wel met de Romaanse bevolking samen. De veelvuldige +invallen der Arabieren van uit het Zuiden brachten veel nieuwe +kultuur-ideeën met zich mede, maar leidden niet tot een blijvend +in-bezit-nemen. En met het Frankiese Noord-Gallië hield alle nadere +verbinding op, vooral sedert de tijd van Karel de Grote. Zeer spoedig +werd het verschil tussen de taal van Langue d'oc en Langue d'oil heel +sterk en ofschoon de Franse koningen nominaal Heren waren over het +Zuid-Frankrijk ten Westen van de Rhône, evenals de Duitse keizer van +Bourgondië en het eigelike Provence, vertoonden de Zuid-Franse vorsten +zich toch alleen maar zo nu en dan eens even aan het koninklik hof te +Parijs. Feitelijk leefde »Le Midi" een volkomen onafhankelik leven en +hoorde nog steeds, evenals in de oudheid, ekonomies en kultureel bij +Italië en de streken aan de Middellandse zee. + +De Middeleeuwen kregen dan ook nog minder vat op Zuid-Frankrijk dan +zelfs op Italië. De twee grote beschavingsfaktoren: het Kristendom en +het leenstelsel hadden daar ginds veel minder revolutionaire invloed dan +meer in het Noorden, en de Romeinse kultuur van vroeger tijden bleef +schrap staan tegen de nieuwe levensvormen en hield vol energie stand. + +En hier moest het Kristendom menig kompromis aangaan met de oude +Romeinse kultuur. In de 4de en 5de eeuw nog vond men in het offisieel +gekerstende Gallië een aristocratie van hogere ambtenaren en +grondbezitters die volkomen onverschillig bleven bij de kerkelike en +politieke strijd van den dag en een leventje leidden van één en al +genot, als in de beste dagen der oudheid. De laatste Gallo-romeinse +schrijvers als Ausonius en Eutropius hoorden tot die kring. Op villa's, +in de buurt van Bordeaux of ginds in Auvergne, verdreef men de tijd +met jacht en visserij, maar men studeerde en kommenteerde ook zijn +klassieken in welvoorziene biblioteken, deed, al was het dan ook als +amateur, aan de archeologie, bracht komedies van Terentius, of in zijn +genre, op privaatteaters ten tonele of voerde literaire gesprekken of +een literaire briefwisseling. Niet weinigen van de bisschoppen der Kerk +hoorden zo goed als geheel tot deze kringen. Sidonius Apollinaris stierf +als bisschop te Clermont, maar zijn gedichten die hem een standbeeld +verschaften op het Forum Trajanum, en zijn briefwisseling verplaatsen +ons geheel in de Romeinse dekadenten-aristocratie. Zo schildert hij ons +b.v. het leven van een adellike vriend op zijn kasteel bij de Garonne. +Dat is al een burcht met muren en torens en het ligt op een heuvel--de +tijden staan in het teken van de oorlog--maar met zijn zuilengangen, +zijn termen, zijn muurschilderingen is het van binnen nog een heel +Romeins patriciërshuis. Bij een andere vriend, te Nîmes, vertelt hij van +een biblioteek in drie afdelingen; een heidense, alleen ten gebruike +van mannen, een kristelike afdeling voor de vrouwen, en een gemengde +afdeling voor de twee geslachten; teologiese discussies worden daar in +huis gevoerd, zowel als heidense literaire gesprekken. Of wel heeft +hij het over een concilie waar hij aan deelgenomen heeft; tussen de +vergaderingen in gaat hij met enige andere hoge prelaten--hoofdzakelik +jonge mannen--de stad uit en daar, bij een antiek grafmonument in de +schaduw van de bomen, amuseert het bisschoppelik gezelschap zich +afwisselend met het kegelspel en met het dichten elk om de beurt van +Latijnse impromptu-verzen. Omstreeks het jaar 600 vertoonde een andere +bisschop, Venantius Fortunatus, een nog vreemder legéring van officieel +Kristendom en traditioneel Heidendom. Hij schrijft n.l. Heiligenlegenden +en Kristelike lofzangen, maar daarnaast ook bruiloftsverzen voor een +Frankies koningspaar met de hele mythologie van Amor en Venus er in, +en verder kleine billets-doux aan een zekere zuster Agnes of zuster +Radegunde in een naburig klooster met sierlijk-galante dankbetuigingen +voor bloemen of potten melk die de nonnen hem gestuurd hebben. Zo zijn +er dus onder de Franse klerezij genoeg overleveringen voor die soort van +aesteties heidendom bij de geestelikheid die, zoals wij gezien hebben, +de opkomst der scholen in de 11de eeuw met zoveel liefde bevorderde; het +is ook in de grensstreken tussen Zuid- en Noord-Frankrijk, in de buurt +van Tours, Poitou en Anjou dat die belletristiese prelaten meer bizonder +thuishoorden. + +Trouwens, nergens breken de draden die naar de antieke kultuur terug +voeren. Toen ongeveer het jaar 1000 enige Provençalen in het gevolg van +een prinses naar Parijs kwamen, ergerden de mensen in Noord-Frankrijk +zich over die kort geknipte, glad geschoren Zuidelingen, met hun fraaie +kleeren, en hun ijdel, lichtvaardig optreden. In klederdracht zowel +als in manieren stak er zeker nog heel wat van die der Romeinen uit de +latere Keizertijd. Heel lang nog waren er te Arles de circusspelen of +dierengevechten in zwang en zelfs in de zang-dansen der boeren kon men +de voorstellingen van Amor en Venus nog terug vinden. Zeer waarschijnlik +zijn er hier evenals in Italië, privaatscholen geweest naast die van +de Kerk en heeft er onder de voornamen een zekere wereldlike klassieke +kultuur bestaan naast die van de geestelikheid. De gemakkelike +verbinding met Italië, met het humanistiese pauselike hof en de +humanistiese hogeschool te Salerno, heeft zeker op verschillende wijzen +sporen achtergelaten. Zo begint men b.v. in de 11de eeuw te Arles de +kerk van de H. Trophime met standbeelden te versieren, waar men de +antieken klaarblijkelik tracht na te bootsen en tegelijkertijd worden er +te Avignon en in andere steden van Provence, kerken gebouwd, die in de +portieken en gevels op de pilaren en de kapitélen allerlei détails van +de antieke gebouwen nabootsen, die men rondom in die steden vinden kon. + +Maar ook het maatschappelik leven zelf had in zijn grondtrekken veel van +de oudheid bewaard. Evenals in Italië stond ook hier het stadsleven +boven dat van de landman, in tegenstelling met de toestanden in het +Noorden. Mensen in goeden doen--adelliken zowel als burgers--woonden +liever in de oude rijke Romeinse steden dan eenzaam ergens buiten. En +de burgers hadden feitelik een niet onaanzienlik kommunaal zelfbestuur. +Wel is waar stonden ze onder een graaf of een bisschop, die midden in +de stad zijn residentie had of er vlak bij, maar hij regeerde alleen +door een »Vicarius" of een »Baljuw" die door de burgerschap gekozen +werden en langzamerhand hadden de steden allerlei privileges gekregen; +in de loop van de 12de eeuw kregen ook de meesten van hen hun eigen +»consules",--burgemeesters. Men kan b.v. in de »Coutumes" van +Montpellier lezen,--die tot toonbeeld genomen werden van een massa +andere steden,--hoe de stad vol zelfbewustheid haar rechten tegenover +de »Seigneurs" laat gelden. En overal--heet het--waar niet iets anders +uitdrukkelik gestipuleerd is, geldt »het geschreven recht", d. w. z. het +oude Romeinse recht, dat steeds van kracht is naast, of als deel van, +het lokale gewoonterecht. + +Over het algemeen is de maatschappij daar volstrekt niet zo +gefeodaliseerd als in het Noorden. Het vrije landbezit (allodium) en de +vrije bezittersstand die alleen de vorst als hun heer erkenden, waren +grotendeels blijven bestaan, zonder in het leenstelsel opgenomen te +worden. Tussen de adel, de rijke burgers en de grondbezitters bestond +er geen scherpe grens, zij vormen te zamen die hogere standen wie het +er om te doen is de kleine burgers er onder te krijgen en uit te buiten, +en de burgers kunnen, als het er op aan komt, zich vrij gemakkelik +het ridderzwaard om de lendenen laten gorden. »Welgeboren burgers, +die de gewoonte hebben, op de wijze der ridders te leven", heet het +in een overeenkomst tussen Avignon en de omliggende graven, »zullen +ook de zelfde rechten genieten als zij." Zelfs waar er sprake is van +leentoestanden, schijnt het in werkelikheid dikwels zo geweest te zijn +dat de Vazallen hun grond in vrij bezit hadden en alleen maar in een +vrij losse persoonlike verhouding tot de leenheer stonden, terwijl +de macht van deze laatste voornamelik afhangt van de grootte zijner +_allodia_. Wanneer men de zaak goed onderzoekt, zijn de meesten van die +»Senhoraten" oude Gallo-romeinse landgoederen geweest, alleen is dan +het landhuis een kasteel geworden aan welks voet de kleine burgers bij +elkaar zijn komen wonen en het leenstelsel zelf zijn misschien dikwels +militaire vervormingen van de oud-Romeinse verhoudingen tussen de +voorname patroon en zijn kliënten, tussen de rijke grondbezitter en de +»prekaristen"--zijn pachters. + +Maar in het algemeen zat het individualisme uit de latere Romeinse tijd +op de troon, dat het vermogensrecht en personenrecht beheerste en zou +de vervorming van de Germaanse stam-gemeenschap en stam-geest niet +ondergaan, die de positieve zijde van het leenstelsel uitmaakt. De +persoonlike en ekonomiese saamhorigheid, die de Germanen van hun »gauen" +en hun krijgstochten medebrachten en die de schering van het feodale +weefsel vormde, kon Zuid-Frankrijk al even weinig begrijpen als Italië. +De wederzijdse, volkomen religieuse plicht van trouw van leenheer en +vazal, konden die zich evenmin eigen maken als het begrip van een +ekonomiese gemeenschap in de maatschappij die het leenstelsel draagt. +Dat was ook de reden waarom Zuid-Frankrijk zo goed als geen aandeel +heeft in de Franse en Duitse heldendichten die hun grond en verklaring +vinden juist in die Germaanse stam-geest en het leenstelsel. + +Alleen de _negatieve_ zijde van het leenstelsel--als men het zo +uitdrukken mag--d. w. z. de individualistiese anarchie der baronnen vond +daar een vruchtbare bodem. Wat kwam die niet prachtig overeen met het +individualisme van het Romeinse vermogensrecht en de latere Romeinse +patriciërsgeest, waarin alle maatschappelike gevoelens uitgestorven +waren. En de vele wijd uiteenliggende bergdalen in de Pyreneeën en de +Cevennen bevorderden het separatisme maar al te wel. + +Zo vinden wij dan omstreeks 1100 Zuid-Frankrijk in een bonte massa van +»Senhoraten" verdeeld van alle grootten en allerlei aard, naast elkaar +of zeer los aan en met elkaar verbonden, elkaar bevechtende, en door +huwelik of ruiling in allerlei verbindingen met elkaar tredende. Daar +zijn de hertogen van Aquitanië, tegelijk graven van Poitou--energiese +vorsten en literair ontwikkeld die, vooral nadat zij zich Gascogne +onderworpen hadden, als koningen over heel Zuidwest-Frankrijk heersten, +hoewel steeds in strijd met hun machtige vazallen, de graven van +Auvergne, Périgord, Angoulême of de Heren van Blaye, Ventadour of +Chateauroux. Of de graven van Toulouse die in de 11de eeuw Provence +geannexeerd hadden en over de hele Zuid-kust regeerden, maar die door +een ongelukkige erfopvolging hun provincies steeds in al te veel handen +over zagen gaan en die bovendien, op ridderavonturen belust, aan +de kruistochten in het Oosten en in Spanje deelnamen in plaats van +een oogje in het zeil te houden bij de woelige graven van Foix en +Carcasonne, de burggraven van Albi en Narbonne of de oude steden +in Languedoc. Dan hebben wij de graven Raimond of Berengarius van +Barcellona die van het grote plan zwanger gingen om het oude rijk +der West-Gothen weer op te richten en die zich door koop en huwelik +grote bezittingen in Zuid-Frankrijk verwierven, maar die op hun beurt +weer verlamd werden tengevolge van de erfopvolging, waarbij hele +landsdelen onder de verschillende takken der familie werden verspreid. +In het midden van de 12de eeuw werden Poitou en Guyenne met het +Normandies-Engelse rijk verenigd en zetten Hendrik II en zijn +zonen--Richard Leeuwenhart en zijn broeders--bijna geheel +Zuidwest-Frankrijk in vuur en vlam door hun onderling twisten, waar +meer en meer van de Zuid-Franse heren in betrokken werden. + +Maar zij deden toch ook iets anders dan twisten. Bij alle hoven, de +grote en de kleine, tussen alle ridderburchten en kastelen ontwikkelt +zich een levendig maatschappelik verkeer. Dat is altijd het sterke punt +van de Zuid-Fransen geweest en de stedelike kultuur der oudheid zat, +zoals wij gezien hebben, overal in het land vast in 't zadel. De +vazallen kwamen veelal binnen de muren van de seigneur wonen, in +een spesiaal voor hen daar gebouwd huis; wanneer de burcht van de +seigneur in een stad lag, vormde die dikwels met de omliggende huizen +der vazallen een heel ingesloten kwartier. Hier ontstonden dan +maatschappelike centra, de rijke burgers kregen toegang tot de kringen +van de adel en zij treden behoorlik, zelfs met elegance op, zegt een +troubadour, en hebben evenveel verstand van omgang met de vrouwen als +de ridders, zowel als van dans en het krijgsspel. In het begin van de +12de eeuw is men daar heel wat verder met de goede manieren gekomen +dan in het arme onbeschaafde Noord-Frankrijk, om van Duitsland niet +eens te spreken. Die mensen uit het Noorden--zo spot men in +Zuid-Frankrijk--denken alleen maar aan eten en drinken en zij kunnen +niet vrolik worden en zingen voor ze hun buik vol hebben en dronken +zijn en de Duitsers met hun plompe manieren en hun »hondengeblaf" horen +nu aan een hof helemaal niet thuis. Het woord »cortes", Noordfrans +»courtois", waar wij al van hoorden, is dan ook het eerst in +Zuid-Frankrijk gebruikt voor wat in fatsoenlik gezelschap past. Hier +spelen de betrekkingen met de Arabieren in Spanje en vooral met Italië +en het Zuid-Italiaanse Griekse element een grote rol. B.v. het hof van +graaf Raimond V op zijn slot te Narbonnes bij Toulouse en de residenties +van Willem IX te Poitou en Bordeaux, die van de graven van Provence te +Aix, van Hendrik II van Engeland en zijn gemalin, Koningin Eleonora te +Limoges en Beaucaire; daarnaast nog het hof van Alfons II te Barcelona +en van de Markgraaf Bonifacio van Montferrat. Het hof te Barcelona staat +ver bovenaan wat betreft de weelderige levenswijze; wanneer Bertrand de +Born de zuster van Richard Leeuwenhart, Mathilde, prijzen wil omdat zij +hem zo vriendelik toegesproken heeft en hem naast haar »op een keizerlik +kussen" een plaats heeft aangeboden, dan zegt hij: »Uit Catalonje scheen +zij mij te komen, door haar groet en harer woorden lichte spel." +Talrijke kleinere hoven willen met de groten meedoen; trots richt het +slot Baux der vorsten van Oranje zich bij de monding van de Rhône in de +hoogte, als uit de rots gehouwen, aan de voet van de Pyreneeën ligt het +grafelik hof van Foix, bij Carcassonne dat van de burggraaf Roger II; te +Narbonne troonde de burggravin Ermengarde, door velen omringd,--volgens +de Orkneyssaga bezocht Ragnvald Jarl op zijn kruistocht haar op haar hof +en herinnerde zich later steeds die vrolike dagen. Aldoor worden er over +en weer bezoeken afgelegd, de families trouwen onder elkaar, gronden en +kastelen worden verkocht of uitgewisseld en de arme ridders zonder land +of met niet meer dan een achtste deeltje in een familieslot als erfenis, +trekken van het ene kasteel naar het andere rond. En zo wordt de +levensatmosfeer er daar één van voortdurend vrolik samenzijn, wat zij, +die daar eenmaal aan gewend waren, niet meer kunnen ontberen. Een +troubadour die naar Italië heeft moeten vluchten, gaat naar Genua en +voelt zich weldadig verkwikt door elk windje dat van uit zijn land naar +hem toe waait; onvermoeid blijft hij de mensen uitvragen en laat zijn +oor strelen door elk woord van lof: »zulk een heerlik land kent niemand +als dat tussen Rhône ligt en Vence, tussen de zee en Durance, niemand +heeft zulk een heerlik leven als daar. Daar heb ik mijn goed humeur +achtergelaten." + +Twist en het gezellige leven,--het een is even karakteristiek voor de +Provençaalse wereld als het andere. Het zijn geboren individualisten, +deze ridders--zonder gevoel voor wat samenbindt en samenhoudt; zij waren +het niet, maar de Noord-Fransen die de Saracenen op hun veroveringstocht +te Tours terugsloegen; en zij waren het ook niet, maar het Noorden, +dat de politieke leiding nam en het Franse koningsschap schiep. En het +zijn geboren lyrici, die Zuid-Fransen; vol vuur gaan ze in de stemming +van het ogenblik op, met de grootste bewegelikheid laten ze die ook +weer los,--òntladen worden ze even gemakkelik als geladen. Van de +Romeinse dekadentenkultuur zit er per slot van rekening een aesteties +intellektualisme in, niet diep of krachtig maar spiritueel; genotzuchtig +en genietende, fijn en krities, met levende gevoeligheid en smijdig van +vorm, uitnemend geschikt voor een leven met anderen. Individualisme, +lyriek, aesteties intellektualisme,--zie daar de hoofdtrekken van het +Provençaalse geestesleven. + +Die kentekenen ook het religieuse leven en de beweging voor de +kruistochten in Zuid-Frankrijk. Aanvallen van lyries entoesiasme +wisselen af met wereldlike scepsis en strijdlustige weerspannigheid. +In de 11de eeuw kwamen er talrijke extravagante »bekeringen" en +voorbeelden van grote ascetiese krachtsinspanning voor in de Zuid-Franse +wereld; het was ook in Aquitanie en Provence dat de entoesiaste +vredesbewegingen kwamen en zich verspreidden. En toen Urbanus II het +wachtwoord voor de kruistocht had laten horen, was de Zuid-Franse +ridderschap de eerste om aan die roepstem gehoor te geven. De +hebzuchtige Raimon van Toulouse schonk terstond hele sommen aan kerken +en kloosters, nam zijn vrouw en zijn jongste zoon mede, rustte een +groot leger uit en zette het beeld der Madonna op zijn banier. Op de +hele tocht waren de Provençalen het meest fanatiek; alle visioenen +en mirakelen pakken die zuidelingen heel wat sterker aan dan de +Noord-Fransen en wanneer het hun voorkomt dat de leiders wat al te +lang ergens blijven hangen, dan steken ze eenvoudig het kamp en de +levensmiddelen in brand om ze op die manier te dwingen verder te +trekken. Thuis weerklonk Provence van de vurige kruisliederen der +troubadours. »Baron Jezus zendt ons allen een boodschap... Wij moeten +de schande wreken die Kristus moest ondergaan toen hij aan het kruis +genageld werd... Wij moeten de ongelovigen rekenschap vragen van de +smaad die hem om onzentwil overkomen is... Hier is een wasbekken dat ons +allen door de Hemelse Koning en Heer aangeboden is. Hebt gij lieden er +een idee van hoe rein zij worden zullen, die zich in dat bekken wassen? +Zij zullen schoner worden dan de sterren die de schepen leiden." + +Maar al dat entoesiasme en die aestetiese geestvervoering der ridders +voor de zaak van Kristus, sloeg heel gauw om. Het ongelukkige resultaat +der kruistochten werd opgevat als een godsoordeel, dat God het met de +ongelovigen hield. En de terugslag van dat fiasco werd bij menigeen een +verbitterde ketterse stemming. »Helaas!" klaagt een poëtiese Tempelheer +na de val van Caesarea, »indien God, wien dit alles moest mishagen, het +goedkeurt, dan moeten wij tevreden zijn. Gewoon een dwaas is hij, die +nu nog strijd met de Turken wenst, nu God hun immers alles gunt. God, +die vroeger waakte, slaapt nu, maar Mohammed ontplooit al zijn kracht +en laat zijne dienaren zegepralend heersen." En met spot en scherpe +hatelikheden vallen de Troubadours de paus aan, de kerk en de +geestelikheid. Heel spoedig hadden ook de »ketterse", half onkristelike +godsdienstige secten hun weg naar Zuid-Frankrijk gevonden en verstandige +ontwikkelde geesteliken zetten in Provence en Lausanne bewegingen op +touw om het »bijgeloof" van de sacramenten, relikwieën en heiligen +bij de Kristenen uit te roeien. Maar vooral breidde zich een religieus +indifferentisme uit, dat voedsel kreeg door het voortdurende verkeer met +Spaanse Joden en Spaanse Muzelmannen. Reeds in de 13de eeuw klagen de +mannen der kerk er over hoe ze overal in Languedoc veracht worden, hoe +weinig er voor de tienden binnenkomt, hoe de godsdienst zonder enig +respekt bespot wordt en hoe dikwels de geesteliken zelf persoonlike +overlast te verduren hebben. Lyries entoesiasme en strijdbare ketterij, +aestetiese religiositeit en Latijns rationalisme--dat is de houding van +de wereld der troubadours tegenover het Kristendom. + +Die zelfde lichte ontvlambaarheid en weerspannigheid vindt men overal in +het maatschappelik verkeer terug. Die Zuid-Franse ridders vechten niet +alleen met het zwaard en om grondbezit, maar ook met woord en pen, met +spot en kritiek, met intriges en chicanes om duizenderlei dingen van +niets, twistpunten die overal met de wapenen des geestes uitgevochten +worden. De bisschop van Clermont valt met een schimpdicht op de Dauphin +van Auvergne aan omdat diens slotvoogd een dame, die iemand daar +spek had laten halen, om eieren in te bakken, met een half schijfje +afscheept,--en die dame was nog wel de aangebedene van de Dauphin. Deze +laatste antwoordt met allerlei beschuldigingen tegen de Bisschop. Een +andere pennevete had die zelfde Dauphin met de baljuw van de burggraaf +van Turenne. De Dauphin had de dochter van de burggraaf lief en kwam +daarom dikwels aan het hof op bezoek, maar nam die gelegenheid dan +veelal waar om geld van de baljuw te lenen en toen die hem nu daarover +lastig begon te vallen, hield de Dauphin, in plaats van te betalen, met +zijn bezoeken op, waarom zijn schuldeiser hem nu in schimpdichten +verweet dat zijn liefde zo snel vervloog. + +En het maatschappelik leven is al even vol van liefdesintriges als van +onderlinge twisten. Hoe sterk juist die dingen zijn, daar weten de +kroniekschrijvers heel wat van te vertellen,--over de bijzitten der +baronnen of de »vrienden" van de getrouwde vrouwen of van de ruwe, +gruwelike wraak van een echtgenoot of jaloerse vrouw. Maar de liaisons +in Zuid-Frankrijk hebben toch nog een geheel ander karakter dan b.v. de +grove wellust der Noord-Franse baronnen, of de bloedige hartstocht der +Italianen, meestal is het een gezellig flirten geweest, waarin sympatie +en zucht om te behagen meer te zeggen hebben gehad dan de zinnen,--een +literair gekleurde schoonheidskultus of een artistiek spelen met +gevoelens en gemoedsbewegingen, die onwillekeurig uit elke verhouding +munt voor een »roman" slaat. De koketterie der dames en de galanterie +der Ridders zowel als het gehele maatschappelike leven ontwikkelen +die fijnere soort van het spel der liefde, waarbij een glimlach, +een handdruk of een vriendelik woord het middelpunt uitmaken van +verwikkelingen en intriges, aanleiding geven tot een »scene", de +gemoedsbeweging opwekken en de twee partijen in spanning houden, en het +genot van zulk een verhouding wordt op die manier over allerlei kleine +nietsjes verdeeld, maar die elk op zichzelf die fijner besnaarde mensen +evenveel zielsgenot verschaffen als het meest massieve liefdesgenot de +grove Noordeling geeft. + +En bij die liefhebbende en twistende mensen ontstaat nu een dichtkunst +en gezang over twist en liefde. Daar staat een schare van dichters op, +die niet alleen aan de in die hogere kringen uit het volkslied geboren +dichtkunst een artistieke vorm geven,--dansballaden en romancen, alba's +en pastoralen--maar ook een hoger en meer persoonlike kunst scheppen +om aan alle gevoelens die dat leven wekt, uitdrukking te geven. En van +al de maatschappelike standen die daar te Toulouse of te Aix de toon +aangaven, heeft de ene al evenveel tot die zwerm dichters bij gedragen +als de andere. Wel is waar zijn de meeste troubadours arme zonen van +ridders en kleine heren, maar er lopen toch ook wel zonen van de +burgerklasse onder, ja zelfs wel eens een enkele keer een van de +bij uitstek begaafden onder de dienende klasse, die er ingeslaagd is +de slotskringen binnen te dringen; er zijn geesteliken bij, die het +klooster uitgelopen zijn, maar ook rijke baronnen en hoge vorsten; de +oudste die men kent is graaf Guillaume van Poitou, die omstreeks het +jaar 1100 dichtte. Velen van hen hebben niet eens zelf kunnen schrijven, +maar een zekere geleerde opvoeding hebben ze toch bepaald gehad; van +één lezen wij uitdrukkelik dat hij 's winters op school ging en er +zijn duidelike sporen in hun werk op te merken van kennis der Latijnse +kerkpoëzie en nu en dan van de literatuur en mythologie der Latijnse +oudheid. Velen van hen dragen zelf hun gedichten voor, maar naast hen +vindt men in den regel »jongleurs" die met hen rondtrokken en hun +gedichten voor hen accompagneerden en opzegden. + + + + +VII. + +DE KUNST DER TROUBADOURS. + + +L'Art de Trobar werd gevoeld als een kunst en was dat dan ook, die +uitgevonden was door mannen van kennis, die door studie aangeleerd kon +worden en beoefend moest worden met zorg en verstand. Reeds de oudste +troubadour van wie wij liederen hebben, spreekt van zijn werkplaats, +beroemt er zich op zijn handwerk te verstaan en alle troubadours spreken +van het smeden en vijlen of van het optimmeren van hun gedichten. Van +het begin af was het al een sisteem van regels die gevolgd moesten +worden om goed te »trobar", door die regels komt de kunst hoe langer +hoe meer in het nauw, totdat de gedichten er in verstikken. Naast de +volks-poëzie en de salon-poëzie die allen kunnen verstaan en bijna een +elk kan maken, komt de troubadourkunst te staan als iets dat slechts +de uitverkorenen kunnen hanteren en dat zich slechts tot een zeer enge +kring van kenners richt, dat slechts wil »grat de las melhors" en zich +absoluut niet bekommert om bijval van de »desconnoissedors".--Maar die +kunst is in voortdurende ontwikkeling en het komt er voor elke dichter +op aan tot haar vervolmaking het zijne bij te dragen. »Trobar" is +uitvinden en in tegenstelling met de »jongleurs" die overal de gedichten +van anderen komen voordragen, of die, waar zij zelf dichten, dit anoniem +en onpersoonlik doen, geheel in de oude sporen, laat de troubadour er +zich op voorstaan zelfstandig op te treden en trots tekent hij zijn +gedichten met zijn naam. Nieuwe melodieën, nieuwe versvormen, een nieuwe +inhoud moet elke troubadour op de been brengen. Het is dit streven naar +orginaliteit dat de poëzie steeds meer gekunsteld maakt. »Ik wil een +nieuw lied zingen," begint er een troubadour, »met grote moeite, opdat +het op geen ander lijke, want een lied dat aan andere doet denken is +niet goed en niet schoon." En een ander: »Ik vind het altijd vervelend +te vertellen dat ik ween en van liefde zucht, want dat liedje kent de +hele wereld van buiten. Ik wil nieuwe verzen schrijven met lieflike +melodieën, maar wat kan ik nu nog bedenken dat niet reeds gezegd is? +Wat moet ik dan doen? Ik zal de oude dingen op een nieuwe manier +moeten zeggen, zo zal mijn gedicht er uitzien alsof het nieuw was." +In tegenstelling dus met de traditionele en de volkspoëzie, stelt de +troubadourskunst--evenals de hofpoëzie der skalden in het Scandinaviese +Noorden--het aristokratiese en individuele op de voorgrond, dwingt de +kunst in conventionele, kunstige vormen, maar spoort binnen die perken +de enkelingen toch aan, hun eigenaardigheden niet te verbergen en te +trachten elkaar te overtreffen. + +De poëzie der troubadours is nu in de eerste plaats een lied, begeleid +door de viool of de harp. »Een liedje zonder muziek is gelijk een molen +zonder water", heet het uitdrukkelik en de troubadours waren vooral +komponisten. In plaats van de eenvoudige, eentonige muziek van het +volkslied met zijn symmetriese herhalingen van de melodie, geven zij +er een dat veel kunstmatiger is, waarschijnlik onder invloed van de +kerkmuziek. Maar van die muziek der troubadours hebben wij eigelik niets +meer over dan de afspiegeling er van in hun verskunst. Als een stroom +van harmonie, een volheid van rijm en rhythme is die verskunst aan komen +storten en heeft een ieder met zich medegesleept. Het rhytme, meestal +levendig jambies, laat niet, gelijk de volkspoëzie, versregels van de +zelfde soort, regel aan regel op elkaar volgen, maar laat lange en korte +afwisselen, en geeft strofen van zeer verschillende lengte en bouw. Met +versregels van 2 à 3 lettergrepen tot 10 à 12, met strofen van 3 à 4 +regels tot 20 toe, gaf de troubadour-poëzie het aanschijn aan zulk een +enorme massa combinaties, dat die na de eentonige rhytmiek van het +kerkgezang en de volkspoëzie, werken moest als de openbaring van een +geheel nieuwe tonen-schoonheid. Misschien bestaat er verband tussen +deze strofenbouw en die der Oudheid en der Arabieren, maar in elk geval +betekende de kunst der troubadours een hele revolutie in de uiterlike +vormen der Europese poëzie en werd het uitgangspunt van de rijkdom in +versvormen der gehele moderne lyriek. + +Maar nog meer werd de welluidendheid een geliefkoosd hulpmiddel voor +de Provençaalse kunst. De natuur had die taal in dit opzicht goed +bedeeld: de brede open vokalen hadden het een zekere volheid gegeven, +de konsonanten, zo krachtig in vergelijking met Frans en Italiaans, en +de harde konsonantengroepen (tg, tz, rn, enz.) verleenden het ook veel +karakter. En bovendien heeft de taal een grote rijkdom aan rijmen, +aangezien zo veel verschillende Latijnse uitgangen in het Provençaals +zijn samengevallen,--amati, amatis, amatus,--dit is alles tot amatz +geworden. Van deze natuurlike rijkdom aan rijmen van de taal, heeft de +troubadourskunst alle mogelike voordeel getrokken. De volkspoëzie had +zich vroeger tevreden moeten stellen met vokaalrijmen, assonance; maar +de kunstlyriek eist volle rijmen en voert die nu in om door de gehele +latere Europese dichtkunst gevolgd te worden. En er komen nog meer +gekunstelde rijmen op,--de zogenaamde »rimes riches" worden ingevoerd, +waar dezelfde klankkombinatie, maar met verschillende betekenis (art += kunst en = brandt) op elkaar rijmen, zo wel als moeilike, zeldzame +rijmen, of rijmen bestaande uit vele lettergrepen of zelfs vele woorden; +als spelend vormen zij rijmen van dezelfde eind-konsonanten, maar +verschillende daar aan voorafgaande vokalen (ars, urs, ors, ers) of uit +verschillende grammatiese vormen van hetzelfde woord bestaande. Of wel +worden de rijmen gekruist inplaats van op elkaar te volgen en worden ze +ver van elkaar af geplaatst; soms moet het oor dan 5 à 6 regels wachten +voor het komt. Op die wijze worden lange rijm- en rhytme-strofen gevormd +met grote afwisseling. Daar staat tegenover dat het oor ook voortdurend +gebombardeerd wordt met hetzelfde rijm, en dat de strofen rhytmies aan +elkaar gesmeed worden, doordat b.v. de rijmen van de ene strofe naar de +andere overgaan, door het hele gedicht heen, of doordat de nieuwe strofe +met het woord begint waarmede de vorige eindigde. Door zulk een kunst, +door zulke gekunsteldheidjes worden nieuwe dichtvormen verkregen. +En midden in de regels speelt men met woorden van dezelfde stam: »A +Lunel lutz una luna luzens", of met woorden van dezelfde klank maar +verschillende betekenis: »ongle--oncle". Men heeft ook oor er voor +om de vorm naar de inhoud te richten. Zo worden b.v. in een speciale +dichtvorm: »descort", het disharmoniese heen en weer geslingerd-worden +van een liefdeziek gemoed tussen zaligheid en wanhoop, door het steeds +veranderende rhythme der strofen getekend. Slechts bij uitzondering +horen wij een troubadour verklaren dat hij een vrolike melodie aanslaat, +»omdat anders niemand naar zijn lied luisteren zou, zo treurig is de +inhoud." + +En evenals de versvorm zijn de taal zelf en de stijl het voorwerp van +een artistiek aristocratiseren. »In mijn hart draag ik de vijl," zingt +een troubadour, »waarmede ik schone woorden vijl en ik zet ze in schone +rijmen, omdat ik een schoon wezen bezing." Niet van alle landstreken +wordt het dialekt geaccepteerd als een »natural e drecha parladura": als +Frans goed is voor epiek en de pastorale, is het dialekt van Limousin +beter voor de lyriek. Niet alle woorden vallen in de smaak; onfijne, +platte woorden zijn uit hun poëzie verbannen, »want hij die bemint, +moet zijn goede opvoeding tonen niet alleen in handelingen maar ook in +woorden." Men gaat zich op de grammatiese korrektheid toeleggen en men +begint grammatica's te schrijven. Veelal verheft men bewust de stijl +boven de gewone prosa door de massa rethoriese en poëtiese figuren +die dikwels uit het Middeleeuws Latijn of de klassieken stammen of +uit de bijbel. Men heeft antitesen en metaforen, vergelijkingen en +personificaties in de antieke kunststijl: de pijlen en het vuur +der liefde, haar koude vlammen en zoete smart, de gepersonifieerde +Amor, of zinswendingen als: »Gelijk de magneet... aantrekt, zo..." +enz. Het is invloed van de bijbel wanneer een vorst »de ceder der +vrolikheid" genoemd wordt of een dame: »de toren der eer". De gehele +rhetoriese woordenvoorraad uit het Middeleeuws Latijn komt weer te +voorschijn: de roos der schoonheid, de lelie der reinheid, de bloem der +welvoegelikheid, der eren kroon, de spiegel der vreugde, de alsem der +bitterheid. + +Velen onder de troubadours maken hun stijl met opzet donker en moeilik +te verstaan--wat vooral op te merken valt waar de poëzie zich boven +het gemeenzame verheffen wil: in de Alexandrijnse tijd zowel als in de +laat Romeinse Keizertijd, aan het Perziese hof zowel als bij de Noorse +Skalden. »Le trobar clus" (gesloten) is het aestetiese program voor +een bepaalde richting onder de troubadours. De geleerde Arnaut Daniel +imponeerde zijn tijdgenoten zowel als de nakomelingschap (b.v. nog +Dante) door zijn kunstige stijl, ofschoon er spotters waren die +beweerden dat niemand zijn poëzie begreep. Hij vormt nieuwe woorden, +bouwt lange, ingewikkelde zinnen, geeft omschrijvingen in raadselachtige +bewoordingen, en zit vol woordspelingen en geleerde toespelingen: »jaagt +hazen met ossen en zwemt tegen stroom in",--zoals hij zelf zegt over +zijn jacht op verrassende en ver gezochte beelden. Het is Latijnse +rhetorenstijl wanneer Spanje omschreven wordt »als het rijk dat de +Ebro doorstroomt", de meest onnodige onzer oude Scandinaviese poëtiese +omschrijvingen worden overtroffen wanneer een moeder met »de zuster van +mijn oom" werd aangegeven; en wanneer »de liefde die hem in het harte +regent, hem warm houdt, hoe zeer de winter ook buiten woedt", dan is dit +niet anders dan een proefje van Perziese hoflyriek. Een ander aanhanger +van deze »estilh clus", Guiraut de Bornelh, gaf dat later op en zeide +toen in een polemiek over die kwestie dat men volgens hem beter deed zo +te dichten dat men door een ieder verstaan kon worden; »per slot van +rekening is dat ook het moeilikste." Maar zijn tegenstander beweert: +»neen! dan zouden allen gelijk worden. Indien de dichtkunst tot een +ieder komt, vermindert die in waarde, gelijk alles wat binnen het bereik +van Jan en Alleman komt; goud is duurder dan zout, omdat het zoveel +zeldzamer is, en zo wordt ook die dichtkunst het hoogst geschat, die het +moeilikst toegankelik is." + + * * * * * + +Deze fijne kostbare kunst is het nu waar het Zuid-Franse adellik leven +zijn ziel in uitstort en waaraan het eigen vorm geeft. De troubadours +eindigen de meesten van hun gedichten met een »tornada"--een kleine +»staart"--cauda--die het rhythme en 't rijm van het gedicht nog eens +herhaalt als in een refrein en tegelijk de bedoeling in het kort +samenvat en aangeeft voor wie het bestemd is,--voor een bepaald persoon +of voor een hele klasse van hoorders. Feitelik is de poëzie der +troubadours oorspronkelik direkt uit het leven ontstaan en heeft dan +ook zijn bepaalde praktiese taak in dat leven, zij is gelegenheids- +en tendens-poëzie zo goed als enig andere. Al die schermutselingen +die vroeger met mond en zwaard of per brief tussen de baronnen en de +burchten plaats grepen of tussen de kerk en de wereldlike macht, alle +vleierijen van de Heer, of bespotting van zijn vijanden die in de +hal weerklonken hadden, alle woorden van liefde of laster die in de +binnenkamer gefluisterd waren,--dit alles zou nu de vleugelen van de +zang en de muziek te hulp roepen om zich beter te bewegen en verder +door te dringen. Wat vroeger in 't Latijn geschreven was, werd nu door +de troubadours in een lichte, populaire vorm gegoten. De Provençaalse +kunstpoëzie is veelal te beschouwen als een voortzetting van de Latijnse +lofzangen, of grafliederen die de geesteliken aan de hoven op hun hoge +meesters gedicht hadden, of van de strijdschriften die een notaris of +een kanselier in de dienst van hun Heren geschreven hadden, van de +preken ten gunste van de kruistochten van een Bernhard van Clairvaux of, +omgekeerd, van de Latijnse hekeldichten der vaganten tegen Rome en de +geestelikheid. + +Een »Sirventes" betekent letterlik een dien-dicht (sirven = dienen, +servir), door een hofdichter tot lof van zijn heer of tot bespotting +van diens vijanden en in zijn politieke dienst geschreven, maar +langzamerhand is het in 't algemeen de vorm geworden voor alle +persoonlike religieuse en morele polemiek en vindt de gehele kritiese +en strijdlustige Zuid-Franse geest in het »sirventes" zijn uiting. + +Bertran de Born, heer van Hautefort in Périgord, was de eerste, de +voornaamste man van de politieke »Sirventes". Gelijk de Arabiese zonen +der woestijn, of de jambici der Griekse eilanden of de oude sagahelden +van IJsland was hij, in één persoon verenigd, een strijder met het +zwaard en met het woord; het is Eris, de strijd zelf, die tot gedicht +wordt als bij Amrilkais of Gunlaug Ormstunge of Archilochos. Bertran en +zijn broeder bezaten te samen een klein familiegoed, maar zij hadden het +voortdurend met elkaar aan de stok; eerst was Bertran een tijdlang door +zijn broer weggejaagd, maar had toen op zijn beurt hem verdreven en de +burcht dapper tegen een groot vijandelik leger verdedigd. Onverstoord +zong hij onderwijl door: »Nu brandt en verwoest men mijn land, kapt men +mijn bos en mengt mijn zaad met stroo; al mijn vijanden grijpen mij aan, +als ik twist tussen de baronnen zaaien kan, zal ik ze ook wel weer bij +elkaar kunnen brengen." Met vurige strijdlust mengt hij zich in het +oproer der Aquitaanse baronnen tegen Richard Leeuwenhart, die toen als +prins de stadhouder van de Engelse koning in Zuid-West-Frankrijk was. +Bertran blijft onvermoeid de jongere broer Hendrik en de vazallen tegen +»die schrok-op uit Poitou" op zetten, »Richard ja-en-neen", zoals hij +hem noemt, en hij belooft zelf onder de muren van Perigueux te komen +waar Richard toen resideerde en zijn hersens in te slaan, als hij zich +durft vertonen. Hij hoont de lafaards maar spreekt degenen moed in die +een hartig woordje helpen kan, de een houdt hij voor de gek als hij een +vernedering ondergaan heeft, een ander weet hij te bewerken door zijn +afgunst op te wekken, komt met hatelike toespelingen aan, geeft de +mensen allerlei bijnamen en is al even erg als Loki wanneer het er op +aan komt de mensen te plagen en tegen elkaar op te zetten. Talairand is +een echte »Lombard",--als andere woedend opspringen, rekt hij zich even +uit en gaapt... »Willem van Gordon, jou mag ik wel, jij hebt ten minste +een tong in je mond, maar de twee burggraven beschouw ik als gekken en +deugnieten... Aan het slot van Clairvaux hebben ze een nieuw gedeelte +gebouwd, dat de nieuwe koning zeker niet behagen zal, als hij het ziet; +maar het schittert zo heerlijk dat hij het zeker in 't oog zal krijgen." +Hij eet zich op van gramschap wanneer hij bemerkt hoe hij zijn sporen +voor niets verslijt,--»wat zijn ze allemaal laf, die baronnen, ze +moesten allemaal zich maar de kruin laten scheren of zich aan handen en +voeten laten beslaan als een paard." Maar het jubelt in hem wanneer hij +de baronnen zich ziet wapenen en burgers zich gaan verschansen en het +wapengekletter dus weldra over de vlakte te horen zal zijn... Intussen +was de jonge prins Hendrik gestorven en had Bertran hem een groot +rhetoriese elegie gewijd, geheel en al in de pompeuse hoogdravende stijl +van de Latijnse »planctus" die abten en bisschoppen bij de dood der +vorsten op bestelling schreven. Hij verzoende zich met Richard maar +kreeg niet minder stof voor zijn Sirventes in de twisten tussen de +Engelse koningen en Philip Augustus van Frankrijk,--hij doet wat hij kan +om de vorsten tegen elkaar op te zetten en tegelijk had hij nog even +voor eigen rekening een twistgeschrijf op rijm met koning Alphons van +Aragon. + +Al die polemiese geschriften zijn eigelik maar half poëzie,--het zijn +onze krantenartikelen,--een oproep, een opruiing, of een uitdaging. Maar +er is iets bepaald demonies bij Bertran, wanneer hij zingt: »Al is er +overal om mij heen vrede,--een duim breed grond is mij genoeg om te +vechten... Mij is de vrede gehaat, tot strijd alleen mijn zin nu staat; +mijn hart is aan strijd alleen gewijd", of wanneer hij als dronken is +van verlangen naar het voorjaar, niet wegens het nieuwe groen of het +gezang der vogelen, maar eerder wegens de mannen en paarden die hij dan +ten kamp bereid zich zal zien opstellen, mensen en beesten die hij zal +zien vluchten, muren die kraken en de paarden der gevallenen die over de +velden snellen: »eten noch drinken noch slaap verkwikt mij zo zeer als +wanneer ik de kreet »Vooruit!" hoor, en de paarden hinniken, en er +hulpgeroep weerklinkt en de gevallenen daar liggen met de bewimpelde +speren nog in hun zijde." En zijn haat van edelman tot boer en burger +breekt in hevig leedvermaak uit, »het doet mij goed wanneer ik die +ellendige geldmannen die met de adel twisten, in het ongeluk zie... +wanneer ik ze naakt zie lopen bedelen... Een boer is een zwijn, als hij +rijk wordt, verliest hij zijn verstand; daarom moeten wij zijn trog +steeds leeg trachten te houden. Hij die er zijn boer niet onder houdt, +versterkt hem in zijn slechtheid... Niemand moet hem beklagen als men +hem zijn arm of been ziet breken of wanneer hij aan het noodzakelikste +gebrek heeft... Dat overmoedige gespuis is niet te verdragen. God zende +hun alle ongeluk!" + +Een andere soort van »Sirventes" is de moraliserende. De grote man +daarvoor is Peire Cardenal. Van voorname geboorte, »vrolik, schoon en +jong", maar bezield door een levendig gevoel van recht dat onder leugen +en onrecht leed, maakte hij zich tot een soort van Don Quichot van het +recht, en zijn kunst tot een ridderdegen die tegen alles en een ieder +gericht was. Dan eens zijn het de geesteliken daar hij het op voorzien +heeft: dat zijn gieren en roofvogels die rot vlees ruiken en op allen +aanvliegen die op 't punt staan te sterven om hun een testament af te +persen; het zijn de Isengrims die zich in een schapenvacht hullen. Dan +weer zijn het de grote Heren: Waar een machtig man op straat loopt, +wordt hij door kwaadaardigheid en hebzucht vergezeld, daar draagt het +onrecht de banier en hoogmoed loopt vooraan... Indien men een baron +alles gaf, van Turkije tot Normandië toe, zou men toch geen vrede met +hem krijgen... Indien men in zulk een machtig man op een stuk of twee, +drie plaatsen een gaatje prikte, zou er toch niets anders dan een stroom +leugens gelijk een waterval uit zijn hart komen storten. Dan is het de +beurt van de vrouwen: als men een vrouw een daalder in de hand stopt +voor de waarheid en een cent voor de leugen, dan wint de cent het. +Of wel moeten alle mensen tegelijk het ontgelden: die zijn als de +muntstukken waar een kruis en de lelies buiten op staan, maar waar geen +zilver in zit als men het smelt; hun goedheid is van dien aard dat, +indien stenen brood waren en water wijn en de bergen zijden spek, dan +gaven ze toch nog niets weg; op een smal reepje leder--de helft van de +duim van mijn handschoen--zou ik alle rechtvaardigheid kunnen schrijven +die in de wereld is. Op die wijze brengt ook bij hem de hartstocht +altijd weer nieuwe grille beelden voort--als bij Dante--en houden nieuwe +burleske invallen de toehoorders in spanning, als bij de bedelmonniken. +En ten slotte treedt onze Paladijn onversaagd tegen God zelf op en +klaagt dat die zijn macht niet gebruikt heeft om de duivel en het kwade +te verpletteren, maar nu de mensheid met de hel straft voor het kwaad +dat zij bedreven hebben waar God zelve de oorzaak van is. »Welk een +machtig heerser God ook is, toch zal hij van al dat onrecht rekenschap +af moeten leggen." + +En het rumoer van die Sirventes klinkt veelstemmig over geheel +Zuid-Frankrijk. Krasse kruistochtliederen en even krasse liederen tegen +Rome en de geestelikheid. Liederen als van een hoveling bij de dood van +vorsten met lofgezangen over de afgestorvene en schimpwoorden over zijn +vijanden. Troubadours die elkaar niet in hun gedichten ontzien, waarin +dikwels kritiek over alle kollega's voorkomt: het zou beter zijn als +hij met een psalmboek liep in plaats van de liefde te bezingen; wat hij +dicht, klinkt zo somber als de woorden van een oude waterdraagster en +zelf lijkt hij wel een gedroogde lederen waterzak. Marcabrun, een +vondeling uit Gascogne heeft tot specialiteit uit pure nijdasserigheid +alle vreugde en liefde belachelik te maken en cynies te vertellen hoe +hij zich door alle omstandigheden des levens heen weet te draaien, +altijd op zijn eigen voordeel uit is, het spesiale terrein van anderen +af te jagen en zich altijd een achterdeurtje open weet te houden,--wat +toch niet heeft kunnen verhinderen, dat hij door een edelman gedood +werd wegens zijn giftige lastertong. Amusanter is de Monnik van +Montaudon,--de humorist onder de dichters der Sirventes. Van voorname +geboorte, was hij reeds heel jong in de monnikspij gestoken, maar liep +uit het klooster weg en kreeg, zo als beweerd wordt, de permissie +van zijn supérieuren om als troubadour de wereld door te trekken, op +voorwaarde dat hij een deel van zijn verdiensten aan het klooster +afstond. Zijn jolige gedichten noemen alles op waar hij van houdt,--een +lekkere zalm bij het noenmaal, of op een weide naar het gezang der +vogels te liggen luisteren en in 't geheim een bezoek van zijn geliefde +te krijgen; zowel als alles wat hem tegen staat--een echtgenoot die zijn +vrouw al te zeer bemint, of een ridder die voor de wereld veel drukte +maakt, maar thuis peper maalt. De vrouwen vervolgt hij met geestig +sarkasme,--hoe vlijtig zij de »schilder"-kunst verstaan, zodat de +kleuren op hun wangen de schilderijen der kapel in de schaduw stellen en +hoe de safraan enorm in prijs gestegen is; en in gezellige samenspraken +disputeert hij met God over de ondeugden der vrouwen en hoe die het best +te kureren zijn en God verwijt hem dat hij weer in 't klooster gegaan +is: hij amuseerde èn de mensen èn God toch veel meer toen hij als +troubadour rondtrok! + +Een heel bizondere arena voor de strijdlust der troubadours was een +soort versduellen die men tenzonen noemt. Het is een zeer oude populaire +dichtsoort; zo wel de Tyrolers (»schnadahüpferl") als de Noorse +boeren kennen die, evenals de Toskaanse en Siciliaanse herders. +Natuurlik genoeg werd dit dichtgenre, zo uitnemend passend in de +gezellige samenkomsten in Provence, aan een artistieke behandeling +onderworpen. Oorspronkelik is het zeker wel werkelik een twistpunt +geweest tussen twee personen dat op die manier op staande voet door de +zangers in zulk een verskamp werd beslecht. Maar hoe meer gewicht er +langzamerhand aan de vorm gehecht werd, des te minder kon er sprake +zijn van improvisatie en zo volgde de eene strofe de andere met een +tussenruimte op. En zo werd het langzamerhand ook niet altijd een +persoonlike kwestie die berijmd werd; dikwels was het de een of andere +algemene vraag die bedebatteerd werd. Wanneer in een gezelschap een +zeker punt aangeroerd was dat tot meningsverschil aanleiding had gegeven +in de loop van het gesprek, dan kon het gebeuren dat een dame twee +aanwezige troubadours uitnodigde, zich tot de voorvechter van een der +twee tegenovergestelde opvattingen te maken, of wel nodigde de een zijn +kollega uit een der twee opvattingen te verdedigen, terwijl hij dan de +andere tot de zijne maakte en bij de volgende samenkomst kwamen zij dan +goed voorbereid en »voerden de liederen-kamp op." En het gebeurde dan +veelal dat men de beslissing overliet aan degene die de vraag aanhangig +had gemaakt of wel werd er door vrije keuze een jury gekozen b.v. van +voorname dames. Veel zeer mooie gedichten van dien aard zijn bewaard, +ofschoon, misschien, in vele gevallen feitelik die beide rollen door een +en dezelfde troubadour gedicht zijn. Men disputeert b.v. over de goede +eigenschappen der verschillende volkeren. Of men het recht heeft de +liefde ener vrouw te weigeren, alleen omdat zij oud wordt. Of een dame +de edelste of de voornaamste van haar aanbidders de voorkeur moet +schenken,--de Dauphin van Auvergne houdt zich grootmoedig aan het +eerste, zijn burgerlike tegenstander bescheiden aan het laatste. Wat of +erger is: schuld te hebben zonder die te kunnen betalen of te beminnen +zonder wederliefde te krijgen;--Eble verklaart dat met alle respect voor +ongelukkige liefde is het toch erger wanneer men door zijn krediteuren +vervolgd wordt en zich niet in zijn mooie kleeren op de markt durft +vertonen; waarop Guillem Gasmer opmerkt dat men zijn schuldeiser met +fraaie woorden kan paaien, maar dat men van liefdesmart niet zo gauw +afkomt. + +Dergelijke wedstrijden hebben aan vele hoven gebloeid. Maar eigenaardig +voor de Zuid-Franse hoven is de in 't oogvallende plaats die kwesties +van de Liefde in deze debatten innemen. Niet alleen dat de dichters +der Sirventes de groten »tot hoge daden" aan moeten sporen, »de kwaden +moeten beschamen" en zonder vreze »herauten der waarheid moeten +zijn", zowel als, waar ze zeer trots op zijn, door hun lied de roem van +hun weldoeners het eeuwige leven schenken,--als dichters van Canzonen +hebben de Troubadours een niet minder hoge roeping--de verkondiging van +de religie der Vreugde, van een gelukkig samenleven en van de Liefde. + + * * * * * + +In het element der vreugde leef ik gelijk de vis in het water, zingt +Arnaut de Maruelh; elke keer dat de zoete lentelucht weer mijn hart tot +nieuw leven wekt, voel ik, dat ik tot vreugde geboren ben. Ik verheug +mij over het gezang der vogels en over de bloemen--jubelt Bernart de +Ventadour--over mij zelf, maar nog meer over mijn Vrouwe, aan alle +kanten ben ik door vreugde omgeven, maar deze overtreft alle anderen. +Veel meer dan de vogels heb ik reden om te zingen, ik die alle dagen +slechts voor zang en vreugde leef en aan niets anders denk. »Joi" en +»Gaug" (vreugde), »Joi e deport", die woorden gaan als leitmotif door +de gehele dichtkunst der troubadours. In scherpe tegenstelling met het +tragiese patos der heldendichten en de sombere plechtigheid van de kerk, +komt nu het nieuwe jolige lied met zijn koloratuur en zijn trillers. +»Joi e deport" betekent dat gevoel van de edelman die zich »vrij weet +van materiele en geestelike beslommeringen" en dat heerlike gevoel +moet de troubadour opwekken en levendig houden. Een vrij geboren +natuur--zingen ze--kan niet in droefenis in beslommering leven, hij moet +alles liefhebben wat heerlik is en schoon--schone wapenen, een vrolik +tijdsverdrijf, hoofse gezelligheid; niets van dit alles is uit den boze +en dat zal ook niet door God gestraft worden, gelijk diegenen geloven +die jeugd en vreugde in miskrediet willen brengen omdat ze zelf niet +weten wat vreugde en milddadigheid betekenen (Guiraut de Bornelh). De +vreugde is de wortel van alle goeds, »se (zonder) joi non e valors", de +vreugde maakt de mens dapper, goed, beminnelik en bemind. Het is die +opgewekte stemming bij de hogere klassen, Euphorie, welke de Duitse +troubadours »hohe muot" noemen of »riche muot"; »geen enkele keer heb +ik hem in treurige stemming gezien" leest men in een lofzang over een +gestorven vorst. + +Maar »joi" is ook nog iets anders, het zwelgen van de lyricus in zijn +gevoelens, zijn roes over de innerlike rijkdom van zijn ziel. Het +zelfde sentimentalisme dat bij St. Bernhard in het gevoelskristendom +en het entoesiasme voor de kruistochten uitsloeg,--dat is het wat bij de +troubadours tot de gevoelens van gelukzaligheid wordt en tot hun eroties +dwepen. Tegenover de baronnen die slechts aan hun goederen denken en +strijd, en aan alles wat ze op kunnen nemen en aanraken, verkondigt de +troubadour paradoxaal de vrijheid en rijkdom van het innerlike leven: +daar buiten is het najaar en alles verwelkt, daar is het winter en alles +bevriest, maar in mij staat de lente in de knop en bloeit het als in de +zomer. Eén glimlach van mijn geliefde is mij meer waard dan al het goud +van Arabië, in mijn liefdesgeluk zou ik met de koning van Engeland +niet willen ruilen. Maar daar staat tegenover als een niet minder +merkwaardige paradoks, dat ongelukkige liefde erger is dan tandpijn en +onaangenamer dan schulden te hebben. En toch--toch is de ontbering van +een teleurgesteld minnaar de dichter dierbaarder dan het ruwe toegeven +aan de zinnen, wat de meesten onder liefde verstaan. + +De lente is de tijd van de vreugde en het sentimentele dwepen. +De liederen van Bernart de Ventadour zijn verliefde hymnen aan de +lente,--wanneer het vlas op de velden groent, de viooltjes onder +de struiken te voorschijn kijken en de beekjes helder over het zand +kabbelen, wanneer blad en bloem op alle takken knop zetten en nacht en +dag de vogel zijn gezang laat horen. Het zoet gezang van de nachtegaal +houdt hem in minnegedachten wakker en als de leeuwerik zijn vleugels 's +morgens naar de zonne uitslaat, zodat hij zich geheel vergeet en door al +'t zoete dat hij voelt de aarde nader komt, dan is het hem als zou zijn +eigen hart van zoet verlangen barsten... Gelijk men niet nalaten kan de +tong tegen een holle kies te drukken--zingt Guiraut de Bornelh--zo kan +hij ook niet anders dan zijn hart naar de jonge bloemen wenden, wanneer +hij de takjes bloeien ziet en de zoete stem der vogels liefdedronken in +de struiken hoort. En is in 't eind van Maart de sneeuw gesmolten en de +warmte weer teruggekeerd, de weide groen, terwijl de vogels dan weer +zingen, dan wordt hij uitgelaten als een wild dier en licht ter been +gelijk de ree. De weiden en de heldere beekjes, de hagedoorn en de wilde +roos, de leeuwerik en de nachtegaal--dat is de stralende, vriendelike +lenteschoonheid die de troubadour liefheeft, en gewoonlik verleggen ze +dan ook hun scène's naar die soort tuinen, waar de ridderkastelen nu +veelal van omgeven zijn. De dichter siddert als een blad, is blij als +een vogel, en hij wordt door de blik van de geliefde verwarmd, gelijk de +natuur door de stralen van de zon. + +De lente is de bevrijding na de koude donkere winter, wanneer de wegen +onbegaanbaar zijn en men in de sombere, kille kamers met stenen vloeren +zit te rillen of door de rook verstikt. Nu kunnen de ridder en de +troubadour weer de wijde wereld intrekken. Een verlangen naar vrijheid +en een drang naar buiten weerklinken in hun liederen. »Het leek hem +onaangenaam, lang op één plaats te blijven," heet het over één, en dat +geldt van velen. Bij alle weer, onder moeite en gevaren, rijdt hij +te paard overal heen--zo als Raimbaut de Vaqueiras het in een gedicht +schildert--met de bossen en de wegen als herberg. En onderweg dicht +hij: »Ik wil een gedicht maken over niets," begint hij, »het is gedicht +terwijl ik te paard zat te slapen," hij voelt zich behekst, weet niet of +hij waakt of droomt; zijn hart is op 't punt van verlangen te barsten, +maar daar geeft hij geen sikkepitje om; wie zijn geliefde is, weet hij +niet, maar toch bemint hij haar zéér, maar toch kent hij er een die +schoner is, alleen weet hij maar niet waar hij haar vinden kan... In +zulk een stemming van opgeruimde onverschilligheid en vage verliefdheid +dwaalt de zanger om van het ene hof naar het ander. Zijn hart verheft +zich (zoals het bij de Duitse minnezangers heet) naar het licht, gelijk +de valk in zijn vlucht, of de arend zwevend in de lucht, het is hem +alsof hij over de wereld vloog en alles bezat, alsof hij gelijk het +wilde dier in de grote bossen kon rondspringen. Alles wat er aan vreugde +in hem woont, dat ontkiemt, groeit en groent; »zijn hart schiet blad en +bloem en houdt zich groen, geheel het jaar." + +Fladderen, omhelzen, zingen en liefhebben,--dat is het levensprogramma +van de rondtrekkende zangers. Vrij leven en laten leven is het wat zijn +lied aanprijst. In de ruwe en sombere wereld der baronnen en monniken +brengt hij licht en warmte. Indien hij altijd milddadigheid als +hoofddeugd voorop zet, is het zeker dat hij in de eerste plaats voor +zich zelf pleit; zijn lied is dikwels niets dan een bedelpartij en +afzetterij en de Seigneur die door hem als een Alexander geprezen wil +worden--Alexander de Grote is altijd het toonbeeld van mildheid--moet +niet spaarzaam zijn met paarden en kleeren voor zijn zangers, en open +tafel houden »zonder portier". Maar larguezza--»milte" heet het in het +Duits--was werkelik het voornaamste en meest tastbare bewijs, dat de +bekrompen ziel van de edelman week was geworden en zich om andere dingen +bekommerde. De begerige klauw die altijd gereed stond om te grijpen, +moest nu leren zich te openen en te geven. Hier gaat tot zekere hoogte +de dichtkunst der troubadours met de kerk in dezelfde richting; ook voor +de kerk kwam het er op aan--en niet alleen uit egoïsme--om de geest van +hebzucht en eigenbelang uit de harten te verbannen, ze van de aarde en +mammon los te maken. »Donar"--te geven, met geld te strooien, te leven +en te laten leven--daaruit bestaat voor de troubadour het leven der +Ridders; of dat geld aan prachtige kleeren en vrolike feesten gaat of +aan weldadigheid, dat is hem hetzelfde. Hij prijst de oorlog omdat die +dwingt de hand te openen, de groten noodzaakt niet alleen te nemen maar +ook te geven. In een tenzone verdedigt een roofridder er zich mede dat +hij niet neemt om schatten op te hopen, maar om voor anderen uit te +strooien. De moralisten der kerk herinneren daarentegen aan Cicero's +waarschuwingen tegen die soort van mildheid, die neemt wat men geeft en +geselt de ridders die uit ijdelheid alles wat zij bezitten weggeven, en +gochelaars en jongleurs met mantels en sieraden overstelpen, terwijl +de armen buiten het kasteel van kou sterven en de portier ze als vee +wegjaagt met een »scheer je weg, slungel, mijn Heer wil naar de zangers +luisteren!" Maar de troubadours prijzen daarentegen de ridder die in +1174 bij Beaucaire 30.000 sous het venster uit liet werpen en 30 paarden +liet verbranden, alleen om zijn »larguezza" te tonen of Robert Kortbroek +die alles aan gochelaars en de een of andere slet weggaf, zodat men hem +eens op een morgen zo van alles beroofd vond liggen, dat hij alleen nog +maar een hemd aan had en zo niet naar de kerk kon. »Liever ja zeggen, +dan neen!"--dat is de formule, waarin de troubadour in 't kort de +royaliteit van de ridders samenvat. + +In feest en gezelligheid te leven, in een beminnelik, hoofs samenzijn +met zijns gelijken--dat was alles een soort sosiaal idealisme dat de +dichtkunst der troubadours tegen de ouderwetse baronnen opstelde, die +aan niets anders dachten dan vechten met hun buren, hun goederen af +te ronden, hun boeren uit te zuigen en zoveel mogelik land en vee te +verzamelen. De vaste kastelen--klagen de troubadours--met hun grachten +en muren zijn de haardsteden van onrecht en geweld, daar is slechts +plaats voor wapengekletter, niet voor feesten en milddadigheid. De ruwe +baronnen geven niets om zang of dans of spel, lente en bloemen laten ze +koud, als de moestuin maar goed vrucht levert. Overal, van het koninklik +hof af, wordt er alleen maar met goederen en vee gehandeld als bij +kooplieden. Zelfs een kemphaantje als Bertrand de Born beweert, dat +zulke Heren die alleen maar aan jacht denken en hoe ze hun mannen er +onder kunnen houden, en nooit aan vrolike feesten,--dat die geen begrip +hebben van ridderlikheid en een hof waar geen feesten of dames te vinden +zijn is toch maar niets dan--een paar baronnen bij elkaar! »Oorlog +en wapenspel--geld uitgeven en de vrouwen het hof maken"--assautz +e tornei--donar e domnei--al die dingen horen even goed bij het +ridderleven. En door didaktiese poëzie direkt (»ensenhament") zowel +als indirekt door alles wat zij verheerliken of veroordelen, maken de +troubadours zich tot de vertolkers van hofkultuur en »hoofsheid". Het +zijn niet alleen uiterlikheden als nette manieren, waar het op aankomt, +maar die kleinigheden bij de dagelikse omgang die wellevendheid heten +en beminnelikheid. De zachte blik, gracieuse manieren, de vriendelike +groet, een kwik antwoord of een geestigheid, dat zijn de dingen die de +troubadours bezingen bij hun seigneur of hun meesteres. En zij houden +hun hoorders vóór, dat vriendelike woorden en een beleefd antwoord geen +geld kosten en ze vrienden doet maken en dat die gift het beste is, +welke gegeven wordt zonder dat men er om vraagt, dat een beleefde leugen +honderd maal meer waard is dan een grove waarheid en dat men, evenals de +schilders, een fraai kleurtje mag zetten op wat men vertelt, zonder zich +al te veel van de waarheid te verwijderen. + + * * * * * + +Maar de hoogste potentie van die hoofsheid en gezelligheid en het +lyries-sentimentele dwepen is voor de troubadours de Min. »Moge ik +Gode nooit zo ongevallig worden," zingt Bernart de Ventadour, »dat hij +mij laat leven, een last voor allen, wanneer ik niet langer lief zal +hebben." Midden in de nacht wordt hij wakker, overweldigd door zijn +vreugde, geheel in dweepzieke overpeinzingen verzonken, maar moet op +eenmaal beginnen te dichten, ofschoon hij niet weet over wat en wien. +Het is hem alsof zijn hart van verlangen smelten zal, zijn ogen worden +nat, en nog nat van tranen schrijft hij honderden groeten de wereld in +aan de schoonste en de liefelikste. In zulk een jeugdig liefde-verlangen +verkeren de troubadours. »Vrouwenjagers" noemen de mannen van de kerk +hen. Toen de goede Koning Karel de Grote--zo heet het--over alles +heerste, toen deelde hij Provence, dat vol is van wijn, bos en vlietend +water, aan speellieden en minstreels uit, die zulk een los leven +leidden. + +Dan eens hebben zij onderweg een avontuurtje met een herderinnetje en +dat wordt dan tot een pastorale, dan weer met een burgervrouw, bij wie +zij al hun galanterie ten toon spreiden, maar die--zo als er een in een +humoristies gedicht vertelt--daar niets van weten wil; maar heel sterk +ontvlamt het gemoed der troubadours door de schoonheden die zij aan de +hoven ontmoeten. »Menig oog heb ik gekust en menig oor," zingt er een +tot een dame, »alleen omdat zij uw oog en oor geleken." En wanneer een +ander door zijn aangebedene afgewezen is, zingt hij dat hij zich nu +natuurlik een andere vriendin aan moet schaffen, maar opdat zij niet +bij zijn eerste achter mag staan, moet hij bij haar de verschillende +eigenschappen terug vinden die hij bij zijn bekenden getroffen heeft en +zo vindt de zanger de gelegenheid om aan al die dames een komplimentje +te maken: haar frisse kleur en de zachte blik moet zij van u hebben, o +schone Sembeline en het is een heel ding dat ik van u niet alles neem, +want aan geen enkele goede gave hebt gij gebrek; Vrouwe Elise vraag ik +om haar vrolike opgewekte manier van spreken, dan wordt zo waar mijn +schone nòch dom nòch stom, de Burggravin van Montausier geve mij haar +hals en handen; naar Rochechouart rijd ik om het haar van Vrouwe Agnes, +zelfs Isolde had niet zulk prachtig haar; Vrouwe Audiartz zal haar +schone figuur en middeltje af moeten staan, enz. enz. + +Met een levend schoonheidsgevoel en verfijnde zinnen ontwikkelen de +troubadours nu dit schoonheidsideaal van de vrouw dat de gehele volgende +Ridderromantiek eigelik niet anders doet dan variëren of uitwerken. +Zekere trekken kunnen aan Ovidius ontleend zijn of aan andere antieke +kunst, andere aan de Byzantijnse Madonnabeelden, andere duiken misschien +reeds bij de oudere Latijnse dichters der middeleeuwen op, maar veel +is toch van de troubadours zelf. Het lichtgouden, gekrulde of golvende +haar, de fijne, liefst donkere, van elkaar afgescheiden wenkbrauwen, +de kleine mond met kristallen of ivoren tandjes, regelmatig en vlak +op elkaar,--dat zijn de gewone trekken reeds in de Latijnse gedichten +van de 11de eeuw. Maar de troubadours leggen meer de nadruk op de ogen +en de blik, op de glimlach en het teint--de schilderachtig-gracieuse +en erotiese zieleschoonheid. De kleine, smalle ogen worden meer naar +de uitdrukking dan naar de kleur beoordeeld; die moeten stralen als +sterren, ze moeten lachend zijn, zacht, vol liefde en lust,--een Latijns +dichter van de 12de eeuw spreekt van de ogen als: ridentes, blandientes, +innuentes, laquentes, offerentes, expetentes, attrahentes, capientes. De +mond heeft »zwellende" lippen die kussen uitlokken (küssenlîch, noemt +Wolfram het), die glimlacht zoet, lacht liefelik--mollia spondens risus +noemt 't reeds een geestelike dichter van ongeveer 1100. Maar vooral +prijst men de kleur der huid,--de stralende glans er van: clara +clartatz, wit als het wit van de hagedoorn of het ivoor, of gelijk +een wilde roos, wanneer het wit zwak met rood gemengd is. Heel wat +barbaarser heet het in de Noord-Franse romans dat het voorhoofd als in +hout of steen of ivoor gevormd is, en dat het rood of het wit van de +huid afsteekt gelijk vermilioen op het zilver van een wapenschild. + +Dan komt de beurt aan de slanke, witte hals,--de huid is zo +teder--beweert een Duits dichter--dat, als zij drinkt, men de wijn +blozend door haar keelgat kan zien stromen. De kleine stevige borstjes +zijn als twee noten,--zo klein dat men ze met de hand gemakkelik +omvatten kan, of als kegels gedraaid. De schouders zijn recht en +buigzaam als het riet. De lange armen, de mooie blanke handen met de +fijne gladde vingers, de nagels als een spiegel zo schitterend. Het +middeltje dun, de buik rond, iets of wat vooruitstaand, de heupen breed. +In Wolfram's gemaniëreerde taal is Antikonie zo slank als een haas, die +op het spit uitgestrekt is; haar mierentaille (wij spreken nog van een +wespentaille) wekt de begeerte der mannen op. Gewoonlik wordt echter +meer in het algemeen de figuur geprezen als »ben estans" (Duits: wol +getan) of »covinens" d. w. z. welgeproportioneerd. Zeer bizonder houdt +men van wat slank en fijngebouwd is; »graile" (gracil) en »delgat" +(delicat) zijn veel voorkomende termen. De kleeren moeten goed zitten, +maar, zo schrijft een troubadour aan zijn dame, uw figuur is zo wel +gevormd dat zelfs het slechtste snit nog goed aan u zou staan en al de +kleermakers uit Katalonje, van Parijs en Keulen zouden er niets aan te +verbeteren hebben. Maar ook verder vertellen de troubadours nog veel er +over, hoe levendig, vrolik, lenig, gracieus en behagelik het lichaam van +de aangebedene is; daar hebben ze een massa woorden voor: gais, cortes, +avinens, plasens, coinde, isneus, die de zinnelike liefde schilderen en +die men bij de Duitse minnezangers veel minder sterk aantreft. »Haar +ledematen zijn zo zacht", heet het, »als verder alleen konijnen zijn". +Het lichaam is zo blank, fris, zacht, glad, als ametyst; het is +»amoros"--»minneclich"--»plaisant"--en vraagt omhelsd te worden. Ook +haar naar honig riekende adem en de zoete melklucht van de huid worden +later veel geroemd.--In poëtiese wendingen wordt de algemene indruk van +haar optreden aangegeven. Schoner dan de Maartse zon, of regen in April, +en de schaduw in de zomer,--zingt een Provençaals dichter. Als een +waslicht is zij tussen vetkaarsen,--heet het in 't Noord-Frans, de glans +van haar schoonheid verlichtte het gehele slot met haar klaarte; haar te +zien is als te luisteren naar muziek.--In haar tegenwoordigheid--zegt +een Duits dichter--vergeet men alles wat het gemoed bezwaart. + +Nog meer dan het uiterlik van de vrouw is haar innerlik wezen en haar +aantrekkelikheid die door de troubadours verheerlikt wordt. Haar +geestige antwoorden en haar schone zang; zij kent de kunst van spreken +en zich aangenaam voor te doen--van »plazers far e dir";--zij is +aangenaam gezelschap--»d'avinen companha", zij is beminnelik in haar +optreden--amorosa en totz son semblans; zelfs bij de besten wekt zij een +duizendvoudig behagen. Een hele rij leerdichten wijden de troubadours +ook aan de maatschappelike opvoeding der vrouw. Een voorname dame had +de adellike Garin le Brun verzocht zulk een leerdicht voor haar te +schrijven en zo ontwikkelt de troubadour dan ook in zijn verzen, +alle regels voor de echte vrouw van de wereld: Hoe zij altijd schoon +linnengoed aan moet hebben, kleine schoenen aan moet trekken, opdat haar +voet zelf klein zal schijnen, en hoe zij met kleine stapjes de kerk in +moet treden. Hoe zij bij haar thuis ontvangen moet: de verschillende +mensen wel is waar naar hun rang en stand behandelen, maar toch tegen +een ieder beleefd zijn--hoe zij een gesprek netjes moet kunnen afbreken, +als het haar niet bevalt, maar zonder boos te antwoorden--zich aan de +omgeving aan te kunnen passen, maar niet al te intiem met vreemden +worden. Verder, hoe zij in haar kleeren en manieren die zekere drang om +te behagen ten toon mag spreiden die het wezen der koketterie uitmaakt: +de rokken netjes opnemen, zodat men het voetje te voorschijn ziet komen, +de schouders gracieus, bij het gaan, bewegen, het kleed nauw laten +sluiten, zodat dit het lichaam niet als in een zak verbergt, maar dat de +lijnen te zien zijn, en als zij een fraaie hals heeft, een uitgesneden +kleed moet dragen. Heel naief zijn hieronder die aanwijzingen waar de +voorname dame zich aan houden moet, ook overgenomen uit de »Ars Amandi" +van de »Klerk" Ovidius en die geschreven waren om de geblaseerde viveurs +van Rome weer wat appetit in de dames van de demi-monde te geven. + +En rondom deze dames fladderen nu de troubadours met hun erotiese +verlangens. Zij kregen rijkelik hun deel in het losse en niet altijd +binnen de perken blijvende minne-leven van de Zuid-Franse hoven, waar de +oude biografen der troubadours van weten te vertellen en hun Canzonen +van zingen, in allerlei soorten en toon der liefde, van de grove +gevoelens der jonkers tot een vluchtige koketterie of schuchtere +dweperij van een knaap. + +Bernart de Ventadour--uit de stand der horigen, opgevoed tot troubadour +bij de genadige burchtheer--is de zanger van de bescheiden page-liefde. +Hij bezong en prees de gemalin van zijn weldoener, werd door haar +voornaamheid verblind, en, zo als het bij zijn leeftijd paste op +haar glimlach verliefd, maar schijnt toch ook de gunst van zijn +»schoon-te-schouwen" verworven te hebben (onder dat pseudonym +verheerlikte hij haar), in elk geval genoeg om het de burggraaf +bedenkelik te doen voorkomen, zodat de zanger vertrekken moest... +waarna hij de andere hoven afreisde en andere voorname schoonheden +aanbad--vooral Koningin Eleonora, aan wier hof in Normandië hij zich +een tijd lang ophield,--maar nu en dan zond hij uit de verte liederen +naar zijn »Bel Vezer"... totdat hij op zijn oude dag, zo als zo veel van +zijn kunstbroeders, troost zocht in een klooster. + +Hij weet wel--zingt hij--dat zijn aangebedene Heerseres hem genadig is. +Had zij hem niet onlangs nog, toen hij een tijdje op reis ging, gezegd +dat zijn zang haar behaagde? Als hij er nu aan denkt, dan schijnt de +zoete lucht die hem uit de plaats waar zij woont, tegemoet waait, als +een vleugje uit het Paradijs;--moge elke ziel in de Kristenheid zulk een +grote vreugde voelen als die nu mijn is!--Als hij haar nu toch maar eens +alleen kon treffen, terwijl zij sliep,--of deed alsof zij sliep--dan +zou hij pas goed van haar schoonheid kunnen genieten--haar »bel cors ab +fresca color" bewonderen en die kus van haar mond stelen, waar hij niet +om durft vragen, dan zou hij die mond kussen zo dat men de sporen nog +lang zou kunnen zien. + +Maar nu--jubelt hij--nu heeft zij mij een kus geschonken, mij met +haar mond gewond, zo dat slechts nòg een kus mij kan genezen, +evenals--volgens Ovidius--hij die door de lans van Peleus gewond is, +slechts door nog een steek er van genezen kan worden. En zo vol is zijn +hart van jubel dat hij bijna bezwijmt--midden in de natte wintersneeuw +ziet hij bloemen en groene weiden, in zijn groot gevoel van liefdegeluk +zou hij midden in de winterwind in zijn hemd kunnen lopen. + +Maar--bescheiden en diskreet moet hij zijn, dat weet hij. Als hij alle +mensen die hen beiden gadeslaan maar betoveren kon... ze tot kinderen +maken, zo dat hij zonder hun ogen te vrezen, zo vertrouwelik met zijn +aangebedene om kon gaan als hij maar wenste. Of als zij een geheime taal +uitvonden die de anderen niet verstonden? In elk geval kan zij verzekerd +zijn dat hij niet kinderachtig-pochend het zalige geheim er uit zal +flappen, maar de kunst verstaat om te liegen en zich anders voor te doen +dan hij is. En hij zal zich ook met weinig tevreden stellen. Wat zou hij +niet gaarne 's nachts als een zwaluw haar kamer binnen zweven! hoe graag +zou hij er niet bij zijn wanneer zij zich uitkleedt! demoedig knielende +haar schoen uittrekken, indien zij zich verwaardigen zou haar voetje uit +te steken.--Zelfs haar gunst met anderen te deelen, moet hij zich laten +aanleunen. Hij weet nu eenmaal dat zij anderen liefheeft, soms twijfelt +hij wel eens in hoever hij moet doen alsof hij niets merkt, of dat hij +haar dienst moet verlaten. Maar het is toch beter met de helft van haar +liefde genoegen te nemen, dan niets te krijgen. Als zij toch maar niet +zo wispelturig was. Gelijk de tak zich naar de wind buigt, zo is hij +bereid al haar bevelen te gehoorzamen. Maar hij voelt dat haar schone +ogen en vriendelike blik hem toch voor den gek houden. Gelijk een schip +op de golven, wordt hij tussen hoop en vrees geslingerd. Soms tracht +hij zich dan ook opeens uit die onbeloonde liefde los te scheuren. De +bladeren die in de herfst van de bomen vallen, doen hem op zulk een +ogenblik behagelik aan, het komt zo geheel met zijn stemming overeen. +Zij die vroeger zo vriendelik tegen hem was, laat hem nu niet meer +roepen, »het harte barst van smart,--er blijft niets anders over dan te +sterven." Geheel mijn hart, geheel mijn eigen zelf bezat zij. Nu moet ik +verwelken, gelijk Narcissus van Ovidius bij de bron, ik wil niets meer +met vrouwen te doen hebben, ze nooit meer vertrouwen, ik zal wegtrekken +in den vreemde, ik weet zelf niet waarheen. + +Hield de burchtvrouwe van Ventadour haar zanger aan het lijntje door +hem zo nu en dan eens een kus te geven--meer zal het wel niet geweest +zijn--de toewijding van Peire Rogier voor de hoog ontwikkelde Burggravin +Ermengarde van Narbonne was met nog minder tevreden. Een jonge knappe +kanunnik was hij, maar hij was troubadour geworden en had zich lang +aan het hof van Ermengarde opgehouden. Hij vertelde dat hij volkomen +tevreden is met haar grappen en haar glimlach, meer komt hem niet toe, +nooit heeft hij ook »facta" van zijn meesteres gevraagd, maar alleen +haar te aanschouwen, maakt hem rijk en gelukkig. »Zo zal ik beminnen wat +ik niet bezit, en ik heb er zo veel eer en plezier van, alsof dat waar +was, wat het in werkelikheid niet is." En heel vriendelik en onderdanig +leert hij de mensen (naar de Ars Amandi van Ovidius) dat zij nooit aan +kwaadsprekerij moeten geloven, en zelfs wanneer zij met hun eigen ogen +hun geliefde een fout zien begaan, moeten zij zonder aarzelen niet hun +ogen, maar wel haar woord geloven. Een even ootmoedige maar gloeiender +onderdanigheid ligt er in de liefde van de burgerlike troubadour Peire +Raimon voor een onvermurwbare adellike dame te Toulouse. »Op mijn knieën +zal ik tot haar gaan," zingt hij, »en wenend haar genade vragen; als zij +mij slechts de eer wou aandoen mij knielend haar welgevormde, gracieuse +gestalte te laten beschouwen." Maar dikwels slaat de demoedige +platoniese hulde van de arme zanger, waar de gelegenheid zich biedt, +in de hartstochtelikste wensen over. De arme klerk Arnaut de Maruelh +verklaart wel is waar in zijn liederen dat de vrolike beminnelikheid +van de gravin en »de liefelike woorden waarmede zij mijn harte vult" +hem genoeg zijn en dat hij zich tevreden stelt met haar in zijn dromen +te kussen en te omhelzen, een liefdegenot dat geen echtgenoot hem kan +weigeren, maar nu en dan waagt hij het toch zuchtend te wensen dat zij +hem een kus moge schenken en »andere beloningen late volgen" en spreekt +stoutmoedig de hoop uit dat hij haar eens 's nachts in zijn armen zal +mogen sluiten en haar ogen en mond kussen, »zodat honderd kussen er +voor ons tot één worden." En andere troubadours wensen haar, in de +duidelijkste woorden, »zonder hemd" te omhelzen, beiden onder één deken. + +Een heel wat vrijer karakter en meer jonkerachtig, heeft de liefdelyriek +bij een vorstelik amateur-troubadour als graaf Guillaume de Poitou, +hertog van Aquitanië. Elegant en vrolik, beroemd wegens zijn +liefdesavonturen en zijn kunst om de mensen te onderhouden, maar ook +wegens een zeer lichtzinnige kruistocht, die een heel treurige afloop +had,--wat hij later in vrolike liedjes op alle kastelen ging bezingen. +Beminnelik geeft hij op van wat hij kan,--hij weet wat dapperheid is, +eer, poëzie, weet het onderscheid tussen dwaasheid en verstand, en +wanneer men in een gezelschap hem in een liefdetwist vraagt als +scheidsrechter op te treden, dan weet hij altijd het juiste oordeel +te vellen; zelf verstaat hij de kunst om met de vrouwen allerlei soort +spelletjes te doen,--wat hij dan in grove dubbelzinnigheden uitwerkt, +terwijl hij God, St. Julianus en zijn opvoeders voor alle goede gaven +dankt die hij gekregen heeft.--In een ander gedicht, bijna een kleine +novelle van Boccacio, vertelt hij van een even amusant als onfatsoenlik +avontuurtje dat hij met twee burgervrouwtjes gehad heeft die hij in de +bergen van Auvergne ontmoette.--Met een echte huzarenhumor vraagt hij +een vriend hem raad te willen geven: hij bezit twee edele paarden, als +hij die nu maar flink kon dresseren, zou niemand beter bereden zijn +dan hij; maar hij kan ze niet aan elkander wennen, en nu moet hij +kiezen,--natuurlijk meent hij vrouwen. En nu vertelt hij van hun beider +eigenschappen, en vraagt of hij Agnes of Arsène moet houden. Nu zijn +dergelijke gedichten niet zeer troubadour-achtig. Maar in andere komt de +verliefdheid van de ziel meer op de voorgrond, in overeenstemming met +de lente en het jong genot, met het schoonheidsgevoel en sympatieke +liefdegevoelens: In de zoete dagen van de lente, wanneer de bomen +groenen en de vogelen zingen, toen ging het met onze liefde als met de +knoppen van de hagedoorn, die in de regenachtige koude nacht nog dicht +waren, maar door de zonnestralen openspringen,--evenals in Heine's »Im +wunderschönen Monat Mai..." Nog herinner ik mij de morgenstond toen wij +een eind maakten aan de twist, en zij mij haar liefde schonk en haar +ring; God late mij zo lang leven dat ik mijn handen onder haar kleed +moge steken... Ik zal een nieuw lied zingen vóór de wind komt en de +regen en de koude. Mijn dame wil mij op de proef stellen, maar hoe meer +zij mij tegenwerkt, des te meer krijgt zij mij in haar macht; Gij moet +niet denken dat ik dronken ben of gek, maar ik kan zonder mijn lieve +dame niet leven. Bij St. Joris! Ik moet sterven als zij mij niet in haar +kamer of onder de groene takken kussen wil. Maar welk genot, schone +dame, kan het ook voor u zijn mij uw liefde te onthouden? Waarom wilt +gij u tot non maken? Wat zou het u baten als ik in het klooster ging? +De vreugde der gehele wereld is de onze, indien wij elkaar slechts +liefhebben... Indien zijn dame hem nu maar haar liefde wil schenken, +belooft hij dat hij diskreet zo wel als galant zal zijn, zeggen en doen +wat zij gebiedt, haar in hoge eer houden, haar wijd en zijd prijzen; en +dat wil hij wel zeggen dat hij, die liefheeft zich voor menigeen moet +weten te buigen, menige goede daad moet verrichten en op moet passen dat +hij aan het hof niet »onhoofs" en als een boer spreekt. + +Werkt hier nu een frisse natuurlike verliefdheid opvoedend op een ruwe +jonker-natuur, omgekeerd breekt soms bij een ander vorstelik zanger +als graaf Rambaut van Oranje brutaal de hartstocht van de man door +de uiterlike »hoofse" galanterie heen, waar hij dageliks mede speelt. +Cynies vertelt die hoe men de vrouwen behandelen moet om zijn wil met +hen te krijgen, pochen en vleien, zelfs als het nodig is dreigen, en ze +met de vuist in het gezicht slaan; ofschoon hij beweert zelf dom genoeg +te zijn om altijd netjes en ridderlik tegen ze op te treden. Of Raimon +van Miraval, de altijd verliefde en altijd ongelukkige edelman, die de +wereld rondtrok en Loba van Pénautier bezong of Azalais van Lombres of +»de Schone Albigenserin" te Castres. Midden in zijn holle, hoffelike +frases komt opeens een stukje natuur doorbreken, wanneer hij brutaal een +vrouw die hem afgewezen heeft, met beschuldigingen overstroomt dat zij +zich voor geld gegeven heeft: »Ga uit, mijn lied, en zeg: hier is een +vrouw te koop." Elders vertelt hij waarom hij zich nu in de openbare +trouweloosheid van zijn dame schikt; hij rechtvaardigt zich door te +zeggen dat hij zich zelf ook vrijheden gepermitteerd heeft--en is zo +iets niet beter dan in boosheid van elkaar te gaan?--Zijn eigen vrouw, +die hij openlik veronachtzaamd heeft, wil hij echter zulk een »leer om +leer" niet toestaan. Zij deed ook aan de dichtkunst en hield er een +minnaar op na, maar dat vond manlief niet goed,--tot dat zijn kollega's +hem door hun hekeldichten dwongen zich op dat punt wat liberaal te +tonen. + +Maar de vrolikste en grappigste van alle troubadours was Peire +Vidal--een bontwerkerszoon uit Toulouse, die half als hofdichter, half +als hofnar, van de ene plaats naar de andere toog, hongerende, zo als +hij 't zelf uitdrukt, naar strijd en toernooi gelijk een monnik naar +brood, maar vooral verlangende naar avontuurtjes met vrouwen. Met zijn +schone stem en zijn vindingrijke geest, heeft hij blijkbaar menige +conquête gemaakt en zijn gepoch is dan ook fantasties naief: »Dageliks +bereiken mij duizende groeten uit Katalonje en Lombardije en het scheelt +niet veel of de Koning sterft van afgunst over mijn geluk bij de +vrouwen. Honderden vrouwen ken ik, die mij graag zouden willen hebben, +als zij maar konden; ik poch niet, maar de vrouwen kus ik en de ridders +sla ik tegen de grond. Stoutmoedig ben ik als Roland, galant als +Montdidier; ik weet wat alles bij de kunst der liefde hoort en er leeft +geen man die beminneliker is in het vrouwenvertrek dan ik, wreder dan ik +onder het wapengekletter. Dikwels komen er boodschappen en groeten--met +witte linten, met gouden ringen en alle echtgenoten vrezen mij meer dan +vuur of ijzer."--In de regel zullen de vrouwen die dwaze druktemaker +wel voor den gek gehouden hebben. Dikwels klaagt hij er over dat zij +alleen maar met hem koketteren of hij stelt zich jubelend tevreden +met de gedachte dat hij een kus gestolen heeft, of dat de gravin met +toestemming van haar gemaal er hem een geschonken heeft. Eens liet een +gravin hem wegjagen omdat hij wat al te intiem wou worden, op een andere +plaats werd zijn tong doorboord omdat hij zich ten onrechte op de gunst +van een hooge dame had laten voorslaan. Naief, maar ook uiterst barok +was de vorm van zijn liefde-hulde. Zijn dame, zegt hij, was hem meer +waard dan honderd kamelen met goud beladen, zo wel als het hele rijk +van de Keizer te Byzantium. Ter ere van een dame te Carcassonne--die hij +onder de vrij compromiterende naam van wolvin, lupa, verheerlikte--moet +hij zich in een wolfshuid gekleed hebben en het bos zijn gaan bewonen; +de jagers hielden klopjacht op hem en brachten hem gewond naar het huis +van zijn aangebedene, waar men de nar uitlachte. Ten slotte trok Peire +Vidal op een kruistocht mede naar het Oosten en trouwde op Cyprus met +een Griekse van wie men hem wijs gemaakt had dat zij een nicht van de +Griekse Keizer was--naar aanleiding waarvan hij zich in keizerlike +pracht kleedde en aanspraak maakte op de kroon.-- + + + + +VIII. + +MINNEKUNST. + + +De minnelyriek was die kant van de troubadourspoëzie die de grootste +betekenis zou krijgen voor de ontwikkeling der ridder-romantiek en die +in andere talen het meest nagevolgd zou worden. En door hun leven, zowel +als door hun werken, traden de troubadours als leraars in een kunst der +Minne op, gelijk apostels voor een aparte religie. In de eigelike +typiese liefde der troubadours zijn verschillende elementen in een +merkwaardige mengeling bij elkaar te vinden. + +In de eerste plaats was die grotendeels te beschouwen als een soort +hofdienst, en hun minneliederen een onderafdeling van de lofzangen die +het hun plicht en hun vak was te leveren. Evenals de hofdichter van alle +tijden had de troubadour in de eerste plaats er voor te zorgen dat de +feestzaal van de lof van de heer des huizes weergalmde en dat zijn roem +op de vleugelen van het gezang verbreid werd. En aan de Sirventes die +hij ter ere van de graaf dichtte, beantwoordden de Canzonen tot lof van +de gravin. Om haar roem bekend te maken--»son los enavantir"--is het dat +hij zingt, zoals hij dikwels ronduit verklaart; of wel zegt hij heel +naief dat »wanneer ik haar in mijn liederen prijs, doe ik dat niet uit +liefde, maar wegens de eer en de verdiensten die ik daardoor hopen +mag, gelijk de dichter dat nu eenmaal van een edele dame verwacht." De +»beloning" waar hij zijn dame om vraagt is heel dikwels volstrekt dat +niet wat wij nu zouden denken, maar een zeer tastbare beloning in de +vorm van paarden, wapenen, kleren, of een leen, of een plaats aan het +hof. En offisieel hield om zo te zeggen de dame er een troubadour op na, +opdat hij haar roem zou kunnen uitbazuinen. »Ik heb behoefte om bemind +te worden om daardoor lof en prijs te krijgen," zegt zij volgens de +biografie der troubadours tot een dichter, »en ik weet dat gij mij het +een zowel als het ander kunt verschaffen en ik ben iemand die de kunst +verstaat om te belonen." De »beloning" heeft echter zeker ook meer dan +eens een persoonlik karakter gedragen. Wij hebben voorbeelden van +gevallen dat een dame een troubadour overhaalt om haar zijn hulde te +bewijzen inplaats van aan een andere dame, door hem juist die »beloning" +te beloven welke de ander hem niet heeft willen gunnen. Van Raimon de +Miraval heet het dat »alle dames om strijd trachtten hem voor zich te +winnen, niemand verstond als hij de kunst hun roem te verschaffen; +niemand kon gezegd worden »in de mode" te zijn die de Miraval niet als +vriend had." Zo kwam de troubadour er niet zelden toe een rol te spelen +die men nu al licht met een zeer weinig vleiende naam bestempelen +zou. Dezelfde Raimon nodigt in zijn gedichten ter ere van Azalais van +Boissazon, gewoon de koning van Aragon en de graaf van Toulouse uit om +haar schoonheid te komen bewonderen; de eerste kwam op haar kasteel aan +en in de loop van vier en twintig uur, »kwam hij, zag en overwon". + +Zelfs zonder zulk een hofdichterschap brengt de vazal heel natuurlik +zijn hulde, zijn gevoelens van toewijding en onderdanigheid van de +leenheer op diens gemalin over,--waar n.l. de vrouw zelf niet het leen +bezit. En het feodale erfrecht heeft juist ingevoerd dat de weduwen +en dochters van de baronnen hem op kunnen volgen; vele der Dames die +de troubadours bezongen, waren in dat geval: Eleanora bracht heel +Zuid-Frankrijk mee ten huwelik en Ermengarde regeerde drie jaar lang +over het graafschap Narbonne. Ten tijde der kruistochten bestuurden +de vrouwen in elk geval dikwels een leen gedurende de jarenlange +afwezigheid der mannen. Menig lied der troubadours tot lof der hoge +dames is minder te beschouwen als een minnelied dan wel als de hulde van +een onderdaan aan zijn meesteres, feitelik een soort vazallenhulde die +zich ook geheel en al in de formules van het leenstelsel beweegt. De +dame is de »domna"--domina,--gelijk de leenheer de dominus is, en de +hulde van de troubadour heet »domnei", »vrouwendienst". De ridder +knielt--als voor de leenheer--en zweert zijn dame trouw, hij wil haar +»man", d. w. z. vazal (homme lige) zijn en legt met samengevouwen handen +zijn huldigingseed af en zij schenkt hem een kus, juist wat de leenheer +doet, en misschien ook wel een ring, wat er ook dikwels bijhoort, +wanneer men een vazal met een leen bekleedt. Van nu af »dient" hij haar +en heet haar »vriend" (amico) als een tot het huishouden horende vazal, +(in het oude Rome: de klient) daartoe heette te horen; _cliënt_ is later +ook het Latijnse woord voor vazal. Daarentegen belooft zij zich als de +leenheer voor zijn trouw en gehoorzaamheid, »genadig" voor hem te tonen +en hem zijn »beloning" niet te onthouden en hij »klaagt haar aan" +wanneer hem onrecht geschiedt of zegt haar zijn dienst op gelijk een +vazal dat doet. Nog bij Wolfram von Eschenbach noemt de ridder zijn dame +»de Burchtheer van zijn hart" (Vogt) en in de Roman de la Rose wordt die +leenshuldiging in alle bizonderheden uitgewerkt. Troubadours van lagere +afkomst kwamen niet als vrije vazal tegenover de meesteres te staan, +maar bleven ook hier in een ondergeschikte positie. + +En de keus voor de vrouw des huizes van het troubadourshart was niet +moeilik. Een kasteel was een soort garnizoen; de jonge lieden waren +er in de grote meerderheid en van vrije vrouwen waren er dikwels niet +veel anderen dan zij zelf,--vooral sedert men, gelijk wij zien zullen, +begonnen was de jonge meisjes van het gezelschap der mannen af te +zonderen--en zo liep zij daar rond als de vrouw van de commandant onder +alle de dienstdoende luitenants van haar gemaal, omgonsd door de hulde +en de verlangens van gans een jong geslacht. En het huwelik was toen +minder dan ooit identies met liefde. Door de familieraad van twee +adellike geslachten op touw gezet, was het eigelik niet veel meer dan +een zaakje of een politieke manoeuver: goederen die bij elkaar gebracht +moesten worden of de macht van een geslacht die versterkt moest worden +door zulk een alliance; er werd over de hand van een vrouw beschikt door +haar vader of door haar broeder, zonder dat iemand er aan dacht naar +haar wensen te vragen. Het normale motief van de man tot het huwelik was +voor zijn bezittingen een erfgenaam te krijgen opdat die niet verspreid +zouden worden. Een staande uitdrukking in de ridderroman is dan ook +deze: »en daar zijn eigendom zo groot was, nam hij een vrouw om bij haar +een erfgenaam te verwekken". De Kerk zelf erkende vier gronden om te +trouwen: »om kinderen te verwekken, om ontucht te voorkomen, om elkaar +met raad en daad te steunen en ten slotte om een verzoening te weeg te +brengen, als wanneer de groten op aarde dikwels hun dochters aan hun +ergste vijanden uithuweliken om vrede met hen te sluiten. Maar--heet het +dan verder--er zijn er die een huwelik sluiten wegens geen een van die +redenen, maar alleen om hun wellust bot te vieren, als wanneer een man +een meisje opmerkt, dat hij begeert, en hij ziet dat hij haar niet zal +kunnen bezitten zonder haar te huwen. Maar zij die alleen de lusten des +vleezes willen voldoen, begaan doodszonde en gaan naar de hel." Een +huwelik te sluiten uit liefde is een misbruik van het Sakrament, en het +is dan ook helemaal niet zoals het hoort wanneer de echtgenoten elkaar +al te zeer beminnen; dat is een beschouwing die men steeds weer tegen +komt, dat, wanneer man en vrouw meer van elkaar verlangen dan wat er +nodig is om de huweliksplicht te vervullen en kinderen te telen, dit tot +zonde leidt, zelfs een groter zonde dan liefde buiten het huwelik omdat +het een misbruik van het Sakrament is.--Onder die omstandigheden sprak +het als van zelf dat de burchtvrouwe de liefde niet zo maar terugwees +die haar overal aan het hof van ridder en troubadour tegemoet stroomde, +maar dat, al beantwoordde zij die niet geheel, zij er toch behagen in +schepte, door die warme liefdegolven en de wierook uit zijn liederen +omringd te zijn. Ook haar gemaal zal wel meer dan eens geglimlacht +hebben bij de ongevaarlike, schuchtere verliefdheidjes van de +ondergeschikten en hij zal het dus wel hebben laten gaan dat zij die +gevoelens met een kus of andere kleine gunstbewijzen aanwakkerde,--over +het algemeen was een kus of een aanhaling iets dat in 't geheel niet +meetelde als men zich maar onthield van meer positieve echtbreuk. En +bovendien, als de baron zich per slot van rekening van zijn kant niet +ontzag, zekere vrijheden te nemen, dan kon hij zich niet te recht +beklagen, wanneer zij het ook niet bij de kleine gunstbewijzen liet +blijven. + +En nu zou de ervaring uitwijzen--dat was de groote ontdekking der +troubadours--dat de »aanbidding" door de jonge ridders van de +burchtvrouwe of een voorname getrouwde vrouw, welke op die wijze +niet alleen een soort gepaste hofdienst, vazallendienst was, maar ook +een meer of minder wederkerige dweperij,--dat die »damesdienst" een +allerbelangrijkste invloed had op de zeden en manieren der ridders, +ja op geheel hun opvoeding. De Zuid-Franse hoven zouden nu de gehele +opvoedende kracht van de vrouw leren kennen. Haar fijne constitutie, +haar fijne takt, haar sterke behaagzucht maakten haar maatschappelik +verreweg de meerdere van de ruwe man. In de regel was zij ook +ontwikkelder dan de man en kon zij lezen en schrijven, spelen, zingen +en dichten. En als zulke opvoedsters werkten--elk in hun kring--al de +voorname dames die het Zuid-Franse leven dier kringen beheersten; de +burchtgravin Ermengarde van Narbonne of Adelasia van Marseille of »la +comtessa fina de Provensa"; van hen kon men zeggen, zo als het ergens +heet van de Koningin van Koning Arthur: »Gelijk de leermeester het kind +onderwijst, zo leert de Koningin alle mensen en voedt ze op... Er is +niemand aan het hof die niet iets van mijn Vrouwe geleerd heeft." De +jongen leren zich te wassen en andere kleêren aan te doen wanneer zij +binnen moeten komen, onhoofse boeren-manieren af te leggen, de dames +beleefdheid te tonen, en zich gemakkeliker en gracieuser bij de +conversatie te bewegen dan het hun vroeger mogelik was. Om strijd +trachtten zij zich bij de toernooien en op de jacht op de voorgrond te +stellen, goed voor te snijden en fraai te dansen. Alles ter wille van +de dames,--gelijk een sproke het uitvoerig vertelt,--maar met een ander +vrij wat natuurliker woord in plaats van »dames". De troubadours maken +zich de verkondigers van het evangelium der civiliserende macht van +de vrouw. Het refrein van hun minneliederen is: »De dames vermogen de +onbeschaafde boeren tot fatsoenlike mensen te maken; menigeen is nu +netjes en hoofs die zonder hen tegenover een ieder lomp en ongemanierd +zou zijn geweest. Ik zelf ben door de invloed ener vrouw beleefder +en bescheidener tegen de goeden geworden, en trotser tegenover de +slechten." En de mannen krijgen te horen hoe zij de vrouwen hun eerbied +kunnen bewijzen: zij moeten niet te paard zitten en de dames te voet +laten gaan, zij moeten ze niet met slijk bespatten; bij de maaltijd +moeten ze de lange mouwen der dames ophouden, terwijl zij zich wassen; +en het is 't beste om in het gezelschap van dames onder de mantel altijd +een broek aan te hebben om door een plotselinge beweging geen aanstoot +te wekken. Naieve maar noodzakelike beginselen der kunst om dames te +behagen. + +Maar in elk geval moet elke jonge ridder zich een bepaalde dame +kiezen om te »dienen"--haar kleine diensten te bewijzen, galant kleine +geschenken te geven, een, voor wie hij bij de toernooien vecht, op wie +hij verliefd moet zijn en die hij in zijn lied moet prijzen. »Hij had +een dame nodig om te dienen en trachtte er een te vinden", staat er dan +ook in de biografieën der troubadours, en in een Provençaalse roman +lezen wij hoe een jongeling nog niemand bemind heeft, maar hij leest +en weet dus dat nu de tijd voor hem gekomen is waarop het nodig is dat +hij verliefd wordt; daar hij nu zo veel van de Vrouwe van Bourbon heeft +horen spreken, kiest hij haar en gaat op reis om kennis met haar te +maken. Is dan de dame niet meer vrij, maar reeds te voren van een +dienende ridder voorzien, dan wendt zij zich tot een vriendin en vraagt +of die de haar zelf aangeboden diensten over wil nemen en dat wordt +dan--altans in een der biografiën van de troubadours--vrij gemakkelik +onder elkaar gearrangeerd;--de troubadour biedt de andere dame, die nog +vrij is, zijn diensten en zijn liefde aan.-- + +Maar... getrouwd met een ander moet de dame zijn, indien de verhouding +aan haar doel zal beantwoorden. Zijn eigen vrouw daarvoor te kiezen of +een jong meisje dat men misschien eens tot vrouw zal kiezen, dat komt in +het geheel niet te pas; want het huwelik waarin de vrouw maatschappelik +en ekonomies van de man afhankelik is en waarbij haar gunst haar plicht +als echtgenote betekent--kon, onder die omstandigheden minder dan ooit, +tot de vorming van de man bijdragen. En liefst moet de dame ook sosiaal +boven de dienende ridder staan; anders is de dienst de ware niet. +Voorname, hoge heren deugen daar dan ook volstrekt niet voor, wat +een der troubadours de Koning van Aragon in een strijd met tenzonen +verklaart; die willen alleen maar hun begeerten stillen en beginnen +altijd dadelik met van de dame de hoogste gunst te verlangen, zonder +zich tot een lang, ootmoedig dienen te vernederen; en zij houden ook +dadelik op zodra hun ogenblikkelike opwelling voorbij is of wanneer +ze tegenstand ontmoeten. Maar wanneer de dame vrij tegenover de +ridder staat, en boven hem, zonder enige verplichting tegenover hem, +integendeel eigelik aan een ander gebonden, zodat elke kleine gunst +een teken van genade wordt, een offer van haar kant en wanneer een +element van werkelik toegeven van haar kant gevaar medebrengt en tot +geheimzinnigheid aanleiding geeft en tot een romanties verbergen (b.v. +het gebruik van schuilnamen),--ja, dan heeft zulk een verhouding pas wat +het van zulke groote waarde maakt voor de ontwikkeling bij de mannen van +alle goede eigenschappen, d. w. z. juist dat wat de troubadours al meer +en meer opstellen als de ware ridderlike en hoffelike liefde. + +Deze verhouding tussen een ridder of een troubadour en de voorname +getrouwde vrouw--een verhouding die over de gehele scala zich bewegen +kan van een gezelschapsspelletje of een gewone flirtage tot de diepste +hartstocht--moge onze tijd immoreel schijnen,--voor die tijd betekende +het een grote zedelike stap vooruit. Waar de mannen vroeger gewoon waren +volgens de opwelling van het ogenblik hun begeerte dan op de ene, dan op +de andere vrouw te werpen en terstond aan die lusten moesten voldoen, +werd de ridder er nu toe gebracht zich aan een enkele vrouw te wijden, +haar trouw te zijn en zijn begeerte om zo te zeggen, volgens haar +wensen, op rantsoen te zetten. De troubadour stelde zijn ware liefde op +in tegenstelling met het woest begeren,--met de »losengiers", waarmee +men oorspronkelik blijkbaar alleen de gewetenloze verleiders bedoelde, +die niets anders vragen dan een ogenblikkelik tevreden stellen der +zinnen (»hoe meer ze doen alsof ze u van ganser harte liefhebben, des +te zekerder is het er hun alleen om te doen u te onteren")--en met de +brutale echtgenoten--»op wat voor rechten tegenover hun vrouwen durven +die zich te laten voorstaan? Laat die zich zelf eens bekijken, met +baarden als bokken, vuil als raven, behaard als een beer, leder gelijk +en rimpelig als een buffel." Feitelik was de liefde der troubadours een +grote schrede in de richting van monogamie; zijn gevoelens--verzekert +hij ons--blijven trouw en zij zullen blijven duren; zelfs een +ongelukkige liefde wil hij niet verruilen voor een eenvoudig tevreden +stellen der zinnen bij een vrouw die hij niet liefheeft. En tegenover +hen welke die tedere verhouding profaneren en de naam ener vrouw +bezoedelen alleen om met hun »zegepraal" te koop te loopen, prijst de +troubadour: »discretie als een erezaak"; daarin ligt feitelik de charme +en het romantiese van de verhouding. Daarom zegt men dan ook dat de +dame zich nooit met burgerliken af moet geven; wanneer die mensen in de +herberg zitten, dan flappen ze er uit wat ze achter hun tanden moesten +houden. In tegenstelling met hen die dadelik het hoogste wensen, +verklaart de troubadour zich tevreden te stellen met beloften, met +een glimlach, met een handdruk (met »een draad van haar handschoen"), +hoogstens een kus, en wil hij slechts trapsgewijze en langzaam in de +gunst van zijn aangebedene stijgen. En het is juist hieraan--zegt +hij--dat men het verschil merkt tussen wat herderinnetjes en lichte +vrouwen bieden (garçonnières--femmes folles) en de geciviliseerde liefde +waarbij de vrouw met enige eigenwaarde, zelfs indien zij lief heeft, +hoogstens eerst na een tijdje en na een soort voorbereiding, zich +langzamerhand overgeeft, maar nooit in eens. Waar het per slot van +rekening op neerkomt, is de overweging die men in een roman vindt, +waar een dame ziet hoe veel moeilikheden een van haar aanbidders te +overwinnen heeft, voor hij zijn doel bereikt, waarop zij verklaart dat +dit niets erg is, want »had hij zonder moeite zijn doel bereikt, dan zou +de vrouw niet zo hoog bij hem aangeschreven staan:--car se sans peine +joie avoit,--de dames bon marché seroit." + +Dat is juist de kern van de zaak. De nieuwe maatschappelike »Sitte", de +nieuwe geslachtsmoraal omgeeft de geslachtseer van de vrouw met meer +bolwerken dan de naïeve zeden van vroeger gekend hadden. Haar positie +werd hierdoor niet alleen veiliger, maar ook tegelijkertijd minder vrij +dan te voren. + +In de wereld der baronnen, een maatschappij van en voor mannen, was de +vrouw geminacht en onderdrukt geweest. Daar was zij de slavin van de +man, die hem bij de maaltijd bediende en bij het toilet, die zijn haar +wies, hem bij het bad wreef en afdroogde, zijn vermoeide ledematen +masseerde en zelfs als 't nodig was het werk van een staljongen voor hem +deed. Gelijk een odaliske bediende zij hem ook met haar liefde en wij +hebben gezien, hoe zij het bijna altijd is in de volkspoëzie die de man +om liefde vraagt. De man is haar »seigneur"; als hij binnentreedt, staat +zij op, zij eet pas nà hem, hij tuchtigt haar met slagen,--in een Franse +ballade slaat de Koning de Prinses »zo dikwels met een riem dat heel +haar blanke lichaam rood zich kleurt", evenals in een Deens lied uit +de Middeleeuwen Lave Stisön zijn vrouw een leidsel met ijzeren punten +laat voelen. Aan de andere kant worden de meisjes dikwels als jongens +opgevoed, zij leren rijden, jagen, de wapens hanteren en beweegt de +vrouw zich vrij en spreekt vrijuit met de man, konventionele begrippen +over vrouwelikheid staan hun niet in de weg en naar de Chansons de geste +en het Nibelungenlied te oordelen, spreken ze en handelen ze, waar ze +macht en vrijheid hebben, vrijwel gelijk de mannen doen. + +Maar onder invloed van het Kristendom, dat de vrouwelikheid bij de vrouw +op de voorgrond bracht en in navolging van de zeden in Byzantium en het +Oosten, vormde zich nu pas, in tegenstelling ook met het idee van het +mannelike, het begrip van de vrouwelikheid en daarmede nieuw zaad voor +de plaats der vrouw in de maatschappij,--zij krijgt ook meer bescherming +aan de ene kant, maar wordt minder vrij aan de andere. Door haar +opvoeding wordt zij nu meer op de achtergrond gehouden, zij komt nu +minder in aanraking met jonge mannen en haar wordt meer dan vroeger een +schoone, fiere terughouding ingeprent. Als jong meisje ziet men haar op +de grote kastelen slechts uiterst zelden--Siegfried was meer dan een +jaar aan het hof te Worms, voor hij een glimp van de vorstendochter +Krimhilde te zien kreeg, om wie hij daarheen getrokken was--; en in elk +geval is zij altijd van een duenna vergezeld, en ook als jonge vrouw is +zij altijd met een dame van gezelschap en loopt zij op Oosterse wijze in +een mantel gehuld en de handen verborgen; en men heeft haar geleerd niet +naar de mensen om te zien en de mannen niet vast in de ogen te kijken, +nooit met onbekenden te spreken en over 't algemeen trots en kortaf +te zijn, »niet uit hoogmoed, maar om de kwaadwilligen op een afstand +te houden". Een vrouw die bemind wil worden--zegt een Provençaals +leerdicht--moet zich gedragen gelijk een ridder een havik op zijn hand +houdt, zo voorzichtig dat hem geen veertje gedeerd wordt. Het voorbeeld +van een eerbare vrouw is Maria, zoals die op de Madonnabeelden en in de +Marialegenden wordt voorgesteld. Zij liep zo schoon en rechtop--zeggen +reeds oude Marialegenden--met het hoofd licht gebogen; nooit keek zij om +of groette zij man of vrouw.--Zulk een afzondering en afsluiting van het +geslacht wekt altijd de nieuwsgierigheid op, maakt voor beide partijen +de aantrekkingskracht der liefde groter en het liefdegevoel fijner en +sterker. Tussen de geslachten komt zo het romantiese van het op een +afstand-zijn; het verlangen van Siegfried naar de onbekende schone wordt +grooter met de moeilijkheden om met haar in aanraking te komen en +Krimhilde bloost in het vrouwenvertrek, terwijl zij ieder uithoort over +de vreemde ridder, over wie zij aan het hof van haar broeders zo veel +heeft horen vertellen. En hoe meer »verhinderingen" de schuchterheid +der vrouw, of haar opvoeding, of de maatschappelike begrippen van wat +al of niet past, of wat de voorzichtigheid bij het huwelik gebiedt, de +begeerte van de man in de weg doen staan,--hoe meer »tussen-stadia" +van kleine, geleidelik stijgende gunstbewijzen er komen tussen het +opwekken van de begeerte en de bevrediging ervan, des te meer wordt het +liefdeleven voor beide partijen gecompliceerder natuurlik, maar ook +verfijnder. + + * * * * * + +De opvatting der troubadours over de liefde, zoals die nu, naar wat +wij gezien hebben, uit de gehele atmosfeer aan de Franse hoven was +ontstaan, werd nu niet alleen versterkt, maar kreeg ook een geheel +nieuwe kleur door de lektuur van het oude leerboek van Ovidius over de +»Minnekunst"--de Ars Amandi--een werk dat met de grootste attentie en +ijver door de gehele Middeleeuwen gelezen werd als een school voor de +fijnste en rijpste Levenskunst der antieke kultuur. + +Een aestetiese lekkerbek en libertijn leert in dit gedicht de viveurs en +de lichte vrouwen van Rome--meestal getrouwde vrouwen bij de volkomen +gedesorganiseerde familieverhoudingen van de tijd--hoe de min tot een +kunst gemaakt kan worden, zodat er zo veel mogelik zinnelik en geestelik +genot van te halen valt,--hoe die van een eenvoudig ruw paren worden +kan tot een hoog zinnengenot zowel als een sympatiek behagen en een +prikkeling van de fantasie,--hoe die tot een »roman" kan worden, een +spel voor alle zielekrachten. Ongelofelik cynies is in dit opzicht +wat Ovidius leert. De mannen vertelt hij hoe altijd het grootste +genot daar in steekt om de vrouw van een ander te beminnen,--ongewoon +eten smaakt nu eenmaal 't best en de moeielikheden, de risico en het +ongepermitteerde maakt het genot des te pikanter,--hoe ze in 't geheim +te werk moeten gaan, de dienstmaagd als tussenpersoon moeten gebruiken +en moeten leren te vleien, om te kopen en geschenken te geven,--hij kent +allerlei foefjes hoe men zich royaal kan voordoen, zonder eigelik veel +op te dokken. Door er bleek en mager uit te zien en het hoofd te laten +hangen, moet men de schone aan het verstand brengen dat men van verdriet +verkwijnt; met sprekende blikken en heimelike brieven moet men haar +belegeren--de Liefde is een soort oorlog en men moet vol weten te houden +en geen moeite schuwen. Men moet haar luimen volgen, tot alle diensten +bereid zijn, haar schoenen uit willen trekken, of een spiegel voor +haar ophouden; alle moeite, alle gevaren, alle uitstel moet men als +kruiderijen beschouwen die, wanneer het eindelik komt, het genot van het +bezit slechts verhogen. En men moet er zich in schikken haar gunst met +andere te delen en het oog sluiten voor wat men vlak voor zijn neus ziet +gebeuren; alleen kan het zo nu en dan zijn nut hebben zelf eens de +schijn van trouweloosheid op zich te laden, om haar ijverzucht op te +wekken. + +Maar ook de Romeinse vrouw krijgt dergelijke voorschriften van +Ovidius te horen: hoe zij de zorgvuldigste bewaking kan ontduiken... +hoe zij moet zorgen er knap uit te zien... hoe zij door allerlei +kleine koketterietjes de man tot zich moet trekken en daarna door +een glimlachje of een knikje of een handdruk het vuurtje moet laten +gloeien, maar haar aanbidder toch zo lang mogelik op een afstand moet +houden--haar waar op prijs moet stellen en de waarde van haar liefde +moet verhogen door zich te laten smeken, hoe zij moeilikheden op moet +werpen en de minnaar steeds angst voor haar man moet laten voelen, +altijd moet trachten uit te stellen en hoe zij, zelfs als zij zich +overgeeft, op het ogenblik zelf dat zij zich laat omhelzen, dit niet +moet doen zonder een schijn van weigeren en van tegenspartelen. + +En al die geraffineerd-verderfelike opvattingen goten zich in de +liefdeleer der troubadours uit,--in de onschuld huns harten namen zij +die wijsheid van de oude klerk Ovidius als een boek van wereldlike +sermoenen in zich op. Veel van al dat verderfelike werd bijna weer rein +en onschuldig toen zij het in hun naïef, rein gemoed opnamen; maar van +meet af werd de erotiese troubadour-poëzie en de ridderromantiek toch +gemengd met een niet geringe dosis van Ovidiaans Epikurisme en cynisme. +Bij alle troubadours, zelfs bij zulk een weinig geleerd man als +Guillaume van Poitou, treft men talrijke reminiscenties van Ovidius. +De lezer van wat voorafgaat heeft vele trekjes in de liederen der +troubadours kunnen herkennen als aan de »Ars Amandi" van Ovidius +ontleend: Bernard de Ventadour, zagen wij, wilde op zijn blote knieën de +schoen van zijn dame uit mogen trekken, Peire Rogier de misstappen van +de zijne niet geloven, al zag hij het met zijn eigen ogen. Terwijl het +voor Ovidius nog maar een verleidings-kunstgreepje was om er bleek +en uitgeteerd uit te zien, werd het voor de troubadours een kwestie +van geloof: de ware minnaar ziet er bleek en slecht uit, en hij die +ongelukkig een rode gelaatskleur heeft, maakt allerlei excuses en +verklaart dat de gloed die onder de as smeult het sterkst brandt. Van +nog groter belang was het dogma dat de liefde geheim gehouden moet +worden, niet alleen wegens de echtgenoot, maar ook met het oog op de +lasteraars en ook omdat--zo als Salomo leert--»de gesloten wateren zijn +zoet en 't verborgen brood is liefelijk." Wij hebben samenspraken--op +het voetspoor van Ovidius--tussen de troubadour en de dienstmaagd van de +schone en het meisje raadt hem aan, ook als in Ovidius, zich in al haar +grillen te schikken. Plichtschuldig passen de troubadours ook nu en dan +het keukenmiddeltje van Ovidius toe, om zich trouweloos voor te doen +ten einde de schone jaloers te maken; maar daarbij verrekenen zij zich +tegenover de hoge dames en ze moeten er hard voor boeten: slechts op het +aandringen van andere dames werd Pons da Capdueil weer door de Vrouwe +van Mercoeur in genade aangenomen, en van Guillem van Balaun verlangde +de vertoornde schone dat hij de diepte van zijn gevoel zou tonen door +de nagel van een zijner vingers te snijden en haar die met een passend +huldegedicht aan te bieden.--Zulke regelen voor de koketterie vatten de +dames vromelik op als een uitdrukking van de fijnste, meest echte +vrouwelikheid. + +De minnekunst van Ovidius was nog meer geraffineerd en gesubtiliseerd +geworden in de erotiese literatuur van de uitloopers der antieken. Bij +de Sofisten en in de scholen der rhetoren werden alle kentekenen en de +werking der liefde spitsvondig besproken--hoe de echte minnaar zich +in die en die situatie gedraagt--aan welke van de twee geliefden de +voorkeur te geven is, enz. In de Griekse romans van het einde der +oudheid trof men dergelijke subtiele discussies ook weer aan. En door +de gehele middeleeuwen heen kunnen wij ze volgen als tema voor de +gesprekken in alle geestelike kringen. Nu komen ze weer in de tenzonen +der troubadours te voorschijn. Een van hun twistpunten, n.l. welke van +haar aanbidders een vrouw het meeste heeft begunstigd: hem die zij een +blik heeft toegeworpen, een ander die zij op de voet heeft getrapt of +een derde wie zij haar hand heeft gegeven,--is reeds in een Griekse +roman gevonden, en de verhandeling van een Latijns rhetor, evenals een +passage in het 6de hoofdstuk der Spreuken van Salomo door een foutieve +lezing ook een bijdrage heeft geleverd. + +Ook voor de psychologie der liefde is er in Ovidius en de antieke +poëzie menige bijdrage voor de troubadours te vinden. Heel wat van de +beeldspraak die het plotseling ontstaan der liefde en haar merkwaardige +macht verklaren moeten, schijnen van het ene land naar het andere +getrokken te zijn. Dat die liefde b.v. een vlam is die plotseling +oplaait, of dat de blikken der schone als pijlen de ogen van de +aanbidders doorboren en zijn hart wonden. »Dit meisje is als een +jager--heet het in de Indiese hoflyriek--haar wenkbrauw is de boog +die zij spant, haar zijdelingse blik is als de pijl. Mijn hart is +de Antilope die zij treft". Volgens de Phaedrus van Plato zijn de +Anacreontici, de dichters uit de Alexandrijnse periode en de Griekse +romans vol van beelden over de blik die als een pijl door het glas der +ogen het hart wondt. En uit die werken gaan ze in de middeleeuwse +kerkelike verhandelingen over: »De ogen", lezen wij in zulk een stuk +van ongeveer 1100, »zijn de boodschappers van de losbandigheid. De ziel +wordt door de ogen gevangen; door hen dringt de liefdepijl het hart +binnen"; en in Latijnse gedichten twisten het oog en het hart er om, wie +van de twee de schuld is van de zonde der mensen. Of wel: de minnaar en +zijn hart worden door de oude dichters voorgesteld als gevangen en aan +banden gelegd; Amor heeft hem geschoten of is naar binnen geslopen en +heeft zijn hart geroofd en speelt er nu mee als met een bal. Al die +beeldspraak vindt men bij de troubadours terug, soms met een licht +middeleeuws tintje, als wanneer er eerst een boodschap naar de +Harte-burcht gestuurd wordt en vol vertrouwen wordt die nu voor de +vijand geopend,--maar nu kunnen ze er die niet meer uit krijgen. +Aangezien »Amor" in 't Provençaals vrouwelik is, smolt de God der +liefde Amor, bij de troubadours samen met de godin der liefde Venus. +In de klassieke literatuur zijn er schilderingen van het slot en de +tuin van Venus te vinden (bij Claudianus) en van haar zelf waar zij +op een rechtsgeding het liefdepleit beslist en het oordeel uitspreekt +(Pervigilium Veneris). En in overeenstemming met deze en dergelijke +middeleeuws-teologiese allegoriën schilderden de troubadours het Slot +der Liefde, met zijn verschillende poorten en trappen en zalen--alles +met een bepaalde allegoriese betekenis--en de Godin der Liefde zelf met +een kroon van goud en pijlen van goud en lood. Een hele beeldspraak en +mythologie der liefde is op die manier van de oudheid via de troubadours +en Petrarca als staande uitdrukkingen in de moderne lyriek der +minneliederen overgegaan. + +Meer psykologies schilderen de klassieken de liefde als een ziekte. De +minnaar mist alle eetlust, wentelt zich slapeloos op zijn legerstede +heen en weer; koortsachtig wisselen bleek en rood op zijn wangen af, +warm en koud, opgeruimdheid en neerslachtigheid in zijn rusteloos +binnenste. Zo schilderen Propertius in zijn Elegiën en Ovidius in zijn +Amores, de hartstocht; zo wordt ook in de Griekse romans de verliefdheid +van de jongeling aangegeven en die van Dido bij Virgilius. En het +ongewone en het onbegrijpelike van het liefdeleven wordt door dichters +en rhetoren breed uitgemeten; hoe het beeld van de geliefde in het hart +van de minnaar nederdaalt of hoe de beide geliefden elkaar hun hart +geschonken hebben en zo elk van de beide de ander letterlik in verre +landen met zich mede draagt; hoe de minnaar als de mug is die om de vlam +fladdert, ofschoon hij zich voortdurend brandt, of haar schoonheid hem +als een magneet steeds tot zich trekt.--Al zulke motieven gaan ook in +de troubadours-poëzie over. In een rijmbrief aan zijn geliefde vertelt +Arnaut de Marueil in alle bizonderheden hoe hij 's nachts op zijn +sponde ligt te woelen, het dek van zich af gooit, op staat maar toch +weer gaat liggen... en hoe hij overdag buiten zich zelf rond loopt, de +mensen niet groet en niet antwoordt, niet wetend waar hij is of wat hij +doen zal. Zo leert de troubadour van de klassieken te trachten zich zelf +gade te slaan en te vertellen wat er in zijn ziel omgaat. En de naïeve +blik van de Middeleeuwen wordt duizelig en raakt heelemaal in de war als +hij die innerlike wereld leert kennen, waar alles zo heel anders toegaat +dan in de tastbare buitenwereld. De fantasie der Middeleeuwen, geheel +vervuld van de kristelike mysteriën, van de merkwaardige stenen en +dieren waar reizigers uit het Oosten of schrijvers van de boeken over +de onnatuurlike natuurlike historie over wisten te vertellen, vindt +in de liefde een nieuwe wereld van wonderen. En nu tracht men de +Alexandrijnse Neoplatonici in uitvoerigheid bij de schildering van de +wonderen der Liefde te overtreffen. Gelijk de maagd Maria zwanger werd +zonder dat haar jonkvrouwelike schoot geopend was, zo glijdt het beeld +van de geliefde dwars door de ongebroken ruiten van het oog in het hart. +De koude van haar ijs steekt zijn ziel in brand, gelijk men immers +brandend vuur uit het kristal krijgen kan dat uit de koude sneeuw +gevormd is. Gelijk de salamander, leeft de minnaar midden in de vlam +der liefde, gelijk het goud, wordt hij daarin gelouterd en gelijk de +basilisk van vreugde sterft, wanneer die zijn eigen spiegelbeeld ziet, +zo is met hem gedaan wanneer hij zich zelf in de spiegel van haar +blik verliest. De liefde maakt overmoedig en bang, trots en gedwee, +verstandig en dwaas; de minnaar lijdt, maar de pijn is hem zoet; hij is +ziek maar hij wil niet gezond worden; gevangen, maar hij wil niet vrij +zijn.-- + +Dit alles stamt in de minneliederen der troubadours uit de antieke +kultuur. Maar deze volkomen naturalistiese conceptie van de liefde +is toch bij de troubadours doortrokken van een geheel daaraan +tegenovergestelde moreel-religieuse opvatting, die met de gehele +dwepende gevoelsreligiositeit samenhangt die wij in het Europa van de +11de en 12de eeuw hebben zien opkomen. + +Bewust staat de troubadourspoëzie in dezelfde verhouding tegenover +de godsdienst als de Sirventes tegenover de Kerk. De zanger zal ons +vertellen dat, als hij God maar half zo trouw was als aan zijn Dame, hij +zeker van het Paradijs zou zijn. Na haar dood is hij overtuigd dat zij +daar tronen zal, door rozen en leliën omgeven en door de Engelen met +hymnen begroet, »want dàt weten wij toch: wie de wereld prijst, prijst +ook God". Midden in een lied op de kruistochten zal de troubadour +erkennen dat hij, wat hèm zelf betreft, geen moed heeft zijn schone dame +te verlaten, en een ander, die werkelik zich heeft weten los te rukken, +zingt dat God zich wel zeer zal mogen verbazen en hem bizonder dankbaar +moet zijn dat hij om Zijnentwil dat besluit heeft kunnen nemen en +uitvoeren. En het erotiese leven der ridders stoort zich al bitter +weinig aan de kerk en haar moraal. Wanneer de bisschop van Angoulême +graaf Guillaume van Poitou een opmerking maakt over zijn uitspattingen, +wordt hij vrij cynies op zijn plaats gezet. + +Maar per slot van rekening zijn de minneliederen der troubadours diep +doordrongen van Kristelikheid. Evenals Ovidius de liefde als een kunst +leerde uit te oefenen en daar praktiese regels voor gaf, zo had het +Kristendom zich aangewend, alles in het leven aan een morele behandeling +te onderwerpen. Voor de ware kristelike opvatting mocht niets natuur +zijn en zijn natuurlik leven leiden, alles werd van uit het standpunt +beschouwd van deugd of ondeugd, en werd geschoold, gedresseerd volgens +de idealen der moraal. Zo werd ook de liefde door de geestelik gevormden +onder de troubadours tot een morele plicht gemaakt en een deugd en werd +die gevormd en gekleurd in de kristelike geest. + +Wel is waar was er ook voor de Kerk een gapende afgrond tussen de +kristelike caritas en de amor dei aan de ene kant en de voluptas of +libido, de geslachtsliefde, aan de andere. Maar dat er in alle hogere +liefde een machtig element zit van die zelfopoffering en van een zich +met alle gevoelens geven,--iets dat voor de religie der liefde als +het eerste en het hoogste staat wat men in de mens wekken moet, dat +kan door geen theologie weggecijferd worden. En overal waar het +gevoel in het Kristendom op de voorgrond komt, zoals juist bij de +sentimenteel-smachtende richting in de tijd der kruistochten, sprak daar +de kristelike »amor" een taal, zeer verwant met die van de troubadours +wanneer die het over hùn »amor" hadden. Wanneer men bij een van de +kerkvaders zinnen leest als deze: »Niemand kan zalig zijn zonder liefde. +Diè mens is het onzaligste die tenminste niet iets bemint, buiten +zichzelf. De ware manier van beminnen is liefhebben zonder mate. Hij +die liefheeft, voelt geen moeite of heeft die moeite zelfs lief. Hij die +liefheeft, niet hij, die niet liefheeft zal beloond worden"--dan kon dit +alles even goed uit de liederen der troubadours bijeen gehaald zijn. Bij +Bernhard van Clairvaux en de Kloosterschool van de H. Victor bij Parijs +en soortgelijke Duitse mystici was de liefde tot de naaste een schrede +tot de liefde Gods en deze »Gottesminne" werd in gloeiende kleuren en +smachtende tonen geschilderd die dikwels uit de zeer aardse liefdepoëzie +van Salomo's Hooglied genomen was. Aan de andere kant verheft de +troubadour zijn aardse liefde tot een half-religieuse extase: hij +vergeet de gehele wereld in haar zoete blik, hij is dronken, niet van +wijn maar van liefde--zo zingt ook een Spaans-Arabiese troubadour--de +glimlach van mijn geliefde maakt mij gelukkiger dan als vierhonderd +engelen mij toegelachen hadden; als ik het schone lichaam van mijn +geliefde zie, geloof ik God zelf te zien en omgekeerd: Wanneer ik in de +kerk bid, zie ik U voor mij. + +Gelijk de liefde van de Kristen voor God er een is van beneden naar +boven, vol van vrees en beven, vol van onderwerping en ootmoedige +aanbidding, zo is het ook met die van de troubadour tot zijn Dame. +Even verschillend van de antieke liefde van Hero en Leander of +Daphnis en Chloë of van de Germaanse opvatting als van die van +Sigurd en Brynhilde--twee geliefden die als gelijken tegenover elkaar +staan,--dwingt de liefde in de minne-poëzie der troubadours de man op +zijn knieën, de vrouw dienende en haar aanbiddend,--tegenover de trots +afwijzende of genadig nederbuigende vrouw, presies gelijk de Kerk de +krijgsman, de baron, op de knieën dwong voor de gekruisigde zoon van +de timmerman en de Moedermaagd. Evenals de Kristen, gelijk wij in het +tweede hoofdstuk zagen, bevend en schuldbewust, met gebogen hoofd voor +God staat en slechts hij die vreze voelt gered kan worden, zo zingt de +troubadour: »hij die geen vreze voelt, heeft niet uit heel zijn harte +lief" en vertelt hoe hij angstig en bevend in de tegenwoordigheid staat +van zijn aangebedene en hoe hij de blik niet op waagt te heffen of +zijn liefde uit te stamelen. Het is de minnaar een genot zich klein te +voelen: tegen over de geliefde is hij als een kind, wiens grootste +verdriet is van de moeder weggenomen te worden, een kind dat de roede +vreest; »ik moet voor haar staan en op mijn vreugde wachten, gelijk de +kleine vogeltjes op de dag wachten," zegt een Duits minnezanger. Het is +hem, als de kristen, een genot zich te vernederen. »Met gevouwen handen, +met een touw om de hals en met een bevangen hart bid ik U om genade, +o goede, genadige Vrouwe! en bid ik God van wie alles komt, om +barmhartigheid in uw ziel te storten." »Gij kunt mij verkopen of +wegschenken of mij doden,--ik ben helemaal uw eigendom." Evenzo noemen +de heiligen der Kerk zich »de slaven Christi" en als die het water +drinken waarin zij de melaatsen gebaad hebben, is dit een uiting van +dezelfde perversiteit die zich in een zachte vorm vertoont waar een +Duits minnezanger de kom leeg drinkt waarin de aangebedene haar handen +gewassen heeft. Maar waar de vrouw der Middeleeuwen lief heeft, komt +diezelfde drang tot zelfvernedering te voorschijn. Heloïse schrijft aan +Abélard: »Ofschoon de naam van echtgenote heilig heet en meer bindend, +is het mij toch altijd zaliger uw geliefde genoemd te worden, of als gij +niet boos wordt, uw boel of uw bijzit, zodat mij als ik mij zo voor u +verootmoedig, ook groter tederheid van u ten deel zal vallen... Mij zou +het dierbaarder zijn en een groter eer uw deern genoemd te worden dan de +Keizerin van Augustus." Een en ander hieruit is misschien genomen uit +de brief van Briseis aan Achilles in de Heroides van Ovidius, maar het +gevoel is echt middeleeuws overspannen. In de middeleeuwen kende men de +schone gelijkheid tussen de twee mensen niet; lief te hebben is knielen +en aanbidden. »Meesteres! ik vouw mijne handen en aanbid u," barst +Bernard de Ventadour uit. + +Wat de liefde der troubadours vooral op verschillende wijzen gekleurd +heeft, is de sterk zich ontwikkelende Mariaverering, evenals die +omgekeerd ook onder de invloed der troubadours staat. Gelijk Maria in +de hymnen, wordt in hun minneliederen de Vrouw verheerlikt als de bron +van alle schoonheid en goedheid, als de Kamer der Vreugde, het Schrijn +der Eer, de Welriekende Bloem en wat dies meer zij. Ook het +schoonheidsideaal heeft trekken aan de Mariabeelden ontleend. + +Van de Minnaar, gelijk van de Kristen, wordt strijd geëist, +zelfverlochening en lijden, voordat hij gehoor verdient te krijgen op +zijn smeken. Reeds Ovidius wilde het genot kruiden door tegenspoed en +beproevingen. Voor de ridder was het bovendien altijd aanlokkend, hoe +groter gevaar, hoe meer moeilikheden waren er met de liefde verbonden; +een ridder--heet het--moet vóór alles »paresse" ontgaan en strijd en +beproevingen zoeken. Nu wordt er in de kristelike geest verkondigd dat +de minnaar gelouterd moet worden en dat lijden de liefde dieper doet +worden. Het is uit het boek van Job of uit het »boek der wijsheid" van +Salomo, dat de troubadours het beeld hebben van het goud dat in het vuur +gelouterd wordt. Zij voelen zich als de martelaars der liefde, genieten +van hun ontbering en hun tegenspoeden en rekenen zich dit als een +verdienste aan; met Bernard de Ventadour zeggen ze: »Weinig heeft hij +lief die zich niet aan zwaarmoedigheid overgeeft. De schone tranen der +liefde zijn meer waard dan haar glimlach. Mijn wee is mij een zoete +pijn." Dit is het zuivere ascetiese sentimentalisme. + +Gelijk de Kristen eindelik zich op de beproeving verheugt, daar zijn +verdienste in vindt, weet dat die een pant is voor een latere beloning, +zo ook de liefhebbende minnaar. Door zijn liefdesmart verdient de +minnaar de dank van »Merce",--de genade. Als de Madonna moet zijn Dame +zich ten slotte in barmhartigheid tot hem nederbuigen. + + + + +IX. + +GEESTELIKE ROMANS. + + +Terwijl de Ridderlyriek zich zo aan de hoven van Zuid-Frankrijk +ontwikkelde, ontstond de Ridderroman langzamerhand uit de sosiale +en geestelike tijdsomstandigheden. Zijn voorganger is een Latijnse +vertellings-literatuur die in de wereld der geesteliken opbloeit en +ontstaat uit de kristelike sentimentaliteit en uit de overdreven +avontuurlike fantasie van de tijd. + +In de kloosters leefden toch de geestelik het meest op de voorgrond +tredende mensen van hun tijd,--met de beste vorming en de grootste +leeslust, mensen met alle tijd tot hun beschikking, van de +morgengodsdienst tot de middag, tussen vesper en de kompleten en met +genoeg volharding in zich om grote uitgebreide folianten te schrijven. +Geheel de lange, stille dag werd er in de scriptoria en de cellen het +ene gele blad na het andere omgeslagen en kraste de ganzeveder over +het perkament. Op de boekenplanken in de leeszaal stonden de Heilige +Schrift, de kerkvaders en de legenden naast kronieken van Franse en +Duitse monniken, elk met _hun_ historie en met alles wat de wijze +klerken van Rome nagelaten hadden,--ja! zelfs kon men er vertalingen +van Griekse romans vinden of van de Oosterse wijsheid der ongelovige +Muzelmannen. Zij die Latijn lazen en schreven, hadden toegang tot al +de schatten van het menselik weten, en bronnen van onder elkaar wijd +verschillende wereldstreken en tijden--Keltiese Arthur-legenden en +Griekse liefdesgeschiedenisjes, Oosterse anekdoten en Frankiese +heldendichten--vloden nu in de tijd der kruistochten samen in de +Latijnse folianten der monniken tot een algemene Europese literatuur. +Zo kreeg de leeshonger en de dorst naar het fantastiese in het saaie +kloosterleven een bonte massa stof om op te teren. Ook langs mondelinge +weg kwam menige echo uit de buitenwereld naar binnen en werd trouw en +dankbaar opgetekend. Kloosterbroeders, teruggekeerd van de tochten +waarop zij uitgezonden waren, werden nieuwsgierig over alles +uitgevraagd, ook pelgrims kwamen terug van hun reizen, propvol van +indrukken en verhalen, menige ridder zocht op zijn oude dag een +toevlucht in het klooster en had dan veel van zijn avonturen te +vertellen, toen hij nog in 't volle leven verkeerde, verscheidene +kloosters waren ook eigelik niets anders dan een soort herberg waar +voortdurend de hoge heren met hun gevolg aan kwamen zetten. Aan de +andere kant gaat ook de geestelikheid de wereld meer en meer in, om die +door macht zo wel als door een sentimenteel-dwepend opruien te kunnen +beheersen. Onder dit alles zien wij de kronieken en legenden der +monniken levendiger worden en meer door menselike gevoelens bewogen, +maar door de fantasie gekleurd, meer roman-achtig en ze komen er nu +zelfs toe hele profane Latijnse romans te schrijven. + +In plaats van vervelende droge annalen, die met even weinig geest als +gevoel, jaar na jaar de gebeurtenissen aanstippen--zonder samenhang, +zonder détails, zonder enige aandoening--groot en klein door elkander, +alles wat de annalist maar ter ore komt,--beginnen in veel dier +kronieken personen op de voorgrond te treden, gebeurtenissen worden in +dramatiese scènes weergegeven en tot geschiedenissen aaneengeregen en +de kroniekschrijver tracht deelneming te wekken, de spanning gaande te +houden en aandoening te weeg te brengen; hij kleurt en idealiseert de +geschiedenis, romantiseert, en sentimentaliseert die. In de schildering +door een geestelike uit Mainz van het leven van Hendrik IV, zien +wij b.v. de scène op de Rijksdag van Mainz waar de zoon des keizers +met gehuicheld berouw zich voor de voeten van zijn vader werpt. +De vader die zijn zoon's woorden en tranen maar al te graag +geloofde, viel hem om zijn hals, weende en kuste hem en was even blijde +als die andere vader in het Evangelie dat zijn zoon die gestorven was, +weer opstond en zo de verlorene weer terug gevonden was. In 't kort, hij +vergaf hem en schonk hem al zijn straf kwijt en zijn zoon met zachte +vaderlike vermaningen terecht te wijzen scheen hem een voldoende straf +voor zijn misdaad, want gelijk de blijspeldichter zegt: »een kleine +boetedoening is den vader voldoende voor de grote misdaad van zijn +zoon." Op die wijze ziet men die historiese scène geheel en al in +het licht van de terugkeer van de verloren zoon en van de scène bij +Terentius waar de oude vader zijn ongehoorzame zoon vergeeft; in het +licht van kristelike sentimentaliteit en antiek humanisme wordt de +scène er als één uit een roman. Even romanesk is de kroniek van de +Normandische monnik Ordericus Vitalis over de Normandiese vorsten. Het +is overal de gewone menselike kant en de anekdotiese scènes die hij +het liefst op de voorgrond zet; met bewondering schetst hij de statige +Normandiese groten met hun prachtige feesten en schildert hij de +familietwist tusschen Willem de Veroveraar en zijn zoon met de bijbelse +kleuren van David en Absalon. Volkomen als een historiese roman vormt +zich eindelik grotendeels de »Historie der Britten" van de Engelse +klerk Geoffrey van Monmouth. (c. 1135) Op het voorbeeld van de Romeinse +geschiedschrijvers, dicht de fantasie-rijke Brit uit Wales er op los: +brieven en redevoeringen en alles zet hij in een retoriese stijl en hij +schildert koninklike bruilofts- en kroningsfeesten, kerkelike ceremoniën +en vrouwen met een huid, witter dan ivoor en pasgevallen sneeuw. Koning +Uther wordt bij een banket op de gemalin van een zijner leenmannen +verliefd en verteert van liefde, totdat Merlijn, de fantastiese tovenaar +hem aan haar sponde brengt in de gedaante van haar gemaal--evenals +Mercurius Jupiter bij de echtgenote van Amfitruo bracht. Koning Lear +staat zijn rijk aan zijn dochters af en krijgt bitter hun ondankbaarheid +te voelen. Een moeder verzoent twee twistende broeders--gelijk Iokaste +tracht Eteocles en Polynices bij elkaar te brengen. Koning Arthur +vervolgt een reus die de jonge Helena geschaakt heeft en het +samentreffen met die reus herinnert in allerlei opzichten aan de strijd +van Hercules met Cacus, de zoon van Vulcanus. De 11000 schone Britse +vrouwen die schipbreuk lijden en in de handen van een wilde roverbende +vallen, zijn ongetwijfeld verwant aan de H. Ursula en de 11000 Britse +maagden die volgens de legende te Keulen de marteldood stierven. Zo +spookt ook in de fantasie van deze vindingrijke Keltiese monnik die +gehele massa stof rond waar de overlevering en de bonte boekenschat in +de kloosterbiblioteken van Wales hem mede hebben gevuld. + +Maar die romantiese kronieken--die van onze Deense Saxo is een +van de prachtigste exemplaren van het soort--zouden niet achter de +kloostermuren blijven. De ridderhoven smachtten gewoon naar amusante +verhalen. Dat Geoffrey van Monmouth zijn »Historia Regum Britanniae" +schreef, is waarschijnlik aan de uitnodiging daartoe te danken door de +aartsdiaken van Oxford, van een Engelse prinses, en kort daarna begonnen +ook verscheidene Normandiese geesteliken--gelijk er zo vele aan de hoven +leefden als sekretaris of gouverneur bij jonge kinderen--het Latijn van +Galfridus in Franse berijmde verzen over te zetten, naar het schijnt op +verzoek van vorstelike Engelse dames. En gelijk een van die bewerkers, +Mester Wace, verklaart, kon men nu op die manier op alle ridderkastelen +die kronieken bij feestelike gelegenheden voorlezen, als eens een +afwisseling voor die eeuwige heldengedichten. Zulke rijmkronieken,--Wace +zowel als Gaimar, de andere bewerker van Geoffrey, hadden ook oude +Latijnse kronieken in Franse verzen vertaald--missen de deftige +retoriese stijl van de voorgangers, beschrijven de kampstrijden en +feesten der Ridderwereld met trekken en kleuren daaraan ontleend in +nog groter détail en--iets waar Gaimar uitdrukkelik opmerkzaam op +maakt--vergeten niet 's konings privaatleven en zijn +liefdegeschiedenissen breedvoerig uit te meten. + +Vroeger dan deze rijmkronieken valt de Duitse »Keizerkroniek", in Duitse +verzen ongeveer 1135 waarschijnlik door een klerk aan het hof van Hertog +Hendrik de Trotse te Regensburg geschreven. Die is geheel en al van uit +een geestelik standpunt en voor een geestelik publiek opgesteld, maar +overal zijn er romantiese episodes en kleine novellen ingevlochten--met +de stof van de Romeinse geschiedschrijvers, van Duitse heldensagen, +legenden en Oosterse vertellingen. Daar hebben wij b.v. de geschiedenis +van Tarquinius en Lucretia geheel als een ridderhistorie: Vorst +Collatinus leeft in een gelukkige echt met Lucretia maar rijdt toch +dikwels in 't geheim naar Viterbo waar men toernooien houdt en vele +hoofse dames wonen. De dames van Viterbo volgen de spelen van de muren +af en de Romeinse ridders trachten zich zo goed mogelik voor te doen; +in de pauses gaan ze met de schonen een praatje maken die het gesprek +snedig en gevat blijken te kunnen voeren. Een van hen vraagt een ridder +of hij liever de volgende nacht bij de schoonste vrouw zou willen +doorbrengen of de volgende dag met de dapperste ridder vechten, en de +ridder weet, zeer voorzichtig en galant zijn antwoord zo in te richten +dat hij noch laf lijkt, noch onverschillig voor vrouwengunst. Of +wij krijgen de geschiedenis van Crescentia, half legende, half een +Grieks-Oosterse vertelling, naar het schijnt. Het is over een onschuldig +belasterde Keizerin die verstoten is en een zwervend leven leidt vol +avonturen, steeds door het noodlot vervolgd, maar die door bijstand uit +de hemel per slot van rekening weer in eer en aanzien hersteld wordt. De +stichtelike legendentoon doet ons zien dat wij ons in een geestelike +atmosfeer bevinden, maar allerlei amusante détails tonen dat de klerk +hier bij de speelman in de leer is gegaan. + +In hun honger naar vertellingsstof versmaadden de klerken ook niet de +nationale heldendichten ter hand te nemen en die tot kronieken te +latiniseren of tot een stukje Virgiliaanse epiek. Er kwamen op die +manier hoogst merkwaardige produkten tot stand. In het klooster te +St. Gallen zat er reeds in de 10de eeuw een jong geestelike die als +Latijnse stijloefening een der schoonste Duitse heldendichten--dat +van Walther en Hildegunde--tot een Latijns epos in hexameters omwerkte +met zinswendingen en vergelijkingen in de trant van Virgilius, zowel +als geestelik-vrome uitbarstingen in de wild-barbaarse, heroiese poëzie +van het gedicht ingeweven. Op dezelfde manier had in diezelfde eeuw een +Franse monnik de heldendichten uit de cyclus van Karel de Grote tot een +Latijns gedicht in een hoogdravende, duistere retoriese stijl omgewerkt. +In de zogenaamde kroniek van Turpijn (begin van de 12de eeuw) zijn +verschillende »chansons de geste" tot een poëties gestemd Latijns stuk +proza omgewerkt; meer dan bij schilderingen van strijd en fiere helden, +blijft het verhaal stilstaan bij de Majesteit van Keizer Karel en zijn +hof te Aken of bij allerlei hemelse mirakelen en aardse wonderen en in +'t algemeen is de toon kristelik-sentimenteel en religieus-fanaties. Een +vermakelike metamorfose heeft het Rolandslied ondergaan, dat door een +zekere priester Konraad aan het hof van de Beierse hertog Hendrik de +Trotse in het Latijn is vertaald en daarna weer in Duitse verzen werd +omgezet. Nergens kan men zo goed als hier het verschil in geest en toon +bestuderen tussen nationaal heldendicht en geestelike rijmkroniek: de +geleidelik en breed vloeiende vertellingsstijl van de laatste die niets +overslaat, niets op de voorgrond schuift; de uitvoerige beschrijvingen +der kostumes en ceremoniën, de lange redeneringen, steeds weer de +mirakelen, het verlangen der Paladijnen naar het hemelrijk en de +martelaarskroon--alles zo geheel anders dan wat in de sfeer van de +»Chanson de Roland" thuis hoort. + +Zelfs waagden ze het enkele gedeelten uit de bijbel tot romantiese, +roerende en onderhoudende vertellingen om te werken, eerst in Latijnse +verzen, tot stichting der geesteliken zelf, later in de volkstaal om +het publiek van de kermissen zowel als van de kastelen tot de lezing van +vrome lektuur te brengen, in plaats van een geschiedenis als Tristan en +Isolde of van het Chanson de Roland. Een Engels geestelike vertelt, in +de 12de eeuw, hoe de speellieden de hoorders tot tranen toe bewogen, +door van de ongelukken te vertellen die de edele held Artus of Gauvain +vervolgden, maar hij vindt dat men bij het voordragen van Christi +lijdensgeschiedenis veel meer tranen zou moeten storten. Daarom prijst +Ordericus Vitalis ook een geestelike die in de kapel van een Engelse +graaf aangesteld was, en die dikwels baronnen en pages om zich heen +verzamelde en ze »een grote massa voorbeelden vertoonde van lieden +uit het oude testament zowel als uit de moderne Kristen-sagen, die +de heilige strijd aangebonden hadden", en op die manier schilderde +hij o. a. heerlik de gevechten die Demetrius en George, Theodorus +en Sebastiaan, Mauritius de hoofdman over honderd en het Thebaiese +legioen zowel als de voorname hoofdman Eustachius hadden te bestaan +om zich als »bloedgetuigen de hemelkroon waardig te maken". Men bracht +de daden der Machabaeën zowel als de schipbreuk van Jonas in rijm, +schilderde de kamp van Salomo met een draak die alle bronnen van +Jerusalem leeg dronk, en zijn schitterend hof met al zijn pracht en +ceremonieën. Vooral werden de liefdesgeschiedenissen in detail +geschilderd. Een Frans bisschop verhaalt in Latijnse verzen hoe de +dochter van Jakob geschandvlekt werd, een ander hoe Amnon zijn zuster +verkrachtte; een Duitse berijming van de bijbelse geschiedenis treedt in +allerlei bizonderheden over de liefdesgeschiedenis van Jakob en Rachel, +Sichem en Dina en vertelt gezellig, op de manier der »Brautwerbungen" in +de Duitse heldengedichten, hoe het Eleazer ging toen hij naar Nahors +toog om voor Isaak een vrouw te zoeken. + +Al die aandoenlike kleine idyllen uit het leven van Maria en de +kindsheid van Jesus, waar de apocryfe evangeliën van wisten te +vertellen, werden in Franse en Duitse gedichten behandeld. In +sentimentele verzen werd ook de Passie geschilderd. Op Goede Vrijdag, +wanneer de menigte in de kerk zich voor het omsluierde kruis op het +altaar verdrong, kon het gebeuren dat de priester naar voren trad en een +berijmde versie van de Lijdensgeschiedenis reciteerde, en dat hij begon, +net als de trouvères: »Hoort mij nu allen rustig aan, en laat de mond +niet langer gaan--hoort wat ik zeg van Kristi dood..." Verder werden +alle sentimentele legenden van de genaderijke mirakelen der Madonna +allerliefst tot kleine berijmde schetsjes bewerkt. Een Latijnse +verzameling van zulke legenden vond de Normandiese monnik Adgar +in de biblioteek van de St. Paulskerk te Londen en hij begon ze in +naieve Franse verzen na te vertellen--van het Jodenjongetje dat de +Hemelkoningin uit het vuur redt, van de kankerlijder, een monnik, die +zij van haar borst laat drinken, van de zondaars die zij uit de klauwen +redt van de wereldlike rechtvaardigheid, zowel als van de duivel. En zo +zijn er anderen die de Heiligen-legenden van hun bloemrijke, gezwollen +stijl ontdoen en die wonderbaarlike en roerende geschiedenissen in een +gewone, lichtbevattelike stijl de leken aanbieden. + +Juist in de 11de eeuw stroomden er van Oost en West de meest fantastiese +en sentimentele legenden Europa binnen. Van het Westen--uit de oude +kristelike kerk der Kelten in Ierland en Engeland--haalden de +Noormannen, na de verovering van Engeland, verschillende legenden +die doortrokken waren van het avontuurlik-fantastiese van een +zeevaarders-natie en met een aan dat ras eigene romantiese, onstoffelike +mystiek. St. Patrick, St. Columbanus, de Heilige Brigitta--of hoe al +die Keltiese heiligen heten--zijn als door een atmosfeer van mystiek +omgeven; zij hebben visioenen en horen stemmen, de natuur spreekt tot +hen, profeties kijken ze de toekomst in, een tijdlang worden zij zelfs +in het Hiernamaals overgebracht en weten dan, bij hun terugkomst, de +merkwaardigste dingen te vertellen, over de vurige helmond--en de zwarte +vogels die klagend in het vuur rondfladderen, over de brug, scherp als +een mes, die over de afgrond voert, over het verblindende licht en het +zoete gezang dat de bezoeker uit Gods eigen huis te gemoet stroomde. +Herinneringen aan de openbaring van Johannes hebben zich klaarblijkelik +in deze visioenen met heidens-Keltiese myten vermengd. Of de legenden +vertellen van de avontuurlike zeereis van de Ierse heilige Brandanus +naar de woonplaatsen der zaligen en der verdoemden,--legenden die +samengesmolten schijnen uit herinneringen aan oude Keltiese zeevaarders +en Indies-Oosterse reisverhalen. + +Uit het kristelike Syrië en Aegypte kwamen er omstreeks het jaar 1000, +waarschijnlik over Byzantium en Zuid-Italië, een hele massa legenden, +ontstaan uit de vurige en grenzenloze verbeeldingskracht van het +Oosten: verhalen van de gruwelikste misdaden en de meest geraffineerde +boetedoeningen, van daemonen en toverij, van de merkwaardigste +ondervindingen, de smartelikste beproevingen, de wonderbaarlikste +zelfopofferingen--van Theophilus die een verbond met de duivel aangaat +en de zwarte kunst leert; van St. Gregorius die--evenals Oedipus in +de oudheid--zonder het te weten met zijn moeder trouwt en die na het +hevigste berouw het tot Paus brengt; van kuise schone jonkvrouwen die +in hun onschuld en vroomheid de wapenen vinden om de draken des duivels +te overwinnen, van het jonge meisje dat haar bloed geeft om de zieke +koningszoon te genezen, over de zelfvernedering van berouwhebbende +zondaressen; van de heidense prins Joasaph die, van alle nood en +ellende in de wereld afgesloten, in een kasteel opgroeit, vol van alle +heerlikheden, maar die toch door het een of ander toeval een begrip +krijgt van wat ziekte, armoede en dood betekent en die daardoor zo in +zijn binnenste geschokt wordt dat hij vlucht en bij een kluizenaar, +Barlaam terecht komt die hem tot het Kristendom bekeert. + +»Barlaam en Joasaph" is aan Syriese en Griekse romans ontleend, die +het verhaal weer uit Indiese Buddha-legenden hebben. Lang vóór de +kruistochten was veel van de rijke vertellings-literatuur van Byzantium +en het Oosten naar Europa overgebracht en door geesteliken in het Latijn +vertaald. De voornaamste stapelplaats waarover die uitvoer plaats had, +was ongetwijfeld Zuid-Italië, dat nog half Grieks was, maar waar +eerst de Saracenen zich nestelden, maar later de Duitse keizers hun +heerschappij trachtten te bevestigen en waar eindelik de Noormannen in +de 11de eeuw een rijk stichtten. Bij de geestelikheid en de adel was er +uit de dagen der oudheid nog een niet geringe beschaving blijven bestaan +en het voortdurende zich met elkaar mengen der volkeren bracht ook een +grote kultuurinvloed op elkaar mede. De Hertogen van Napels zonden in +de 10de eeuw de Aartspriester Leo met een missie naar Byzantium en daar +verzamelde hij gedurende zijn verblijf alle boeken, en zo bracht hij +o. a. een Griekse vertelling over Alexander de Grote mee naar huis, die +hij later ten pleziere van de voorname Zuid-Italiaanse kringen, in 't +Latijn vertaalde. Via Byzantium werd waarschijnlik ook wel de roman +»Van de zeven wijze meesters" bekend--de geschiedenis van een prins +wiens stiefmoeder hem eens vergeefs tracht te verleiden en hem daarna +bij de koning aanklaagt; nu vertellen zeven wijzen elk op hun beurt +een geschiedenis die alle daarop neerkomen hoe gevaarlik een overijlde +bestraffing is, terwijl de geslepen koningin verhalen doet met een juist +tegenovergestelde tendens. Deze vertellingen gingen met de omlijsting +die ze zo op Oosterse wijze samen bond, in verschillende versies heel +Europa door; ze vertelden van de verwonderlike scherpzinnigheid der +wijzen en de vindingrijke slimmigheid der vrouwen waar het er op +aan kwam hun echtgenoten te bedriegen, of wel hoe merkwaardig het +noodlot met de mensen speelt. Uit Arabië kwam ietwat later de bekende +verzameling van anekdoten en dierfabels die »Kalilah en Dimnah" heet; +die werd eerst in het Hebreeuws vertaald en daaruit door een gekerstende +Jood, Johannes van Capua, in 't Latijn.--Behalve Zuid-Italië is ook +Spanje een brug tussen het Oosten en West-Europa. Daar woonde een andere +bekeerde Jood, Petrus Alphonsus, die ongeveer in het jaar 1100 een +reeks, grotendeels aan 't Arabies ontleende anekdoten en zedelike +vertellingen in één Latijns boek bijeen bracht, dat hij »Disciplina +Clericalis" noemde: het handelt over een vader die zijn zoon +levensregelen geeft welke hij met talrijke geschiedenissen illustreert. + +Uit 't Oosten is hoogstwaarschijnlik ook het motief van de +»vriendschapsproef" gekomen; reeds vóór het jaar 1100 was het voor de +geesteliken in veel Latijnse versies behandeld geworden, die later van +grote betekenis voor de dichtkunst der Middeleeuwen zouden worden. Het +zijn geschiedenissen van een sentimenteel elkaar trachten te overtreffen +in grootmoedigheid en zelfopoffering, over het ten toon spreiden van +grote scherpzinnigheid en een merkwaardig spel van 't lot--allemaal in +de Oosterse dichtkunst zeer geliefde motieven. Iemand merkt dat zijn +vriend op zijn vrouw verliefd is en staat haar grootmoedig aan hem af. +Soms gaat dit zo in zijn werk, dat de echtgenoot niet dan na de stil +versmachtende vriend zéér slim op de proef gesteld te hebben, hem zijn +geheim ontlokt; hij vat de hand van de zieke terwijl hij alle vrouwen in +huis eén voor eén voorbij het bed laat gaan, als zijn vrouw passeert, +merkt de man dat zij het is, voor wie de zieke zucht. Later krijgt +de vriend gelegenheid zich op zijn beurt op te offeren, de vroegere +echtgenoot komt dan b.v. in levensgevaar, hij is van een zekere misdaad +beschuldigd en juist zal hij naar het schavot gevoerd worden, wanneer +de andere er bij komt en alle schuld op zich neemt. Of wel hij wordt +melaats en kan alleen gered worden door een bad in kinderbloed; de ander +bedenkt zich geen ogenblik en doodt zijn eigen kinderen om de vriend +te redden. In meer dan een tekst lijken de twee zò sterk op elkaar dat +de een de ander daardoor uit een gevaarlik avontuurtje redden kan. +Die staat n.l. in liefdesbetrekking tot de koningsdochter, maar wordt +verraden; nu moet hij door een Godsoordeel zijn onschuld bewijzen; +zijn vriend neemt zijn plaats in en natuurlik valt het oordeel nu te +zijnen gunste uit. In verband hiermede moet de een ook tegenover de +koningsdochter de rol van zijn vriend op zich nemen en omgekeerd deze +die van de echtgenoot tegenover zijn vriends vrouw, maar beiden houden +zich zo trouw aan hun vriendenplicht dat niemands recht daarbij gekrenkt +wordt. Het hartroerende, gevoelvolle in deze motieven hebben de +geesteliken reeds in de 11de eeuw in Latijnse verzen, met de nodige +retoriek en sentiment ontwikkeld. Helemaal romanties is het dat, +wanneer de echtgenoot zijn vrouw aan zijn vriend heeft afgestaan en zij +wegtrekken, hij dan zelf aan de oever ze na blijft staan turen, terwijl +hij op zijn guitaar tokkelt en ze elegies klagend achterna zingt; hij +hoort de echo zijn woorden herhalen en wanneer hij ze uit het oog +verliest, slaat hij zijn guitaar in splinters. + +Een andere in de geestelike wereld zeer verbreide vertelling was de +klassieke roman van Apollonius van Tyrus. Die werd in de 3de eeuw +geschreven, waarschijnlik oorspronkelik in het Grieks, maar reeds +vroeg in 't Latijn vertaald door iemand die nog heiden was; reeds +ten tijde van Karel de Groote heeft men in Franse en Duitse kloosters +handschriften van de Latijnse vertelling gehad en in de volgende eeuwen +kan men de roman zich in talrijke nieuwe afschriften verder zien +verspreiden. In de 10de eeuw vinden wij de stof in Latijnse hexameters +bewerkt, later gaat die in de Latijnse verzameling van verhaaltjes, de +»Gesta Romanorum" over, en reeds in de 12de eeuw zijn er Provençaalse en +Franse bewerkingen geweest. De oude vertelling had allerlei romantiese +motieven in zich opgenomen, die in het Oost-Romeinse rijk aan het einde +van het klassieke tijdperk verbreid waren: Een koning staat in een +onnatuurlike verhouding tot zijn dochter en om de vrijers kwijt te +raken, legt hij hun een raadsel voor. De wijze en voorname Apollonius +lost het raadsel op. Maar daar dat juist een bekentenis van de +bloedschande inhoudt, wordt hij, verre van de hand der prinses te +krijgen, meer dan ooit door de koning vervolgd. Hij moet uit Tyrus +vluchten, zwerft op de Aegeïsche zee rond, trouwt met een andere +koningsdochter, bij wie hij een dochter krijgt. De familie raakt door +een storm op zee van elkaar en alle drie hebben de merkwaardigste +avonturen te doorstaan. De dochter komt in een bordeel terecht, maar +zij weet haar kuisheid en onschuld te bewaren, de echtgenoote wordt +priesteres in een tempel, Apollonius zwerft oud en droevig om op zoek +naar vrouw en dochter die hij dan ook eindelik vindt en herkent. Al deze +in die tijd zeer bekende motieven heeft de oude schrijver samengeweven +om ze als grondslag te gebruiken voor uitvoerige schilderingen in de +trant der Sophisten en rhetoren: nu eens een storm op zee en een overval +door zeerovers, dan eens hoffeesten en godsdienstige ceremoniën; hier +horen wij van een jongeling, die van liefde verteert, daar van een +meisje dat door tranen of roerende smeekbeden een barbaar vertedert +die haar kuisheid belaagt,--vol van lange redeneringen en klachten, +vertwijfeling en herkenningsscènes. + +Men begrijpt welk een enorme aantrekkingskracht zulk een roman had +voor de Middeleeuwse geestelikheid. De afwisselende, avontuurlike +gebeurtenissen te land en te water; de verschillende zinnen-prikkelende +onderwerpen--bloedschande en bordeelscènes--; de medelijden-verwekkende +ellende, roerend verdriet en aandoenlike vreugde; bewonderenswaardige +kristelike deugd, door boosheid vervolgd. In stof zowel als in geest was +er daarin veel dat verwant was aan de kristelike legenden. En bovendien +voerde die roman de lezers in de gehele antieke civilisatie in: de +omgang in de kringen van een koningshof zowel als de gehele geestelike +habitus van de optredenden, hun manier van zijn en van spreken, wees op +een oude hoogstaande kultuur. + +Uit die van alle kanten toestromende stof poogden ten slotte de +geesteliken zelfstandige romans samen te stellen. Een zeer merkwaardige +vertelling in Latijnse hexameters, in de 11de eeuw geschreven door +een Beiers geestelike, is ons in fragmenten overgeleverd. »Ruodlieb" +verhaalt van een aankomende ridder die de wereld in trekt, en bij een +bezoek aan een koning twaalf raadgevingen mede krijgt, en het vervolg +van de geschiedenis toont nu hoe nuttig die waren en hoe alles misloopt +als ze niet opgevolgd worden. Het idee van die raad die door een hele +reeks avonturen zijn goed recht toont, stamt duidelik uit het Oosten, +waar die meer dan eens in de literatuur te vinden is; dat is juist een +van die echt-Oosterse handige manieren om verschillende geschiedenissen +tot één geheel samen te binden en levensregels in te prenten. Ook veel +van die enkele raadgevingen en vertellingen die ze illustreren, schijnen +van Oosterse oorsprong. Vanwege het exotiese-vreemde heeft de schrijver +een gedeelte van de handeling naar het koninkrijk Afrika verlegd en waar +hij kan, brengt hij de kennis aan de man die hij uit 't een of ander +medies-natuurkundig compendium geput heeft, over merkwaardige dieren of +planten. Maar vooral is hij in aanraking gekomen met de ridderwereld en +hij weet ook op de een of andere manier iets van het Zuid-Italiaanse +of Arabiese of het Byzantijnse hof, want midden in de realistiese +schildering van het naieve Beierse adelike leven der 11de eeuw, vinden +wij niet weinig trekjes van fijne »hoofse" manieren die duidelik +als voorbeeld opgesteld worden voor het publiek, tot hetwelk de +schrijver zich richt. Daar worden hoffeesten geschilderd met prachtige +klederdrachten en juwelen, de ceremoniële ontvangst der gezanten en +banketten. Na de maaltijd gaan de dames en de jonge ridders in de +slottuin naar de vogels kijken die de dames eten geven. Dan vraagt +een der ridders om een harp en geeft een stuk ten beste, waarna het +gezelschap gaat dansen; »gelijk de valk in een kring om de zwaluw heen +zweeft, zo draait de ridder om haar heen met wie hij danst, maar als hij +dichter bij komt, ontwijkt zij haastig". Een ridder en een dame spelen +met de teerling om vingerringen,--feitelik, zegt de dichter, spelen +ze om zichzelf, en of ze winnen of verliezen, ze zijn toch allebei +even gelukkig. Zij verbergen niet langer voor elkander hoezeer zij +liefhebben. Als de moeder van het meisje het maar goed vond, zouden ze +nog dezelfde dag trouwen, maar de zeden eisen nu eenmaal dat zij nog wat +wachten. Maar de jonkvrouw kan zich nauweliks bedwingen.--Elders komt +de schets van een kokette voor die achter haar deugdzame schijn een +amourette met een geestelike verbergt; zij meent een ridder in haar +netten te kunnen vangen, maar hij stelt haar brutaal te leur en aan de +kaak. + +Ruodlieb zelf is het ideaal van een jonge man. Zijn dapperheid wordt +niet spesiaal op de voorgrond gesteld--ook dit wijst er op hoezeer 't +werk door het Oosten en door de geestelikheid geïnspireerd is--maar wel +zijn vroomheid, zijn goedheid en zijn beminnelike manieren. Schoon en +innig wordt zijn thuis en de verhouding tot zijn moeder geschilderd +(zijn vader is dood) en tot de ondergeschikten. Roerend is b.v. het +afscheid,--de moeder gaat hem op de verandah na staan kijken, maar +tracht haar tranen voor de dienstboden te verbergen, de knechts klimmen +op de muur om de vertrekkende nog zo lang mogelik te zien; zwaar om +het hart trekt hij zelf weg. Gevoelvol is ook in een reeks details de +terugkomst geschilderd: de knecht die in de kerseboom geklommen is om te +zien of hij nog niet komt,--de moeder die voor hem uithaalt en hem op de +erezetel wil doen plaats nemen, wat hij met de eerbied van een zoon van +zich af schuift, en dergelike trekjes meer. + +Ruodlieb toont veel meer dan enig ander dokument hoezeer de geestelike +Latijnse vertellingsliteratuur de voorbode was der 12de eeuwse +ridderromans en die voorbereidde; in de tijd van de Otto's kenden +bovendien zo veel Duitse edelen Latijn dat Ruodlieb misschien ook wel +als lektuur berekend was voor de wereld der voorname leken.-- + + + + +X. + +DE ROMANTIEK DER KRUISTOCHTEN. + + +De kruistochten waren het die in de 12de eeuw 't meest op de voorgrond +traden. De gehele maatschappij en het gehele geestesleven droegen er de +stempel van: die stroom van mensen uit alle klassen der samenleving, die +een eeuw of anderhalve eeuw lang, uit Europa naar het Oosten trokken, +hetzij als een georganiseerd leger, hetzij in grote of kleine scharen +van pelgrims. En die kruistochten betekenden een grote verheffing van +het zelfbewustzijn dier tijden. Nadat de mensheid eeuwenlang moedeloos +door eigen ellende naar de oude goede tijd terug hadden gekeken, +voelden zij nu met vreugde dat er iets groots en iets nieuws in hun +leven gekomen was, en de wereld in nieuwe banen geleid werd. Zelfs in +die tijd, »nu de wereld oud geworden is",--zo laten de kroniekschrijvers +van de eerste kruistocht zich uit--zelfs nu is het gebleken dat er +dingen gebeuren die »evengoed de moeite van het horen waard zijn als +in de oudheid"--die zelfs »veel belangrijker zijn, en de mensheid tot +groter eer, dan die zuiver wereldlike oorlogen van vroeger", ja! »sedert +de schepping van de wereld en het mysterium van het kruis is er niets +gebeurd dat met deze tocht vergeleken kon worden, die een werk Gods was, +en niet van de mensen". + +Een machtige beweging grijpt alle gemoederen, de gehele maatschappij. +Overal breekt men af, alles komt op losse schroeven te staan. Wanneer de +burchtheer een verre reis onderneemt, wordt op menig kasteel het land +verpand, of het gaat al vast aan de erfgenamen over of wordt aan een +voorlopige bestuurder overgedragen, de vazallenband wordt opgeheven, +huweliken worden ontbonden en de vrouwen naar het klooster gezonden, of +de vrouw die alleen achterblijft vergeet haar man en neemt een ander, +zo goed als hij op zijn tochten genoeg los vrouwvolk vindt. Ook bij +het volk lopen genoeg dwepers rond die het opstoken; ze trekken weg, +in scharen, man, vrouw en kinderen, de dorpen met elkaar, en als +sprinkhanen valt het volk in zwermen ergens anders op aan. Alle wegen +zijn vol soldaten en pelgrims, allerlei mensen vullen de herbergen die +propvol zijn, op schepen en in karavanen pakken ze zich samen, een +mengelmoes van de beste en de slechtste elementen der maatschappij +met de ergste misdadigers erbij, stromen allemaal naar het Oosten. Het +afscheid van huis legt een pathos in vele gemoederen, dat ons nog uit +de gevoelvolle liederen te gemoet klinkt waarin Provençaalse, Franse +en Duitse ridders hun kastelen en goederen, vrouw en kinderen en al hun +ondergeschikten een afscheid toe roepen; hun heimweezuchten van uit het +Oosten of van op de zee; de verlangens der achtergebleven vrouwen naar +hun »Seigneur". Elke avond luiden de kerkklokken om de thuisgeblevenen +tot het gebed op te roepen, voor hen die »over de zee" waren getrokken; +»ik zing," zo klaagt de Vrouwe van Fayel, »om mijn ziek gemoed te +versterken, opdat ik niet sterve of krankzinnig worde van verdriet, +wanneer ik niemand uit het heidense land terug zie keren, waar _hij_ +is, die mijn hart doet kloppen, wanneer ik hem maar hoor noemen," en +het refrein luidt: »God, wanneer ze roepen: op ten strijd!, help dan de +pelgrims, want voor hem ben ik bevreesd; de Saracenen zijn zo wreed." +Maar, »op ten strijd! ginds over de zee,--oltrée!" klonk het refrein +van de kruistocht-marseillaise die te land en te water de scharen +achter zich aantrok. »O, kruis des Heilands, gij zijt onze mast op deze +Wereld-zee," zongen de pelgrims. »God de Heer zelf is onze Veerman, de +goede werken zijn het touwwerk en het geloof het zeil, de Heilige Geest +is de wind die ons op de rechte weg brengt en het Hemelrijk het Tehuis +waar wij zullen landen!" Allerlei onuitsprekelike narigheid en ellende +staan ze te land en op zee uit. Alle soorten van besmettelike ziekten +als pest maken hunne rijen dun, als vliegen sterven zij in hopen van +honger, en er lopen vreselike geschiedenissen van pelgrims die het +leven er in moesten houden door menschenvlees te eten; op zee maken de +zeerovers in hun galejen jacht op ze als gulzige haaien, en voeren velen +in slavernij weg; in de woestijnen van Syrië worden ze met aanvallen der +Bedouïnen bedreigd en door wilde dieren.--Wie kent de geschiedenis niet +van Godfried van Bouillon, hoe die helemaal alleen met een vreselike +beer moest vechten, en van Boudewijn die half door bloedzuigers +opgegeten werd. Maar alles is vergeten wanneer ze zo gelukkig zijn hun +doel te bereiken en ze de Heilige Plaatsen kunnen kussen, waar de voet +des Heren getreden heeft, als ze aan het Heilige Graf kunnen bidden en +water uit de Jordaan mee naar huis kunnen nemen. En de gehele atmosfeer +daarginds is voor de gelovigen in hun verbeelding van mirakelen vervuld. +Al de relikwieën die de bedevaartgangers vinden--van de heilige lans +van Longinus tot een doorn uit Kristi kroon of een druppel van zijn +bloed;--al de hemelse maar ook duivelse openbaringen waarmede de +kruistochten gepaard gaan. Plotseling komen b.v. witte ruiters het in +'t nauw gebrachte leger der Kristenen ter hulp, of wel bezoekt Satan in +de gelijkenis van een slang 's nachts het leger der kruisvaarders. + +Hand in hand hiermede gaat de gehele woeste strijdlust die de Europese +soldatesca op de Saraceense »honden" botviert, nu er voor hen thuis geen +plaats meer is. Met groot genoegen snijden de heren op de kruistochten +de gevangene Turken de neus en lippen af en zenden die als trofeeën aan +de Griekse keizer en toen Jerusalem ingenomen was, vlood het bloed door +alle straten en werden overal in alle kerken de mensen vermoord. En +gulzig wierp die roofgierigheid zich over alle rijke landen, »laat +ons dapper voor Kristus strijden," roept een deelnemer aan de eerste +kruistocht uit, »indien God het wil, worden wij allen rijk." Nu men dom +genoeg geweest was zich door de Griekse Keizer voor de gek te laten +houden, in plaats van Byzantium te nemen en te plunderen,--waar de +zanger der kruistochten zich eigelik hevig over ergert--nu zouden de +kamelen der Beduïnen of het huisraad en de kostbaarheden in de marmeren +paleizen het des te meer moeten ontgelden. Onder de schitterende +Oosterse zon is de kleurenpracht in de natuur zo wel als in de steden +verblindend en de gehele atmosfeer van het Oosten verwekelikt en +prikkelt alle zinnen tot genot; meer dan één ridder liet zich vangen +door de Oosterse schoonheid der Saraceense vrouwen en hun ervaren +liefdekunstjes. En al het Oosters-fantastiese waar men tot nu toe in +Europa slechts een echo van kende, dat ontvouwde zich nu vlak voor de +oogen der kruisvaarders. Hyena's en luipaarden, topazen en smaragden +met hun zeldzame toverkracht, de automatiese en mechaniese kunstwerken +waarmede de Saracenen hun woningen versierden--dat alles waar zij +thuis slechts over gehoord hadden, zagen ze nu met hun eigen ogen. +Nog vreemder waren de dingen, waar ze daar ginds over hoorden van de +landen nog meer naar het Oosten, maar waar ze zelf niet kwamen--over +het mystiese nieuwe rijk van Babylon, waar de Griekse keizer gezanten +heen heette gezonden te hebben, over het land van de »Aartspriester +Johannes", nog verder Azië in, en over het Aardse Paradijs in Indië met +al zijn rijkdom en merkwaardigheden. Een brief die de Griekse keizer van +die mystiese »Aartspriester" gekregen moest hebben en die in talrijke +afschriften over Europa verspreid werd, vertelde van de wonderen in zijn +paleis, over het graf van de Apostel dat in de lucht zweefde en over de +»fontein der verjonging". En op de tapijten die de kruisvaarders van +Syrië en Byzantium mede naar huis brachten, en die weldra overal in 't +Westen de altaren der kerken en de muren der zalen versierden, gloeiden +gele olifanten met groene snuiten de toeschouwers van een dieprode grond +tegemoet, of pelikanen die hun borst aan 't bloeden pikten om hun jongen +te voeden. Van die tapijten gingen draken en griffioenen en gevleugelde +leeuwen en alle mystiese fabeldieren van het Oosten weldra op de +portalen en de kapitelen der Romaanse kerken over. + +Bij hun thuiskomst werden de kruisvaarders en pelgrims niet moe van te +vertellen, en de thuisgeblevenen konden nooit genoeg te horen krijgen. +Toen graaf Guillaume van Poitou van zijn mislukte tocht thuis gekomen +was, trok hij van slot tot slot in Zuid-Frankrijk rond en maakte zich +interessant door van zijn gevechten met de dieren van de woestijn te +zingen en te vertellen hoe hij in zijn gevangenschap daar ginds de +bewondering van alle ongelovigen had opgewekt. Ook graaf Bohemund van +Tarente trok zo rond en terwijl hij troepen aanwierf voor een nieuwe +expeditie, vertelde hij met de nodige fantasie van zijn heldendaden en +zijn avontuur met de dochter van de sultan, die op hem verliefd werd +en hem uit zijn gevangenschap bevrijdde. Jarl Ragnvald kwam met zijn +mannen, na hun kruistocht, op de Orkney-eilanden en vertelde: eerst van +de vrolike dagen te Narbonne waar de gravin Ermengarde de flinke mannen +uit het Noorden zo gastvrij ontvangen had; toen, hoe zij aan de kust +van Sicilië een enorm groot Saraceense Dromund (oorlogsschip) getroffen +hadden, dat door een reus van een neger gekommandeerd werd, en dat zo +vol was met goud en zilver, dat, toen het schip verbrandde, er een +gloeiende stroom van metaal het water in stroomde; verder over de +belegering van Askalon, het plezierige leven dat de kruisvaarders +te Byzantium geleid hadden; enz. Over alles werden de teruggekeerden +uitgevraagd en alles wat zij vertelden werd met huid en haar verslonden. +»Zeg mij nu, meester Trougemunt," heet het in een Duits lied (en +Trougemunt betekent de zeer bereisde, die vreemde talen kent), »twee en +zeventig landen kent gij; welke vogel heeft geen tong, en welke vogel +zoogt er zijn jongen?"... en op alle vragen heeft Trougemunt een +antwoord klaar, dat hij telkens met de trotse woorden inleidt: »Die +gij daar vraagt, dat is een man, die goed bescheid u geven kan." + +En een hele literatuur van kronieken en reisverhalen schiet uit die +kruistochten op; de tijd voelt zich zelf merkwaardig en de wereld groot +en interessant. De verhalen die de deelnemers aan de eerste kruistocht +zelf na hebben gelaten, maken nu nog een vrij betrouwbare, nuchtere +indruk. Wij hebben een dagboek van een gewone verstandige kapelaan +uit Noord-Frankrijk, op de tocht zelf geschreven, en een verslag +van een kwezelachtige, dwepende Provençaalse monnik; wij hebben ook +een heldendicht, of berijmde kroniek, »Het lied van Antiochia" dat +reisverhalen reproduceert en verloren liederen van een zanger die +op de kruistocht geweest is en die over het algemeen zijn avonturen +schildert met hetzelfde nuchtere gevoel voor de werkelikheid en de +zelfde strijdlustige wereldlikheid die men in de oude »chansons de +geste" aan kan treffen. Maar in de latere berichten uit de tweede en +derde hand overtreft de legendariese fantasie alles en de geest die de +kruistochten zelf eerst langzamerhand kweekte, laat op zijn beurt weer +zijn eigen licht en kleurenschakering op de kruistocht zelf terug +vallen. In de geestelike kronieken--bijvoorbeeld in die rommelkamer +voor allerlei overleveringen die Willem van Tyrus in zijn werk bij +elkaar bracht--wordt het geheel tot een mirakel; God zelf voert de hele +kruistocht aan en midden in de handeling staat de legaat van de Paus als +de plaatsvervanger van Kristus; en terwijl de monniksfantasie de meest +fantastiese leugens over de wereld der Mahomedanen op elkaar stapelt, +schildert hij de kruisvaarders allemaal als even heilig-vroom en +eendrachtig in de liefde. In het bizonder wordt Godfried, koning van +Jerusalem, helemaal door de geestelike overlevering in bezit genomen en +wordt hij tot het type van wat zij een echt kristelik ridder noemen. +Zijn afstamming is in wonderen gehuld--hij stamt van de mystiese +zwaanridder af, de kiem van de Lohengrin-figuur,--dromen voorspiegelen +zijn toekomstige koningswaardigheid en zijn ganse jeugd wijdt hem voor +zijn missie. »In wapenrusting als in hertogsdos was hij een heilige +monnik." + +En feitelik werd de Frankiese leenstaat die daar ginds in het heilige +land ingericht werd tot een soort geestelik koninkrijk en een kristelike +ridderstaat,--het beloofde land niet alleen voor het ridderwezen, +waar alles op oorlog en op oorlog alleen aangewezen was, en waarde +feodale maatschappij zich in een zuiverder en meer aristocratiese vorm +ontwikkelde, dan ergens elders in Europa, maar ook voor de Klerus zelf, +waar de gehele geest ìn en ìn kristelik was. Hier had eerst het echte +huwelik plaats van de ridderwereld met de geestelikheid--door de +oprichting van de geestelike ridderorden, de zwarte Johannieters, de +hospitaal-broeders, wier hoofdzetel mysties ontoegankelijk boven op +een berg in Syrië lag--een machtig gebouwencomplex, »welks reusachtige +pilaren en torens bestemd schijnen om het hemelgewelf te schragen"--of +nog meer de aristokratiese tempelheren in hun witte kleêren met het +rode kruis, de beschermers der pelgrims, wier residentie de »Tempel +van Salomo" zelf was. Deze geestelik gewijde ridders die in kuisheid +leefden, in een eeuwige strijd voor de Kerk en voor de zwakken en de +vrouwen, werden de ideale helden der bewegingen voor de kruistochten. + +Maar op de meer wereldlike gemene man werkten de kruistochten juist +in volkomen tegenovergestelde richting. Bij elke mislukte kruistocht +komt de terugslag in de vorm van een plotselinge en sterke val in de +godsdienstige temperatuur. Het bleek telkens weer dat het gloeiendste +geloof, de kerkelike inwijding, de wonderen Gods en de hulp van de hemel +de keten van de natuurlike oorzaken toch niet konden breken en het +onmogelike mogelik maken; het waren andere, natuurlike wetten die de +zegepraal of de nederlaag bestemden. De scepsis der teleurstelling +tegenover het bovennatuurlike breidt zich in vele kringen uit--bij de +troubadours zijn wij die reeds tegengekomen--en tegelijkertijd neemt de +belangstelling toe voor die grote nieuwe werkelikheid die zich voor de +blik geopend had. De werkelike avontuurlike wonderen nemen alle attentie +in beslag, in plaats van het hiernamaals. Menigeen trekt nog als +pelgrim uit, maar schrijft bij zijn terugkomst reisverhalen, kronieken, +natuurhistoriese werken, of dicht romantiese vertellingen. En de +kennismaking met de Saracenen en hun hogere beschaving, gaf een hevige +slag aan alle vooroordelen die de geestelikheid zo fanaties bij de +Kristenen had trachten wortel te doen schieten. Die afgodendienaars +waren, met hun geloof in één onzichtbare God, veel zuiverder +Monotheisten en stonden veel verder van de afgoderij, dan de kristenen +met hun heiligen- en relikwieën-cultus. En die trouweloze bloedhonden +bleken niet alleen veel eleganter en ridderliker te zijn dan de +kristen-baronnen, maar in hun praktiese mensenliefde--die de hospitalen +en herbergen duidelik genoeg deden uitkomen--, in hun grotere +verdraagzaamheid, hun rechtvaardigheidsgevoel en hun vorstelike +grootmoedigheid, kwam een Nureddin of Saladin al heel gauw voor vele +kristen-ridders meer of minder bewust, als een schitterend voorbeeld +ter nabootsing te staan. Ginds in die Frankiese Staten van Palaestina +en Konstantinopel had er een vermenging plaats, een »commercium et +connubium" tussen kristenen en ongelovigen of Grieken, die op Europa +terugsloeg en in vele adelskringen en onder de kooplieden vormde zich +onbewust een zuiver humane moraal van menselikheid, ridderlikheid en +eer, die uit de voogdijschap der kerk weggleed. Meer als iemand anders, +werden de strijders der kerk, de tempelheren zelf, zo als bekend is +door die >skepsis< en het humanitarisme aangegrepen die daar in het +kristelike Oosten in de lucht lagen. En thuis komt een emancipatie van +de kerk duidelik te voorschijn in de nieuwe ridderpoëzie, waarin het +weldra even goed mode wordt om tegen de vrome huichelarij en de +zwartrokken te velde te trekken als om de »edele Saracenen" en »le +courtois Saladin" te prijzen. + +Voorlopig zijn het nu de oude »chansons de geste" en in Duitsland de +oude nationale heldensagen die daardoor gemoderniseerd en aktueel +gemaakt worden, doordat er allerlei kruistocht-motieven ingevlochten +worden. Reeds vóór de eigelike kruistocht hadden de pelgrimstochten en +de verbindingen met Byzantium het vermakelik avontuurlike epos in de +wereld gebracht dat »Karel de Grote's reis naar Jerusalem" heet. Daarin +trekt Keizer Karel met zijn Paladijnen op reis om te zien of Keizer Hugo +van Konstantinopel werkelik een machtiger en prachtiger vorst is dan +hij zelf. Eerst komen zij te Jerusalem waar men hen voor Jesus en zijn +twaalf apostelen houdt; God doet wonderen voor hen en de patriarch +schenkt Karel heilige relikwieën; daarop trekken ze naar het Griekse +keizerhof, waar de Franken de hovelingen door hun optreden imponeren en +nog meer wanneer ze werkelik trachten uit te voeren wat ze voor de grap +en in dronkenschap hebben gepocht dat ze doen konden,--en het eindigt +dáármede dat Karel en zijn helden in glans en glorie naar huis trekken, +nu hun superioriteit zo duidelik gebleken is. Nu in de 12de eeuw wordt +een avontuurlike tocht naar de even avontuurlike landen der ongelovigen +een geliefkoosd en het meest aktuele tema voor de heldendichten. Zo +wordt Karel de Grote b.v. als jonge koningszoon door zijn onechte +broeders op zij gezet en vlucht naar de koning der Saracenen te Toledo, +door wie hij tot ridder geslagen wordt, waar hij heldendaden uitvoert en +Galienne, koningsdochter en tovenares, op hem verliefd wordt. Huon van +Bordeaux wordt door de Franse koning op een gevaarlike reis naar Babylon +gestuurd: daar moet hij het kasteel van de »Amiraal" binnendringen, voor +diens ogen een zijner mannen neervellen, diens dochter drie kussen geven +en verder de baard van de admiraal afknippen en die met drie van zijn +kiezen naar het Franse hof brengen,--wat hij alles weet uit te voeren +met de hulp van de Wonderhoorn van de kleine Alfenkoning, Oberon, zowel +als van de heidense koningsdochter met wie hij, na vele beproevingen +doorstaan te hebben, naar huis trekt. Even amusant en romanties +vertellen een hele reeks Duitse speelmans-gedichten, die in de 12de eeuw +aan het Beierse hof werden voorgedragen, van de tochten naar het Oosten +van de Duitse vorsten: Koning Rother die de dochter van Keizer +Constantinus schaakt--door een list wordt zij hem ontroofd, maar hij +krijgt haar terug; Koning Orendel die van Trier naar Jerusalem zeilt om +de koningin daar het hof te maken en die na een lange Odyssee en hevige +gevechten met de heidenen, ten slotte met de hulp van hemelse mirakelen +zijn tocht gelukkig ten einde brengt; Hertog Ernst die naar het land +der Kraanvogelmensen komt en dat der dwergen, naar de Leverzee en de +Magneetberg; de kruisvaarder Graaf Rudolf, die met de andere Franken +twist krijgt en dan naar de Saracenen overloopt en die onder allerlei +zware beproevingen in aandoenlike trouw door een Saraceense begeleid +wordt die hem liefheeft en zich ten slotte laat dopen om dan met hem te +trouwen. Deze laatste vertelling is uit het Frans en heeft duidelik een +gelijktijdige historiese gebeurtenis ten grondslag, maar anders zijn +vele van deze gedichten oude Germaanse sagen over een gevaarlike tocht +van een held om een vrouw te zoeken, alleen gemoderniseerd door ze in de +atmosfeer der kruistochten over te planten. + +Zo ontstaan er in de tijden der kruistochten allerlei liederen en +geschiedenissen in alle talen van een echtgenoot die lang buitenslands +geweest is en reeds voor dood wordt versleten, maar die dan juist +terug komt de dag waarop zijn vrouw met een ander bruiloft houdt. Dit +patetiese motief is blijkbaar een weerspiegeling van een werkelike +gebeurtenis; maar meer dan eens zal het ook het oude motief zijn van +iemand die uit het dodenrijk terugkeert, dat nu een werkelikheidskleed +aangetrokken heeft en in de atmosfeer der kruistochten gelokaliseerd is. +Daar hoort b.v. het Anglo-Franse heldengedicht van Horn en Rimel bij, +de Engelse roman van »Koning Horn", de Duitse sagen en gedichten van +»der edle Möringer" en het Deense volkslied van Hendrik van Brunswijk. +Ook het omgekeerde motief heeft zich dikwels genoeg gedurende de +kruistochten voorgedaan: de echtgenoot die in het Oosten een Saraceense +gehuwd heeft b.v. uit dankbaarheid dat zij hem uit de gevangenschap +verlost heeft, en die haar nu naar zijn burcht brengt, waar de vrouw--in +elk geval in de geschiedenis van Baron v. Gleichen en zijn twee +vrouwen--er grootmoedig in toestemt haar man met haar te delen.-- + +Dit is nu de direkte werking van die romantiek, maar de ridderromantiek +wortelt ook dieper in de tijden der kruistochten. Een der deelnemers +vertelt hoe het leger der kruisvaarders door Syrië trok: Fransen, +Vlamingen, Beieren, mannen uit Bretanje en Provence, Engelsen, Schotten, +Italianen, Spanjaarden en Grieken. »Als een Brit of een Duitser zich tot +mij wendde, verstond ik hem niet en kon ik hem niet antwoorden. Ons +verdeelde de verscheidenheid van de talen, maar de liefde tot God en +onze naasten schiep weer broederschap tussen ons." En zo is de gehele +tijd der kruistochten zulk een elkaar ontmoeten der volkeren, en der +verschillende kulturen. In het Anglo-Normandiese rijk dat Willem de +Veroveraar en zijn opvolgers aan beide zijden van het Kanaal geschapen +hadden, komen Fransen en Angelsaksen en Britten samen en leren elkaars +kultuur kennen. Noord- en Zuid-Frankrijk ontdekken en verrijken elkander +in dat opzicht. Byzantium en het gehele Oosten van de landen van de +Islam openen zich voor goed voor West-Europa. En juist dan is het ook +dat de geesteliken ijverig de bijbel en de legendenschat tot volkspoëzie +omwerken, terwijl bovendien de nieuwe scholen en de kruistochten de +klassieke literatuur voor meer dan één ontsluiten. Al die bonte stof +die de tijd van alle kanten in zich opneemt, wordt met de stevigste +appetijt opgenomen en ingezogen. Wij lezen van een Vlaams graaf, wiens +grote genot was zich te omgeven met mensen »die hem sprookjes en sagen +vertelden en verhalen uit de oude tijd deden. Als zijn vertrouwde vriend +naar wien hij graag luisterde, had hij een oude ridder bij zich, Robert +de Coutances, die hem vermaakte door wat hij over de Romeinse Keizers +wist te vertellen en over Karel de Grote, over Roland en Olivier en +Arthur, de Koning van Brittanië; verder Philip van Montjardin, die hem +van de verovering van Jeruzalem vertelde en de belegering van Antiochië +en de gebeurtenissen in het Oosten, en zijn neef Gautier de Cluse, +die Engelse geschiedenissen kende, die van Gormund en Isembart en van +Tristan en Isolde en van Merlijn en van Marcolf." En in de dichterlike +fantasie dier tijden voeren al die bonte voorstellingen een grote +heksensabbat op. Zo men de romantiese geestestoestand--in tegenstelling +met de klassiek-harmoniese--beschrijven kan als een, waarin de rijkdom +der stof en zijn menigvuldigheid de eenheid der ziel in tweeën splijt, +dan is de mentaliteit van de 12de eeuw meer romanties dan die van alle +andere tijden. De gehele nieuwe stof en de nieuwe gevoelstonen, die uit +de meest verschillende tijden en kulturen zich daar over uit storten, +smelten in gelukkige ogenblikken werkelik samen--het antieke en +het kristelike, het Oosterse en het Keltiese--tot nieuwe levende +fantasie-gewrochten, nieuwe, vreemde, gemengde gevoelens, maar nog meer +worden er zo slechts disparate elementen overal vandaan tot barokke +alliages samengesmolten of schilderachtig-bont naast elkaar geplaatst. +Hector gebruikt het schild van Samson en heeft de helm van Arthur op, +zijn zwaard is gesmeed door Wieland en gehard door »Heer Vulcanus". +Moet iemand geprezen worden, dan is hij altijd sterk gelijk een Samson, +schoon gelijk Absalon, wijs als Salomo, mild als Alexander, prachtig als +koning Arthur, en een tovenaar als Virgilius of Merlijn. Tydeus--een +van de »Zeven voor Thebe"--is waardiger de kroon te dragen dan +Nebukadnezar, en de oude Otto, de raadgever van de Thebanenkoning, is +een neef van Plato. + +En verder: zo, in tegenstelling met de helder de zaken beschouwende, +rustige, kalme klassieke geestesrichting, de romantiese geestestoestand +beschreven kan worden als een toestand van innerlike onrust en spanning: +een opgeschrikte, opgehitste fantasie, een sterk gespannen, golvend +gevoel van verwachting, twijfel, ontbering, verlangen, dan is het +bewustzijn van de tijd der kruistochten romantieser dan dat van enige +andere tijd. Voor de rondtrekkende troubadour en de ridder op een +kruistocht, voor de leeslustige geestelike of voor de Vlaamse graaf, +waar wij juist van hoorden, moest de wereld zich in wijde, vage +horizonten aftekenen, in schemerend, onzeker half-licht,--verwondering +wekkende en verwachting, verlangen en wensen, voorgevoelens en +dromen. Alles wat vreemd was, stond als in een afstand-mist maar ook +afstand-glans, men trachtte er bij te komen, maar kwam er maar half +bij, poogde het te vatten en vatte toch maar de helft. Een geestelike +probeert zich tot de hogere beschavings-sfeer van Virgilius en diens +personen op te heffen, wil fijn zijn en waardig en klassiek, maar +wordt slechts pedant, geaffekteerd en gekunsteld, en plotseling, in +een onbewaakt ogenblik, waar de dichter natuurlik is en zich zelf, +verraadt hij opeens op de vermakelikste manier het naïeve en ruwe +kultuurstandpunt van zich zelf en zijn publiek. Een ander haalt Keltiese +sagen en mythen voor den dag of roept de antieke goden en godinnen op; +maar Diana is een jagende vorstin, Echo een koningsdochter, Argus een +honderd-ogige reus, aan wie een koning de taak op draagt een koe te +bewaken, terwijl een ander die zeer op de hoogte is van de muziek graag +de koe zou willen hebben... en evenzo wordt het Keltiese land des doods, +waar de koningin door de Doodsgod heen gevoerd is, slechts als een +naburig rijk opgevat, welks koning haar geschaakt heeft. Maar toch--dat +naburig rijk heet »het land waar men nooit uit weer keert" en een zekere +mist of glans van iets bovennatuurliks, ligt er voor de dichter over +Keltiese zowel als antieke mythen; hij voelt dat er iets anders +achter en onder steekt, dat alle gebeurtenissen en personen en namen +een dubbele betekenis hebben, een wijder perspektief, waar ze op +uitkijken--wat de toehoorders dikwels ook tegenover onze heldenliederen +gevoeld hebben als die van Sivard en Brynhilde, en van Ribolt en +Guldborg. + +Dat tweeledige en dat perspektief--die afstand welke slechts het +verlangen opwekt en de barokke disharmonie tussen stof en behandeling, +voorbeeld en navolging--geheel die menigvuldigheid van voorstellingen +en tonen... dit alles is het juist wat uitgedrukt wordt door het woord: +Romantiek.-- + + + + +XI. + +DE ALEXANDER-ROMANS. + + +Heel natuurlik werden de figuur en de geschiedenis van Alexander de +Grote het eerste dat tot ridderromans omgewerkt werd. De geesteliken +hadden reeds lang Latijnse ridderromans gekend en nu begon de wereld der +kruistochten om verschillende redenen voor de avontuurlike tochten van +Alexander belangstelling te voelen en die te begrijpen. + +Van de oudheid af had die belangstelling al bestaan--de ene generatie +na de andere had die bewonderd en zich er over verbaasd en hadden die +romans de verbeeldingskracht voedsel en vleugels gegeven. Bij de +geschiedschrijvers der oudheid--Plutarchus, Arrianus, Diodorus, +Justinus, Curtius--treedt ons, zo al niet de historiese Alexander +tegemoet, (wie weet hoe _die_ er uitgezien heeft?), dan toch het +volkomen ontwikkelde schitterende beeld van de grote held: de lieveling +der goden, met alle eigenschappen om de mensen voor zich te winnen en +te beheersen--schoon, dapper, welsprekend, beminnelik; opgevoed door +niemand meer of minder dan Aristoteles, de grootste wijsgeer van heel +Griekenland,--flink om zichzelf te beheersen, met een blik op de mensen +en de regeerkunst; en ten slotte gedreven door jeugdige drang tot +handelen, en een onverzadigbare eergierigheid. Als een echte leerling +van de mannen van Odysseus, offert Alexander te Memphis aan Apis en laat +zich in de Ammons tempel als de zoon van een God begroeten; als een +Grieks filosoof gooit hij voor de ogen van de van dorst versmachtende +soldaten de beker met water in het zand der woestijn ledig, en drinkt +hij de medicijnbeker uit terwijl hij zijn vriend Philippus de brief +overhandigde die de zaak aangaf. Maar: Alexander's missie in de historie +was juist om aan het eigelike antieke een einde te maken; in de Griekse +rijken smolten het Oosten, Aegypte en Griekenland tot een gemengde +kultuur samen; en daarin is het dat het slechts in zo geringe mate +antieke beeld van het leven en de figuur van Alexander zich gevormd +heeft, dat tot de Middeleeuwen kwam en met zulk een entoesiasme werd +ontvangen. Te Alexandrië ontstond ongeveer 200 jaar n. C., half +op de geschiedenis, half op Oosterse sagen gebaseerd, de zogenaamde +pseudo-Callisthenes, een levensbeschrijving van Alexander, aan +Callisthenes toegeschreven, die, met enige zogenaamde brieven +van Alexander aan zijn moeder en Aristoteles, het uitgangspunt +werd--grotendeels door een Latijns uittreksel van Julius Valerius--voor +een rijke middeleeuwse Alexander-literatuur, eerst in 't Latijn, toen in +het Provençaals, toen in 't Frans en Duits en daarna in vele Europese +talen. + +In het beeld dat de middeleeuwen op die wijze ontvingen, waren trekken +van een fijne, nobele kultuur, vermengd met de laatste half Oosterse +sterk-fantastiese producten der oudheid. Voor de Aegyptiese schrijver +van de biografie van Callisthenes is Alexander niet een zoon van koning +Philippus maar van Nektanebus, een Aegypties tovenaar, die de laatste +uit het geslacht was van de oude koningen en halfgoden. In de gedaante +van de God Ammon is Nektanebus bij de Koningin Olympias gekomen en heeft +door zijn toverkunst ook koning Philip kunnen doen gelooven dat diens +gemalin door een God zwanger is geworden. Allerlei wonderen gebeuren er +bij de geboorte van Alexander. Nektanebus wordt een van de opvoeders van +de knaap, maar deze doodt hem wanneer hij te weten komt dat het zijn +vader was. Verder zijn Zeuxis en vooral ook Aristoteles de leraars van +Alexander. Hij wordt in de »zeven liberale kunsten" onderwezen en wint +een ieder voor zich, door zijn verstand en zijn beminnelikheid, hij is +vooral zo vrijgevig dat zijn ouders en leraars het bedenkelik beginnen +te vinden. Na het wilde paard Bucephalus getemd en afgericht te hebben, +trekt de jongen met permissie van zijn vader naar de Olympiese spelen. +Daar hoont een andere vorst hem en spuugt zelfs naar hem; met kalme +zelfbeheersing verdraagt de jongeling eerst de belediging, maar wreekt +zich door hem onder de spelen ter aarde te vellen. Als hij thuis komt, +hoort hij dat zijn vader Olympias verstoten heeft en op 't punt staat +met een ander bruiloft te vieren, Alexander ijlt de feestzaal binnen, +geeft zijn vader een bittere en scherpe terechtwijzing en dwingt hem +zijn echtgenote weer in haar oude waardigheid te herstellen. + +Zo luidt de geschiedenis van Alexander's jeugd. In de middeleeuwen +krijgt die een andere kleur en vorm,--met trekken van het baronachtige, +het ridderlike en het fantastiese. Nog vrijwel in de antieke atmosfeer +bleef de Zuid-Italiaanse priester die ongeveer 1000 jaar n. C. een +bewerking van de stof gaf in Latijnse proza: »de Proeliis". In de +11de eeuw was er een geleerd geestelike, Albéric de Briançon, die een +Provençaals gedicht schreef met Julius Valerius als bron, maar die nu en +dan ook de echte klassieke historici er ter vergelijking bijhaalde: zijn +doel is asketies: de geschiedenis van Alexander te schilderen als een +groot bewijs voor de waarheid van het woord van de Prediker: »Alles +is ijdelheid", maar hij schijnt--slechts een klein fragment is er van +over--de oude verhalen toch veelal in de toon der heldenpoëzie gestemd +te hebben. Maar geheel in de stijl en het rhytme daarvan wordt Albéric's +gedicht in de 12de eeuw overgebracht in een Noord-Franse bewerking uit +de grensstreken tussen Noord- en Zuid-Frankrijk. En tegelijk duikt het +ook aan de overzijde van de Rijn op, toen een priester Lamprecht uit +Keulen of omstreken, het in Duitse verzen weergaf en het tot een hele +roman uitwerkte. Bij Lamprecht begint het hoofse element reeds hier en +daar de ongeneerde baronnen-poëzie op zijde te dringen. Maar geheel +en al in de geest der riddertijd is de bewerking die het gedicht van +Lamprecht tegen het einde der eeuw onderging, en nog meer is dit het +geval met een grote Noord-Franse Alexanderroman, welks oudste deel van +Lambert le Tort is, maar waarvan de laatste versie (ongeveer 1185) wordt +toegeschreven aan Alexander van Bernay of van Parijs.-- + +IJverig protesteren die middeleeuwse baronnen- en riddergedichten er +tegen dat Alexander een onecht kind zou zijn, een spruit van een +heksenmeester--»gelijk enkele troubadours beweerd hebben"--; neen! zo +iets moge waar zijn van een Merlijn of de boze graven van Anjou, maar +Alexander was voorzeker van echte koninklike stam! En een echte »fils de +baron" is de knaap dan ook van zijn wieg af. Zijn ene oog is blauw als +dat van de draak, zijn andere zwart als dat van de griffioen, de borst +van een min is hem niet genoeg,--de vrouw van een ridder moet hem +met een gouden lepel voeden,--en hij vliegt op als men hem aanraakt; +als hij opgroeit, wil hij alleen edele ridders om zich heen hebben +en verwaardigt zich niet een schildknaap of mindere aan te kijken. In +latere versies is het nog meer het welopgevoede kind van een edelman +dat op de voorgrond geschoven wordt: de knaap is »gentile" en glimlacht +vriendelik tegen een ieder die hem aanspreekt. Zijn opvoeding is die van +een middeleeuws vorstenzoon. Hij wordt in de wapenen geoefend, in de +rechtspleging volgens alle vormen van het leenrecht, in goede manieren +en gedrag. Dertig gravenzonen die op de zelfde dag als de prins geboren +zijn, worden met hem opgevoed en blijven zijn lijfwacht vormen--men +vergelijke het boek der Macchabaeën I, 7. Met grote animo en zeer +levendig wordt verteld hoe hij Bucephalus inrijdt en temt,--het paard +heet met de nodige fantasie een kruising tussen een oliefant en een +drommedaris. Tot grote schrik van iedereen rijdt de prins het getemde +dier de slotstrap op, de zaal in, dwars over alle tafels en banken, dan +stijgt hij er af, geeft het paard aan een stalknecht over en vraagt zijn +vader hem tot ridder te slaan--hem zelf zo wel als zijn volgelingen. +Uitvoerig worden de middeleeuwse ceremonieën bij deze handeling +geschilderd. Eerst moeten de jonge mannen baden; als men heel natuurlik +water binnen wil brengen, verklaart Alexander »mannelik" dat zij alleen +maar in de zee willen baden. Terwijl de jonge mannen in het water +rondspartelen, laat de koningin de nieuwe kleeren naar 't strand +brengen--die speelden toen de zelfde rol als nu bij de aanneming,--en +tegelijk daarmee zendt de koning de paarden en wapenen daarheen. Toen +had gij--barst de zanger uit--die massa's van hermelijnen pelsen eens +moeten zien, van zijden stoffen, van marterbont, gezadelde paarden +en wapenrustingen. De koningin is zelf gekomen om naar de badenden +te kijken,--zij heeft een baldakijn boven het hoofd om zich tegen de +warmte te beschutten--en naderhand geven de kamerdienaars Alexander's +volgelingen hun klederen aan, maar de koningin zelf trekt die haar +zoon aan. Eerst een hemd zonder naad en uit één stuk, (als de rok van +Kristus),--uit Engeland was dat over Friesland aan koning Philippus +gezonden--die beschermd tegen wonden en hete wellust,--gelijk ascetiese +haren hemden en de »helm" waar sommigen mede geboren heten. Daaroverheen +krijgt hij een zijden kleed dat vervaardigd is door feeën in een bos +bij Babylon en dat hem door een tovenaar gebracht is; wanneer men dat +aanheeft, voelt men noch warmte noch kou. Daarna legt zijn moeder hem +een hermelijnen mantel over de schouders met een rand van pantervel; +als men die aan heeft, krijgt men nooit wit haar. En zo nog andere +kledingstukken met allerlei wonderbare eigenschappen. Nadat zij gekleed +zijn, slaat koning Philippus al die jonge lieden tot ridders en geeft +hun wapenen. Het zwaard van Alexander is door een fee van koningin +Penthesilea gebracht, zijn harnas is van Arabies goud, de helm is van +Cornwall--in zijn tijd heeft koning Arthur die opgehad; het schild is +door koning Salomo gezonden,--dat is nog van Samson geweest. Nu gaan de +nieuwe ridders onder het oog van de dames ridderoefeningen houden; die +zitten de schone jonge prins te bewonderen en zeggen tegen elkaar: »Als +hij en ik bij elkaar lagen, zou ik hem niets kunnen weigeren." Eindelik +roepen de herauten hen aan tafel en de ridders laten zich dat niet twee +keer zeggen; Alexander komt vlak tegenover zijn moeder te zitten die +niet laten kan hem aan te zitten kijken. + +De scène met de Olympiese spelen waar de antieke berichten nu van +vertellen, kunnen de Middeleeuwen niet begrijpen, Alexander's +glimlachende zelfbeheersching bij de bespotting door een vreemde vorst, +kunnen ze ook niet bewonderen. In plaats daarvan komt dan ook een oorlog +die met een scène uit een echte »Chauson de geste" begint. Boodschappers +van een vreemde koning komen de zaal binnen, waar Koning Philip hof +houdt, en eisen overmoedig de betaling van een schatting. Terwijl +men radeloos in de zaal zit te kijken, springt Alexander op, weigert +brutaalweg de schatting te betalen en zendt de mannen terug met een +uitdaging. Gelijk in de Franse heldendichten gaat hij op tafel staan +om mannen aan te werven en, »gelijk een edele ridder" laat hij, door +het gehele rijk, het geld van woekeraars en allen die zich verrijkt +hebben opeisen, om daarmede de ridders te kunnen wapenen; op raad van +Aristoteles omringt hij zich verder, op 't voorbeeld van Karel de Grote, +met 12 pairs. Geheel en al in de trant van de oude heldengedichten +worden nu de oorlog en de slagen geschilderd: ze rijden er op Arabiese +paarden, de banier waait boven het leger, de werpspiesen vallen dicht +als de Mei-regen, »daar had gij menig schild in stukken kunnen zien, en +menige gebarsten helm en rusting." In een tweegevecht velt ten slotte +Alexander de vreemde koning. Later hoort hij vertellen van de rijke +stad Athene, die zo goed door haar »baronnen" bewaakt wordt, dat die +onneembaar geacht wordt; terstond besluit de eergierige prins naar +die stad op te trekken. Maar het bericht dat zijn vader op nieuw in 't +huwelik wil treden, roept hem ijlings naar huis. Het komt tot een hevige +scène in de grote zaal waar de bruiloft gevierd wordt, maar als Koning +Philip, verbitterd, zijn zoon een zwaard in de zijde wil stoten, +struikelt hij en wordt gewond, waarop Alexander hem in zijn armen +opneemt, hem op een bed legt, en hem door zijn verwijten en door hem +zacht toe te spreken er toe brengt zich met Alexander's moeder te +verzoenen. Er is hier iets veel brutalers en tegelijkertijd iets veel +sentimentelers dan bij de corresponderende scène in de antieke bronnen. + +Kort daarna sterft koning Philippus en nu trekt Alexander als koning +op zijn grote veroveringen en ontdekkingsreis uit. Hierover hadden +de Oosters-antieke berichten al veel te vertellen. Ten eerste over +Alexander's snuggerheid en slimheid. Hoe kalm en geestig wijst hij de +overmoedige spottende brieven van de koning der Barbaren en diens gaven +niet terug; hoe hij vermomd de stad van de Persiese koning binnendringt +om daar te verspieden en zich zelfs bij hem aan tafel weet in te +dringen, maar hoe hij zich door die schitterende pracht volstrekt niet +laat verblinden,--kalm steekt hij de gouden beker, die hem voorgehouden +wordt, bij zich, met de woorden, dat zulks de gewoonte is bij Alexander +van Macedonië. Dan over zijn grootmoedigheid en zijn beminnelikheid. Hij +behandelt de moeder en de echtgenote van de koning van Perzië zeer goed +en neemt Roxana, de dochter tot vrouw. Vreedzaam bezoekt hij het land +der Amazonen en die betalen hem schatting. Na Porus, de koning der +Indiërs overwonnen en geveld te hebben, voert hij in alle vormen een +briefwisseling met diens schoondochter Candace, die hem geschenken doet +toekomen en in 't geheim zelfs zijn portret laat schilderen. Alexander +komt er later toe haar hulp te verlenen tegen de vijand, en daar hij +de dood van Porus op zijn geweten heeft, durft hij zich niet anders +dan vermomd naar diens rijk op reis begeven, waar hij zo de residentie +van de koningin bezoekt; maar zij herkent hem door zijn portret, doch +verraadt hem niet aan haar hovelingen en ontvangt hem vriendelik. Overal +is Alexander de dappere krijgsman, maar nog meer de verstandige, slimme +veldheer en nog 't allermeest de geestige, galante, edelmoedige vorst. + +Maar ook is hij de personificatie van de onverzadigbare drang naar +onderzoek en de onverschrokken lust naar avonturen. Wat de ouden in hun +wildste fantasie voor vreemds hadden wensen te zien, is in de tochten +van Alexander verpersoonlikt. Dieper en dieper dringt het leger Azië +binnen en de wonderen worden steeds groter. Daar zijn allerlei +merkwaardige mensen en dieren; b.v. de ichthyofagi, een bron waarin men +dode vissen dompelt waarop ze weer levend worden, eilanden in de zee die +plotseling duiken en zo enorme vissen blijken te zijn, sprekende bomen +op de zon en de maan. Op een berg, door een muur van saphir omgeven, +komen Alexander en zijn mannen in een prachtige tempel, waar allerlei +vreemde dingen te zien zijn: een karbonkel verlicht de ruimte, een vogel +uit een gouden kooi roept hun waarschuwende woorden tegen, op een +vergulden ligbank rust een in zijde gekleed persoon met een gesluierd +gezicht. Niettegenstaande de waarschuwingen wil Alexander de vogel en de +karbonkel grijpen, maar nu begint de man op de rustbank zich te bewegen, +en terwijl Alexander steeds nog kalm zijn verschrikte volgelingen +uitnodigt plaats te nemen en te gaan eten en drinken, barst er nu op +eens een verschrikkelik onweer los en hoort men een hels lawaai van +fluiten en pauken en cymbalen,--de gehele berg begint te roken en +ijlings vluchten allen. Alexander daalt zelf in een glazen klok op +de bodem van de zee neer om de diepte na te sporen en hij laat een +vernuftig mechanisme maken waardoor hij zich met behulp van gebonden +griffioenen in de lucht op kan heffen om de hoogte te onderzoeken. + +Dit was nu alles natuurlik net iets voor de Middeleeuwen. Maar reeds +aan het einde van de oudheid was een asceties-religieuze opvatting +op de voorgrond gekomen, voor welke die gehele geschiedenis van +Alexander niets anders was dan één groot voorbeeld van menselike +onverzadigbaarheid, ijdele eergierigheid en verwaande nieuwsgierigheid. +Met de gymnosophisten van Indië, boedhistiese filosofen, behandelt +Alexander diepzinnige vraagstukken als de kwestie welke van de twee er +eerder was: de nacht of de dag, en of er meer levenden zijn dan doden +of omgekeerd. Voor hen die in Maja en in het Nirwana geloofden, is +Alexander slechts de wereldse ijdelheid en begeerte die tot niets +leiden. En deze opvatting gaat ook op de middeleeuwse geestelikheid +over. Evenals Caesar in talrijke middeleeuwse verzen van zijn graf uit +spreekt en er de mensheid aan herinnert dat hij zich nu met een klein +plekje aarde moet vergenoegen en een steen, hij, voor wie de gehele +wereld in zijn leven niet groot genoeg was, zo vlocht de monniksgeest +episoden in de Alexander-gedichten in, die aan de parabelen van +de Talmud en het Oosten waren ontleend en die als »memento mori" +waarschuwende woorden tot de veroveraar der wereld moesten spreken. +Wanneer hij van zijn expeditie naar de bodem van de zee terugkomt, is +hij in ernstige overpeinzingen verzonken. Ook daar, bij de vissen, +heeft hij gezien dat de groten de kleinen opeten, en ook daar zitten +begeerlikheid en hebzucht aan het roer en zijn de wortel van alle kwaad. +Een andermaal hoort hij een boer van een bron vertellen die wijsheid +verleent, maar hij die begerig is, moet er niet van drinken, want voor +zo iemand wordt die een vergift dat krankzinnig maakt. Alexander beveelt +de boer terstond hem naar die bron te brengen. Op weg daarheen komen +zij voorbij een landgoed, waarover de boer vertelt dat de verkoper, +een arme edelman en de koper, een burger, in edelmoedigheid met elkaar +schijnen te wedijveren, daar geen van tweeën zich een schat van 100 ton +gouds wil toeëigenen, die men daarop begraven heeft gevonden. »Die man +is gewoon gek, die burger," roept Alexander uit, »in zijn plaats zou ik +er geen dukaat van terug gegeven hebben." Waarop de boer zegt dat hij +Alexander dan niet durft raden uit die bron te drinken en werkelik +vloeit er dan ook, als ze naderbij komen, bloed uit in plaats van +water.--Ergens anders lezen zij dat het leger van Alexander bij een +enorm gesloten kasteel komt, niets meer of minder dan het aardse +paradijs. Een paar van zijn mannen kloppen aan en eisen uit naam van +Alexander het betalen van een schatting. Nadat zij lang zijn blijven +kloppen, wordt er een klein luikje open gedaan en geeft een oud man hun +daardoor een steen, waarin een mensenoog gegrift staat. Een oude Jood +verklaart daarop aan Alexander dat die steen zo zwaar is dat al het goud +der wereld er niet tegen opweegt; maar wanneer men slechts het oog met +een weinig slijk bedekt, wordt de steen heel licht. Dat is een simbool +van het menselik oog dat door al het goud der wereld niet verzadigd +wordt, maar welks begerigheid pas niet meer opgewekt wordt, wanneer het +onder de aarde ligt. De eerste van die parabels is uit het Arabies, de +tweede uit de Talmud. + +Ofschoon, de ridderlike opvatting laat zich aan Oosterse wijsheid weinig +gelegen liggen. Die houdt zich aan Alexander als hij uitroept: »ons erf +is, onder het hemelblauw, de hele aard, wat mij zo pijnlik treft en +mij zo zeer bezwaart, is dat de wereld werd gebouwd op al te eng een +rots,--God schiep te klein de aard voor mannentrots." Of aan het schone +antwoord dat de Macedoniese koning de gymnosofisten geeft, wanneer die +hem vragen waarom hij zo heen en weer trekt, ofschoon hij toch gelijk +alle andere mensen sterven moet: »Dat wordt slechts door de hoogste +voorzienigheid bestuurd, en wij zijn haar dienaren, die uit moeten +voeren wat die beveelt; de zee komt niet in beweging tenzij de wind er +over heen strijkt. Ik zou gaarne willen rusten, maar Hij die mijn geest +bestuurt, laat dat mij niet toe,"--het antwoord van een heldengeest op +de bezwaren van de burgerlikheid, die Tegnèr zo prachtig beschreven +heeft in zijn gedicht over »Alexander aan de Hydaspes". En door zijn +gehele optreden protesteert Alexander ook tegen de geestelike +beschuldigingen van onverzadelike hebzucht. Porus biedt Alexander +schatten als hij, Porus, zijn rijk terug krijgt; in de antieke bronnen +neemt Alexander het goud aan, maar in de Franse ridderroman geeft hij +Porus zijn rijk voor niets terug. »Een begerig man kan nooit een rijk +veroveren, hij zal integendeel kwijt raken wat hij heeft. Indien mijne +volkeren mij lief hebben, is het vanwege mijn vrijgevigheid. Ik geef +allen wat zij hebben willen." Alexander is alleen daarom onverzadelik in +het nemen, omdat het geven een passie voor hem is geworden. Hij wordt +het voorbeeld in de middeleeuwen, van ridderlike, vorstelike »largesse". +Reeds toen hij 11 jaar oud was bedolf hij de groten des rijks zo zeer +onder zijn geschenken, dat ze zijn vader kwamen waarschuwen: »Indien hij +Heer was over de gehele wereld, zou hij die binnen 14 dagen weg geven." +Waar hij ook komt, overal deelt hij uit, rechts en links, dikwels geeft +hij zo ook het land dat hij veroverd heeft terug. Aan een jongleur die +zijn eigen liederen op de fluit akkompagneert, geeft hij een gehele stad +ten geschenke,--een antiek motief waaraan een geheel nieuwe wending +gegeven is; een andere keer schenkt hij een ridder die een kleinigheid +vraagt, een geheel land, en wanneer de ander, geheel en al in de war, +zegt dat hij liever geld en kleeren wil hebben, voegt Alexander hem +verachtelik toe: »Ik ken u niet, en het hart in uw lijf niet,--maar +zo zijn nu de geschenken welke de koning van Macedonië geeft"; (vgl. +Seneca: De Beneficiis, II, 16). Eens komt een Aziaties »baron" klagen +dat hij door zijn leenheer verongelijkt is; dadelik trekt Alexander +daarheen, hoewel zijn weg daar niet langs liep en verschaft hem recht; +een andere keer, als hij een stad veroverd heeft, laat hij zich +bewegen,--hij is immers de »bloem der hoofsheid"--door de tranen van de +schone gevangen hertogsdochter, als hij merkt hoe haar blik voortdurend +op een der mannelike gevangenen blijft rusten, ondervraagt hij ze beiden +en wanneer hij hoort dat zij elkaar trouw liefhebben, schenkt hij hun de +vrijheid en geeft een feest bij hun huwelik. + +Want gelanterie tegen de vrouwen hoort meer dan iets anders tot zijn +ridderlike vorstendeugden. Het erotiese element neemt hoe langer hoe +groter plaats in. In de episode met Candace die Alexander's portret +laat maken en die door hem incognito bezocht wordt, was in de antieke +versie dat element in 't geheel niet aanwezig, daar vond men niets dan +galanterie en grootmoedigheid van twee vijanden tegenover elkaar. Maar +in de middeleeuwse roman is zij op Alexander verliefd geworden door de +roem die er van hem uitstraalde en als hij haar bezoekt, biedt zij hem +zelf onverholen dadelik haar liefde aan, die hij dan ook volop te +genieten krijgt. Met veel détails schilderen die romans dan ook het +bezoek in het land der Amazonen. Allerliefst is hoe de koningin het +leger van Alexander twee maagden tegemoet zendt, Flore en Beauté, met +geschenken en beloften van hulde. Koket gekleed--de tedere huid is door +het open kleed te zien--trekken ze op weg en zingen onder het rijden een +lied van de schone jongeling die zijn eigen schaduw in het water zag +en van verlangen daarnaar verteerde; zij komen twee van Alexander's +baronnen tegen en vragen die met hen mede naar 't kamp te willen gaan. +Onder veel plichtplegingen leiden de ridders hun paarden bij de teugels, +eerst stribbelen de jonge meisjes een beetje tegen, maar zij laten zich +toch al heel gauw een kusje ontstelen, en wanneer zij hun boodschap bij +Alexander verricht hebben--hij komplimenteert o. a. hun koningin over +de verstandige zet om zulke schone gezanten af te vaardigen--vragen de +ridders verlof aan Alexander, met de twee jonkvrouwen te mogen trouwen, +die daar meer dan bereid toe zijn. Later komt de koningin der Amazonen +zelf op bezoek, en Alexander ontvangt haar met veel praal; zij en haar +vrouwen voeren allerlei gymnastiese spelen uit en zij werpt haar +overkleed af om haar lichaam onder het spel beter te laten uitkomen. + +De drang naar avonturen en de lust naar ontdekkingen brengen Alexander +meer en meer oostwaarts en hoe verder hij daarheen doordringt, des +te merkwaardiger dingen krijgt hij te zien. Wat over die tocht van +Alexander het nodige licht werpt en het een nieuwe glans bijzet, is het +verlangen als in de tijden der kruistochten naar het Oosten. Talrijke +merkwaardigheden die de kruisvaarders bij de Saracenen gezien hebben +of waar ze over hebben horen spreken, worden nu gebruikt om aan de +beschrijving van Alexander's tochten lokale kleur bij te zetten. +Bijvoorbeeld de grote prachtig versierde tenten die de Saracenen +gebruikten en die nog in onze dagen tot de luxe-voorwerpen van het +Oosten behoren; de kruisvaarders hadden er meer dan een zo veroverd en +Europese vorsten kregen die wel van Oosterse prinsen ten geschenke. +Of fraaie grafmonumenten, kostbaar van buiten zo wel als van binnen +versierd, met eeuwig brandende lampen, die door magneten vrij in de +grafkamer blijven zweven en dergelijke dingen meer,--dit kan iets +geweest zijn wat de kruisvaarders zich nog van antieke en Oosterse +grafmonumenten herinnerden of--een echo van de vele verhalen die over +het graf van de profeet in Mekka liepen. Tenslotte allerlei mechaniese +kunstwerken, die in het keizerlik paleis te Byzantium of in de paleizen +der Saracenen-vorsten zulk een indruk op de reizigers gemaakt hadden. +Kronieken en sagen vloeien over van de gedetailleerde beschrijvingen +daarvan. Reeds Haroen al Rashid moet Karel de Grote automatiese +speelwerken gezonden hebben; in het paleis der Kalifen te Bagdad was +een gouden boom te zien met zingende metalen vogels; om die boom heen +voerden automatiese ruiters toernooien op, en van die zelfde kracht +was het kunst en vliegwerk aan het hof van Byzantium, zo als dat +in gedichten en kronieken beschreven staat. En dit alles komt ook +overal in de Alexander-romans voor. Beschrijvingen van fantastiese +natuurmerkwaardigheden, waar men op de kruistochten kennis mede had +gemaakt, werden ook in de verhalen die daarover al in de oude bronnen te +vinden waren, ingevlochten. Evenals de kruisvaarders, werd het leger van +Alexander, wanneer het zich des avonds om de vuren bij een bron in de +woestijn had nedergeslagen, plotseling gealarmeerd door het bericht dat +alle dieren der woestijn daar hun dorst kwamen lessen, en in grote +scharen kwamen ze dan aanzetten, witte leeuwen, schorpioenen en andere. +Of wel hoort het leger plotseling in de duisternis tot zijn grote schrik +als een tromgeroffel boven hen--dat zijn de vleugelslagen van grote +scharen gieren of andere roofvogels. Ook aan de Keltiese sagen hebben +de Alexander-romans blijkbaar fantastiese trekken ontleend. Wij worden +altans sterk aan de Bretonse romans herinnerd, wanneer het leger over +»le tertre avantureux" trekt, waar de dapperen lafaards worden, en de +laffen moedig, of door een betoverd dal waar niemand zijn weg door en +uit kan vinden, totdat ze eindelik na allerlei toverkunsten, door een +duivel geholpen worden, die Alexander onder een steen vandaan haalt, +waar hij gevangen zit. + +Maar het verst naar het Oosten zijn de schoonste wonderen te +vinden--daar ginds aan de uiterste rand van de aarde, waar men van +de bergen van Indië uit de zee-ring kan zien die de aarde omgeeft. +Hier vindt men de zonne- en maan-bomen die Alexander zijn spoedige +dood voorspellen. Hier is de »fontein der verjonging",--»fontaine de +Jouvence",--die waarover de Priester Johannes ook spreekt in zijn brief +aan de Griekse keizer; dat is een zij-rivier van een der stromen in het +Paradijs. Alexander en zijn mannen baden zich daar in en krijgen dan +hun jeugd terug. Hier, in 't Oosten, zijn ook de merkwaardigste bossen +te vinden, van welker gekruide lucht de mensen leven en waarin de +mandragora en andere wonderplanten groeien. Daaruit klinkt Alexander en +zijn mannen zulk een wonderbaarlik schoon gezang tegemoet, dat zij al +hun smart en bekommernis vergeten, »alles wat hun van kindsbeen af voor +kwaads overkomen is" en zij ontdekken daar in 't bos de aanvalligste +meisjes die daar lachend onder de bomen spelen. Dat zijn bosnymfen die +in 't voorjaar uit de knoppen van de bomen ontstaan, doch alleen maar +onder de schaduw der bomen kunnen leven,--zeker wel een Oosterse sage. +Het leger slaat zich in dat bos neer en de soldaten van Alexander kiezen +elk zulk een nymf uit die zij zich tot vrouw nemen en zo leven zij in +vreugde en genot. Maar als dan het najaar komt en de bloemen verwelken +en de bladeren vallen,--dan verteren ook,--smartelijk als het is om aan +te zien--de lieve kleine wezentjes en sterven ze. Verdrietig trekken de +soldaten verder. + +Als een ideaal van vorstelike grootmoedigheid en drang naar ridderlike +avonturen bleef die figuur van Alexander voor de gehele fantasie der +Middeleeuwen leven en zijn leven werd steeds weer in rijmkronieken, +romans en volksboeken beschreven. En van de tijd der kruistochten over +Marco Polo tot Columbus toe, is het Indië uit de Alexander-literatuur +dat de schrijvers voorzweeft als het aardse paradijs en het doelwit van +aller reisverlangens; nog nà de ontdekking van Amerika zocht men in +Florida naar de »fontaine de Jouvence". + + + + +XII. + +ROMANTIES-KLASSIEKE LITERATUUR. + + +Alexander--dat was half middeleeuws, half Oosters-antiek werk. De +oudheid zelf was, zoals wij gezien hebben, voor de fantasie der +Middeleeuwen nooit geheel dood geweest. De grote massa had van munten en +ivoorwerk en andere kleinodiën, van half vergane beelden en reliëfs een +wazige voorstelling van Griekse goden en Romeinse keizers en de fantasie +der studerende klerken was vervuld van een bonte menigte barokke beelden +van de Griekse mythenwereld en Romeinse geschiedenis. Maar vooral stond +men toch onder de invloed van de dekadente, vervallen oudheid; er waren +half-barbaarse triomfbogen en sarkofagen uit de latere keizertijd over +en bovendien had men mythografen en de lexicografen en de florilegia +uit de rhetoren-scholen die in 't bizonder bestudeerd werden. De Griekse +oudheid--Homerus zowel als de treurspeldichters--lag helemaal buiten +hun gezichtseinder; de schrijvers der Latijnse Gouden Eeuw--misschien +zelfs Ovidius en Virgilius--werden meest in latere prosa-bewerkingen +of uittreksels gelezen en in de nationalistiese interpretaties der +grammatici was Uranus tot een koninklike sterrekundige geworden, Medusa +tot een Libyse vorstin en Aeolus tot een weerprofeet en uitvinder van de +zeilen op de schepen. Reeds lang hadden zich hier en daar geesteliken +geamuseerd met een episode uit Ovidius of Virgilius in Latijnse +verzen te behandelen, maar van omstreeks het jaar 1100 af brengen +de rondtrekkende scholieren en halfgestudeerde speellieden talrijke +voorstellingen uit de oudheid in omloop. Aan de hoven zong men of +vertelde men van Narcissus en van Orfeus, of de geschiedenis van Dido +en Aeneas; dergelijke verhalen worden nu ook overal in de geestelike +romans ingevlochten. Enkele van die berijmde vertellingen naar Ovidius +zijn in 't Frans en Engels tot ons gekomen; ook nog fragmenten van +komplete vertalingen in het Frans en Duits van Ovidius' »Metamorphoses". +In de »Gesta Romanorum", een Latijnse verzameling van kleine +prozavertellingen, en de vele bewerkingen daarvan in de volkstaal van +verschillende landen, vinden we ook nog verschillende motieven van +Ovidius en Livius terug. + +Het is een geromantiseerde klassieke literatuur--barok ingekleed, +grillig en vreemd--soms erg nuchter en zonder enig begrip er van, in +huiselike middeleeuwse toestanden omgezet, soms daarentegen door vrome +geesteliken tot in een ideale sfeer opgeheven of door de fantasie der +speellieden tot het niveau van de gewoonste avontuurtjes teruggebracht. + +Eerst zijn er dan hele massa's goden en godinnen. Men raakt de kluts +bij al die namen gemakkelik kwijt: Apollo en Apelles, Cybele en Sibylle +zijn licht te verwarren; sommigen dachten eigelik, zoals b.v. de +kerkvaders, dat zij duivels waren,--zo werd er b.v. gezegd dat Apollo +door de Saracenen aangebeden en vereerd werd, even goed als Mahomed en +Tervagaunt en al die andere duivelse goden van hen--maar anderen +beweerden dat Apollo een speelman geweest was, die ook een uitstekend +jager was en de mensen à raison van zoveel de toekomst voorspelde. +Tovenaars en boze wezens waren het in elk geval; men moest maar eens bij +Meester Ovidius lezen, hoe Jupiter zich in alle gedaanten om kon toveren +en wat een hoereerder en Sodomiet hij was. Maar het was toch maar het +beste op goede voet met hen te staan, daar wist Paulus van mee te +spreken, toen de hele familie uit de Olympus met hun rijke gaven aan +kwam zetten,--Apollo met apoteek-zalf, Ceres met een massa zakken koren, +Pallas met een hele vracht boeken. + +Dan was er al die andere hekserij en duivelskunsten, waar de klerken der +oudheid van wisten te vertellen. Waternymfen zoals die ook in Bretagne +voorkwamen; zeemeerminnen en sirenen die »een lied zingen dat musica +heet, en dat de schippers in 't verderf stort"; de kleine duivel Spin +(d. w. z. Sfinks) die alle mensen in de afgrond wierp, welke zijn +raadsels niet konden oplossen; de tovenaar Virgilius die even ervaren +was in de zwarte kunst als Merlijn bij de Britten, en allerlei snuggere +mechanismen op 't Capitool te Rome aanbracht ter bescherming van het +Romeinse rijk. Toverij moet er ook geschuild hebben, dacht de trouvère, +in die geschiedenis van een vorst die een witte koe bezat die zulke +heerlike melk gaf en die hij door een man met honderd ogen liet bewaken, +of in het verhaal van de koningsdochter Ariadne, wier vrijers allemaal +naar een grote tuin gebracht werden, die zodanig ingericht was dat +niemand er weer uit wist te komen, terwijl er nog een lelik beest van +een leeuw ook in huis hield. Maar 't alleraardigste in al die klassieke +feeënverhalen was dat van koning Orpheus wiens koningin Heurodis naar 't +onderaardse feeënrijk van Pluto weggevoerd was. Wanhopend trekt Orpheus +weg en leeft als een wildeman alleen in 't bos: alleen zijn harp heeft +hij meegenomen en alle wilde dieren komen naar hem luisteren als hij +daar op speelt. Dikwels ziet hij daar in de stilte van het bos de +Alfenkoning op jacht met zijn gehele gevolg en onder de vrolike dames +daaronder ontdekt hij op een zekere dag zijn geroofde vrouw. In zijn +speelmanskleedij gaat hij met de stoet mede door een opening in de berg +naar het prachtige slot van de Alfenkoning en dààr speelt Orpheus zó +schoon voor de koning en het hof dat hij permissie kreeg zijn Heurodis +weer naar zijn eigen koninkrijk mede te nemen. (De Engelse Sir Orfeo +naar een verloren Frans _lai_.) + +Even als nu de ridderverhalen uit zijn eigen tijd tekenden zich voor +de trouvère al die mooie aandoenlike liefdesgeschiedenissen af, waar +Ovidius van vertelde,--van Prinses Atalante die met haar vrijers een +wedloop aanging en hoe een arm ridder die won omdat hij een rozenkrans, +een zijden ceintuur en een gouden bal bij zich had gestoken die hij +onderweg liet vallen; van Pyramus en Thisbe die niettegenstaande »die +huote" (de bewakers) in het groene bos elkaar zouden ontmoeten, maar zo +ongelukkig om het leven kwamen, maar vooral de schone geschiedenis van +Narcissus: dat was een allerheerlikste jonge man, met haar, zo verguld +dat een jonkvrouw het als gouddraad had kunnen gebruiken om mede te +borduren, en met een mond die alle vrouwen een »kus mij" scheen toe te +roepen, en ogen die reeds menige jonkvrouw gewond moesten hebben. De +vorstendochter zit aan het raam in haar vaders slot en wordt door Amor's +pijl verwond wanneer hij voorbij komt; slapeloos wentelt zij zich op +haar sponde heen en weer, zodat zij haar kamenier moet roepen om 't bed +over te maken, de volgende dag gaat zij in 't bos wandelen, en ontmoet +daar de ridder en bekent hem stamelend en blozend haar liefde,--alleen +om door de hardvochtige jongeling uitgelachen te worden. Maar de straf +van de God der liefde blijft niet uit. Als hij, vermoeid van de jacht, +zich bij een boom neer heeft gelegd, wordt hij door zijn eigen beeld +bekoord en versmacht van ongelukkige liefde; de vorstendochter komt de +stervende jongeling nog eens opzoeken,--met gebroken hart vindt men haar +later over 's jongelings lijk. + +En zo zijn er nog zeer vele geschiedenissen. Maar tot gehele grote +romans zwollen de vertellingen op van de drie meest belangrijke +gebeurtenissen in de oudheid: de strijd om Thebe, waar Statius in zijn +heldendicht van had verteld, de stichting van het Romeinse rijk door +Aeneas waar Virgilius van had gezongen en de verovering van Troje waar +Dares en Dictys een betrouwbare schildering van gegeven hadden. Deze +romans werden in het midden van de 12de eeuw in Frankrijk geschreven, +ergens aan de kant van Anjou-Poitou. + + * * * * * + +De twee epopeeën van Virgilius en Statius werden met ernst en ijverig +door de middeleeuwse literair-ontwikkelde geesteliken gelezen. Vooral +Virgilius was reeds van de laatste jaren der oudheid het Latijns +leesboek bij uitnemendheid voor alle scholen geweest, elke regel van de +Aeneis werd literair en uit een grammaties oogpunt verklaard; op het +toneel en in natuurschilderingen en geweven behangsels werden Dido en +Aeneas roerend afgebeeld en wat de Sofisten begonnen hadden, zetten de +middeleeuwse geesteliken voort: het gedicht werd allegories opgevat +en geïnterpreteerd. Zo was het vol van alle menselike wijsheid, als +een fabel symbolies aangeduid,--beweerde de kerk--en terwijl velen +in Virgilius de grote tovenaar en duizendkunstenaar zagen, en zijn +boek opsloegen om de voorspellingen er in, verklaarden anderen dat hij +Kristen was en verwezen daarvoor naar de bekende vierde Ecloga, waarin +de Mantuaan de zege van het kristendom voorspeld had. Zo werd ook +Statius tot een kristen gemaakt en de Thebaïde was niet minder beroemd +en alom bekend dan de Aeneide. + +Maar als de twee Latijnse heldengedichten nu tot onderhoudende romans +voor ridders en hun dames omgewerkt worden, zet de schrijver de deftige +hexameters en de epiese kunststijl eerst en vooral in een gewone +verteltrant en in achtlettergrepige rijmkroniekverzen om, waardoor alles +in een meer flegmatiese toon gestemd wordt en tot een heel wat lagere +sfeer afdaalt. »Infandum regina, jubes renovare dolorem," wordt tot +»Vrouwe zegt hij, al mijn smarte wekt gij weer van harte." »Et hæc +meminisse juvabit" heet nu: »Eens zal het u vreugde schenken,--hier weer +aan terug te denken,--dan deelt gij dikwels vrolik mee, 't kwaad door U +geleên op zee." »Manet alta mente repostum--judicium Paridis spretæque +injuria formae," luidt: »Juno, de hemelkoningin,--voor hen met afgunst +in den zin, had een gevoel van grote haat, voor elk die kwam uit Troja's +staat, sinds Paris 't oordeel had gesproken,--moest zij op Troja's macht +gewroken." De machtige kaskaden van 't oude rhythme zijn tot een vulgair +kabbelen en babbelen geworden. Zo wordt ook de gehele inkleding van de +epiese stijl weggeworpen: de vergelijkingen, de epitheta en de andere +rhetoriese figuren. En daarmede gaat ook het gehele mythologiese +godenapparaat overboord, dat er ook bij de Romeinse kunstdichters +reeds heel losjes bij hing en geheel verdwenen moet zijn in de +proza-bewerkingen voor schoolgebruik die de Middeleeuwse dichters +waarschijnlik gekend hebben. Wanneer Fama naar koning Euander ijlt met +de boodschap van Pallas' dood, wordt dit in de vertaling dat de koning +mannen uitzendt om nieuws te horen waar zij mee naar huis moeten komen. +In plaats van Iris in Virgilius komen gewone spionnen, zelfs de rol +van Venus in de Aeneis wordt eigelik niet veel meer dan die van een +goedgezinde fee, en terwijl bij Virgilius Camilla een amazone is, die +de kunst van bovennatuurlike sport verstond, wordt zij hier een gewone +jonkvrouw uit de ridderwereld die paard rijdt en de wapens weet te +hanteren. + +In 't algemeen ziet de Middeleeuwse dichter wat hij bij Virgilius en +Statius leest, in het licht van zijn eigen tijd en interpreteert hij de +woorden naar de betekenis die ze voor zijn eigen tijd hebben,--tekent +hij en kleurt hij alles volgens de opvattingen der tijdgenoten. Wanneer +hij van Thebe en Carthago leest, ziet hij de tinnen op de muren voor +zich, ophaalbruggen en torens op de stadspoorten die elk door een graaf +bewaakt worden. De tempels zijn voor hem gelijk Romaanse kerken, de +soldaten zijn ridders. Amphiareus wordt in zijn verbeelding tot een +aartsbisschop in helm en maliënkolder, gelijk Turpijn in het »Chanson +de Roland". Uitdrukkelik wordt hij met Turpijn vergeleken, gelijk Tydeus +met Roland, des morgens, wanneer de torenwachter op zijn horen blaast en +de nachtegalen in de pijnbomen slaan, komt Tydeus aangereden, kaarsrecht +zit hij op zijn paard uit Gascogne, met de lans recht naar boven, met +gulden sporen, met zijn zwaard dat Wieland gesmeed en meester Vulcanus +geslepen heeft,--precies als Roland voor zijn schare bij Roncevaux. +De Sibylle wordt een gerimpelde heks die de kunst van de »necromantie" +verstaat. Wanneer Ismene, de zuster van Eteokles haar geliefde verloren +heeft, gaat zij in een klooster en haar broeder verleent dat klooster +molens en het recht tot visserij in de rivieren die daar voorbij +vlieten. Nog meer wordt in de miniaturen der handschriften alles +gemoderniseerd. Wanneer de boodschapper bijv. bij Aeneas komt, treft +hij die aan het schaken. + +In vele opzichten ging het dan ook zeer gemakkelik om de oude +heldenfeiten in de sfeer der »chansons de geste" over te +brengen,--vooral omdat het Romeinse kunst-epos een naïeve oude +sagawereld behandelde die in meer dan één punt op het zelfde +beschavings-niveau stond als de Franse heldendichten. Wanneer Oedipus +als de moordenaar van Laius diens weduwe nog met bloedige handen tracht +te verzoenen door haar te huwen, dan is dat een erg barbarisme voor de +zo zeer gekultiveerde dichter uit de Romeinse keizertijd, maar voor het +publiek van de Franse heldenpoëzie was het gewoon en natuurlik. Evenzo +dat de koning van Argos, de avond zelf van de aankomst der verbannen +vreemdelingen, zijn dochters in de zaal doet leiden en ze aan de gasten +ten huwelik biedt. Op zulke punten vonden de Franse trouvère en de +rhapsode van de oorspronkelike oude Griekse heldensage elkaar weer +achter de artistieke behandeling van Statius. Of wanneer Tydeus met de +gezanten voor Thebe komt en gewapend de zaal binnenrijdt, waar de koning +met zijn mannen zit te eten,--wanneer Tydeus hun daar zijn uitdaging +naar 't hoofd slingert, waarop ze elkaar over en weer met bedreigingen +overladen, en wanneer hij dan op de terugweg in een hinderlaag valt, +maar er zich dapper doorslaat,--dan is dit presies als het de afgezant +van Karel de Grote verging in een van de Franse heldendichten. + +Maar toch is er genoeg nieuws en merkwaardigs dat de fantasie van +de Middeleeuwse dichter boeit. Feitelik leert hij van de antieke +kunst de wereld van buiten te schetsen en te schilderen. Terwijl de +oude kronieken droog waren en grauw en ook de heldendichten nog het +schilderachtige misten, leert nu de roman van Virgilius en Statius de +kunst van het beschrijven. Ofschoon,--zelfs nu vinden wij er nog geen +uitwerking in détails van gewone dagelikse dingen. Waar Virgilius +homeries schildert hoe de mannen van Aeneas vonken uit steen slaan, de +sintels in bladen bewaren enz., daar roept de trouvère alleen maar: »zij +legden een vuur aan en bereidden een maaltijd." Het elegies-romantiese +natuurgevoel van de stadsbewoner kent hij niet. Als Virgilius van de +sombere rotsen en schrikaanjagende bossen van de Libyse kust vertelt of +hoe de bladeren in 't najaar vallen en de kraanvogels voor 't vertrek +bijéén komen, laat de roman dit weg. Maar wel heeft die van Virgilius +en Statius geleerd de kleerdrachten en wapenrustingen te beschrijven, +een kamp of een storm op zee, offers in de tempel of gymnastiekspelen. +En dan tracht de schrijver alle beschrijvingen te overtreffen door +de pracht van zijn wapenen en tenten, grafmonumenten of kunst- en +vliegwerk,--presies als in de Alexanderroman. Op het kapitool van +Karthago worden van die zelfde toverwerken aangebracht die volgens de +»Mirabilia urbis Romae" op het kapitool van het oude Rome te vinden +waren; Karthago heeft magneten als muren--evenals er volgens de reizen +van Sindbad de zeeman, magneet-bergen (volgens de verhalen van een +Spaanse jood: glazen muren) om Damascus zijn. Men tracht Virgilius +te overtreffen bij het schilderen van de ongure détails van het +nederdalen in de hel, waarbij Charon tot een duivel wordt. Allerlei +natuur-merkwaardigheden worden er in gevoegd: uit het schuim op de bek +van Cerberus groeit een vergift, dat stiefmoeders aan hun stiefkinderen +geven. De mannen van Aeneas vangen kleine visjes waar ze rood purper uit +halen,--het zwarte purper krijgen ze daarentegen uit een slang die +krokodil heet, enz. + +Evenals in de Alexanderromans, ontleent men ook trekken aan de +kruistochten om een Oosterse lokale kleur te scheppen. Meer dan een +episode is uit de kronieken en heldendichten over de kruistochten, +naar 't schijnt, overgenomen. Daarin vindt men b.v. zulk een verhaal +als van een troep oude grijze soldaten die op het kritiese ogenblik +in een gevecht de kruisvaarders ter hulp waren gesneld,--niemand wist +waar vandaan,--in de geestelike kronieken is het een hemelse heerschare +van in het wit geklede martelaars (»militum Christi cohors candida" +is immers de oude naam der martelaars), in het heldengedicht zijn het +alleen maar veteranen die hun witte baard over hun kolder hebben laten +vallen, zoals in de Chanson de Roland de oude krijgslieden van Karel de +Grote doen. Die hulp door oude grijze mannen vinden wij ook weer in de +»Zeven tegen Thebe" terug. Evenzo kan men in een episode van diezelfde +roman een vertelling uit de kruistocht herkennen van een der emirs +van Antiochië, wiens zoon door de Franken gevangen was genomen, maar +grootmoedig naar zijn vader terug gezonden wordt met rijke geschenken, +waarop deze tot dank de stad verraderlik aan Bohemund overgaf. + +Maar het schelst komt het verschil van sfeer tussen het Latijnse epos en +de roman van de trouvères uit bij de behandeling van zielstoestanden. +Daar staat elegante kultuur tegenover naïeve natuur. Een jongeling die +met Ismene, de zuster des konings, verloofd is, wordt stervend uit de +slag naar huis gedragen en vraagt om nog slechts ééns, voor 't laatst, +zijn bruid te mogen zien. Bij de antieke dichter houdt een gevoel van +schaamte om haar liefde en smart op straat te tonen, de jonge vorstelike +maagd in haar vertwijfeling terug; haar moeder moet haar dwingen zich +naar zijn sponde te begeven en zo lang er mensen tegenwoordig zijn, +staat zij stil en kalm bij de stervende; eerst wanneer zij met de dode +alleen is, werpt zij zich jammerend op de baar neder en geeft haar +gevoelens lucht. In het Franse gedicht is het jonge meisje op het punt +van angst te bezwijmen, maar ijlt dan naar de baar van de stervende. +Daar valt zij dan als dood om, »koud als ijs en groen als klimop", +slechts merken de omstanders op dat er aan haar nek nog een ader is die +licht klopt; wanneer zij weer tot zich zelf komt, durft haar moeder haar +niet naar het lijk te laten brengen, maar Ismene verklaart dat als zij +'t niet te zien krijgt, haar hart van smart zal barsten. Lang daarna +blijft ze nog in aandoenlike klachten bij de dode zitten wenen. Dat zijn +naïeve, frisse menselike gevoelens tegenover stijve antieke »Sitte". + +Maar van de gehele tragiese grootheid in de sage over Thebe, +van de misdaden en de lotgevallen van een mensengeslacht die de +Romeinse rhetoricus gevoelde en trachtte te bewaren, blijft bij +de middeleeuwse geestelike niet veel meer over dan het aandoenlike +en het moreel-didaktiese. Hij schrijft--zo vertelt hij--om door een +afschuwwekkend voorbeeld te tonen hoe vreselik hij gestraft wordt die +»tegen de natuur" handelt, en hoe vreselik de vloek eens vaders werken +kan. Maar meest wordt de tragiek toch slechts aandoenlik. De kolossale +Tydeus zal b.v. de piep-jonge Aton in de strijd ontmoeten, de verloofde +van Ismene. Bij Statius verwaardigt hij zich niet werkelik met de jongen +te vechten, maar werpt in 't voorbijgaan honend een speer naar hem, +waardoor hij hem dodelik wondt, waarop hij kalm verder loopt, en +versmaadt het lijk te plunderen, gelijk een leeuw het bloed van het +kleine vee niet lust, maar alleen dat van de stier wil drinken. In +de Franse Roman daarentegen waagt Tydeus niet Aton kwaad te doen;--om +vele redenen, zegt hij lachend, wil ik niet met je vechten, gij zijt zo +schoon en nog zo jong en bijna ongewapend; gij had liever thuis moeten +blijven; je geliefde zou er geen plezier in hebben als wij samen vechten +gingen. Woedend over die spot, slaat de jonge man er nu op los, zodat +Tydeus zich zelf verweren moet, hij wil hem alleen maar even op zijn +schild slaan, maar kent zijn eigen kracht niet goed en, dodelik gewond, +stort de ander neer. De reus voelt zich daar heel en al ongelukkig over, +maar de verslagene erkent dat Tydeus zonder schuld is en wordt nu +stervend door de mannen van Tydeus naar Thebe gedragen. + +Reeds bij Statius wordt er een zachtere toon aangeslagen,--hij was +meer bij Ovidius dan bij Virgilius in de leer geweest--en nu toont +de romanschrijver alle mogelike voorliefde voor het aandoenlike, het +gracieuse, het galante en het erotiese. In Atys en in Parthenopaeus, de +vrijers van Ismene en Antigone, had Statius de ephebus getekend, zeer +jeugdig nog, die de rijpe oudheid zo graag zag, en in kunst en poëzie +vereerde. De schoonheid van de 15-jarige wordt in de ridderromans in +meer details aangegeven: zijn gezicht is witter dan »sneeuw op de +takken", met een zachte blos er over heen, de levende, heldere ogen +zijn vol vrolikheid, de volle kin zonder baard; zijn haar is omwonden +met een groen zijden lint, ook zijn kleêren zijn van zijde. Wanneer de +heldengedichten de knaap in strijd schilderden, was dat alleen om te +doen zien wat een waaghals hij was en hoe hij vurig en woest de anderen +in kracht trachtte te overtreffen. Hier daarentegen worden de lezers er +aan herinnerd wat er voor een fijne jonkvrouwelike wang achter de helm +en een tenger lichaampje onder de maliënkolder zit, en hoe de knaap +onder het gevecht naar zijn geliefde verlangt zo als zij naar hem. +Juist gelijk de heldenpoëzij de amazones, de »schildmaagden" bewondert, +omdat zij zich werkelik boven hun geslacht hebben weten te verheffen +en de mannen gelijk geworden zijn,--zo ook nog de Camilla van +Virgilius--terwijl daarentegen de ridderroman de gedachten meer in 't +bizonder vestigt op de naakte jonkvrouwelike huid onder de maliënkolder +en er de nadruk op legt hoe Camilla niettegenstaande alles vrouw is +gebleven, schoon en beminnelik: overdag duldde zij geen vrouw in haar +nabijheid, maar 's nachts kwam geen man haar maagdelik vertrek binnen. + +Het galant erotiese verknoeit, verwatert de wilde tragiek. Bij Statius +ijlt Jokaste, de oude moeder der twee strijdende broeders in de vroege +morgenstond, bleek met ongekamd hangende haren--een Erinye om aan te +zien--naar het vijandelike kamp, steunend op haar dochters; haar borst +is naakt en onder wild weeklagen slaat zij haar armen aan 't bloeden; +woest klopt zij op de poort en baant zich niettegenstaande alle +tegenstand een weg tot de koningstent waar zij haar klachten en boosheid +over haar zoon uitstort. Maar in de roman trekt zij netjes zo als 't +hoort met een gezantschap op weg, vergezeld van haar twee schone, fraai +uitgedoste dochters; voorname jongelingen leiden de paarden der dames. +Evenals Flore en Beauté in de Alexanderromans maken ze onderweg kennis +met een paar van de vreemde ridders die ze naar het kamp vergezellen. +Een van hen is de jonge vorst Parthenopaeus die »naar de Franse mode" +gekleed is. Die wordt terstond op de schone Antigone verliefd, wier +lichaam door het eenvoudig blanke purperen gewaad heen te zien komt, en +dat bovendien tot aan de gordel toe open staat; heur haar is omwonden +met zilverdraad. Onderweg voeren ze een levendige conversatie, zonder +onfatsoenlike woorden, maar toch ook niet al te ernstig of deftig, +integendeel schertsend en vriendschappelik. Hij vraagt haar dadelik of +zij zijn vriendin wil zijn. Trots maar beleefd antwoordt zij dat die +liefde wel wat al te spoedig in zijn werk zou gaan; zo iets kan men aan +herderinnetjes vragen en aan andere lichte vrouwen, maar zij is maagd en +koningsdochter en kan zich niet zo vlug tot zo iets lenen. »Maar daarom +zeg ik niet" voegt zij er met haar aangeboren natuurlikheid bij--»en +daar durf ik gerust voor uitkomen, dat ik u niet zeer lief kan hebben, +indien gij van mijn eigen stand waart, en het uitgemaakt was dat ik uw +vrouw zou worden. Want schoon zijt gij voor alle anderen en nooit zag +ik zulk een edel heer." Niets van dit alles vindt men bij Statius. Nu +vertelt Parthenopaeus dat hij uit een koninklik geslacht is en dan +vraagt zij hem er met haar moeder over te willen spreken. Die vindt +alles zelf wel goed, maar zij wil toch de zaak eerst thuis met Eteokles +overleggen en zo rijden ze verder; zo weinig bekommeren de jongelui zich +over de vredesonderhandelingen dat zij wensten dat de tocht naar 't kamp +nog lang zou duren. En als dan daarna Jokaste in de tent des konings +over de »overeenkomst" onderhandelt, blijven de jonge ridders haar +dochters gezelschap houden en maken ze 't hof (doneier) en ze vragen God +de onderhandelingen niet al te gauw ten einde te brengen. Ismene, die +in een goede leerschool geweest is, doet niets dan disputeren en weet +haar tongetje aardig te roeren; zij verdedigt het standpunt van Thebe, +terwijl Antigone met 't oog op Parthenopæus steeds aan de kant der +Grieken staat. Zo oppervlakkig is het tragiese konflikt in Antigone +voorgesteld. Wanneer de onderhandelingen mislukt zijn en de strijd +opnieuw ontbrandt, zendt Parthenopæus het paard van een verslagen +Thebaan als trofee naar zijn dame--zij en Ismene zitten juist onder +de schaduw van een pijnboom naar het gevecht te kijken--en Antigone +zendt hem haar groeten terug met een betuiging van haar gevoelens van +liefde.--Intussen volgt Ismene met haar ogen de heldendaden van haar +geliefde, de Thebaan Aton,--zij herkent hem aan de zijden mouw die hij +als haar ridder draagt--en zij raakt door die heldendaden zo zeer in +vervoering dat zij zweert hem te zullen belonen: Of ik nu een domheid +bega of niet, maar ik geloof toch dat ik bij hem zal slapen. + +Ook koning Eteokles had een liefdesavontuur, hij maakt de dochter van +een zijner aanvoerders het hof,--en de aard van zijn verhouding tot haar +wordt nog aangegeven door het zeer weinig fatsoenlike portret van zijn +geliefde dat hij voor de grap op zijn schild heeft laten aanbrengen (ook +graaf Willem van Poitou liet zijn vriendin op zijn schild afbeelden; +hij wilde haar in de slag dragen die hem zo dikwels in het bed gedragen +had). Zij had heel lang de gebeden van haar koning weerstaan, maar +eens had haar vader een verraad begaan, en nu stond zijn leven op +'t spel en Antigone leidde nu de jonge maagd naar haar broeder. Een +pikant-aandoenlike scène,--die, gelijk zo dikwels in de middeleeuwse +romans veel naïefs en ruws achter sentimentaliteit verbergt. Wij horen +hoe schoon zij in haar verdriet is; van haar haar dat zij zich niet de +moeite gegeven heeft op te maken; de kleine zachte mond welks volle +lippen als gemaakt zijn om te kussen; haar ogen, glimlachend en vol +liefde, die nu bedauwd zijn; haar tranen, schoner dan de glimlach van +andere vrouwen; onschuldig ziet zij er uit, haar woorden klinken zacht. +De koning kan zich nauweliks inhouden om haar niet vriendelik te gemoet +te snellen, maar hij verliest zijn waardigheid niet uit 't oog en wil +haar nu geen medelijden tonen die dit nooit voor hem had. Maar Antigone +zal haar voorspraak zijn, en zij raadt hun aan elkaar barmhartigheid te +tonen en zij slaagt er in de verzoening te weeg te brengen. En van nu af +is Salamandre de vriendin des konings, dikwels trekt hij ten strijde om +in haar ogen uit te blinken; wanneer ze alleen zijn, beloont zij hem +daarvoor. + +Maar bij een kamp, werpt Parthenopaeus de koning van zijn paard--doden +wil hij hem niet, want hij hoopt immers zijn zwager te worden--maar +verraderlik velt een van 's konings trawanten de jonge held, tot grote +smart van Eteokles die zelf zijn zuster's hand voor hem bestemd had. +Boven in een van de torens zitten juist Antigone en Salamandre bij +hun borduurraam naar de strijd te kijken; vergeefs tracht de laatste +de wanhopige koningsdochter in te houden.--»Gij zijt van koninklijk +geslacht," zegt zij eigenaardig genoeg, »en moet u kunnen beheersen, +opdat men u niet lake,"--maar nog geen week later heeft Antigone zich +dood geweend. + +Dit alles is er bijgevoegd en de elegante figuur van de jeugdige +Parthenopaeus ging even als de jonge liefde van Aton en Ismene reeds +in de laatste helft van de 12de eeuw in de gemeenschappelike poëtiese +schatkamer van de lyriek der troubadours en hun romans over. + +Maar in de »Roman van Aeneas" kwamen er twee liefdes-episodes voor +waarbij die in de roman van Thebe in 't niet verzonken. De gehele +nationale achtergrond waarop in het Romeinse epos de avonturen van +Aeneas zich aftekenen en van waar ze verlicht worden, is in de +middeleeuwse roman natuurlik verdwenen. De Aeneis toch was een Romeins +nationaal gedicht, geschreven ter verheerliking van het Romeinse +keizerschap om de stichting van het rijk aan het overoude, eerwaardige +Ilium te verbinden en het onder de bescherming der eeuwige machten te +plaatsen; dat alle avonturen van Aeneas, van de val van Ilium af tot de +opoffering van Dido toe, schakels zijn in de keten van een goddelike +wereldorde, die tot het Augustiaanse keizerrijk leiden moet,--dat is de +idee die grootheid en waardigheid, ethiek en pathos over alle personen +en gebeurtenissen van het gedicht werpt. Maar in de Middeleeuwse roman +schrompelden die reuzenafmetingen in tot een heel weinig belangrijk +geschiedenisje van een vluchteling, die met enige schepen omdwaalt, +gastvrij door een koningin ontvangen wordt, die hem lief heeft, maar +die hij trouweloos verlaat, waarop hij grond in Latium verwerft en in de +strijd het rijk en de koningsdochter weet te veroveren. Een avontuurlike +roman zoals b.v. Apollonius van Tyrus dat geweest was, en zonder dat +er sprake is van noodlot of een missie. De enige hoofdepisode is zijn +liefdebetrekking tot de koningin van Carthago. De vorstin die evenals +Medea in de oude saga een vreemdeling haar liefde schenkt maar door hem +verlaten wordt, heeft bij Virgilius een myties-heroiese grootheid over +zich en er is iets van een natuurmacht, iets van een noodlot in de +liefde van die twee en haar dood. In de Franse roman daarentegen is het +niets dan een avontuurtje tussen een man en een vrouw, die hun luimen +volgen en zelf hun noodlot bezegelen. Naïef wordt er eerst verhaald hoe +Aeneas, vergezeld door Ascanius, op bezoek komt in het slot van Dido; in +de roman bepaalt zich de goddelike interventie tot het feit dat Venus +het gift van de liefde op de lippen van de knaap uitgegoten heeft, +en terwijl onder het bezoek dan eens de gastvrouw, dan eens de vader +dat lieve kind kussen, zuigen ze beiden de liefde in. Vooral vlamt +die in Dido op en als zij des avonds hare gasten op 't slot naar bed +heeft gebracht, »kan zij er zich nauweliks toe brengen weg te gaan". +Familiaar en realisties wordt dan haar slapelooze nacht geschilderd. +Waar Virgilius zich vergenoegt met te zeggen dat »de liefde-onrust gunt +geen slaap haar in de ogen", gaapt hier de heldin, rekt zich uit, zucht, +denkt er over na hoe hij was en wat hij zeide; zij zoent het hoofdkussen +en omhelst het, terwijl zij zich verbeeldt dat zij hem naakt in haar +armen sluit. Met zulke détails schilderde ook de troubadour van Provence +de slapeloze nacht van zijn geliefde. Met de dageraad staat ze op en +roept haar kamenier niet, maar ijlt terstond naar haar zuster Anna. +Bij Virgilius houdt zij dan een lange pathetiese rede tot haar zuster +volgens alle regelen van de kunst, over haar liefde tot de vreemdeling, +maar ook over de eed die zij haar gestorven echtgenoot gezworen had +dat zij eeuwig weduwe zou blijven. Naïef, maar natuurgetrouw heet het +in de roman: »Anna, ik geloof dat ik niet langer kan blijven leven, +zuster!"--»Wat is er dan gebeurd?"--»Ik ben mijzelf niet meer, ik kan +het niet meer verbergen: ik heb lief."--»En wie is het?"--»Dit zal +ik je zeggen, het is voorwaar hij..." Maar wanneer zij zijn naam zal +noemen, valt zij in zwijm en kan zij pas later voortgaan. Haar zuster +antwoordt ook niet in zulk een deftige speech als de Anna van Virgilius, +maar tracht haar te doen begrijpen,--prakties en cynies, als later zo +dikwels de koppelaarsters in de ridderromans--dat die trouw jegens een +afgestorvene nu niet zo heel veel betekent, dat zij van hem toch geen +plezier kan hebben of een erfgenaam krijgen; het is een goed waar woord: +»laat de doden voor de doden en de levenden voor de levenden zorgen." Er +moet toch ook iemand zijn om het land te verdedigen. + +Nu geeft de koningin zich geheel en al aan haar passie over en onder +het samenzijn met Aeneas groeit die de volgende dagen steeds aan; zij +weet niet wat zij doet, vraagt haar gast duizend maal hetzelfde en +vertelt hem los en vast, alleen maar om met hem te kunnen praten. Om +haar gedachten te verzetten--hier worden de gebeurtenissen weer, als +gewoonlik bij de Middeleeuwse dichters, zuiver psychologies gemotiveerd +zonder het Virgiliaanse godenapparaat--arrangeert zij een jachtpartij. +En gedurende die jacht is het dan dat Aeneas en Dido in een grot een +schuilplaats zoeken voor een onweer. »Die dag was het begin van dood en +ongeluk; om decorum en haar reputatie geeft zij niet meer, zij vraagt +niet om heimelike liefde, zij spreekt van een huwelik en verschoont haar +val met deze naam." In die kuise algemene bewoordingen duidt Virgilius +aan wat de trouvère zich niet geneert rond uit te zeggen: »Daar zijn +die twee nu alleen tesamen, hij doet met haar wat hem lust, veel geweld +hoeft hij niet te gebruiken. De koningin weigert hem niets, maar geeft +hem zijn wil; lang had zij er zelf naar verlangd." Bij Virgilius waar +alles goddelik bestierd is met het oog op de missie van Aeneas, is het +eigelik alleen Dido die lief heeft en wanneer Mercurius kort daarna +Aeneas beveelt verder te trekken, gehoorzaamt deze zonder aarzelen. Maar +hier voelt hij twijfel en gewetenswroeging, voor dat hij zijn besluit +nemen kan. En 't duurt niet lang of Dido doorziet zijn plannen. Bij +Virgilius raast Dido dan als een furie of een Bacchante in het paleis +en de stad rond en giet in lange tirades haar klachten over de verrader +uit, haar verwijten, haar woede en haar vloek: zij wenst zijn dood +en verzekert dat zij als een zwarte furie om zijn lijkstoet zal +fladderen. Anders bij de Franse Dido, zij is in 't kristendom opgevoed +en in de wereld der baronnen en spreekt met heel wat meer vrouwelike +ingetogenheid en zachtheid, zij smeekt om medelijden, vraagt hem of zij +iets misdaan heeft, is bang voor haar baronnen die er al lang boos over +waren dat zij zich met de vreemdeling ingelaten heeft, en zegt dat het +haar dood zal zijn. Wanneer Aeneas weg zeilt, gaat zij de vrijwillige +vlammendood tegemoet op die zelfde kussens waarop zij zijn liefde +genoten heeft en kust het bed en zijn feestklederen, ten teken dat zij +hem vergeven heeft. Terwijl de vlammen haar schone, blanke, zachte +lichaam lekken, is »Aeneas" het enige woord dat zij er nog uit kan +krijgen. Haar as wordt in een urn gedaan waarop geschreven staat: »Hier +rust Dido die voor haar liefde in den dood ging; nooit was er een betere +heiden, als zij alleen maar niet plotseling door liefde was getroffen, +maar haar liefde was misdaad." Terwijl Virgilius in Dido's dood alleen +maar een grote hartstocht zag in haar schoonheid als natuurmacht, werd +die voor de middeleeuwse dichter een voorwerp van aandoening en +medelijden, een zedelik afschuwwekkend, maar ook stichtelik voorbeeld. + +Later landt Aeneas dan in Latium, waar koning Latinus heel spoedig +geneigd blijkt de vreemdeling als zijn schoonzoon en erfgenaam aan te +nemen, terwijl de koningin haar dochter Lavinia aan koning Turnus wil +geven, die oudere rechten op haar kan laten gelden. De betrekking tussen +Aeneas en Lavinia, bij Virgilius vluchtig aangeduid, maar misschien meer +uitgewerkt in een niet overgeleverd later Latijns gedicht, wordt in de +roman aangegrepen als een welkome aanleiding om daar weer een andere +lang uitgesponnen liefdesgeschiedenis aan vast te knopen, waarin het +onschuldige verliefdheidje van de jonge koningsdochter een schone +tegenstelling vormt met de hete, ervaren passie van de vorstelike +weduwe. + +Lavinia's moeder wil haar kind liefde voor Turnus doen voelen en tracht +haar nu te verklaren wat liefde eigelik voor een eigenaardige koorts is. +Maar als 't jonge meisje die beschrijving hoort, is 't enige wat zij +daaruit afleidt, dat zij zich die ziekte wel van 't lijf zal weten +te houden. Dan verklaart haar moeder verder hoe die ziekte juist zijn +geneesmiddel in zich draagt, hoe er vreugde welt uit tranen en uit het +bittere, zoet; laat zij maar even naar 't beeld van Amor kijken, die +heeft pijlen maar ook een doos met zalf tegen de wonden door de pijlen +veroorzaakt. Dit helpt alles niets, het jonge meisje wil haar rust +bewaren. Deze hele scène herinnert aan de zoetsappige naïeveteit in +»Daphnis en Chloë" of andere latere klassieke liefderomans. Intussen +krijgt Lavinia onder een wapenstilstand van uit haar torenkamer Aeneas +in het oog in het vijandelik kamp, en op 't zelfde ogenblik wordt zij +door een liefdepijl gewond. Zij opent haar kamerdeur om hem beter te +kunnen zien en vraagt nu zich zelf af--evenals Chloë--wat er toch +eigelik is. Zou dat de ziekte zijn waar moeder onlangs over sprak? +Maar waar zou de medicijn dan blijven die Amor, zoals moeder zeide, +medebracht? Ik ben bang dat de doos verloren is en de zalf weg! Maar +ik moet verbergen wat mij scheelt. Moeder zal woedend zijn dat ik de +erfvijand liefheb. En zij blijft zo in zich zelf praten; daar komt +het innerlike drama van het gehele zieleleven te voorschijn, waar +de klassieken en de geestelike literatuur het oog der middeleeuwse +schrijvers voor geopend hebben en die de romans van nu af, in eindeloze +spitsvondige dialogen met zich zelf, trachten weer te geven. Een +ogenblik denkt zij er werkelik aan zich tussen Turnus en Aeneas te +verdelen, maar zij zet die lelike gedachte van zich af: ware liefde gaat +slechts van één tot één; men kan tegen velen glimlachen, maar hij die +meer dan een wil liefhebben, houdt zich niet aan de voorschriften der +liefde. Zij denkt er over een boodschap naar Aeneas te sturen maar +durft toch de eerste stap niet doen, hij mag toch niet denken dat zij +lichtvaardig is. De gehele dag zit zij te staren in de richting die +hij genomen heeft, en 's nachts ligt zij slapeloos te klagen dat Amor +zo wreed is een arm, weerloos jong meisje te overvallen. Wanneer de +koningin de volgende dag haar dochter zo bleek en afgevallen ziet +verschijnen, begrijpt zij heel gauw wat haar scheelt en letter voor +letter--in hele korte vragen en antwoorden, bijna als in de Latijnse +komedies--weet zij de naam van het »voorwerp" uit Lavinia te halen. +Verbitterd dat dit nu juist Aeneas moet zijn, tracht zij Lavinia tot +andere gedachten te brengen door de ruwste en verschrikkelikste +beschuldigingen tegen hem in te brengen, hoe Aeneas aan de paederastie +doet,--ook dit duidt op een laat klassieke bron voor deze episode. +Maar het helpt alles niet; wanneer het jonge meisje alleen gebleven +is, schrijft zij een brief »tot en latin", waarin zij Aeneas haar +liefde bekent en om de zijne vraagt. Zij bindt die brief aan een pijl +en weet door een list een boogschutter er toe te krijgen die naar +het vijandelike kamp te schieten. Die liefdegroet is wel enigsins +onvoorzichtig, maar bereikt toch zijn doel. De pijl valt naast Aeneas +neer, die ziet de brief, leest die en kijkt in de richting van de toren +waar zij hem kushanden toe staat te werpen. Als in de Noordfranse +romances is het jonge meisje het nog dat het initiatief neemt; wij +zijn nog niet tot het troubadour-standpunt gekomen. Aeneas neemt de +toenadering goed op en staat van nu af dikwels naar de toren te kijken, +tegenover zijn mannen doet hij heel naïef, net alsof het de toren zelf +is die hij bewondert, maar zij begrijpen er alles van en plagen hem met +allerlei toespelingen. Maar het is ook hier altijd de vrouw die 't meest +door de liefde geplaagd wordt als in 't geval van Dido; maar _hij_ vindt +niet dat het geheel en al met zijn waardigheid strookt om te laten +merken dat hij verliefd is en hij laat zich daarom soms een ganse dag +niet zien. »Hij die een vrouw wil liefhebben, zo redeneert hij, moet +zijn hart niet al te haastig voor haar openen, hij moet zich enigsins +op een afstand houden, want als de vrouw weet dat zij de sterkste is, +krijgt hij dat spoedig te voelen." Wanhopig begint Lavinia hem reeds van +al dat slechte te verdenken dat haar moeder haar voorgelogen heeft en +besluit hem van nu af te haten,--»als ik hem tenminste van ganser harte +haten kàn"; maar wanneer zij hem tegen de avond voorbij ziet rijden, +zelf onder de indruk van wat zijn liefde hem doet ontberen, krijgt zij +berouw over haar boosheid. »Ach! het duurt te lang voor hij zijn recht +van mij opeist. Zoete vriend, te voet zou ik naar uw tent willen gaan, +het zou mij een genot zijn smart voor u te voelen." Het is als 't gevoel +voor Abélard voor Héloise die zijn slavin wilde zijn. Zelfs als Aeneas +eindelik Turnus, zijn mededinger, geveld heeft en recht heeft op +het rijk en de prinses, houdt hij haar nog lang in haar smartelike +onzekerheid; uit een soort trots of een soort verfijnde wreedheid wacht +hij nog met zijn bezoek bij haar, en zij is verdrietig, daar zij denken +moet dat hij haar veracht omdat zij de eerste stap gedaan heeft. Totdat +ten slotte de kroningsfeestelikheden en de bruiloft op één dag plaats +hebben. + +De episoden van Dido en Aeneas zowel als Lavinia en Aeneas bleven een +voorbeeld voor talrijke latere ridderromans. Dit was over het algemeen +ook met de roman van Aeneas het geval, niet alleen wat betreft de +schilderachtige beschrijvingen, maar ook wat de levendige gesprekken +aangaat, pikant gepointeerd, toen reeds echt Frans-spiritueel. + +Maar ook deze roman werd in de schaduw gesteld door een andere en latere +navolger--het enorme werk van Benoît de St. More--de »Roman van Troje", +een gedicht uit ± 1160 en dat in vele opzichten onder de invloed van +zijn twee voorgangers staat. + + * * * * * + +Van alle verhalen uit de oudheid was er geen één dat de Middeleeuwen +zo bezig hield als dat van Troje. Evenals de Romeinen van de gevluchte +Trojanen heetten af te stammen, zo trachtten zowel patriciese +geslachten, enkele steden, als verschillende volken--Franken zowel als +Britten--hun oorsprong tot Troje op te voeren. Reeds in de 7de eeuw kan +men in de kroniek van Fredegarius lezen dat de Franken van Francio, de +zoon van koning Priamus afstammen en in de offisiële dokumenten der +Franse koningen komt die bewering voortdurend weer voor den dag. In een +kroniek van de 9de eeuw beweren de Britten van hun kant ook van Troje te +komen door een afstammeling van Aeneas, genaamd Brutus, waar ook de naam +Britten dan vandaan zou komen. En er waren ook reeds heel wat Latijnse +kronieken en Latijnse gedichten over de val van Troje geschreven, vóór +een geestelike zich er nu toe aangordde om een berijmde roman over de +beroemdste van alle klassieke verhalen te schrijven. + +Zijn bron was niet Homerus, maar twee Latijnse prosawerken, die +respektievelik Dares en Dictys als schrijver noemden en die vrij korte +uittreksels schijnen te zijn van Griekse of Latijnse werken uit de +latere classiciteit. + +Het was een heel wat andere vorm waarin de geschiedenis van de +verovering van Troje zich hier deed kennen dan bij Homerus. Alle twee +de schrijvers doen zich voor als betrouwbare historici die zelf als +ooggetuigen de gebeurtenissen hebben bijgewoond, dageliks hun dagboek +daarover hebben bijgeschreven--Dares aan de kant der Trojanen, Dictys +bij de Grieken--en die nu droog, kort en nauwkeurig, alles mededelen +zoals dat een geschiedkundige uit de school van Thucydides en Sallustius +past, zonder de partijdige leugens of de poëtiese fabelen van Homerus, +en dus ook zonder de godenwereld die hij er zo kinderachtig bij haalt. +Benoît de St. More in zijn Roman van Troje, gelooft vast en zeker dat +zijn autoriteiten zelf in het Griekse en Trojaanse kamp rond hebben +gedoold, maar dat verhindert niet dat hij zelf de droge mededelingen +van zijn geschiedschrijvers met alle details aanvult die hij maar te +pakken krijgen kan. Hij is uitstekend thuis in de wereld der Franse +heldendichten en er lopen hem gedurig formulen en citaten daaruit in de +pen; gevechten en verwondingen schildert hij ook met grote kennis van +zaken en er ligt over zijn verzen iets van het strijdgenot zelf, de +»gaudia certaminis" der heldendichten, wanneer er in de horen geblazen +wordt, de wapens in de zon schitteren, de banieren over het strijdgewoel +waaien en de zwaarden tegen de helmen dreunen; het is dan ook zeker wel +uit zijn hart gesproken wanneer een der helden van de oorlogszuchtige +geestelike zegt: dat men nooit naar priesterraad luisteren mag, dat zijn +altijd lafaards, die moeten thuis blijven, in de kerk bidden en zich +niet met ridders bemoeien. Maar de romanticus die hij is, weet heel goed +dat het leven in de Griekse oudheid er anders uitzag dan in Frankrijk +ten tijde van Lodewijk de zevende en hij amuseert zich zelf zowel als +zijn lezers met alle fraaiigheden op te dissen die hij maar vinden kan. +Hij vertelt van lijkverbranding en de spelen die daar bij plaats hadden, +»want dezulken lees ik dat men in die dagen arrangeerde wanneer er een +held gestorven was." Aan de verhalen over de kruistochten en aan het +Oosten ontleent hij--evenals zijn voorgangers--heel wat exotiese kleur, +nog meer bovennatuurlike natuurkunde en stukjes naïeve middeleeuwse +kosmografie. Alles wat oud is en vreemd en merkwaardig, is voor hem één +en hij zwelgt er gewoon in. Wat weet hij al niet te vertellen? Van de +stad Troje, waar alles van marmer is en de straten geplaveid waren en +gedeeltelik overdekt, zodat men er lopen kon zonder vuil te worden. +Over het slot van Priamus dat hij bij zijn beschrijving versiert in +de trant van de tempel van Salomo in het Boek der Koningen, of van +het zonnepaleis bij Ovidius of het keizerlik paleis te Byzantium; in +elke zuil en in elk kapiteel zijn bloemen- en dieren-versieringen +gebeeldhouwd (als in de Romaanse kerken), de ramen zijn van kristal en +in de kamers vindt men gouden standbeelden. Bizonder merkwaardig is »de +Kamer der Schoonheid" die haar licht alleen kreeg van al de edelstenen, +waarvan de vloer en de muren, de zuilen en de zoldering samengesteld +waren--dezelfde waar ook het nieuwe Jerusalem in de openbaring van +Johannes mede was opgebouwd,--en aan de zuilen waren weer beelden +aangebracht die gelijk automaten dansten en speelden, bloemen op de +grond strooiden en welriekende geuren verspreidden. Dan vertelt onze +geestelike verder van al de prachtige en wonderbare kleêrdrachten die +de Trojaanse dames aan hadden--al de nieuwe kleurrijke stoffen van de +Levant met bonte patronen--en over de kleedij der soldaten, hun wapens +en hun prachtige fantastiese schildversieringen, de met edelstenen +bezette gouden helmen, hoeden van Indiese vogelveren, de mantel van +Hektor uit rood laken van Saragossa, met vergulde leeuwen bedekt, met +hermelijn gevoerd en met een rand van zwart sabelbont; de witte zijden +paardendekken met vergulde bellen; strijdwagens van ivoor, de wielen van +ebbenhout met goud beslagen. Zulke wonderwerken zijn dan natuurlik door +tovenaars gemaakt of een geschenk van feeën. Wij horen ook van Centauren +die aan het gevecht deelnamen en met pijl en boog schieten,--gelijk men +ze onder de figuren van de dierenriem der Romaanse kerkportalen in steen +uitgehouwen kan zien. Ten slotte vindt Benoît nog gelegenheid om, naar +een fabuleuze wereldbeschrijving van voor de tijd van Karel de Grote, +een heel overzicht te leveren over de merkwaardige landen en rivieren en +volkeren van het Oosten. + +Ook de persoon zijner helden weet hij te beschrijven tot in de kleinste +détails. Hier had hij de eigen woorden van Dares om zich aan te +houden. Bij Dares en zeker ook wel bij Dictys waren er een hele reeks +karakteristieken te vinden van alle personen, hun innerlik zo wel als +hun uiterlik,--in de compendia die tot ons gekomen zijn, werken die met +de nauwkeurige opgave van alle kentekenen als een soort offisiële pas. +Het is waarschijnlik een soort uitvinding der rhetoren, net als de +nauwkeurige beschrijvingen die men er plezier in had van kunstwerken te +geven,--dergelijke voorstellingen van de optredende personen door een +korte opgave van uiterlike en innerlike trekken kennen trouwens ook +de IJslandse sagen. Van Grieken zowel als Trojanen worden door onze +exacte, realistiese geschiedschrijvers de eigenaardigheden, maar ook de +ondeugden opgesomd. Helena heeft een moedervlek, Briseis wordt enigsins +ontsierd door haar samengegroeide wenkbrauwen, en er is ook iets niet in +orde met Priamus die enigsins vreemd spreekt. Neoptolemos heeft een te +dikke buik en grote ronde ogen; die had de rechten bestudeerd en kon +verzen maken; de kleine dikke roodharige Aeneas is wel verstandig, maar +denkt altijd 't eerst aan zijn eigen voordeel. Paris die anders zo +schoon is, loopt toch met een enigsins kromme rug. Zelfs van Hektor +kan men bij Dares lezen dat hij scheel is en stottert. En zo moet ook +de trouvère wel in alle eerlikheid toegeven dat zijn lievelingsheld +»wel iets schoner had kunnen zijn" en dat hij niet alleen iets of wat +stotterde maar ook aan beide ogen scheel zag,--»wat hem toch volstrekt +niet misstaat" haast hij zich er bij te voegen. En niettegenstaande al +die kleine gebreken houdt hij de baronnen van de 12de eeuw toch al die +Grieken en Trojanen voor als de typen van »hoofsheid" en ridderlikheid. +De trouvère wil juist in zijn gedicht de grotere beschaving der Grieken +als een ideaal zijn tijdgenoten voorhouden. Hij doet b.v. uitkomen +hoe daar in de oude tijd de gezanten zeker konden zijn dat ze nooit +overlast zouden lijden,--iets wat hun in de Franse »chansons de geste" +voortdurend overkomt. Hij prijst Achilles in tegenstelling met de +baronnen der heldenpoëzij daarvoor, dat hij nooit nà tafel onder een +beker wijn zou blijven zitten pochen. Wanneer Achilles en Hektor voor +de tweekamp tegenover elkaar komen te staan, beginnen zij eerst alle +twee te snoeven en te dreigen--zoals dat in de heldenpoëzie gewoonte +was--maar Hektor breekt plotseling af en zegt dat hij zijn mond niet +vuil wil maken met dingen waardoor de mens niet beter wordt. Theseus +waarschuwt in het gevecht Hektor dat hij zich in de hitte van het +gevecht te ver van zijn mannen gewaagd heeft, later krijgt Hektor +gelegenheid hem een dergelijke dienst te bewijzen. Maar de trouvère +vindt het heel lelik wanneer Hektor eens een gevallen vijand +plundert,--iets wat de krijgers in de heldengedichten kalm doen en +men ook op het wandtapijt van Bayeux ziet gebeuren. + +De Trojanen--aan wier zijde Benoît staat evenals de gehele +Middeleeuwen--overtreffen de Grieken in hoofse vormen. Elke avond, +wanneer zij de strijd verlaten en hun wapenrustingen uitgetrokken +hebben, worden ze tot fijngekultiveerde mensen. Wanneer Hektor thuis +komt, gaat hij eerst zijn mannen in hun nachtverblijf opzoeken, en geeft +order om de gewonden goed te verzorgen en spreekt hun moed in. Dan pas +gaat hij naar zijn kasteel en dan trachten de dames om strijd hem zijn +wapenrusting uit te trekken,--nooit zouden zijn schildknapen dat mogen +doen. Eens komt hij gewond thuis, het valt hun lastig hem zijn bebloede +rok uit te trekken, zijn echtgenote Andromache weent, en hij wordt in +een prachtig bed gelegd in de »chambre de beauté", waar een beroemd +geneesheer de wonden komt behandelen. Vóór hij in slaap valt, komt +zijn oude vader, »de edele, hoofse koning Priamus", angstig naar hem +informeren, maar Hektor antwoordt geruststellend. Steeds wordt de oude +man grote eerbied bewezen; de kinderen zijn er altijd op uit hem zo min +mogelik verdriet te doen en wanneer de koningin der Amazonen, na de dood +van Hektor, de stad ter hulpe snelt, is zij vol medelijden met de oude +koning, want hij weent groteliks over de zonen die hij verloren heeft. +En als een goede, edele vrouw troost zij hem zo goed als ze kan. Gelijk +het ook in de raadsvergaderingen heel wat meer parlementair en beschaafd +toe gaat dan b.v. in het Rolandslied--Hektor is het met een voorslag +niet eens en argumenteert er tegen, maar zegt ten slotte dat hij zich +natuurlik niet wil verzetten tegen wat de anderen het beste zouden +vinden,--zo is er ook altijd de warmste, schoonste verhouding tussen +alle leden der koninklike familie, de schoondochters inkluis. Iedereen +kust daar iedereen,--en overal. Angstig volgen de dames overdag de +strijd van de muren af, 's avonds komen de vorsten de dames in de »kamer +der schoonheid" bezoeken; hier praten ze gezellig met elkaar en de oude +koningin maant alle aanwezigen in bewogen woorden aan om »lor cors, lor +terre et lor aveir" eensgezind te verdedigen. Tegenover Helena zijn +allen louter galanterie; reeds dadelik toen zij naar Troje kwam, was +koning Priamus haar tegemoet gereden en had haar paard bij de teugel de +stad ingeleid; nooit krijgt zij het minste verwijt te horen, hoogstens +kan Hektor eens op een manier, die ons niet heel delikaat lijkt, een +grap verkopen over »haar twee echtgenoten", die zij nu samen kan zien +vechten. + +Hoofse beminnelikheid, een milde zachte humaniteit is het voor +Benoît waar men de ware adel aan herkent. Reeds die hiervoor genoemde +»signalementen" hadden dit bizonder doen uitkomen, maar de geesteliken +gaan hierin veel verder. Achilles was »nimmer zwaarmoedig en korzelig, +maar opgewekt, milddadig en royaal",--Patroklus is een innemend, +beminnelik ridder, die niets gesteld is op boosheid en verdriet; van de +dikke Polidarius heet het daarentegen dat hij zwaarmoedig was en nooit +van vrolikheid hield, wat een berisping verdient. Priamus wordt geprezen +wegens zijn zachte lieve stem en omdat hij zo veel hield van liederen +en geschiedenisjes. Maar vóór allen is Hektor het ideaal van een +ridder. Zijn »cortesie" is zo groot dat Grieken zowel als Trojanen in +vergelijking met hem »gewone boeren" zijn, nooit gebruikte hij lelike +woorden of sprak hij kwaad, altijd toonde hij zelfbeheersing, alleen gaf +hij te graag alles weg, en gaf niets om goud of paarden of edelstenen, +»alleen zijn edel gemoed hield hij voor zich". + +Maar toch,--de natuur gaat boven de leer, en telkens als de trouvère +zich eens goed en van nabij in de stof inleeft, vergeet hij dat hij zich +in een hogere, meer ideale sfeer moet bewegen en dan haalt hij, evenals +de dichter van de roman van Aeneas, alles in de nuchtere naïeve +werkelikheid neer waar hij thuis hoorde. + +Een van de schoonste scènes van de Ilias is die waar Hektor naar zijn +woning gegaan is om voor de strijd van zijn vrouw afscheid te nemen, +maar haar met zijn kind en de voedster tegen komt, vol onrust en angst. +Zij smeekt hem om thuis te blijven. »Vrouwe, dit alles bekommert +mij ook," antwoordt hij, maar het is zijn plicht om ten strijde te +trekken... en dan wil hij zijn jongen in de armen nemen, maar die is +bang voor 't »golvende, de helmkam dekkende paardhaar" en kruipt weg, +zodat vader en moeder elkaar in een gelukkige glimlach over hun kind +ontmoeten. Nu neemt Hektor zijn helm af en kust zijn jongen en wiegt +hem in zijn armen, bidt voor hem tot de goden en legt hem dan weer aan +moeder's borst, door haar tranen heen glimlacht zij en drukt hem tegen +zich aan. Dan scheiden ze van elkander, en zij gaat de zware weg naar +huis; »zijn vrouw ging talmende huiswaarts, telkens het hoofd weer +wendend en hevige tranen vergietend". Van deze hoogte--de meest +gevoelvolle innigheid, maar beheerst door natuurlike adel en een +zuiver plichtgevoel--was reeds de voorstelling bij Dares diep gezonken. +Andromache heeft in haar dromen voorspellingen gekregen en heeft Hektor +gebeden thuis te blijven, maar hij verwijt haar die »vrouwelike woorden" +en in haar angst zendt zij iemand naar Priamus met de vraag zijn zoon +te verbieden die dag ten strijde te trekken. Als Hektor dat hoort bromt +hij op zijn vrouw en beveelt haar zijn wapens te halen. Vergeefs tracht +Andromache op zijn gemoed te werken door hem de knaap toe te steken, +haar klachten doen de mensen er bij komen en nu ijlt zij zelf weg +naar Priamus... Bij Benoît eindelik is alle hoogheid uit die scènes +verdwenen, die zijn zo brutaal en woest dat de hoofse Hektor niet meer +te herkennen is. »Dat verwachtte ik wel dat er geen greintje gezond +verstand meer in je is," zegt hij hard tot zijn vrouw, en het scheelde +niet veel, zegt de dichter of hij had zijn vrouw geslagen. De oude +Hekuba komt er nu bij en tracht de held tot betere gedachten te brengen, +maar hij doet niets dan bedreigingen tegen zijn vrouw uiten. Terwijl +hij zijn wapenrusting aantrekt, slaat zij zich wanhopend op haar borst, +trekt zich de haren uit, werpt zich voor haar man op de knieën, terwijl +hij juist zijn kniestukken aangordt, en houdt hem het kind smekend vóór, +»dat kleine kind, dat gij uit uw eigen vlees gewekt hebt" en dat nu +vaderloos zal worden. Maar Hektor is woedend en wil weg. Schreeuwend +ijlt Andromache de stad door naar Priamus; als de oude man haar +aangehoord heeft, zucht hij bang en diep, kijkt voor zich heen, tranen +biggelen op zijn kin en kleêren; met moeite stijgt hij te paard en rijdt +weg. Midden op de straat treft hij zijn zoon, »zwetend van boosheid", +met een rood gezicht en opgezwollen ogen, alsof hij geweend had. Nu +verbiedt hij hem te gaan strijden, en brommende en scheldende op die +gekke vrouwen moet Hektor naar huis terug; niemand durft hem aankijken +en hij is er niet toe te brengen zijn wapenrusting af te leggen. + +Van het hoge van Homerus en de »Sitte" is hier niets meer over, maar +de middeleeuwse dichter heeft alles fris en zelfstandig beleefd. Maar +evenals in de roman van Aeneas is het toch vooral in het liefdeleven dat +de innerlike wereld, die tot nu toe alleen de theologen hadden nagegaan, +zich nu voor de fantasie van de dichter opent. Nog meer dan de »roman +d'Enée" zou de roman van Troje een voorbeeld voor de lateren worden door +zijn beroemde schilderingen, waarin het vrouwenhart zijn liefdeleven +blootlegt. + +Het is Medea, de Colchiese koningsdochter, die op de vreemdeling +verliefd wordt, welke zij in haar vaders burcht ziet. Tegen de nacht +beraamt zij een ontmoeting met Jason. Ongeduldig zit zij in haar kamer +te wachten, kijkt steeds weer of de maan nog niet op is en gaat aan de +zaal staan luisteren of de mannen zich nog niet gereed maken om naar bed +te gaan. »Hebben die nu gezworen dat zij nooit naar bed zullen gaan?--de +nacht is weldra half voorbij", klaagt zij. Nu begint zij zich een beetje +over zich zelf te schamen, gaat op haar bed zitten, staat weer op, opent +het raam en merkt dat de maan al op is. Nu wordt het in de grote zaal +ook stil, zij ziet dat de kamerdienaars daar de bedden al opmaken, en +tegelijk ziet zij dat Jason zich ook te slapen legt; nu zendt zij haar +oude cameriere om hem te halen. Maar de dienstmaagd zegt haar dat zij +nu in bed moet gaan liggen, »dat is veel meer zoals het hoort", en doen +alsof zij slaapt. Dat doet ze dan ook en speelt een hele komedie wanneer +hij komt; gemelik en bedeesd vraagt zij wat hij wil, nu was zij na al +dat lawaai in de zaal juist zo heerlik in slaap gevallen. In alle vormen +van de troubadour »geeft" Jason »zich aan haar over" als zijn heerseres +»en smeekt haar zijn eed van hulde te aanvaarden als haar getrouwe +vazal". En wanneer hij haar bij het beeld ener godheid zijn trouw +bezworen heeft, brengen ze samen de nacht in liefdegenot door. Dat is +een Medea, die van Benoît, welke heel ver afstaat van de kuise en trotse +jonge Medea van de Griekse dichter, Apollonius van Rhodus, in wier ziel +de hartstocht langzamerhand de overmacht krijgt en zelfs heel wat anders +is dan die van Ovidius in wie verstand met hartstocht strijdt. Die van +Benoît is misschien nog 't meest verwant aan de Saraceense vrouw uit de +gedichten der kruistochten of de dochter van de Wildeman in de oude +verhalen: de heidin die woest op de gevangen held verliefd wordt, hem +verlost en zo nodig helpt om haar eigen vader te doden. + +Fijner en meer gecompliceerd is de liefde in een andere episode +geschilderd, die de grootste literair-historiese betekenis gehad +heeft. De geschiedenis van Troilus en Briseis geeft in een kort +bestek--waarschijnlik niet door Benoît zelf gevonden, maar iets wat +hem in een uitgebreider versie van Dares voorlag dan die welke wij +nu kennen--een staaltje van alles wat Ovidius geleerd had over de +onbestendigheid en de erotiese behaagzucht van de vrouw. Het lag voor de +hand Helena zelf als het type van vrouwelike zwakheid en veranderlikheid +op te vatten en dat had Ovidius in zijn »Heroiden" dan ook gedaan. De +brief waarmede zij op de liefdebetuigingen van Paris antwoordt, die +hij haar in de handen heeft weten te spelen, terwijl hij te Sparta +als gast vertoeft, is een meesterstuk van koketterie en slimheid en +wispelturigheid. Zij begint hem met verwijten te overladen dat hij haar +zo beledigt en de gastvrijheid zo misbruikt en wijst verontwaardigd zijn +aanzoek af. Maar dan voegt zij er bij dat zij eigelik al lang de taal +zijner ogen en zijn zuchten verstaan heeft en dat zij gelezen had wat +hij in de wijn geschreven had die er op tafel gemorst was; zij was heus +bang geweest dat haar man iets gemerkt zou hebben. Zij geeft toe: hij is +schoon... laat er een woordje van los dat hij ook niet de eerste is die +om haar gezucht heeft,... spreekt van haar man... van haar reputatie... +laat onbewust--of waarschijnlik met opzet--merken hoe verliefd zij zelf +is... en zegt ten slotte dat Paris in elk geval veel te haastig in zijn +werk gaan wil en oogsten wil terwijl het gras nog groen is; ofschoon... +de gelegenheid nu juist schoon is terwijl haar man juist afwezig is... +en zegt dat, mocht hij haar nog iets mede te delen hebben, hij verzocht +wordt gebruik te maken van twee van haar maagden die zij hem als trouwe +en ook betrouwbare helpers noemt. + +Maar al ligt nu ook de skepsis van de libertijn Ovidius aan de figuur +van Briseis ten grondslag, toch heeft de Oosterse verachting voor de +vrouw en de angst der monniken voor haar er ook toe bijgedragen. Het +monnikenkristendom dat de vrouwen vijandelik tegenover stond, kreeg +er nooit genoeg van de trouweloosheid van de vrouw af te schilderen en +om naar de talrijke spreekwoorden en exempelen daarvan in de bijbel +te verwijzen, van Eva tot Dalila. En door de Latijnse verzamelingen +van vertelsels, zoals de geschiedenis van de Zeven Wijzen, zowel als +langs de mondelinge weg werden de Middeleeuwen met een rijke keur van +histories voorzien over de sluwheid en de valsheid van de vrouw. Die +geschiedenis welke de Middeleeuwen het best kende was het relaas dat +men al bij de Latijnse schrijver Petronius vindt onder de titel van +»de Weduwe van Ephesus", een weduwe die zich ontroostbaar in het +grafmonument van haar man heeft opgesloten, maar zich al een van de +eerste nachten aan een soldaat geeft, die op het kerkhof onder een paar +galgen de wacht houdt, terwijl zij zelfs medehelpt om het lijk van haar +man aan de galg te hangen, in plaats van een dief die heeft weten te +ontkomen, om op die manier de soldaat voor straf te vrijwaren. + +Briseis is de dochter van Calchas. Haar vader heeft de Trojanen verlaten +en zich bij de Grieken aangesloten, maar zij is te Troje achtergelaten +en tussen haar en Prins Troilus is er een zekere verstandhouding. Zij +is schoon, vriendelik, zachtaardig, hij is elegant, opgeruimd en zacht, +met ogen die van vreugde en tevredenheid schitteren. Maar wanneer er +gevangenen uitgeleverd zullen worden, verlangen de Grieken dat ook de +dochter van Calchas teruggezonden zal worden en de Trojanen moeten dat +beloven. Briseis is wanhopend, de laatste nacht brengt zij met Troilus +onder omhelzingen en tranen door; met die tranen die uit de ogen +neerstromen vermengen zij hun kussen, zoals zo dikwels in de Griekse +romans. Twee gelieven te scheiden, roept de dichter vol medelijden uit, +is een zonde daar men hard voor moet boeten. De volgende morgen moet +zij nu alles inpakken, zij kleedt zich in haar fraaiste plunje--haar +kleed is uit Indië, het heeft zeven kleuren--gaat van alle koninklike +prinsessen afscheid nemen en trekt weg door verscheidene prinsen +vergezeld. Troilus houdt de leidsels van haar paard vast. Bij het +afscheid beloven Troilus en zij elkaar eeuwig trouw, maar de dichter +voorspelt dat zij hem spoedig vergeten zal; kuisheid en schoonheid gaan +zelden samen,--zegt Salomo. Nu komen verscheidene Griekse ridders haar +tegemoet, o.a. de elegante Diomedes. Hij wordt dadelik op haar verliefd +en terwijl zij samen verder rijden, biedt hij haar aan haar ridder en +vriend te worden, als zij nu eenzaam onder al die vreemden zal zijn; nog +nooit--verzekert hij--heeft hij aldus tot een vrouw gesproken,-- zij is +de eerste die indruk op hem heeft gemaakt en hij wil alles doen om haar +in haar smart te troosten. Maar Briseis antwoordt hem dat zij terecht +zéér lichtvaardig zou schijnen, indien zij een man die zij in 't geheel +niet kent, haar liefde schonk; liefde brengt ook veel ongeluk mede, +»tegen éen die lacht zijn er zes die wenen" en de mannen bedriegen een +meisje zo licht. »Maar gij zijt van hoge geboorte en welopgevoed en +indien ik ooit iemand zou liefhebben, zou het niemand anders zijn dan +gij!" Diomedes stelt zich, vrij natuurlik, hier mede tevreden, hij ziet +nu wel dat zij »n'esteit mie trop salvage". Hij begeleidt haar nu naar +haar vader's tent en neemt dan afscheid. Nu komen er vele Grieken haar +een bezoek brengen die Briseis zeer beleefd ontvangt. Er zijn nog geen +vier dagen vervlogen of zij voelt al geen lust meer om terug te keren. +Maar kort daarop verovert Diomedes het paard van Troilus en zendt het +haar als een groet van haar vroegere vriend,--een courtoisie die haar +toch wel wat grof lijkt; zij laat hem antwoorden dat Troilus een beter +ridder is dan hij en zijn beurt wel komen zal. Maar, voegt zij er bij, +zij kan niet haten zo als zij moest, hem die haar lief heeft. En 't +duurt ook niet lang voor Troilus op zijn beurt het paard van Diomedes +machtig weet te worden en Diomedes, meer en meer verliefd, laat zijn +hoofd nu hangen,--zo treurig er uit ziende als een sperwer bij 't ruien. +Briseis merkt wel hoe hij lijdt, maar zo is nu eenmaal de aard van de +vrouw, dat, wanneer zij merkt dat gij haar lief hebt, dan werpt zij u +alleen maar aanmatigende blikken toe, en hier, zoals zo dikwels, stoot +de dichter een harte-zucht voor eigen rekening uit. Maar intussen, +Briseis zou eigelik graag Diomedes het paard van Troilus terug gegeven +hebben, als dat maar aanging,--opdat hij zich wederom in de strijd +zou kunnen onderscheiden--zij wil het zelf ook eigelik graag kwijt, +daar de Grieken de spot drijven met dit geschenk dat zij op zulk een +eigenaardige wijze van haar vroegere geliefde gekregen heeft; eindelik +slaagt zij er in hem op een fijne manier onder de vorm van een plagerij, +aan Diomedes zijn geschenk terug te geven. Nu voelt zij zich gelukkig, +dat zij hem helemaal in haar net gevangen heeft en schenkt hem ook nog +haar mouw als banier. »Van nu af--merkt de trouvère op--moet 't Troilus +duidelik zijn dat hij niet meer op haar liefde staat kan maken." Troilus +wordt dan ook razend van woede wanneer hij bij het gevecht Diomedes met +die banier ziet, die hem 't duidelikst bewijs is van de trouweloosheid +van zijn geliefde, en onder ruwe scheldwoorden aan haar adres, houwt hij +op haar nieuwe ridder los. Lelik gewond wordt Diomedes naar huis terug +gebracht, maar nu houdt Briseis zich ook niet langer in: zonder zich aan +bedreigingen van haar vader of aan de praatjes te storen, ijlt zij naar +de tent van de zieke. Onderweg heeft zij een hevige innerlike strijd +te doorstaan, zij noemt zich zelf trouweloos, »om mijnentwil zullen de +vrouwen heel wat over hun valsheid moeten horen, en het is wel waar +dat mijn aard wel wat àl te veranderlik is." Maar--antwoordt zij zich +zelf--nu kan ik nooit meer terug, nu heb ik mijn nieuwe vriend mijn +gehele hart gegeven en nu moet ik trachten hem trouw te blijven. Had men +mij te Troje laten blijven, dan was dit alles niet gebeurd. Maar hier +ben ik zonder vriend, niemand kan mij raad geven, en ik kan toch ook +niet altijd hier blijven lopen treuren! God geve Troilus alles goeds, +maar nu wij elkaar niet meer lief kunnen hebben, geef ik mij liever aan +Diomedes... kon ik maar vergeten wat er gebeurd is, dat drukt toch wel +zwaar op mijn geweten. + +Heel erg zwaar neemt de trouvère de trouweloosheid van Briseis blijkbaar +niet op. De vrouwen zijn voor hem toch maar het zwakke frivole geslacht, +waar men niet te veel van verwachten mag: in 't algemeen kan men zeggen +dat uit de manier waarop hij »de zoete zonde" beschouwt, die hele +lichtzinnige weekhartigheid blijkt die de ganse ridderromantiek +kenmerkt, en nergens ziet men duideliker dan hier, hoezeer Benoît al +het geestelike afgelegd heeft en zich in de armen van »Frau Welt" heeft +geworpen. + +Bovendien, Briseis is feitelik maar een dochter van een priester, die +toch niet anders was dan de bijzit van Prins Troilus. Daarentegen heeft +de dichter in Polyxena, een van de dochters van Priamus, de echte +tegenhanger geschilderd van de trotse prinses uit de Roman van Thebe, +Antigone, en in het gevoel van Achilles voor haar heeft hij een liefde +getekend meer ridderlik van aard dan die van Diomedes, zowel als van +Aeneas. Onder een wapenstilstand is Achilles over gekomen om een +plechtigheid bij te wonen die bij de Trojanen plaats heeft ter ere van +Hektor die gedood is; daarbij krijgt hij Polyxena te zien en staat de +gehele tijd als aan de plek genageld van verrukking. Als zij weg is, +rijdt hij diep in gedachten naar huis. In een lange monoloog klaagt +hij dan over zijn hopeloze liefde: er is niemand die de Trojanen zo +zeer haten als hem die Hektor de dood had gegeven. Nu zendt hij een +paar vertrouwde mannen naar koningin Hekuba en belooft alle mogelike +boetedoening voor de dood van Hektor, als hij Polyxena maar de zijne +mag worden. De jonge maagd was daar zelf bij tegenwoordig, maar als +welopgevoed meisje, hoort zij dat aan zonder een woord mede te spreken. +Priamus heeft wel bezwaren, van geboorte en rang vindt hij n.l. Achilles +heel wat minder dan een Trojaanse koningsdochter, maar hij geeft toch +zijn toestemming, indien Achilles bij de Grieken het beleg op kan doen +heffen en zij aftrekken. In die tussentijd geeft Achilles thuis lucht +aan zijn gevoelens in klachten over de macht van Amor en op de wijze +der troubadours noemt hij zijn aangebedene »verheerlikte geest", »glans +der schoonheid" en dergelijke. Nu tracht hij de Grieken te bewegen +naar huis te trekken en wanneer hem dat niet gelukt, blijft hij mokkend +in zijn tent thuis. Maar ten slotte, wanneer de Grieken al te erg +in 't nauw gebracht worden, kan hij toch niet meer achterblijven en +werpt zich--hevige verwijten van »Amor" die zich openbaart, en zijn +zelfverwijt wegens zijn verraad jegens de schone--toch weer in de +strijd. Van haar kant voelt Polyxena zich in stilte ook zeer ongelukkig; +van dat huwelik had zij nu al zo lang horen spreken, dat zij nu juist +haar zinnen daarop was gaan zetten. Maar nu beraamt Hekuba verraad. Zij +laat Achilles weten dat hij Polyxena toch kan krijgen en vraagt hem 's +nachts bij een tempel buiten de stad te komen. En even als Amor Leander, +de geliefde van Hero van zijn verstand beroofde, zo nu ook Achilles. +Romanties wordt de eenzame tocht in de maneschijn van hem en zijn +volgelingen beschreven, naar de verlaten, eenzame plaats waar de +koningin een hinderlaag heeft aangebracht en waar de held nu zijn dood +vindt. Onder groot weeklagen wordt zijn lijk begraven en de Grieken +richten een gedenkteken voor hem op, waarop zij Polyxena afbeelden, over +hem wenende. Aandoenlik is het ook te lezen hoe later, na de inneming +van Troje, de Grieken wreedaardig de maagd op het graf van Achilles +offeren. »Laat de dood mij maar nemen," zegt de trotse koningsdochter, +»ik verweer er mij niet tegen, hier schenk ik die een jonkvrouw zo +schoon als ooit een koningszoon verwierf." + +Polyxena en Antigone, Dido en Medea, Ismene en Lavinia, en ten slotte +Briseis, het is een hele vrouwengalerij--hooggeboren trots, woest +hartstochtelik, zacht onschuldig, koket wisselvallig--welke die romans +hun tijdgenoten voor zetten. + + + + +XIII. + +GRIEKS-OOSTERSE VERTELKUNST. + + +Zoals wij gezien hebben waren de klassieken al halverwege voor de +trouvère der Middeleeuwen geromantiseerd door de Grieks-Oosterse +vertelkunst, waardoor alleen hij in de regel de klassieken te zien +kreeg,--bijv. door de Egyptiese historie van Alexander of door de romans +over Troje uit de periode van het verval der oudheid. De overdreven +beschrijvingen, de avontuurlike fantasie, de dialektiese zielsanalyse +en het galant-sentimentele erotiese element,--dat waren alles duidelike +sporen van dat verval der klassieken en hun Asiatisering. Daaruit was +in de Oost-Romeinse wereld een vertelkunst ontstaan, van wier stam de +Griekse en Byzantijnse roman en de romantiese Oosterse verhalen, b.v. +de 1001 nacht, slechts verschillende vertakkingen zijn, door een en het +zelfde sap gevoed. En reeds lang hadden de klerken, gelijk wij gezien +hebben, zich Latijnse vertalingen van Griekse romans als »Apollonius +van Tyrus" weten te verschaffen, zoals die van de vriendschapsproef of +van de goede raad op reis. Nu, ten tijde van de kruistochten, wordt de +romanhonger der leken door de Grieks-Oosterse vertellingsliteratuur +gestild zowel door Latijnse vertalingen er van, als door mondelinge +verhalen. En door haar kunstvorm en haar geest zowel als door haar +onderwerpen, zou die al heel spoedig nog vruchtbaarder voor de +ridderromans blijken te zijn dan de klassieken dit geweest waren. Veel +uit onze moderne roman, de opbouw en de liefde-intriges stammen direkt +uit de Aetiopiese verhalen van Heliodorus of de novellenkunst van +Bagdad. + +Een laat, zeer ingewikkeld literatuur-genre was de Griekse roman, zoals +die jaren na Kristus bloeide--»Verhalen uit Babylon",--»Verhalen uit +Ephese",--»Aetiopiese Verhalen",--»Leukippe en Chlitophoon",--»Chaereas +en Kallirhoe",--de pastorale roman »Daphnis en Chloë", en hoe die +ook alle heten. Aan de ene kant een nakomeling van een overrijpe en +verouderende kultuur--zonder kracht en frisheid, zonder natuurlikheid +en oorspronkelikheid, vroeg rijp vroeg wijs, gekunsteld, verzwakt, maar +niet zonder fijnheid in denken en gevoel, en geboren met beschaving en +kunst. Maar tegelijkertijd een kind, die roman, van die zekere tijd +van barbaarse en chaotiese vernieuwing en kultuurmenging, waarin het +kristendom zijn laatste wereldvernieuwende vorm zou krijgen, en zo, +doordrongen van kinderlike lust naar avonturen en een ruwe barbaarsheid, +maar ook met de dageraad van een nieuwe levensopvatting in zich en een +geheel nieuw stel gevoelstonen. + +Die romans beschrijven altijd het partikuliere leven; het vaderland, +politiek en alle maatschappelike kwesties liggen buiten hun horizont. +Met geschiedenis en godsdienst staan ze in geen verband, hebben geen de +minste pretensie een beschrijving van werkelike gebeurtenissen te geven, +en de goden behandelen ze ook vrij wel niet anders dan als een poëtiese +fictie. Wat zulk een roman wil, is de fantasie met een ingewikkelde +en spannende handeling en merkwaardige avonturen gaande te houden, +medelijden op te wekken voor een hartroerende geschiedenis, soms ook +daardoor een wijze levensfilosofie aan de man te brengen en de moraal +te helpen opbouwen. + +Dikwels begint de roman met een scène tussen twee jongelui die op elkaar +verliefd worden. Zij treffen elkaar bijv. bij een feest in de tempel, +waar men voor een optocht of dans of voor spelen bijeen gekomen is. +Beiden zijn zeer jong, maagdelik, naïef onschuldig,--geen van beiden +hebben van de liefde iets willen weten; zij is een der maagden van die +tempel, hij jager. Er zit hier een weinig verering der overkultuur in +van het naïef-ongekunstelde, en een geraffineerd plezier om de onschuld +in de mysteries der liefde in te wijden, maar er is ook een zeker +verlangen in die tijd naar een verjongingskuur der reinheid. Beiden, +hij en zij, schitteren boven alle andere jongelingen en maagden uit, +hun namen zijn »Bloem" en »Gratie", »Anthia", »Chariklea", hij is +van voorname familie, zijn klederdracht en zijn wapenrusting worden +geschilderd bijna als die van een Middeleeuws ridder, als zulk een +ridder blinkt hij uit bij het rijden en de spelen, en ontvangt de +lauwerkrans uit de hand van de schoonste maagd. Zij heeft een krans om +haar gouden haar en draagt een met goud gestikt purperen gewaad. Amor +straft ze nu wegens hun miskenning van zijn macht en steekt bij de +eerste blik hun beider harten in lichte laaie. Mysties-platonies heet +het bij deze gelegenheid hoe de hele natuur van liefde doordrongen was: +de aantrekkingskracht van de magneet is een soort liefde, de rivieren +worden er ook door liefde toe gebracht zich in elkaar uit te storten, +en wanneer de mannelike palm alleen staat, ver weg van een vrouwelike, +droogt die door liefde-verlangen uit! Door het oog vloeit het beeld der +schoonheid in de ziel, zodat ziel met ziel verenigd wordt, zelfs als de +lichamen gescheiden zijn. De jongelieden voelen die verliefdheid eerst +als een soort ziekte; geheel in gepeins verzonken zitten zij bij het +feestmaal aan, blozen, verbleken, gaan zelfs ziek naar bed. Heel naïef +hebben zij er gewoonlik geen idee van wat hun scheelt, totdat een meer +ervaren oudere vriend ze inlicht. Of wel dolen ze in de vrije natuur +rond, klagen tot de maan, snijden de naam van de geliefde in de +boomschors en trachten de toekomst uit de bloemen te lezen. Zij leven +van elkaars blikken of handdrukken; hij drinkt van de zelfde kant van +de beker waar zij haar lippen gezet heeft, of kust de fluit waarop zij +geblazen heeft. Er loopt ook veel eroties geflikflooi onder door. Hij +mag een krekel aanpakken die op haar borst gevallen is, en als hij haar +eens op een dag een toverformule hoort murmelen over de arm van haar +dienstmaagd die door een bij gestoken is, dan beweert hij in zijn lippen +gestoken te zijn, opdat zij dan met haar lippen dicht bij de zijne komen +zal. + +Het jonge meisje is wel eerst wat bleu, maar heeft toch niet al te +veel aanmoediging nodig, zij is het ook dikwels die er wat op weet te +vinden, hetzij dat zij haar cameriere er toe weet te krijgen haar te +helpen of dat zij degeen die haar bewaakt een slaapmiddel toedient. Met +Grieks-zinnelike verfijndheid wordt het genot geschilderd dat de kus +geeft,--lang daarna kan de jongeling de kus nog op zijn lippen voelen. +Maar dat genot is meer dan eens met filosofiese sentimentaliteit +gepaard. De kus is het eerste zoete dat de geliefde te genieten +krijgt, want het wordt door het schoonste deel van het lichaam +voortgebracht,--de mond is immers het orgaan van de stem, en de stem +is de afschaduwing van de ziel; door de aanraking der lippen vliet het +genot in de ziel, zo goed als de ziel tot het zoete genot van de kus op +wordt getrokken. »Nooit heb ik zulk een zielegenot gesmaakt, en toen +pas wist ik dat er geen genot was dat met de liefdekus vergeleken kan +worden." En de jongelieden generen zich ook niet alle andere +liefdevruchten te plukken. + +Of wel vluchten zij met elkaar en trouwen. Of wel voelen de ouders dat +»het beter is, teneinde de onterende naam van de zinnelike begeerte te +ontgaan, daarboven de wettelike banden van een eerbare vereniging te +verkiezen en de ziekte der hartstocht in een huwelik om te zetten." +Maar dan komen, na de idylle, de avonturen, de verwikkelingen en de +beproevingen. Nu trekken zij op weg,--hetzij ze op de vlucht gaan, of +dat een van beiden zijn ouders wil gaan bezoeken, of dat hij of zij +bij vreemden opgevoed is, of zelfs, als dat alles niet kan, is er +een orakelspreuk volgens welke zij na de bruiloft een reis moeten +ondernemen. En op die reis raken ze dan van elkaar af, hetzij door +schipbreuk of door een overval van zeerovers. Ook kan het motief zijn +dat de jonge vrouw door boze tongen belasterd is en de man haar als +ontrouw weg zendt; dan dwaalt zij de wereld om, maar hij komt daarna +haar onschuld te weten en gaat ook ronddolen om haar te zoeken. En +altijd dwalen ze alle beiden, elk op zijn eigen houtje, in de wereld +rond, krijgen beiden de wisselvalligheden van het lot te verduren en +zoeken elkaar overal. En op dit weefsel wordt nu verder doorgeborduurd. + +Reisverhalen en berichten over vreemde landen en zeeën waren altijd +bij het Griekse volk van zeevaarders en handelaren geliefd en in trek +geweest. Bij Homerus zowel als bij Herodotus en de Latijnse bewerkingen +van Virgilius, vindt men een bezinksel van al de verhalen van matrozen +en handelsreizigers, waar het de Grieken nooit verveelde naar te +luisteren. Maar nu is de Hellenistiese tijd van de wereld zo veel groter +en zo veel bonter geworden dan ooit tevoren, en ook het verlangen om +de wereld te leren kennen, zoveel sterker en zoveel gemakkeliker te +voldoen. En uit Indië kwam er weer aanvoer van nieuwe zeemansverhalen +over tochten naar Ceylon en andere merkwaardige landen,--dezelfde +verhalen waaruit de Arabieren later de geschiedenis van Sindbad samen +zouden stellen; uit Aegypte en Perzië, uit Scythië en het »uiterste +Thule" kwam al meer en meer kennis en stof. Natuurkundigen en geografen +kompileerden grote verzamelingen van »Paradoxa", allerlei merkwaardige +gebeurtenissen, verhalen van dieren, planten, stenen, natuurfenomenen +uit alle landen der wereld en de filosofen droomden temidden van hun +Griekse overkultuur van een paradijs onder de gelukkige natuurvolkeren, +en voor hun ogen stond het land der Hyperboraeën in 't Noorden, Atlantis +in het Westen, of Indië ver in het Oosten als het ideaal van wijsheid en +geluk. En van dit alles vindt men ook veel in de Griekse romans terug. +Op hun reizen zien de geliefden vreemde klederdrachten en gewoonten, +merkwaardige dieren en mensen; de lezer krijgt een beschrijving van +de overstroming van de Nijl en van Aegyptiese toverformules, van +kunstwerken te Delfi, Perziese hoven, Skytiese tempelfeesten, en veel +van de magie en de toverij, waar de tijden zo vol van waren, vindt men +in de romans weer. In de scholen der Sofisten en de rhetoren had zich +een bloeiende beschrijvingskunst ontwikkeld die zich aan allerlei +zeldzame en moeilike onderwerpen oefende, en het zijn de »opstellen" der +leerlingen van die rhetorenscholen, die wij als delen van die romans +aantreffen. + +In die scholen was ook die fantasie en smaak geboren, welke de romanheld +zich in allerlei extraordinaire avonturen en zielstoestanden doet +storten. Bijvoorbeeld een rhetories beschreven zeestorm, een schipbreuk +of een merkwaardige redding, dramatiese overvallen van piraten met +daarop volgende gevangenschap en slavernij; plotselinge ontmoetingen, +een even plotseling van elkaar afraken, verkledingen en vergissingen +en herkenningsscènes. Zoals reeds in de nieuwere Attiese blijspelen +wordt de knoop door allerlei romantiese motieven gelegd: kinderen die +uitbesteed zijn geweest of geroofd waren geworden en ten slotte aan +een moedervlek herkend worden of aan de doek waarin ze gewikkeld waren; +mensen die erg op elkaar lijken en verwisseld worden, slavinnen die vrij +geborenen blijken te zijn; mensen die als dood beweend worden en dan op +eens nog tot de levenden blijken te behoren. En als een weifelen tussen +dergelijke motieven wordt de handeling opgebouwd; het ene brengt die +vooruit, het andere houdt die tegen. De twee geliefden lopen elkaar als +gekken elk in een ander werelddeel te zoeken en schrijven elkaars naam +op alle Hermeszuilen aan de weg voor het geval dat de ander daar ook +voorbij mocht komen; of zij zijn vlak bij elkaar zonder er iets van +te vermoeden, b.v. in hetzelfde huis door éen enkele muur gescheiden, +spreken met elkaar zonder dat ze weten wie ze voor zich hebben, of wel +de jongeling vindt een vrouwenlijk en meent dat het zijn geliefde is, +hij begraaft het en is diep wanhopend, ofschoon zij het helemaal niet +is; allerlei boze mensen trachten ze in het ongeluk te storten. Maar +tegenover dit alles hebben de geliefden hun trouw te stellen, hun geduld +en hun volharden. Maar zij _maken_ hun eigen lot niet als helden die de +kracht om te handelen bezitten, zij _ondergaan_ hun lot. Beiden zuchten +en wenen, klagen en verlangen in huilerige sentimentaliteit. De held +zowel als de heldin vinden hun troost daarin dat ze overal waar zij +komen gevoelvolle harten in hun lijden inwijden en in hun gevangenschap +ontmoeten ze lotgenoten met wie zij hun tranen mengen, terwijl elk met +zijn geschiedenis voor de dag komt en de anderen met de verhalen van +zijn eigen ongeluk tracht te overbluffen. Met verfijnd materialisme +krijgt men te horen »welk een smachtende schoonheid tranen aan een maagd +schenken: het wit en het zwart in het oog vloeit te samen, terwijl het +oog als een bron zwelt; het wit glinstert als een narcis, het zwarte +gloeit als een viooltje, en de tranen die in het oog samengedrongen +worden schijnen te glimlachen." Is de maagd schoon en wordt zij door hem +die haar ziet wenen, bemind, dan »kunnen zijn ogen niet laten de hare te +volgen, want de schoonheid die in de ogen der geliefde troont, vloeit +daaruit in die van de toeschouwer over en trekt de tranenvloed tot zich; +de schoonheid glijdt in de ziel van de toeschouwer over, maar de tranen +behoudt hij in zijn oog, die wil hij niet afwissen, zijn geliefde moet +die kunnen zien." Zelfs in de bruidsnacht liggen de twee gelieven samen +te wenen in een soort melankolieke sentimentaliteit. Hij drinkt haar +tranen, die hem zoet zijn en hem genezen, en zij legt zijn haar op haar +eigen ogen opdat ook zijn haar de »liefdedrank" moge drinken; dan kust +zij zijn ogen: »Gij hebt mij veel kwaad gedaan toen gij eerst mijn hart +gewond hebt, maar gij hebt mij ook veel goed gedaan, toen gij mijn beeld +de weg naar zijn hart weest. Daarom kus ik u; maar nu moet gij hem ook +nooit een schonere vrouw laten zien die hem van mij af zou doen keren." + +Tot de moeilikheden der twee gelieven hoort ook dat zij overal belaagd +worden wegens hun schoonheid en hun beminnelikheid; zij, door tyrannen +of rovers of door een lompe herder in wiens hut zij toevlucht gezocht +heeft; hij, door vorstinnen in wier handen hij gevangen is geraakt. +Maar hun trouw en hun kuisheid zijn in de regel tegen alle verzoeking +bestand. Er is iets kristeliks in het gewicht dat in die romans op de +kuisheid gelegd wordt. Tegenover al de pogingen der vorstinnen om hem +te verleiden, staat hij als een Josef, en zij bewaart haar deugd als een +ware heilige, in het bordeel zowel als tegenover alle dreigementen van +een tyran: »Laat de martelwerktuigen maar brengen, laat het rad maar +komen, hier zijn mijn handen; neem de zweep maar in de hand, hier is +mijn rug. Een nieuwe kamp zal voor uwe ogen beginnen: niettegenstaande +alle folteringen zal een vrouw alléén in haar strijd zegevieren." + +En altijd overwint ten slotte de deugd en de liefde van het jonge paar. +De onschuld en de tranen der schone roeren de tyran en de woeste rover, +»die geen echte barbaar van zeden en manieren was, maar die de stempel +van een zekere beschaving droeg"; hij is »de edele rover" die slechts +tot zulk een leven gedreven is door het onrecht dat zijn familie hem +aangedaan heeft, en »ook de handen van barbaren voelen weerzin, naar +het schijnt, om zich aan schoonheid te vergrijpen en door de aanblik van +de gratie wordt zelfs het boze oog weer vriendelik." De gevangen schone +wordt galant door de zegevierende vorst behandeld, dikwels zucht hij van +liefde voor haar, maar geeft grootmoedig alle rechten op haar op wanneer +haar harte-vriend weer opduikt; een andere even grootmoedige koning die +haar geliefde gevangen heeft genomen, hoort diens klachten, doet zich +zijn treurige liefdesavonturen vertellen en laat hem vrij, ja, wat meer +zegt, geeft hem reisgeld mede om zijn beminde te kunnen gaan zoeken. + +De geliefden zijn bovendien niet afkerig van zich door allerlei streken +uit hun moeilikheden te helpen. Wat de romans verheerliken is niet de +moed van de krijgsman, maar list. Een van de bronnen waar de Griekse +roman veel aan ontleend heeft is die literatuur van novellen over list +en bedrog die van de oudste tijden zo populair bij de handeldrijvende +Grieken geweest was. De schelmstukken van Odysseus werden het eerst +opgeschreven; in de bewerking door Herodotus van de Aegyptiese +dievenverhalen heeft men een specimen van de bijdrage die het Oosten +hiervoor leverde en in de zogenaamde »Milesiese" vertellingen over +liefde en list van Aristides van Milete, stamt veel uit Griekenland en +het Oosten. Vooral toont het jonge meisje in die Griekse romans zich +zeer vindingrijk en zonder scrupules; in 't algemeen laat zij het hoofd +minder hangen dan de zeer weinig mannelike held. Of wel smeert zij haar +gezicht vol met roet, en gaat in lompen gekleed en met een bedelrok +op stap om haar geliefde te zoeken; of wel drinkt zij een slaapdrank, +waardoor ze een tijd lang voor dood ligt, zodat zij niet meer met de +gehate bruidegom hoeft te trouwen; soms legt zij een dubbelzinnige eed +af; zo nodig koketteert zij hevig met de tyran en belooft zelfs hem na +een zeker tijdsverloop te zullen nemen, om dan in die tussentijd de kans +schoon te zien en te verdwijnen. + +Maar alles eindigt ook goed, dat hoort nu eenmaal bij het genre van +die romans evenals bij de komedie. Het zelfde spel van de grillen van +het noodlot, de zelfde »Tyche", die alle berekening trotseert en alle +plannen in duigen doet vallen, die nu eens de geliefden door een +onzinnige orakelspreuk naar Oost en West uit elkaar drijft, ze dàn weer +verblindt, zodat ze hun geluk niet vlak voor zich zien liggen, maar zich +met opzet in 't ongeluk storten,--diezelfde geluksgodin zal toch altijd +tenslotte ouders en kinderen elkaar terug doen vinden, de vrije geboorte +van de slavin voor den dag, en de onschuld van de ten onrechte verdachte +echtgenote aan het licht doen komen, en de twee geliefden ten slotte, +bevend van aandoening in elkaars armen laten vallen. En de zelfde +overdaad van tranen die zij in hun ellende hebben geplengd, is nu hun +liefdesgeluk gewijd. Alles wat zij doorstaan hebben was slechts een +loutering, die ze hun geluk meer waard zal maken,--of een raffinement +dat de liefde èn bij hen zelf èn bij de lezers wat moet aanwakkeren! + +En dit alles is toebereid met een kunst van onderhouden die voor lange +tijden de techniek van onze romans bepaald heeft. Gewoonlik komt de +lezer eerst in een merkwaardige, vreemde situatie, waardoor zijn +nieuwsgierigheid en belangstelling opgewekt worden, zonder dat hij +eigelik weet hoe en waarom. Twee reizigers treffen elkaar bijv. in een +herberg en de een vertelt de ander een geschiedenis die hem onlangs +overkomen is. De ander, wie men toch zou denken dat dit alles niets +aanging, luistert in stijgende spanning, vraagt, raakt in de war en +verwijdert zich om zijn aandoening te verbergen. Wanneer hij terugkomt +om het slot van 't verhaal te horen of b.v. te vragen waar de personen +in kwestie heen getrokken zijn, deelt de waard hem tot zijn diepe +vertwijfeling mede dat de ander juist per schip vertrokken is. Langzaam, +en stukje voor stukje begint de lezer iets van de vóórgeschiedenis te +snappen, later krijgt hij nog een paar draden te pakken; de handeling +kan hij tot een zeker ogenblik volgen, dan, juist als de situatie zeer +spannend is, laat de schrijver die los en plagerig volgt hij nu weer +een ander persoon op diens weg; voortdurend worden er nieuwe episoden +ingewerkt; net als in die Chinese doosjes wordt in elke historie altijd +weer een andere gevoegd, iedere nieuwe persoon die optreedt vertelt ook +weer zijn geschiedenis, die de lezer zich dikwels ietwat geïrriteerd +af doet vragen wat dit daar nu weer mee te maken heeft, maar die toch +tenslotte van afdoende betekenis voor de hoofdhandeling kan blijken +te zijn... en zo is de lezer in één voortdurende spanning en wordt +hij voortgezweept, in de war gebracht, geërgerd, verder gebracht... +teruggehouden... maar de roman laat hij niet los voordat hij aan 't +einde gekomen is! + + * * * * * + +Een vervolg op die Griekse roman vormen, naar het schijnt, in de +Byzantijnse tijd, andere romans die wij niet kennen, maar waaraan via +het Latijn, Franse en Duitse romans hun oorsprong danken. Maar deze +romanliteratuur is, zoals wij reeds zagen, slechts één enkele tak +van de rijke, mondelinge en schriftelike vertelkunst die zich in de +Grieks-Oosterse wereld ontwikkelde. En door de collecties van Latijnse +verhalen die wij al meer dan eens genoemd hebben, zowel als nog meer +langs mondelinge en schriftelike wegen die wij nu niet meer kunnen +nagaan, kwamen er talrijke Oosters-Griekse verhalen tot de Middeleeuwen +van het genre dat wij nu uit de grote schatkamers van Oosterse +vertellingen kennen, waarvan de »Duizend-en-één-Nacht" een van de +grootste en laatste is, maar die ook in 't Persies tot hele +gedetaljeerde liefderomans uit werden gewerkt. + +Die vertellingen zijn al even onkrijgshaftig als de Griekse romans, +en ofschoon anders in elkaar gezet, zijn het dezelfde onderwerpen +die daarin met voorliefde behandeld worden. Het zijn verhalen van +sentimentele liefde, zielegrootheid, onschuldig lijden, list en vernuft, +vreemde spelingen van het noodlot en de merkwaardigste gevallen van +toverij. + +Dat element van toverij ontbrak niet in de latere klassieke periode--de +toverdrank van Medea en Circe en de toverroman van Apuleius en zijn +»gouden Ezel" staan verre van alleen--maar vooral door de Oosterse +vertellingen maakten de Middeleeuwen kennis met alle soorten van +tovermotieven waar ze rijkelik gebruik van konden maken. Daar had men +allerlei geesten en toverdieren; bronnen waar men niet uit mocht drinken +of er stak een hevige storm op, of een enorme geest kwam de stoutmoedige +tot een tweestrijd uitdagen; mensen die door toverij tot stenen en +dieren gemaakt worden; toverslotten, waarin niemand wegens spoken +en heksen durfde overnachten; feeën die hun menselike geliefden naar +hun rijk ontvoerden. En er waren spiegels en bronnen waarmede men de +kuisheid van een vrouw op de proef kon stellen en toverkussens die men +in 't bed legde en die dan de man als van steen maakten in de armen van +de vrouw. + +Voor de Middeleeuwen waren alle »Wijzen van het Oosten" Tovenaars en +Magiërs evenzo zeer als de Philosofen van de klassieken: Hippocrates +en Virgilius, zo wel als koning Salomo en al de wijzen der Oosterse +novellen. Die maakten vernuftige mekanismen, ze konden zien wat er op +andere plaatsen geschiedde, konden de gedachten van anderen lezen en te +weten komen wat anderen in 't schild voerden, misdaden opsporen, en zeer +talrijk waren de bewijzen van scherpzinnigheid waar de Midrasch en de +Talmud der Joden of de Arabiese sprookjesverzamelingen van verhaalden. + +Maar slimmer dan zelfs de wijste man was toch dikwels de vrouw, waar het +er op aan kwam om de mannen te bedriegen. Een wijze als Hippocrates werd +door zijn vrouw vergiftigd; Virgilius de Tovenaar zou een listige vrouw +in 't geheim ontmoeten en toen hij zich in een mand naar haar vertrek +zou laten hijsen, liet zij hem midden in de lucht hangen tot spot voor +iedereen. Van de vrouw van Salomo vertellen Joodse sagen en Byzantijnse +romans, hoe de sluwe vrouw en de verstandige bultenaar Morolf, Salomo's +broeder en helper elkaar steeds weer in list trachten te overtreffen. +Van de gemalin van Caesar zowel als van die van Constantijn wordt +verteld hoe zij hem met haar twaalf camerieres bedroog die verklede +mannen waren, totdat een der wijzen haar schaamteloosheid aan 't licht +bracht. Een vrouw neemt een slaapdrank in en geeft zich zo voor dood +uit, ze wordt begraven en door haar geliefde weggevoerd. Een ander laat +een geheime gang graven tussen het huis van haar man en dat van diens +vriend, die tegelijk haar geliefde is. De vriend presenteert haar nu +in zijn eigen huis als zijn eigen vrouw; de bedrogene kan zijn eigen +ogen niet geloven, maar de vriend verklaart dat er alleen maar een +merkwaardige gelijkenis in 't spel is; als hij naar huis wil gaan zal +hij zijn eigen vrouw thuis vinden,--wat dan ook uit komt. Een derde +heeft het ongeluk dat een geleerde ekster de echtgenoot vertelt, wat zij +in zijn afwezigheid heeft uitgevoerd, maar de vrouw weet op alles raad +en slaagt er gemakkelik in door een zeker experiment hem te overtuigen +dat die eksters maar leugenbeesten zijn, zodat hij ze nu ook niet kan +vertrouwen. + +Meestal kan men die Oosterse verhalen van vrouwenlist waar ze in de +Europeese novellen, b.v. de Franse fabliaux overgegaan zijn, daaraan +herkennen dat ze zo paradoxaal lijken, zo kunstig, en in de aangewende +middeltjes zo tegen alle gezond verstand in schijnen te druisen, +vergeleken met de nuchterder, natuurliker Europese geschiedenissen. +Het zelfde gemis aan respekt, beter: het zelfde genot in het +paradoxaal-onwaarschijnlike kenmerkt ook die talrijke Oosterse +geschiedenissen over het merkwaardige spel van het toeval of, als men +wil, over de wonderbare wegen en de almacht van het Noodlot. Van de +Duizend-en-één-Nacht kent een ieder genoeg dergelijke verhalen over de +vreemdste combinaties van het toeval. Alle toevalligheden hebben b.v. +zo zeer samengezworen naar 't schijnt om een volkomen reine vrouw in de +schijn van schuld te brengen, dat ook alleen maar een even merkwaardig +toeval haar onschuld aan den dag kan brengen. Of--en dit is een historie +die in veel versies in de Middeleeuwen bekend was--men heeft de keizer +voorspeld dat een arm kind dat juist geboren wordt, zijn schoonzoon en +erfgenaam zal worden en wat de keizer ook keer op keer probeert om de +voorspelling te doen falen, alles werkt daarentegen juist samen om die +wel te doen uitkomen. + +Maar de Oosterse fantasie zoekt ook buiten de grenzen van het +natuurlike, op het gebied van het zieleleven haar weg naar overspanning +en paradoks. Vrienden die elkaar in zelfopoffering, vijanden die elkaar +in grootmoedigheid trachten te overtreffen, liefde die alle beproevingen +doorstaat, de zwartste ondank, de blankste edelmoedigheid. Een jongeling +woont bij een getrouwde vriend, diens vrouw begint te sukkelen en +vertelt eindelik aan haar man dat zij van liefde voor de jonge +huisgenoot vergaat. De man neemt nu zijn jonge vriend in 't vertrouwen, +en die... weet zich een melaatse ziekte op de hals te halen om zodoende +bij de vrouw zijns vriends de liefde te doen overgaan die de schone +verhouding tussen hen drieën in de war had gebracht. Romanties is die +liefde vooral en sentimenteel--veel meer zelfs dan in de Griekse romans. +Als in deze laatste zijn de geliefden in de regel zeer jong. Hij wordt +op iemand verliefd die hij nooit gezien heeft, op haar portret, op haar +beeld dat hij in zijn dromen gezien heeft, of hoogstens heeft hij een +glimp van haar achter het tralievenster gehad. Hij legt zich op zijn bed +en wordt zieker en zieker en bij zijn onmannelik gedrag moet nu een +vriend of de ene of andere koppelaarster voor hem handelen. Het feit +dat in 't Oosten de vrouw altijd bewaakt wordt en van allen afgesloten +leeft, geeft een hoogst romanties tintje aan de verhouding tussen de +geslachten en brengt noodzakelik gevaarlike avonturen, zowel als het +gebruik van tussenpersonen met zich meê, en wanneer b.v. de held als +een slavin verkleed de harem binnen is gesmokkeld, of in een mand met +bloemen naar boven is gehesen, dan wordt die gelegenheid ook terstond +aangegrepen, daar was die zeldzaam genoeg voor en duur genoeg gekocht, +om terstond op alle liefdegenot aanspraak te maken.--Maar meestal doolt +hij lang in de grootste ellende rond; de ongelukkige jonge man wordt +waanzinnig van verdriet; hij of zij worden als in de Griekse romans +als slaven verkocht of door rovers weggevoerd en pas na jarenlange +tegenspoeden, en na er veel tranen en zuchten bij te hebben gelaten, +komen zij tot hun welverdiende geluk. + + * * * * * + +Hier en daar vindt men nu motieven uit die Griekse en Oosterse +vertellingsliteratuur in de gehele Ridderromantiek,--in wat vooraf +gaat hebben wij ze al gevonden en wij zullen er in wat volgt geregeld +weer aantreffen. Maar als direkte afstammelingen daarvan doet zich +heel duidelik een reeks romans en vertellingen kennen,--door de +kinderachtig-zoetsappige liefde die daarin optreedt, of door een +spesiale soort van avonturen en spel van het noodlot, of wel door de +buitengewoon extravagante geschiedenissen van toverij en vrouwenlist. + +Een van de hoofdmotieven in de Griekse romans was, zoals wij zagen, +dat twee gelieven, of man en vrouw door een toeval, op reis van elkaar +gescheiden raken, of door rovers overvallen worden, en terwijl zij +elkaar trouw de gehele wereld over blijven zoeken, hebben zij al de +wisselvalligheden der fortuin en al de wereldse ellende te verduren. +In de Franse romans (van de 12de of begin 13de eeuw) zo als Floris en +Blanchefleur, Aucassin en Nicolette, Escoufle, Guillaume van Palermo, +worden histories van dat genre als in de ridderliteratuur behandeld. + +De ridderromans beginnen met de opvoeding van de held of heldin +van kindsbeen af aan een vorstelik hof te schilderen. Of wel is het +de zoon van een edelman, Guillaume, die aan het hof van de keizer +van Italië opgroeit met 's keizers dochter Alis, of de dochter van +een kristen-ridder, Blanchefleur, is gevangen bij het hof van een +Spaans-Moors koning en groeit daar op met prins Floris. Zoet wordt +de schoonheid en de liefelikheid der kinderen geschilderd,--evenals +in de sentimentele legenden van het Kindeke Jezus uit die tijd, of +op de groepen van de »Madonna met het kind" waar de Franse kunst de +kerkportalen mee begon te versieren. De jongen, drie jaar oud, lijkt met +zijn blonde haar een engel, allen zijn dol op hem en hij zit voortdurend +op de rug van de schildknapen en ridders. Wanneer zijn moeder hem naar +'t hof zal zenden, neemt zij hem de laatste nacht nog bij zich in bed +en als de jongen weg rijdt, legt zij een zacht kussen op zijn zadel. +Aan het hof komt de jonge keizersdochter hem met haar speelkameraadjes +te gemoet, hij groet zoals hij dat van zijn moeder geleerd heeft +en de eerste ontmoeting der kinderen is vol gratieuse verlegenheid. +Aldoor zijn Guillaume en Alis of Floris en Blanchefleur samen; hij +is vol attenties en beleefd, heeft nooit lelike woorden of vloeken +in zijn mond, en zij zingt en naait en heeft er plezier in steeds +maar gordels en beurzen weg te geven die zij geborduurd heeft. Samen +spelen zij in een tuin, terwijl »de vogeltjes van de liefde zingen". +Als de een lezen moet leren, moet de ander meê doen en dan leren ze +dat uit de »heidense liefdeboeken" en schrijven met zilveren en gouden +stiften over vogelengezang en bloemen en liefde op ivoren tafelen (ook +in de »Duizend-en-één-Nacht" schrijven een jongen en een meisje elkaar +verzen vol liefdebetuigingen, zodra de onderwijzer hun de rug toekeert). +Zij noemt hem »vriend" of »broeder", maar men kon aan de kleur op haar +gezicht en de ogen zien welke naam haar 't zoetst klonk; wanneer zij +»vriend" zegt, zucht zij en worden haar ogen eens zo klein van schattige +schuchterheid. + +En zo groeien zij op. Hij doet dienst als page, munt uit bij de +ridderspelen, in 't schaken en bij 't bakspel, in hoofsheid en +mildheid. Zij wordt maagd,--de kleine vaste ronde borstappeltjes zijn +als »Waalse noten", haar tengere middeltje kan men met de twee handen +omspannen; haar lichaam is zo blank dat wanneer zij met blote benen op +de weide door de morgendauw loopt, de madeliefjes, met haar vergeleken, +grijs schijnen. Hun gevoelens worden ook inniger. Wanneer hij eens een +ogenblikje van haar af is, worden haar ogen helemaal »rond" en kijkt +haar hart door 't raam van het oog om hem na te staren; en als zij eens +op een dag in de tuin wandelend, de jonge man ziet liggen slapen, kan +zij niet nalaten hem te kussen, maar nu heeft hij juist van haar liggen +dromen en droomt op het zelfde ogenblik dat zij hem een roos geeft en nu +wordt hij wakker en begroet haar beleefd. En het duurt niet lang of zij +kussen en liefkozen elkaar en menige nacht brengt Alis slapeloos door +als zij bedenkt hoe dikwels haar vriend haar borstjes en haar lijf onder +haar kleren heeft gestreeld en haar »schone lenden" heeft geliefkoosd. + +Het verschil in stand heeft weinig voor de gelieven te zeggen, en in elk +geval brengt de liefde ze daar licht over heen, of zij nu 's keizers +dochter is of hij vorstenzoon en zij van mindere stand. Maar de lelike +ouders kunnen die mésaillance niet toelaten. Daarom vluchten b.v. +Guillaume en Alis (in »Escoufle") eens op een nacht, aan haar +beddelakens laat zij zich uit het raam van haar kamer neerglijden en op +muilezels rijden zij de weg op. En de muilezels bleven aldoor vlak tegen +elkaar aanlopen; de twee gelieven hadden pret en liefkoosden elkaar, dan +eens nam hij haar hand, dan aaide hij haar over de wangen; »wat heb ik +die maan toch lief," zegt hij, »die beschijnt uw schone aangezicht."--En +de dichter barst uit: »Wel hebben die twee, vader en moeder, goud en +goed op 't spel gezet om de roepstem huns harten gehoor te geven!" +Vergeefs worden de vluchtelingen nagezeten, vrolik en wel rijden ze de +wereld rond, in de herbergen krijgen ze volop eten en drinken op reis +mee, buiten in de heerlike vrije natuur spreiden zij hun tafellaken... +Maar, ééns op een dag, wanneer zij zich bij een bron waarbij ze gegeten +hebben, te slapen heeft gelegd, en hij bezig is haar aangezicht tegen +de zon te beschutten, dan schiet plotseling een wouw uit de lucht op +zijn beurs af waarin een ring is die zijn geliefde hem juist geschonken +heeft,--een trek die ook in de »Duizend-en-één-Nacht" te vinden +is--Guillaume springt dadelik te paard hem achterna, Alis wordt wakker +en is nu eenzaam door haar trouweloze schaker achtergelaten,--wanhopend +gaat zij nu ook op weg,--natuurlik juist de verkeerde kant op. En zo +krijgen wij weer de gewone situatie: twee gelieven die op goed geluk +elkaar in de wijde wereld gaan zoeken. + +Wanneer de koning der Moren in »Floris en Blanchefleur" merkt dat het +tussen zijn zoon en het jonge kristen-meisje wat al te warm wordt, zendt +hij de prins weg in een verre stad naar school, het meisje wordt aan +vreemde kooplieden verkocht en de koning en koningin laten een prachtig +grafmonument oprichten, dat Floris wanneer hij thuis komt, als het graf +van die arme overleden Blanchefleur wordt getoond. Dit motief komt ook +in de »Duizend-en-één-Nacht" voor. Zijn ouders die denken dat het gevaar +nu geweken is, laten het graf versieren met schone herinneringen aan de +jeugdige liefde van die twee kinderen: twee beelden die hem en haar +voorstellen en die door de wind bewogen, elkaar goudbloemen geven, +terwijl zij de woorden spreken: »Kus mij, mijne schone!" Maar Floris +laat zich niet troosten,--»de liefde heeft een kruid in zijn hart +geplant, dat steeds in bloei stond en dat zo zoet rook, dat hij daar +alles door vergat", hij beklaagt zich overal en gelijk de held in de +Griekse romans, besluit hij zich van kant te maken en wel met een +zilveren schrijfstift, die zijn geliefde hem geschonken heeft; dan +zal hij zo naar het »camp flori" komen en met zijn vriendin bloemen +plukken,--dat zijn waarschijnlijk de affodil-bedden in de klassieke +onderwereld. Nu moeten zijn ouders de waarheid wel bekennen en zij +laten 't hem aan niets ontbreken als hij nu de wereld in trekt om +zijn Blanchefleur te zoeken. Als een koopman verkleed, gaat hij op +weg,--gelijk de prins in »Duizend-en-één-Nacht" die zijn geschaakte +geliefde achterna trekt. (Latere versies vinden blijkbaar die verkleding +als koopman niet deftig genoeg en laten de prins op reis gaan als een +vorstenzoon met een gevolg van ridders). + +Blanchefleur is verkocht geworden aan de »admiraal" van Babylon die +haar in zijn »vrouwentoren" opsluit,--blijkbaar een soort Oosterse +harem--waar er 140 kamers zijn met jonge meisjes die bediend en bewaakt +worden door eunuchen. Elk op de beurt moest naar de »lever" van de +admiraal en als het bewijs van hun kuisheid geleverd is, worden ze voor +één jaar de favorite,--hierop worden ze onthoofd, want de despoot wil +niet dat iemand anders een vrouw zal bezitten die eens de zijne geweest +is. Dit is alles volkomen Oosters. Na lang vergeefs zoeken zit Floris in +een herberg en terwijl allen om hem heen vrolik praten en eten, denkt +hij alleen maar aan zijn »Wittebloem" en zucht en weet niet wat hij eet. +De waardin merkt dit en stoot haar man in de zij,--»bij God, dat is +geen koopman, dat is een jonge edelman." Dan begint zij een vriendelik +gesprek met hem en vertelt hem in de loop daarvan dat er voor enige +tijd hier een meisje was komen logeren die erg op hem leek en die +Blanchefleur heette en aldoor zat te zuchten over een zekere Floris. De +jonge »koopman" raakt helemaal in de war hierdoor, gooit de wijnkan op +de tafel om, maar geeft de waardin een gouden beker tot beloning voor +haar mededeling en trakteert het gehele gezelschap op wijn. Dan haast +hij zich weg in de richting waar de waardin van vertelde, komt weer bij +een vriendelike waard en waardin,--zijn eigenaardige jeugdige schoonheid +wekt aller medelijden en welwillendheid,--en ten slotte komt hij +werkelik te Babylon, waar zij in de »vrouwentoren" van de admiraal zit. +Hij maakt kennis met de portier van de toren, speelt schaak met hem, en +geeft hem ook een gouden beker ten geschenke, waarop de man hem in een +bloemenmand naar boven hijst. Vrolik en wel springt hij de mand uit, +maar ongelukkig is hij bij vergissing niet in de kamer van Blanchefleur +terecht gekomen maar in die van een harer vriendinnetjes. Van schrik +schreeuwt zij eerst luid, maar weet toch de andere meisjes die ijlings +aan komen zetten weg te krijgen,--'t was maar een kapelletje dat uit +de bloemen op was gevlogen. En dan roept ze Blanchefleur,--zij heeft +n.l. dadelik begrepen dat het haar vriend is die gekomen is. Sprakeloos +vallen ze in elkaars armen en de volgende dagen brengen die twee +gelieven in één liefderoes in Blanchefleur's vertrek door. Maar zo komt +het dat zij meer dan eens haar plicht vergeet om op de »lever" van de +admiraal te verschijnen; zij worden samen in bed ontdekt,--allerliefst +is het dat de admiraal eerst meent dat het een meisje is, dat daar bij +Blanchefleur ligt, maar als zij de borst van de bedgenoot zien, weten +ze dat het een jongen is. Nu moeten ze beiden verbrand worden,--Floris +heeft een toverring bij zich, die hij Blanchefleur aan de vinger wil +steken, zodat zij altans gered kan worden; maar geen van beiden wil +alléén gered worden en dus werpen ze de ring weg en worden naar de +brandstapel geleid. Maar--de admiraal krijgt de hele historie te horen, +hoe zij elkaar in leven en dood trouw zijn gebleven en dan wordt hij, +gelijk zo dikwels met de tyran in de Griekse romans het geval is, zo +zeer door medelijden bevangen dat hij ze beiden vrij laat en--Floris +zelfs tot ridder slaat! Nu trekken Floris en Blanchefleur vol geluk +naar Spanje, waar Floris de troon bestijgt en ter ere van zijn +kristelike vrouw zelf haar geloof aanneemt. + +Het gehele gedicht is in een zachte, schone sprookjestoon geschreven; +de bloemennamen van de held en heldin schijnen direkt van dergelijke +personennamen in Griekse romans vertaald, misschien is het helemaal +oorspronkelik niets anders dan een bloemensprookje geweest. Het schijnt +in twee verschillende versies naar West-Europa gekomen te zijn, en daar +zijn dan twee groepen van die roman uit ontstaan, waarvan de éne in veel +ruwer lijnen opgetrokken is, niet alleen wat de boosheid van Floris' +vader betreft, maar ook de ongelukken van Blanchefleur: in 't algemeen +schijnt deze groep voor de smaak van een groter, meer populair publiek +bestemd. + +Een heel bizondere bewerking heeft de sage ondergaan in de kleine +»chante-fable" van »Aucassin en Nicolette". In dit liefelike gedicht +zijn de verzen met uitzondering van de meest lyriese passages in proza +overgebracht, iets wat verder in 't Oud-Frans niet voor schijnt te +komen,--hoewel dat natuurlik bij de voordracht der berijmde romans door +de trouvères feitelik meer dan eens plaats gegrepen zal hebben,--en door +zoo van de banden van 't vers vrijgemaakt te zijn, is de vertelling +tot een kompleet sprookje geworden, alle waarschijnlikheid over boord +gooiende en op de alleraardigste manier een romantiese droom mengelend +met de nuchtere werkelikheid des levens, een dwepen zo erg, dat de boog +wel eens al te zeer gespannen blijkt en barst--met de meest naïeve +natuurlikheid, de zoetste zwaarmoedigheid met schelmse en ondeugende +vrolikheid. Hier is het 't meisje die tot de Moorse stam behoort, maar +zij is gekerstend geworden en opgevoed te Beaucaire, waar de zoon van de +graaf haar lief krijgt. De graaf laat het meisje in een toren opsluiten +om haar later geheel te doen verdwijnen, en zijn zoon die zich van +zijn passie niet wil laten genezen, werpt hij in de gevangenis; maar +Nicolette weet door middel van haar beddelakens uit haar toren te +ontvluchten, sluipt naar de gevangenis van Aucassin toe, waar zij +door een spleet in de muur haar vriend te spreken krijgt, totdat de +torenwachter die hen vol sympathie heeft gadegeslagen, haar waarschuwt +dat de nachtwachter uit de stad op zijn ronde nadert. Nicolette moet +over de muur en de gracht naar 't bos vluchten en zendt een groet aan +Aucassin, die als hij ook uit de gevangenis ontsnapt is, daar ook heen +snelt, en nu leven ze een romantiese natuuridylle in 't bos. Maar dan +gaan ze op reis,--in de beschrijving van de vreemde landen met de +merkwaardige zeden, waar ze door trokken, klinkt als een echo en bijna +als een parodie van de exotiese reisverhalen der Griekse romans--zij +raken in slavernij, worden onder een storm van elkaar gescheiden, en +Aucassin komt in zijn eigen rijk terug; maar zijn leven is een en al +zwaarmoedigheid, totdat eens op een dag zijn Nicolette, verkleed als een +arme speelman (gelijk de helden in een Griekse roman) naar Beaucaire +komt en zich weer bekend maakt... + +Dit kinderlike en populaire volkssprookje zal eigelik wel niet voor de +hogere kringen van de ridderromantiek bestemd zijn geweest; maar de +fijne tederheid, de heidense sensualiteit, de schone mensenliefde, welke +die gehele klasse van de Grieks-getinte romans kenmerken, die wij hier +onderzoeken, laat zich nergens liefeliker kennen dan in »Aucassin en +Nicolette"--waarbij dan nog een bijna ziekelike innigheid komt, een +overspannen dweperij, die echt Middeleeuws-romanties is. + +Heel wat beter aan Europese toestanden aangepast is het verdere verloop +der handeling in »l'Escoufle", daar wij afscheid van namen toen de wouw +in 't bos Guillaume en Alis had gescheiden. Bij haar rondzwerven komt de +dochter van de keizer te Montpellier, waar zij met een arme vriendin een +tijd woont en de kost verdient met haar prachtig handwerk. Zij borduurt +b.v. zijden beurzen die de edellieden uit de omtrek aan hun dames ten +geschenke geven; zij geneert zich ook niet het haar van de Heren te gaan +wassen, al heel gauw is zij overal bekend wegens haar vriendelikheid en +haar schoonheid, zo zeer dat het huis van de twee dames een hele salon +wordt, waar de gehele adel uit de buurt de artistieke schone het hof +komen maken, zodat de adelike dames erg jaloers worden. Eindelik komt +zij als een soort dame van gezelschap of een hoger genre van dienstmaagd +in huis bij een grafelike familie. Hier krijgen wij de beschrijving van +een gezellige, naïeve scène,--de heer des huizes is 's avonds van de +jacht thuis gekomen en maakt het zich gezellig bij de haard, waar men +appelen braadt,--om beter te kunnen »gratter" heeft hij alleen maar zijn +broek aangehouden en zijn hoofd rust in Alis' schoot;--de familie zit +om hem heen en ze praten over koetjes en kalfjes. Een vertelt van die +vreemde rare man die daar nu in de stad in 't hotel woont en die vandaag +op de jacht meegeholpen heeft; er was ergens een wouw gevangen en zodra +de jonge man die gezien had, had hij diens hart uit zijn borst gerukt +en dat opgegeten. De graaf wordt nieuwsgierig en laat de man bij zich +roepen, die dan vertelt waarom hij de wouwen zo haat... En terwijl hij +daar zijn historie staat te vertellen, herkent Alis hem op eens... +de rest kan men gissen!--Het is de levendigste beschrijving van het +dagelikse ridderlike leven der 12de eeuw, die men zich wensen kan, en +toch: niet alleen daarin dat Alis zeer sterk aan de odalisken doet +denken, maar ook in de episode van de man die zijn zonderlinge manier +van optreden moet komen verklaren, kan men moeilik iets anders dan een +Oosterse bron van de scène zien. + + * * * * * + +Is het motief van de scheiding der twee gelieven en van hun hereniging +een der grondformules van de liefderoman gebleven, het andere motief +dat van de Grieks-Oosterse vertellingskunst in de ridderromantiek +over is gegaan, heeft zich niet minder vruchtbaar getoond voor de +wereldliteratuur. Dat is 't motief van de echtgenote die onschuldig van +ontrouw verdacht en weggejaagd wordt; haar onschuld komt echter voor den +dag en het gelukt haar man de verschoppelinge te vinden en haar weer in +ere te herstellen. Het is een roman-formule waar het werkelike leven +dikwels genoeg de stof voor geleverd heeft en die werkelik bizonder +geschikt is om tot het gevoel en de fantasie te spreken: de reine +onschuld die door duivelse boosheid zwart gemaakt wordt; de goedige +echtgenoot, een man van eer, maar die door schijnbaar sterke bewijzen +verblind, er toe komt groot onrecht te doen--de waarheid eerst onder +de voeten getreden, maar die ten slotte triomfeert. Van verschillende +trekken die nu in de »Duizend-en-één-Nacht" te vinden zijn tot de +geschiedenis van Suzanna in het boek van Daniël, van de historie van +Lucretia bij Livius tot de Griekse roman van Chaereas en Kallirhoe, +boden het Oosten en de klassieken genoeg uitgangspunten. In de +middeleeuwse kronieken en heldendichten kan men dergelijke +geschiedenissen lezen over allerlei koninginnen, Angelsaksiese, Franse +en Duitse; in de legenden waren die op heiligen overgebracht. Maar +die vorm van het motief, waarin de middeleeuwse ridderromans het +behandelen--de Franse »roman van de violette moedervlek", »de Graaf +van Poitiers", de »roman van Rozenvlek", de Duitse »roman van de twee +kooplieden"--heeft de eigenaardigheid dat een weddenschap of in elk +geval een dispuut tussen de man en diens vrienden over de trouw zijner +echtgenoot het uitgangspunt vormen; het »bewijs" dat de lasteraar haar +gunst genoten zou hebben is dat hij weet aan te geven waar zij een +moedervlek op 't lichaam draagt, of haar slaapkamer kan beschrijven +of een ring van haar kan vertonen. De weddenschap of het dispuut als +uitgangspunt hebben wij ook in de geschiedenis van Lucretia en iets +dergelijks vinden wij in vele Oosterse histories; schijnbare bewijzen +van ontrouw die de echtgenoot in de war brengen, hebben wij ook reeds in +Griekse romans en Oosterse vertellingen. En die ganse half wrede, half +moraliserende sentimentaliteit die in het motief ligt, draagt een +Oosterse stempel. + +De »Graaf van Poitiers" is de oudste, nog vrij ruwe versie, de »Roman +van de violette moedervlek", de fijne ridderliker bewerking. De koning +van Frankrijk houdt een feest voor zijn hof en zijn baronnen. Terwijl +zij zitten te praten en te zingen, beroemt de graaf van Nevers,--of van +Poitiers--zich op de trouw en de deugd van zijn geliefde Oriaut (in de +oudste roman is het zijn vrouw) en zingt haar lof. Een edelman, een +intrigant, graaf Lysiart van Forest, spot met zijn vertrouwen en beweert +dat hij binnen korten tijd het bewijs zal brengen dat hij de liefde der +schone genoten heeft. Zij wedden om hun graafschappen en graaf Lysiart +rijdt naar het slot van Oriaut met de groeten van haar geliefde en de +boodschap dat zij verzocht wordt hem goed te ontvangen. Oriaut staat +juist als hij komt in het raam van haar torenkamer naar het gezang der +vogeltjes te luisteren en liederen van Poitou te zingen terwijl zij +aldoor aan haar hartevriend denkt. Zij ontvangt hem zeer vriendelik en +geeft hem een kamer op het slot, maar wanneer hij woorden van liefde +loslaat, wijst zij hem eens voor altijd af. (In de oudere roman toont +hij zijn liefde door onder de maaltijd elk stuk te grijpen waar zij al +van gegeten heeft, haar op de voeten te trappen en haar om 't lijf en +aan de borsten te pakken). Maar Oriaut heeft een sluwe oude kamenier; de +graaf weet haar om te kopen dat zij hem door een gat laat kijken terwijl +de schone een bad neemt. En nu ziet hij dat zij een violette moedervlek +op haar ene borst heeft. (In de oudere versie weet de cameriere hem haar +ring te verschaffen, wat van haar haar en een stuk van haar kleed). Met +dit »bewijs" voorzien, ijlt de verrader nu naar 't hof, waar hij nu vol +jubel de ridder met al zijn vertrouwen beschaamt en zijn leen van hem +wint. + +Zonder enig verder onderzoek jaagt de ridder zijn geliefde nu natuurlik +weg. En nu krijgen wij weer de gewone situatie voor die romans. Terwijl +zij n.l. in de wereld ronddoolt, gezocht voor haar schoonheid en belaagd +voor haar deugd die zij bewaart, merkt hij al heel spoedig hoe hij +bedrogen is. Nu is het zijn beurt om met Othello zijn »Fool! fool! fool! +fool!" te roepen en hij trekt ook de wereld in om zijn verongelijkte +geliefde te zoeken. Zijn zwerftochten worden in lieve kleine episoden +beschreven. Hij ligt b.v. ziek in het huis van een burger, van verdriet +uitgeteerd en de schone dochter van de gastheer zit bij zijn bed te +naaien, terwijl zij de ballade van Oriaut en Renaut zingt. Als hij de +naam van zijn beminde hoort, wordt hij dadelik opgefrist wakker, nu wil +hij opstaan om te gaan zoeken en hij begint in bed al een minnezang te +zingen. Nu vraagt het jonge meisje hem of hij zich beter voelt en hij +polst haar of zij wel weet van wie zij zong,--zodat zij begint te +begrijpen dat wat hem scheelt »mal d'amour" is. Dan vertelt hij haar +zijn hele geschiedenis en wil dadelik op weg. Maar de familie wil hem +niet loslaten vóór hij goed en wel beter en wat aangesterkt is; de +vriendelike mensen willen geen betaling van hem aannemen. Als hij ergens +anders komt, wordt de dochter van een hertog verliefd op hem, haar +dienstmaagd geeft hem een toverdrank te drinken, zodat hij zijn Oriaut +vergeet... Reeds is het huwelik bepaald, maar eens op een dag, wanneer +hij in 't bos op jacht is en hij een van de liederen van Bernard de +Ventadour neuriet, vangt zijn sperwer een leeuwerik die--Oriaut's ring +om zijn hals heeft! Nu wordt zijn herinnering weer levend, zijn liefde +neemt de kamp op tegen de toverdrank en zegeviert. Weer trekt hij de +wereld in en vindt haar juist als zij op de brandstapel staat--een +gewone trek in een Griekse roman--; zij moet sterven voor een misdaad, +waar boze mensen haar van beschuldigd hebben. + +Zoals men ziet, vervolgt het noodlot de onschuldige vrouw overal in de +wereld en van dergelijke door alle ongeluk getroffene, door de mannen +belaagde en door boze medeschepselen van allerlei misdaden beschuldigde +vrouwen, weten vele ridderlike romans en vertellingen op Oosterse manier +te vertellen. De heldin wordt b.v. door haar eigen vader belaagd en +houwt haar ene hand af om zo haar schoonheid in diskrediet te brengen; +zij moet de vlammendood sterven, maar vlucht in een boot zonder roer de +zee op; trouwt, maar wordt door haar schoonmoeder vervolgd, of wordt +als kindermeisje beschuldigd het haar toevertrouwde kind omgebracht te +hebben;--maar altijd brengt de genade van de voorzienigheid haar door +alle beproevingen heen. Het is een hele literatuur over de vervolgde +en onderdrukte vrouwen die haar oorsprong heeft in laat-Griekse +sentimentaliteit en Oosterse martellust, maar in de middeleeuwse romans +neemt die een belangrijke plaats in bij de strijd van het kristendom om +de harten te verweken en de zeden te verzachten, en bij het werk van de +poëzie, om de ruwe baronnen als ridders de vrouw te doen eren. + + * * * * * + +In schelle tegenstelling met de geest in deze romans staan al de +Oosterse verhalen over de sluwheid der vrouw die terzelfder tijd de +Westerse literatuur binnen drongen. Die kwamen geheel en al overeen +met al de anekdoten over vrouwen die uit zichzelf in Galliese aarde +ontstaan en gegroeid waren; alleen waren de inheemse »fabliaux" nog +al humoristies en schuin, en meer ironies-skepties, terwijl er in +de Oosterse een sombere, lage passie op te merken viel. Populaire +speelmans-liederen in 't Frans en Duits bewerkten ook con amore de +Oosters-Byzantijnse geschiedenissen van de ontrouwe echtgenote van +koning Salomo en de sluwe bultenaar Morolf. Nu namen ook de ridderromans +Oosterse verhalen van dat genre ter behandeling op. Maar zij wagen zich +aan het kunststuk om die verhalen met een nieuwe geest te bezielen; +openlik nemen zij het voor de vrouw en de liefde op en geven hun ten +slotte de zege. + +Een van de oudste ridderromans heet Eracle en is in 1160 door +Gautier van Arras op grond van geestelike Oosterse legenden en +Oosters-Byzantijnse vertellingen geschreven. De roman begint in +religieus-stichtelike trant, door van een vroom Romeins echtpaar te +vertellen--de man is senator. Zij leven kinderloos, totdat een engel +zich voor hen openbaart die hun zekere intieme mededelingen doet, +waaruit ze leren hoe zij hun nachtelik samenzijn de gewenste vrucht +kunnen doen dragen. Schuchter volgen ze die voorschriften en er wordt +hun dan ook een jongen geboren. Op de dag dat 't kind gedoopt zal worden +kwam er een engel aanvliegen die een brief van God op de wieg legt; die +mag niet geopend worden vóór de jongen die zelf kan lezen. Maar dat +duurt niet erg lang, zo voorlik is het kind,--en in die brief schenkt +God hem drie bovenmenselike gaven: hij zou verstand hebben van +edelstenen, paarden en vrouwen,--de drie dingen waar een Oosterling +altijd het meeste op gesteld was iets van te weten. Nu sterft de senator +en de weduwe ziet zich genoodzaakt door geldgebrek haar kind te +verkopen,--»zoals dat in die dagen zo veel gebeurde"; zij stelt zich +bovendien voor--zo luidt de verontschuldiging van de schrijver--het geld +uitsluitend voor zielemissen voor haar man te gebruiken. Roerend als in +de legenden wordt beschreven hoe zij de strik om de hals van de jongen +legt en zachtmoedig als een lammetje laat hij zich naar de slavenmarkt +brengen. Hij landt weldra aan het hof van de keizer aan, waar hij +spoedig gelegenheid krijgt om zijn kunst te tonen, die de keizer op de +proef stelt--eerst met stenen, dan met paarden. Telkens laadt de jongen +eerst de spot van alle aanwezigen op zich door zijn keuze; hij laat de +grootste en aanzienlikste edelstenen liggen en pas later blijkt het dat +daar »de worm" in zat; hij gaat de beste paarden voorbij en kiest een +onaanzienlike klepper, maar overwint toch alle anderen met hem bij de +wedrennen. Hij komt nu, als een bij de Oosterse hoven aangestelde +»Wijze", tot grote eer en moet o. a. voor zijn heer en meester een +keizerin kiezen. Dat gaat weer helemaal op zijn Oosters toe, als in het +boek van Esther. Alle groten van het rijk krijgen bevel zich met hun +jonge dochters naar de hoofdstad te begeven. Dat wordt daar buiten de +stad een heel kamp en als een kermis, en de gespannen verwachting der +jonge meisjes, en hoe jaloers zij op elkaar zijn, wordt buitengewoon +levendig beschreven,--ook hun verwanten en bekenden, hoe die al het hof +maken aan degene van wie men verwacht dat zij keizerin zal worden, enz. +Eracle loopt langs al de opgestelde meisjes; ieder die iets op haar +geweten heeft, beeft onder zijn blik, hij doorziet hun lichtvaardige en +domme gedachten en gaat, het hoofd schuddend, ze allen voorbij zonder er +één uit te kiezen. Maar op de terugweg ziet hij een arm klein meisje de +straat oversteken; hij volgt haar naar het eenvoudige huis waar zij bij +een tante woont en kondigt hun aan dat zij koningin moet worden. Men +voelt met welk een sympathie de dichter de vreugde in dat bescheiden +milieu schildert, de onschuld van 't kleine meisje, de voorbereiding van +haar uitzet, en de pracht van de bruiloft zelf. Als keizerin verovert +zij weldra allen door haar vrome ootmoed en gratie. + +Maar nu slaat de toon van de vertelling om; het is duidelik dat 't +vervolg uit een heel andere bron stamt, de inspiratie is geheel anders. +De keizer moet ten oorlog en om zeker te zijn van zijn gemalin, zet hij +haar in een toren met een lijfwacht van 24 ridders; zij heeft een bed +in 't midden van de toren en de ridders slapen in een kring er om heen. +Op die manier worden de vrouwen dikwels in de Oosterse vertellingen +bewaakt, zo ook de dochter van Pompeius in de »Gesta Romanorum". +Maar de ridderlike dichter ziet in die strenge beledigende bewaking een +onrecht, dat de keizer zijn vrouw aandoet en dat verontschuldigt wat er +nu gebeurt. Eracle heeft daar sterk tegen gewaarschuwd; men past 't best +op een vrouw door haar vertrouwen te tonen, dwang en verveling, zegt +hij, kan tot allerlei verkeerds leiden. En nu gebeurt dan ook--echt +Oosters-paradoxaal--dat de deugdzame en zo uitstekend bewaakte vrouw +toch toont de Eva te zijn die zij is en dat »vrouwenlist zonder einde +is". Er moet een feest plaats hebben waar de keizerin volgens oude +gewoonte bij tegenwoordig moet zijn, en waar zij onder volle bewaking +heen gebracht wordt. Maar onder de jongelui van goeden huize die voor +de vorstin zingen en dansen en aan de wedstrijden mede doen, trekt de +jonge Parides weldra haar aandacht en in een ogenblik is zij evenzeer +op hem als hij op haar verliefd. Fijn en fris worden beider gedachten +beschreven: zij zit er over te peinzen hoe zij hem zal laten merken wat +zij voelt; zij mag toch wel hopen dat hij haar blikken begrepen zal +hebben, en zulk een edel gemoed als 't zijne moet toch de hoogte in +willen en niet vervaard zijn om zijn gedachten tot een vorstin op te +heffen; gelijk-gestemde zielen als de hunne moeten elkaar toch onder +duizenden kunnen verstaan. Als zij nu zondigt, is het toch in elk geval +de keizer die haar 't eerst onrecht aangedaan heeft, en de liefde wekt +toch zo dikwels edele deugden in de mens op, dat zij zich toch wel voor +God daarvoor zullen kunnen verantwoorden, zelfs als die op zich zelf +misschien zonde is. De keizerin zit nu in haar wachttoren te verlangen, +terwijl de jongeling zich, op zijn Oosters, op zijn bed legt en van +liefde verteert. Maar nu komt er, ook op Oosterse wijze, een vriendelike +oude buurvrouw die hem de pols voelt, hem vraagt wat hem scheelt en al +heel gauw merkt wie het voorwerp van zijn gevoelens is. En de volgende +dag gaat de oude vrouw met een mandje kersen naar de keizerin en +begint een praatje met haar... zij beklaagt haar omdat zij zo van allen +afgesloten leeft, en weet net zo lang te vragen tot zij begrijpt hoe de +zaken staan en vertelt dan van die jonge man die van liefde verteert. In +een pastei die de keizerin de volgende dag aan de vrouw laat brengen om +voor de kersen te bedanken, ligt een mededeling hoe de ontmoeting plaats +zal kunnen hebben. In de woning van de oude vrouw wordt een onderaardse +kamer gegraven en daar wordt Parides in verborgen. Wanneer de keizerin +nu, enige dagen daarna, bij een groot feest, met haar escorte daar +voorbijrijdt, heeft zij 't ongeluk van haar paard te vallen, haar +rijkleed erg vuil te maken en haar been te bezeren, zodat zij in 't +huis van de oude ondergebracht moet worden. En dan wordt ook alles +volgens 't programma afgewerkt,--dat natuurlik ook van Oosterse +oorsprong is: »Ne sait, qu'il fait, qui femme gaite." + +Maar natuurlik weet de wijze Eracle die met de keizer en het leger +van huis is, dadelik wat er gebeurt en vertelt dit aan zijn meester. +Deze ijlt spoorslags terug en neemt de schuldigen in verhoor. Zij +erkennen beiden 't gebeurde, maar zij verklaart dat zij alles wil doen +om haar geliefde te bezitten en ook hij is bereid voor zijn liefde te +sterven,--»dat is geen schande." En wanneer dan bovendien Eracle de +keizer nog voorhoudt dat hij zelf aan alles medeschuldig is, door zijn +tyrannieke behandeling van zijn echtgenote, dan laat de grootmoedige +Oosterse despoot die hij is, zich welwillend van zijn echtgenote +scheiden en verenigt de twee gelieven... En dan glijdt de roman weer +in een geestelike legendesfeer over. + +Oosterse vrouwenlist, ontrouw van een Griekse keizerin, maar met de +sympathie der lezers aan de kant van echtbreuk en de vrouw,--dat +is ook het onderwerp van een der eerste romans van Gautier's grote +mededingers,--de »Cligès" van Chrestien de Troyes. Het is haar neef die +de keizerin hier bemint, en haar voedster, die de toverkunst verstaat, +bereidt eerst een toverdrank die de keizer verhindert het huwelik te +»consumeren" wanneer hij 's nachts bij haar komt en daarna een andere +die de keizerin in een slaap brengt die op de dood gelijkt, waarna zij +zich laat schaken,--evenals dit uit de geschiedenis van koning Salomo's +echtgenote in de Oosterse vertellingen bekend is; wij kennen het uit de +geschiedenis van Romeo en Julia. + +Maar in een roman als »Cligès" is het, gelijk wij later zullen zien, +alleen maar de uiterlike handeling, de machinerie er van, die uit het +Oosten stamt. Van deze, zoals van zo veel andere romans die alleen in +wat voorafgaat beschouwd zijn als een Europeisering van Grieks-Oosterse +vertellingskunst, geldt het dat ze veel meer op te vatten zijn als +geheel originele ridderlike romanpoëzie die eenvoudig »prend son bien où +il le trouve". + +Maar nog een vreemd element--en niet 't minst belangrijke--zou die +romanpoëzie beïnvloeden, vóór die haar volle romantiese geur en kleur +zou krijgen. + + + + +XIV. + +MATIÈRE DE BRETAGNE. + + +De ridderromantiek ontvouwde zich voor 't eerst ten volle in het +Engels-Normandiese rijk dat immers in het midden van de 12de eeuw +Groot-Brittannië en het gehele West-Frankrijk omvatte en waar de taal +van de heersende klassen het Frans was. Hier vond men de grootste +welstand en het sterkste geestelik leven, hier kwamen het koningsschap +en de adel der leenheren pas tot hun grootste recht, hier was de +volksmenging en de kultuurmenging, waar de romantiek uit ontstond het +rijkst. + +In het door de Noormannen veroverde rijk kwam het koningsschap in +Engeland met Willem de Veroveraar en zijn opvolgers tot een macht +zoals die sedert de tijd van Karel de Grote niet gezien was. Een rijk +waarin een kleine klasse van veroveraars een veel groter massa, de +oorspronkelike bevolking, er onder wil houden, moet noodzakelik streng +monarchies en militaristies georganiseerd worden. En de krachtige, niet +al te makke koningen die ze waren, wisten de organisatie dan ook flink +door te voeren. Zware belastingen vulden 's konings schatkist, grote +goederen en jachtrechten maakten de baronnen rijk en machtig, maar de +koning liet allen, ook de vazallen zijner vazallen, aan zichzelf de +eed van trouw zweren en oefende een niet geringe despotiese macht over +de adel uit doordat hij zich het recht van voogdij en om huweliken te +sluiten voorbehield; ook de gehele rechtspleging en het gehele bestuur +hielden de koningen alleen in hun hand; gelijk ook de geestelikheid hun +gehoorzaam gereedschap was. Voortdurend staken zij het Kanaal over en +onderdrukten Angelsaksen en Britten en de baronnen van Normandië; razend +van woede zodat hun aderen er van opzwollen, als iemand ook maar kikte +of tegenstand trachtte te bieden, ontembaar in hun wreedheid, zelfs +tegen hun naaste bloedverwanten, ontoombaar in hun lusten en begeerten, +als zij op de jacht het koren der boeren neertrapten, hun echtgenoten +wegzonden of er talrijke bijzitten op na hielden, maar ook, als goede +koningen voor hun soldaten, goud onder hun mannen uitstrooiende en er +genot in vindend royaal en vlot te leven en schitterende feesten te +geven. In het begin van de 12de eeuw hield Hendrik I een hof, waar de +meest elegante feesten en tournooien gegeven werden en waar men de dames +het hof maakte zoals in die tijd anders zo goed als niet voorkwam +behalve in Provence en Languedoc. + +Na een periode van burgeroorlogen die de Noormannen, Britten en +Angelsaksen geheel tot één volk deden samensmelten, dat zich Engelsen +noemde, maar waarin Frans de taal van de hogere klassen was, kwam toen +ongeveer 1150 met Hendrik II, het huis van Anjou aan de regering, dat +der Plantagenets. Onder hem zagen de Normandiese koningen de hoogste +verwezenliking van hun eergierige plannen. Van moederszijde een +afstammeling van Willem de Veroveraar, had hij van zijn vader Anjou +geërfd, zowel als Touraine en Maine. Door zijn echtgenote, koningin +Alienor (Eleonora), een prinses van Poitou, die eerst met de koning van +Frankrijk getrouwd was geweest, kreeg Hendrik ook nog het graafschap +Poitou en het hertogdom Aquitanië, d. w. z. geheel Zuid-West-Frankrijk +in zijn bezit. Zijn machtig West-Europese rijk dat zich van de +Orkney-eilanden tot aan de Pyreneeën uitstrekte, overschaduwde geheel +en al de Franse koning te Parijs met zijn nog slechts beperkte macht. +En de verbindingen van het koningshuis strekten zich over geheel Europa +uit. De oudste zoon van Hendrik, die onderkoning over Engeland was, +trouwde met de dochter van de Franse koning, de tweede zoon, Richard +Leeuwenhart, huwde de dochter van de koning van Aragon, de oudste van +zijn eigen dochters trouwde met de machtige hertog Hendrik van Saksen +en werd de moeder van een aanstaand Duits keizer, een andere prinses +werd koningin van Castilië, een derde trouwde met de rijke koning van +Sicilië. Het was in Hendriks hand dat alle draden van de Europese +politiek samen schenen te komen. + +Van uiterlik was de koning zelf een echte Noorman uit het geslacht van +de Veroveraar: vierkant, maar met een rond hoofd, met een vuurrood +gezicht vol sproeten, en rood haar. Maar even als zijn korte +schoudermantel--die hem de naam van »kortmantel" verschaft had--uit +Anjou kwam, zo duidden ook veel van zijn eigenaardigheden er op dat de +man zelf daar ook uit stamde: zijn soberheid, zijn levendigheid en zijn +drang naar ontwikkeling. Zijn werklust had iets koortsachtigs: altijd +zat hij in 't zadel, nooit was hij langer dan één week op één plaats +in zijn rijk, zijn gevolg was altijd veel eerder moe dan hij; zelfs als +hij 's avonds in zijn kwartier aangekomen was, liep hij nog heen en weer +te redeneren, zelfs onder de mis kon men hem nog edikten zien zitten +uitvaardigen. Ook zijn zucht naar kennis was zonder perken, Latijn sprak +hij even goed als Frans en hij verstond veel andere talen; als hij geen +zwaard op jacht in de hand had of met zijn raad vergaderde, zat hij in +een boek verdiept of te disputeren met zijn klerken. + +Het rijk waarvan hij aan het hoofd stond, nam enorm in bloei toe. Nu +Engeland door de Noormannen veel van zijn geïsoleerdheid verloren had en +op 't punt stond zich tot »het Australië van Europa" te ontwikkelen, zou +het de Vlaamse en Italiaanse lakenindustrie van wol voorzien en maakte +het ontwakende handelsleven steden als York, Nottingham, Gloucester +en vooral Londen, van vlekken tot rijke burger-gemeenten. En welk een +enige vermenging van intelligente nationaliteiten vond er nu niet in +dat rijk plaats! De Noormannen die reeds door hun verfransing zulk +een merkwaardige ontfankelikheid en drang tot ontwikkeling aan den dag +gelegd hadden, en die zich bij alle gelegenheden door hun levendigheid +en hun moed de voorgangers van Europa toonden. De Kelten die reeds in de +6de-8e eeuw in Wales en Ierland een buitengewoon rijke en merkwaardige +kultuur gehad hadden en de Angelsaksen die in de 8e-10e eeuw hun zeker +niet minder belangrijk bloeitijdperk gekend hadden,--en wel alle twee in +een tijd dat de rest van Europa de zoetste slaap der onwetendheid sliep. +En eindelik Poitou, in West-Frankrijk, dat de beste scholen had van +die tijd en de meest originele literatuur en dat waarschijnlik de wieg +geweest is van de troubadour-poëzie die zo snel naar Zuid-Frankrijk +oversloeg om daar pas tot bloei te komen. In de streek van Poitou was +het, zoals men zich herinneren zal, dat juist nu, in de tijd van Hendrik +II, de roman van Aeneas, de Alexanderroman, de roman van Thebe en +de Trojeroman door Benoît de St. More geschreven werden. En in het +Engels-Normandiese rijk was het ook, zoals wij gezien hebben, dat de +belangstelling der baronnen in de historie het eerst rijmkronieken in +het leven riep, die de Latijnse geestelike annalen voor leken +toegankelik maakten. + +Het was, zoals men zich herinneren zal, in de eerste plaats, de kroniek +van Geoffrey van Monmouth, een geestelike uit Wales over de »Historia +Regum Britanniae", welke de Normandiese vorsten en vorstinnen door +hun klerken in Franse verzen over lieten zetten. Patriot en vol +verdriet over de ondergang der Britten, maar toch veel voelend voor de +Normandiërs, welke immers een einde hadden gemaakt aan de macht van de +Angelsaksen en de Denen op het eiland, dichtte Geoffrey uit de volheid +van zijn rijke fantasie en zijn grote geleerdheid; voor het Britse volk +toverde hij uit de overleveringen van Wales een sage van hun stralend +verleden op, en--of dat nu een diplomatieke zet was of uit »eerlike +ambitie"--weefde hij het verleden van de Fransen en zijn eigene +landgenoten zo volkomen samen alsof de schrijver op het standpunt van +de Normandies-Engelse koningspolitiek stond. De Britten, beweerde hij, +stammen van de Romanen en Trojanen evengoed als de Fransen, waren een +even geciviliseerde natie als zij en vooral niet te verwarren met +Angelsaksen en Denen. In hun glanstijd, onder koning Arthur, had het +rijk der Britten èn Engeland èn 't grootste deel van Frankrijk omvat, +presies als nu het Normandies-Engelse rijk. En in die zelfde koning +Arthur, wiens schitterende hof hij blijkbaar in de beeltenis van het hof +van zijn tijdgenoot Hendrik de Eerste beschreef, schilderde Geoffrey +voor het nieuwe rijk de grote held van het nationale verleden, die +helemaal niet onder deed voor Karel de Grote, waar de »Franceis de +France" in hun »Chansons de geste" zo trots op waren. + +Geoffrey is de Nestor van een groep geleerde Engelse geesteliken die +zich nu als om strijd aangorden de wereld van het Britse verleden voor +de Fransen en Europa te openen. Toen Geoffrey zag welk een sukses zijn +kroniek had, verraste hij de geleerde wereld ook met de merkwaardige +voorspellingen van Merlijn, de oude wijze van Wales, die, zoals blijken +zou, volkomen de gebeurtenissen tot zijn eigen tijd toe had voorspeld. +En nu kwam Giraldus Cambrensis, geboren op een adellik familieslot +in Wales, maar met half Normandies, half Brits bloed in zijn aderen; +resoluut wierp hij de algemene zware pedanterie der geesteliken van +zich af en praatte er in zijn Latijnse geschriften over Wales en +Ierland lustig op los, vertellend van de vele natuurwonderen, van de +merkwaardige zeden en gewoonten, over de gave der voorspelling van zijn +landgenoten en al het mirakuleuse dat in zijn eigen land als in de lucht +lag. Dan was er Walter Map, ook van adel en uit Wales, aartsdiaken +te Oxford; in zijn geschrift hoopte hij als in een soort rommelkamer +allerlei anekdoten en merkwaardigheden op, die hij gehoord had of +gelezen en zich herinnerde, en de geleerde schrijver heeft er toch +ook plezier in allerlei volksverhalen weer te geven over dwergen en +kabouters, over »Harlekijn" en over feeën die zich door ridders laten +beminnen, maar ze laten lopen zodra die dat aan de grote klok hangen. +Misschien was het ook Walter Map die de merkwaardige graal-histories in +elkaar heeft gezet, uit Keltiese, Oosterse en Kristelike elementen +samengesteld, welke in die tijd juist in omloop kwamen. + +Zowel Walther als Giraldus waren kapellaans aan het hof van koning +Hendrik de Tweede en ofschoon zij in 't Latijn schreven, richtten zij +zich tot de hofkringen. Evenals onder de Otto's in Duitsland zijn +er blijkbaar heel wat ontwikkelden onder de hoge adel geweest, die +evenals de koning zelf Latijn verstonden. En het is een hele geestelike +»Keltiese beweging" waar deze ijverige Britse geesteliken propaganda +voor maken. Giraldus las zelfs zijn werk, drie dagen lang, aan een +auditorium voor, dat hij te Oxford bij elkaar had gehaald, en--ontving +bij die gelegenheid zijn toehoorders allerroyaalst! + +Maar van nog groter betekenis dan deze geleerde propaganda was de +invloed der Brits-Bretonse speellieden en vertellers uit Wales en +Bretagne. De »Bretonse" melodieën waren al heel vroeg wijd en zijd +bekend geworden en tegelijk daarmeê werden zeker ook veel van die +volksliederen die er bij gezongen werden, door talenkundige speellieden +in 't Engels en Frans overgebracht en in elk geval werden de sagen welke +die liederen behandelden wel in diezelfde kringen in proza naverteld. +Reeds vóór dat de Noormannen naar Engeland trokken, hadden ze zich, +intelligent en ontfankelik als ze waren, al in verbinding gesteld +met het naburige Bretanje en toen ze een mensenleeftijd vóór ze naar +Engeland gingen, naar Zuid-Italië waren getrokken, brachten ze reeds +de namen van helden uit hun sagen met zich mede; reeds in de 11de eeuw +vindt men in Italië Arthur en Gawain als doopnamen. Maar vooral nu, na +de samensmelting tot één volk, is een grote invloed van poëzie en sage +niet te miskennen. + +En die Keltiese sagen en gedichten spraken voor zich zelf. Voor de +mensen die smachtten naar romantiek, zou zich daarvan nu een gehele +wereld openen. + + * * * * * + +Kelten waren toch ook de Fransen eens geweest en in den grond was hun +aard, niettegenstaande al hun romanisering, toch helemaal Gallies +gebleven; de karakteristiek welke de Latijnse schrijvers van de Galliërs +geven--hun sanguiniteit en hun levendigheid, hun zin voor opschik, hun +opgewektheid, hun gezellige omgang,--dit alles past nog op den huidigen +dag op de Fransen. Trots het Latijn en het Kristendom en de heerschappij +der Franken, hadden zich ook nog overblijfselen van de oude Keltiese +godsdienst der Druïden bewaard. De oude priesterkaste, waarvan er zelfs +in 't jaar 700 nog geheime genootschappen bestonden, bleef zijn bestaan +voortzetten als tovenaars die de magiese kruiden kenden en de oude +toverformules. Nog trokken tegen Nieuwjaar, evenals vroeger, de mensen +in de maneschijn naar buiten om de heilige mistelstruik te zoeken. En in +de bronnen woonden nog altijd feeën die met geschenken bij de wieg der +pasgeborenen aan kwamen zetten en die de eenzaam in 't bos rondzwervende +jonge mannen in hun alfendans meesleepten. + +Maar ginds in Ierland en Cornwalles en Wales leefden er massa's Keltiese +sagen en gedichten en door immigratie uit Cornwalles in de 6de eeuw was +nu ook de noord-westelike streek van Frankrijk, Bretagne, weer voor de +Keltiese wereld teruggewonnen. Toen de Noormannen naar Engeland kwamen, +vond men in de Ierse kloosters grote perkament-folianten--ze zijn er nog +tot op den huidigen dag--waarin de monniken de oude sagen opgeschreven +hadden over de heldendaden van Cuchulain, de voornaamste Ierse held, en +over de strijd tussen de mannen uit Ulster en Connaught, of die tussen +de koningen van Erin en hun huurlingen, de mannen van Fionn, wier +voornaamste helden Fin en Ossian waren. In bepaalde direkte verbinding +met de Ierse sagen kwamen de veroveraars niet te staan, maar er bestond +in Wales een overeenkomstige poëzie, die wij nog in haar vorm van vóór +1100 kennen, n.l. in de oudste delen van de oudste manuskripten uit +Wales, het zogenaamde »zwarte" en het »rode Boek". Dit zijn ten dele +kunstmatige lofzangen over vorsten, strijdzangen, en bardenliederen +die, geakkompagneerd door de harp, in de grote feestzaal gezongen +werden evenals de Noorse liederen der skalden; ten dele zijn het +volkssprookjes: de Mabinogion, op oude sagen en mythen gebouwd. +Onmiskenbaar slaat ons uit deze poëzie het eigenaardig Keltiese +tegemoet. + +Er ligt iets vaags over die poëzie in haar lyriek en fantasie. Vaste +omtrekken of een massa détails te geven is haar zaak niet; personen +en gebeurtenissen vloeien in 't vage, immateriële over, schijnen als +visioenen voorbij 't oog te trekken. Maar ze worden door een rijk en +levendig gevoel gedragen, dat alles in lyriese kleuren-tonen beeldt en +een losgelaten fantasie die alles naar haar eigen bandeloze luimen +omvormt. + +Er schuilt een elegiese, romantiese stemming achter veel van die +bardenliederen. Stap voor stap zijn de Kelten dan ook uit Europa +verdreven, eerst naar 't Westen, toen op de eilanden,--door de Romeinen, +de Germanen, door Angelen en Denen. Klagend staat de bard uit Wales +aan de graven der krijgers en herdenkt de dappere gevallenen. Klagend +spreekt de oude dichter, nu hij in zijn ouderdom een kruk draagt, over +wat hij kon en deed in de dagen van zijn volle kracht, en over zijn +liefde. Maar van de werkelikheid, het nu, ijlt de fantasie òf de +toekomst tegemoet wanneer de sagekoning uit de glanstijd die nu op het +feeëneiland wegens zijn wonden verzorgd wordt, wanneer koning Arthur op +zal staan en de oude Britten-heerschappij weer zal vestigen, of zij gaat +terug naar de oude tijd,--»ouder dan enige geschiedenis, die in enig +boek geschreven is". Van oude heidense sagen die de gekerstende inwoners +van Ierland en Wales niet meer verstaan, bouwt de fantasie lustige, +luchtige sprookjes op, woest en barbaars, maar vervluchtigd en vormloos +als vage, stralende dromen. Geweldig kijven de helden van Ulster en +Connaught met elkaar, of de witte stier van Ulster of de bruine van +Connaught sterker is en schoner; ook al om de een of andere jacht-twist +wordt er hevig gestreden, of over een paar varkens, over een oorvijg, +of wie het eerste stuk vlees krijgen zal; en als de reus uit de slag +thuis komt, is hij zo verhit door zijn woeste razernij dat hij dadelik +moet baden om af te koelen;--drie kuipen gaan er aan, want de eerste +twee worden dadelik door zijn lichaam aan 't koken gebracht. Op de +wonderlikste expedities trekt de held uit; de gekste, onmogelikste +opdrachten worden hem door Penkawr gegeven vóór hij de schone Olwen +krijgt, maar hij volbrengt ze alle; hij loopt ook zo licht dat geen +grassprietje zich onder zijn voet buigt; en hij kan de mier horen +wanneer die 's morgens zijn nest verlaat. Tachtig jaar lang zitten die +reuzen in de Wonderbare zaal te eten en te drinken zonder dat zij merken +dat er meer dan één uur verlopen is. Onverzadigbaar is voor mannen en +vrouwen beiden de liefde; de vrouw vraagt gewoon de man in wie zij +behagen vindt, en Cuchulain maakt de vrouwen van Ulster zo gek op hem +verliefd, dat de mannen terwille van hun huiselike vrede zelf er op uit +trekken om hem de schoonste vrouw in de wereld te verschaffen. Maar wij +horen ook van de jongeling die van stom liefdelijden versmacht of die +slechts in zijn droom een schoonheid heeft gezien die hem zo zeer met +liefde vervult, dat er geen stukje in een van zijn beenderen is, of geen +plaatsje op het binnenste van zijn nagel dat niet van liefde doortrokken +is. Door toverij wordt er een vrouw gevormd uit louter bloemen, uit de +brem en de spirea en andere bloemen die daar groeien, zij krijgt de naam +van »Bloemenaangezicht"--Blodenwedd--en wekt bij een ieder liefde op. +Overal wordt er veel met kleuren gewerkt. De kleedij des konings is +gelijk de wazige Mei-morgen, wisselend van kleur; de winden hebben een +kleur: uit 't Oosten komt de rode wind, uit 't Zuiden de witte, uit 't +Noorden de zwarte en uit het Westen de dikke, grauwe mist-wind. Ook de +geïllumineerde handschriften en oude wettelike dokumenten bewijzen welk +een lyries gevoel voor kleur de Kelten hadden. Pracht en rijkdom, gouden +sieraden en geborduurde en geweven stoffen, prachtige sloten en zalen en +feesten, dit alles ziet men in hun sagen schitteren. En wij horen van +allerlei wonderen,--van een toverketel die door de adem van meisjes +verwarmd wordt; wanneer de ledematen van de dode krijgslieden daarin +worden gelegd, groeien ze weer aan elkaar en worden ze weer levend; en +van een tovervat dat altijd vol is met eten en de dingen die alle +behoeften tevreden kunnen stellen; van toverlanden waar alle wensen +vervuld worden en van »Avalon" het »appeleneiland" der eeuwige jeugd, +heel ver weg in het Westen. + +Een vage romantiese fantasie omgeeft overal de werkelikheid met +die wereld welke niet gezien wordt. Staande tegenover de heldere +aanschouwingskunst der Latijnse volkeren, bestond daar bij dat ras een +fantasie die overal het onzichtbare zoekt, dat wat slechts mystiese +voorstellingen opwekt. Een levendige romantiese natuur-poëzie gaat er +door de sagen en sprookjes zowel als de liederen,--een poëzie van het +mistige klimaat en de altijd omslaande winden en de Atlantiese Oceaan, +van bos en heide, dat zoveel plaats in 't land inneemt. »Een roep van de +bulderende zee komt tot mij, een roep van de bulderende zee jaagt mij +des nachts op van mijn leger... Raad eens waaraan ik denk: Een sterk +wezen, zonder vlees, zonder been, zonder hoofd, zonder voeten; het wordt +nooit ouder dan het is; de zee wordt wit wanneer het komt. Hij is op +'t veld, hij is in het bos, zonder hand, zonder voet, hij ziet niet en +wordt door niemand gezien... Van 't Noorden komt de winterwind, laag en +kort is nu de baan van de zon, de varens in het bos zijn geel, de golven +van de zee brullen, de wilde gans laat zijn gewone kreet horen, de vorst +bijt hem in zijn vleugels. Het is de tijd nu van het ijs en treurig zijn +mijn woorden." + +Daar zien wij hoe een volk van jagers met de natuur en de jaargetijden +vertrouwd is. Met de wilde woeste vlakten waarop het heidekruid in de +wind golft, en vooral met het bos: de grauwe eiken en de hazelbosjes, de +herten die op de open plekken in 't bos grazen, de wilde zwijnen daar +waar het 't dichtst is, de arend in de toppen der bomen. Steeds horen +wij van de passie waarmede er gejaagd wordt,--op wilde zwijnen, wolven +en herten. Van de jonge man die in de eenzaamheid van 't bos geboren en +getogen is, geen mensen kent, maar wel alle natuurgeluiden en de taal +der dieren, die hij met zijn fluit tot zich kan halen. Van de witte +toverhinde, waar alle jagers het op verzien hebben. Van de fantastiese +bosman die de jagers soms op een heuvel in het oerbos vinden, de Deense +sagafiguur »Dier-mens" die met een knots in zijn hand het wilde, vreemde +vee bewaakt... Vooral van de feeën die de jager aantreft wanneer hij een +dier vervolgt en daardoor zijn jachtgezelschap kwijt raakt. Bij een +meertje of een bron ziet hij een nymf daarin baden. En dan is òf zij het +die zijn liefde verlangt en hem, wanneer hij niet wil, betovert en aan +het ziekbed kluistert, of wel steelt hij haar kleêren die op de oever +liggen en zo krijgt hij haar met geweld tot zijn wil. + +Soms worden de mensen door de feeën zelfs naar hun rijk meegelokt. Een +geloof in een land van gelukzaligheid en onsterfelikheid ergens in 't +Westen komt overal in de Keltiese sagawereld te voorschijn. Enkele +uitverkorenen onder de stervelingen zijn daar wel al eens op bezoek +geweest. Een gewond krijgsman legt zich b.v. in een boot neer en laat +zich dan door weer en wind maar drijven, waarop hij dan in het feeënrijk +komt, waar zijn wonden verbonden worden. Dat gebeurde b.v. met koning +Arthur. Hij die uit het feeënrijk terugkomt, meent dat hij maar één dag +weg geweest is, maar dan kunnen er honderden jaren verlopen zijn. Eens +toen Bran, door zijn krijgers en hoofdmannen omgeven, in zijn hal zat, +stond er plotseling een vrouw voor hem, een afgezant uit het Geluksland, +die in wonderbare verzen van de heerlikheid in dat eiland zong--waar de +witte zeepaarden (de golven) omheen spelen en uit hun manen kristallen +droppels naar de kust spatten; waar de vogels in oude, bloeiende bomen +zingen, waar ze spelen op de vlakte, onder het genot van Wein, Weib en +Gesang; alles in geluk en in zonneschijn, »zonder enige mist", zonder +verdriet, en ziekte en dood, waar alles gelijk de zoetste muziek in +de oren klinkt... In een kristelik kleed is een reis naar dat land +beschreven in de verhalen van de Heilige Brandanus, en in een heidense +variant als de tochten van Maël Duin. Hier komen ze aan allerlei +fantastiese eilanden: het eiland van de grote mieren en de grote vogels, +het eiland der zwarte Wenenden en der Lachenden, het eiland waar alles +van kleur verandert en het eiland van de verschrikkelike smeden, de »ile +des forgerons", waar er geen gras groeit, maar waar men overal sintels +vindt en hamerslagen hoort en blaasbalgen van de onderaardse +smidsen,--men denkt hier allicht aan de Hekla en IJsland. + +Dat zijn van die verhalen zoals alle zeevarende volkeren ze kennen; +de Indiërs en de Grieken hebben die zowel als de IJslanders, en het is +duidelik dat er al van zeer oude tijden verband is tussen die verhalen: +men herkent allerlei motieven in die Ierse wonderbare reisverhalen òf +uit de »Indica" van Megasthenes, òf uit de reizen van Sindbad, of uit de +Odyssee en Virgilius. + +De gehele lucht is er vol van toverij en magie; wat Ierland voor de +Scandinaven was, vonden de Fransen in Wales: het land van tovenaars. +De kern van de godsdienst der Druïden was dan ook het geloof in de +magie; de Druïden hadden in hun cultus de goden zo goed als afgezet en +beheersten nu zelf de wereld. Niet de krijgslieden maar die priesters +en tovenaars waren de eigelike heersers in hun maatschappij. En sage +en gezang vertellen van hun doen. Ze lopen langs de zee en vinden +voorspellingen in de golven en de stemmen der zeevogels; donkere +profetiën vertellen van een bos dat over de zee zal komen (een mastbos) +over de rode en de witte draak die samen zullen vechten (Saksen en +Britten). De figuur van Merlijn werd het inbegrip voor Wales van +voorspelling en toverkunst. In zijn haat voor de mensheid was hij +naar de bossen van Northumberland gevlucht en daar voorspelde hij nu +alles wat er gebeuren zou. In de bardenpoëzie wemelt het van mystiese +versraadsels en die is ook doortrokken van een vreemd geloof in de +zielsverhuizing: »Ik heb vele gedaanten aangenomen, ik ben een traan +geweest in de lucht, de verste van alle sterren, een woord, een boek, +een kaarslicht, een wild zwijn, een geluid in de slag, een golf op +de woeste kust,"--men ziet hoe vreemd onwezenlik de meesten van die +personificaties zijn. Door allerlei bezweringsformules kunnen de +tovenaars de wil van de mens buigen, kwaad over het hoofd van de +vijanden brengen, zich zelf en anderen in allerlei gedaanten omtoveren, +en een mist op de heide of prachtige kastelen te voorschijn toveren en +dit ook weer laten verdwijnen. Die toverij schijnt vooral op de heide te +bloeien,--»la lande aventureuse", waar we in de Franse romans uit +Bretanje zo veel van horen. + +Ongemengd was dit Keltiese element nu niet. Niet alleen de reis van +Brandanus, maar de hele literatuur van Ierland en Wales was al vroeg +doordrongen van antieke en Oosterse elementen en dikwels ook kristelike. +Driehonderd en vijftig jaar lang hadden de Romeinen in Engeland +geheerst en tot op den huidigen dag toe tonen ruïnes en opgravingen hoe +grondig ze de Latinisering aangepakt hadden. Evenals de hele latere +Romeinse wereld, was ook hier in 't uiterste Noord-westen de Romeinse +kultuur sterk met Oosterse elementen vermengd. Een prefekt--weet men +toevallig--was van Nicomedia, een tribuun uit Syrië, dikwels kwamen +garnizoenen uit Azië hierheen en in Northumberland heeft men altaren +gevonden voor de Perziese Mithra, te Cambridge voor de Syriese Astarte, +te York voor de Aegyptiese Serapis. De Keltiese kristelike kerk was in +de 6de-8e eeuw, een tijd, verder van alle kultuur ontbloot, de enige +in Europa om niet alleen aan Latijn te doen, maar ook aan Grieks; de +Ierse kloosters hebben een hoofdaandeel aan het bewaren van de antieke +literatuur. En een bizondere band schijnt ook die Westerse kerk met de +Oosterse gehad te hebben; het kristendom der Ierse monniken draagt in +vele opzichten meer een Oosters dan een Latijns karakter. + +Toen Geoffrey de Britten van Brutus liet afstammen en van de Romeinen, +was dat nog niet zo helemaal zonder enige reden. Onder de (jongere) +»Mabinogion" vindt men verhalen die niets dan fantasiën over de tijd +der Romeinen zijn,--b.v. over een keizer van Rome die met 32 koningen op +jacht gaat en van een toverschip droomt, een tovereiland, een toverslot +en een toverachtig schoon meisje en dan laat hij de hele wereld afzoeken +totdat hij eindelik in Brittanië komt en de maagd vindt. Zo zijn +er ook zelfs in het oudste deel van de Mabinogion, voortdurend +trekken die opvallend aan Oosterse motieven doen denken, zo b.v. +de »Vriendschapsproef",--twee vrienden die elkaars plaats innemen, +maar tegenover elkaars echtgenoot vriendentrouw bewaren--of wel de +geschiedenis van Ali Baba en de oliezakken die wij herkennen, of wel +verwoeste prachtige toversloten, waar de bezoeker tot steen wordt, zodra +hij een gouden schaal aanraakt. Bij het »Appelen-eiland" van de Eeuwige +Jeugd in het Westen denkt men allicht aan de appelen der Hesperiden +en de eilanden der zaligen, en er loopt een verhaal van een held die +»het land waar niemand ooit vandaan komt" binnengedrongen was en daar +met een vrouw vandaan was gekomen, waarbij natuurlik iedereen aan de +geschiedenis van Orpheus en Eurydice denkt. Merlijn wordt ook al heel +gauw verdoopt en heet dan als de zoon van een Romeins konsul Ambrosius, +veel trekjes die zijn list betreffen en zijn helderziendheid, zijn +eenvoudig op hem overgebracht van de verhalen van Indiese, Griekse en +Hebreeuwse wijzen--van Midas en Silenus, van koning Salomo en de vorst +der Geesten, Aschmedai--terwijl zijn »Profetiën", die Geoffrey uitgaf, +vol van reminiscenties van Lucanus zijn en van de Sibellijnse boeken. + +Eindelik schijnen ook verschillende Germaanse elementen de Keltiese +sagen binnengedrongen te zijn--het is onzeker of dat nu de Noorse +Vikingen, de Angelsaksen of de Denen en Noormannen zijn die ze gebracht +hebben. Nu eens herkent men trekken uit de sage van Siegfried, dan uit +die van Völund-Wieland--of wel zijn het Germaanse namen die men +plotseling te midden van zuiver Keltiese aantreft. + + * * * * * + +Maar hoe deze »Matière de Bretagne" ook samengeweven is,--daarin opende +zich voor de Franse trouvères van het Engels-Normandiese rijk een wereld +van poëzie die hen en hun publiek in verrukking moest brengen. Die +wereld was hun nieuw en vreemd en daar lag een mysties perspektief, +een geheimzinnige ondertoon van halfvergeten mythen en sagen achter die +verhalen, welke de fantasie romanties in beweging moest brengen. En met +die vreemde stof kon men ongegeneerd omspringen en doen wat men wilde, +zonder door traditie of piëteit gebonden te zijn; dat alles kwam in +losse onsamenhangende saga-motieven uit het Westen aanfladderen en elke +dichter kon dat aan elkaar flansen, presies zoals hij zelf wilde. Dat +was iets anders dan dat gescharrel met die romans van Karel de Grote, +waar de stof met zulk een piëteit en histories nauwkeurig behandeld +moest worden, of een Latijns boek voor zich te hebben dat men volgen +moest! + +En wonderbaarlik scheen die »Bretonse stof" met de poëtiese smaak dier +tijden overeen te stemmen. Hier streed men niet in geordende scharen +voor goederen of voor land en rijk, maar de helden trokken--presies +als de kruisridders en de vaganten in hun eigen wereld--op eigen hand +op weg om avonturen op te zoeken. En nu waren het eens niet die eeuwige +Saracenen daar ze mee moesten vechten, maar monsters en wildemannen,--en +voor al die magie en toverij en dergelijke avonturen, daar hoorde een +andere soort moed toe, een »nouveau frisson" die zij de zenuwen gaven. +Er lag een geur van natuurromantiek over deze poëzie van bos, heide en +oceaan en een glans en een kleurenpracht en sprookjesrijkdom over die +Keltiese fantasiewereld, welke bijna de vergelijking met de Alexander- +en Troje-romans kon doorstaan. En per slot van rekening leken die +Keltiese sagen de Fransen meer van hun eigen vlees en bloed dan de +Frankies-Germaanse epiek der baronnenwereld. Er was een levendigheid +en een fijne genotzucht in die Keltiese poëzie, een vrolik opgewekt +samenleven en zulk een sterk erotiese aanleg kwam daar in te voorschijn, +dat de Fransen zich daar zeer aan verwant moesten voelen. Hier waren +schitterende feesten, vooral ook aan het hof, een sappig »esprit +gaulois", en een gepassioneerd »feminisme",--te midden van al die +barbaarse woestheid lijkt het bijna een eerste schets van het leven der +Franse edelen in de 12de eeuw. + +Een kleine groep van ridderlike dichters die in het Anglo-Normandiese +rijk werkten en die, ten dele direkt, maar ten dele ook door middel +van Engelse en Latijnse vertalingen de Britse en Bretonse sagewereld +trachtten te leren kennen, brachten van het midden der 12de eeuw af, +»la Matière de Bretagne" in de kring van het Franse geestesleven en wel +met het gevolg dat niet alleen de »Matière de France" (de nationale +heldenpoëzie) maar ook de »Matière de Rome" (de onder antieke invloed +staande romans) door de nieuwe modepoëzie vrijwel in de schaduw werd +gesteld. + +Maar feitelik was het niet zo zeer de »Matière de Bretagne" die +Frankrijk veroverde als wel de Franse riddermaatschappij wier eigen +dichterlik genie de Keltiese stof in zichzelf op wist te nemen. + + + + +XV. + +MARIE DE FRANCE. + + +In het begin vergenoegde men er zich mede in kleine berijmde +vertellingen de stof neer te leggen die men in de liederen der Bretonse +en Britse speellieden getroffen had of door de »fableors" had horen +vertellen. Het woord »lai", van Keltiese oorsprong, kwam in gebruik voor +die berijmde novellen welke hun stof uit den vreemde haalden en die door +hun karakter en hun geest zich meer in 't bizonder tot de hogere kringen +richtten, spesiaal waarschijnlijk tot de dames. + +De oudste en fraaiste van die lais, waarvan de stof dus Brits was, +waren door een dame gedicht wier naam Marie was en die in 't eigelike +koninkrijk Frankrijk geboren was, maar onder de regering van Hendrik +II, in Engeland woonde en hem haar novellen opdroeg. Evenals de oude +romancen, schijnen ook de lais dikwels door vrouwen geschreven te zijn. +In een Noorse bewerking uit de 13de eeuw van een Franse lai, heet het +dat Willem de Veroveraar eens met zijn mannen aan de Normandiese kust +lag, terwijl storm hen verhinderde naar Engeland over te steken; toen +verdreef hij de tijd met jacht en feesten en om te zorgen dat die niet +vergeten zouden worden, zond hij enige harpspelers naar een dame in +Bretagne die bekend was door de schone lais die zij dichtte, en liet +haar uitnodigen, op een fraaie melodie daar gedichten over te maken; dat +deed zij en leerde de harpspelers 't gedicht zowel als de melodie. Zo +maakte ook Iseut gedichten over haar ontmoetingen met Tristan. Marie was +literair ontwikkeld, zij vertaalde fabelen uit het Engels en legenden +uit het Latijn en zoals zij in de proloog voor haar lais vertelt, had +zij er eerst over gedacht een goed geschiedwerk uit het Latijn te +vertalen, maar daar er nu zovelen juist met dergelijke dingen bezig +waren, had zij liever willen vertellen wat zij van Bretonse verhalen +gehoord of gelezen had. Bij die »dergelijke dingen" denkt zij +waarschijnlik aan zo iets als de Roman van Aeneas, er zijn allerlei +reminiscenties in haar lais juist aan die roman te vinden, evenals +aan Ovidius. Een zekere kennis van de Provençaalse erotiese poëzie +der troubadours schijnt zij al vroeg gehad te hebben. Dichteres van +betekenis was zij niet; er is iets bleeks en damesachtigs over haar +stijl, iets konventioneels in haar karakteristiek; maar bevallig en met +gemak geeft zij de Keltiese stof in Franse verzen weer,--in hoeverre zij +zelf voor dit alles verantwoordelik is, of wat zij dankt aan een ander, +Frans of Engels, die tusschen haar en de sagestof in staat, dat laat +zich niet gemakkelik uit maken; zij zelf schijnt in elk geval geen +Kelties gekend te hebben. Maar--zij wist een eigenaardige romantiese +geur van 't ver-affe en 't wonderbaarlike over die vreemde, niet altijd +meer goed begrepen motieven te leggen; zij voelt de poëzie van zee en +bos, zoals die over de Keltiese sagen ligt, en overal legt zij nadruk op +het erotiese en het sentimentele en het vergroot eigelik alleen maar de +poëtiese charme, wanneer trekjes uit de Aeneas-roman of Ovidius of zelfs +motieven van de Grieks-Oosterse vertellingen in de Keltiese stof +ingeweven zijn. + +Verscheidene Keltiese sagen behandelden b.v. de verhouding der mensen +in zake de liefde betreffende, tot de onsterfeliken. Mannen die b.v. +uit het land des Doods opgestaan zijn of mannen uit het onderaardse +feeënland die een vrouw onder de sterfeliken liefhebben. Of, gewoonlik, +feeën die sterfelike mannen hun liefde aanbieden. Maar wanneer de zaak +bekend wordt is 't uit,--gelijk altijd bij de onderaardsen: wanneer +niet-ingewijden 't zien of de zaak bij de naam genoemd wordt, dan +verdwijnt alles. Zulk een sage was nu net iets voor de sentimentele +romantiese smaak dier dagen. Lanval, een gedicht van Marie de France +evenals verschillende lais van onbekende schrijvers, behandelen dat +tema met allerlei variaties. Er is b.v. een ridder die alleen het bos +doorrijdt,--hij is op jacht van zijn gezelschap afgeraakt of hij dwaalt +alleen maar wat om, b.v. omdat hij bedroefd is over het feit dat de +koning zijn diensten niet goed beloont. Hij viert de teugel, en weldra +heeft 't paard hem in 't dichtst van 't woud gebracht; het is heerlik +weer en de vogels zingen in de middaguren, maar hij hoort er niet naar. +Op eens is het hem alsof hij honden hoort aanslaan of een glimp van het +witte hert krijgt, dan zet hij de hoorn voor de mond zodat het luid +door 't bos weergalmt... Maar hij is steeds alleen in de betovering van +'t eenzame bos. Zo komt hij dan aan een bron waar hij een badende fee +verrast, hij bemachtigt haar klederen en zo krijgt hij haar in zijn +macht en heeft haar zo aldra tot zijn wil,--als in de sage van Völund +(Wieland). Of wel wordt hij door haar aangezocht en laat hij zich naar +haar tent of haar slot voeren, waar hij haar liefde geniet, volop +eten en drinken krijgt zowel als de kostbaarste kleren en goud. Zulke +feeën die prinsen naar hun feeën-kastelen ontvoeren, kenden ook de +Oosterse verhalen; met een Middeleeuws-Latijnse verzameling van zulke +geschiedenissen (de Delopathos) heeft een van die lais merkwaardige +punten van overeenkomst en die zelfde lai (Guingamor) schildert ook de +pracht van marmer en ivoor in dat slot en de muziekfeesten, met echt +Oosterse kleuren. Het einde van de historie, om er dat even bij te +voegen, is zeer karakteristiek. Wanneer de ridder daar drie »dagen" bij +die fee door heeft gebracht, begint hij naar huis te verlangen en wil +weg, maar nu vertelt de fee hem dat er reeds 300 jaar verlopen zijn en +zo vindt hij dan ook 't bos en alles heel anders wanneer hij weer in de +wereld terugkomt. Niettegenstaande dat de fee hem er tegen gewaarschuwd +heeft, eet hij toch onderweg van de vruchten van een appelboom en +daardoor valt plotseling de ouderdom op hem en wordt hij een oud +mannetje,--door van 't aardse voedsel te gebruiken is hij n.l. ook weer +onder de aardse wet der sterfelikheid gekomen,--evenals zij die naar 't +dodenrijk trekken ook aan de wetten daarvan onderworpen zijn, zodra zij +daar eten. (Verg. de appelen van Persephone en de sage van koning +Hadding uit Saxo). + +In de andere lais keert de ridder na een »heure du berger", naar de +mensenwereld terug, maar nu is hij altijd rijk en opgewekt en heeft nog +steeds, wanneer hij maar wil, ontmoetingen met zijn geliefde; alleen +heeft de onderaardse schone hem verboden op straffe van haar te moeten +verliezen, iets van deze zaak te vertellen. Maar nu wordt ongelukkig de +koningin op de jonge ridder verliefd. Met haar vrouwen komt de koningin +de tuin in, waar de ridders dadelik de dames het hof gaan maken, maar +hij, de schoonste van allen, houdt zich alleen op een afstand; ofwel +komt de koningin eens door de voorhal waar zij hem bij het raam ziet +zitten schaak spelen, terwijl een zonnestraal daardoor op zijn +aangezicht valt en er een nieuwe glans op werpt. Zij laat hem roepen, +tracht hem te verleiden door hem haar liefde aan te bieden en is diep +gekwetst wanneer de jongeling die afwijst,--in een dier lais in de eigen +woorden van een lange passage uit Cicero's »De Amicitia". In onbeheerste +razernij barst de koningin nu in allerlei eerrovende beschuldigingen uit +(wij volgen hier de versie uit Marie de France, waar de gebeurtenissen +het natuurlikst met elkaar in verband schijnen te staan),--dat Lanval +zeker niet om jonge vrouwen geeft omdat hij natuurlik van knapen +houdt,--de dichteres zal dat wel uit de Roman van Aeneas hebben--en om +zijn eer te wreken komt Lanval er nu toe te zeggen dat hij een ander +liefheeft die veel schoner is. In een veel plompere, misschien wel +oorspronkelike versie is het de koning die bij een groot gastmaal, zijn +koningin geheel ontkleed op een bankje ten toon stelt, zoals Ahasverus +dat ook wilde, opdat de ridders haar kunnen bewonderen en haar gemaal +benijden; wat zij dan ook allen plichtschuldig doen, behalve onze jonge +ridder die, wanneer de koning hem uitvorst, er iets over los laat dat +hij er een kent die nog schoner is.--In beide gevallen moet de ridder +binnen een zekere vastgestelde tijd zijn bewering waar maken, anders +moet hij voor zijn brutale pocherij sterven. Wanhopend loopt hij nu +rond, niet alleen omdat hij nu sterven moet, maar ook wijl hij zijn +woord tegenover zijn geliefde gebroken heeft. Maar de laatste dag komt +er een prachtige stoet van maagden aanzetten die de bewondering der +hovelingen opwekken en ten slotte de feeënkoningin op een wit paard, in +een wit gewaad, maar zo dat haar gehele lichaam door alle aanwezigen +te zien komt,--Venus noch Dido noch Lavinia waren schoner dan zij,--zo +wonderbaarlik schoon is zij dat allen erkennen moeten dat de jonge man +niet gepocht heeft. Maar hij blijft apart staan, omdat hij zich schaamt +over zijn gebroken belofte en zij is dan ook eerst niet geneigd hem +genade te schenken, maar 't eindigt er toch mede dat hij met haar +meegaat naar het feeënrijk en nu voor goed. + +Ook dit alles: dat de ridder naar de mensenwereld teruggaat, zich zijn +geheim laat afpersen, enz., wordt in Oosterse sprookjes van de fee +Peribanu verteld; er is hier verband met Griekse mythen van Amor +en Psyche en de Duitse sagen over Tannhaüser in de Venusberg. Even +duister als de sage zelf is voorlopig ook nog het verband tusschen de +verschillende vormen er van. Wat het omgekeerde geval betreft van een +aardse vrouw die een onsterfelike man toebehoort, in die klasse valt +Marie de France's lai over Yonec. Maar hier is de bewerkster zich maar +half bewust dat zij met een onsterfelike te doen heeft en dat het land +in kwestie het hiernamaals is; de personen uit die sage maakt zij, +zonder het echter geheel van de mystiek te ontdoen, tot echte gewone +mensen en ridders. + +De jonge echtgenote van een ridder is in een toren opgesloten en +»verspilt haar schoonheid met tranen". Op een morgen in de maand April +ligt zij klagend naar de heldere zon te kijken. Dat die akelige jaloerse +oude man van haar dan ook nooit schijnt te kunnen sterven. Dat er dan +ook nooit bij haar eens een van die ridders komt, waar men hier in +Bretanje altijd van spreekt, die de dames komen »troosten" zonder dat +hun reputatie daar onder lijdt. Op 't zelfde ogenblik dat zij die wens +uitspreekt, ziet zij in 't venster de schaduw--zeer schilderachtig wordt +dit verteld--van een grote vogel, die vlak daarop de kamer in komt +vliegen. Zodra de vogel en zij elkaar aankijken, wordt hij tot een +ridder (in de »Oiseau Bleu" en ook in een Deens volkslied en een +sprookje komt dat zelfde motief voor); nooit, beweert hij, heeft hij +iemand anders dan haar liefgehad, maar hij zou zijn rijk niet hebben +kunnen verlaten en bij haar komen indien haar wens hem niet geroepen +had. Hier zien wij duidelik 't mytiese dat hier aan ten grondslag ligt, +en de dame durft zich niet met hem inlaten, vóór zij de zekerheid +verkregen heeft dat hij geen kwade geest is, nu weet de kristelike +auteur er zeer naïef en onbeholpen niets beter op dan de ridder het H. +Avondmaal in de toren te laten gebruiken! Dan schenkt de vrouwe hem haar +liefde en--evenals de fee bij de ridder,--komt hij van nu af telkens +wanneer zij dat wenst; alleen moet hij zorgen dat nooit iemand hem ziet. +Lang genieten zij nu van elkaars omarmingen, totdat de echtgenoot zich +er over begint te verbazen dat de schoonheid van zijn troosteloze vrouw +nu op eens weer zo opbloeit; hij laat haar bespieden en als hij hoort +dat er dikwels een grote vogel bij haar komt, laat hij ijzeren punten in +'t raam slaan. En wanneer de vogelridder dan de volgende keer komt heeft +hij zich bezeerd en valt bloedend op haar bed neer, evenals in de Deense +ballade, de knaap Germand in zijn veêren kleêren tot zijn geliefde komt, +alleen om te sterven, daar de harpij onderweg zijn hartebloed gedronken +heeft. Ook de ridder zegt dat hij nu naar huis moet vliegen om in zijn +eigen rijk te sterven, maar zij zal een zoon baren die hem zal wreken. +Met kreten van smart springt zij hem uit het raam na; in haar hemd +volgt zij zijn bloedige sporen; het wordt een lange tocht--men begrijpt +dat het oorspronkelik de reis naar het doodsrijk was die zij daar +ondernam,--door een bergengte... over met bloed besprenkelde weiden... +door een stad waar geen mens op straat te zien is... tot in een kasteel +waar zij hem stervend te bed vindt liggen. Maar zij mag dáar niet +blijven, zegt zij, als de mensen haar zagen zouden zij haar afmaken +omdat zij schuldig is aan zijn dood; maar hij geeft haar een ring die +maakt dat haar man niets van haar afwezigheid zal merken, en een zwaard +dat zij aan hun zoon moet geven om daarmeê zijn dood te wreken... + +Meer en meer verdwijnt de Keltiese achtergrond uit de vertellingen +van Marie de France. Een bezoek in het feeënrijk is oorspronkelik +ook wel het onderwerp van de Lai van Guigemar geweest, maar de gehele +détail-schildering wijst in de richting van de Grieks-Oosterse kunst. +De jonge Guigemar die altijd de liefde van zich afgeworpen heeft, schiet +eens op de jacht op een witte hinde, maar de pijl slaat op hem zelf +terug en verwond hem,--blijkbaar is de hinde door een fee gezonden om +hem voor zijn gevoelloosheid te straffen, evenals Amor bij Ovidius de +god van de jacht treft omdat die de liefde veracht heeft. En de hinde +voorspelt hem dat slechts een trouwe liefde hem zal kunnen genezen. +Somber dwaalt Guigemar nu van zijn mannen af om bij het zeestrand een +prachtig wonderschip te treffen,--er is niemand aan boord. Nieuwsgierig +maar niet zonder enige angst gaat hij er heen en vindt daar een prachtig +bed (het wordt beschreven zo prachtig als dat van Salomo in het Hooglied +en dat van Hektor in de roman van Troje), hij gaat er even op liggen +omdat hij door zijn wonden vermoeid is en als hij weer opstaat is hij al +in het ruime sop. Dat soort van tover-mystiek is echt Kelties. Hij landt +aan de voet van een groene marmeren toren. Daar houdt een oude man zijn +vrouw gevangen, slechts een jong meisje en een oude ontmande klerk zijn +daar bij haar,--dat zijn natuurlik voorstellingen van een harem en +eunuchen die de dichteres hier voorzweefden. De twee vrouwen vinden de +jongeling op dek liggen slapen; hij lijkt dood, maar als de jonge vrouw +haar hand op zijn borst legt, merkt zij dat die nog warm is, nu slaat +hij ook zijn ogen op en zij brengen hem binnen waar hij in het bed van +de maagd gelegd en goed verzorgd wordt. Marie, die voor alles allerlei +zedige omschrijvingen weet te vinden en die altijd in de kleinste +kleinigheden de zedigheid in acht neemt, laat ze een mantel als een +gordijn voor dat bed hangen, want er is maar één kamer in die toren. +Nu vergeet hij al heel gauw zijn wonden, maar hij wordt daarentegen nu +door de liefdepijl getroffen, en de jonge vrouw niet minder. Het meisje +helpt ze, en ofschoon hij zich eigelik erg geneert,--want, zegt de +sentimentele Marie de France, hij was niet een van die lichtzinnige +ridders die de ware liefde bespotten--waagt hij 't eindelik met zijn +gevoelens voor den dag te komen. Eerst wijst zij hem lachend af,--zij +moet van Antigone uit de roman van Thebe geleerd hebben dat men eerst en +vooral moet tonen er niet »zo maar één" te zijn die men met een natte +vinger kan lijmen; maar de ridder antwoordt, en het is Marie's eigen +fijne vrouwelikheid die door zijn woorden spreekt,--: »Vrouwe, wees niet +boos dat ik dit zeg. Een lichtzinnige vrouw moet zich lang laten smeken +om haar waar op prijs te stellen, opdat men gelove dat het de eerste +keer is dat zij zich lokken laat. Maar een edele vrouw, die een man +vindt van wie zij houdt, heeft zich niet trots op een afstand te houden, +maar mag hem liefhebben en zich met hem verheugen." De dame geeft dan +ook al heel gauw toe, en zij kussen elkaar en omhelzen elkaar en »wat +daar verder zo bij hoort". Maar de echtgenoot krijgt de lucht van wat er +in die toren gebeurt en Guigemar moet nu vertrekken. Wederkerig geven +zij elkaar beloften van trouw, maar hij legt toch een kuisheidsgordel om +haar lijf--dat wijst ook op Asië en Aegypte--en zij legt een knoop in +zijn hemd die zij alleen los zal kunnen maken... Verder horen wij hoe +beiden hun trouw bewaren, hoe zij haar man verlaat en bij een andere +ridder in huis komt die tracht haar in zijn macht te krijgen, maar hij +kan haar gordel al evenmin los krijgen als alle vrouwen van Bretagne de +knoop in 't hemd van Guigemar los kunnen maken. Ten slotte vinden zij +elkaar en worden ze verenigd,--aandoenlik wordt geschilderd hoe zij +elkaar gaandeweg herkennen, fijn is ook de droefheid beschreven van +de ridder in wiens huis zij opgenomen was geworden en die nu getuige +is van de vreugde van hun wederzien. Ook hierin is er veel dat aan +Grieks-Oosterse romans herinnert met hun verliefde maar toch zo humane +despoten... + +Over 't algemeen put Marie nu langzamerhand haar stof zo wat uit alle +bronnen, terwijl zij die alleen maar in Engeland of Bretagne lokaliseert +en er haar zachte sentimentele geest in legt. Zij neemt b.v. een +vulgaire anekdote over echtbreuk en een geliefde die zich in een badkuip +aan het kokende water brandt, maar brengt die in hoger sfeer over, door +er een sentimentele troubadour-liefde in te leggen en vol aandoening +het ongelukkig einde der gelieven te bewenen. Zij neemt een verhaal +dat in 't middeleeuws Latijn voorkwam en van Oosterse oorsprong schijnt, +over de jalousie van een echtgenoot die zo hevig was dat hij eens een +nachtegaal door vier paarden in stukken deed rijten omdat haar gezang +zijn vrouws hart in tederheid deed smelten en haar zo tot liefde +verlokte. Daar maakt zij nu een aandoenlike kleine natuur-romantiese +geschiedenis van: De echtgenote van de ridder en haar vriend zitten in +een nacht vol maneschijn elk voor zijn venster naar elkander te kijken +en naar 't gezang van de nachtegaal te luisteren--hun tuinen grenzen aan +elkaar, zij kunnen nu met elkaar spreken maar zij zijn nog nooit samen +geweest. De ruwe echtgenoot is boos dat zijn vrouw 's nachts zo dikwels +opstaat en naar 't gezang der vogelen luistert,--'t is de nachtegaal +zegt zij n.l. die maakt dat zij geen oog dicht kan doen--en daarom zet +hij een vogelknip voor de verstoorder van zijn vrede uit en eens op een +dag kan hij vol triomf haar de bloedige vogel in de schoot werpen. Maar +de dame zendt het kleine lichaampje in fluweel gehuld naar haar vriend +met de boodschap dat zij nu niet langer 's nachts bij het raam durft te +gaan zitten en hij legt het lijkje in een gouden kistje en draagt het +als een herinnering op zijn borst... + +Helemaal tot kleine romans groeien ten slotte hier de vertellingen aan, +die naar het schijnt niets Kelties in zich hebben en waar het overdreven +fantastiese geheel op de achtergrond treedt voor de zuiver menselike +hartegevoelens. Beide handelen ze over vrouwen wier liefde zo vol +zelfverlochening is dat zij zich voor het geluk van hun geliefde +opofferen door voor een andere vrouw plaats te maken. Maar het is zeker +Marie's eigen gevoelige idealisme, dat dit in de onderwerpen gelegd +heeft die zij opvatte. + +Overal in alle landen treft men verhalen--die misschien op een oud +sprookje terug gaan--van de jonge vorstendochter die bestemd was om de +bruid van een prins te worden, maar die dan juist daar vóor geschaakt +wordt en die dan na velerhande avonturen pas herkend en erkend wordt +juist op 't ogenblik dat een van haar zusters met de vorst trouwen zou +voor wie zij zelf bestemd was. Uit dit motief is het gedicht van Marie, +De Esch--»Le Fraisne"--ontstaan. Het is een vondeling, die Esch heet +naar de boom waaronder zij gevonden werd,--zij wordt in een klooster +opgevoed, maar heeft een vorst lief die in de buurt woont en vlucht uit +het klooster om op zijn slot als zijn bijzit te gaan leven. Zij zijn +zeer gelukkig samen, maar dan verlangen ongelukkig de baronnen van de +vorst dat hij nu een huwelik in zijn stand aan zal gaan om een erfgenaam +het leven te geven. Hij wordt er dan ook toe gebracht om de hand van de +dochter van een zijner ridderlike naburen te vragen. De bruiloft wordt +vastgesteld en de moeder komt naar het kasteel om de voorbereidselen +te treffen en o. a. om de bijzit weg te jagen. Maar ze wordt verrast +en geheel ingenomen door de liefelikheid van het jonge meisje, dat zacht +en geduldig aan alles medehelpt, zijn dienaars zegt hoe hij gewoon is +het te hebben, ook b.v. zelfs zijn bruidsbed helpt gereed maken »want +dat wist zij zo heel goed" en als zij geen linnengoed vindt dat mooi +genoeg is voor hem, gaat zij zelf van haar eigen linnengoed uit haar +kast halen. Maar wat zij daar nu uithaalt is juist het goed waar zij in +gewikkeld was toen zij in 't klooster opgenomen was. En--de moeder van +de bruid kijkt en kijkt,--ze kent dat goed! Dat was 't zelfde linnen +waarin zij zo lang geleden haar eigen kind te vondeling legde, toen zij +niet had durven erkennen dat zij een tweeling gekregen had, omdat zij +altijd volgehouden had dat dit op ontrouw van de vrouw duidde. »Esch" +is dus haar eigen kind, de tweelingzuster van de bruid (Hazel)... En nu +komt er verklaring en vreugde,--gejubel!--en Esch wordt de bruid in +plaats van haar zuster. + +Het is de zachte vrouwelikheid, de aandoenlike verzaking van de liefde +die hier verheerlikt wordt--zoals die reeds in talrijke legenden van +vrouwelike heiligen door het Kristendom verheerlikt was geworden, zowel +als in de Indiese en Griekse poëzie. Maar zo lang als de opoffering aan +een Godsvrucht te danken was die zich van de wereld afwendt, zolang +de stempel van de slavernij nog op de vrouw drukte, kon de verzaking +niet het karakter van die vrijwillig verlochenende liefde dragen als +hier in »Fraisne". Na Marie de France wordt de geduldige Geliefde een +lievelingstema voor de poëzie der middeleeuwen en ook van de latere +tijd; de verwantschap met de lais van Marie laat zich vooral niet +lochenen voor de schone Engelse en Noordse balladen van »De schone +Anna--fair Annet". + +In het Deense volkslied is de ridder blijkbaar van plan ze alle +beiden aan te houden, en hij vraagt kalm zijn bruid wat zij zijn +»fryndinne" voor geschenk denkt te geven en omgekeerd. In de tijd van de +kruistochten, kwam het, zoals wij al gezien hebben, dikwels genoeg voor +dat de echtgenote meer of minder vrijwillig zich in een soort ménage à +trois moest schikken, wanneer haar ridder van zijn reizen met een vrouw +thuis kwam die hij in verre landen gehuwd had. Dat is het tema van de +grootste en fijnst uitgevoerde vertelling van Marie de France, die van +Eliduc. + +Ridder Eliduc van Bretagne heeft zijn vrouw en zijn haardstede moeten +verlaten en is naar Engeland getogen waar hij de Koning van Exeter in +de oorlog gevolgd is. De koningsdochter wordt op hem verliefd en spreekt +vriendelik met hem en ook de ridder kan van zijn kant niet nalaten naar +de zoete woorden der prinses te luisteren, maar wil zijn vrouw toch niet +vergeten. De prinses zendt hem een kamerjonker met geschenken om te zien +of hij haar lief heeft,--zó kan men nu eigelik niets er over te weten +komen, voegt de dichteres er met een zekere skeptiese mensenkennis aan +toe, die dikwels door haar sentimentaliteit heen breekt; nog nooit zag +ik een ridder die geen geschenken aanneemt. Levendig als bij Ovidius +wordt de twijfel der prinses beschreven, of zij die geschenken durft +zenden of niet, en haar ongeduld om 't resultaat te horen. Eliduc neemt +alles aan, maar zegt »niets zonder dank" en biedt de boodschapper geld; +zo weet de Prinses nog niet wat zij geloven moet. Zij heeft n.l. geen +idee dat ook het hart van de ridder in diepe nood verkeert, hij kan +niet meer voor zich zelf verbergen dat hij haar lief heeft, maar toch +wil hij zijn trouw jegens zijn echtgenote bewaren. En hij wil ook wel +op goede voet met de prinses staan en haar eens kussen, maar ook niets +meer. Eens zit de koning schaak te spelen en laat zijn dochter binnen +komen om Eliduc bezig te houden. Zij gaan apart in een hoek van de zaal +zitten--de scène doet denken aan die tusschen Jason en Medea in de roman +van Troje--zij zijn beiden wat gegeneerd en 't gesprek vlot volstrekt +niet. Eindelik stamelt hij een woord van dank voor haar geschenken en +nu biecht zij op dat zij die zond, omdat zij hem lief heeft en niemand +anders wil hebben. Hij legt zijn gevoelens nu ook bloot maar--voegt er +bij--wanneer de oorlog gedaan is moet hij naar huis terug. Zij legde +zich daar bij neer en van toen af zagen zij elkaar dikwels en hielden +veel van elkander. + +Maar nu wordt Eliduc naar Bretagne teruggeroepen, omdat zijn eigen +koning zijn hulp tegen hun vijanden nodig heeft. Hij moet weg. Het doet +hem verdriet voor zijn vriendin, maar er is niets tussen hen geweest dan +vriendelike woorden en gaven, geen dwaasheden of iets oneerbaars, maar +zij die niet wist dat hij getrouwd was, bleef hopen. Men ziet hoe fijn +de kleuren gemengd zijn, hoe delicaat Marie de halfheid in de verhouding +weet te tekenen: hij heeft de eerste schrede niet gedaan, alleen is hij +niet sterk genoeg geweest om de avances der jonge dame af te wijzen; hij +heeft alles nog binnen de grenzen van het fatsoen weten te houden, maar +heeft 't niet over zich kunnen verkrijgen te zeggen dat hij daar ginds +in den lande van overzee getrouwd was. Nu voelt hij met smart dat het +hart van een hunner of misschien wel van beiden bij de scheiding moet +breken, en besluit alles aan de beslissing van de prinses zelf over +te laten. Eerst neemt hij afscheid van de Koning en gaat dan naar de +dochter om haar alles te vertellen. Maar ongelukkig valt zij dadelik in +zwijm zodra zij van afscheid nemen hoort spreken en nu kan onze held +niet anders doen dan haar in zijn armen nemen en kussen: »Mijn zoete +vriendin, laat ik U alleen dit maar zeggen: gij zijt de mijne in leven +en dood." Haar dadelik meenemen--wat zij eigelik wilde--kan hij niet; +hij staat in haars vaders diensten dat zou trouwbreuk zijn; wel kan hij +terugkomen als hij een vrij man is en dan kan hij haar schaken, zonder +dat zijn eer daar onder lijdt. Nu wisselen ze ringen, kussen elkaar... +en zo zijn al zijn schone voornemens door haar tranen gesmolten--zoals +het de man zo dikwels gaat die komt om zulk een verhouding af te breken. + +Eliduc komt thuis en wordt door allen goed ontvangen, vooral door zijn +trouwe echtgenote; maar hij loopt stil en in overpeinzingen rond en zij +vraagt in haar verdriet of iemand haar misschien belasterd heeft. Als +hij nu zijn koning bijgestaan heeft, gaat hij, zoals hij beloofd heeft, +naar Exeter terug en schaakt daar de koningsdochter. Er steekt een storm +op zee op en de bemanning mompelt iets over--even als in de geschiedenis +van Jonas--dat er zeker een schuldige aan boord is, die geofferd zal +moeten worden;--natuurlik is zij dat, de vrouw die 't met een getrouwde +man houdt. De prinses bezwijmt van schrik, ook omdat zij hoort dat hij +gehuwd is; woedend slaat Eliduc de schipper tegen den grond en neemt +zelf 't roer over, hij weet het schip ook veilig aan land te brengen, +maar... zijn geliefde ligt daar nog altijd dood voor hem. Wanhopend +neemt hij haar in zijn armen en draagt haar naar een verlaten grafkapel +waar hij haar voor 't altaar op een baar legt; hij heeft de moed niet +het lichaam te begraven, lang blijft hij over haar gebogen zitten klagen +en zweert dat hij nooit meer wapenen zal dragen, maar monnik wil worden. +Als zij hem niet lief had gehad, zucht hij, had zij nu een koningskroon +gedragen... Nu rijdt hij naar huis, maar altijd keek hij even somber en +elke morgen na de mis reed hij naar die kapel en ging bij 't lijk van +zijn geliefde zitten die merkwaardig genoeg er altijd even fris en +schoon uitzag. Zijn bedroefde vrouw laat haar man's wegen bespieden en +in gezelschap van een dienaar gaat zij eens de kapel binnen, waar zij +het meisje ziet liggen als een pas ontloken rozenknop; zij neemt het +lijkkleed weg en bewondert haar schone lichaam. Zij verbaast zich nu +niet meer over de smart van haar man en heeft innig medelijden met hem; +droef geresigneerd voelt zij ook heel goed dat zij zijn liefde nooit +meer terug zal kunnen krijgen. Wenend zit zij bij het lijk van haar +mededingster,--een situatie vol grootse, dichterlike schoonheid. Daar +komt in de stilte een wezel aanlopen over de stenen in de vervallen +kerk. Haar dienaar slaat die met een stok dood. Maar 't duurt niet +lang of het vrouwtje van de wezel komt met een rode bloem in haar mond +aanlopen en zodra zij het mannetje daarmee aangeraakt heeft, is die weer +levend. (Een natuurmerkwaardigheid waar klassieken zowel als Oosterse +schrijvers van weten te vertellen). Nu beveelt de vrouw haar dienaar +de rode bloem op te nemen, nauweliks heeft zij die op de lippen der +afgestorvene gelegd of die ontwaakt met een diepe zucht uit haar lange +slaap. Maar wat volgt is nog schoner; de vreemdelinge klaagt haar nood, +hoe zij een man lief heeft gehad en met hem gevlucht was en hoe zij toen +hoorde dat hij getrouwd was; de vrouw van de ridder moet haar nu zelf +troosten door te vertellen hoe innig veel verdriet die man hier over +heeft en hoe weinig hij van zijn echtgenote houdt. Zij heeft al dadelik +haar besluit genomen; die twee moeten elkaar toebehoren, zij zal zelf +de sluier aannemen. Dat weet de heldhaftige vrouw ook door te zetten +en Eliduc »dulcement sa femme mercie", wat werkelik ook niet te veel +is. Maar 't duurde niet lang--eindigt de dichteres die hier enigsins +kristelik begint te worden en schijnt te vinden dat Eliduc er wat al te +gemakkelik af is gekomen--of hij volgde met zijn prinses het voorbeeld +van de vrouw en zij gaan ook in een klooster. En in het klooster +ontvangt de echtgenote haar opvolgster als een zuster! + +Waar Marie de France deze geschiedenis misschien vandaan heeft, is niet +van veel belang; zoals zij die hier vertelt, zonder sterke kleuren en +zonder diepe kracht, met een licht lopende damespen, is het toch wel +degelik haar eigen werk geworden; er zit in die vertelling juist dat +mengsel van voorname wereldlikheid en fijne, ironiese zielekennis, van +een gevoelvol verheven menselikheid en fijn, subtiel moreel gevoel,--die +ook later weer de echt Franse liefderoman zal karakteriseren. + +De Lais van Marie de France vormen daartoe de bekoorlikste inleiding. + + + + +XVI. + +TRISTAN EN ISOLDE. + + +Uit vele van die populaire speelmanslais ontstonden romans. Van de +liefde van Tristan en Isolde is er gezongen en gedicht in die oude lais, +waardoor die paar gelieven uit Cornwall reeds aan de oudste Provençaalse +troubadours bekend waren. En weldra stonden zij voor de middeleeuwen als +omstraald door een nog hogere poëzie dan zelfs Floris en Blanchefleur +of Aeneas en Dido in de oudheid. »Nooit," heet het in de oudste versie, +die men heeft kunnen opdiepen (Berol's bron), »hadden anderen elkaar zo +lief en kochten de liefde zo duur." Het noodlot had ze door één teug +aan liefde en ongeluk gewijd, en zo stond het paar voor alle gevoelige +harten met een dubbele aureool omgeven; hun liefde was misdadig, altans +volgens de vromen van de Ridderromantiek, maar ze waren toch enigsins +te verontschuldigen door het onwederstaanbare van hun schone passie en +ze werden toch ook door al hun ellende gelouterd. Evenals St. Preux en +Julie of Werther en Lotte voor hun tijdgenoten, waren Tristan en Isolde +voor de middeleeuwen martelaars der liefde, onschuldige offers van de +moraal der burgerlik kristelike maatschappij,--maar in de ogen van alle +jongeren was hun lot toch eigelik benijdenswaardig, en stonden ze toch +in geluk ver boven dat van de gewone burger. + +Geen motief is zo dikwels in de romans gebruikt geworden als dit, maar +er heeft een merkwaardig noodlot op de overlevering er van gerust. Van +de oudste versies is er geen een over; de oudste die wij hebben zijn +fragmenten van twee Franse berijmde romans die uit 't Anglo-Normandiese +rijk stammen, die van Berol en van Thomas, uit de jaren 1160-1170; dan +zijn er een paar latere Franse berijmde bewerkingen verloren gegaan, +maar wij hebben een proza-roman uit de 13de eeuw over; in 't Duits +bestaan er berijmde bewerkingen van Eilhart v. Oberge (1190) en Gotfried +van Strassburg (ongeveer 1210) en twee vervolgen; vervolgens is er +een Middel-Engels-gedicht, Sir Tristrem, een IJslandse sage en enkele +late volksboeken. Met grote kunst heeft de Franse filologie echter aan +Frankrijk van dit alles teruggegeven wat haar toekomt, door de vreemde +versies in twee groepen in te delen, die respektievelik op Berol en +Thomas terug gaan, en heeft uit wat aan de versies van elke groep gemeen +is, de twee Anglo-Normandiese romans kunnen rekonstrueren om de paar +fragmenten heen die wij er feitelik alleen maar van bezitten. Zij +zijn--zoals wij zagen--omtrent van de tijd van Marie de France. Berol +is meer populair en die staat waarschijnlik ook wel dichter bij 't +oorspronkelike. Thomas is meer ridderlik. Terwijl 't vooral Eilhart +is die ons Berol kan helpen reconstrueren, hoort zowel de roman van +Gotfried, als die van Sir Tristrem en de IJslandse sage tot de groep +afstammelingen van Thomas. De groei van de Ridderromantiek laat zich +heel goed volgen als men de twee groepen Berol-Eilhart en +Thomas-Gotfried met elkaar vergelijkt. + +Dat er oorspronkelik een sage uit Cornwall of uit West-Schotland aan +ten grondslag ligt, staat buiten alle twijfel. Ook is 't zeker dat er +zich al heel vroeg om die oorspronkelike sage-stam andere motieven en +anekdoten geslingerd hebben, tendele reeds op Keltiese grond, maar ook +later in de Franse versies, uit de oudheid en het Oosten, uit Frankrijk +zelf en uit Duitsland. Zoals het werk van Berol en Thomas eeuwen lang +alle landen rond is getrokken, kan de stof door zijn hele kleur en toon +maar tot zekere hoogte Kelties genoemd worden. Reeds de namen zijn +kosmopolities. Iseut beschouwen sommigen als Germaans evenals andere +vormen met Is-, misschien voor Ishilde, maar in elk geval is de naam al +zéér spoedig als Kelties gevoeld; haar vader Gormond heeft zeker een +Scandinaviese naam, ook Morolt lijkt Germaans. Blanchefleur, Tristan's +moeder is natuurlik Frans, Isolde's dienstmaagd Brangién (= witborst) +daarentegen Kelties. Marc, de oom is Kelties en betekent paard; dat +heeft aanleiding gegeven tot het sprookje dat hij paardenoren had,--een +trek die in vele volkssagen voorkomt, maar nu wordt ook de geschiedenis +van koning Midas zijn ezelsoren en het geheim dat hij aan 't riet +toevertrouwde op koning Marc overgedragen. Eindelik is Tristan +oorspronkelik Kelties (Drostan, maar de gelijkenis met 't Frans »triste" +heeft invloed op de naam gehad en een zeker elegies-tragies kleurtje +over de Franse Tristan gelegd die Drostan uit Cornwall zeker miste). +Die Drostan schijnt een held van 't zeer populaire »Schlau-kopf"-type +geweest te zijn--gelijk Odysseus of Jakob uit de Bijbel--een slimme +schelm, die door het noodlot vervolgd wordt, maar handig en gewikst zich +door alles heen weet te slaan. Hij was de duizend-kunstenaar die zwemmen +kon, vechten, draken doden, die kon springen zo hoog als niemand anders +(in Cornwall wees men de rots waarvan hij zijn enorme beroemde sprong +gedaan had); een man even uitstekend als jager als in de kunst het wild +te bereiden, als harpspeler als in de kunst om vogelenstemmen na te +bootsen. En de verhouding waarin hij tot de vrouw van zijn oom stond was +slechts een van de wijzen waarop het noodlot hem vervolgde, maar waarop +hij ook zijn listige streken kon vertonen. + +Er is een voorhistorie over de afstamming en de jeugd van Tristan, maar +die er later aan toegevoegd schijnt, op motieven zo wat van alle kanten +bijeengeschraapt en in een ridderlike en sentimenteel-avontuurlike geest +geschreven. Een ridder uit Wales of Bretagne houdt zich een tijd aan +'t hof van koning Marc op, de beroemde legendariese koning van Cornwall +of Engeland. De zuster van de koning wordt op hem verliefd--de naïeve +monologen en koket-sentimentele gesprekken doen aan de Aeneas-roman +denken--terwijl hij na een gevecht gewond is, wordt zij in 't geheim en +onder tranen bij hem zwanger, dan vlucht zij met hem naar zijn eigen +land. Maar daar valt hij nu in de strijd tegen zijn vijanden, die nu +zijn goederen in bezit nemen en de wanhopende weduwe baart nu in smart +de in smart ontvangen zoon, die bovendien bij de geboorte zijn moeder +het leven kost. Tristan werd de erveloze knaap genoemd en zijn leven +zal die naam der smarte waar maken. In 't geheim door een trouwe dienaar +opgevoed, wordt hij door kooplieden met een schip ontvoerd, maar weet te +ontvluchten en aan land te komen,--bij koning Marc, waar hij aan 't hof +in grote gunst komt. Ten slotte wordt 't hem en de koning bekend wie hij +eigelik is en de koning stelt zijn neef tot erfgenaam over zijn rijk +aan; maar eerst trekt de jonge held er op uit om zijn vaderlik erfdeel +terug te winnen, alleen echter om dat land aan zijn trouwe pleegvader +over te dragen. In de volkssagen en de heldenpoëzie zijn er veel helden +aan wier jeugd dit alles sterk herinnert, maar ook met de roman van +Appolonius van Tyrus en die van Ruodlieb heeft onze geschiedenis menige +trek gemeen. + +En nu begint de eigelike roman daarmede dat Tristan, als hij weer naar +'t rijk van koning Marc teruggekomen is, het heldenstuk uitvoert om in +een tweegevecht de reus Morolt te doden, die uit Ierland gekomen was +om het jaarlikse tribuut voor zijn zwager, de koning van Ierland en +de Romeinse senaat op te eisen. Hier als ook nog elders is duidelik +de kroniek van Geoffrey van Monmouth gebruikt en wel naar de Franse +berijmde bewerking van Wace; het motief is bovendien algemeen genoeg in +de heldenpoëzie. Het wordt een duel, volgens alle regelen van de kunst +op een eiland gevochten. De reus wordt door een geweldige slag op zijn +voorhoofd geveld--een stuk van Tristan's zwaard blijft hem in de schedel +zitten--maar hij krijgt nog net de gelegenheid zijn overwinnaar een houw +met een vergiftigd zwaard te geven en er stervend bij te voegen dat +alleen zijn eigen zuster, koningin Isolde van Ierland, dit genezen kan. + +Nu wordt Tristan ernstig ziek,--niemand kan zijn wonden helen, waar +bovendien een onuitstaanbare stank uit opstijgt,--iets wat Gotfried +overslaat omdat »zo iets niet goed past in de hoofse toon". Gelijk +gewonde helden dat in de Keltiese sage dikwels doen, legt hij zich +op een schip en laat dat maar ergens heendrijven; het komt in Ierland +terecht. Men ziet hoe weinig doorwerkt de stof is, hij wist n.l. zelf +dat hij dáár alleen genezing zou vinden. Als degeen die de dood van +Morolt op zijn geweten heeft, durft hij zich toch niet te kennen te +geven; hij verkleedt zich nu weer als koopman, of--zoals de ridderlike +versies 't liever voorstellen--als een harpspeler en komt zo in het +paleis van de koning waar hij zich Tantris noemt en door de koningin +verzorgd en genezen wordt. Uit dankbaarheid daarvoor geeft, volgens de +ridderlike bewerking, Tantris aan 's konings dochter Isolde les in het +harpspel, in de kunst lais te dichten, in het schrijven en in goede +manieren (moralitas), zodat haar vader zijn gasten dikwels door zijn +jonge dochter kon laten bezighouden. Steeds bevreesd dat hij herkend +zal worden, vertrekt Tristan terstond als hij zich weer beter voelt, +ofschoon de koningin de wellevende vreemdeling graag nog wat gehouden +had. + +Nu leefde Tristan weer aan het hof van Koning Marc. Maar de baronnen +die jaloers op Tristan zijn dat hij de troon zou erven, brachten er de +koning toch nog toe weer een vrouw te zoeken. Alleraardigst is een hier +ingevoegd sprookjesmotief. Terwijl zij bezig zijn de Koning over te +halen, fladderen een paar zwaluwen het venster binnen en een daarvan +laat een goudgeel vrouwenhaar uit zijn bek vallen. De Koning raapt het +op en zegt dat als hij dan toch trouwen moet, dan wil hij de jonkvrouw +hebben aan wie dat haar toebehoort. En Tristan neemt op zich de schone +met het gouden haar voor hem te gaan vinden, die niemand anders blijkt +dan de prinses van Ierland. Maar de ridderlike bewerkingen verwerpen +deze trek als een onwaardige uitvinding der speellieden; Tristan zelf +had bij zijn thuiskomst de schoonheid van de jonge Isolde in zulke hoge +tonen geprezen en bovendien wensten de baronnen Tristan juist naar +Ierland te zenden omdat zij wisten dat er daar levensgevaar voor hem +schuilde. + +Zo trekt Tristan daar nu weer heen, te midden van het gevaar. Hij kwam +op een gunstig oogenblik. Een draak hield juist vreselik op het eiland +huis, elke dag moest er een jonge maagd aan hem geofferd worden en de +Koning had laten weten dat hij die de draak wist te dooden, de prinses +ten huwelik zou krijgen,--een in de Griekse en Germaanse sagenwereld +zeer bekend motief. Tristan, gelijk gewoonlik als een koopman verkleed, +trekt er incognito op uit en doodt het monster door een stoot in zijn +muil--in het hart zegt Gotfried meer in overeenstemming met ridderlike +opvattingen--snijdt zijn tong uit en steekt die in zijn broekzak--legt +die op zijn borst, zegt Gotfried, maar--nu trekt het vergif zijn lichaam +door en niet ver van de draak valt Tristan zelf in zwijm. De Seneskalk +des konings, een slecht mens, komt langs het lijk van de draak, en +eigent zich de eer toe die gedood te hebben, rijdt vol triumf naar huis +en eist Isolde voor zich op. Zij is wanhopend over het vooruitzicht met +die man te moeten trouwen en zij kan bovendien ook niet geloven dat hij +zulk een heldendaad heeft kunnen volbrengen en zij gaat met haar moeder +het gevelde dier bekijken. Daar vinden ze nu de vreemdeling met de tong +van het ondier; zij nemen hem mee naar huis waar hij verpleegd wordt +en dan komt hij met zijn trofee voor den dag en bewijst tot groote +schande van de Seneskalk hoe die ze allen heeft willen bedriegen. Dit +is duidelik een geheel op zich zelf staande sage die vrij onhandig in +het gedicht ingevlochten is, het wordt ook in een apart Kelties gedicht +gevonden over »De held en het hert met de witte poot"; misschien is het +ook verwant aan de Griekse geschiedenis van Alkatoos, die op die zelfde +manier zich door de tong van het monster als de geen doet kennen die het +gedood heeft, inplaats van een ander die hem die eer wil roven. De sage +is in haar grondtrekken zeer algemeen. + +Maar intussen is het opgehelderd wie Tantris is. Eens zit hij naakt +in het bad en Isolde staat er bij met hem te praten, terwijl zij er +zich over ergert dat die man, zo schoon als hij is, toch niets dan +een koopman is. Nu gaat zij naar zijn wapens kijken die daar hangen, +en ziet het zwaard dat nog de sporen draagt van de houw die Morolt +er mee gekregen heeft--op eens krijgt zij een ingeving, zij haalt het +stukje dat in het hoofd van Morolt is blijven zitten en dat zij bewaard +heeft,--kijk! Dat past presies en op 't zelfde ogenblik wordt het haar +op eens duidelik dat Tantris natuurlik hetzelfde is als Tristan. En +zij neemt dadelik het besluit hem, zoals hij daar in het bad zit, te +doden. Een echt pikante situatie, die de ridderlike versies in detail +uitwerken: die naakte held geheel in de macht van het jonge meisje. +Tristan herinnert er haar aan dat hij haar zal moeten helpen, nu de +Seneskalk beweert de draak gedood te hebben en haar hand eist. De jonge +maagd voert een innerlike tweestrijd, zij moest de moordenaar van haar +moeders broeder haten, maar haar »milde wîplichheit" zoals Gotfried +zegt, waagt het niet toe te slaan. Nu komt de moeder er bij en wordt +van de zaak op de hoogte gebracht; beiden zijn vol twijfel, als de een +iets besluit, houdt de ander haar terug, ook Brangien stelt zich op de +voorgrond en wil als Isolde's »cameriere" ook een duit meê in 't zakje +doen. Tristan verlaat nu het bad en knielt »voor de schone rij der +vrouwen", die galant door de Duitser met de zon, de maan en de dageraad +vergeleken worden. Brangien brengt er het drietal toe elkaar de kus der +verzoening te geven,--het maakt vooral indruk als Tristan mededeelt dat +het uit naam van de Koning van Cornwall is dat hij om de hand van Isolde +komt vragen. + +Isoldes vader gaat op dat huwelik in en met grote pracht en praal wordt +de prinses, door Brangien begeleid, met Tristan over de zee gezonden. Er +is tot nu toe geen sprake van liefde tussen die twee, wel zegt Gotfried +iets van tedere gevoelens tussen hen, maar het wordt toch nog als iets +dat van zelf spreekt beschouwd, dat Isolde met vreugde de Koningin van +Koning Marc zal worden. In de voorgeschiedenis zijn er sprookjesmotieven +en reminiscenties van allerlei heldensagen. De eigelike handeling begint +pas waar Tristan en Isolde uit Ierland vertrekken, nadat Tristan voor +zijn oom de hand van de Ierse koningsdochter gevraagd heeft. + +Isoldes moeder heeft Brangien een minnedrank meegegeven die zij +de jonggehuwden de avond van het huwelik moet doen drinken om +hun huweliksgeluk te bezegelen. Van zulke minnedrankjes vertelde +Ovidius,--Circe zowel als Medea hadden die gebrouwen. En nu heeft de +tragiese vergissing plaats. Isolde heeft heimwee en is bedroefd. Tristan +komt haar dikwels gezelschap houden en troosten. Eens wanneer het schip +door windstilte genoodzaakt is geworden een haven binnen te lopen en de +meesten aan land zijn gegaan, wil een van Isoldes maagden hun een glas +wijn inschenken om bij de hitte hun dorst te laven. »Doch neen! het was +geen wijn, ofschoon het dit wel scheen. Het was de eeuw'ge smarte, de +eindeloze hartenood, en beiden bracht die ook de dood", barst Gotfried +uit. Te laat ontdekt Brangien wat er gebeurd is. »Die drank die wordt +beider dood." En inderdaad blijkt nu ook al ras dat »der Welt Unmusze", +de grote onruststichter der wereld, hun beider gemoed is binnen +gedrongen. Gotfried laat ze eerst nog wat tegenstribbelen maar »de ogen +en de harten naderen elkaar steelsgewijze,"--de liefde--die »kleurster" +maakt ze beiden dan rood, dan bleek. Zij is het die per slot van +rekening het initiatief neemt, maar echt op de manier van jonge meisjes, +met allerlei omwegen: levensmoede gaat zij tegen hem aan leunen en laat +haar hoofd op zijn borst nederzinken, zodat hij haar met zijn arm omvat. +»Wat scheelt er aan?" vraagt hij. »»L'amer" is het dat mij wee doet"; en +nu spekuleert hij er over welke drie betekenissen dat woord hebben kan. +Bedoelt zij »de zee"? Is het »de bittere" wind? vraagt hij daarna, maar +zij is het die de derde betekenis noemen moet:--het is »de liefde". +»Mijn beminde, zo is het ook mij gegaan," zegt hij dan. Het is zeker +een vrij oud spel over die woorden, waarschijnlik al uit 't Latijn. En +dan wordt Tristan--gelijk Gotfried het zoet-sentimenteel beschrijft, +in de trant van »Daphnis en Chloë"--door de geneesheer Liefde naar de +legerstede van Isolde geleid en biedt Amor hun elkaar aan als medicijn +voor hun ziekte. + +En hier is het punt waar alles om draait. Een gewone vergissing, iets +wat niemand gewild heeft, brengt de hele tragedie aan de gang. Iets +dergeliks hoorde in de grote Heldenepiek niet thuis, noch in de Ilias, +noch in de Völsungensage, noch in de Chanson de Roland; dit is een +roman-truc,--vooral in de Grieks-Oosterse romans is het prototype van +dergelike vergissingen door drankjes te vinden. Zulk een toeval kan +niet als de hoogste tragiek werken, een die met noodzakelikheid uit de +oorzakelike samenhang voortgekomen werkt, integendeel komt er zo iets in +de eigelike zin van het woord pikants in ons gevoel van verdriet, omdat +we voortdurend voelen dat het ongeluk per slot van rekening even goed +niet had kunnen gebeuren en hoe onzinnig het eigelik is en hoe het +zonder enige reden op de slachtoffers neer is gekomen. Maar voor het +middeleeuws bewustzijn is zulk een toeval géén toeval, maar het mystieke +noodlot. En juist daarom, omdat het geheel niets anders dan toeval is, +valt er iets plechtigs, bijna iets heiligs over de liefde en de dood +van Tristan en Isolde, het zijn geen menselike grillen of invallende +gedachten die de verschillende personen in elkaars armen werpen of in +het ongeluk voeren, maar mystieke machten in wier hand de wil slechts +was is. Die tweezijdige houding tegenover de geschiedenis van Tristan +en Isolde kan men in de Middeleeuwen overal opmerken. Voor Berol is het +niets anders dan een gewoon tover-toeval; voor hem duurt de werking +er van dan ook maar een bepaald aantal jaren. En tegenover zulk een +opvatting komen de erotici van professie met een protest in de echte +stijl der troubadours, dat men zo iets liefde zou durven noemen. In +tegenstelling met de klassieken die de liefde als een soort ziekte +beschouwden, een noodlot dat de mensen overvalt, leerden namelik de +troubadours dat de liefde een vrijwillige kultus van de vrouw is, een +uiting van een moreel willen en dus een deugd, een verdienste, en meer +dan één ridderlik dichter legt er dan ook, zoals wij zien zullen, de +nadruk op, dat hun paar geliefden zich niet door een minnedrankje de +liefde aangedronken heeft, maar dat die het gevolg is van hun vrije +neiging. Velen hunner staat echter vaag een zekere opvatting voor de +geest, volgens welke die liefdedrank alleen maar een simbool is van de +natuurmacht der liefde,--zo, vrij zeker, voor Thomas en Gotfried voor +wie de werking ervan ook niet tot een bepaalde tijd beperkt is. Wanneer +het naïeve bewustzijn de plotseling opkomende liefde en de omstandigheid +dat er geen ontkomen aan is, verklaren kan als de werking van runen, +of andere tovermiddelen of als die van een pijl door een godheid +afgeschoten, dan moest dit alles voor het meer ontwikkelde bewustzijn +eenvoudig tot poëtiese uitdrukkingen worden van een natuurmacht die, +zich boven verstand en wil verheffend, zich door de liefde openbaart +en juist daardoor dat gevoel boven wet en recht stelde. Deze opvatting +schemert al in de minnepoëzie der ridderromantiek door en die ligt ten +allen tijde aan de romantiek ten grondslag; de burgerlike samenleving en +de kristelike moraal hebben ook voortdurend tegen die gevaarlike teoriën +moeten kampen. + +Nu nadert het schip juist deze burgerlike samenleving, gelijk Isolde +haar bruiloft. Zij is ongerust omdat zij niet als maagd het bruidsbed +kan bestijgen en daarom haalt zij er haar camerière toe over haar eigen +plaats in de huweliksnacht in te nemen,--een onderschuiving die in vele +verhalen, o. a. in meer dan een Deens volkslied, voorkomt. Heel naïef +krijgen de lezers te horen hoe de koning ietwat onder de invloed van de +wijn is en hoe Tristan terstond de kaarsen uitblaast. Maar wanneer het +paar zo van de diensten van Brangien geprofiteerd heeft, vinden ze het +toch onaangenaam dat zij in hun geheim ingewijd is, en ruw en gevoelloos +wordt verhaald van de voorbereiding die Isolde treft om de trouwe +dienares kwijt te raken. Zij zendt haar het bos in met moordenaars +die haar moeten ombrengen. Maar die volbrengen het stuk niet. Brangien +brengt hun n.l. in 't bos aan het verstand dat haar hele misdaad daarin +bestond dat zij haar meesteres haar eigen bruidslinnen heeft laten +gebruiken, wijl dat van de hoge vrouw gekreukeld was; de moordenaars +keren terug en laten de koningin een hindetong zien voor die van het +meisje en vertellen haar ook wat die in het bos gezegd heeft. Die fijne +beeldspraak die zo heel Oosters-bijbels klinkt, doet Isolde zo aan dat +zij hevig berouw begint te gevoelen en de moordenaars bekennen nu de +waarheid. Brangien wordt teruggeroepen en is van nu af de vertrouwde en +de hulp der gelieven. + +Die nemen namelik kalm hun maatregelen om hun relaties achter de rug +van haar man en zijn oom voort te zetten. En van nu af begint er een +voortdurende kamp. De twee gelieven kunnen niet zonder elkaar leven, zij +proberen dit ook in 't geheel niet; maar Tristan heeft vijanden aan het +hof--vooral is er daar een kwaadaardige dwerg zoals de Keltiese sage die +kent--die de verhouding ontdekken, die aan de goede koning verklikken +en de geliefden in de val trachten te lokken, die zij lang weten te +vermijden--Brangien staat tegenover de dwerg aan hun zijde--maar waar +zij eindelik eens invliegen; dan wordt Tristan verbannen maar hij +weet de zaak toch gaande te houden en wordt spoedig weer in genade +aangenomen. Oorspronkelik zal de hele geschiedenis,--er werd al op +gezinspeeld--door de sage volstrekt niet zo sentimenteel-tragies opgevat +zijn, de grote virtuositeit van de slimme held bestaat juist daarin dat +hij zulke stukjes klaar weet te spelen en het slachtoffer nog een lange +neus op de koop toe weet te bezorgen, en wat de echtbreuk in het geval +betreft, over deze »komedie" heeft de volksfantasie altijd de nodige +anekdoten te vertellen gehad; vooral de Galliese humor heeft voor +dat tema altijd grote voorliefde aan den dag gelegd. Het enige wat de +Tristan-roman met de krasse verhalen over de bedrogen echtgenoot wist te +doen, was ze in een sentimenteel licht te stellen, wat gelijk wij zagen +ook de grote kunst van Marie de France was. De minnedrank komt dan ook +goed te pas om de onschuldige gelieven in een beter daglicht te stellen; +zij weten beiden dat zij geen verantwoording voor 't gebeurde hebben, +en dat hun alles toegestaan is--en dat voelt de lezer ook. Maar hun +liefde staat ook daardoor hoger dan de grove komiek der fabliaux doordat +de echtgenoot niet opgeofferd wordt. In de sage zal deze koning der +ezelsoren niet anders dan de goedgelovige nar geweest zijn, lichtgelovig +tegenover Isolde en die zich ook even licht door de verklikkers laat +ophitsen. Bij Berol verwijt koning Artus hem ook dat hij wispelturig +is en veel te gauw toegeeft. Maar niet alleen de dichters, ook zij die +hem bedriegen erkennen dat hij welwillend is en toegevend, en groot is +de sympathie van allen voor de »einvalt" en »wegelôse" koning, zoals +Gotfried hem noemt. »Slechts zijn grote liefde voor u," zegt Brangien +eens tegen haar meesteres, »maakte hem zo toegeeflik voor u, maar gij +beloont hem slecht." + +In talrijke episoden krijgen wij het spel en het tegenspel te zien. De +koning heeft Tristan van het hof verbannen en de geliefden versmachten +van verdriet, nu zij van elkaar gescheiden zijn. Edoch, Tristan weet +raad. Er stroomt een rivier langs--of oorspronkelik door--het vertrek +van Isolde (zo eigenaardig en primitief was het Keltiese huis van bouw) +en door middel van zaagsel dat tekens vormt en de rivier afdrijft, laat +hij haar weten hoe zij elkaar zullen vinden,--een list die reeds in een +oude Ierse sage voorkomt. + +De dwerg is te weten gekomen dat zij elkaar 's nachts bij maneschijn aan +de oever van een meertje in het bos zullen ontmoeten. Koning Marc is met +een pijl en boog gewapend in een boom geklommen daar dicht bij om ze te +beloeren,--in de oorspronkelike versies van de sage vindt men, naar het +schijnt, nog geen lans of paard. Tristan komt eerst en ziet de schaduw +van de koning in het water. Hij staat als op gloeiende kolen en durft +niets te laten merken, maar is vol angst hoe alles aflopen zal wanneer +Isolde ook komt. Maar, ook zij ziet de schaduw en nu beginnen ze door +een gelukkige inval van beide kanten, en tot stichting van de koning in +de boom, een aandoenlik gesprek over de laster waaraan hun onschuldige +vriendschap blootstaat en Tristan smeekt de koningin zijn voorspraak +bij de koning te willen zijn--vooral over een som gelds om zijn harnas +terug te krijgen dat hij heeft moeten verpanden--; maar zij zegt dat +zij dit niet durft,--zo alleen en vreemd als zij zich aan het hof voelt. +De echtgenoot wordt zo aangedaan dat hij, zoals hij naderhand vertelt, +bijna uit de boom was gevallen. De volgende dag neemt hij Isolde in +verhoor en na een kleine komedie, waar zij prachtig toneel speelt, wordt +zijn neef weer in genade aangenomen. Maar Brangien moraliseert over het +mirakel dat God voor hen gedaan heeft--op een manier waarvan men eigelik +niet weet of het Godsbespotting of naïef laks kristendom is--hij is een +goed vader die geen hart heeft hen kwaad te doen die »buen et loyal" +zijn. + +Een ander maal heeft een dwerg meel tussen de bedden gestrooid; de +koning, Isolde en Tristan slapen n.l. in hetzelfde vertrek en er wordt +vermoed dat Tristan 's morgens het bed van Isolde bezoekt wanneer de +koning vroeg opgestaan en uitgegaan is. Maar de gelieven hebben dat meel +gezien en met een enorme sprong weet Tristan direkt uit zijn bed in dat +van Isolde te komen. Maar ongelukkig was hij kort te voren door een wild +zwijn gewond (volgens de meer ridderlike versie heeft hij zich juist +adergelaten) en nu springt de wond open en komt er bloed op het laken +van Isolde en zo wordt alles toch ontdekt, ofschoon hij heel onschuldig +in zijn eigen bed ligt te snurken wanneer er anderen binnen komen. »Ach, +God, welk een smart," roept de dichter uit--»dat de koningin de lakens +niet weggedaan had." + +Isolde moet nu een eed afleggen om door een godsgericht haar onschuld +te bewijzen. Ten einde op de plaats des gerechts te komen, moet zij +met haar gevolg een rivier over. Aan de oever staat een schurftige +bedelaar en wanneer de koningin nu landen zal, vraagt hij haar uit de +boot te mogen dragen. Zij omvat hem nu met haar armen en benen want +zij heeft dadelik Tristan herkend; hij had haar ook laten weten dat +zij maar goeden moed zou houden. En wanneer zij nu aankomt, kan zij +kalm de eed afleggen dat zij nooit een andere man dan de koning haar +Heer en Meester in haar armen heeft gehad en,--ja, dan ook nog die +schurftachtige bedelaar van daar straks,--en doorstaat zij met glans de +ijzerproef.--Reeds in de oude Indiese vertellingen en later in Griekse +romans hadden loze geliefden dergelijke dubbelzinnige eden afgelegd. +Daar ziet men alweer, roept naar aanleiding hiervan de antiklerikaal +Gotfried tot de geestelikheid met haar »vrome bedriegerijen",--daar ziet +men alweer dat Kristus zich tot alles leent, hij is als een mouw die men +kan draaien en wenden, presies zo als men wil, evengoed tot bedrog als +tot waarheid! + +Maar,--de koning kan, niettegenstaande dit alles toch niet blind blijven +voor wat er tussen die twee gebeurt. Hij ziet het, zo als Gotfried het +sentimenteel uitdrukt, aan hun blikken, hun groeten, hun handen die zij +zo dikwijls tegen het hart drukken. Weer volgt er een breuk en wordt het +paar veroordeeld. Bij Berol geschiedt dit op zeer ruwe manier. Tristan +wordt naar de brandstapel geleid, maar als hij onderweg permissie heeft +gekregen om een kleine kapel in te gaan om te bidden, weet hij met een +koene sprong het raam uit te springen naar een steile rots en zich zo +te redden, Isolde zal ook verbrand worden, maar op weg komt de stoet +een troep melaatsen voorbij en hun geleider stelt de koning voor de +zondares aan hen over te leveren. De melaatsen die in de middeleeuwen +in voortdurende vleselike lust bleken te leven, konden haar nu allen +bezitten en dat zou nog de beste spot voor zulk een verwende prinses +zijn. Zonder zich een ogenblik te bedenken levert de koning haar uit en +trots trekken zij met de wenende verder. Maar uit een hinderlaag komt +Tristan op eens te voorschijn en verdrijft de schare; Berol, dichter van +de beginnende ridderlikheid als hij is, zegt dat Tristan zich volstrekt +niet verwaardigde zijn zwaard te trekken, zoals vroegere dichters hebben +beweerd, zijn getrouwe vriend en makker ranselde er met een knuppel op +los en dat was genoeg. Dan trekt hij met zijn geredde geliefde het bos +in. + +Thomas laat dit alles weg; alleen doet de koning beiden in de ban, +Tristan voorziet zich alleen maar van wat geld; neemt zijn harp, zijn +hoorn, zijn degen en zijn hond mede en vol verrukking gaan de twee +gelieven zonder enig protest, hand in hand op weg. + +Het bos is altijd het toevluchtsoord voor alle vogelvrij verklaarden +geweest;--in Engelse liederen van Robin Hood als in de IJslandse +ballingsschapsverhalen. Even als daarin wordt ook in »Tristan en Isolde" +de vrijheidsromantiek in het Robinson-achtige natuurleven in het diepe +bos gepoëtiseerd. De geliefden bouwen zich nu een verborgen loofhut, +vertelt Berol, en Tristan gaat op jacht na zijn hond zo gedresseerd +te hebben dat die het wild grijpt zonder te blaffen; hij kan ook al de +vogelgeluiden na doen zodat die zich om hem verzamelen. Liefde tot de +dieren komt hier, evenals bij Marie de France, sterk op de voorgrond als +een schakel in de keten der ontwikkeling van de sentimentaliteit en het +natuurgevoel. Bij Gotfried, misschien reeds bij Thomas--komt zelfs het +Rousseau-achtige dwepen met de natuur van de hoveling hier en daar te +voorschijn. De twee geliefden leven alleen van hun liefde, dat is de +enige spijs en drank waar ze iets om geven, hun hof is de linde, de +weide en het gezang der nachtegalen. Wat niet weg neemt dat Berol ze, +eigelik heel gek, een prachtige »liefdegrot" in het diepst van het woud +in laat richten, en hij zich geen moeite spaart om de marmeren muren, de +glans der edelstenen en het bed van kristal te schilderen--alles in de +trant van de »Chambre de beauté" der Trojaromans--maar hij legt er een +diepe allegoriese betekenis in en vertelt vol aandoening dat hij zelf +dikwels in zulk een liefdegrot geweest is, ofschoon hij nooit Cornwall +bezocht heeft,--hij was dikwels op jacht gegaan maar dan, zonder enig +wild te vangen, altijd in die grot terecht gekomen. Des morgens, vertelt +hij nu verder, wandelde het paar wat rond, of zat naar het kabbelende +beekje te luisteren en volgde de golfjes met hun ogen. Wanneer de zon +hoger aan de horizont kwam, gingen zij onder de lindenboom zitten die +bij hun grot groeide, en dan suisde de wind koel door het schaduwrijke +loof, terwijl zij elkaar droeve liefde-verhalen deden uit Ovidius. Ook +vermaakten zij zich met te spelen en op de jacht te gaan. Zo gingen +ze eens op een morgen hand in hand op weg; alle vogelen in het bos +begroetten hen met hun kunstigste trillers, lachend keken de bloemen hun +in 't gezicht, de dauw fonkelde in het morgenlicht en koelde hun voeten. +Het was alsof de gehele natuur ze vaarwel wilde zeggen. Zij zijn n.l. in +een onrustige stemming; de vorige dag hebben ze hondengeblaf gehoord en +ze zijn bang dat de koning in de buurt op jacht is. + +En zo is het,--de koning jaagt; hij wil proberen de zwaarmoedigheid te +verdrijven die op hem rust sedert zijn vrouw hem verlaten heeft, die hij +nog steeds lief heeft. En in de namiddag, wanneer de gelieven in hun +woning liggen te slapen, komt een der jagers daar toevallig voorbij, +kijkt door een reet en ziet ze liggen... dadelik haalt hij de koning, +die aan komt sluipen om de schuldigen te doden. Maar gelukkig liggen +ze daar, geheel gekleed, met het blote zwaard tussen hen in, als de +gepersonifieerde onschuld. Geen luchtje roert zich, geen blaadje beeft, +door het bladerdak dringt een zonnestraal en verguldt het aangezicht +van Isolde, »zo slapen de twee gelieven, die denken aan geen kwaad, zij +hebben niemand dan zich zelf hier in 't land." Het getrokken zwaard +tussen de gelieven,--dat is het overoude teken van onschuld, dat men +reeds in »Amis en Amiles" vindt, zowel als in de »Völsungensage", maar +hier is het òf een bloot toeval dat ze zo liggen, òf een list, omdat zij +wel vermoeden dat de koning op jacht is. En de brave koning loopt er dan +ook in! Reeds heeft hij zijn zwaard opgeheven, maar ontroerd laat hij +het vallen, vol liefde blijft hij zijn schone Isolde weer aan staren; +hij besluit zich weer even ongemerkt te verwijderen, maar hij wil ze een +teken achterlaten dat hij er geweest is en hun geen kwaad wenst,--even +als David wanneer hij Saul in 't hol heeft gevonden. Hij ziet hoe haar +teêre huid door de zon gekleurd wordt en trekt een van zijn handschoenen +uit die hij voor haar gelaat hangt; ook neemt hij een van haar ringen +weg,--ach! haar vingers zijn zo mager geworden dat dit gemakkelik genoeg +gaat--en doet een der zijnen daarvoor in de plaats aan haar vinger; +ook wisselt hij zwaarden. Een dergelike geschiedenis van een goedige +echtgenoot vindt men in de oude troubadour-biografieën en is ook in de +moderne literatuur te vinden. + +Maar nu houdt de werking van de liefdedrank op; de drie jaar gedurende +welke die volgens Berol werken zou, zijn verlopen. Op een dag dat +Tristan op jacht is, begint het hem te vervelen dat hij niets te doen +heeft en geen heldendaden meer verricht. En Isolde krijgt nu berouw +dat zij haar koninklike waardigheid en het rijke hofleven voor al deze +ellende heeft laten varen en zij zijn het er over eens dat zij hebben +»male usé notre jovente". Nu zoeken zij een eremiet in de buurt op die +reeds te voren getracht had op hun gemoed te werken,--zij beriepen zich +toen op die minnedrank--ook nu nog verklaart Isolde dat zij geen berouw +heeft, maar dat zij toch bereid zijn elkaar te verlaten. En de eremiet +staat dadelik met een zeer ruim biechtvader-geweten paraat. God vergeeft +alles zegt hij, hoe erg 't ook is, en luister nu eens, koningin, om +de zonde te bedekken en de schande weg te nemen is een klein beetje +»bel mentir" nu niet altijd zo heel verkeerd. En door zijn raad en +medewerking wordt de zaak al heel spoedig zo geschikt dat Isolde weer +tot haar vroegere eer en waardigheid komt, als zij verzekert dat er +nooit iets anders dan gepaste vriendschapsgevoelens tussen hen beiden +geweest zijn; maar Tristan moet het hof verlaten en ten strijde trekken. +De Koning wil hem geld medegeven, maar dat weigert hij en na afscheid +van Isolde genomen te hebben, trekt hij trots op weg; zolang Isolde hem +kan zien, wendt zij het oog niet van hem af en zij heeft hem beloofd +dat, zodra hij om haar zendt, muur noch toren haar terug zal houden. + +Anders loopt het in de ridderlike versies, waar de werking van de +minnedrank niet aan een bepaalde tijd gebonden is. Nog eenmaal worden de +geliefden in genade aangenomen; fijn verklaart Gotfried hoe de Koning, +door zijn eigen begeerte verblind, »weet en toch niet weten wil" wat er +steeds tussen hen is; op die manier, vervolgt hij met een vrij slappe +moraal, is het 's Konings eigen schuld dat het gaat zo als het gaat; +bedriegen doen ze hem eigelik niet, zo open als alles in 't werk gaat. +Maar eindelik vindt men ze eens op een warme zomermiddag in de tuin in +een situatie, die geen de minste twijfel meer over laten kán en nu moet +Tristan definitief weg. »Nos cors partir or convient,--mais l'amor ne +partira nient," zeggen zij tot elkaar. + +Tristan gaat nu naar Bretagne--het is steeds in het »Keltiese hoekje" +dat die historie zich beweegt: Wales, Cornwall, Ierland en Bretagne, met +de golven van de Atlantiese zee als brug tussen dit alles--; en hier is +het nu dat Tristan een andere Isolde huwt,--Iseut aux blanches mains. +Hij wordt n.l. bevriend met Kaherdin, de zoon van de hertog, en spreekt +dikwels diens zuster naar wier vertrek Kaherdin hem placht te brengen. +Haar naam ontroert hem sterk, hij maakt haar 't hof en dicht op haar: +»Isot ma drue, Isot ma mie--en vus ma mort, en vus ma vie"; hij denkt +aan zijn eigen Isolde, maar zij denkt aan hem; »die arme vrouw" +meent dat zij bemind wordt, wat Gotfried zeer gevoelvol schildert +en veroorlooft zichzelf al meer en meer toenaderingen, en Tristan is +eerst op haar gesteld omdat zij nieuw voedsel aan zijn weemoed geeft, +maar ten slotte vindt hij troost en vergetelheid bij haar.--Of deze +tweezijdige verbinding een overblijfsel is van een zonnemyte laat zich +niet uitmaken; in »Eliduc" zien wij de held evenzo tussen twee vrouwen +verdeeld; de een in Engeland, de ander in Bretagne en ook daar waren hun +namen ongeveer dezelfde. In elk geval is het een verfijnd sentimenteel +onderwerp en in de ridderlike versie van Thomas licht Tristan zijn +zielestrijd in lange monologen toe, in de trant van die in de roman van +Troje; maar het is een zeer origineel stuk psychologie, naïef-ruw niet +alleen, maar smachtend als 't in zijn ongemengde oprechtheid is. + +Isolde--zegt Tristan zich zelf--kan nu toch zeker niet meer zo naar +mij verlangen; nu heeft zij immers haar man met wie zij de liefde leert +kennen. Tot andere gedachten is zij zeker niet gekomen, dan zou ik 't +wel gevoeld hebben, evenals zij 't gevoeld zou hebben als dit met mij +'t geval was.--Hier hebben wij het geloof in een wisselwerking uit de +verte tussen verwante zielen (dat reeds in de naïeve verhalen uit de +volkssagen bekend is) hoe de thuisgeblevenen aan een achtergelaten +haarlok of kleed kunnen zien hoe het de ander gaat;--een motief dat zeer +vaak in de liefderomans opgenomen wordt als een soort mise-en-scène van +de steeds zeer voorkomende bewering van de lyriese dichter dat hij met +zijn geliefde »van hart verruild" heeft.--Maar,--gaat Tristan tegen zich +zelf door--dàt zij bezig is van mij af te gaan, is zeker, anders zou zij +wel om mij gezonden hebben. Als zij nu elke nacht door haar man omhelsd +wordt, zal zij mij niet langer missen, en moet ze er langzamerhand toe +komen hem lief te hebben. Ik wil dan ook maar trouwen en zien of ik bij +die andere mijn lust kan vinden zonder haar werkelik lief te hebben. In +een dergelijke wraak, merkt de schrijver hierbij op, zit eigelik liefde +zo wel als toorn, hij doet wat hij eigelik niet wilde! + +En zo huwt hij dan Isolde Withand,--maar als 't er op aan komt, kan +hij het niet over zich verkrijgen bij haar te gaan. De gedachte aan +zijn ware Isolde houdt hem terug en hij vindt er een geraffineerde +zelfplagerij in, getrouwd te zijn en zich toch te onthouden. Hij +verlangde steeds naar Cornwall en daarginds verlangde Isolde niet +minder. Zij zit daar »lais" te zingen, en op haar harp te spelen; »zoet +zingt de vrouwe, en de stem voegt zich naar het snarenspel, schoon zijn +haar handen, haar lied is lief, zoet is haar stem en de tonen zacht." Er +stijgt een wonderlik weemoedige stemming uit die fraaie verzen op: »La +dame chante dulcement,--la voiz accord a l'estrument,--les mains sunt +beles, li lais bons,--dulce la voiz et bas li tons." Eens krijgt zij een +hond van haar vriend ten geschenke, met bellen om zijn nek; die heeft +een vorst hem geschonken en wanneer die bellen weerklinken, vergeet men +zijn verdriet, daarom zendt Tristan die aan zijn vriendin, opdat zij +hem niet zal missen. Isolde is heel blij met haar hond, maar--als zij +merkt dat zij door het gerinkel der bellen haar vriend vergeet, neemt +zij haar hond de halsband af en werpt die in het water: zij wenst geen +troost terwijl hij lijdt. Zulke vergetelheidbrengende feeëngaven waren +blijkbaar een oud dichtermotief, maar de asceties sentimentele draai er +aan is zeker aan de roman te danken. In Bretagne heeft Tristan ergens +in 't woud een geheime grot die hij door grote meesters in de kunst van +vergulde beelden van Isolde en Brangien heeft laten voorzien; dat zijn +van die mekaniese kunstwerken als in de Troja-romans, die verspreiden +heerlike geuren en daar gaat Tristan dikwels heen om het beeld van zijn +geliefde te omhelzen en harer te gedenken. Dergelijke ietwat ongure +geschiedenissen van vrouwenstandbeelden die mannen als levende vrouwen +omhelzen, zijn uit de latere klassieke schrijvers in de Graalroman en de +kronieken overgegaan en wijzen misschien op een zeker ruw volksgeloof +met betrekking tot naakte antieke vrouwenbeelden. + +Isolde Withand droeg haar jonkvrouwelike stand in het huwelik met +berusting. Slechts door een toeval komt zij er toe haar broeder op de +hoogte te brengen, waarbij de schrijver een motief uit een oud-Ierse +sage gebruikt. Nu heeft Kaherdin een verklaring met Tristan, die zich +voor zijn verdediging op de omstandigheid beroept dat hij een vriendin +heeft die zo schoon is dat zelfs haar cameriere nog de zuster van +Kaherdin overtreft,--bijna presies hetzelfde wat Lanval in de »lai" +van Marie de France te zijner verdediging aanvoerde toen men hem zijn +onverschilligheid voor vrouwen verweet. Maar dat gelooft Kaherdin niet +voor hij 't ziet! En zo trekt hij met Tristan op naar Cornwall, waar +deze laatste weer Isolde in 't geheim ontmoet, terwijl Kaherdin en +Brangien weldra het tweede paar vormen. Dergelike verhalen komen er meer +voor in de roman; veel van wat in deze motieven in de heldendichten +en de vroegere litteratuur in 't algemeen voorkwam, van Renaud de +Montauban, Grettir uit de IJslandse verhalen, Robin Hood en andere +bannelingen die in 't geheim hun land bezoeken, wordt nu weder op +Tristan overgedragen. Eens staat hij in haar tuin en bootst de klagende +tonen van de nachtegaal na, zo zoet »dat er geen hart is, zelfs niet +dat van een moordenaar, dat er niet door vermurwd wordt", en zij hoort +dadelik dat het haar vriend is. Een volgende keer komt hij, alsof hij +een krankzinnige was, met het sap van allerlei wortels besmeerd, een +knuppel in zijn hand en als een wildeman gekleed, in de grote zaal van +koning Marc, waar hij in bedekte woorden maar alsof het die van een +krankzinnige waren, er vermaak in schept, de koning van zijn liefde en +die van de koningin te vertellen. »Geef mij uw koningin," zegt hij, »ik +zal haar naar een kristallen paleis boven de wolken brengen, waar de zon +doorheen schijnt, waar de wind niet bij kan komen, naar dat slot zal ik +mijn geliefde brengen", en hij herinnert de koningin aan de geschiedenis +van de draak, aan de beker waar zij beiden uit gedronken hebben... de +koningin raakt helemaal in de war en begrijpt er niets van. Zij vlucht +naar haar kamer, de »krankzinnige" weet daar ook zijn weg heen te +vinden; daar wil hij haar omhelzen, zeggend dat hij haar eigen Tristan +is,--maar zij deinst terug, in die vreemde kleedij en met zijn valse +stem kan zij hem niet herkennen. Nu spreekt hij haar van nog meer, waar +alleen zij beiden van af weten, uit hun samenleven in het bos, en vraagt +dan zijn oude trouwe hond te zien. En die alleen herkent dadelik zijn +meester, trekt zijn touw stuk, likt hem en blaft... iets wat weer aan +de hond van Odysseus herinnert waar die terug komt... Nog veel meer +sentimentele episoden komen in de latere prozaroman de verlangens en +de smart der twee gescheiden gelieven schilderen. Daar wordt Tristan +bovendien nog door jaloesie geplaagd, omdat hij meent ontdekt te hebben +dat zijn Isolde nu Kaherdin, zijn zwager uit Bretagne liefheeft, nu is +het geen aanstellerij, maar wordt hij echt krankzinnig van verdriet, en +gaat in het bos bij een beek zitten wenen en zijn zwanenzang dichten. +Nu wil Isolde zich op haar beurt van 't leven beroven, evenals Dido; +opgeschikt als op haar kroningsdag sluipt zij de tuin in om »in +schoonheid te sterven" op die heerlike zomerdag. Zij staat reeds wenend +gereed om in het zwaard van Tristan te vallen dat zij tegen een boom aan +heeft gezet, wanneer de koning, die haar gangen na heeft laten gaan, +aankomt en haar plannen verijdelt... + +Tenslotte wordt Tristan in Bretagne door een vergiftigd zwaard gewond: +kruiden helpen niet meer en hij roept Kaherdin bij zich en smeekt hem +Isolde aan haar belofte te willen gaan herinneren en dat het nu tijd +is te komen. Hij kan haar maar 40 dagen tijd geven, daarna zal zij +hem slechts als lijk vinden. En evenals een vergiftigde wonde eens de +aanleiding was dat hij hulp zocht bij de koningin van Ierland Isolde, +zo kan hij nu alleen maar redding vinden bij de dochter Isolde. Wanneer +zij mee terugkomt zullen zij witte zeilen heisen, anders zwarte. Maar +aan Isolde Withand mag alleen slechts gezegd worden dat het een ervaren +vrouwelik geneeskundige is die ze halen. Ongelukkig heeft de echtgenote +buiten gestaan en alles gehoord: »al te gruwelik zal zij zich wreken op +hem die zij boven alles lief heeft". Maar zij doet alsof zij niets weet +en blijft zeer vriendelik. + +Tristan ligt te verlangen,--laat zijn bed naar 't strand brengen en +»houdt er alleen het leven nog maar in" om zijn geliefde terug te zien. +Zij is dadelik op reis gegaan en is dan ook al dicht bij de kust van +Bretagne. Maar er steekt een storm op, het schip dreigt te vergaan. +Als zij nu haar vriend nog maar weergezien had, klaagt Isolde, zou zij +gaarne sterven. Maar zo is de liefde, dat niemand van ons smart kan +voelen of sterven zonder dat het de ander ook zo gaat. Als wij maar in +elkaars armen konden sterven, in één kist neergelegd worden. Ofschoon, +als ik nu hier in zee verdrink, zal Tristan zeker ook op zee sterven +(steeds weer die gedachte aan hetzelfde lot voor de verwante zielen) +en wie weet of dan niet een vis ons beiden verslindt en misschien +vangt iemand dan die vis en herkent die onze lichamen en begraaft ons +te samen!... Maar wat praat ik... als God ons nu maar te samen bracht, +zodat ik hem òf genezen kon òf dat wij te samen in dezelfde doodsangst +konden sterven. + +Ondertussen ligt Tristan aan wal zich in ellende en verlangen op zijn +sponde te wenden en te keren; het loopt op het uiterste. Listig komt +nu zijn vrouw hem vertellen dat het schip in 't gezicht is,--wat ook +werkelik waar is. Is het wel zeker, vraagt Tristan met ingehouden adem, +en welke kleuren hebben de zeilen? »Helemaal zwart". Nooit had Tristan +groter smart gevoeld, hij keerde zich af; Isolde had dus niet willen +komen. Drie maal fluisterde hij zuchtend haar naam en toen stierf +hij.--Zonder twijfel zijn het de zwart en witte zeilen van de Griekse +Theseus-sage die men hier terug vindt, ook zeker wel een andere antieke +mythe,--van Paris die vóór Helena, de geneeskundige nymph Oenone bemind +had en dodelik gewond bij haar om hulp komt vragen. En evenals het een +»toevallige" vergissing is welke die twee in liefde samen bracht, zo is +ook het slot van de tragedie het gevolg van een »toevallige" vergissing. +Want dat het uit jaloesie zou zijn dat Isolde Withand zwart in plaats +van wit zegt, is blijkbaar slechts een latere, ridderlik, sentimentele +motivering; in de primitiefste vorm van het gedicht is het slechts de +gril van een vrouw om iets anders dan anders te zeggen. + +Juist in die versie van Eilhart, is het slot ook het eenvoudigst en het +schoonst. Wanneer Isolde nu aan land komt en de klachten over de dood +van Tristan hoort, roept zij alleen maar uit: »Wee mij! O Tristan! hij +is dood!"; zij verbleekte niet en werd niet rood. Ook weende zij niet +mee, maar haar harte deed haar zo zeer. Bij 't lijk ligt de andere +Isolde luid te jammeren, onschuldig als zij (in deze versie) aan zijn +dood is. Zonder tranen komt de ware Isolde naar binnen en zegt: »Vrouwe, +sta op! Laat mij er bij. Geloof mij, ik heb meer recht om hier te wenen +dan gij. Ik heb hem meer liefgehad." En dan valt zij neer en sterft stil +aan zijn zijde. + +Maar op het graf aan Isolde werd een rozenstruik geplant, op dat van +Tristan een wijnrank. Over de graven slingerden die zich samen en hoe er +ook aan gekapt werd, die waren niet van elkaar af te houden. Een oude +zeer verbreide volksoverlevering, die oorspronkelik misschien wel op +de opvatting terug gaat van een werkelike verandering in planten van de +afgestorvenen, maar die in elk geval het schoonste simbool er van is dat +zij in het leven ook niet van elkander af konden. + + + + +XVII. + +FRANSE RIDDERLIKHEID. + + +Ridderlikheid en hoofse vormen--zegt een Noord-Frans dichter uit het +einde van de 12de eeuw--waren eerst te huis in Griekenland, toen kwamen +ze naar Rome, nu zijn ze naar Frankrijk getrokken, en mogen ze daar +steeds blijven. En het werd ook feitelik overal erkend dat Frankrijk +nu de zetel van alle »Chevalerie" en alle »Courtoisie" was. Naast het +hof van Hendrik II en Eleonora, zijn gemalin uit Poitou, waren er de +vorstelike hoven in Vlaanderen en Champagne, in Neder-Lotharingen en +Henegouwen,--dan een massa kleine hoven in Noord-Frankrijk en--een +mensengeslacht later--dat van de koning te Parijs, waar het ridderleven +en de ridderpoëzie tot de grootste bloei kwamen. Alle literaire en +kultuur-invloeden die wij in het voorafgaande onderzocht hebben, werden +hier samengevoegd tot één organies geheel. + +Zoals wij reeds opmerkten, kon men invloed van de Provençaalse +troubadours en hun minnedichten vinden niet alleen in de Troja-romans +die door een klerk aan het hof van Hendrik II geschreven waren, maar ook +hier en daar in de lais van Marie de France en de Tristan van Thomas. +Koningin Eleonora, de kleindochter van Graaf Guillaume IX van Poitou, +een troubadour van talent, en die zelf haar grootvaders schitterende +en beminnelike sosiale talenten geërfd had, was meer dan alle anderen +de schakel tussen Zuid-Frans en Noord-Frans. Evenals zij haar eerste +gemaal, koning Lodewijk van Frankrijk verlaten had--»een monnik, maar +geen vorst" zeide zij van hem--werd de verhouding tussen koning Hendrik +en haar ook al heel spoedig slecht. Hij had meer dan één bijzit,--o. a. +de beroemde »schone Rozemonde" waar zoveel sagen van lopen--en zij +intrigeerde en zette zijn zoon net zo lang tegen hem op, totdat de +koning haar, alsof zij gevangen was, steeds liet bewaken. Maar vóór +die katastrofe hield zij hof te Rouaan, te Londen en Limoges waar zij +massa's tot zich trok, o. a. vele troubadours. Zo was b.v. Bernard de +Ventadour haar gast te Rouaan, waar hij minneliederen aan haar dichtte; +»de jonge, vrolike, voortreffelike koningin," zegt de oude biografie, +»ontving hem met genoegen en maakte hem tot de »seignor de tota lo soa +cort."" Haar zoon Richard die zich geheel als Zuid-Fransman voelde, ging +voortdurend met troubadours om. Bertrand de Born was eerst zijn bittere +vijand, maar werd later door de jonge vorst gewonnen en bezocht hem te +Rouaan. Een andere troubadour volgde hem op de kruistocht en bij de +dood van Richard weerklonk Frankrijk van de liederen der troubadours +te zijner ere. Zelf was hij ook troubadour, o. a. had hij het in zijn +zangen met de Dauphin van Auvergne aan de stok of met de koning van +Frankrijk en schreef een fraaie klaagzang over zijn gevangenschap in +Oostenrijk; hij schijnt even gemakkelik in het Provençaals als in het +Frans gedicht te hebben. + +Er waren vele persoonlike verbindingen geweest tussen de Noord-Franse +hoven en die van Anjou en het Anglo-Normandiese rijk. Een Vlaamse +prinses was de gemalin van Hendrik I van Engeland geweest en vele +werken der Anglo-Normandiese literatuur waren aan haar opgedragen. +Het graafschap Champagne werd met het Midden-Franse graafschap Blois +verenigd onder een zoon van de zo literaire vorstin van Blois. Een +prinses van Anjou trouwde met een graaf van Vlaanderen en werd de moeder +van de literaire Mecenas, Philip van de Elzas. Maar vooral waren het de +dochters van koningin Eleonora die evenals hun moeder in het Noorden van +Frankrijk een soort missionairs werden voor de Provençaalse kultuur. +Marie huwde met de graaf van Champagne en hield in de jaren 1160-1180 +een zeer gezocht hof te Troyes; haar zuster Aelis trouwde met de graaf +van Blois, een broeder van Marie's echtgenoot. En elk bracht in haar +kring de minnedichten der troubadours in de mode bij de Noord-Franse +dames en heren. + +Provençaalse melodieën en liederen waren daar reeds vroeger gezongen +geworden; ze gingen onder de naam van »sons poitevins"; ook troubadours +kwamen er wel eens. Maar sedert de laatste dertig jaren van de 12de eeuw +kwam aan de grote en kleine Franse hoven een adelike hoflyriek op en in +bloei, volkomen in de trant van de troubadours. Evenals in het Zuiden, +had men ook in het Noorden dichters van allerlei stand: naast een vorst +als graaf Thibaut van Champagne, een leenheer als Conon van Bethune, +vond men de slotheer van Coucy, ridders als Gace Brulé en burgerlike +trouvères als Jean Bodel van Arras. De troubadours werden nagevolgd in +de kunstige versvorm, in de conventionele poëtiese stijl, en zelfs in de +ootmoedige vrouwendienst die er de inhoud van uitmaakte. Alleen was het +Noordfrans een veel minder vormrijke taal, en de Noordfranse volksaard +geheel anders dan die der Zuidelingen, en zo er al heel gauw iets +kunstigs en conventioneels in de Provençaalse troubadours kwam, de +imitatie der Noordfranse heren was eigelik al niet veel meer dan een +echt dilettantengezelschapsspelletje. En het zijn ook zo goed als +uitsluitend de erotiese en maatschappelike genres waar men zich daar op +toelegt: voor de politieke _sirventes_ is de bodem daar minder geschikt. +Enkele van die minneliederen vertonen iets persoonliks. In de liederen +van de graaf van Bethune zijn er hier en daar zeer originele beelden; op +zijn zegel ziet men hem in volle wapenrusting voor zijn dame knielen, +terwijl hij haar hand als een vasal vastgrijpt, die zijn leenheer +huldigt. Een tijd lang leefde hij aan het hof van Marie te Troyes en +bezong haar, maar werd door »de Fransen" voor de gek gehouden wegens +zijn dialekt van Artois. De burchtgraaf van Coucy schreef gedichten +ter ere van de vrouwe van Fayel die een zeer natuurlike verknochtheid +aan »ma très douce chière amie" ademen; mijn liefde, zegt hij, is zo +vermetel als het kind dat schreeuwt »por la bele estoile avoir--k'il +voit haut et cler seoir". Graaf Thibaut die op bescheiden afstand zelfs +een hulde bracht aan koningin Blanca van Kastilië, de trotse moeder van +Lodewijk de Heilige, toont in vele zijner liederen heel wat smaak voor +geleerde allegorieën en mythologie, maar toch ook een ware aanleg voor +liefde en echt Franse fijngevoeligheid. Mijn liederen--zegt hij--zijn +vol gramschap en smart, ik weet niet of ik zingen zal of wenen. Ik weet +niet hoe ik het met mijn trouweloze schone heb, maar »un peu la hais +trop amoureusement". En wanneer de dichters, zoals b.v. Richard de +Semilli, vrijere versvormen gebruiken, zingen ze dikwels heel vrolik en +fris. Richard vertelt b.v. hoe hij zijn dame in gezelschap van anderen +langs de Seine wandelend is tegengekomen--haar voetje is zo klein +en haar schoentje zo netjes en zij loopt er zo keurig op--, en dan +geeft hij een genoegelike schildering van een damestoernooi: de hele +uitrusting, brokstukken van een levendige woordenwisseling, en angstig +voor zijn dames roept hij als een soort refrein voor elke strofe een +nieuwe heilige aan met zijn »Gardés moi mes dame, mes Sire Saint..." + +Maar anders is alles vrij bleek en banaal. De hele stijl, met zijn +smachtende hyperbolen, die de verliefde vleier in de mond van een +Zuid-Franse heel natuurlik staan, worden bij de Noordeling koude +conventie. Het is het verstand dat droog de beelden over het hart +doorwerkt, dat bij de aangebedene in gevangenschap verwijlt, en +waar zij voor zorgen moet, en stroo en brood moet verschaffen in de +gevangenis,--of over haar schoonheid die als een pijl de toeschouwer het +oog doorboort: haar ogen zijn de pijlspits, haar wenkbrauwen de boog +en haar lokken de veren der pijl. Slechts nu en dan duikt er een fris +uit het ridderleven gegrepen vergelijking op. Over het algemeen is het +slechts het spirituele en het subtiele in de liefde dat de Noordfranse +geest bizonder op prijs stelt en ontwikkelt. Parijs was niet voor +niets de zetel der scholastiek. Al de scherpzinnigheid waarmede men +in de scholen van Parijs abstrakte begrippen definieerde of geestelike +verschijnselen analyseerde, werden ook al heel vroeg door de lyrici +op het liefdeleven toegepast, en men kleedt in de lyriek evenzeer +als in de scholastiek zijn gedachten in allegoriese abstracties en +personificaties. Nu treden in de gedachten niet alleen »Prix" en +»Honneur" als handelende en sprekende personages op, maar ook »Attente", +»Espoir", »Pitié" en »Doux-Semblant" en het hart van de schone wordt +tot een gevangenis, waarvan »Bon-Espoir" de boeien zijn, het slot: +»Bel-voir" en de cipiers: »Beau-Semblant" en »Dangier". Een poëties +genre waarin men bizonder uitmuntte was die nabootsing van de +Provençaalsche versdebatten over het een of ander eroties vraagstuk +dat, merkwaardig genoeg met de naam van »jeux-partis" wordt aangeduid. +Zulke debatten werden er dikwels aan het hof van Thibaut van Champagne +gevoerd. »Welk echtgenoot is het meest te beklagen,--was één vraag--hij +die vermoedens of hij die zekerheid heeft? Welke van twee gelieven is +het ongelukkigst, hij die het gezicht of die het gehoor mist? Welke +dame bemint het vurigste: zij die uit angst voor haar vriend hem +verbiedt aan een toernooi deel te nemen, of zij die hem met 't oog +op zijn eer daartoe aanzet?" Gezelschapsspelletjes, waarin wel veel +kinderachtigs steekt maar toch ook dezelfde belangstelling voor +psychologiese en morele kasuistiek die steeds de toon is aan blijven +geven in de Franse salons van Marguérite de Navarre tot de tijd van de +Précieuses en van de dagen van Marivaux tot die van Bourget. + +In dergelijke liefdedebatten heeft Marie van Champagne dikwels met haar +dames als hoogste rechter gefungeerd en »vonnissen" moeten »vellen", +evenals haar moeder, koningin Eleonore of de burggravin Ermengarde van +Narbonne dat in Zuid-Frankrijk gedaan hadden. Ook zullen Noord-Franse +ridders en dames meer dan eens voor Marie of voor gravin Margaretha +van Vlaanderen of koningin Aelis van Frankrijk gekomen zijn met een +greep uit het werkelike leven, om te vragen hoe men volgens hoofse +Provençaalse opvattingen in die gevallen moest oordelen of handelen, +zoals men ook naar de nieuwe mode kwam informeren. Er is b.v. een page +die postillon d'amour geweest is voor zijn meester, een ridder, bij +een dame. Maar nu zijn de page en de dame verliefd op elkaar geworden. +Wat moet men nu met zoo'n paar misdadigers beginnen? En gravin Marie +antwoordt: zij zijn goed genoeg om elkaar te mogen behouden, maar zij +kunnen niet meer in de goede kringen geduld worden. Een dame heeft een +jonge man tot zich genomen, een ridder, waar de schaaf nog zo goed als +in 't geheel niet over gegaan was, heeft hem toegelaten haar te dienen +en heeft hem nu zo ver gebracht dat hij een voorbeeld van goede manieren +en zeden is geworden; nu komt een andere dame die hem haar liefde biedt, +de ridder keert zich nu tot deze en veronachtzaamt zijn weldoenster. Wat +moet men van zo iets denken? En de gravin van Vlaanderen zegt: de dame +zowel als de ridder hebben zeer verkeerd gehandeld; door de ridder zo op +te voeden heeft de dame het recht verworven hem voor zich te houden. + +Deze en dergelijke oordeelvellingen vindt men in een kurieus Latijns +boekje van ongeveer 1200 opgenomen, gevormd: »De arte amandi", +geschreven door een geestelike, Andreas, die aan het hof te Parijs +werkte en die alles opschreef voor een jong man uit de hoge standen +om hem te waarschuwen tegen het betreden van de wegen der liefde, +maar hem toch ook (en dit is het wat verreweg het grootste deel van 't +boek uitmaakt) eens goed op de hoogte te brengen van alles wat tot die +nieuwe »Comme-il-faut-liefde" hoort. Het boekje geeft zeer duidelik de +geest der scholastieken weer, die zo ook de kunst der hoop en liefde +doordringt, ze in sisteem zet en in optima forma tot een _leer_ maakt. +Onze klerk heeft een groot materiaal bijeen verzameld van dergelijke +rijm-debatten uit de Provençaalse en Noord-Franse dichters en van +exempelen uit allerlei ridderromans, waaruit hij nu met fijne dialektiek +maar grove pedanterie een leerstelsel voor de hogere kringen op tracht +te bouwen. Zo geeft hij b.v. een hele collectie formules, voor de +verschillende standen, in welke bewoordingen »hij" »haar" moet vragen en +hoe zij moet antwoorden. En er zijn allerlei rubrieken: een niet-edelman +die evenzo een burgerlike dame vraagt, of een adelike dame of een +van de hoge adel of zelfs een vorstin! Dan: een gewoon ridder die tot +een burgervrouw spreekt of een ridderlike dame of een vorstin enz. +enz. Volgens die verschillende mogelikheden is de toon eerbiedig of +opdringend, gewoon of met de nodige fraaie wendingen aan de kant van +de vrijer en meer eerbiedig of vereerd of uit de hoogte bij de dame. +En achter het stijve Latijn kan men dikwils de levende taal, en de +omgangstoon van de verschillende maatschappelike standen onderscheiden. +Verder geeft de geestelike ook een »Wetboek der Liefde" zo als een +ridder dat van het hof van koning Artus heet gehaald te hebben. Onder +de 31 voorschriften daaruit--die Andreas uit de troubadourlyriek en de +ridderromans getrokken heeft--zijn er als volgt: dat de liefde geheim +gehouden moet worden, dat het huwelik geen geldige reden is te weigeren +een ander lief te hebben, dat men maar één te gelijk liefhebben kan, +maar heel goed door méér dan één bemind kan worden, dat niemand zonder +goede reden er van af moet zien iemand lief te hebben en dat men twee +jaar lang over zijn afgestorven geliefde moet treuren. Men ziet er ook +uit dat de ware minnaar slecht moet slapen en weinig eetlust hebben, +dat hij verbleekt wanneer hij zijn geliefde ziet, dat hij alleen maar +plezier hebben moet in wat zijn aangebedene hem vrijwillig toestaat, +maar dat hij natuurlik jaloers is en haar bij de geringste aanleiding +van het ergste verdenkt. Psychologiese waarneming en een zeker morele +fijngevoeligheid, gelijk men ziet, naast zuiver conventionele regels, +als voor een nieuw gezelschapsspel. + +Wordt nu troubadour-erotiek in het Noord-Franse riddergezelschap +van zijn lyries karakter ontdaan en gemaakt tot een spirituele +gevoels-analyse en sentimentele moraalleer, Noord-Frankrijk is toch +aan de andere kant het tehuis van de oude epiese heldengedichten, en de +mannelike zijde van de ridderkultuur kwam hier, in het leven zowel als +in de literatuur, heel wat meer tot ontwikkeling dan in Zuid-Frankrijk. + +De Anglo-Normandiese koningen waren meer en meer de vorstenidealen naar +het hart der ridders geworden: dapper en eergierig, vrijgevig en +prachtlievend. Reeds Hendrik I had een grote naam van ridderlikheid +verkregen, toen hij na een slag bij Noyon, tegen zijn leenheer, de +koning van Frankrijk, grootmoedig alle gevangenen vrij liet, die als +vazallen van hem en de koning van Frankrijk, hun plicht jegens hun +hoge leenheer vóór hadden laten gaan. Zijn schitterend hof in de +jaren 1130-40 had kleur geleend aan de schilderingen door Geoffrey van +Monmouth en Wace van het Sagehof van koning Arthur. Maar nog meer werden +de tijdgenoten verblind door de overdadige pracht, die Hendrik II +ten toon zou spreiden om zijn koningswaardigheid op te houden,--het +bonte weelderige gevolg, waarmede Thomas à Beckett, de kanselier, op +gezantschapsreizen zijn intocht in Franse steden hield, of de bijna +Byzantijnse feestdos en het ceremonieel waarmede Richard Coeur de Lion +te Westminster gekroond werd. Van zijn jeugd af was Richard voor zijn +tijd de incarnatie van ridderlikheid en vorstendeugd. Goed bezien was +hij, oproermaker als zoon en als vazal, eigelik volstrekt geen goed +voorbeeld, net zo min als echtgenoot en als koning over een rijk dat +hij geheel en al verwaarloosde. Maar hij was statig van postuur en +geweldig sterk, was zeer op het uiterlike gesteld, was altijd opgewekt +en onvervaard, »vrijgevig als Titus, welbespraakt als Nestor," een man +die tengevolge van een ogenblikkelike inval, zonder het voor en tegen te +overwegen, zich in het een of ander schitterend avontuur zou storten, +roekeloos dapper, de eer boven alles stellend, daarbij niet zonder +een zekere altans schijnbare ijver voor de zaak der kerk. Geheel +en al romanties was de glans die op hem viel toen hij, de afgod der +troubadours, de belhamel van Zuid-Frankrijk, op éénmaal, vlak nà zijn +kroning op een kruistocht trok. Gelijktijdige berichten schilderen +hem in alle poëtiese heerlikheid op die kruistocht: weg galopperende +op zijn edel Spaans paard--»een schilder kon het niet fraaier gemaakt +hebben"--in zijn rozenrode mantel met halve manen er in genaaid en zijn +geborduurde scharlakenrode hoed met prachtige wapens en gulden sporen; +streng de hand houdende aan tucht en orde in het leger--»geen van 't +andere geslacht mochten mede trekken behalve wasvrouwen, die zo moesten +zijn dat ze niemand tot de zonde konden verleiden"; stoutmoedig zich +in de avontuurlikste tochten stortende en Philip Augustus geheel +overschaduwende; de edele koning Saladin bewondering afdwingende en +trachtend hem in beleefdheden en grootmoedigheid te overtreffen; ten +slotte door de jaloerse Franse koning verlaten en in zijn land door +zijn broeder verraden, vermomd door Duitsland heen terug ijlend waar +hij lange tijd in smadelike gevangenschap gehouden werd door de Duitse +keizer. + +Van die figuur van Koning Saladin straalde de tijdgenoten een even +schitterende glans van ridderlike poëzie te gemoet. De gedichten wisten +te vertellen hoe hij zich door Bertran de Born in de ridderlike liefde +liet onderwijzen en hoe hij zich door een gevangen genomen ridder de +wetten van de Ridderlikheid liet uitleggen en de ridderslag ontving met +een simboliese verklaring van al de ceremoniën daarvan. + +De Noord-Franse vorsten en ridders trachtten zowel door uiterlike glans +als door hun schitterend optreden aan de wedstrijden voor de prijs +der Ridderlikheid deel te nemen. Zeer beroemd werd een feest dat Graaf +Boudewijn V van Henegouwen gaf toen zijn zoon tot ridder geslagen was, +de toernooien te Soissons van Augustus 1175 en van Trasignies in 1169, +maar de glorie van het grote feest dat de Keizer van Duitsland in +1184 te Mainz had gearrangeerd, toen zijn zoon de ridderslag ontving, +had toch alle andere overtroffen en een massa Noord-Franse vorsten en +ridders namen daar aan deel. En van Gotfried van Bouillon en Boudewijn +van Vlaanderen af tot de ridders toe die Konstantinopel in 1204 +veroverden en in 1214 de zegepraal bij Bouvines behaalden, vertellen de +kronieken van een hele reeks schitterende Noord-Franse ridderfiguren. + +De ridderschap als zodanig werd meer en meer door de Noord-Franse +juristen en ceremoniemeesters georganiseerd en gevormd. De graden door +welke de jongeling tot de ridderwaardigheid komt, de ceremoniën van de +ridderslag, heraldiek en de regels voor het steekspel--dit alles werd +in de praktijk vastgesteld, maar dan in de theorie verder uitgewerkt. +En in Latijnse verhandelingen en Franse leerdichten werd een ideaal +van de ridderlikheid ontwikkeld waartoe de adel hun zonen trachtte op te +voeden. Een der geesteliken van Hendrik II, John of Salisbury leert in +zijn groot werk »Polycraticus" dat de soldatenstand even goed een missie +heeft als de geestelikheid, maar evenals slechts zij waarlik geesteliken +zijn die de H. wijding ontvangen hebben, zo zijn alle krijgslieden +die niet tot ridder geordend zijn, slechts indringers en rovers. +De ordinatie bestaat voor hen in de omgording met het zwaard en de +ridderslag; het is een sakrament even als dat van de priester. De missie +van de geordineerde krijgsman is de kerk te beschermen, de priesters te +eren, kinderen en zwakken tegen overmacht te beschutten en zijn bloed +in de strijd voor anderen te vergieten. Mannen die hun vorst zo dienen +zijn heilig en het is een schone zede dat de Ridder op de dag waarop +hij met het zwaard omgord wordt, naar de kerk gaat, daar zijn zwaard +op het altaar legt en daardoor zijn gang aan de dienst Gods wijdt. +De geestelike »Doctrinals" en »Enseignements" die als paddestoelen +opschieten, willen gewoonlik volstrekt niet ridders tot monniken maken. +Zij schelden integendeel de vorsten flink uit, wanneer die geen hof +houden en feesten geven, hun ridders niet eren en de kunst niet verstaan +om »biau despendre", zoals de Duitse keizer dat deed bij zijn glorierijk +feest te Mainz. Zij schrijven handleidingen voor het schaken en de jacht +voor, die bij de opvoeding in al wat ridderlik is te pas komen, en tot +de ware ridderlijkheid rekenen ze ook de kwestie van kleêren, strijd en +toernooien. »Men moet zo leven dat er over je gesproken wordt" zingen de +ridderlike dichters, moeite en strijd moet men niet schuwen, »het gemak +is voor de eer de dood,--de ere eist voor 't lichaam nood", men moet 't +gevaar opzoeken en avonturen, om te »valoir", d. w. z. te tonen dat men +iemand is, en wáár men toe deugt. Maar de riddereer wordt meer en meer +tot de kern van het ridderwezen, en er wordt een fijnere en ook hogere +moraal in gelegd. Het krijgsmansleven bouwt al uit zich zelf een +eremoraal op; het gevoel van sterkte en de moed scheppen eerlikheid +en een zekere grootmoedigheid, kameraadschap en discipline ontwikkelen +standvastigheid en trouw. In het nationale heldenepos dat in het noorden +van Frankrijk nog in de zalen der ridderhuizen weerklonk, was die +militaire eremoraal steeds verheerlikt geworden. Maar die wordt nu +verder ontwikkeld door de steeds omdwalende ridderschap, door de hogere +kringen en door de scholastiek--ontwikkelt men alleen in de richting +van het humane en het geraffineerd spitsvondige, maar ook van sterk +overdreven ijdele bravades. De kerk leert dat de ridder vrouwen en +zwakken moet beschermen, goud en goederen voor zijn deugd en zijn +eer op moet offeren, grootmoedig zijn vijanden moet vergeven. +Het maatschappelik leven legt fijngevoeligheid, bescheidenheid, +hoffelikheid, en vrouwendienst in het begrip der riddereer, maar ook +kleingeestige geraaktheid en ijdelheid. Door de tournooien en het leven +der rondtrekkende ridders wordt men aan menige bravade gewend, een +voortdurend geraffineerd op de spits drijven van het begrip van eer en +menig geval van lichtvaardig spelen met leven en ledematen. Het begrip +van de riddereer wordt tot een doctrine en krijgt zijn wetboek evenals +de leer van de ridderliefde. + + * * * * * + +In de rijke Noord-Franse en Vlaamse beemden waar reeds vroeger een +letterkundig leven bloeide, ontvouwt zich nu een geweldige productie +van romans, een konkurrent van die heldenpoëzie, wel in vele opzichten +ook als literatuur een vervolg en een nabootsing er van, maar toch +in de eerste plaats in bewuste tegenstelling daarmeê. Van alle kanten +vloeide de stof bijeen. De kruistochten waarin de adel van Vlaanderen +en Lotharingen het voornaamste aandeel had, brachten een voortdurende +verbinding met Byzantium en het Oosten. De vorsten van Lotharingen +werden koningen van Jeruzalem, de handelsverbindingen der Vlaamse steden +met het Oosten via Venetië vermenigvuldigden zich en werden bezegeld, +toen graaf Boudewijn op de vierde kruistocht Keizer van het Byzantijnse +rijk werd. De epiek der kruistochten en de Grieks-Oosterse romans +die wij in »Floris en Blanchefleur" en »Escoufle" geschetst hebben, +waren ook juist toen in dat zelfde Noord-Frankrijk geschreven. Van +het Anglo-Normandiese rijk kwamen toen ook juist de Bretonse sagen en +gedichten en uit Midden-Frankrijk werden de Alexander- en Troja-romans +geïmporteerd. In die gehele romantiese stof werd nu juist hier de +professionele ridderlikheid ingewerkt en de van de Provençaalse hoven +ingevoerde liefdepoëzie, en daardoor is het dat de ridderromantiek tot +de volle ontwikkeling komen kan. + + + + +XVIII. + +BRETONSE ROMANS. + + +»Bretonse Romans" werden de meesten van die Noord-Franse romans uit het +einde van de 12de en het begin van de 13de eeuw genoemd. Die speelden +altijd in de wereld van »de twee Bretagnes" en waren opgebouwd op +stoffen en motieven uit de Keltiese sagenwereld, maar vermengden die +met talrijke antieke en Oosterse elementen, waardoor ze hun dichterlike +fantasie de vrije loop lieten. Enkele namen dier schrijvers--Chrestien +de Troyes, Raoul de Houdenc, Renaut de Beaujeu, Guillaume le Clerc zijn +tot ons gekomen, maar verreweg het grootste getal van die romans zijn +anoniem,--die van Durmart le Galois, Meraugis de Portlesguez, Ider, +Gliglois, Perceval, Gauvain, Chevalier as deus epees, le Bel Desconu en +hoe al die andere helden van de Arturcyclus heten. + +Reeds Geoffrey van Monmouth en Wace hadden tegenover Karel de Grote, +met zijn hof te Aken of te Laon en zijn twaalf paladijnen, een andere +held opgesteld, Artus, de oude sagekoning uit Cornwall met zijn hof te +Carduel (in Cumberland) en zijn ridders van de Tafelronde. En hij is +'t dan ook die de roman met zijn hof tot hun centrum maakt. In vele +opzichten is er een scherpe tegenstelling tussen die twee. Karel was de +witgebaarde, oer-oude keizer »au fier vis" altijd in de wapenen en in +krijg voor de zaak van de kristenheid, geweldig in de strijd, van woede +bulderend in zijn raad, maar ook vol majesteit in zijn ouderdom en zijn +heiligheid ingesloten, als de gezalfde Gods en diens vertrouwensman, +die de openbaringen van de hemel ontving en door de hemelse mirakelen +gesteund werd. Artus is »le bon roi", schoon, en in zijn optreden +helemaal een jonge man, maar iemand die, al kon hij, als het er op aan +kwam, dapper genoeg zijn, toch niet aldoor maar ten strijde trok, in +de regel zit hij vreedzaam op zijn kasteel, vrolik en gezellig, alleen +maar aan feesten denkend; sombere gezichten om zich heen kan hij niet +dulden, verklaart hij. Hij woont de mis bij en doet aan alle uiterlike +ceremoniën mede, maar er ligt niets van de priester over hem, hij staat +in geen mystiese verhouding tot de hemel, integendeel representeert hij +de hele wereldlike ridderlikheid, »die Welt" die zich geheel van de kerk +los heeft gemaakt. Hij is een voorbeeld van vorstelike gastvrijheid en +milddadigheid, een tweede Alexander. Zijn hof en zijn tafel staan voor +allen open, hij strooit gaven om zich heen; wanneer Tristan als een +bedelaar naar het hof komt en om een mantel vraagt, doet hij dadelik +zijn eigen mantel af en geeft hem die. Tegen allen is hij hoofs en +hoffelik. Hij zou het niet in zijn hoofd krijgen om, gelijk Keizer +Karel, »Houd je mond" tegen zijn aartsbisschop te zeggen en zijn Roland +om de oren te slaan; integendeel tracht hij altijd vrede tussen de +ridders te stichten. Wanneer er dames op bezoek komen, ijlt hij ze +tegemoet en helpt ze zelf uit het zadel. Hij is grootmoedig, zijn werk +is om de beschermer van alle zwakken te zijn, degeen die alle onrecht +goed maakt. Dageliks komen er dan ook aan het hof die zijn hulp komen +inroepen en niemand trekt ongehoord weg. Vooral zijn dat vrouwen wier +echtgenoot ze verlaten heeft of die overlast geleden hebben of beledigd +zijn; want Artus is vooral de ridder der vrouwen en aan zijn hof heerst +de vrouw en bloeit de vrouwendienst. + +Artur en zijn gemalin Guenievre zitten aan tafel op de twee ereplaatsen, +en om die ronde tafel heen alle ridders zonder onderscheid van +rang. Zijn neef Gawein is het voorbeeld van een held, de bloem der +ridderschap, de »chevalier sans peur et sans reproche". Hij is het +schild van allen die in moeilikheden zijn, die altijd op 't laatste +ogenblik hulp brengt, de ideale vriend die de held bijstaat zo die hem +bij zijn grote daden nodig heeft. Hij is hoofs, opgewekt, heeft de +vrouwen lief maar nog meer de strijd; altijd wordt hij geroemd wegens +»mesure",--zijn takt en zelfbeheersing--en met bizondere hoogachting +behandelen de dichters hem wanneer zij hem »Monseigneur" en »Messire +Gauvain" noemen. Zijn beroemdste avontuur is dat met de groene +Ridder--een oude Keltiese bosreus, die geheel in 't groen gekleed, +op een groen paard gezeten op het Nieuwjaarsfeest bij koning Artus +verscheen en de aanwezigen uitdaagde tot een wedstrijd in moed en +kracht. Hij bood aan, zijn hals een ridder voor te houden die dan toe +mocht houwen, op voorwaarde dat hij een jaar daarna zich op die wijze +tot beschikking van »The Green Knight" zou stellen. Niemand durft de +uitdaging aannemen, behalve Gawein. Die slaat de reus het hoofd af +maar... maar dood-kalm zet die het weer op en roept Gawein tegen het +volgende Nieuwjaar een tot weerziens toe bij »de groene Kapel"; daar +moet Gawein de slag in ontvangst nemen. Ofschoon het zo goed als de dood +voor hem betekent, gaat die toch tegen het volgend jaar, zo als hij nu +eenmaal beloofd heeft, op reis om de groene kapel te zoeken; gedurende +zijn tocht wordt ook zijn loyaliteit als vriend o.a. tegenover +verleiding van vrouwen, op de proef gesteld,--zoals naderhand blijkt +door de groene ridder zelf--; dàt is zeker het oude Oosterse motief +van de »Vriendschaps-proef". En de onvervaardheid en trouw van Gawein +bestaan die proef goed; slechts een kleine vlek komt er op het schild +van zijn eer, maar daar pijnt hij zich dan ook evenzeer over als +koningin Dagmar uit het volksliedje deed omdat zij eens op een Zondag +haar zijden mouwen had vastgemaakt! + +Dan komt Iwein, de ridder met de Leeuw die eens een leeuw gered had +die met een slang vocht; nu is Iwein gelijk Androkles of Hieronymus +overal door het dankbare dier vergezeld dat hem op kritiese ogenblikken +bijstaat. En dan zijn er Lancelot en Perceval op wie wij terug komen. +De grappenmaker is Key, de drossaert. Oorspronkelik was hij niet +onsympathiek getekend, hij is dapper maar al te doldriest, met wat al te +veel vertrouwen op zich zelf; hij moet altijd absoluut elk avontuurtje +aan 't hof aanpakken maar hij delft altijd het onderspit. Naderhand +wordt hij kwaadaardig, laf en vals, de onruststichter wiens vergiftigde +tong vooral de dames van 't hof belastert. + +Ook de ridders van Arthur vormen reeds in hun uiterlik in vele +opzichten een tegenstelling met de paladijnen van Karel de Grote. Wel +zijn ze sterk en breedgeschouderd als Karels pairs, maar waar bij de +beschrijving van hun figuur spesiaal de nadruk op gelegd wordt is juist +het slanke en elegante: het smalle middel, de lange smalle vingers, +de hoge wreef zijn bizondere aristocratiese schoonheidstekenen. De +Arthur-ridders hebben blonde lokken maar géén baard; de uitdrukking van +hun gezicht is niet gelijk die der Paladijnen »fier, hardi" maar schoon +en rein: »face tendre, chière riante, vis joyos"; »hij scheen helderder +dan een edelsteen" staat er ergens; het aangezicht heeft een bloeiende +kleur, is »als de roos een morgen in Mei". Het oog is stralend, +zacht; de mond is klein, maar heeft gevulde lippen, die is »als een +meisjesmond", de kin heeft kuiltjes, de hals is lang, gevuld en »wit +als die van een meisje". De gestalte van de Arthur-ridder tekent kracht +zowel als bevalligheid en deugt voor de strijd even goed als voor het +hofleven en de liefde. + +En aan het hof van Arthur leeft men in vreugde en genot. Dan zijn +het toernooien, dan jachtpartijen. Terwijl de koning 's middags na +de maaltijd zijn slaapje doet, zien wij het gezelschap in een kring +zich aangenaam bezig houden met vertellen van hun ondervindingen; het +gezelschap wordt door de koningin gepresideerd, Key begint weer op te +spelen en wordt door haar op zijn plaats gezet. Of wij treffen ze in hun +tenten in het bos onder een van die dagen lang durende jachtpartijen. +Hij die er in slaagt het witte hert te vellen, heeft het recht de +schoonste dame aan het hof te kussen,--in de oude Keltiese sagen mocht +de overwinnaar zich bij de maaltijd het mooiste stuk vlees afsnijden! + +Maar het hof van koning Artus is slechts het uitgangspunt en de laatste +scène der Arthur-romans. Zijn ridders zijn niet geschapen voor een +gezellig hofleven van niets doen dan genieten. Zij moeten de wereld in, +en avonturen zoeken, om later--zoals een van hen zegt--iets te hebben +om in gezelschap van te kunnen vertellen. Meer dan eens verklaart Arthur +'s morgens dat hij zijn eten niet aan wil roeren »vóór er het een of +ander gebeurd is". En dat laat dan in de regel ook niet lang op zich +wachten. Dan komt er b.v. zoals wij reeds zagen, een vrouw klagen dat de +een of andere reus haar vriend weg is komen halen of geweld tegen haar +gepleegd heeft. Of omgekeerd is een vrouw aan haar vriend ontstolen +geworden. Of er komt een reus de ridders tot 't een of ander uitdagen. +Een der dames krijgt het in haar hoofd dat zij het wonderhert met de +witte benen moet hebben, dat ergens in het diepst van het woud door vier +leeuwen bewaakt wordt. Of er komt een jonkvrouw uit Ierland aanzetten +die de helden hun werkeloosheid verwijt; zij moesten maar eens naar haar +eiland komen, naar een kasteel dat zo vol met spoken is, dat niemand +er durft overnachten. En de romans trachten elkaar langzamerhand met +het vreemdste, meest spannende begin te overtroeven. Midden in de zaal +vertoont zich b.v. opeens een schaakbord van zilver en ivoor dat even +plotseling weer verdwijnt. Arthur verklaart dadelik dat hij dat absoluut +hebben moet. Of er vliegt plotseling een wit hert dwars door de zaal, +daarachter een hond en een jonkvrouw; een ridder weet de hond te +pakken, een ander grijpt de jonkvrouw die hij mede neemt, en nu krijgen +natuurlik terstond drie ridders van de Tafelronde bevel van de koning, +de een om het hert op te sporen en twee anderen om de geroofde hond en +de maagd na te zetten. Of eindelik: er komt een boot aanzetten die landt +met niets dan een lijk er op, waarin de punt van een lans vast zit; in +de hand van de dode zit een brief waarin de verslagene verlangt door hem +gewroken te worden die het stuk van de lans uit het lijk kan trekken, +maar hij zal dit onmogelik kunnen doen, staat er verder, tenzij met de +hulp van een ander die er in slaagt de ringen van de vingers van het +lijk af te halen. + +En dan trekken de ridders er op uit om de avonturen te bestaan die zich +zo voor kunnen doen. Maar dikwels worden die gezocht door de een of +andere jongeling die juist dezelfde dag aan 't hof is gekomen en die van +Koning Arthur permissie krijgt daar zijn krachten op te beproeven. En +dan gaat het de weg op,--de wijde wereld in,--gelijk men in de Griekse +romans op zee voer, zo hier te land. Alleen zijn het niet zoals dáár, +lijdende helden en heldinnen die door het noodlot van de ene kant van +de wereld naar de andere kant gestuurd worden, gevangen worden genomen, +in slavernij verkocht, enz. en zonder tegenstand zich aan alles wat hun +overkomt maar onderwerpen; hier zijn het energieke, moedige ridders die +zelf die avonturen zoeken en de strijd met beide handen aangrijpen. Wat +die romans geven in de poëzie van de gehele tijd der kruistochten en +van de omzwervende losbandige ridderschap--dat zelfde onberekenbare +leven, zo rijk in afwisseling, van de zwerver en de vagebond dat er +in onze tijd ook nu nog een klein beetje inzit, dezelfde geest die +Simplicissimus te voorschijn heeft geroepen en Gil Blas, Peregrine +Pickle, Wilhelm Meister en Kenelm Chillingly,--een geest die in een +tijd vooral dat het onrustige bloed zich nog niet naar vaste regels in +de samenleving voegen kon, de bijwegen onveilig maakte en de herbergen +met reizigers uit alle klassen der maatschappij vulde. De werkelikheid +is in die Bretonse romans nog maar heel vaag aangegeven en veel +feitelike aanduidingen over de reis krijgen wij ook niet; evenmin als in +de Keltiese sagen worden er bepaalde plaatsen genoemd, de reis gaat in +»la blanche lande", door »la forêt aventureuse", voorbij »l'orgueillus +castel fort", en gewoonlik zijn er nog zelfs geen herbergen, waar men +overnachten kan, maar klopt men bij de een of andere arme »vavasseur" +aan, of slaapt in een vervallen »tour des merveilles." In dit leven aan +de grote weg staat alles op losse schroeven en draagt elke schrede de +kiem van gevaar in zich. Wanneer men een bos intreedt--»s'enforester" +zoals dit met een bijzondere term luidt--is het altijd met een beklemd +gevoel van angst voor rovers; komt men aan een kruisweg, kiest men maar +op goed geluk een dier wegen. Gewoonlik treft men daar wel de een of +ander die weet te vertellen dat de ene weg veilig is en goed, de andere +daarentegen vol bezwaren en gevaren, zo dat niemand daar levend over +schijnt te kunnen komen. Waarop de ridder dan als van zelfsprekend die +laatste weg kiest. Door zijn drang tot avonturen laat de man zich zonder +enig vast plan steeds weer van zijn doel afbrengen; door alles wat hij +onderweg tegenkomt laat hij zich ophouden. Iets van de weg af, in het +bos, hoort hij kreten en als hij dan een ridder aan ziet komen rijden +met een dame dwars over het paard heen geworpen, dan moet hij die +natuurlik achterna. Of hij komt aan een brug waar een ridder zich bij +geposteerd heeft, en ieder die er over wil, moet verklaren dat de dame +van die ridder schoner is dan de zijne of zij moeten duelleren. Of wel +men komt aan een slot waar een ridder woont die van alle voorbijgaanden +schatting vordert. Dit laatste is iets wat maar al te zeer uit het +werkelike leven gegrepen was. + +Soms herkent men in die trekken met moeite nog de een of andere +oude sage of sprookje. Maar heel dikwels zijn het niets dan kleine +bedenkseltjes. »Les contes de Bretagne sont si vains et plaisants", heet +het. Men voelt het sterk aan die romans dat ze al heel eigenaardig en +lichtvaardig omspringen met allerlei vreemde sagen en sprookjesmotieven +die absoluut geen wortel in het volk zelf hadden, die niet begrepen +werden in die samenhang en zo ook niet op de rechte waarde geschat, +maar alleen als stof dienden voor de spelende fantasie. Er was niets +van het »Erdgeruch" der verhalen van Karel de Grote over de Bretonse +romans, het waren niets dan vluchtige, fladderende luchtspiegelingen. +Al heel gauw kwam het er eigelik maar op aan elkaar in verrassende en de +nieuwsgierigheid prikkelende »Aventures" te overtreffen. Alle mogelike +bizarreriën hoopt men op elkaar. Een ridder komt aan een herberg waar de +waard zijn gasten de gekste en meest absurde bevelen geeft en iedereen +doodslaat die niet gehoorzaamt; de ridder volbrengt zonder kikken al +zijn bevelen en het slot is dat hij zijn dochter ten huwelik krijgt; dit +schijnt een sprookje uit Wales te zijn, dat van Kilhwch. Een andermaal +komt de zoekende een ridder tegen die met een dame rondtrekt die er als +een lichte vogelverschrikker uitziet, maar tegenover wie hij vol van +alle mogelike galanterieën is en op wie hij zeer jaloers schijnt. Ginds +komt een dame aan, die met haar kleeren te binnenste buiten gekeerd, +achteruit op een paard rijdt, dit alles om zich zelf te straffen omdat +zij tegen een zekere ridder onvriendelik geweest is. + +Evenals in de Griekse romans wordt de handeling nog verder gecompliceerd +door allerlei misverstand en vergissingen. Men loopt elkaar mis: de +ridder die de dame vergezellen zal raakt haar onderweg kwijt en wanneer +hij dan bij zijn zoeken naar haar in een herberg komt is zij daar net +vandaan getrokken en niemand weet waar heen. Nog meer vergissingen +hebben er plaats en nog groter verwarring ontstaat er omdat alle ridders +in hun dichtgesloten wapenrusting er presies 't zelfde als een »ijzeren +wezen" uitzien, dat alleen maar te herkennen is aan het wapenschild of +helmteken en die dus volkomen incognito zijn wanneer ze dit verbergen; +ook de dames zijn gemakkelik te verwisselen waar het gelaat zo dikwels +bijna geheel door de hoofdtooi bedekt is. Daardoor strijdt men dikwels +met de verkeerde ridder, misschien wel met zijn beste vriend, of wel +schaakt men de verkeerde dame. En verder spelen intriganten de gelieven +vervalste brieven in de handen om kwaad bloed te zetten. + +Maar daarbij komen dan nog allerlei bovennatuurlike dingen. Zo is er +b.v. een slot met een »lit perilleux" waarin de ridder natuurlik dadelik +vraagt te mogen overnachten, te middernacht schiet er een vlammende +speer het venster in en doorboort de dekens, bijna was hij zelf gedood. +In een ander slot waar hij komt, »la gaste cité", zijn duizend vensters, +in elk venster staat een jongleur met zijn snareninstrument en een +brandende kaars; het is een toverslot en een vroede man heeft Guinglain +de enige manier laten weten waarop die betovering op zal houden: hij +moet steeds met een heftige vervloeking antwoorden op de vriendelike +begroetingen waarmee hij ontvangen wordt, en dan moet hij in de grote +zaal wachten. Dat doet hij dan ook. De ene reusachtige tovenaar na de +ander komt binnen, maar wordt zo door de ridder overwonnen. Nu gaan +opeens alle kaarsen der jongleurs uit, in de duisternis hoort men ongure +geluiden, en de ridder wordt bang en maakt het teken des kruises. Een +ogenblik daarna komt er een slang binnenkronkelen, met vuurspugende +ogen maar een heerlike vrouwenmond. En die moet de ridder kussen; met +die »fier baiser" is het met de tovenarij uit, en de slang wordt een +allerliefste prinses. Of er borrelt ergens een bron op onder een fraaie +boom die nooit zijn bladen verliest; er hangt een gouden beker bij. Als +de ridder water in die beker doet en 't daarna op stenen voor die bron +leeg giet, steekt er een geweldige storm op. Maar 't wordt gauw weer +kalm, en dan wordt de lucht helder en heerst er een wondere stilte, +alleen is de boom vol van de prachtigste vogelenzang. Maar dan komt er +een wildeman met groot lawaai aanzetten die van de ridder rekenschap +vordert omdat hij die storm veroorzaakt heeft; met zijn leven moet hij +daarvoor boeten. + +Die bovennatuurlike dingen zijn een mengsel van Keltiese, Oosterse en +alle mogelike andere sprookjesmotieven. De brommende reus en de storm +komen in de 1001-nacht voor; de boom met de heerlike vogelenzang stamt +uit de legende van de H. Brandanus, die een gekerstende bewerking is +van oude Keltiese sagen. De slang die door een kus tot een prinses +wordt, schijnt Byzantijns-Oosters; in de reizen van Mandeville wordt +die historie van de dochter van Hippocrates verteld,--misschien door +een vermakelike vergissing, hij had n.l. een zoon die Draco heette. In +een episode van »laide semblance", een monster welks aanblik niemand +uithouden kon, is de Medusa sage te herkennen. En als wij ergens anders +van een ridder lezen die naar een onderaards vertrek van een slot +gebracht wordt, waar hij een speer in zijn hand krijgt die zijn krachten +wegneemt, en een ring aan zijn vinger die vergetelheid brengt, en die +voor het weefgetouw gezet wordt en allerlei keukenwerk voor een dame +moet verrichten, dan is men geneigd te geloven dat hier een antieke bron +voor te vinden is, literair of door afbeeldingen, in de geschiedenis van +Heracles en Omphale. Maar van Keltiese sagen en gedichten stammen zonder +twijfel de boze dwergen, de schone heksen, de wilde reuzen, »de +gevaarlike heide" en »het avontuurlike bos". + +Zelfs blijken dikwels hele Keltiese mythen achter de handeling dier +Bretonse romans te staan. Dat is het juist wat de achtergrond er van +zo vol stemming maakt en er een perspektief in legt dat de fantasie +zo aanzet, dat men er een andere bovennatuurlike wereld achter voelt, +die de schrijver zelf niet kent of die hij altans verkeerd begrijpt, +maar die dan juist door zijn poging om die menselik te maken, des te +fantastieser en vreemder wordt. Daar lezen wij b.v. van een burchtvrouwe +die haar slot door een ridder laat bewaken; die moet met allen vechten +die naar het kasteel komen, totdat hij door iemand overwonnen zal +worden, dan komt hij vrij, maar de overwinnaar moet nu de wacht +overnemen tot hij op zijn beurt weer afgelost wordt. Ergens anders lezen +wij dat de ridders die haar bewaken de een na de ander als beloning haar +trouwen, zodat de burchtvrouwe op die manier steeds de moordenaar van +haar man huwt. Weer in een ander werk wordt diezelfde geschiedenis nu +vrij sentimenteel zo verhaald dat het een dame is die, om haar minnaar +alleen voor zich te hebben, hem de belofte heeft afgeperst dat hij in +een tuin bij haar blijven zal totdat iemand hem overwonnen heeft; nu +kampt hij met allen die de tuin in willen dringen en stelt de hoofden +van de overwonnenen op de tuinmuur ten toon, maar zelf verlangt hij er +eigelik alleen maar naar om eindelik eens het onderspit te delven om zo +van zijn vervelend baantje verlost te worden. Men voelt licht dat al die +versies niets zijn dan pogingen om de Keltiese sagen in mensenfiguren te +belichamen van feeën die mannen naar hun rijk halen en als minnaars bij +zich houden, hoezeer die ook naar hun eigen land verlangen; totdat er +weer andere sterfeliken komen en de eerste minnaar doden, of aan wien de +fee nu haar liefde schenkt.--Dikwels horen wij ook van de gemalin van +Arthur, die door een vreemde koning geschaakt wordt, maar door ridder +Lancelot wordt gered, maar er wordt zoveel vreemds van dit land verteld +»waarvan niemand terug keert", van een brug zo smal als de scherpe +kant van een zwaard, waar men over moet om er in te komen, enz., dat +de lezer een vaag gevoel krijgt dat dit oorspronkelik niets anders +dan het Dodenrijk is geweest, waar een levende uit teruggehaald moest +worden,--een mytiese stof reeds uit de oertijd die in Griekse sagen van +Persephone en Eurydice teruggevonden wordt, zowel als in Perziese mythen +en kristelike visioenen van het hiernamaals, maar vooral in Ierse sagen +van reizen naar het land der onsterfeliken. Er is ook nog een historie +van een jonge knaap,--Tyolet heet hij in een »lai"--die geboren en +getogen is in de eenzaamheid van het bos en die nu de wereld opzoekt, +naïef en onschuldig, alleen maar geholpen door de goede raad van zijn +moeder en wien uit de dagen van zijn leven in het bos een merkwaardige +macht over alle dieren bij gebleven is. + + * * * * * + +Het was in de bewerking van Chrestien de Troyes dat deze »Bretonse" +stofmassa de meest volledige verfransing onderging en tot een +aristokratiese sosiale roman werd. Chrestien was de toonaangevende, +misschien ook de oudste schrijver van die Bretonse romans. Hij schreef +tussen de jaren 1160 en 1190 en leefde waarschijnlik als een »heraut +d'armes", aan het hof van Maria van Champagne en dat van Philip van +Vlaanderen; aan elk van hen heeft hij werken opgedragen. Van de gewone +kennis der geesteliken was heel wat de zijne; hij kende zijn Ovidius +en debuteerde met een vertaling van diens »Minnekunst" en enkele van +de »Metamorphoses", hij was bekend met de Aeneas- en Troja-romans en +schreef, zoals wij al gezien hebben, een roman »Cligès" op enkele +Grieks-Oosterse verhalen. Maar van betekenis is hij voornamelik door +vier romans met Britse en Bretonse stof ten grondslag: »Erec en Enide, +De ridder met de kar, Iwein, de ridder met de Leeuw en Perceval." + +Chrestien schijnt mij van burgerlike afkomst te zijn; hij is vol +belangstelling en bewondering voor het ridderlike hofleven en maakt zijn +kunst tot één en al verheerliking daarvan en verkondigt er de idealen +van. Zijn romans zijn eerst en vooral zedeschilderingen van het elegante +leven der edelen van de 12de eeuw. Overal heeft hij het licht van de +werkelikheid op de vage, fantastiese sagen laten schijnen en maakt hij +de losse schetsjes van de _contes_ en _lais_ die zijn bronnen waren, tot +uitvoerige levensbeelden. Overal heeft zijn fantasie gevraagd: »wáár +gebeurde dat?--hoe is dat gekomen?--wàt zeide hij?--hoe zag dit of dat +er uit?" En zo worden de voorstellingen overal aanschouwelik, en meer +en meer gedétailleerd en worden ze tot hele portretten, beschrijvingen, +gesprekken en scènes. Het »Chanson de Roland" vertelt ons heel wat over +de tijdgeest, maar heel weinig over het dageliks leven en de zeden en +gewoonten van de 12de eeuw; daarvoor is de toon van 't heldendicht te +verheven, en de vorm te stijf. In de gewone, levendige, onderhoudende +romans van Chrestien treedt ons daarentegen de gehele atmosfeer van het +omgevende leven tegemoet en uit zijn romans kan men het »höfische leben" +van zijn tijd reconstrueren, wat dan ook meer dan eens geschied is! Bij +een bezoek aan de franse burcht, komt men over de ophaalbrug, onder de +valpoort door op de binnenplaats, dan in de boomgaard, de trappen op, +zuilegangen door, in de grote zaal en de andere vertrekken en ziet hoe +dit alles ingericht is. Wij zien het jonge meisje in de hof haar ouders +zitten voorlezen; in de grote werkzaal zitten talrijke dienstmaagden +en gevangen vrouwen de gehele dag te weven. Wij zitten aan bij een +feestmaaltijd en bewonderen het servies en de spijzen; wij doen aan +jachtpartijen mede waarbij ons de wapenen en alles wat er bij te pas +komt vertoond wordt, wij wonen toernooien bij, waar wij de verschillende +banieren en deviezen leren kennen en wij krijgen de techniese verklaring +te horen van allerlei houwen en stoten. Overal komt de wapenheraut en +de ceremoniemeester voor den dag, maar wat wij óók zien, is, dat de +schrijver niet in al die heerlikheid opgevoed schijnt. Het grootste +deel van de attraktie zijner romans zal wel bestaan hebben in de zeer +zaakkundige beschrijvingen van alles wat het »high-life" van zijn tijd +betrof. Terecht heeft men hem de Paul Bourget van die tijd genoemd. +Evenals deze overdrijft Chrestien ook heel dikwels de rijkdom en de +elegance,--de prachtige kleedij en sieraden der ridders en hun dames, de +zeldzame paarden en de kostbare wapenen. Het is uit de roman van Troje +en, met dat werk als schakel, uit de Latijnse poëzie en de Griekse roman +dat Chrestien die vele overdreven beschrijvingen met zo al te veel +details geleerd heeft; vooral in de stereotype schilderingen van tuinen +met exotiese planten herkent men dikwels de vreemde bronnen,--de hof is +n.l. zo ongeveer het enigste in de natuur waar Chrestien oog voor heeft. + +Maar waar de perceptie zo nauwkeurig en uitvoerig te werk gaat, +is geen plaats voor die scala van gebeurtenissen en episoden waar de +lichtvoetige fantasie der Bretonse vertellingen zich zo gemakkelik over +beweegt. Met die zelfde innerlike drang tot klaarheid die men later ook +bij Racine en het Frans klassisisme opmerkt, verstaat Chrestien de kunst +zijn stof te simplificeren. Waar het bij hem voornamelik op aankomt, +zijn volstrekt niet de uiterlike gebeurtenissen, maar het zieleleven +waar handelingen uit voortspruiten en waarop die inwerken. Er is een +overwegend dramaties element in de romans van Chrestien. Bij elke roman +die hij schrijft nemen de gesprekken een grotere plaats in evenals de +psychiese monologen en dialogen. Reeds in de Aeneas-roman zagen wij dat +de lange retoriese tiraden van Virgilius tot levendige, voortdurend +afwisselende vragen en antwoorden geworden zijn, hier bij Chrestien +zijn het dialogen geheel in de trant van een blijspel, b.v. die van het +Mysterie van Adam, uit dezelfde tijd, waarin Eva door de slang verleid +wordt. Midden in een indirekt verhaal slaat Chrestien opeens in de +levendigste dialoog over en geeft de woorden weer zoals ze vielen. +En de gesprekken zijn dikwels heel levendig en geestig, vooral wat de +vrouwen zeggen is vol Frans _esprit_. Daarbij komen dan nog de monologen +en de gesprekken waardoor de personen ons hun innerlik doen kennen. Ook +dat kunstmiddeltje had Chrestien van de romans geleerd die de antieken +nabootsten. Maar duidelik heeft de lyriek der Provençaalsche troubadours +hier ook als voorbeeld gediend; meer dan één van de monologen van +Chrestien's minnaars is niets dan een lied der troubadours in +acht-lettergrepige verzen omgezet. Ook de hele geestelike dialektiek is +Chrestiens' leraar geweest in dialogiese analyse van zielstoestanden, de +dramatiese voorstelling van met elkaar in konflikt komende opvattingen. +Er is een sterk element van scholastiese dialektiek en spirituele +pedanterie in de manier waarop hij zijn gedachten aan de man brengt; +liefde en haat, vermetelheid en vrijgevigheid treden als personen op en +schelden elkander uit of vliegen elkaar aan en er wordt over 't algemeen +kinderachtig veel met woorden geschermd in plaats van met gedachten +gevochten. Maar dikwels wordt de sofisterij van het hart zeer levendig +weergegeven, wanneer de passie zich van schijngronden bedient om +verstand en plichtgevoel er onder te brengen. En aldoor volgt de +dichter alles wat er geschiedt met zijn psychologiese fantasie en zijn +sympathie. Hij verstaat levendig de kunst om het ongeduld weer te geven +van een die lang wachten moet of de gewetensbezwaren van een twijfelaar +en hij jubelt met de verzoende geliefden wanneer ze »met elkaar +wedijveren hoe ze elkander het meest plezier kunnen doen", of wanneer +Gawein plotseling zijn lang ontbeerde vriend Lancelot naar hem toe ziet +komen rijden, van zijn paard springt en hem omhelst: Gawein »was zo +verrast alsof Lancelot uit de wolken was komen vallen en hij zou zelfs +niet graag tot koning gekozen willen zijn in plaats van Lancelot te +zien". + +Overal in zijn kunst wordt Chrestien door zijn persoonlikheid in twee +verschillende richtingen getrokken. Er is een realisties nuchter +verstand in hem dat het vreemde element assimileert aan wat hem +familiaar is en bekend, het hoge aan het lage. Maar er is ook een drang +naar het ideale in hem die hem steeds zijn onderwerpen doet opsmukken, +verfijnen en veredelen. Zijn fantasie leeft steeds onder de vorsten en +edelen, hij schildert slechts rijkdom en schoonheid, en tovert zich en +zijn publiek het verleden als een ideale avontuurlike wereld voor de +ogen. Laten wij van de tegenwoordige tijden maar niet spreken, zegt +hij,--die kennen geen ware ridderlikheid meer en geen ware liefde, maar +laat ons spreken van hen die _waren_; een dode edelman is meer waard +dan een levende ellendeling; laten wij spreken van de gulden tijden van +koning Artus, toen het leven was zo als het zijn moet. Toen waren er +feesten,--»niets ontbrak er toen van wat genot geeft of 's mensen harte +vreugde brengt"; toen waren er vrouwen,--»nooit zag men een schoner +paar", »God schiep in Blanchefleur zijn meesterwerk"; toen waren er +paarden,--»geen koning of keizer bezit zulk een prachtig paard",--»dat +is 100 Mark, ja, wel 100.000 Mark in goud waard." In zulk een idealisme +wordt elke karakteristiek van personen en toestanden uitgewist. Maar +als hij aan 't werk is, vergeet Meester Chrestien gelukkig dat hij +Hofdichter is en Artus moet bezingen en geïnspireerd door zijn naieve en +realistiese vertellingskunst, schildert hij zonder zich te generen, hoe +de ridder achter de valdeur gevangen zat als in een rotteval, hoe een +der strijders een hele karbonade uit zijn tegenstander kerft en hoe die +zich liever een tand uit wou laten trekken dan door te vechten. Vooral +tegenover de vrouw en de liefde komt zo zijn realistiese en ironiese +blik op de menselike natuur duidelik voor den dag. Hij vindt het gewoon +»onzin" om te beweren, zoals Thomas in zijn Tristan doet, dat de ene +geliefde op een afstand kan voelen wat de ander denkt, omdat »zijn +hart bij haar en 't hare bij hem is." En hij heeft er plezier in alle +voorbeelden op te noemen van de trouweloosheid en veranderlikheid van +de vrouw en tekent een beeld van haar dat heel wat verschilt van dat +der troubadours. Maar toch zijn Chrestien's romans er op uit om in de +Bretonse sagestof het idealisme van de liefde en de riddereer te leggen +die hij aan de adel verkondigt. Het is een sentimenteel, maar misschien +ook tot zekere hoogte een logies idealisme: het is zijn dialekties +verstand dat er een genoegen in vindt om die opvatting van de liefde +en de eer welke hij in de ridderlike poëzie al gevonden had, zo subtiel +mogelik ten spits te drijven en logies in al zijn konsekwenties door te +voeren. Zo als dit voor een ceremoniemeester en wapenheraut past, stelt +hij in zijn romans alle regels der riddereer op en interpreteert ze +als een streng jurist; maar als de hofdichter van Marie van Champagne +huldigt hij tegelijk ook de religie van de mode-liefde en waakt er +nauwkeurig over dat aan alle eisen daarvan voldaan wordt. En met zijn +dramatiese dichtergave weet hij in zijn romans het konflikt tussen +riddereer en ridderliefde ten top te drijven. + +In »Erec en Enide" wordt verhaald hoe Erec, een der ridders van koning +Artus, door de dwerg van een onbekend ridder gehoond is geworden. Zijn +riddereer verbood hem de dwerg dadelik te tuchtigen, maar nu gaat +hij naar een stad waar hij die ridder in een toernooi zal ontmoeten. +Gezellig pratend vertelt Chrestien hoe Erec bij een arme »Vavassor" met +een witte baard, zijn intrek neemt die droef in zijn eenzaamheid voor +zijn huis zit. Zijn gastheer heet hem dadelik welkom en roept zijn vrouw +en dochter van haar huiselik werk en beveelt het jonge meisje voor het +paard van de ridder te zorgen en dat op stal te zetten. Zij is zeer +armoedig gekleed en treedt schuchter voor de gast, maar haar zeldzame +schoonheid lijkt dubbel schoon in haar nederig kleed. Als zij het paard +verzorgd heeft, leidt zij de ridder bij de hand naar de kamer die de +moeder intussen zo fraai mogelik voor hem in orde heeft gebracht. En +daar zet Erec zich nu tussen zijn gastheer en diens dochter op het met +tapijten bedekte bed voor een helder brandend vuur, terwijl de enige +dienstmaagd van de familie het avondeten toebereidt. Erec vindt het +meisje hoe langer hoe liever en de vader vertelt met naieve trots hoe +velen haar al gevraagd hebben, maar zij is zo schoon dat hij haar niet +geven wil tenzij er een echte koningszoon komt die haar hebben wil. +Nu maakt de gast zich bekend als Erec, de zoon van koning Lac, een +der ridders van de Tafelronde en vraagt dat de dochter morgen bij het +toernooi zijn dame moge zijn. De gastheer en de hele familie zijn +natuurlik allemaal even blij als vereerd en voor de avond om is, is de +zaak uitgemaakt dat Enide met Erec trouwen gaat. Stil en bedeesd zit +het jonge meisje daar, innig gelukkig bij de gedachte dat zij koningin +zal worden. De volgende morgen helpt zij hem bij het aantrekken van +zijn wapenrusting, »dat liet zij zich niet twee maal vragen," zegt de +dichter schelms, en Erec overwint in de strijd en geeft haar de prijs: +een sperwer. De volgende dag trekt Erec met Enide naar het hof van +koning Artus. Erec vraagt dat zij haar armoedig kleed aan zal houden, +niet alleen omdat hij dit wel pikant vindt, maar ook omdat hij zeer +ridderlijk haar uitzet door koningin Guenievre wil laten bezorgen; het +enige dat zij mede neemt is de sperwer die niet uit haar hand te krijgen +is, en waarin ze de hele tocht door een kinderlik plezier heeft, terwijl +Erec zich steeds dicht tegen zijn schone aandrukt en niet moe wordt haar +aan te zien, vol ongeduld om haar aan het hof voor te stellen en zijn +lotgevallen te vertellen... + +En nu vertelt de schrijver, alles in de prachtigste kleuren, van de +schitterende bruiloft en van het jonge paar en hun huweliksgeluk. Maar +nu komt pas het eigelike onderwerp: het konflikt in Erec tussen de +minnaar en de ridder. Naïef en familiaar verhaalt Chrestien ons hoe Erec +meer en meer verwijfd wordt; hij is niet van Enide af te slaan en staat +soms niet voor 12 uur op. Zijn mannen beginnen daar over te mopperen en +eens op een morgen hoort hij hoe Enide tegen zich zelf ligt te klagen +dat zij schande en oneer over haar man gebracht heeft door hem van zijn +ridderlike daden af te houden. Als Erec met moeite uit haar gekregen +heeft wat er van hem verteld wordt, ontwaakt zijn trots en zijn +gramschap en zijn gekrenkte riddereer doet hem in zijn overspanning +een plotseling besluit nemen. Nu zal hij haar en de wereld eens tonen +wat het voor een man is die zij verdenken en tegelijkertijd zal hij +haar vertrouwen en gehoorzaamheid op de proef stellen. Hij laat zich +zijn volle wapenrusting aandoen en zonder enige verklaring, bars en +met een paar woorden, beveelt hij zijn vrouw haar schoonste kleed +aan te trekken; nu gaan zij te samen de wereld in. Het enige teken van +tederheid dat hij aan den dag legt, is dat hij zijn vader opdraagt voor +Enide te zorgen, voor het geval dat zij alleen terug zou komen. Nu laat +hij haar steeds een eind vóór hem uit rijden en verbiedt hij haar streng +tegen hem te spreken of hem te waarschuwen, welk gevaar zij ook moge +vrezen. Zijn bedoeling daarmee is haar als een soort lokvogel te laten +dienen en zo allerlei roofridders en strijders te krijgen die Erec in +nieuwe gevaren zullen brengen en nieuwe avonturen zullen bezorgen. Er +wordt nu geschilderd hoe ze rondtrekken; overdag mag de arme Enide geen +woord tegen haar geliefde man zeggen en des avonds in de herbergen +behandelt hij haar als zijn schildknaap en moet zij het werk van een +stalknecht doen. Keer op keer is haar man aan gevaren blootgesteld door +haar schoonheid; òf het zijn drie roofridders die hem overvallen, òf wel +een burchtheer in een ander slot waar ze overnachten, wordt verliefd +op Enide en wil Erec ombrengen... En keer op keer vergeet zij in angst +voor haar man zijn verbod of veronachtzaamt het, waarschuwt hem en redt +daardoor zijn leven; maar hij wordt elke keer weer meer vergramd over +haar ongehoorzaamheid en haar wantrouwen,--hij zal zich wel weten te +redden zonder hulp van vrouwen! Maar,--haar liefde is toch steeds +sterker dan haar vrees voor zijn gramschap. Dit is feitelik een oud +motief uit de heldenpoëzie en de sprookjesliteratuur: een hond of een +paard dat door zijn blaffen of hinniken zijn heer voor een gevaar wil +waarschuwen die de bedoeling van het trouwe dier niet begrijpt en het +daarom met slagen dreigt of werkelik slaat, maar de liefde van het +dier is steeds sterker dan de vrees en de gehoorzaamheid; pas op 't +allerlaatste ogenblik, misschien pas als het te laat is of hij zijn +trouwe vriend gedood heeft, bemerkt hij het gevaar. Hier is het nu de +vrouw die haar heer die hondentrouw bewijst of die nederige liefde +toont. Het motief is ook verwant met die talrijke verhalen op het +(latere) Griseldis-motief van een man die zijn echtgenote op de proef +wil stellen, haar verstoot, haar een andere vrouw laat dienen die hij +voorgeeft te willen huwen, die haar beveelt hem als staljongen te volgen +en die hij op stroo aan het voeteneinde van zijn bed laat slapen... +alleen om haar later tot groter eer en waardigheid op te heffen. +Tenslotte, wanneer Erec dodelik gewond bewusteloos voor dood nederligt +en Enide juist door een burchtheer gedwongen zal worden hem te trouwen, +komt Erec door haar kreten weer tot bewustzijn, vliegt op en bevrijdt +haar... Zij omhelzen elkaar; aangedaan dankt hij zijn Enide--telkens +wanneer zij ongehoorzaam was had zij in werkelikheid hem eigelik weer +een bewijs van haar liefde gegeven en van nu af leven zij in een en al +geluk zonder de minste wolkjes. + +Hier was het de vrouw,--in de volgende roman van Chrestien »Ivan, de +ridder met de leeuw", is het de man die door een hardvochtige geliefde +gepijnigd wordt, waar die de proef door zijn onderdanige liefde bestaat; +en ook in deze roman is het weer het konflikt tusschen de eisen der +liefde en die der riddereer voor een leven van heldendaden, dat de +handeling in beweging brengt. Maar het begin behandelt toch een ander +onderwerp,--dat duidelik de reeds hiervoor genoemde sage van feeënliefde +is, maar op menselike wezens overgebracht, zodat het bijna onherkenbaar +is. Chrestien's bewerking van dit motief werd door zijn tijdgenoten +beschouwd als een meesterstuk in vrouwen-psychologie. + +Ivan heeft met een gouden beker water uit een betoverde bron geschept, +met de eigenaar van die bron gestreden en hem dadelik gewond. De gewonde +vliedt naar zijn burcht terug, Ivan zit hem op de hielen... maar is +juist de poort door binnengedrongen, wanneer die achter hem dicht slaat, +voor hem valt een hamei neer en... zo zit hij gevangen! De burchtgravin +en de dienstbaren zijn gelukkig zo druk bezig met hun meester die in de +ridderzaal ligt te sterven, dat zij hem niet opmerken, alleen een der +camerieres heeft hem gezien en wat nog beter uitkomt, eens toen zij met +een boodschap naar het hof van Artus was gekomen, had Ivan haar een +kleine beleefdheid kunnen bewijzen; als dank voor die ridderlikheid +belooft zij niet alleen hem niet te verraden, maar zij geeft hem ook een +ring die hem onzichtbaar maakt. Met die ring aan zijn vinger loopt hij +nu veilig overal het kasteel door. Wanneer Ivan de zaal inkomt, springen +de wonden van de dode open en begint het lijk te bloeden,--een zeker +teken dat de moordenaar in de nabijheid is--maar de mensen zoeken hem +vergeefs. Maar daar staat nu Ivan, en kijkt de wanhopend verdrietige +weduwe aan, de schone »Dame de la Fontaine" en voelt de liefde voor +haar ontwaken. Echt een pikante en sentimentele situatie: de overwinnaar +overwonnen door de echtgenote van zijn verslagen vijand, in de macht van +haar die hem meer dan allen haat. Betoverd door zijn liefde is het hem +onmogelik de plaats te verlaten die meer dan een ander vol gevaren voor +hem is. Wanneer Lunette, de cameriere hem de open deur wijst, kan hij 't +niet over zich krijgen het slot te verlaten, hoe hopeloos zijn liefde +hem ook voor moet komen. In lange monologen horen wij in detail al het +paradoxale van zijn toestand en hoe sentimenteel hij nu volkomen in de +war is gebracht. Nu maakt hij Lunette tot zijn vertrouwde en deze, een +van het echte koppelaarster-soort (verwant aan de dienstmaagd van Medea +en Dido's zuster in de antieke romans) beweert kans te zien er haar +meesteres toe te brengen de moordenaar van haar echtgenoot lief te +krijgen. In de feeënsage die hier aan ten grondslag ligt, was het heel +natuurlik dat elke ridder die opnieuw de Meester van de bron werd, ook +de watergeest daarvan, de fee, zou bezitten; het wordt pas stotend en +paradoksaal wanneer dit op menselike wezens overgebracht wordt. Toch +kan dit het publiek van de heldenpoëzie niet ongelofelik voorgekomen +zijn, zo min als de lezers van onze oude balladen; voor hen was het iets +heel gewoons dat een moordenaar als boetedoening en schadevergoeding +de weduwe of de dochter van de verslagene huwde. Maar de prototype +van Chrestien was niet zo zeer de Oosterse cyniese vertelling van +de gemakkelik te troosten weduwe van Ephesus, als Jokaste die, in de +Roman van Thebe, de moordenaar van haar man huwt, of Dido, die er door +haar zuster toe gebracht wordt haar belofte van trouw tegenover haar +gestorven gemaal te breken, of de wispelturige trouweloze Briseis +in de roman van Troje. Het is vooral zeker de episode van Briseis +die Chrestien heeft willen overtreffen door een nog schitterender +schildering der veranderlikheid van het vrouwenhart en hoe dat zich +onder alle omstandigheden voor de liefde vinden laat. Het meisje dat +blijkbaar tegen haar meesteres zeggen mag wat ze wil, begint een praatje +met haar: dat het toch niets geeft of ze daar nu al blijft zitten wenen, +zij moet er liever over denken hoe zij de bron en het kasteel nu kan +beschermen, zij kan toch gemakkelik weer een even goed heer en meester +krijgen als hij die ze nu verloren heeft. Haar meesteres, die, gelijk +alle vrouwen, »weigert wat ze in haar hart eigelik wil", zendt het +meisje weg en verbiedt haar zulke dingen te zeggen. Maar ze denkt er +toch steeds aan en voelt al wat berouw dat zij Lunette verboden heeft +er op terug te komen. Gelukkig begint die er kalm de volgende keer toch +weer over en verklaart dat het een voorname vrouw als haar meesteres +niet past zo lang te wenen en vraagt of zij misschien denkt dat er geen +moediger mannen zijn dan hij die nu gevallen is?--»Ja,--en wie zou dat +dan zijn?"--»Ik zeg 't niet want dan wordt u maar boos!"--De vrouwe +belooft van niet. En nu begint Lunette: »Iemand die een ander velt, +moet een beter en sterker ridder zijn dan de verslagene, en dus..." +»Weg, uit mijn ogen! afschuwelik wezen!"--barst de meesteres uit,--maar +desniettegenstaande ligt zij toch een hele nacht over de zaak na te +denken en reeds begint zij in haar hart zijn zaak te bepleiten. »Als de +mensen mij maar niet uit zouden lachen!" Maar wanneer Lunette haar de +volgende dag vertelt dat de man niemand anders is dan Ivan, de beroemde +Artus-ridder, dan is de dame op eens vuur en vlam. »Hoe gauw zou hij +hier kunnen komen?"--en ofschoon Lunette hem in haar bereik heeft, laat +zij toch haar vrouwe een hele dag lang in spanning op hem wachten vóór +zij haar Ivan brengt. Wanneer die voor haar verschijnt weet hij nog van +niets en is hevig bevreesd voor zijn leven, ofschoon Lunette hem schelms +verteld heeft dat haar meesteres hem in een niet zeer onaangename +gevangenis wil zetten. Hij moet nu ook niet met zijn mond vol tanden +blijven staan maar... flink voor den dag komen. Hij gaat nu recht op +haar af, werpt zich voor haar op de knieën en geeft zich aan haar genade +over,... vertelt dat het liefde voor haar is die hem op het kasteel +heeft doen blijven; en eindelik stelt zij hem kort maar bondig en +zakelik voor de verdediger van de burcht te worden en daarmede... haar +man! Dan roept zij haar baronnen bij elkaar, speelt een scène voor hen +en weet het zo in te richten dat zij haar dwingen een nieuwe echtgenoot +te kiezen,--waarop zij met Ivan voor den dag komt en hen de eed van +trouw aan hem doet afleggen. + +Hoe naïef dit hele stuk psychologiese roman de moderne tijd ook kan +schijnen,--de mensen _waren_ nu eenmaal naïever en meer ongekunsteld in +die dagen, en de analyse van Chrestien komt tegenover de werkelikheid +misschien niet zo heel veel tekort. Maar nu komt als de eigelike inhoud +van de roman, het moment dat Iwein's vriend Gawein hem al heel gauw +verwijt dat hij »luiwammest" en in zijn liefde het ridderleven vergeet +en nu vraagt en krijgt Iwein een jaar permissie van zijn vrouw. +Maar de vriendschap met Gawein, het genot dat hij nu weer in het +ridderleven schept en dan ook zijn ridderplichten die hem steeds weer de +ongelukkigen ter hulp doet snellen die in nood verkeren, dit alles maakt +dat hij langer dan een jaar uitblijft--de plichten der liefde worden nu +voor die der riddereer verzuimd--en nu krijgt hij bericht van zijn dame +dat zij hem niet meer zien wil. In wanhoop en berouw vliedt Iwein +nu naar het bos en leeft daar als een wildeman, wordt waanzinnig +van verdriet en het is niet dan na veel ellende doorstaan en vele +heldendaden bedreven te hebben dat hij alweer door de slimheid van +Lunette zich in genade bij zijn vrouw weet te doen aannemen. + +Dat de vrouw hier supérieur, de meesteres is en de man de ootmoedige +dienaar, terwijl in »Erec en Enide" de toestand juist omgekeerd was, +komt in hoofdzaak hierdoor dat Enide een arm meisje was dat tot een +plaats aan de zijde van een vorst opgeheven wordt, terwijl de »Dame de +la Fontaine" de regerende vorstin is en Iwein haar »man" d. w. in dit +geval zeggen haar »vasal" was. Maar in de volgende roman van Chrestien +zien wij de Provençaalse vrouwenverering reeds geheel en al door hem +in de Britse sagenwereld ingewerkt en paradoksaal tot het uiterste +gedreven. En hier is het nu de Keltiese sage van iemand die naar het +Dodenrijk ontvoerd wordt maar die weer voor het leven gewonnen wordt, +waar de dichter een volkomen menselik ridderverhaal op geborduurd heeft. +De geschiedenis der ontvoering van Artur's gemalin door een vreemde +koning was een oude schakel in de Britse Arthur-verhalen en daarmede +smolt de Keltiese Orfeus-mythe samen; Guenievre is het, die weggevoerd +wordt en Lancelot die haar terug haalt. Nu wordt Lancelot tot de neef +van de koning gemaakt en hij vereert en aanbidt de vrouw van zijn +oom,--evenals Tristan die van zijn oom Marc. Ook hier draait alles +feitelik om een konflikt tusschen riddereer en liefde,--een zuiver +simbolies konflikt tussen die twee tot het uiterste gevoerde begrippen. +Lancelot hunkert er slechts naar te weten te komen waar zijn aangebeden +koningin heen gevoerd is en dat land zelf te betreden, maar hij is zijn +paard kwijt geraakt en staat wanhopend te kijken wanneer er juist een +dwerg voorbij komt op een kar: als de ridder nu maar op wil zitten, zal +de dwerg hem de weg naar de koningin wijzen. In zijn sterk ongeduldig +verlangen begaat nu ridder Lancelot door zijn liefde voor Guenievre de +voor een ridder zo uiterst vernederende handeling werkelik op de kar +plaats te nemen,--iets waar hij duur voor zal moeten boeten. In de oude +sage is er zeker ook iets van een wagen geweest,--misschien wel de +doodswagen, waar er voor de ridder een grote zelfoverwinning voor nodig +was om die te bestijgen, om zo in het doodsrijk te komen. En dit zal +Chrestien òf niet hebben begrepen òf niet hebben kunnen gebruiken, in +plaats waarvan hij met al het formalisme van een ceremoniemeester, +een heel simbool maakt dat Lancelot liefde boven riddereer stelt, +wat per slot van rekening toch maar een kleine inbreuk was op de +riddergewoonten: dat hij in een kar reed in plaats van te paard. Overal +waar hij nu voortaan heengaat, heeft men van zijn tocht op de kar +gehoord en wordt hij met spot en hoon overladen, ja, wanneer hij +eindelik, na allerlei avonturen en heldendaden, alles om zijn liefde +vergetend, de koningin weet te vinden en haar te bevrijden, dan keert +ook zij haar ridder en redder de rug toe: hij heeft zijn riddereer +geschonden en daardoor haar eer. (Anderen verstaan daarentegen de tekst +zo dat de koningin er integendeel boos over is omdat Lancelot even +_geaarzeld_ heeft van de kar gebruik te maken). Zwijgend en ootmoedig +buigt hij zich voor haar ongenade, die hem geen woord van verklaring +zelfs gunt en lang zwerft hij wanhopend rond totdat hij na nieuwe daden +en gebroken in zijn ootmoed eindelik toch in genade aangenomen wordt. +Met nieuwe, heel bizondere kleuren is die ootmoedige liefde van Lancelot +geschilderd; niettegenstaande de invloed der troubadours is die, als men +het zo uitdrukken mag, meer noordelik-blond dan de door hen geschilderde +liefde; het is een heel romanties-dromende ingenomenheid, een verlangend +smachten, waar de jongeling mede rondloopt. Vele maagden trachten hem +onderweg te verleiden of te dwingen, maar »een ridder heeft maar één +hart en het zijne is niet langer bij hem", in alle situaties bewaart hij +zijn kuisheid, als b.v. ergens de jonge schone gastvrouw hem haar bed +laat delen, houdt hij voorzichtig zijn ondergoed aan. Eens op een morgen +vindt hij een ivoren kam op de weg liggen, met goudgeel vrouwenhaar er +in--»ik weet niet van wie die is", zegt de schrijver schelms--dadelik +valt hij in zwijm van aandoening, daarna haalt hij er netjes alle +haren uit, drukt die tegen zijn ogen, mond en voorhoofd en bergt ze op +zijn borst. Van haar kant heeft Guenievre er plezier in de bescheiden +page-liefde van de jongeling naar haar zin te zetten en op een verfijnde +proef te stellen. Eens wanneer Lancelot--incognito, alleen de koningin +herkent hem--met grote kranigheid op een toernooi strijdt dat enige +dagen duurt, zendt zij hem op een morgen heimelik bevel dat hij die dag +slecht moet vechten en niettegenstaande hij in zijn eergierigheid hevige +lust heeft om zich zo goed mogelik voor te doen, geeft hij toch aan de +luimen van zijn aangebedene toe en laat zich door de anderen uitlachen. +Als een want in haar hand, als een hond voor haar voet wil zij hem +hebben. Eindelik weet hij haar toch 's nachts te ontmoeten; hij drukt de +ijzeren tralies van haar raam uit elkaar en werkt zich naar binnen, niet +zonder zijn hand te kneuzen en aan het bloeden gekregen te hebben,--een +herinnering misschien wel aan de Yonec van Marie de France. Als hij het +bed van de koningin bereikt »buigt hij zich eerst aanbiddend neder, want +hij gelooft in geen heilig lichaam zoals aan het hare"--men ziet hoe +blasfemies de liefde kan zijn--en na een nacht vol, gelijk de auteur het +mysties uitdrukt, van een soort wellust »die nooit zijns gelijke heeft +gehad en die ik mijn leven lang zal verzwijgen", na zulk een liefdenacht +staat hij op, terwijl de koningin nog slaapt, maar voor hij weg sluipt, +»valt hij eerst nog weer voor het bed op zijn knie; hij voelt zich +geheel als een martelaar en hij doet als bevond hij zich voor een +altaar". Het pathologiese element waar wij in de knielende onderwerping +der troubadours aan de vrouw reeds de eerste sporen van tegen zijn +gekomen, is hier bijna onguur van perversiteit geworden. + +Niettegenstaande de oude mytiese stof nu zo op mensen overgedragen +is, ligt er toch nog een zekere vaag-mystiese atmosfeer over de +gebeurtenissen en de personen in dit gedicht van Lancelot. Pas wanneer +we ver in de historie gekomen zijn, krijgen wij te horen, en dan +nog maar helemaal in het voorbijgaan, wie de »Ridder met de kam" +zoals Lancelot genoemd wordt, eigelik is (een kunstmiddeltje om de +nieuwsgierigheid op te wekken, waar Chrestien ook elders met graagte +gebruik van maakt) en de hele verhouding tussen hem en Gawein, die ook +op zoek naar avonturen is, wordt geheel en al in het donker gehouden: de +eerste schijnt de laatste te kennen maar niet omgekeerd; de verhouding +tussen Lancelot en de koningin is ook al vaag en onduidelik en de +Mysteries in het land van koning Gorre, aan de overzijde van de +»Zwaardbrug", worden al meer en meer dromerig-onbegrijpelik, hoe verder +de held op zijn tochten komt. Het is duidelik dat de dichter zelf, met +al zijn gevoel voor de nuchtere werkelikheid voor goed in de mysteries +der Keltiese sagen-wereld bevangen is geraakt; Chrestien zowel als zijn +lezers voelen dat wij ons hier eigelik in de onwerkelike wereld van het +hiernamaals bevinden. En in zijn laatste inkomplete roman »Perceval van +Wales" verdwaalt de dichter nog dieper in het land der wonderbare +fantasie. + +»Perceval" verhaalt van de knaap die in het bos grootgebracht wordt, +waar zijn moeder, de weduwe van een ridder, hem ver van de wereld heeft +opgevoed, opdat hij niet gelijk zijn vader en diens broeders een vroege +dood op het slagveld zal vinden. Eens in de lente als de jongen in het +bos rijdt en alles om hem heen van vreugde straalt, zo dat zijn hart in +zijn borst breder schijnt uit te slaan, hoort hij tussen de eikenbomen +door het kletteren van metaal, er komt een schitterend licht uit de +diepte van het bos en vijf ridders springen langs hem heen. Dat moeten +de engelen zijn waarvan zijn moeder hem verteld heeft, die schoner zijn +dan al het andere behalve God. Hij knielt neêr en wil ze aanbidden. +Maar zij houden stil en vragen hem naar de weg en heel levendig wordt +het nu beschreven hoe de knaap, in stomme verbazing, hun allerlei vragen +stelt over hun wapenrusting, hun paarden enz., terwijl de ridders al +ongeduldiger worden omdat zij niets van hem te weten kunnen komen,--»al +die lui uit Wales zijn ook zo dom," zegt een van hen. Wanneer hij bij +zijn moeder thuis komt is hij niet uitgepraat over die hemelse wezens +die zich ridders noemen en tevergeefs tracht de moeder in haar angst +hem aan zijn verstand te brengen dat dit een soort engelen zijn die de +mensen dood slaan. Het geeft allemaal niets, als de zoon nu hoort dat +zijn vader ook ridder was, wil hij absoluut ook de wereld in en ridder +worden. + +Met een zwaar gemoed gaat zijn moeder nu ook voor zijn uitrusting +zorgen, het wordt een zeer huiselike, komiek boerachtige uitrusting, +en zij geeft hem allerlei raad voor het leven mede, praktiese dingen +en zedelike voorschriften, regels op de hoofsheid en goede manieren +betrekking hebbend, als in de Oosterse verhalen en Ruodlieb, alleen iets +ridderliker. En zo trekt de jongen de wereld in, zonder te vermoeden dat +zijn moeder van verdriet in zwijm valt. En waar hij nu ook komt, overal +tracht hij de levensregels van zijn moeder in praktijk te brengen, »dat +heeft mijn moeder mij nu zo voorgehouden," zegt hij eenvoudig. En die +voorschriften brengt hij dan op zulk een naïef-onwetende manier in +toepassing dat hij voortdurend tegen »de goede toon" handelt, maar door +zijn gezonde onbedorven natuur komt hij toch vooruit, en steeds tracht +hij zich volgens de raad van zijn moeder te volmaken en zich altijd +bij de »prudhommes" te houden. Hij komt aan het hof van koning Arthur, +waar »le valet sauvage", zoals de dichter hem noemt, dadelik zonder +blikken of blozen eist een uitrusting te krijgen en tot ridder geslagen +te worden. Als hij juist op dat ogenblik een ridder in een rode +wapenrusting zich ongepast tegen de koningin ziet gedragen, slaat hij +hem met zijn eigenaardige werpspiets uit Wales ter neer en trekt nu +diens wapenrusting aan. Maar hij wil zijn eigengemaakte kleeren toch +niet afleggen en zo moet men de jongen, die natuurlik aan dit alles +niet gewend is, helpen die nieuwe wapenrusting over zijn eigen kleeren +aan te trekken, en als »de roode ridder"--zijn eigen ware naam kent hij +niet--trekt hij nu verder de wereld in. Hij komt een oude burchtheer +tegen, Goneman, die hem uitnodigt mee naar zijn slot te gaan, hem tot +ridder slaat en verder voor zijn opvoeding zorgt, door hem een stel +nieuwe levensregels mede te geven,--niet alleen voorschriften uit de +ridderlik-religieuse moraal: de weerlozen te hulp te komen, in de kerken +te bidden, geen overwonnen vijand te doden, maar ook die op goede +manieren betrekking hebben, b.v. dat men niet te veel moet spreken of +vragen. + +Maar hij trekt weer verder om zijn »Lehr- und Wanderjahre" voort te +zetten. En nu krijgt hij ook les in de liefde. Op een kasteel treft hij +de heerseres, een jong meisje dat lelik door vijandelike naburen in het +nauw wordt gebracht. Hij verslaat al haar vijanden en het duurt niet +lang of het jonge meisje behandelt hem zo vriendelik dat zij tedere +gevoelens bij de onwetende en onschuldige knaap weet op te wekken; die +episode is in al haar naïeveteit zéér lief en fijn geschilderd. Maar +voorlopig moet »de rode ridder" verder, nu wil hij zijn lieve moeder +bezoeken, eindelik is het verlangen naar haar in hem ontwaakt. + +Maar vergeefs gaat hij de »gaste forèt" zoeken waar zijn moeder woonde. +Maar wel komt hij aan een geheimzinnig slot. Een man die stond te vissen +heeft hem daar heen gebracht en hij wordt nu een zaal binnengeleid waar +op een bed voor een vuur een oude man ligt wien blijkbaar al zijn +krachten begeven hebben. Beleefd vraagt hij de gast hem dan ook te +verontschuldigen als hij niet opstaat, en begint een gesprek met hem. +Onderwijl komt een dienaar zijn meester een zwaard brengen van zijn +nicht, en de gastheer vereert dit aan de rode Ridder. Daarna komt er +een ander met een blinkende lans, waar bloed afdruipt; nieuwsgierig +is hij op 't punt te vragen wat dit alles te betekenen heeft, maar +hij herinnert zich Goneman's raad en zwijgt. Ten slotte komen er twee +dienaren met hoge kandelaars en tussen hen in loopt een maagd die een +»graal" in haar handen draagt; de glans van die graal overtreft verre +die van de kaarsen. Een vlak, zilveren bordje, een soort voetstuk, wordt +achter de graal aangedragen. Weer weet de ridder zijn nieuwsgierigheid +te bedwingen en de stoet verdwijnt door een andere deur. Geen woord +wordt over dit alles gewisseld en nu wordt er een prachtige maaltijd +binnengebracht; daarna wordt de gast naar zijn legerstede gebracht. +Maar de volgende morgen als hij wakker wordt is het gehele kasteel als +uitgestorven, de zalen zijn afgesloten, alleen ziet hij zijn paard +gezadeld staan waarop hij verder rijdt... + +Dit was de Graalburg waar hij in geweest was, krijgt Perceval (die zich +nu plotseling zijn naam herinnert) naderhand te weten, en het was heel +erg jammer dat hij niets gevraagd heeft. Maar, zoals een heremiet hem +weet te vertellen, dat hij er niet toe kwam te vragen, dat was de straf +omdat hij zo hardvochtig van zijn wenende moeder weggetrokken was, die +van verdriet over zijn vertrek gestorven is; de zieke Graalkoning was +een der twee broeders van zijn moeder, hij, de heremiet zelf, is de +ander... Maar meer krijgen wij bij onze schrijver niet te weten, de pen +is hem ontvallen en zo laat Chrestien het aan talrijke andere dichters +over de Graalsage verder uit te werken. + + * * * * * + +De dichterlike richting waarin Chrestien die »Bretonse" stof vorm had +gegeven, werd voortdurend meer en meer karakteristiek voor die geweldige +massa van »Bretonse Romans". Aan de ene kant vinden wij daarin een zeer +realistiese, lustig-frivole schildering van de zeden van de adel en van +het ongebonden, avontuurlike leven langs 's Heren wegen. Wij krijgen +verhalen van kroningsfeesten en bruiloften en de ontvangst in een stad +van een geliefd vorstenpaar; wij zien ook de dame aan haar toilet, hoe +zij half ligt, half zit op een ligbank, terwijl de ene dienstmaagd met +een ivoren kam haar de lange blonde haren kamt, de andere haar een +spiegel voorhoudt terwijl zij een bloemenkrans in de hand heeft, en +wij wonen hele gesprekken bij tussen dames en heren bij de ontvangst +op het kasteel. Hier en daar merkt men pogingen om een zekere uiterlike +en innerlike karakteristiek in de personennamen te leggen: Guinaut de +blonde, Madian de trotse, »le beau-tenebreux", »le beau-hardi", of de +mensen allerlei capricieuse eigenaardigheden te geven; ook vindt men +nu karikaturen van een lelike dame, een monsterlike dwerg, en--in de +proza-romans--»problematiese naturen" met allerlei eigenschappen die +aantrekken of afstoten goed dooreengemengd, b.v. zulke figuren als +Morgane, de zuster van koning Claudas en Arthur. + +Die romans geven gewoonlik een soort elegante kroniek van de +maatschappij, en het beeld dat zij van de adellike zeden geven is nu +niet bepaald stichtelik. De dame is maar al te verleidelik met haar +koketteren; wanneer zij met een cavalier samen uitrijdt, spreekt zij +over liefde en zingt Britse »lais" en »retrouenges" voor hem, doet onder +het gesprek haar halsdoek af, of maakt een paar knopen los van haar +kleed »omdat het zo warm is" zodat haar gezicht en blanke hals te zien +komen en kiest bij voorkeur gezellige, schaduwrijke plekjes uit om even +rust te houden. Of zij komt 's morgens een praatje bij hem maken op de +rand van zijn bed. Maar ook de ridder is niet bang om het initiatief +te nemen. Tegen bedtijd komt hij b.v. een der dames op het kasteel +bezoeken; zij zit in haar kamer gouddraad op te winden; hij gaat naast +haar zitten, laat het gouddraad tussen zijn vingers door glijden en +vraagt haar naar haar werk... en dan eindigt het er al licht mede dat +hij daar 's nachts blijft. En zo is het werkelik geen wonder dat als er +eens een man met een wondermantel aan het hof van koning Artus komt, +welke slechts _die_ dame past die zich niets te verwijten heeft, en +een andere keer een man met een drinkbeker waarvan alleen die man kan +drinken zonder te morsen, wiens echtgenote zijn eer nooit bezoedeld +heeft,--dat dan blijkt, tot schrik van enkelen, maar tot groot vermaak +van de meesten, dat de mantel zo goed als geen enkele dame past en geen +echtgenoot uit de horen kan drinken. + +Maar vooral het rondtrekken en het leven langs 's Heren wegen en in de +herbergen werkt verslappend op alle zeden. Hier is een herberg waar de +dochter van de waard 's nachts de gast haar gezelschap opdringt, ginds +een slot waar de Heer zich zo door de vrouwen der reizigers voor zijn +gastvrijheid laat betalen. In het land waar Lancelot doortrekt was het +gewoonte dat een jonkvrouw, die alleen reisde, niet zonder hevige straf +verkracht kon worden--ofschoon dat toch voortdurend voorkomt--wanneer +zij daarentegen een ridder mede had als begeleider, mag hij die deze +laatste overwint op haar liefde aanspraak maken. Een ruw ridder, +Agravain, heeft juist de begeleidende ridder van zulk een rondtrekkende +dame gedood; nu gebiedt hij haar van haar paard te komen, gooit haar op +de grond en rukt haar de kleêren van het lijf, maar als hij dan ziet dat +haar lichaam vol builen zit, beveelt hij haar in plompe hoon maar weer +op te staan, haar zal hij waarachtig geen kwaad doen. Maar gelijk wij al +gezien hebben, is er maar al te dikwels geen geweld nodig. Een ridder +stelt eens zijn dame en zijn hond op de proef en ziet met weemoed dat +zijn schone dadelik met een vreemde ridder meegaat, terwijl zijn hond +hem trouw blijft. En veel van de meest beroemde ridders hebben op hun +tochten het ene avontuurtje na het andere; waar een ridder als de +vrolike Gawein zich vertoont, wedijveren alle dames om zijn gunst. +Overal hebben Gawein en andere ridders dan ook kinderen waar zij niet +van weten en die ook hun vader niet kennen, wanneer zij de wereld in +trekken; het is zeker niet zonder goede reden dat die romans zo dikwels +over dergelike heldenzonen handelen, die hun vader gaan zoeken en die +tenslotte herkennen in Gawein of een ander ridder van de tafelronde. + +Maar met dit frivole realisme mengt zich, evenals bij Chrestien, overal +in de Artus-romans een sentimentele vrouwenverering en een hooggespannen +gevoel van riddereer. Drie broeders, koningszonen, rijden het bos door +en de één vraagt de ander wat hij doen zou als zij nu de schone dochter +van de waard bij wie zij 's nachts gelogeerd hadden, eens alleen in het +bos aantroffen. Nu, zegt de een, dat begrijpt hij toch ook wel, hij zal +nooit een gelegenheid voorbij laten gaan om van een vrouw zijn lust te +hebben, een ridder die dat niet doet met of zonder geweld betekent ook +niet veel. Maar de ander ontwikkelt hiertegenover zijn sentimentele +smachtende opvatting van de liefde. Deze laatste hoort tot de klasse +van sentimentele minnaars als Lancelot, Gliglois, Ider, Claris en tutti +quanti. Gliglois is een jonge page die Gawein zijn schone gezonden heeft +om haar te dienen, maar die nu zelf gloeiend op haar verliefd wordt, nu +hij dageliks in haar nabijheid is en haar aan tafel en bij haar toilet +dient. Zij merkt hoe de knaap vergeet voor te snijden, hoe zijn handen +beven wanneer hij haar kleêren vast moet maken; zij heeft er plezier +in met zijn hopeloos bedeesde liefde te koketteren, hem gruwelik te +plagen en hem zeer hardvochtig zich half dood naast haar paard te laten +lopen... en tòch per slot, wanneer zij hem genoeg gepijnigd en op de +proef gesteld heeft, plotseling zijn »perseverance" te belonen met haar +hand en haar hart.--Claris is de arme jonge ridder die op de koningin +verliefd wordt; als hij eens zwaar gewond ter neder ligt, heeft de +broeder van de koningin aan wie hij eens zijn geheim toevertrouwd heeft, +er zijn zuster toe weten te krijgen hem te bezoeken. Overweldigd door +zijn vreugde vat hij nu moed haar zijn gevoelens te doen kennen, maar +zij wijst hem streng terug, zodat de zieke voor dood in zwijm valt. Nu +krijgt haar medelijden de overhand, zij buigt zich over hem en kust hem. +Die kus doet hem weer herleven, en op voorspraak van haar broeder stemt +de koningin er in toe zijn »amie" te worden; alleen moet hij beloven +zich tevreden te stellen met »l'acoler et le besier". + +Ook de liefde in de echtbreuk wordt langzamerhand heel smachtend-elegies +en sentimenteel-moreel behandeld,--vooral in de twee uitvoerige +prozaromans van Lancelot en Tristan. In plaats van de versvorm komt nl. +nu en dan het proza te voorschijn--een bleek, dun proza wel is waar, +dat toch een eigenaardig ceremoniële elegance vertoont, een eigenaardig +smachtende gratie die goed bij de gekunsteldheid en de sentimentaliteit +van de toon past. Lang dweept de jonge Lancelot in stilte met de +koningin, hij kan niet, gelijk de levendige Zuid-Fransen, zijn gevoelens +in een sierlike hulde uiten, hij valt bijna in zwijm wanneer zij +hem haar hand geeft, en zij is het die de eerste fijne en diskrete +toenadering moet doen,--allerliefst is b.v. de boodschap die zij hem +zendt, wanneer hij een verre tocht gaat ondernemen, dat hij zich voor +onwaardige liefde moet wachten, want »hoe hoger een ridder zijn wensen +stelt, des te meer stijgt hij zelf in waarde." Tenslotte moet een vriend +de postillon van Lancelots gevoelens zijn en in tegenwoordigheid harer +maagden, geeft de koningin hem een kus. Op die kus en een »beau doux +ami" kan de gelukkige minnaar lang leven. Op zijn tochten kan hij een +hele dag stil in zijn liefdedromen weggezonken, zich door zijn paard +laten leiden, zonder dat hij zelf weet waarheen, evenals de koningin +zelf in haar torenvenster kan staan dromen van al de vreugde die haar +het hart doet overstromen. De geliefden ontmoeten elkaar maar weinig en +kort, gewoonlik moeten zij tevreden zijn met op een afstand voor elkaar +te zuchten en naar elkaar te smachten, en zelfs wanneer zij bij elkaar +zijn, vergiet hun liefde meestal nog tranen omdat zij door het ijzeren +hek van het huwelik van elkaar gescheiden zijn. Zij lijden onder het +halve en het verborgene in hun verhouding en de koning zelf heeft +medelijden met hen. Zelfs is Artus bereid hem zijn gemalin af te staan, +alleen om Lancelot's vriendschap te behouden. Elk der twee gelieven +heeft een vertrouwde, een vriend of een vriendin, voor wie zij hun hart +uitstorten en die zich met hen verheugen en met hen wenen en de koningin +weet van die twee vertrouwden een paartje te maken, evenals wij dit met +Kaherdin en Brangien in »Tristan" zagen gebeuren. Boze mensen zaaien +door vervalste brieven het zaad der verdenking tussen Tristan en Isolde, +als tussen Lancelot en Guenievre en wat uitdrukkelik in het wetboek der +liefde van Andreas Capellanus voorgeschreven is,--de geliefden geloven +altijd dadelik het allerergste van elkaar en zijn te trots om een +verklaring te zoeken of zich zelf te rechtvaardigen. Zij willen zich +uit wanhoop doden, maar dan weten de confidenten een verklaring of een +verzoening te weeg te brengen. En Lancelot is werkelik het voorbeeld van +een »loyal amant". Wanneer men hem met de woorden »uw vriendin zal het +nooit te weten komen" tracht te verleiden, antwoordt hij: »Mijn hart zal +het te weten komen en dat is één met het hare", en als iemand hem eens +een kus heeft ontstolen, gaat hij zich wanhopend aan een beek staan +wassen, veegt zijn lippen af en spoelt zijn mond om,--gelijk een heilige +in de oude legenden dit gedaan zou hebben. + +Lijnrecht tegenover die sentimentele liefde staat echter bij Chrestien +als bij anderen, een ander ideaal prinsiepe, dat van de hooggespannen +en ten top gedreven cultus van de eer. Konden echte helden der +heldensage bang worden, deze onwerkelike ridders weten niet wat vrees +is; konden de eersten verstand aan den dag leggen en list vertonen, de +laatsten verachten zulke dingen. Wanneer er gezanten de grote zaal van +Artus binnenkomen, pochend en vol drukte zoals er dat in de heldensage +bij hoort, dan antwoordt de koning zachtmoedig glimlachend: »Vriend, +zeg ons uw boodschap; dat zal niemand u verhinderen." De ridders van +de Tafelronde moeten elke bede op voorhand inwilligen en keer op keer +worden Artus zo wel als zijn helden in de pijnlikste verlegenheid +gebracht wanneer de bede iets absoluut onmogeliks blijkt te beogen, +en meer dan eens worden zij door die onbezonnen beloften genoodzaakt +een onrechtvaardige zaak te bevorderen. Met poenerige trotsmoedigheid +zet de ridder zijn dame op het spel, zodra iemand hem maar uitdaagt +om haar te strijden. Komt er een vreemde strijdridder aan het hof van +Artus, die een ieder uitdaagt die maar wil om met hem om de koningin +te vechten, dan neemt Artus dit dadelik aan. Guenievre wordt dadelik +als het voorwerp van de strijd naar een weide gebracht en wie ook maar +wil van de ridders, al was het ook ridder Key, die om zijn ongelukken +bekend is, mag haar verdedigen. In de strijd zelf geeft de ridder zijn +tegenstander allerlei voordelen en is er op uit de fijnste ere-regels +voor de strijd op te stellen. Onder de ridders geldt ook de stijfste +beleefdheidsetikette en elk woord dat niet »convenable" is of elk +onbeleefd antwoord betekent zoveel als een uitdaging in een duel. Vooral +is hoofsheid tegen de dames een ridderplicht; een dame niet te groeten +is een misdaad, die gezoend moet worden; de hand aan een vrouw te +slaan--zelfs al zou zij daar zelf schuld aan zijn doordat zij zich +tussen de strijdenden geworpen had--eist een lange tijd van +boetedoening. + +Een nieuwe ridderlike deugd, die de ridders van koning Artus op de meest +geraffineerde wijze beoefenen is de bescheidenheid; die hebben ze uit +de heilige legenden geleerd. Nooit zullen ze zich ook maar enigermate +op de voorgrond stellen, altijd, zo mogelik, hun heldendaden anoniem +volbrengen, in een onbekende wapenrusting, men moet ze bespioneren om +gelegenheid te krijgen ze te bedanken. Schoon is b.v. ook een scène +waarin Gawein een zijner broeders treft, zonder dat die hem kent. De +broeder vraagt de Artusridder over de Tafelronde uit, wie de beste +is, enz.... steeds in de hoop Gawein te horen prijzen. Maar Gawein +noemt allen anderen een voor één op, maar nooit zijn eigen naam, waar +de ander zich hevig over ergert. En Lancelot zowel als andere helden +hebben er een bepaald plezier in om zich zelf te plagen, en zich te doen +miskennen, zich voor te doen als of ze voor iets niet deugden en zich +door anderen in de schaduw te doen stellen; zachtmoedig houden zij zich +op de achtergrond, totdat ze van de nood een deugd moeten maken en ze +zich plotseling in al hun kracht vertonen. + +En de Artusromans hebben er plezier in, evenals Chrestien, de ridder +met zijn eigen geweten in konflikt te brengen, waardoor verschillende +kwesties van eer of de eisen van de riddereer en die der liefde +tegenover elkaar komen te staan, zo dat de ridder genoodzaakt wordt een +dier eisen te overtreden en daarvoor gestraft wordt òf dat hij zich door +de ene of andere subtiliteit uit de slag moet trekken. Hij heeft b.v. +juist een tegenstander overwonnen en die ligt nu weerloos onder hem; +nu komt een dame aanzetten die om een gunst vraagt welke de ridder +haar natuurlik dadelik toestaat,--nu vraagt zij om het hoofd van de +overwonnene. Eerloos zou het zijn de weerloze te doden, maar zijn +belofte aan de dame mag een ridder ook niet breken; hij geeft dus de +ridder zijn wapenen terug en begint een nieuwe kamp met hem, waarin +hij hem overwint. Of Gawein heeft een ridder verslagen die een vrouw +geweld aan heeft gedaan. Des avonds komt hij aan een kasteel waar hij +allervriendelikst ontvangen wordt. Maar aan het eind van de maaltijd +wordt het lijk van de verslagene binnengebracht en nu blijkt het dat het +de zoon van zijn gastheer is die Gawein gedood heeft; het bloed dat uit +de wonden vloeit toont wie de moordenaar is en hij tracht dit dan ook +niet te ontkennen. Eerst wil zijn gastheer hem nu doden, maar dan +herinnert hij zich de eisen der gastvrijheid, laat hem de volgende +morgen wegtrekken, om hem dan pas te vervolgen en wraak te zoeken. + + * * * * * + +De proza-roman van Lancelot is van de monniksgeest doortrokken. Lange +uitwijdingen over dogma's breken het verhaal overal af en voortdurend +wordt de kristelike missie van de ridderschap op de voorgrond gebracht. +Van zonde, berouw en boetedoening is de liefdeshistorie van Lancelot +en Guenievre vol, en de gehele elegiese sentimentaliteit waarmede hun +moeilikheden geschilderd worden heeft een kristelike legendentoon over +zich. De schroomvallige nauwgezetheid en de spitsvondige dialektiek +waarmede de ridder aan de eisen van de eer tracht te voldoen, het diepe +schuldbewustzijn dat de minste tekortkoming aan die eisen in het gemoed +van die ridder achterlaat,--dat is alles ook van kristelike oorsprong. +En de roman eindigt er dan ook meê dat Guenievre zich in een klooster +terugtrekt en Lancelot zijn leven als een vrome eremiet eindigt. + +Vele zijn over het algemeen de pogingen van de geestelikheid geweest +om de ridderpoëzie van de kristelike geest te doordringen. Wij hebben +»lais" die een kristelike morele kleur over de heidense Keltiese sagen +trachten te leggen; wij hebben romans waarin de kristelike mirakelen +tegen heidense toverij strijden of waar het teken des kruises de ridder +uit de handen der spoken redt. Maar de belangrijkste poging om een +beslist kristelike ridderromantiek tegenover de wereldlike te zetten, +deden de monniken in de Graalromans. Tegenover de ridders van de +Tafelronde kwam de heilige ridderschap van de Graal te staan, tegenover +de jacht op avonturen en eer, die van de Graal, »la quète du graal", +een jacht op die levenskroon welke slechts de volmaakte ridder zonder +blaam zou kunnen bereiken. En niet minder avontuurlik,--neen! nog +avontuurliker en wonderliker, nog meer vervuld van heldendaden en +ridderlikheid dan al die Artur-romans werd die Graal-romantiek in de +werken van Chrestiens' navolgers, de Duitser Wolfram von Eischenbach, +die in een groot gedicht een verloren Franse versroman nabootst, in de +berijmde Graalromans van Robert de Boron, een Anglo-Normandies dichter +en ten slotte in de grote prozaromans die ten dele aan Walter Mapes +toegeschreven worden. + +In die overweldigende massa van vers en proza golft er een chaotiese +menigte van voorstellingen, van alle kanten te samen gevloeid en die +elkaar dikwels tegenspreken. Maar de hoofdtrekken zullen wel zo ongeveer +de volgende zijn: + +De schaal, het bekken of de schotel waarvan Kristus bij het laatste +avondmaal zeide: »Die de hand met mij in den schotel doopt, die zal +mij verraden", heeft steeds een wonderbare kracht behouden, niet alleen +om de goeden en de reinen voedsel te geven en hen tevreden te stellen +maar ook om de zonden te ontsluieren door geen onreinen in de buurt +te kunnen dulden. Die schotel kwam in het bezit van de vrome Josef +van Arimathea die er het bloed van de Gekruisigde in bewaarde. Toen +hij gedurende de Kristen-vervolgingen in de gevangenis geworpen was, +werd hij wonderbaarlik voortdurend door den schotel gevoed, en Kristus +openbaarde zich voor hem en leerde hem de ritus van de Mis en de +mystiese betekenis er van. Toen stichtte Josef een broederschap van die +»Graal" zoals het genoemd werd en van een Tafelronde, ter herinnering +aan het laatste Avondmaal. De Graal verschaft voedsel, maar hij die +alleen uit nieuwsgierigheid er in kijken wil of die zich aan de tafel +neerzet zonder er recht op te hebben, wordt gewond of verblind door +hemelse wapenen. De Graalbroeders trekken als zendelingen de wereld +in en ten slotte trekken zij op hemels bevel naar Engeland om dat +land te kerstenen. Overal wordt hun tocht door mirakelen en mysteriën +gekenmerkt, zij vinden het toverzwaard van koning Salomon; ter loutering +van hun zonden worden enkelen hunner met toverschepen naar tovereilanden +gebracht: een der leden van de broederschap heet Brons en wordt »de +rijke visser" genoemd, omdat hij een vis gevangen heeft waar een heel +gezelschap mee gevoed is geworden.--Petrus wordt in de H. Schrift een +»visser der mensen" genoemd en de vis is ook het symbool van Kristus--, +een ander wordt door een bloeddruipende lans in zijn voet gewond, hetzij +omdat hij op een heilige plaats is gaan slapen of omdat hij in de +schotel gekeken heeft, of het is door het zwaard van Salomon dat hij +gewond wordt. Intussen is de Graal van Josef van Arimathea in andere +handen overgegaan en die wordt ten slotte in een onbekend slot, ergens +in het westen van Engeland, bewaard opdat die niet in de handen der +woeste Saksen vallen zal. + +Daar zit nu een Graalkoning die te bewaken... hij is ziek, maar hij kan +niet sterven of beter worden, vóór een rein, edel man naar de Graal en +de bloedende lans komt vragen. In navolging van de broederschap van de +Graal is nu Artur's ridderschap van de Tafelronde gesticht geworden om +de Graal te zoeken. Merlijn is de stichter er van; hij was eigelik een +afgezant van de Hel, uit een maagd geboren om zo een tegenhanger van +Kristus te vormen en had als deze bovennatuurlike macht gekregen; maar +het goede in hem had de overhand gekregen over het daemoniese in hem. Zo +zijn de ridders van de Tafelronde een wereldlike ridderschap die naar +ideële volmaking streven en de beste ridders zoeken overal de wereld +af naar de Graal. Door zijn liefde voor de koningin heeft Lancelot +zich onwaardig gemaakt om die te vinden; het is òf Percival òf--volgens +anderen--Galahad, de zoon van Lancelot, die eindelik als de reine ridder +zonder smetten, het kasteel weet te bereiken, de vragen stelt en +Graalkoning wordt. + +Dat schijnen de grote trekken te zijn. Het is een vreemd mengelmoes +van trekken uit alle kanten. Zeker zijn er Keltiese sage-elementen bij. +Zoals wij reeds gezien hebben waren er oude Ierse verhalen van een ketel +waarin altijd genoeg te eten was, en van andere merkwaardige talismans +als een lans en een zwaard; verder de sage van de gewonde koning Artus +die nog steeds in leven is op het tovereiland Avalon, en er zijn zonder +kwestie sagen bij de Britten in omloop geweest van de romantiese +jacht die hun helden de gehele wereld door maakten op wonderbare +talismans,--evenals Jason het gulden Vlies was gaan zoeken, Herkules de +appelen der Hesperiden, Thor de wonderbare ketel van Hymir en de appelen +van Idun, of de helden van de Kalevala de molen van Sampo. Perceval +schijnt oorspronkelik er op uit getrokken te zijn om een toverzwaard te +zoeken waarmede hij de moord op zijn vader zou wreken; andere helden +zochten de wonderbare ketel die weer welvaart zou brengen in een land +dat onder een vloek had gelegen of die een zieke koning de gezondheid +weer zou geven. + +En geesteliken hebben nu die Keltiese sagen in verband gebracht met +kristelike legenden. Apocryfe evangelieën waaronder dat van Nicodemus +het voornaamste is, vertelden van Josef van Arimathea, die de +beschermheilige der ridders werd en vooral van Brittannië en van oude +kristelike Broederschappen. Vervolgens: evenals alle andere relikwieën +uit het leven van Kristus--zijn rok, de zweetdoek van Veronica, de lans +van Longinus, het kruishout en de kruisnagels--zette de avondmaalschotel +ten tijde der kruistochten de fantasie in hoge mate in beweging en ook +alweer als die andere relikwieën werd het op verschillende plaatsen +vertoond, b.v. te Constantinopel en te Genua. Verder moest het bloed van +Kristus in de opvattingen van die dagen wel een grote rol spelen. In +overeenstemming met de oude begrippen van bloedwraak was het 't storten +van Kristenbloed zelf dat voor de mensheid de eigelike verzoening +betekende. Dat zij die het lichaam van de dode Heiland gewassen hadden, +dat kostbare vocht niet zouden hebben bewaard, waarin toch altijd zulk +een merkwaardige kracht moest zijn blijven wonen, dat scheen de mensen +volkomen onbegrijpelik: op vele plaatsen beweerde men dan ook een weinig +bloed van Kristus te bezitten, zo kreeg b.v. in het jaar 1247 koning +Hendrik III van de patriarch van Jerusalem een kristallen buisje met een +weinig van het heilige bloed er in, dat in de familie van de patriarch, +van de tijd van Josef van Arimathea af, van vader op zoon overgegaan +was. Bij de communie gebruikte men dit bloed ook, en het was juist in +de dagen der Kruistochten dat het krasse materialisme der Middeleeuwen +als vaststaand aannam dat het brood en de wijn door de mis werkelik +tot het lichaam en het bloed van Kristus werden. De naam graal +was waarschijnlik bedorven Middeleeuws-latijn, en de substantie +waarschijnlik een samensmelting van de schotel en de kelk die bij het +H. Avondmaal gebruikt waren, in oude miniaturen wordt die als een kelk +afgebeeld en het schijnt ook dat een en ander der mystiese liturgie der +mis, misschien wel bizonder zoals de kruisvaarders die in de Oosterse +kristelike kerk bediend zagen, de stof gegeven heeft voor vele +Graal-mysterieën. + +Over het algemeen kan men zeggen dat de kruistochten het voornaamste +element voor de Graalpoëzie geleverd hebben. Er zijn talrijke Oosterse +elementen in de fraaie détails. Verschillende van de mystiese +merkwaardigheden van de Graalburcht doen denken aan wat de »Priester +Johannes" in de (onechte) Latijnsche brief aan de Keizer van Byzantium +vertelde van zijn geheimzinnige reis naar de binnenlanden van Azië, of +aan een nieuw Babylonies rijk waar te Byzantium van gefabeld werd,--waar +de Griekse afgezanten bv. een heilige kerk gezien hadden die altijd met +water van het graf van Kristus gevuld bleef, en waar onzichtbare stemmen +en mystiese opschriften de vreemdelingen altijd op weg hielpen--evenals +in de Graalromans. Maar die hele Broederschap van de Graal schijnt te +danken aan voorstellingen over de orde der Tempeliers, met hun prachtige +residentie in de »Tempel van Salomon", hun verschillende religieuse +mysterieën en hun half priesterlike ridderschap. In een geschrift +»De laude novae militiae" verheerlikte Bernard de Clairvaux die +krijgshaftige Broederschap »die ik niet weet of ik monniken of ridders +moet noemen",--»zachtmoediger dan het lam, wilder dan de leeuw;" leefden +die te zamen in kuisheid, soberheid en eendracht, terwijl zij wonderen +van heldendaden bedreven tegenover de ongelovigen. In de verloren Franse +Perceval-roman van »Kyot uit Provence"--die Wolfram von Eschenbach als +zijn bron noemt, wordt de Graal ook, duidelik genoeg, door een +Broederschap van heilige ongetrouwde »Tempelridders" bewaakt. + +Maar evenals de Tempelheren al heel spoedig als separatisten en ketters +bij de Kerk in miskrediet en in ongenade vielen, zo was goed beschouwd +de gehele Graal-poëzie tegenover de Roomse kerk ook ketters. De leden +vormden toch eigelik een priesterschap zonder door de kerk geordineerd +te zijn, met hun eigen sakramenten en hun eigen heiligdommen, terwijl +zij de kerk die ze niet nodig hadden ook niet als hun overheid erkenden. +De grote prozaroman over de H. Graal beweert zelfs brutaalweg van +Kristus zelf te stammen als een evangelie even heilig als dat van de +kerk. En een duidelik Anglikaanse tendens beheerste het gehele gedicht; +de Britse kerk heeft te bogen, èn op een bizonder hoge ouderdom en +een bizondere heiligheid, geheel onafhankelijk van de Paus te Rome. +Er is ook heel veel grond om met de middeleeuwen aan te nemen dat +deze en dergelijke trekken te danken zijn aan Walter Mapes, bekend +als diplomaat en de hoogbegaafde kapellaan van Hendrik II. Evenals +het trotse nationale Anglo-normandiese rijk van Hendrik II de figuur van +Koning Artus als een pendant van Karel de Grote voor de Fransen voelde, +zo is de Graal-legende zeker wel een poging om in de fantasie een +nationaal Engels Kristendom te scheppen. + +Maar, hoe dit nu ook zij, een feit is het dat de Graalromans een +legendaries-mysties en een asketies-moreel element in de ridderromantiek +brachten en tussen de Bretonse romans in, waarmede ze veel van de +ridderlikheid en het sosiale en het fantastiese element gemeen hebben, +zowel als de drang naar avonturen langs de grote weg, waren de +Graalromans bizonder in trek en werden ze met een spesiale eerbied +ontvangen. Na de ridder-romantiek van Chrestien, menselik-wereldlik en +met haar drang naar strijd en liefde, met intérieurs van het high-life +van die tijd en met avonturen waar niets »achter" stak, naïef rechtuit +en in bepaalde, duidelike, glasheldere omtrekken,--volgde er in de +Graalromans een ridderlik geestelike romantiek van een diepzinniger +en meer metafysies karakter en met een dieper en verder strekkend +fantasie-perspektief in zich. Met grote kunst wordt de fantasie der +lezers steeds in een mystiese atmosfeer zwevend gehouden. Er zijn bv. +geheimen die Jesus Josef van Arimathea in het oor gefluisterd heeft en +die niet bekend gemaakt mogen worden, of duistere voorspellingen die +niet verwezenlikt zullen worden voor »de dag komt, waarop de ridder met +twee zwaarden de droevige slag zal slaan waardoor alle wonderen van de +Graal zich voor het koninkrijk van Logres zullen openbaren en alle die +ellende op Groot-Brittanië zal vallen". Of we horen van mysterieën die +men aan profane oren niet durft toevertrouwen, maar die »opgeschreven +gevonden kunnen worden in het boek der klerken, waarin alles opgetekend +staat over de grote heimelikheid die »de Graal" heet." Of we krijgen +wonderen te aanschouwen die heel wat irreëler en bovennatuurliker zijn +dan de reuzen en dwergen van Chrestien: er wordt u een slot voorgetoverd +in plaats waarvan er plotseling een dorre heide verschijnt; een meer, +als dat waarin de »Dame du Lac" woonde en dat dan weer een bos blijkt +te zijn; stemmen, opschriften die een waarschuwing of een voorspelling +bevatten, onzichtbare handen die iemand trekken of terughouden, die +iemand een slag met een zwaard op de schouders geven, of die als de +geesten der spiritisten, iemand in de wang knijpen, zo dat er een +litteken van blijft zitten. Ook wat er op de kastelen voor toverij +gebeurt, is heel wat dromeriger en geheimzinniger in de Graalroman dan +bij Chrestien. In donkere gangen tast men zijn weg, deuren vliegen open +en slaan weer toe, men hoort het geratel van ketenen en ongure helse +geluiden... Hier is een drempel waar de ridder met geen macht ter wereld +over heen kan komen, daar ziet men een put open staan, waar giftige +gassen en duivelse stank uit komen... het doet zo wat denken aan de +ongemotiveerde en absoluut onbegrijpelike manier waarop men bij een +nachtmerrie in zijn dromen van het kastje naar de muur wordt gestuurd. + +Maar steeds weer voert die atmosfeer van mystiek naar een hiernamaals +en altijd klinkt er een moraal-religieuse toon doorheen. Het zijn +geen heidense maar kristelike spookverschijningen die men hier in +alle soorten vindt. Kisten wier deksel zich opent en waar vlammen +uitslaan; te middernacht in de kerk, wordt de ridder met geselslagen +van onzichtbare geesten ontvangen of moet hij strijden met vormloze +spookverschijningen; of wel is het buiten op het kerkhof dat hij +jammerkreten uit de graven op hoort stijgen, hij wentelt grafstenen weg +en bevrijdt jonge meisjes die daar door duivels opgesloten werden om +hun lusten te dienen. Duivels die in de vorm van schone vrouwen mensen +trachten te verleiden, ridders voor hun zonden door straffende mirakelen +getuchtigd. Dikwels zijn het mirakuleuze illustratiën van het een of +ander dogma; een brood dat zich bij het gebruiken van het Avondmaal +in een levend kinderlichaam veranderd, welks bloed in de kelk vloeit +terwijl hemelse stemmen bevelen dat het in tweeën gesneden en verteerd +moet worden. Dwars door de gesloten deuren en vensters van een vertrek +komt op eens een wonderschone knaap, die ook op die zelfde wijze weer +verdwijnt; een stem verklaart dat hij die dit wonder gezien heeft zich +nu ook niet meer er over verbazen mag dat Jesus uit het lichaam ener +maagd geboren kon worden. Dikwels laat zich nog heel goed aantonen dat +er aan zulke verhalen een heidense Keltiese sage ten grondslag ligt, +maar waar de geesteliken een symbolies-kristelike uitlegging aan gegeven +hebben. + +Een fatalisme vol geheimzinnigheden dat half Oosters schijnt te zijn, +maar ten dele ook op de kristelike leer der voorzienigheid gebouwd, +rust op alles wat wij zien gebeuren. Alles is voorspeld en staat met +»çhaldæiese" schrifttekenen in het »Boek van het Noodlot"; de menselike +vrije wil is maar een illusie, het zijnde hemelse machten die de mensen +blindelings, volgens ondoorgrondelike besluiten hun pad doen betreden. +Eens vindt Lancelot ergens een grafsteen met zijn naam en zijn +afstamming er op aangegeven, die hem onbekend waren, en er staat +bij dat hier zijn graf zal staan. Er komt ergens een schip zonder +zeilen aanzetten, op het dek ligt een wapenrusting met een schriftelike +mededeling dat de wijze Salomon duizende jaren geleden het schip gebouwd +heeft en het de wereld in heeft gezonden, waar het rond zou dwalen tot +het de persoon zou vinden voor wie schip en wapenrusting bestemd waren. +Het zwaard is prachtig maar het hangt aan een versleten hennepen koord +en er staat bij dat het steeds daaraan gedragen moet worden, totdat een +koningsdochter er een ander voor in de plaats maakt van wat zij bij zich +draagt en het meeste liefheeft en zij zal het zwaard dan ook pas zijn +ware naam geven. + +De monniksgeest die wij reeds in de roman van Lancelot op de voorgrond +zagen komen, beheerst de Graal-poëzie al meer en meer. Reeds in de +»Perceval" van Chrestien was er op de sexuele kuisheid van de knaap +en zijn misdaad jegens zijn moeder sterk de nadruk gelegd; maar in het +gedicht van Robert de Boron en in de proza-romans dringt het ascetisme +overal door. In alle verhalen over de voorhistorie van de Graal, speelt +de vrouw bijna in 't geheel geen rol en waar ze optreedt wordt ze +meestal als het lagere wezen voorgesteld dat alleen maar tot het +kwade verleidt, evenals in de legenden en in de Oosterse bronnen. +En in de verhalen die »la quête du Graal" schilderen, het zoeken +der Tafelronde-ridders naar het kasteel waar men de Graal bewaart, +wordt sexuele reinheid en maagdelikheid absoluut geëist van hem die +Graalkoning worden zal. »Hij moet goed zijn in de ogen van God en in die +van de wereld. In de wereld moet hij goed zijn als hij, die vervuld is +van alle goede eigenschappen: eer, schoonheid en moed, en in Gods ogen +moet hij goed zijn, want hij moet vervuld zijn van barmhartigheid en +vroomheid en hij moet ook het zuiverste voorbeeld van kuisheid genoemd +kunnen worden." + +Maar hier overschrijden wij dan de grenzen der ridderromantiek. De +mystiek en het idealisme van de Graal krijgt meer en meer een volkomen +kristelik-geestelike kleur,--wordt meer en meer geestesverwant met die +kruistocht der Albigensen, waardoor het vrolike Zuid-Frankrijk als de +aren voor de zeis werd neergemaaid, of met Lodewijk de Heilige, die geen +trouvères of minnestreels aan zijn hof duldde. + + + + +XIX. + +DUITSE RIDDERROMANTIEK. + + +De Ridderromantiek is geheel en al op Franse bodem ontkiemd en in +Frankrijks lucht groot geworden en haar levensloop kan in de Franse +literatuur zelf nagegaan worden van de tijd dat zij knoppen zet en +bloeit af, totdat zij zaad schiet en verkwijnt toe. Maar--zoals wij +reeds in het begin gezien hebben--de sosiale en geestelike voorwaarden +waren zo ongeveer dezelfde in Duitsland en de ontwikkeling der kultuur +en literatuur zou daar in hoofdzaak langs dezelfde ontwikkelingslijnen +gaan als in Frankrijk, zodat de enorme Franse invloed die zich weldra +aan gene zijde van de Rijn deed gelden, eigelik slechts die geestelike +krachten in beweging bracht en vorm gaf, welke uit zich zelf al op +Duitse bodem ontstaan en gegroeid waren, en dan ook niettegenstaande +alle verfransing tot zekere hoogte een Duits karakter bewaarden. + +Zoals bij de Zuid- en Noord-Franse vorstenhoven, kwamen ook in het +Duitsland der 12de eeuw de kleine edellieden aan de hoven der Welfen in +Brunswijk en Beieren bij elkaar, te Weenen, in Zwaben en op de Wartburg, +aan die der Babensbergers, der Staufen en der graven van Thüringen en +daar ontstond even als in Frankrijk een sosiaal leven en een sosiale +kultuur. De Latijnse roman »Ruodlieb" toonde, zoals wij gezien hebben, +niet alleen hoe ver men in de 11de eeuw reeds aan de Beierse hoven +gekomen was, maar ook vooral welke levensidealen de geesteliken de +baronnen voor ogen hielden. Evenals wij dit bij de Noord- en Zuid-Franse +hoven zagen gebeuren, werd ook aan die der Duitse vorsten het volkslied +het voorwerp van een fijnere, meer aristokratiese behandeling en de +edellieden van beider kunne dichtten dansliederen en minneliederen over +ridders en dames die elkaar verlaten moeten, en »Liebesgrüsze" die ze +elkaar in de verte zenden,--de dame is in de regel degeen die vraagt, +de ridder gedraagt zich koel, zoals het zijn waardigheid van man past--; +de zanger zelf staat op het voorplein van de burcht voor de dames en +heren te zingen. En ten slotte: evenals weer in Frankrijk, begonnen ook +aan het hof der Welfiese hertogen te Regensburg klerken de Latijnse +kronieken der geesteliken tot Duitse rijmkronieken om te werken, als +de Kaiserkroniek, rijk aan romanachtige onderhoudende stof, terwijl +tegelijkertijd de omzwervende speellieden in Frankenland en Beieren +evenals in Frankrijk zelf de oude heldengedichten gingen moderniseren +en romantiseren door ze naar het Oosten te verleggen en ze met +herinneringen aan de kruistochten op te smukken,--verliefde Saraceense +schonen, Oosterse pracht en wonderen. Uit de tijd der Ottonen waren +er toch genoeg verbindingen tussen het Duits-Romeinse Keizerrijk en +Byzantium en lang vóór dat Duitsland door de tweede kruistocht aan die +religieuse tochten mee was gaan doen, hadden vorsten en ridders, vooral +juist uit Beieren, aan zulk een tocht naar het Heilige Land deel +genomen. + +Maar de begonnen zelfstandige ontwikkeling werd al meer en meer onder +een direkte, veelzijdige invloed van de Franse kultuur gebracht. Die +gehele nieuwe grote religieuse stroming van de 12de eeuw was Frans van +oorsprong en de monniken van Cluny die ook in Duitsland het kerkelik +leven beheersten, brachten de Franse geest en vorming met zich. Een +reeks huweliken met Franse prinsessen introduceerden het Fransdom aan +de vorstenhoven. Op het huwelik van Hendrik III met Agnes van Poitou, +volgde later dat van Hendrik V met een Anglo-Normandiese en dat van +Frederik Barbarossa met een Bourgondiese prinses en Hendrik de Leeuw van +Saksen huwde met de zuster van Richard Coeur de Lion. Zowel Bourgondië +als Provence kwamen onder de Duitse Keizerskroon en toen Frederik +Barbarossa de reis door Provence ondernam om zich te laten huldigen +of met oorlogszuchtige doeleinden naar Zuid-Italië trok, mag men wel +aannemen dat zijn volgelingen allerlei Romaanse modes en zeden hebben +leren kennen en overnemen, en dat troubadours hem op zijn feesten hun +opwachting zijn komen maken en Duitse hofzangers een lesje in hun kunst +hebben gegeven. Uit Noord-Italië trokken ook klerken zowel als die +troubadours uit Provence over de oude Alpenwegen op naar de gastvrije +hoven van Bohemen en Hongarije; de Donau-streken werden voortdurend +bereisd door Fransen die over land naar Byzantium of het Heilige Land +wilden. Maar vooral was de benedenloop van de Rijn: de Nederlanden, +Neder-Lotharingen, zowel als Vlaanderen, de plaats waar Frans en Duits +samenkwamen. Niet alleen Henegouwen en Brabant maar ook Lotharingen +hoorden onder het Duitse Keizerrijk maar waren altans overwegend Frans +in taal en kultuur en namen een aktief deel aan het opbloeien der +ridderromantiek die zich in het naburige Vlaanderen en Champagne aan +het ontwikkelen was. Langs al die wegen drong het Fransdom binnen. + +En de superioriteit van dat Franse element werd bereidwillig door de +Duitsers erkend die met het grote adaptatievermogen dat zij steeds +hebben behouden, zich er vlijtig aan begonnen aan te passen. De bouw en +de inrichting der kastelen, de klederdracht en de spijzen der edelen +werden Frans. De hogere standen engageerden Franse geesteliken om hun +kinderen Frans te leren of zonden ze met een gouverneur naar Frankrijk +om daar de taal te leren, evenals ook Duitse studenten de Franse scholen +gingen bezoeken. Door een reeks leerdichten, beantwoordende aan de +Franse »castoiements" en »doctrinals", trachtten Duitse geesteliken hun +landgenoten in Franse »Sitte" en »Zucht" in te wijden en zij vormden het +woord »höfisch", beantwoordende aan het Franse »courtois". In 1127 werd +te Würzburg het eerste toernooi op Duitse bodem gegeven op Franse leest +geschoeid, en in diezelfde tijd begonnen ook de vormen en ceremonieën +van het Ridderwezen een Frans karakter aan te nemen. En in verband +hiermede begon men nu de erotiese poëzie der troubadours en de +ridderromans langs verschillende wegen in het Duits te vertalen,--en +het zal buitengewoon leerrijk zijn die wegen schrede voor schrede na te +gaan. + +Gewoonlik waren het persoonlike en maatschappelike verbindingen +der vorsten die de aanleiding waren tot dergelijke vertalingen en +bewerkingen. Op een reis in Frankrijk in 1131 had Hendrik de Stoute +het Rolandslied leren kennen en bij zijn thuiskomst droegen hij en de +hertogin aan een priester Konrad op dit in Duitse verzen te vertalen. +Ongeveer gelijktijdig hiermede bewerkte een zekere Pfaffe Lamprecht, die +aan de Rijn in de buurt van Straatsburg thuis hoorde, de Provençaalse +Alexanderroman in het Duits. Maar degeen wie toch eigelik de eer toekomt +die ridderomans in Duitsland geïntroduceerd te hebben, was Heinrich von +Veldeke, die in de Nederlanden uit een ridderlik geslacht geboren en +getogen was, maar dicht bij de Franse taalgrens. Voor een gravin van +Kleef bewerkte hij de Aeneasroman in Duitse verzen. Toen zij met de +landgraaf Lodewijk van Thüringen trouwde, was het een dier graven van +Thüringen die het nog onvoltooide manuskript mede naar huis nam en eerst +toen de dichter negen jaar later zelf naar Thüringen kwam, kreeg hij +het van de literaire landgraaf Herman terug met de opdracht het te +voltooien. En die zelfde graaf Herman gaf nu zijn wens te kennen de +Trojaroman, die men als een soort vóórgeschiedenis van die van Aeneas +beschouwde, ook in het Duits vertaald te zien. Een graaf van Leiningen +wist de Franse roman machtig te worden en droeg een jonge geestelike uit +Fritzlar op die te verduitsen. Een ander onderdaan van de Landgraaf, een +der geesteliken uit het klooster Jechaburg in Thüringen, kreeg nu het +idee de Metamorphoses van Ovidius in Duitse verzen te vertalen. En zo +verplant de beweging zich, stap voor stap, van de Nederlanden naar het +hof op de Wartburg. + +Een andere zetel van de Franse kultuur was, zoals wij zagen reeds ten +tijde van Hendrik de Stoute, het hof der Welfen te Regensburg; later +bevorderde de Anglo-Normandiese gemalin van Hendrik de Leeuw nog de +invloed van haar geboorteland sterker. Zo vertaalde b.v. een van 's +hertogen »Dienstmannen" Eilhart van Oberge, uit het Brunswijkse, het ons +bekende gedicht van Tristan en Isolde. + +In Zwaben en aan de Bovenrijn hadden de Staufen hun eigelik machtsgebied +en Frederik Barbarossa resideerde gewoonlik in de Keizerlike Palts, +te Hagenau, Gelnhausen of Ingelheim. Het grote feest dat hij op +Pinkster van 1184 te Mainz gaf naar aanleiding van de ridderslag--de +»Schwertleite"--van zijn zoons, kwamen vorsten en edellieden uit +Frankrijk en Duitsland te zamen en die glorieuse dagen te Mainz wijdden +om zo te zeggen de gouden eeuw der Ridderromantiek voor Duitsland in. +Een der mannen van Barbarossa, een ridder von Hausen uit de Rijnstreken +die in de dienst van de Keiser naar Frankrijk zowel als in Italië kwam, +vertaalde de minne-poëzie der Provençaalse troubadours in het Duits en +veel andere keizerlike ambtenaren die ook in de Romaanse landen reisden +volgden zijn voorbeeld. Andere ridders uit de Rijnstreek en Zwaben +zochten hun voorbeelden in Noord-Frankrijk, zo richtte Reinmar von +Hagenau uit de Elzas zich voor zijn minneliederen hoofdzakelik naar de +Noord-Franse lyriek. Daar heeft ook de eerste grote man van de Duitse +ridderroman gereisd, Hartmann, waarschijnlik in de dienst van zijn +meester, de heer von Aue, zelf vertelt hij ons dat hij zijn ridderlike +Liefdeleer daar van daan meebracht, die hij in een poëtiese zendbrief +(ein »Büchlein") ontvouwde, zo wel als twee der ridderromans van +Chrestien de Troyes die hij elegant verduitste: Erec en Iwein. + +Tussen die verschillende haardsteden der kultuur in Zwaben, +Rijn-Frankenland, Thüringen en het hof der Beierse hertogen was er nu +een sterk, levendig literair verkeer, en van die vaste punten breidde +de ridderromantiek zich over andere delen van Duitsland uit. Een der +Franse edelen, een dier gijzelaars die tegen de loslating van Richard +Coeur-de-Lion uit de gevangenschap des keizers gesteld waren, gaf een +handschrift van de roman van Lancelot aan een geestelike uit Thurgau, +die dit later in het Duits trachtte weer te geven op het voetspoor van +Hartmann von Aue's romans. Een waardiger navolger en mededinger kreeg +Hartmann intussen in een ridder uit het Beierse Frankenland, Wolfram +von Eschenbach, die heel lang aan het hof van de landgraaf Herman +von Thüringen leefde en werkte; althans één van de romans die Wolfram +bewerkte was hem door die landgraaf besteld. Ook de troubadour-poëzie +verplantte zich tegelijk van de Rijnstreek naar de hoven van Thüringen, +waar Heinrich von Moringen de leider werd van een locale school van +minnezangers. + +En eindelik komt de beurt aan het Beiers-Oostenrijkse Duitsland, waar +de eigen nationale kultuur zich nog het langst tegen de indringer +verzet had,--waar de oude heldenliederen van Siegfried en Krimhilde en +Wolfdietrich nog voortdurend in de grote hal der kastelen weerklonken en +waar het inheemse minnelied nog steeds aan de hoven gekultiveerd werd. +Uit de Rijnstreek kwam de zoëven genoemde Reinmar van Hagenau naar het +hof der Babensbergers te Weenen en charmeerde allen door zijn vreemde +koloratuur en niet lang daarna was het Oostenrijk dat in Walther von der +Vogelweide de fraaiste liederen der ridderlyriek voort zou brengen. Uit +Midden-Duitsland kwam de rondzwervende zanger Stricker naar Oostenrijk +met zijn eigengemaakte Artur-romans en het was ook daar dat later +de vrouwendienst en het rondzwervende ridderleven het verst gedreven +werden, zelfs bijna tot een karikatuur, door Ulrich von Lichtenstein. +Zelden zal een literaire modebeweging zo aardig stap voor stap in haar +ontwikkeling gevolgd kunnen worden. Maar het waren toch voortdurend de +Rijnlanden die de meest echt-Franse en de meest elegante ridderlikheid +opleverden: de klassieke ridderroman in de »Tristan en Isolde" van +Gottfried van Straatsburg, fijne ridderlike verhaaltjes in de »Mären" +van Konrad von Würzburg die te Straatsburg en Bazel werkte. + +De bewerking door Hartman von Aue der romans van Chrestien de Troyes +toont al dadelik ook zeer duidelik de punten waarin de Duitse en Franse +ridderromans altijd van elkaar verschild hebben. Bij de Fransman is de +ridderwereld een stuk van zijn eigen inheemse kultuur, die met de tijd +en de grond gegroeid is en die de burgerzoon uit Troyes met bewondering +aan de vorstenhoven om zich heen gadeslaat. Voor de Duitse ridder is +daarentegen die ridderkultuur een vreemde mode en fijne manier van leven +en voelen, waarin hij zich zelf heeft moeten inwerken en opvoeden en +waarin hij nu door zijn dichtwerk zijn landgenoten een kursus geven +wil. Waar Chrestien naïef en fris beschrijft wat hij zelf gezien heeft +en natuurlik menselik voelt, dikwels met zijn eigen burgerlikheid, +daar heeft Hartmann aan de ene kant een zekere ingeboren fijnere +ridderlikheid in zich, maar aan de andere kant kontroleert en +»stiliseert" hij ook aldoor en idealiseert alles wat hij schildert +volgens een ideaal der ridderlikheid dat hij zijn lezers duidelik +wil maken; in de gehele verhouding tot zijn stof is hij niet-naïef, +gereflekteerd, »sentimenteel". En dan: de Fransman werkt in de +»grondstof" der sagen, die hij hun eerste vorm geeft, de Duitser is de +bewerker die het essentiële van het werk afgedaan vindt en die het nu +fijner kan maken,--die ongelijkheden kan effenen, het overbodige er uit +kan laten, gebreken in de motivering kan aanvullen,--maar die er ook +licht toe komt het er wat dik op te leggen, het te veel uit te spinnen +en te overladen, of te veel en te geraffineerd te verfraaien. In +vergelijking met Chrestien is de schildering van Hartmann meer kunstig +maar ook meer gekunsteld.--Maar bovendien komt hier ook het verschil +van ras reeds op de voorgrond dat later de gehele Franse en Duitse +literatuur kenmerken zal. De Fransman heeft het nuchtere soliede gevoel +voor de werkelikheid van de Latijnse naties; met al zijn zintuigen leeft +hij in het uiterlike leven mede dat hij evenals zijn medemensen neemt +zoals zij zijn en hij heeft daarenboven een sosiaal simpatiek karakter, +dat zich in de gemoedsbewegingen zijner personen inleeft, en levendig +alle scènes dramatiseert: de aanleg van de Franse geest voor roman en +drama doet zich bij Chrestien reeds duidelik kennen. Het Germaanse +karakter van de Duitser beschouwt de dingen en neemt ze van buiten +waar, veel minder levendig en massief, hij leeft meer in zijn eigen +voorstellingen en gevoelens en hij idealiseert het leven en de +mensen naar zijn eigen dromen en idealen: de lyriese, idealistiese, +rekonstruerende aanleg van de Duitse geest openbaart zich reeds bij +Hartmann. + +»Mij lust het u te laten horen, dingen, die het zéér waard is te +bezingen," zo begint Chrestien zijn vertelling in naïeve »Lust zu +fabulieren". Daarentegen schrijft Hartmann om aan te tonen »hoe hem die +zich op de ware voortreffelikheid spitst, geluk en ere steeds zullen +begeleiden". Waar dus Chrestien de scène zeer aanschouwelik schildert en +de gebeurtenissen dramaties voorstelt, is Hartmann er steeds op bedacht +alles zo goed mogelik het ideale ridderleven te doen illustreren en de +lezers tot voorbeeld te doen strekken. Het konflikt tussen riddereer +en liefde dat de romans van Chrestien behandelen, wordt bij de Duitser +diepzinnig tot een moreel probleem, waarbij de begrippen Eer en Trouw +zeer sterk op de voorgrond treden: Door zijn gelofte te breken is +Iwein een verrader geworden, een »triuweloser man" welke allen zullen +verachten die »Trouw en Eer liefhebben". En aldoor past Hartmann op +dat alles volgens de ridderlike gewoonte en hoofsgepast geschiedt. Hij +verwerpt de realistiese jolige vergelijkingen en allerlei triviale of +naturalistiese détails over strijd of eten of kleeren, bizonderheden +waar de speellieden uit het heldenepos zich gaarne in vermeiden. +Daarentegen zijn een ideaal ridderpaard of een ridderburcht, een +tournooi of een jachtpartij onderwerpen die blijkbaar beter bij zijn +stand passen en die hij met voorliefde schildert. Waar Chrestien de een +of andere ontvangst levendig weergeeft, doceert daarentegen Hartmann hoe +de ware gastvrijheid zijn moet in tegenstelling met een die men tegen +zijn zin, gemelik zich laat afdwingen. Wanneer Chrestien mededeelt dat +Lunette bij de dienstmaagden zo geliefd was omdat zij hun de afgedragen +japonnen van de prinses gaf, of dat het bruidskleed dat de koningin +Enide ten geschenke gaf, nooit te voren gebruikt was geweest, en dat +hij de koningin haar zelf laat verzekeren dat die wel meer dan 100 mark +waard is, dan laat Hartmann dergelike burgerlike naïeveteiten eenvoudig +weg, evenals het tussen de burchtvrouwe en haar cameriere, tussen de +edellieden en de kleine burgers bij hem ook veel minder vertrouwelik, +veel deftiger toegaat dan bij Chrestien. + +In duizend kleinigheden merkt men groter takt en fijngevoeligheid bij +de Duitse edelman en diens betere opvoeding en vormen. Zo is b.v. de +gehele scène waar Erec bij de arme Vavassor intrekt en diens dochter +wint, geretoucheerd met een massa fijne trekjes: dat het jonge meisje +eigelik als stalknecht dienst doet, geneert de dichter evenzeer als +Erec zelf; haar schuchtere (bliuchliche) blikken naar hun gast en diens +verliefdheid worden veel fijner dan in het Frans weergegeven en bij +Hartmann treedt de voorname ridder met veel groter kiesheid tegenover +zijn gastheer op. En zo gaat het steeds; de uiterlike vormen zijn fijner +en netter geworden, en in plaats van het vertrouwelike »zoete, lieve +vriendin" wordt in het Duits de vorm »Frau" gebruikt waar hij haar +aanspreekt en ook in bescheidenheid, takt en fijngevoeligheid staan de +mensen hoger dan die van de eenvoudige Franse trouvère. + +Verder is de Duitser harteliker en ook meer zoetsappig-sentimenteel. +De vrouwen van Chrestien kunnen een drastiese passie tonen die bij de +Duitser tot een stille eerbare sentimentaliteit wordt. En overal komt er +een warme zachte gevoelstoon over wat er verteld wordt: de vriendschap +tussen Iwein en Gawein heeft een volkomen sentimenteel karakter en +er zijn aardige beelden uit het familieleven, hier en daar een stukje +Duitse humor, een roerend afscheid van huis, een roerend weerzien van +twee geliefden. »Hun mond was stom, hun harte zong,--het droeg een +vreugdekrone,"--heet het lyries. + +Vooral is de vrouwenverering en de liefde heel wat +zoetsappig-sentimenteler bij Hartmann dan bij Chrestien. +Zoetig-galant--»zoet" is een van zijn lievelingswoorden--is hij aldoor +bij de beproevingen van Enide, en dat zijn ook alle mensen met wie zij +in aanraking komt; zelfs het paard vindt dat zijn voeder beter smaakt +wanneer het hem toegediend wordt door de witte handen van zulk een +»zoete" stalknecht. Hij voegt er een lange roerende monoloog in waarin +Enide verklaart zich van kant te willen maken, zij vraagt de dood om +haar te komen huwen terwijl zij nog jong en fris is, en zij roept de +dieren des wouds aan om haar op te komen eten;--waren zij werkelik +gekomen, zegt de dichter, dan zouden zij alleen maar vol medelijden met +haar geweend hebben. Veel meer dan bij Chrestien wordt het daarom bij +Hartmann een sentimentele proef waarop de echtgenoot zijn vrouws liefde +stelt en terwijl het Franse gedicht daarmee eindigt dat Erec Enide +vergeeft, is het slot van het Duitse dat Erec haar om vergiffenis +smeekt. Evenzoo wordt in de »Iwein" het avontuur van de held met de +»Dame de la Fontaine" wier echtgenoot hij gedood heeft, door de Duitser +veel sentimenteler geschilderd en hogerop genomen dan bij de Fransman. +Dat een vrouw de moordenaar van haar man huwt is voor Chrestien niet +meer dan een nieuw bewijs er voor dat de vrouw honderd keer van opinie +verandert en morgen weer anders denkt dan vandaag en feitelik gebeurt +dit ook alleen om de praktiese reden het kasteel weer een beschermer te +geven. Voor Hartmann is het daarentegen »die gewaltige Minne" die de +burchtvrouwe in haar macht krijgt ofschoon zij Iwein nog volstrekt +niet gezien heeft. De dichter wil het verhaal idealiseren en +sentimentaliseren, maar maakt het daardoor eigelik alleen maar +ergerliker. + +Op zijn eigen sentimenteel-Duitse manier legt Hartmann ook een +kristelike kleur over zijn ridderromantiek. Zijn stijl is doortrokken +van geestelike en bijbelse voorstellingen en God is steeds galant en +sentimenteel voor de smeekbeden van een »zoete-meisjesmond". Enide wordt +een echte heilige, omzweefd door hemelse allegoriese wezens. Als boete +tot zekere hoogte voor zijn profane gedichten legde Hartmann er zich in +zijn latere jaren op toe Legenden in een half ridderlike, avontuurlike +sentimentele, half aestetiese stichtelike stijl om te werken. De kleine +H. Gregorius is als kind in de kloosterschool door zijn beminnelikheid +en zachtheid eigelik een vrome pendant van de Florissen en Guillaumes +der Grieks gekleurde Franse romans onder hun verblijf aan het hof. En in +»der arme Heinrich" is het dochtertje van de boerenkinkel dat leven en +bloed over heeft om de melaatse vorstenzoon te genezen, nauw verwant aan +het burgermeisje van Marie de France, dat zich voor haar geliefde ridder +opoffert. Maar er is in die Oedipus-achtige Gregorius-geschiedenis +zowel als in »der arme Heinrich" een mystiek, een drang naar de +martelaarskroon en een verlangen naar het hiernamaals, die tonen hoe +sterk de Duitse ridderromantiek nog in het teken van de levensopvatting +der geesteliken staat. + +Maar »Frau Welt" steekt het hoofd al meer en meer op aan de +Duitse hoven zo wel als aan de Franse. In zijn jonge dagen geneerde +Hartmann zich niet een veelvuldig gebruik te maken van een der +lievelingsvoorstellingen der geestelike literatuur: een dialoog tussen +het lichaam en het hart, om de levensregelen der ridderlike liefdekunst +te verklaren en hij schreef ook troubadour-liederen. Het oudste Duitse +minnelied staat over het algemeen bij Friedrich von Hausen, Heinrich +von Veldeke, Heinrich von Moringen of Reinmar von Hagenau in dezelfde +verhouding tot zijn romaanse bronnen als de romans van Hartmann von Aue +tot de hunne. + +Reeds te voren waren de minneliederen aan de Duitse hoven in zwang +geweest en de erotiese poëzie der romaanse troubadours had die niet +geheel en al kunnen verdringen, zo min als de Duitse zeden zich volkomen +naar de Franse lieten vervormen. Maar: de in één strofe paarwijze +rijmende verzen werden nu vervangen door de kunstige versmelodieën +met hun vlug rhythme, dat maar heel slecht paste bij het stijve zware +Duits door hun talrijke, door elkaar geslingerde rijmen, de getelde +lettergrepen en hun in drieën verdeelde strofen. Men voerde de nieuwe +dichterlike stijl in met de hele vrouwendienst. Men zeide van het +lichaam der Schone dat het »wolgetan" en »minneclich" was, evenals de +Provençaalse dichters het »ben estans" en »amoros" genoemd hadden, men +prees haar »Tugend" en »Guote" in plaats van »pretz" en »bontatz", bad +om genade en zwoer hulde als vasal, kultiveerde »tougen Minne", beloofde +»Verswîgenheit" en klaagde over »die huote", »die nîdaere", juist zoals +de troubadours de geheimhouding (»lo celar") als voorwaarde opstellen +voor de ridderliefde en zij tegen de »gardadors", de wachters, al de +»envios", de ijverzuchtigen, en de sluwe »lauzengiers", de lasteraars, +te velde trokken. Ook het bekende arsenaal der beeldspraak: de pijlen +van de blikken die het hart door het oog wonden, en de personificatie +der liefde vinden wij bij de Duitsers terug. Maar het meeste voelt men +toch als geleende veren en dat past soms heel slecht bij de Duitse +toestanden. De Duitse zangers zijn geen afhankelike hofpoëten die hun +meesteres moeten bezingen en haar daarom natuurlik hun vazallenhulde +bieden en die alle mogelike reden hebben tot bescheiden ootmoed en +discretie voor het geval zij zich verwaardigt hen te begunstigen. +Het zijn integendeel voorname edellieden en welgestelde hovelingen +en de vrouwen hebben er geen politieke en sosiale machtspositie als in +Zuid-Frankrijk. De zangers verbergen de naam hunner aangebedene dan ook +niet en dikwels zal het ook een ongetrouwd jong meisje geweest zijn dat +zij openlik, en in eer en deugd het hof maakten. En zo ontmoeten wij bij +die onderdanige huldigingsgedichten der dames naar de nieuwe mode bv. +nog steeds die oude »Frauenstrophen" waarin de vrouw zich niet geneert +haar liefdesverlangens en smeekbeden bloot te leggen en uit te spreken +of zich eerst voorneemt zoals 't past, trots zich op een afstand te +houden, maar weldra overslaat en eigelik niets liever verlangt dan naakt +in zijn armen te liggen. + +Maar over 't algemeen kan men toch zeggen dat overal Duitse tonen door +de conventionele nabootsing heen breken. Heel ver van de vormen der +troubadourpoëzie is bv. de jolige platduitse humor in meer dan één van +Hendrik van Veldekes platduitse liederen: het jonge meisje dat haar +aanbidder weg heeft moeten zenden omdat hij »lose minne" van haar +durfde vragen; zij vindt het vervelend dat hij niet zo is geweest +als zij van hem verwachtte maar zij neemt het zijn »ziek gemoed" niet +kwalik, verheugt zich op de komende zomer en heeft plezier in vrolike, +onschuldige »bliskap". Of het huiselike, klagende innige der liederen +van Albrecht van Johannesdorff, terwijl hij op een kruistocht naar zijn +geliefde terug verlangt: »Hoe liefde begint dat weet ik wel; hoe die +ophoudt weet ik niet... Mijn eerste liefde zal mijn laatste zijn... God +geve dat ik haar in ere terug moge vinden als ik weer thuis kom, dan +is mijn beste wens vervuld. Indien zij onderwijl haar leven veranderd +mocht hebben, dan wens ik zelf op reis om te komen! Een ding raad ik +haar, dat haar woorden oprecht mogen klinken en dat zij zich eerlik +»einvalteclîche" gedrage tegenover mij." Zeer Duits gekleurd is +tenslotte ook Reinmar von Hagenau's slechts weinig gepassioneerde maar +lyries sentimentele aanbidding van het »ewig weibliche."--»Met passende +klachten en zonder aanstoot te geven" (ân arge site) zal hij zijn +ongelukkige liefde dragen; hoe lang hij ook leeft, zijn gehele bestaan +zal aan haar gewijd zijn, en niet alleen aan haar, maar aan de vrouw +in 't algemeen wijdt hij zijn lied. »Wel u vrouw, wat een reine naam, +zo zoet t'erkennen en zo zoet te zeggen, zo veel als gij kunt, kan er +geen volbrengen, uw lof geen mens volprijzen kan, hij die gij lief hebt +is een zalig man, één vreugd is hem het leven. De hele wereld geeft +gij lust en moed, waarom hebt gij nooit het minste mij gegeven?" Die +verering van de vrouw in het algemeen, in plaats van »een" vrouw is een +spesiaal Duitse vorm van de liefdepoëzie der troubadours,--een groot +deel van het verschil tussen de Franse en Duitse minneliederen ligt in +die verschillende opvatting uitgedrukt. + + * * * * * + +Zoals al gezegd is, trok Reinmar von Hagenau naar Weenen en zijn +leerling was Walther von der Vogelweide. De ridderromans van Hartmann +vonden ook hun weg oostwaarts en in Beiers Frankenland vond hij +een navolger in Wolfram von Eschenbach. In deze beiden, de twee +eerste geesten onder de dichters der Duitse middeleeuwen, vindt de +ridderromantiek het Duitsdom in zijn krachtigste vorm, zoals die in +het Zuid-Oosten bloeide en de Nationale poëzie zoals die zich in het +Nevelingenlied en het repertoire der scholastici vagantes vertoonde. + +Walther von der Vogelweide was niet zoals de vroegere minnezangers +een adelik dilettant, die de Romaanse troubadourpoëzie als een +gezelschapsspelletje beschouwde; hij behoorde wel tot de adel, maar was +zonder enig fortuin, zodat hij als een mindere van de rondtrekkende +speellieden door muziek en zang de kost moest verdienen. Zijn lied +komt voort uit het populaire speelmanslied en dat der vaganten, +zoals dit bij de oudere Provençaalse troubadours het geval was, en +zodoende is hij feitelik een veel zuiverder pendant daarvan dan hun +directe navolgers dit waren. Hij zong ter ere van de Heren die hem +onderhielden, verdedigde hun politiek en viel hun vijanden aan; bij +alle gebeurtenissen van den dag meende hij ook een woordje meê te moeten +spreken in wat wij nu berijmde pamfletten zouden noemen, en hij dichtte +»Sprüche" en »Sinngedichte", zoals de oude speellieden gedaan hadden; en +evenals deze ontzag hij zich niet bedelverzen te zingen of spotverzen +op zijn mededingers. Eerst leefde hij aan het hof te Weenen en prees de +vrijgevigheid van Hertog Frederik als groter dan die van Koning Artus; +maar toen de nieuwe hertog minder belang in poëzie bleek te stellen, +trok Walther weg en stelde in een gedicht Weenen voor als klagende over +het verval van een glansrijke periode. Een tijd lang was hij de »man" +van Hermann von Thüringen en hemelde hem op als de »Bloem van Thüringen" +die steeds heerlik riekt en schittert, wanneer alle andere hoven reeds +lang niet meer bloeien; al kostte een vat goede wijn ook wel 1000 pond, +bij de landgraaf zou de beker van geen ridder leeg staan! Ook met andere +kleine vorstenhoven stond hij in verbinding, maar hij sloot zich toch +meer en meer bij de keizers aan: eerst bij Philip van Zwaben, wiens zaak +hij voorstond tegen de Paus en de tegen-keizer Otto, terwijl hij niet +nalaat tegelijk om een paar druppels van de zegen der vrijgevigheid te +vragen en hij de royaliteit van een Saladin en Richard Leeuwenhart de +keizer als voorbeeld voor ogen stelt. Na de moord op Philip koos Walther +de partij van keizer Otto maar verliet die weer voor Frederik II,--wel +ietwat te veel volgens de lijfspreuk der rondzwervende zangers: »wiens +brood ik eet, diens woord ik spreek," terwijl hij zich bovendien maar al +te dikwels zijn »zangerloon" door bedelarijen en dreigementen wist te +doen geven, en hij ook meer dan eens danig van zich afsprak tegenover +»Hr. Wichmann" of Nidhardt of hoe die andere »Professionals" heetten die +hem concurrentie aan wilden doen. + +Alle stemmingen der »Vagantes" heeft hij doorleefd en geeft daar +uitdrukking aan in een lyriese poëzie, heel wat vrijer, persoonliker +en rijker dan die uit de gedichten van hovelingen als Friedrich von +Hausen of Heinrich von Moringen spreekt. Hij heeft de druk van de +winter gevoeld en de vreugde wanneer »het seizoen" weer begon, zoals de +vagantes en een Meester »Spervogel" of »Suchenwirt" en andere vogels van +enigsins verdacht allooi ze gevoeld hebben. De wintertijd, wanneer de +wereld van geel, rood en blauw, bleek en grijs geworden is en de kraaien +krijsen en de vorst de kleine vogeltjes en de arme mensen plaagt. Als +hij die strenge tijd nu maar verslapen kon, tot hij de meisjes weer met +de bal kon zien spelen en de boer aan zijn veldarbeid ging! Zoete zomer, +waar blijft ge? Zo lui te liggen en als in de ijzers geslagen, dat is +alsof je een monnikspij aantrekt. Het bittere gevoel van geen thuis te +hebben heeft hij gekend, hij smacht er naar eindelik eens niet zijn +brood bij vreemden te eten, maar nog eenmaal zijn voeten onder zijn +eigen tafel te steken en als gastheer begroet te worden door zijn +vrienden, en wanneer hij eindelik op latere leeftijd een stukje land +heeft weten af te troggelen, kent zijn vreugde geen grenzen. »Ich han +min lehen, al die Werlt, ich han min lehen" en nu vreest hij geen vorst +meer in zijn tenen!--Ook de aanvallen van doodsangst en walg van het +leven kent Walther als zo menig andere Bohémien,--wanneer hij »Frau +Welt" vaarwel zegt en de onvriendelike waard zijn groeten zendt en dat +hij zijn schulden nu betaald heeft en zijn naam nu van het zwarte bord +verdwijnen kan,--»ik zou liever geld van een Jood lenen dan _hem_ nog +langer iets schuldig zijn; hij zegt niets vóór hij je plotseling de deur +uitzet als men niet betalen kan." Of wanneer hij,--gelijk zo menig +vagebond vroeger of later, b.v. Villon--in een ogenblik van weemoed al +zijn roerende goederen vermaakt, voordat hij »fare" moet, opdat er geen +twist tussen zijn erfgenamen kome--al zijn ongelukken aan zijn vijanden, +zijn beslommeringen aan de leugenaars; aan de vrouwen schenkt hij zijn +hele verlangende liefde!--Maar in den regel is het toch de vreugde die +hij bezingt, de jeugd, de natuur en de liefde, zoals de vaganten dat +deden. Waar de »höfische" lyriek liefst elegies het hoofd laat hangen, +daar is Walther de zanger van de vreugde. De ouden van dagen mogen hun +leeftijd voelen, maar zij mogen de wereld niet ook oud maken; waarom +hebben de jongeren hun jonge sterke lichaam als het niet is om de +vreugde te kultiveren? Is men jong en rijk op de koop toe, kan niemand u +overwinnen en dan moest men in de lucht zweven van plezier. Mij die arm +is heeft Vrouw Fortuna toch meer opgewektheid gegeven dan den rijke. Hij +die beslommeringen heeft moest maar eens aan goede vrouwen denken en het +schitterende jaargetijde, dan raakt hij zijn nachtmerrie wel kwijt. + +Walther is dol op de natuur en leeft daar heel wat meer vóór en ìn, dan +de echte Hofzangers. Hij bezingt het bontgekleurde tapijt der heide, +wanneer die zich over haar winterzorg begint te schamen en bloost als +zij het bos ziet groenen. Maar meer nog houdt hij van het bos zelf +en het allermeest van de vriendelike weiden en de velden, waar de +grassprietjes in de spelende zonneschijn staan te lachen en de bloemen +en de klaver met elkaar schijnen te wedijveren wie het hoogst op schiet. +Indien ik zulk een zalige dag als deze voorbij liet gaan, dan was ik wel +gek,--barst hij in overstromende lentevreugde uit. God zegene u allen +en wenst gijlieden mij nu ook maar veel geluk!--Op een warme zomerdag +zocht hij de schaduw onder een boom op een weide bij een beekje--in +zijn gedicht gebruikt hij bijna dezelfde woorden als een Latijns +Vagantenlied--en daar valt hij in slaap en droomt hoe hij over alle +rijken der wereld heerst en hoe zijn ziel uit alle beslommeringen +weggerukt wordt en ten hemel stijgt,--tot een domme kraai hem tot de +nuchtere werkelikheid terug roept. + +Ook in zijn minneliederen bleef Walther in verbinding met de speellieden +en de dansliederen. Offisieel was het zijn werk het hof te amuseren +en daarvoor heeft hij zeer zeker de hofminneliederen van zijn leraar +Reinmar von Hagenau nagedicht. Hij voelt zulk een gedicht heel wat +sterker dan de vroegere minnezangers als iets dat _besteld_ is en noemt +het zijn taak in die toonaard en die geest te zingen zoals het _volk_ +het wenst: »swie sî sint, sô wil ich sin,--daz si niht verdrieze mîn." +Voor hem hoort het tot de hoofse omgangsmanieren om zich één met de +mensen te voelen met wie men samen is, en hij is bang om uitgelachen +te worden wanneer hij alleen vrolik is terwijl al de lui om hem heen +bedroefd zijn. En zo zingt hij ter ere van de voorname vrouwen en maakt +zich de heraut van hun schoonheid; maar hij doet het voor zangerloon al +is het maar een vriendelike »gruoz" en hij verklaart ronduit dat hij hun +de rug toekeert indien zij dat niet voor hem over hebben en dan zullen +zij ook gauw genoeg merken dat het met hun goede reputatie uit is. +Maar hij geeft de conventionele, de Provençaalse dichters nageaapte +vrouwendienst en de hele stijl die daarmeê in verband staat, toch +heel spoedig op. In plaats van het »Vrouwe"--het »domina", meesteres, +der troubadours--gebruikt hij in een fraai gedicht: »Wîp" als de +erenaam der vrouw,--de natuurlike naam van het geslacht in plaats +van de conventionele aanduiding van de stand en hij verheerlikt de +»echtgenote" in plaats van de »vriendin". Mooi en natuurlik, zoals nog +geen een dichter vóór hem, geeft Walther uitdrukking aan zijn echt +rechtstreeks plezier in de schoonheid der vrouw: schoner gezicht zelfs +dan de pracht der zomerweide is hem de schone reine vrouw, wanneer zij +in een nette dracht en fijne witte hoofdtooi ten feeste opgaat, in +fiere houding en door haar maagden begeleid, maar nu en dan toch eens +vriendelik omkijkend,--een zonne tussen sterren. Met het beeld der +uiterlike schoonheid vermengt zich hier reeds de hoofse zedigheid en +de innerlike schoonheid der ziel. Maar nog inniger--en in verzen die +nog heden geschreven hadden kunnen zijn--wordt de liefde der vrouw +verheerlikt als de beste balsem voor het verlangend hart van de man. +»Zalig verlangen, haar heb ik gevonden,--in mijn hart, daar keerde zij +in,--heel mijn gemoed heeft zij betoverd, gebonden, mij beroofd van +bewustzijn en zin--Nooit meer kan ik van haar scheiden, door haar +goedheid en haar gratie, en haar rode mondje dat zo zoetjes lacht." +»Maar," gaat Walther verder door, »liefde is slechts liefde wanneer die +door beiden gedeeld wordt, die moet het geluk van twee uitmaken; als +die er eén ongelukkig maakt, dan heet die ten onrechte liefde,"--voor +de sentimentele elegiese troubadour die zich in zijn eigen smachten +verkneutert, voelt Walter niets. »Liefde is niet goed voor één alleen, +daar moeten er twee voor zijn, en wel zo dat die de twee harten +doordringt maar ook niet meer." En de vrouw en de man moeten hetzelfde +in die liefde voelen: jubelt de man dat »het geluk dat een man ten deel +kan vallen, werd het mijne, toen zij mij eerlik rechtuit verklaarde +dat ik haar na aan het hart lag", even openlik erkent de vrouw dat zij +in hem ook »wîbes heil" gevonden heeft, het geluk dat voor de vrouw +weggelegd is. Voor beiden moet de liefde iets zijn wat ze in de goede +zeden opvoedt: _hij_ komt tot haar en bidt haar er met »Maze" de schaaf +bij hem over te laten gaan, maar nu verklaart zij bescheiden dat hij +even goed aan haar heel wat op te voeden zal vinden; en dan vertelt +_hij_ haar wat de man bij de vrouw verwacht: trouw en zedigheid, maar +tegelijkertijd opgewektheid en beminnelikheid, en _zij_ hem wat de vrouw +graag in de man ziet: vrolikheid, maar gelijkmatigheid van karakter en +trouwe toewijding. En vrouwen die zo kunnen beminnen en ook zo bemind +kunnen worden, die vindt men, volgens Walther, alléén in Duitsland: vele +landen heb ik gezien, maar nooit nog vond mijn hart smaak in vreemde +zede; Duitse zedigheid gaat boven alles, van de Elbe tot de Rijn, en +helemaal tot Hongarije, daar vindt men de besten als ik tenminste iets +van geestesgaven en lichaamsschoonheid af weet; hij die deugd en reine +liefde zoekt, moet naar ons land komen. + +Dikwels gaat Walther ook van de conventionele »hohe minne" der hogere +kringen op »die niedere minne" over en bezingt dan burgerdochters en +boerenmeisjes in een fris gedichtje in de volkstoon. »Herzeliebes +frowelîn," zingt hij, »de mensen maken er aanmerking op dat ik mijn +snaren zo laag stem, maar zij die zo spreken, hebben nooit liefgehad. +Zij die aardse goederen nastreven of schoonheid, voelen de ware liefde +niet. De liefde maakt de vrouw haar schoonheid uit en laat ze maar +praten, ik heb liever jou ring van glaspareltjes dan de gouden ring van +een koningin..." »Neem deze krans," zeide hij in een heerlike droom die +hij verleden had, tegen een »wôl getanen maget", en met blozende kaken +en neergeslagen ogen nam zij die als een schuchter kind en »geschiedde +er meer, dan bewaar ik dat in mijn heimelikheid." Nooit was groter +vreugde mijn, de bloemen daalden van de bomen over ons in het gras +neder,--toen het eilacy! dag werd en ik uit mijn droom ontwaakte. En nu +loop ik alle meisjes sterk in de ogen te kijken of zij er ook bij is, +van wie ik droomde. »Wie weet of zij hier niet bij is, bij deze dans? +Wees zo goed, o schonen, uw hoed wat op te schuiven, ach! zag ik haar +maar met haar krans!"--Schelms en lief zingt ook het jonge meisje +hoe zij en haar vriend zich onder de linde op de weide een plaatsje +uitgezocht hebben. Menigeen die daar voorbijkomt zal moeten lachen als +hij ziet hoe het gras en de bloemen er uit zien! Aan de rozen zal hij +het kunnen zien waar mijn hoofd lag. Als iemand wist dat hij bij mij +gelegen had, zou ik mij dood schamen en wat hij met mij deed, dat hoeft +niemand te weten behalve hij en ik en een klein vogeltje. Tietewiet! dat +zit hier niet ver vandaan! + +Dat is artistiek verfijnde volkskunst. En zo staan ook Walther's +politieke »Dienst"-gedichten duidelik in verband met de oude populaire +dicht-genres der Speellieden. Van de heidense tijden af waren +volksdichters gewoon geweest de een of andere gedachte uit te spreken +in de scherpe, treffende kernachtige vorm van een korte strofe gekleed, +die òf op een bepaalde gebeurtenis sloeg òf van meer algemeen satiriese +of morele aard was en soms een zekere leerstelling door een »exempel" +illustreerde. In dergelijke »Sprüche" en »Bîspeln" geeft Walther +gewoonlik zijn politieke journalistiek ten beste en heft daardoor ook +zijn schimpdichten en zijn bedelpoëzie boven die van het ogenblik tot +de waardigheid van werkelik diepere dichtkunst op, een poësie soms +satiries, filosoferend of moraliserend. In zijn korte kernachtige +»zinnekens" verstond hij de kunst de kern van de Duitse nationale +politiek bloot te leggen, die hij voorstond en om het »los van Rome", +de grondgedachte der Hohenstaufen, in alle toonaarden te variëren, van +energies pathos tot bloedige hoon en bittere komiek--en dat steeds weer +in nieuwe beelden en vormen die zelfs de kunst van de beste »Sirventes" +der troubadours overtreffen. Men ziet dadelik dat hij hier uit +zijn eigen volle nationale overtuiging spreekt. En in zijn meer +algemene morele berijmde beschouwingen legde hij zijn gehele etiese +levensbeschouwing bloot met als idealen twee deugden: »Maze" de deugd +der ridderlike vormen en »Staete", de voornaamste der oude Germaanse +deugden. »Maze" is evenals het Franse »mesure" in het algemeen +hoofsheid, fatsoen, zedelike tucht. »Unmaze" legt zowel de vrouw aan +den dag die als een man optreedt, als omgekeerd de man die zich als een +vrouw aanstelt, zowel de ridder die als een monnik leeft, als de monnik +die de allures van een ridder aanneemt, zowel hij die zich boven zijn +stand wil verheffen als hij die zo lang drinkt tot zijn tong dubbel +slaat en hij niet meer op zijn benen kan staan. En tot »Maze" hoort vóór +alles, Gode te geven wat Godes is en de wereld wat der wereld is, »Gotes +hulde" dus te zoeken zowel als »weltlich ere",--goed te onderscheiden +tussen de hemel die Gods is en de aarde die des Keizers is. Maar nog +hoger schittert toch »Staete". Walther's ideaal: »Staete" betekent de +mannelike vastberadenheid, de opene integriteit, de onbuigzaamheid en +trouw die reeds Tacitus zo bij de Germanen prees,--trouw tegen zich zelf +zowel als tegen anderen. De man moet uit één stuk zijn, en »vierkant", +wat de Grieken »tetragonos" en de Romeinen »quadratus" noemen, evenals +nog in 't Frans carré, zijn zin moet vast zijn als steen, en rechtuit, +zo recht als de pijl uit een boog,--niet glad als ijs of een aal,--zijn +woord moet zonder tweetongigheid zijn, beter één eerlik Neen! dan twee +gelogen Ja's, zijn hart zonder valsheid, zoet als de avondschemering die +een heldere dag voor morgen voorspelt,--de ware man wordt nooit +»nieuw",--wien hij éénmaal wel wil, wil hij ook wel voor altijd. + + * * * * * + +Aan het hof van Hermann van Thüringen trof Walther de dichter van de +Parzival, _Wolfram von Eschenbach_, die in de lyriek een dergelike +plaats inneemt als Walther, terwijl hij zich ook in een krachtige Duitse +geest aan de ridderromantiek wijdde. Evenals Walther is hij van adel, +maar zonder geld; hij is geboren, zegt hij, tot »Schiltes Ambet" en laat +er zich zelfs erg op voorstaan dat hij heel weinig gelezen heeft en niet +kan schrijven. Hij is uit Beieren en verklaart dat »wij Beieren zijn +dapper, maar verstand en hoofse vormen is niet iets voor ons". Toch +heeft hij met zijn grote drang naar ontwikkeling en vormen getracht zich +het hele evangelium van het nieuwe Fransdom eigen te maken, zowel als +allerlei geleerdheid over landen en volkeren en natuurfenomenen, gelijk +hij zich ook brutaalweg inlaat met allerlei geheimzinnige teologiese +bespiegelingen. En met al de verachting van een krijgsman voor boeken, +heeft hij als de echte autodidact die hij is, er altijd plezier in +zijn half verteerde wijsheid uit te kramen. Zijn taal is doorspekt met +Franse woorden en eigengemaakte Franse uitdrukkingen en hij kan op de +vermakelikste manier het »gaste forest soutaine" van zijn Franse bron +tot »de woestijn in Soltâne" maken en »Une dame gisait" tot »Vrouwe +Jeschute" en soms steekt hij zelf de gek met zijn Beiers Frans. IJverig +heeft hij Heinrich von Veldeke en Hartmann von Aue bestudeerd en met +hen als leermeesters tracht hij zichzelf en zijn landgenoten naar de +nieuwe moderne ridderlikheid te vormen. Maar veel van de oude bekende +heldenzangen hoort hij nog in zijn oor klinken en hij kent de oude +heldensagen goed en wij vinden al de karakteristieke uitdrukkingen +daaruit, als »Degen" en »Recken", »balt" en »ellenthaft" in zijn +ridderstijl terug. Het was geen toeval dat hij het niet beneden zich +achtte om een van de wildste oud-Franse Heldendichten--Aliscans--te +bewerken, ofschoon, dat dient er bij gezegd, in een merkwaardig +ridderromanties kleed! + +Er is een frisse, kernachtige kracht, een flinke durf in die Beierse +ridder en zanger. Aan de levende ridderwereld van de oorlog en de jacht +en het paard en het zwaard, ontleent hij krachtige en schilderachtige +beelden voor alles wat hij uit wil drukken. De morgenzon heeft zijn +klauwen door de wolken geslagen en stijgt met macht; trouw zit in het +maagdelik gemoed, vèr-blikkend als de helderziende valk; voor een van +zijn personen breekt de »kling der vreugde" plotseling dwars door bij +het heft, voor een ander is de smart reeds zo ver van honk gereden dat +geen speer die meer in kan halen. Maar er is ook een brede Beierse humor +in hem, sterk verwant aan die van de gedichten der speellieden. Midden +in zijn verhaal vallen er hem woordspelingen of barokke vergelijkingen +in, of kan hij niet nalaten zijn eigen personen voor de gek te houden; +soms krijgen wij op eens een vermakelike scène aan het hof van Thüringen +of uit zijn eigen levensgeschiedenis of tapt hij een hatelikheid +op de stereotiepe beschrijvingen van andere dichters. En gewoonlik +geneert hij zich niet,--hij toont zich de man die hij is en er zit niet +weinig zinnelikheid in hem. Zijn grapjes draaien daarom dikwels om het +geslachtsleven en zijn dubbelzinnigheden zijn gewoonlik grof en als hij +er maar even kans toe ziet, beschrijft hij graag de vrouwelike vormen en +een nacht van liefde. Zijn ridders en vrouwen en meisjes munten meestal +uit door een grote mate van zinnelikheid en zijn ridders hebben het +voortdurend over vrouwen en behandelen ze meer op de wijze der baronnen +dan echt ridderlik. + +Gemoedelikheid en karakter is er genoeg in het werk van Wolfram. Hij +heeft het warme frisse gemoedsleven van de Zuid-Duitser en zijn poëzie +ziet de wereld door een glimlach en tranen en voelt voor het geluk en +het ongeluk der mensen waar zijn pen van schrijft. Humor, idyllen, +sentimentaliteit, alle straalbrekingen van het gemoedsleven zijn er in +de poëzie van Wolfram von Eschenbach evenals in die van Goethe of Jean +Paul. De hele Parzival door wordt de belangstelling van de lezer gaande +gehouden door aardige kleine scènes en episoden: nu eens wordt er +humoristies de treurige hongerkuur geschilderd die de bezetting van een +belegerde burcht moet verduren, dan eens is het een ridder die Parzival +op zijn kasteel ontvangt en met de bedachtzaamheid van een familievader +zijn schuchter jong dochtertje en de knappe vreemde ridder samen tracht +te brengen. Of Gaweins zeer jonge zuster, die voor het eerst in haar +leven met een ridder spreekt, en om beurten rood en bleek wordt wanneer +die haar zeer dierbare groeten komt brengen van niemand meer of minder +dan de Koning zelf, voor wie zij reeds lang in het geheim gezucht heeft. +En overal in het boek schitteren beelden en vergelijkingen die van een +bizondere sentimentele vlucht der fantasie getuigen: De groene vreugde +van Parzival wordt volkomen ontkleurd,--de gedachte aan Sigune trok +de vreugde te voorschijn uit het hart van de held gelijk de bij de +zoetigheid uit de bloemen zuigt,--de sterren begonnen zich te vertonen, +de boodschappers van de nacht, die haar voorafgaan om haar herberg te +bereiden. + +Maar die zoete kern is bij Wolfram in een verwonderlik harde schil +verborgen. Zijn stijl is even hortend en stotend, even verward en met +presies zulke uitwassen als de Duitse taal zelf met zijn ophoping van +sisklanken en harde konsonanten en zijn in elkaar gedraaide zinsbouw. +Evenals de verzen van de IJslandse Skalden zijn die van Wolfram vol van +de meest capricieuse onvoldragen en geheel en al mankgaande beelden die +een merkwaardige neiging vertonen om in onverteerbare klompen samen +te groeien of zich in onontwasbare knopen door elkaar te slingeren. +Zijn fantasie is even groot als zijn smaak barok is, hij houdt er van +allerlei kunstige omschrijvingen te bedenken en heeft plezier in de +wonderlikste vergelijkingen: het is alsof hij er een eer in stelt alles +op zijn eigen manier te zeggen en het de lezer zo lastig mogelik te +maken om hem te volgen. Wolfram is een echte Germaan die zijn hoed +draagt zo als hem dat nu eenmaal belieft, en die nog trots is op zijn +eigenaardigheden ook. + +In de Franse romans van Parzival vond de Beiers-Frankiese dichter een +voorbeeld dat hem in het hart grijpen moest. Daar leest men immers hoe +een jonge, naieve, onbeschaafde bewoner van Valois,--maar dat is nu +juist, zegt Wolfram, alsof wij zeggen zouden: een Beier--langzamerhand +in de ridderlikheid ingewijd en tot een voorbeeldig ridder gemaakt +wordt; hier vond men nu juist zulk een kursus in goede zeden en +ridderlik denken als Wolfram zelf wenste te doorlopen en zijn +landgenoten voor te kunnen houden. Het zou zijn levenswerk worden om die +gedichten in het Duits over te brengen en Wolfram's Parzival werd het +belangrijkste en meest echt-Duitse werk van de Duitse ridderromantiek. +Nu is het natuurlik op dit ogenblik heel moeilik met zekerheid aan te +geven wàt er in dat werk van hem is en wat hij aan de Franse bronnen te +danken heeft. Als een dier bronnen noemt Wolfram naast het gedicht van +Chrestien de Troyes vooral »Kyot van Provence" (waarschijnlik Guiot) +maar dat gedicht is niet tot ons gekomen. Maar in hoofdtrekken kan men +toch wel aan ieder het zijne geven. + +Die Franse schrijver zal van Anjou geweest zijn, hij heeft altans ter +ere van het Angevin-Engelse koningshuis Parzival een prins van Anjou tot +vader gegeven en er een hele voorgeschiedenis bij geschreven over diens +heldendaden in Azië en zijn huwelik met een koningin der Moren,--alles +in de gewone stijl van de epiek der Kruistochten. Trouwens, hij heeft er +veel Oosterse elementen der Kruistochten bijgevoegd, citeert Arabiese +werken die hij in het Latijn gelezen heeft en is een van degenen geweest +die het meest gedaan hebben om de Graalromantiek met geestelike mystiek +te doortrekken; hij zal dan ook wel een geestelike geweest zijn. +De Graal is nu niet meer een schotel, maar een steen met allerlei +wonderbare eigenschappen. Die bezaten ook volgens de Oosterlingen +vele edelstenen en meteoorstenen, en zowel te Mekka als in Phoeniciese +steden en in Klein-Azië aanbad men in de oudheid heilige stenen. En +de Alchimisten hebben het altijd over de »Steen der Wijzen". Een heel +merkwaardig verhaal hangt Guiot (Kyot) nu op over de Graalsteen die uit +de Hemel naar de aarde gebracht was en eerst bewaakt was door de Engelen +die als »neutralen" uit de Hemel verbannen waren geworden, maar die nu +bewaakt werd op een kasteel »Mont Sauvage" (of Mons Salvationis) en +bediend door een ridderschap van kuise Tempelridders. Elke Goede Vrijdag +wordt de wonderbaarlike kracht van de Steen vernieuwd door een oblaat +waarmeê een duif uit de Hemel aan komt vliegen. De eerste Graalkoning +was Titurel, de tegenwoordige is Amfortas maar die is tot straf voor een +zondige liefde met ziekte geslagen. In het algemeen is de Graalmystiek +in dit werk heel wat meer geestelik-asceties en Oosters gekleurd dan +die van Chrestien. Er is ook een mystieke tovenaars-figuur ingevoegd, +die van Clincheor (Klinschor)--een soort Merlijn maar een boosaardig +halfmens--die op »Chateau Merveille" woont; en uit een Brabantse sage is +de Zwanenridder Lohengrin er bij gehaald die een onschuldig aangeklaagde +prinses redt en door Kyot tot ridder van de Graal gemaakt is en de zoon +van Parzival heet. + +Dit ridderlik-geestelike gedicht is het nu dat Wolfram verduitst +heeft en vrij bewerkt in overeenstemming met zijn eigen karakter en +persoonlikheid. Veel meer dan de Graalmystiek is de geschiedenis van +Parzival zelf voor hem hoofdzaak en daardoor is die bij hem veel dieper +en tot een wereldlike »Erziehungsroman" geworden zo als later »Wilhelm +Meister" en in dramatiese vorm »Faust" dat is. Wat hij van Parzival +maakt is, als men het zo uitdrukken mag, de »perfect gentleman", niet +alleen in uiterlike ridderlikheid waar het voor Chrestien bijna alleen +op aan kwam, maar vooral in de hogere vorming van het hart en het +karakter, in een volle en echte menselikheid zoals het ideaal daarvan +zich voor een Beiers ridder voor moest doen. + +De jonge, in het bos geboren en getogen knaap is hier niet alleen zoals +voor de Fransman, een simpel onbeschaafd jongeling uit Wales die door de +wereld afgeslepen moet worden; Wolfram herkent zich zelf en zijn eigen +Beieren in die frisse oprechte kinderlikheid en bekijkt met hartelike +welwillendheid zijn onervarenheid en eerlikheid, waarachter hij alle +deugden van hart en karakter vermoedt. Reeds in het begin van zijn werk +begroet hij zijn held als »traeclîche wîs",--hij die traag rijpt en +langzaam, maar dan ook des te heerliker vrucht geeft. Zo hadden de +Germaanse heldensagen er steeds behagen in geschept hun helden voor +te stellen--wat van Beowulf verhaald wordt, geldt ook van vele andere +helden, hoe ze in hun jeugd eigelik wat achterlik waren en geminacht +werden, zoals dit ook bij ons in het Noorden zo dikwels met de rijkste +naturen werkelik voorkomt. Juist onhandigheid en naïeveteit zijn de +eigenschappen waar Wolfram veel voor voelt als de karakteristieke +kentekenen van jeugdigheid en onbedorvenheid. Zijn »süeziu jugent" +brengt hem in verrukking; hij is »tumb und wert", hij is »gein valscher +fuore ein tor", een dwaas tegenover alle valse streken,--zoals Thor dat +in Jotunheim is. + +Een echt Duits lyries dwepend jongeling is hij ook, die Parzival van +Wolfram, wanneer hij in de eenzaamheid van het bos ronddwaalt en zijn +borst uit voelt zetten bij het zoet gekweel der vogeltjes, dat zijn hart +doordringt; wenend loopt hij naar zijn moeder en kan haar niet verklaren +waarom hij weent. Dat is hetzelfde verlangen om weg te komen, dat reeds +»zijn linkerborst doet zwellen" evenals dat hetwelk zijn vader er uit +dreef en later ook de jongeling zelf er uit zou jagen--alle vlakten +waren hem nog te eng, al het groen scheen hem verlept, zoals het ergens +over hem heet. Een verwonderlik dromerige zwaarmoedigheid en dwepend +verlangen blijft de Duitse Graalheld aan de eenzaamheid wijden en aan +rusteloos smachten; in gedachten verzonken, leeft hij op meer dan een +plaats, soms raakt hij helemaal zijn hoofd kwijt; die hele figuur +schijnt als een uitwerking van het oude Keltiese sprookjesmotief dat +Chrestien reeds voor Parzival gebruikt heeft, maar dat Wolfram veel +verder uitwerkt: de held die op zijn omzwervingen een zekere dag in +gepeins verzinkt bij het zien van een paar bloeddruppels in de witte +sneeuw, die nu het gezicht van zijn geliefde voor zich ziet en de gehele +dag door daar blijft staan, in smachtend verlangen verzonken. + +Nu gaat Parzival de wereld in en verlaat zijn moeder. Maar reeds bij +zijn eerste stappen veroorzaakt hij, zonder het te willen en zonder +het te weten, ongeluk op ongeluk door zijn naïeve onachtzaamheid +en gedachteloosheid en hoopt de ene schuld op de andere; door zijn +moeder te verlaten legt hij haar in het graf, hij doodt een zijner +bloedverwanten om diens wapenrusting machtig te worden en is de oorzaak +dat Jeschute door haar man verdacht en hard behandeld wordt. Maar dat +gebeurt alles terwijl hij eerlik meent de raad van zijn moeder te +volgen: »sus riet mîn muoter" zegt hij telkens weer, en zijn »zoete +jeugd", zijn goed hart, zijn flink karakter komen altijd weer te +voorschijn en winnen de harten van allen. Alles wat hij nodig heeft +is slechts dat hij door onderricht en ervaring wijzer worden moge. + +Onderricht,--dat geeft hem evenals bij Chrestien, de oude ridder +Gurnemanz en op zijn tochten treft de jongeling ridders en dames wier +optreden een voorbeeld is voor hem--en voor Wolfram's lezers. Het +gedicht is om zo te zeggen één kursus in uiterlike vormen en als in +het geval van Hartmann tracht ook hier de Duitse leerling zijn Franse +leermeester in pedant ceremonieel te overtreffen. Ridder Key, de +drossaart van Arthur, die in de Bretonse romans altijd uitgelachen +wordt, verdedigt Wolfram omdat hij zo goed de etikette in acht doet +nemen; het hof van de Thüringse landgraaf zou zulk een ceremoniemeester +uitstekend kunnen gebruiken. Dames en ridders trachten elkaar in het +gedicht in tucht en hoofsheid de loef af te steken, en zelfs wanneer +Gawein na een gevecht doodvermoeid ter neder ligt en geen lid verroeren +kan, maakt hij nog duizend excuses tegen de jonge meisjes die hem +verzorgen dat hij daar zo »ungezogenlîche" blijft liggen. »Gezogenlich" +en »Vuoge" zijn de uitdrukkingen voor dat zekere »decorum" dat Wolfram +najaagt. Maar behalve in de uiterlike riddervormen geeft de Gurnemanz +van Wolfram, veel meer dan die van Chrestien, Parzival ook diepere +morele levensregels ten beste: karaktervastheid en ootmoed, +barmhartigheid voor hen die in nood zijn, achting voor de vrouw, trouw +in de liefde,--dat zijn de deugden die hij hem voorhoudt en aanprijst. +En bij Wolfram is het dan ook juist door een afwijken van die diepere +moraal dat Parzival eerst zondigt, om daarna, als hij het weer goed +gemaakt heeft, te zegevieren. + +Uit de handen van Gurnemanz en na diens onderwijs genoten te hebben, +komt Parzival aan het slot van de jonge ridderdochter Kundwiramur waar +hij zijn opvoeding in de liefde-kunst ontvangen zal. Ook in de min deed +Wolfram zijn best zich volgens de nieuwe ridderlike smaak te vormen, +maar die komt met zijn natuur heel weinig overeen. Als hij op zijn Frans +frivool wil zijn, wordt hij onbehagelik wellustig, als hij charmant wil +zijn, wordt hij zoetig geaffekteerd,--men vergelijke b.v. de episode +van Gawein-Obilote bij de beide schrijvers. Zo is ook het jonge meisje +op het slot dat de knaap de liefde wil leren kennen, veel gracieuser in +het Frans en onschuldiger in haar natuurlikheid,--bij Wolfram ligt er +iets zoets, wellustigs over de episode. Maar daar staat iets tegenover +dat werkelik Scandinavies-Germaans genoemd mag worden. Wanneer in de +huweliksnacht de jongeling te schuchter is en te veel er op uit zijn +bruid te sparen, om dadelijk aan zijn wensen toe te geven, dan stelt hij +zich met lichte liefkozingen tevreden, maar de jonge bruid bindt toch de +volgende dag zich de »Vrouwenband" om het voorhoofd en weet niet beter +of zij is vrouw geworden, zo goed als een ander! + +Wanneer Parzival aan de Graalburg komt, verzuimt hij bij Wolfram zowel +als bij Chrestien, de vraag te stellen die een einde aan de betovering +zou maken. Dit oud sprookjes-motief is bij Chrestien een bewijs van +Parzival's naïeveteit en onbeschaafdheid; hij heeft de waarschuwing van +Gurnemanz om zijn vraaglust niet te veel bot te vieren, al te letterlik +opgevat en laat alle merkwaardige dingen gebeuren zonder de vraag te +stellen die men van een gast die zijn wereld kent had mogen verwachten. +Maar Wolfram geeft het geheel een veel moreler en sentimenteler draai. +Niet naar de Graal en de lans had Parzival moeten vragen, maar als gast +had hij met deelneming en medelijden naar de ziekte van de lijdende +koning moeten informeren. Door een al te streng vasthouden aan de +uiterlikheden van Gurnemanz's voorschriften verzuimt hij zijn plicht +als man. Het is dus alleen nog maar het uiterlike, de schil der +ridderlikheid die hij zich eigen heeft gemaakt; hij laat de stem des +harten verstikken in leeg conventionalisme, en daarin steekt zijn fout. +En als hij dan hoort wat hij al niet door dat verzuim verspeeld heeft en +gesmaad wordt voor wat hij juist als fijne riddervormen beschouwde, dan +raakt hij helemaal de kluts kwijt en zo vervalt hij dan in een veel +groter zonde, die waarvan Wolfram juist leert dat het 't grootste gevaar +voor de mensheid is,--dan komt de twijfel bij hem op,--d. w. z. dan +begint hij te twijfelen aan de hemelse rechtvaardigheid en hij komt tot +oproer tegen God, in plaats van zich ootmoedig onder de hem opgelegde +beproevingen te buigen. En hier zien wij de eis van de religieuse +opvoeding der ridders waarschijnlik uit Wolfram's geestelike Franse bron +te voorschijn komen. Dit ontbreekt Parzival n.l. nog maar, zegt Wolfram +en hierin herkent men hem terstond, als er maar echte mannenaard en +trouw tegen zich zelf in de mens zit, dan werkt hij zich wel uit die +twijfel en die vertwijfeling vandaan, en komt zeer zeker tot de troost +van God. »Wert gedinge," d. w. z. een edel vertrouwend streven, zegt +Wolfram, is een groot geluk in dit leven zowel als hiernamaals. »Wer +immer strebend sich bemüht, den können wir erlösen," zoals het heet van +een ander die zich ook van God losgemaakt heeft, maar die tengevolge van +zijn morele kracht toch door strijd tot redding weet te komen. En zo +buigt ook Parzival na jarenlang nutteloos omzwerven tenslotte gewillig +zijn ridderlik mandom onder de wil van God. Nu is zijn zedelike +opvoeding pas geëindigd, de hoogste ridderlikheid bereikt en als de +volmaakte ridder weet hij de toverij te doen wijken en wordt hij zelf +tot Graalkoning uitgeroepen. + +Dit alles is niet helder doordacht en de oude stof heeft er zich maar +half toe kunnen lenen om de gedachtengang in levende handeling om te +zetten. In tegenstelling met Gawein die, gelijk reeds bij Chrestien, +niet anders doet dan op krijgs- en liefdesavontuurtjes uittrekken, is de +Graalheld Persival de naar volmaaktheid strevende, ideale ridder. Maar +hij wordt geen monnik-ridder, hij wil, evenals Wolfram, voldoen aan de +eisen van God maar ook van de wereld. Wolfram leefde namelik midden in +de voortdurende strijd tussen Keizer en Paus en hij voelt met zijn +karakter, even diep als Dante, de grote tegenstelling tussen die twee +levensopvattingen, maar wil, ook gelijk Dante, leven voor een krachtige +dualiteit. Dit was trouwens toch in 't algemeen het programma van de +ridder-romantiek: »Voor >Dieu< en voor >le Siècle< te leven, goed te +zijn voor God en in de ogen der wereld",--dat is het ideaal der Franse +ridderromans. »Het lichaam moet voor de wereld leven, het hart moet naar +God streven," de mens moet tegelijkertijd »die beiden ê" (fas et jus) +nastreven--zo leren de Duitse ridderlike leerdichten, want, gelijk +Frederik Barbarossa een oproerige stad toevoegde die religie in de +politiek wilde mengen: »Aangaande den hemel, de hemel is des Heeren; +maar de aarde heeft Hij der menschen kinderen gegeven" (Ps. 115, 16). +Dit programma zal Parzival illustreren. De hermiet schrijft hem voor dat +hij niet alleen God moet liefhebben, maar ook dienen moet »umbe wibes +gruoz", de ridderschap moet vooral »des lîbes prîs" nastreven evenals +»der sêle pardîs". En zo is Parzivals ziel ook verdeeld tussen verlangen +naar de Graal en naar zijn geliefde Kundwiramur. + +Niet de religie maar een zuiver menselike moraal is feitelik het +hoogste voor Wolfram. Het is dan ook een zeer weinig kerkelik Kristendom +dat er in het gedicht doorstraalt. De kuise vrouwelikheid van de +Moren-koningin is, volgens de dichter, haar doop en was Parzivals moeder +niet te voren gedoopt geweest, dan zou zij »in haar moedermelk" gedoopt +zijn geworden, d. w. z. door haar moederliefde. En gelijk in de figuur +van Parzival het mannelik ideaal verheerlikt wordt als trouw tegenover +zich zelf, »Staete", de deugd der Duitse karaktervastheid die ook +Wolfram verheerlikt had, zo wordt in een reeks vrouwenfiguren het ideaal +der zuivere »wîplichkeit" getekend als trouw tegenover de geliefde man. +Vol smart voelt de dichter dat er zoveel valse vrouwen de reine naam +van »wîp" dragen, waar alleen de trouwe vrouw recht op heeft; en ergens +noemt hij alle trouwe vrouwen op die hij in zijn gedicht geschilderd +heeft,--van de koningin der Moren af tot Parzival's moeder toe wier +hart barstte »in liefdetrouw" en die daarom zeker tot de vreugde des +hemels ingegaan is, van Ieschute die onschuldig als zij is, haar mans +mishandeling geduldig draagt, tot Kundwiramur, die als een Solveig op +haar rondzwervende man blijft zitten wachten--maar met twee kinderen--en +hem met roerende vreugde ontvangt zonder een enkel verwijt. Maar +het allervleiendst wordt de vrouwentrouw getekend in de figuur van +Sigune--zij die eens in een gril, zoals de dames in de ridderromans die +zo dikwels hebben, haar liefhebbende ridder in de dood heeft gezonden +en die nu ontroostbaar bij zijn lijk zit te wenen--die daar nog altijd +weer zit, telkens als Parzival op zijn zwerftochten haar weer aantreft, +totdat hij haar ten laatste dood over zijn lichaam vindt liggen. In +een aparte cyclus--de hoogste openbaring van Wolfram's fantasie en +lyriek--verhaalde hij naderhand de liefdesgeschiedenis van Sigune en +Schiotulander van hun kindsheid af toen zij samen opgroeiden tot op het +ogenblik dat zij uit pure nieuwsgierigheid, omdat zij weten wou wat er +op de halsband van een jachthond geschreven staat, haar hartevriend +in de strijd zendt waarin hij vallen zou. Er is hier ook een zekere +zoetige sentimentaliteit en een geaffekteerde naïeveteit in die poëzie +van Wolfram, maar er ligt ook iets als men 't zo uitdrukken mag, +Scandinavies-blonds, iets smachtends over de liefde dier twee jonge +lieden, iets dat meer verwant is aan de gevoelens van Fritjof en +Ingeborg dan aan die van Floris en Blanchefleur. En de trouw waarmede +zij zo lang boete doet voor haar flauwe koketterie is, evenals Wolfram's +schildering van »Dame orgueilluse", is het echt-menselike protest van de +dichter tegen de frivoliteit van de ridderliefde. Overal in Wolfram's +poëzie komt ook de verheerliking van het huwelik mooi door de literaire +galanterie heen op de voorgrond. Waar hij ook rondzwerft, denkt hij +aan zijn armoedig slot, zijn vrouw en zijn kinderen en één van zijn +»Tagelieder" waarin de minnaar bij het breken van de dageraad uit de +kamer van zijn geliefde weg moet sluipen, breekt af met een hartezucht: +hoeveel heerliker dan zulk een heimelik gestolen liefde toch die is, +welke »ein offen suëze wirtes wîp" schenken kan. + + * * * * * + +Maar het zou niet de verduitsing der ridderromantiek door Wolfram en +door Walther zijn die de aard en het karakter der latere literatuur +bepaalde. Sterker en sterker werd de invloed van de Rijnstreken. Zelfs +het oude Duitse heldenepos dat nog steeds aan de hoven van Oostenrijk +in ere stond, ondergaat de invloed van de ridderromantiek, zoals dat +b.v. met het Nevelingenlied en de Gudrun het geval was. Wel zijn de +grondtonen en de grondstof en het oorspronkelik celweefsel gebleven +maar over de barbaarsheid en de naïeveteit van de toestanden is door de +ridderlike bewerkers een blinkend net van fijne, hoofse levensvormen en +zeden geworpen: klederdrachten en feesten, de toernooien en de gehele +omgangstoon is die van het nieuwe hofleven en door het wilde heroisme +en het tragiese pathos zijn er tonen gemengd uit de liefdelyriek van het +minnelied en de ridderromans van Hartmann von Aue: men denke slechts aan +de verliefdheid van Siegfried en Chrimhilde aan het hof te Worms of de +innerlike strijd van Markgraaf Rüdiger waar hij weifelt tussen riddereer +en leenmanstrouw, volkomen in de trant van die van Iwein. + +En met de derde grote naam van de Duitse poëzie der Middeleeuwen, +_Gottfried von Strassburg_,--dus uit het meest verfranste deel van +Duitsland--werd de invloed van de Franse ridderromantiek zo goed als +kompleet. Hier stelt de schrijver zich niet tevreden met een nabootsing +van uiterlikheden als van een scholier gelijk in Hartmann, of met een +barok alliage van vreemde en eigen stof als bij Wolfram; de »Tristan +en Isolde" van Gottfried sloot zich zoals wij reeds gezien hebben, +innig aan het Franse gedicht aan, maar werkte zelfstandig op die stof +voort, welke op zoveel krachten in Frankrijk beslag had gelegd, en wel +hoofdzakelik in dezelfde richting. Zijn gedicht over Tristan betekent de +hoogste kunstmatige afronding die de stof in de middeleeuwen ten deel +gevallen is, en daarom is het dat wij die reeds vroeger hier behandeld +hebben als een schakel,--de laatste--in de keten der Franse bewerkingen. + +Enkele van de fouten die de Duitse vertalingen van Hartmann +aankleefden, vindt men ook wel bij Gottfried. Het breedsprakige +uitrekken van elke trek in het origineel, het pedante de ander steeds +trachten te overtreffen in sierlikheid en ceremonieel, als wanneer de +précieuses der provincie die der hoofdstad naäpen--het spitsvondige +spelen met allegorieën en de schoolmeesterachtige moralisaties. Waar +hij er maar gelegenheid toe vindt--zelfs ook waar die er eigelik niet +is--geeft de schrijver ons een hele cursus in de kunst om het wild toe +te bereiden of een uitvoerige allegoriese verklaring van de »deugden" +waar Tristan's ridderkleed uit is samengeweven; en wanneer de blikken +van Isolde alles in de zaal »schaak zetten" of Tristan's hart verzegeld +wordt met »de zegel der liefde", dan herkennen wij de Duitser en zien +hoe zwaar op de hand die worden kan, wanneer hij aan Frans »esprit" wil +gaan meedoen. Niet minder Duits is daarentegen het lyriese smachten +en de romantiese fantasie die zulk een glans werpt over de Tristan +van Gottfried. Zijn taal kan soms een hele symboliese gevoelskleur +krijgen, als hij van woorden spreekt die door het oor klinken en in +het harte lachen of die het hart verkwikkende schaduw brengen als het +sappig-groene lindenblad. De natuurromantiek die zijn schildering van +Tristan en Isolde's bosleven bezielt, bezit een eigenaardig Germaans +karakter. Het doet sterk aan Heine denken waar Gottfried »diu senfte +süeze sumerzît" verheerlikt die »zo zoet" de weide heeft versierd; het +groene gras, »de vriend van de Meimaand" dat zulk een »wunneclîchiu +sumerkleit" aan had getrokken, de schitterende bloemen die de mensen »sô +rehte suoze lachende" aankeken en »de zalige nachtegaal" die met zulk +een overstromende vreugde (»übermüete") zijn trillers sloeg dat alle +harten er van verrukt werden. Een verfijnd genot in muziekale schoonheid +is ook overal in het gedicht op te merken. Wij horen een en ander over +Tristan's kunst om op de hoorn te blazen en wanneer hij op de harp +speelt, vertelt de dichter niet alleen welke prachtige zoete tonen hij +te voorschijn wist te lokken, maar ook hoe zeer het tokkelen zijn +zachte, slanke, lange hermelijn-witte vingers uit deed komen. + +Een smachtend lyriese toon klinkt er vooral door de minne-poëzie van +Gottfried; dat is reeds de echte Duitse »Ueberschwänglichkeit". De held +is een »vreugde verspreidende zon", een »Werltwunne", hij leeft slechts +in zijn rijke gevoelsleven, »zweeft in de lucht zijns harten", op alle +praktiese verstandsredenen en nuttigheidsgronden ziet hij met verachting +neer, en dat hij in zijn jongensjaren wat school- en boekenwijsheid +geleerd heeft, vindt hij eigelik zonde en jammer, een ingrijpen in de +vrijheid van de dweepzieke jongeling, een verdorren van de bloei zijner +vreugde. Met extase schildert de dichter de zaligheid der liefde wanneer +hij zijn »kaiserlîches wîp" omhelst en haar mond »honderdduizend maal" +kust,--op een zeker ogenblik krijgen we een hele hymne aan de liefde; +als ik aan de liefde denk--zegt hij--ofschoon ik dat geluk nog maar +weinig ken, dan zwelt mijn hart op en alles in mij verlangt dan naar +iets hoogs, iets boven de wolken. Maar sentimenteel weet hij van 't +begin tot het einde de tonen van de smart en de dood in de liefdemuziek +in te leggen. De liefde is een religie, voor de liefde is alles +veroorloofd, alle wetten moeten voor de liefde wijken, zelfs Kristus +kan de ware liefde heel gemakkelik naar haar hand zetten. Maar de enige +inwijding in de liefde, de noodzakelike prijs er voor is lijden en het +lijden is de grootste waarde. Daarom wendt zijn gedicht zich niet tot de +velen die alleen vreugde vragen en genot; alleen tot die uitverkorenen +die »diu senfte herzesmerzen" kennen, tot »den edelen senedæren", de +edele verlangende gemoederen die het zoete van de liefde kennen, alleen +tot troost voor _hen_ en om een ogenblik slechts de zware smart van hen +af te wentelen, vertelt hij van Tristan,--van hem wien het gegeven was +in volle mate twee dingen te bereiken: lijden en geluk. Hier zijn wij +bij de Tristan en Isolde-romantiek van Wagner. + +Gottfried von Strassburg is de bloem der ridderlike kultuur in +Duitsland. Een natuur vatbaar voor ontwikkeling en die het in zich had +om wat hij doen moest, ook harmonies af te maken,--zoals Raphael en +Racine dat voor hun tijd waren--geen baanbrekende vernieuwer, geen +»oer-eigen origineel genie" als Wolfram, wiens gehele persoonlikheid +Gottfried een afschuw was en de enige tegen wie de Straatsburger zich +kwaadaardig toont,--maar goed belezen in de klassieken, volkomen thuis +in 't Frans,--hij is de enige dier Duitsers die geen vertaalfouten +maakt,--met een levend poëties gevoel, een fijne aestetiese smaak, een +plooibaar en volkomen artistiek gevoel voor vormen; tegelijk een man van +de wereld, volkomen thuis in de hogere ridderkringen, met een aangeboren +zin voor de hofkultuur en de uiterlike kentekenen er van,--een fijne +nobele natuur, een echt gevoelig mens. Zijn gedicht van Tristan +openbaart meer dan eens meer goedheid des harten en meer geweten dan +de Franse bewerkingen van de stof. + +Met Gottfried is de Duitse ridderromantiek even hoog gestegen als de +Franse en zijn volgelingen overtreffen hem even min als die van +Chrestien van Troyes deze laatste. + + + + +XX. + +IDEAAL HUMANISME. + + +In haar korte bloeitijd die in het einde van de 12de en het grootste +deel van de 13de eeuw valt, ontvouwt de ridderromantiek zich op haar +hoogste punt tot wat men zou kunnen noemen een soort ideaal humanisme. + +De hele kultuur van de middeleeuwen komt in het Frankrijk van +Philips Augustus en Lodewijk de Heilige en het Duitsland der +laatste Hohenstaufen tot een korte harmonie in een edele en schone +menselikheid,--een classiciteit zo goed als die der Grieken en Romeinen. +Alles wat er van de kunst dier dagen tot ons gekomen is, draagt die +stempel. De Gotiese katedralen van de Rijnstreken en Noord-Frankrijk +met hun lichte gewelfde, feestelik stemmende ruimten, de slanke pijlers +en bogen, het kleurrijke stralende licht door ruiten en rosetten. De +schone glasmozaieken der kerken van Tours en Bourges met de reine diepe +kleuren, de eenvoudige, duidelike omtrekken der figuren en de hele +ideale klassieke stijl die wat te vertellen heeft, dezelfde die wij in +de edele eenvoudige miniaturen van de zogenaamde Bijbel van Lodewijk +de Heilige terugvinden. De Madonnabeelden en die der Apostelen op de +kerkfaçaden van Rheims en Amiens, de reliefbeelden van de dood van Maria +op de Notre-Dame te Parijs of de Dom van Straatsburg,--afbeeldingen van +de mens van een even vrije natuurlikheid en hoge adel als die van de +klassieken. Of »de heilige kapel" te Parijs met het feestelik fijne +samenspel van licht en kleuren, ruimte en lijnen en met de reine en +nobele ornamentiek der muren. In het museum van Cluny te Parijs of het +»Germanisches Museum" te Neurenberg getuigen kleine voorwerpen--een +ivoren kam, een kandelaar, een muurtapijt--van de edele en fijne +schoonheidskultuur der 13de eeuw. + +Op dezelfde wijze wordt de ridderromantiek op haar hoogste punt slechts +tot een geïdealiseerde uitdrukking van de edele en fijne menselikheid +die in de eerste kultuurcentra van die dagen te voorschijn kwam. Vele +romans en korte ridderlike berijmde novellen laten nu meer en meer de +wonderbaarlike producten der fantasie vallen die de ridderromantiek +uit Keltiese en Oosterse bronnen ontleend had en de kinderachtige +avontuurtjes die ze van de Griekse romans geleend hadden; ook de +geaffekteerde, overspannen troubadourpoëzie geven ze op, zowel +als de zoetige sentimentaliteit der Bretonse romans en hun andere +extravagances,--feitelik ontdoen ze zich van alles wat spesiaal +ridderromantiek was en worden zo tot heel natuurlike, menselike, +verhalen uit het leven der Franse en Duitse edelen, een ideale +afspiegeling van de werkelike kultuur der hoge kringen en een +interpretatie van de fijne gevoelige menselikheid die het leven in +de beste ogenblikken kon verwerkeliken. En in een reeks leerdichten +worden geformuleerd, niet langer gelijk vroeger, de voorschriften der +geestelike paedagogen, hoe men de »fijne wereld" opvoeden moet, maar +omgekeerd, regels voor goede manieren, opgesteld door die zelfde +geesteliken tengevolge van wat ze zelf in die kringen hadden kunnen +opmerken en leren. + +Die »kringen",--dat zijn de uitverkorene edelen,--over die alleen is +het de moeite waard te spreken: een dode edelman is meer waard, heet +het, dan een levende burger. En het enige leven waar men iets aan heeft +is dan ook dat in die kringen; men moet »sich gesellen", anders wordt +men »sauvage",--»ongemanierd", zoals Parzival of Iwein dit werden +in de eenzaamheid van het bos. Een hogere stand die slechts leeft +voor een luxe, leven van vrije, schone, fijne menselikheid,--een +»liberaal" leven in tegenstelling dat der »illiberale" werkers, der +_banausoi_,--dat is de ridderwereld, gelijk de Griekse aristocratie van +de »edelvoortreffeliken"--de »kalokagathoi"--dat was. »Le vilain"--zo +leert een riddergedicht--leeft alleen maar om te zwoegen en te sparen, +te pruttelen en te schelden,--hij spreekt niet en hij zingt niet, als de +hond die slechts bijt; hij voelt niets voor bloemen en vogels, en alles +wat schoon is en schittert, ergert hem alleen maar, zijn hele leven is +één wanklank in de harmonie des hemels,--Gods vrolike, gelukkige engelen +hebben niets met zulk een grove plebejer uit te staan. De »edelgeborene" +daarentegen, die God zelf met zijn schone handen uit een edeler +natuurstof gevormd heeft en die ook verder een goede opvoeding in +gezelschap van nette mensen gehad heeft, die leeft alleen maar voor +alles wat schoon is en edel en goed. + +Waar men in de eerste plaats voor leeft, is om de schoonheid van het +leven te genieten en het nog schoner te maken. De natuur werpt men een +vriendelike blik toe, maar verder niet. Meest is het nog in tuinen +en parken dat men de natuur liefheeft,--men bezingt de roos als het +zinnebeeld van het liefdegenot, het madeliefje van de trouw; in de +Duitse liederen is de linde de boom van de zomer en de liefde. Onder +de vogels zijn de meest geliefden de nachtegaal van Marie de France, de +leeuwerik van Bernard de Ventadour en de zwaluw die een lok van Isolde's +gulden haren uit Ierland haalde. Maar ook het jachtleven opent de +ridder het oog voor de natuur: men vindt b.v. een beschrijving van de +dauw-natte morgenstond, de slaperige middagstilte in het diepe groene +bos, de slanke ree, het enorme wilde zwijn en de roofvogels in de toppen +der bomen. De reiger en de valk--»the gentil faucon" noemt Chaucer +hem--is de lievelingsvogel van de ridders zowel als de dames. »Die vogel +doet mij 't harte goed", heet het in een gedicht ter ere van de valk, +»als ik die op mijn hand zie zitten, zacht en hoofs, of wanneer die zo +»edel" vliegt; alleen daarom sta ik gaarne 's morgens vroeg op." En de +borst van een valk,--zwelt die niet even schoon als een vrouwenboezem? +En kan de blik van een schone vrouw stralender zijn dan die van de +ridderlike jachtvogel? Menig ridder twijfelt of hij meer van zijn valk +houdt of van zijn dame en er lopen verhalen hoe een dame uit jaloesie +de valk van haar ridder de nek omdraait of hoe de arme ridder bij de +ontvangst van zijn dame genoodzaakt wordt haar het allerzwaarste offer +te brengen: zijn valk te doden en haar die bij de maaltijd voor te +zetten. Of een page die in een alleraardigste kleine vertelling door +liefde verkwijnt voor de echtgenote van zijn meester; zij heeft vergeefs +getracht hem weer moed in te spreken, en wanneer haar man dan vraagt +wat er eigelik bij hem aan scheelt, begint de dame aan het ziekbed van +de jongeling en tot diens grote schrik, te vertellen hoe de knaap haar +aldoor achtervolgd heeft en gesmeekt om... zijn meesters lievelingsvalk, +maar dat zij die toch niet heeft durven geven. Maar de ridder verklaart +dat hij hem liever al de valken zal geven die hij bezit, dan hem zo van +ellende te zien verteren en nu belooft de meesteres de zieke dat hij dus +de valk krijgen zal waar hij zo naar gezucht heeft. + +Meer dan de natuur is het 't hofleven op de burcht dat de ridderkultuur +schoner tracht te maken en dat de ridderromans verheerliken. Een +eenvoudige, fijne smaak heeft nu in het leven zowel als in de romans die +massa van bonte Oosterse pracht vervangen die b.v. de Troja-romans bij +hunne beschrijvingen op elkaar stapelden; maar feestelik en schitterend +ziet zoo'n slot er toch uit. De muren blauw met gouden sterren of met +tafrelen versierd of wel hele schilderingen met voorstellingen naar de +ridderromans; ook in de muurtapijten zijn zulke scènes uit die boeken +geborduurd. De vloer is van groen marmer »als een weide met gras" of +grote lemen platen met bloemdekoraties of wapenschilden er in gebeiteld. +Op deuren en zolderingen zijn dieren of bloemen uitgesneden; kunstig +smids-werk; weinig maar smaakvol versierde ligbanken en taboeretten; +vele kleuren en een sierlike rijkdom van détails, maar zuiver en deftig +van smaak. + +Een deftige smaak vertoont zich ook in de klederdrachten der ridders en +der dames in de 12de en 13de eeuw, waardoor ze ook sterk verschilden van +de barbaarse tijd der roofridders en van de geraffineerde extravagance +der 14de eeuw. Een lange mantel van donker purper met gouden sterren er +op, werd om het lijf door een zijden koord samengebonden en van boven +door een gouden gesp; de voering van hermelijn met zwarte sterren, om de +open hals sabelbont, op het haar een krans van bloemen, aan welks kant +twee geëmailleerde gouden gespen aan zijn gebracht,--zo ziet de heldin +bij Chrestien er in haar bruidstooi uit. Zorgvuldig worden de kleuren +van dat gewaad zo uitgezocht dat ze niet vloeken en dat ze bij de teint +en de kleur van het haar passen, met dezelfde zin voor schoonheid als +bij het draperen van de beelden wordt er voor gezorgd,--voor zover we +uit de beschrijvingen der romans op kunnen maken--dat de kledij goed +in de vouwen valt en er wordt voortdurend op gewezen dat hoe mooier +het meisje is, des te eenvoudiger moet de klederdracht zijn. Met zéér +geringe afwijkingen wordt hetzelfde kleed en mantel door man en vrouw +gedragen, door jong zowel als oud, gelijk ook de gladgeschoren baard het +verschil tussen leeftijd en geslacht uitwist, de dracht waarmede men +in het openbaar verschijnt, maakt allen als 't kan slechts tot mensen, +alleen de stof en de snit laat diskreet de waardigheid en de leeftijd +doorschijnen, de gratie van de vrouw en de lichte elegantie van +de jongeling. Ook in de wapenrusting en wat de man verder voor de +oorlog nodig heeft,--wat men b.v. op de zegels uit die tijd goed kan +bestuderen--openbaart zich een zuiverheid en een adel van smaak die +zowel de tijd die er aan vooraf gaat als die welke er na komt, zeer in +dit opzicht overtreft. + +De vormen der samenleving worden ook schoner en edeler,--van de pedant +aangeleerde regelen voor goede manieren die men uit het buitenland en +van de geesteliken ontvangen had, worden ze nu tot een werkelike +wellevendheid, gedragen door takt en fijngevoelige vriendelikheid. +»Cortezia"--zegt een ridder uit Provence--»bestaat dáárin dat men zich +door woord en optreden bemind weet te maken, en hoofs is hij die weet te +doen wat anderen aangenaam is; hoofsheid vertoont zich in klederdracht +en vriendelike tegemoetkoming, in het onthaal en in liefde." De Duitse +woorden »Tugend" en »gezogentlich" slaan op uiterlike zowel als +innerlike eigenschappen. »Iemand die op hoofse wijze een ander een beker +aan kan bieden," zegt een moralist, »en zijn handen houdt zoals het +hoort, van zo iemand zeggen de mensen dadelik: »wat een welopgevoede +knaap is dat toch, die is zeker deugdzaam, zie eens hoe deugdzaam hij +zich gedraagt"." En een Duits boekje over »tafelmanieren" zegt: +»Verloren is geen opgevoed man, heb ik wel horen zeggen, nooit kan een +onopgevoede een plaats in de hemel verkrijgen." Nu komt het er niet +alleen op aan om »wel bedankt" te zeggen of »Goeden-dag", of zijn mond +goed af te drogen, neen, men moet zich nu netjes houden en rechtop lopen +»als een waskaars" of »als een jonge scheut op een tak"--en daarvoor +zijn schermoefeningen goed, heet het,--en men moet de conversatie goed +gaande weten te houden--in de romans vindt men menig gesprek tussen +gast en gastheer waarin die elkaar in beleefdheidsfrases trachten te +overtreffen--en men moet zich licht en bevallig weten te bewegen en zich +fijn en netjes gedragen. Het is duidelik dat de omgangsvormen bepaald +werden door hetzelfde tegen elkaar doen opwegen van een conventionele +vormelikheid en de natuurlijke vrijheid die bijvoorbeeld ook de figuren +kenmerkt op miniaturen en ivoorwerk. De houding, gestes en andere +bewegingen hebben nog een traditionele betekenis om het gesproken woord +kracht bij te zetten en te illustreren, even simbolies ongeveer als bij +de oude rechtspleging: door de vinger op te heffen maakt men op iets +opmerkzaam, in diepe gedachten steunt men zijn kin op de hand, en dat +twee goede vrienden elkaar omhelzen wanneer ze elkaar ergens ontmoeten +en samen in een vensternis gaan zitten praten, hoorde evengoed tot de +overgeleverde »goede toon" als dat een rechter op zijn rechterstoel +zitten moest als een »grisgrimmender löwe" en met »de rechtervoet over +de linker geworpen." + +Een samengaan van »Tucht" en »Gemeite", d. w. z. van eerbare tucht en +opgewekte vriendelikheid is het ideaal voor de verschijning in 't +publiek. Te hard lachen en te hard schreeuwen als men klaagt is al even +ongepast; een vrouw moet met half open mond lachen, en al is ze ook nog +zo zeer onder de indruk van het een of ander, moet ze toch goed oppassen +dat haar hoofdtooi netjes blijft zitten,--als Walther klaagt dat de +wereld in de war is, drukt hij dit zo uit: »Wee, u, wereld, wat zit +uw hoofddoek tegenwoordig slecht!"--zacht en licht moet de vrouw +voortzweven (»schleichen"), liefst met een zekere gratieuse zwaai +(»swanc"); het hoofd ietwat op zij--zoals men dat op de Mariabeelden +kan zien; en de ene kant van haar kleed moet zij op een bepaalde wijze +opnemen. Zij mag niet te veel rondgluren maar een zekere schuchtere, +half nieuwsgierige blik past een jong meisje wel, zegt Walther. Een +voorbeeld van menselike »Tucht" en »Gemeite" is de manier waarop Isolde +en haar moeder, de koningin, de zaal binnentreden in de koningsburcht, +zoals Gottfried dit schildert. Slank als een den is de prinses, haar +bruine fluwelen kleed is om het middel vastgesnoerd en voegt zich lenig +om de lichaamsvormen, met haar linkerhand houdt ze een paarlen snoer +vast dat de mantel op haar borst vast bindt, zo dat ze volgens de hoofse +zeden die met twee vingers samenhoudt; bevallig »zweeft" ze nu met haar +moeder naar binnen, men volgt hen met de ogen en langzaam en gelijk +op doorlopen de blikken der twee vorstinnen de zaal, zo dat elk der +aanwezigen een blik krijgt en in aller harten brengen ze onrust; de +moeder begroet de anderen met een woord, de dochter, zo als het past, +buigt zwijgend. + +Steeds fijner worden de wenken die Provençaalse en Franse didaktiese +gedichten de dames geven voor hun optreden in de wereld--»Het hof der +Liefde",--»De God der Liefde",--»De Sleutel der Liefde",--»De Kunst der +Liefde" en wat die alle heten,--de Liefde wordt nl. altijd beschouwd +als de bloem van het wereldse »Savoir-vivre". Dergelijke leerdichten +bewerkte een halfduitse geestelike in Italië in Duitse verzen en zond +die naar zijn land onder de titel »De Walse Gast",--en kort daarop +volgde een »Winsbecker" en een »Winsbeckerin" met _hun_ raad. Een +geslacht later was er een notaris uit Florence die aan Franse hoven +verwijld had en die, toen hij thuis gekomen was, een leerdicht schreef +om zijn vrouwelike landgenoten Franse manieren te leren. En nu +zijn het niet meer zo als vroeger elementaire regels die ze daar +te lezen krijgen: wanneer ze zich verschonen moeten en dergelijke +dingen--ofschoon »er zijn dames die geloven dat reinheid een teken van +losse zeden is"--hij schrijft vooral over de kunst om maatschappelike +talenten te vormen. De dame moet leren zingen en als zij een aangename +stem heeft, moet zij zich niet laten bidden, maar gewillig een lied ten +beste geven; ten dans moet zij gaan »à petit pas, simple et mollet", +zij moet kunnen schaken en de teerlingbak spelen, waarbij het er minder +voor haar op aan komt goed, dan wel met gratie te spelen en zij mag +voor al niet boos worden als zij verliest,--de vrouw die boos wordt +en dat in woorden toont, verdient de naam van »dame" niet. Vooral +moet zij de kunst verstaan van een gesprek te voeren, »car nul chose +tant n'afole--coeur d'homme que douce parole", zij moet, gelijk een +Zuid-frans gedicht het fijn uitdrukt, zo kunnen spreken, zo kunnen +converseren dat de ander bij zijn afscheid, de indruk meeneemt dat hij +geestig geweest is, zelfs al is hij niet meer dan een dwaas, en zij moet +een gesprek dat haar mishaagt af kunnen breken of het een andere draai +te geven, zonder iemand te stoten; dan kan zij hem b.v. vragen of hij de +vrouwen uit Gascogne of die uit Engeland schoner vindt en welke opinie +hij dan ook heeft, kan zij het tegenovergestelde beweren om zo een +dispuut aan de gang te krijgen. Zeer fijne regels worden er b.v. ook +gegeven over de kwestie hoe een bruid zich gedragen moet. Bij het +wisselen van de ringen moet zij terughoudend zijn, bijna angstig, haar +hand niet al te gretig naar de ring uitsteken en slechts met een zachte +stem »ja" zeggen. Het is ook verstandig als zij thuis reeds iets eet, zo +dat zij bij de huweliksmaaltijd zich meer in kan houden, en wanneer zij +het vertrek binnenkomt waar de bruidegom is, moet zij eerst doen alsof +zij hem niet ziet, dat is echt »hoofs". + +Opgewektheid, vriendelikheid, zachtheid, dat is voor de man zo wel als +voor de vrouw de hoofdzaak bij de omgang; het is er de kultuur dier +dagen dan ook altijd om te doen, ruwheid en brutaliteit te onderdrukken. +De Tristan van Gottfried is de verpersoonliking van de vriendelikheid; +wij lezen van hem dat hij graag een ieder op zijn handen wil dragen +en voor allen tracht te leven, »wat iemand uit het gezelschap ook +maar voorsloeg was hij dadelik bereid te doen." Ook Aucassin is de +beminnelikheid zelf; door zijn zachtmoedigheid en hoofsheid ontwapent +de jonge edelknaap volkomen de lompe kolenbranders en herders die hem +onbeschoft aan hebben gesproken. Een zoetige liefheid hoort tot de +goede toon tussen ridders en hun dames: »Schone Heer",--»Schone +Dame",--»Lieve, zoete vriend",--»God zegene U", en kussen en een +omhelzing horen tot de omgangsvormen, evenals er in de brievenstijl +allerlei sierlike wendingen en zwierige zwaaien voorkomen die in de +»brievenboeken" aangegeven zijn. + +Een vrolik »leven en laten leven" hoort verder tot de »liberale" +ridderlike opvattingen. Al wat treurig is en ruw, wordt glad gemaakt, al +wat somber is en donker wordt verlicht en verzacht in deze adelswereld +van spel en schoonheid. Ouderdom en dood is iets waar de ridderpoëzie +maar zo min mogelik over denkt; de dood die zulk een tragiese pathos +in de oude heldenpoëzie gebracht had, komt hier bijna niet voor, en +de eerbied waarmede de ouderdom daar ginds omstraald werd is hier +verdwenen--het is b.v. bepaald vermakelik te zien hoe ongepast in de +Parzival van Wolfram de oude moeder van koning Arthur behandeld wordt +en terzijde gezet, voor de jongere dames. Schoonheid, jeugd en vreugde +moeten regeren. Hoog en rijk moet er geleefd worden,--alle sparen en +alle zuinigheid maakt de geest bekrompen en zet »banausties" stof op de +vingers. Men moet »gast-ere" aan den dag leggen zowel als »hus-ere",--d. +w. z. milddadigheid en gastvrijheid bij feestelike gelegenheden tonen, +en zelf een gepaste weelde in zijn huishouding ten toon spreiden. +En het is niet langer genoeg vrijgevig te zijn, men mag een echte +welwillendheid en fijngevoeligheid eisen in de manier _waarop_ men +geeft. Van een edele vorstin lezen wij: zij heeft er meer door fraaie +woorden gewonnen, dan anderen door grote gaven, en zo vriendelik geeft +zij haar geschenk dat dit voor dubbele gave telt. En omgekeerd worden +die gastheren gelaakt, die over niets met hun gasten spreken dan over de +slechte tijden en hoe weinig er te verdienen valt, zodat de gasten het +niet anders dan bezwaarlik moeten vinden zich zo te laten onthalen. + +»Les vilains",--dat zijn de gemelike knorrepotten die altijd in de +contramine zijn, en die noch zelf willen leven noch anderen laten leven. +Maar God is met de opgewekten en welwilligen, »les courtois"; hij zelf +en zijn engelen zijn schoner en opgewekter dan alle anderen en hij +heeft alle jonge paren en alle vrouwen lief. Hoe graag zou hij b.v. +niet Nicolette daarboven in den hemel bij zich gehad hebben, »om in den +avondstond als een licht voor hem te schijnen"! En jonkvrouw Maria--men +merke maar op hoe schoon en liefderijk zij er uit ziet, die zal zeker +de jonge ridderknaap niet weigeren wat hij zo graag zou wensen. Als +schitterende feestzalen schijnen de Gotiese kerken. »Het oog weet niet +waarheen het 't eerst de blik zal wenden. De zoldering is groen als een +tapijt, de muren verbeelden het paradijs, de vensters wekken bewondering +door de schone kleuren van het glas en het rijk versierde werk... Het +is alsof men naar de hemel verplaatst is en zich in een der schoonste +zalen van het paradijs bevindt." Hier, bij het heldere schijnsel der +waskaarsen en het schone misgezang der geesteliken, wordt de ziel tot +liefde gestemd en hier heeft men gelegenheid de schonen te zien, die +iemand een glimlach of een knik geven of in het geheim de hand drukken +en de zeer gewillige biechtvader heeft er niets op tegen de smeekbeden +van de minnaars te verhoren, of de geliefden samen te brengen ten spijt +van boze ouders of brutale echtgenoten. + +Alle goede, zachte gevoelens van menselike simpatie zijn het die de +ridderlike hofkultuur ontwikkelen wil, en die de ridder-romantiek +verheerlikt. De wapenen zijn niet minder geëerd dan vroeger, de roeping +van de ridder is »Schiltes Ambt" en het is het schild dat hem verplicht +zijn eer onbevlekt te houden; wil men in teugelloosheid leven en zijn +schild met oneer bevlekken, dan doet men beter het maar aan de wand te +laten hangen. Maar wat de ridder op den weg der eer zal vergezellen dat +is, lezen wij: »de gedachte aan een reine vrouw." En korter en korter +worden in de schoonste riddergedichten de beschrijvingen van de strijd, +meer en meer idealiseert de ridderromantiek zich tot hetzelfde schone, +gevoelvolle humanisme waar het kristendom zich in de Gotiese beeldende +kunst en de Marialegenden der 13de eeuw in omzet. In werkelikheid is ook +die bloem der ridderkultuur ontsproten uit de sentimentaliteit der +kristelike legenden zowel als uit de zoetige humaniteit van Ovidius en +de Griekse romans en uit de vrouwen-atmosfeer van het maatschappelike +hofleven. + +In de heldenpoëzie hadden de personen er zich op beroemd wanneer zij +een hart hadden als een steen zo hard en als een noot zo klein. In een +asceties gedicht uit de 12de eeuw klaagde een monnik over zijn oproerig +gek hart dat nooit de ziel met rust laat; het is niet 't lichaam maar +het hart dat de zonde veroorzaakt, en nu had hij zelf, ongelukkig voor +zijn zielsrust, een hart gekregen dat groot genoeg was voor duizend +mensen. Maar nu berispt de ridderlike dichter hem, die »een hart van +hout heeft". Het hart is het lievelingetje dier dagen geworden, naar +welks bewegingen men luistert, naar welks welzijn men steeds informeert, +en waar men trots op is als men het zijne groter, zachter, rijker noemen +kan dan dat van anderen en welks bevelen men zonder aarzelen opvolgt. +»Pitié" en »Gentilesse" zijn in het Frans, »Güte" in 't Duits de termen +voor de zachtheid en de ontvankelikheid voor simpatie van het hart en de +woorden die Chaucer meer dan eens herhaalt: »Pity renneth sone in gentil +heart" kon het motto zijn van de ridderpoëzie. + +Het zijn alle vormen van »Güte" en »Pitié" die de Duitse en Franse +vertellingen van de 13de eeuw verheerliken. De roerende trouw van een +oude dienaar jegens zijn ridder die tot armoede vervallen is (Der Junker +und der treue Heinrich, vgl. Flore en Jehanne); opofferende vriendschap, +(Engelhart); de leenman van keizer Otto die in een rijksakte verbannen +verklaard is, maar gelegenheid vindt om het leven van zijn leenheer te +redden en zich met hem verzoent (Otto mit dem Barte); de onschuldig +aangeklaagde prinses voor wie geen ridder in het perk durft te treden +tegen de machtige aanklager, totdat op het beslissende ogenblik een +Arthur of Graalridder als redder op het toneel komt en de beschuldiger +nederslaat (het allerschoonst in de Lohengrin). Maar in de eerste +plaats is het toch de min in alle soorten en graden waar de romans en +vertellingen over handelen; de liefde is de bloem van het ridderleven en +de gehele edele menselikheid. + +Denk b.v. aan dat heel kleine meisje dat Gawein bij een toernooi tot +zijn dame gemaakt heeft, opdat zij evengoed een ridder hebben zou als +haar oudere zuster. Haar vader laat haar een mouw van rood fluweel +maken, die het kind de volgende morgen zelf haar ridder brengen moet +om in de strijd op zijn lans te dragen, zoals dat gewoonte was, en zij +kan van ongeduld haast niet slapen, staat ook vroeg op en brengt hem +de mouw. Met kloppend hart volgt zij haar ridder in het gevecht en +is verrukt te zien dat hij haar zusters kavalier geheel in de schaduw +stelt, en wanneer hij thuiskomt staat zij aan zijn stijgbeugel om hem +te bedanken. Gawein moet verder de wereld in maar belooft voor haar +als haar ridder te komen strijden, wanneer zij in haar nood hem een +boodschap zendt en het kleine meisje kust zijn voet opdat hij aan haar +zal denken waar hij ook komt (Chrestien's »Perceval" en Wolfram's +Parzival). + +Of het zeer jonge meisje dat nieuwsgierig de wereldt inkijkt, maar nog +jonkvrouwelik schuchter, niets van de liefde weten wil. Haar vader heeft +haar opgedragen om de vreemde gast zo goed mogelik bezig te houden en +zo neemt zij hem dan ook bij de hand en wijst hem in het kasteel rond. +Hij vraagt haar uit of zij al een vriend heeft, maar zij antwoordt +wijsneuzerig dat de tijd voor zulke gekheid nog niet gekomen is; als +zij wou had ze al heel goed een »ami bel et gent" kunnen hebben, maar +daar heeft ze nu nog geen zin in. Maar daarentegen wil ze graag mensen +ontmoeten die de liefde gekend hebben en daarvoor geleden hebben, zodat +zij op die manier wat ervaring in dat opzicht op kan doen. Glimlachend +luistert de ridder naar dat voorzichtige jonge meisje en maakt haar een +paar komplimentjes (Chrestien's »Perceval"). + +Dan lezen we van een bakvisje dat haar eerste kleine hartewonde krijgt. +Het is de uitverkorene van haar nichtje op wie zij in stilte verliefd +wordt. Zij heeft hem helpen oppassen en aan zijn ridderdracht naaien +en »zolang heeft zij nu naar zijn ogen en zijn gezicht gekeken, en +zijn handen en zijn lichaam dat het haar wee begint te doen." De ridder +ziet dat wel, maar vindt dat het haar alleen maar goed kan doen iets +van hartsverdriet te leren kennen. Zij is er altijd bij om hem zijn +wapenrusting aan te helpen trekken; hoe zwaar het haar ook valt, is het +haar toch aangenaam met iets van hem bezig te zijn. Hoe meer het huwelik +nadert, des te dieper wordt de stille smart van het meisje; zonder iets +te zeggen legt zij haar zuster's hand op haar hart, opdat zij merken zal +hoe haar het harte klopt. Maar de ridder heeft toch goed gezien, het +was alleen maar een »proefpijltje" dat Amor op haar afgezonden had om +haar kinderhart te wekken. Wanneer een arme maar uitstekende ridder even +daarna om haar komt met de klacht dat hij haar helaas geen rijkdom heeft +aan te bieden, antwoordt zij: »Mijn liefde hangt niet aan goed of geld, +maar behoort een ridder even beminnelik als dapper." Terwijl zij dit +zegt,--waarschuwt nu de dichter--denkt zij nog aan haar aangebeden +ridder, maar meer en meer gaan haar gedachten toch naar de ander. En het +duurt niet lang voor die haar hand en hart gewonnen heeft (Parthenopaeus +van Blois). + +En tegenover het heel jong meisje staat de even jeugdige knaap, de +page,--»le valet" of »das Kind". Het is als de verliefdheid van een +student en een jong meisje in onze tijd--die schuchtere liefde tussen +Alexander en Soredamor, waar bij een moederlike vriendin ze te hulp moet +komen. Zij is de hofdame van de koningin en hij een vreemde vorstenzoon, +op bezoek aan 't hof; zij zijn beiden--voor de eerste maal--verliefd, +tot over de oren, maar ze generen zich gruwelik voor elkaar. Op een +avond in gezelschap zitten ze bij elkaar, maar hij houdt zijn hand onder +zijn gezicht en zegt niets, en zij wou graag tegen hem spreken, maar +hoe zal zij hem noemen? Hoe zoet zou het niet zijn als zij hem »vriend" +durfde noemen--maar heeft ze daar recht op? een ding weet zij wel, dat +als hij haar »vriendin" noemde, dit geen onwaarheid zou zijn. Maar +waarom hem niet bij de naam noemen? Maar die heeft zo veel en zulke +zware lettergrepen, zij voelt dat zij in haar bedeesdheid er midden in +zou blijven steken. Als zij dat gemakkelik en liever »mon doux ami" er +maar uit kon krijgen... De koningin krijgt dikwels bezoek van de prins +en daar mag Soredamor dan bij zijn; de koningin heeft hem een met goud +gestikt kleed ten geschenke gegeven en daar heeft Soredamor aan helpen +borduren zonder te weten voor wie het bestemd was. Uit de aardigheid +heeft het jonge meisje van haar eigen guldenhaar tussen het gouddraad +ingewerkt en wanneer zij eens op een dag met z'n drieën bij elkaar +zitten en de koningin naar Alexanders kleed kijkt, ontdekt zij het +gouden haar; het gouddraad er naast wordt geheel door de glans er van +overtroffen. Glimlachend roept zij het jonge meisje er bij, alle twee +worden om beurten rood en wit en weten uit puur geluk dat ze zo dicht +bij elkaar zijn niet hoe ze zich zullen houden en de koningin die dit +ziet, begrijpt nu alles en vertelt hun wat hun scheelt. »Kijk eens naar +dat kleed," zegt zij, »en vertel wie daar aan gewerkt heeft en of zij +er niet iets van haar zelf bij gegeven heeft." En Soredamor is tegelijk +verrukt en ongelukkig dat ze nu met de verklaring voor den dag moet +komen, maar Alexander kan zich nauweliks inhouden om het gouden haar +niet, waar zij beiden bij zijn, te kussen (Chrestien: »Cligès"). + +Alles lokte ook tot liefde,--de gehele atmosfeer van de ridderhoven was +vol van liefde. Op alle muren en wandtapijten trof het oog scènes uit +Ovidius of uit »Tristan en Isolde",--een Duits gedicht »Het Gordijn" +behandelt een hele serie van dergelijke liefdegeschiedenissen die op een +bedgordijn afgebeeld waren. Op ivoren kammen en toiletdozen vond men +zoetige, kleine Amorbeeldjes, op drinkbekers stond te lezen: »Liebes +langer Mangel--das ist der Herzen Angel", op gespen kon men (antieke?) +stenen vinden met Amor en Venus er in uitgesneden; verzen over de »zoete +moeite van de liefde" waren met kralen op de klederen der ridders en hun +dames geborduurd. Om liefde speelt men en van liefde zingt men, en de +romans zijn het meest geliefde tijdverdrijf voor allen. Menige ridder +gaat het als de Heer van Gravenberg van wie het heet dat hij de gehele +dag op zijn kamer romans zit te lezen over avonturen en liefde, en +iedereen is het er over eens dat het lezen van romans de beste opvoeding +voor de jeugd is en de ouderen van dagen van alle »vilainie" afhoudt. +»Men mint beter als men over liefde hoort zingen en lezen" en het is +door die roman dat de jonge knaap leert dat het nu tijd voor hem is om +er op uit te trekken en een »voorwerp" te zoeken. Romans en leerdichten +vertellen van de verschillende soorten van liefde: »twingende minne"--de +woeste passie der zinnen, die »glibberig als ijs" is en de »hohe minne", +die van het hart. Van de lage liefde die aan het verlangen naar geld +te danken is, de grote die door de goede naam der dame ontstaat, en de +allerbeste liefde,--dat is de »goedwil" (bonne volonté) die plotseling +uit het diepste van het hart opwelt. Van de verschillende stadiën van de +liefde: het ontwaken er van, het dieper worden er van, door de zekerheid +dat men weder bemind wordt en de consumatie er van wanneer men gekomen +is tot »le baiser et l'accoler". Hoe een man merken kan of een dame hem +liefheeft; zij durft zich natuurlik niet het eerst uitspreken, maar als +zij met het oog half toe geloken, ietwat knipogend hem een blik van +helderste zonnestralen toezendt, is dit een zeker teken. Ook de dame +krijgt allerlei lessen hoe zij haar aanbidder op de proef kan stellen, +hoe zij hem geleidelik hoop mag geven--welke kleine geschenken zij, +zonder zich te compromitteren kan aannemen--hoe zij, in geval van +geheime correspondentie met bleke inkt moet schrijven en alleen op +kleine wassen tafelen waar het schrift onduidelik is, evenals zij +altijd van zich zelf als _hij_ en van haar minnaar als _zij_ moet +spreken,--hoeveel van haar lichaam zij haar aanbidder mag laten zien +en aanraken; ook allerlei intieme voorschriften voor de verschillende +stadia van haar overgave en de aestethiek van het eroties genot. + +Met alle mogelike variaties is het referein dat »de jonge man die +niet lief heeft, verspilt zijn tijd", en »de dame die niet iets of wat +zondigt, waar zou die later wanneer ze ouder geworden is, berouw over +hebben?"--Bovendien: is liefde zonde, dan brengt die zonde toch zoveel +goeds met zich, dat God die licht vergeeft. »Pitié" is het de plicht +van alle Kristenen, vooral van de vrouwen aan den dag te leggen, het +is tegen de natuur dat een vrouw zich hard en ongevoelig zou tonen, het +is niets minder dan doodslag om een aanbidder tot wanhoop en zelfmoord +te brengen door zijn smeekbede niet te verhoren. Hoe was het niet dat +een oude vrouw (in de »Gesta Romanorum") een al te ongevoelig meisje +een doodsschrik op het lijf joeg door haar een hond te laten zien die +niemand anders was dan haar eigen dochter, die God in een hond veranderd +had tot straf dat het meisje haar aanbidder zelfmoord had doen plegen! +Zo had ook een ridder eens buiten een schare vrouwen gezien, die, in +lompen gehuld met gewonde, nakende voeten op uitgehongerde, zwarte +paarden door het bos reden,--dat waren vrouwen die gedurende hun leven +niet hadden willen liefhebben en die nu zo gestraft werden, terwijl er +een andere schare aan kwam rijden, schoon versierd met rozenkrans en op +krachtige witte paarden, elk in een zoet gesprek met een vriend; dat +waren zij die zo beloond werden voor een leven, gewijd aan fijne +ridderlike liefde. + +Van een dergelijke liefde berichten de romans en de berijmde verhalen +uit die tijd in het oneindige. De motieven worden midden uit het leven +van »de hogere kringen" genomen en dikwels worden de verhalen door +bekende met name genoemde personen verteld; veel van de verhalen uit +Provence geven zich gewoon uit voor biografieën van troubadours en vele +geschiedenissen worden ook aan de naam van adelike Noordfranse of Duitse +minnezangers vastgeknoopt. Soms zijn het niets dan anekdoten van een +stukje courtoisie, een geestig antwoord of een galant idee. Bijvoorbeeld +een verhaal van een liaison tussen een troubadour, Guillaume van +Cabestaing en de Gravin van Roussillon en hoe haar zuster zo goed de +schijn op zich laadt dat zij de geliefde van de troubadour is, dat +haar zuster feitelik jaloers wordt. Hoe een ridder, vermoeid van een +toernooi, zich verslaapt en daardoor een geheime ontmoeting met een dame +mist, maar hoe galant en spirituëel hij haar zijne verontschuldiging +aanbiedt, zodat alleen zij verstaat wat hij bedoelt en hem vergiffenis +schenkt. Een soort »Proverbe", als van de Musset, heeft men in de kleine +»lai de l'ombre". De dame heeft aan een ridder die haar sterk het hof +maakt, weerstand kunnen bieden, maar nu heeft hij, zonder dat zij het +weet onder menig een »bel mot plaisant et poli" zijn ring aan haar +vinger weten te schuiven. Dat ontdekt zij later en eist dat hij die +terug zal nemen. Zij zitten op de rand van de put in de burchttuin, als +hij genoodzaakt wordt de compromitterende ring aan te nemen; »die is er +niet zwarter op geworden door aan zulk een schone vinger te zitten," +zegt hij droevig glimlachend en als hij haar beeld zich op de bodem +van de put in het water ziet spiegelen, voegt hij er bij dat hij die +nu ook niet meer dragen wil, maar dat zijn lieve vriendin de ring nu +moet hebben, zij, die hij, na haar, het liefste heeft. De dame is ietwat +vertoornd er over dat hij zo een ander op de achtergrond schijnt te +hebben, maar op hetzelfde ogenblik werpt hij de ring in het water voor +haar beeld. »Zie, nu mijn dame de ring niet wil hebben, is die voor +haar daarginds", »Welk een gelukkige inval," zegt de dichter, »was die +galanterie niet!" De dame kijkt naar beneden in de put en wordt geroerd: +»Uwe zoete woorden en uw grappig idee en het geschenk dat gij mijn beeld +geschonken hebt, doen mij geheel anders hierover denken; daar hebt gij +mijn ring: ik veronderstel dat gij er niet minder op gesteld zult zijn, +al is die ook minder fraai dan die welke gij opgeofferd hebt." + +Een werkelike echtbreuk-roman is de Provençaalse »Flamenca". De jonge +Guillaume de Nevers heeft zo veel horen spreken van Flamenca, de vrome, +jonge echtgenote van de brutale Seigneur de Bourbon, dat hij het besluit +neemt de ongeziene Schone lief te hebben. Hij neemt een kamer in een +herberg vlak tegenover de burchttoren, waarin zij opgesloten gehouden +wordt, en geïnspireerd door de nabijheid der geliefde, groeit zijn +romantiese liefde voor haar aan tot dweperij van de zelfde telepatiese +aard als die wij bij Tristan tegen zijn gekomen. Wanneer hij vanuit zijn +venster naar haar toren kijkt, valt hij in een soort bezwijming en in +die tijd is zijn ziel bij haar in de toren en houdt haar in de armen +zonder dat zij 't zelf vermoedt. Slechts na enkele ogenblikken ziet zijn +bekommerde dienaar een glimlach over het bewusteloze gezicht spelen en +de geest er langzamerhand weer in terugkeren, met een weerspiegeling +over zich van het geluk dat die genoten heeft. Om met de dame in +verbinding te komen weet hij van een gewillige priester de toelating te +verkrijgen de koordienst in de kerk te verrichten waar zij de mis hoort, +en dat hij het werk van de geestelike op zich mag nemen die rondgaat en +de gemeente het brevier laat kussen. Bij dat werk heeft hij allerlei +ogenblikken van verrukking. Wanneer hij het zonnelicht op Flamenca's +haar ziet vallen, jubelt hij met zijn schone stem dubbel mede in het +koorgezang. Wanneer zij haar hand ontbloot om het teken des kruises te +maken, dan loopt het de minnaar als ijs langs de rug »alsof men in al te +koud water baadt". Nu waagt hij het een eigenaardig soort van gesprek in +te leiden, wanneer hij haar het brevier tot kussen aanbiedt. De eerste +keer zucht hij alleen maar diep, en thuis gekomen vertelt Flamenca haar +maagden van die schone geestelike en zijn zuchten, waarop de meisjes +dadelik gereed staan met hun raad: de volgende maal moet zij vragen +waarom hij zo zucht. En zo ontwikkelt zich het gesprek, elke keer dat +zij in de kerk komt slechts een paar woorden van een der beide partijen +en telkens wordt er thuis in het vrouwenvertrek ijverig gedebatteerd, +wat de geestelike gezegd heeft en hoeveel aanmoediging hun meesteres +hem de volgende keer in haar antwoord geven mag, totdat zij elkaar +langzamerhand beginnen te begrijpen en afspreken hoe de echtgenoot het +best bedrogen zal kunnen worden. + +In Noord-Frankrijk worden de minneliederen van de Heer van Coucy aan de +Vrouwe van Fayel het onderwerp van een hele roman die wij gedeeltelik +terugvinden in de allerliefste »Herzmäre" van Koenraad van Würzburg. Die +eindigt met het barbaarse sage-motief dat men ook in Indiese en Keltiese +en vele andere sprookjes vindt,--dat de echtgenoot zijn vrouw het hart +van haar minnaar te eten geeft en haar dan, als het op is, vertelt +wat voor een lekkernij zij voor zich gehad heeft, waarop zij zweert +van nu af geen voedsel meer tot zich te nemen. Maar afgezien van dit +tragiese slot beweegt de historie zich geheel en al in de vormen van het +geciviliseerde hofleven en schetst de verhouding der twee hoofdpersonen +door alle gewone fases heen, van het eerste bezoek af waar zij, in +de afwezigheid van haar gemaal, het gesprek een andere draai geeft +telkens wanneer zij vrezen moet dat de Heer van Coucy aan tafel met +zijn liefdesverklaring voor den dag zal komen, tot op het ogenblik dat +een andere dame, wier avances de ridder afgewezen heeft, eens met de +scherpzinnigheid van de jalousie de blikken opvangt die de geliefden +elkaar in 't geheim toewerpen en alles aan de echtgenoot verklikt. + +Maar liefde die met het huwelik in konflikt komt is nu niet langer +het enige wat interesseert. Men heeft nu het konventionele standpunt +verlaten van het geloof dat de poëtiese ridderlike liefde niet met het +proza van het huwelik samen kan gaan; een fijnere moraal begint zich +aan het halve en het valse in gestolen liefde te stoten en een inniger +opvatting der liefde tracht tot solieder, zekerder huwelikstoestanden +te leiden. Men zal zich herinneren hoe de echtgenote in het gedicht +van Marie de France »Eliduc" haar recht op haar eigen echtgenoot opgaf +ten voordele van de verbinding die hij in 't buitenland aangegaan had, +ofschoon hij wist dat hij elders gebonden was. Op dit gedicht van +Marie schreef Gautier van Arras een roman maar met karakteristieke +veranderingen. Ille verlaat zijn innig geliefde vrouw Galeron uit +wanhoop dat hij bij een toernooi zijn ene oog kwijt is geraakt; hij kan +niet geloven dat zij steeds liefde zal kunnen blijven voelen voor iemand +die zo ontsierd is, en trekt stil weg naar een vreemd land. Een zeer +onhandig idee, dat blijkbaar in verband staat met een oordeel in het +boek van Andreas Capellanus over de »Kunst der Liefde" en ook weer +gevonden wordt in een Duits gedicht: »De getrouwe Echtgenote"; maar er +moest iets zijn om Illes vertrek van zijn huis te verklaren. Ille komt +te Rome en maakt zich zo verdienstelik dat de Paus en de keizer hem een +geschikte partij vinden voor de dochter van de keizer. Maar het is +alleen op de verantwoording van de Paus en na lang Galeron gezocht te +hebben, die intussen ook haar tehuis verlaten heeft, dat Ille in het +nieuwe huwelik toestemt, en wanneer dan Galeron in de St. Pieterskerk +opduikt, juist op het ogenblik dat de bruidsstoet daar aankomt, bedenkt +Ille zich geen ogenblik om de keizerdochter in de steek te laten en met +zijn vrouw naar huis te trekken, niettegenstaande die bereid is hem op +te geven. Eerst na jaren geeft Galeron zich na een gevaarlike bevalling +aan God en wordt non, en nu kan Ille zich met zijn geliefde prinses +laten verenigen. Het verschil ten gunste van Marie wat betreft de morele +verantwoordelikheid en fijngevoeligheid is duidelik. + +Nog duideliker is het dat de Cligès van Chrestien als een morele +tegenhanger van de Tristan-romans bedoeld is. Evenals hier wordt ook +in de Cligès een neef verliefd op de bruid die hij voor de koning, +zijn oom, gaat halen. Maar behalve dat Cligès volstrekt niet door +dankbaarheid aan zijn oom gebonden was, zoals dit met Tristan het geval +was,--integendeel is zijn erfrecht op de troon door zijn oom met geweld +terzijde gezet--verklaart ook Felice, de koningin, dadelik uitdrukkelik +dat zij niet, wat Isolde zo met vreugde deed, haar lichaam tussen +echtgenoot en minnaar wil delen: »hij die het hart heeft, zal ook het +lichaam genieten." En zo geeft zij zich ook pas aan Cligès, wanneer haar +min, die de kunst der toverij verstaat, de keizer een toverdrank gegeven +heeft die maakt dat hij het huwelik niet heeft kunnen consumeren. En +de twee gelieven zoeken dan ook niets beter dan een openbaar, wettig +huwelik voor de verborgen liaison in de plaats te stellen, wat hun dan +per slot van rekening ook gelukt, als de keizer uit de weg geruimd is. +Maar zelfs als echtgenote--heet het, volkomen tegen de wetten van de +ridderlike erotiek indruisend--bleef zij zijn dame en vriendin. Zo +antwoordt ook de echtgenote in »Erec en Enide" demonstratief aan iemand +die haar vraagt of zij de vrouw of de vriendin van de held is: +»Echtgenote èn vriendin." + +In vele romans van de 13de eeuw kan men nagaan hoe de verfijning van de +erotiese moraal en het dieper en inniger gevoel dat voor de andere min +in de plaats komt, als vanzelf van de konventionele troubadourliefde tot +het huwelik voert. De vorstenzoon, Durmart le Gallois, die begint met +een losse verbintenis met de vrouw van den drossaete, ondergaat b.v. +langzamerhand een morele loutering en opvoeding en eindigt met zijn +dame, de Ierse vorstin, de hand voor het altaar te reiken. »De meesten," +zegt de dichter, »laken hem die met zijn minnares trouwt, maar die +voelen de ware, echte liefde niet, want hoger is dàt geluk te achten +dat onverminderd genoten kan worden, dan dat hetwelk men slechts voor +een ogenblik leent, en het moet voor ieder zéér pijnlik aandoen zijn +vriendin vlak voor zijn ogen door een ander te moeten zien kussen en +omhelzen." En vooral in Duitsland bezingen de voornaamste dichters +eigelik steeds de lof van het huwelik ten spijt van de conventie der +riddererotiek, terwijl de leerdichten als in de geest van Luther +verklaren dat het hoogste geluk in de wereld is een goede en trouwe +vrouw te bezitten en dat de wil van man en vrouw »van het hart en tot +het hart gaat". + +Ook uit menig andere conventie der ridderromantiek ziet men zich +langzamerhand een fijnere en gezonder liefdemoraal ontwikkelen. +B.v. uit de argumenten tegen die echtgenoten welke zonder het minste +vertrouwen op hun vrouw, dadelik in alle laster tegen hen en hun eer +geloven--gelijk in de »Roman de la Violette"--uit de oppositie tegen +de dames die de ridder tot speelbal van hun luimen maken en hen die ze +liefhebben door hun grillen plagen; of wel wendt dan de ridder zich ten +slotte van haar af, als hij genoeg heeft van haar koketterie, of wel +betaalt hij haar in gelijke munt door haar liefde op een dergelike proef +te stellen, als die waarmede zij hem in haar koketterie geplaagd heeft. +Allerliefst bestaat beider liefde de proef in een klein verhaal: »De +drie ridders en de mantel." De dame heeft haar drie aanbidders gezegd +dat zij hèm voor zou trekken, die bij een toernooi haar mantel wil +aantrekken in plaats van een wapenrusting. Slechts bij één der drie is +de liefde daar sterk genoeg voor en hij komt zegevierend terug, maar +met zware wonden. Maar nu verlangt hij van haar dat zij op een feest die +bloedige mantel over haar feestdracht dragen zal. En haar liefde is even +sterk als de zijne, zij offert haar ijdelheid op evenals hij zijn leven +op het spel gezet had. + +Of men lette op hoe vaak morele fijngevoeligheid en hooggespannen +idealisme de ridderroman op zijn best in het oude feeën-motief leggen +kan, dat wij al zo dikwels hebben zien behandelen: de ridder die +verraadt dat hij in het geheim de gunst van de fee genoten heeft. In de +»Parthenopaeus van Blois" is de fee tot een prinses van Konstantinopel +geworden, die de toverkunst machtig geworden is, haar minnaar is de +jonge ridder van Blois. Wanneer hij er zich toe laat verleiden haar +gebod van geheimhouding te overtreden, verbant zij hem uit haar ogen, +niettegenstaande al zijn berouw en de smeekbeden van haar zuster; haar +verwond hart, haar teleurgesteld vertrouwen vloeien over van smart en +boosheid. »Zuster," zegt zij, »gij kent de liefde slecht, de liefde met +haar vreugde en smart; één enkele smart die een vriend ons berokkent, +doet meer kwaad dan vijf die een vijand ons veroorzaakt." Maar even diep +is dan ook haar berouw en haar zelfverwijt, als het blijkt dat zij hem +tot vertwijfeling gebracht heeft. »Wie zijn vriend hoogmoedig afwijst, +wanneer hij onder tranen om genade bidt," zegt zij, »moet niet éénmaal +sterven, maar langzaam de uitterende dood voelen naderen." Eerst wanneer +beiden door hun beproevingen gelouterd zijn, worden zij voor goed +vereenigd. + +Dit feeën-motief wordt geheel in de werkelikheid opgenomen in de kleine +vertelling van »La Châtelaine de Vergy",--misschien de fijnste bloem der +ridderpoëzie. Misschien ligt er iets dat werkelik aan het Bourgondiese +hof gebeurd is aan ten grondslag. Aan het hof van een Hertog leeft een +jong ridder, de lieveling van de vorst en de vreugde van het hof. Ook de +hertogin werpt haar ogen op hem; lang tracht zij hem zeer diskreet haar +gunst te tonen, en in fijne, passende bewoordingen geeft zij hem haar +gevoelens te kennen, maar hij doet haar in alle hoffelikheid begrijpen +dat hij er niet over kan denken het vertrouwen van zijn meester te +beschamen. En nu gaat de hertogin diep gekrenkt naar haar echtgenoot +om de knaap te belasteren en te zeggen dat hij haar met oneerbare +bedoelingen heeft trachten te naderen. De hertog kan zijn oren nauweliks +geloven en hij laat de ridder nu alleen bij zich komen om hem aan een +verhoor te onderwerpen; het is duidelik dat de jongen verliefd is, +maar hij zweert dat hij onschuldig is en de hertog wil hem heel graag +geloven, maar op wie kan het dan zijn dat hij verliefd is? Slechts als +hij hem dat wil zeggen, kan hij zijn wantrouwen doen verdwijnen. En +zo lang dringt hij aan en zo ongelukkig voelt de knaap zich dat hij +in een vals licht voor zijn meester zou staan, dat hij ten slotte +met het geheim voor den dag komt: het is de nicht van de hertog, de +Burchtgravinne van Vergy en hij die elkaar al lang in het geheim bemind +hebben, maar ze hebben gezworen er het stilzwijgen over te bewaren. +De vorst zweert van zijn kant dat het geheim niet over zijn lippen zal +komen en neemt de gelegenheid waar, om, ongezien, de ontmoeting van +het jonge paar in de tuin bij te wonen. Hoger dan ooit te voren staat +de jongeling nu bij de hertog in de gunst, wat, gelijk te verwachten +was, de verbazing en zelfs de verbittering van de hertogin wekt. In +een vluchtig geschetst nachtelik idyllies ogenblik weet de jaloerse +vrouw eindelik haar gemaal met moeite het geheim te ontlokken. Zij, +een hertogin, versmaad voor een simpele burchtgravin,--dat is een +belediging, die gewroken moet worden. Kort daarna is er een groot feest +aan het hof van de hertog en onder de gasten uit de buurt is ook de +burchtgravin. Vriendelik wordt zij door de hertogin ontvangen, maar +wanneer de dames zich na het middagmaal teruggetrokken hebben om zich +voor het bal te kleden, dan kan de gastvrouw niet nalaten met een kleine +hatelikheid voor den dag te komen die de jonge vrouw het hart doorboort, +omdat die het haar duidelik maakt dat haar geliefde hun geheim verraden +heeft. Als de andere dames die niets gemerkt hebben, ten dans gaan, +trekt zij zich, diep in 't hart getroffen, in een kleine kleedkamer +terug: zij is verraden door haar minnaar, verraden aan de hertogin,--dus +is zij het nu die hij liefheeft. Zij werpt zich op een bed en onder +wenen en klagen breekt haar hart van verdriet met de woorden: »Gode +beveel ik u, zoete vriend." Ondertussen heeft haar ridder haar overal +bij de dans gezocht en in de vertrekken; eindelik vindt hij haar op het +bed in die kleine kamer. Zijn kwade geweten doet hem reeds vermoeden +wat er gebeurd is en dat wordt hem door een kamermeisje bevestigd die +de dame heeft horen klagen, en als de rest van het gezelschap aan komt +ijlen, wordt de ridder, doorboord door zijn zwaard, op het lichaam +van zijn geliefde gevonden. Maar de vorst trekt het zwaard uit het +lichaam van de dode en midden onder het feest stoot hij het in zijn +vrouw,--daarop neemt hij het kruis en trekt naar het heilige land. + +Alles wat de ridderromantiek aan fijne kennis van het maatschappelik +leven kent en fijne aristokratiese mensenkennis, komt rein en schoon in +deze kleine berijmde vertelling voor den dag, die nog heden ten dage +geleefd en gedicht had kunnen worden. + + + + +XXI. + +HET EINDE DER RIDDERROMANTIEK. + + +Gelijk de glanstijd van de ridderadel, duurde ook de bloeitijd van de +ridderromantiek slechts zeer kort. In het laatst der middeleeuwen was +het de kerk, de universiteit en de burgergeest die het geestesleven +zouden beheersen. Deze drie machten waren het die in de 14de en 15de +eeuw de dood van de ridderromantiek veroorzaakten. + +In de latere Graalromans zagen wij haar in de dienst treden van de +kristelike mystiek en ascetiese monnikengeest. Lancelot en Guenievre +doen ten slotte boete in cel en kluis; Perceval ligt »bevend als een +blad" aan de zijde van zijn vrouw die hij voor God en de mensen getrouwd +heeft, van pure vrees de vreugde des hemels te missen, als hij zich +aan vleselike lust overgeeft; heilige mirakelen en de valstrikken des +duivels omgeven de maagdelike Galaad bij zijn zoeken naar de Graal; en +in het Duitse gedicht »De jonge Titurel" worden de Graal-tempel en de +Graal-dienst tot een mysties symboliese idealisering van het nieuwe +Gotiese kerkgebouw en de kristelike godsdienst. Handige geesteliken +beginnen over het algemeen de wereldlikheid tot de Ere Gods te wenden, +door de ridderromans en de minneliederen of de »ars amandi" te +»moraliseren" en te »spiritualiseren" en ze tot geestelike allegorieën +te maken; er worden »geestelike toernooien" en ridderromans geschreven +over de reis naar de Hel en het Paradijs. Menig ridderlik dichter kreeg +zelf scrupules: zowel Chrestien de Troyes als Hartmann von Aue schreven +legenden als boetedoening voor hun ridderromans en meer dan een +minnezanger eindigde op een kruistocht of in het klooster. In het +gedicht van Konrath von Würzburg, »'s Werelds loon", krijgt een +ridderlik minnezanger bezoek van »Frau Welt" die hij steeds gediend +heeft, haar schoonheid en beminnelikheid betoveren hem volkomen, maar +als zij zich omkeert, ziet hij hoe haar rug geheel opgegeten is door +vergiftige slangen, en vol walging maakt hij zich nu van haar af en +neemt het kruis. + +Nog werkzamer middelen dan allegorieën en waarschuwingen werden tegen +de verwilderde kinderen der wereld gebruikt. De 13de eeuw is die van +Innocentius III en Lodewijk de Heilige, van de orden der bedelmonniken +en van de Inquisitie; de 14de eeuw is die der mystiek, van de zwarte +dood, en van de geselbroeders en noch in de ogen van Lodewijk de +Heilige, noch in die van Bonaventura, zou de roman van Lancelot genade +kunnen vinden die Paolo en Francesca tot »de zoete zonde" verleidde. +Vooral was het de schone jolige ridderkultuur van geheel Zuid-Frankrijk +die vertrapt werd, toen het kruisleger van Simon de Montfort als een +gesel Gods zich over de ketterse steden en het land der troubadourhoven +stortte. »Ik was gewoon aan zang en vrolikheid, aan ridderlikheid en +vriendelikheid, klaagt de troubadour,--de wereld was vrolik en de +vrouwen mooi en lief en een ieder legde zich slechts toe op wat edel was +en schoon. Maar nu is alles veranderd, ik word gelaakt en veroordeeld +voor alles waar ik vroeger voor geprezen werd en nu zegt men dat gulden +stoffen niet voor vrouwen passen en dat men de genade Gods vinden +zal door witte pijen en zwarte kleêren." Zeer plotseling verstomde +de rijke fijne zangkunst of moest zich voor moraliserende leerdichten +laten gebruiken, slechts een paar troubadours waren er voor te +vinden om de liefdelyriek te gebruiken voor de verkondiging van +een platonies-kristelike, mysties-spiritualistiese godsdienst der +liefde,--zoals die zich later verder ontwikkelde uit de Italiaanse +renaissance-lyriek, in Dantes »Vita nuova" en Petrarca's »Canzoniere". + +Intussen kwam de kerk zelf ook met een literatuur voor den dag die het +publiek interesseerde. Van de ridderromans wendde men zich tot de +»Legenda Aurea", Bonaventura's »Beschouwingen", Jacques de Vitry's +verzameling van stichtelike »exempelen" en door de boetpredikanten +die uit het volk voorkwamen en vóor het volk spraken, zowel als door +de grote mysteries werd het kermispubliek toch meer en meer van de +speellieden en de »conteors" afgetrokken. + +Maar tegelijkertijd kreeg de ridderromantiek het hard te verantwoorden +op de Universiteit,--door de geleerdheid en de scholastiek. Een +geografiese en natuurwetenschappelike literatuur in de volkstaal zou +weldra de ridderromans geheel overtreffen door haar verhalen over +alle merkwaardige landen en volkeren, van alle wonderbare planten en +dieren en mirakuleuze stenen. De romantiese fantasiehonger had zich +langzamerhand ontwikkeld tot een werkelike dorst naar wetenschap en tot +een ontwakende drang naar onderzoek, en allerlei soort »Mappemondes", +»Miroirs du monde", bestiarieën en lapidarieën of de reisbeschrijvingen +van een Marco Polo en Mandeville trokken weldra de belangstelling +sterker tot zich dan de merkwaardigheden van de Alexanderromans of de +Parzivalgedichten. Op dezelfde manier leidden de ridderromans tot een +historiese literatuur die meer en meer de belangstelling van die romans +af, en tot zich trok. Reeds de schrijver van »de roman van Troje" begon +op zijn ouden dag een kroniek der Normandiese Hertogen te schrijven, en +gebruikte de kleuren der ridderromantiek om te beschrijven hoe hertog +Richard tot ridder geslagen werd of de liefdegeschiedenis te vertellen +van Robert van Normandië en het schone burgermeisje dat hij aan de +was had zien staan. In Villehardouin, in de werken van de Minstreel +uit Rheims, en later in de kronieken van Froissart ontwikkelt zich +een ridderlik romantiese kunst om de geschiedenis te schrijven, met +schitterende beschrijvingen van de feesten der Bourgondiese hertogen +en het hofleven der Engelse Plantagenets of van de heldenfeiten en de +Oosterse lust naar avonturen op de kruistocht naar Konstantinopel. De +overgang van roman naar historie komt duidelik aan den dag in een werk +als de »Roman de Hem" van een Sarrasijn in de 13de eeuw. Feitelik is +dit niet anders dan een uitvoerige beschrijving van een toernooi, +dat de dichter bijgewoond heeft, hij beschrijft alle deelnemers +onder hun werkelike namen, ofschoon in een gril zijner fantasie een +paar Arthurridders er bij gehaald worden. In zijn inleiding prijst de +schrijver ook bizonder die dame op wier bevel het gedicht geschreven +werd, omdat zij niet is gelijk die dames die zich allerlei leugens »bij +elkaar laten lappen die de geest alleen maar bederven", maar die zulke +»romans d'aventure" als »Cligès" en »Parcival" versmaden. + +Maar het was toch vooral de didaktiek en de scholastiek die van de +Universiteit komende, de ridderromantiek zouden verstikken. Er was, +zoals wij al gezien hebben, reeds vroeg een scholasties element in de +minnepoëzie der troubadours gekomen en in zelfstandige leerdichten +zowel als overal in de ridderromans waren er stukken te vinden waar +men een lesje in de ridderlikheid en de hoofsheid kon krijgen. Meer en +meer verdroogt nu echter dat frisse gevoel in de lyriek en verdwijnt +de levende fantasie uit de romans en in plaats daarvan komen morele +allegorieën en een spitsvondige dialektiek in die lyriek, in de +romans en nog meer in de zelfstandige leerdichten. Reeds in de jongste +klassiciteit floreerden erotiese en morele allegorieën--het slot van +Venus en de rechtbank van Venus, vrouw Philosophia die Boethius in zijn +gevangenis komt troosten, of de bruiloft van Philologia en Mercurius +bij Martianus Capella--en meer en meer ziet men die allegorieën in de +theologie der middeleeuwen verschijnen, en daaruit dringt nu de zin om +eigenschappen te personifieren en abstrakte begrippen af te beelden in +de wereldlike ridderpoëzie door, in Noord- en Zuid-Frankrijk zo ook +als in Duitschland. De Godin der Liefde zit in haar paleis omgeven +door Vreugde, Schaamte, Hoop enz. en houdt een leerrijke voordracht +voor hen. De dichter ontmoet op zijn wandeling allerlei allegoriese +personen en heeft leerrijke gesprekken met hen. Of wel wordt de +belegering van »de Burcht der Liefde" in alle stadia geschilderd. Het +is vooral in Noord-Frankrijk--Parijs was immers de hoofdzetel van de +Scholastiek--dat wij de moraal der ridderlikheid aanschouwelijk zagen +maken door de allegorie, of het wezen der liefde in zijn bestanddeelen +zagen oplossen die alle allegories gekleed waren. En wij zagen ook hoe +in het leerboek over de »gepaste" liefde »De arte honeste amandi" van +de Kapellaan Andreas, de regels van de ridderlikheid en de ridderliefde +gesistematiseerd waren, als wetten werden geformuleerd en subtiel +in scholasties-juridiese geest vertolkt; in een gedicht als »het +Dierenboek der Liefde" van Richard de Fournival, maakt de minnaar van +alle berichten uit de bestiaria over merkwaardige dieren gebruik om +allegories de merkwaardige eigenschappen van de liefde en de aangebedene +te beschrijven en zij antwoordt door nog weer andere morele vertolkingen +van die dierenverhalen te citeren! + +Maar de beroemdste en fijnste, meest poëtiese scholastisering van de +ridderromantiek is toch de »Roman de la Rose" die een jonge geestelik +opgevoede edelman uit Orleans omstreeks het jaar 1240 geschreven had. +Daarin lezen we, hoe de dichter--in zijn droom--vrolik en met liefde +in het hart, de stad uitwandelt om van het gezang der vogelen en het +voorjaar te genieten, en bij een tuin komt die door een hoge muur +omgeven is zodat men er niet in kan komen. Buiten op de muur zijn de +ondeugden afgebeeld die er buiten moeten blijven: haat en laagheid, +gierigheid en afgunst, droefenis en ouderdom; want dit is het rijk +van de ridderlik-hoofse liefde, dat slechts open staat voor de edel +geborenen, rijken, welopgevoeden en jongen. »Dame Oiseuse" is de +portierster, d. w. z. dat alleen een leven in lediggang als dat van de +hogere klassen daar toegang verschaft. Zij vraagt de dichter vriendelik +de tuin in ogenschouw te willen nemen; het is haar zuster »Déduit" die +hem heeft aangelegd. In de tuin gekomen, vindt hij zich weldra omringd +door een uitgelezen gezelschap van spelende en dansende Dames en Heren, +»Juffrouw Beleefdheid", »Rijkdom", die zijn vriendin »Vrolikheid" bij +de hand geleidt, »Vrijgevigheid", die als een ridder van Arthur's +Tafelronde gekleed is, »Jeugd", een lief klein meisje van 12 jaar dat +argeloos-onschuldig haar minnaar voor aller ogen kust, en eindelik +»Amor" zelf, een jong ridder in een kleed met bloemen, die door zijn +page »Zoete Blik" begeleid is en met »Vrouwe Schoonheid" danst, die +prachtig is als de maneschijn, onstoffelik als de dauw, eerbaar als een +bruid en wit als een lelie. Terwijl de dichter een roos achter een heg +staat te bewonderen, schiet Amor een pijl op hem af die hem in zijn hart +wondt, en knielend moet de dichter nu de Liefdegod als zijn leenheer +huldigen. Om volkomen zeker te zijn, zet die bovendien nog een slot +op zijn hart en steekt de sleutel in zijn zak, waarop hij zijn vazal +een reeks voorschriften geeft, hoe hij zich bij de liefde gedragen +moet,--vele er van kinderachtig, maar enkele toch ook fijn en schoon--, +en om hem te troosten krijgt hij »Zoete Gedachte", »Zoete Woorden" en +»Zoete Blik" bij zich. Gewond sleept de dichter zich nu naar de roos en +vergeet zijn wonde door daar op te blijven zitten staren en er de geur +van op te snuiven; een vriendelike man (Bel-accueil) biedt aan hem te +helpen als hij beloven kan de roos niet te plukken maar alleen zich met +de aanblik en de geur er van tevreden te stellen, maar hij kan aan de +verleiding geen weerstand bieden en wil over de heg springen,--als +de »bewaker" (Dangier) te voorschijn komt en hem overvalt, met +behulp van »Kwade tongen", »Schrik" en »Schuchterheid"... Een hele +liefde-geschiedenis, zoals men ziet, en een soort psychologie der +verliefdheid in een allegorie ingekleed; de fijnste essens der +riddererotiek, die zonder de geur te verliezen in de verschillende +samenstellende delen ontleed is en op flessen gezet. + +Maar midden in zijn verhaal was de dichter er uitgescheden, en een +mensenleeftijd later of iets meer, was er een welvarende, geleerde +burger van Parijs, Jean de Meung, die het handschrift in zijn bezit +kreeg en het voortzette. En met hem kwam er een hele nieuwe geest in het +werk, die van een grof verstands-realisme, dat de sierlike rozentuin +lelik zou maken. Want terwijl de minnaar staat te jammeren, komt »Het +Verstand" hem eens de les lezen. Liefde komt slechts uit een »passion +desordonnée" voort en is een soort krankzinnigheid die de man uit +natuurdrift overvalt, terwille van de voortplanting. En als zulk een +natuurdrift moet die gehoorzaamd worden, maar als het niet wegens die +blinde passie was, zou het verstand werkelik geen plezier vinden in die +onbekookte praatjesmaaksters die men vrouwen noemt en die de poëten nog +verheerliken!,--het is alleen maar hun opschik die ons zand in de ogen +strooit, en al de sentimentaliteit waarmede de liefde zich omgeeft, +betekent eigelik niets! Als priester der natuur treedt ook »Genius" +op en verkondigt zijn: »Vermenigvuldigt u". Alle vrouwen zijn voor +alle mannen en het is al te dwaas te geloven dat Robicon voor Mariote +geschapen is of Mariote voor Robicon. Meer en meer brengen de lange +gesprekken die de dichter heeft met »Verstand", met de »Vriend" en +»Valse Schijn", hem uit de atmosfeer van de rozentuin weg, maar op alle +gebied is het romantiek en sentimentaliteit en de gekunsteldheid in +de overspanning der hele ridderkultuur die aangegrepen wordt--alles in +naam van kultuur en verstand, van utiliteit en verlichting en van een +demokratiese burgerlikheid. »Laten wij nu toch eens even verstandig +trachten te zijn!" daar komt het alles op neer. Geen adel en geen +rijkdom,--de mensen zijn van nature gelijk; geen weelde in eten en +klederdracht, geen preutsheid en geen affectatie, geen bederven van de +natuur door opvoeding en konventie, niet al dat blanketten en maskeren +van de naaktheid van het geslachtsleven, niet al die hoogdravendheid en +gekheid van het ridderwezen,--laten wij natuurlik zijn en waar, en de +werkelikheid onder de ogen zien. + +En onder talrijke vormen laat de burgerlike geest in de zich +ontwikkelende steden een dergelijke taal tegenover de ridderromantiek +horen. Zeker, de burgers proberen de ridderromantiek zo wel als de +ridderlyriek tot de hunne te maken en die bewust of onbewust te +verburgerliken. De werklieden vormen een zangersgilde te Toulouse, +te Gent en te Neurenberg en maken zo een handwerk op rijm van de +minneliederen der troubadours met moraliserende, spitsburgerlike +inhoud. En de ridderromans werden omgewerkt tot lompe, kinderachtige +volksboeken, tot vermaak van het volk. Maar tegelijkertijd wordt de +poëzie der ridders en hun romantiek voortdurend geparodieerd evenals +de ridderadel met hoon en toorn aangevallen wordt. Van de latere +riddergedichten waren er al vele die in zelf-ironie gespot hadden over +de afstand tussen het hooggespannen ridderlike idealisme en de steeds +meer en meer armer wordende werkelikheid in de ridderwereld. En in +Chaucers nobele Sir Thopas of in de kleine Jean de Saintré in de Franse +roman van de 15de eeuw worden de ronddolende ridders geparodieerd +en gehoond, presies als later in de ridderepopeën der Italiaanse +Renaissance-dichters. In Duitse gedichten willen ridders meê doen aan +de dans met boerendochters, maar ze worden met spot de deur gewezen door +de landelike schoonheden als zij ze het hof willen maken, en lopen een +pak slaag op van de boerenjongens. Alle aanstellerij in de minnepoëzie +der troubadours kan men in de gedichten der Florentijnse burgers +geparodieerd vinden. En hoe meer de adel zelf ekonomies, moreel en +militair in verval kwam, des te meer lachen de burgers ze uit. Het +eclatante fiasco van de Franse adel in de honderdjarige oorlog doet +een stroom van spot op hun hoofden nederdalen,--hoe de Duitse ridders +in het laatste deel der Middeleeuwen eigelik tot gemene struikrovers +gezonken waren, vindt men reeds midden in de 13de eeuw getekend in een +allerliefste kleine novelle »Meier Helmbrecht" waar het eerlike werkzame +leven van de boer in een heldere tegenstelling geplaatst is tot het +vervallen ridderwezen, waar de ridders rijp zijn voor de dood van een +struikrover aan de galg. + +En dit verval van de adel, ekonomies, militair, politiek en moreel, +brengt ook van zelf dat van de ridderromantiek mede. Wel is waar schoot +die eerst nog veel meer en meer eksentriese loten. Zo overtrof b.v. +de Duitse ridder Ulrich von Lichtenstein alle vroegere minnedichters +in dwaasheid, toen hij een lid van zijn vinger afhakte en dat zijn +aangebedene zond, of als »Vrouw Venus" verkleed, geheel Duitsland +doortrok en bij alle toernooien ter ere van zijn dame streed--gelijk hij +dit alles zelf in zijn autobiografiese roman »Vrouwendienst" verhaald +heeft. De eindeloze Franse roman »Perceforest" uit de 14de eeuw en +de Spaans-Portugese Amadis romans uit de 15de eeuw gaven nog eens +en wel in de meest paradoxale ten spits gedreven vorm alle idealen +van de ridderromantiek bij elkaar en alle lievelingsmotieven uit +de ridderromans. Aan het Bourgondiese hertogelike hof trachtte men +evenzo in de 15de eeuw de ridderlike glansperiode van de Tafelronde +te doen herleven door prachtige toernooien, kunstmatige hoflyriek en +ridderlike »voeux du faisan" over de kruistochten tegen de Turken. En +toch,--evenals het niet de ridderlike politiek der Bourgondiese hertogen +was die de zegepraal zou behalen, maar de zeer burgerlike politiek van +Lodewijk XI, zo waren het niet de laatste verwaterde ridderromans en +minnedichten in de stijl der troubadours, maar de burgerlike realistiese +farce of novelle of Villon's burgerlik-realistiese lyriek waaruit de +levende ziel van de 15de eeuw sprak. Terwijl de ridderromantiek zich +over de andere landen van Europa uitbreidde en nog in de 15de eeuw +nieuwe zelfstandige loten schoot, in de Scandinaviese ridderballaden, +in Spaanse romances van de Cid, in de Engelse Arturroman van Malory, +allerlei spruiten van de ridderromantiek die wij hier niet verder kunnen +vervolgen,--waren hun sappen uitgedroogd in de landen zelf waar zij +thuis hoort, de leidende landen wat de kultuur der middeleeuwen betreft: +Frankrijk en Duitsland. + +Zo nauw was de Ridderromantiek aan een bepaald maatschappelik +en geestelik leven der middeleeuwen verbonden, dat die in haar +oorspronkelike vormen met de middeleeuwen ten grave _moest_ dalen. +Maar in die romantiek, en verborgen onder wat daarvan aan plaats en +tijd gebonden was, lagen algemene dichterlike kultuurwaarden die altijd +tot het levende eigendom der mensheid zouden blijven behoren. Meer en +meer is men toch ook van de opvatting teruggekomen dat de renaissance +een volkomen breken met de Middeleeuwen zou betekenen. Evenals het +middeleeuwse kristendom en de stedelike kultuur, maakt ook de ridderlike +vorming een deel van de moderne kultuur uit. Indien men de inslag van de +ridderlikheid door de schering van het maatschappelike geestesleven van +een latere tijd of die van de ridderromantiek in haar latere literaire +ontwikkeling heen wilde nagaan, zou dit betekenen dat een aanzienlik +deel van de geschiedenis der moderne kultuur geschreven was. Het +ridderlike krijgsmansideaal en het ridderlike begrip van eer zijn +niet alleen nu nog springlevend in de militaire stand, maar maakt een +vrij essentieel deel uit van onze burgerlike mannelike moraal en de +middeleeuwse begrippen »Chevalier" en »gentilhomme" met de bijsmaak +van eer en hoofsheid die deze woorden hebben, zijn langzamerhand tot +het »cavalier" en »gentleman" van onze tijd geworden. En zo zijn, van +een zuiver literair standpunt uit, de ridders van Ariosto, Tasso en +Spenser, die de wereld rondtrekken en ter ere van hun Angelica, Armida +of Gloriana strijden, de direkte afstammelingen van de ridders van +Chrestien en Wolfram, maar ook de galante Alexander de Grote van Mlle de +Scudéry, de Cid van Corneille, ja zelfs Hernani van Victor Hugo en Don +Carlos van Schiller hebben nog het bloed in hun aderen van Arthur's +ridders van de Tafelronde. En verder: de Provençaalse en Franse »Hoven +van Liefde" waar de dames presideerden, werden voortgezet in de hoven +van Margareta van Navarre en de Italiaanse literaire vorstinnen, zowel +als in de Franse salons der 17de en 18de eeuw en de minneliederen der +troubadours weerklinken in het Italiaanse sosiale leven als sonnetten +van Petrarca, evenzeer als de spiritueel-sentimentele liederen van +Charles d'Orléans bij het hof van Blois, en de liefdelyriek van Sidney +en Spenser aan het hof van Elisabeth. Ja, zelfs de minneliederen van de +Musset en Lamartine, van Klopstock en van Heine hebben nog veel in zich +dat aan de »Liefdekunst" der troubadours herinnert. En tenslotte: de +middeleeuwse liefderoman--met zijn sentimentaliteit, zijn romaneske +intrigue-fantasie en zijn belangstelling om de grillige roeringen van +het hart na te sporen--brengt ons tot Boccacio en Ariosto, Chaucer en +Shakespeare, Margareta van Navarre en Racine en daaruit vinden wij +die met zijn motieven en gehele toonscala in talrijke moderne romans, +novellen en drama's terug. De episode van Troïlus en Briseïs in de +roman van Troje werd als voorbeeld van de grillen van de liefde en het +vrouwenhart eerst en veel dieper gebruikt door Boccacio en Chaucer, +en later door Shakespeare; bij diezelfde drie grote dichters der +renaissance werden de onschuldig lijdende en zich liefderijk opofferende +vrouwen heerlik gepoëtiseerd in figuren als Griseldis of Imogen. De +meest sentimentele van Boccacio's novellen en de meest romantiese van +Shakespeare's blijspelen zijn op de Middeleeuwse intrigen gebouwd, maar +met roerender toon en dieper zielestudie,--van Floris en Blanchefleur, +Appollonius van Tyrus, Die Herzmäre en de roman van Lancelot. Ariosto's +van liefde razende Roeland en de heldin Bradamante in panser en +kuras,--Chaucer's »Fair Emily" op een schone Meimorgen, en Spencer's +Britomartis die de wereld doortrekt om een ontvoerde geliefde te +zoeken wier beeld zij in een spiegel gezien heeft,--Tasso's kokette en +ijverzuchtige Armida... aan al dergelijke figuren kunnen wij zien hoe ze +direkt uit middeleeuwse ridderromans stammen en op hun beurt weer leiden +tot Racine's despotiese en jaloerse prinsessen, tot de desperate +minnaars der romantiek en Tennyson's »fair Elaine". + +Het moderne geestesleven zou nog verder ten achter gestaan hebben in +morele verfijning en maatschappelike vormen, de moderne poëzie zou heel +wat armer geweest zijn aan sentimentaliteit en een eigenaardig soort +romanfantasie, indien het adelike hofleven der 12de en 13de eeuw niet +geleefd was en de gedichten der troubadours en de ridderromans nooit +geschreven waren. Soms lijkt het zelfs wel eens alsof al onze hang naar +het populaire en natuurlike en over het algemeen onze tijd van »feiten" +en »een gezonde brutaliteit" nog heel wat zou kunnen leren van adel en +ridderlikheid, fijne hoofsheid en zelfopofferende innigheid, van die +oude verhalen van Eer en Liefde ten spijt van alle gezond verstand en +langer dan het leven. + + + + +INHOUD. + + + Bladz. + + Inleiding V + + Hoofdstuk + + I. Van Baron-burcht tot Ridderhof 1 + II. Kristelike Gevoelskultuur 9 + III. Wereldlike Kultuur 21 + IV. Hofkultuur 32 + V. »Salon-Poëzie" der Ridderkringen 44 + VI. Zuid-Frankrijk 58 + VII. De Kunst der Troubadours 69 + VIII. Minnekunst 93 + IX. Geestelike Romans 110 + X. De Romantiek der Kruistochten 121 + XI. De Alexander-Romans 132 + XII. Romanties-Klassieke Literatuur 143 + XIII. Grieks-Oosterse Vertelkunst 171 + XIV. Matière de Bretagne 196 + XV. Marie de France 208 + XVI. Tristan en Isolde 220 + XVII. Franse Ridderlikheid 239 + XVIII. Bretonse Romans 248 + XIX. Duitse Ridderromantiek 285 + XX. Ideaal Humanisme 314 + XXI. Het Einde der Ridderromantiek 334 + + + + + +----------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De volgende correcties zijn in de tekst | + | aangebracht: | + | | + | Bron (B:) -- Correctie (C:) | + | | + | B: zonder moraal, er er zit een | + | B: zonder moraal, er zit een | + | B: Constantijn de grote, zowel als | + | C: Constantijn de Grote, zowel als | + | B: bouw van hospi-pitalen. | + | C: bouw van T:hospitalen. | + | B: van het juk der slavernij";--of | + | C: van het »juk der slavernij";--of | + | B: bij dat van anderen, wenen | + | C: bij dat van anderen, »wenen | + | B: kruis op en volge mij." | + | C: kruis op en volge mij."" | + | B: van de graven vau Guines in | + | C: van de graven van Guines in | + | B: eerst dienst al pages en | + | C: eerst dienst als pages en | + | B: de ontiwkkeling van het | + | C: de ontwikkeling van het | + | B: »Mesure", Maze" heeft in het | + | C: »Mesure", »Maze" heeft in het | + | B: amuseren: S'irons à Paris, | + | C: amuseren: »S'irons à Paris, | + | B: nonnette!"--ik voel de zoete | + | C: nonnette!"--»ik voel de zoete | + | B: wreken. En de jonge Provençaalse | + | C: wreken." En de jonge Provençaalse | + | B: morgen.--»Waarde, goede | + | C: morgen."--»Waarde, goede | + | B: vriend in de wereld... En zo | + | C: vriend in de wereld..." En zo | + | B: genoemd word of een dame: | + | C: genoemd wordt of een dame: | + | B: Tyrolers (»schnadahüpferl) als de | + | C: Tyrolers (»schnadahüpferl") als de | + | B: zonder vreze herauten der waarheid | + | C: zonder vreze »herauten der waarheid | + | B: licht te woelen, het | + | C: ligt te woelen, het | + | B: vader werpt. »De vader | + | C: vader werpt. De vader | + | B: als bloedgetuigen de hemelkroon | + | C: als »bloedgetuigen de hemelkroon | + | B: verzameling van verhaaltjes, »de | + | C: verzameling van verhaaltjes, de | + | B: draken en griffoenenen gevleugelde | + | C: draken en griffioenen en gevleugelde | + | B: der woestijn ledig, en drink | + | C: der woestijn ledig, en drinkt | + | B: een scéne uit een echte | + | C: een scène uit een echte | + | B: »Anthia", Chariklea", hij is van | + | C: »Anthia", »Chariklea", hij is van | + | B: in en vind haar juist | + | C: in en vindt haar juist | + | B: opvallend aan Oostere motieven doen | + | C: opvallend aan Oosterse motieven doen | + | B: hart zegt Golfried meer in | + | C: hart zegt Gotfried meer in | + | B: ook een duit mêe in 't zakje | + | C: ook een duit meê in 't zakje | + | B: vraagt hij. »L'amer" is het dat | + | C: vraagt hij. »»L'amer" is het dat | + | B: cort." Haar zoon Richard | + | C: cort."" Haar zoon Richard | + | B: daartoe aanzet? Gezelschapsspelletjes, | + | C: daartoe aanzet?" Gezelschapsspelletjes, | + | B: de kwestie van klêeren, strijd en | + | C: de kwestie van kleêren, strijd en | + | B: tegenstelling daarmêe. Van alle | + | C: tegenstelling daarmeê. Van alle | + | B: geimporteerd. In die gehele | + | C: geïmporteerd. In die gehele | + | B: er borrelt ergers een bron op | + | C: er borrelt ergens een bron op | + | B: te bepleiten." »Als de | + | C: te bepleiten. »Als de | + | B: Maar de hooftrekken zullen wel | + | C: Maar de hoofdtrekken zullen wel | + | B: lam, wilder dan de leeuw; | + | C: lam, wilder dan de leeuw;" | + | B: andere keizerlike amtenaren die ook | + | C: andere keizerlike ambtenaren die ook | + | B: Rijnstreek kwam de zoeven genoemd | + | C: Rijnstreek kwam de zoëven genoemd | + | B: zowel als hiernamaals." »Wer | + | C: zowel als hiernamaals. »Wer | + | B: tot Graalkoning uftgeroepen. | + | C: tot Graalkoning uitgeroepen. | + | B: zich gedraagt". En een Duits | + | C: zich gedraagt"." En een Duits | + | B: en met de rechtervoet over | + | C: en met »de rechtervoet over | + | B: der Liefde", »De Sleutel | + | C: der Liefde",--»De Sleutel | + | B: zich gehad hebben. »om in den | + | C: zich gehad hebben, »om in den | + | B: het hart opwelt." Van de | + | C: het hart opwelt. Van de | + | B: Marie wat betreft de morale | + | C: Marie wat betreft de morele | + | B: renaisssance-lyriek, in Dantes | + | C: renaissance-lyriek, in Dantes | + +----------------------------------------------+ + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of De Ridderromantiek der Franse en +Duitse Middeleeuwen, by Valdemar Vedel + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE RIDDERROMANTIEK DER FRANSE *** + +***** This file should be named 33332-8.txt or 33332-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/3/3/3/3/33332/ + +Produced by Frank van Drogen and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/33332-8.zip b/33332-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..51a2152 --- /dev/null +++ b/33332-8.zip diff --git a/33332-h.zip b/33332-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..ca1714f --- /dev/null +++ b/33332-h.zip diff --git a/33332-h/33332-h.htm b/33332-h/33332-h.htm new file mode 100644 index 0000000..f8e6870 --- /dev/null +++ b/33332-h/33332-h.htm @@ -0,0 +1,14026 @@ +<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.1//EN" + "http://www.w3.org/TR/xhtml11/DTD/xhtml11.dtd"> + +<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xml:lang="nl"> + +<head> + <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=iso-8859-1" /> + <meta http-equiv="Content-Style-Type" content="text/css" /> + <title> + The Project Gutenberg eBook of De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen, by Valdemar Vedel. + </title> + <style type="text/css"> + +body {margin-left: 8%; margin-right: 8%;} + +h1 {text-align: center; clear: both; margin-top: 2.5em; margin-bottom: 2.5em; + line-height: 1.5em; font-size: 160%;} +h2 {text-align: center; clear: both; margin-top: 4em; font-size: 110%;} + +h2.h2inl {letter-spacing: 0.2em; margin-right: -0.2em; margin-top: 5em; font-weight: normal; font-size: 140%;} +h2.h2inh {letter-spacing: 0.2em; margin-right: -0.2em;} +big {font-size: 150%;} +small {font-size: 50%;} + +p {margin-top: .4em; margin-bottom: .4em; text-align: justify; text-indent: 1em;} +p.tp {margin-top: 2em; margin-bottom: 2em; text-align: center; text-indent: 0em;} +p.subh2 {margin-top: 1.5em; margin-bottom: 1.5em; text-align: center; text-indent: 0em; + font-weight: normal; font-size: 100%;} + +div.voorblad {margin-top: 5em; margin-bottom: 2em; text-align: center; line-height: 1.5em;} +div.voorrede {margin-top: 6em; margin-bottom: 3em; margin-left: auto; margin-right: auto; + width: 30em; text-align: justify; font-style: italic; font-size: 85%;} +div.title {margin-top: 5em; margin-bottom: 1em; text-align: center;} +div.verso {margin-top: 12em; margin-bottom: 2em; margin-left: auto; margin-right: auto; + width: 36em; font-size: 60%; text-align: center; border-top: 1px solid black;} +div.inhoud {margin-top: 3em; margin-bottom: 3em;} + +/* TB */ +hr {width: 15%; clear: both; + margin-top: 1em; margin-bottom: 1em; margin-left: auto; margin-right: auto;} +hr.tb {border-style: none;} +hr.hrtp {margin-top: 6em; margin-bottom: 8em;} +hr.hrinl {width: 10%; margin-bottom: 2em;} + +.pagenum {/* uncomment the next line for invisible page numbers */ + /* visibility: hidden; */ + position: absolute; left: 93%; text-indent: 0em; text-align: right; + font-size: small; font-weight: normal; font-variant: normal; font-style: normal; + letter-spacing: normal; color: #888888;} +span[title].pagenum:after {content: "[" attr(title) "] ";} + +/* TABLES */ +table {margin-left: auto; margin-right: auto; + padding: 0; border: 0; border-collapse: collapse;} +.toc {margin-top: 1em; margin-bottom: 1em;} +td.tdl {text-align: left; padding-left: 0.5em; padding-right: 2em;} +td.tdc {text-align: center; padding-left: 0.5em; padding-right: 0.5em;} +td.tdr {text-align: right; padding-left: 0.5em; padding-right: 1.5em;} + +/* ALIGN */ +sup {vertical-align: 0.3em; font-size: 75%;} +.smcap {font-size: 80%;} +.u {text-decoration: underline;} +.g1 {letter-spacing: 0.1em; margin-right: -0.1em;} +.g2 {letter-spacing: 0.2em; margin-right: -0.2em;} +.word1 {word-spacing: 0.1em;} +ins.corr {border-bottom: 1px dotted red; text-decoration: none;} + +/* IMAGES */ +.figcenter {margin: auto; text-align: center;} + +.size60 {font-size: 60%;} +.size80 {font-size: 80%;} +.size85 {font-size: 85%;} +.size120 {font-size: 120%;} +.size160 {font-size: 160%;} + +/* Transcriber Note */ +.TNbox {margin: 10% 10% 5% 10%; border: 1px solid; padding: 1em; + background-color: #dddddd; font-family: sans-serif; font-size: 90%;} +.TNbox h1 {font-variant: small-caps; font-size: 130%; letter-spacing: 0; + margin-top: 1em; margin-bottom: 1em; line-height: 2em;} +.TNbox p {text-indent: 0em; margin-top: 0.7em; margin-bottom: 0.7em;} +.TNbox table {width: 100%; font-size: 90%;} +.TNbox th {text-align: left;} +.TNbox td {text-align: left; vertical-align: top;} +td.td2 {width: 20%;} +td.td4 {width: 40%;} + + </style> +</head> + +<body> + + +<pre> + +The Project Gutenberg EBook of De Ridderromantiek der Franse en Duitse +Middeleeuwen, by Valdemar Vedel + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen + +Author: Valdemar Vedel + +Translator: Hendrik Logeman + +Release Date: August 3, 2010 [EBook #33332] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE RIDDERROMANTIEK DER FRANSE *** + + + + +Produced by Frank van Drogen and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net + + + + + + +</pre> + + +<div class="TNbox"> + + <h1>Opmerkingen van de bewerker</h1> + + <p>De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. + Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.</p> + + <p>Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.</p> + + <p>Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van een + <ins class="corr" title="Bron: dnnne roed stipppellijn">dunne rode stippellijn</ins>, + waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is. + Variaties in spelling zijn behouden.</p> + + <p>Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aan + <a href="#correctie">het eind van dit bestand</a>.</p> + + <p>Dit Project Gutenberg e-boek bevat externe referenties. Het kan zijn + dat deze links voor u niet werken.</p> + +</div> + +<div class="figcenter" style="width: 654px;"> + <img src="images/spine.jpg" width="133" height="700" alt="" title="" /><img src="images/cover.jpg" width="521" height="700" alt="" title="" /> +</div> + +<p><span class="pagenum smcap" title="I"></span><a id="p_i"></a></p> + +<div class="voorblad"> + <span class="size120">DE RIDDERROMANTIEK</span><br /> + <span class="size80">DER</span><br /> + FRANSE EN DUITSE MIDDELEEUWEN +</div> + +<p><span class="pagenum smcap" title="II"></span><a id="p_ii"></a></p> + +<div class="voorrede"> + <i>Schrijver en Vertaler wensen de lezers op te doen merken, dat de in + deze bewerking te vinden afwijkingen van het origineel aan gemeen + overleg te danken zijn.</i> +</div> + +<p><span class="pagenum smcap" title="III"></span><a id="p_iii"></a></p> + +<div class="title"> + + <p class="tp size120 g1 u">KULTUUR-HISTORISCHE BIBLIOTHEEK</p> + + <p class="tp size160">VALDEMAR VEDEL</p> + + <h1><big>DE RIDDERROMANTIEK</big><br /> + <small>DER</small><br /> + FRANSE EN DUITSE MIDDELEEUWEN</h1> + + <p class="tp size85 g2">GEAUTORISEERDE BEWERKING</p> + + <p class="tp size60">NAAR HET DEENS DOOR</p> + + <p class="tp size120 g2">H. LOGEMAN</p> + + <hr class="hrtp" /> + + <p class="tp word1">UTRECHT—H. HONIG—1919</p> + +</div> + +<p><span class="pagenum smcap" title="IV"></span><a id="p_iv"></a></p> + +<div class="verso">BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ G. J. THIEME, NIJMEGEN</div> + +<p><span class="pagenum smcap" title="V"></span><a id="p_v"></a></p> + +<h2 class="h2inl"><a id="INLEIDING"></a>INLEIDING.</h2> + +<hr class="hrinl" /> + +<p>Meer dan eens heeft de vorige eeuw getracht de Ridderromantiek der +Middeleeuwen weer tot een kunstmatig leven op te wekken. Eerst de Duitse +romantici met hun <span xml:lang="de">Heinrich von Offerdingen</span> en Barbarossa, de Genoveva +van Tieck en de Tempeliers van Werner; daarna <span xml:lang="en">Walter Scott</span> met zijn +<a href="https://www.gutenberg.org/files/26564/26564-h/26564-h.htm" title="Dit boek is via https://www.gutenberg.org als e-boek #26564 beschikbaar." xml:lang="en">Ivanhoe</a> +en Victor Hugo met zijn Burggraven; gelijk in Denemarken +Ingemann met zijn Otto en Jonkvrouw Inge. Nadat toen een paar geslachten +zich aan de schildering der werkelikheid en kritiek van de maatschappij +hadden overgegeven, ontwaakte de heerlikheid van Koning Arthur en zijn +Graal wederom in de dromende ridders van <span xml:lang="en">Burne Jones</span> en Rossetti en de +smachtende jonkvrouwen van <span xml:lang="en">Tennyson</span>. In de toondichten van een Wagner +weerklonk opnieuw de horen van de Zwaanridder, het lokkend spel uit de +Venusberg en Parsifal's Graal-verlangens. En in de toren-kamer en de +burchtgangen van Maeterlinck tastte de kinderachtige <span xml:lang="fr">Blanchefleur</span>-liefde +hulpeloos rond in het afschrikkende donker der Middeleeuwse mystiek. +Zeldzaam moderne incarnaties van de Middeleeuwen zijn het allemaal—de +edele <span xml:lang="en">Sir Galahad</span> en de liefdezieke <span xml:lang="en">Lady Elaine</span>, zo goed als de +Kristelik-Schopenhauerse Graalheld bij Wagner en de „<span xml:lang="fr">fin-de-siècle</span>” +Pelléas en Mélisande; in 't algemeen staan ze daar nog verder van af +dan Ridder von Trautwegen en jonkvrouw Inge van de flinke Ridders en +<span class="pagenum smcap" title="VI"></span><a id="p_vi"></a>schelmse dames van de oude Meester <span xml:lang="fr">Chrétien de Troyes</span> of van <span xml:lang="de">Wolfram +von Eschenbach</span>'s kernachtige maar naieve Parsifal.</p> + +<p>Maar er was nog wel iets meer in de volksboeken gebleven van de +sentimentaliteit en het sprookjeselement dier oude romans—denk aan +Vigoleis met 't Gouden wiel, de schoone Magelone of Alexander de +Grote—die nog voor een paar generaties menige boerenjongen allerlei +grillen in het hoofd zetten en menig boerenmeisje zilte tranen deden +storten. Ofschoon ook deze volkslektuur niet veel meer van de geur en +de ziel der oude Romantiek bewaard had, dan voor zover de houtsneden +en het papier van de cents-prenten aan de oude, sierlike geïllumineerde +handschriften herinnerden, of voor zover het tegenwoordig publiek denken +deed aan de bloem van de adel in de tijd van Lodewijk de Heilige.</p> + +<p>Maar noch deze vergroeide spruiten, noch ginds kunstmatig doen herleven +van 't voorheen, is het wat feitelik van onze tegenwoordige kultuur +naar de Ridderromantiek terug leidt. De verbinding is dieper en meer +vertakt. De moderne Franse roman,—of die nu het moderne Parijs +schildert, of zich verdiept in de psychologie van de liefde,—kan +met de nodige schakels direkt op de dertiende-eeuwse Franse romans +teruggevoerd worden, evenzeer als de stamboom van de moderne Engelse +roman, van het spannende, excentriese genre, ons terug brengt tot de +ingewikkelde mystieke verhalen van de Arthurcyclus. De gehele moderne +liefde-lyriek—<span xml:lang="fr">Lamartine</span>, <span xml:lang="de">Heine</span>, zowel als bij ons in Denemarken +Christian Winther—leeft van motieven en zingt in een toon die +de troubadours en de minnezangers het eerst ontwikkeld hebben. En +afgezien van het puur-literaire, zijn het de gehele moderne vormen der +samenleving zowel als veel van de moderne sentimentaliteitskultuur die +op de tijden van toernooien terug gaan en op die waarin dames er hun +apart hof op na hielden. Onze begrippen over een „<span xml:lang="en">gentleman</span>” en een +„<span xml:lang="en">lady</span>”, over ridderlikheid en vrouwelikheid, over liefde en eer, over +goede zeden en nette manieren, dat alles heeft zich ontwikkeld uit de +<span class="pagenum smcap" title="VII"></span><a id="p_vii"></a>idealen die zevenhonderd jaar geleden ontstonden aan de hoven van de +landgraven van Thuringen of die van Provence en Champagne.</p> + +<p>Wat dus hier onder de naam van Ridderromantiek der Middeleeuwen +samengevat is, die Franse en Duitse kultuur der 12<sup>de</sup> en 13<sup>de</sup> +eeuwen, aristokraties, sosiaal en romanties, betekent daarom de studie +in oorsprong en in een hele ontwikkelingsfase van de moderne dichtkunst +en zelfs van de moderne maatschappij.</p> + +<p><span class="pagenum smcap" title="VIII"></span><a id="p_viii"></a> +<span class="pagenum" title="1"><br /></span><a id="p_1"></a></p> + +<h2><a id="I"></a>I.</h2> + +<p class="subh2">VAN BARON-BURCHT TOT RIDDERHOF.</p> + +<p>Ons uitgangspunt zal de anarchie van de adel zijn die in het 11<sup>de</sup> +eeuwse Frankrijk en Duitsland haar toppunt bereikte. Door het eentonige +monnikenlatijn van de kronieken heen, komt ons het lawaai en de +verwarring tegemoet van het onophoudelik gekrakeel der grote +Heren,—door dat van een <span xml:lang="fr">Raoul Glabers</span> van <span xml:lang="fr">Cluny</span>, de abt <span xml:lang="fr">Guibert</span> van +<span xml:lang="fr">Nogent</span>, <span xml:lang="la">Ordericus Vitalis</span> in zijn Normandies klooster, zo wel als de +Beierse abt Ekkehard of de Sassenbisschop Tietmar. De kroonvazallen +heersen zo goed als geheel onafhankelik, elk in zijn eigen landje; in +Frankrijk onder de zwakke Capetingers, in Duitsland onder de alles +onderste boven werpende strijd der Saksiese keizers met de Pausen. +In Frankrijk zijn het hertogen als die van Normandië, Bourgondië, +Aquitanië, graven, als die van Vlaanderen, Poitou of Toulouse. In +Duitsland de hertogen van Beieren, Zwaben, Saksen, de markgraven +van Babensberg in Oostenrijk, de Paltsgraven van Wittelsbach en de +landgraven van Thuringen. En onder hen weer een hele massa van kleine +burchtheren en gewone baronnen die het met elkaar en met hun leenheren +even dikwels aan de stok hebben als de laatsten met de Koningsmacht. Elk +voorjaar trekken de Heren met hun volgelingen te velde, om hun buurman +een stuk grond te ontnemen; en naar aanleiding van de ene of andere +belediging, uit bloedwraak of uit tijdverdrijf, om de boerenhofsteden en +de kooplieden langs de openbare weg te plunderen of steden en kloosters +te brandschatten. In Anjou raast de zwarte graaf <span xml:lang="fr">Foulques</span> als een +wild beest, in Normandië staan de boeren in hun wanhoop tegen hun +onderdrukkers op, maar worden weer ten ondergebracht, met een wreedheid, +wier bizonderheden de kronieken koelbloedig uitvoerig vermelden, te +Brugge vermoorden de samengezworen baronnen de „goede” graaf Karel +midden in de kerk en gebruiken daarna <span class="pagenum" title="2"></span><a id="p_2"></a>deze laatste als vesting tegen de +Koning en de burgers. Bij <span xml:lang="fr">Guibert</span> kan men lezen hoe de intrigante gravin +van Namen, <span xml:lang="fr">Enguerrand de Coucy</span> en diens bloeddorstige zoon <span xml:lang="fr">Thomas de +Marle</span>, jaren lang de omstreken van Laon in een eeuwige onrust hielden. +En over de wijze waarop menig Hendrik van de Welfen en menig Frederik +van de <span xml:lang="de">Staufen</span> in Frankenland en in Zwaben huis wisten te houden, daar +weten de Duitse kronieken genoeg van te verhalen.</p> + +<p>Wat zijn ze ruw en plomp, al die „<span xml:lang="fr">barones</span>” en „<span xml:lang="fr">milites</span>”; met een robust +geweten en een vrolik gemoed slaan ze hun medemensen dood, hebzuchtig +als de gieren strijken ze op goederen en vee neer en als dolle stieren +op de vrouwen. Even uiterlik als hun verhouding is tot wet en recht, zo +is die tot het Kristendom. Steeds is hun weer ingestampt, dat men, om +zalig te worden, gedoopt moet worden, de mis moet bijwonen, moet vasten, +te communie gaan en dat doen ze dan ook, maar meer laten ze zich door +geen enkele kerkelike band in hun vrijheid beperken. Integendeel,—als +rebellen staan de baronnen in hun anarchie tegenover de Kerk, gelijk ze +het recht trotseren en de maatschappij. Het is niet alleen wetteloosheid +die er heerst, maar een gewilde teugelloosheid, de baronnen zijn niet +alleen zonder moraal, <ins class="corr" id="corr1" title="Bron: er er">er</ins> zit een godvergeten woestheid in hen, die +aan het Titaniese herinnert uit de tijd der Italiaanse renaissance. Een +hunner heeft er plezier in zijn biechtvader op Goede Vrijdag op een +kolossaal banket te nodigen en hem zijn dikke buik te wijzen, „vol van +de eere Gods”; een ander houdt er een hele harem, d. w. z. bordeel op +na, voor het uiterlik een nonnenklooster. De ene vrouw na de andere laat +men lopen, rooft die van zijn buurman en dwingt de kerk om zowel de +scheiding met de ene, als het huwelik met de volgende te wettigen. Een +baron laat zijn gevangenen bij de geslachtsdelen ophangen of bij de +duimen en hangt er zware stenen aan, om het gewicht te vermeerderen. Een +ander die het met zijn leenheer te kwaad heeft gehad en hem eindelik +in zijn macht heeft gekregen, werpt hem in de gevangenis, maar laat +hem 's winters in een nat hemd voor een open venster in de gevangentoren +plaatsen, totdat het hemd door de ijzige wind bevriest. Een Normandies +ridder en zijn vrouw laten een onneembare toren bouwen en wanneer die +gereed is, laat de burchtvrouwe de bouwer doden, om zeker te zijn dat +hij voor de buren niet ook zulk een toren zet. Niet lang daarna jaagt +zij haar man ook weg, zij wenst alleen te zijn; hij ziet echter kans +weer <span class="pagenum" title="3"></span><a id="p_3"></a>binnen te komen en dan laat hij haar om 't leven brengen.</p> + +<p>Over deze en dergelijke dingen kan de kroniekschrijver een „ach” +en „wee” laten horen en er de vloek der kerk over inroepen. Maar +toch, in al die bandeloosheid schuilen krachten, waarvan de ogen der +geestelikheid alleen de slechte kant gezien hebben. De ideale kant, +de idealen zelf en de aspiraties welke in hun beste ogenblikken die +anarchie van de adel bezield heeft, die ontrolt zich voor ons in +de nationale heldendichten, die op de grondslag van oude sages en +overleveringen door 't vlees en 't bloed van de adel geschapen zijn. In +Frankrijk hebben wij die nog vrij zuiver in het „<span xml:lang="fr">Chanson de Roland</span>” en +nog een paar anderen van de oudere „<span xml:lang="fr">Chansons de geste</span>”, in Duitsland +is die in het <span xml:lang="de">Nibelungenlied</span> en „<span xml:lang="de">Goedroen</span>” overstreken met een laagje +ridderromantiek dat er eerst afgeschrapt moet worden. Maar door het +woeste en het ruwe in deze gedichten, schijnt een noblesse en een +krijgsgeest van hoge menselike waarde.</p> + +<p>Neem b.v. de wanhopige heldenstrijd van Roland en zijn wapengenoten bij +Ronceval tegen de scharen der Saracenen of <span xml:lang="fr">Ogier li Danois</span> die geheel +alleen zijn burcht tegen het leger van Karel de Grote verdedigt. Of wel +de geschiedenis van Siegfried die Brynhilde wil trouwen, en het bloedbad +der <span xml:lang="de">Nibelungen</span> in Huneland op de tochten der Vikingen en de hevige +zeeslagen in „<span xml:lang="de">Goedroen</span>”. Dat zijn beelden van een machtig spel van +het noodlot waar het om leven en dood gaat, krachtige majeur tonen en +hartverscheurend tragies. Verheerliking van de man en het mannelike, +verheerliking van kamp en strijd. Die heldendichten verkondigen ook de +moraal van een elementaire oorlogseer, ze bezingen wat Roland en Olivier +samenbindt, en Hagen en Volker en schilderen het opperhoofd en zijn +getrouwen, Karel de Grote en zijn twaalf pairs, Didrik van Bern met zijn +twaalf „<span xml:lang="de">Recken</span>”. Het grote ideale beeld van de krijgskoning en zijn adel +is Karel de Grote op zijn „<span xml:lang="fr">faldestueil</span>” in de koningshal te Aken, in de +Raad met zijn baronnen of op de morgen van de slag aan het hoofd van +zijn leger.</p> + +<p>Maar dit hoort eigelik bij de oudere lagen der Heldendichten, de +inspiratie uit het meer oorspronkelike stadium in de maatschappij van de +<i xml:lang="en">clans</i>. Gedurende het uitéénvallen van het oude soldatenkoningschap en +de anarchie der baronnen, ging de belangstelling der heldendichten over +op de Vazallen en de Baronnen en schilderen zij nu de krijgsadel in zijn +geweldige worsteling met de onbekwame en despotiese vorsten—het +rebelliese zich zelf op de voorgrond zetten van de Franse Heemskinderen +of de <span class="pagenum" title="4"></span><a id="p_4"></a>Duitse Hertog Ernst—en de veten der baronnen onder elkaar, +dezelfden waarvan de kronieken <i>hun</i> beeld gaven. Maar Begon, de +„oorlogsdemon” en <span xml:lang="fr">Raoul de Cambray</span> uit de <span xml:lang="fr">chansons de geste</span> of <span xml:lang="De">Hagen</span> en +<span xml:lang="de">Krimhilde</span> van het <span xml:lang="de">Nibelungenlied</span>, die hebben ook een soort Idealiteit; +wat laten die zich niet met geniale kracht op hun „baronscap” of hun +„<span xml:lang="de">Reckenthum</span>” voorstaan als adelmensen die ver boven monnikskappen en +kramers en de verachtelike menigte verheven zijn, zij, Heer over hun +eigen wil en aan geen andere wet gehoorzamende van mensen nòch van God, +dan die welke zij zich zelf voorschrijven.</p> + +<p>Dat is, gezien in de dubbele spiegel van kroniek en heldendicht, de +adelsanarchie in Frankrijk en Duitsland. Maar er voltrekt zich in de +11<sup>de</sup> en 12<sup>de</sup> eeuw—voorlopig handelen wij hier voornamelik over +Frankrijk—een ontwikkeling die in het een zoowel als in het andere +genre al in de kiem te vinden is en die ten slotte verder voert dan +baronnen-werkelikheid en baronnen-idealen.</p> + +<p>Uit die anarchie rijst weer een maatschappelike orde op. De kastelen +die de baronnen overal in het land gebouwd hebben ter bescherming van +hun eigenmachtig optreden, zijn feitelik de cellen voor een nieuwe +maatschappij geworden. Achter de muren en grachten wordt er op die +burchten een leven van tot zekere hoogte veilige voorspoed geleid; de +familie en het gezin worden door het samenleven als één, vooral de +eenzame winteravonden, wanneer het met de oorlog en de jacht gedaan +is; in de gedichten zien wij de baron bij de haard zitten met zijn +echtgenote, haar innig kussen en zich verheugen over het spelen van een +paar flinke jongens, of wel hij zit in de hal met zijn mannen en hoort +een zanger de heldendichten voordragen. Als er niets anders te doen is, +houdt men wapenoefeningen of men speelt met de teerling of er wordt +gedanst. Ook begint men het huis te verfraaien; de balken worden fraai +uitgesneden en met ornamenten versierd, ook de muren worden geschilderd +of bekleed met geborduurde behangsels. Er komt gezelligheid en gevoel in +het leven der baronnen, een zekere schoonheid en een drang naar +geestelik verkeer.</p> + +<p>Aan de voet van de burcht ontstaat een kleine maatschappij, die zich +onder de bescherming van de burchtheer stelt, opdat hij op zijn beurt +hen beschutte tegen de andere baronnen en de struikrovers zal laten +ophangen. En hoe volkomen willekeurig de baron zich ook tegen zijn +boeren en dienstmannen moge gedragen, toch komt er een zeker gevoel +bij hem op van zijn plichten als beschermheer en ontstaat er een +landsvaderlike verhouding van <span class="pagenum" title="5"></span><a id="p_5"></a>hem tot zijn „<span xml:lang="fr">serfs</span>”. De burchtvrouwe +begeeft zich naar 't dorpje en zorgt voor de zieken en de armen en +wanneer de heer weduwnaar mocht worden zonder kinderen, dan komen de +kleine burgers en vragen hem om toch vooral weer te trouwen opdat zij na +zijn dood niet zonder heer zullen achterblijven.</p> + +<p>Ondertussen zijn ook de kleinere burchtheren door de desorganisatie +van het leenstelsel steeds afhankeliker van de vorsten geworden en +langzamerhand bouwt zich dat trapsgewijze op: <span xml:lang="fr">Seigneur, Vicomte</span>, +Graaf en Hertog; meer en meer beginnen geschreven kontrakten en een +gedétailleerd gewoonterecht de onderlinge rechten en plichten tot in de +kleinste kleinigheden te regelen. Stukken welke uit die tijd stammen, +tonen heel duidelik hoe hoog ontwikkeld het feodale geweten is en zelfs +in woeste heldendichten vertoont de kleine vazal dikwels onkreukbare +trouw jegens zijn leenheer, maar hij zegt hem zijn manschap ook zonder +gewetenswroegingen op, wanneer de leenheer <i>zijn</i> plichten niet nakomt. +Onder deze omstandigheden ontwikkelen graafschappen en hertogdommen zich +meer en meer tot werkelike rijken, onder vaste vorstendynastiën, en de +kleine vorsten verbieden „<span xml:lang="fr">les guerres privées</span>”, trekken rond en breken +de „<span xml:lang="fr">chateaux forts</span>” af, stellen baljuws aan en richten rechtbanken op; +meer en meer van de eigendommen der baronnen komen in hun eigen handen, +terwijl zij de baronnen om zich heen verzamelen bij hun hof, waar ze de +hoge plaatsen innemen en deel uitmaken van de raadgevende vergaderingen. +Op die wijze verzamelt de Vlaamse adel zich aan de grafelike hoven van +Ardres, St. Pol, Boulogne of aan het hof van den leenheer te Atrecht of +Brugge, de adel van Champagne aan het hof te Troyes, in Provence, te +Brienne of Bar; de adel van Languedoc aan de hoven te Toulouse, Narbonne +en Beziers. In plaats van de treurige, armoedige burchten overal in 't +land verspreid, waar een zeer beperkte kring een vrij eentonig leven +geleid had in tamelik primitieve toestanden, en om zo te zeggen, onder +voortdurende dreigementen van vijandig-gezinde buren, daar komen nu die +vorstenhoven op als de middelpunten van de adel en met een sosiaal leven +onder veel gunstiger en vreedzamer omstandigheden.</p> + +<p>In 't algemeen kan men zeggen, dat de adel zijn levenswijze en zijn +wijze van denken aristokratiseert, terwijl die zich aldus om de vorsten +heen organiseert. Het is dan ook in deze tijd dat de standen zich meer +van elkaar gaan onderscheiden. Door de strijd om de investituur, de +invoering van het celibaat en de ontwikkeling <span class="pagenum" title="6"></span><a id="p_6"></a>der monniksorden, neemt +de geestelikheid een geheel aparte plaats naast de burgermaatschappij +en de staatsorganisatie in, en wordt onder de leiding der pausen tot +een Europese, internationale grootmacht. Ondertussen verzamelen de +handwerkers zich in hun gilden en gemeenten, kooplieden werken zich +op tot rijkdom en verkrijgen privileges en de grote steden beginnen +in het Noorden zowel als het Zuiden van Frankrijk, door hun uitdagende +houding, ekonomiese zowel als politiese vrijheid te verwerven. Zowel de +geestelikheid als de burgerij stellen door allerlei machtsmiddelen paal +en perk aan het vrije optreden van de adel en de kloosters scheppen zich +een eigen opbouwende, stichtelike literatuur, evenals de burgerlike +geest zich weldra zelfstandig uit in een humoristiese vertellingtrant en +didaktiese dichtkunst. Maar daarentegen verschanst de adel zich des te +exclusiever tegenover de klerken en de kramers achter zijn macht en zijn +privileges en leeft zijn eigen afgesloten leven in een maatschappij, +die door heel haar wijze van zijn zich als een hogere stand en een +soldatenkaste wil doen gelden en zich weldra ook een heel wat +karakteristieker <i>adellike</i> dichtkunst vormt dan de nationale +heldendichten geweest waren.</p> + +<p>Maar het waren niet alleen die andere standen die de adel in 't gedrang +zouden brengen. Van het jaar 1100 af blijft het daarvóór zo diep +gezonken koningschap langzaam maar voortdurend in macht toenemen. Van +Lodewijk de Dikke tot Lodewijk de Heilige groeien de koninklike domeinen +stukje voor stukje aan: van <span xml:lang="fr">Ile de France</span> breidt het land in direkt +koninklik bezit zich langzamerhand over het grootste gedeelte van +Noord-Frankrijk en grote stukken van het land zuidelik van de Loire uit, +en waar Lodewijk de zesde in 't jaar 1100 nog in eindeloze veten lag +met de kleine rebelliese burchtheren bij de Seine, kan <span xml:lang="fr">Philip Auguste</span> +in 1214 de verenigde legers verslaan die de Engelse koning, de Duitse +keizer, de graaf van Vlaanderen en andere rebelliese leenmannen tegen +hem aan hadden gevoerd. De geestelikheid staat met de machtige abt <span xml:lang="fr">Suger +de St. Dénis</span> en later bisschop <span xml:lang="fr">Guillaume</span> van Parijs steeds aan de kant +van het koningschap en de staatsautoriteit, en aan de Universiteit +werden de docenten van het Romeinse recht de beste steunpilaren van de +kroon; als koninklike baljuws en drossaten, werden ze uitgezonden om, +ten koste van het feodale lokale bestuur, de rijksadministratie en +wetgeving meer en meer te centraliseren.</p> + +<p>Maar het gevolg van die innerlike organisatie en de uiterlike +beperking van de adel is nog bovendien dit—een andere zijde <span class="pagenum" title="7"></span><a id="p_7"></a>van de +ontwikkeling—dat een groot deel van de krijgshaftige teugelloosheid van +de wereld der baronnen onschadelik gemaakt moet worden, omdat die in de +nieuwe maatschappij geen plaats kunnen vinden, niet in de nieuwe vormen +„in-getemd” kunnen worden. Er zijn jongere zonen, die, al naarmate het +eerstgeboorte recht bij de leenssuccessie toegepast wordt, zich van +hun erfdeel beroofd zien en die daardoor tot een afhankelik hofleven +bij de oudere broeder gedwongen worden; er zijn burchtheren, wier +„<span xml:lang="fr">chateau-fort</span>” door de leenheer tegen den grond gegooid is of die arm +geworden zijn omdat het volkje aan de voet van de burcht een charter had +weten te verkrijgen en weigerden belastingen te betalen en de verplichte +arbeid uit te voeren; bovendien nog al die onrustige elementen die zich +niet in een meer geordende maatschappij vinden kunnen. Uit deze adel +zonder land die niets heeft om voor eigen rekening om te vechten, worden +de „<span xml:lang="fr">chevaliers errants</span>” gerekruteerd, die ridders die rondtrokken en hun +armen en hun zwaard verhuurden als soldeniers—soldaten—aan de een of +andere vorst, of die op avontuur uittrokken en zo dikwels genoeg in hun +verval als struikrovers eindigden of zich bij de benden van Navarrezen, +Brabanders en andere „<span xml:lang="fr">routiers</span>” aansloten die het Frankrijk van de +12<sup>de</sup> eeuw onveilig maakten. Een surrogaat voor de vroegere „<span xml:lang="fr">guerres +privées</span>” werden ook voor velen de toernooien, die—oorspronkelik de +oudste soort wapenoefeningen—in deze tijden meer en meer tot een feest +werden, waarmede de vorsten in vredestijd de onrustige, oorlogszuchtige +ridders bezighielden. Lang trachtte de geestelikheid die te verhinderen, +maar ze bleken een zeer doelmatige veiligheidsklep voor de +maatschappelike orde te zijn en de afstammelingen van de altijd +kibbelende baronnen vonden er behagen in, de gehele zomer door, van +'t ene toernooi bij de vorstelike hoven naar het andere te trekken. En +'s winters vond men weer een ander surrogaat voor het vrije leven van +strijd in het voordragen van heldendichten, wat nu in de mode kwam. +Want het was nu eerst dat het grootste deel van de heldengedichten +geredigeerd werd waarin wij de ideale zijde van de geest der baronnen +uitgedrukt zagen en dat zij algemeen op de burchten gelezen werden; het +„vertel, vertel!” dat men in de 12<sup>de</sup> eeuw over heel Frankrijk horen +kon, is niet anders dan een uitdrukking er voor dat zekere krachten die +in de werkelikheid geen vrij spel meer hebben, nu dit plezier op 't +gebied van de fantasie moeten zien over te brengen. Maar ten slotte vond +de maatschappij nog een veiligheidsklep <span class="pagenum" title="8"></span><a id="p_8"></a>in de krijgstochten en +emigraties die gedurende de hele 11<sup>de</sup> en 12<sup>de</sup> eeuw de Franse adel +aderlaten en daardoor een grote hoeveelheid van gistende stoffen +verwijderen. Onder aanvoering, zeer natuurlik, van de Noormannen—de +laatst er bij gekomenen van de Germaanse soldatenvolkeren—staken de +mannen van Anjou, Bourgondië en Vlaanderen over naar Engeland onder +Willem de Veroveraar en schiepen het machtige Engels-Normandiese rijk; +andere Noormannen hadden zich kort daarvoor in Zuid-Italië vastgezet en +daar te Napels en op Sicilië een Frans rijk gegrondvest; op het Pyrenése +schiereiland steunden Franse baronnen Aragon tegen de Arabieren en een +Bourgondise hertogszoon richtte een koninkrijk in Portugal op. En nu +kwam Paus Urbanus en sprak te Clermont de verstandige woorden tot de +adel: „Het land dat gij bewoont is te klein voor uw aantal, het heeft +geen levensmiddelen genoeg om U allen te voeden. Daarom verscheurt gij +elkander en eet gijlieden elkaar op. Sluit liever vrede en volgt mij op +mijn kruistocht.” Met entoesiasme greep de Franse adel deze oplossing +aan en een hele eeuw lang werd het Oosten nu de plaats waar het instinkt +van de vagebond en de grootspreker, waar eergierigheid en lust tot +avonturen uiting en bevrediging konden vinden, alle gevoelens waarvoor +er geen plaats was in het Frankrijk dat zich nu vormde.</p> + +<p>De ridder is het type van den adel in de 12<sup>de</sup> en 13<sup>de</sup> eeuw, gelijk +de baron het was in de 11<sup>de</sup> eeuw; waren toen de verspreid liggende +kleine kastelen de centra van het adelsleven, nu worden het de grote +grafelike en hertogelike hoven en die roepen tot ridderspel op en +kruistocht, waar de adel alom aan mededoet. In de 12<sup>de</sup> en 13<sup>de</sup> +eeuw is „Ridder” de aanduiding van de kleine adel, die slechts weinig +grond bezit, zo al iets, maar die in dienst staat bij de grote seigneurs +of die dan eens hier dan eens daar verblijf houden en die in bizondere +mate de krijgsdienst en hofdienst tot hun levenstaak gemaakt hebben. De +grote baronnen die hun goederen besturen moeten, hebben dikwels noch +lust om zich op toernooien en in oorlogen in de wapenen te oefenen, noch +om aan de hoven te dienen, dikwels laten zij zich dan ook helemaal niet +tot ridder slaan. Aan de andere kant vindt men vele edellieden die te +arm zijn om zich de dure wapenrusting aan te schaffen of het strijdros +en de wapenen waar een ridder van voorzien moet zijn; die blijven geheel +hun leven „<span xml:lang="fr">equyers</span>”. Maar er zijn jongere zonen van goede familie of +kinderen uit de verarmde adel die aan het hof van een vorst aangenomen +worden <span class="pagenum" title="9"></span><a id="p_9"></a>en daar opgevoed; daar worden ze dan in de wapenhandel geoefend +en leren er allerlei hofdiensten; wanneer ze òf de heer die ze dienen òf +hun familie er toe kunnen brengen hun een wapenrusting of een paard ten +geschenke te geven, dan worden ze bij het bereiken van de mannelijke +leeftijd „<span xml:lang="fr">adoubé</span>”, met het zwaard omgord, en ontvangen ze de „<span xml:lang="fr">colée</span>”, de +ridderslag met verschillende ceremonieën, en dan moeten ze voortaan hun +„<span xml:lang="fr">chevalerie</span>” hoog houden, door zich zelf te voorzien, of zich door +anderen te laten voorzien van ridderwapens en paard en door zich +vlijtig in de wapenen te blijven oefenen. De ridders zijn daarom, +niettegenstaande het feit dat zij dikwels onvermogend zijn, tot zekere +hoogte een adel in de adel, zij zijn het die bij de hoven een opvoeding +hebben gehad, het meest met hun stand overeenkomende en die door hun +wapenen de oude eer van het vroegere werken van de adel ophouden. Het is +een zeer individuele adel, niet erfelik en niet geërfd, maar door de +enkeling verkregen, door zijn persoonlike verdienste en door zijn gehele +wijze van leven opgehouden, bovendien ook een zeer ideële adel, noch aan +grondbezit, noch aan bepaalde leenstoestanden gebonden, maar door de +traditionele woorden tot de jonge ridder: „<span xml:lang="fr">Sois preux!</span>” aan het adelike +krijgsmansideaal gewijd, dat zich langzamerhand gevormd had. En het is +deze élite-adel, zeer individueel en ideël die in de 12<sup>de</sup> en 13<sup>de</sup> +eeuw de drager wordt van de adelkultuur...</p> + +<p>Op het baronnenleven en de baronnenpoëzie volgt een ridderlike +hofkultuur en een ridderlike, avontuurlike poëzie...</p> + +<h2><a id="II"></a>II.</h2> + +<p class="subh2">KRISTELIKE GEVOELSKULTUUR.</p> + +<p>„Zalig zijn de zachtmoedigen... zalig zijn de barmhartigen... zalig zijn +de vreedzamen... hebt uwe vijanden lief; zegent ze die u vervloeken.” +Kan men zich een groter tegenstelling denken met de krijgsmoraal die +de baronnen in hun geweten gegrift vonden, dan zulke woorden die de +huiskapelaans en biechtvaders overal de baronnen en hunne volgelingen +lieten horen? „Zalig zijn die treuren... het is lichter dat een kamel ga +door het oog van een naald, dan dat een rijke inga in het koninkrijk +Gods... Gij lieden moet den boze niet wederstaan... zoo iemand achter +mij wil komen, die verloochene zich zelven en neme zijn kruis <span class="pagenum" title="10"></span><a id="p_10"></a>op en +volge mij!” Wat zal deze monnikenleer niet vreemd die Seigneurs met hun +heersersmoraal in de oren geklonken hebben! En toch was die kristelike +levensopvatting door vele eeuwen heen offisieel aangenomen en het in +alle lagen der maatschappij bekende geloof geweest, van kindsbeen af +was elke baronnenzoon in zijn kristendom opgevoed geworden; met de +stille stem van de biechtstoel had dat tot het geweten gesproken, op +de hoogtijden der kerk was het door de priesters verkondigd en nu, in +de 11<sup>de</sup> eeuw stond een machtige Europese kerk in de dienst van dat +geloof en een talrijk leger van geesteliken streden in scholen, bij de +kommuniegang en bij het ziekbed voor de zaak van Kristus.</p> + +<p>Zekere kanten en vormen van het Kristendom waren altijd verenigbaar +geweest met de levensopvatting der baronnen. Reeds van de tijd der +Roomse keizers en de frankiese koningen af, had de kerk zich veelal aan +de zijde van de Groten en de Heersers geschaard en getracht ze er van +boven af voor te winnen de lagere volksklassen te kerstenen. „Geef +Caesar wat Caesar's is... zo onderwerpt u dan Gode”, heet het in de +schrift en de kerk zalfde de koning, verklaarde zijn persoon heilig en +onschendbaar en steunde de vorsten tegen hun onderdanen. Evenals de kerk +zich zelf monarchisties organiseerde onder de paus, tracht die overal +een daarmee overeenkomende hierarchiese indeling van de maatschappij in +te voeren en te steunen. Gelijk de heerscharen der engelen in negen +rangklassen ingedeeld waren, van de seraphine tot de laagste gewone +„boodschappers”, of gelijk de goddelike openbaring zich in de +geschiedenis trapsgewijze voltrok door zeven wereldtijdperken heen,—zo +was ook de sosiale standenindeling een goddelike instelling.</p> + +<p>De natuurlike deugden van de adel kwamen bovendien dikwels vrijwel +overeen met die welke het Kristendom inprentte. Hoe dikwijls vond de +kerk niet bij de besten der edellieden een drang om de zwakken te +beschutten, een mildheid tegenover de armen en een trotse hoogmoedigheid +tegenover de overwonnenen die men zonder aarzeling tot kristelike +deugden zou kunnen stempelen? En het gevoel dat de baronnen als „mensen” +tegenover hun leenheer stonden—hoe gemakkelik liet zich dat niet +verklaren tot trouw jegens den Hemelheer? Reeds de oud Angelsaksiese en +Nedersaksiese dichters zongen van Kristus als de volksleider, de +zegevorst die met zijn twaalf getrouwe „mannen”, of „<span xml:lang="de">Recken</span>”, om trok, +totdat een van hen tot verrader werd en zijn Meester in de handen van de +<span class="pagenum" title="11"></span><a id="p_11"></a>vijand overleverde. En nu in de 11<sup>de</sup> eeuw, houdt de stervende +Roeland zijn God de handschoen voor, gelijk een vazal zijn handschoen +uit doet wanneer hij in de tegenwoordigheid van zijn leenheer komt. +Menig bejaard ridder ging in zijn oude dagen in een klooster—gelijk van +vele helden uit de gedichten verteld wordt—en diende trouw zijn hemelse +heer, wanneer hij niet langer de macht had om zijn aardse heer te +dienen. „Toen ik de eer had”, zeide zulk een oude edelman in 't +klooster, die ootmoedig 't werk van een kaarsdrager op zich genomen had, +„ridder te zijn in de wereld en graaf, droeg ik gewillig de fakkel van +een sterfelik koning; zou ik dan nu niet des te gewilliger een kaars +dragen voor de hemelse keizer die ik nu dien?”</p> + +<p>Het Kristendom zelf werd gekleurd door de aristokratie, eerst van het +Romeinse keizerdom en daarna van de feodale maatschappij. Op de +kristelike ootmoed en de drang om te knielen en te aanbidden, was het +algemene servilisme niet zonder invloed. Wanneer men de brieven der +geesteliken aan hun superieuren leest, of aan vorsten, of de +grafschriften over hen, dan ziet men pas goed, hoe de kruipende +beleefdheidsvormen van het Roomse keizerdom in het ootmoedige +ceremonieel der monniken en de onderdanige politiek der kerk overgegaan +zijn; terwijl de briefschrijver de geadresseerde overstroomt met titels +als „Uwe Voortreffelikheid”, „Uwe Grootmoedigheid” en „Uwe Genade”: +kruipt hij zelf in elkaar als „<span xml:lang="la">mea parvitas</span>” en „<span xml:lang="la">mea humilitas</span>”. En +wanneer men de geestelike kronieken leest, ziet men overal de gebogen +nek van de monnik, die 't liefst zijn eigen mening onder stoelen en +banken steekt, of in elk geval slechts vage en voorzichtige woorden over +de machtigen op aarde uiten durft en van de panegyriën der antieke +rhetoren over hun keizer en Maecenas, heeft hij een hoogdravende en +opgemaakte stijl van zijn lofzanger geërfd, die 't eerst in de officiële +„<span xml:lang="de">Vitae</span>” der heiligen aangewend werden, maar langzamerhand op de +wereldlike grote Hansen en mondaine onderwerpen overgebracht werd. Met +plompe hovelingen-vleierij en in een opgeschroefde, bombastiese stijl +vertelt hij van „de god-gewijde en om zijn vroomheid zo prijzenswaardige +Jarl Adgar en zijn voortreffelike zonen” of „Philip, 's konings zoon, +dewelke een liefelike bloem der jeugd is, die door de edele eenvoud van +zijn aangezicht en de schoonheid van zijn lichaam waardig geschenen zou +zijn over de gehele wereld te gebieden”, en in de gezwollen stijl van de +heiligenlevens, met voortdurende paralellen uit de bijbelse +geschiedenis, wordt de nietswaardige Lodewijk <span class="pagenum" title="12"></span><a id="p_12"></a>de Vrome verheerlijkt, of +de moord op de „goede” graaf Karel geschilderd en bij de dood van een +der meest wereldlike en intrigante koninginnen, getuigt de kerk dat zij +over de gehele wereld straalde door de glans van haar koninklike +geboorte, zij smukte de adel van haar geslacht door haar eervol leven, +verrijkte die door haar reine zeden, versierde die door de bloemen harer +deugden en overtrof bijna alle andere wereldse vorstinnen, door de roem +harer onvergelijkelike rechtvaardigheid. Door de idealiserende +verheerliking der voornámen en hun leven konden zulke kronieken heel +dikwels de onmiddellike voorgangers zijn van de heldendichten der +baronnen en van de Ridderromans; evenals de kerk in het wereldlike leven +medehielp om het gebouw der feodale hiërarchie te bevestigen, door er de +stopverf der kristelike onderdanigheid bij te doen.</p> + +<p>De verhouding van de kerk tot het krijgswezen was niet onverzoenliker +dan tot de adel. Natuurlik moest het Kristendom in theorie zowel als in +praktijk met afgrijzen voor het bloedvergieten terugdeinzen. Maar een +zeker militair element drong toch reeds vroeg in het Kristendom door. De +Schrift zelf schildert reeds de Kristelike loopbaan als de <i>strijd</i> voor +het Geloof. In de 2<sup>de</sup> en 3<sup>de</sup> eeuwen spreekt men van de +<i>strijdende</i> Kerk, de <i>strijders</i> van Kristus; de doop wordt vergeleken +met de eed die de soldaat op het vaandel aflegt en de martelaren die hun +geloof met hun bloed bezegeld hebben, heten: „<span xml:lang="la">militum Christi cohors +candida</span>”. Spoedig zag de kerk ook al in dat de gewapende macht +een noodzaak was en trachtte de machtigen voor zich te winnen door hun +de zege te beloven; Constantijn de <ins class="corr" id="corr2" title="Bron: grote">Grote</ins>, zowel als de +Frankenkoning <span xml:lang="de">Chlodewig</span>, moeten beloofd hebben het Kristelike geloof aan +te nemen indien Kristus hun wapenen de zege wilde verlenen. En van nu af +was dat de gewone toestand: de soldaten zochten de hulp van Kristus en +de kerk in de slag en de kerk trachtte de arm der soldaten voor haar +bescherming te winnen. Constantijn zette het monogram van Kristus in +zijn banier en een der kruisnagels in zijn helm, een ander in zijn +leidsels. Karel de Grote had een zwaard dat hem door een engel uit de +hemel gebracht was en zijn lans was dezelfde die eens in het lichaam van +Kristus gestoken was. De ridders lieten relikwieën in de handvatsels van +hun zwaarden zetten en deden hun wapens en de uitrusting met wijwater +besprenkelen. Daar staat tegenover dat de kerk onder haar heiligen de +Cappadociese ridder Joris had die de draak doodde en de prinses +redde—de oude draken-doder <span class="pagenum" title="13"></span><a id="p_13"></a>der heldensagen die tot ridder geslagen +is—en dezelfde H. Joris werd nu de heilige der soldaten.</p> + +<p>Van betekenis werd het ook dat de kerk langzamerhand iets bij de +ceremonieën van de ridderslag te zeggen kreeg. Reeds van het begin der +11<sup>de</sup> eeuw vindt men een kerkelik ceremonieel voor de „zegening van de +Ridder”, maar in elk geval werd het op het einde van de eeuw gewoonte +dat de geestelikheid de wapenen van de jonge Ridder zegende, zelfs +dienaren hem die aangordden en zo kwam natuurlik de ridderschap de +plichten mede te brengen, ook in de kristelike deugden vooraan te staan +en het zwaard te wijden „ter bescherming van de kerk, der weduwen en +wezen en alle dienaren Gods.” De gehele drang van het ridderwezen tot +daden, om alle krachten boven het gewone en het gemiddelde in te +spannen, om door zijn verdiensten roem en eer te verwerven—was dat niet +hetzelfde streven dat alle kluizenaars en monnik-asceten der kerk +bezielde? Hoe gemakkelik zou dat niet door de kerk van de wereldlike in +de geestelike sfeer overgebracht kunnen worden? Niet weinig eergierige +ridders zetten, wanneer een priester hen tot 't hart gesproken had, er +al hunne zinnen op tot een soort adel van de Maatschappij van Kristus te +worden en onder hen uit te blinken die 't hoogst op de ladder der +volmaaktheid gestegen waren. Daar had men b.v. zulk een figuur als de +gravenzoon <span xml:lang="fr">Etienne d'Auvergne</span> (11<sup>de</sup> eeuw) die op een mooie dag van +heel zijn erfenis afstand deed, en alles opgaf, alleen zijn zegelring +aan de vinger behield—het teken van zijn adelike geboorte—en naar een +woeste bergkloof in de buurt van Limoges trok waar hij zich plechtig aan +God en een asceties kluizenaarsleven wijdde.</p> + +<p>Al deze aanrakingspunten hadden de baronnen met de kerk. En de meesten +der bisschoppen en abten van de 11<sup>de</sup> en 12<sup>de</sup> eeuw die ook zelf +door de goederen der kerk tot de feodale wereld hoorden, zelf leenheren +en vazallen waren, leefden in vrede en vriendschap met de baronnen. Het +was een aristokraties en zeer wereldlik Kristendom dat zij +representeerden. <span xml:lang="fr">Suger</span>, de abt van St. Denis, de aanzienlikste der +prelaten uit die tijd, leefde geheel en al gelijk een feodaal Seigneur; +in zijn klooster weerklonken de gangen van de gespoorde ridderlaarzen, +in de kapittelzaal onderhandelden advokaten over de geldzaken van het +rijke klooster, <span xml:lang="fr">Suger</span> gaf schitterende feesten en jachtpartijen voor de +vazallen van 't klooster en als de koning uittrok om zijn baronnen te +tuchtigen, volgde de abt hem in volle wapenrusting, <span class="pagenum" title="14"></span><a id="p_14"></a>onze eigen Absolon +gelijk, de stichter van Kopenhagen, die Aartsbisschop van Lund was, maar +tegelijk de ziel van de krijgstochten tegen de Wenden. Over het klooster +van Cluny schrijft de H. Bernardus dat „spaarzaamheid wordt daar als +gierigheid beschouwd”, soberheid als boersheid, stilzwijgendheid als +zwaarmoedigheid; teugelloosheid werd daarentegen als liberaliteit +beschouwd, verkwisting als vrijgevigheid, de praatjes der leeglopers +heten goede manieren, gelach en grapjes zijn vrolikheid.</p> + +<p>Maar toch,—nooit kon het geheel verborgen blijven, dat de +levensbeschouwing en de moraliteit van het Kristendom in de grond van +die van de baronnen verschilden. En van 't eigen ogenblik af dat de +Frankiese krijgers de doop ontvangen hadden, had het Kristendom in +steeds toenemende mate als een religie van liefde en zelfverlochening +getracht, de verstokte harten der baronnen te vermurwen en hun stijve +nekken te buigen.</p> + +<p>Aan de ene kant dus als de verkondiging van de liefde. De kerk trachtte +tegenstanders tot elkaar te brengen en op de kerkelike feestdagen gelijk +op zekere weekdagen, een Godsvrede uit te schrijven en die deed altijd +alles wat in haar macht stond om krijgsgevangenen los te kopen. +Tegenover het woeste optreden van echtgenoten en broeders, trachtte die +voor de vrouw op te komen, zij beschermde kinderen tegen het egoïsme der +ouders—eeuw in, eeuw uit vocht zij tegen kindermoord, tegen het +uitbesteden en de verkoop van kinderen; zij trachtte slaven en +dienstbaren te beschutten tegen de hardheid en ruwheid hunner meesters; +voor misdadigers die vol berouw de bescherming der kerk zochten, poogde +zij genade te verkrijgen. Bij de hebzuchtige baronnen bedelde zij geld +voor „Gods armen” en voor de bouw van <ins class="corr" id="corr3" title="Bron: hospi-pitalen">hospitalen</ins>. +Reeds midden in het donkere tijdperk der Merovingiërs vond men ze overal +als de apostels van vrede en milddadigheid—een bisschop als de H. +Germanus: een oude levensbeschrijving vertelde hoe hij aalmoezen bij de +banketten der groten verzamelde en wanneer hij dan genoeg bijeen had om +een slaaf los te kopen, dan verdwenen de rimpels van zijn voorhoofd, dan +straalde zijn gezicht, dan liep hij met lichter schreden,—zijn spreken +werd opgewekter, zodat men zou menen dat hij door een ander los te +kopen, zich zelf bevrijd had van het <ins class="corr" id="corr4" title="Niet in Bron.">„</ins>juk der slavernij”;—of een +abt als de H. Wandrégisilus: de oude „vita” vertelt hoe hij eens op een +dag toen hij naar 't slot van Koning Dagobert moest, vlak voor de poort +een arme man zag wiens wagen omgevallen was; de aanzienliken gingen de +poort uit en in, niemand <span class="pagenum" title="15"></span><a id="p_15"></a>dacht er aan om de arme kerel te helpen, velen +gaven hem zelfs een schop of vertrapten hem. Maar de abt stapte terstond +van zijn paard en leende zelf de helpende hand om de wagen weer op te +krijgen. Een anekdote als deze brengt ons in al haar eenvoud en +geloofwaardigheid duidelik voor 't oog, hoe de kristelike geest in zijn +meest gewone, meest humane vorm tegenover de gevoelloosheid der barbaren +optrad.</p> + +<p>En nu, in de 11<sup>de</sup> en 12<sup>de</sup> eeuw, is dit ontluikend gevoel van +liefde van het Kristendom aangegroeid tot een dwepende sentimentaliteit +die als een warme golf over de harde, woeste wereld der baronnen +heenspoelt. Literair werkt die richting door vertalingen in de volkstaal +en door veel van de meest gevoelvolle poëzie van 't Kristendom in de +gedichten te geven, episoden uit de bijbel, van de oude poëtiese +verhalen uit het evangelie en van de overal welig opschietende +Grieks-Latijnse legenden. Wat werden de hoorders niet geroerd in burcht +zowel als hut bij de voordracht door kristelike zangers van de +geschiedenis van Josef—de uitvoerige schildering van de boze broeders +en de hevige smart van de vader, 's jongelings moeilikheden in Egypte, +zijn herstel, de ontmoeting met zijn broeders en ten slotte de tedere +hereniging van vader en zoon. Wat een allerliefste, treffende kleine +idyllen wisten de evangeliese verhalen niet te ontvouwen van de jeugd +van Kristus en Maria: het verdriet van Joachim en Anna over hun +kinderloos huwelik, hun vreugd toen zij eindelik Maria kregen—het +opgroeien van 't meisje in de tempel en dan de keuze van de oude Josef +tot haar echtgenoot,—alle omstandigheden bij de ontvangenis en de +geboorte van Kristus—zijn spelen met de andere knapen: de zonnestralen +waar hij op treedt, en de vogels van klei die hij 't leven geeft door in +zijn handen te klappen. Vervolgens al die hartverscheurende +schilderingen van Jezus' dood en lijden, de moeder die met het dode +lichaam in haar armen klagend rondloopt, zij kust hem op zijn ogen, +wangen en neus, omhelst hem met „al het zoete harer liefde”, baadt zijn +lichaam in tranen en smeekt haar „<span xml:lang="la">filium dulcissimum</span>” om een +levensteken te geven. En eindelik al die schone, sentimentele +legenden,—over kluizenaars uit wier hand de leeuwen der wildernis +vruchten eten of die zij te hulp komen,... over de H. Martinus die de +helft van zijn mantel aan de bedelaar geeft, of over Christophorus, +ongemeen groot van gestalte, die het kind Jezus op zijn schouders +draagt... over de H. Margarethe, wier reinheidsstralen haar in de +gevangenis tegen de draken van de <span class="pagenum" title="16"></span><a id="p_16"></a>Duivel beschermen en op wier +schouders de hemelse witte duif nederfladdert. In al dergelijke +kristelike poëzie hoort men tonen die in de muziek der ridderromantiek +terug te vinden zijn.</p> + +<p>Dat zijn de vrouwelike zijden van de menschelike natuur, waarvan het +Kristendom zich midden in de ruwe mannen-wereld tot verdediger opwerpt. +Reeds van de oudste dagen van het Kristendom af waren het de vrouwen +geweest die het eerst het Evangelie hadden aangegrepen, zich de +kristelike deugden het gemakkelikst eigen hadden gemaakt en de zaak van +de Kerk bij hun echtgenoten en broeders hadden bepleit. Vele kerkvaders +beweerden ook dat de vrouw vromer is dan de man. Reeds Augustinus leerde +dat zij minder deel aan de zondeval heeft dan Adam. Zij is dan ook van +een zuiverder stof gemaakt; terwijl hij van de dode klei gemaakt werd, +is zij uit het levende vlees gesneden; en zij werd geschapen, op een +voornamer en schoner plaats dan de man, nl. in het Paradijs en +„misschien omdat God de vrouwen zulk een grote eer aandeed, vereren zij +tot dank God hoger dan de mannen het doen.” De vrouw—wordt er verder +gezegd—is het zachte, gemoedelike, gevoelige van de twee geslachten. +Daarin ligt een gevaar,—hoeveel vrouwen hebben niet mannen verleid en +week gemaakt? Samson en Salomon zowel als Hercules en Jupiter! (en een +vrouwenhatend monnikendom ontwikkelt dit punt steeds weer); maar de +mildere opvatting legt er meer de nadruk op hoe gemakkelik de vrouw zich +tot het goede laat brengen. Van 't begin af werkt de kerk er ook +energies aan de maatschappelike positie van de vrouw te verbeteren. De +vrouw is uit het dijbeen van de man geschapen—diens „zij-been”—en +behoort ook aan zijn zijde te staan. In schone woorden wordt er +verklaard dat man en vrouw samen in innige gemeenschap leven moeten, zij +moet zijn kameraad zijn en alles met hem delen. En met strengheid wordt +er een reinere geslachtsmoraal geëist die de vrouw tegen de +ongebondenheid van de man beschermd.</p> + +<p>Maar daarentegen wordt de vrouw door de kerk meer dan ooit te voren in +haar vrouwelijkheid terug gedwongen; zij moet vrouw zijn, maar dan ook +niets dan vrouw. De geslachtseigenschappen zijn het die alleen haar +waarde bepalen, al haar deugden bloeien in haar geslachtseer. Ambrosius +wil ingetogenheid bij de opvoeding van de vrouw; ook moet er ook voor +gezorgd worden b.v. door een diëet, haar zinnen zo weinig mogelijk te +prikkelen en moet men haar lichaam in een zekere staat van tedere +zwakheid houden, om het jonkvrouwelike, koele, teruggetrokkene bij haar +te bewaren. <span class="pagenum" title="17"></span><a id="p_17"></a>De missie van de vrouwelijkheid is de begeerten van de man +te bedwingen, zijn woestheid te dwingen om te knielen en om de gunst van +de vrouw te <i>bedelen</i>. Maagden—schreef Hieronymus—zijn gelijk engelen. +„Wat anderen later in de hemel zullen worden, dat beginnen de maagden +reeds hier op aarde te zijn.” Alle martelaressen hebben geleden voor hun +geslachtseer: de H. Agatha als de H. Lucia of Ursula en de 11000 maagden +te Keulen.</p> + +<p>Het grote voorbeeld van de kristelike vrouwelikheid werd de persoon van +Maria. Elke eeuw vinden wij haar weer dichter bij de hemel gestegen, +totdat zij nu in de 11<sup>de</sup> en 12<sup>de</sup> eeuw bijna de troon met de +Driëenheid deelt. Op afbeeldingen, in hymnen, in legenden wordt zij als +de Maagd verheerlikt, het ideaal van de reine, jonge Ongereptheid en +tegelijkertijd de Moeder Gods, zij die geleden heeft en liefgehad als +geen ander en die nu de barmhartige pleitster bij Kristus is voor de +zondige mensheid. In de hymnen wordt de schoonheid der gehele schepping +haar als een krans om het hoofd gebonden; zij is de Roos en de Lelie en +de Sterre der Zee en de reine Parel en die aanbidding krijgt een +kleurtje van de meest dwepende liefde-hulde. „Het is voor U gelijk een +kus, Maagd!—zegt Bernard van Clairvaux—telkens wanneer gij het Ave der +Engelen hoort! Telkens wanneer men U ootmoedig met dat Ave groet, wordt +Gij, o Zaligste, gekust!” En de legenden worden niet moe te vertellen +hoe de Madonna de grootste zondaars voor straf behoedt, zoowel op aarde +als hiernamaals, wanneer ze maar ijverig tot haar gebeden hebben en haar +altaar met bloemen versierd.</p> + +<p>Terwijl deze schone veilige sentimentaliteitsgolf over de wereld der +baronnen begon te spoelen en op zijn manier de ridder-romantiek +voorbereidde, was er ondertussen nog een andere kristelike gevoelsgolf, +somber en bitter en gloeiend, die zich met de andere vermengde, maar +toch ook duidelik in de latere ridder-romantiek onderscheiden kan +worden. Dat was de religie van de levensverzaking en de +levensverlochening die van uit het Oosten, en door de onderdrukking van +het Jodenvolk in de leer van Jezus gekomen was, en van daar weer over +Europa stroomde.</p> + +<p>Naast de Antieken en Germanen met hun robuste Heersersmoraal was het +Kristendom gekomen en had zijn moraal aan de zwakken verkondigd en de +dienstbaren en de ongelukkigen; onder de Slaven had het dan ook reeds +vroeg de meeste proselyten en de meeste martelaars gemaakt. Voor de +Romeinse patriciërs zo wel als voor de Frankiese baronnen had het de +moeilike deugden <span class="pagenum" title="18"></span><a id="p_18"></a>van de ootmoed en de zelfverlochening, gepreekt en +even onbekend voor Romein als voor Germaan was het bewustzijn van de +zonde dat het Kristendom tracht te wekken en dat het aan het gehele +menselike leven te gronde wil leggen. Uit het Oosten druppelde meer en +meer ascesis en zelfkastijding het Kristendom binnen; in de wildernissen +van Aegypte en Syrië trachtten kristen-kluizenaars elkaar in harde +ontberingen en gruwelike pijnigingen de loef af te steken, en sedert +dien bracht het monnikswezen in andere vormen de gehele zijde van de +zelfverlochening van het Kristendom in systeem. Nu in de 11<sup>de</sup> eeuw +was de kristelike sentimentaliteit, die zich over de landen verspreidde, +vermengd met veel van de zwarte bitterheid der ascese.</p> + +<p>Vrees, angst voor de zonde en voor het verlies van de ziel, dat is wat +de ware Kristen in zijn gemoed moet voelen,—leert men. „Een bedroefde, +naar de aarde gerichte blik, een verwaarloosd uiterlik, ongekamd haar en +vuile kleeren”,—zo moet de Kristen er uit zien. Bevend gaat hij door +het leven. Alle geluk en vreugde zijn valstrikken van den duivel en +staan in de soldij van de Dood; smart daarentegen en ongeluk zijn de +voorschool van de Deugd, een beloning die God de uitverkorenen ten deel +doet worden, een pand voor het loon hiernamaals. Men moet dezer wereld +sterven. En afstand doen van geld en goederen,—leerde Kristus niet dat +er geen goud of zilver in ulieder gordels zijn moet en dat gijlieden +heen moet gaan en alles verkopen wat gij bezit? En alle macht en eer +opgeven—alle wereldlike macht is slechts diefstal, alle wereldlike eer +is slechts ijdelheid, leert Augustinus. Van kennis en wetenschap,—„de +wijsheid dezer wereld is dwaasheid bij God,” zegt Paulus. Geeft uw +familie, ouders en kinderen op, „indien iemand tot mij komt en niet haat +zijnen vader en moeder, en vrouw en kinderen en broeders en zusters, die +kan mijn discipel niet zijn,” zegt Kristus. Men moet het vlees +doden,—was het niet gulzigheid die er onze voorouders in het paradijs +toe bracht van de vrucht te eten? zegt Paus Leo. Men moet zich +vernederen,—„die zich vernedert, zal verhoogd worden”. Men moet +geduldig zijn in het ongeluk, zachtmoedig tegenover het onrecht. Men +moet uit zich zelf tot hen gaan die lijden en zich in tranen baden over +de smart van anderen, zelf verdriet gevoelen bij dat van anderen, +<ins class="corr" id="corr5" title="Niet in Bron.">„</ins>wenen met de wenenden en klagen met de klagenden.”</p> + +<p>Ook voor deze zijde van het Kristendom stond er een hele kristelike +dichtkunst ter beschikking, die op de fantasie en het gevoel van de +lekenwereld werken kon en een grote massa sombere <span class="pagenum" title="19"></span><a id="p_19"></a>en droeve legenden, +uit het Latijn en Grieks vertaald, vlogen in de 11<sup>de</sup> eeuw de wereld +door en sloegen in het menselik gemoed neer. Schilderingen van de +pijnigingen der martelaren en de zelfkwellingen der kluizenaars,—van +gevallen vrouwen zoals Thais en Maria Aegyptiaca, die in hun wroeging +allerlei ootmoedigende en vernederende boetedoeningen voor zich +bedenken... onschuldige maagden, die door woestelingen vervolgd +worden... zwarte misdaden die de straf des hemels over zich halen... +moeders, die zich van hun kinderen losmaken of de H. Alexis die zijn +bejaarde ouders en zijn bruid verlaat, ze aan verdriet en wanhoop +overgeeft en die als bedelaar rond gaat trekken; zonder dat men hem +herkent komt hij terug en woont jaren lang bij hen zonder zich bekend te +maken, ofschoon hij ziet dat zij van smart sterven... alle menselike +gevoelens worden getrapt, alle natuurlike banden verscheurd. Die +legenden willen tranen zelfs uit de meest gevoellozen persen, zelfs de +hardste harten tot bloeden brengen en het zijn dikwels feitelik al heel +kleine romans die direkt de overgang vormen tot de sentimentele richting +in de ridderromantiek.</p> + +<p>De zelfzuchtige hardheid der baronnen vermurwen, en in liefde +veranderen,—de stijve halzen dier Heren in ootmoedige zelfverlochening +doen buigen—dat is het waar de kristelike gevoelsrichting in de 11<sup>de</sup> +en 12<sup>de</sup> eeuw op aan stuurt. In tegenstelling met de beweging der +bedelmonniken in de volgende eeuwen, tracht de Kerk zich voorlopig meest +tot de andere maatschappelike lagen te richten en werkt dan ook het +meeste onder hen uit. De religieuse herleving van de adel wordt goed +geïnkarneerd in de twee grote kerkelike figuren uit het begin van de +12<sup>de</sup> eeuw. De een is Norbert van Xanten, een voornaam en rijk +edelman, een bloedverwant van keizer Hendrik V. Eens op een dag dat hij +in een prachtig zijden wambuis gekleed, door een wapendrager vergezeld, +over de Rijn reed, werd hij door een bliksemschicht getroffen en +bewusteloos ter aarde geworpen. Daardoor werd hij tot een godsdienstig +leven gebracht, hij verzaakte zijn positie en zijn goederen, gaf zich +aan zulk een hard asceties leven over, dat hij er door op het ziekbed +werd geworpen en werd de stichter van de strenge orde der +Premonstratensen, aan het hoofd waarvan hij stond als een streng +niets-ontziend meester. Van meer betekenis nog was Bernard van +Clairvaux. Zijn vader en zijn broeder dienden als ridders de Hertog van +Bourgondië, maar Bernhard zelf was door zijn moeder een sterk religieus +gevoel ingeprent en <span class="pagenum" title="20"></span><a id="p_20"></a>hij werd monnik. Hij begon met in heilige +geestdrift zich zelf zo te kastijden dat zijn gezondheid er bij in +schoot en daarna maakte hij de Cisterciensers tot een zeer +streng-ascetiese orde; maar zijn ascetisme viel samen met een mystiese, +sentimentele dweperij, die hij van uit zijn kloostercel aan grote +kringen van de Franse adel wist mede te delen, door preken, traktaten, +een uitgestrekte briefwisseling, niet het minst juist door die heerlik +gevoelvolle brieven, bijna in de trant der Duitse piëtisten, aan de +vorstinnen van Lotharingen en Bretagne. Liefde, leert hij, is het +binnenste in de ziel; het komt er op aan het ijs in zich te smelten en +herboren te worden tot de mildheid en klaarheid van het geestelike +voorjaar; zelfzucht in een zee van liefde te verdrinken, waarin men +samenvloeit met het oneindige; wanneer de drang tot die liefde door het +lichaam schijnt, gelijk de lamp door het scherm, dan is de ziel +„huweliks-bereid”, bereid tot het geestelike huwelik met het Woord Gods. +En Bernhard vertaalt de gloeiende Liefdes uitingen van het Hooglied en +verklaart die gelijk een mysties-religieus dwepen; in schone hymnen +schildert hij het kindeke Jezus als een minnaar en huldigt de Maagd +Maria met de geestdrift van een troubadour.</p> + +<p>Bernard werd dan ook de voornaamste prediker der kruistochten van zijn +tijd. En al waren het ook—zoals wij gezien hebben—in overwegende mate +wereldlike redenen die de meesten edellieden aan de kruistochten mede +deden doen, toch had de gehele godsdienstige herleving dier dagen er een +wezenlik deel aan. De kruistochten betekenen de officiele +Heiligprediking van de oorlog door de kerk. In plaats van de „Gods +vrede” waar men zich zo moeilik aan houden kon, proklameerde nu de Kerk +een „Gods Oorlog”, waar men heel wat meer voor voelde. Zo als een der +kroniekschrijvers 't heeft; „God heeft in onze tijd de heilige oorlogen +ingesteld om de Ridders nieuwe middelen tot redding te geven, opdat zij +niet verder genoodzaakt zullen zijn zich aan een monniksleven te wijden +om zich te kunnen bekeren, maar dat zij met hun gewone leven en werken, +tot zekere hoogte altans, zich de genade Gods zullen kunnen verwerven.” +De baronnen beschouwen zich nu als de Vazallen Gods: de Koning van het +Paradijs—zeggen zij in een gedicht over de kruistochten van de 12<sup>de</sup> +eeuw,—heeft zijn getrouwe Franse baronnen ter hulp geroepen „<span xml:lang="fr">por Dame +Dieu vengier</span>” en om van de heidenen het rijk te heroveren, dat „<span xml:lang="fr">de +droite Antiquité</span>” aan Kristus toekomt; zij zijn het, verklaren ze, „<span xml:lang="fr">cil +qui Damedieu servant d'un loyal cuer entier.</span>” En de drang <span class="pagenum" title="21"></span><a id="p_21"></a>der ridders +om zich uit de maatschappij los te maken en op eigen hand eer te behalen +en op avontuur uit te gaan,—die ging om zo te zeggen bij de +kruistochten een kompagnieschap aan met het individualisme van het +Kristendom en werd daardoor geheiligd. In het Kristendom is er toch +reeds van huis uit een tendens die de banden der maatschappij en van de +familie losser maakt; die tendens wees de enkeling op zich zelf aan en +leerde hem dat de zaligheid van zijn eigen ziel het enige is dat hij +steeds voor ogen moet hebben, en dat hij zich alleen door eigen +verdienste kan verwerven. Gelijk de vromen die in het klooster gingen, +alle banden van het familieleven doorsneden en alle burgerlike +verplichtingen van zich afwierpen, zo konden nu de ridders op de +kruistochten het als heilig en verdienstelik beschouwen zich van alle +maatschappelike plichten los te maken en hun lust tot doden op eigen +hand bot te vieren. Maar ongetwijfeld is ook een zuiver godsdienstige +geestvervoering een machtige hefboom geweest voor die beweging. En door +Franse en Provençaalse kruisliederen, gelijk door het lied van de +Duitsche kruisvaarder Ezzo, over „de wonderen van Kristus” klinkt er een +dwepend verlangen naar het graf van Kristus en het Hemelrijk, en velen +waren er die werkelik voelden—gelijk een der kroniekschrijvers van de +eerste kruistocht het uitdrukt—dat „de tijd nu gekomen was waar het +woord van Kristus op doelde: „Zo iemand achter mij wil komen, die neme +zijn kruis op en volge mij.”<ins class="corr" id="corr6" title="Niet in Bron.">”</ins></p> + +<h2><a id="III"></a>III.</h2> + +<p class="subh2">WERELDLIKE KULTUUR.</p> + +<p>Naast de kristelik-sentimentele beweging was er ook een soort +wereldlike, humane kultuur die zich in de 11<sup>de</sup> eeuw aan de horizon +begon te vertonen en die niet zonder opvoedende kracht zou blijken. Het +werd al meer en meer duidelik, dat er ook buiten het Kristendom een +beschavingswereld te vinden was,—een beschaving van de manieren en +zeden, intellektueel zowel als aesteties—waar men zijn deel van krijgen +moest op poene van een barbaar te blijven. Geesteliken, die als kleine +jongens in de Latijnsche school het Latijn ingestampt was geworden door +middel van de klassieke schrijvers, konden midden in een scholastiese +discussie op eens een paar citaten uit Virgilius in de mond <span class="pagenum" title="22"></span><a id="p_22"></a>krijgen, +die hen plotseling vreemde rijken van schoonheid deed vermoeden, en in +uitverkoren kringen dier klerken begon men zich in die antieke +literatuur in te leven en zich te laten doortrekken van, al was het een +zwakke dosis, aesteties humanisme. En ridders die in Spanje geweest +waren en daar gastvrijheid genoten hadden bij de ongelovige muzelmannen, +of kooplieden die in Byzantium vertoefd hadden en een klein idee +gekregen hadden van wat de beschaving daar betekende, die kwamen naar +huis en vonden het leven lelik en vulgair, de zeden plomp en naief, +zelfs in de kastelen van de machtigste baronnen. In de bovenste lagen +der bevolking ontwaakten er toen vage voorstellingen van een hogere, +zuiver wereldlike kultuur—een kultuur, zelfs ongelovig en heidens—en +jeugdige verlangens om daar in door te dringen.</p> + +<p>De antieke kultuur was ook nooit in de middeleeuwen geheel afgestorven; +hoe beter men kijkt, des te duideliker ziet men dat de samenhang +ongebroken is, zelfs in de donkerste eeuwen. Als taal der kerk was het +Latijn immers de basis van alle geestesleven der klerken. Het was het +hoofdvak op school, de taal van de godsdienst, in 't Latijn werd de +bijbel gelezen en alle kerkvaders, in 't Latijn disputeerden alle +scholastici en werden alle kronieken en traktaten geschreven. En voor +het onderwijs werden de heidense klassieken gebruikt, in elk geval in +proza-uittreksels en bloemlezingen uit de laatste perioden der oudheid; +in de kloosters werden de oude manuscripten bewaard en afgeschreven, en +al waren er ook strenge richtingen in de kerk die de lektuur van al die +heidense onzin verboden, er zaten toch overal monniken in hun scriptoria +en bisschoppen in de biblioteken der kathedralen die hun otium wijdden +aan de studie van Virgilius of Lucanus, Seneca of Cicero. Had niet +Augustinus zelf de kinderen de lektuur van Virgilius aangeraden „opdat +deze grote, beroemde en uitstekende dichter niet zo licht uit hun +herinnering zal verdwijnen?” En waren de geschriften der kerkvaders niet +gespekt met citaten uit deze heidenen? Ze konden b.v. niet van de goede +rover vertellen die van het kruis naar Kristus op ziet of het vers van +Virgilius liep hen in de pen over de gevangen Cassandra, die haar blik +omhoog hief: „de blik alleen, de magere handen bonden de boeien.”</p> + +<p>Zo volkomen was feitelik de kristelike leer der kerkvaders en daarmede +die van de gehele middeleeuwen—b.v. die van de moraal der +mensenliefde—van het materiaal der antieken doortrokken, <span class="pagenum" title="23"></span><a id="p_23"></a>dat, wanneer +de klerken in 't geheim de geschriften der heidenen inkeken, ze elk +ogenblik weer de waarheid zouden ondervinden van de woorden der +kerkvaders dat het niet alleen de Joodse profeten geweest waren, maar +ook veel geesten van het heidendom, die het licht van het Evangelie +reeds te voren hadden zien gloren. Wanneer b.v. Cicero sprak van de +„<span xml:lang="la">caritas generis humani</span>” en de plicht in 't algemeen om zijn medemensen +te helpen. Wanneer Lucanus voorspelde dat de volkeren eens hunne wapenen +weg zouden werpen en elkander liefhebben. Of wanneer Seneca ontwikkelde +hoe wij allen ledematen van een lichaam zijn. En was het geschrift van +Ambrosius over de plichten niet slechts een bewerking met een licht +kristelik kleurtje van „<span xml:lang="la">De Officiis</span>” van Cicero—evenals men in het +begin van de 12<sup>de</sup> eeuw de Engelse abt Aelred van Riedval de „<span xml:lang="la">Lelius</span>” +van Cicero ten grond kon leggen aan zijn dialogen over „de geestelike +vriendschap”?</p> + +<p>Overigens trekt die zelfde abt tegen zijn tijdgenoten onder de +geestelikheid te velde, die tegelijk met de Evangeliën de Bucolica +studeren, Horatius tegelijk met de Profeten en Tullius met Paulus. En in +de 11<sup>de</sup> en 12<sup>de</sup> eeuw had de sterke bloei der scholen—vooral in +West- en Zuid-Frankrijk zowel als Noord-Italië—ook daar vruchten gezet +die de ernstige kristenen wel moesten ergeren. Eén dier vruchten was de +vrije gedachte die overal, in Noord als in Zuid, tegen het juk van de +kerkelike autoriteit opstond, in de ketterijen van een Berengarius van +Tours, in de vrije opvattingen der ketters, in Roscelin en <span xml:lang="fr">Abélard</span> en de +ontluikende Parijse scholastiek. Van groter en direkter belang voor het +literaire leven waren toch voorlopig de geestelike kringen die hier en +daar opkwamen waar men zich niet afgaf met dogmatiese ketterijen, maar +con amore zich aan de profane studie der oudheid overgaf, en zo goed als +'t kon, zich door de geest der oudheid liet doortrekken en ontwikkelen. +Het was vooral in de West-Franse provinciën in Touraine, Anjou en Maine, +dat de scholen bloeiden en dat de filosofiese vrije denkers en de +aestetiese humanisten onder de geestelikheid opkwamen.</p> + +<p>Daar was Hildebert van Lavardin die eerst een school had te Le Mans, die +daar later bisschop werd en als aartsbisschop van Tours stierf. Hij nam +sterk deel aan de kerk-politiek van zijn tijd en hield zijn bisdom vrij +van de ketterse beweging, maar zoals men hem in zijn talrijke gedichten, +redevoeringen en brieven leert kennen, is hij toch eigelik een leerling +der oudheid. In zijn preken <span class="pagenum" title="24"></span><a id="p_24"></a>mengt hij voortdurend beelden en +uitdrukkingen van de klassieke dichters onder de bijbelse. In de brieven +die hij aan zijn biechtelingen schrijft, haalt hij dikwels zijn raad en +zijn troostgronden uit de filosofiese epistels van Seneca zonder van +kristelike argumenten gebruik te maken. Een massa wereldlike briefjes +vertonen elegante beleefdheidjes in de vorm van de antieke brievenstijl. +In hopen kleine latijnse gedichtjes proberen de poëten het met alle +mogelike antieke genres: gedichten in antitese-rijke taal, gewijd aan +Koningin Matilde van Engeland, grafverzen ter ere van een gravin van +Maine, verzen vol komplimentjes aan de literair-ontwikkelde gravin Adèle +van Blois, epigrammen en schuine erotiese versjes. Door Ovidius +geïnspireerd, dicht onze prelaat een klacht van Apollo over de dood van +Hyacinthus, pompeus bezingt hij de grootheid van het antieke Rome en +houdt volkomen onkristelike beschouwingen over het Rad der Fortuin. Maar +daar midden tussen in weer legenden en verzen, epigrammen over +kristelike dogmata, of een gedicht, vol woordspelingen over de +drieënigheid.—Wanneer zijn vorstelike of altans adellike biechtelingen +aanvechtingen krijgen om zich in 't klooster te begeven of op een +pelgrimage uit te trekken, verklaart de humanistiese bisschop dat men +alle overdrijvingen en opzienbarende boetedoeningen moet vermijden en +dat een graaf van Anjou werkelik gewichtiger plichten heeft dan als een +pelgrim de wereld rond te trekken. En wanneer zijn vorstelike vriendin, +de gravin van Blois op oudere leeftijd zich absoluut in het klooster wil +begeven, weet hij haar in elk geval in de moederschoot der Kerk over te +leveren met het meest elegante-hoffelike gedicht.</p> + +<p>Een andere korrespondent van die gravin Adèle was de abt <span xml:lang="fr">Baudri de +Bourgueil</span>. Van zijn hand heeft men kleine epigrammen om onder een +portret te zetten of in een exemplaar van Ovidius, gelegenheidsgedichten +op een roos of een gebroken grift, groeten op rijm en uitnodigingen of +antwoorden daarop. Met een zekere Jonkvrouw Agnes en een non Emma voert +die abt een correspondentie in verzen, hij onderwerpt zijn gedichten aan +hun oordeel, en bromt op een vriendin van hun beiden, omdat zij niet aan +die poëtiese oefeningen mede wil doen. In een lang gedicht aan die +gravin Adèle schildert hij haar woning, zoals hij zich die in zijn +fantasie voorstelt en beschrijft o.a. de wandtapijten met voorstellingen +uit de Griekse mythologie en de Romeinse historie. In Latijnse +hexameters schrijft Paris minnebrieven aan Helena en richt Florus +brieven van troost tot Ovidius in diens ballingschap.</p> + +<p><span class="pagenum" title="25"></span><a id="p_25"></a></p> + +<p>Zulke <span xml:lang="fr">beaux-esprits</span> heeft de geestelikheid omstreeks 1100 zeker niet +weinige geteld en tussen het bisdom of een rijke abdij en het grafelike +hof in de buurt, heeft zich ongetwijfeld zeer dikwels een druk verkeer +ontwikkeld. De adellike dames stonden meestal zeer hoog in beschaving en +hadden veel meer geestelike belangen dan de ruwe baronnen, en +korrespondeerden druk met hun biechtvaders of met voorname nonnen in de +buurt. In dergelijke kringen trachtte men religieuse stichting met +literaire kultuur te verenigen. Men las de klassieken met elkander, +schreef brieven in den trant van Cicero, en legde zich op een wereldse +konversatietoon toe. De nonnen in het klooster <span xml:lang="fr">Ronceras</span> te <span xml:lang="fr">Angers</span> +schrijven nu en dan de zaakpapieren van het klooster in verzen en een +hunner kontrakten van overdracht begint aldus: „Kadmus, de wijze koning +van Thebe voerde volgens het bericht van Isidorus het gebruik van het +alfabet in Griekenland in, daar hij voorzag hoe noodzakelik dat in vele +gevallen zijn zou.” Bij sommige gelegenheden heeft men in die literaire +abdijen eigengemaakte komedies opgevoerd in de trant van Terentius en +Plautus, soms met een kristelik morele tendens, gelijk die welke een +voorname Saksiese non, Hroswitha in het klooster te Gandersheim schreef, +soms zeer wereldse Amphitryon-intriges en verleidingsgeschiedenissen, +gelijk die welke aan een der klerken van Blois worden toegeschreven. In +een klooster zette men de minnedichten van Horatius op muziek, later +werd die melodie gebruikt voor een kerkelike hymne.</p> + +<p>Een zekere mate van schertsende lichtvaardigheid en sentimentele +liefde-uitingen ontwikkelden zich natuurlik dikwels bij de vrije omgang +der twee geslachten onder de mantel der religie. Het is algemeen bekend +hoe het <span xml:lang="fr">Abélard</span> en Heloïse ging. <span xml:lang="fr">Abélard</span> was de leraar en vogue bij de +Kathedraalschool van de Notre Dame te Parijs, van hoge geboorte, schoon +en elegant, met een innemende stem, literair ontwikkeld en muzikaal. +Plato en Boethius, Virgilius en Lucanus lagen even vaak op zijn lippen +als de woorden van de Schrift en zijn minnezangen vlogen op lichte +populaire melodieën over het gehele „<span xml:lang="fr">quartier Latin</span>” te Parijs. Die +waren op Heloïse gemaakt die bij haar oom woonde, een kanunnik bij wie +meester <span xml:lang="fr">Abélard</span> in de kost gekomen was, o.a. op voorwaarde dat hij diens +nichtje dageliks zou onderwijzen. Hun verstandhouding leidde tot de +treurige resultaten die men kent, maar van uit hun respektieve kloosters +bleven zij regelmatig met elkaar korresponderen;—brieven in een pedant +Latijn geschreven, half moraliserend, half retories-hartstochtelik, met +citaten uit Seneca <span class="pagenum" title="26"></span><a id="p_26"></a>en Paulus, Salomon en de „<span xml:lang="la">ars amandi</span>” door elkaar, +en met aangrijpende hartekreten te midden van opgeschroefde onnatuur... +Ook uit Beieren kent men uit de 11<sup>de</sup> en 12<sup>de</sup> eeuw Latijnse brieven +tussen geesteliken en nonnen of geleerde vrouwen gewisseld, met +sierlijke hofmakerijen en zoetsappige sentimentaliteit, in geestelike +bloementaal geschreven en met citaten uit Ovidius, maar die +langzamerhand van geestelike vriendschap eens biechtvaders overglijden +in de plompe eis van de man dat de vrouw „haar vertrouwen in daden zal +tonen”,—waar de vrouw met duidelike woorden voor bedankt.</p> + +<p>Dat hele zalvend zoete sentimentaliseren tussen mannen en vrouwen, dat +zo in de briefwisseling der geesteliken met vrouwen te voorschijn +komt—veel dergelijks vonden wij ook in de brieven van Bernhard van +Clairvaux aan zijn hoge kliënten—is niet zonder invloed, gelijk wij +zien zullen, in ridderkringen en dat is ook het geval met de manieren en +de spraak van de man van de wereld, waar men zich in die literaire +conventikels op toelegde.</p> + +<p>In een lagere sfeer—de wereld der arme „rondtrekkende scholieren”—had +de klassieke opvoeding een nog profanerender uitwerking. In kroegen en +herbergen deden deze rondzwervende, halfgeleerde <i>Bohémiens</i> hun +latijnse liederen horen, ter ere van Venus en Bacchus en ten spot van de +officieele kerk en de welgedane geestelikheid. Daar krijgt men +verheerliking van wijn en spel, gesprekken tussen die scholieren en hun +liefjes,—ondeugende minneliedjes, maar ook gezangen waarin liefde tot +het voorjaar en liefdedweperijen een heel schoon geheel vormen. De goden +der antieken worden aangeroepen: Paris en Helena en Aeneas en Dido zijn +de voorbeelden aller liefhebbende harten en reminiscenties aan Horatius, +Ovidius en Virgilius zijn overal in de liederen dezer <i>vagantes</i> te +horen. Niettegenstaande de geestelike tucht van het Kristendom, waaraan +ze in hun school onderworpen waren geweest, waagden deze klerken het, +zich over het voorjaar te verheugen en de schoonheid der vrouw te +prijzen, de lusten der zinnen te bezingen en de verschrikkelikheden van +de kerk, en die met alle satyren der antieken te kastijden, gelijk niet +lang daarna de troubadours het in de volkstaal zouden doen.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Als erfgenaam van de antieke kultuur gold in de middeleeuwen het +Oost-Romeinse rijk. Terwijl de klassieken in West-Europa slechts zo nu +en dan eens bestudeerd werden, 't zij dan zonder medeweten van de kerk +of wel door haar beschermd, zaten de <span class="pagenum" title="27"></span><a id="p_27"></a>overleveringen der oudheid daar +ginds in Byzantium nog steeds officieel op de troon. Daar heersten nog +de opvolgers van de Romeinse imperatoren die zich nog Caesar noemden en +Augustus,—de taal van Aristoteles en ook van Cicero leefde nog op de +lippen der beschaafden, de gehele Staatsmachinerie was die van het +Romeinse keizerrijk en wat de klederdracht betreft, zowel als in alle +gewoonten en vormen des levens waren de klassieke tradities merkbaar. De +keizerlike biblioteek stelde al de schatten der oude literatuur ter +beschikking van een talrijke staf van professoren die op de kateders der +Universiteit filosofie doceerden en filologie en de rechtsgeleerdheid en +de werken der oudheid werden afgeschreven, uitgegeven, bestudeerd en +bekommentarieerd; in enorme verzamelwerken zowel als in praktiese +compendia werd de quintessens van de gedachtenwereld der antieken +neergelegd en onverflauwd trachtten de strijders in rhetorica, +geschiedschrijving en dichtkunst, op de glorierijke banen der Griekse en +Latijnse literatuur voort te schrijden. Onafhankelik van de +geestelikheid vond men daar—in tegenstelling met +West-Europa—voortdurend een zeer uitgebreide laag van zuivere +wereldlike beschaving, waartoe het gros van de ambtenaarswereld hoorde +en het hof; vele prinsen en prinsessen van het keizerlike huis waren +werkzaam op het gebied van de literatuur.</p> + +<p>Met eerbied zagen de jonge halfbarbaarse volkeren van Europa naar dat +oude keizerrijk in het Oosten op. Er waren altijd door talrijke +verbindingen, en de macht en het aanzien van Byzantium waren over heel +Europa groot. Over Zuid-Italië en de Noord-Italiaanse steden ging er een +voortdurende stroom van handelswaren van de Bosporus naar West-Europa; +over en weer zond men gezantschappen, Griekse prinsessen trouwden in de +West-Europese vorstenhuizen en uit West- en Noord-Europa trok menigeen +daar als koopman heen of om in de keizerlike lijfgarde dienst te nemen; +velen werden ook als slaven naar 't Oosten verkocht. Het waren machtige, +bonte indrukken van een alles overtreffende beschaving, die de +westerlingen op die wijze ontving. Veel van de Byzantijnse bouwkunst en +dekoratie ging op de Romaanse kerken over en de Byzantijnse mozaïek, de +geweven tapijten, het Byzantijnse email en ivoor, verblindden niet +alleen door het kostbare materiaal of de schitterende kleuren, maar +werden ook gevoeld als de openbaring van een fijnere, hogere kultuur van +schoonheid. Men denke b.v. aan al die kleine ivoren beeldjes die van de +werkplaatsen in Konstantinopel over Europa verspreid werden: <span class="pagenum" title="28"></span><a id="p_28"></a>deksels en +banden voor de evangelies, kleine wassen schrijf-tafels, kistjes voor +juweelen of toilet-benoodigheden, allemaal uitgesneden met figuren in +ornamentale omlijsting. Er was een stijlgevoel in die kleine +kunstwerken, een fijnheid en een scherpte van lijn en omtrek, een +eenvoudige rytmiek in die eenheid van lijnen, die direkt van de oudheid +stamde en die de blik dier barbaren met een gevoel van godsvrucht gevuld +moet hebben. Daar stond de aartsengel Gabriël met zijn kruis-staf en met +zijn lange vleugels recht naar beneden, of de maagd Maria in haar +vrouwenkleed gehuld, met voorover gebogen hoofd en de hand als tot een +klacht opgeheven,—slanke tengere figuren in stijf-ceremonieele maar +toch gracieus elegante houding, de gehele lichaamshouding als gedragen +door een stille innerlike muziek en met een hoogheid en een fijnheid +over zich, als hoorden zij tot een oud vorstengeslacht en als hadden zij +zich aldoor in die verstijfde vormen van het hofleven bewogen. Die dunne +zijden kleeren met het fijne spel der plooien en de geborduurde randen +vergrootten nog de indruk van voornaamheid. Ogen, die gewoon waren een +gespierde baronnenfiguur of een gezette adellike jonkvrouw als typen van +alle schoonheid te beschouwen, gingen hier nu voor een fijner, +geesteliker lichaamsideaal open en voor een manier om zich voor te doen +en het uiterlik van uit zijn innerlik te beheersen, waar ze te voren +geen idee van gehad hadden.</p> + +<p>Pelgrims en handelslieden die uit Byzantium kwamen, hadden nog veel meer +te vertellen over de schoonheid van het leven en de elegance die er in +de huizen der rijken aan de Bosporus gevonden werden. Binnenplaatsen met +fonteinen, muren van marmer en mozaïek-vloeren, meubelen van ebbenhout +en ivoor, zijden kleden en Oosterse tapijten, tafelserviezen en kostbare +metalen. Dan die fraaie kleederdrachten en de fijne manieren. Naast de +dikbuikige, onbeholpen Franken, schijnen de gracieuse Grieken in hun +nauwsluitende lichte zijden gewaden vlug en behendig als gymnasten, +zoals een Franse kroniekschrijver zich uitdrukt. Met bewondering kijken +de Franken naar de beleefde en ceremoniele manieren van hun +gastheren, met enig wantrouwen horen zij hun vleiende +beleefdheidsformules aan; „indien de elegantie van houding en beweging, +de vriendelikheid van de blik en de lieve woorden,” zegt die zelfde +kroniekschrijver, „altijd onthulde wat het harte dacht, dan zou men aan +de hartelikste gevoelens dier Grieken niet kunnen twijfelen.” Vergeefs +proberen de Franse gezanten gelijk de Weringen, de Scandinaven in dienst +van de <span class="pagenum" title="29"></span><a id="p_29"></a>Griekse keizer, zich onverschillig voor al die pracht en praal +voor te doen, die er aan het keizerlike hof ten toon gesteld werd om hen +te verblinden,—hele theatrale opvoeringen die de ceremoniemeesters bij +de audiënties der keizers arrangeerden om de Barbaren te imponeren. De +beschrijvingen van West-Europeërs van de tuinen en het hippodroom, van +de troonzaal, de optochten die ze daar te zien kregen, tonen duidelik +aan hoe zeer ze daarvan onder de indruk waren, de Griekse historici +beweerden dat de Barbaren als die aan het hof kwamen, meenden dat ze in +het Paradijs waren. En vervolgens die ganse ingewikkelde hofstoet, de +Rangorde! Titels, privileges die de oorzaak waren van eeuwige afgunst en +voortdurende intriges. De hoofd-kamerheer met zijn staf van kamerheren, +de meester van de garderobe, de <span xml:lang="la">protostator</span> die de strijder op zijn +paard helpt, de <span xml:lang="fr">Proto à secretis</span> of de eerste secretaris, de +<span xml:lang="la">silentiarii</span>—zij die 't stilzwijgen opleggen—de <span xml:lang="la">referendarii</span> die +smeekschriften in ontvangst nemen,—tot aan de <span xml:lang="la">Sebastokrator</span> en de +<span xml:lang="la">Pan-hypersebastos</span>. Elke rangklasse met zijn titulatuur: <span xml:lang="la">Nobilissimi, +spectabiles, clarissimi</span>; elk met zijn uitsluitende rechten; zij die op +groene laarzen mogen lopen, (de keizer alleen mag rode laarzen dragen), +zij die met groene inkt mogen schrijven, (de keizer alleen en zijn +voogden mogen met rode inkt schrijven). Voor de Franse baronnen die uit +hun gewone patriarchale burcht-leven kwamen, was dat de openbaring ener +verfijning en aristocratisering van het maatschappelik leven die zij wel +moesten trachten na te bootsen.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Nog op een derde wijze kwamen de baronnen in aanraking met een vreemde +kultuur, waar tegenover zij zich niet anders dan als arme duivels en +naïeve barbaren konden voelen. Ginds in de steden van Spanje kwamen de +bewoners van Zuid-Frankrijk geregeld in vrede en vriendschap met de +Arabieren samen, te Palermo woonden de Franse Noormannen om zo te zeggen +vlak naast hen en koning Roger had vele Muzelmannen aan zijn hof en in +'t verre Syrië profiteerden pelgrims of handelslieden dikwels van de +gastvrijheid der ongelovigen. En zelfs bij een vluchtig bezoek moet die +vreemdsoortige schoonheid en rijkdom, de fijne omgangsvormen en de +atmosfeer van Oosterse genotzucht en een rijk Arabies milieu, op een +Fransman van de 11<sup>de</sup> eeuw als een sprookje en een droom gewerkt +hebben.</p> + +<p>Over een met marmer geplaveide binnenplaats waar de waterstralen uit +leeuwen-bekken in marmeren vazen plassen, wordt <span class="pagenum" title="30"></span><a id="p_30"></a>hij—te Sevilla, +Palermo of Damascus—in vertrekken binnengeleid met muren van wit +pleisterwerk en met zolderingen van verguld mozaïek. Op de grond golven +dikke tapijten, voor de deur en de ramen hangen zware zijden gordijnen +met opgenaaide gouden arabesken; op consoles staan overal lakwerk en +Chinese vazen; aan de zoldering hangen lampen. Langs de muren staan +divans en ligbanken, in wierookvaten brandt aloe en sandelhout. Naar +binnen komen die vertrekken uit op een zuilengang om een tuin met +zeldzame planten en vruchten. Onze Frank weet niet of hij wel op de +tapijten durft treden en zich op de divan zetten... hij voelt zich als +dronken door de geur en verblind door het goud en de kleuren.</p> + +<p>Hier wordt hij door zijn gastheer ontvangen. Die is in een lange, +safraangele zijden kaftan gekleed met een violetten sjerp, en op het +hoofd een tulband met een witte sluier er over heen, een teken dat hij +tot de stand der geleerden hoort. Vol welriekende olieën zit hij sorbet +te slurpen door een lang strootje, terwijl hij schaak speelt met zijn +lievelingsslaaf. Maar nu staat hij dadelik op en gaat zijn gast te +gemoet—hoe ver, dat is nauwkeurig bepaald in overeenstemming met diens +stand—heet hem in Allah's naam welkom en wijst hem de ereplaats aan in +het hoekje van de divan terwijl de slaaf op een wenk van de meester de +gast sorbet brengt. Met een „God schenke U een lang leven” begint de +gastheer zich met hem te onderhouden: in bloemrijke woorden en +beeldspraak prijst hij de dapperheid der Franse ridders en hult zijn +komplimenten in sierlike woord-boeketten, met lichte gratie leidt hij +het gesprek op allerlei onderwerpen, en het wordt voortdurend met +woordspelingen en treffende uitdrukkingen gekruid. Wat voelt onze Frank +zich plomp en onhandig bij al die ceremoniële beminnelikheid en al die +schitterende, bloeiende konversatie-kunst!</p> + +<p>Nu wordt er een gedekte tafel binnengebracht met eten en drinken. Eerst +wast men zijn handen, de handen worden geparfumeerd door ze over een +wierookvat te houden en voor men begint te eten zegt de gastheer: „In +Allah's naam!” Ook de gerechten en het servies wekken de bewondering van +de Kristen op. De dadelwijn wordt in een bokaal van onyx geschonken en +de kippenpastei opgediend op Chinees porcelein. En nieuw is het ook voor +hem dat de gastheer na de maaltijd hem een „Wel moge 't u bekomen” +toeroept.</p> + +<p>Zulke indrukken werden dieper en kompleter wanneer men <span class="pagenum" title="31"></span><a id="p_31"></a>gedurig met hen +omging b.v. in Andalusië. Wel lag er dikwijls een grote mate van +berekening aan ten grondslag en werd er heel wat Oosterse wreedheid +onder dat alles verborgen, maar de façade, wat de vreemdeling zag, was +schitterend en nam ieder voor zich in. Reeds in de oorlog verblindden de +Saracenen hun tegenstanders door hun elegante vormen en houding; in +prachtige wapenrustingen op volbloed paarden en waar de gelegenheid het +medebracht, met een ridderlikheid tegenover de vijand die iets van +kokette galanterie over zich kon krijgen,—b.v. wanneer zij in de slag +met de vijandelikheden ophielden, bij de val van de kristelike +bevelhebber, of wanneer zij bij een overwinning alle oude mannen +spaarden en alle vrouwen en kinderen. Bij de dagelikse omgang in +vredestijd konden duizende kleine trekjes van grote delikatesse en +fijngevoeligheid de Franken de hoger ontwikkelde kultuur der Saracenen +tonen: de hoffelikheid b.v. waarmede hij een geschenk aannam, zelfs als +hij er niet op gesteld was, de delikatesse waarmede hij die beleefdheid +wist te vergelden of de schuchterheid waarmede hij zich ontzien zou de +dienstwilligheid van een vriend te misbruiken. Dat waren allen +raffinementen waar de Franse baronnen nog niet zeer bekend mee waren. +Aan alle kleine vorstelike hoven zagen ze bovendien schitterende +ridderspelen en de atmosfeer van het hof was vol van feesten, muziek en +gezang. Het volk dat zo zeer op muziek gesteld was, bezat instrumenten +die heel wat hoger stonden dan in Europa en hun melodieuse taal werd +door hoog en laag tot verzen gesmeed en ontwikkeld. Allen schreven +verzen, de boer achter de ploeg, de vrouwen in de Harem, op muren en om +zuilen maakten versregels het hoofdsieraad uit. Van hof tot hof trokken +de zangers rond en zongen hun gedichten op muziek. Het waren +hyperboliese lofzangen over de vorsten: „Uw grootmoedigheid, o Heer, +beschaamt der wolken vochtigheid... Uwe paarden, Heer! vliegen vlugger +dan de bliksemschicht en de sterre vermoeit zich in haar pogingen om die +bij te houden!” Of het waren gedichten van lof en hulde voor de +vrouwen—de gesluierde Andalusiese schonen, van wier heerlikheid men +slechts in de Moskee of achter een betralied raam een idee krijgen kon, +en wier afgezonderd leven en wier verhoogde vrouwelikheid een +eigenaardige romantiese kleur aan de liefde bijzette. „Afgunstig wordt +de wijn rood bij de blos op uwe lippen, de volle maan verbergt zich +wanneer uw aangezicht zich vertoont, uw haar is gelijk donker +myrthenloof, uw oog is smachtend als van de narcis, <span class="pagenum" title="32"></span><a id="p_32"></a>de gang van de +gazelle is niet zo licht als de uwe. Ik ben dronken, niet van wijn, maar +van verlangen en ontberen; met een tranenvolle blik roep ik uw naam aan, +gelijk een monnik zijn heiligenbeeld!”—aldus klonken de liederen der +Andalusiese troubadours, door de mandoline begeleid.</p> + +<p>Bij een Arabies kroniekschrijver kan men een merkwaardige schets van een +graaf uit Zuid-Frankrijk vinden, die zich in de woning van de Saraceense +gouverneur had ingericht toen de stad door de Spanjaarden op de +Muzelmannen veroverd was geworden. Die had de kleederdrachten van de +vorige eigenaars aan, en diens harem overgenomen en leefde nu geheel op +zijn Oosters. Een Joodse koopman die hem kwam bezoeken, vertelt hoe de +graaf op zijn divan liggende en het Arabies vreselik radbrakende, een +der jonge vrouwen riep en haar beval voor hem bij de luit te zingen; +terwijl de tranen langs haar wangen stroomden, stemde zij haar +instrument en zong zij haar liederen, die noch de gast noch de gastheer +verstond, terwijl toch de laatste al drinkend met groot animo +applaudiseerde.</p> + +<p>De begeerte naar de schatkamers der Saracenen en de tuinen van Armida +hebben er het hunne toe bijgedragen om de baronnen aan de kruistochten +te doen deelnemen, zo wel als al de fantastiese verhalen over de +heerlikheden van Byzantium en het verlangen naar de landen der ouden om +de Middellandse Zee. En de kruistochten openden pas de vreemde +kultuurwerelden voorgoed,—zetten de deuren van West-Europa pas +wagenwijd open voor 't Oosten en Arabië, Byzantium en de Griekse +kultuur, en langs die weg ook voor buitengewoon veel van de klassieke +kultuur. De invloed van deze vreemde beschavingen is, tegelijk met eigen +innerlike ontwikkeling van het Ridderwezen en de kristelike sentimentele +stromingen der 11<sup>de</sup> en 12<sup>de</sup> eeuw, wat het ontstaan der +Ridderromantiek verklaart en mogelik maakt.</p> + +<h2><a id="IV"></a>IV.</h2> + +<p class="subh2">HOFKULTUUR.</p> + +<p>Het leven der edelen concentreert zich, zoals wij zagen, in de 12<sup>de</sup> +en 13<sup>de</sup> eeuw op de kastelen der rijke graven en hertogen; de kleinere +adel, in elk geval de zoons, komen van de verspreid liggende sloten der +baronnen meer en meer naar de residenties <span class="pagenum" title="33"></span><a id="p_33"></a>der Leenheren. Hier +ontwikkelt zich een sosiaal samenleven en een daaraan beantwoordende +kultuur.</p> + +<p>Het zijn eerst en vooral nog maar vestingen, deze vorstelike +kastelen—Narbonnes van de graven van Toulouse, de burchten van de +hertogen van Champagne in Provence, die van de graven <ins class="corr" id="corr7" title="Bron: vau">van</ins> +Guines in Ardres of de Wartburg van de landgraven van Thuringen, het +slot der Wellen te Dankwarderode—akelig somber zijn ze om aan te zien +en moeilik toegankelik, en ook van binnen beantwoorden zij met hun +kleine binnenplaatsen en nauwe wenteltrappen en vele kleine vertrekken +slechts weinig aan de moderne opvatting van wat zulk een slot moet zijn. +En toch—vergeleken met de kleine kastelen der baronnen—is er alles +heel wat groter, en vindt men er meer rijkdom en groter veiligheid en +reeds hebben allerlei vreemde kultuurinvloeden een zekere luxe—soms er +nog zeer bovenop—verspreid over de nog altijd vrij primitieve +toestanden.</p> + +<p>Er is meer plaats binnen de wallen, en de veiligheid is ook groter omdat +de vestingwerken, vroeger dikwels van hout, nu altijd van steen zijn en +nu meer als zelfstandige uitbouwen met soliede verdedigingswerken +gemaakt zijn, gelijk ze dat op de eerste kruistocht bij de Arabiese +vestingen, om Jeruzalem en Antiochië, gezien hadden. En zo krijgt men nu +een gelegenheid om rondom de eigelike burcht tuinen aan te leggen—met +rozen en lelies, rozemarijn en heliotroop, met genezende kruiden voor de +huisapotheek en met alle soorten van vruchtbomen, zelfs met een +paviljoen waar de Landheer zich 's zomers ophoudt. Van de geheel vrij in +'t midden staande, bijna onneembare toren (donjon, bergfried), waar men +hoogst bekrompen woonde, is de woning nu gebracht naar een zelfstandig +langwerpig stenen gebouw, dat de van de Romeinse Keizertijd stammende +naam van „paleis” draagt. Vrije stenen trappen voeren naar de belétage +op en langs de façade daarvan, een open korridor, een „<span xml:lang="la">loggia</span>” of +„<span xml:lang="la">laube</span>”, op de open trap zowel als op die <span xml:lang="la">loggia</span> houdt men zich dikwels +bij goed weer op. De grote zaal zowel als de kleine kamers hebben nu ook +veel meer vensters zodat er ook beter licht en lucht in komt,—door het +naar buiten schuiven van de vestingwerken is nu ook het gevaar voor het +vijandelik geschut geweken,—al meer en meer bouwt men de vensters nu in +Romaanse stijl, rhytmies gegroepeerd,—twee of drie te samen bij elkaar +gehouden en omgeven door arkaden en boogfriezen. Bij wijze van bizondere +luxe ziet men in navolging van de kerkbouw, hier en daar glazen ruiten.</p> + +<p><span class="pagenum" title="34"></span><a id="p_34"></a></p> + +<p>Gezelliger en gemakkeliker voor een verblijf zijn ook de verschillende +vertrekken geworden. De haardsteden zijn nu niet meer geheel open maar +van een schoorsteen voorzien. Naast de ouderwetse vaste muurbanken in de +ridderzaal, duiken er langzamerhand andere meubels op: veldstoelen en +taboeretten, kleine kleedjes en kussens die op de grond liggen om op te +zitten; ook vindt men een soort ligbank met matrassen er in, die 's +nachts als bed gebruikt wordt, maar waarop overdag de gast uitgenodigd +wordt naast de gastheer of gastvrouw plaats te nemen. Veel van deze +gemakken komen zeker uit het Oosten; een woord als „matras” is Arabies +van oorsprong, een „tapijt” stamt uit Byzantium. De verlichting is ook +al heel wat meer ontwikkeld dan in de tijd van de pikfakkels of een +enkel licht hier en daar; ook alweer onder invloed van de Kerk ziet men +overal kandelaars die aan de muur vastgemaakt zijn en kronen aan de +zoldering. In de vertrekken, altans in de grote zaal, vindt men nu +allerlei ornamenten, en schone kleuren. In plaats van een open dakstoel +krijgt men beschoten zolderingen of zelfs gewelven als in de Romaanse +kerken. De gepleisterde muren en zolderingen worden met levendige +kleuren versierd: een blauwe grond met gouden sterren of overal bloemen +en gestileerde takken en vogels—meestal geel en roodbruin op witte +grond—of afbeeldingen van bijbelse of historiese tafrelen of uit een +roman; op deze wijze waren ook vroeger de paleizen van een Theoderik of +Karel de Grote met historiese muurschilderingen naar de overlevering der +antieken versierd geweest. Veel nieuwe kleurstoffen worden nu uit het +Oosten bekend (indigo-blauw, damast-rood en safraan-geel) nieuwe +kleurnamen worden uit het Arabies ontleend (karmozijn, oranje, azuur); +zelfs de ornamenten hebben hun naam en dikwels de motieven van de +moskeeën en de huizen der Arabieren (arabesken). Bij feestelike +gelegenheden worden de muren nog bizonder, spesiaal met geborduurd +linnen bedekt—soms een hele beeldenreeks als bij het enorme tapijt van +Bayeux, waar de gehele slag bij <span xml:lang="en">Hastings</span> in geborduurd is,—of met +tapijten die eerst uit Syrië en Perzië kwamen—waar dan fantasties +gestileerde Oosterse planten en dieren in geweven waren—en die later in +Vlaanderen gemaakt werden. Ook de vloer werd in stenen vakken ingedeeld +als de ruiten van een schaakbord of met ornamenten; bij feesten werden +daar levende bloemen over gestrooid.</p> + +<p>De edelen zelf begonnen het lichaam beter dan vroeger te verzorgen, om +welke reden de moralisten van de tijd hen verwekelikt<span class="pagenum" title="35"></span><a id="p_35"></a> en verwijfd +noemen. Uit de termen van Byzantium en de badgelegenheden van de +Mohamedanen komen de warme baden en dampbaden overal in West-Europa in +zwang; het baden is blijkbaar niet alleen een noodzaak geweest—vooral +groot in een tijd dat er geen linnen gedragen werd en men het lichaam zo +buitengewoon sterk inspande—maar moet ook als een wellustig genot +beschouwd zijn geworden, waar velen een overdadig gebruik van maakten. +De kerk stond dan ook nooit goed gezind tegenover die nieuwe manier om +aan de zinnen toe te geven. Ook het haar en de huid begon men te +verzorgen. Uit Byzantium kreeg men fijn gesneden ivoren kammen en +weelderige spiegeltjes met deksels van ivoor, uit het Oosten welriekende +oliën: rozenolie, amber en balsem. Het haar werd gevlochten en met +krulijzers gekroesd, zo wel bij mannen als bij vrouwen; de vrouwen +wisten het haar te verven zo wel als vals haar te gebruiken, en +verstonden de kunst om zich te blanketten en dikwels droegen ze +sluiers—op de wijze der Oosterlingen. Vooral waren het juist de stoffen +uit het Oosten en het Oosterse voorbeeld in het algemeen, die een +ongehoorde lukse van kleeren en versierselen in zwang brachten en dat +niettegenstaande alle gepreek van de familievaders en van de Kerk. Over +de handelscentra van Italië stroomde dat alles Europa binnen—zijde uit +Tyrus, Arabië en van de „Hindoe koesj”, „de Indiese Kaukasus”, satijn en +fluweel van Alexandrië, damast van Damascus, „baldakijn” van Bagdad, +mouseline van de stad Musul aan de Tigris, „Sindu-wol” uit Indië. Van de +kledij der Byzantijnen, zo als men die, in mozaiek gereproduceerd, in +ivoor uitgesneden kon vinden en van de burnu's en de kaftans der +Arabieren kwam de nieuwe mode in de klederdrachten: de korte kiel van de +mannen en hun mantel gaan nu tot aan de enkels; ook de vrouwen dragen +lange gewaden van lichte, fijne stoffen met wijde mouwen en een sleep. +In de „visioenen” van een monnik uit die tijden lijdt keizerin +Theophano, een Griekse prinses, alle pijnen der hel, omdat zij de +weelderige Byzantijnse modes in de vrouwelike klederdracht naar +Duitsland en Frankrijk overgebracht heeft. De namen van klederen, als +b.v. „<span xml:lang="fr">Jupe</span>” en „<span xml:lang="fr">hoqueton</span>” zijn Arabies. Maar die kleeren van de ridders +en hun vrouwen zijn heel wat bonter geweest dan die van hun voorbeelden; +met een naïeve opvatting van kleuren hebben ze de meest schreeuwende +daarvan te samen gebracht; het is niet zeldzaam dat men een dame hoort +prijzen omdat haar kleeren aan een papegaai doen denken, en de +„mi-parti” klederdrachten der mannen en het dragen<span class="pagenum" title="36"></span><a id="p_36"></a> van bellen er op, +zijn zeker Europese uitvindingen. Borduursels in en op de stof, gespen +en spelden, ringen en kettingen voltooiden de feestkleedij. Een bedorven +jeugd—zo klaagt een kroniekschrijver—is meer en meer verwijfd +geworden; ze dragen lang, sierlik gekapt haar, ze werpen stof op door +hun lange mantels en bemoeiliken zich alle handbewegingen door hun +lange, wijde mouwen; ze dragen lange baarden, als van de bok, (dat komt +ook uit het Oosten) en lopen met een kaproen op het hoofd en lange +puntschoenen.</p> + +<p>Ook de maaltijden worden meer en meer uitgebreid en fijner. Uit het +Oosten krijgen ze pasteien en taarten, peper, muskaat, meloenen en +sinaasappelen, hete wijnen—van Cyprus en Malvezij—en ook limonaden. En +het eten werd ook al wat schoner en netter opgediend. Wel is waar nog +altijd alles in één pot, en worden de vingers als vorken gebruikt en +hebben elke twee personen samen maar één bord en één beker, maar er +wordt toch iets meer dan vroeger acht geslagen op wat de reinheid en de +schoonheid eisten. Byzantium en de Arabieren waren steeds de +voorbeelden; het gouden of zilveren servies voor de vorstelike +feest-maaltijden was meestal Grieks werk; er zijn drinkbekers bewaard +gebleven van émail en in goud gevat kristal en door de Byzantijnse +kunstenaar met Grieks mytologiese voorstellingen versierd. Woorden als +„<span xml:lang="fr">tasse</span>” en „<span xml:lang="fr">karaf</span>” zijn Arabies. Voor de maaltijd de handen te wassen +was iets wat men bij een bezoek in het eerste het beste Saraceense huis +kon leren, een wasbekken, dat nog uit een der ridderkastelen stamt, +noemt zich dan ook „vervaardigd door Mohammed, de zoon van Abzeny”, maar +die gewoonte kan ook uit de Kerk overgenomen zijn, waar de priester van +ouds de handen wies, vóór hij bij de mis de Heilige Voorwerpen aanraakte +en uit de altaar-kelk dronk,—het zijn dan ook kerkelike Aquamanilen (de +schaal, in de vorm van draken en leeuwen, waarin de priester zijn handen +wast) die zich later tot wereldlike kannen voor het wassen der handen +ontwikkelden.</p> + +<p>En wat tafelmanieren aangaat, krijgen de edellieden nu een opvoeding +waar men zich te voren geen idee van gevormd had. Geesteliken die als +huiskapellanen of als opvoeders voor de zonen der adelliken aan de hoven +vertoefden, trachten de jongelui iets van de tucht en fatsoenlike +manieren aan de maaltijden bij te brengen, die volgens de oude +reglementen in de refectoria der kloosters in gebruik waren. Uit de +Talmud en van de Arabieren uit Spanje had de gekerstende Spaanse Jood +Petrus Alphonsus<span class="pagenum" title="37"></span><a id="p_37"></a> dergelike regels voor tafelmanieren opgesteld in zijn +„<span xml:lang="la">Disciplina Clericalis</span>”, geliefkoosde lectuur in de 12<sup>de</sup> en 13<sup>de</sup> +eeuw. En kon men niet bij Ovidius lezen dat men niet schrokken moest, +maar het eten netjes met de hand naar de mond moest brengen en zijn +gezicht niet mocht volsmeren? Indien Helena schrokkerig gegeten had en +zich bemorst had, dan zou Paris niets met haar te maken hebben willen +hebben. Of was er in de wijsheid van Jezus Sirach niet eigelik een heel +Leerboek voor tafelmanieren in den dop te vinden,—dat men niet met een +„hemel, wat een hoop eten!” er het eerst bij moest trachten te komen, +dat men zijn maag niet mocht overladen, en indien men daar toch door de +tafelgenoten toe mocht zijn verleid, dat men zich dan onopgemerkt even +van tafel moest verwijderen om het „overvloedige” kwijt te raken? Al +dergelijke nuttige voorschriften leerden de Ridders en hunne dames, dat +men geen grote brokken in de mond mocht nemen, niet met eten in de mond +mocht spreken, niet met de hand in de algemene schotel mocht roeren of +er afgekloven benen weer in leggen, zorgen dat er geen vetrandje aan de +beker achterbleef waaruit men gedronken had en de buurman nu weer uit +drinken moest, en ook de mond niet mocht afvegen met het +tafellaken—laat staan natuurlik er zijn neus in snuiten.</p> + +<p>In het algemeen is het de gehele dagelikse omgang die nu het voorwerp +van een cultivering en regulering wordt van het oogpunt van reinheid +uit, van het algemeen gemak en van de schoonheid. Het is het samenleven +der hogere kringen dat uit zich zelf, hier als overal, de manieren der +mensen verfijnt en polijst. De hoven worden nu een school der +beleefdheid, waarin de grote Heren van buiten wat worden gevijld en +geschaafd. Maar evenals de nieuwe lukse en de verfijning van de +uiterlike levensvormen dikwels slechts iets geweest zijn dat er buiten +op zat,—het rijke zijden dek verborg soms een bed van stroo, en in +plaats van de geraffineerde feestgerechten kwam er gewoonlik slechts +spek en worst op tafel—zo blijkt het maar al te dikwels dat al die +regels over de vormen van het hof niet natuurlik ontstaan zijn, en als +gewoonte tot ontwikkeling gekomen, maar dat die er van buiten af kant en +klaar in gebracht zijn en, als nieuwe kunstmatige modevoorschriften, van +buiten geleerd. In de 11<sup>de</sup>, 12<sup>de</sup> en 13<sup>de</sup> eeuw ontstaat er een +hele literatuur door klerken, die aan het hof leven, geschreven, eerst +in 't Latijn, later in Franse en Duitse verzen en die ten doel heeft +regelen voor de goede manieren en de goede toon op te stellen voor alle<span class="pagenum" title="38"></span><a id="p_38"></a> +mogelike levensomstandigheden. De enige leermeester tot wien men zich +wendt is de oudheid. Bij Ovidius, bij Cicero en bij Seneca en in de +verschillende verzamelingen van spreuken die in de middeleeuwen onder de +naam gaan van Publius Syrus, Cato en Seneca, vindt men regels over hoe +men zijn tanden en nagels schoon kan houden, hoe men niet te luid of te +veel moet spreken, hoe men niet te hard of te veel mag lachen en +dergelijke dingen meer die allen onder het „decorum” te rangschikken +zijn. Maar in het bizonder had de Kerk langzamerhand als een schakel in +de kristelike moraal een verfijnde opvoedingsleer ontwikkeld. In een +Grieksch geschrift van Clemens van Alexandrië (ongeveer 200 n. C), de +„Paedagoog”, vindt men een massa zulke voorschriften: men mag zijn neus +niet snuiten, of niet niezen met al te veel lawaai, bij het drinken het +hoofd niet te veel naar achteren werpen, enz. En dit alles—leert die +Kerkvader—zijn geen bagatellen, want „wij moeten altijd leven alsof wij +in de tegenwoordigheid van God leefden.” Dat was het juist wat de +heilige kluizenaars deden. Daden van kristelike ootmoed en liefde waren +voor hen niet iets wat alleen de grote handelingen betrof; die moesten +integendeel het dagelikse leven tot in de kleinste kleinigheden +doordringen, alles zou bij het opmaken van de rekening meetellen. Liefde +wordt in de dagelikse omgang tot een meest delikaat in acht nemen van +vormen en respekt, ootmoed tot de meest geraffineerde bescheidenheid. +Wanneer de heilige Paulus bij de heilige Antonius op bezoek is, trachten +zij elkaar in damesachtig-fraaie beleefdheidjes te overtreffen en +parlementeren er een langen tijd over wie het eerst van het brood zal +nemen, enz. Later heeft het kloosterleven een heel sisteem van de +regelen der etikette bij de dagelikse omgang ontwikkeld—de regel van de +H. Benedictus bevat een massa van dergelike voorschriften—hoe de +monniken elkander of hun Abt zullen moeten begroeten of toespreken en er +bestaan strenge straffen voor wie onder het zingen der psalmen hoest of +wie bij het drinken met zijn tanden tegen de altaarkelk stoot, enz. Wij +hebben uit het jaar 1000 ongeveer, verschillende leefregels voor jonge +geesteliken en nonnen, door geesteliken geschreven. Zo is er b.v. één, +waarin Bernhard van Clairvaux de jonge man inprent hoe hij zich gedragen +moet, spreken, de mensen moet aankijken, enz. Zulke leraars zijn het die +de klerken naar de adel op de kastelen sturen voor hun zoons. En het +doet werkelik goed te zien welke drang naar goede manieren de ridders nu +tot de leerlingen van klerken en Joden maakt, van de Muzelmannen<span class="pagenum" title="39"></span><a id="p_39"></a> en de +oude klassieken,—en de energie die ze er aan besteden om zich die +lessen ten nutte te maken. Zo leren ze b.v. om altijd te kloppen als ze +een kamer binnen willen. „U” te zeggen tot hun gelijken en de hogeren in +rang. „Heer”, „Vrouw” en „Jonkvrouw” te zeggen—men zegt dat de +meervoudsvorm „U” reeds in de tijd van Caesar in gebruik kwam als men +iemand aansprak,—bij het binnentreden iemand met een „God zegene U” te +begroeten, te bedanken als men iets krijgt, niet te hevig te +gestikuleren bij het spreken, de hand niet op het hoofd of op de +schouder te leggen van een persoon die men aanspreekt, hem van wie men +afscheid neemt Gode te bevelen... alles kleinigheden, maar die te zamen +het sisteem vormden dat de tijd op zou bouwen.</p> + +<p>Tot die hoofse vormen en gebruiken hoorde natuurlik nog in de eerste +plaats vaardigheid in het hanteren van de wapenen en in het paardrijden; +die worden tot ridderlike deugden met allerlei regels en steeds groter +raffinement. Van de kinderjaren af worden de jongens daar reeds in +geoefend en in vredestijd blijft men zich oefenen door toernooien en +andere sport. Het fokken van paarden en hoe ze te verzorgen, de +versierselen op de wapenrusting, de heraldiek, de schermkunst of hoe een +lans te breken,—dit alles en dergelike dingen werden bij de hoven +voorwerpen van grote zorg. Hoe zeer de wapens en de paarden bij de +ridders geëerd en geliefd waren en hun altijd voor de geest stonden, dat +tonen al de beelden en vergelijkingen uit die gedachtesferen waar de +ridderpoëzie van doortrokken is. En het zelfde geldt van de jacht,—de +hoofdpassie der ridders, behalve toernooien. Dan eens vergelijkt de +dichter zijn verliefd hart met een teugelloos paard, dan met een havik, +die zijn prooi in 't oog krijgt, de welopgevoede ridder wordt vergeleken +met de welgedresseerde jachtvalk en de ongelukkige minnaar met een vogel +in de ruitijd. Er zijn reeds vroeg leerboeken—veelal naar het Arabies +bewerkt—voor alle mysteriën van de jacht-wetenschap, en een valk te +kunnen dresseren, of de buit volgens de ware regels te kunnen verdelen, +waren kunsten waar men de gunst van vorsten zo wel als dames mede kon +winnen, als men zich daar een meester in toonde. Maar als gewichtige +elementen in de hoofse vormen kwamen er bij die lichaamssport nog +allerlei gezelschapskunsten. De jongelui van beider kunne worden in het +teerlingspel onderwezen, in het schaken en de dans; het een of ander +instrument te kunnen bespelen en de kunst van lezen en schrijven kwam er +naderhand<span class="pagenum" title="40"></span><a id="p_40"></a> bij, altans voor vorstenkinderen. Voor deze laatsten hield +men er veelal een „<span xml:lang="la">Paedagogus</span>”,—een „<span xml:lang="fr">maistre</span>”—een „<span xml:lang="de">zuchtmeister</span>” of +„<span xml:lang="de">meisterinne</span>” bij het hof op na; vooral de meisjes uit de voorname +families leerden niet alleen lezen en schrijven maar ook zingen en +spelen.</p> + +<p>Zelfs de innerlike habitus der mensen komt onder de invloed van dit +leven der hogere klassen en het sosiale leven op het adellik slot en aan +het hof—in hoofdzaak juist in die zelfde mate als dat het geval is waar +dit elders in de geschiedenis voorkomt,—aan de Indiese en Perziese +hoven, die van de Italiaanse renaissance of bij het leven te Versailles.</p> + +<p>Het gezelschap bestaat in de eerste plaats uit de Seigneur en zijn +familie—daaronder vele behoeftige mannelike en vrouwelike verwanten die +op het kasteel genadebrood eten;—daarnevens een heel garnizoen van +ridders die een soort lijfgarde van de Seigneur vormen. Verder zijn daar +een hele schare van jonge edellieden die naar het hof gezonden worden om +zich daar in de wapenen te oefenen en de ridderlike tucht te leren, zulk +een vorstenhof is feitelik een soort Ridderakademie. Die jonge lui doen +eerst dienst <ins class="corr" id="corr8" title="Bron: al">als</ins> pages en als fakkeldragers of boodschappers, +zorgen voor de valken op de jacht en het aankleden en ontkleden hunner +heren; later worden zij schildknapen en de armen onder hen brengen het +veelal niet verder; de rijken daarentegen, of zij die hun wapenrusting +en riddertooi door een ander kunnen laten bekostigen, worden tot ridder +geslagen en trekken dan weg. Vervolgens heeft men de arme „<span xml:lang="fr">Chevaliers +sans terre</span>” die op het ene hof voor, het andere na, gastvrijheid komen +vragen, ook zelfs edelen in goeden doen die ergens hun eigen goed en +burcht hebben, maar die er de voorkeur aan geven aan het hof van de +leenheer hun leven te slijten. En verder een heel stel hofambtenaren, de +seneschalk, de keukenmeester, de keldermeester, de intendant en de +maarschalk. De burchtvrouw en haar dochters hebben—evenals de +vorst—ook hun suite van arme tantes, nichtjes en andere adellike dames +die op het kasteel wonen als dames van gezelschap of kameniers en +evenals hun broeders worden de adellike jonge meisjes voor hun opvoeding +daar heen gezonden, om daar dienst te doen en liefst ook te trouwen. +Wanneer daar nu nog een heel dienstpersoneel bij komt, dan begrijpt men +dat de burcht in de regel niet het hele hof kon bergen, vooral niet bij +feestelike gelegenheden, wanneer de adel uit de buurt ook nog aan kwam +zetten; dan moesten velen bij<span class="pagenum" title="41"></span><a id="p_41"></a> de gegoede burgers hun intrek nemen, de +residentie lag ook bijna altijd in of bij een stad.</p> + +<p>Hier wordt er het leven van de grote Heren geleid. Alle werk voor het +dageliks brood is onterend. Is er eens een edelman die zich in 't geheim +met de schaapsteelt afgeeft, dan voelt hij zich diep beschaamd wanneer +het aan den dag komt. Handel is een zaak voor kramers en Joden. Alle +„<span xml:lang="fr">gaigneurs</span>” worden veracht,—zij die hun brood moeten verdienen en +alleen des Zondags vrij hebben. Zelfs van die zaken welke de +administratie der goederen medebrengt, wil men niets weten. Het jonge +geslacht stelt de aanvaarding van de erfenis zolang mogelik uit, zij +blijven liever bij het hof dan zich daarmee druk te maken. Wanneer er +recht gesproken zal worden en er plotseling bezoek komt, dan laten de +jongelui zowel als de baronnen alle rechtspleging in de steek en haasten +zich volgens de verhalen in de romans, de gasten te ontvangen. En gelijk +de zaken op de schouders hunner beambten geschoven worden, zijn ook +zorgen en bekommeringen iets waar een edelman zich boven moet weten te +verheffen. In de oude heldengedichten zag men zelfs de hoogststaanden +tranen storten, maar nu heet het—gelijk dikwijls in de romans +voorkomt—: „Laat de mindere man verdriet hebben, die is er aan +gewoon,—maar dat past niet bij een vorst of een voorname dame.” Vooral +van de bezittingen moet men zich nooit iets aantrekken of er een traan +voor laten, wanneer men het hart van een baron in zich heeft. „De +vreugde te beminnen”—<span xml:lang="fr">joye aimer</span>—is ridderplicht, en „<span xml:lang="fr">jeunesse</span>” wordt +als een van de ridderdeugden voorgesteld. Het is een van de eisen der +hogere kringen dat men rijk moet zijn, niets te doen moet hebben, vrolik +zijn en jong,—gelijk naderhand in de salons der 18<sup>de</sup> eeuw.</p> + +<p>Het leven is een en al gezelligheid,—een leven van uiterlikheden, vóor +en met anderen. Slechts in de eenzaamheid of in kleine kring kan een +intiem innerlik leven ontstaan, een warm gemoedsleven, een dieper +denken, gaan met de gezelligheid niet samen. Het is een leven van +ogenblikken, van op zich zelf staande momenten, op de omgeving gericht. +Zulke mensen zijn licht bewogen gevoelsmensen: zij zijn +nerveus-ontvankelik voor de stemmingen van hun omgeving, zij nemen +gretig deel, ofschoon misschien niet diep, aan het wel en wee van +anderen; zelf zijn zij expansief in hun gevoelens en hebben er behoefte +aan bij anderen sympatie te vinden; beminnelikheid en behaagzucht, +koketterie en ijdelheid, sympatie en fijngevoeligheid zijn eigenschappen +die dat leven<span class="pagenum" title="42"></span><a id="p_42"></a> ontwikkelen. Maar geen sterke passie zal licht +gelegenheid krijgen om bij zulk een versnippering van het gevoelsleven +tot volle groei te komen, die zou ook een einde maken aan het sosiale +leven en aan het intieme huweliksleven, en het familieleven begint onder +de <ins class="corr" id="corr9" title="Bron: ontiwkkeling">ontwikkeling</ins> van het sosiale leven te kwijnen; aan +de hoven der 13<sup>de</sup> eeuw gelijk in de salons der 18<sup>de</sup>; glijden man +en vrouw van elkander, zij hebben geen tijd en gelegenheid om voor +elkaar te leven, men moet zich grotendeels aan het leven geven. Zelfs +komt het huwelijk in miskrediet, als het gezellige sosiale leven in de +weg staande; in een Duitse roman verklaart Gawein dat voor Iwein: wat +zijn er niet een menigte echtgenoten die zich met hun vrouw opsluiten, +alle riddervreugd er aan geven, zich in de gewoonste kledij steken, +ongesoigneerd er uit zien en een hoogst onaangenaam leven leiden, het +hoofd vol van huiselike beslommeringen.</p> + +<p>En daarenboven: mensen van de wereld leren de kunst van observatie, in +elk geval leren ze de kleinigheden en uiterlikheden opmerken, en de +eigenaardigheden der verschillende mensen kennen, nauwkeurig de omslag +in de conversatie volgen, het verholen spel van het eigenbelang en der +ijdelheidjes fijn doorzien, snel te begrijpen, gewillig zich aan het +nieuwe aan te passen, zonder aarzelen anderen na te volgen; zij worden +gevat en vindingrijk, mededeelzaam en onderhoudend en weten aan hun +innerlik vorm en uitdrukking te geven die hun uitwerking niet missen. +Maar bij al dat heldere vernuft en dat veelzijdige aanpassingsvermogen, +al die improviserende „<span xml:lang="fr">Esprit</span>” en die handige vorm-kunst, blijft er geen +plaats over voor diepe oorspronkelikheid, voor eigelike geestelike +productiviteit. Aan de hoven der 13<sup>de</sup> eeuw wordt de persoonlikheid +als in de salons der 18<sup>de</sup> uitgewist, de scheppingskracht vermindert +en daar kan het geestesleven wel vrijheid en veelzijdigheid ontvouwen, +maar diepte en grootheid zijn er niet in te vinden.</p> + +<p>Ontwikkelen nu de mensen zich in dit maatschappelike leven als van zelf +in de genoemde richtingen, de druk dier maatschappij geeft de enkeling +in een dubbel opzicht zijn vorm. Aan de ene kant slijpt dat n.l. alle +hoekjes en kantjes bij hem af, vormt hem naar één model, stemt hem in de +heersende toon en dwingt hem tot een zeker jargon. Alles wat één enkele +doet is „onopgevoed”—„doet men niet—dat lijkt op niets, zò doet men, +dat is zoals het hoort.” <span xml:lang="fr">Curialis, courtois</span>, dat betekent het +conventionele begrip, voor wat aan de curia, de cour, past, wat hoffelik +is. Maar toch, binnen de perken van de mode en de goede toon, stelt<span class="pagenum" title="43"></span><a id="p_43"></a> +men, tot zekere hoogte altans, het individuele op prijs. Een ieder moet +trachten uit te steken, zich niet in het gezelschap op de achtergrond +houden, ieder moet zijn loodje bijdragen, zijn talent voor de anderen +nuttig maken. Allen moeten proberen hun natuurlike goede eigenschappen +tot hun recht te laten komen, moeten trachten in of met iets uit te +blinken—in de ontvangstzaal zal b.v. de ene dame de gelegenheid +aangrijpen om haar mooie handen te laten zien, de ander glimlachen om +haar frisse tanden te vertonen, de een schittert door haar vernuft, de +ander door haar gevoeligheid. En men tracht elkaar steeds de loef af te +steken in elegantie, in hoofse vormen; de grote kwestie is een nieuwe +mode in te voeren of nieuwe paragrafen bij het Wetboek van de goede toon +te voegen.</p> + +<p>Wat ook tot de vrijheid en vernieuwing bijdraagt is, dat er in de +12<sup>de</sup> en 13<sup>de</sup> eeuw, èn in Frankrijk èn in Duitsland, zo veel van +die hoven zijn met hun intellectuele feesten en partijen, en dat er een +intens verkeer daar tussen plaats vindt. Een hoofdstad is er nog niet en +ook geen koninklik of keizerlik hof dat een werkelik toonaangevend +centrum uitmaakt. De ridders trekken over en weer naar de hoven van +Ardres, Boulogne en St. Pol, men ziet elkaar bij toernooien en feesten, +en als er een te Atrecht gegeven is, geeft een ander er een even groot, +of groter, te Brugge. Evenals in het oude Griekenland, in het Italië der +renaissance, of het Duitsland der 18<sup>de</sup> eeuw, blijken ook hier die +vele kleine centra die in zulk een levendig verkeer met elkander staan, +op de ontwikkeling van het geestesleven een zeer gunstige invloed te +oefenen. De mode regeert, maar er komen steeds nieuwe modes op, de goede +toon „stemt” de anderen wel, maar wordt toch weer op zijn beurt opnieuw +„bestemd” door hem, die de nieuwe toon aangeeft. Op die wijze werkt dit +maatschappelijke leven tegelijkertijd nivellerend en toch ook +voortdurend variërend.</p> + +<p>En ten slotte: dat maatschappelik leven is een hofleven. Overal merkt +men een indeling in verschillende klassen, een rangorde, een soort +hiërarchie: van de Seigneur af, door heel zijn familie heen, van de +baronnen tot de ridders zonder iets toe, van de ridders tot de +schildknapen en pages, van de hofbeambten tot de laagste rangen van het +dienstpersoneel. Aan tafel zit men volgens zijn rang aan, in de Kapel +heeft een ieder zijn vaste plaats, er is verschil bij de titulatuur: +Heer, Jonker, Dame, Demoiselle en Pucelle. Bij het afscheid geeft de +Seigneur de baronnen zijn hand, maar de dienende ridder zegt hij alleen +maar goeden dag. Natuurlik<span class="pagenum" title="44"></span><a id="p_44"></a> zijn wij hier ver van de etikette van +Byzantium of van het hof van Lodewijk XIV, maar de vraag naar geboorte +en rang, „<span xml:lang="fr">parage</span>”, speelt een steeds belangrijker rol. <span xml:lang="fr">„Mesure”, +<ins class="corr" id="corr10" title="Niet in Bron.">„</ins>Maze”</span> heeft in het bizonder de betekenis van de takt en het +berusten waarmee een ieder zich in die hiërarchie invoegt, met de hem +toebedeelde plaats tevreden is en voor een ieder het respekt heeft dat +hem wegens zijn rang en stand toekomt. En er ontwikkelt zich een geest +van onderdanigheid en een vleiende toon jegens de supérieuren, een van +hoogmoedige trots tegen de inférieuren die ten allen tijde +onafscheidelik van het hofleven geweest zijn. Ten eerste worden van die +kringen natuurlik alle „<span xml:lang="fr">villains</span>” uitgesloten; men houdt alleen rekening +met „<span xml:lang="fr">gentilhommes</span>”. De fundamentele opvatting van die adelskultuur,—en +dit wordt steeds meer en meer emfaties door de gedichten gestaafd,—is +volkomen tegen de geest van het Kristendom in, dat de menselike natuur +bij de „geborenen” en „niet-geborenen” absoluut verschillend van aard +is, dat de „<span xml:lang="fr">nourriture</span>”, de opvoeding, zo goed als niets betekent +tegenover de „<span xml:lang="fr">nature</span>”; de voornamen zijn van andere stof gemaakt of +altans in een andere vorm gegoten door de natuur, dan het volk. Maar in +de adel zelf is ook gelijkheid van geboorte een bijna noodzakelike +voorwaarde voor een huwelik. Een „<span xml:lang="fr">vavassor</span>” durft zijn ogen niet tot de +dochter van een baron opheffen, een baron niet tot een vorstendochter, +alhoewel het als een teken van een „verheven gemoed” geldt, wanneer men +tracht de maatschappelike ladder op te klimmen.</p> + +<h2><a id="V"></a>V.</h2> + +<p class="subh2">DE „SALON-POËZIE” DER RIDDERKRINGEN.</p> + +<p>Het oude nationale helden-epos had nog een ereplaats aan de nieuwe hoven +zo wel als op de oude kastelen der baronnen; aan de oorspronkelike +gedichten werd steeds bijgevoegd en veranderd en er ontstonden nieuwe +gedichten in de trant der ouden, uur aan uur hielden de zangers de +adellike heren en dames in spanning door hun voordrachten onder +begeleiding van muziek van de eindeloze gevechten met die „honden” van +Saracenen of tussen de krakélende baronnen. Maar in de 12<sup>de</sup> eeuw was +de produktieve tijd voorbij; de atmosfeer en het hofleven waren weinig +geschikt om tot heldendichten te inspireren. De helden-epiek was toch +een maatschappelike poëzie, ontstaan uit een levende algemeen nationale<span class="pagenum" title="45"></span><a id="p_45"></a> +sageschat en gaf uitdrukking aan een levende nationale of provinciale, +algemene geest. Maar de nieuwe ridderkringen hadden niets van die +maatschappelike geest, de laatste echo van de oude Germaanse stamgeest. +Hier waren ridders bij elkaar die gewoon waren hun leven op eigen hand +te leven en zich neer te slaan, of in dienst te treden, dan hier en dan +daar; het gehele leenstelsel berustte op het vrije kontrakt; de nieuwe +maatschappij die zich vormen zou, wees vooruit en voelde zich zeer +weinig solidair met de overleveringen van het oude Frankrijk der +Karolingiërs en nog was het slechts een vrije, bewegelike gastvrijheid, +nog ver verwijderd van een nieuwe maatschappelike geest, die de vele +kleine centra geschapen hadden. De resonantiewand voor de +heldengedichten was weggenomen—de piëteit van het terugkijken op het +verleden, een organies gevoel van saamhorigheid, de bijna religieuze +stemming van een feest ter herinnering aan de voorvaderen.</p> + +<p>Wat de gastvrijheid der ridders wenste, was een vrije +conversatie,—vrije geestesoefening, evenals men bij toernooien of op de +jacht het lichaam oefende. Terwijl de heldengedichten op geschiedenis +berustten, of op sagen die voor geschiedenis aangezien werden en als +geschiedenis werkten,—en terwijl de heldendichten uit een soort stam- +of provincie-patriotisme ontstonden en tot zekere hoogte een opbouwende, +opvoedende kracht bezaten,—emancipeert zich nu voor 't eerst de +aestetiese drang om histories te vertellen en te horen, zo wel van +historiese als van patriotiese belangen. In de grotere kringen wil men +eerst en vooral gesprekken hebben. Het begint tot de goede toon te horen +om te kunnen „<span xml:lang="fr">bien parler</span>”, goed en flink te kunnen spreken; zo wel voor +ridders als voor de dames wordt dat als een bepaalde deugd beschouwd. In +de romans zien wij hoe men daar aan tafel zit te praten of de ridders +komen op bezoek in de vertrekken van de vrouwen, terwijl dezen daar met +hun naaiwerk zitten. Of wel komt men in het goede jaargetijde 's avonds +in de burchttuin onder een oude vruchtboom bij elkaar of wandelen allen +te zamen de tuin in. En dan wordt er gesproken over wapenen en +toernooien, over honden en vogels of over de liefde. Uit de romans kan +men ook zien dat men er altijd op uit was vlug en ad rem te antwoorden, +handig met een grap voor den dag te komen, met lichte toespelingen of +dubbelzinnigheden, en iemand te kunnen plagen of geestigheden ten beste +te geven op een elegante en onderhoudende manier. De Franse +conversatiekunst doet hier zijn eerste zwakke<span class="pagenum" title="46"></span><a id="p_46"></a> pogingen. Bovendien heeft +men allerlei soort gezelschapsspelletjes,—raadsels worden opgegeven, of +wel er wordt iemand tot Koning gekozen en allen moeten hem zelfs op de +meest intieme vragen antwoorden.</p> + +<p>Maar de gesprekken bestonden toch in een mate waar men zich nu geen idee +van maken kan, in het vertellen van geschiedenissen. Iedereen kende er +en niemand werd ooit moe ze uur aan uur te horen vertellen. Men vertelde +elkaar geschiedenissen 's avonds in bed—Meriaduc stond erop met Tristan +in één kamer te slapen, omdat die hem altijd 's nachts zulke aardige +avonturen vertelde—men vertelde elkaar verhalen te paard bij de lange +vervelende dagreizen; op jacht verhalen de deelnemers elkander +merkwaardige jager-grappen waar niemand geloof aan slaat; bij de wijn, +na tafel, trachten de ridders elkaar in grootsprekerijen te overtreffen +over hun avonturen in de oorlog of met vrouwen; de ouden van dagen +vertellen van hun vrolike jeugd; en er zijn ook dames die een grote +kring om zich heen verzamelen omdat zij de reputatie hebben van vele +geschiedenissen te kunnen vertellen. En de geestelike die boeken gelezen +heeft, wordt overal waar hij als gast op de kastelen komt, als een +levende encyclopaedie beschouwd en moet niet alleen van de „<span xml:lang="la">Gesta +Romanorum</span>” vertellen—over alles wat er ten tijde der oude Romeinen +gebeurd is—maar ook van alles wat er in de heilige Schrift te lezen +staat. En als een passende vergoeding voor de genoten gastvrijheid, +moeten alle reizigers alles opdissen wat zij gezien hebben of +ondervonden of in vreemde landen hebben hooren vertellen.</p> + +<p>De stof voor die vertellingen kwam—zo als wij later zien +zullen—meestal uit vreemde landen, uit die ontzachelike bonte massa van +motieven die door het reizen en trekken, in het dooréénmengen der +volkeren en de uitwisseling van ideeën, in de tijd der kruistochten in +omloop kwamen. Maar de drang tot vertellen en de vertelkunst zijn +produkten van het gezellige maatschappelike leven en het letterkundige +genre—de geversificeerde vertelling, zo wel het korte „<span xml:lang="fr">Conte</span>” als de +lange „<span xml:lang="fr">Roman</span>”—dat uit die gezellige bijeenkomsten geboren wordt en zelf +de stof daarvoor uit moet maken, staat, èn in vorm en stijl, èn in geest +en wijze van voorstelling geheel onder de invloed van die oorsprong en +bestemming. De oude „<span xml:lang="fr">Chansons de geste</span>” die bestemd waren om in een +zaal, onder begeleiding van muziek, half gezongen, half gereciteerd te +worden, voor een groot gezelschap en bij feestelike gelegenheden, rollen +voort, deftig en zwaar en stijf, in lange regels<span class="pagenum" title="47"></span><a id="p_47"></a> van 10 of 12 +lettergrepen: „<span xml:lang="es">Carles li Reis nostre Emperere magne</span>—<span xml:lang="fr">sept ans tuz pleins +ad estet en Espagne</span>”. En in brede trekken wordt ons alles geschilderd, +met onvermengde, sterke kleuren, in grote, aanschouwelike scènes wordt +het verhaal ingedeeld en schrijdt met dramatiese stoten en in vlug tempo +voort: de toon is opgewekt en verheven en zo gaat het zonder grote +veranderingen tot het einde. Maar de nieuwe vertellingspoëzie moet in de +plaats van de conversatie in die kringen komen en moet in het +vrouwenvertrek of bij de maaltijd een gezelschap van heren en dames +onderhouden door gewoon en natuurlik een historie te vertellen. Daarom +loopt de taal daarvan als een rustige vlugge stroom, als een gezellig +babbeltje in versregels van acht voeten: „<span xml:lang="fr">Chrestien commance son +conte—si comme l'histoire nous raconte—qui traite d'un +empereur—puissant de richesse et d'honneur</span>—” En de toon en de +voorstelling verandert als in de levende gesproken taal; nu eens vertelt +men haastig en vlug, dan weer wijdt men bij een beschrijving wat uit, +het verhaal slaat in een levendig gesprek over, maar verliest zich dan +weer in allerlei beschouwingen, de toon is rustig en blijft zich gelijk, +zonder grote sprongen, maar met vele kleine veranderingen—medelijdend +zuchten, schertsende ironie. En het verhaal schrijdt steeds kalm door, +begint bij het begin, springt niets over, vat de geschiedenis niet in +dramatiese scènes samen, maar houdt steeds de belangstelling gaande. Het +is de stijl en de toon van de moderne roman en novelle die men hier ziet +ontstaan. En het was ook de geest van het Hofleven zelf die de nieuwe +vertelkunst zou bezielen niettegenstaande de vreemde van alle kanten +opgenomen stof; wat die kenmerkt is de licht-gewekte zo al niet diepe +sympatie met het geluk en het ongeluk der mensen, de sceptiese +mensenkennis en de fijne blik op het leven dat alles zoals wij gezien +hebben, karakteristiek was voor de mensen uit die kringen. Wat wij reeds +in het Frankrijk van de 12<sup>de</sup> en 13<sup>de</sup> eeuw in dat sosiale leven +geboren zien worden, is de <span xml:lang="fr">Conte</span> van de 19<sup>de</sup> eeuw, geestig als bij +Voltaire, en sentimenteel als bij Musset.</p> + +<p>Een andere manier waarop de gasten onderhouden werden, was zang en spel +en dans. Wanneer de vrouwen bij elkaar zitten te naaien of te spinnen, +begint één er van een lied en heffen de anderen het refrein aan; na +tafel wanneer de mannen en vrouwen samen aangezeten hebben, geeft een +der vrouwen ook een lied ten beste en wordt het refrein door de overigen +gezongen; of wel moet ieder der aanwezigen om de beurt een lied zingen.<span class="pagenum" title="48"></span><a id="p_48"></a> +Naast de viool en de harp die men van oudsher kende, komt nu de luit van +de Arabieren, wier hoven in Andalusië van muziek en gezang weerklonken. +Ouderwetse moralisten ijveren tegen al dat gezang en spel in gezelschap; +dat verwekelikt maar en leidt tot wellust zeggen ze. En nog meer is de +dans hun een reden tot ergernis, als zijnde een uitvinding des duivels. +Bijna bij alle feestelike bijeenkomsten wordt er aan de hoven gedanst, +en er komen massa's nieuwe dansen op waarvan enkele, naar de namen te +oordeelen, uit Griekenland schijnen te stammen. Het zijn kettingdansen, +rondedansen, dansen door vrouwen alleen of door mannen en vrouwen,—maar +de meesten zijn zeker begeleid geworden door gezang.</p> + +<p>En die liederen zijn het andere genre dat uit dat hogere sosiale leven +geboren wordt. Niet spesiaal uit dat aan de hoven; men kan ze tot in de +eerste tijden der middeleeuwen vervolgen, in alle maatschappelike +klassen horen ze thuis, maar wel worden ze bij de hoven meer in 't +bizonder gekultiveerd en krijgen ze daar kleur en vorm.</p> + +<p>Velen van die dansliederen, zoals die omstreeks het jaar 1100 op de +ridderkastelen gezongen werden, schijnen van de oude lentefeesten te +stammen, die uit de grijze voortijd in alle landen gevierd werden. In de +heidense tijd vermoedt men dat die Mei of April feesten in 't bizonder +aan de godin der liefde gewijd waren en de vrouwen hebben er de hoofdrol +bij gespeeld; het moeten een soort „vrouwelike Saturnalia” geweest zijn, +waarbij zij zich nu eens van de voogdij van man of broeder mochten +emanciperen, of in elk geval in wilde dansen en liederen zich allerlei +grappen veroorloofden. Die oorsprong verklaart het gewone begin van die +liederen; de lof en prijs van 't voorjaar en 't nieuwe jaar dat in die +tijd met het voorjaar begon en het zijn steeds vrouwen die het woord +voeren en die elkaar aanzetten om tegen hun mannen of moeders in opstand +te komen en van hun jeugd te genieten. In een liedje uit Limousin van +ongeveer 1100 zingt een van de dansende meisjes, die tot +„April-Koningin” gekozen was, aldus de lof van de lente: „Nu eindelik de +heerlike tijd gekomen is, zal de vreugde een aanvang nemen, de +ijverzuchtigen zich ergeren en daarom zal de koningin eens laten zien +hoe vol liefde zij is,” en de meisjes vallen in: „Weg, uit den weg, gij +ijverzuchtigen!—laat ons dansen, laat ons dansen met elkaar!” +Overal—gaan ze door—heeft zij laten weten: alle meisjes en jongens +mogen komen dansen. Maar nu komt ook de koning,<span class="pagenum" title="49"></span><a id="p_49"></a> om het dansfeest te +verhinderen, hij is bang dat men hem zijn April-Koningin ontroven zal. +Maar zij wil van de oude niets weten, zij wil liever een jonge kerel +hebben die weet hoe een mooi meisje behandeld moet worden. En hij die +haar zag, zoals zij zich daar bij het dansen vertoonde, die kan zeggen +dat de vrolike koningin haars gelijke in de wereld niet heeft... „<span xml:lang="fr">A la +vi', a la vie, jalous,—lassaz nous, lassaz nous—ballar entre nos, +entre nos.</span>” Een dergelijke half-conventionele wildheid kenmerkt andere +oude Noord-Franse of Duitse dansliederen. „De gehele wereld zal mij niet +verhinderen mij een „<span xml:lang="fr">ami</span>” te kiezen,” zingt een meisje uit +Noord-Frankrijk; openlik verklaart zij aan haar moeder: „<span xml:lang="fr">Ma mère, je +veux Robin</span>”; de moeder dreigt haar met een stok en wil haar met haar +spinnewiel opsluiten, maar het meisje belooft zich zelf dat zij haar +geliefde toch wel zal krijgen: „<span xml:lang="fr">Les mammelettes me poignent, je ferai +novel ami</span>”, zo zingt zij haar liefdeverlangens uit. En een Duitsch +meisje zingt: „ik zal mijn zorgen laten lopen en met mijn vriendinnen de +weide ingaan,” en dan roept zij haar „Mei-geliefde”: „zoete Rozenmond, +kom, kus mij gezond.” In haar klooster klaagt de non; zij wil er vandoor +en zich met haar geliefde amuseren: <ins class="corr" id="corr11" title="Niet in Bron.">„</ins><span xml:lang="fr">S'irons à Paris, mener bonne +vie,—car il est jolis et je suis jeunette,</span>” en liefde-smachtend luidt +haar refrein: „<span xml:lang="fr">Je sens les douls mals leis ma seinturete—malois sois de +Deu ki fist nonnette!</span>”—<ins class="corr" id="corr12" title="Niet in Bron.">„</ins>ik voel de zoete smarten onder mijn +lendenen—vervloekt door God zij hij die mij een non deed worden!”</p> + +<p>Vooral klinken van alle kanten de protesten van de getrouwde vrouwen: +„Mijn man heeft mij overdag,—mijn vriend de korte nacht... Loop heen, +gij lelike bochel! bij God, ik zal u horens laten dragen; want nu is de +zoete tijd gekomen dat de weiden groenen. Nu zullen wij, mijn vriend en +ik, de nieuwe bloempjes gaan plukken („bloemen plukken” betekent in deze +liedjes altijd zich aan de liefde overgeven). Waarom slaat mijn man mij? +Ik heb immers nooit iets anders gedaan dan mijn vriend beminnen. En gunt +hij mij <i>dat</i> plezier niet eens meer, dan zal ik mij nog meer op hem +wreken.<ins class="corr" id="corr13" title="Niet in Bron.">”</ins> En de jonge Provençaalse zingt: „Wat zal ik u zeggen +waarom ik zo vol liefde ben,”—en zij zelf en haar vriendinnen vallen +haar in de rede: „<span xml:lang="it">Coindetta sui...</span>” „Knap ben ik, maar ik heb verdriet +over mijn man, ik wil niets van hem weten—want ik ben maar klein en +jong en een maagd, ik moest een man hebben waar ik plezier in kon +hebben... Maar God weet dat ik geen smaak heb in mijn echtgenoot, als<span class="pagenum" title="50"></span><a id="p_50"></a> +ik hem zie, wens ik slechts dat de dood hem van mij wegneemt. Maar één +ding heb ik wel gemerkt en dat zal ik u zeggen: mijn vriend heeft mij +reeds lang bemind en hem zal ik mijn liefde schenken... En het lied dat +ik hier op deze melodie dicht, dat moet—vraag ik—wijd en zijd door +alle vrouwen gezongen worden, over mijn vriend dien ik bemin en naar +wien ik zo verlang.” „<span xml:lang="it">Coindetta sui...</span> Aardig ben ik” enz., zingt het +koor daar dan weer tussen in.</p> + +<p>Dat zijn oude conventionele volksliederen-motieven in de ridder- en +hofkringen in voorname vorm gegoten. Andere dansliedjes, eveneens door +vrouwen gezongen en oorspronkelik ook wel door haar gedicht, zijn +romanceachtig vertellend. Het zijn kleine liefde-episodes of +liefdegeschiedenissen, slechts met een paar losse lijnen opgetrokken, in +een paar trekken te voorschijn getoverd... alsof men in de muziek maar +even het tema aangeeft, maar de uitwerking aan de fantasie van de +hoorders overlaat... dikwels half dramaties in de gesprekvorm, maar +oorspronkelik altijd met een refrein dat de grondgedachte aangeeft... de +stemming waar de kleine „historie” uit ontkiemd is en die alleen +gebruikt zal worden om de toehoorders mee in slaap te wiegen. Dat zijn +de romancen waar onze Scandinaviese volksliederen ook meê samen hangen. +„<span xml:lang="fr">Aalis main se leva—bon jor ait, qui mon cuer a... Alis</span> stond 's +morgens op—geluk voor hem die mijn hart bezit—zij kleedde zich en +maakte zich mooi onder een elseboom—geluk voor hem die mijn hart +bezit,—het is niet langer mijn.” Meer hebben wij van dit liedje niet. +Kompleet hebben wij daarentegen het lied van Gaiete en Oriour, twee +zusters die een Zaterdag naar de beek gingen om te baden. „De lucht +trilt en de takken wiegelen; mogen zij die minnen zoet slapen!” luidt +het refrein als van een wiegelied. De jonge Gerard komt van +wapenoefeningen terug, ziet Gaiete aan de beek en neemt haar in zijn +armen. „Als je nu water geput hebt, Oriour,” zegt zij tegen haar kleine +zuster, „ga dan naar de stad terug, ik blijf bij Gerard.” Oriour gaat +naar huis, maar weent haar beide oogen uit en zucht uit het diepst van +haar hart, omdat haar zuster niet met haar mede gaat. Maar Gerard en +Gaiete gaan terstond direct naar de stad en daar troost Gerard haar. +„<span xml:lang="fr">Vante l'ore et li raim crollent,—ki s'antraimment, soweif dorment.</span>” +Men ziet bijna de dansenden de kleine geschiedenis mimies voorstellen.</p> + +<p>Minder bij de dans dan bij het werk in het vrouwenvertrek zijn die oude +romances gezongen geworden, die de adellike dame<span class="pagenum" title="51"></span><a id="p_51"></a> of jonkvrouw in haar +stille liefdedromen schilderen, in de smart of het geluk van haar +ootmoedige liefde. Daar zit de schone Dolette bij het venster en leest +in een boek, maar haar gedachten zijn er niet bij, zij denkt aan haar +Doon die ver weg getrokken is, naar 't een of ander toernooi. En nu komt +juist het bericht dat hij gevallen is; zij neemt terstond het boetekleed +aan en wijdt zich aan het nonnenleven.</p> + +<p>Zo zit ook de schone jonkvrouw Yolande in haar vertrek een fluwelen +wambuis te maken voor haar vriend die ver weg is. Zuchtend zegt zij: +„God, wat is de naam der liefde zoet. Nooit had ik gedacht dat ik daar +smarte bij zou voelen,” en zij bidt God medelijden met haar te hebben. +Maar op het zelfde ogenblik komt haar lieve vriend de kamer binnen. Zij +ziet hem, buigt haar hoofd en kan geen woord uitbrengen. „Mijn lieve +dame, hebt gij mij heel vergeten?” vraagt hij. Maar nu lacht zij en +strekt zuchtend de schone armen naar hem uit. „Schone vriend, ik kan u +niet bedriegen. Met geheel mijn hart bemin ik u. Zo veel als gij wilt, +moogt gij mij kussen.” Zij neemt haar vriend in haar armen. Zij zetten +zich op een mooi bed en daar omhelzen zij elkaar. „God! wat is de naam +der liefde zoet. Nooit had ik gedacht, dat ik daar smarte bij zou +voelen.”</p> + +<p>Boven in het vrouwenvertrek is het ook dat de koningsdochter Erembourc +zit te borduren en zij door een torenvenster ziet dat haar vroegere +vriend, Graaf Raymond, de binnenplaats op rijdt; nu komt hij in de lente +thuis maar hij heft het hoofd niet meer op naar haar kamer als vroeger. +Maar zij roept hem, hij mag haar de belediging toch niet aandoen niet +eens meer even met haar te komen spreken. „Gij hebt niet goed gehandeld, +koningsdochter! Gij hebt een ander liefgehad, om hem hebt gij mij +vergeten”, roept hij naar boven. Maar zij zweert van niet; met haar +dames en maagden is zij bereid een eed af te leggen dat zij onschuldig +is. En dan komt hij bij haar binnen—breed van schouders, smal van +middel—blond, met gekrulde haren; een knapper jongeling was niet te +vinden. Hij gaat op het geborduurde kussen zitten, zij zit naast hem; +„<span xml:lang="fr">de joste lui se siet bele Erembors,—lors recomencent leurs premières +amors...</span>” Het gehele kalme vrouwenleven in die torenkamers hangt als een +atmosfeer om de weinige woorden van die liederen,—in een vaag onbewust +verlangen naar vrijheid en een bereidwillige onderwerping aan de +heerschappij van de mannen. Het is alsof men de eenvoudige woorden hoort +zingen met begeleiding der akkoorden van een tedere guitaar.</p> + +<p><span class="pagenum" title="52"></span><a id="p_52"></a></p> + +<p>Duideliker spreken de gevoelens der geliefden zich in liederen uit, die +het afscheid schilderen van ridders en hun dames. Dit zijn ook +oorspronkelik meestal liederen van vrouwen of altans is de vrouw degene +die vooral het woord voert en de warm liefhebbende is, terwijl de man er +de rol van koelbloedige meerdere speelt. Wij hebben Duitse liederen van +dit genre over of altans fragmenten er van. De vrouw klaagt en hij +belooft haar niet te vergeten, of zij smeekt hem bij haar te blijven, +maar hij antwoordt lichtzinnig of, als om te tonen dat hij een man is, +dat hij zich niet eeuwig en altijd door een vrouw kan laten binden; soms +is zij een vorstin en eist dat hij haar beminnen zal of hij moet het +land verlaten, maar de ridder laat zijn paard zadelen, hij wil liever +vertrekken dan zich door een vrouw te laten dwingen. Of de vrouw is +verlaten achtergebleven en klaagt dat nu de lindebomen kaal zijn, dat +haar geliefde, een onervaren jongen, in het net van andere vrouwen +verward is geraakt, ofschoon God weet dat zij—dat „<span xml:lang="de">ich im diu holdeste +bin</span>”. Zij staat op de tinnen van het kasteel en kijkt hem achterna nu +hij wegrijdt; de valk die zij voor hem had afgericht, is nu ook van haar +weggevlogen. God „brenge hen samen die gaarne samen willen zijn.” Of zij +verlangt naar hem in de verte. „<span xml:lang="de">Es stuont eine Frouwe alleine unt warte +über Heide.</span>” „Wanneer ik alleen sta in mijn hemd en aan u denk, mijn +Ridder, dan gloei ik als een roos en is mijn hart vol droefenis.”</p> + +<p>Dikwels is het op een kruistocht dat de ridder moet gaan en roept zijn +kristelik en militair plichtsgevoel hem weg, over zee en land, terwijl +haar liefde hem terug wil houden. Allerliefst is zo bijvoorbeeld een +Provençaalse romance waar het adelike meisje een schonen zomerdag onder +een bloeiende vruchtboom in de tuin zit en tot Jezus klaagt dat haar +geliefde voor Hem naar het heilige land getrokken is en haar verlaten +heeft. De dichter tracht haar te troosten met de hoop op de hemel, maar +zij laat zich met het hiernamaals niet afschepen „wanneer God mij +ondertussen hier op aarde hem ontrooft die mijn vreugde was, hem die ik +nog maar zoo kort had, maar die nu zo ver weg is.”</p> + +<p>„<span xml:lang="fr">Liebesgrüsse</span>”, „<span xml:lang="fr">saluts d'amour</span>” zendt de verlatene haar geliefde in de +verte achterna. „Zoveel bladen, zoveel grassprietjes, zoveel bloemen als +er zijn, zend hem zo veel liefdegroeten van mij.” Dikwels is het een +valk of een zwaluw wier vrije vlucht zij benijdt en aan welke zij haar +groeten medegeeft,—een overal in het volkslied geliefd motief. Later +zendt hij dan ook op zijn beurt haar groeten door vogels. „Weg vliegt de +montere<span class="pagenum" title="53"></span><a id="p_53"></a> vogel,”—heet het in een „<span xml:lang="fr">salut d'amour</span>”, uit Provence—„recht +daar heen waar zij woont en slaat zich zonder angst neer, en wanneer de +schone zich vertoont, begint het vriendelike vogeltje een zoet gezang te +laten horen, zo als hij die tegen de avond ten beste pleegt te geven, +dan zwijgt hij en bedenkt hoe hij het beste zeggen zal wat zij genadig +horen wil.” Dan zingt hij menig vleiend woord tot haar over haar +geliefde, zij hoort dat aan en zendt de gevleugelde boodschapper met +vele schone liefdewoorden terug.</p> + +<p>Een heel bizondere dichtsoort ontwikkelde zich langzamerhand door +mannelike kunstdichters uit het oude motief van „Het afscheid der +geliefden”. De situatie van die twee die een nacht van liefdegenot te +samen doorgebracht hebben maar nu, om niet ontdekt te worden, voor +dageraad moeten scheiden, is er een die steeds overal in de +volksliederen te vinden is, algemeen menselik en poëties vruchtbaar als +die is. De geliefden hebben samen buiten op de weide of in bosjes +geslapen, en worden nu door het gezang der vogels of door de dageraad +gewekt; onder hevige klachten en verwensingen over die noodzaak moet de +vrouw zelf de man tot haast aanzetten; of wel zij tracht hem nog terug +te houden: neen, het is het daglicht niet, maar maneschijn, het is de +leeuwerik niet, maar de nachtegaal, zegt zij. Intussen verstomt de +twijfel spoedig; hij moet weg. Met dit volkslied-motief zijn bij de +kunstdichters literaire herinneringen samen gesmolten. Aan de ene kant +van de oud kerkelike hymnen aan de dageraad,—van de hoogdravende Hymne +aan het Licht van Prudentius af (<span xml:lang="la">Aeterne rerum conditor</span>) tot de meer +moderne, als die welke men uit het jaar 1000 kent, in 't Latijn met +Provençaalse refreinen, waarin de wachter de Slapenden wekt, om dat „het +Morgenrood de zon reeds achter de natte zee opheft.” Aan de andere kant +misschien ook van de antieke poëzie b.v. van Leander's brief aan Hero in +de „Heroides”, waar de twee zich na een nacht van liefdegeneuchten onder +klachten uit hun omhelzingen los moeten scheuren, omdat de morgenster +Aurora de weg wijst en de trouwe bewaakster, de oude min van het meisje, +ze tot scheiden maant. De min van de antieke poëzie en de wachter van de +kristelike hymne worden bij de ridderlike dichters tot de torenwacht die +van de toren de dageraad ziet verschijnen en die daardoor als vanzelf de +vertrouwde der geliefden geworden is en de waarschuwende rol van de +leeuwerik over heeft genomen. Als zodanig is hij de derde persoon van +het drama. In een tuin, onder de meidoorn, ligt een vrouw met haar +vriend in haar armen, totdat de wachter roept<span class="pagenum" title="54"></span><a id="p_54"></a> dat hij de dageraad ziet. +„Ach God, ach God, wat komt de dageraad spoedig! Gave God, dat die nacht +nooit een einde nam, en dat mijn geliefde nooit van mij weg moest +trekken, en de wachter nooit de dag zou zien en de dageraad... Lieve, +zoete vriend, laat ons elkaar blijven kussen, gij en ik, hier op de +weide, waar de vogels zingen, tot op 't ogenblik dat de wachter op zijn +schalmei blaast.” Schoon en lief is de vrouw en velen kijken naar haar +wegens haar schoonheid, maar zij is trouw aan de liefde in haar hart. +„<span xml:lang="fr">Oi deus, oi deus! de l'alba, tan tost ve!</span>”</p> + +<p>Bij Walter von der Vogelweide is het in een kamer dat het zonnelicht de +geliefden treft en de situatie ontwikkelt zich hier tot een hele +dialoog, een heel drama. De ridder ziet het daglicht, wekt het meisje en +wil weg, maar zij noodzaakt hem om te blijven. Ridderlik geeft hij toe, +niettegenstaande het gevaar en zegt: „Welaan, dan blijf ik hier,” totdat +zij nu zelf het gevaar bemerkt en hem tot vertrekken aanspoort... maar +dan, zelf niet wetende wat zij wil, vraagt zij hem toch nog éen ogenblik +te blijven: „Nooit hadden zij het zo goed als nu.” Maar... nu <i>moet</i> hij +toch weg: „Ik doe het voor uw eer, het morgenlied van de wachter heeft +al weerklonken.” En wenend blijft zij alleen achter: „nû lige ich liebes +âne—reht als ein senede wip.” In de Albas uit Provence—<i>alba</i>: +morgenrood heet die dichtsoort in Zuid-Frankrijk—komt die wachter +langzamerhand meer en meer op de voorgrond, hij wordt in het vertrouwen +der geliefden genomen en zo wordt het niet meer zijn geroep als zodanig +dat hen waarschuwt, hij wekt die twee met opzet en raadt ze aan te +scheiden. In een der schoonsten dier Alba's is het een vriend die in de +tuin op wacht staat en die God bidt om hem zijn kameraad ongedeerd terug +te geven en hij roept de kamer in: „Beste vriend, slaap niet langer, in +het Oosten is de morgenster opgekomen, ik heb die duidelik gezien en nu +is het weldra morgen. Beste vriend, met mijn lied wek ik u, ik hoor de +vogelen zingen en ik vrees voor de jaloerse echtgenoot, nu is het weldra +morgen.<ins class="corr" id="corr14" title="Niet in Bron.">”</ins>—„Waarde, goede vriend—komt ten slotte het antwoord—ik +zwelg in een zodanig geluk dat ik wenste dat het nooit dag zou worden, +want ik houd de heerlikste van alle vrouwen ter wereld in mijn armen, en +ik geef niets om echtgenoot of dageraad.” Hier is het nu, zo als men +ziet, niet langer de vrouw, maar de man die de nacht van liefde +verheerlikt en in zijn geluk alle voorzichtigheid over boord werpt. Het +allerverst uitgewerkt vindt men het motief bij <span xml:lang="de">Wolfram von Eschenbach</span> in +wiens „dageliederen” de wachter<span class="pagenum" title="55"></span><a id="p_55"></a> zowel als de vriend die in het geheim +is, tot hoofdpersoon worden, en zijn waarschuwingen, de hevige passie +der geliefden die nog onder de hoge druk van 't geraas toeneemt, haar +tranen en zijn ridderlike onverschrokkenheid, vallen samen in een +pateties dramaties trio, dat bijna tot een simbool wordt van „de +zaligheid van gestolen liefde en al de bitterheid die daar +onafscheidelik van is.”</p> + +<p>Ten slotte vormde de hofpoëzie van het volkslied de Pastorale. Reeds +vroeg hebben tweespraken een deel uitgemaakt van volksfeesten en +volksdansen. Bij 't Meifeest kwamen zomer en winter op en kregen het met +elkaar in schone verzen aan de stok totdat de winter het op moest geven; +of twee meisjes stonden in verzen te disputeren over de vraag of een +klerk of een ridder de beste geliefde was. Bij de dansen hebben zeker +ook samenspraken gehoord tussen de man die het meisje wil omhelzen en +het laatste dat zich met schelmse spot terug trekt en hem ontwijkt, +misschien ook nog wel een derde—een mededinger die het meisje ook ten +dans nodigt—totdat zij zich ten slotte aan een van tweeën overgeeft. +Dergelijke disputen en liefdegesprekken op rijm, gaan in verband met +landelike feesten helemaal op het volksleven der oudheid terug; zij +hebben de literaire weerklank daarvan in de idyllen van Theocritus en +Virgilius; reminiscenties aan die schrijvers, die in de middeleeuwen +zoveel zijn nagebootst, hebben misschien enkele der dichters van de +ridderpoëzie voorgezweefd. Onder de latijnse liederen der vagantes vindt +men een andere soort gedichten die op <i>hun</i> wijze aan één zijde der +pastorale beantwoorden: het zijn liedjes waarin zulk een rondtrekkend +scholier luchtigjes vertelt van een avontuurtje dat hij gehad heeft of +waar hij pocht op een „<span xml:lang="fr">bonne fortune</span>” die hem ten deel gevallen is,—hoe +hij de tegenstand van het schuchtere meisje wist te overwinnen, hoe hij +het herderinnetje dat hij ergens buiten tegen kwam gevraagd had de +ziekte te genezen waar hij aan leed, hoe zij eerst niet durfde voor haar +vader, maar toch gauw genoeg bezweek, of hoe hij de dansende +herderinnetjes aangeboden had gratis de <span xml:lang="la">declinatio</span> en de <span xml:lang="la">conjugatio</span> te +leren of hoe hij een gesprek over de liefde tussen twee meisjes had +afgeluisterd.</p> + +<p>De ridderlike pastorale die zich misschien oorspronkelik van +Noord-Frankrijk naar Provence verplantte en naar Duitsland, vertoont een +vermenging van die twee typen. De inleiding schildert een dichter, een +ridder en een stadsbewoner die over de velden lopen of rijden en òf een +gesprek tussen de herders en herderinnetjes <span class="pagenum" title="56"></span><a id="p_56"></a>afluisteren—Robin die +Marot om haar liefde vraagt, terwijl zij hem met Gueneviere plaagt, die +zij hem gisteren heeft zien kussen,—of boeren feestdansen, kibbelarijen +en vechtpartijen, of zij beginnen zelf een gesprek met de landmeisjes en +dan krijgen ze die tot hun wil of wel worden ze door de landelike +schonen weggezonden. Het is van boven af dat men al die landelikheid te +zien krijgt en de versvorm is licht, dansend, spelend; het boerenleven +en het herdersleven worden in hun vrolike natuurlikheid geschilderd, +onschuldig naief en komiek plomp; het zijn fijne beelden uit het +volksleven van Nederlandse schilders, in de Franse lyriek, evenals later +in de Duitse van Nidhardt. Pochend en met de nodige bluf vertelt de +zanger hoe hij het meisje tot zijn wil gekregen heeft of met goedmoedige +zelfbespotting hoe lelik hij van zijn vrijage af is gekomen; in beide +gevallen wordt het avontuurtje als een bagatel behandeld; zoo'n +veehoedstertje en haar liefde,—dat betekent namelik niet veel!</p> + +<p>„Verleden zag ik een herdersmeisje bij een heg staan, vrolik en aardig +zag ze er uit, met een net keurslijfje en een linnen mutsje, wollen +broek en een grof hemd... Ik ging op haar af: „Lief kind,” zei ik, „ik +vind het treurig dat je het zo koud hebt.”—„Heer,” antwoordde zij, +„Goddank ben ik goed gezond en het zal mij heus geen kwaad doen als de +wind eens door mijn kleeren waait.” Ik zeide dat ik haar graag +gezelschap wou houden, en dat het toch jammer was dat zij daar zo alleen +het vee zou moeten hoeden zonder een vriend in de wereld...<ins class="corr" id="corr15" title="Niet in Bron.">”</ins> En zo +gaat het gesprek verder. Hij vleit haar, zij moet zeker de dochter van +een ridder zijn, een fee moest haar die schoonheid gegeven hebben, die +niet bij een boerenmeisje past. Zij moest hem nu maar zijn zin +geven—gaat hij door—zoo'n landmeisje is toch wel te temmen, alles in +de natuur wil toch paren, en hier achter die haag kunnen ze toch doen +wat ze willen zonder gezien te worden. Maar—gelijk Else in de ballade, +heeft zij een afwijzend preuts antwoord klaar voor de vleier en zijn +opdringerigheid: „van een ridder als vader, daar weet zij niets van, +soort zoekt soort, een boerenmeisje moet aan niemand dan aan boeren +denken en zij heeft geen lust haar maagdom te geven voor de naam van een +slet.” Maar in andere gedichten komen er heel wat brutaler scenes voor. +„God zij met u, herderin, schoon gelijk een roos; ik ben zeer verbaasd u +nog alleen te vinden. Een kleed met zilveren zoom wil ik u geven.” Maar +zij antwoordde dat zij niets met hem te doen wil hebben; zij wijst naar +haar vader die daar ginds het<span class="pagenum" title="57"></span><a id="p_57"></a> veld loopt te ploegen en wil daar heen +gaan. Maar hij liep haar achterna, greep haar beet en wierp haar in het +gras. Drie malen kuste hij haar en zij sprak geen woord tegen, en toen +hij haar voor de vierde keer wilde kussen, zeide zij: „Heer, ik geef mij +aan u over.” De schelmse gratie van de dansliederen en het cynisme van +de pochende ridders („<span xml:lang="fr">gaps</span>”) vinden wij ook beiden in de pastorale +terug. In tedere liefdeverlangens loopt de herderin een zomermorgen rond +en neuriet er een liedje over hoe benauwd het haar in haar borst wordt +en hoe zij zich een vriend wenst, sedert Robin haar verlaten heeft. Zelf +roept zij een ridder aan die voorbij komt en toont zich meer dan +gewillig. Maar dikwels is de herderin ook „<span xml:lang="fr">trop sage de garder son +pucelage</span>” en houdt de al te vriendelike ridder voor den gek en op een +afstand, of weet hem een pak slaag te bezorgen door een paar +boerenjongens. Daarentegen scheurt de ridder bij andere gelegenheden +haar brutaal de kleeren van het lijf of weet haar met leugenachtige +beloften te paaien. En wanneer het dan gebeurd is, zoo eindigt hij +triomfantelik het gedicht: „<span xml:lang="fr">lors me montai, si m'en alai,—à deu l'ai +commandée:—Dolente et esgarée—la laissai en la prée.</span>”</p> + +<p>Pastorale, alba, romance, ballade,—al deze verfijnde literaire +bewerkingen van het volkslied zijn duidelik gedicht en gezongen geworden +door ridderlike dillettanten—dames en heren—als een geliefd soort +gezelschapsspel. De naam van de auteurs is niet bekend, altans van de +meesten niet, het is de volkspoëzie van de ridderwereld, gelijk onze +Deense middeleeuwse balladen dat waren. Een volksliedje als +„Maagdedroomen” is in wezen niet verschillend van een romance als de +schone Yolande of de schone Erembourc en een schertsende ballade als die +van „koning Erik en de spottende Maagd” is na aan de Pastorale verwant.</p> + +<p>Maar deze gezelschapsliederen zowel als de vertelkunst die zich bij de +ontvangsten op de hoven ontwikkelden, krijgen nu beoefenaars van +professie in de schare van dichters en zangers die aan het hof leefden +om—en meer of minder ook van—die liederen en berijmde vertellingen te +dichten en voor te dragen. Van de dagen van Olim waren er talrijke +„<span xml:lang="fr">jogleors</span>” en „<span xml:lang="fr">conteors</span>” en „<span xml:lang="fr">fableors</span>” die van de ene stad naar de +andere trokken, en van burcht tot burcht, allerlei kunstjes maakten, een +beer lieten dansen, maar tegelijk ook viool speelden of doedelzakken en +berijmde vertellingen lieten horen of liedjes,—om daarna geld in te +zamelen van het kermispubliek of de gasten van de burchtheer. Maar boven +de jongleurs verheft zich in de tijden der kruistochten een +aristokratie,<span class="pagenum" title="58"></span><a id="p_58"></a> die soms uit die klasse voortgekomen of daarin +teruggevallen is, maar die zich niet verwaardigt op kermissen op te +treden en jongleurskunsten uit te voeren, maar die zich alleen in de +adellike kringen beweegt, zich naar die hogere smaak vormt, zich +enigsins de manieren van die kringen toeëigent en dikwels daarin +opgenomen wordt. Dat zijn de „<span xml:lang="fr">menestrels</span>”, de +„<span xml:lang="fr">troubadours”,—„trouvères</span>”; wanneer ze, wat dikwels 't geval is, tot de +„<span xml:lang="fr">vagantes</span>” horen, noemen zij zich dikwels „<span xml:lang="fr">maîtres</span>”. Arme jongere zonen +en verarmde baronnen zelf beginnen nu ook mede te doen aan deze wijze +van het hof te vermaken, en zo vindt men ze weldra in deze nu zo +veelomvattende dichtergroep, naast klerken en zonen van burgers en de +lagere klassen. Het zijn musici van beroep, die allerlei kunstige +melodiën komponeren en spelen, voor de viool en voor harp; de Britse en +Bretonse melodieën (<span xml:lang="fr">lais</span>) werden over Frankrijk van hof tot hof +gekolporteerd. Bij de muziek komt dan ook zang en het zeggen van +gedichten. Zo brengen de zangers met de melodieën de Britse vertellingen +in 't Frans over en dragen ze de kleine berijmde verhalen voor, de „<span xml:lang="fr">lais +Bretons</span>”. „<span xml:lang="fr">Lais</span>” worden nu langzamerhand ook andere kleine berijmde +vertellingen genoemd, welke de <span xml:lang="fr">trouvères</span> dichtten en voordroegen,—de +stof haalden ze òf uit het werkelike leven, òf uit de antieke myten b.v. +over Narcissus of Orpheus. Maar eerst en vooral ontwikkelen de +hofzangers van beroep in Zuid-Frankrijk een nieuwe kunstige hoflyriek, +die weldra ook aan de ridderhoven van Noord-Frankrijk en Duitsland +toonaangevend zou worden.</p> + +<h2><a id="VI"></a>VI.</h2> + +<p class="subh2">ZUID-FRANKRIJK.</p> + +<p>In Zuid-Frankrijk is het maatschappelike leven der ridders het sterkst +ontwikkeld en het uit zich in het lyries individualisme der troubadours.</p> + +<p>Het was een zeer eigenaardige wereld, dat stukje van Europa, dat in de +12<sup>de</sup> en 13<sup>de</sup> eeuw het vaderland zou worden van de Provençaalse +poëzie. In het Zuiden wordt het door de Middellandse Zee bespoeld, in +het Westen door de Atlantiese Oceaan, in het Zuidwesten is het door de +Pyreneeën begrensd,—behalve dat Catalonië en belendende dalen van het +Spaanse schiereiland er bij horen—in het Oosten door de Alpen, ofschoon +er toch<span class="pagenum" title="59"></span><a id="p_59"></a> volop voeling blijft met de daaraan grenzende delen van Italië; +eindelik gaat, wat het noordelik Frankrijk betreft, de grenslijn met een +vrij grote boog van de Gironde in het Westen, noordelik over Poitou en +weer zuidelik naar Lyon in de punt van het meer van +Genève,—hoofdzakelik wordt de grens gevormd door de bergvlakte van +Auvergne en Limousin. De met pijnbomen begroeide zandvlakte en de +moerasstreken van Gascogne bij de Atlantiese Oceaan; de wijnbergen van +Garonne; Toulouse en de bergdalen van de uitlopers der Pyreneeën; +daarachter de Cevennes bij de Middellandse Zee, Languedoc met zijn +rijke, oude Romeinse steden: Narbonne, Beziers, Nîmes; het dorre en +stormachtige kustlandschap van Provence met Arles, Aix en Marseille; de +alpenstreken van Dauphiné en Savoye, Poitou bij de Loire en Catalonië +aan de overzijde der Pyreneeën... al deze streken maakten op verre na +geen geografiese of politieke eenheid uit, maar toch bestond er een +innig, levendig verband tussen, en vormen ze tegenover de daar buiten +liggende provincies één geheel,—en wel ten gevolge van een gemeenschap +in hun ethnologie, hun historie, hun taal en hun kultuur.</p> + +<p>Hoe weinig men ook weet van de verschillende rassen, Liguriërs, Iberiërs +en Kelten, en de verhouding waarin die, de oudsten van Zuid-Frankrijk, +tot elkaar stonden, zeker is in elk geval dat die donkere kleine mannen +geheel en al verschild hebben van de sterk met Germaanse elementen +doortrokken Galliërs uit Midden- en Noord-Frankrijk. Of het nu het +klimaat is, de levenswijze of wat er ook de oorzaak van is,—het is geen +verbeelding dat het Zuid-Frankrijk van een <span xml:lang="fr">Mirabeau</span>, een <span xml:lang="fr">Thiers</span> of een +<span xml:lang="fr">Gambetta</span>, dat van een <span xml:lang="fr">Montaigne</span> of <span xml:lang="fr">Montesquieu</span>, dat van een <span xml:lang="fr">Berlioz</span> en +een <span xml:lang="fr">Gautier</span> en <span xml:lang="fr">Daudet</span>,—dat in het algemeen het Zuid-Frankrijk van de +advokaten en politici, der journalisten en raisonneurs, der kolonisten +en impressionisten een heel ander land is dan dat van <span xml:lang="fr">Corneille</span> en +<span xml:lang="fr">Molière</span>, van <span xml:lang="fr">Voltaire</span> en <span xml:lang="fr">Rousseau</span>, van <span xml:lang="fr">Taine</span> en <span xml:lang="fr">Renan</span>. Het was als +bloeiende rhetoren en scherpzinnige dialectici, dat de Zuid-Fransen +uitblonken zodra zij weer in de Romeinse kultuur werden opgenomen; tot +op het huidige ogenblik toe is het die steeds weer opborrelende +levendigheid en een soort lyriek die zich voor een ieder openbaren, die +de landgenoten van <span xml:lang="fr">Numa Roumestan</span> en <span xml:lang="fr">Tartarin</span> kenmerkten.</p> + +<p>De Romanisering van Zuid-Gallië—de streek met Narbonne in het +Zuid-oosten en het Aquitanië van Caesar in het Zuid-westen—greep niet +alleen éerder plaats dan die van het overige Gallië,<span class="pagenum" title="60"></span><a id="p_60"></a> maar geschiedde +ook grondiger; reeds van de tijd af dat Marseille door Griekse +kolonisten gesticht was, had Zuid-Frankrijk behoord tot de wereld der +landen om de Middellandse zee. In de grote steden uit de Romeinse tijd +staan nog poorten en aquadukten, termen en grafmonumenten, tempels en +amfiteaters, als herinneringen aan het rijke Romeinse leven. Bij het +einde van die periode waren deze steden om zo te zeggen het meest +beschaafde deel van het Romeinse rijk en zij waren de laatste +haardsteden waar de vonken van het uitdovende geestelik leven der +Oudheid nog brandend gehouden werden. De biblioteek van Arles, de +scholen van <span xml:lang="fr">Toulouse, Bordeaux</span> en <span xml:lang="fr">Vienne</span> bewaarden nog lang hun roem en +in Marseille waren er nog steeds Griekse overleveringen.</p> + +<p>In veel mindere mate dan de naburige landen zou Zuid-Frankrijk ook de +gevolgen van de Volksverhuizing ondergaan: omwentelingen en vermenging +van rassen. De Bourgondiërs die uit het Oosten kwamen, weinig talrijk en +half beschaafd als zij waren, voegden zich vrij gemakkelik in de +bestaande civilisatie, ook de West-Goten, die zich tussen de Garonne en +de Pyrenaeën vastzetten en het grootste deel van Spanje veroverd hadden, +smolten vrij wel met de Romaanse bevolking samen. De veelvuldige +invallen der Arabieren van uit het Zuiden brachten veel nieuwe +kultuur-ideeën met zich mede, maar leidden niet tot een blijvend +in-bezit-nemen. En met het Frankiese Noord-Gallië hield alle nadere +verbinding op, vooral sedert de tijd van Karel de Grote. Zeer spoedig +werd het verschil tussen de taal van <span xml:lang="fr">Langue d'oc</span> en <span xml:lang="fr">Langue d'oil</span> heel +sterk en ofschoon de Franse koningen nominaal Heren waren over het +Zuid-Frankrijk ten Westen van de Rhône, evenals de Duitse keizer van +Bourgondië en het eigelike Provence, vertoonden de Zuid-Franse vorsten +zich toch alleen maar zo nu en dan eens even aan het koninklik hof te +Parijs. Feitelijk leefde „<span xml:lang="fr">Le Midi</span>” een volkomen onafhankelik leven en +hoorde nog steeds, evenals in de oudheid, ekonomies en kultureel bij +Italië en de streken aan de Middellandse zee.</p> + +<p>De Middeleeuwen kregen dan ook nog minder vat op Zuid-Frankrijk dan +zelfs op Italië. De twee grote beschavingsfaktoren: het Kristendom en +het leenstelsel hadden daar ginds veel minder revolutionaire invloed dan +meer in het Noorden, en de Romeinse kultuur van vroeger tijden bleef +schrap staan tegen de nieuwe levensvormen en hield vol energie stand.</p> + +<p>En hier moest het Kristendom menig kompromis aangaan met<span class="pagenum" title="61"></span><a id="p_61"></a> de oude +Romeinse kultuur. In de 4<sup>de</sup> en 5<sup>de</sup> eeuw nog vond men in het +offisieel gekerstende Gallië een aristocratie van hogere ambtenaren en +grondbezitters die volkomen onverschillig bleven bij de kerkelike en +politieke strijd van den dag en een leventje leidden van één en al +genot, als in de beste dagen der oudheid. De laatste Gallo-romeinse +schrijvers als Ausonius en Eutropius hoorden tot die kring. Op villa's, +in de buurt van Bordeaux of ginds in Auvergne, verdreef men de tijd met +jacht en visserij, maar men studeerde en kommenteerde ook zijn +klassieken in welvoorziene biblioteken, deed, al was het dan ook als +amateur, aan de archeologie, bracht komedies van Terentius, of in zijn +genre, op privaatteaters ten tonele of voerde literaire gesprekken of +een literaire briefwisseling. Niet weinigen van de bisschoppen der Kerk +hoorden zo goed als geheel tot deze kringen. Sidonius Apollinaris stierf +als bisschop te Clermont, maar zijn gedichten die hem een standbeeld +verschaften op het Forum Trajanum, en zijn briefwisseling verplaatsen +ons geheel in de Romeinse dekadenten-aristocratie. Zo schildert hij ons +b.v. het leven van een adellike vriend op zijn kasteel bij de Garonne. +Dat is al een burcht met muren en torens en het ligt op een heuvel—de +tijden staan in het teken van de oorlog—maar met zijn zuilengangen, +zijn termen, zijn muurschilderingen is het van binnen nog een heel +Romeins patriciërshuis. Bij een andere vriend, te Nîmes, vertelt hij van +een biblioteek in drie afdelingen; een heidense, alleen ten gebruike van +mannen, een kristelike afdeling voor de vrouwen, en een gemengde +afdeling voor de twee geslachten; teologiese discussies worden daar in +huis gevoerd, zowel als heidense literaire gesprekken. Of wel heeft hij +het over een concilie waar hij aan deelgenomen heeft; tussen de +vergaderingen in gaat hij met enige andere hoge prelaten—hoofdzakelik +jonge mannen—de stad uit en daar, bij een antiek grafmonument in de +schaduw van de bomen, amuseert het bisschoppelik gezelschap zich +afwisselend met het kegelspel en met het dichten elk om de beurt van +Latijnse impromptu-verzen. Omstreeks het jaar 600 vertoonde een andere +bisschop, Venantius Fortunatus, een nog vreemder legéring van officieel +Kristendom en traditioneel Heidendom. Hij schrijft n.l. Heiligenlegenden +en Kristelike lofzangen, maar daarnaast ook bruiloftsverzen voor een +Frankies koningspaar met de hele mythologie van Amor en Venus er in, en +verder kleine <span xml:lang="fr">billets-doux</span> aan een zekere zuster Agnes of zuster +Radegunde in een naburig klooster met sierlijk-galante dankbetuigingen +voor bloemen of potten melk die de nonnen hem<span class="pagenum" title="62"></span><a id="p_62"></a> gestuurd hebben. Zo zijn +er dus onder de Franse klerezij genoeg overleveringen voor die soort van +aesteties heidendom bij de geestelikheid die, zoals wij gezien hebben, +de opkomst der scholen in de 11<sup>de</sup> eeuw met zoveel liefde bevorderde; +het is ook in de grensstreken tussen Zuid- en Noord-Frankrijk, in de +buurt van Tours, Poitou en Anjou dat die belletristiese prelaten meer +bizonder thuishoorden.</p> + +<p>Trouwens, nergens breken de draden die naar de antieke kultuur terug +voeren. Toen ongeveer het jaar 1000 enige Provençalen in het gevolg van +een prinses naar Parijs kwamen, ergerden de mensen in Noord-Frankrijk +zich over die kort geknipte, glad geschoren Zuidelingen, met hun fraaie +kleeren, en hun ijdel, lichtvaardig optreden. In klederdracht zowel als +in manieren stak er zeker nog heel wat van die der Romeinen uit de +latere Keizertijd. Heel lang nog waren er te Arles de circusspelen of +dierengevechten in zwang en zelfs in de zang-dansen der boeren kon men +de voorstellingen van Amor en Venus nog terug vinden. Zeer waarschijnlik +zijn er hier evenals in Italië, privaatscholen geweest naast die van de +Kerk en heeft er onder de voornamen een zekere wereldlike klassieke +kultuur bestaan naast die van de geestelikheid. De gemakkelike +verbinding met Italië, met het humanistiese pauselike hof en de +humanistiese hogeschool te Salerno, heeft zeker op verschillende wijzen +sporen achtergelaten. Zo begint men b.v. in de 11<sup>de</sup> eeuw te Arles de +kerk van de H. Trophime met standbeelden te versieren, waar men de +antieken klaarblijkelik tracht na te bootsen en tegelijkertijd worden er +te Avignon en in andere steden van Provence, kerken gebouwd, die in de +portieken en gevels op de pilaren en de kapitélen allerlei détails van +de antieke gebouwen nabootsen, die men rondom in die steden vinden kon.</p> + +<p>Maar ook het maatschappelik leven zelf had in zijn grondtrekken veel van +de oudheid bewaard. Evenals in Italië stond ook hier het stadsleven +boven dat van de landman, in tegenstelling met de toestanden in het +Noorden. Mensen in goeden doen—adelliken zowel als burgers—woonden +liever in de oude rijke Romeinse steden dan eenzaam ergens buiten. En de +burgers hadden feitelik een niet onaanzienlik kommunaal zelfbestuur. Wel +is waar stonden ze onder een graaf of een bisschop, die midden in de +stad zijn residentie had of er vlak bij, maar hij regeerde alleen door +een „Vicarius” of een „Baljuw” die door de burgerschap gekozen werden en +langzamerhand hadden de steden allerlei privileges gekregen; in de loop +<span class="pagenum" title="63"></span><a id="p_63"></a>van de 12<sup>de</sup> eeuw kregen ook de meesten van hen hun eigen +„<span xml:lang="fr">consules</span>”,—burgemeesters. Men kan b.v. in de „<span xml:lang="fr">Coutumes</span>” van +Montpellier lezen,—die tot toonbeeld genomen werden van een massa +andere steden,—hoe de stad vol zelfbewustheid haar rechten tegenover de +„<span xml:lang="fr">Seigneurs</span>” laat gelden. En overal—heet het—waar niet iets anders +uitdrukkelik gestipuleerd is, geldt „het geschreven recht”, d. w. z. het +oude Romeinse recht, dat steeds van kracht is naast, of als deel van, +het lokale gewoonterecht.</p> + +<p>Over het algemeen is de maatschappij daar volstrekt niet zo +gefeodaliseerd als in het Noorden. Het vrije landbezit (allodium) en de +vrije bezittersstand die alleen de vorst als hun heer erkenden, waren +grotendeels blijven bestaan, zonder in het leenstelsel opgenomen te +worden. Tussen de adel, de rijke burgers en de grondbezitters bestond er +geen scherpe grens, zij vormen te zamen die hogere standen wie het er om +te doen is de kleine burgers er onder te krijgen en uit te buiten, en de +burgers kunnen, als het er op aan komt, zich vrij gemakkelik het +ridderzwaard om de lendenen laten gorden. „Welgeboren burgers, die de +gewoonte hebben, op de wijze der ridders te leven”, heet het in een +overeenkomst tussen Avignon en de omliggende graven, „zullen ook de +zelfde rechten genieten als zij.” Zelfs waar er sprake is van +leentoestanden, schijnt het in werkelikheid dikwels zo geweest te zijn +dat de Vazallen hun grond in vrij bezit hadden en alleen maar in een +vrij losse persoonlike verhouding tot de leenheer stonden, terwijl de +macht van deze laatste voornamelik afhangt van de grootte zijner +<i>allodia</i>. Wanneer men de zaak goed onderzoekt, zijn de meesten van die +„Senhoraten” oude Gallo-romeinse landgoederen geweest, alleen is dan het +landhuis een kasteel geworden aan welks voet de kleine burgers bij +elkaar zijn komen wonen en het leenstelsel zelf zijn misschien dikwels +militaire vervormingen van de oud-Romeinse verhoudingen tussen de +voorname patroon en zijn kliënten, tussen de rijke grondbezitter en de +„prekaristen”—zijn pachters.</p> + +<p>Maar in het algemeen zat het individualisme uit de latere Romeinse tijd +op de troon, dat het vermogensrecht en personenrecht beheerste en zou de +vervorming van de Germaanse stam-gemeenschap en stam-geest niet +ondergaan, die de positieve zijde van het leenstelsel uitmaakt. De +persoonlike en ekonomiese saamhorigheid, die de Germanen van hun „gauen” +en hun krijgstochten medebrachten en die de schering van het feodale +weefsel vormde, kon Zuid-Frankrijk al even weinig begrijpen als Italië. +De wederzijdse, <span class="pagenum" title="64"></span><a id="p_64"></a>volkomen religieuse plicht van trouw van leenheer en +vazal, konden die zich evenmin eigen maken als het begrip van een +ekonomiese gemeenschap in de maatschappij die het leenstelsel draagt. +Dat was ook de reden waarom Zuid-Frankrijk zo goed als geen aandeel +heeft in de Franse en Duitse heldendichten die hun grond en verklaring +vinden juist in die Germaanse stam-geest en het leenstelsel.</p> + +<p>Alleen de <i>negatieve</i> zijde van het leenstelsel—als men het zo +uitdrukken mag—d. w. z. de individualistiese anarchie der baronnen vond +daar een vruchtbare bodem. Wat kwam die niet prachtig overeen met het +individualisme van het Romeinse vermogensrecht en de latere Romeinse +patriciërsgeest, waarin alle maatschappelike gevoelens uitgestorven +waren. En de vele wijd uiteenliggende bergdalen in de Pyreneeën en de +Cevennen bevorderden het separatisme maar al te wel.</p> + +<p>Zo vinden wij dan omstreeks 1100 Zuid-Frankrijk in een bonte massa van +„Senhoraten” verdeeld van alle grootten en allerlei aard, naast elkaar +of zeer los aan en met elkaar verbonden, elkaar bevechtende, en door +huwelik of ruiling in allerlei verbindingen met elkaar tredende. Daar +zijn de hertogen van Aquitanië, tegelijk graven van Poitou—energiese +vorsten en literair ontwikkeld die, vooral nadat zij zich Gascogne +onderworpen hadden, als koningen over heel Zuidwest-Frankrijk heersten, +hoewel steeds in strijd met hun machtige vazallen, de graven van +Auvergne, Périgord, Angoulême of de Heren van Blaye, Ventadour of +Chateauroux. Of de graven van Toulouse die in de 11<sup>de</sup> eeuw Provence +geannexeerd hadden en over de hele Zuid-kust regeerden, maar die door +een ongelukkige erfopvolging hun provincies steeds in al te veel handen +over zagen gaan en die bovendien, op ridderavonturen belust, aan de +kruistochten in het Oosten en in Spanje deelnamen in plaats van een +oogje in het zeil te houden bij de woelige graven van Foix en +Carcasonne, de burggraven van Albi en Narbonne of de oude steden in +Languedoc. Dan hebben wij de graven Raimond of Berengarius van +Barcellona die van het grote plan zwanger gingen om het oude rijk der +West-Gothen weer op te richten en die zich door koop en huwelik grote +bezittingen in Zuid-Frankrijk verwierven, maar die op hun beurt weer +verlamd werden tengevolge van de erfopvolging, waarbij hele landsdelen +onder de verschillende takken der familie werden verspreid. In het +midden van de 12<sup>de</sup> eeuw werden Poitou en Guyenne met het +Normandies-Engelse rijk verenigd en zetten Hendrik II<span class="pagenum" title="65"></span><a id="p_65"></a> en zijn +zonen—Richard Leeuwenhart en zijn broeders—bijna geheel +Zuidwest-Frankrijk in vuur en vlam door hun onderling twisten, waar meer +en meer van de Zuid-Franse heren in betrokken werden.</p> + +<p>Maar zij deden toch ook iets anders dan twisten. Bij alle hoven, de +grote en de kleine, tussen alle ridderburchten en kastelen ontwikkelt +zich een levendig maatschappelik verkeer. Dat is altijd het sterke punt +van de Zuid-Fransen geweest en de stedelike kultuur der oudheid zat, +zoals wij gezien hebben, overal in het land vast in 't zadel. De +vazallen kwamen veelal binnen de muren van de seigneur wonen, in een +spesiaal voor hen daar gebouwd huis; wanneer de burcht van de seigneur +in een stad lag, vormde die dikwels met de omliggende huizen der +vazallen een heel ingesloten kwartier. Hier ontstonden dan +maatschappelike centra, de rijke burgers kregen toegang tot de kringen +van de adel en zij treden behoorlik, zelfs met elegance op, zegt een +troubadour, en hebben evenveel verstand van omgang met de vrouwen als de +ridders, zowel als van dans en het krijgsspel. In het begin van de +12<sup>de</sup> eeuw is men daar heel wat verder met de goede manieren gekomen +dan in het arme onbeschaafde Noord-Frankrijk, om van Duitsland niet eens +te spreken. Die mensen uit het Noorden—zo spot men in +Zuid-Frankrijk—denken alleen maar aan eten en drinken en zij kunnen +niet vrolik worden en zingen voor ze hun buik vol hebben en dronken zijn +en de Duitsers met hun plompe manieren en hun „hondengeblaf” horen nu +aan een hof helemaal niet thuis. Het woord „<span xml:lang="fr">cortes</span>”, Noordfrans +„<span xml:lang="fr">courtois</span>”, waar wij al van hoorden, is dan ook het eerst in +Zuid-Frankrijk gebruikt voor wat in fatsoenlik gezelschap past. Hier +spelen de betrekkingen met de Arabieren in Spanje en vooral met Italië +en het Zuid-Italiaanse Griekse element een grote rol. B.v. het hof van +graaf Raimond V op zijn slot te Narbonnes bij Toulouse en de residenties +van Willem IX te Poitou en Bordeaux, die van de graven van Provence te +<span xml:lang="fr">Aix</span>, van Hendrik II van Engeland en zijn gemalin, Koningin Eleonora te +Limoges en Beaucaire; daarnaast nog het hof van Alfons II te Barcelona +en van de Markgraaf Bonifacio van Montferrat. Het hof te Barcelona staat +ver bovenaan wat betreft de weelderige levenswijze; wanneer Bertrand de +Born de zuster van Richard Leeuwenhart, Mathilde, prijzen wil omdat zij +hem zo vriendelik toegesproken heeft en hem naast haar „op een keizerlik +kussen” een plaats heeft aangeboden, dan zegt hij: „Uit Catalonje scheen +zij mij te komen, door haar groet en harer<span class="pagenum" title="66"></span><a id="p_66"></a> woorden lichte spel.” +Talrijke kleinere hoven willen met de groten meedoen; trots richt het +slot <span xml:lang="fr">Baux</span> der vorsten van Oranje zich bij de monding van de Rhône in de +hoogte, als uit de rots gehouwen, aan de voet van de Pyreneeën ligt het +grafelik hof van <span xml:lang="fr">Foix</span>, bij Carcassonne dat van de burggraaf Roger II; te +Narbonne troonde de burggravin Ermengarde, door velen omringd,—volgens +de Orkneyssaga bezocht Ragnvald Jarl op zijn kruistocht haar op haar hof +en herinnerde zich later steeds die vrolike dagen. Aldoor worden er over +en weer bezoeken afgelegd, de families trouwen onder elkaar, gronden en +kastelen worden verkocht of uitgewisseld en de arme ridders zonder land +of met niet meer dan een achtste deeltje in een familieslot als erfenis, +trekken van het ene kasteel naar het andere rond. En zo wordt de +levensatmosfeer er daar één van voortdurend vrolik samenzijn, wat zij, +die daar eenmaal aan gewend waren, niet meer kunnen ontberen. Een +troubadour die naar Italië heeft moeten vluchten, gaat naar Genua en +voelt zich weldadig verkwikt door elk windje dat van uit zijn land naar +hem toe waait; onvermoeid blijft hij de mensen uitvragen en laat zijn +oor strelen door elk woord van lof: „zulk een heerlik land kent niemand +als dat tussen Rhône ligt en Vence, tussen de zee en Durance, niemand +heeft zulk een heerlik leven als daar. Daar heb ik mijn goed humeur +achtergelaten.”</p> + +<p>Twist en het gezellige leven,—het een is even karakteristiek voor de +Provençaalse wereld als het andere. Het zijn geboren individualisten, +deze ridders—zonder gevoel voor wat samenbindt en samenhoudt; zij waren +het niet, maar de Noord-Fransen die de Saracenen op hun veroveringstocht +te Tours terugsloegen; en zij waren het ook niet, maar het Noorden, dat +de politieke leiding nam en het Franse koningsschap schiep. En het zijn +geboren lyrici, die Zuid-Fransen; vol vuur gaan ze in de stemming van +het ogenblik op, met de grootste bewegelikheid laten ze die ook weer +los,—òntladen worden ze even gemakkelik als geladen. Van de Romeinse +dekadentenkultuur zit er per slot van rekening een aesteties +intellektualisme in, niet diep of krachtig maar spiritueel; genotzuchtig +en genietende, fijn en krities, met levende gevoeligheid en smijdig van +vorm, uitnemend geschikt voor een leven met anderen. Individualisme, +lyriek, aesteties intellektualisme,—zie daar de hoofdtrekken van het +Provençaalse geestesleven.</p> + +<p>Die kentekenen ook het religieuse leven en de beweging voor de +kruistochten in Zuid-Frankrijk. Aanvallen van lyries entoesiasme<span class="pagenum" title="67"></span><a id="p_67"></a> +wisselen af met wereldlike scepsis en strijdlustige weerspannigheid. In +de 11<sup>de</sup> eeuw kwamen er talrijke extravagante „bekeringen” en +voorbeelden van grote ascetiese krachtsinspanning voor in de Zuid-Franse +wereld; het was ook in Aquitanie en Provence dat de entoesiaste +vredesbewegingen kwamen en zich verspreidden. En toen Urbanus II +het wachtwoord voor de kruistocht had laten horen, was de Zuid-Franse +ridderschap de eerste om aan die roepstem gehoor te geven. +De hebzuchtige Raimon van Toulouse schonk terstond hele sommen aan +kerken en kloosters, nam zijn vrouw en zijn jongste zoon mede, rustte +een groot leger uit en zette het beeld der Madonna op zijn banier. Op de +hele tocht waren de Provençalen het meest fanatiek; alle visioenen en +mirakelen pakken die zuidelingen heel wat sterker aan dan de +Noord-Fransen en wanneer het hun voorkomt dat de leiders wat al te lang +ergens blijven hangen, dan steken ze eenvoudig het kamp en de +levensmiddelen in brand om ze op die manier te dwingen verder te +trekken. Thuis weerklonk Provence van de vurige kruisliederen der +troubadours. „Baron Jezus zendt ons allen een boodschap... Wij moeten +de schande wreken die Kristus moest ondergaan toen hij aan het kruis +genageld werd... Wij moeten de ongelovigen rekenschap vragen van de +smaad die hem om onzentwil overkomen is... Hier is een wasbekken dat ons +allen door de Hemelse Koning en Heer aangeboden is. Hebt gij lieden er +een idee van hoe rein zij worden zullen, die zich in dat bekken wassen? +Zij zullen schoner worden dan de sterren die de schepen leiden.”</p> + +<p>Maar al dat entoesiasme en die aestetiese geestvervoering der ridders +voor de zaak van Kristus, sloeg heel gauw om. Het ongelukkige resultaat +der kruistochten werd opgevat als een godsoordeel, dat God het met de +ongelovigen hield. En de terugslag van dat fiasco werd bij menigeen een +verbitterde ketterse stemming. „Helaas!” klaagt een poëtiese Tempelheer +na de val van Caesarea, „indien God, wien dit alles moest mishagen, het +goedkeurt, dan moeten wij tevreden zijn. Gewoon een dwaas is hij, die nu +nog strijd met de Turken wenst, nu God hun immers alles gunt. God, die +vroeger waakte, slaapt nu, maar Mohammed ontplooit al zijn kracht en +laat zijne dienaren zegepralend heersen.” En met spot en scherpe +hatelikheden vallen de Troubadours de paus aan, de kerk en de +geestelikheid. Heel spoedig hadden ook de „ketterse”, half onkristelike +godsdienstige secten hun weg naar Zuid-Frankrijk gevonden en verstandige +ontwikkelde geesteliken<span class="pagenum" title="68"></span><a id="p_68"></a> zetten in Provence en Lausanne bewegingen op +touw om het „bijgeloof” van de sacramenten, relikwieën en heiligen bij +de Kristenen uit te roeien. Maar vooral breidde zich een religieus +indifferentisme uit, dat voedsel kreeg door het voortdurende verkeer met +Spaanse Joden en Spaanse Muzelmannen. Reeds in de 13<sup>de</sup> eeuw klagen de +mannen der kerk er over hoe ze overal in Languedoc veracht worden, hoe +weinig er voor de tienden binnenkomt, hoe de godsdienst zonder enig +respekt bespot wordt en hoe dikwels de geesteliken zelf persoonlike +overlast te verduren hebben. Lyries entoesiasme en strijdbare ketterij, +aestetiese religiositeit en Latijns rationalisme—dat is de houding van +de wereld der troubadours tegenover het Kristendom.</p> + +<p>Die zelfde lichte ontvlambaarheid en weerspannigheid vindt men overal in +het maatschappelik verkeer terug. Die Zuid-Franse ridders vechten niet +alleen met het zwaard en om grondbezit, maar ook met woord en pen, met +spot en kritiek, met intriges en chicanes om duizenderlei dingen van +niets, twistpunten die overal met de wapenen des geestes uitgevochten +worden. De bisschop van Clermont valt met een schimpdicht op de Dauphin +van Auvergne aan omdat diens slotvoogd een dame, die iemand daar spek +had laten halen, om eieren in te bakken, met een half schijfje +afscheept,—en die dame was nog wel de aangebedene van de Dauphin. Deze +laatste antwoordt met allerlei beschuldigingen tegen de Bisschop. Een +andere pennevete had die zelfde Dauphin met de baljuw van de burggraaf +van Turenne. De Dauphin had de dochter van de burggraaf lief en kwam +daarom dikwels aan het hof op bezoek, maar nam die gelegenheid dan +veelal waar om geld van de baljuw te lenen en toen die hem nu daarover +lastig begon te vallen, hield de Dauphin, in plaats van te betalen, met +zijn bezoeken op, waarom zijn schuldeiser hem nu in schimpdichten +verweet dat zijn liefde zo snel vervloog.</p> + +<p>En het maatschappelik leven is al even vol van liefdesintriges als van +onderlinge twisten. Hoe sterk juist die dingen zijn, daar weten de +kroniekschrijvers heel wat van te vertellen,—over de bijzitten der +baronnen of de „vrienden” van de getrouwde vrouwen of van de ruwe, +gruwelike wraak van een echtgenoot of jaloerse vrouw. Maar de liaisons +in Zuid-Frankrijk hebben toch nog een geheel ander karakter dan b.v. de +grove wellust der Noord-Franse baronnen, of de bloedige hartstocht der +Italianen, meestal is het een gezellig flirten geweest, waarin sympatie +en zucht om te behagen meer te zeggen hebben gehad dan de zinnen,—een +<span class="pagenum" title="69"></span><a id="p_69"></a>literair gekleurde schoonheidskultus of een artistiek spelen met +gevoelens en gemoedsbewegingen, die onwillekeurig uit elke verhouding +munt voor een „roman” slaat. De koketterie der dames en de galanterie +der Ridders zowel als het gehele maatschappelike leven ontwikkelen die +fijnere soort van het spel der liefde, waarbij een glimlach, een +handdruk of een vriendelik woord het middelpunt uitmaken van +verwikkelingen en intriges, aanleiding geven tot een „scene”, de +gemoedsbeweging opwekken en de twee partijen in spanning houden, en het +genot van zulk een verhouding wordt op die manier over allerlei kleine +nietsjes verdeeld, maar die elk op zichzelf die fijner besnaarde mensen +evenveel zielsgenot verschaffen als het meest massieve liefdesgenot de +grove Noordeling geeft.</p> + +<p>En bij die liefhebbende en twistende mensen ontstaat nu een dichtkunst +en gezang over twist en liefde. Daar staat een schare van dichters op, +die niet alleen aan de in die hogere kringen uit het volkslied geboren +dichtkunst een artistieke vorm geven,—dansballaden en romancen, alba's +en pastoralen—maar ook een hoger en meer persoonlike kunst scheppen om +aan alle gevoelens die dat leven wekt, uitdrukking te geven. En van al +de maatschappelike standen die daar te Toulouse of te Aix de toon +aangaven, heeft de ene al evenveel tot die zwerm dichters bij gedragen +als de andere. Wel is waar zijn de meeste troubadours arme zonen van +ridders en kleine heren, maar er lopen toch ook wel zonen van de +burgerklasse onder, ja zelfs wel eens een enkele keer een van de bij +uitstek begaafden onder de dienende klasse, die er ingeslaagd is de +slotskringen binnen te dringen; er zijn geesteliken bij, die het +klooster uitgelopen zijn, maar ook rijke baronnen en hoge vorsten; de +oudste die men kent is graaf <span xml:lang="fr">Guillaume</span> van Poitou, die omstreeks het +jaar 1100 dichtte. Velen van hen hebben niet eens zelf kunnen schrijven, +maar een zekere geleerde opvoeding hebben ze toch bepaald gehad; van één +lezen wij uitdrukkelik dat hij 's winters op school ging en er zijn +duidelike sporen in hun werk op te merken van kennis der Latijnse +kerkpoëzie en nu en dan van de literatuur en mythologie der Latijnse +oudheid. Velen van hen dragen zelf hun gedichten voor, maar naast hen +vindt men in den regel „<span xml:lang="fr">jongleurs</span>” die met hen rondtrokken en hun +gedichten voor hen accompagneerden en opzegden.</p> + +<p><span class="pagenum" title="70"></span><a id="p_70"></a></p> + +<h2><a id="VII"></a>VII.</h2> + +<p class="subh2">DE KUNST DER TROUBADOURS.</p> + +<p><span xml:lang="fr">L'Art de Trobar</span> werd gevoeld als een kunst en was dat dan ook, die +uitgevonden was door mannen van kennis, die door studie aangeleerd kon +worden en beoefend moest worden met zorg en verstand. Reeds de oudste +troubadour van wie wij liederen hebben, spreekt van zijn werkplaats, +beroemt er zich op zijn handwerk te verstaan en alle troubadours spreken +van het smeden en vijlen of van het optimmeren van hun gedichten. Van +het begin af was het al een sisteem van regels die gevolgd moesten +worden om goed te „<span xml:lang="es">trobar</span>”, door die regels komt de kunst hoe langer hoe +meer in het nauw, totdat de gedichten er in verstikken. Naast de +volks-poëzie en de salon-poëzie die allen kunnen verstaan en bijna een +elk kan maken, komt de troubadourkunst te staan als iets dat slechts de +uitverkorenen kunnen hanteren en dat zich slechts tot een zeer enge +kring van kenners richt, dat slechts wil „<span xml:lang="es">grat de las melhors</span>” en zich +absoluut niet bekommert om bijval van de „<span xml:lang="es">desconnoissedors</span>”.—Maar die +kunst is in voortdurende ontwikkeling en het komt er voor elke dichter +op aan tot haar vervolmaking het zijne bij te dragen. „<span xml:lang="es">Trobar</span>” is +uitvinden en in tegenstelling met de „<span xml:lang="fr">jongleurs</span>” die overal de gedichten +van anderen komen voordragen, of die, waar zij zelf dichten, dit anoniem +en onpersoonlik doen, geheel in de oude sporen, laat de troubadour er +zich op voorstaan zelfstandig op te treden en trots tekent hij zijn +gedichten met zijn naam. Nieuwe melodieën, nieuwe versvormen, een nieuwe +inhoud moet elke troubadour op de been brengen. Het is dit streven naar +orginaliteit dat de poëzie steeds meer gekunsteld maakt. „Ik wil een +nieuw lied zingen,” begint er een troubadour, „met grote moeite, opdat +het op geen ander lijke, want een lied dat aan andere doet denken is +niet goed en niet schoon.” En een ander: „Ik vind het altijd vervelend +te vertellen dat ik ween en van liefde zucht, want dat liedje kent de +hele wereld van buiten. Ik wil nieuwe verzen schrijven met lieflike +melodieën, maar wat kan ik nu nog bedenken dat niet reeds gezegd is? Wat +moet ik dan doen? Ik zal de oude dingen op een nieuwe manier moeten +zeggen, zo zal mijn gedicht er uitzien alsof het nieuw was.” In +tegenstelling dus met de traditionele en de volkspoëzie, stelt de +troubadourskunst—evenals de hofpoëzie der skalden in het Scandinaviese +Noorden—het aristokratiese en individuele op de voorgrond, dwingt de +kunst in conventionele,<span class="pagenum" title="71"></span><a id="p_71"></a> kunstige vormen, maar spoort binnen die perken +de enkelingen toch aan, hun eigenaardigheden niet te verbergen en te +trachten elkaar te overtreffen.</p> + +<p>De poëzie der troubadours is nu in de eerste plaats een lied, begeleid +door de viool of de harp. „Een liedje zonder muziek is gelijk een molen +zonder water”, heet het uitdrukkelik en de troubadours waren vooral +komponisten. In plaats van de eenvoudige, eentonige muziek van het +volkslied met zijn symmetriese herhalingen van de melodie, geven zij er +een dat veel kunstmatiger is, waarschijnlik onder invloed van de +kerkmuziek. Maar van die muziek der troubadours hebben wij eigelik niets +meer over dan de afspiegeling er van in hun verskunst. Als een stroom +van harmonie, een volheid van rijm en rhythme is die verskunst aan komen +storten en heeft een ieder met zich medegesleept. Het rhytme, meestal +levendig jambies, laat niet, gelijk de volkspoëzie, versregels van de +zelfde soort, regel aan regel op elkaar volgen, maar laat lange en korte +afwisselen, en geeft strofen van zeer verschillende lengte en bouw. Met +versregels van 2 à 3 lettergrepen tot 10 à 12, met strofen van 3 à 4 +regels tot 20 toe, gaf de troubadour-poëzie het aanschijn aan zulk een +enorme massa combinaties, dat die na de eentonige rhytmiek van het +kerkgezang en de volkspoëzie, werken moest als de openbaring van een +geheel nieuwe tonen-schoonheid. Misschien bestaat er verband tussen deze +strofenbouw en die der Oudheid en der Arabieren, maar in elk geval +betekende de kunst der troubadours een hele revolutie in de uiterlike +vormen der Europese poëzie en werd het uitgangspunt van de rijkdom in +versvormen der gehele moderne lyriek.</p> + +<p>Maar nog meer werd de welluidendheid een geliefkoosd hulpmiddel voor de +Provençaalse kunst. De natuur had die taal in dit opzicht goed bedeeld: +de brede open vokalen hadden het een zekere volheid gegeven, de +konsonanten, zo krachtig in vergelijking met Frans en Italiaans, en de +harde konsonantengroepen (tg, tz, rn, enz.) verleenden het ook veel +karakter. En bovendien heeft de taal een grote rijkdom aan rijmen, +aangezien zo veel verschillende Latijnse uitgangen in het Provençaals +zijn samengevallen,—<span xml:lang="la">amati, amatis, amatus,</span>—dit is alles tot amatz +geworden. Van deze natuurlike rijkdom aan rijmen van de taal, heeft de +troubadourskunst alle mogelike voordeel getrokken. De volkspoëzie had +zich vroeger tevreden moeten stellen met vokaalrijmen, <span xml:lang="fr">assonance</span>; maar +de kunstlyriek eist volle rijmen en voert die nu in om door de gehele +latere Europese dichtkunst gevolgd te worden. En er<span class="pagenum" title="72"></span><a id="p_72"></a> komen nog meer +gekunstelde rijmen op,—de zogenaamde „<span xml:lang="fr">rimes riches</span>” worden ingevoerd, +waar dezelfde klankkombinatie, maar met verschillende betekenis (art = +kunst en = brandt) op elkaar rijmen, zo wel als moeilike, zeldzame +rijmen, of rijmen bestaande uit vele lettergrepen of zelfs vele woorden; +als spelend vormen zij rijmen van dezelfde eind-konsonanten, maar +verschillende daar aan voorafgaande vokalen (ars, urs, ors, ers) of uit +verschillende grammatiese vormen van hetzelfde woord bestaande. Of wel +worden de rijmen gekruist inplaats van op elkaar te volgen en worden ze +ver van elkaar af geplaatst; soms moet het oor dan 5 à 6 regels wachten +voor het komt. Op die wijze worden lange rijm- en rhytme-strofen gevormd +met grote afwisseling. Daar staat tegenover dat het oor ook voortdurend +gebombardeerd wordt met hetzelfde rijm, en dat de strofen rhytmies aan +elkaar gesmeed worden, doordat b.v. de rijmen van de ene strofe naar de +andere overgaan, door het hele gedicht heen, of doordat de nieuwe strofe +met het woord begint waarmede de vorige eindigde. Door zulk een kunst, +door zulke gekunsteldheidjes worden nieuwe dichtvormen verkregen. En +midden in de regels speelt men met woorden van dezelfde stam: „<span xml:lang="es">A Lunel +lutz una luna luzens</span>”, of met woorden van dezelfde klank maar +verschillende betekenis: „<span xml:lang="es">ongle—oncle</span>”. Men heeft ook oor er voor om de +vorm naar de inhoud te richten. Zo worden b.v. in een speciale +dichtvorm: „<span xml:lang="fr">descort</span>”, het disharmoniese heen en weer geslingerd-worden +van een liefdeziek gemoed tussen zaligheid en wanhoop, door het steeds +veranderende rhythme der strofen getekend. Slechts bij uitzondering +horen wij een troubadour verklaren dat hij een vrolike melodie aanslaat, +„omdat anders niemand naar zijn lied luisteren zou, zo treurig is de +inhoud.”</p> + +<p>En evenals de versvorm zijn de taal zelf en de stijl het voorwerp van +een artistiek aristocratiseren. „In mijn hart draag ik de vijl,” zingt +een troubadour, „waarmede ik schone woorden vijl en ik zet ze in schone +rijmen, omdat ik een schoon wezen bezing.” Niet van alle landstreken +wordt het dialekt geaccepteerd als een „<span xml:lang="es">natural e drecha parladura</span>”: als +Frans goed is voor epiek en de pastorale, is het dialekt van Limousin +beter voor de lyriek. Niet alle woorden vallen in de smaak; onfijne, +platte woorden zijn uit hun poëzie verbannen, „want hij die bemint, moet +zijn goede opvoeding tonen niet alleen in handelingen maar ook in +woorden.” Men gaat zich op de grammatiese korrektheid toeleggen en men +begint grammatica's te schrijven. Veelal<span class="pagenum" title="73"></span><a id="p_73"></a> verheft men bewust de stijl +boven de gewone prosa door de massa rethoriese en poëtiese figuren die +dikwels uit het Middeleeuws Latijn of de klassieken stammen of uit de +bijbel. Men heeft antitesen en metaforen, vergelijkingen en +personificaties in de antieke kunststijl: de pijlen en het vuur der +liefde, haar koude vlammen en zoete smart, de gepersonifieerde Amor, of +zinswendingen als: „Gelijk de magneet... aantrekt, zo...” enz. Het is +invloed van de bijbel wanneer een vorst „de ceder der vrolikheid” +genoemd <ins class="corr" id="corr16" title="Bron: word">wordt</ins> of een dame: „de toren der eer”. De gehele +rhetoriese woordenvoorraad uit het Middeleeuws Latijn komt weer te +voorschijn: de roos der schoonheid, de lelie der reinheid, de bloem der +welvoegelikheid, der eren kroon, de spiegel der vreugde, de alsem der +bitterheid.</p> + +<p>Velen onder de troubadours maken hun stijl met opzet donker en moeilik +te verstaan—wat vooral op te merken valt waar de poëzie zich boven het +gemeenzame verheffen wil: in de Alexandrijnse tijd zowel als in de laat +Romeinse Keizertijd, aan het Perziese hof zowel als bij de Noorse +Skalden. „<span xml:lang="fr">Le trobar clus</span>” (gesloten) is het aestetiese program voor een +bepaalde richting onder de troubadours. De geleerde Arnaut Daniel +imponeerde zijn tijdgenoten zowel als de nakomelingschap (b.v. nog +Dante) door zijn kunstige stijl, ofschoon er spotters waren die +beweerden dat niemand zijn poëzie begreep. Hij vormt nieuwe woorden, +bouwt lange, ingewikkelde zinnen, geeft omschrijvingen in raadselachtige +bewoordingen, en zit vol woordspelingen en geleerde toespelingen: „jaagt +hazen met ossen en zwemt tegen stroom in”,—zoals hij zelf zegt over +zijn jacht op verrassende en ver gezochte beelden. Het is Latijnse +rhetorenstijl wanneer Spanje omschreven wordt „als het rijk dat de Ebro +doorstroomt”, de meest onnodige onzer oude Scandinaviese poëtiese +omschrijvingen worden overtroffen wanneer een moeder met „de zuster van +mijn oom” werd aangegeven; en wanneer „de liefde die hem in het harte +regent, hem warm houdt, hoe zeer de winter ook buiten woedt”, dan is dit +niet anders dan een proefje van Perziese hoflyriek. Een ander aanhanger +van deze „<span xml:lang="fr">estilh clus”, Guiraut de Bornelh</span>, gaf dat later op en zeide +toen in een polemiek over die kwestie dat men volgens hem beter deed zo +te dichten dat men door een ieder verstaan kon worden; „per slot van +rekening is dat ook het moeilikste.” Maar zijn tegenstander beweert: +„neen! dan zouden allen gelijk worden. Indien de dichtkunst tot een +ieder komt, vermindert die in waarde, gelijk alles wat binnen het bereik +van Jan en Alleman komt; goud is<span class="pagenum" title="74"></span><a id="p_74"></a> duurder dan zout, omdat het zoveel +zeldzamer is, en zo wordt ook die dichtkunst het hoogst geschat, die het +moeilikst toegankelik is.”</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Deze fijne kostbare kunst is het nu waar het Zuid-Franse adellik leven +zijn ziel in uitstort en waaraan het eigen vorm geeft. De troubadours +eindigen de meesten van hun gedichten met een „<span xml:lang="es">tornada</span>”—een kleine +„staart”—<span xml:lang="es">cauda</span>—die het rhythme en 't rijm van het gedicht nog eens +herhaalt als in een refrein en tegelijk de bedoeling in het kort +samenvat en aangeeft voor wie het bestemd is,—voor een bepaald persoon +of voor een hele klasse van hoorders. Feitelik is de poëzie der +troubadours oorspronkelik direkt uit het leven ontstaan en heeft dan ook +zijn bepaalde praktiese taak in dat leven, zij is gelegenheids- en +tendens-poëzie zo goed als enig andere. Al die schermutselingen die +vroeger met mond en zwaard of per brief tussen de baronnen en de +burchten plaats grepen of tussen de kerk en de wereldlike macht, alle +vleierijen van de Heer, of bespotting van zijn vijanden die in de hal +weerklonken hadden, alle woorden van liefde of laster die in de +binnenkamer gefluisterd waren,—dit alles zou nu de vleugelen van de +zang en de muziek te hulp roepen om zich beter te bewegen en verder door +te dringen. Wat vroeger in 't Latijn geschreven was, werd nu door de +troubadours in een lichte, populaire vorm gegoten. De Provençaalse +kunstpoëzie is veelal te beschouwen als een voortzetting van de Latijnse +lofzangen, of grafliederen die de geesteliken aan de hoven op hun hoge +meesters gedicht hadden, of van de strijdschriften die een notaris of +een kanselier in de dienst van hun Heren geschreven hadden, van de +preken ten gunste van de kruistochten van een Bernhard van Clairvaux of, +omgekeerd, van de Latijnse hekeldichten der vaganten tegen Rome en de +geestelikheid.</p> + +<p>Een „<span xml:lang="es">Sirventes</span>” betekent letterlik een dien-dicht (<span xml:lang="es">sirven</span> = dienen, +<span xml:lang="fr">servir</span>), door een hofdichter tot lof van zijn heer of tot bespotting van +diens vijanden en in zijn politieke dienst geschreven, maar +langzamerhand is het in 't algemeen de vorm geworden voor alle +persoonlike religieuse en morele polemiek en vindt de gehele kritiese en +strijdlustige Zuid-Franse geest in het „<span xml:lang="es">sirventes</span>” zijn uiting.</p> + +<p>Bertran de Born, heer van <span xml:lang="fr">Hautefort</span> in <span xml:lang="fr">Périgord</span>, was de eerste, de +voornaamste man van de politieke „<span xml:lang="es">Sirventes</span>”. Gelijk de Arabiese zonen +der woestijn, of de jambici der Griekse eilanden of de oude sagahelden +van IJsland was hij, in één persoon verenigd, een strijder met het +zwaard en met het woord; het is Eris, de strijd zelf, die<span class="pagenum" title="75"></span><a id="p_75"></a> tot gedicht +wordt als bij Amrilkais of Gunlaug Ormstunge of Archilochos. Bertran en +zijn broeder bezaten te samen een klein familiegoed, maar zij hadden het +voortdurend met elkaar aan de stok; eerst was Bertran een tijdlang door +zijn broer weggejaagd, maar had toen op zijn beurt hem verdreven en de +burcht dapper tegen een groot vijandelik leger verdedigd. Onverstoord +zong hij onderwijl door: „Nu brandt en verwoest men mijn land, kapt men +mijn bos en mengt mijn zaad met stroo; al mijn vijanden grijpen mij aan, +als ik twist tussen de baronnen zaaien kan, zal ik ze ook wel weer bij +elkaar kunnen brengen.” Met vurige strijdlust mengt hij zich in het +oproer der Aquitaanse baronnen tegen Richard Leeuwenhart, die toen als +prins de stadhouder van de Engelse koning in Zuid-West-Frankrijk was. +Bertran blijft onvermoeid de jongere broer Hendrik en de vazallen tegen +„die schrok-op uit Poitou” op zetten, „Richard ja-en-neen”, zoals hij +hem noemt, en hij belooft zelf onder de muren van Perigueux te komen +waar Richard toen resideerde en zijn hersens in te slaan, als hij zich +durft vertonen. Hij hoont de lafaards maar spreekt degenen moed in die +een hartig woordje helpen kan, de een houdt hij voor de gek als hij een +vernedering ondergaan heeft, een ander weet hij te bewerken door zijn +afgunst op te wekken, komt met hatelike toespelingen aan, geeft de +mensen allerlei bijnamen en is al even erg als Loki wanneer het er op +aan komt de mensen te plagen en tegen elkaar op te zetten. <span xml:lang="fr">Talairand</span> is +een echte „Lombard”,—als andere woedend opspringen, rekt hij zich even +uit en gaapt... „Willem van Gordon, jou mag ik wel, jij hebt ten minste +een tong in je mond, maar de twee burggraven beschouw ik als gekken en +deugnieten... Aan het slot van Clairvaux hebben ze een nieuw gedeelte +gebouwd, dat de nieuwe koning zeker niet behagen zal, als hij het ziet; +maar het schittert zo heerlijk dat hij het zeker in 't oog zal krijgen.” +Hij eet zich op van gramschap wanneer hij bemerkt hoe hij zijn sporen +voor niets verslijt,—„wat zijn ze allemaal laf, die baronnen, ze +moesten allemaal zich maar de kruin laten scheren of zich aan handen en +voeten laten beslaan als een paard.” Maar het jubelt in hem wanneer hij +de baronnen zich ziet wapenen en burgers zich gaan verschansen en het +wapengekletter dus weldra over de vlakte te horen zal zijn... Intussen +was de jonge prins Hendrik gestorven en had Bertran hem een groot +rhetoriese elegie gewijd, geheel en al in de pompeuse hoogdravende stijl +van de Latijnse „<span xml:lang="la">planctus</span>” die abten en bisschoppen bij de dood der +vorsten op bestelling<span class="pagenum" title="76"></span><a id="p_76"></a> schreven. Hij verzoende zich met Richard maar +kreeg niet minder stof voor zijn <span xml:lang="es">Sirventes</span> in de twisten tussen de +Engelse koningen en Philip Augustus van Frankrijk,—hij doet wat hij kan +om de vorsten tegen elkaar op te zetten en tegelijk had hij nog even +voor eigen rekening een twistgeschrijf op rijm met koning Alphons van +Aragon.</p> + +<p>Al die polemiese geschriften zijn eigelik maar half poëzie,—het zijn +onze krantenartikelen,—een oproep, een opruiing, of een uitdaging. Maar +er is iets bepaald demonies bij Bertran, wanneer hij zingt: „Al is er +overal om mij heen vrede,—een duim breed grond is mij genoeg om te +vechten... Mij is de vrede gehaat, tot strijd alleen mijn zin nu staat; +mijn hart is aan strijd alleen gewijd”, of wanneer hij als dronken is +van verlangen naar het voorjaar, niet wegens het nieuwe groen of het +gezang der vogelen, maar eerder wegens de mannen en paarden die hij dan +ten kamp bereid zich zal zien opstellen, mensen en beesten die hij zal +zien vluchten, muren die kraken en de paarden der gevallenen die over de +velden snellen: „eten noch drinken noch slaap verkwikt mij zo zeer als +wanneer ik de kreet „Vooruit!” hoor, en de paarden hinniken, en er +hulpgeroep weerklinkt en de gevallenen daar liggen met de bewimpelde +speren nog in hun zijde.” En zijn haat van edelman tot boer en burger +breekt in hevig leedvermaak uit, „het doet mij goed wanneer ik die +ellendige geldmannen die met de adel twisten, in het ongeluk zie... +wanneer ik ze naakt zie lopen bedelen... Een boer is een zwijn, als hij +rijk wordt, verliest hij zijn verstand; daarom moeten wij zijn trog +steeds leeg trachten te houden. Hij die er zijn boer niet onder houdt, +versterkt hem in zijn slechtheid... Niemand moet hem beklagen als men +hem zijn arm of been ziet breken of wanneer hij aan het noodzakelikste +gebrek heeft... Dat overmoedige gespuis is niet te verdragen. God zende +hun alle ongeluk!”</p> + +<p>Een andere soort van „<span xml:lang="es">Sirventes</span>” is de moraliserende. De grote man +daarvoor is <span xml:lang="es">Peire Cardenal</span>. Van voorname geboorte, „vrolik, schoon en +jong”, maar bezield door een levendig gevoel van recht dat onder leugen +en onrecht leed, maakte hij zich tot een soort van <span xml:lang="es">Don Quichot</span> van het +recht, en zijn kunst tot een ridderdegen die tegen alles en een ieder +gericht was. Dan eens zijn het de geesteliken daar hij het op voorzien +heeft: dat zijn gieren en roofvogels die rot vlees ruiken en op allen +aanvliegen die op 't punt staan te sterven om hun een testament af te +persen; het zijn de Isengrims die zich in een schapenvacht hullen.<span class="pagenum" title="77"></span><a id="p_77"></a> Dan +weer zijn het de grote Heren: Waar een machtig man op straat loopt, +wordt hij door kwaadaardigheid en hebzucht vergezeld, daar draagt het +onrecht de banier en hoogmoed loopt vooraan... Indien men een baron +alles gaf, van Turkije tot Normandië toe, zou men toch geen vrede met +hem krijgen... Indien men in zulk een machtig man op een stuk of twee, +drie plaatsen een gaatje prikte, zou er toch niets anders dan een stroom +leugens gelijk een waterval uit zijn hart komen storten. Dan is het de +beurt van de vrouwen: als men een vrouw een daalder in de hand stopt +voor de waarheid en een cent voor de leugen, dan wint de cent het. Of +wel moeten alle mensen tegelijk het ontgelden: die zijn als de +muntstukken waar een kruis en de lelies buiten op staan, maar waar geen +zilver in zit als men het smelt; hun goedheid is van dien aard dat, +indien stenen brood waren en water wijn en de bergen zijden spek, dan +gaven ze toch nog niets weg; op een smal reepje leder—de helft van de +duim van mijn handschoen—zou ik alle rechtvaardigheid kunnen schrijven +die in de wereld is. Op die wijze brengt ook bij hem de hartstocht +altijd weer nieuwe grille beelden voort—als bij Dante—en houden nieuwe +burleske invallen de toehoorders in spanning, als bij de bedelmonniken. +En ten slotte treedt onze Paladijn onversaagd tegen God zelf op en +klaagt dat die zijn macht niet gebruikt heeft om de duivel en het kwade +te verpletteren, maar nu de mensheid met de hel straft voor het kwaad +dat zij bedreven hebben waar God zelve de oorzaak van is. „Welk een +machtig heerser God ook is, toch zal hij van al dat onrecht rekenschap +af moeten leggen.”</p> + +<p>En het rumoer van die <span xml:lang="es">Sirventes</span> klinkt veelstemmig over geheel +Zuid-Frankrijk. Krasse kruistochtliederen en even krasse liederen tegen +Rome en de geestelikheid. Liederen als van een hoveling bij de dood van +vorsten met lofgezangen over de afgestorvene en schimpwoorden over zijn +vijanden. Troubadours die elkaar niet in hun gedichten ontzien, waarin +dikwels kritiek over alle kollega's voorkomt: het zou beter zijn als hij +met een psalmboek liep in plaats van de liefde te bezingen; wat hij +dicht, klinkt zo somber als de woorden van een oude waterdraagster en +zelf lijkt hij wel een gedroogde lederen waterzak. Marcabrun, een +vondeling uit Gascogne heeft tot specialiteit uit pure nijdasserigheid +alle vreugde en liefde belachelik te maken en cynies te vertellen hoe +hij zich door alle omstandigheden des levens heen weet te draaien, +altijd op zijn eigen voordeel uit is, het spesiale terrein van anderen<span class="pagenum" title="78"></span><a id="p_78"></a> +af te jagen en zich altijd een achterdeurtje open weet te houden,—wat +toch niet heeft kunnen verhinderen, dat hij door een edelman gedood werd +wegens zijn giftige lastertong. Amusanter is de Monnik van +Montaudon,—de humorist onder de dichters der <span xml:lang="es">Sirventes</span>. Van voorname +geboorte, was hij reeds heel jong in de monnikspij gestoken, maar liep +uit het klooster weg en kreeg, zo als beweerd wordt, de permissie van +zijn supérieuren om als troubadour de wereld door te trekken, op +voorwaarde dat hij een deel van zijn verdiensten aan het klooster +afstond. Zijn jolige gedichten noemen alles op waar hij van houdt,—een +lekkere zalm bij het noenmaal, of op een weide naar het gezang der +vogels te liggen luisteren en in 't geheim een bezoek van zijn geliefde +te krijgen; zowel als alles wat hem tegen staat—een echtgenoot die zijn +vrouw al te zeer bemint, of een ridder die voor de wereld veel drukte +maakt, maar thuis peper maalt. De vrouwen vervolgt hij met geestig +sarkasme,—hoe vlijtig zij de „schilder”-kunst verstaan, zodat de +kleuren op hun wangen de schilderijen der kapel in de schaduw stellen en +hoe de safraan enorm in prijs gestegen is; en in gezellige samenspraken +disputeert hij met God over de ondeugden der vrouwen en hoe die het best +te kureren zijn en God verwijt hem dat hij weer in 't klooster gegaan +is: hij amuseerde èn de mensen èn God toch veel meer toen hij als +troubadour rondtrok!</p> + +<p>Een heel bizondere arena voor de strijdlust der troubadours was een +soort versduellen die men tenzonen noemt. Het is een zeer oude populaire +dichtsoort; zo wel de Tyrolers („<span xml:lang="de">schnadahüpferl</span><ins class="corr" id="corr17" title="Niet in Bron.">”</ins>) als de Noorse +boeren kennen die, evenals de Toskaanse en Siciliaanse herders. +Natuurlik genoeg werd dit dichtgenre, zo uitnemend passend in de +gezellige samenkomsten in Provence, aan een artistieke behandeling +onderworpen. Oorspronkelik is het zeker wel werkelik een twistpunt +geweest tussen twee personen dat op die manier op staande voet door de +zangers in zulk een verskamp werd beslecht. Maar hoe meer gewicht er +langzamerhand aan de vorm gehecht werd, des te minder kon er sprake zijn +van improvisatie en zo volgde de eene strofe de andere met een +tussenruimte op. En zo werd het langzamerhand ook niet altijd een +persoonlike kwestie die berijmd werd; dikwels was het de een of andere +algemene vraag die bedebatteerd werd. Wanneer in een gezelschap een +zeker punt aangeroerd was dat tot meningsverschil aanleiding had gegeven +in de loop van het gesprek, dan kon het gebeuren dat een dame twee +aanwezige troubadours<span class="pagenum" title="79"></span><a id="p_79"></a> uitnodigde, zich tot de voorvechter van een der +twee tegenovergestelde opvattingen te maken, of wel nodigde de een zijn +kollega uit een der twee opvattingen te verdedigen, terwijl hij dan de +andere tot de zijne maakte en bij de volgende samenkomst kwamen zij dan +goed voorbereid en „voerden de liederen-kamp op.” En het gebeurde dan +veelal dat men de beslissing overliet aan degene die de vraag aanhangig +had gemaakt of wel werd er door vrije keuze een jury gekozen b.v. van +voorname dames. Veel zeer mooie gedichten van dien aard zijn bewaard, +ofschoon, misschien, in vele gevallen feitelik die beide rollen door een +en dezelfde troubadour gedicht zijn. Men disputeert b.v. over de goede +eigenschappen der verschillende volkeren. Of men het recht heeft de +liefde ener vrouw te weigeren, alleen omdat zij oud wordt. Of een dame +de edelste of de voornaamste van haar aanbidders de voorkeur moet +schenken,—de <span xml:lang="fr">Dauphin</span> van <span xml:lang="fr">Auvergne</span> houdt zich grootmoedig aan het +eerste, zijn burgerlike tegenstander bescheiden aan het laatste. Wat of +erger is: schuld te hebben zonder die te kunnen betalen of te beminnen +zonder wederliefde te krijgen;—Eble verklaart dat met alle respect voor +ongelukkige liefde is het toch erger wanneer men door zijn krediteuren +vervolgd wordt en zich niet in zijn mooie kleeren op de markt durft +vertonen; waarop <span xml:lang="fr">Guillem Gasmer</span> opmerkt dat men zijn schuldeiser met +fraaie woorden kan paaien, maar dat men van liefdesmart niet zo gauw +afkomt.</p> + +<p>Dergelijke wedstrijden hebben aan vele hoven gebloeid. Maar eigenaardig +voor de Zuid-Franse hoven is de in 't oogvallende plaats die kwesties +van de Liefde in deze debatten innemen. Niet alleen dat de dichters der +<span xml:lang="es">Sirventes</span> de groten „tot hoge daden” aan moeten sporen, „de kwaden +moeten beschamen” en zonder vreze <ins class="corr" id="corr18" title="Niet in Bron.">„</ins>herauten der waarheid moeten +zijn”, zowel als, waar ze zeer trots op zijn, door hun lied de roem van +hun weldoeners het eeuwige leven schenken,—als dichters van Canzonen +hebben de Troubadours een niet minder hoge roeping—de verkondiging van +de religie der Vreugde, van een gelukkig samenleven en van de Liefde.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>In het element der vreugde leef ik gelijk de vis in het water, zingt +<span xml:lang="es">Arnaut de Maruelh</span>; elke keer dat de zoete lentelucht weer mijn hart tot +nieuw leven wekt, voel ik, dat ik tot vreugde geboren ben. Ik verheug +mij over het gezang der vogels en over de bloemen—jubelt Bernart de +Ventadour—over mij zelf,<span class="pagenum" title="80"></span><a id="p_80"></a> maar nog meer over mijn Vrouwe, aan alle +kanten ben ik door vreugde omgeven, maar deze overtreft alle anderen. +Veel meer dan de vogels heb ik reden om te zingen, ik die alle dagen +slechts voor zang en vreugde leef en aan niets anders denk. „<span xml:lang="es">Joi</span>” en +„<span xml:lang="es">Gaug</span>” (vreugde), „<span xml:lang="es">Joi e deport</span>”, die woorden gaan als leitmotif door de +gehele dichtkunst der troubadours. In scherpe tegenstelling met het +tragiese patos der heldendichten en de sombere plechtigheid van de kerk, +komt nu het nieuwe jolige lied met zijn koloratuur en zijn trillers. +„<span xml:lang="es">Joi e deport</span>” betekent dat gevoel van de edelman die zich „vrij weet +van materiele en geestelike beslommeringen” en dat heerlike gevoel moet +de troubadour opwekken en levendig houden. Een vrij geboren +natuur—zingen ze—kan niet in droefenis in beslommering leven, hij moet +alles liefhebben wat heerlik is en schoon—schone wapenen, een vrolik +tijdsverdrijf, hoofse gezelligheid; niets van dit alles is uit den boze +en dat zal ook niet door God gestraft worden, gelijk diegenen geloven +die jeugd en vreugde in miskrediet willen brengen omdat ze zelf niet +weten wat vreugde en milddadigheid betekenen (<span xml:lang="es">Guiraut de Bornelh</span>). De +vreugde is de wortel van alle goeds, „<span xml:lang="es">se</span> (zonder) <span xml:lang="es">joi non e valors</span>”, de +vreugde maakt de mens dapper, goed, beminnelik en bemind. Het is die +opgewekte stemming bij de hogere klassen, Euphorie, welke de Duitse +troubadours „<span xml:lang="de">hohe muot</span>” noemen of „<span xml:lang="de">riche muot</span>”; „geen enkele keer heb ik +hem in treurige stemming gezien” leest men in een lofzang over een +gestorven vorst.</p> + +<p>Maar „<span xml:lang="es">joi</span>” is ook nog iets anders, het zwelgen van de lyricus in zijn +gevoelens, zijn roes over de innerlike rijkdom van zijn ziel. Het zelfde +sentimentalisme dat bij St. Bernhard in het gevoelskristendom en het +entoesiasme voor de kruistochten uitsloeg,—dat is het wat bij de +troubadours tot de gevoelens van gelukzaligheid wordt en tot hun eroties +dwepen. Tegenover de baronnen die slechts aan hun goederen denken en +strijd, en aan alles wat ze op kunnen nemen en aanraken, verkondigt de +troubadour paradoxaal de vrijheid en rijkdom van het innerlike leven: +daar buiten is het najaar en alles verwelkt, daar is het winter en alles +bevriest, maar in mij staat de lente in de knop en bloeit het als in de +zomer. Eén glimlach van mijn geliefde is mij meer waard dan al het goud +van Arabië, in mijn liefdesgeluk zou ik met de koning van Engeland niet +willen ruilen. Maar daar staat tegenover als een niet minder +merkwaardige paradoks, dat ongelukkige liefde erger is dan tandpijn en +onaangenamer dan schulden te hebben.<span class="pagenum" title="81"></span><a id="p_81"></a> En toch—toch is de ontbering van +een teleurgesteld minnaar de dichter dierbaarder dan het ruwe toegeven +aan de zinnen, wat de meesten onder liefde verstaan.</p> + +<p>De lente is de tijd van de vreugde en het sentimentele dwepen. De +liederen van Bernart de Ventadour zijn verliefde hymnen aan de +lente,—wanneer het vlas op de velden groent, de viooltjes onder de +struiken te voorschijn kijken en de beekjes helder over het zand +kabbelen, wanneer blad en bloem op alle takken knop zetten en nacht en +dag de vogel zijn gezang laat horen. Het zoet gezang van de nachtegaal +houdt hem in minnegedachten wakker en als de leeuwerik zijn vleugels 's +morgens naar de zonne uitslaat, zodat hij zich geheel vergeet en door al +'t zoete dat hij voelt de aarde nader komt, dan is het hem als zou zijn +eigen hart van zoet verlangen barsten... Gelijk men niet nalaten kan de +tong tegen een holle kies te drukken—zingt <span xml:lang="es">Guiraut de Bornelh</span>—zo kan +hij ook niet anders dan zijn hart naar de jonge bloemen wenden, wanneer +hij de takjes bloeien ziet en de zoete stem der vogels liefdedronken in +de struiken hoort. En is in 't eind van Maart de sneeuw gesmolten en de +warmte weer teruggekeerd, de weide groen, terwijl de vogels dan weer +zingen, dan wordt hij uitgelaten als een wild dier en licht ter been +gelijk de ree. De weiden en de heldere beekjes, de hagedoorn en de wilde +roos, de leeuwerik en de nachtegaal—dat is de stralende, vriendelike +lenteschoonheid die de troubadour liefheeft, en gewoonlik verleggen ze +dan ook hun scène's naar die soort tuinen, waar de ridderkastelen nu +veelal van omgeven zijn. De dichter siddert als een blad, is blij als +een vogel, en hij wordt door de blik van de geliefde verwarmd, gelijk de +natuur door de stralen van de zon.</p> + +<p>De lente is de bevrijding na de koude donkere winter, wanneer de wegen +onbegaanbaar zijn en men in de sombere, kille kamers met stenen vloeren +zit te rillen of door de rook verstikt. Nu kunnen de ridder en de +troubadour weer de wijde wereld intrekken. Een verlangen naar vrijheid +en een drang naar buiten weerklinken in hun liederen. „Het leek hem +onaangenaam, lang op één plaats te blijven,” heet het over één, en dat +geldt van velen. Bij alle weer, onder moeite en gevaren, rijdt hij te +paard overal heen—zo als <span xml:lang="es">Raimbaut de Vaqueiras</span> het in een gedicht +schildert—met de bossen en de wegen als herberg. En onderweg dicht hij: +„Ik wil een gedicht maken over niets,” begint hij, „het is gedicht +terwijl ik te paard zat te slapen,” hij voelt zich behekst, weet niet of +hij waakt of droomt; zijn hart is op 't punt van verlangen<span class="pagenum" title="82"></span><a id="p_82"></a> te barsten, +maar daar geeft hij geen sikkepitje om; wie zijn geliefde is, weet hij +niet, maar toch bemint hij haar zéér, maar toch kent hij er een die +schoner is, alleen weet hij maar niet waar hij haar vinden kan... In +zulk een stemming van opgeruimde onverschilligheid en vage verliefdheid +dwaalt de zanger om van het ene hof naar het ander. Zijn hart verheft +zich (zoals het bij de Duitse minnezangers heet) naar het licht, gelijk +de valk in zijn vlucht, of de arend zwevend in de lucht, het is hem +alsof hij over de wereld vloog en alles bezat, alsof hij gelijk het +wilde dier in de grote bossen kon rondspringen. Alles wat er aan vreugde +in hem woont, dat ontkiemt, groeit en groent; „zijn hart schiet blad en +bloem en houdt zich groen, geheel het jaar.”</p> + +<p>Fladderen, omhelzen, zingen en liefhebben,—dat is het levensprogramma +van de rondtrekkende zangers. Vrij leven en laten leven is het wat zijn +lied aanprijst. In de ruwe en sombere wereld der baronnen en monniken +brengt hij licht en warmte. Indien hij altijd milddadigheid als +hoofddeugd voorop zet, is het zeker dat hij in de eerste plaats voor +zich zelf pleit; zijn lied is dikwels niets dan een bedelpartij en +afzetterij en de Seigneur die door hem als een Alexander geprezen wil +worden—Alexander de Grote is altijd het toonbeeld van mildheid—moet +niet spaarzaam zijn met paarden en kleeren voor zijn zangers, en open +tafel houden „zonder portier”. Maar <span xml:lang="es">larguezza</span>—„<span xml:lang="de">milte</span>” heet het in het +Duits—was werkelik het voornaamste en meest tastbare bewijs, dat de +bekrompen ziel van de edelman week was geworden en zich om andere dingen +bekommerde. De begerige klauw die altijd gereed stond om te grijpen, +moest nu leren zich te openen en te geven. Hier gaat tot zekere hoogte +de dichtkunst der troubadours met de kerk in dezelfde richting; ook voor +de kerk kwam het er op aan—en niet alleen uit egoïsme—om de geest van +hebzucht en eigenbelang uit de harten te verbannen, ze van de aarde en +mammon los te maken. „<span xml:lang="es">Donar</span>”—te geven, met geld te strooien, te leven +en te laten leven—daaruit bestaat voor de troubadour het leven der +Ridders; of dat geld aan prachtige kleeren en vrolike feesten gaat of +aan weldadigheid, dat is hem hetzelfde. Hij prijst de oorlog omdat die +dwingt de hand te openen, de groten noodzaakt niet alleen te nemen maar +ook te geven. In een tenzone verdedigt een roofridder er zich mede dat +hij niet neemt om schatten op te hopen, maar om voor anderen uit te +strooien. De moralisten der kerk herinneren daarentegen aan Cicero's +waarschuwingen tegen die soort van mildheid,<span class="pagenum" title="83"></span><a id="p_83"></a> die neemt wat men geeft en +geselt de ridders die uit ijdelheid alles wat zij bezitten weggeven, en +gochelaars en jongleurs met mantels en sieraden overstelpen, terwijl de +armen buiten het kasteel van kou sterven en de portier ze als vee +wegjaagt met een „scheer je weg, slungel, mijn Heer wil naar de zangers +luisteren!” Maar de troubadours prijzen daarentegen de ridder die in +1174 bij Beaucaire 30.000 <span xml:lang="fr">sous</span> het venster uit liet werpen en 30 paarden +liet verbranden, alleen om zijn „<span xml:lang="es">larguezza</span>” te tonen of Robert Kortbroek +die alles aan gochelaars en de een of andere slet weggaf, zodat men hem +eens op een morgen zo van alles beroofd vond liggen, dat hij alleen nog +maar een hemd aan had en zo niet naar de kerk kon. „Liever ja zeggen, +dan neen!”—dat is de formule, waarin de troubadour in 't kort de +royaliteit van de ridders samenvat.</p> + +<p>In feest en gezelligheid te leven, in een beminnelik, hoofs samenzijn +met zijns gelijken—dat was alles een soort sosiaal idealisme dat de +dichtkunst der troubadours tegen de ouderwetse baronnen opstelde, die +aan niets anders dachten dan vechten met hun buren, hun goederen af te +ronden, hun boeren uit te zuigen en zoveel mogelik land en vee te +verzamelen. De vaste kastelen—klagen de troubadours—met hun grachten +en muren zijn de haardsteden van onrecht en geweld, daar is slechts +plaats voor wapengekletter, niet voor feesten en milddadigheid. De ruwe +baronnen geven niets om zang of dans of spel, lente en bloemen laten ze +koud, als de moestuin maar goed vrucht levert. Overal, van het koninklik +hof af, wordt er alleen maar met goederen en vee gehandeld als bij +kooplieden. Zelfs een kemphaantje als Bertrand de Born beweert, dat +zulke Heren die alleen maar aan jacht denken en hoe ze hun mannen er +onder kunnen houden, en nooit aan vrolike feesten,—dat die geen begrip +hebben van ridderlikheid en een hof waar geen feesten of dames te vinden +zijn is toch maar niets dan—een paar baronnen bij elkaar! „Oorlog en +wapenspel—geld uitgeven en de vrouwen het hof maken”—<span xml:lang="es">assautz e +tornei—donar e domnei</span>—al die dingen horen even goed bij het +ridderleven. En door didaktiese poëzie direkt („<span xml:lang="fr">ensenhament</span>”) zowel als +indirekt door alles wat zij verheerliken of veroordelen, maken de +troubadours zich tot de vertolkers van hofkultuur en „hoofsheid”. Het +zijn niet alleen uiterlikheden als nette manieren, waar het op aankomt, +maar die kleinigheden bij de dagelikse omgang die wellevendheid heten en +beminnelikheid. De zachte blik, gracieuse manieren, de vriendelike +groet, een kwik<span class="pagenum" title="84"></span><a id="p_84"></a> antwoord of een geestigheid, dat zijn de dingen die de +troubadours bezingen bij hun seigneur of hun meesteres. En zij houden +hun hoorders vóór, dat vriendelike woorden en een beleefd antwoord geen +geld kosten en ze vrienden doet maken en dat die gift het beste is, +welke gegeven wordt zonder dat men er om vraagt, dat een beleefde leugen +honderd maal meer waard is dan een grove waarheid en dat men, evenals de +schilders, een fraai kleurtje mag zetten op wat men vertelt, zonder zich +al te veel van de waarheid te verwijderen.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Maar de hoogste potentie van die hoofsheid en gezelligheid en het +lyries-sentimentele dwepen is voor de troubadours de Min. „Moge ik Gode +nooit zo ongevallig worden,” zingt Bernart de Ventadour, „dat hij mij +laat leven, een last voor allen, wanneer ik niet langer lief zal +hebben.” Midden in de nacht wordt hij wakker, overweldigd door zijn +vreugde, geheel in dweepzieke overpeinzingen verzonken, maar moet op +eenmaal beginnen te dichten, ofschoon hij niet weet over wat en wien. +Het is hem alsof zijn hart van verlangen smelten zal, zijn ogen worden +nat, en nog nat van tranen schrijft hij honderden groeten de wereld in +aan de schoonste en de liefelikste. In zulk een jeugdig liefde-verlangen +verkeren de troubadours. „Vrouwenjagers” noemen de mannen van de kerk +hen. Toen de goede Koning Karel de Grote—zo heet het—over alles +heerste, toen deelde hij Provence, dat vol is van wijn, bos en vlietend +water, aan speellieden en minstreels uit, die zulk een los leven +leidden.</p> + +<p>Dan eens hebben zij onderweg een avontuurtje met een herderinnetje en +dat wordt dan tot een pastorale, dan weer met een burgervrouw, bij wie +zij al hun galanterie ten toon spreiden, maar die—zo als er een in een +humoristies gedicht vertelt—daar niets van weten wil; maar heel sterk +ontvlamt het gemoed der troubadours door de schoonheden die zij aan de +hoven ontmoeten. „Menig oog heb ik gekust en menig oor,” zingt er een +tot een dame, „alleen omdat zij uw oog en oor geleken.” En wanneer een +ander door zijn aangebedene afgewezen is, zingt hij dat hij zich nu +natuurlik een andere vriendin aan moet schaffen, maar opdat zij niet bij +zijn eerste achter mag staan, moet hij bij haar de verschillende +eigenschappen terug vinden die hij bij zijn bekenden getroffen heeft en +zo vindt de zanger de gelegenheid om aan al die dames een komplimentje +te maken: haar frisse kleur en de zachte blik moet zij van u hebben, o +schone Sembeline<span class="pagenum" title="85"></span><a id="p_85"></a> en het is een heel ding dat ik van u niet alles neem, +want aan geen enkele goede gave hebt gij gebrek; Vrouwe Elise vraag ik +om haar vrolike opgewekte manier van spreken, dan wordt zo waar mijn +schone nòch dom nòch stom, de Burggravin van <span xml:lang="fr">Montausier</span> geve mij haar +hals en handen; naar <span xml:lang="fr">Rochechouart</span> rijd ik om het haar van Vrouwe Agnes, +zelfs Isolde had niet zulk prachtig haar; Vrouwe Audiartz zal haar +schone figuur en middeltje af moeten staan, enz. enz.</p> + +<p>Met een levend schoonheidsgevoel en verfijnde zinnen ontwikkelen de +troubadours nu dit schoonheidsideaal van de vrouw dat de gehele volgende +Ridderromantiek eigelik niet anders doet dan variëren of uitwerken. +Zekere trekken kunnen aan Ovidius ontleend zijn of aan andere antieke +kunst, andere aan de Byzantijnse Madonnabeelden, andere duiken misschien +reeds bij de oudere Latijnse dichters der middeleeuwen op, maar veel is +toch van de troubadours zelf. Het lichtgouden, gekrulde of golvende +haar, de fijne, liefst donkere, van elkaar afgescheiden wenkbrauwen, de +kleine mond met kristallen of ivoren tandjes, regelmatig en vlak op +elkaar,—dat zijn de gewone trekken reeds in de Latijnse gedichten van +de 11<sup>de</sup> eeuw. Maar de troubadours leggen meer de nadruk op de ogen en +de blik, op de glimlach en het teint—de schilderachtig-gracieuse en +erotiese zieleschoonheid. De kleine, smalle ogen worden meer naar de +uitdrukking dan naar de kleur beoordeeld; die moeten stralen als +sterren, ze moeten lachend zijn, zacht, vol liefde en lust,—een Latijns +dichter van de 12<sup>de</sup> eeuw spreekt van de ogen als: <span xml:lang="la">ridentes, +blandientes, innuentes, laquentes, offerentes, expetentes, attrahentes, +capientes</span>. De mond heeft „zwellende” lippen die kussen uitlokken +(<span xml:lang="de">küssenlîch</span>, noemt Wolfram het), die glimlacht zoet, lacht +liefelik—mollia spondens risus noemt 't reeds een geestelike dichter +van ongeveer 1100. Maar vooral prijst men de kleur der huid,—de +stralende glans er van: <span xml:lang="es">clara clartatz</span>, wit als het wit van de hagedoorn +of het ivoor, of gelijk een wilde roos, wanneer het wit zwak met rood +gemengd is. Heel wat barbaarser heet het in de Noord-Franse romans dat +het voorhoofd als in hout of steen of ivoor gevormd is, en dat het rood +of het wit van de huid afsteekt gelijk vermilioen op het zilver van een +wapenschild.</p> + +<p>Dan komt de beurt aan de slanke, witte hals,—de huid is zo +teder—beweert een Duits dichter—dat, als zij drinkt, men de wijn +blozend door haar keelgat kan zien stromen. De kleine stevige borstjes +zijn als twee noten,—zo klein dat men ze met<span class="pagenum" title="86"></span><a id="p_86"></a> de hand gemakkelik +omvatten kan, of als kegels gedraaid. De schouders zijn recht en +buigzaam als het riet. De lange armen, de mooie blanke handen met de +fijne gladde vingers, de nagels als een spiegel zo schitterend. Het +middeltje dun, de buik rond, iets of wat vooruitstaand, de heupen breed. +In Wolfram's gemaniëreerde taal is Antikonie zo slank als een haas, die +op het spit uitgestrekt is; haar mierentaille (wij spreken nog van een +wespentaille) wekt de begeerte der mannen op. Gewoonlik wordt echter +meer in het algemeen de figuur geprezen als „<span xml:lang="es">ben estans</span>” (Duits: <span xml:lang="de">wol +getan</span>) of „<span xml:lang="fr">covinens</span>” d. w. z. welgeproportioneerd. Zeer bizonder houdt +men van wat slank en fijngebouwd is; „<span xml:lang="es">graile</span>” (<span xml:lang="fr">gracil</span>) en „<span xml:lang="es">delgat</span>” +(<span xml:lang="fr">delicat</span>) zijn veel voorkomende termen. De kleeren moeten goed zitten, +maar, zo schrijft een troubadour aan zijn dame, uw figuur is zo wel +gevormd dat zelfs het slechtste snit nog goed aan u zou staan en al de +kleermakers uit Katalonje, van Parijs en Keulen zouden er niets aan te +verbeteren hebben. Maar ook verder vertellen de troubadours nog veel er +over, hoe levendig, vrolik, lenig, gracieus en behagelik het lichaam van +de aangebedene is; daar hebben ze een massa woorden voor: <span xml:lang="es">gais, cortes, +avinens, plasens, coinde, isneus</span>, die de zinnelike liefde schilderen en +die men bij de Duitse minnezangers veel minder sterk aantreft. „Haar +ledematen zijn zo zacht”, heet het, „als verder alleen konijnen zijn”. +Het lichaam is zo blank, fris, zacht, glad, als ametyst; het is +„<span xml:lang="es">amoros</span>”—„<span xml:lang="de">minneclich</span>”—„<span xml:lang="fr">plaisant</span>”—en vraagt omhelsd te worden. Ook +haar naar honig riekende adem en de zoete melklucht van de huid worden +later veel geroemd.—In poëtiese wendingen wordt de algemene indruk van +haar optreden aangegeven. Schoner dan de Maartse zon, of regen in April, +en de schaduw in de zomer,—zingt een Provençaals dichter. Als een +waslicht is zij tussen vetkaarsen,—heet het in 't Noord-Frans, de glans +van haar schoonheid verlichtte het gehele slot met haar klaarte; haar te +zien is als te luisteren naar muziek.—In haar tegenwoordigheid—zegt +een Duits dichter—vergeet men alles wat het gemoed bezwaart.</p> + +<p>Nog meer dan het uiterlik van de vrouw is haar innerlik wezen en haar +aantrekkelikheid die door de troubadours verheerlikt wordt. Haar +geestige antwoorden en haar schone zang; zij kent de kunst van spreken +en zich aangenaam voor te doen—van „<span xml:lang="es">plazers far e dir</span>”;—zij is +aangenaam gezelschap—„<span xml:lang="es">d'avinen companha</span>”, zij is beminnelik in haar +optreden—<span xml:lang="es">amorosa en totz son semblans</span>; zelfs bij de besten wekt zij een +duizendvoudig<span class="pagenum" title="87"></span><a id="p_87"></a> behagen. Een hele rij leerdichten wijden de troubadours +ook aan de maatschappelike opvoeding der vrouw. Een voorname dame had de +adellike Garin le Brun verzocht zulk een leerdicht voor haar te +schrijven en zo ontwikkelt de troubadour dan ook in zijn verzen, alle +regels voor de echte vrouw van de wereld: Hoe zij altijd schoon +linnengoed aan moet hebben, kleine schoenen aan moet trekken, opdat haar +voet zelf klein zal schijnen, en hoe zij met kleine stapjes de kerk in +moet treden. Hoe zij bij haar thuis ontvangen moet: de verschillende +mensen wel is waar naar hun rang en stand behandelen, maar toch tegen +een ieder beleefd zijn—hoe zij een gesprek netjes moet kunnen afbreken, +als het haar niet bevalt, maar zonder boos te antwoorden—zich aan de +omgeving aan te kunnen passen, maar niet al te intiem met vreemden +worden. Verder, hoe zij in haar kleeren en manieren die zekere drang om +te behagen ten toon mag spreiden die het wezen der koketterie uitmaakt: +de rokken netjes opnemen, zodat men het voetje te voorschijn ziet komen, +de schouders gracieus, bij het gaan, bewegen, het kleed nauw laten +sluiten, zodat dit het lichaam niet als in een zak verbergt, maar dat de +lijnen te zien zijn, en als zij een fraaie hals heeft, een uitgesneden +kleed moet dragen. Heel naief zijn hieronder die aanwijzingen waar de +voorname dame zich aan houden moet, ook overgenomen uit de „<span xml:lang="la">Ars Amandi</span>” +van de „Klerk” Ovidius en die geschreven waren om de geblaseerde viveurs +van Rome weer wat appetit in de dames van de demi-monde te geven.</p> + +<p>En rondom deze dames fladderen nu de troubadours met hun erotiese +verlangens. Zij kregen rijkelik hun deel in het losse en niet altijd +binnen de perken blijvende minne-leven van de Zuid-Franse hoven, waar de +oude biografen der troubadours van weten te vertellen en hun Canzonen +van zingen, in allerlei soorten en toon der liefde, van de grove +gevoelens der jonkers tot een vluchtige koketterie of schuchtere +dweperij van een knaap.</p> + +<p>Bernart de Ventadour—uit de stand der horigen, opgevoed tot troubadour +bij de genadige burchtheer—is de zanger van de bescheiden page-liefde. +Hij bezong en prees de gemalin van zijn weldoener, werd door haar +voornaamheid verblind, en, zo als het bij zijn leeftijd paste op haar +glimlach verliefd, maar schijnt toch ook de gunst van zijn +„schoon-te-schouwen” verworven te hebben (onder dat pseudonym +verheerlikte hij haar), in elk geval genoeg om het de burggraaf +bedenkelik te doen voorkomen, zodat de zanger vertrekken moest... waarna +hij de andere hoven afreisde en andere voorname schoonheden +aanbad—vooral Koningin<span class="pagenum" title="88"></span><a id="p_88"></a> Eleonora, aan wier hof in Normandië hij zich +een tijd lang ophield,—maar nu en dan zond hij uit de verte liederen +naar zijn „<span xml:lang="es">Bel Vezer</span>”... totdat hij op zijn oude dag, zo als zo veel van +zijn kunstbroeders, troost zocht in een klooster.</p> + +<p>Hij weet wel—zingt hij—dat zijn aangebedene Heerseres hem genadig is. +Had zij hem niet onlangs nog, toen hij een tijdje op reis ging, gezegd +dat zijn zang haar behaagde? Als hij er nu aan denkt, dan schijnt de +zoete lucht die hem uit de plaats waar zij woont, tegemoet waait, als +een vleugje uit het Paradijs;—moge elke ziel in de Kristenheid zulk een +grote vreugde voelen als die nu mijn is!—Als hij haar nu toch maar eens +alleen kon treffen, terwijl zij sliep,—of deed alsof zij sliep—dan zou +hij pas goed van haar schoonheid kunnen genieten—haar „<span xml:lang="es">bel cors ab +fresca color</span>” bewonderen en die kus van haar mond stelen, waar hij niet +om durft vragen, dan zou hij die mond kussen zo dat men de sporen nog +lang zou kunnen zien.</p> + +<p>Maar nu—jubelt hij—nu heeft zij mij een kus geschonken, mij met haar +mond gewond, zo dat slechts nòg een kus mij kan genezen, +evenals—volgens Ovidius—hij die door de lans van Peleus gewond is, +slechts door nog een steek er van genezen kan worden. En zo vol is zijn +hart van jubel dat hij bijna bezwijmt—midden in de natte wintersneeuw +ziet hij bloemen en groene weiden, in zijn groot gevoel van liefdegeluk +zou hij midden in de winterwind in zijn hemd kunnen lopen.</p> + +<p>Maar—bescheiden en diskreet moet hij zijn, dat weet hij. Als hij alle +mensen die hen beiden gadeslaan maar betoveren kon... ze tot kinderen +maken, zo dat hij zonder hun ogen te vrezen, zo vertrouwelik met zijn +aangebedene om kon gaan als hij maar wenste. Of als zij een geheime taal +uitvonden die de anderen niet verstonden? In elk geval kan zij verzekerd +zijn dat hij niet kinderachtig-pochend het zalige geheim er uit zal +flappen, maar de kunst verstaat om te liegen en zich anders voor te doen +dan hij is. En hij zal zich ook met weinig tevreden stellen. Wat zou hij +niet gaarne 's nachts als een zwaluw haar kamer binnen zweven! hoe graag +zou hij er niet bij zijn wanneer zij zich uitkleedt! demoedig knielende +haar schoen uittrekken, indien zij zich verwaardigen zou haar voetje uit +te steken.—Zelfs haar gunst met anderen te deelen, moet hij zich laten +aanleunen. Hij weet nu eenmaal dat zij anderen liefheeft, soms twijfelt +hij wel eens in hoever hij moet doen alsof hij niets merkt, of dat hij +haar dienst moet verlaten. Maar het is toch beter met de helft van<span class="pagenum" title="89"></span><a id="p_89"></a> haar +liefde genoegen te nemen, dan niets te krijgen. Als zij toch maar niet +zo wispelturig was. Gelijk de tak zich naar de wind buigt, zo is hij +bereid al haar bevelen te gehoorzamen. Maar hij voelt dat haar schone +ogen en vriendelike blik hem toch voor den gek houden. Gelijk een schip +op de golven, wordt hij tussen hoop en vrees geslingerd. Soms tracht hij +zich dan ook opeens uit die onbeloonde liefde los te scheuren. De +bladeren die in de herfst van de bomen vallen, doen hem op zulk een +ogenblik behagelik aan, het komt zo geheel met zijn stemming overeen. +Zij die vroeger zo vriendelik tegen hem was, laat hem nu niet meer +roepen, „het harte barst van smart,—er blijft niets anders over dan te +sterven.” Geheel mijn hart, geheel mijn eigen zelf bezat zij. Nu moet ik +verwelken, gelijk Narcissus van Ovidius bij de bron, ik wil niets meer +met vrouwen te doen hebben, ze nooit meer vertrouwen, ik zal wegtrekken +in den vreemde, ik weet zelf niet waarheen.</p> + +<p>Hield de burchtvrouwe van Ventadour haar zanger aan het lijntje door hem +zo nu en dan eens een kus te geven—meer zal het wel niet geweest +zijn—de toewijding van <span xml:lang="fr">Peire Rogier</span> voor de hoog ontwikkelde Burggravin +Ermengarde van Narbonne was met nog minder tevreden. Een jonge knappe +kanunnik was hij, maar hij was troubadour geworden en had zich lang aan +het hof van Ermengarde opgehouden. Hij vertelde dat hij volkomen +tevreden is met haar grappen en haar glimlach, meer komt hem niet toe, +nooit heeft hij ook „<span xml:lang="la">facta</span>” van zijn meesteres gevraagd, maar alleen +haar te aanschouwen, maakt hem rijk en gelukkig. „Zo zal ik beminnen wat +ik niet bezit, en ik heb er zo veel eer en plezier van, alsof dat waar +was, wat het in werkelikheid niet is.” En heel vriendelik en onderdanig +leert hij de mensen (naar de <span xml:lang="la">Ars Amandi</span> van Ovidius) dat zij nooit aan +kwaadsprekerij moeten geloven, en zelfs wanneer zij met hun eigen ogen +hun geliefde een fout zien begaan, moeten zij zonder aarzelen niet hun +ogen, maar wel haar woord geloven. Een even ootmoedige maar gloeiender +onderdanigheid ligt er in de liefde van de burgerlike troubadour <span xml:lang="fr">Peire +Raimon</span> voor een onvermurwbare adellike dame te Toulouse. „Op mijn knieën +zal ik tot haar gaan,” zingt hij, „en wenend haar genade vragen; als zij +mij slechts de eer wou aandoen mij knielend haar welgevormde, gracieuse +gestalte te laten beschouwen.” Maar dikwels slaat de demoedige +platoniese hulde van de arme zanger, waar de gelegenheid zich biedt, in +de hartstochtelikste wensen over. De arme klerk <span xml:lang="es">Arnaut de Maruelh</span><span class="pagenum" title="90"></span><a id="p_90"></a> +verklaart wel is waar in zijn liederen dat de vrolike beminnelikheid van +de gravin en „de liefelike woorden waarmede zij mijn harte vult” hem +genoeg zijn en dat hij zich tevreden stelt met haar in zijn dromen te +kussen en te omhelzen, een liefdegenot dat geen echtgenoot hem kan +weigeren, maar nu en dan waagt hij het toch zuchtend te wensen dat zij +hem een kus moge schenken en „andere beloningen late volgen” en spreekt +stoutmoedig de hoop uit dat hij haar eens 's nachts in zijn armen zal +mogen sluiten en haar ogen en mond kussen, „zodat honderd kussen er voor +ons tot één worden.” En andere troubadours wensen haar, in de +duidelijkste woorden, „zonder hemd” te omhelzen, beiden onder één deken.</p> + +<p>Een heel wat vrijer karakter en meer jonkerachtig, heeft de liefdelyriek +bij een vorstelik amateur-troubadour als graaf <span xml:lang="fr">Guillaume de Poitou</span>, +hertog van Aquitanië. Elegant en vrolik, beroemd wegens zijn +liefdesavonturen en zijn kunst om de mensen te onderhouden, maar ook +wegens een zeer lichtzinnige kruistocht, die een heel treurige afloop +had,—wat hij later in vrolike liedjes op alle kastelen ging bezingen. +Beminnelik geeft hij op van wat hij kan,—hij weet wat dapperheid is, +eer, poëzie, weet het onderscheid tussen dwaasheid en verstand, en +wanneer men in een gezelschap hem in een liefdetwist vraagt als +scheidsrechter op te treden, dan weet hij altijd het juiste oordeel te +vellen; zelf verstaat hij de kunst om met de vrouwen allerlei soort +spelletjes te doen,—wat hij dan in grove dubbelzinnigheden uitwerkt, +terwijl hij God, St. Julianus en zijn opvoeders voor alle goede gaven +dankt die hij gekregen heeft.—In een ander gedicht, bijna een kleine +novelle van Boccacio, vertelt hij van een even amusant als onfatsoenlik +avontuurtje dat hij met twee burgervrouwtjes gehad heeft die hij in de +bergen van <span xml:lang="fr">Auvergne</span> ontmoette.—Met een echte huzarenhumor vraagt hij +een vriend hem raad te willen geven: hij bezit twee edele paarden, als +hij die nu maar flink kon dresseren, zou niemand beter bereden zijn dan +hij; maar hij kan ze niet aan elkander wennen, en nu moet hij +kiezen,—natuurlijk meent hij vrouwen. En nu vertelt hij van hun beider +eigenschappen, en vraagt of hij Agnes of Arsène moet houden. Nu zijn +dergelijke gedichten niet zeer troubadour-achtig. Maar in andere komt de +verliefdheid van de ziel meer op de voorgrond, in overeenstemming met de +lente en het jong genot, met het schoonheidsgevoel en sympatieke +liefdegevoelens: In de zoete dagen van de lente, wanneer de<span class="pagenum" title="91"></span><a id="p_91"></a> bomen +groenen en de vogelen zingen, toen ging het met onze liefde als met de +knoppen van de hagedoorn, die in de regenachtige koude nacht nog dicht +waren, maar door de zonnestralen openspringen,—evenals in <span xml:lang="de">Heine's „Im +wunderschönen Monat Mai...”</span> Nog herinner ik mij de morgenstond toen wij +een eind maakten aan de twist, en zij mij haar liefde schonk en haar +ring; God late mij zo lang leven dat ik mijn handen onder haar kleed +moge steken... Ik zal een nieuw lied zingen vóór de wind komt en de +regen en de koude. Mijn dame wil mij op de proef stellen, maar hoe meer +zij mij tegenwerkt, des te meer krijgt zij mij in haar macht; Gij moet +niet denken dat ik dronken ben of gek, maar ik kan zonder mijn lieve +dame niet leven. Bij St. Joris! Ik moet sterven als zij mij niet in haar +kamer of onder de groene takken kussen wil. Maar welk genot, schone +dame, kan het ook voor u zijn mij uw liefde te onthouden? Waarom wilt +gij u tot non maken? Wat zou het u baten als ik in het klooster ging? De +vreugde der gehele wereld is de onze, indien wij elkaar slechts +liefhebben... Indien zijn dame hem nu maar haar liefde wil schenken, +belooft hij dat hij diskreet zo wel als galant zal zijn, zeggen en doen +wat zij gebiedt, haar in hoge eer houden, haar wijd en zijd prijzen; en +dat wil hij wel zeggen dat hij, die liefheeft zich voor menigeen moet +weten te buigen, menige goede daad moet verrichten en op moet passen dat +hij aan het hof niet „onhoofs” en als een boer spreekt.</p> + +<p>Werkt hier nu een frisse natuurlike verliefdheid opvoedend op een ruwe +jonker-natuur, omgekeerd breekt soms bij een ander vorstelik zanger als +graaf <span xml:lang="fr">Rambaut</span> van Oranje brutaal de hartstocht van de man door de +uiterlike „hoofse” galanterie heen, waar hij dageliks mede speelt. +Cynies vertelt die hoe men de vrouwen behandelen moet om zijn wil met +hen te krijgen, pochen en vleien, zelfs als het nodig is dreigen, en ze +met de vuist in het gezicht slaan; ofschoon hij beweert zelf dom genoeg +te zijn om altijd netjes en ridderlik tegen ze op te treden. Of Raimon +van Miraval, de altijd verliefde en altijd ongelukkige edelman, die de +wereld rondtrok en Loba van <span xml:lang="fr">Pénautier</span> bezong of <span xml:lang="fr">Azalais</span> van <span xml:lang="fr">Lombres</span> of +„de Schone Albigenserin” te <span xml:lang="fr">Castres</span>. Midden in zijn holle, hoffelike +frases komt opeens een stukje natuur doorbreken, wanneer hij brutaal een +vrouw die hem afgewezen heeft, met beschuldigingen overstroomt dat zij +zich voor geld gegeven heeft: „Ga uit, mijn lied, en zeg: hier is een +vrouw te koop.” Elders vertelt hij waarom hij zich nu in de openbare +trouweloosheid van zijn<span class="pagenum" title="92"></span><a id="p_92"></a> dame schikt; hij rechtvaardigt zich door te +zeggen dat hij zich zelf ook vrijheden gepermitteerd heeft—en is zo +iets niet beter dan in boosheid van elkaar te gaan?—Zijn eigen vrouw, +die hij openlik veronachtzaamd heeft, wil hij echter zulk een „leer om +leer” niet toestaan. Zij deed ook aan de dichtkunst en hield er een +minnaar op na, maar dat vond manlief niet goed,—tot dat zijn kollega's +hem door hun hekeldichten dwongen zich op dat punt wat liberaal te +tonen.</p> + +<p>Maar de vrolikste en grappigste van alle troubadours was <span xml:lang="fr">Peire +Vidal</span>—een bontwerkerszoon uit Toulouse, die half als hofdichter, half +als hofnar, van de ene plaats naar de andere toog, hongerende, zo als +hij 't zelf uitdrukt, naar strijd en toernooi gelijk een monnik naar +brood, maar vooral verlangende naar avontuurtjes met vrouwen. Met zijn +schone stem en zijn vindingrijke geest, heeft hij blijkbaar menige +conquête gemaakt en zijn gepoch is dan ook fantasties naief: „Dageliks +bereiken mij duizende groeten uit Katalonje en Lombardije en het scheelt +niet veel of de Koning sterft van afgunst over mijn geluk bij de +vrouwen. Honderden vrouwen ken ik, die mij graag zouden willen hebben, +als zij maar konden; ik poch niet, maar de vrouwen kus ik en de ridders +sla ik tegen de grond. Stoutmoedig ben ik als Roland, galant als +<span xml:lang="fr">Montdidier</span>; ik weet wat alles bij de kunst der liefde hoort en er leeft +geen man die beminneliker is in het vrouwenvertrek dan ik, wreder dan ik +onder het wapengekletter. Dikwels komen er boodschappen en groeten—met +witte linten, met gouden ringen en alle echtgenoten vrezen mij meer dan +vuur of ijzer.”—In de regel zullen de vrouwen die dwaze druktemaker wel +voor den gek gehouden hebben. Dikwels klaagt hij er over dat zij alleen +maar met hem koketteren of hij stelt zich jubelend tevreden met de +gedachte dat hij een kus gestolen heeft, of dat de gravin met +toestemming van haar gemaal er hem een geschonken heeft. Eens liet een +gravin hem wegjagen omdat hij wat al te intiem wou worden, op een andere +plaats werd zijn tong doorboord omdat hij zich ten onrechte op de gunst +van een hooge dame had laten voorslaan. Naief, maar ook uiterst barok +was de vorm van zijn liefde-hulde. Zijn dame, zegt hij, was hem meer +waard dan honderd kamelen met goud beladen, zo wel als het hele rijk van +de Keizer te Byzantium. Ter ere van een dame te <span xml:lang="fr">Carcassonne</span>—die hij +onder de vrij compromiterende naam van wolvin, <span xml:lang="la">lupa</span>, verheerlikte—moet +hij zich in een wolfshuid gekleed hebben en het bos zijn gaan bewonen; +de jagers hielden klopjacht op hem en brachten hem<span class="pagenum" title="93"></span><a id="p_93"></a> gewond naar het huis +van zijn aangebedene, waar men de nar uitlachte. Ten slotte trok Peire +Vidal op een kruistocht mede naar het Oosten en trouwde op Cyprus met +een Griekse van wie men hem wijs gemaakt had dat zij een nicht van de +Griekse Keizer was—naar aanleiding waarvan hij zich in keizerlike +pracht kleedde en aanspraak maakte op de kroon.—</p> + +<h2><a id="VIII"></a>VIII.</h2> + +<p class="subh2">MINNEKUNST.</p> + +<p>De minnelyriek was die kant van de troubadourspoëzie die de grootste +betekenis zou krijgen voor de ontwikkeling der ridder-romantiek en die +in andere talen het meest nagevolgd zou worden. En door hun leven, zowel +als door hun werken, traden de troubadours als leraars in een kunst der +Minne op, gelijk apostels voor een aparte religie. In de eigelike +typiese liefde der troubadours zijn verschillende elementen in een +merkwaardige mengeling bij elkaar te vinden.</p> + +<p>In de eerste plaats was die grotendeels te beschouwen als een soort +hofdienst, en hun minneliederen een onderafdeling van de lofzangen die +het hun plicht en hun vak was te leveren. Evenals de hofdichter van alle +tijden had de troubadour in de eerste plaats er voor te zorgen dat de +feestzaal van de lof van de heer des huizes weergalmde en dat zijn roem +op de vleugelen van het gezang verbreid werd. En aan de <span xml:lang="es">Sirventes</span> die +hij ter ere van de graaf dichtte, beantwoordden de Canzonen tot lof van +de gravin. Om haar roem bekend te maken—„<span xml:lang="es">son los enavantir</span>”—is het dat +hij zingt, zoals hij dikwels ronduit verklaart; of wel zegt hij heel +naief dat „wanneer ik haar in mijn liederen prijs, doe ik dat niet uit +liefde, maar wegens de eer en de verdiensten die ik daardoor hopen mag, +gelijk de dichter dat nu eenmaal van een edele dame verwacht.” De +„beloning” waar hij zijn dame om vraagt is heel dikwels volstrekt dat +niet wat wij nu zouden denken, maar een zeer tastbare beloning in de +vorm van paarden, wapenen, kleren, of een leen, of een plaats aan het +hof. En offisieel hield om zo te zeggen de dame er een troubadour op na, +opdat hij haar roem zou kunnen uitbazuinen. „Ik heb behoefte om bemind +te worden om daardoor lof en prijs te krijgen,” zegt zij volgens de +biografie der troubadours tot een dichter, „en ik weet dat gij mij het +een zowel als het ander kunt verschaffen en ik ben iemand<span class="pagenum" title="94"></span><a id="p_94"></a> die de kunst +verstaat om te belonen.” De „beloning” heeft echter zeker ook meer dan +eens een persoonlik karakter gedragen. Wij hebben voorbeelden van +gevallen dat een dame een troubadour overhaalt om haar zijn hulde te +bewijzen inplaats van aan een andere dame, door hem juist die „beloning” +te beloven welke de ander hem niet heeft willen gunnen. Van <span xml:lang="fr">Raimon de +Mirava</span>l heet het dat „alle dames om strijd trachtten hem voor zich te +winnen, niemand verstond als hij de kunst hun roem te verschaffen; +niemand kon gezegd worden „in de mode” te zijn die <span xml:lang="fr">de Miraval</span> niet als +vriend had.” Zo kwam de troubadour er niet zelden toe een rol te spelen +die men nu al licht met een zeer weinig vleiende naam bestempelen zou. +Dezelfde <span xml:lang="fr">Raimon</span> nodigt in zijn gedichten ter ere van <span xml:lang="fr">Azalais</span> van +<span xml:lang="fr">Boissazon</span>, gewoon de koning van Aragon en de graaf van Toulouse uit om +haar schoonheid te komen bewonderen; de eerste kwam op haar kasteel aan +en in de loop van vier en twintig uur, „kwam hij, zag en overwon”.</p> + +<p>Zelfs zonder zulk een hofdichterschap brengt de vazal heel natuurlik +zijn hulde, zijn gevoelens van toewijding en onderdanigheid van de +leenheer op diens gemalin over,—waar n.l. de vrouw zelf niet het leen +bezit. En het feodale erfrecht heeft juist ingevoerd dat de weduwen en +dochters van de baronnen hem op kunnen volgen; vele der Dames die de +troubadours bezongen, waren in dat geval: Eleanora bracht heel +Zuid-Frankrijk mee ten huwelik en Ermengarde regeerde drie jaar lang +over het graafschap Narbonne. Ten tijde der kruistochten bestuurden de +vrouwen in elk geval dikwels een leen gedurende de jarenlange +afwezigheid der mannen. Menig lied der troubadours tot lof der hoge +dames is minder te beschouwen als een minnelied dan wel als de hulde van +een onderdaan aan zijn meesteres, feitelik een soort vazallenhulde die +zich ook geheel en al in de formules van het leenstelsel beweegt. De +dame is de „<span xml:lang="es">domna</span>”—<span xml:lang="la">domina</span>,—gelijk de leenheer de <span xml:lang="la">dominus</span> is, en de +hulde van de troubadour heet „<span xml:lang="es">domnei</span>”, „vrouwendienst”. De ridder +knielt—als voor de leenheer—en zweert zijn dame trouw, hij wil haar +„man”, d. w. z. vazal (<span xml:lang="fr">homme lige</span>) zijn en legt met samengevouwen handen +zijn huldigingseed af en zij schenkt hem een kus, juist wat de leenheer +doet, en misschien ook wel een ring, wat er ook dikwels bijhoort, +wanneer men een vazal met een leen bekleedt. Van nu af „dient” hij haar +en heet haar „vriend” (<span xml:lang="es">amico</span>) als een tot het huishouden horende vazal, +(in het oude Rome: de klient) daartoe heette te horen; <i>cliënt</i> is later +ook het Latijnse woord voor vazal. Daarentegen<span class="pagenum" title="95"></span><a id="p_95"></a> belooft zij zich als de +leenheer voor zijn trouw en gehoorzaamheid, „genadig” voor hem te tonen +en hem zijn „beloning” niet te onthouden en hij „klaagt haar aan” +wanneer hem onrecht geschiedt of zegt haar zijn dienst op gelijk een +vazal dat doet. Nog bij <span xml:lang="de">Wolfram von Eschenbach</span> noemt de ridder zijn dame +„de Burchtheer van zijn hart” (<span xml:lang="de">Vogt</span>) en in de <span xml:lang="fr">Roman de la Rose</span> wordt die +leenshuldiging in alle bizonderheden uitgewerkt. Troubadours van lagere +afkomst kwamen niet als vrije vazal tegenover de meesteres te staan, +maar bleven ook hier in een ondergeschikte positie.</p> + +<p>En de keus voor de vrouw des huizes van het troubadourshart was niet +moeilik. Een kasteel was een soort garnizoen; de jonge lieden waren er +in de grote meerderheid en van vrije vrouwen waren er dikwels niet veel +anderen dan zij zelf,—vooral sedert men, gelijk wij zien zullen, +begonnen was de jonge meisjes van het gezelschap der mannen af te +zonderen—en zo liep zij daar rond als de vrouw van de commandant onder +alle de dienstdoende luitenants van haar gemaal, omgonsd door de hulde +en de verlangens van gans een jong geslacht. En het huwelik was toen +minder dan ooit identies met liefde. Door de familieraad van twee +adellike geslachten op touw gezet, was het eigelik niet veel meer dan +een zaakje of een politieke manoeuver: goederen die bij elkaar gebracht +moesten worden of de macht van een geslacht die versterkt moest worden +door zulk een <span xml:lang="fr">alliance</span>; er werd over de hand van een vrouw beschikt door +haar vader of door haar broeder, zonder dat iemand er aan dacht naar +haar wensen te vragen. Het normale motief van de man tot het huwelik was +voor zijn bezittingen een erfgenaam te krijgen opdat die niet verspreid +zouden worden. Een staande uitdrukking in de ridderroman is dan ook +deze: „en daar zijn eigendom zo groot was, nam hij een vrouw om bij haar +een erfgenaam te verwekken”. De Kerk zelf erkende vier gronden om te +trouwen: „om kinderen te verwekken, om ontucht te voorkomen, om elkaar +met raad en daad te steunen en ten slotte om een verzoening te weeg te +brengen, als wanneer de groten op aarde dikwels hun dochters aan hun +ergste vijanden uithuweliken om vrede met hen te sluiten. Maar—heet het +dan verder—er zijn er die een huwelik sluiten wegens geen een van die +redenen, maar alleen om hun wellust bot te vieren, als wanneer een man +een meisje opmerkt, dat hij begeert, en hij ziet dat hij haar niet zal +kunnen bezitten zonder haar te huwen. Maar zij die alleen de lusten des +vleezes willen voldoen, begaan doodszonde en gaan naar de hel.” Een +huwelik te sluiten uit liefde is<span class="pagenum" title="96"></span><a id="p_96"></a> een misbruik van het Sakrament, en het +is dan ook helemaal niet zoals het hoort wanneer de echtgenoten elkaar +al te zeer beminnen; dat is een beschouwing die men steeds weer tegen +komt, dat, wanneer man en vrouw meer van elkaar verlangen dan wat er +nodig is om de huweliksplicht te vervullen en kinderen te telen, dit tot +zonde leidt, zelfs een groter zonde dan liefde buiten het huwelik omdat +het een misbruik van het Sakrament is.—Onder die omstandigheden sprak +het als van zelf dat de burchtvrouwe de liefde niet zo maar terugwees +die haar overal aan het hof van ridder en troubadour tegemoet stroomde, +maar dat, al beantwoordde zij die niet geheel, zij er toch behagen in +schepte, door die warme liefdegolven en de wierook uit zijn liederen +omringd te zijn. Ook haar gemaal zal wel meer dan eens geglimlacht +hebben bij de ongevaarlike, schuchtere verliefdheidjes van de +ondergeschikten en hij zal het dus wel hebben laten gaan dat zij die +gevoelens met een kus of andere kleine gunstbewijzen aanwakkerde,—over +het algemeen was een kus of een aanhaling iets dat in 't geheel niet +meetelde als men zich maar onthield van meer positieve echtbreuk. En +bovendien, als de baron zich per slot van rekening van zijn kant niet +ontzag, zekere vrijheden te nemen, dan kon hij zich niet te recht +beklagen, wanneer zij het ook niet bij de kleine gunstbewijzen liet +blijven.</p> + +<p>En nu zou de ervaring uitwijzen—dat was de groote ontdekking der +troubadours—dat de „aanbidding” door de jonge ridders van de +burchtvrouwe of een voorname getrouwde vrouw, welke op die wijze niet +alleen een soort gepaste hofdienst, vazallendienst was, maar ook een +meer of minder wederkerige dweperij,—dat die „damesdienst” een +allerbelangrijkste invloed had op de zeden en manieren der ridders, ja +op geheel hun opvoeding. De Zuid-Franse hoven zouden nu de gehele +opvoedende kracht van de vrouw leren kennen. Haar fijne constitutie, +haar fijne takt, haar sterke behaagzucht maakten haar maatschappelik +verreweg de meerdere van de ruwe man. In de regel was zij ook +ontwikkelder dan de man en kon zij lezen en schrijven, spelen, zingen en +dichten. En als zulke opvoedsters werkten—elk in hun kring—al de +voorname dames die het Zuid-Franse leven dier kringen beheersten; de +burchtgravin Ermengarde van Narbonne of Adelasia van Marseille of „<span xml:lang="it">la +comtessa fina de Provensa</span>”; van hen kon men zeggen, zo als het ergens +heet van de Koningin van Koning Arthur: „Gelijk de leermeester het kind +onderwijst, zo leert de Koningin alle mensen en voedt ze op... Er is +niemand<span class="pagenum" title="97"></span><a id="p_97"></a> aan het hof die niet iets van mijn Vrouwe geleerd heeft.” De +jongen leren zich te wassen en andere kleêren aan te doen wanneer zij +binnen moeten komen, onhoofse boeren-manieren af te leggen, de dames +beleefdheid te tonen, en zich gemakkeliker en gracieuser bij de +conversatie te bewegen dan het hun vroeger mogelik was. Om strijd +trachtten zij zich bij de toernooien en op de jacht op de voorgrond te +stellen, goed voor te snijden en fraai te dansen. Alles ter wille van de +dames,—gelijk een sproke het uitvoerig vertelt,—maar met een ander +vrij wat natuurliker woord in plaats van „dames”. De troubadours maken +zich de verkondigers van het evangelium der civiliserende macht van de +vrouw. Het refrein van hun minneliederen is: „De dames vermogen de +onbeschaafde boeren tot fatsoenlike mensen te maken; menigeen is nu +netjes en hoofs die zonder hen tegenover een ieder lomp en ongemanierd +zou zijn geweest. Ik zelf ben door de invloed ener vrouw beleefder en +bescheidener tegen de goeden geworden, en trotser tegenover de +slechten.” En de mannen krijgen te horen hoe zij de vrouwen hun eerbied +kunnen bewijzen: zij moeten niet te paard zitten en de dames te voet +laten gaan, zij moeten ze niet met slijk bespatten; bij de maaltijd +moeten ze de lange mouwen der dames ophouden, terwijl zij zich wassen; +en het is 't beste om in het gezelschap van dames onder de mantel altijd +een broek aan te hebben om door een plotselinge beweging geen aanstoot +te wekken. Naieve maar noodzakelike beginselen der kunst om dames te +behagen.</p> + +<p>Maar in elk geval moet elke jonge ridder zich een bepaalde dame kiezen +om te „dienen”—haar kleine diensten te bewijzen, galant kleine +geschenken te geven, een, voor wie hij bij de toernooien vecht, op wie +hij verliefd moet zijn en die hij in zijn lied moet prijzen. „Hij had +een dame nodig om te dienen en trachtte er een te vinden”, staat er dan +ook in de biografieën der troubadours, en in een Provençaalse roman +lezen wij hoe een jongeling nog niemand bemind heeft, maar hij leest en +weet dus dat nu de tijd voor hem gekomen is waarop het nodig is dat hij +verliefd wordt; daar hij nu zo veel van de Vrouwe van Bourbon heeft +horen spreken, kiest hij haar en gaat op reis om kennis met haar te +maken. Is dan de dame niet meer vrij, maar reeds te voren van een +dienende ridder voorzien, dan wendt zij zich tot een vriendin en vraagt +of die de haar zelf aangeboden diensten over wil nemen en dat wordt +dan—altans in een der biografiën van de troubadours—vrij gemakkelik +onder elkaar gearrangeerd;—de <span class="pagenum" title="98"></span><a id="p_98"></a>troubadour biedt de andere dame, die nog +vrij is, zijn diensten en zijn liefde aan.—</p> + +<p>Maar... getrouwd met een ander moet de dame zijn, indien de verhouding +aan haar doel zal beantwoorden. Zijn eigen vrouw daarvoor te kiezen of +een jong meisje dat men misschien eens tot vrouw zal kiezen, dat komt in +het geheel niet te pas; want het huwelik waarin de vrouw maatschappelik +en ekonomies van de man afhankelik is en waarbij haar gunst haar plicht +als echtgenote betekent—kon, onder die omstandigheden minder dan ooit, +tot de vorming van de man bijdragen. En liefst moet de dame ook sosiaal +boven de dienende ridder staan; anders is de dienst de ware niet. +Voorname, hoge heren deugen daar dan ook volstrekt niet voor, wat een +der troubadours de Koning van Aragon in een strijd met tenzonen +verklaart; die willen alleen maar hun begeerten stillen en beginnen +altijd dadelik met van de dame de hoogste gunst te verlangen, zonder +zich tot een lang, ootmoedig dienen te vernederen; en zij houden ook +dadelik op zodra hun ogenblikkelike opwelling voorbij is of wanneer ze +tegenstand ontmoeten. Maar wanneer de dame vrij tegenover de ridder +staat, en boven hem, zonder enige verplichting tegenover hem, +integendeel eigelik aan een ander gebonden, zodat elke kleine gunst een +teken van genade wordt, een offer van haar kant en wanneer een element +van werkelik toegeven van haar kant gevaar medebrengt en tot +geheimzinnigheid aanleiding geeft en tot een romanties verbergen (b.v. +het gebruik van schuilnamen),—ja, dan heeft zulk een verhouding pas wat +het van zulke groote waarde maakt voor de ontwikkeling bij de mannen van +alle goede eigenschappen, d. w. z. juist dat wat de troubadours al meer +en meer opstellen als de ware ridderlike en hoffelike liefde.</p> + +<p>Deze verhouding tussen een ridder of een troubadour en de voorname +getrouwde vrouw—een verhouding die over de gehele scala zich bewegen +kan van een gezelschapsspelletje of een gewone flirtage tot de diepste +hartstocht—moge onze tijd immoreel schijnen,—voor die tijd betekende +het een grote zedelike stap vooruit. Waar de mannen vroeger gewoon waren +volgens de opwelling van het ogenblik hun begeerte dan op de ene, dan op +de andere vrouw te werpen en terstond aan die lusten moesten voldoen, +werd de ridder er nu toe gebracht zich aan een enkele vrouw te wijden, +haar trouw te zijn en zijn begeerte om zo te zeggen, volgens haar +wensen, op rantsoen te zetten. De troubadour stelde zijn ware liefde op +in tegenstelling met het woest <span class="pagenum" title="99"></span><a id="p_99"></a>begeren,—met de „<span xml:lang="fr">losengiers</span>”, waarmee +men oorspronkelik blijkbaar alleen de gewetenloze verleiders bedoelde, +die niets anders vragen dan een ogenblikkelik tevreden stellen der +zinnen („hoe meer ze doen alsof ze u van ganser harte liefhebben, des te +zekerder is het er hun alleen om te doen u te onteren”)—en met de +brutale echtgenoten—„op wat voor rechten tegenover hun vrouwen durven +die zich te laten voorstaan? Laat die zich zelf eens bekijken, met +baarden als bokken, vuil als raven, behaard als een beer, leder gelijk +en rimpelig als een buffel.” Feitelik was de liefde der troubadours een +grote schrede in de richting van monogamie; zijn gevoelens—verzekert +hij ons—blijven trouw en zij zullen blijven duren; zelfs een +ongelukkige liefde wil hij niet verruilen voor een eenvoudig tevreden +stellen der zinnen bij een vrouw die hij niet liefheeft. En tegenover +hen welke die tedere verhouding profaneren en de naam ener vrouw +bezoedelen alleen om met hun „zegepraal” te koop te loopen, prijst de +troubadour: „discretie als een erezaak”; daarin ligt feitelik de charme +en het romantiese van de verhouding. Daarom zegt men dan ook dat de dame +zich nooit met burgerliken af moet geven; wanneer die mensen in de +herberg zitten, dan flappen ze er uit wat ze achter hun tanden moesten +houden. In tegenstelling met hen die dadelik het hoogste wensen, +verklaart de troubadour zich tevreden te stellen met beloften, met een +glimlach, met een handdruk (met „een draad van haar handschoen”), +hoogstens een kus, en wil hij slechts trapsgewijze en langzaam in de +gunst van zijn aangebedene stijgen. En het is juist hieraan—zegt +hij—dat men het verschil merkt tussen wat herderinnetjes en lichte +vrouwen bieden (<span xml:lang="fr">garçonnières—femmes folles</span>) en de geciviliseerde liefde +waarbij de vrouw met enige eigenwaarde, zelfs indien zij lief heeft, +hoogstens eerst na een tijdje en na een soort voorbereiding, zich +langzamerhand overgeeft, maar nooit in eens. Waar het per slot van +rekening op neerkomt, is de overweging die men in een roman vindt, waar +een dame ziet hoe veel moeilikheden een van haar aanbidders te +overwinnen heeft, voor hij zijn doel bereikt, waarop zij verklaart dat +dit niets erg is, want „had hij zonder moeite zijn doel bereikt, dan zou +de vrouw niet zo hoog bij hem aangeschreven staan:—<span xml:lang="fr">car se sans peine +joie avoit,—de dames bon marché seroit</span>.”</p> + +<p>Dat is juist de kern van de zaak. De nieuwe maatschappelike „<span xml:lang="de">Sitte</span>”, de +nieuwe geslachtsmoraal omgeeft de geslachtseer van de vrouw met meer +bolwerken dan de naïeve zeden van vroeger<span class="pagenum" title="100"></span><a id="p_100"></a> gekend hadden. Haar positie +werd hierdoor niet alleen veiliger, maar ook tegelijkertijd minder vrij +dan te voren.</p> + +<p>In de wereld der baronnen, een maatschappij van en voor mannen, was de +vrouw geminacht en onderdrukt geweest. Daar was zij de slavin van de +man, die hem bij de maaltijd bediende en bij het toilet, die zijn haar +wies, hem bij het bad wreef en afdroogde, zijn vermoeide ledematen +masseerde en zelfs als 't nodig was het werk van een staljongen voor hem +deed. Gelijk een odaliske bediende zij hem ook met haar liefde en wij +hebben gezien, hoe zij het bijna altijd is in de volkspoëzie die de man +om liefde vraagt. De man is haar „<span xml:lang="fr">seigneur</span>”; als hij binnentreedt, staat +zij op, zij eet pas nà hem, hij tuchtigt haar met slagen,—in een Franse +ballade slaat de Koning de Prinses „zo dikwels met een riem dat heel +haar blanke lichaam rood zich kleurt”, evenals in een Deens lied uit de +Middeleeuwen <span xml:lang="dk">Lave Stisön</span> zijn vrouw een leidsel met ijzeren punten laat +voelen. Aan de andere kant worden de meisjes dikwels als jongens +opgevoed, zij leren rijden, jagen, de wapens hanteren en beweegt de +vrouw zich vrij en spreekt vrijuit met de man, konventionele begrippen +over vrouwelikheid staan hun niet in de weg en naar de <span xml:lang="fr">Chansons de geste</span> +en het <span xml:lang="de">Nibelungenlied</span> te oordelen, spreken ze en handelen ze, waar ze +macht en vrijheid hebben, vrijwel gelijk de mannen doen.</p> + +<p>Maar onder invloed van het Kristendom, dat de vrouwelikheid bij de vrouw +op de voorgrond bracht en in navolging van de zeden in Byzantium en het +Oosten, vormde zich nu pas, in tegenstelling ook met het idee van het +mannelike, het begrip van de vrouwelikheid en daarmede nieuw zaad voor +de plaats der vrouw in de maatschappij,—zij krijgt ook meer bescherming +aan de ene kant, maar wordt minder vrij aan de andere. Door haar +opvoeding wordt zij nu meer op de achtergrond gehouden, zij komt nu +minder in aanraking met jonge mannen en haar wordt meer dan vroeger een +schoone, fiere terughouding ingeprent. Als jong meisje ziet men haar op +de grote kastelen slechts uiterst zelden—Siegfried was meer dan een +jaar aan het hof te Worms, voor hij een glimp van de vorstendochter +Krimhilde te zien kreeg, om wie hij daarheen getrokken was—; en in elk +geval is zij altijd van een duenna vergezeld, en ook als jonge vrouw is +zij altijd met een dame van gezelschap en loopt zij op Oosterse wijze in +een mantel gehuld en de handen verborgen; en men heeft haar geleerd niet +naar de mensen om te zien en de mannen niet vast in de ogen te kijken, +nooit met onbekenden te spreken en over 't algemeen <span class="pagenum" title="101"></span><a id="p_101"></a>trots en kortaf te +zijn, „niet uit hoogmoed, maar om de kwaadwilligen op een afstand te +houden”. Een vrouw die bemind wil worden—zegt een Provençaals +leerdicht—moet zich gedragen gelijk een ridder een havik op zijn hand +houdt, zo voorzichtig dat hem geen veertje gedeerd wordt. Het voorbeeld +van een eerbare vrouw is Maria, zoals die op de Madonnabeelden en in de +Marialegenden wordt voorgesteld. Zij liep zo schoon en rechtop—zeggen +reeds oude Marialegenden—met het hoofd licht gebogen; nooit keek zij om +of groette zij man of vrouw.—Zulk een afzondering en afsluiting van het +geslacht wekt altijd de nieuwsgierigheid op, maakt voor beide partijen +de aantrekkingskracht der liefde groter en het liefdegevoel fijner en +sterker. Tussen de geslachten komt zo het romantiese van het op een +afstand-zijn; het verlangen van Siegfried naar de onbekende schone wordt +grooter met de moeilijkheden om met haar in aanraking te komen en +Krimhilde bloost in het vrouwenvertrek, terwijl zij ieder uithoort over +de vreemde ridder, over wie zij aan het hof van haar broeders zo veel +heeft horen vertellen. En hoe meer „verhinderingen” de schuchterheid der +vrouw, of haar opvoeding, of de maatschappelike begrippen van wat al of +niet past, of wat de voorzichtigheid bij het huwelik gebiedt, de +begeerte van de man in de weg doen staan,—hoe meer „tussen-stadia” van +kleine, geleidelik stijgende gunstbewijzen er komen tussen het opwekken +van de begeerte en de bevrediging ervan, des te meer wordt het +liefdeleven voor beide partijen gecompliceerder natuurlik, maar ook +verfijnder.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>De opvatting der troubadours over de liefde, zoals die nu, naar wat wij +gezien hebben, uit de gehele atmosfeer aan de Franse hoven was ontstaan, +werd nu niet alleen versterkt, maar kreeg ook een geheel nieuwe kleur +door de lektuur van het oude leerboek van Ovidius over de +„Minnekunst”—<span xml:lang="la">de Ars Amandi</span>—een werk dat met de grootste attentie en +ijver door de gehele Middeleeuwen gelezen werd als een school voor de +fijnste en rijpste Levenskunst der antieke kultuur.</p> + +<p>Een aestetiese lekkerbek en libertijn leert in dit gedicht de viveurs en +de lichte vrouwen van Rome—meestal getrouwde vrouwen bij de volkomen +gedesorganiseerde familieverhoudingen van de tijd—hoe de min tot een +kunst gemaakt kan worden, zodat er zo veel mogelik zinnelik en geestelik +genot van te halen valt,—hoe die van een eenvoudig ruw paren worden +kan<span class="pagenum" title="102"></span><a id="p_102"></a> tot een hoog zinnengenot zowel als een sympatiek behagen en een +prikkeling van de fantasie,—hoe die tot een „roman” kan worden, een +spel voor alle zielekrachten. Ongelofelik cynies is in dit opzicht wat +Ovidius leert. De mannen vertelt hij hoe altijd het grootste genot daar +in steekt om de vrouw van een ander te beminnen,—ongewoon eten smaakt +nu eenmaal 't best en de moeielikheden, de risico en het +ongepermitteerde maakt het genot des te pikanter,—hoe ze in 't geheim +te werk moeten gaan, de dienstmaagd als tussenpersoon moeten gebruiken +en moeten leren te vleien, om te kopen en geschenken te geven,—hij kent +allerlei foefjes hoe men zich royaal kan voordoen, zonder eigelik veel +op te dokken. Door er bleek en mager uit te zien en het hoofd te laten +hangen, moet men de schone aan het verstand brengen dat men van verdriet +verkwijnt; met sprekende blikken en heimelike brieven moet men haar +belegeren—de Liefde is een soort oorlog en men moet vol weten te houden +en geen moeite schuwen. Men moet haar luimen volgen, tot alle diensten +bereid zijn, haar schoenen uit willen trekken, of een spiegel voor haar +ophouden; alle moeite, alle gevaren, alle uitstel moet men als +kruiderijen beschouwen die, wanneer het eindelik komt, het genot van het +bezit slechts verhogen. En men moet er zich in schikken haar gunst met +andere te delen en het oog sluiten voor wat men vlak voor zijn neus ziet +gebeuren; alleen kan het zo nu en dan zijn nut hebben zelf eens de +schijn van trouweloosheid op zich te laden, om haar ijverzucht op te +wekken.</p> + +<p>Maar ook de Romeinse vrouw krijgt dergelijke voorschriften van Ovidius +te horen: hoe zij de zorgvuldigste bewaking kan ontduiken... hoe zij +moet zorgen er knap uit te zien... hoe zij door allerlei kleine +koketterietjes de man tot zich moet trekken en daarna door een +glimlachje of een knikje of een handdruk het vuurtje moet laten gloeien, +maar haar aanbidder toch zo lang mogelik op een afstand moet +houden—haar waar op prijs moet stellen en de waarde van haar liefde +moet verhogen door zich te laten smeken, hoe zij moeilikheden op moet +werpen en de minnaar steeds angst voor haar man moet laten voelen, +altijd moet trachten uit te stellen en hoe zij, zelfs als zij zich +overgeeft, op het ogenblik zelf dat zij zich laat omhelzen, dit niet +moet doen zonder een schijn van weigeren en van tegenspartelen.</p> + +<p>En al die geraffineerd-verderfelike opvattingen goten zich in de +liefdeleer der troubadours uit,—in de onschuld huns harten namen zij +die wijsheid van de oude klerk Ovidius als een boek<span class="pagenum" title="103"></span><a id="p_103"></a> van wereldlike +sermoenen in zich op. Veel van al dat verderfelike werd bijna weer rein +en onschuldig toen zij het in hun naïef, rein gemoed opnamen; maar van +meet af werd de erotiese troubadour-poëzie en de ridderromantiek toch +gemengd met een niet geringe dosis van Ovidiaans Epikurisme en cynisme. +Bij alle troubadours, zelfs bij zulk een weinig geleerd man als +<span xml:lang="fr">Guillaume</span> van <span xml:lang="fr">Poitou</span>, treft men talrijke reminiscenties van Ovidius. De +lezer van wat voorafgaat heeft vele trekjes in de liederen der +troubadours kunnen herkennen als aan de „<span xml:lang="la">Ars Amandi</span>” van Ovidius +ontleend: Bernard de Ventadour, zagen wij, wilde op zijn blote knieën de +schoen van zijn dame uit mogen trekken, <span xml:lang="fr">Peire Rogier</span> de misstappen van +de zijne niet geloven, al zag hij het met zijn eigen ogen. Terwijl het +voor Ovidius nog maar een verleidings-kunstgreepje was om er bleek en +uitgeteerd uit te zien, werd het voor de troubadours een kwestie van +geloof: de ware minnaar ziet er bleek en slecht uit, en hij die +ongelukkig een rode gelaatskleur heeft, maakt allerlei excuses en +verklaart dat de gloed die onder de as smeult het sterkst brandt. Van +nog groter belang was het dogma dat de liefde geheim gehouden moet +worden, niet alleen wegens de echtgenoot, maar ook met het oog op de +lasteraars en ook omdat—zo als Salomo leert—„de gesloten wateren zijn +zoet en 't verborgen brood is liefelijk.” Wij hebben samenspraken—op +het voetspoor van Ovidius—tussen de troubadour en de dienstmaagd van de +schone en het meisje raadt hem aan, ook als in Ovidius, zich in al haar +grillen te schikken. Plichtschuldig passen de troubadours ook nu en dan +het keukenmiddeltje van Ovidius toe, om zich trouweloos voor te doen ten +einde de schone jaloers te maken; maar daarbij verrekenen zij zich +tegenover de hoge dames en ze moeten er hard voor boeten: slechts op het +aandringen van andere dames werd <span xml:lang="fr">Pons da Capdueil</span> weer door de Vrouwe +van <span xml:lang="fr">Mercoeur</span> in genade aangenomen, en van <span xml:lang="fr">Guillem</span> van Balaun verlangde +de vertoornde schone dat hij de diepte van zijn gevoel zou tonen door de +nagel van een zijner vingers te snijden en haar die met een passend +huldegedicht aan te bieden.—Zulke regelen voor de koketterie vatten de +dames vromelik op als een uitdrukking van de fijnste, meest echte +vrouwelikheid.</p> + +<p>De minnekunst van Ovidius was nog meer geraffineerd en gesubtiliseerd +geworden in de erotiese literatuur van de uitloopers der antieken. Bij +de Sofisten en in de scholen der rhetoren werden alle kentekenen en de +werking der liefde spitsvondig besproken—hoe de echte minnaar zich in +die en die situatie gedraagt—aan<span class="pagenum" title="104"></span><a id="p_104"></a> welke van de twee geliefden de +voorkeur te geven is, enz. In de Griekse romans van het einde der +oudheid trof men dergelijke subtiele discussies ook weer aan. En door de +gehele middeleeuwen heen kunnen wij ze volgen als tema voor de +gesprekken in alle geestelike kringen. Nu komen ze weer in de tenzonen +der troubadours te voorschijn. Een van hun twistpunten, n.l. welke van +haar aanbidders een vrouw het meeste heeft begunstigd: hem die zij een +blik heeft toegeworpen, een ander die zij op de voet heeft getrapt of +een derde wie zij haar hand heeft gegeven,—is reeds in een Griekse +roman gevonden, en de verhandeling van een Latijns rhetor, evenals een +passage in het 6<sup>de</sup> hoofdstuk der Spreuken van Salomo door een +foutieve lezing ook een bijdrage heeft geleverd.</p> + +<p>Ook voor de psychologie der liefde is er in Ovidius en de antieke poëzie +menige bijdrage voor de troubadours te vinden. Heel wat van de +beeldspraak die het plotseling ontstaan der liefde en haar merkwaardige +macht verklaren moeten, schijnen van het ene land naar het andere +getrokken te zijn. Dat die liefde b.v. een vlam is die plotseling +oplaait, of dat de blikken der schone als pijlen de ogen van de +aanbidders doorboren en zijn hart wonden. „Dit meisje is als een +jager—heet het in de Indiese hoflyriek—haar wenkbrauw is de boog die +zij spant, haar zijdelingse blik is als de pijl. Mijn hart is de +Antilope die zij treft”. Volgens de Phaedrus van Plato zijn de +Anacreontici, de dichters uit de Alexandrijnse periode en de Griekse +romans vol van beelden over de blik die als een pijl door het glas der +ogen het hart wondt. En uit die werken gaan ze in de middeleeuwse +kerkelike verhandelingen over: „De ogen”, lezen wij in zulk een stuk van +ongeveer 1100, „zijn de boodschappers van de losbandigheid. De ziel +wordt door de ogen gevangen; door hen dringt de liefdepijl het hart +binnen”; en in Latijnse gedichten twisten het oog en het hart er om, wie +van de twee de schuld is van de zonde der mensen. Of wel: de minnaar en +zijn hart worden door de oude dichters voorgesteld als gevangen en aan +banden gelegd; Amor heeft hem geschoten of is naar binnen geslopen en +heeft zijn hart geroofd en speelt er nu mee als met een bal. Al die +beeldspraak vindt men bij de troubadours terug, soms met een licht +middeleeuws tintje, als wanneer er eerst een boodschap naar de +Harte-burcht gestuurd wordt en vol vertrouwen wordt die nu voor de +vijand geopend,—maar nu kunnen ze er die niet meer uit krijgen. +Aangezien „Amor” in 't Provençaals vrouwelik is, smolt<span class="pagenum" title="105"></span><a id="p_105"></a> de God der +liefde Amor, bij de troubadours samen met de godin der liefde Venus. In +de klassieke literatuur zijn er schilderingen van het slot en de tuin +van Venus te vinden (bij Claudianus) en van haar zelf waar zij op een +rechtsgeding het liefdepleit beslist en het oordeel uitspreekt +(<span xml:lang="la">Pervigilium Veneris</span>). En in overeenstemming met deze en dergelijke +middeleeuws-teologiese allegoriën schilderden de troubadours het Slot +der Liefde, met zijn verschillende poorten en trappen en zalen—alles +met een bepaalde allegoriese betekenis—en de Godin der Liefde zelf met +een kroon van goud en pijlen van goud en lood. Een hele beeldspraak en +mythologie der liefde is op die manier van de oudheid via de troubadours +en Petrarca als staande uitdrukkingen in de moderne lyriek der +minneliederen overgegaan.</p> + +<p>Meer psykologies schilderen de klassieken de liefde als een ziekte. De +minnaar mist alle eetlust, wentelt zich slapeloos op zijn legerstede +heen en weer; koortsachtig wisselen bleek en rood op zijn wangen af, +warm en koud, opgeruimdheid en neerslachtigheid in zijn rusteloos +binnenste. Zo schilderen Propertius in zijn Elegiën en Ovidius in zijn +Amores, de hartstocht; zo wordt ook in de Griekse romans de verliefdheid +van de jongeling aangegeven en die van Dido bij Virgilius. En het +ongewone en het onbegrijpelike van het liefdeleven wordt door dichters +en rhetoren breed uitgemeten; hoe het beeld van de geliefde in het hart +van de minnaar nederdaalt of hoe de beide geliefden elkaar hun hart +geschonken hebben en zo elk van de beide de ander letterlik in verre +landen met zich mede draagt; hoe de minnaar als de mug is die om de vlam +fladdert, ofschoon hij zich voortdurend brandt, of haar schoonheid hem +als een magneet steeds tot zich trekt.—Al zulke motieven gaan ook in de +troubadours-poëzie over. In een rijmbrief aan zijn geliefde vertelt +<span xml:lang="fr">Arnaut de Marueil</span> in alle bizonderheden hoe hij 's nachts op zijn sponde +<ins class="corr" id="corr19" title="Bron: licht">ligt</ins> te woelen, het dek van zich af gooit, op staat maar toch +weer gaat liggen... en hoe hij overdag buiten zich zelf rond loopt, de +mensen niet groet en niet antwoordt, niet wetend waar hij is of wat hij +doen zal. Zo leert de troubadour van de klassieken te trachten zich zelf +gade te slaan en te vertellen wat er in zijn ziel omgaat. En de naïeve +blik van de Middeleeuwen wordt duizelig en raakt heelemaal in de war als +hij die innerlike wereld leert kennen, waar alles zo heel anders toegaat +dan in de tastbare buitenwereld. De fantasie der Middeleeuwen, geheel +vervuld van de kristelike mysteriën, van de merkwaardige stenen en +dieren waar reizigers uit het<span class="pagenum" title="106"></span><a id="p_106"></a> Oosten of schrijvers van de boeken over +de onnatuurlike natuurlike historie over wisten te vertellen, vindt in +de liefde een nieuwe wereld van wonderen. En nu tracht men de +Alexandrijnse Neoplatonici in uitvoerigheid bij de schildering van de +wonderen der Liefde te overtreffen. Gelijk de maagd Maria zwanger werd +zonder dat haar jonkvrouwelike schoot geopend was, zo glijdt het beeld +van de geliefde dwars door de ongebroken ruiten van het oog in het hart. +De koude van haar ijs steekt zijn ziel in brand, gelijk men immers +brandend vuur uit het kristal krijgen kan dat uit de koude sneeuw +gevormd is. Gelijk de salamander, leeft de minnaar midden in de vlam der +liefde, gelijk het goud, wordt hij daarin gelouterd en gelijk de +basilisk van vreugde sterft, wanneer die zijn eigen spiegelbeeld ziet, +zo is met hem gedaan wanneer hij zich zelf in de spiegel van haar blik +verliest. De liefde maakt overmoedig en bang, trots en gedwee, +verstandig en dwaas; de minnaar lijdt, maar de pijn is hem zoet; hij is +ziek maar hij wil niet gezond worden; gevangen, maar hij wil niet vrij +zijn.—</p> + +<p>Dit alles stamt in de minneliederen der troubadours uit de antieke +kultuur. Maar deze volkomen naturalistiese conceptie van de liefde is +toch bij de troubadours doortrokken van een geheel daaraan +tegenovergestelde moreel-religieuse opvatting, die met de gehele +dwepende gevoelsreligiositeit samenhangt die wij in het Europa van de +11<sup>de</sup> en 12<sup>de</sup> eeuw hebben zien opkomen.</p> + +<p>Bewust staat de troubadourspoëzie in dezelfde verhouding tegenover de +godsdienst als de <span xml:lang="es">Sirventes</span> tegenover de Kerk. De zanger zal ons +vertellen dat, als hij God maar half zo trouw was als aan zijn Dame, hij +zeker van het Paradijs zou zijn. Na haar dood is hij overtuigd dat zij +daar tronen zal, door rozen en leliën omgeven en door de Engelen met +hymnen begroet, „want dàt weten wij toch: wie de wereld prijst, prijst +ook God”. Midden in een lied op de kruistochten zal de troubadour +erkennen dat hij, wat hèm zelf betreft, geen moed heeft zijn schone dame +te verlaten, en een ander, die werkelik zich heeft weten los te rukken, +zingt dat God zich wel zeer zal mogen verbazen en hem bizonder dankbaar +moet zijn dat hij om Zijnentwil dat besluit heeft kunnen nemen en +uitvoeren. En het erotiese leven der ridders stoort zich al bitter +weinig aan de kerk en haar moraal. Wanneer de bisschop van Angoulême +graaf <span xml:lang="fr">Guillaume</span> van <span xml:lang="fr">Poitou</span> een opmerking maakt over zijn uitspattingen, +wordt hij vrij cynies op zijn plaats gezet.</p> + +<p>Maar per slot van rekening zijn de minneliederen der troubadours diep +doordrongen van Kristelikheid. Evenals Ovidius de<span class="pagenum" title="107"></span><a id="p_107"></a> liefde als een kunst +leerde uit te oefenen en daar praktiese regels voor gaf, zo had het +Kristendom zich aangewend, alles in het leven aan een morele behandeling +te onderwerpen. Voor de ware kristelike opvatting mocht niets natuur +zijn en zijn natuurlik leven leiden, alles werd van uit het standpunt +beschouwd van deugd of ondeugd, en werd geschoold, gedresseerd volgens +de idealen der moraal. Zo werd ook de liefde door de geestelik gevormden +onder de troubadours tot een morele plicht gemaakt en een deugd en werd +die gevormd en gekleurd in de kristelike geest.</p> + +<p>Wel is waar was er ook voor de Kerk een gapende afgrond tussen de +kristelike <span xml:lang="la">caritas</span> en de <span xml:lang="la">amor dei</span> aan de ene kant en de <span xml:lang="la">voluptas</span> of +<span xml:lang="la">libido</span>, de geslachtsliefde, aan de andere. Maar dat er in alle hogere +liefde een machtig element zit van die zelfopoffering en van een zich +met alle gevoelens geven,—iets dat voor de religie der liefde als het +eerste en het hoogste staat wat men in de mens wekken moet, dat kan door +geen theologie weggecijferd worden. En overal waar het gevoel in het +Kristendom op de voorgrond komt, zoals juist bij de +sentimenteel-smachtende richting in de tijd der kruistochten, sprak daar +de kristelike „amor” een taal, zeer verwant met die van de troubadours +wanneer die het over hùn „amor” hadden. Wanneer men bij een van de +kerkvaders zinnen leest als deze: „Niemand kan zalig zijn zonder liefde. +Diè mens is het onzaligste die tenminste niet iets bemint, buiten +zichzelf. De ware manier van beminnen is liefhebben zonder mate. Hij die +liefheeft, voelt geen moeite of heeft die moeite zelfs lief. Hij die +liefheeft, niet hij, die niet liefheeft zal beloond worden”—dan kon dit +alles even goed uit de liederen der troubadours bijeen gehaald zijn. Bij +Bernhard van Clairvaux en de Kloosterschool van de H. Victor bij Parijs +en soortgelijke Duitse mystici was de liefde tot de naaste een schrede +tot de liefde Gods en deze „<span xml:lang="de">Gottesminne</span>” werd in gloeiende kleuren en +smachtende tonen geschilderd die dikwels uit de zeer aardse liefdepoëzie +van Salomo's Hooglied genomen was. Aan de andere kant verheft de +troubadour zijn aardse liefde tot een half-religieuse extase: hij +vergeet de gehele wereld in haar zoete blik, hij is dronken, niet van +wijn maar van liefde—zo zingt ook een Spaans-Arabiese troubadour—de +glimlach van mijn geliefde maakt mij gelukkiger dan als vierhonderd +engelen mij toegelachen hadden; als ik het schone lichaam van mijn +geliefde zie, geloof ik God zelf te zien en omgekeerd: Wanneer ik in de +kerk bid, zie ik U voor mij.</p> + +<p>Gelijk de liefde van de Kristen voor God er een is van beneden<span class="pagenum" title="108"></span><a id="p_108"></a> naar +boven, vol van vrees en beven, vol van onderwerping en ootmoedige +aanbidding, zo is het ook met die van de troubadour tot zijn Dame. Even +verschillend van de antieke liefde van Hero en Leander of Daphnis en +Chloë of van de Germaanse opvatting als van die van Sigurd en +Brynhilde—twee geliefden die als gelijken tegenover elkaar +staan,—dwingt de liefde in de minne-poëzie der troubadours de man op +zijn knieën, de vrouw dienende en haar aanbiddend,—tegenover de trots +afwijzende of genadig nederbuigende vrouw, presies gelijk de Kerk de +krijgsman, de baron, op de knieën dwong voor de gekruisigde zoon van de +timmerman en de Moedermaagd. Evenals de Kristen, gelijk wij in het +tweede hoofdstuk zagen, bevend en schuldbewust, met gebogen hoofd voor +God staat en slechts hij die vreze voelt gered kan worden, zo zingt de +troubadour: „hij die geen vreze voelt, heeft niet uit heel zijn harte +lief” en vertelt hoe hij angstig en bevend in de tegenwoordigheid staat +van zijn aangebedene en hoe hij de blik niet op waagt te heffen of zijn +liefde uit te stamelen. Het is de minnaar een genot zich klein te +voelen: tegen over de geliefde is hij als een kind, wiens grootste +verdriet is van de moeder weggenomen te worden, een kind dat de roede +vreest; „ik moet voor haar staan en op mijn vreugde wachten, gelijk de +kleine vogeltjes op de dag wachten,” zegt een Duits minnezanger. Het is +hem, als de kristen, een genot zich te vernederen. „Met gevouwen handen, +met een touw om de hals en met een bevangen hart bid ik U om genade, o +goede, genadige Vrouwe! en bid ik God van wie alles komt, om +barmhartigheid in uw ziel te storten.” „Gij kunt mij verkopen of +wegschenken of mij doden,—ik ben helemaal uw eigendom.” Evenzo noemen +de heiligen der Kerk zich „de slaven Christi” en als die het water +drinken waarin zij de melaatsen gebaad hebben, is dit een uiting van +dezelfde perversiteit die zich in een zachte vorm vertoont waar een +Duits minnezanger de kom leeg drinkt waarin de aangebedene haar handen +gewassen heeft. Maar waar de vrouw der Middeleeuwen lief heeft, komt +diezelfde drang tot zelfvernedering te voorschijn. Heloïse schrijft aan +<span xml:lang="fr">Abélard</span>: „Ofschoon de naam van echtgenote heilig heet en meer bindend, +is het mij toch altijd zaliger uw geliefde genoemd te worden, of als gij +niet boos wordt, uw boel of uw bijzit, zodat mij als ik mij zo voor u +verootmoedig, ook groter tederheid van u ten deel zal vallen... Mij zou +het dierbaarder zijn en een groter eer uw deern genoemd te worden dan de +Keizerin van Augustus.” Een en ander hieruit<span class="pagenum" title="109"></span><a id="p_109"></a> is misschien genomen uit +de brief van Briseis aan Achilles in de Heroides van Ovidius, maar het +gevoel is echt middeleeuws overspannen. In de middeleeuwen kende men de +schone gelijkheid tussen de twee mensen niet; lief te hebben is knielen +en aanbidden. „Meesteres! ik vouw mijne handen en aanbid u,” barst +Bernard de Ventadour uit.</p> + +<p>Wat de liefde der troubadours vooral op verschillende wijzen gekleurd +heeft, is de sterk zich ontwikkelende Mariaverering, evenals die +omgekeerd ook onder de invloed der troubadours staat. Gelijk Maria in de +hymnen, wordt in hun minneliederen de Vrouw verheerlikt als de bron van +alle schoonheid en goedheid, als de Kamer der Vreugde, het Schrijn der +Eer, de Welriekende Bloem en wat dies meer zij. Ook het +schoonheidsideaal heeft trekken aan de Mariabeelden ontleend.</p> + +<p>Van de Minnaar, gelijk van de Kristen, wordt strijd geëist, +zelfverlochening en lijden, voordat hij gehoor verdient te krijgen op +zijn smeken. Reeds Ovidius wilde het genot kruiden door tegenspoed en +beproevingen. Voor de ridder was het bovendien altijd aanlokkend, hoe +groter gevaar, hoe meer moeilikheden waren er met de liefde verbonden; +een ridder—heet het—moet vóór alles „<span xml:lang="fr">paresse</span>” ontgaan en strijd en +beproevingen zoeken. Nu wordt er in de kristelike geest verkondigd dat +de minnaar gelouterd moet worden en dat lijden de liefde dieper doet +worden. Het is uit het boek van Job of uit het „boek der wijsheid” van +Salomo, dat de troubadours het beeld hebben van het goud dat in het vuur +gelouterd wordt. Zij voelen zich als de martelaars der liefde, genieten +van hun ontbering en hun tegenspoeden en rekenen zich dit als een +verdienste aan; met Bernard de Ventadour zeggen ze: „Weinig heeft hij +lief die zich niet aan zwaarmoedigheid overgeeft. De schone tranen der +liefde zijn meer waard dan haar glimlach. Mijn wee is mij een zoete +pijn.” Dit is het zuivere ascetiese sentimentalisme.</p> + +<p>Gelijk de Kristen eindelik zich op de beproeving verheugt, daar zijn +verdienste in vindt, weet dat die een pant is voor een latere beloning, +zo ook de liefhebbende minnaar. Door zijn liefdesmart verdient de +minnaar de dank van „<span xml:lang="it">Merce</span>”,—de genade. Als de Madonna moet zijn Dame +zich ten slotte in barmhartigheid tot hem nederbuigen.</p> + +<p><span class="pagenum" title="110"></span><a id="p_110"></a></p> + +<h2><a id="IX"></a>IX.</h2> + +<p class="subh2">GEESTELIKE ROMANS.</p> + +<p>Terwijl de Ridderlyriek zich zo aan de hoven van Zuid-Frankrijk +ontwikkelde, ontstond de Ridderroman langzamerhand uit de sosiale en +geestelike tijdsomstandigheden. Zijn voorganger is een Latijnse +vertellings-literatuur die in de wereld der geesteliken opbloeit en +ontstaat uit de kristelike sentimentaliteit en uit de overdreven +avontuurlike fantasie van de tijd.</p> + +<p>In de kloosters leefden toch de geestelik het meest op de voorgrond +tredende mensen van hun tijd,—met de beste vorming en de grootste +leeslust, mensen met alle tijd tot hun beschikking, van de +morgengodsdienst tot de middag, tussen vesper en de kompleten en met +genoeg volharding in zich om grote uitgebreide folianten te schrijven. +Geheel de lange, stille dag werd er in de scriptoria en de cellen het +ene gele blad na het andere omgeslagen en kraste de ganzeveder over het +perkament. Op de boekenplanken in de leeszaal stonden de Heilige +Schrift, de kerkvaders en de legenden naast kronieken van Franse en +Duitse monniken, elk met <i>hun</i> historie en met alles wat de wijze +klerken van Rome nagelaten hadden,—ja! zelfs kon men er vertalingen van +Griekse romans vinden of van de Oosterse wijsheid der ongelovige +Muzelmannen. Zij die Latijn lazen en schreven, hadden toegang tot al de +schatten van het menselik weten, en bronnen van onder elkaar wijd +verschillende wereldstreken en tijden—Keltiese Arthur-legenden en +Griekse liefdesgeschiedenisjes, Oosterse anekdoten en Frankiese +heldendichten—vloden nu in de tijd der kruistochten samen in de +Latijnse folianten der monniken tot een algemene Europese literatuur. Zo +kreeg de leeshonger en de dorst naar het fantastiese in het saaie +kloosterleven een bonte massa stof om op te teren. Ook langs mondelinge +weg kwam menige echo uit de buitenwereld naar binnen en werd trouw en +dankbaar opgetekend. Kloosterbroeders, teruggekeerd van de tochten +waarop zij uitgezonden waren, werden nieuwsgierig over alles +uitgevraagd, ook pelgrims kwamen terug van hun reizen, propvol van +indrukken en verhalen, menige ridder zocht op zijn oude dag een +toevlucht in het klooster en had dan veel van zijn avonturen te +vertellen, toen hij nog in 't volle leven verkeerde, verscheidene +kloosters waren ook eigelik niets anders dan een soort herberg waar +voortdurend de hoge heren met hun gevolg<span class="pagenum" title="111"></span><a id="p_111"></a> aan kwamen zetten. Aan de +andere kant gaat ook de geestelikheid de wereld meer en meer in, om die +door macht zo wel als door een sentimenteel-dwepend opruien te kunnen +beheersen. Onder dit alles zien wij de kronieken en legenden der +monniken levendiger worden en meer door menselike gevoelens bewogen, +maar door de fantasie gekleurd, meer roman-achtig en ze komen er nu +zelfs toe hele profane Latijnse romans te schrijven.</p> + +<p>In plaats van vervelende droge annalen, die met even weinig geest als +gevoel, jaar na jaar de gebeurtenissen aanstippen—zonder samenhang, +zonder détails, zonder enige aandoening—groot en klein door elkander, +alles wat de annalist maar ter ore komt,—beginnen in veel dier +kronieken personen op de voorgrond te treden, gebeurtenissen worden in +dramatiese scènes weergegeven en tot geschiedenissen aaneengeregen en de +kroniekschrijver tracht deelneming te wekken, de spanning gaande te +houden en aandoening te weeg te brengen; hij kleurt en idealiseert de +geschiedenis, romantiseert, en sentimentaliseert die. In de schildering +door een geestelike uit Mainz van het leven van Hendrik IV, zien wij +b.v. de scène op de Rijksdag van Mainz waar de zoon des keizers met +gehuicheld berouw zich voor de voeten van zijn vader werpt. <ins class="corr" id="corr20" title="Bron: „"></ins>De +vader die zijn zoon's woorden en tranen maar al te graag +geloofde, viel hem om zijn hals, weende en kuste hem en was even blijde +als die andere vader in het Evangelie dat zijn zoon die gestorven was, +weer opstond en zo de verlorene weer terug gevonden was. In 't kort, hij +vergaf hem en schonk hem al zijn straf kwijt en zijn zoon met zachte +vaderlike vermaningen terecht te wijzen scheen hem een voldoende straf +voor zijn misdaad, want gelijk de blijspeldichter zegt: „een kleine +boetedoening is den vader voldoende voor de grote misdaad van zijn +zoon.” Op die wijze ziet men die historiese scène geheel en al in het +licht van de terugkeer van de verloren zoon en van de scène bij +Terentius waar de oude vader zijn ongehoorzame zoon vergeeft; in het +licht van kristelike sentimentaliteit en antiek humanisme wordt de scène +er als één uit een roman. Even romanesk is de kroniek van de +Normandische monnik <span xml:lang="la">Ordericus Vitalis</span> over de Normandiese vorsten. Het +is overal de gewone menselike kant en de anekdotiese scènes die hij het +liefst op de voorgrond zet; met bewondering schetst hij de statige +Normandiese groten met hun prachtige feesten en schildert hij de +familietwist tusschen Willem de Veroveraar en zijn zoon met de bijbelse +kleuren van David en Absalon. Volkomen als een historiese roman<span class="pagenum" title="112"></span><a id="p_112"></a> vormt +zich eindelik grotendeels de „Historie der Britten” van de Engelse klerk +<span xml:lang="en">Geoffrey</span> van <span xml:lang="en">Monmouth</span>. (c. 1135) Op het voorbeeld van de Romeinse +geschiedschrijvers, dicht de fantasie-rijke Brit uit Wales er op los: +brieven en redevoeringen en alles zet hij in een retoriese stijl en hij +schildert koninklike bruilofts- en kroningsfeesten, kerkelike ceremoniën +en vrouwen met een huid, witter dan ivoor en pasgevallen sneeuw. Koning +Uther wordt bij een banket op de gemalin van een zijner leenmannen +verliefd en verteert van liefde, totdat Merlijn, de fantastiese tovenaar +hem aan haar sponde brengt in de gedaante van haar gemaal—evenals +Mercurius Jupiter bij de echtgenote van Amfitruo bracht. Koning Lear +staat zijn rijk aan zijn dochters af en krijgt bitter hun ondankbaarheid +te voelen. Een moeder verzoent twee twistende broeders—gelijk Iokaste +tracht Eteocles en Polynices bij elkaar te brengen. Koning Arthur +vervolgt een reus die de jonge Helena geschaakt heeft en het +samentreffen met die reus herinnert in allerlei opzichten aan de strijd +van Hercules met Cacus, de zoon van Vulcanus. De 11000 schone Britse +vrouwen die schipbreuk lijden en in de handen van een wilde roverbende +vallen, zijn ongetwijfeld verwant aan de H. Ursula en de 11000 Britse +maagden die volgens de legende te Keulen de marteldood stierven. Zo +spookt ook in de fantasie van deze vindingrijke Keltiese monnik die +gehele massa stof rond waar de overlevering en de bonte boekenschat in +de kloosterbiblioteken van Wales hem mede hebben gevuld.</p> + +<p>Maar die romantiese kronieken—die van onze Deense Saxo is een van de +prachtigste exemplaren van het soort—zouden niet achter de +kloostermuren blijven. De ridderhoven smachtten gewoon naar amusante +verhalen. Dat <span xml:lang="en">Geoffrey</span> van <span xml:lang="en">Monmouth</span> zijn „<span xml:lang="la">Historia Regum Britanniae</span>” +schreef, is waarschijnlik aan de uitnodiging daartoe te danken door de +aartsdiaken van Oxford, van een Engelse prinses, en kort daarna begonnen +ook verscheidene Normandiese geesteliken—gelijk er zo vele aan de hoven +leefden als sekretaris of gouverneur bij jonge kinderen—het Latijn van +<span xml:lang="la">Galfridus</span> in Franse berijmde verzen over te zetten, naar het schijnt op +verzoek van vorstelike Engelse dames. En gelijk een van die bewerkers, +<span xml:lang="en">Mester Wace</span>, verklaart, kon men nu op die manier op alle ridderkastelen +die kronieken bij feestelike gelegenheden voorlezen, als eens een +afwisseling voor die eeuwige heldengedichten. Zulke rijmkronieken,—Wace +zowel als <span xml:lang="en">Gaimar</span>, de andere bewerker van <span xml:lang="en">Geoffrey</span>, hadden ook oude +Latijnse kronieken in Franse verzen vertaald—missen de deftige +retoriese<span class="pagenum" title="113"></span><a id="p_113"></a> stijl van de voorgangers, beschrijven de kampstrijden en +feesten der Ridderwereld met trekken en kleuren daaraan ontleend in nog +groter détail en—iets waar <span xml:lang="en">Gaimar</span> uitdrukkelik opmerkzaam op +maakt—vergeten niet 's konings privaatleven en zijn +liefdegeschiedenissen breedvoerig uit te meten.</p> + +<p>Vroeger dan deze rijmkronieken valt de Duitse „Keizerkroniek”, in Duitse +verzen ongeveer 1135 waarschijnlik door een klerk aan het hof van Hertog +Hendrik de Trotse te Regensburg geschreven. Die is geheel en al van uit +een geestelik standpunt en voor een geestelik publiek opgesteld, maar +overal zijn er romantiese episodes en kleine novellen ingevlochten—met +de stof van de Romeinse geschiedschrijvers, van Duitse heldensagen, +legenden en Oosterse vertellingen. Daar hebben wij b.v. de geschiedenis +van Tarquinius en Lucretia geheel als een ridderhistorie: Vorst +Collatinus leeft in een gelukkige echt met Lucretia maar rijdt toch +dikwels in 't geheim naar Viterbo waar men toernooien houdt en vele +hoofse dames wonen. De dames van Viterbo volgen de spelen van de muren +af en de Romeinse ridders trachten zich zo goed mogelik voor te doen; in +de pauses gaan ze met de schonen een praatje maken die het gesprek +snedig en gevat blijken te kunnen voeren. Een van hen vraagt een ridder +of hij liever de volgende nacht bij de schoonste vrouw zou willen +doorbrengen of de volgende dag met de dapperste ridder vechten, en de +ridder weet, zeer voorzichtig en galant zijn antwoord zo in te richten +dat hij noch laf lijkt, noch onverschillig voor vrouwengunst. Of wij +krijgen de geschiedenis van Crescentia, half legende, half een +Grieks-Oosterse vertelling, naar het schijnt. Het is over een onschuldig +belasterde Keizerin die verstoten is en een zwervend leven leidt vol +avonturen, steeds door het noodlot vervolgd, maar die door bijstand uit +de hemel per slot van rekening weer in eer en aanzien hersteld wordt. De +stichtelike legendentoon doet ons zien dat wij ons in een geestelike +atmosfeer bevinden, maar allerlei amusante détails tonen dat de klerk +hier bij de speelman in de leer is gegaan.</p> + +<p>In hun honger naar vertellingsstof versmaadden de klerken ook niet de +nationale heldendichten ter hand te nemen en die tot kronieken te +latiniseren of tot een stukje Virgiliaanse epiek. Er kwamen op die +manier hoogst merkwaardige produkten tot stand. In het klooster te St. +Gallen zat er reeds in de 10<sup>de</sup> eeuw een jong geestelike die als +Latijnse stijloefening een der schoonste Duitse heldendichten—dat van +Walther en Hildegunde—tot een Latijns epos in hexameters omwerkte met +zinswendingen en<span class="pagenum" title="114"></span><a id="p_114"></a> vergelijkingen in de trant van Virgilius, zowel als +geestelik-vrome uitbarstingen in de wild-barbaarse, heroiese poëzie van +het gedicht ingeweven. Op dezelfde manier had in diezelfde eeuw een +Franse monnik de heldendichten uit de cyclus van Karel de Grote tot een +Latijns gedicht in een hoogdravende, duistere retoriese stijl omgewerkt. +In de zogenaamde kroniek van Turpijn (begin van de 12<sup>de</sup> eeuw) zijn +verschillende „chansons de geste” tot een poëties gestemd Latijns stuk +proza omgewerkt; meer dan bij schilderingen van strijd en fiere helden, +blijft het verhaal stilstaan bij de Majesteit van Keizer Karel en zijn +hof te Aken of bij allerlei hemelse mirakelen en aardse wonderen en in +'t algemeen is de toon kristelik-sentimenteel en religieus-fanaties. Een +vermakelike metamorfose heeft het Rolandslied ondergaan, dat door een +zekere priester Konraad aan het hof van de Beierse hertog Hendrik de +Trotse in het Latijn is vertaald en daarna weer in Duitse verzen werd +omgezet. Nergens kan men zo goed als hier het verschil in geest en toon +bestuderen tussen nationaal heldendicht en geestelike rijmkroniek: de +geleidelik en breed vloeiende vertellingsstijl van de laatste die niets +overslaat, niets op de voorgrond schuift; de uitvoerige beschrijvingen +der kostumes en ceremoniën, de lange redeneringen, steeds weer de +mirakelen, het verlangen der Paladijnen naar het hemelrijk en de +martelaarskroon—alles zo geheel anders dan wat in de sfeer van de +„Chanson de Roland” thuis hoort.</p> + +<p>Zelfs waagden ze het enkele gedeelten uit de bijbel tot romantiese, +roerende en onderhoudende vertellingen om te werken, eerst in Latijnse +verzen, tot stichting der geesteliken zelf, later in de volkstaal om het +publiek van de kermissen zowel als van de kastelen tot de lezing van +vrome lektuur te brengen, in plaats van een geschiedenis als Tristan en +Isolde of van het Chanson de Roland. Een Engels geestelike vertelt, in +de 12<sup>de</sup> eeuw, hoe de speellieden de hoorders tot tranen toe bewogen, +door van de ongelukken te vertellen die de edele held Artus of Gauvain +vervolgden, maar hij vindt dat men bij het voordragen van Christi +lijdensgeschiedenis veel meer tranen zou moeten storten. Daarom prijst +<span xml:lang="la">Ordericus Vitalis</span> ook een geestelike die in de kapel van een Engelse +graaf aangesteld was, en die dikwels baronnen en pages om zich heen +verzamelde en ze „een grote massa voorbeelden vertoonde van lieden uit +het oude testament zowel als uit de moderne Kristen-sagen, die de +heilige strijd aangebonden hadden”, en op die manier schilderde hij o. +a. heerlik de gevechten die Demetrius en George, Theodorus en +Sebastiaan, Mauritius de hoofdman over honderd<span class="pagenum" title="115"></span><a id="p_115"></a> en het Thebaiese legioen +zowel als de voorname hoofdman Eustachius hadden te bestaan om zich als +<ins class="corr" id="corr21" title="Niet in Bron.">„</ins>bloedgetuigen de hemelkroon waardig te maken”. Men bracht de +daden der Machabaeën zowel als de schipbreuk van Jonas in rijm, +schilderde de kamp van Salomo met een draak die alle bronnen van +Jerusalem leeg dronk, en zijn schitterend hof met al zijn pracht en +ceremonieën. Vooral werden de liefdesgeschiedenissen in detail +geschilderd. Een Frans bisschop verhaalt in Latijnse verzen hoe de +dochter van Jakob geschandvlekt werd, een ander hoe Amnon zijn zuster +verkrachtte; een Duitse berijming van de bijbelse geschiedenis treedt in +allerlei bizonderheden over de liefdesgeschiedenis van Jakob en Rachel, +Sichem en Dina en vertelt gezellig, op de manier der „<span xml:lang="de">Brautwerbungen</span>” in +de Duitse heldengedichten, hoe het Eleazer ging toen hij naar Nahors +toog om voor Isaak een vrouw te zoeken.</p> + +<p>Al die aandoenlike kleine idyllen uit het leven van Maria en de +kindsheid van Jesus, waar de apocryfe evangeliën van wisten te +vertellen, werden in Franse en Duitse gedichten behandeld. In +sentimentele verzen werd ook de Passie geschilderd. Op Goede Vrijdag, +wanneer de menigte in de kerk zich voor het omsluierde kruis op het +altaar verdrong, kon het gebeuren dat de priester naar voren trad en een +berijmde versie van de Lijdensgeschiedenis reciteerde, en dat hij begon, +net als de <span xml:lang="fr">trouvères</span>: „Hoort mij nu allen rustig aan, en laat de mond +niet langer gaan—hoort wat ik zeg van Kristi dood...” Verder werden +alle sentimentele legenden van de genaderijke mirakelen der Madonna +allerliefst tot kleine berijmde schetsjes bewerkt. Een Latijnse +verzameling van zulke legenden vond de Normandiese monnik Adgar in de +biblioteek van de St. Paulskerk te Londen en hij begon ze in naieve +Franse verzen na te vertellen—van het Jodenjongetje dat de +Hemelkoningin uit het vuur redt, van de kankerlijder, een monnik, die +zij van haar borst laat drinken, van de zondaars die zij uit de klauwen +redt van de wereldlike rechtvaardigheid, zowel als van de duivel. En zo +zijn er anderen die de Heiligen-legenden van hun bloemrijke, gezwollen +stijl ontdoen en die wonderbaarlike en roerende geschiedenissen in een +gewone, lichtbevattelike stijl de leken aanbieden.</p> + +<p>Juist in de 11<sup>de</sup> eeuw stroomden er van Oost en West de meest +fantastiese en sentimentele legenden Europa binnen. Van het Westen—uit +de oude kristelike kerk der Kelten in Ierland en Engeland—haalden de +Noormannen, na de verovering van Engeland, verschillende legenden die +doortrokken waren van het<span class="pagenum" title="116"></span><a id="p_116"></a> avontuurlik-fantastiese van een +zeevaarders-natie en met een aan dat ras eigene romantiese, onstoffelike +mystiek. St. Patrick, St. Columbanus, de Heilige Brigitta—of hoe al die +Keltiese heiligen heten—zijn als door een atmosfeer van mystiek +omgeven; zij hebben visioenen en horen stemmen, de natuur spreekt tot +hen, profeties kijken ze de toekomst in, een tijdlang worden zij zelfs +in het Hiernamaals overgebracht en weten dan, bij hun terugkomst, de +merkwaardigste dingen te vertellen, over de vurige helmond—en de zwarte +vogels die klagend in het vuur rondfladderen, over de brug, scherp als +een mes, die over de afgrond voert, over het verblindende licht en het +zoete gezang dat de bezoeker uit Gods eigen huis te gemoet stroomde. +Herinneringen aan de openbaring van Johannes hebben zich klaarblijkelik +in deze visioenen met heidens-Keltiese myten vermengd. Of de legenden +vertellen van de avontuurlike zeereis van de Ierse heilige Brandanus +naar de woonplaatsen der zaligen en der verdoemden,—legenden die +samengesmolten schijnen uit herinneringen aan oude Keltiese zeevaarders +en Indies-Oosterse reisverhalen.</p> + +<p>Uit het kristelike Syrië en Aegypte kwamen er omstreeks het jaar 1000, +waarschijnlik over Byzantium en Zuid-Italië, een hele massa legenden, +ontstaan uit de vurige en grenzenloze verbeeldingskracht van het Oosten: +verhalen van de gruwelikste misdaden en de meest geraffineerde +boetedoeningen, van daemonen en toverij, van de merkwaardigste +ondervindingen, de smartelikste beproevingen, de wonderbaarlikste +zelfopofferingen—van Theophilus die een verbond met de duivel aangaat +en de zwarte kunst leert; van St. Gregorius die—evenals Oedipus in de +oudheid—zonder het te weten met zijn moeder trouwt en die na het +hevigste berouw het tot Paus brengt; van kuise schone jonkvrouwen die in +hun onschuld en vroomheid de wapenen vinden om de draken des duivels te +overwinnen, van het jonge meisje dat haar bloed geeft om de zieke +koningszoon te genezen, over de zelfvernedering van berouwhebbende +zondaressen; van de heidense prins Joasaph die, van alle nood en ellende +in de wereld afgesloten, in een kasteel opgroeit, vol van alle +heerlikheden, maar die toch door het een of ander toeval een begrip +krijgt van wat ziekte, armoede en dood betekent en die daardoor zo in +zijn binnenste geschokt wordt dat hij vlucht en bij een kluizenaar, +Barlaam terecht komt die hem tot het Kristendom bekeert.</p> + +<p>„Barlaam en Joasaph” is aan Syriese en Griekse romans ontleend, die het +verhaal weer uit Indiese Buddha-legenden hebben.<span class="pagenum" title="117"></span><a id="p_117"></a> Lang vóór de +kruistochten was veel van de rijke vertellings-literatuur van Byzantium +en het Oosten naar Europa overgebracht en door geesteliken in het Latijn +vertaald. De voornaamste stapelplaats waarover die uitvoer plaats had, +was ongetwijfeld Zuid-Italië, dat nog half Grieks was, maar waar eerst +de Saracenen zich nestelden, maar later de Duitse keizers hun +heerschappij trachtten te bevestigen en waar eindelik de Noormannen in +de 11<sup>de</sup> eeuw een rijk stichtten. Bij de geestelikheid en de adel was +er uit de dagen der oudheid nog een niet geringe beschaving blijven +bestaan en het voortdurende zich met elkaar mengen der volkeren bracht +ook een grote kultuurinvloed op elkaar mede. De Hertogen van Napels +zonden in de 10<sup>de</sup> eeuw de Aartspriester Leo met een missie naar +Byzantium en daar verzamelde hij gedurende zijn verblijf alle boeken, en +zo bracht hij o. a. een Griekse vertelling over Alexander de Grote mee +naar huis, die hij later ten pleziere van de voorname Zuid-Italiaanse +kringen, in 't Latijn vertaalde. Via Byzantium werd waarschijnlik ook +wel de roman „Van de zeven wijze meesters” bekend—de geschiedenis van +een prins wiens stiefmoeder hem eens vergeefs tracht te verleiden en hem +daarna bij de koning aanklaagt; nu vertellen zeven wijzen elk op hun +beurt een geschiedenis die alle daarop neerkomen hoe gevaarlik een +overijlde bestraffing is, terwijl de geslepen koningin verhalen doet met +een juist tegenovergestelde tendens. Deze vertellingen gingen met de +omlijsting die ze zo op Oosterse wijze samen bond, in verschillende +versies heel Europa door; ze vertelden van de verwonderlike +scherpzinnigheid der wijzen en de vindingrijke slimmigheid der vrouwen +waar het er op aan kwam hun echtgenoten te bedriegen, of wel hoe +merkwaardig het noodlot met de mensen speelt. Uit Arabië kwam ietwat +later de bekende verzameling van anekdoten en dierfabels die „Kalilah en +Dimnah” heet; die werd eerst in het Hebreeuws vertaald en daaruit door +een gekerstende Jood, Johannes van Capua, in 't Latijn.—Behalve +Zuid-Italië is ook Spanje een brug tussen het Oosten en West-Europa. +Daar woonde een andere bekeerde Jood, <span xml:lang="la">Petrus Alphonsus</span>, die ongeveer in +het jaar 1100 een reeks, grotendeels aan 't Arabies ontleende anekdoten +en zedelike vertellingen in één Latijns boek bijeen bracht, dat hij +„<span xml:lang="la">Disciplina Clericalis</span>” noemde: het handelt over een vader die zijn zoon +levensregelen geeft welke hij met talrijke geschiedenissen illustreert.</p> + +<p>Uit 't Oosten is hoogstwaarschijnlik ook het motief van de +„vriendschapsproef” gekomen; reeds vóór het jaar 1100 was het<span class="pagenum" title="118"></span><a id="p_118"></a> voor de +geesteliken in veel Latijnse versies behandeld geworden, die later van +grote betekenis voor de dichtkunst der Middeleeuwen zouden worden. Het +zijn geschiedenissen van een sentimenteel elkaar trachten te overtreffen +in grootmoedigheid en zelfopoffering, over het ten toon spreiden van +grote scherpzinnigheid en een merkwaardig spel van 't lot—allemaal in +de Oosterse dichtkunst zeer geliefde motieven. Iemand merkt dat zijn +vriend op zijn vrouw verliefd is en staat haar grootmoedig aan hem af. +Soms gaat dit zo in zijn werk, dat de echtgenoot niet dan na de stil +versmachtende vriend zéér slim op de proef gesteld te hebben, hem zijn +geheim ontlokt; hij vat de hand van de zieke terwijl hij alle vrouwen in +huis eén voor eén voorbij het bed laat gaan, als zijn vrouw passeert, +merkt de man dat zij het is, voor wie de zieke zucht. Later krijgt de +vriend gelegenheid zich op zijn beurt op te offeren, de vroegere +echtgenoot komt dan b.v. in levensgevaar, hij is van een zekere misdaad +beschuldigd en juist zal hij naar het schavot gevoerd worden, wanneer de +andere er bij komt en alle schuld op zich neemt. Of wel hij wordt +melaats en kan alleen gered worden door een bad in kinderbloed; de ander +bedenkt zich geen ogenblik en doodt zijn eigen kinderen om de vriend te +redden. In meer dan een tekst lijken de twee zò sterk op elkaar dat de +een de ander daardoor uit een gevaarlik avontuurtje redden kan. Die +staat n.l. in liefdesbetrekking tot de koningsdochter, maar wordt +verraden; nu moet hij door een Godsoordeel zijn onschuld bewijzen; zijn +vriend neemt zijn plaats in en natuurlik valt het oordeel nu te zijnen +gunste uit. In verband hiermede moet de een ook tegenover de +koningsdochter de rol van zijn vriend op zich nemen en omgekeerd deze +die van de echtgenoot tegenover zijn vriends vrouw, maar beiden houden +zich zo trouw aan hun vriendenplicht dat niemands recht daarbij gekrenkt +wordt. Het hartroerende, gevoelvolle in deze motieven hebben de +geesteliken reeds in de 11<sup>de</sup> eeuw in Latijnse verzen, met de nodige +retoriek en sentiment ontwikkeld. Helemaal romanties is het dat, wanneer +de echtgenoot zijn vrouw aan zijn vriend heeft afgestaan en zij +wegtrekken, hij dan zelf aan de oever ze na blijft staan turen, terwijl +hij op zijn guitaar tokkelt en ze elegies klagend achterna zingt; hij +hoort de echo zijn woorden herhalen en wanneer hij ze uit het oog +verliest, slaat hij zijn guitaar in splinters.</p> + +<p>Een andere in de geestelike wereld zeer verbreide vertelling was de +<span class="pagenum" title="119"></span><a id="p_119"></a>klassieke roman van Apollonius van Tyrus. Die werd in de 3<sup>de</sup> eeuw +geschreven, waarschijnlik oorspronkelik in het Grieks, maar reeds vroeg +in 't Latijn vertaald door iemand die nog heiden was; reeds ten tijde +van Karel de Groote heeft men in Franse en Duitse +kloosters handschriften van de Latijnse vertelling gehad en in de +volgende eeuwen kan men de roman zich in talrijke nieuwe afschriften +verder zien verspreiden. In de 10<sup>de</sup> eeuw vinden wij de stof in +Latijnse hexameters bewerkt, later gaat die in de Latijnse verzameling +van verhaaltjes, <ins class="corr" id="corr22" title="Bron: „"></ins>de „<span xml:lang="la">Gesta Romanorum</span>” over, en +reeds in de 12<sup>de</sup> eeuw zijn er Provençaalse en Franse bewerkingen +geweest. De oude vertelling had allerlei romantiese motieven in zich +opgenomen, die in het Oost-Romeinse rijk aan het einde van het klassieke +tijdperk verbreid waren: Een koning staat in een onnatuurlike verhouding +tot zijn dochter en om de vrijers kwijt te raken, legt hij hun een +raadsel voor. De wijze en voorname Apollonius lost het raadsel op. Maar +daar dat juist een bekentenis van de bloedschande inhoudt, wordt hij, +verre van de hand der prinses te krijgen, meer dan ooit door de koning +vervolgd. Hij moet uit Tyrus vluchten, zwerft op de Aegeïsche zee rond, +trouwt met een andere koningsdochter, bij wie hij een dochter krijgt. De +familie raakt door een storm op zee van elkaar en alle drie hebben de +merkwaardigste avonturen te doorstaan. De dochter komt in een bordeel +terecht, maar zij weet haar kuisheid en onschuld te bewaren, de +echtgenoote wordt priesteres in een tempel, Apollonius zwerft oud en +droevig om op zoek naar vrouw en dochter die hij dan ook eindelik vindt +en herkent. Al deze in die tijd zeer bekende motieven heeft de oude +schrijver samengeweven om ze als grondslag te gebruiken voor uitvoerige +schilderingen in de trant der Sophisten en rhetoren: nu eens een storm +op zee en een overval door zeerovers, dan eens hoffeesten en +godsdienstige ceremoniën; hier horen wij van een jongeling, die van +liefde verteert, daar van een meisje dat door tranen of roerende +smeekbeden een barbaar vertedert die haar kuisheid belaagt,—vol van +lange redeneringen en klachten, vertwijfeling en herkenningsscènes.</p> + +<p>Men begrijpt welk een enorme aantrekkingskracht zulk een roman had voor +de Middeleeuwse geestelikheid. De afwisselende, avontuurlike +gebeurtenissen te land en te water; de verschillende zinnen-prikkelende +onderwerpen—bloedschande en bordeelscènes—; de medelijden-verwekkende +ellende, roerend verdriet en aandoenlike vreugde; bewonderenswaardige +kristelike deugd, door boosheid vervolgd. In stof zowel als in geest was +er daarin veel dat verwant was aan de kristelike legenden. En bovendien<span class="pagenum" title="120"></span><a id="p_120"></a> +voerde die roman de lezers in de gehele antieke civilisatie in: de +omgang in de kringen van een koningshof zowel als de gehele geestelike +habitus van de optredenden, hun manier van zijn en van spreken, wees op +een oude hoogstaande kultuur.</p> + +<p>Uit die van alle kanten toestromende stof poogden ten slotte de +geesteliken zelfstandige romans samen te stellen. Een zeer merkwaardige +vertelling in Latijnse hexameters, in de 11<sup>de</sup> eeuw geschreven door +een Beiers geestelike, is ons in fragmenten overgeleverd. „Ruodlieb” +verhaalt van een aankomende ridder die de wereld in trekt, en bij een +bezoek aan een koning twaalf raadgevingen mede krijgt, en het vervolg +van de geschiedenis toont nu hoe nuttig die waren en hoe alles misloopt +als ze niet opgevolgd worden. Het idee van die raad die door een hele +reeks avonturen zijn goed recht toont, stamt duidelik uit het Oosten, +waar die meer dan eens in de literatuur te vinden is; dat is juist een +van die echt-Oosterse handige manieren om verschillende geschiedenissen +tot één geheel samen te binden en levensregels in te prenten. Ook veel +van die enkele raadgevingen en vertellingen die ze illustreren, schijnen +van Oosterse oorsprong. Vanwege het exotiese-vreemde heeft de schrijver +een gedeelte van de handeling naar het koninkrijk Afrika verlegd en waar +hij kan, brengt hij de kennis aan de man die hij uit 't een of ander +medies-natuurkundig compendium geput heeft, over merkwaardige dieren of +planten. Maar vooral is hij in aanraking gekomen met de ridderwereld en +hij weet ook op de een of andere manier iets van het Zuid-Italiaanse of +Arabiese of het Byzantijnse hof, want midden in de realistiese +schildering van het naieve Beierse adelike leven der 11<sup>de</sup> eeuw, +vinden wij niet weinig trekjes van fijne „hoofse” manieren die duidelik +als voorbeeld opgesteld worden voor het publiek, tot hetwelk de +schrijver zich richt. Daar worden hoffeesten geschilderd met prachtige +klederdrachten en juwelen, de ceremoniële ontvangst der gezanten en +banketten. Na de maaltijd gaan de dames en de jonge ridders in de +slottuin naar de vogels kijken die de dames eten geven. Dan vraagt een +der ridders om een harp en geeft een stuk ten beste, waarna het +gezelschap gaat dansen; „gelijk de valk in een kring om de zwaluw heen +zweeft, zo draait de ridder om haar heen met wie hij danst, maar als hij +dichter bij komt, ontwijkt zij haastig”. Een ridder en een dame spelen +met de teerling om vingerringen,—feitelik, zegt de dichter, spelen ze +om zichzelf, en of ze winnen of verliezen, ze zijn toch allebei even +gelukkig. Zij verbergen niet langer voor elkander hoezeer<span class="pagenum" title="121"></span><a id="p_121"></a> zij +liefhebben. Als de moeder van het meisje het maar goed vond, zouden ze +nog dezelfde dag trouwen, maar de zeden eisen nu eenmaal dat zij nog wat +wachten. Maar de jonkvrouw kan zich nauweliks bedwingen.—Elders komt de +schets van een kokette voor die achter haar deugdzame schijn een +amourette met een geestelike verbergt; zij meent een ridder in haar +netten te kunnen vangen, maar hij stelt haar brutaal te leur en aan de +kaak.</p> + +<p>Ruodlieb zelf is het ideaal van een jonge man. Zijn dapperheid wordt +niet spesiaal op de voorgrond gesteld—ook dit wijst er op hoezeer 't +werk door het Oosten en door de geestelikheid geïnspireerd is—maar wel +zijn vroomheid, zijn goedheid en zijn beminnelike manieren. Schoon en +innig wordt zijn thuis en de verhouding tot zijn moeder geschilderd +(zijn vader is dood) en tot de ondergeschikten. Roerend is b.v. het +afscheid,—de moeder gaat hem op de verandah na staan kijken, maar +tracht haar tranen voor de dienstboden te verbergen, de knechts klimmen +op de muur om de vertrekkende nog zo lang mogelik te zien; zwaar om het +hart trekt hij zelf weg. Gevoelvol is ook in een reeks details de +terugkomst geschilderd: de knecht die in de kerseboom geklommen is om te +zien of hij nog niet komt,—de moeder die voor hem uithaalt en hem op de +erezetel wil doen plaats nemen, wat hij met de eerbied van een zoon van +zich af schuift, en dergelike trekjes meer.</p> + +<p>Ruodlieb toont veel meer dan enig ander dokument hoezeer de geestelike +Latijnse vertellingsliteratuur de voorbode was der 12<sup>de</sup> eeuwse +ridderromans en die voorbereidde; in de tijd van de Otto's kenden +bovendien zo veel Duitse edelen Latijn dat Ruodlieb misschien ook wel +als lektuur berekend was voor de wereld der voorname leken.—</p> + +<h2><a id="X"></a>X.</h2> + +<p class="subh2">DE ROMANTIEK DER KRUISTOCHTEN.</p> + +<p>De kruistochten waren het die in de 12<sup>de</sup> eeuw 't meest op de +voorgrond traden. De gehele maatschappij en het gehele geestesleven +droegen er de stempel van: die stroom van mensen uit alle klassen der +samenleving, die een eeuw of anderhalve eeuw lang, uit Europa naar het +Oosten trokken, hetzij als een georganiseerd leger, hetzij in grote of +kleine scharen van pelgrims. En die kruistochten betekenden een grote +verheffing van het zelfbewustzijn dier tijden. Nadat de mensheid +eeuwenlang moedeloos door eigen<span class="pagenum" title="122"></span><a id="p_122"></a> ellende naar de oude goede tijd terug +hadden gekeken, voelden zij nu met vreugde dat er iets groots en iets +nieuws in hun leven gekomen was, en de wereld in nieuwe banen geleid +werd. Zelfs in die tijd, „nu de wereld oud geworden is”,—zo laten de +kroniekschrijvers van de eerste kruistocht zich uit—zelfs nu is het +gebleken dat er dingen gebeuren die „evengoed de moeite van het horen +waard zijn als in de oudheid”—die zelfs „veel belangrijker zijn, en de +mensheid tot groter eer, dan die zuiver wereldlike oorlogen van +vroeger”, ja! „sedert de schepping van de wereld en het mysterium van +het kruis is er niets gebeurd dat met deze tocht vergeleken kon worden, +die een werk Gods was, en niet van de mensen”.</p> + +<p>Een machtige beweging grijpt alle gemoederen, de gehele maatschappij. +Overal breekt men af, alles komt op losse schroeven te staan. Wanneer de +burchtheer een verre reis onderneemt, wordt op menig kasteel het land +verpand, of het gaat al vast aan de erfgenamen over of wordt aan een +voorlopige bestuurder overgedragen, de vazallenband wordt opgeheven, +huweliken worden ontbonden en de vrouwen naar het klooster gezonden, of +de vrouw die alleen achterblijft vergeet haar man en neemt een ander, zo +goed als hij op zijn tochten genoeg los vrouwvolk vindt. Ook bij het +volk lopen genoeg dwepers rond die het opstoken; ze trekken weg, in +scharen, man, vrouw en kinderen, de dorpen met elkaar, en als +sprinkhanen valt het volk in zwermen ergens anders op aan. Alle wegen +zijn vol soldaten en pelgrims, allerlei mensen vullen de herbergen die +propvol zijn, op schepen en in karavanen pakken ze zich samen, een +mengelmoes van de beste en de slechtste elementen der maatschappij met +de ergste misdadigers erbij, stromen allemaal naar het Oosten. Het +afscheid van huis legt een pathos in vele gemoederen, dat ons nog uit de +gevoelvolle liederen te gemoet klinkt waarin Provençaalse, Franse en +Duitse ridders hun kastelen en goederen, vrouw en kinderen en al hun +ondergeschikten een afscheid toe roepen; hun heimweezuchten van uit het +Oosten of van op de zee; de verlangens der achtergebleven vrouwen naar +hun „<span xml:lang="fr">Seigneur</span>”. Elke avond luiden de kerkklokken om de thuisgeblevenen +tot het gebed op te roepen, voor hen die „over de zee” waren getrokken; +„ik zing,” zo klaagt de Vrouwe van Fayel, „om mijn ziek gemoed te +versterken, opdat ik niet sterve of krankzinnig worde van verdriet, +wanneer ik niemand uit het heidense land terug zie keren, waar <i>hij</i> is, +die mijn hart doet kloppen, wanneer ik hem maar hoor noemen,” en het +refrein luidt: „God,<span class="pagenum" title="123"></span><a id="p_123"></a> wanneer ze roepen: op ten strijd!, help dan de +pelgrims, want voor hem ben ik bevreesd; de Saracenen zijn zo wreed.” +Maar, „op ten strijd! ginds over de zee,—<span xml:lang="fr">oltrée!</span>” klonk het refrein van +de kruistocht-marseillaise die te land en te water de scharen achter +zich aantrok. „O, kruis des Heilands, gij zijt onze mast op deze +Wereld-zee,” zongen de pelgrims. „God de Heer zelf is onze Veerman, de +goede werken zijn het touwwerk en het geloof het zeil, de Heilige Geest +is de wind die ons op de rechte weg brengt en het Hemelrijk het Tehuis +waar wij zullen landen!” Allerlei onuitsprekelike narigheid en ellende +staan ze te land en op zee uit. Alle soorten van besmettelike ziekten +als pest maken hunne rijen dun, als vliegen sterven zij in hopen van +honger, en er lopen vreselike geschiedenissen van pelgrims die het leven +er in moesten houden door menschenvlees te eten; op zee maken de +zeerovers in hun galejen jacht op ze als gulzige haaien, en voeren velen +in slavernij weg; in de woestijnen van Syrië worden ze met aanvallen der +Bedouïnen bedreigd en door wilde dieren.—Wie kent de geschiedenis niet +van Godfried van Bouillon, hoe die helemaal alleen met een vreselike +beer moest vechten, en van Boudewijn die half door bloedzuigers +opgegeten werd. Maar alles is vergeten wanneer ze zo gelukkig zijn hun +doel te bereiken en ze de Heilige Plaatsen kunnen kussen, waar de voet +des Heren getreden heeft, als ze aan het Heilige Graf kunnen bidden en +water uit de Jordaan mee naar huis kunnen nemen. En de gehele atmosfeer +daarginds is voor de gelovigen in hun verbeelding van mirakelen vervuld. +Al de relikwieën die de bedevaartgangers vinden—van de heilige lans van +Longinus tot een doorn uit Kristi kroon of een druppel van zijn +bloed;—al de hemelse maar ook duivelse openbaringen waarmede de +kruistochten gepaard gaan. Plotseling komen b.v. witte ruiters het in 't +nauw gebrachte leger der Kristenen ter hulp, of wel bezoekt Satan in de +gelijkenis van een slang 's nachts het leger der kruisvaarders.</p> + +<p>Hand in hand hiermede gaat de gehele woeste strijdlust die de Europese +soldatesca op de Saraceense „honden” botviert, nu er voor hen thuis geen +plaats meer is. Met groot genoegen snijden de heren op de kruistochten +de gevangene Turken de neus en lippen af en zenden die als trofeeën aan +de Griekse keizer en toen Jerusalem ingenomen was, vlood het bloed door +alle straten en werden overal in alle kerken de mensen vermoord. En +gulzig wierp die roofgierigheid zich over alle rijke landen, „laat ons +dapper voor Kristus strijden,” roept een deelnemer aan de eerste<span class="pagenum" title="124"></span><a id="p_124"></a> +kruistocht uit, „indien God het wil, worden wij allen rijk.” Nu men dom +genoeg geweest was zich door de Griekse Keizer voor de gek te laten +houden, in plaats van Byzantium te nemen en te plunderen,—waar de +zanger der kruistochten zich eigelik hevig over ergert—nu zouden de +kamelen der Beduïnen of het huisraad en de kostbaarheden in de marmeren +paleizen het des te meer moeten ontgelden. Onder de schitterende +Oosterse zon is de kleurenpracht in de natuur zo wel als in de steden +verblindend en de gehele atmosfeer van het Oosten verwekelikt en +prikkelt alle zinnen tot genot; meer dan één ridder liet zich vangen +door de Oosterse schoonheid der Saraceense vrouwen en hun ervaren +liefdekunstjes. En al het Oosters-fantastiese waar men tot nu toe in +Europa slechts een echo van kende, dat ontvouwde zich nu vlak voor de +oogen der kruisvaarders. Hyena's en luipaarden, topazen en smaragden met +hun zeldzame toverkracht, de automatiese en mechaniese kunstwerken +waarmede de Saracenen hun woningen versierden—dat alles waar zij thuis +slechts over gehoord hadden, zagen ze nu met hun eigen ogen. Nog +vreemder waren de dingen, waar ze daar ginds over hoorden van de landen +nog meer naar het Oosten, maar waar ze zelf niet kwamen—over het +mystiese nieuwe rijk van Babylon, waar de Griekse keizer gezanten heen +heette gezonden te hebben, over het land van de „Aartspriester +Johannes”, nog verder Azië in, en over het Aardse Paradijs in Indië met +al zijn rijkdom en merkwaardigheden. Een brief die de Griekse keizer van +die mystiese „Aartspriester” gekregen moest hebben en die in talrijke +afschriften over Europa verspreid werd, vertelde van de wonderen in zijn +paleis, over het graf van de Apostel dat in de lucht zweefde en over de +„fontein der verjonging”. En op de tapijten die de kruisvaarders van +Syrië en Byzantium mede naar huis brachten, en die weldra overal in 't +Westen de altaren der kerken en de muren der zalen versierden, gloeiden +gele olifanten met groene snuiten de toeschouwers van een dieprode grond +tegemoet, of pelikanen die hun borst aan 't bloeden pikten om hun jongen +te voeden. Van die tapijten gingen draken en <ins class="corr" id="corr23" title="Bron: griffoenen">griffioenen</ins> +en gevleugelde leeuwen en alle mystiese fabeldieren van het Oosten +weldra op de portalen en de kapitelen der Romaanse kerken over.</p> + +<p>Bij hun thuiskomst werden de kruisvaarders en pelgrims niet moe van te +vertellen, en de thuisgeblevenen konden nooit genoeg te horen krijgen. +Toen graaf <span xml:lang="fr">Guillaume</span> van <span xml:lang="fr">Poitou</span> van zijn mislukte tocht thuis gekomen +was, trok hij van slot tot slot in Zuid-Frankrijk <span class="pagenum" title="125"></span><a id="p_125"></a>rond en maakte zich +interessant door van zijn gevechten met de dieren van de woestijn te +zingen en te vertellen hoe hij in zijn gevangenschap daar ginds de +bewondering van alle ongelovigen had opgewekt. Ook graaf Bohemund van +Tarente trok zo rond en terwijl hij troepen aanwierf voor een nieuwe +expeditie, vertelde hij met de nodige fantasie van zijn heldendaden en +zijn avontuur met de dochter van de sultan, die op hem verliefd werd en +hem uit zijn gevangenschap bevrijdde. Jarl Ragnvald kwam met zijn +mannen, na hun kruistocht, op de Orkney-eilanden en vertelde: eerst van +de vrolike dagen te Narbonne waar de gravin Ermengarde de flinke mannen +uit het Noorden zo gastvrij ontvangen had; toen, hoe zij aan de kust van +Sicilië een enorm groot Saraceense Dromund (oorlogsschip) getroffen +hadden, dat door een reus van een neger gekommandeerd werd, en dat zo +vol was met goud en zilver, dat, toen het schip verbrandde, er een +gloeiende stroom van metaal het water in stroomde; verder over de +belegering van Askalon, het plezierige leven dat de kruisvaarders te +Byzantium geleid hadden; enz. Over alles werden de teruggekeerden +uitgevraagd en alles wat zij vertelden werd met huid en haar verslonden. +„Zeg mij nu, meester <span xml:lang="fr">Trougemunt</span>,” heet het in een Duits lied (en +<span xml:lang="fr">Trougemunt</span> betekent de zeer bereisde, die vreemde talen kent), „twee en +zeventig landen kent gij; welke vogel heeft geen tong, en welke vogel +zoogt er zijn jongen?”... en op alle vragen heeft <span xml:lang="fr">Trougemunt</span> een +antwoord klaar, dat hij telkens met de trotse woorden inleidt: „Die gij +daar vraagt, dat is een man, die goed bescheid u geven kan.”</p> + +<p>En een hele literatuur van kronieken en reisverhalen schiet uit die +kruistochten op; de tijd voelt zich zelf merkwaardig en de wereld groot +en interessant. De verhalen die de deelnemers aan de eerste kruistocht +zelf na hebben gelaten, maken nu nog een vrij betrouwbare, nuchtere +indruk. Wij hebben een dagboek van een gewone verstandige kapelaan uit +Noord-Frankrijk, op de tocht zelf geschreven, en een verslag van een +kwezelachtige, dwepende Provençaalse monnik; wij hebben ook een +heldendicht, of berijmde kroniek, „Het lied van Antiochia” dat +reisverhalen reproduceert en verloren liederen van een zanger die op de +kruistocht geweest is en die over het algemeen zijn avonturen schildert +met hetzelfde nuchtere gevoel voor de werkelikheid en de zelfde +strijdlustige wereldlikheid die men in de oude „chansons de geste” aan +kan treffen. Maar in de latere berichten uit de tweede en derde hand +overtreft de legendariese fantasie alles en de geest die de kruistochten +<span class="pagenum" title="126"></span><a id="p_126"></a>zelf eerst langzamerhand kweekte, laat op zijn beurt weer zijn eigen +licht en kleurenschakering op de kruistocht zelf terug vallen. In de +geestelike kronieken—bijvoorbeeld in die rommelkamer voor allerlei +overleveringen die Willem van Tyrus in zijn werk bij elkaar +bracht—wordt het geheel tot een mirakel; God zelf voert de hele +kruistocht aan en midden in de handeling staat de legaat van de Paus als +de plaatsvervanger van Kristus; en terwijl de monniksfantasie de meest +fantastiese leugens over de wereld der Mahomedanen op elkaar stapelt, +schildert hij de kruisvaarders allemaal als even heilig-vroom en +eendrachtig in de liefde. In het bizonder wordt Godfried, koning van +Jerusalem, helemaal door de geestelike overlevering in bezit genomen en +wordt hij tot het type van wat zij een echt kristelik ridder noemen. +Zijn afstamming is in wonderen gehuld—hij stamt van de mystiese +zwaanridder af, de kiem van de Lohengrin-figuur,—dromen voorspiegelen +zijn toekomstige koningswaardigheid en zijn ganse jeugd wijdt hem voor +zijn missie. „In wapenrusting als in hertogsdos was hij een heilige +monnik.”</p> + +<p>En feitelik werd de Frankiese leenstaat die daar ginds in het heilige +land ingericht werd tot een soort geestelik koninkrijk en een kristelike +ridderstaat,—het beloofde land niet alleen voor het ridderwezen, waar +alles op oorlog en op oorlog alleen aangewezen was, en waarde feodale +maatschappij zich in een zuiverder en meer aristocratiese vorm +ontwikkelde, dan ergens elders in Europa, maar ook voor de Klerus zelf, +waar de gehele geest ìn en ìn kristelik was. Hier had eerst het echte +huwelik plaats van de ridderwereld met de geestelikheid—door de +oprichting van de geestelike ridderorden, de zwarte Johannieters, de +hospitaal-broeders, wier hoofdzetel mysties ontoegankelijk boven op een +berg in Syrië lag—een machtig gebouwencomplex, „welks reusachtige +pilaren en torens bestemd schijnen om het hemelgewelf te schragen”—of +nog meer de aristokratiese tempelheren in hun witte kleêren met het rode +kruis, de beschermers der pelgrims, wier residentie de „Tempel van +Salomo” zelf was. Deze geestelik gewijde ridders die in kuisheid +leefden, in een eeuwige strijd voor de Kerk en voor de zwakken en de +vrouwen, werden de ideale helden der bewegingen voor de kruistochten.</p> + +<p>Maar op de meer wereldlike gemene man werkten de kruistochten juist in +volkomen tegenovergestelde richting. Bij elke mislukte kruistocht komt +de terugslag in de vorm van een plotselinge en sterke val in de +godsdienstige temperatuur. Het bleek<span class="pagenum" title="127"></span><a id="p_127"></a> telkens weer dat het gloeiendste +geloof, de kerkelike inwijding, de wonderen Gods en de hulp van de hemel +de keten van de natuurlike oorzaken toch niet konden breken en het +onmogelike mogelik maken; het waren andere, natuurlike wetten die de +zegepraal of de nederlaag bestemden. De scepsis der teleurstelling +tegenover het bovennatuurlike breidt zich in vele kringen uit—bij de +troubadours zijn wij die reeds tegengekomen—en tegelijkertijd neemt de +belangstelling toe voor die grote nieuwe werkelikheid die zich voor de +blik geopend had. De werkelike avontuurlike wonderen nemen alle attentie +in beslag, in plaats van het hiernamaals. Menigeen trekt nog als pelgrim +uit, maar schrijft bij zijn terugkomst reisverhalen, kronieken, +natuurhistoriese werken, of dicht romantiese vertellingen. En de +kennismaking met de Saracenen en hun hogere beschaving, gaf een hevige +slag aan alle vooroordelen die de geestelikheid zo fanaties bij de +Kristenen had trachten wortel te doen schieten. Die afgodendienaars +waren, met hun geloof in één onzichtbare God, veel zuiverder +Monotheisten en stonden veel verder van de afgoderij, dan de kristenen +met hun heiligen- en relikwieën-cultus. En die trouweloze bloedhonden +bleken niet alleen veel eleganter en ridderliker te zijn dan de +kristen-baronnen, maar in hun praktiese mensenliefde—die de hospitalen +en herbergen duidelik genoeg deden uitkomen—, in hun grotere +verdraagzaamheid, hun rechtvaardigheidsgevoel en hun vorstelike +grootmoedigheid, kwam een Nureddin of Saladin al heel gauw voor vele +kristen-ridders meer of minder bewust, als een schitterend voorbeeld ter +nabootsing te staan. Ginds in die Frankiese Staten van Palaestina en +Konstantinopel had er een vermenging plaats, een „<span xml:lang="la">commercium et +connubium</span>” tussen kristenen en ongelovigen of Grieken, die op Europa +terugsloeg en in vele adelskringen en onder de kooplieden vormde zich +onbewust een zuiver humane moraal van menselikheid, ridderlikheid en +eer, die uit de voogdijschap der kerk weggleed. Meer als iemand anders, +werden de strijders der kerk, de tempelheren zelf, zo als bekend is door +die ‚skepsis’ en het humanitarisme aangegrepen die daar in het +kristelike Oosten in de lucht lagen. En thuis komt een emancipatie van +de kerk duidelik te voorschijn in de nieuwe ridderpoëzie, waarin het +weldra even goed mode wordt om tegen de vrome huichelarij en de +zwartrokken te velde te trekken als om de „edele Saracenen” en „<span xml:lang="fr">le +courtois Saladin</span>” te prijzen.</p> + +<p>Voorlopig zijn het nu de oude „<span xml:lang="fr">chansons de geste</span>” en in Duitsland de +oude nationale heldensagen die daardoor gemoderniseerd<span class="pagenum" title="128"></span><a id="p_128"></a> en aktueel +gemaakt worden, doordat er allerlei kruistocht-motieven ingevlochten +worden. Reeds vóór de eigelike kruistocht hadden de pelgrimstochten en +de verbindingen met Byzantium het vermakelik avontuurlike epos in de +wereld gebracht dat „Karel de Grote's reis naar Jerusalem” heet. Daarin +trekt Keizer Karel met zijn Paladijnen op reis om te zien of Keizer Hugo +van Konstantinopel werkelik een machtiger en prachtiger vorst is dan hij +zelf. Eerst komen zij te Jerusalem waar men hen voor Jesus en zijn +twaalf apostelen houdt; God doet wonderen voor hen en de patriarch +schenkt Karel heilige relikwieën; daarop trekken ze naar het Griekse +keizerhof, waar de Franken de hovelingen door hun optreden imponeren en +nog meer wanneer ze werkelik trachten uit te voeren wat ze voor de grap +en in dronkenschap hebben gepocht dat ze doen konden,—en het eindigt +dáármede dat Karel en zijn helden in glans en glorie naar huis trekken, +nu hun superioriteit zo duidelik gebleken is. Nu in de 12<sup>de</sup> eeuw +wordt een avontuurlike tocht naar de even avontuurlike landen der +ongelovigen een geliefkoosd en het meest aktuele tema voor de +heldendichten. Zo wordt Karel de Grote b.v. als jonge koningszoon door +zijn onechte broeders op zij gezet en vlucht naar de koning der +Saracenen te Toledo, door wie hij tot ridder geslagen wordt, waar hij +heldendaden uitvoert en Galienne, koningsdochter en tovenares, op hem +verliefd wordt. <span xml:lang="fr">Huon</span> van Bordeaux wordt door de Franse koning op een +gevaarlike reis naar Babylon gestuurd: daar moet hij het kasteel van de +„Amiraal” binnendringen, voor diens ogen een zijner mannen neervellen, +diens dochter drie kussen geven en verder de baard van de admiraal +afknippen en die met drie van zijn kiezen naar het Franse hof +brengen,—wat hij alles weet uit te voeren met de hulp van de +Wonderhoorn van de kleine Alfenkoning, Oberon, zowel als van de heidense +koningsdochter met wie hij, na vele beproevingen doorstaan te hebben, +naar huis trekt. Even amusant en romanties vertellen een hele reeks +Duitse speelmans-gedichten, die in de 12<sup>de</sup> eeuw aan het Beierse hof +werden voorgedragen, van de tochten naar het Oosten van de Duitse +vorsten: Koning <span xml:lang="de">Rother</span> die de dochter van Keizer Constantinus +schaakt—door een list wordt zij hem ontroofd, maar hij krijgt haar +terug; Koning Orendel die van Trier naar Jerusalem zeilt om de koningin +daar het hof te maken en die na een lange Odyssee en hevige gevechten +met de heidenen, ten slotte met de hulp van hemelse mirakelen zijn tocht +gelukkig ten einde brengt; Hertog Ernst die naar het land der +Kraanvogelmensen<span class="pagenum" title="129"></span><a id="p_129"></a> komt en dat der dwergen, naar de Leverzee en de +Magneetberg; de kruisvaarder Graaf Rudolf, die met de andere Franken +twist krijgt en dan naar de Saracenen overloopt en die onder allerlei +zware beproevingen in aandoenlike trouw door een Saraceense begeleid +wordt die hem liefheeft en zich ten slotte laat dopen om dan met hem te +trouwen. Deze laatste vertelling is uit het Frans en heeft duidelik een +gelijktijdige historiese gebeurtenis ten grondslag, maar anders zijn +vele van deze gedichten oude Germaanse sagen over een gevaarlike tocht +van een held om een vrouw te zoeken, alleen gemoderniseerd door ze in de +atmosfeer der kruistochten over te planten.</p> + +<p>Zo ontstaan er in de tijden der kruistochten allerlei liederen en +geschiedenissen in alle talen van een echtgenoot die lang buitenslands +geweest is en reeds voor dood wordt versleten, maar die dan juist terug +komt de dag waarop zijn vrouw met een ander bruiloft houdt. Dit +patetiese motief is blijkbaar een weerspiegeling van een werkelike +gebeurtenis; maar meer dan eens zal het ook het oude motief zijn van +iemand die uit het dodenrijk terugkeert, dat nu een werkelikheidskleed +aangetrokken heeft en in de atmosfeer der kruistochten gelokaliseerd is. +Daar hoort b.v. het Anglo-Franse heldengedicht van <span xml:lang="en">Horn</span> en <span xml:lang="fr">Rimel</span> bij, de +Engelse roman van „Koning <span xml:lang="en">Horn</span>”, de Duitse sagen en gedichten van „der +edle Möringer” en het Deense volkslied van Hendrik van Brunswijk. Ook +het omgekeerde motief heeft zich dikwels genoeg gedurende de +kruistochten voorgedaan: de echtgenoot die in het Oosten een Saraceense +gehuwd heeft b.v. uit dankbaarheid dat zij hem uit de gevangenschap +verlost heeft, en die haar nu naar zijn burcht brengt, waar de vrouw—in +elk geval in de geschiedenis van Baron v. Gleichen en zijn twee +vrouwen—er grootmoedig in toestemt haar man met haar te delen.—</p> + +<p>Dit is nu de direkte werking van die romantiek, maar de ridderromantiek +wortelt ook dieper in de tijden der kruistochten. Een der deelnemers +vertelt hoe het leger der kruisvaarders door Syrië trok: Fransen, +Vlamingen, Beieren, mannen uit Bretanje en Provence, Engelsen, Schotten, +Italianen, Spanjaarden en Grieken. „Als een Brit of een Duitser zich tot +mij wendde, verstond ik hem niet en kon ik hem niet antwoorden. Ons +verdeelde de verscheidenheid van de talen, maar de liefde tot God en +onze naasten schiep weer broederschap tussen ons.” En zo is de gehele +tijd der kruistochten zulk een elkaar ontmoeten der volkeren, en der +verschillende kulturen. In het Anglo-Normandiese rijk dat<span class="pagenum" title="130"></span><a id="p_130"></a> Willem de +Veroveraar en zijn opvolgers aan beide zijden van het Kanaal geschapen +hadden, komen Fransen en Angelsaksen en Britten samen en leren elkaars +kultuur kennen. Noord- en Zuid-Frankrijk ontdekken en verrijken elkander +in dat opzicht. Byzantium en het gehele Oosten van de landen van de +Islam openen zich voor goed voor West-Europa. En juist dan is het ook +dat de geesteliken ijverig de bijbel en de legendenschat tot volkspoëzie +omwerken, terwijl bovendien de nieuwe scholen en de kruistochten de +klassieke literatuur voor meer dan één ontsluiten. Al die bonte stof die +de tijd van alle kanten in zich opneemt, wordt met de stevigste appetijt +opgenomen en ingezogen. Wij lezen van een Vlaams graaf, wiens grote +genot was zich te omgeven met mensen „die hem sprookjes en sagen +vertelden en verhalen uit de oude tijd deden. Als zijn vertrouwde vriend +naar wien hij graag luisterde, had hij een oude ridder bij zich, <span xml:lang="fr">Robert +de Coutances</span>, die hem vermaakte door wat hij over de Romeinse Keizers +wist te vertellen en over Karel de Grote, over Roland en Olivier en +Arthur, de Koning van Brittanië; verder Philip van <span xml:lang="fr">Montjardin</span>, die hem +van de verovering van Jeruzalem vertelde en de belegering van Antiochië +en de gebeurtenissen in het Oosten, en zijn neef <span xml:lang="fr">Gautier de Cluse</span>, die +Engelse geschiedenissen kende, die van Gormund en Isembart en van +Tristan en Isolde en van Merlijn en van Marcolf.” En in de dichterlike +fantasie dier tijden voeren al die bonte voorstellingen een grote +heksensabbat op. Zo men de romantiese geestestoestand—in tegenstelling +met de klassiek-harmoniese—beschrijven kan als een, waarin de rijkdom +der stof en zijn menigvuldigheid de eenheid der ziel in tweeën splijt, +dan is de mentaliteit van de 12<sup>de</sup> eeuw meer romanties dan die van +alle andere tijden. De gehele nieuwe stof en de nieuwe gevoelstonen, die +uit de meest verschillende tijden en kulturen zich daar over uit +storten, smelten in gelukkige ogenblikken werkelik samen—het antieke en +het kristelike, het Oosterse en het Keltiese—tot nieuwe levende +fantasie-gewrochten, nieuwe, vreemde, gemengde gevoelens, maar nog meer +worden er zo slechts disparate elementen overal vandaan tot barokke +alliages samengesmolten of schilderachtig-bont naast elkaar geplaatst. +Hector gebruikt het schild van Samson en heeft de helm van Arthur op, +zijn zwaard is gesmeed door Wieland en gehard door „Heer Vulcanus”. Moet +iemand geprezen worden, dan is hij altijd sterk gelijk een Samson, +schoon gelijk Absalon, wijs als Salomo, mild als Alexander, prachtig als +koning Arthur, en een tovenaar<span class="pagenum" title="131"></span><a id="p_131"></a> als Virgilius of Merlijn. Tydeus—een +van de „Zeven voor Thebe”—is waardiger de kroon te dragen dan +Nebukadnezar, en de oude Otto, de raadgever van de Thebanenkoning, is +een neef van Plato.</p> + +<p>En verder: zo, in tegenstelling met de helder de zaken beschouwende, +rustige, kalme klassieke geestesrichting, de romantiese geestestoestand +beschreven kan worden als een toestand van innerlike onrust en spanning: +een opgeschrikte, opgehitste fantasie, een sterk gespannen, golvend +gevoel van verwachting, twijfel, ontbering, verlangen, dan is het +bewustzijn van de tijd der kruistochten romantieser dan dat van enige +andere tijd. Voor de rondtrekkende troubadour en de ridder op een +kruistocht, voor de leeslustige geestelike of voor de Vlaamse graaf, +waar wij juist van hoorden, moest de wereld zich in wijde, vage +horizonten aftekenen, in schemerend, onzeker half-licht,—verwondering +wekkende en verwachting, verlangen en wensen, voorgevoelens en dromen. +Alles wat vreemd was, stond als in een afstand-mist maar ook +afstand-glans, men trachtte er bij te komen, maar kwam er maar half bij, +poogde het te vatten en vatte toch maar de helft. Een geestelike +probeert zich tot de hogere beschavings-sfeer van Virgilius en diens +personen op te heffen, wil fijn zijn en waardig en klassiek, maar wordt +slechts pedant, geaffekteerd en gekunsteld, en plotseling, in een +onbewaakt ogenblik, waar de dichter natuurlik is en zich zelf, verraadt +hij opeens op de vermakelikste manier het naïeve en ruwe +kultuurstandpunt van zich zelf en zijn publiek. Een ander haalt Keltiese +sagen en mythen voor den dag of roept de antieke goden en godinnen op; +maar Diana is een jagende vorstin, Echo een koningsdochter, Argus een +honderd-ogige reus, aan wie een koning de taak op draagt een koe te +bewaken, terwijl een ander die zeer op de hoogte is van de muziek graag +de koe zou willen hebben... en evenzo wordt het Keltiese land des doods, +waar de koningin door de Doodsgod heen gevoerd is, slechts als een +naburig rijk opgevat, welks koning haar geschaakt heeft. Maar toch—dat +naburig rijk heet „het land waar men nooit uit weer keert” en een zekere +mist of glans van iets bovennatuurliks, ligt er voor de dichter over +Keltiese zowel als antieke mythen; hij voelt dat er iets anders achter +en onder steekt, dat alle gebeurtenissen en personen en namen een +dubbele betekenis hebben, een wijder perspektief, waar ze op +uitkijken—wat de toehoorders dikwels ook tegenover onze heldenliederen +gevoeld hebben als die van Sivard en Brynhilde, en van Ribolt en +Guldborg.</p> + +<p><span class="pagenum" title="132"></span><a id="p_132"></a></p> + +<p>Dat tweeledige en dat perspektief—die afstand welke slechts het +verlangen opwekt en de barokke disharmonie tussen stof en behandeling, +voorbeeld en navolging—geheel die menigvuldigheid van voorstellingen en +tonen... dit alles is het juist wat uitgedrukt wordt door het woord: +Romantiek.—</p> + +<h2><a id="XI"></a>XI.</h2> + +<p class="subh2">DE ALEXANDER-ROMANS.</p> + +<p>Heel natuurlik werden de figuur en de geschiedenis van Alexander de +Grote het eerste dat tot ridderromans omgewerkt werd. De geesteliken +hadden reeds lang Latijnse ridderromans gekend en nu begon de wereld der +kruistochten om verschillende redenen voor de avontuurlike tochten van +Alexander belangstelling te voelen en die te begrijpen.</p> + +<p>Van de oudheid af had die belangstelling al bestaan—de ene generatie na +de andere had die bewonderd en zich er over verbaasd en hadden die +romans de verbeeldingskracht voedsel en vleugels gegeven. Bij de +geschiedschrijvers der oudheid—Plutarchus, Arrianus, Diodorus, +Justinus, Curtius—treedt ons, zo al niet de historiese Alexander +tegemoet, (wie weet hoe <i>die</i> er uitgezien heeft?), dan toch het +volkomen ontwikkelde schitterende beeld van de grote held: de lieveling +der goden, met alle eigenschappen om de mensen voor zich te winnen en te +beheersen—schoon, dapper, welsprekend, beminnelik; opgevoed door +niemand meer of minder dan Aristoteles, de grootste wijsgeer van heel +Griekenland,—flink om zichzelf te beheersen, met een blik op de mensen +en de regeerkunst; en ten slotte gedreven door jeugdige drang tot +handelen, en een onverzadigbare eergierigheid. Als een echte leerling +van de mannen van Odysseus, offert Alexander te Memphis aan Apis en laat +zich in de Ammons tempel als de zoon van een God begroeten; als een +Grieks filosoof gooit hij voor de ogen van de van dorst versmachtende +soldaten de beker met water in het zand der woestijn ledig, en <ins class="corr" id="corr24" title="Bron: drink">drinkt</ins> hij +de medicijnbeker uit terwijl hij zijn vriend Philippus de brief +overhandigde die de zaak aangaf. Maar: Alexander's missie in de historie +was juist om aan het eigelike antieke een einde te maken; in de Griekse +rijken smolten het Oosten, Aegypte en Griekenland tot een gemengde +kultuur samen; en daarin is het dat het slechts<span class="pagenum" title="133"></span><a id="p_133"></a> in zo geringe mate +antieke beeld van het leven en de figuur van Alexander zich gevormd +heeft, dat tot de Middeleeuwen kwam en met zulk een entoesiasme werd +ontvangen. Te Alexandrië ontstond ongeveer 200 jaar n. C., half op de +geschiedenis, half op Oosterse sagen gebaseerd, de zogenaamde +pseudo-Callisthenes, een levensbeschrijving van Alexander, aan +Callisthenes toegeschreven, die, met enige zogenaamde brieven van +Alexander aan zijn moeder en Aristoteles, het uitgangspunt +werd—grotendeels door een Latijns uittreksel van Julius Valerius—voor +een rijke middeleeuwse Alexander-literatuur, eerst in 't Latijn, toen in +het Provençaals, toen in 't Frans en Duits en daarna in vele Europese +talen.</p> + +<p>In het beeld dat de middeleeuwen op die wijze ontvingen, waren trekken +van een fijne, nobele kultuur, vermengd met de laatste half Oosterse +sterk-fantastiese producten der oudheid. Voor de Aegyptiese schrijver +van de biografie van Callisthenes is Alexander niet een zoon van koning +Philippus maar van Nektanebus, een Aegypties tovenaar, die de laatste +uit het geslacht was van de oude koningen en halfgoden. In de gedaante +van de God Ammon is Nektanebus bij de Koningin Olympias gekomen en heeft +door zijn toverkunst ook koning Philip kunnen doen gelooven dat diens +gemalin door een God zwanger is geworden. Allerlei wonderen gebeuren er +bij de geboorte van Alexander. Nektanebus wordt een van de opvoeders van +de knaap, maar deze doodt hem wanneer hij te weten komt dat het zijn +vader was. Verder zijn Zeuxis en vooral ook Aristoteles de leraars van +Alexander. Hij wordt in de „zeven liberale kunsten” onderwezen en wint +een ieder voor zich, door zijn verstand en zijn beminnelikheid, hij is +vooral zo vrijgevig dat zijn ouders en leraars het bedenkelik beginnen +te vinden. Na het wilde paard Bucephalus getemd en afgericht te hebben, +trekt de jongen met permissie van zijn vader naar de Olympiese spelen. +Daar hoont een andere vorst hem en spuugt zelfs naar hem; met kalme +zelfbeheersing verdraagt de jongeling eerst de belediging, maar wreekt +zich door hem onder de spelen ter aarde te vellen. Als hij thuis komt, +hoort hij dat zijn vader Olympias verstoten heeft en op 't punt staat +met een ander bruiloft te vieren, Alexander ijlt de feestzaal binnen, +geeft zijn vader een bittere en scherpe terechtwijzing en dwingt hem +zijn echtgenote weer in haar oude waardigheid te herstellen.</p> + +<p>Zo luidt de geschiedenis van Alexander's jeugd. In de middeleeuwen +krijgt die een andere kleur en vorm,—met trekken van het baronachtige, +het ridderlike en het fantastiese. Nog vrijwel in<span class="pagenum" title="134"></span><a id="p_134"></a> de antieke atmosfeer +bleef de Zuid-Italiaanse priester die ongeveer 1000 jaar n. C. een +bewerking van de stof gaf in Latijnse proza: „<span xml:lang="la">de Proeliis</span>”. In de +11<sup>de</sup> eeuw was er een geleerd geestelike, <span xml:lang="fr">Albéric de Briançon</span>, die een +Provençaals gedicht schreef met Julius Valerius als bron, maar die nu en +dan ook de echte klassieke historici er ter vergelijking bijhaalde: zijn +doel is asketies: de geschiedenis van Alexander te schilderen als een +groot bewijs voor de waarheid van het woord van de Prediker: „Alles is +ijdelheid”, maar hij schijnt—slechts een klein fragment is er van +over—de oude verhalen toch veelal in de toon der heldenpoëzie gestemd +te hebben. Maar geheel in de stijl en het rhytme daarvan wordt Albéric's +gedicht in de 12<sup>de</sup> eeuw overgebracht in een Noord-Franse bewerking +uit de grensstreken tussen Noord- en Zuid-Frankrijk. En tegelijk duikt +het ook aan de overzijde van de Rijn op, toen een priester Lamprecht uit +Keulen of omstreken, het in Duitse verzen weergaf en het tot een hele +roman uitwerkte. Bij Lamprecht begint het hoofse element reeds hier en +daar de ongeneerde baronnen-poëzie op zijde te dringen. Maar geheel en +al in de geest der riddertijd is de bewerking die het gedicht van +Lamprecht tegen het einde der eeuw onderging, en nog meer is dit het +geval met een grote Noord-Franse Alexanderroman, welks oudste deel van +<span xml:lang="fr">Lambert le Tort</span> is, maar waarvan de laatste versie (ongeveer 1185) wordt +toegeschreven aan Alexander van Bernay of van Parijs.—</p> + +<p>IJverig protesteren die middeleeuwse baronnen- en riddergedichten er +tegen dat Alexander een onecht kind zou zijn, een spruit van een +heksenmeester—„gelijk enkele troubadours beweerd hebben”—; neen! zo +iets moge waar zijn van een Merlijn of de boze graven van Anjou, maar +Alexander was voorzeker van echte koninklike stam! En een echte „<span xml:lang="fr">fils de +baron</span>” is de knaap dan ook van zijn wieg af. Zijn ene oog is blauw als +dat van de draak, zijn andere zwart als dat van de griffioen, de borst +van een min is hem niet genoeg,—de vrouw van een ridder moet hem met +een gouden lepel voeden,—en hij vliegt op als men hem aanraakt; als hij +opgroeit, wil hij alleen edele ridders om zich heen hebben en +verwaardigt zich niet een schildknaap of mindere aan te kijken. In +latere versies is het nog meer het welopgevoede kind van een edelman dat +op de voorgrond geschoven wordt: de knaap is „<span xml:lang="fr">gentile</span>” en glimlacht +vriendelik tegen een ieder die hem aanspreekt. Zijn opvoeding is die van +een middeleeuws vorstenzoon. Hij wordt in de wapenen geoefend, in de +rechtspleging volgens<span class="pagenum" title="135"></span><a id="p_135"></a> alle vormen van het leenrecht, in goede manieren +en gedrag. Dertig gravenzonen die op de zelfde dag als de prins geboren +zijn, worden met hem opgevoed en blijven zijn lijfwacht vormen—men +vergelijke het boek der Macchabaeën I, 7. Met grote animo en zeer +levendig wordt verteld hoe hij Bucephalus inrijdt en temt,—het paard +heet met de nodige fantasie een kruising tussen een oliefant en een +drommedaris. Tot grote schrik van iedereen rijdt de prins het getemde +dier de slotstrap op, de zaal in, dwars over alle tafels en banken, dan +stijgt hij er af, geeft het paard aan een stalknecht over en vraagt zijn +vader hem tot ridder te slaan—hem zelf zo wel als zijn volgelingen. +Uitvoerig worden de middeleeuwse ceremonieën bij deze handeling +geschilderd. Eerst moeten de jonge mannen baden; als men heel natuurlik +water binnen wil brengen, verklaart Alexander „mannelik” dat zij alleen +maar in de zee willen baden. Terwijl de jonge mannen in het water +rondspartelen, laat de koningin de nieuwe kleeren naar 't strand +brengen—die speelden toen de zelfde rol als nu bij de aanneming,—en +tegelijk daarmee zendt de koning de paarden en wapenen daarheen. Toen +had gij—barst de zanger uit—die massa's van hermelijnen pelsen eens +moeten zien, van zijden stoffen, van marterbont, gezadelde paarden en +wapenrustingen. De koningin is zelf gekomen om naar de badenden te +kijken,—zij heeft een baldakijn boven het hoofd om zich tegen de warmte +te beschutten—en naderhand geven de kamerdienaars Alexander's +volgelingen hun klederen aan, maar de koningin zelf trekt die haar zoon +aan. Eerst een hemd zonder naad en uit één stuk, (als de rok van +Kristus),—uit Engeland was dat over Friesland aan koning Philippus +gezonden—die beschermd tegen wonden en hete wellust,—gelijk ascetiese +haren hemden en de „helm” waar sommigen mede geboren heten. Daaroverheen +krijgt hij een zijden kleed dat vervaardigd is door feeën in een bos bij +Babylon en dat hem door een tovenaar gebracht is; wanneer men dat +aanheeft, voelt men noch warmte noch kou. Daarna legt zijn moeder hem +een hermelijnen mantel over de schouders met een rand van pantervel; als +men die aan heeft, krijgt men nooit wit haar. En zo nog andere +kledingstukken met allerlei wonderbare eigenschappen. Nadat zij gekleed +zijn, slaat koning Philippus al die jonge lieden tot ridders en geeft +hun wapenen. Het zwaard van Alexander is door een fee van koningin +Penthesilea gebracht, zijn harnas is van Arabies goud, de helm is van +Cornwall—in zijn tijd heeft koning Arthur die<span class="pagenum" title="136"></span><a id="p_136"></a> opgehad; het schild is +door koning Salomo gezonden,—dat is nog van Samson geweest. Nu gaan de +nieuwe ridders onder het oog van de dames ridderoefeningen houden; die +zitten de schone jonge prins te bewonderen en zeggen tegen elkaar: „Als +hij en ik bij elkaar lagen, zou ik hem niets kunnen weigeren.” Eindelik +roepen de herauten hen aan tafel en de ridders laten zich dat niet twee +keer zeggen; Alexander komt vlak tegenover zijn moeder te zitten die +niet laten kan hem aan te zitten kijken.</p> + +<p>De scène met de Olympiese spelen waar de antieke berichten nu van +vertellen, kunnen de Middeleeuwen niet begrijpen, Alexander's +glimlachende zelfbeheersching bij de bespotting door een vreemde vorst, +kunnen ze ook niet bewonderen. In plaats daarvan komt dan ook een oorlog +die met een <ins class="corr" id="corr25" title="Bron: scéne">scène</ins> uit een echte „Chauson de geste” begint. +Boodschappers van een vreemde koning komen de zaal binnen, waar Koning +Philip hof houdt, en eisen overmoedig de betaling van een schatting. +Terwijl men radeloos in de zaal zit te kijken, springt Alexander op, +weigert brutaalweg de schatting te betalen en zendt de mannen terug met +een uitdaging. Gelijk in de Franse heldendichten gaat hij op tafel staan +om mannen aan te werven en, „gelijk een edele ridder” laat hij, door het +gehele rijk, het geld van woekeraars en allen die zich verrijkt hebben +opeisen, om daarmede de ridders te kunnen wapenen; op raad van +Aristoteles omringt hij zich verder, op 't voorbeeld van Karel de Grote, +met 12 pairs. Geheel en al in de trant van de oude heldengedichten +worden nu de oorlog en de slagen geschilderd: ze rijden er op Arabiese +paarden, de banier waait boven het leger, de werpspiesen vallen dicht +als de Mei-regen, „daar had gij menig schild in stukken kunnen zien, en +menige gebarsten helm en rusting.” In een tweegevecht velt ten slotte +Alexander de vreemde koning. Later hoort hij vertellen van de rijke stad +Athene, die zo goed door haar „baronnen” bewaakt wordt, dat die +onneembaar geacht wordt; terstond besluit de eergierige prins naar die +stad op te trekken. Maar het bericht dat zijn vader op nieuw in 't +huwelik wil treden, roept hem ijlings naar huis. Het komt tot een hevige +scène in de grote zaal waar de bruiloft gevierd wordt, maar als Koning +Philip, verbitterd, zijn zoon een zwaard in de zijde wil stoten, +struikelt hij en wordt gewond, waarop Alexander hem in zijn armen +opneemt, hem op een bed legt, en hem door zijn verwijten en door hem +zacht toe te spreken er toe brengt zich met Alexander's moeder te +verzoenen. Er is hier iets veel brutalers en tegelijkertijd iets veel +sentimentelers <span class="pagenum" title="137"></span><a id="p_137"></a>dan bij de corresponderende scène in de antieke bronnen.</p> + +<p>Kort daarna sterft koning Philippus en nu trekt Alexander als koning op +zijn grote veroveringen en ontdekkingsreis uit. Hierover hadden de +Oosters-antieke berichten al veel te vertellen. Ten eerste over +Alexander's snuggerheid en slimheid. Hoe kalm en geestig wijst hij de +overmoedige spottende brieven van de koning der Barbaren en diens gaven +niet terug; hoe hij vermomd de stad van de Persiese koning binnendringt +om daar te verspieden en zich zelfs bij hem aan tafel weet in te +dringen, maar hoe hij zich door die schitterende pracht volstrekt niet +laat verblinden,—kalm steekt hij de gouden beker, die hem voorgehouden +wordt, bij zich, met de woorden, dat zulks de gewoonte is bij Alexander +van Macedonië. Dan over zijn grootmoedigheid en zijn beminnelikheid. Hij +behandelt de moeder en de echtgenote van de koning van Perzië zeer goed +en neemt Roxana, de dochter tot vrouw. Vreedzaam bezoekt hij het land +der Amazonen en die betalen hem schatting. Na Porus, de koning der +Indiërs overwonnen en geveld te hebben, voert hij in alle vormen een +briefwisseling met diens schoondochter Candace, die hem geschenken doet +toekomen en in 't geheim zelfs zijn portret laat schilderen. Alexander +komt er later toe haar hulp te verlenen tegen de vijand, en daar hij de +dood van Porus op zijn geweten heeft, durft hij zich niet anders dan +vermomd naar diens rijk op reis begeven, waar hij zo de residentie van +de koningin bezoekt; maar zij herkent hem door zijn portret, doch +verraadt hem niet aan haar hovelingen en ontvangt hem vriendelik. Overal +is Alexander de dappere krijgsman, maar nog meer de verstandige, slimme +veldheer en nog 't allermeest de geestige, galante, edelmoedige vorst.</p> + +<p>Maar ook is hij de personificatie van de onverzadigbare drang naar +onderzoek en de onverschrokken lust naar avonturen. Wat de ouden in hun +wildste fantasie voor vreemds hadden wensen te zien, is in de tochten +van Alexander verpersoonlikt. Dieper en dieper dringt het leger Azië +binnen en de wonderen worden steeds groter. Daar zijn allerlei +merkwaardige mensen en dieren; b.v. de ichthyofagi, een bron waarin men +dode vissen dompelt waarop ze weer levend worden, eilanden in de zee die +plotseling duiken en zo enorme vissen blijken te zijn, sprekende bomen +op de zon en de maan. Op een berg, door een muur van saphir omgeven, +komen Alexander en zijn mannen in een prachtige tempel, waar allerlei +vreemde dingen te zien zijn: een karbonkel verlicht de ruimte, een vogel +uit een gouden kooi roept hun waarschuwende<span class="pagenum" title="138"></span><a id="p_138"></a> woorden tegen, op een +vergulden ligbank rust een in zijde gekleed persoon met een gesluierd +gezicht. Niettegenstaande de waarschuwingen wil Alexander de vogel en de +karbonkel grijpen, maar nu begint de man op de rustbank zich te bewegen, +en terwijl Alexander steeds nog kalm zijn verschrikte volgelingen +uitnodigt plaats te nemen en te gaan eten en drinken, barst er nu op +eens een verschrikkelik onweer los en hoort men een hels lawaai van +fluiten en pauken en cymbalen,—de gehele berg begint te roken en +ijlings vluchten allen. Alexander daalt zelf in een glazen klok op de +bodem van de zee neer om de diepte na te sporen en hij laat een +vernuftig mechanisme maken waardoor hij zich met behulp van gebonden +griffioenen in de lucht op kan heffen om de hoogte te onderzoeken.</p> + +<p>Dit was nu alles natuurlik net iets voor de Middeleeuwen. Maar reeds aan +het einde van de oudheid was een asceties-religieuze opvatting op de +voorgrond gekomen, voor welke die gehele geschiedenis van Alexander +niets anders was dan één groot voorbeeld van menselike +onverzadigbaarheid, ijdele eergierigheid en verwaande nieuwsgierigheid. +Met de gymnosophisten van Indië, boedhistiese filosofen, behandelt +Alexander diepzinnige vraagstukken als de kwestie welke van de twee er +eerder was: de nacht of de dag, en of er meer levenden zijn dan doden of +omgekeerd. Voor hen die in Maja en in het Nirwana geloofden, is +Alexander slechts de wereldse ijdelheid en begeerte die tot niets +leiden. En deze opvatting gaat ook op de middeleeuwse geestelikheid +over. Evenals Caesar in talrijke middeleeuwse verzen van zijn graf uit +spreekt en er de mensheid aan herinnert dat hij zich nu met een klein +plekje aarde moet vergenoegen en een steen, hij, voor wie de gehele +wereld in zijn leven niet groot genoeg was, zo vlocht de monniksgeest +episoden in de Alexander-gedichten in, die aan de parabelen van de +Talmud en het Oosten waren ontleend en die als „memento mori” +waarschuwende woorden tot de veroveraar der wereld moesten spreken. +Wanneer hij van zijn expeditie naar de bodem van de zee terugkomt, is +hij in ernstige overpeinzingen verzonken. Ook daar, bij de vissen, heeft +hij gezien dat de groten de kleinen opeten, en ook daar zitten +begeerlikheid en hebzucht aan het roer en zijn de wortel van alle kwaad. +Een andermaal hoort hij een boer van een bron vertellen die wijsheid +verleent, maar hij die begerig is, moet er niet van drinken, want voor +zo iemand wordt die een vergift dat krankzinnig maakt. Alexander beveelt +de boer terstond hem naar<span class="pagenum" title="139"></span><a id="p_139"></a> die bron te brengen. Op weg daarheen komen +zij voorbij een landgoed, waarover de boer vertelt dat de verkoper, een +arme edelman en de koper, een burger, in edelmoedigheid met elkaar +schijnen te wedijveren, daar geen van tweeën zich een schat van 100 ton +gouds wil toeëigenen, die men daarop begraven heeft gevonden. „Die man +is gewoon gek, die burger,” roept Alexander uit, „in zijn plaats zou ik +er geen dukaat van terug gegeven hebben.” Waarop de boer zegt dat hij +Alexander dan niet durft raden uit die bron te drinken en werkelik +vloeit er dan ook, als ze naderbij komen, bloed uit in plaats van +water.—Ergens anders lezen zij dat het leger van Alexander bij een +enorm gesloten kasteel komt, niets meer of minder dan het aardse +paradijs. Een paar van zijn mannen kloppen aan en eisen uit naam van +Alexander het betalen van een schatting. Nadat zij lang zijn blijven +kloppen, wordt er een klein luikje open gedaan en geeft een oud man hun +daardoor een steen, waarin een mensenoog gegrift staat. Een oude Jood +verklaart daarop aan Alexander dat die steen zo zwaar is dat al het goud +der wereld er niet tegen opweegt; maar wanneer men slechts het oog met +een weinig slijk bedekt, wordt de steen heel licht. Dat is een simbool +van het menselik oog dat door al het goud der wereld niet verzadigd +wordt, maar welks begerigheid pas niet meer opgewekt wordt, wanneer het +onder de aarde ligt. De eerste van die parabels is uit het Arabies, de +tweede uit de Talmud.</p> + +<p>Ofschoon, de ridderlike opvatting laat zich aan Oosterse wijsheid weinig +gelegen liggen. Die houdt zich aan Alexander als hij uitroept: „ons erf +is, onder het hemelblauw, de hele aard, wat mij zo pijnlik treft en mij +zo zeer bezwaart, is dat de wereld werd gebouwd op al te eng een +rots,—God schiep te klein de aard voor mannentrots.” Of aan het schone +antwoord dat de Macedoniese koning de gymnosofisten geeft, wanneer die +hem vragen waarom hij zo heen en weer trekt, ofschoon hij toch gelijk +alle andere mensen sterven moet: „Dat wordt slechts door de hoogste +voorzienigheid bestuurd, en wij zijn haar dienaren, die uit moeten +voeren wat die beveelt; de zee komt niet in beweging tenzij de wind er +over heen strijkt. Ik zou gaarne willen rusten, maar Hij die mijn geest +bestuurt, laat dat mij niet toe,”—het antwoord van een heldengeest op +de bezwaren van de burgerlikheid, die <span xml:lang="fr">Tegnèr</span> zo prachtig beschreven +heeft in zijn gedicht over „Alexander aan de Hydaspes”. En door zijn +gehele optreden protesteert Alexander ook tegen de geestelike +beschuldigingen van onverzadelike <span class="pagenum" title="140"></span><a id="p_140"></a>hebzucht. Porus biedt Alexander +schatten als hij, Porus, zijn rijk terug krijgt; in de antieke bronnen +neemt Alexander het goud aan, maar in de Franse ridderroman geeft hij +Porus zijn rijk voor niets terug. „Een begerig man kan nooit een rijk +veroveren, hij zal integendeel kwijt raken wat hij heeft. Indien mijne +volkeren mij lief hebben, is het vanwege mijn vrijgevigheid. Ik geef +allen wat zij hebben willen.” Alexander is alleen daarom onverzadelik in +het nemen, omdat het geven een passie voor hem is geworden. Hij wordt +het voorbeeld in de middeleeuwen, van ridderlike, vorstelike „<span xml:lang="fr">largesse</span>”. +Reeds toen hij 11 jaar oud was bedolf hij de groten des rijks zo zeer +onder zijn geschenken, dat ze zijn vader kwamen waarschuwen: „Indien hij +Heer was over de gehele wereld, zou hij die binnen 14 dagen weg geven.” +Waar hij ook komt, overal deelt hij uit, rechts en links, dikwels geeft +hij zo ook het land dat hij veroverd heeft terug. Aan een jongleur die +zijn eigen liederen op de fluit akkompagneert, geeft hij een gehele stad +ten geschenke,—een antiek motief waaraan een geheel nieuwe wending +gegeven is; een andere keer schenkt hij een ridder die een kleinigheid +vraagt, een geheel land, en wanneer de ander, geheel en al in de war, +zegt dat hij liever geld en kleeren wil hebben, voegt Alexander hem +verachtelik toe: „Ik ken u niet, en het hart in uw lijf niet,—maar zo +zijn nu de geschenken welke de koning van Macedonië geeft”; (vgl. +Seneca: <span xml:lang="la">De Beneficiis</span>, II, 16). Eens komt een Aziaties „baron” klagen +dat hij door zijn leenheer verongelijkt is; dadelik trekt Alexander +daarheen, hoewel zijn weg daar niet langs liep en verschaft hem recht; +een andere keer, als hij een stad veroverd heeft, laat hij zich +bewegen,—hij is immers de „bloem der hoofsheid”—door de tranen van de +schone gevangen hertogsdochter, als hij merkt hoe haar blik voortdurend +op een der mannelike gevangenen blijft rusten, ondervraagt hij ze beiden +en wanneer hij hoort dat zij elkaar trouw liefhebben, schenkt hij hun de +vrijheid en geeft een feest bij hun huwelik.</p> + +<p>Want gelanterie tegen de vrouwen hoort meer dan iets anders tot zijn +ridderlike vorstendeugden. Het erotiese element neemt hoe langer hoe +groter plaats in. In de episode met Candace die Alexander's portret laat +maken en die door hem incognito bezocht wordt, was in de antieke versie +dat element in 't geheel niet aanwezig, daar vond men niets dan +galanterie en grootmoedigheid van twee vijanden tegenover elkaar. Maar +in de middeleeuwse roman is zij op Alexander verliefd geworden door<span class="pagenum" title="141"></span><a id="p_141"></a> de +roem die er van hem uitstraalde en als hij haar bezoekt, biedt zij hem +zelf onverholen dadelik haar liefde aan, die hij dan ook volop te +genieten krijgt. Met veel détails schilderen die romans dan ook het +bezoek in het land der Amazonen. Allerliefst is hoe de koningin het +leger van Alexander twee maagden tegemoet zendt, Flore en Beauté, met +geschenken en beloften van hulde. Koket gekleed—de tedere huid is door +het open kleed te zien—trekken ze op weg en zingen onder het rijden een +lied van de schone jongeling die zijn eigen schaduw in het water zag en +van verlangen daarnaar verteerde; zij komen twee van Alexander's +baronnen tegen en vragen die met hen mede naar 't kamp te willen gaan. +Onder veel plichtplegingen leiden de ridders hun paarden bij de teugels, +eerst stribbelen de jonge meisjes een beetje tegen, maar zij laten zich +toch al heel gauw een kusje ontstelen, en wanneer zij hun boodschap bij +Alexander verricht hebben—hij komplimenteert o. a. hun koningin over de +verstandige zet om zulke schone gezanten af te vaardigen—vragen de +ridders verlof aan Alexander, met de twee jonkvrouwen te mogen trouwen, +die daar meer dan bereid toe zijn. Later komt de koningin der Amazonen +zelf op bezoek, en Alexander ontvangt haar met veel praal; zij en haar +vrouwen voeren allerlei gymnastiese spelen uit en zij werpt haar +overkleed af om haar lichaam onder het spel beter te laten uitkomen.</p> + +<p>De drang naar avonturen en de lust naar ontdekkingen brengen Alexander +meer en meer oostwaarts en hoe verder hij daarheen doordringt, des te +merkwaardiger dingen krijgt hij te zien. Wat over die tocht van +Alexander het nodige licht werpt en het een nieuwe glans bijzet, is het +verlangen als in de tijden der kruistochten naar het Oosten. Talrijke +merkwaardigheden die de kruisvaarders bij de Saracenen gezien hebben of +waar ze over hebben horen spreken, worden nu gebruikt om aan de +beschrijving van Alexander's tochten lokale kleur bij te zetten. +Bijvoorbeeld de grote prachtig versierde tenten die de Saracenen +gebruikten en die nog in onze dagen tot de luxe-voorwerpen van het +Oosten behoren; de kruisvaarders hadden er meer dan een zo veroverd en +Europese vorsten kregen die wel van Oosterse prinsen ten geschenke. Of +fraaie grafmonumenten, kostbaar van buiten zo wel als van binnen +versierd, met eeuwig brandende lampen, die door magneten vrij in de +grafkamer blijven zweven en dergelijke dingen meer,—dit kan iets +geweest zijn wat de kruisvaarders zich nog van antieke en Oosterse +grafmonumenten<span class="pagenum" title="142"></span><a id="p_142"></a> herinnerden of—een echo van de vele verhalen die over +het graf van de profeet in Mekka liepen. Tenslotte allerlei mechaniese +kunstwerken, die in het keizerlik paleis te Byzantium of in de paleizen +der Saracenen-vorsten zulk een indruk op de reizigers gemaakt hadden. +Kronieken en sagen vloeien over van de gedetailleerde beschrijvingen +daarvan. Reeds Haroen al Rashid moet Karel de Grote automatiese +speelwerken gezonden hebben; in het paleis der Kalifen te Bagdad was een +gouden boom te zien met zingende metalen vogels; om die boom heen +voerden automatiese ruiters toernooien op, en van die zelfde kracht was +het kunst en vliegwerk aan het hof van Byzantium, zo als dat in +gedichten en kronieken beschreven staat. En dit alles komt ook overal in +de Alexander-romans voor. Beschrijvingen van fantastiese +natuurmerkwaardigheden, waar men op de kruistochten kennis mede had +gemaakt, werden ook in de verhalen die daarover al in de oude bronnen te +vinden waren, ingevlochten. Evenals de kruisvaarders, werd het leger van +Alexander, wanneer het zich des avonds om de vuren bij een bron in de +woestijn had nedergeslagen, plotseling gealarmeerd door het bericht dat +alle dieren der woestijn daar hun dorst kwamen lessen, en in grote +scharen kwamen ze dan aanzetten, witte leeuwen, schorpioenen en andere. +Of wel hoort het leger plotseling in de duisternis tot zijn grote schrik +als een tromgeroffel boven hen—dat zijn de vleugelslagen van grote +scharen gieren of andere roofvogels. Ook aan de Keltiese sagen hebben de +Alexander-romans blijkbaar fantastiese trekken ontleend. Wij worden +altans sterk aan de Bretonse romans herinnerd, wanneer het leger over +„<span xml:lang="fr">le tertre avantureux</span>” trekt, waar de dapperen lafaards worden, en de +laffen moedig, of door een betoverd dal waar niemand zijn weg door en +uit kan vinden, totdat ze eindelik na allerlei toverkunsten, door een +duivel geholpen worden, die Alexander onder een steen vandaan haalt, +waar hij gevangen zit.</p> + +<p>Maar het verst naar het Oosten zijn de schoonste wonderen te +vinden—daar ginds aan de uiterste rand van de aarde, waar men van de +bergen van Indië uit de zee-ring kan zien die de aarde omgeeft. Hier +vindt men de zonne- en maan-bomen die Alexander zijn spoedige dood +voorspellen. Hier is de „fontein der verjonging”,—„<span xml:lang="fr">fontaine de +Jouvence</span>”,—die waarover de Priester Johannes ook spreekt in zijn brief +aan de Griekse keizer; dat is een zij-rivier van een der stromen in het +Paradijs. Alexander en zijn mannen baden zich daar in en krijgen dan hun +jeugd terug. Hier, in 't Oosten, zijn ook de merkwaardigste bossen<span class="pagenum" title="143"></span><a id="p_143"></a> te +vinden, van welker gekruide lucht de mensen leven en waarin de +mandragora en andere wonderplanten groeien. Daaruit klinkt Alexander en +zijn mannen zulk een wonderbaarlik schoon gezang tegemoet, dat zij al +hun smart en bekommernis vergeten, „alles wat hun van kindsbeen af voor +kwaads overkomen is” en zij ontdekken daar in 't bos de aanvalligste +meisjes die daar lachend onder de bomen spelen. Dat zijn bosnymfen die +in 't voorjaar uit de knoppen van de bomen ontstaan, doch alleen maar +onder de schaduw der bomen kunnen leven,—zeker wel een Oosterse sage. +Het leger slaat zich in dat bos neer en de soldaten van Alexander kiezen +elk zulk een nymf uit die zij zich tot vrouw nemen en zo leven zij in +vreugde en genot. Maar als dan het najaar komt en de bloemen verwelken +en de bladeren vallen,—dan verteren ook,—smartelijk als het is om aan +te zien—de lieve kleine wezentjes en sterven ze. Verdrietig trekken de +soldaten verder.</p> + +<p>Als een ideaal van vorstelike grootmoedigheid en drang naar ridderlike +avonturen bleef die figuur van Alexander voor de gehele fantasie der +Middeleeuwen leven en zijn leven werd steeds weer in rijmkronieken, +romans en volksboeken beschreven. En van de tijd der kruistochten over +Marco Polo tot Columbus toe, is het Indië uit de Alexander-literatuur +dat de schrijvers voorzweeft als het aardse paradijs en het doelwit van +aller reisverlangens; nog nà de ontdekking van Amerika zocht men in +Florida naar de „<span xml:lang="fr">fontaine de Jouvence</span>”.</p> + +<h2><a id="XII"></a>XII.</h2> + +<p class="subh2">ROMANTIES-KLASSIEKE LITERATUUR.</p> + +<p>Alexander—dat was half middeleeuws, half Oosters-antiek werk. De +oudheid zelf was, zoals wij gezien hebben, voor de fantasie der +Middeleeuwen nooit geheel dood geweest. De grote massa had van munten en +ivoorwerk en andere kleinodiën, van half vergane beelden en reliëfs een +wazige voorstelling van Griekse goden en Romeinse keizers en de fantasie +der studerende klerken was vervuld van een bonte menigte barokke beelden +van de Griekse mythenwereld en Romeinse geschiedenis. Maar vooral stond +men toch onder de invloed van de dekadente, vervallen oudheid; er waren +half-barbaarse triomfbogen en sarkofagen uit de latere keizertijd over +en bovendien had men mythografen en de<span class="pagenum" title="144"></span><a id="p_144"></a> lexicografen en de florilegia +uit de rhetoren-scholen die in 't bizonder bestudeerd werden. De Griekse +oudheid—Homerus zowel als de treurspeldichters—lag helemaal buiten hun +gezichtseinder; de schrijvers der Latijnse Gouden Eeuw—misschien zelfs +Ovidius en Virgilius—werden meest in latere prosa-bewerkingen of +uittreksels gelezen en in de nationalistiese interpretaties der +grammatici was Uranus tot een koninklike sterrekundige geworden, Medusa +tot een Libyse vorstin en Aeolus tot een weerprofeet en uitvinder van de +zeilen op de schepen. Reeds lang hadden zich hier en daar geesteliken +geamuseerd met een episode uit Ovidius of Virgilius in Latijnse verzen +te behandelen, maar van omstreeks het jaar 1100 af brengen de +rondtrekkende scholieren en halfgestudeerde speellieden talrijke +voorstellingen uit de oudheid in omloop. Aan de hoven zong men of +vertelde men van Narcissus en van Orfeus, of de geschiedenis van Dido en +Aeneas; dergelijke verhalen worden nu ook overal in de geestelike romans +ingevlochten. Enkele van die berijmde vertellingen naar Ovidius zijn in +'t Frans en Engels tot ons gekomen; ook nog fragmenten van komplete +vertalingen in het Frans en Duits van Ovidius' „<span xml:lang="la">Metamorphoses</span>”. In de +„<span xml:lang="la">Gesta Romanorum</span>”, een Latijnse verzameling van kleine +prozavertellingen, en de vele bewerkingen daarvan in de volkstaal van +verschillende landen, vinden we ook nog verschillende motieven van +Ovidius en Livius terug.</p> + +<p>Het is een geromantiseerde klassieke literatuur—barok ingekleed, +grillig en vreemd—soms erg nuchter en zonder enig begrip er van, in +huiselike middeleeuwse toestanden omgezet, soms daarentegen door vrome +geesteliken tot in een ideale sfeer opgeheven of door de fantasie der +speellieden tot het niveau van de gewoonste avontuurtjes teruggebracht.</p> + +<p>Eerst zijn er dan hele massa's goden en godinnen. Men raakt de kluts bij +al die namen gemakkelik kwijt: Apollo en Apelles, Cybele en Sibylle zijn +licht te verwarren; sommigen dachten eigelik, zoals b.v. de kerkvaders, +dat zij duivels waren,—zo werd er b.v. gezegd dat Apollo door de +Saracenen aangebeden en vereerd werd, even goed als Mahomed en +Tervagaunt en al die andere duivelse goden van hen—maar anderen +beweerden dat Apollo een speelman geweest was, die ook een uitstekend +jager was en de mensen à raison van zoveel de toekomst voorspelde. +Tovenaars en boze wezens waren het in elk geval; men moest maar eens bij +Meester Ovidius lezen, hoe Jupiter zich in alle gedaanten om kon toveren +en wat een hoereerder en<span class="pagenum" title="145"></span><a id="p_145"></a> Sodomiet hij was. Maar het was toch maar het +beste op goede voet met hen te staan, daar wist Paulus van mee te +spreken, toen de hele familie uit de Olympus met hun rijke gaven aan +kwam zetten,—Apollo met apoteek-zalf, Ceres met een massa zakken koren, +Pallas met een hele vracht boeken.</p> + +<p>Dan was er al die andere hekserij en duivelskunsten, waar de klerken der +oudheid van wisten te vertellen. Waternymfen zoals die ook in Bretagne +voorkwamen; zeemeerminnen en sirenen die „een lied zingen dat musica +heet, en dat de schippers in 't verderf stort”; de kleine duivel Spin +(d. w. z. Sfinks) die alle mensen in de afgrond wierp, welke zijn +raadsels niet konden oplossen; de tovenaar Virgilius die even ervaren +was in de zwarte kunst als Merlijn bij de Britten, en allerlei snuggere +mechanismen op 't Capitool te Rome aanbracht ter bescherming van het +Romeinse rijk. Toverij moet er ook geschuild hebben, dacht de <span xml:lang="fr">trouvère</span>, +in die geschiedenis van een vorst die een witte koe bezat die zulke +heerlike melk gaf en die hij door een man met honderd ogen liet bewaken, +of in het verhaal van de koningsdochter Ariadne, wier vrijers allemaal +naar een grote tuin gebracht werden, die zodanig ingericht was dat +niemand er weer uit wist te komen, terwijl er nog een lelik beest van +een leeuw ook in huis hield. Maar 't alleraardigste in al die klassieke +feeënverhalen was dat van koning Orpheus wiens koningin Heurodis naar 't +onderaardse feeënrijk van Pluto weggevoerd was. Wanhopend trekt Orpheus +weg en leeft als een wildeman alleen in 't bos: alleen zijn harp heeft +hij meegenomen en alle wilde dieren komen naar hem luisteren als hij +daar op speelt. Dikwels ziet hij daar in de stilte van het bos de +Alfenkoning op jacht met zijn gehele gevolg en onder de vrolike dames +daaronder ontdekt hij op een zekere dag zijn geroofde vrouw. In zijn +speelmanskleedij gaat hij met de stoet mede door een opening in de berg +naar het prachtige slot van de Alfenkoning en dààr speelt Orpheus zó +schoon voor de koning en het hof dat hij permissie kreeg zijn Heurodis +weer naar zijn eigen koninkrijk mede te nemen. (De Engelse <span xml:lang="en">Sir Orfeo</span> +naar een verloren Frans <i xml:lang="fr">lai</i>.)</p> + +<p>Even als nu de ridderverhalen uit zijn eigen tijd tekenden zich voor de +<span xml:lang="fr">trouvère</span> al die mooie aandoenlike liefdesgeschiedenissen af, waar +Ovidius van vertelde,—van Prinses Atalante die met haar vrijers een +wedloop aanging en hoe een arm ridder die won omdat hij een rozenkrans, +een zijden ceintuur en een gouden bal bij zich had gestoken die hij +onderweg liet vallen; van Pyramus <span class="pagenum" title="146"></span><a id="p_146"></a>en Thisbe die niettegenstaande „die +huote” (de bewakers) in het groene bos elkaar zouden ontmoeten, maar zo +ongelukkig om het leven kwamen, maar vooral de schone geschiedenis van +Narcissus: dat was een allerheerlikste jonge man, met haar, zo verguld +dat een jonkvrouw het als gouddraad had kunnen gebruiken om mede te +borduren, en met een mond die alle vrouwen een „kus mij” scheen toe te +roepen, en ogen die reeds menige jonkvrouw gewond moesten hebben. De +vorstendochter zit aan het raam in haar vaders slot en wordt door Amor's +pijl verwond wanneer hij voorbij komt; slapeloos wentelt zij zich op +haar sponde heen en weer, zodat zij haar kamenier moet roepen om 't bed +over te maken, de volgende dag gaat zij in 't bos wandelen, en ontmoet +daar de ridder en bekent hem stamelend en blozend haar liefde,—alleen +om door de hardvochtige jongeling uitgelachen te worden. Maar de straf +van de God der liefde blijft niet uit. Als hij, vermoeid van de jacht, +zich bij een boom neer heeft gelegd, wordt hij door zijn eigen beeld +bekoord en versmacht van ongelukkige liefde; de vorstendochter komt de +stervende jongeling nog eens opzoeken,—met gebroken hart vindt men haar +later over 's jongelings lijk.</p> + +<p>En zo zijn er nog zeer vele geschiedenissen. Maar tot gehele grote +romans zwollen de vertellingen op van de drie meest belangrijke +gebeurtenissen in de oudheid: de strijd om Thebe, waar Statius in zijn +heldendicht van had verteld, de stichting van het Romeinse rijk door +Aeneas waar Virgilius van had gezongen en de verovering van Troje waar +Dares en Dictys een betrouwbare schildering van gegeven hadden. Deze +romans werden in het midden van de 12<sup>de</sup> eeuw in Frankrijk geschreven, +ergens aan de kant van Anjou-Poitou.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>De twee epopeeën van Virgilius en Statius werden met ernst en ijverig +door de middeleeuwse literair-ontwikkelde geesteliken gelezen. Vooral +Virgilius was reeds van de laatste jaren der oudheid het Latijns +leesboek bij uitnemendheid voor alle scholen geweest, elke regel van de +Aeneis werd literair en uit een grammaties oogpunt verklaard; op het +toneel en in natuurschilderingen en geweven behangsels werden Dido en +Aeneas roerend afgebeeld en wat de Sofisten begonnen hadden, zetten de +middeleeuwse geesteliken voort: het gedicht werd allegories opgevat en +geïnterpreteerd. Zo was het vol van alle menselike wijsheid, als een +fabel symbolies aangeduid,—beweerde de kerk—en terwijl<span class="pagenum" title="147"></span><a id="p_147"></a> velen in +Virgilius de grote tovenaar en duizendkunstenaar zagen, en zijn boek +opsloegen om de voorspellingen er in, verklaarden anderen dat hij +Kristen was en verwezen daarvoor naar de bekende vierde Ecloga, waarin +de Mantuaan de zege van het kristendom voorspeld had. Zo werd ook +Statius tot een kristen gemaakt en de Thebaïde was niet minder beroemd +en alom bekend dan de Aeneide.</p> + +<p>Maar als de twee Latijnse heldengedichten nu tot onderhoudende romans +voor ridders en hun dames omgewerkt worden, zet de schrijver de deftige +hexameters en de epiese kunststijl eerst en vooral in een gewone +verteltrant en in achtlettergrepige rijmkroniekverzen om, waardoor alles +in een meer flegmatiese toon gestemd wordt en tot een heel wat lagere +sfeer afdaalt. „<span xml:lang="la">Infandum regina, jubes renovare dolorem,</span>” wordt tot +„Vrouwe zegt hij, al mijn smarte wekt gij weer van harte.” „<span xml:lang="la">Et hæc +meminisse juvabit</span>” heet nu: „Eens zal het u vreugde schenken,—hier weer +aan terug te denken,—dan deelt gij dikwels vrolik mee, 't kwaad door U +geleên op zee.” „<span xml:lang="la">Manet alta mente repostum—judicium Paridis spretæque +injuria formae,</span>” luidt: „Juno, de hemelkoningin,—voor hen met afgunst +in den zin, had een gevoel van grote haat, voor elk die kwam uit Troja's +staat, sinds Paris 't oordeel had gesproken,—moest zij op Troja's macht +gewroken.” De machtige kaskaden van 't oude rhythme zijn tot een vulgair +kabbelen en babbelen geworden. Zo wordt ook de gehele inkleding van de +epiese stijl weggeworpen: de vergelijkingen, de epitheta en de andere +rhetoriese figuren. En daarmede gaat ook het gehele mythologiese +godenapparaat overboord, dat er ook bij de Romeinse kunstdichters reeds +heel losjes bij hing en geheel verdwenen moet zijn in de +proza-bewerkingen voor schoolgebruik die de Middeleeuwse dichters +waarschijnlik gekend hebben. Wanneer Fama naar koning Euander ijlt met +de boodschap van Pallas' dood, wordt dit in de vertaling dat de koning +mannen uitzendt om nieuws te horen waar zij mee naar huis moeten komen. +In plaats van Iris in Virgilius komen gewone spionnen, zelfs de rol van +Venus in de Aeneis wordt eigelik niet veel meer dan die van een +goedgezinde fee, en terwijl bij Virgilius Camilla een amazone is, die de +kunst van bovennatuurlike sport verstond, wordt zij hier een gewone +jonkvrouw uit de ridderwereld die paard rijdt en de wapens weet te +hanteren.</p> + +<p>In 't algemeen ziet de Middeleeuwse dichter wat hij bij Virgilius en +Statius leest, in het licht van zijn eigen tijd en interpreteert<span class="pagenum" title="148"></span><a id="p_148"></a> hij de +woorden naar de betekenis die ze voor zijn eigen tijd hebben,—tekent +hij en kleurt hij alles volgens de opvattingen der tijdgenoten. Wanneer +hij van Thebe en Carthago leest, ziet hij de tinnen op de muren voor +zich, ophaalbruggen en torens op de stadspoorten die elk door een graaf +bewaakt worden. De tempels zijn voor hem gelijk Romaanse kerken, de +soldaten zijn ridders. Amphiareus wordt in zijn verbeelding tot een +aartsbisschop in helm en maliënkolder, gelijk Turpijn in het „Chanson de +Roland”. Uitdrukkelik wordt hij met Turpijn vergeleken, gelijk Tydeus +met Roland, des morgens, wanneer de torenwachter op zijn horen blaast en +de nachtegalen in de pijnbomen slaan, komt Tydeus aangereden, kaarsrecht +zit hij op zijn paard uit Gascogne, met de lans recht naar boven, met +gulden sporen, met zijn zwaard dat Wieland gesmeed en meester Vulcanus +geslepen heeft,—precies als Roland voor zijn schare bij Roncevaux. De +Sibylle wordt een gerimpelde heks die de kunst van de „necromantie” +verstaat. Wanneer Ismene, de zuster van Eteokles haar geliefde verloren +heeft, gaat zij in een klooster en haar broeder verleent dat klooster +molens en het recht tot visserij in de rivieren die daar voorbij +vlieten. Nog meer wordt in de miniaturen der handschriften alles +gemoderniseerd. Wanneer de boodschapper bijv. bij Aeneas komt, treft hij +die aan het schaken.</p> + +<p>In vele opzichten ging het dan ook zeer gemakkelik om de oude +heldenfeiten in de sfeer der „chansons de geste” over te +brengen,—vooral omdat het Romeinse kunst-epos een naïeve oude +sagawereld behandelde die in meer dan één punt op het zelfde +beschavings-niveau stond als de Franse heldendichten. Wanneer Oedipus +als de moordenaar van Laius diens weduwe nog met bloedige handen tracht +te verzoenen door haar te huwen, dan is dat een erg barbarisme voor de +zo zeer gekultiveerde dichter uit de Romeinse keizertijd, maar voor het +publiek van de Franse heldenpoëzie was het gewoon en natuurlik. Evenzo +dat de koning van Argos, de avond zelf van de aankomst der verbannen +vreemdelingen, zijn dochters in de zaal doet leiden en ze aan de gasten +ten huwelik biedt. Op zulke punten vonden de Franse <span xml:lang="fr">trouvère</span> en de +rhapsode van de oorspronkelike oude Griekse heldensage elkaar weer +achter de artistieke behandeling van Statius. Of wanneer Tydeus met de +gezanten voor Thebe komt en gewapend de zaal binnenrijdt, waar de koning +met zijn mannen zit te eten,—wanneer Tydeus hun daar zijn uitdaging +naar 't hoofd slingert, waarop ze elkaar over en weer met bedreigingen +<span class="pagenum" title="149"></span><a id="p_149"></a>overladen, en wanneer hij dan op de terugweg in een hinderlaag valt, +maar er zich dapper doorslaat,—dan is dit presies als het de afgezant +van Karel de Grote verging in een van de Franse heldendichten.</p> + +<p>Maar toch is er genoeg nieuws en merkwaardigs dat de fantasie van de +Middeleeuwse dichter boeit. Feitelik leert hij van de antieke kunst de +wereld van buiten te schetsen en te schilderen. Terwijl de oude +kronieken droog waren en grauw en ook de heldendichten nog het +schilderachtige misten, leert nu de roman van Virgilius en Statius de +kunst van het beschrijven. Ofschoon,—zelfs nu vinden wij er nog geen +uitwerking in détails van gewone dagelikse dingen. Waar Virgilius +homeries schildert hoe de mannen van Aeneas vonken uit steen slaan, de +sintels in bladen bewaren enz., daar roept de <span xml:lang="fr">trouvère</span> alleen maar: „zij +legden een vuur aan en bereidden een maaltijd.” Het elegies-romantiese +natuurgevoel van de stadsbewoner kent hij niet. Als Virgilius van de +sombere rotsen en schrikaanjagende bossen van de Libyse kust vertelt of +hoe de bladeren in 't najaar vallen en de kraanvogels voor 't vertrek +bijéén komen, laat de roman dit weg. Maar wel heeft die van Virgilius en +Statius geleerd de kleerdrachten en wapenrustingen te beschrijven, een +kamp of een storm op zee, offers in de tempel of gymnastiekspelen. En +dan tracht de schrijver alle beschrijvingen te overtreffen door de +pracht van zijn wapenen en tenten, grafmonumenten of kunst- en +vliegwerk,—presies als in de Alexanderroman. Op het kapitool van +Karthago worden van die zelfde toverwerken aangebracht die volgens de +„<span xml:lang="la">Mirabilia urbis Romae</span>” op het kapitool van het oude Rome te vinden +waren; Karthago heeft magneten als muren—evenals er volgens de reizen +van Sindbad de zeeman, magneet-bergen (volgens de verhalen van een +Spaanse jood: glazen muren) om Damascus zijn. Men tracht Virgilius te +overtreffen bij het schilderen van de ongure détails van het nederdalen +in de hel, waarbij Charon tot een duivel wordt. Allerlei +natuur-merkwaardigheden worden er in gevoegd: uit het schuim op de bek +van Cerberus groeit een vergift, dat stiefmoeders aan hun stiefkinderen +geven. De mannen van Aeneas vangen kleine visjes waar ze rood purper uit +halen,—het zwarte purper krijgen ze daarentegen uit een slang die +krokodil heet, enz.</p> + +<p>Evenals in de Alexanderromans, ontleent men ook trekken aan de +kruistochten om een Oosterse lokale kleur te scheppen. Meer dan een +episode is uit de kronieken en heldendichten over de<span class="pagenum" title="150"></span><a id="p_150"></a> kruistochten, naar +'t schijnt, overgenomen. Daarin vindt men b.v. zulk een verhaal als van +een troep oude grijze soldaten die op het kritiese ogenblik in een +gevecht de kruisvaarders ter hulp waren gesneld,—niemand wist waar +vandaan,—in de geestelike kronieken is het een hemelse heerschare van +in het wit geklede martelaars („<span xml:lang="la">militum Christi cohors candida</span>” is +immers de oude naam der martelaars), in het heldengedicht zijn het +alleen maar veteranen die hun witte baard over hun kolder hebben laten +vallen, zoals in de Chanson de Roland de oude krijgslieden van Karel de +Grote doen. Die hulp door oude grijze mannen vinden wij ook weer in de +„Zeven tegen Thebe” terug. Evenzo kan men in een episode van diezelfde +roman een vertelling uit de kruistocht herkennen van een der emirs van +Antiochië, wiens zoon door de Franken gevangen was genomen, maar +grootmoedig naar zijn vader terug gezonden wordt met rijke geschenken, +waarop deze tot dank de stad verraderlik aan Bohemund overgaf.</p> + +<p>Maar het schelst komt het verschil van sfeer tussen het Latijnse epos en +de roman van de <span xml:lang="fr">trouvères</span> uit bij de behandeling van zielstoestanden. +Daar staat elegante kultuur tegenover naïeve natuur. Een jongeling die +met Ismene, de zuster des konings, verloofd is, wordt stervend uit de +slag naar huis gedragen en vraagt om nog slechts ééns, voor 't laatst, +zijn bruid te mogen zien. Bij de antieke dichter houdt een gevoel van +schaamte om haar liefde en smart op straat te tonen, de jonge vorstelike +maagd in haar vertwijfeling terug; haar moeder moet haar dwingen zich +naar zijn sponde te begeven en zo lang er mensen tegenwoordig zijn, +staat zij stil en kalm bij de stervende; eerst wanneer zij met de dode +alleen is, werpt zij zich jammerend op de baar neder en geeft haar +gevoelens lucht. In het Franse gedicht is het jonge meisje op het punt +van angst te bezwijmen, maar ijlt dan naar de baar van de stervende. +Daar valt zij dan als dood om, „koud als ijs en groen als klimop”, +slechts merken de omstanders op dat er aan haar nek nog een ader is die +licht klopt; wanneer zij weer tot zich zelf komt, durft haar moeder haar +niet naar het lijk te laten brengen, maar Ismene verklaart dat als zij +'t niet te zien krijgt, haar hart van smart zal barsten. Lang daarna +blijft ze nog in aandoenlike klachten bij de dode zitten wenen. Dat zijn +naïeve, frisse menselike gevoelens tegenover stijve antieke „<span xml:lang="de">Sitte</span>”.</p> + +<p>Maar van de gehele tragiese grootheid in de sage over Thebe, van de +misdaden en de lotgevallen van een mensengeslacht die de Romeinse +rhetoricus gevoelde en trachtte te bewaren, blijft bij<span class="pagenum" title="151"></span><a id="p_151"></a> de middeleeuwse +geestelike niet veel meer over dan het aandoenlike en het +moreel-didaktiese. Hij schrijft—zo vertelt hij—om door een +afschuwwekkend voorbeeld te tonen hoe vreselik hij gestraft wordt die +„tegen de natuur” handelt, en hoe vreselik de vloek eens vaders werken +kan. Maar meest wordt de tragiek toch slechts aandoenlik. De kolossale +Tydeus zal b.v. de piep-jonge Aton in de strijd ontmoeten, de verloofde +van Ismene. Bij Statius verwaardigt hij zich niet werkelik met de jongen +te vechten, maar werpt in 't voorbijgaan honend een speer naar hem, +waardoor hij hem dodelik wondt, waarop hij kalm verder loopt, en +versmaadt het lijk te plunderen, gelijk een leeuw het bloed van het +kleine vee niet lust, maar alleen dat van de stier wil drinken. In de +Franse Roman daarentegen waagt Tydeus niet Aton kwaad te doen;—om vele +redenen, zegt hij lachend, wil ik niet met je vechten, gij zijt zo +schoon en nog zo jong en bijna ongewapend; gij had liever thuis moeten +blijven; je geliefde zou er geen plezier in hebben als wij samen vechten +gingen. Woedend over die spot, slaat de jonge man er nu op los, zodat +Tydeus zich zelf verweren moet, hij wil hem alleen maar even op zijn +schild slaan, maar kent zijn eigen kracht niet goed en, dodelik gewond, +stort de ander neer. De reus voelt zich daar heel en al ongelukkig over, +maar de verslagene erkent dat Tydeus zonder schuld is en wordt nu +stervend door de mannen van Tydeus naar Thebe gedragen.</p> + +<p>Reeds bij Statius wordt er een zachtere toon aangeslagen,—hij was meer +bij Ovidius dan bij Virgilius in de leer geweest—en nu toont de +romanschrijver alle mogelike voorliefde voor het aandoenlike, het +gracieuse, het galante en het erotiese. In Atys en in Parthenopaeus, de +vrijers van Ismene en Antigone, had Statius de ephebus getekend, zeer +jeugdig nog, die de rijpe oudheid zo graag zag, en in kunst en poëzie +vereerde. De schoonheid van de 15-jarige wordt in de ridderromans in +meer details aangegeven: zijn gezicht is witter dan „sneeuw op de +takken”, met een zachte blos er over heen, de levende, heldere ogen zijn +vol vrolikheid, de volle kin zonder baard; zijn haar is omwonden met een +groen zijden lint, ook zijn kleêren zijn van zijde. Wanneer de +heldengedichten de knaap in strijd schilderden, was dat alleen om te +doen zien wat een waaghals hij was en hoe hij vurig en woest de anderen +in kracht trachtte te overtreffen. Hier daarentegen worden de lezers er +aan herinnerd wat er voor een fijne jonkvrouwelike wang achter de helm +en een tenger lichaampje onder de<span class="pagenum" title="152"></span><a id="p_152"></a> maliënkolder zit, en hoe de knaap +onder het gevecht naar zijn geliefde verlangt zo als zij naar hem. Juist +gelijk de heldenpoëzij de amazones, de „schildmaagden” bewondert, omdat +zij zich werkelik boven hun geslacht hebben weten te verheffen en de +mannen gelijk geworden zijn,—zo ook nog de Camilla van +Virgilius—terwijl daarentegen de ridderroman de gedachten meer in 't +bizonder vestigt op de naakte jonkvrouwelike huid onder de maliënkolder +en er de nadruk op legt hoe Camilla niettegenstaande alles vrouw is +gebleven, schoon en beminnelik: overdag duldde zij geen vrouw in haar +nabijheid, maar 's nachts kwam geen man haar maagdelik vertrek binnen.</p> + +<p>Het galant erotiese verknoeit, verwatert de wilde tragiek. Bij Statius +ijlt Jokaste, de oude moeder der twee strijdende broeders in de vroege +morgenstond, bleek met ongekamd hangende haren—een Erinye om aan te +zien—naar het vijandelike kamp, steunend op haar dochters; haar borst +is naakt en onder wild weeklagen slaat zij haar armen aan 't bloeden; +woest klopt zij op de poort en baant zich niettegenstaande alle +tegenstand een weg tot de koningstent waar zij haar klachten en boosheid +over haar zoon uitstort. Maar in de roman trekt zij netjes zo als 't +hoort met een gezantschap op weg, vergezeld van haar twee schone, fraai +uitgedoste dochters; voorname jongelingen leiden de paarden der dames. +Evenals Flore en Beauté in de Alexanderromans maken ze onderweg kennis +met een paar van de vreemde ridders die ze naar het kamp vergezellen. +Een van hen is de jonge vorst Parthenopaeus die „naar de Franse mode” +gekleed is. Die wordt terstond op de schone Antigone verliefd, wier +lichaam door het eenvoudig blanke purperen gewaad heen te zien komt, en +dat bovendien tot aan de gordel toe open staat; heur haar is omwonden +met zilverdraad. Onderweg voeren ze een levendige conversatie, zonder +onfatsoenlike woorden, maar toch ook niet al te ernstig of deftig, +integendeel schertsend en vriendschappelik. Hij vraagt haar dadelik of +zij zijn vriendin wil zijn. Trots maar beleefd antwoordt zij dat die +liefde wel wat al te spoedig in zijn werk zou gaan; zo iets kan men aan +herderinnetjes vragen en aan andere lichte vrouwen, maar zij is maagd en +koningsdochter en kan zich niet zo vlug tot zo iets lenen. „Maar daarom +zeg ik niet” voegt zij er met haar aangeboren natuurlikheid bij—„en +daar durf ik gerust voor uitkomen, dat ik u niet zeer lief kan hebben, +indien gij van mijn eigen stand waart, en het uitgemaakt was dat ik uw +vrouw zou worden. Want schoon zijt gij voor alle anderen<span class="pagenum" title="153"></span><a id="p_153"></a> en nooit zag +ik zulk een edel heer.” Niets van dit alles vindt men bij Statius. Nu +vertelt Parthenopaeus dat hij uit een koninklik geslacht is en dan +vraagt zij hem er met haar moeder over te willen spreken. Die vindt +alles zelf wel goed, maar zij wil toch de zaak eerst thuis met Eteokles +overleggen en zo rijden ze verder; zo weinig bekommeren de jongelui zich +over de vredesonderhandelingen dat zij wensten dat de tocht naar 't kamp +nog lang zou duren. En als dan daarna Jokaste in de tent des konings +over de „overeenkomst” onderhandelt, blijven de jonge ridders haar +dochters gezelschap houden en maken ze 't hof (<span xml:lang="fr">doneier</span>) en ze vragen God +de onderhandelingen niet al te gauw ten einde te brengen. Ismene, die in +een goede leerschool geweest is, doet niets dan disputeren en weet haar +tongetje aardig te roeren; zij verdedigt het standpunt van Thebe, +terwijl Antigone met 't oog op Parthenopæus steeds aan de kant der +Grieken staat. Zo oppervlakkig is het tragiese konflikt in Antigone +voorgesteld. Wanneer de onderhandelingen mislukt zijn en de strijd +opnieuw ontbrandt, zendt Parthenopæus het paard van een verslagen +Thebaan als trofee naar zijn dame—zij en Ismene zitten juist onder de +schaduw van een pijnboom naar het gevecht te kijken—en Antigone zendt +hem haar groeten terug met een betuiging van haar gevoelens van +liefde.—Intussen volgt Ismene met haar ogen de heldendaden van haar +geliefde, de Thebaan Aton,—zij herkent hem aan de zijden mouw die hij +als haar ridder draagt—en zij raakt door die heldendaden zo zeer in +vervoering dat zij zweert hem te zullen belonen: Of ik nu een domheid +bega of niet, maar ik geloof toch dat ik bij hem zal slapen.</p> + +<p>Ook koning Eteokles had een liefdesavontuur, hij maakt de dochter van +een zijner aanvoerders het hof,—en de aard van zijn verhouding tot haar +wordt nog aangegeven door het zeer weinig fatsoenlike portret van zijn +geliefde dat hij voor de grap op zijn schild heeft laten aanbrengen (ook +graaf Willem van Poitou liet zijn vriendin op zijn schild afbeelden; hij +wilde haar in de slag dragen die hem zo dikwels in het bed gedragen +had). Zij had heel lang de gebeden van haar koning weerstaan, maar eens +had haar vader een verraad begaan, en nu stond zijn leven op 't spel en +Antigone leidde nu de jonge maagd naar haar broeder. Een +pikant-aandoenlike scène,—die, gelijk zo dikwels in de middeleeuwse +romans veel naïefs en ruws achter sentimentaliteit verbergt. Wij horen +hoe schoon zij in haar verdriet is; van haar haar dat zij zich niet de +moeite gegeven heeft op te maken; de<span class="pagenum" title="154"></span><a id="p_154"></a> kleine zachte mond welks volle +lippen als gemaakt zijn om te kussen; haar ogen, glimlachend en vol +liefde, die nu bedauwd zijn; haar tranen, schoner dan de glimlach van +andere vrouwen; onschuldig ziet zij er uit, haar woorden klinken zacht. +De koning kan zich nauweliks inhouden om haar niet vriendelik te gemoet +te snellen, maar hij verliest zijn waardigheid niet uit 't oog en wil +haar nu geen medelijden tonen die dit nooit voor hem had. Maar Antigone +zal haar voorspraak zijn, en zij raadt hun aan elkaar barmhartigheid te +tonen en zij slaagt er in de verzoening te weeg te brengen. En van nu af +is Salamandre de vriendin des konings, dikwels trekt hij ten strijde om +in haar ogen uit te blinken; wanneer ze alleen zijn, beloont zij hem +daarvoor.</p> + +<p>Maar bij een kamp, werpt Parthenopaeus de koning van zijn paard—doden +wil hij hem niet, want hij hoopt immers zijn zwager te worden—maar +verraderlik velt een van 's konings trawanten de jonge held, tot grote +smart van Eteokles die zelf zijn zuster's hand voor hem bestemd had. +Boven in een van de torens zitten juist Antigone en Salamandre bij hun +borduurraam naar de strijd te kijken; vergeefs tracht de laatste de +wanhopige koningsdochter in te houden.—„Gij zijt van koninklijk +geslacht,” zegt zij eigenaardig genoeg, „en moet u kunnen beheersen, +opdat men u niet lake,”—maar nog geen week later heeft Antigone zich +dood geweend.</p> + +<p>Dit alles is er bijgevoegd en de elegante figuur van de jeugdige +Parthenopaeus ging even als de jonge liefde van Aton en Ismene reeds in +de laatste helft van de 12<sup>de</sup> eeuw in de gemeenschappelike poëtiese +schatkamer van de lyriek der troubadours en hun romans over.</p> + +<p>Maar in de „Roman van Aeneas” kwamen er twee liefdes-episodes voor +waarbij die in de roman van Thebe in 't niet verzonken. De gehele +nationale achtergrond waarop in het Romeinse epos de avonturen van +Aeneas zich aftekenen en van waar ze verlicht worden, is in de +middeleeuwse roman natuurlik verdwenen. De Aeneis toch was een Romeins +nationaal gedicht, geschreven ter verheerliking van het Romeinse +keizerschap om de stichting van het rijk aan het overoude, eerwaardige +Ilium te verbinden en het onder de bescherming der eeuwige machten te +plaatsen; dat alle avonturen van Aeneas, van de val van Ilium af tot de +opoffering van Dido toe, schakels zijn in de keten van een goddelike +wereldorde, die tot het Augustiaanse keizerrijk leiden moet,—dat is de +idee die grootheid en waardigheid, ethiek en pathos<span class="pagenum" title="155"></span><a id="p_155"></a> over alle personen +en gebeurtenissen van het gedicht werpt. Maar in de Middeleeuwse roman +schrompelden die reuzenafmetingen in tot een heel weinig belangrijk +geschiedenisje van een vluchteling, die met enige schepen omdwaalt, +gastvrij door een koningin ontvangen wordt, die hem lief heeft, maar die +hij trouweloos verlaat, waarop hij grond in Latium verwerft en in de +strijd het rijk en de koningsdochter weet te veroveren. Een avontuurlike +roman zoals b.v. Apollonius van Tyrus dat geweest was, en zonder dat er +sprake is van noodlot of een missie. De enige hoofdepisode is zijn +liefdebetrekking tot de koningin van Carthago. De vorstin die evenals +Medea in de oude saga een vreemdeling haar liefde schenkt maar door hem +verlaten wordt, heeft bij Virgilius een myties-heroiese grootheid over +zich en er is iets van een natuurmacht, iets van een noodlot in de +liefde van die twee en haar dood. In de Franse roman daarentegen is het +niets dan een avontuurtje tussen een man en een vrouw, die hun luimen +volgen en zelf hun noodlot bezegelen. Naïef wordt er eerst verhaald hoe +Aeneas, vergezeld door Ascanius, op bezoek komt in het slot van Dido; in +de roman bepaalt zich de goddelike interventie tot het feit dat Venus +het gift van de liefde op de lippen van de knaap uitgegoten heeft, en +terwijl onder het bezoek dan eens de gastvrouw, dan eens de vader dat +lieve kind kussen, zuigen ze beiden de liefde in. Vooral vlamt die in +Dido op en als zij des avonds hare gasten op 't slot naar bed heeft +gebracht, „kan zij er zich nauweliks toe brengen weg te gaan”. Familiaar +en realisties wordt dan haar slapelooze nacht geschilderd. Waar +Virgilius zich vergenoegt met te zeggen dat „de liefde-onrust gunt geen +slaap haar in de ogen”, gaapt hier de heldin, rekt zich uit, zucht, +denkt er over na hoe hij was en wat hij zeide; zij zoent het hoofdkussen +en omhelst het, terwijl zij zich verbeeldt dat zij hem naakt in haar +armen sluit. Met zulke détails schilderde ook de troubadour van Provence +de slapeloze nacht van zijn geliefde. Met de dageraad staat ze op en +roept haar kamenier niet, maar ijlt terstond naar haar zuster Anna. Bij +Virgilius houdt zij dan een lange pathetiese rede tot haar zuster +volgens alle regelen van de kunst, over haar liefde tot de vreemdeling, +maar ook over de eed die zij haar gestorven echtgenoot gezworen had dat +zij eeuwig weduwe zou blijven. Naïef, maar natuurgetrouw heet het in de +roman: „Anna, ik geloof dat ik niet langer kan blijven leven, +zuster!”—„Wat is er dan gebeurd?”—„Ik ben mijzelf niet meer, ik kan +het niet meer verbergen: ik heb lief.”—„En <span class="pagenum" title="156"></span><a id="p_156"></a>wie is het?”—„Dit zal ik +je zeggen, het is voorwaar hij...” Maar wanneer zij zijn naam zal +noemen, valt zij in zwijm en kan zij pas later voortgaan. Haar zuster +antwoordt ook niet in zulk een deftige speech als de Anna van Virgilius, +maar tracht haar te doen begrijpen,—prakties en cynies, als later zo +dikwels de koppelaarsters in de ridderromans—dat die trouw jegens een +afgestorvene nu niet zo heel veel betekent, dat zij van hem toch geen +plezier kan hebben of een erfgenaam krijgen; het is een goed waar woord: +„laat de doden voor de doden en de levenden voor de levenden zorgen.” Er +moet toch ook iemand zijn om het land te verdedigen.</p> + +<p>Nu geeft de koningin zich geheel en al aan haar passie over en onder het +samenzijn met Aeneas groeit die de volgende dagen steeds aan; zij weet +niet wat zij doet, vraagt haar gast duizend maal hetzelfde en vertelt +hem los en vast, alleen maar om met hem te kunnen praten. Om haar +gedachten te verzetten—hier worden de gebeurtenissen weer, als +gewoonlik bij de Middeleeuwse dichters, zuiver psychologies gemotiveerd +zonder het Virgiliaanse godenapparaat—arrangeert zij een jachtpartij. +En gedurende die jacht is het dan dat Aeneas en Dido in een grot een +schuilplaats zoeken voor een onweer. „Die dag was het begin van dood en +ongeluk; om decorum en haar reputatie geeft zij niet meer, zij vraagt +niet om heimelike liefde, zij spreekt van een huwelik en verschoont haar +val met deze naam.” In die kuise algemene bewoordingen duidt Virgilius +aan wat de <span xml:lang="fr">trouvère</span> zich niet geneert rond uit te zeggen: „Daar zijn die +twee nu alleen tesamen, hij doet met haar wat hem lust, veel geweld +hoeft hij niet te gebruiken. De koningin weigert hem niets, maar geeft +hem zijn wil; lang had zij er zelf naar verlangd.” Bij Virgilius waar +alles goddelik bestierd is met het oog op de missie van Aeneas, is het +eigelik alleen Dido die lief heeft en wanneer Mercurius kort daarna +Aeneas beveelt verder te trekken, gehoorzaamt deze zonder aarzelen. Maar +hier voelt hij twijfel en gewetenswroeging, voor dat hij zijn besluit +nemen kan. En 't duurt niet lang of Dido doorziet zijn plannen. Bij +Virgilius raast Dido dan als een furie of een Bacchante in het paleis en +de stad rond en giet in lange tirades haar klachten over de verrader +uit, haar verwijten, haar woede en haar vloek: zij wenst zijn dood en +verzekert dat zij als een zwarte furie om zijn lijkstoet zal fladderen. +Anders bij de Franse Dido, zij is in 't kristendom opgevoed en in de +wereld der baronnen en spreekt met heel wat meer vrouwelike +ingetogenheid <span class="pagenum" title="157"></span><a id="p_157"></a>en zachtheid, zij smeekt om medelijden, vraagt hem of zij +iets misdaan heeft, is bang voor haar baronnen die er al lang boos over +waren dat zij zich met de vreemdeling ingelaten heeft, en zegt dat het +haar dood zal zijn. Wanneer Aeneas weg zeilt, gaat zij de vrijwillige +vlammendood tegemoet op die zelfde kussens waarop zij zijn liefde +genoten heeft en kust het bed en zijn feestklederen, ten teken dat zij +hem vergeven heeft. Terwijl de vlammen haar schone, blanke, zachte +lichaam lekken, is „Aeneas” het enige woord dat zij er nog uit kan +krijgen. Haar as wordt in een urn gedaan waarop geschreven staat: „Hier +rust Dido die voor haar liefde in den dood ging; nooit was er een betere +heiden, als zij alleen maar niet plotseling door liefde was getroffen, +maar haar liefde was misdaad.” Terwijl Virgilius in Dido's dood alleen +maar een grote hartstocht zag in haar schoonheid als natuurmacht, werd +die voor de middeleeuwse dichter een voorwerp van aandoening en +medelijden, een zedelik afschuwwekkend, maar ook stichtelik voorbeeld.</p> + +<p>Later landt Aeneas dan in Latium, waar koning Latinus heel spoedig +geneigd blijkt de vreemdeling als zijn schoonzoon en erfgenaam aan te +nemen, terwijl de koningin haar dochter Lavinia aan koning Turnus wil +geven, die oudere rechten op haar kan laten gelden. De betrekking tussen +Aeneas en Lavinia, bij Virgilius vluchtig aangeduid, maar misschien meer +uitgewerkt in een niet overgeleverd later Latijns gedicht, wordt in de +roman aangegrepen als een welkome aanleiding om daar weer een andere +lang uitgesponnen liefdesgeschiedenis aan vast te knopen, waarin het +onschuldige verliefdheidje van de jonge koningsdochter een schone +tegenstelling vormt met de hete, ervaren passie van de vorstelike +weduwe.</p> + +<p>Lavinia's moeder wil haar kind liefde voor Turnus doen voelen en tracht +haar nu te verklaren wat liefde eigelik voor een eigenaardige koorts is. +Maar als 't jonge meisje die beschrijving hoort, is 't enige wat zij +daaruit afleidt, dat zij zich die ziekte wel van 't lijf zal weten te +houden. Dan verklaart haar moeder verder hoe die ziekte juist zijn +geneesmiddel in zich draagt, hoe er vreugde welt uit tranen en uit het +bittere, zoet; laat zij maar even naar 't beeld van Amor kijken, die +heeft pijlen maar ook een doos met zalf tegen de wonden door de pijlen +veroorzaakt. Dit helpt alles niets, het jonge meisje wil haar rust +bewaren. Deze hele scène herinnert aan de zoetsappige naïeveteit in +„Daphnis en Chloë” of andere latere klassieke liefderomans. Intussen +krijgt Lavinia<span class="pagenum" title="158"></span><a id="p_158"></a> onder een wapenstilstand van uit haar torenkamer Aeneas +in het oog in het vijandelik kamp, en op 't zelfde ogenblik wordt zij +door een liefdepijl gewond. Zij opent haar kamerdeur om hem beter te +kunnen zien en vraagt nu zich zelf af—evenals Chloë—wat er toch +eigelik is. Zou dat de ziekte zijn waar moeder onlangs over sprak? Maar +waar zou de medicijn dan blijven die Amor, zoals moeder zeide, +medebracht? Ik ben bang dat de doos verloren is en de zalf weg! Maar ik +moet verbergen wat mij scheelt. Moeder zal woedend zijn dat ik de +erfvijand liefheb. En zij blijft zo in zich zelf praten; daar komt het +innerlike drama van het gehele zieleleven te voorschijn, waar de +klassieken en de geestelike literatuur het oog der middeleeuwse +schrijvers voor geopend hebben en die de romans van nu af, in eindeloze +spitsvondige dialogen met zich zelf, trachten weer te geven. Een +ogenblik denkt zij er werkelik aan zich tussen Turnus en Aeneas te +verdelen, maar zij zet die lelike gedachte van zich af: ware liefde gaat +slechts van één tot één; men kan tegen velen glimlachen, maar hij die +meer dan een wil liefhebben, houdt zich niet aan de voorschriften der +liefde. Zij denkt er over een boodschap naar Aeneas te sturen maar durft +toch de eerste stap niet doen, hij mag toch niet denken dat zij +lichtvaardig is. De gehele dag zit zij te staren in de richting die hij +genomen heeft, en 's nachts ligt zij slapeloos te klagen dat Amor zo +wreed is een arm, weerloos jong meisje te overvallen. Wanneer de +koningin de volgende dag haar dochter zo bleek en afgevallen ziet +verschijnen, begrijpt zij heel gauw wat haar scheelt en letter voor +letter—in hele korte vragen en antwoorden, bijna als in de Latijnse +komedies—weet zij de naam van het „voorwerp” uit Lavinia te halen. +Verbitterd dat dit nu juist Aeneas moet zijn, tracht zij Lavinia tot +andere gedachten te brengen door de ruwste en verschrikkelikste +beschuldigingen tegen hem in te brengen, hoe Aeneas aan de paederastie +doet,—ook dit duidt op een laat klassieke bron voor deze episode. Maar +het helpt alles niet; wanneer het jonge meisje alleen gebleven is, +schrijft zij een brief „<span xml:lang="fr">tot en latin</span>”, waarin zij Aeneas haar liefde +bekent en om de zijne vraagt. Zij bindt die brief aan een pijl en weet +door een list een boogschutter er toe te krijgen die naar het +vijandelike kamp te schieten. Die liefdegroet is wel enigsins +onvoorzichtig, maar bereikt toch zijn doel. De pijl valt naast Aeneas +neer, die ziet de brief, leest die en kijkt in de richting van de toren +waar zij hem kushanden toe staat te werpen. Als in de Noordfranse +romances is het jonge meisje het nog dat het initiatief<span class="pagenum" title="159"></span><a id="p_159"></a> neemt; wij zijn +nog niet tot het troubadour-standpunt gekomen. Aeneas neemt de +toenadering goed op en staat van nu af dikwels naar de toren te kijken, +tegenover zijn mannen doet hij heel naïef, net alsof het de toren zelf +is die hij bewondert, maar zij begrijpen er alles van en plagen hem met +allerlei toespelingen. Maar het is ook hier altijd de vrouw die 't meest +door de liefde geplaagd wordt als in 't geval van Dido; maar <i>hij</i> vindt +niet dat het geheel en al met zijn waardigheid strookt om te laten +merken dat hij verliefd is en hij laat zich daarom soms een ganse dag +niet zien. „Hij die een vrouw wil liefhebben, zo redeneert hij, moet +zijn hart niet al te haastig voor haar openen, hij moet zich enigsins op +een afstand houden, want als de vrouw weet dat zij de sterkste is, +krijgt hij dat spoedig te voelen.” Wanhopig begint Lavinia hem reeds van +al dat slechte te verdenken dat haar moeder haar voorgelogen heeft en +besluit hem van nu af te haten,—„als ik hem tenminste van ganser harte +haten kàn”; maar wanneer zij hem tegen de avond voorbij ziet rijden, +zelf onder de indruk van wat zijn liefde hem doet ontberen, krijgt zij +berouw over haar boosheid. „Ach! het duurt te lang voor hij zijn recht +van mij opeist. Zoete vriend, te voet zou ik naar uw tent willen gaan, +het zou mij een genot zijn smart voor u te voelen.” Het is als 't gevoel +voor <span xml:lang="fr">Abélard</span> voor Héloise die zijn slavin wilde zijn. Zelfs als Aeneas +eindelik Turnus, zijn mededinger, geveld heeft en recht heeft op het +rijk en de prinses, houdt hij haar nog lang in haar smartelike +onzekerheid; uit een soort trots of een soort verfijnde wreedheid wacht +hij nog met zijn bezoek bij haar, en zij is verdrietig, daar zij denken +moet dat hij haar veracht omdat zij de eerste stap gedaan heeft. Totdat +ten slotte de kroningsfeestelikheden en de bruiloft op één dag plaats +hebben.</p> + +<p>De episoden van Dido en Aeneas zowel als Lavinia en Aeneas bleven een +voorbeeld voor talrijke latere ridderromans. Dit was over het algemeen +ook met de roman van Aeneas het geval, niet alleen wat betreft de +schilderachtige beschrijvingen, maar ook wat de levendige gesprekken +aangaat, pikant gepointeerd, toen reeds echt Frans-spiritueel.</p> + +<p>Maar ook deze roman werd in de schaduw gesteld door een andere en latere +navolger—het enorme werk van <span xml:lang="fr">Benoît de St. More</span>—de „Roman van Troje”, +een gedicht uit ± 1160 en dat in vele opzichten onder de invloed van +zijn twee voorgangers staat.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Van alle verhalen uit de oudheid was er geen één dat de Middeleeuwen <span class="pagenum" title="160"></span><a id="p_160"></a>zo +bezig hield als dat van Troje. Evenals de Romeinen van de gevluchte +Trojanen heetten af te stammen, zo trachtten zowel patriciese +geslachten, enkele steden, als verschillende volken—Franken zowel als +Britten—hun oorsprong tot Troje op te voeren. Reeds in de 7<sup>de</sup> eeuw +kan men in de kroniek van Fredegarius lezen dat de Franken van Francio, +de zoon van koning Priamus afstammen en in de offisiële dokumenten der +Franse koningen komt die bewering voortdurend weer voor den dag. In een +kroniek van de 9<sup>de</sup> eeuw beweren de Britten van hun kant ook van Troje +te komen door een afstammeling van Aeneas, genaamd Brutus, waar ook de +naam Britten dan vandaan zou komen. En er waren ook reeds heel wat +Latijnse kronieken en Latijnse gedichten over de val van Troje +geschreven, vóór een geestelike zich er nu toe aangordde om een berijmde +roman over de beroemdste van alle klassieke verhalen te schrijven.</p> + +<p>Zijn bron was niet Homerus, maar twee Latijnse prosawerken, die +respektievelik Dares en Dictys als schrijver noemden en die vrij korte +uittreksels schijnen te zijn van Griekse of Latijnse werken uit de +latere classiciteit.</p> + +<p>Het was een heel wat andere vorm waarin de geschiedenis van de +verovering van Troje zich hier deed kennen dan bij Homerus. Alle twee de +schrijvers doen zich voor als betrouwbare historici die zelf als +ooggetuigen de gebeurtenissen hebben bijgewoond, dageliks hun dagboek +daarover hebben bijgeschreven—Dares aan de kant der Trojanen, Dictys +bij de Grieken—en die nu droog, kort en nauwkeurig, alles mededelen +zoals dat een geschiedkundige uit de school van Thucydides en Sallustius +past, zonder de partijdige leugens of de poëtiese fabelen van Homerus, +en dus ook zonder de godenwereld die hij er zo kinderachtig bij haalt. +<span xml:lang="fr">Benoît de St. More</span> in zijn Roman van Troje, gelooft vast en zeker dat +zijn autoriteiten zelf in het Griekse en Trojaanse kamp rond hebben +gedoold, maar dat verhindert niet dat hij zelf de droge mededelingen van +zijn geschiedschrijvers met alle details aanvult die hij maar te pakken +krijgen kan. Hij is uitstekend thuis in de wereld der Franse +heldendichten en er lopen hem gedurig formulen en citaten daaruit in de +pen; gevechten en verwondingen schildert hij ook met grote kennis van +zaken en er ligt over zijn verzen iets van het strijdgenot zelf, de +„<span xml:lang="la">gaudia certaminis</span>” der heldendichten, wanneer er in de horen geblazen +wordt, de wapens in de zon schitteren, de banieren over het strijdgewoel +waaien en de zwaarden tegen de helmen dreunen; het is dan ook zeker<span class="pagenum" title="161"></span><a id="p_161"></a> wel +uit zijn hart gesproken wanneer een der helden van de oorlogszuchtige +geestelike zegt: dat men nooit naar priesterraad luisteren mag, dat zijn +altijd lafaards, die moeten thuis blijven, in de kerk bidden en zich +niet met ridders bemoeien. Maar de romanticus die hij is, weet heel goed +dat het leven in de Griekse oudheid er anders uitzag dan in Frankrijk +ten tijde van Lodewijk de zevende en hij amuseert zich zelf zowel als +zijn lezers met alle fraaiigheden op te dissen die hij maar vinden kan. +Hij vertelt van lijkverbranding en de spelen die daar bij plaats hadden, +„want dezulken lees ik dat men in die dagen arrangeerde wanneer er een +held gestorven was.” Aan de verhalen over de kruistochten en aan het +Oosten ontleent hij—evenals zijn voorgangers—heel wat exotiese kleur, +nog meer bovennatuurlike natuurkunde en stukjes naïeve middeleeuwse +kosmografie. Alles wat oud is en vreemd en merkwaardig, is voor hem één +en hij zwelgt er gewoon in. Wat weet hij al niet te vertellen? Van de +stad Troje, waar alles van marmer is en de straten geplaveid waren en +gedeeltelik overdekt, zodat men er lopen kon zonder vuil te worden. Over +het slot van Priamus dat hij bij zijn beschrijving versiert in de trant +van de tempel van Salomo in het Boek der Koningen, of van het +zonnepaleis bij Ovidius of het keizerlik paleis te Byzantium; in elke +zuil en in elk kapiteel zijn bloemen- en dieren-versieringen +gebeeldhouwd (als in de Romaanse kerken), de ramen zijn van kristal en +in de kamers vindt men gouden standbeelden. Bizonder merkwaardig is „de +Kamer der Schoonheid” die haar licht alleen kreeg van al de edelstenen, +waarvan de vloer en de muren, de zuilen en de zoldering samengesteld +waren—dezelfde waar ook het nieuwe Jerusalem in de openbaring van +Johannes mede was opgebouwd,—en aan de zuilen waren weer beelden +aangebracht die gelijk automaten dansten en speelden, bloemen op de +grond strooiden en welriekende geuren verspreidden. Dan vertelt onze +geestelike verder van al de prachtige en wonderbare kleêrdrachten die de +Trojaanse dames aan hadden—al de nieuwe kleurrijke stoffen van de +Levant met bonte patronen—en over de kleedij der soldaten, hun wapens +en hun prachtige fantastiese schildversieringen, de met edelstenen +bezette gouden helmen, hoeden van Indiese vogelveren, de mantel van +Hektor uit rood laken van Saragossa, met vergulde leeuwen bedekt, met +hermelijn gevoerd en met een rand van zwart sabelbont; de witte zijden +paardendekken met vergulde bellen; strijdwagens van ivoor, de wielen van +ebbenhout met goud beslagen. Zulke wonderwerken zijn dan natuurlik<span class="pagenum" title="162"></span><a id="p_162"></a> door +tovenaars gemaakt of een geschenk van feeën. Wij horen ook van Centauren +die aan het gevecht deelnamen en met pijl en boog schieten,—gelijk men +ze onder de figuren van de dierenriem der Romaanse kerkportalen in steen +uitgehouwen kan zien. Ten slotte vindt Benoît nog gelegenheid om, naar +een fabuleuze wereldbeschrijving van voor de tijd van Karel de Grote, +een heel overzicht te leveren over de merkwaardige landen en rivieren en +volkeren van het Oosten.</p> + +<p>Ook de persoon zijner helden weet hij te beschrijven tot in de kleinste +détails. Hier had hij de eigen woorden van Dares om zich aan te houden. +Bij Dares en zeker ook wel bij Dictys waren er een hele reeks +karakteristieken te vinden van alle personen, hun innerlik zo wel als +hun uiterlik,—in de compendia die tot ons gekomen zijn, werken die met +de nauwkeurige opgave van alle kentekenen als een soort offisiële pas. +Het is waarschijnlik een soort uitvinding der rhetoren, net als de +nauwkeurige beschrijvingen die men er plezier in had van kunstwerken te +geven,—dergelijke voorstellingen van de optredende personen door een +korte opgave van uiterlike en innerlike trekken kennen trouwens ook de +IJslandse sagen. Van Grieken zowel als Trojanen worden door onze exacte, +realistiese geschiedschrijvers de eigenaardigheden, maar ook de +ondeugden opgesomd. Helena heeft een moedervlek, Briseis wordt enigsins +ontsierd door haar samengegroeide wenkbrauwen, en er is ook iets niet in +orde met Priamus die enigsins vreemd spreekt. Neoptolemos heeft een te +dikke buik en grote ronde ogen; die had de rechten bestudeerd en kon +verzen maken; de kleine dikke roodharige Aeneas is wel verstandig, maar +denkt altijd 't eerst aan zijn eigen voordeel. Paris die anders zo +schoon is, loopt toch met een enigsins kromme rug. Zelfs van Hektor kan +men bij Dares lezen dat hij scheel is en stottert. En zo moet ook de +<span xml:lang="fr">trouvère</span> wel in alle eerlikheid toegeven dat zijn lievelingsheld „wel +iets schoner had kunnen zijn” en dat hij niet alleen iets of wat +stotterde maar ook aan beide ogen scheel zag,—„wat hem toch volstrekt +niet misstaat” haast hij zich er bij te voegen. En niettegenstaande al +die kleine gebreken houdt hij de baronnen van de 12<sup>de</sup> eeuw toch al +die Grieken en Trojanen voor als de typen van „hoofsheid” en +ridderlikheid. De <span xml:lang="fr">trouvère</span> wil juist in zijn gedicht de grotere +beschaving der Grieken als een ideaal zijn tijdgenoten voorhouden. Hij +doet b.v. uitkomen hoe daar in de oude tijd de gezanten zeker konden +zijn dat ze nooit overlast zouden lijden,—iets wat hun in de Franse<span class="pagenum" title="163"></span><a id="p_163"></a> +„<span xml:lang="fr">chansons de geste</span>” voortdurend overkomt. Hij prijst Achilles in +tegenstelling met de baronnen der heldenpoëzij daarvoor, dat hij nooit +nà tafel onder een beker wijn zou blijven zitten pochen. Wanneer +Achilles en Hektor voor de tweekamp tegenover elkaar komen te staan, +beginnen zij eerst alle twee te snoeven en te dreigen—zoals dat in de +heldenpoëzie gewoonte was—maar Hektor breekt plotseling af en zegt dat +hij zijn mond niet vuil wil maken met dingen waardoor de mens niet beter +wordt. Theseus waarschuwt in het gevecht Hektor dat hij zich in de hitte +van het gevecht te ver van zijn mannen gewaagd heeft, later krijgt +Hektor gelegenheid hem een dergelijke dienst te bewijzen. Maar de +<span xml:lang="fr">trouvère</span> vindt het heel lelik wanneer Hektor eens een gevallen vijand +plundert,—iets wat de krijgers in de heldengedichten kalm doen en men +ook op het wandtapijt van <span xml:lang="fr">Bayeux</span> ziet gebeuren.</p> + +<p>De Trojanen—aan wier zijde <span xml:lang="fr">Benoît</span> staat evenals de gehele +Middeleeuwen—overtreffen de Grieken in hoofse vormen. Elke avond, +wanneer zij de strijd verlaten en hun wapenrustingen uitgetrokken +hebben, worden ze tot fijngekultiveerde mensen. Wanneer Hektor thuis +komt, gaat hij eerst zijn mannen in hun nachtverblijf opzoeken, en geeft +order om de gewonden goed te verzorgen en spreekt hun moed in. Dan pas +gaat hij naar zijn kasteel en dan trachten de dames om strijd hem zijn +wapenrusting uit te trekken,—nooit zouden zijn schildknapen dat mogen +doen. Eens komt hij gewond thuis, het valt hun lastig hem zijn bebloede +rok uit te trekken, zijn echtgenote Andromache weent, en hij wordt in +een prachtig bed gelegd in de „<span xml:lang="fr">chambre de beauté</span>”, waar een beroemd +geneesheer de wonden komt behandelen. Vóór hij in slaap valt, komt zijn +oude vader, „de edele, hoofse koning Priamus”, angstig naar hem +informeren, maar Hektor antwoordt geruststellend. Steeds wordt de oude +man grote eerbied bewezen; de kinderen zijn er altijd op uit hem zo min +mogelik verdriet te doen en wanneer de koningin der Amazonen, na de dood +van Hektor, de stad ter hulpe snelt, is zij vol medelijden met de oude +koning, want hij weent groteliks over de zonen die hij verloren heeft. +En als een goede, edele vrouw troost zij hem zo goed als ze kan. Gelijk +het ook in de raadsvergaderingen heel wat meer parlementair en beschaafd +toe gaat dan b.v. in het Rolandslied—Hektor is het met een voorslag +niet eens en argumenteert er tegen, maar zegt ten slotte dat hij zich +natuurlik niet wil verzetten tegen wat de anderen het beste zouden +vinden,—zo is er ook altijd de<span class="pagenum" title="164"></span><a id="p_164"></a> warmste, schoonste verhouding tussen +alle leden der koninklike familie, de schoondochters inkluis. Iedereen +kust daar iedereen,—en overal. Angstig volgen de dames overdag de +strijd van de muren af, 's avonds komen de vorsten de dames in de „kamer +der schoonheid” bezoeken; hier praten ze gezellig met elkaar en de oude +koningin maant alle aanwezigen in bewogen woorden aan om „<span xml:lang="fr">lor cors, lor +terre et lor aveir</span>” eensgezind te verdedigen. Tegenover Helena zijn +allen louter galanterie; reeds dadelik toen zij naar Troje kwam, was +koning Priamus haar tegemoet gereden en had haar paard bij de teugel de +stad ingeleid; nooit krijgt zij het minste verwijt te horen, hoogstens +kan Hektor eens op een manier, die ons niet heel delikaat lijkt, een +grap verkopen over „haar twee echtgenoten”, die zij nu samen kan zien +vechten.</p> + +<p>Hoofse beminnelikheid, een milde zachte humaniteit is het voor Benoît +waar men de ware adel aan herkent. Reeds die hiervoor genoemde +„signalementen” hadden dit bizonder doen uitkomen, maar de geesteliken +gaan hierin veel verder. Achilles was „nimmer zwaarmoedig en korzelig, +maar opgewekt, milddadig en royaal”,—Patroklus is een innemend, +beminnelik ridder, die niets gesteld is op boosheid en verdriet; van de +dikke Polidarius heet het daarentegen dat hij zwaarmoedig was en nooit +van vrolikheid hield, wat een berisping verdient. Priamus wordt geprezen +wegens zijn zachte lieve stem en omdat hij zo veel hield van liederen en +geschiedenisjes. Maar vóór allen is Hektor het ideaal van een ridder. +Zijn „cortesie” is zo groot dat Grieken zowel als Trojanen in +vergelijking met hem „gewone boeren” zijn, nooit gebruikte hij lelike +woorden of sprak hij kwaad, altijd toonde hij zelfbeheersing, alleen gaf +hij te graag alles weg, en gaf niets om goud of paarden of edelstenen, +„alleen zijn edel gemoed hield hij voor zich”.</p> + +<p>Maar toch,—de natuur gaat boven de leer, en telkens als de <span xml:lang="fr">trouvère</span> +zich eens goed en van nabij in de stof inleeft, vergeet hij dat hij zich +in een hogere, meer ideale sfeer moet bewegen en dan haalt hij, evenals +de dichter van de roman van Aeneas, alles in de nuchtere naïeve +werkelikheid neer waar hij thuis hoorde.</p> + +<p>Een van de schoonste scènes van de Ilias is die waar Hektor naar zijn +woning gegaan is om voor de strijd van zijn vrouw afscheid te nemen, +maar haar met zijn kind en de voedster tegen komt, vol onrust en angst. +Zij smeekt hem om thuis te blijven. „Vrouwe, dit alles bekommert mij +ook,” antwoordt hij, maar het is zijn plicht om ten strijde te +trekken... en dan wil hij zijn jongen in de armen nemen, maar die is +bang voor 't „golvende, de<span class="pagenum" title="165"></span><a id="p_165"></a> helmkam dekkende paardhaar” en kruipt weg, +zodat vader en moeder elkaar in een gelukkige glimlach over hun kind +ontmoeten. Nu neemt Hektor zijn helm af en kust zijn jongen en wiegt hem +in zijn armen, bidt voor hem tot de goden en legt hem dan weer aan +moeder's borst, door haar tranen heen glimlacht zij en drukt hem tegen +zich aan. Dan scheiden ze van elkander, en zij gaat de zware weg naar +huis; „zijn vrouw ging talmende huiswaarts, telkens het hoofd weer +wendend en hevige tranen vergietend”. Van deze hoogte—de meest +gevoelvolle innigheid, maar beheerst door natuurlike adel en een zuiver +plichtgevoel—was reeds de voorstelling bij Dares diep gezonken. +Andromache heeft in haar dromen voorspellingen gekregen en heeft Hektor +gebeden thuis te blijven, maar hij verwijt haar die „vrouwelike woorden” +en in haar angst zendt zij iemand naar Priamus met de vraag zijn zoon te +verbieden die dag ten strijde te trekken. Als Hektor dat hoort bromt hij +op zijn vrouw en beveelt haar zijn wapens te halen. Vergeefs tracht +Andromache op zijn gemoed te werken door hem de knaap toe te steken, +haar klachten doen de mensen er bij komen en nu ijlt zij zelf weg naar +Priamus... Bij <span xml:lang="fr">Benoît</span> eindelik is alle hoogheid uit die scènes +verdwenen, die zijn zo brutaal en woest dat de hoofse Hektor niet meer +te herkennen is. „Dat verwachtte ik wel dat er geen greintje gezond +verstand meer in je is,” zegt hij hard tot zijn vrouw, en het scheelde +niet veel, zegt de dichter of hij had zijn vrouw geslagen. De oude +Hekuba komt er nu bij en tracht de held tot betere gedachten te brengen, +maar hij doet niets dan bedreigingen tegen zijn vrouw uiten. Terwijl hij +zijn wapenrusting aantrekt, slaat zij zich wanhopend op haar borst, +trekt zich de haren uit, werpt zich voor haar man op de knieën, terwijl +hij juist zijn kniestukken aangordt, en houdt hem het kind smekend vóór, +„dat kleine kind, dat gij uit uw eigen vlees gewekt hebt” en dat nu +vaderloos zal worden. Maar Hektor is woedend en wil weg. Schreeuwend +ijlt Andromache de stad door naar Priamus; als de oude man haar +aangehoord heeft, zucht hij bang en diep, kijkt voor zich heen, tranen +biggelen op zijn kin en kleêren; met moeite stijgt hij te paard en rijdt +weg. Midden op de straat treft hij zijn zoon, „zwetend van boosheid”, +met een rood gezicht en opgezwollen ogen, alsof hij geweend had. Nu +verbiedt hij hem te gaan strijden, en brommende en scheldende op die +gekke vrouwen moet Hektor naar huis terug; niemand durft hem aankijken +en hij is er niet toe te brengen zijn wapenrusting af te leggen.</p> + +<p><span class="pagenum" title="166"></span><a id="p_166"></a></p> + +<p>Van het hoge van Homerus en de „<span xml:lang="de">Sitte</span>” is hier niets meer over, maar de +middeleeuwse dichter heeft alles fris en zelfstandig beleefd. Maar +evenals in de roman van Aeneas is het toch vooral in het liefdeleven dat +de innerlike wereld, die tot nu toe alleen de theologen hadden nagegaan, +zich nu voor de fantasie van de dichter opent. Nog meer dan de „<span xml:lang="fr">roman +d'Enée</span>” zou de roman van Troje een voorbeeld voor de lateren worden door +zijn beroemde schilderingen, waarin het vrouwenhart zijn liefdeleven +blootlegt.</p> + +<p>Het is Medea, de Colchiese koningsdochter, die op de vreemdeling +verliefd wordt, welke zij in haar vaders burcht ziet. Tegen de nacht +beraamt zij een ontmoeting met Jason. Ongeduldig zit zij in haar kamer +te wachten, kijkt steeds weer of de maan nog niet op is en gaat aan de +zaal staan luisteren of de mannen zich nog niet gereed maken om naar bed +te gaan. „Hebben die nu gezworen dat zij nooit naar bed zullen gaan?—de +nacht is weldra half voorbij”, klaagt zij. Nu begint zij zich een beetje +over zich zelf te schamen, gaat op haar bed zitten, staat weer op, opent +het raam en merkt dat de maan al op is. Nu wordt het in de grote zaal +ook stil, zij ziet dat de kamerdienaars daar de bedden al opmaken, en +tegelijk ziet zij dat Jason zich ook te slapen legt; nu zendt zij haar +oude cameriere om hem te halen. Maar de dienstmaagd zegt haar dat zij nu +in bed moet gaan liggen, „dat is veel meer zoals het hoort”, en doen +alsof zij slaapt. Dat doet ze dan ook en speelt een hele komedie wanneer +hij komt; gemelik en bedeesd vraagt zij wat hij wil, nu was zij na al +dat lawaai in de zaal juist zo heerlik in slaap gevallen. In alle vormen +van de troubadour „geeft” Jason „zich aan haar over” als zijn heerseres +„en smeekt haar zijn eed van hulde te aanvaarden als haar getrouwe +vazal”. En wanneer hij haar bij het beeld ener godheid zijn trouw +bezworen heeft, brengen ze samen de nacht in liefdegenot door. Dat is +een Medea, die van <span xml:lang="fr">Benoît</span>, welke heel ver afstaat van de kuise en trotse +jonge Medea van de Griekse dichter, Apollonius van Rhodus, in wier ziel +de hartstocht langzamerhand de overmacht krijgt en zelfs heel wat anders +is dan die van Ovidius in wie verstand met hartstocht strijdt. Die van +<span xml:lang="fr">Benoît</span> is misschien nog 't meest verwant aan de Saraceense vrouw uit de +gedichten der kruistochten of de dochter van de Wildeman in de oude +verhalen: de heidin die woest op de gevangen held verliefd wordt, hem +verlost en zo nodig helpt om haar eigen vader te doden.</p> + +<p>Fijner en meer gecompliceerd is de liefde in een andere episode<span class="pagenum" title="167"></span><a id="p_167"></a> +geschilderd, die de grootste literair-historiese betekenis gehad heeft. +De geschiedenis van Troilus en Briseis geeft in een kort +bestek—waarschijnlik niet door <span xml:lang="fr">Benoît</span> zelf gevonden, maar iets wat hem +in een uitgebreider versie van Dares voorlag dan die welke wij nu +kennen—een staaltje van alles wat Ovidius geleerd had over de +onbestendigheid en de erotiese behaagzucht van de vrouw. Het lag voor de +hand Helena zelf als het type van vrouwelike zwakheid en veranderlikheid +op te vatten en dat had Ovidius in zijn „Heroiden” dan ook gedaan. De +brief waarmede zij op de liefdebetuigingen van Paris antwoordt, die hij +haar in de handen heeft weten te spelen, terwijl hij te Sparta als gast +vertoeft, is een meesterstuk van koketterie en slimheid en +wispelturigheid. Zij begint hem met verwijten te overladen dat hij haar +zo beledigt en de gastvrijheid zo misbruikt en wijst verontwaardigd zijn +aanzoek af. Maar dan voegt zij er bij dat zij eigelik al lang de taal +zijner ogen en zijn zuchten verstaan heeft en dat zij gelezen had wat +hij in de wijn geschreven had die er op tafel gemorst was; zij was heus +bang geweest dat haar man iets gemerkt zou hebben. Zij geeft toe: hij is +schoon... laat er een woordje van los dat hij ook niet de eerste is die +om haar gezucht heeft,... spreekt van haar man... van haar reputatie... +laat onbewust—of waarschijnlik met opzet—merken hoe verliefd zij zelf +is... en zegt ten slotte dat Paris in elk geval veel te haastig in zijn +werk gaan wil en oogsten wil terwijl het gras nog groen is; ofschoon... +de gelegenheid nu juist schoon is terwijl haar man juist afwezig is... +en zegt dat, mocht hij haar nog iets mede te delen hebben, hij verzocht +wordt gebruik te maken van twee van haar maagden die zij hem als trouwe +en ook betrouwbare helpers noemt.</p> + +<p>Maar al ligt nu ook de skepsis van de libertijn Ovidius aan de figuur +van Briseis ten grondslag, toch heeft de Oosterse verachting voor de +vrouw en de angst der monniken voor haar er ook toe bijgedragen. Het +monnikenkristendom dat de vrouwen vijandelik tegenover stond, kreeg er +nooit genoeg van de trouweloosheid van de vrouw af te schilderen en om +naar de talrijke spreekwoorden en exempelen daarvan in de bijbel te +verwijzen, van Eva tot Dalila. En door de Latijnse verzamelingen van +vertelsels, zoals de geschiedenis van de Zeven Wijzen, zowel als langs +de mondelinge weg werden de Middeleeuwen met een rijke keur van +histories voorzien over de sluwheid en de valsheid van de vrouw. Die +geschiedenis welke de Middeleeuwen het best kende was het relaas dat men +al bij de Latijnse schrijver Petronius vindt<span class="pagenum" title="168"></span><a id="p_168"></a> onder de titel van „de +Weduwe van Ephesus”, een weduwe die zich ontroostbaar in het +grafmonument van haar man heeft opgesloten, maar zich al een van de +eerste nachten aan een soldaat geeft, die op het kerkhof onder een paar +galgen de wacht houdt, terwijl zij zelfs medehelpt om het lijk van haar +man aan de galg te hangen, in plaats van een dief die heeft weten te +ontkomen, om op die manier de soldaat voor straf te vrijwaren.</p> + +<p>Briseis is de dochter van Calchas. Haar vader heeft de Trojanen verlaten +en zich bij de Grieken aangesloten, maar zij is te Troje achtergelaten +en tussen haar en Prins Troilus is er een zekere verstandhouding. Zij is +schoon, vriendelik, zachtaardig, hij is elegant, opgeruimd en zacht, met +ogen die van vreugde en tevredenheid schitteren. Maar wanneer er +gevangenen uitgeleverd zullen worden, verlangen de Grieken dat ook de +dochter van Calchas teruggezonden zal worden en de Trojanen moeten dat +beloven. Briseis is wanhopend, de laatste nacht brengt zij met Troilus +onder omhelzingen en tranen door; met die tranen die uit de ogen +neerstromen vermengen zij hun kussen, zoals zo dikwels in de Griekse +romans. Twee gelieven te scheiden, roept de dichter vol medelijden uit, +is een zonde daar men hard voor moet boeten. De volgende morgen moet zij +nu alles inpakken, zij kleedt zich in haar fraaiste plunje—haar kleed +is uit Indië, het heeft zeven kleuren—gaat van alle koninklike +prinsessen afscheid nemen en trekt weg door verscheidene prinsen +vergezeld. Troilus houdt de leidsels van haar paard vast. Bij het +afscheid beloven Troilus en zij elkaar eeuwig trouw, maar de dichter +voorspelt dat zij hem spoedig vergeten zal; kuisheid en schoonheid gaan +zelden samen,—zegt Salomo. Nu komen verscheidene Griekse ridders haar +tegemoet, o.a. de elegante Diomedes. Hij wordt dadelik op haar verliefd +en terwijl zij samen verder rijden, biedt hij haar aan haar ridder en +vriend te worden, als zij nu eenzaam onder al die vreemden zal zijn; nog +nooit—verzekert hij—heeft hij aldus tot een vrouw gesproken,— zij is +de eerste die indruk op hem heeft gemaakt en hij wil alles doen om haar +in haar smart te troosten. Maar Briseis antwoordt hem dat zij terecht +zéér lichtvaardig zou schijnen, indien zij een man die zij in 't geheel +niet kent, haar liefde schonk; liefde brengt ook veel ongeluk mede, +„tegen éen die lacht zijn er zes die wenen” en de mannen bedriegen een +meisje zo licht. „Maar gij zijt van hoge geboorte en welopgevoed en +indien ik ooit iemand zou liefhebben, zou het niemand anders zijn dan +gij!” Diomedes stelt<span class="pagenum" title="169"></span><a id="p_169"></a> zich, vrij natuurlik, hier mede tevreden, hij ziet +nu wel dat zij „<span xml:lang="fr">n'esteit mie trop salvage</span>”. Hij begeleidt haar nu naar +haar vader's tent en neemt dan afscheid. Nu komen er vele Grieken haar +een bezoek brengen die Briseis zeer beleefd ontvangt. Er zijn nog geen +vier dagen vervlogen of zij voelt al geen lust meer om terug te keren. +Maar kort daarop verovert Diomedes het paard van Troilus en zendt het +haar als een groet van haar vroegere vriend,—een courtoisie die haar +toch wel wat grof lijkt; zij laat hem antwoorden dat Troilus een beter +ridder is dan hij en zijn beurt wel komen zal. Maar, voegt zij er bij, +zij kan niet haten zo als zij moest, hem die haar lief heeft. En 't +duurt ook niet lang voor Troilus op zijn beurt het paard van Diomedes +machtig weet te worden en Diomedes, meer en meer verliefd, laat zijn +hoofd nu hangen,—zo treurig er uit ziende als een sperwer bij 't ruien. +Briseis merkt wel hoe hij lijdt, maar zo is nu eenmaal de aard van de +vrouw, dat, wanneer zij merkt dat gij haar lief hebt, dan werpt zij u +alleen maar aanmatigende blikken toe, en hier, zoals zo dikwels, stoot +de dichter een harte-zucht voor eigen rekening uit. Maar intussen, +Briseis zou eigelik graag Diomedes het paard van Troilus terug gegeven +hebben, als dat maar aanging,—opdat hij zich wederom in de strijd zou +kunnen onderscheiden—zij wil het zelf ook eigelik graag kwijt, daar de +Grieken de spot drijven met dit geschenk dat zij op zulk een +eigenaardige wijze van haar vroegere geliefde gekregen heeft; eindelik +slaagt zij er in hem op een fijne manier onder de vorm van een plagerij, +aan Diomedes zijn geschenk terug te geven. Nu voelt zij zich gelukkig, +dat zij hem helemaal in haar net gevangen heeft en schenkt hem ook nog +haar mouw als banier. „Van nu af—merkt de <span xml:lang="fr">trouvère</span> op—moet 't Troilus +duidelik zijn dat hij niet meer op haar liefde staat kan maken.” Troilus +wordt dan ook razend van woede wanneer hij bij het gevecht Diomedes met +die banier ziet, die hem 't duidelikst bewijs is van de trouweloosheid +van zijn geliefde, en onder ruwe scheldwoorden aan haar adres, houwt hij +op haar nieuwe ridder los. Lelik gewond wordt Diomedes naar huis terug +gebracht, maar nu houdt Briseis zich ook niet langer in: zonder zich aan +bedreigingen van haar vader of aan de praatjes te storen, ijlt zij naar +de tent van de zieke. Onderweg heeft zij een hevige innerlike strijd te +doorstaan, zij noemt zich zelf trouweloos, „om mijnentwil zullen de +vrouwen heel wat over hun valsheid moeten horen, en het is wel waar dat +mijn aard wel wat àl te veranderlik is.” Maar—antwoordt zij zich +zelf—nu <span class="pagenum" title="170"></span><a id="p_170"></a>kan ik nooit meer terug, nu heb ik mijn nieuwe vriend mijn +gehele hart gegeven en nu moet ik trachten hem trouw te blijven. Had men +mij te Troje laten blijven, dan was dit alles niet gebeurd. Maar hier +ben ik zonder vriend, niemand kan mij raad geven, en ik kan toch ook +niet altijd hier blijven lopen treuren! God geve Troilus alles goeds, +maar nu wij elkaar niet meer lief kunnen hebben, geef ik mij liever aan +Diomedes... kon ik maar vergeten wat er gebeurd is, dat drukt toch wel +zwaar op mijn geweten.</p> + +<p>Heel erg zwaar neemt de <span xml:lang="fr">trouvère</span> de trouweloosheid van Briseis blijkbaar +niet op. De vrouwen zijn voor hem toch maar het zwakke frivole geslacht, +waar men niet te veel van verwachten mag: in 't algemeen kan men zeggen +dat uit de manier waarop hij „de zoete zonde” beschouwt, die hele +lichtzinnige weekhartigheid blijkt die de ganse ridderromantiek +kenmerkt, en nergens ziet men duideliker dan hier, hoezeer <span xml:lang="fr">Benoît</span> al het +geestelike afgelegd heeft en zich in de armen van „<span xml:lang="de">Frau Welt</span>” heeft +geworpen.</p> + +<p>Bovendien, Briseis is feitelik maar een dochter van een priester, die +toch niet anders was dan de bijzit van Prins Troilus. Daarentegen heeft +de dichter in Polyxena, een van de dochters van Priamus, de echte +tegenhanger geschilderd van de trotse prinses uit de Roman van Thebe, +Antigone, en in het gevoel van Achilles voor haar heeft hij een liefde +getekend meer ridderlik van aard dan die van Diomedes, zowel als van +Aeneas. Onder een wapenstilstand is Achilles over gekomen om een +plechtigheid bij te wonen die bij de Trojanen plaats heeft ter ere van +Hektor die gedood is; daarbij krijgt hij Polyxena te zien en staat de +gehele tijd als aan de plek genageld van verrukking. Als zij weg is, +rijdt hij diep in gedachten naar huis. In een lange monoloog klaagt hij +dan over zijn hopeloze liefde: er is niemand die de Trojanen zo zeer +haten als hem die Hektor de dood had gegeven. Nu zendt hij een paar +vertrouwde mannen naar koningin Hekuba en belooft alle mogelike +boetedoening voor de dood van Hektor, als hij Polyxena maar de zijne mag +worden. De jonge maagd was daar zelf bij tegenwoordig, maar als +welopgevoed meisje, hoort zij dat aan zonder een woord mede te spreken. +Priamus heeft wel bezwaren, van geboorte en rang vindt hij n.l. Achilles +heel wat minder dan een Trojaanse koningsdochter, maar hij geeft toch +zijn toestemming, indien Achilles bij de Grieken het beleg op kan doen +heffen en zij aftrekken. In die tussentijd geeft Achilles thuis lucht +aan zijn gevoelens in klachten over de macht van Amor en op de wijze der +troubadours noemt hij zijn aangebedene<span class="pagenum" title="171"></span><a id="p_171"></a> „verheerlikte geest”, „glans der +schoonheid” en dergelijke. Nu tracht hij de Grieken te bewegen naar huis +te trekken en wanneer hem dat niet gelukt, blijft hij mokkend in zijn +tent thuis. Maar ten slotte, wanneer de Grieken al te erg in 't nauw +gebracht worden, kan hij toch niet meer achterblijven en werpt +zich—hevige verwijten van „Amor” die zich openbaart, en zijn +zelfverwijt wegens zijn verraad jegens de schone—toch weer in de +strijd. Van haar kant voelt Polyxena zich in stilte ook zeer ongelukkig; +van dat huwelik had zij nu al zo lang horen spreken, dat zij nu juist +haar zinnen daarop was gaan zetten. Maar nu beraamt Hekuba verraad. Zij +laat Achilles weten dat hij Polyxena toch kan krijgen en vraagt hem 's +nachts bij een tempel buiten de stad te komen. En even als Amor Leander, +de geliefde van Hero van zijn verstand beroofde, zo nu ook Achilles. +Romanties wordt de eenzame tocht in de maneschijn van hem en zijn +volgelingen beschreven, naar de verlaten, eenzame plaats waar de +koningin een hinderlaag heeft aangebracht en waar de held nu zijn dood +vindt. Onder groot weeklagen wordt zijn lijk begraven en de Grieken +richten een gedenkteken voor hem op, waarop zij Polyxena afbeelden, over +hem wenende. Aandoenlik is het ook te lezen hoe later, na de inneming +van Troje, de Grieken wreedaardig de maagd op het graf van Achilles +offeren. „Laat de dood mij maar nemen,” zegt de trotse koningsdochter, +„ik verweer er mij niet tegen, hier schenk ik die een jonkvrouw zo +schoon als ooit een koningszoon verwierf.”</p> + +<p>Polyxena en Antigone, Dido en Medea, Ismene en Lavinia, en ten slotte +Briseis, het is een hele vrouwengalerij—hooggeboren trots, woest +hartstochtelik, zacht onschuldig, koket wisselvallig—welke die romans +hun tijdgenoten voor zetten.</p> + +<h2><a id="XIII"></a>XIII.</h2> + +<p class="subh2">GRIEKS-OOSTERSE VERTELKUNST.</p> + +<p>Zoals wij gezien hebben waren de klassieken al halverwege voor de +<span xml:lang="fr">trouvère</span> der Middeleeuwen geromantiseerd door de Grieks-Oosterse +vertelkunst, waardoor alleen hij in de regel de klassieken te zien +kreeg,—bijv. door de Egyptiese historie van Alexander of door de romans +over Troje uit de periode van het verval der oudheid. De overdreven +beschrijvingen, de avontuurlike fantasie, de dialektiese zielsanalyse en +het galant-sentimentele<span class="pagenum" title="172"></span><a id="p_172"></a> erotiese element,—dat waren alles duidelike +sporen van dat verval der klassieken en hun Asiatisering. Daaruit was in +de Oost-Romeinse wereld een vertelkunst ontstaan, van wier stam de +Griekse en Byzantijnse roman en de romantiese Oosterse verhalen, b.v. de +1001 nacht, slechts verschillende vertakkingen zijn, door een en het +zelfde sap gevoed. En reeds lang hadden de klerken, gelijk wij gezien +hebben, zich Latijnse vertalingen van Griekse romans als „Apollonius van +Tyrus” weten te verschaffen, zoals die van de vriendschapsproef of van +de goede raad op reis. Nu, ten tijde van de kruistochten, wordt de +romanhonger der leken door de Grieks-Oosterse vertellingsliteratuur +gestild zowel door Latijnse vertalingen er van, als door mondelinge +verhalen. En door haar kunstvorm en haar geest zowel als door haar +onderwerpen, zou die al heel spoedig nog vruchtbaarder voor de +ridderromans blijken te zijn dan de klassieken dit geweest waren. Veel +uit onze moderne roman, de opbouw en de liefde-intriges stammen direkt +uit de Aetiopiese verhalen van Heliodorus of de novellenkunst van +Bagdad.</p> + +<p>Een laat, zeer ingewikkeld literatuur-genre was de Griekse roman, zoals +die jaren na Kristus bloeide—„Verhalen uit Babylon”,—„Verhalen uit +Ephese”,—„Aetiopiese Verhalen”,—„Leukippe en Chlitophoon”,—„Chaereas +en Kallirhoe”,—de pastorale roman „Daphnis en Chloë”, en hoe die ook +alle heten. Aan de ene kant een nakomeling van een overrijpe en +verouderende kultuur—zonder kracht en frisheid, zonder natuurlikheid en +oorspronkelikheid, vroeg rijp vroeg wijs, gekunsteld, verzwakt, maar +niet zonder fijnheid in denken en gevoel, en geboren met beschaving en +kunst. Maar tegelijkertijd een kind, die roman, van die zekere tijd van +barbaarse en chaotiese vernieuwing en kultuurmenging, waarin het +kristendom zijn laatste wereldvernieuwende vorm zou krijgen, en zo, +doordrongen van kinderlike lust naar avonturen en een ruwe barbaarsheid, +maar ook met de dageraad van een nieuwe levensopvatting in zich en een +geheel nieuw stel gevoelstonen.</p> + +<p>Die romans beschrijven altijd het partikuliere leven; het vaderland, +politiek en alle maatschappelike kwesties liggen buiten hun horizont. +Met geschiedenis en godsdienst staan ze in geen verband, hebben geen de +minste pretensie een beschrijving van werkelike gebeurtenissen te geven, +en de goden behandelen ze ook vrij wel niet anders dan als een poëtiese +fictie. Wat zulk een roman wil, is de fantasie met een ingewikkelde en +spannende handeling en<span class="pagenum" title="173"></span><a id="p_173"></a> merkwaardige avonturen gaande te houden, +medelijden op te wekken voor een hartroerende geschiedenis, soms ook +daardoor een wijze levensfilosofie aan de man te brengen en de moraal te +helpen opbouwen.</p> + +<p>Dikwels begint de roman met een scène tussen twee jongelui die op elkaar +verliefd worden. Zij treffen elkaar bijv. bij een feest in de tempel, +waar men voor een optocht of dans of voor spelen bijeen gekomen is. +Beiden zijn zeer jong, maagdelik, naïef onschuldig,—geen van beiden +hebben van de liefde iets willen weten; zij is een der maagden van die +tempel, hij jager. Er zit hier een weinig verering der overkultuur in +van het naïef-ongekunstelde, en een geraffineerd plezier om de onschuld +in de mysteries der liefde in te wijden, maar er is ook een zeker +verlangen in die tijd naar een verjongingskuur der reinheid. Beiden, hij +en zij, schitteren boven alle andere jongelingen en maagden uit, hun +namen zijn „Bloem” en „Gratie”, „Anthia”, <ins class="corr" id="corr26" title="Niet in Bron.">„</ins>Chariklea”, hij is van +voorname familie, zijn klederdracht en zijn wapenrusting worden +geschilderd bijna als die van een Middeleeuws ridder, als zulk een +ridder blinkt hij uit bij het rijden en de spelen, en ontvangt de +lauwerkrans uit de hand van de schoonste maagd. Zij heeft een krans om +haar gouden haar en draagt een met goud gestikt purperen gewaad. Amor +straft ze nu wegens hun miskenning van zijn macht en steekt bij de +eerste blik hun beider harten in lichte laaie. Mysties-platonies heet +het bij deze gelegenheid hoe de hele natuur van liefde doordrongen was: +de aantrekkingskracht van de magneet is een soort liefde, de rivieren +worden er ook door liefde toe gebracht zich in elkaar uit te storten, en +wanneer de mannelike palm alleen staat, ver weg van een vrouwelike, +droogt die door liefde-verlangen uit! Door het oog vloeit het beeld der +schoonheid in de ziel, zodat ziel met ziel verenigd wordt, zelfs als de +lichamen gescheiden zijn. De jongelieden voelen die verliefdheid eerst +als een soort ziekte; geheel in gepeins verzonken zitten zij bij het +feestmaal aan, blozen, verbleken, gaan zelfs ziek naar bed. Heel naïef +hebben zij er gewoonlik geen idee van wat hun scheelt, totdat een meer +ervaren oudere vriend ze inlicht. Of wel dolen ze in de vrije natuur +rond, klagen tot de maan, snijden de naam van de geliefde in de +boomschors en trachten de toekomst uit de bloemen te lezen. Zij leven +van elkaars blikken of handdrukken; hij drinkt van de zelfde kant van de +beker waar zij haar lippen gezet heeft, of kust de fluit waarop zij +geblazen heeft. Er loopt ook veel<span class="pagenum" title="174"></span><a id="p_174"></a> eroties geflikflooi onder door. Hij +mag een krekel aanpakken die op haar borst gevallen is, en als hij haar +eens op een dag een toverformule hoort murmelen over de arm van haar +dienstmaagd die door een bij gestoken is, dan beweert hij in zijn lippen +gestoken te zijn, opdat zij dan met haar lippen dicht bij de zijne komen +zal.</p> + +<p>Het jonge meisje is wel eerst wat bleu, maar heeft toch niet al te veel +aanmoediging nodig, zij is het ook dikwels die er wat op weet te vinden, +hetzij dat zij haar cameriere er toe weet te krijgen haar te helpen of +dat zij degeen die haar bewaakt een slaapmiddel toedient. Met +Grieks-zinnelike verfijndheid wordt het genot geschilderd dat de kus +geeft,—lang daarna kan de jongeling de kus nog op zijn lippen voelen. +Maar dat genot is meer dan eens met filosofiese sentimentaliteit +gepaard. De kus is het eerste zoete dat de geliefde te genieten krijgt, +want het wordt door het schoonste deel van het lichaam +voortgebracht,—de mond is immers het orgaan van de stem, en de stem is +de afschaduwing van de ziel; door de aanraking der lippen vliet het +genot in de ziel, zo goed als de ziel tot het zoete genot van de kus op +wordt getrokken. „Nooit heb ik zulk een zielegenot gesmaakt, en toen pas +wist ik dat er geen genot was dat met de liefdekus vergeleken kan +worden.” En de jongelieden generen zich ook niet alle andere +liefdevruchten te plukken.</p> + +<p>Of wel vluchten zij met elkaar en trouwen. Of wel voelen de ouders dat +„het beter is, teneinde de onterende naam van de zinnelike begeerte te +ontgaan, daarboven de wettelike banden van een eerbare vereniging te +verkiezen en de ziekte der hartstocht in een huwelik om te zetten.” Maar +dan komen, na de idylle, de avonturen, de verwikkelingen en de +beproevingen. Nu trekken zij op weg,—hetzij ze op de vlucht gaan, of +dat een van beiden zijn ouders wil gaan bezoeken, of dat hij of zij bij +vreemden opgevoed is, of zelfs, als dat alles niet kan, is er een +orakelspreuk volgens welke zij na de bruiloft een reis moeten +ondernemen. En op die reis raken ze dan van elkaar af, hetzij door +schipbreuk of door een overval van zeerovers. Ook kan het motief zijn +dat de jonge vrouw door boze tongen belasterd is en de man haar als +ontrouw weg zendt; dan dwaalt zij de wereld om, maar hij komt daarna +haar onschuld te weten en gaat ook ronddolen om haar te zoeken. En +altijd dwalen ze alle beiden, elk op zijn eigen houtje, in de wereld +rond, krijgen beiden de wisselvalligheden van het lot te verduren en +zoeken elkaar overal. En op dit weefsel wordt nu verder doorgeborduurd.</p> + +<p><span class="pagenum" title="175"></span><a id="p_175"></a></p> + +<p>Reisverhalen en berichten over vreemde landen en zeeën waren altijd bij +het Griekse volk van zeevaarders en handelaren geliefd en in trek +geweest. Bij Homerus zowel als bij Herodotus en de Latijnse bewerkingen +van Virgilius, vindt men een bezinksel van al de verhalen van matrozen +en handelsreizigers, waar het de Grieken nooit verveelde naar te +luisteren. Maar nu is de Hellenistiese tijd van de wereld zo veel groter +en zo veel bonter geworden dan ooit tevoren, en ook het verlangen om de +wereld te leren kennen, zoveel sterker en zoveel gemakkeliker te +voldoen. En uit Indië kwam er weer aanvoer van nieuwe zeemansverhalen +over tochten naar Ceylon en andere merkwaardige landen,—dezelfde +verhalen waaruit de Arabieren later de geschiedenis van Sindbad samen +zouden stellen; uit Aegypte en Perzië, uit Scythië en het „uiterste +Thule” kwam al meer en meer kennis en stof. Natuurkundigen en geografen +kompileerden grote verzamelingen van „Paradoxa”, allerlei merkwaardige +gebeurtenissen, verhalen van dieren, planten, stenen, natuurfenomenen +uit alle landen der wereld en de filosofen droomden temidden van hun +Griekse overkultuur van een paradijs onder de gelukkige natuurvolkeren, +en voor hun ogen stond het land der Hyperboraeën in 't Noorden, Atlantis +in het Westen, of Indië ver in het Oosten als het ideaal van wijsheid en +geluk. En van dit alles vindt men ook veel in de Griekse romans terug. +Op hun reizen zien de geliefden vreemde klederdrachten en gewoonten, +merkwaardige dieren en mensen; de lezer krijgt een beschrijving van de +overstroming van de Nijl en van Aegyptiese toverformules, van +kunstwerken te Delfi, Perziese hoven, Skytiese tempelfeesten, en veel +van de magie en de toverij, waar de tijden zo vol van waren, vindt men +in de romans weer. In de scholen der Sofisten en de rhetoren had zich +een bloeiende beschrijvingskunst ontwikkeld die zich aan allerlei +zeldzame en moeilike onderwerpen oefende, en het zijn de „opstellen” der +leerlingen van die rhetorenscholen, die wij als delen van die romans +aantreffen.</p> + +<p>In die scholen was ook die fantasie en smaak geboren, welke de romanheld +zich in allerlei extraordinaire avonturen en zielstoestanden doet +storten. Bijvoorbeeld een rhetories beschreven zeestorm, een schipbreuk +of een merkwaardige redding, dramatiese overvallen van piraten met +daarop volgende gevangenschap en slavernij; plotselinge ontmoetingen, +een even plotseling van elkaar afraken, verkledingen en vergissingen en +herkenningsscènes. Zoals reeds in de nieuwere Attiese blijspelen wordt +de knoop<span class="pagenum" title="176"></span><a id="p_176"></a> door allerlei romantiese motieven gelegd: kinderen die +uitbesteed zijn geweest of geroofd waren geworden en ten slotte aan een +moedervlek herkend worden of aan de doek waarin ze gewikkeld waren; +mensen die erg op elkaar lijken en verwisseld worden, slavinnen die vrij +geborenen blijken te zijn; mensen die als dood beweend worden en dan op +eens nog tot de levenden blijken te behoren. En als een weifelen tussen +dergelijke motieven wordt de handeling opgebouwd; het ene brengt die +vooruit, het andere houdt die tegen. De twee geliefden lopen elkaar als +gekken elk in een ander werelddeel te zoeken en schrijven elkaars naam +op alle Hermeszuilen aan de weg voor het geval dat de ander daar ook +voorbij mocht komen; of zij zijn vlak bij elkaar zonder er iets van te +vermoeden, b.v. in hetzelfde huis door éen enkele muur gescheiden, +spreken met elkaar zonder dat ze weten wie ze voor zich hebben, of wel +de jongeling vindt een vrouwenlijk en meent dat het zijn geliefde is, +hij begraaft het en is diep wanhopend, ofschoon zij het helemaal niet +is; allerlei boze mensen trachten ze in het ongeluk te storten. Maar +tegenover dit alles hebben de geliefden hun trouw te stellen, hun geduld +en hun volharden. Maar zij <i>maken</i> hun eigen lot niet als helden die de +kracht om te handelen bezitten, zij <i>ondergaan</i> hun lot. Beiden zuchten +en wenen, klagen en verlangen in huilerige sentimentaliteit. De held +zowel als de heldin vinden hun troost daarin dat ze overal waar zij +komen gevoelvolle harten in hun lijden inwijden en in hun gevangenschap +ontmoeten ze lotgenoten met wie zij hun tranen mengen, terwijl elk met +zijn geschiedenis voor de dag komt en de anderen met de verhalen van +zijn eigen ongeluk tracht te overbluffen. Met verfijnd materialisme +krijgt men te horen „welk een smachtende schoonheid tranen aan een maagd +schenken: het wit en het zwart in het oog vloeit te samen, terwijl het +oog als een bron zwelt; het wit glinstert als een narcis, het zwarte +gloeit als een viooltje, en de tranen die in het oog samengedrongen +worden schijnen te glimlachen.” Is de maagd schoon en wordt zij door hem +die haar ziet wenen, bemind, dan „kunnen zijn ogen niet laten de hare te +volgen, want de schoonheid die in de ogen der geliefde troont, vloeit +daaruit in die van de toeschouwer over en trekt de tranenvloed tot zich; +de schoonheid glijdt in de ziel van de toeschouwer over, maar de tranen +behoudt hij in zijn oog, die wil hij niet afwissen, zijn geliefde moet +die kunnen zien.” Zelfs in de bruidsnacht liggen de twee gelieven samen +te wenen in een soort melankolieke sentimentaliteit. <span class="pagenum" title="177"></span><a id="p_177"></a>Hij drinkt haar +tranen, die hem zoet zijn en hem genezen, en zij legt zijn haar op haar +eigen ogen opdat ook zijn haar de „liefdedrank” moge drinken; dan kust +zij zijn ogen: „Gij hebt mij veel kwaad gedaan toen gij eerst mijn hart +gewond hebt, maar gij hebt mij ook veel goed gedaan, toen gij mijn beeld +de weg naar zijn hart weest. Daarom kus ik u; maar nu moet gij hem ook +nooit een schonere vrouw laten zien die hem van mij af zou doen keren.”</p> + +<p>Tot de moeilikheden der twee gelieven hoort ook dat zij overal belaagd +worden wegens hun schoonheid en hun beminnelikheid; zij, door tyrannen +of rovers of door een lompe herder in wiens hut zij toevlucht gezocht +heeft; hij, door vorstinnen in wier handen hij gevangen is geraakt. Maar +hun trouw en hun kuisheid zijn in de regel tegen alle verzoeking +bestand. Er is iets kristeliks in het gewicht dat in die romans op de +kuisheid gelegd wordt. Tegenover al de pogingen der vorstinnen om hem te +verleiden, staat hij als een Josef, en zij bewaart haar deugd als een +ware heilige, in het bordeel zowel als tegenover alle dreigementen van +een tyran: „Laat de martelwerktuigen maar brengen, laat het rad maar +komen, hier zijn mijn handen; neem de zweep maar in de hand, hier is +mijn rug. Een nieuwe kamp zal voor uwe ogen beginnen: niettegenstaande +alle folteringen zal een vrouw alléén in haar strijd zegevieren.”</p> + +<p>En altijd overwint ten slotte de deugd en de liefde van het jonge paar. +De onschuld en de tranen der schone roeren de tyran en de woeste rover, +„die geen echte barbaar van zeden en manieren was, maar die de stempel +van een zekere beschaving droeg”; hij is „de edele rover” die slechts +tot zulk een leven gedreven is door het onrecht dat zijn familie hem +aangedaan heeft, en „ook de handen van barbaren voelen weerzin, naar het +schijnt, om zich aan schoonheid te vergrijpen en door de aanblik van de +gratie wordt zelfs het boze oog weer vriendelik.” De gevangen schone +wordt galant door de zegevierende vorst behandeld, dikwels zucht hij van +liefde voor haar, maar geeft grootmoedig alle rechten op haar op wanneer +haar harte-vriend weer opduikt; een andere even grootmoedige koning die +haar geliefde gevangen heeft genomen, hoort diens klachten, doet zich +zijn treurige liefdesavonturen vertellen en laat hem vrij, ja, wat meer +zegt, geeft hem reisgeld mede om zijn beminde te kunnen gaan zoeken.</p> + +<p>De geliefden zijn bovendien niet afkerig van zich door allerlei streken +uit hun moeilikheden te helpen. Wat de romans verheerliken <span class="pagenum" title="178"></span><a id="p_178"></a>is niet de +moed van de krijgsman, maar list. Een van de bronnen waar de Griekse +roman veel aan ontleend heeft is die literatuur van novellen over list +en bedrog die van de oudste tijden zo populair bij de handeldrijvende +Grieken geweest was. De schelmstukken van Odysseus werden het eerst +opgeschreven; in de bewerking door Herodotus van de Aegyptiese +dievenverhalen heeft men een specimen van de bijdrage die het Oosten +hiervoor leverde en in de zogenaamde „Milesiese” vertellingen over +liefde en list van Aristides van Milete, stamt veel uit Griekenland en +het Oosten. Vooral toont het jonge meisje in die Griekse romans zich +zeer vindingrijk en zonder scrupules; in 't algemeen laat zij het hoofd +minder hangen dan de zeer weinig mannelike held. Of wel smeert zij haar +gezicht vol met roet, en gaat in lompen gekleed en met een bedelrok op +stap om haar geliefde te zoeken; of wel drinkt zij een slaapdrank, +waardoor ze een tijd lang voor dood ligt, zodat zij niet meer met de +gehate bruidegom hoeft te trouwen; soms legt zij een dubbelzinnige eed +af; zo nodig koketteert zij hevig met de tyran en belooft zelfs hem na +een zeker tijdsverloop te zullen nemen, om dan in die tussentijd de kans +schoon te zien en te verdwijnen.</p> + +<p>Maar alles eindigt ook goed, dat hoort nu eenmaal bij het genre van die +romans evenals bij de komedie. Het zelfde spel van de grillen van het +noodlot, de zelfde „Tyche”, die alle berekening trotseert en alle +plannen in duigen doet vallen, die nu eens de geliefden door een +onzinnige orakelspreuk naar Oost en West uit elkaar drijft, ze dàn weer +verblindt, zodat ze hun geluk niet vlak voor zich zien liggen, maar zich +met opzet in 't ongeluk storten,—diezelfde geluksgodin zal toch altijd +tenslotte ouders en kinderen elkaar terug doen vinden, de vrije geboorte +van de slavin voor den dag, en de onschuld van de ten onrechte verdachte +echtgenote aan het licht doen komen, en de twee geliefden ten slotte, +bevend van aandoening in elkaars armen laten vallen. En de zelfde +overdaad van tranen die zij in hun ellende hebben geplengd, is nu hun +liefdesgeluk gewijd. Alles wat zij doorstaan hebben was slechts een +loutering, die ze hun geluk meer waard zal maken,—of een raffinement +dat de liefde èn bij hen zelf èn bij de lezers wat moet aanwakkeren!</p> + +<p>En dit alles is toebereid met een kunst van onderhouden die voor lange +tijden de techniek van onze romans bepaald heeft. Gewoonlik komt de +lezer eerst in een merkwaardige, vreemde situatie, waardoor zijn +nieuwsgierigheid en belangstelling opgewekt worden,<span class="pagenum" title="179"></span><a id="p_179"></a> zonder dat hij +eigelik weet hoe en waarom. Twee reizigers treffen elkaar bijv. in een +herberg en de een vertelt de ander een geschiedenis die hem onlangs +overkomen is. De ander, wie men toch zou denken dat dit alles niets +aanging, luistert in stijgende spanning, vraagt, raakt in de war en +verwijdert zich om zijn aandoening te verbergen. Wanneer hij terugkomt +om het slot van 't verhaal te horen of b.v. te vragen waar de personen +in kwestie heen getrokken zijn, deelt de waard hem tot zijn diepe +vertwijfeling mede dat de ander juist per schip vertrokken is. Langzaam, +en stukje voor stukje begint de lezer iets van de vóórgeschiedenis te +snappen, later krijgt hij nog een paar draden te pakken; de handeling +kan hij tot een zeker ogenblik volgen, dan, juist als de situatie zeer +spannend is, laat de schrijver die los en plagerig volgt hij nu weer een +ander persoon op diens weg; voortdurend worden er nieuwe episoden +ingewerkt; net als in die Chinese doosjes wordt in elke historie altijd +weer een andere gevoegd, iedere nieuwe persoon die optreedt vertelt ook +weer zijn geschiedenis, die de lezer zich dikwels ietwat geïrriteerd af +doet vragen wat dit daar nu weer mee te maken heeft, maar die toch +tenslotte van afdoende betekenis voor de hoofdhandeling kan blijken te +zijn... en zo is de lezer in één voortdurende spanning en wordt hij +voortgezweept, in de war gebracht, geërgerd, verder gebracht... +teruggehouden... maar de roman laat hij niet los voordat hij aan 't +einde gekomen is!</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Een vervolg op die Griekse roman vormen, naar het schijnt, in de +Byzantijnse tijd, andere romans die wij niet kennen, maar waaraan via +het Latijn, Franse en Duitse romans hun oorsprong danken. Maar deze +romanliteratuur is, zoals wij reeds zagen, slechts één enkele tak van de +rijke, mondelinge en schriftelike vertelkunst die zich in de +Grieks-Oosterse wereld ontwikkelde. En door de collecties van Latijnse +verhalen die wij al meer dan eens genoemd hebben, zowel als nog meer +langs mondelinge en schriftelike wegen die wij nu niet meer kunnen +nagaan, kwamen er talrijke Oosters-Griekse verhalen tot de Middeleeuwen +van het genre dat wij nu uit de grote schatkamers van Oosterse +vertellingen kennen, waarvan de „Duizend-en-één-Nacht” een van de +grootste en laatste is, maar die ook in 't Persies tot hele +gedetaljeerde liefderomans uit werden gewerkt.</p> + +<p>Die vertellingen zijn al even onkrijgshaftig als de Griekse romans, en +ofschoon anders in elkaar gezet, zijn het dezelfde<span class="pagenum" title="180"></span><a id="p_180"></a> onderwerpen die +daarin met voorliefde behandeld worden. Het zijn verhalen van +sentimentele liefde, zielegrootheid, onschuldig lijden, list en vernuft, +vreemde spelingen van het noodlot en de merkwaardigste gevallen van +toverij.</p> + +<p>Dat element van toverij ontbrak niet in de latere klassieke periode—de +toverdrank van Medea en Circe en de toverroman van Apuleius en zijn +„gouden Ezel” staan verre van alleen—maar vooral door de Oosterse +vertellingen maakten de Middeleeuwen kennis met alle soorten van +tovermotieven waar ze rijkelik gebruik van konden maken. Daar had men +allerlei geesten en toverdieren; bronnen waar men niet uit mocht drinken +of er stak een hevige storm op, of een enorme geest kwam de stoutmoedige +tot een tweestrijd uitdagen; mensen die door toverij tot stenen en +dieren gemaakt worden; toverslotten, waarin niemand wegens spoken en +heksen durfde overnachten; feeën die hun menselike geliefden naar hun +rijk ontvoerden. En er waren spiegels en bronnen waarmede men de +kuisheid van een vrouw op de proef kon stellen en toverkussens die men +in 't bed legde en die dan de man als van steen maakten in de armen van +de vrouw.</p> + +<p>Voor de Middeleeuwen waren alle „Wijzen van het Oosten” Tovenaars en +Magiërs evenzo zeer als de Philosofen van de klassieken: Hippocrates en +Virgilius, zo wel als koning Salomo en al de wijzen der Oosterse +novellen. Die maakten vernuftige mekanismen, ze konden zien wat er op +andere plaatsen geschiedde, konden de gedachten van anderen lezen en te +weten komen wat anderen in 't schild voerden, misdaden opsporen, en zeer +talrijk waren de bewijzen van scherpzinnigheid waar de Midrasch en de +Talmud der Joden of de Arabiese sprookjesverzamelingen van verhaalden.</p> + +<p>Maar slimmer dan zelfs de wijste man was toch dikwels de vrouw, waar het +er op aan kwam om de mannen te bedriegen. Een wijze als Hippocrates werd +door zijn vrouw vergiftigd; Virgilius de Tovenaar zou een listige vrouw +in 't geheim ontmoeten en toen hij zich in een mand naar haar vertrek +zou laten hijsen, liet zij hem midden in de lucht hangen tot spot voor +iedereen. Van de vrouw van Salomo vertellen Joodse sagen en Byzantijnse +romans, hoe de sluwe vrouw en de verstandige bultenaar Morolf, Salomo's +broeder en helper elkaar steeds weer in list trachten te overtreffen. +Van de gemalin van Caesar zowel als van die van Constantijn wordt +verteld hoe zij hem met haar twaalf camerieres bedroog die verklede +mannen waren, totdat een der wijzen haar schaamteloosheid <span class="pagenum" title="181"></span><a id="p_181"></a>aan 't licht +bracht. Een vrouw neemt een slaapdrank in en geeft zich zo voor dood +uit, ze wordt begraven en door haar geliefde weggevoerd. Een ander laat +een geheime gang graven tussen het huis van haar man en dat van diens +vriend, die tegelijk haar geliefde is. De vriend presenteert haar nu in +zijn eigen huis als zijn eigen vrouw; de bedrogene kan zijn eigen ogen +niet geloven, maar de vriend verklaart dat er alleen maar een +merkwaardige gelijkenis in 't spel is; als hij naar huis wil gaan zal +hij zijn eigen vrouw thuis vinden,—wat dan ook uit komt. Een derde +heeft het ongeluk dat een geleerde ekster de echtgenoot vertelt, wat zij +in zijn afwezigheid heeft uitgevoerd, maar de vrouw weet op alles raad +en slaagt er gemakkelik in door een zeker experiment hem te overtuigen +dat die eksters maar leugenbeesten zijn, zodat hij ze nu ook niet kan +vertrouwen.</p> + +<p>Meestal kan men die Oosterse verhalen van vrouwenlist waar ze in de +Europeese novellen, b.v. de Franse <span xml:lang="fr">fabliaux</span> overgegaan zijn, daaraan +herkennen dat ze zo paradoxaal lijken, zo kunstig, en in de aangewende +middeltjes zo tegen alle gezond verstand in schijnen te druisen, +vergeleken met de nuchterder, natuurliker Europese geschiedenissen. Het +zelfde gemis aan respekt, beter: het zelfde genot in het +paradoxaal-onwaarschijnlike kenmerkt ook die talrijke Oosterse +geschiedenissen over het merkwaardige spel van het toeval of, als men +wil, over de wonderbare wegen en de almacht van het Noodlot. Van de +Duizend-en-één-Nacht kent een ieder genoeg dergelijke verhalen over de +vreemdste combinaties van het toeval. Alle toevalligheden hebben b.v. zo +zeer samengezworen naar 't schijnt om een volkomen reine vrouw in de +schijn van schuld te brengen, dat ook alleen maar een even merkwaardig +toeval haar onschuld aan den dag kan brengen. Of—en dit is een historie +die in veel versies in de Middeleeuwen bekend was—men heeft de keizer +voorspeld dat een arm kind dat juist geboren wordt, zijn schoonzoon en +erfgenaam zal worden en wat de keizer ook keer op keer probeert om de +voorspelling te doen falen, alles werkt daarentegen juist samen om die +wel te doen uitkomen.</p> + +<p>Maar de Oosterse fantasie zoekt ook buiten de grenzen van het +natuurlike, op het gebied van het zieleleven haar weg naar overspanning +en paradoks. Vrienden die elkaar in zelfopoffering, vijanden die elkaar +in grootmoedigheid trachten te overtreffen, liefde die alle beproevingen +doorstaat, de zwartste ondank, de blankste edelmoedigheid. Een jongeling +woont bij een getrouwde<span class="pagenum" title="182"></span><a id="p_182"></a> vriend, diens vrouw begint te sukkelen en +vertelt eindelik aan haar man dat zij van liefde voor de jonge +huisgenoot vergaat. De man neemt nu zijn jonge vriend in 't vertrouwen, +en die... weet zich een melaatse ziekte op de hals te halen om zodoende +bij de vrouw zijns vriends de liefde te doen overgaan die de schone +verhouding tussen hen drieën in de war had gebracht. Romanties is die +liefde vooral en sentimenteel—veel meer zelfs dan in de Griekse romans. +Als in deze laatste zijn de geliefden in de regel zeer jong. Hij wordt +op iemand verliefd die hij nooit gezien heeft, op haar portret, op haar +beeld dat hij in zijn dromen gezien heeft, of hoogstens heeft hij een +glimp van haar achter het tralievenster gehad. Hij legt zich op zijn bed +en wordt zieker en zieker en bij zijn onmannelik gedrag moet nu een +vriend of de ene of andere koppelaarster voor hem handelen. Het feit dat +in 't Oosten de vrouw altijd bewaakt wordt en van allen afgesloten +leeft, geeft een hoogst romanties tintje aan de verhouding tussen de +geslachten en brengt noodzakelik gevaarlike avonturen, zowel als het +gebruik van tussenpersonen met zich meê, en wanneer b.v. de held als een +slavin verkleed de harem binnen is gesmokkeld, of in een mand met +bloemen naar boven is gehesen, dan wordt die gelegenheid ook terstond +aangegrepen, daar was die zeldzaam genoeg voor en duur genoeg gekocht, +om terstond op alle liefdegenot aanspraak te maken.—Maar meestal doolt +hij lang in de grootste ellende rond; de ongelukkige jonge man wordt +waanzinnig van verdriet; hij of zij worden als in de Griekse romans als +slaven verkocht of door rovers weggevoerd en pas na jarenlange +tegenspoeden, en na er veel tranen en zuchten bij te hebben gelaten, +komen zij tot hun welverdiende geluk.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Hier en daar vindt men nu motieven uit die Griekse en Oosterse +vertellingsliteratuur in de gehele Ridderromantiek,—in wat vooraf gaat +hebben wij ze al gevonden en wij zullen er in wat volgt geregeld weer +aantreffen. Maar als direkte afstammelingen daarvan doet zich heel +duidelik een reeks romans en vertellingen kennen,—door de +kinderachtig-zoetsappige liefde die daarin optreedt, of door een +spesiale soort van avonturen en spel van het noodlot, of wel door de +buitengewoon extravagante geschiedenissen van toverij en vrouwenlist.</p> + +<p>Een van de hoofdmotieven in de Griekse romans was, zoals wij zagen, dat +twee gelieven, of man en vrouw door een toeval, op reis van elkaar +gescheiden raken, of door rovers overvallen worden,<span class="pagenum" title="183"></span><a id="p_183"></a> en terwijl zij +elkaar trouw de gehele wereld over blijven zoeken, hebben zij al de +wisselvalligheden der fortuin en al de wereldse ellende te verduren. In +de Franse romans (van de 12<sup>de</sup> of begin 13<sup>de</sup> eeuw) zo als Floris en +<span xml:lang="fr">Blanchefleur, Aucassin</span> en <span xml:lang="fr">Nicolette, Escoufle, Guillaume</span> van Palermo, +worden histories van dat genre als in de ridderliteratuur behandeld.</p> + +<p>De ridderromans beginnen met de opvoeding van de held of heldin van +kindsbeen af aan een vorstelik hof te schilderen. Of wel is het de zoon +van een edelman, <span xml:lang="fr">Guillaume</span>, die aan het hof van de keizer van Italië +opgroeit met 's keizers dochter <span xml:lang="fr">Alis</span>, of de dochter van een +kristen-ridder, <span xml:lang="fr">Blanchefleur</span>, is gevangen bij het hof van een +Spaans-Moors koning en groeit daar op met prins Floris. Zoet wordt de +schoonheid en de liefelikheid der kinderen geschilderd,—evenals in de +sentimentele legenden van het Kindeke Jezus uit die tijd, of op de +groepen van de „Madonna met het kind” waar de Franse kunst de +kerkportalen mee begon te versieren. De jongen, drie jaar oud, lijkt met +zijn blonde haar een engel, allen zijn dol op hem en hij zit voortdurend +op de rug van de schildknapen en ridders. Wanneer zijn moeder hem naar +'t hof zal zenden, neemt zij hem de laatste nacht nog bij zich in bed en +als de jongen weg rijdt, legt zij een zacht kussen op zijn zadel. Aan +het hof komt de jonge keizersdochter hem met haar speelkameraadjes te +gemoet, hij groet zoals hij dat van zijn moeder geleerd heeft en de +eerste ontmoeting der kinderen is vol gratieuse verlegenheid. Aldoor +zijn <span xml:lang="fr">Guillaume</span> en <span xml:lang="fr">Alis</span> of Floris en <span xml:lang="fr">Blanchefleur</span> samen; hij is vol +attenties en beleefd, heeft nooit lelike woorden of vloeken in zijn +mond, en zij zingt en naait en heeft er plezier in steeds maar gordels +en beurzen weg te geven die zij geborduurd heeft. Samen spelen zij in +een tuin, terwijl „de vogeltjes van de liefde zingen”. Als de een lezen +moet leren, moet de ander meê doen en dan leren ze dat uit de „heidense +liefdeboeken” en schrijven met zilveren en gouden stiften over +vogelengezang en bloemen en liefde op ivoren tafelen (ook in de +„Duizend-en-één-Nacht” schrijven een jongen en een meisje elkaar verzen +vol liefdebetuigingen, zodra de onderwijzer hun de rug toekeert). Zij +noemt hem „vriend” of „broeder”, maar men kon aan de kleur op haar +gezicht en de ogen zien welke naam haar 't zoetst klonk; wanneer zij +„vriend” zegt, zucht zij en worden haar ogen eens zo klein van schattige +schuchterheid.</p> + +<p>En zo groeien zij op. Hij doet dienst als page, munt uit bij de +ridderspelen, in 't schaken en bij 't bakspel, in hoofsheid en<span class="pagenum" title="184"></span><a id="p_184"></a> +mildheid. Zij wordt maagd,—de kleine vaste ronde borstappeltjes zijn +als „Waalse noten”, haar tengere middeltje kan men met de twee handen +omspannen; haar lichaam is zo blank dat wanneer zij met blote benen op +de weide door de morgendauw loopt, de madeliefjes, met haar vergeleken, +grijs schijnen. Hun gevoelens worden ook inniger. Wanneer hij eens een +ogenblikje van haar af is, worden haar ogen helemaal „rond” en kijkt +haar hart door 't raam van het oog om hem na te staren; en als zij eens +op een dag in de tuin wandelend, de jonge man ziet liggen slapen, kan +zij niet nalaten hem te kussen, maar nu heeft hij juist van haar liggen +dromen en droomt op het zelfde ogenblik dat zij hem een roos geeft en nu +wordt hij wakker en begroet haar beleefd. En het duurt niet lang of zij +kussen en liefkozen elkaar en menige nacht brengt <span xml:lang="fr">Alis</span> slapeloos door +als zij bedenkt hoe dikwels haar vriend haar borstjes en haar lijf onder +haar kleren heeft gestreeld en haar „schone lenden” heeft geliefkoosd.</p> + +<p>Het verschil in stand heeft weinig voor de gelieven te zeggen, en in elk +geval brengt de liefde ze daar licht over heen, of zij nu 's keizers +dochter is of hij vorstenzoon en zij van mindere stand. Maar de lelike +ouders kunnen die <span xml:lang="fr">mésaillance</span> niet toelaten. Daarom vluchten b.v. +<span xml:lang="fr">Guillaume</span> en <span xml:lang="fr">Alis</span> (in „<span xml:lang="fr">Escoufle</span>”) eens op een nacht, aan haar +beddelakens laat zij zich uit het raam van haar kamer neerglijden en op +muilezels rijden zij de weg op. En de muilezels bleven aldoor vlak tegen +elkaar aanlopen; de twee gelieven hadden pret en liefkoosden elkaar, dan +eens nam hij haar hand, dan aaide hij haar over de wangen; „wat heb ik +die maan toch lief,” zegt hij, „die beschijnt uw schone aangezicht.”—En +de dichter barst uit: „Wel hebben die twee, vader en moeder, goud en +goed op 't spel gezet om de roepstem huns harten gehoor te geven!” +Vergeefs worden de vluchtelingen nagezeten, vrolik en wel rijden ze de +wereld rond, in de herbergen krijgen ze volop eten en drinken op reis +mee, buiten in de heerlike vrije natuur spreiden zij hun tafellaken... +Maar, ééns op een dag, wanneer zij zich bij een bron waarbij ze gegeten +hebben, te slapen heeft gelegd, en hij bezig is haar aangezicht tegen de +zon te beschutten, dan schiet plotseling een wouw uit de lucht op zijn +beurs af waarin een ring is die zijn geliefde hem juist geschonken +heeft,—een trek die ook in de „Duizend-en-één-Nacht” te vinden +is—<span xml:lang="fr">Guillaume</span> springt dadelik te paard hem achterna, <span xml:lang="fr">Alis</span> wordt wakker +en is nu eenzaam door haar trouweloze schaker achtergelaten,—wanhopend +gaat zij nu ook op weg,—natuurlik<span class="pagenum" title="185"></span><a id="p_185"></a> juist de verkeerde kant op. En zo +krijgen wij weer de gewone situatie: twee gelieven die op goed geluk +elkaar in de wijde wereld gaan zoeken.</p> + +<p>Wanneer de koning der Moren in „Floris en <span xml:lang="fr">Blanchefleur</span>” merkt dat het +tussen zijn zoon en het jonge kristen-meisje wat al te warm wordt, zendt +hij de prins weg in een verre stad naar school, het meisje wordt aan +vreemde kooplieden verkocht en de koning en koningin laten een prachtig +grafmonument oprichten, dat Floris wanneer hij thuis komt, als het graf +van die arme overleden <span xml:lang="fr">Blanchefleur</span> wordt getoond. Dit motief komt ook +in de „Duizend-en-één-Nacht” voor. Zijn ouders die denken dat het gevaar +nu geweken is, laten het graf versieren met schone herinneringen aan de +jeugdige liefde van die twee kinderen: twee beelden die hem en haar +voorstellen en die door de wind bewogen, elkaar goudbloemen geven, +terwijl zij de woorden spreken: „Kus mij, mijne schone!” Maar Floris +laat zich niet troosten,—„de liefde heeft een kruid in zijn hart +geplant, dat steeds in bloei stond en dat zo zoet rook, dat hij daar +alles door vergat”, hij beklaagt zich overal en gelijk de held in de +Griekse romans, besluit hij zich van kant te maken en wel met een +zilveren schrijfstift, die zijn geliefde hem geschonken heeft; dan zal +hij zo naar het „<span xml:lang="fr">camp flori</span>” komen en met zijn vriendin bloemen +plukken,—dat zijn waarschijnlijk de affodil-bedden in de klassieke +onderwereld. Nu moeten zijn ouders de waarheid wel bekennen en zij laten +'t hem aan niets ontbreken als hij nu de wereld in trekt om zijn +<span xml:lang="fr">Blanchefleur</span> te zoeken. Als een koopman verkleed, gaat hij op +weg,—gelijk de prins in „Duizend-en-één-Nacht” die zijn geschaakte +geliefde achterna trekt. (Latere versies vinden blijkbaar die verkleding +als koopman niet deftig genoeg en laten de prins op reis gaan als een +vorstenzoon met een gevolg van ridders).</p> + +<p><span xml:lang="fr">Blanchefleur</span> is verkocht geworden aan de „admiraal” van Babylon die haar +in zijn „vrouwentoren” opsluit,—blijkbaar een soort Oosterse +harem—waar er 140 kamers zijn met jonge meisjes die bediend en bewaakt +worden door eunuchen. Elk op de beurt moest naar de „lever” van de +admiraal en als het bewijs van hun kuisheid geleverd is, worden ze voor +één jaar de favorite,—hierop worden ze onthoofd, want de despoot wil +niet dat iemand anders een vrouw zal bezitten die eens de zijne geweest +is. Dit is alles volkomen Oosters. Na lang vergeefs zoeken zit Floris in +een herberg en terwijl allen om hem heen vrolik<span class="pagenum" title="186"></span><a id="p_186"></a> praten en eten, denkt +hij alleen maar aan zijn „Wittebloem” en zucht en weet niet wat hij eet. +De waardin merkt dit en stoot haar man in de zij,—„bij God, dat is geen +koopman, dat is een jonge edelman.” Dan begint zij een vriendelik +gesprek met hem en vertelt hem in de loop daarvan dat er voor enige tijd +hier een meisje was komen logeren die erg op hem leek en die +<span xml:lang="fr">Blanchefleur</span> heette en aldoor zat te zuchten over een zekere Floris. De +jonge „koopman” raakt helemaal in de war hierdoor, gooit de wijnkan op +de tafel om, maar geeft de waardin een gouden beker tot beloning voor +haar mededeling en trakteert het gehele gezelschap op wijn. Dan haast +hij zich weg in de richting waar de waardin van vertelde, komt weer bij +een vriendelike waard en waardin,—zijn eigenaardige jeugdige schoonheid +wekt aller medelijden en welwillendheid,—en ten slotte komt hij +werkelik te Babylon, waar zij in de „vrouwentoren” van de admiraal zit. +Hij maakt kennis met de portier van de toren, speelt schaak met hem, en +geeft hem ook een gouden beker ten geschenke, waarop de man hem in een +bloemenmand naar boven hijst. Vrolik en wel springt hij de mand uit, +maar ongelukkig is hij bij vergissing niet in de kamer van <span xml:lang="fr">Blanchefleur</span> +terecht gekomen maar in die van een harer vriendinnetjes. Van schrik +schreeuwt zij eerst luid, maar weet toch de andere meisjes die ijlings +aan komen zetten weg te krijgen,—'t was maar een kapelletje dat uit de +bloemen op was gevlogen. En dan roept ze <span xml:lang="fr">Blanchefleur</span>,—zij heeft n.l. +dadelik begrepen dat het haar vriend is die gekomen is. Sprakeloos +vallen ze in elkaars armen en de volgende dagen brengen die twee +gelieven in één liefderoes in <span xml:lang="fr">Blanchefleur</span>'s vertrek door. Maar zo komt +het dat zij meer dan eens haar plicht vergeet om op de „lever” van de +admiraal te verschijnen; zij worden samen in bed ontdekt,—allerliefst +is het dat de admiraal eerst meent dat het een meisje is, dat daar bij +<span xml:lang="fr">Blanchefleur</span> ligt, maar als zij de borst van de bedgenoot zien, weten ze +dat het een jongen is. Nu moeten ze beiden verbrand worden,—Floris +heeft een toverring bij zich, die hij <span xml:lang="fr">Blanchefleur</span> aan de vinger wil +steken, zodat zij altans gered kan worden; maar geen van beiden wil +alléén gered worden en dus werpen ze de ring weg en worden naar de +brandstapel geleid. Maar—de admiraal krijgt de hele historie te horen, +hoe zij elkaar in leven en dood trouw zijn gebleven en dan wordt hij, +gelijk zo dikwels met de tyran in de Griekse romans het geval is, zo +zeer door medelijden bevangen dat hij ze beiden vrij laat en—Floris +zelfs tot ridder slaat! Nu trekken<span class="pagenum" title="187"></span><a id="p_187"></a> Floris en <span xml:lang="fr">Blanchefleur</span> vol geluk +naar Spanje, waar Floris de troon bestijgt en ter ere van zijn +kristelike vrouw zelf haar geloof aanneemt.</p> + +<p>Het gehele gedicht is in een zachte, schone sprookjestoon geschreven; de +bloemennamen van de held en heldin schijnen direkt van dergelijke +personennamen in Griekse romans vertaald, misschien is het helemaal +oorspronkelik niets anders dan een bloemensprookje geweest. Het schijnt +in twee verschillende versies naar West-Europa gekomen te zijn, en daar +zijn dan twee groepen van die roman uit ontstaan, waarvan de éne in veel +ruwer lijnen opgetrokken is, niet alleen wat de boosheid van Floris' +vader betreft, maar ook de ongelukken van <span xml:lang="fr">Blanchefleur</span>: in 't algemeen +schijnt deze groep voor de smaak van een groter, meer populair publiek +bestemd.</p> + +<p>Een heel bizondere bewerking heeft de sage ondergaan in de kleine +„<span xml:lang="fr">chante-fable</span>” van „<span xml:lang="fr">Aucassin</span> en <span xml:lang="fr">Nicolette</span>”. In dit liefelike gedicht +zijn de verzen met uitzondering van de meest lyriese passages in proza +overgebracht, iets wat verder in 't Oud-Frans niet voor schijnt te +komen,—hoewel dat natuurlik bij de voordracht der berijmde romans door +de <span xml:lang="fr">trouvères</span> feitelik meer dan eens plaats gegrepen zal hebben,—en door +zoo van de banden van 't vers vrijgemaakt te zijn, is de vertelling tot +een kompleet sprookje geworden, alle waarschijnlikheid over boord +gooiende en op de alleraardigste manier een romantiese droom mengelend +met de nuchtere werkelikheid des levens, een dwepen zo erg, dat de boog +wel eens al te zeer gespannen blijkt en barst—met de meest naïeve +natuurlikheid, de zoetste zwaarmoedigheid met schelmse en ondeugende +vrolikheid. Hier is het 't meisje die tot de Moorse stam behoort, maar +zij is gekerstend geworden en opgevoed te Beaucaire, waar de zoon van de +graaf haar lief krijgt. De graaf laat het meisje in een toren opsluiten +om haar later geheel te doen verdwijnen, en zijn zoon die zich van zijn +passie niet wil laten genezen, werpt hij in de gevangenis; maar +Nicolette weet door middel van haar beddelakens uit haar toren te +ontvluchten, sluipt naar de gevangenis van <span xml:lang="fr">Aucassin</span> toe, waar zij door +een spleet in de muur haar vriend te spreken krijgt, totdat de +torenwachter die hen vol sympathie heeft gadegeslagen, haar waarschuwt +dat de nachtwachter uit de stad op zijn ronde nadert. <span xml:lang="fr">Nicolette</span> moet +over de muur en de gracht naar 't bos vluchten en zendt een groet aan +<span xml:lang="fr">Aucassin</span>, die als hij ook uit de gevangenis ontsnapt is, daar ook heen +snelt, en nu leven ze een<span class="pagenum" title="188"></span><a id="p_188"></a> romantiese natuuridylle in 't bos. Maar dan +gaan ze op reis,—in de beschrijving van de vreemde landen met de +merkwaardige zeden, waar ze door trokken, klinkt als een echo en bijna +als een parodie van de exotiese reisverhalen der Griekse romans—zij +raken in slavernij, worden onder een storm van elkaar gescheiden, en +<span xml:lang="fr">Aucassin</span> komt in zijn eigen rijk terug; maar zijn leven is een en al +zwaarmoedigheid, totdat eens op een dag zijn <span xml:lang="fr">Nicolette</span>, verkleed als een +arme speelman (gelijk de helden in een Griekse roman) naar <span xml:lang="fr">Beaucaire</span> +komt en zich weer bekend maakt...</p> + +<p>Dit kinderlike en populaire volkssprookje zal eigelik wel niet voor de +hogere kringen van de ridderromantiek bestemd zijn geweest; maar de +fijne tederheid, de heidense sensualiteit, de schone mensenliefde, welke +die gehele klasse van de Grieks-getinte romans kenmerken, die wij hier +onderzoeken, laat zich nergens liefeliker kennen dan in „<span xml:lang="fr">Aucassin</span> en +<span xml:lang="fr">Nicolette</span>”—waarbij dan nog een bijna ziekelike innigheid komt, een +overspannen dweperij, die echt Middeleeuws-romanties is.</p> + +<p>Heel wat beter aan Europese toestanden aangepast is het verdere verloop +der handeling in „<span xml:lang="fr">l'Escoufle</span>”, daar wij afscheid van namen toen de wouw +in 't bos <span xml:lang="fr">Guillaume</span> en <span xml:lang="fr">Alis</span> had gescheiden. Bij haar rondzwerven komt de +dochter van de keizer te Montpellier, waar zij met een arme vriendin een +tijd woont en de kost verdient met haar prachtig handwerk. Zij borduurt +b.v. zijden beurzen die de edellieden uit de omtrek aan hun dames ten +geschenke geven; zij geneert zich ook niet het haar van de Heren te gaan +wassen, al heel gauw is zij overal bekend wegens haar vriendelikheid en +haar schoonheid, zo zeer dat het huis van de twee dames een hele salon +wordt, waar de gehele adel uit de buurt de artistieke schone het hof +komen maken, zodat de adelike dames erg jaloers worden. Eindelik komt +zij als een soort dame van gezelschap of een hoger genre van dienstmaagd +in huis bij een grafelike familie. Hier krijgen wij de beschrijving van +een gezellige, naïeve scène,—de heer des huizes is 's avonds van de +jacht thuis gekomen en maakt het zich gezellig bij de haard, waar men +appelen braadt,—om beter te kunnen „<span xml:lang="fr">gratter</span>” heeft hij alleen maar zijn +broek aangehouden en zijn hoofd rust in <span xml:lang="fr">Alis'</span> schoot;—de familie zit om +hem heen en ze praten over koetjes en kalfjes. Een vertelt van die +vreemde rare man die daar nu in de stad in 't hotel woont en die vandaag +op de jacht meegeholpen heeft; er was ergens een wouw gevangen en zodra +de jonge man die gezien had, had hij diens hart uit zijn borst<span class="pagenum" title="189"></span><a id="p_189"></a> gerukt +en dat opgegeten. De graaf wordt nieuwsgierig en laat de man bij zich +roepen, die dan vertelt waarom hij de wouwen zo haat... En terwijl hij +daar zijn historie staat te vertellen, herkent <span xml:lang="fr">Alis</span> hem op eens... de +rest kan men gissen!—Het is de levendigste beschrijving van het +dagelikse ridderlike leven der 12<sup>de</sup> eeuw, die men zich wensen kan, en +toch: niet alleen daarin dat <span xml:lang="fr">Alis</span> zeer sterk aan de odalisken doet +denken, maar ook in de episode van de man die zijn zonderlinge manier +van optreden moet komen verklaren, kan men moeilik iets anders dan een +Oosterse bron van de scène zien.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Is het motief van de scheiding der twee gelieven en van hun hereniging +een der grondformules van de liefderoman gebleven, het andere motief dat +van de Grieks-Oosterse vertellingskunst in de ridderromantiek over is +gegaan, heeft zich niet minder vruchtbaar getoond voor de +wereldliteratuur. Dat is 't motief van de echtgenote die onschuldig van +ontrouw verdacht en weggejaagd wordt; haar onschuld komt echter voor den +dag en het gelukt haar man de verschoppelinge te vinden en haar weer in +ere te herstellen. Het is een roman-formule waar het werkelike leven +dikwels genoeg de stof voor geleverd heeft en die werkelik bizonder +geschikt is om tot het gevoel en de fantasie te spreken: de reine +onschuld die door duivelse boosheid zwart gemaakt wordt; de goedige +echtgenoot, een man van eer, maar die door schijnbaar sterke bewijzen +verblind, er toe komt groot onrecht te doen—de waarheid eerst onder de +voeten getreden, maar die ten slotte triomfeert. Van verschillende +trekken die nu in de „Duizend-en-één-Nacht” te vinden zijn tot de +geschiedenis van Suzanna in het boek van Daniël, van de historie van +Lucretia bij Livius tot de Griekse roman van Chaereas en Kallirhoe, +boden het Oosten en de klassieken genoeg uitgangspunten. In de +middeleeuwse kronieken en heldendichten kan men dergelijke +geschiedenissen lezen over allerlei koninginnen, Angelsaksiese, Franse +en Duitse; in de legenden waren die op heiligen overgebracht. Maar die +vorm van het motief, waarin de middeleeuwse ridderromans het +behandelen—de Franse „roman van de violette moedervlek”, „de Graaf van +Poitiers”, de „roman van Rozenvlek”, de Duitse „roman van de twee +kooplieden”—heeft de eigenaardigheid dat een weddenschap of in elk +geval een dispuut tussen de man en diens vrienden over de trouw zijner +echtgenoot het uitgangspunt vormen; het „bewijs” dat de lasteraar haar +gunst genoten zou hebben<span class="pagenum" title="190"></span><a id="p_190"></a> is dat hij weet aan te geven waar zij een +moedervlek op 't lichaam draagt, of haar slaapkamer kan beschrijven of +een ring van haar kan vertonen. De weddenschap of het dispuut als +uitgangspunt hebben wij ook in de geschiedenis van Lucretia en iets +dergelijks vinden wij in vele Oosterse histories; schijnbare bewijzen +van ontrouw die de echtgenoot in de war brengen, hebben wij ook reeds in +Griekse romans en Oosterse vertellingen. En die ganse half wrede, half +moraliserende sentimentaliteit die in het motief ligt, draagt een +Oosterse stempel.</p> + +<p>De „Graaf van <span xml:lang="fr">Poitiers</span>” is de oudste, nog vrij ruwe versie, de „Roman +van de violette moedervlek”, de fijne ridderliker bewerking. De koning +van Frankrijk houdt een feest voor zijn hof en zijn baronnen. Terwijl +zij zitten te praten en te zingen, beroemt de graaf van <span xml:lang="fr">Nevers</span>,—of van +<span xml:lang="fr">Poitiers</span>—zich op de trouw en de deugd van zijn geliefde <span xml:lang="fr">Oriaut</span> (in de +oudste roman is het zijn vrouw) en zingt haar lof. Een edelman, een +intrigant, graaf Lysiart van Forest, spot met zijn vertrouwen en beweert +dat hij binnen korten tijd het bewijs zal brengen dat hij de liefde der +schone genoten heeft. Zij wedden om hun graafschappen en graaf Lysiart +rijdt naar het slot van <span xml:lang="fr">Oriaut</span> met de groeten van haar geliefde en de +boodschap dat zij verzocht wordt hem goed te ontvangen. Oriaut staat +juist als hij komt in het raam van haar torenkamer naar het gezang der +vogeltjes te luisteren en liederen van <span xml:lang="fr">Poitou</span> te zingen terwijl zij +aldoor aan haar hartevriend denkt. Zij ontvangt hem zeer vriendelik en +geeft hem een kamer op het slot, maar wanneer hij woorden van liefde +loslaat, wijst zij hem eens voor altijd af. (In de oudere roman toont +hij zijn liefde door onder de maaltijd elk stuk te grijpen waar zij al +van gegeten heeft, haar op de voeten te trappen en haar om 't lijf en +aan de borsten te pakken). Maar <span xml:lang="fr">Oriaut</span> heeft een sluwe oude kamenier; de +graaf weet haar om te kopen dat zij hem door een gat laat kijken terwijl +de schone een bad neemt. En nu ziet hij dat zij een violette moedervlek +op haar ene borst heeft. (In de oudere versie weet de cameriere hem haar +ring te verschaffen, wat van haar haar en een stuk van haar kleed). Met +dit „bewijs” voorzien, ijlt de verrader nu naar 't hof, waar hij nu vol +jubel de ridder met al zijn vertrouwen beschaamt en zijn leen van hem +wint.</p> + +<p>Zonder enig verder onderzoek jaagt de ridder zijn geliefde nu natuurlik +weg. En nu krijgen wij weer de gewone situatie voor die romans. Terwijl +zij n.l. in de wereld ronddoolt, gezocht voor haar schoonheid en belaagd +voor haar deugd die zij bewaart,<span class="pagenum" title="191"></span><a id="p_191"></a> merkt hij al heel spoedig hoe hij +bedrogen is. Nu is het zijn beurt om met Othello zijn „<span xml:lang="en">Fool! fool! fool! +fool!</span>” te roepen en hij trekt ook de wereld in om zijn verongelijkte +geliefde te zoeken. Zijn zwerftochten worden in lieve kleine episoden +beschreven. Hij ligt b.v. ziek in het huis van een burger, van verdriet +uitgeteerd en de schone dochter van de gastheer zit bij zijn bed te +naaien, terwijl zij de ballade van <span xml:lang="fr">Oriaut</span> en <span xml:lang="fr">Renaut</span> zingt. Als hij de +naam van zijn beminde hoort, wordt hij dadelik opgefrist wakker, nu wil +hij opstaan om te gaan zoeken en hij begint in bed al een minnezang te +zingen. Nu vraagt het jonge meisje hem of hij zich beter voelt en hij +polst haar of zij wel weet van wie zij zong,—zodat zij begint te +begrijpen dat wat hem scheelt „<span xml:lang="fr">mal d'amour</span>” is. Dan vertelt hij haar +zijn hele geschiedenis en wil dadelik op weg. Maar de familie wil hem +niet loslaten vóór hij goed en wel beter en wat aangesterkt is; de +vriendelike mensen willen geen betaling van hem aannemen. Als hij ergens +anders komt, wordt de dochter van een hertog verliefd op hem, haar +dienstmaagd geeft hem een toverdrank te drinken, zodat hij zijn <span xml:lang="fr">Oriaut</span> +vergeet... Reeds is het huwelik bepaald, maar eens op een dag, wanneer +hij in 't bos op jacht is en hij een van de liederen van <span xml:lang="fr">Bernard de +Ventadour</span> neuriet, vangt zijn sperwer een leeuwerik die—<span xml:lang="fr">Oriaut</span>'s ring +om zijn hals heeft! Nu wordt zijn herinnering weer levend, zijn liefde +neemt de kamp op tegen de toverdrank en zegeviert. Weer trekt hij de +wereld in en <ins class="corr" id="corr27" title="Bron: vind">vindt</ins> haar juist als zij op de brandstapel +staat—een gewone trek in een Griekse roman—; zij moet sterven voor een +misdaad, waar boze mensen haar van beschuldigd hebben.</p> + +<p>Zoals men ziet, vervolgt het noodlot de onschuldige vrouw overal in de +wereld en van dergelijke door alle ongeluk getroffene, door de mannen +belaagde en door boze medeschepselen van allerlei misdaden beschuldigde +vrouwen, weten vele ridderlike romans en vertellingen op Oosterse manier +te vertellen. De heldin wordt b.v. door haar eigen vader belaagd en +houwt haar ene hand af om zo haar schoonheid in diskrediet te brengen; +zij moet de vlammendood sterven, maar vlucht in een boot zonder roer de +zee op; trouwt, maar wordt door haar schoonmoeder vervolgd, of wordt als +kindermeisje beschuldigd het haar toevertrouwde kind omgebracht te +hebben;—maar altijd brengt de genade van de voorzienigheid haar door +alle beproevingen heen. Het is een hele literatuur over de vervolgde en +onderdrukte vrouwen die haar oorsprong heeft in laat-Griekse +sentimentaliteit en Oosterse martellust, <span class="pagenum" title="192"></span><a id="p_192"></a>maar in de middeleeuwse romans +neemt die een belangrijke plaats in bij de strijd van het kristendom om +de harten te verweken en de zeden te verzachten, en bij het werk van de +poëzie, om de ruwe baronnen als ridders de vrouw te doen eren.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>In schelle tegenstelling met de geest in deze romans staan al de +Oosterse verhalen over de sluwheid der vrouw die terzelfder tijd de +Westerse literatuur binnen drongen. Die kwamen geheel en al overeen met +al de anekdoten over vrouwen die uit zichzelf in Galliese aarde ontstaan +en gegroeid waren; alleen waren de inheemse „<span xml:lang="fr">fabliaux</span>” nog al +humoristies en schuin, en meer ironies-skepties, terwijl er in de +Oosterse een sombere, lage passie op te merken viel. Populaire +speelmans-liederen in 't Frans en Duits bewerkten ook <span xml:lang="la">con amore</span> de +Oosters-Byzantijnse geschiedenissen van de ontrouwe echtgenote van +koning Salomo en de sluwe bultenaar Morolf. Nu namen ook de ridderromans +Oosterse verhalen van dat genre ter behandeling op. Maar zij wagen zich +aan het kunststuk om die verhalen met een nieuwe geest te bezielen; +openlik nemen zij het voor de vrouw en de liefde op en geven hun ten +slotte de zege.</p> + +<p>Een van de oudste ridderromans heet Eracle en is in 1160 door <span xml:lang="fr">Gautier</span> +van <span xml:lang="fr">Arras</span> op grond van geestelike Oosterse legenden en +Oosters-Byzantijnse vertellingen geschreven. De roman begint in +religieus-stichtelike trant, door van een vroom Romeins echtpaar te +vertellen—de man is senator. Zij leven kinderloos, totdat een engel +zich voor hen openbaart die hun zekere intieme mededelingen doet, +waaruit ze leren hoe zij hun nachtelik samenzijn de gewenste vrucht +kunnen doen dragen. Schuchter volgen ze die voorschriften en er wordt +hun dan ook een jongen geboren. Op de dag dat 't kind gedoopt zal worden +kwam er een engel aanvliegen die een brief van God op de wieg legt; die +mag niet geopend worden vóór de jongen die zelf kan lezen. Maar dat +duurt niet erg lang, zo voorlik is het kind,—en in die brief schenkt +God hem drie bovenmenselike gaven: hij zou verstand hebben van +edelstenen, paarden en vrouwen,—de drie dingen waar een Oosterling +altijd het meeste op gesteld was iets van te weten. Nu sterft de senator +en de weduwe ziet zich genoodzaakt door geldgebrek haar kind te +verkopen,—„zoals dat in die dagen zo veel gebeurde”; zij stelt zich +bovendien voor—zo luidt de verontschuldiging van de schrijver—het geld +uitsluitend voor zielemissen voor haar man te gebruiken. Roerend als in +de<span class="pagenum" title="193"></span><a id="p_193"></a> legenden wordt beschreven hoe zij de strik om de hals van de jongen +legt en zachtmoedig als een lammetje laat hij zich naar de slavenmarkt +brengen. Hij landt weldra aan het hof van de keizer aan, waar hij +spoedig gelegenheid krijgt om zijn kunst te tonen, die de keizer op de +proef stelt—eerst met stenen, dan met paarden. Telkens laadt de jongen +eerst de spot van alle aanwezigen op zich door zijn keuze; hij laat de +grootste en aanzienlikste edelstenen liggen en pas later blijkt het dat +daar „de worm” in zat; hij gaat de beste paarden voorbij en kiest een +onaanzienlike klepper, maar overwint toch alle anderen met hem bij de +wedrennen. Hij komt nu, als een bij de Oosterse hoven aangestelde +„Wijze”, tot grote eer en moet o. a. voor zijn heer en meester een +keizerin kiezen. Dat gaat weer helemaal op zijn Oosters toe, als in het +boek van Esther. Alle groten van het rijk krijgen bevel zich met hun +jonge dochters naar de hoofdstad te begeven. Dat wordt daar buiten de +stad een heel kamp en als een kermis, en de gespannen verwachting der +jonge meisjes, en hoe jaloers zij op elkaar zijn, wordt buitengewoon +levendig beschreven,—ook hun verwanten en bekenden, hoe die al het hof +maken aan degene van wie men verwacht dat zij keizerin zal worden, enz. +Eracle loopt langs al de opgestelde meisjes; ieder die iets op haar +geweten heeft, beeft onder zijn blik, hij doorziet hun lichtvaardige en +domme gedachten en gaat, het hoofd schuddend, ze allen voorbij zonder er +één uit te kiezen. Maar op de terugweg ziet hij een arm klein meisje de +straat oversteken; hij volgt haar naar het eenvoudige huis waar zij bij +een tante woont en kondigt hun aan dat zij koningin moet worden. Men +voelt met welk een sympathie de dichter de vreugde in dat bescheiden +milieu schildert, de onschuld van 't kleine meisje, de voorbereiding van +haar uitzet, en de pracht van de bruiloft zelf. Als keizerin verovert +zij weldra allen door haar vrome ootmoed en gratie.</p> + +<p>Maar nu slaat de toon van de vertelling om; het is duidelik dat 't +vervolg uit een heel andere bron stamt, de inspiratie is geheel anders. +De keizer moet ten oorlog en om zeker te zijn van zijn gemalin, zet hij +haar in een toren met een lijfwacht van 24 ridders; zij heeft een bed in +'t midden van de toren en de ridders slapen in een kring er om heen. Op +die manier worden de vrouwen dikwels in de Oosterse vertellingen +bewaakt, zo ook de dochter van Pompeius in de „<span xml:lang="la">Gesta Romanorum</span>”. Maar de +ridderlike dichter ziet in die strenge beledigende bewaking een<span class="pagenum" title="194"></span><a id="p_194"></a> +onrecht, dat de keizer zijn vrouw aandoet en dat verontschuldigt wat er +nu gebeurt. Eracle heeft daar sterk tegen gewaarschuwd; men past 't best +op een vrouw door haar vertrouwen te tonen, dwang en verveling, zegt +hij, kan tot allerlei verkeerds leiden. En nu gebeurt dan ook—echt +Oosters-paradoxaal—dat de deugdzame en zo uitstekend bewaakte vrouw +toch toont de Eva te zijn die zij is en dat „vrouwenlist zonder einde +is”. Er moet een feest plaats hebben waar de keizerin volgens oude +gewoonte bij tegenwoordig moet zijn, en waar zij onder volle bewaking +heen gebracht wordt. Maar onder de jongelui van goeden huize die voor de +vorstin zingen en dansen en aan de wedstrijden mede doen, trekt de jonge +Parides weldra haar aandacht en in een ogenblik is zij evenzeer op hem +als hij op haar verliefd. Fijn en fris worden beider gedachten +beschreven: zij zit er over te peinzen hoe zij hem zal laten merken wat +zij voelt; zij mag toch wel hopen dat hij haar blikken begrepen zal +hebben, en zulk een edel gemoed als 't zijne moet toch de hoogte in +willen en niet vervaard zijn om zijn gedachten tot een vorstin op te +heffen; gelijk-gestemde zielen als de hunne moeten elkaar toch onder +duizenden kunnen verstaan. Als zij nu zondigt, is het toch in elk geval +de keizer die haar 't eerst onrecht aangedaan heeft, en de liefde wekt +toch zo dikwels edele deugden in de mens op, dat zij zich toch wel voor +God daarvoor zullen kunnen verantwoorden, zelfs als die op zich zelf +misschien zonde is. De keizerin zit nu in haar wachttoren te verlangen, +terwijl de jongeling zich, op zijn Oosters, op zijn bed legt en van +liefde verteert. Maar nu komt er, ook op Oosterse wijze, een vriendelike +oude buurvrouw die hem de pols voelt, hem vraagt wat hem scheelt en al +heel gauw merkt wie het voorwerp van zijn gevoelens is. En de volgende +dag gaat de oude vrouw met een mandje kersen naar de keizerin en begint +een praatje met haar... zij beklaagt haar omdat zij zo van allen +afgesloten leeft, en weet net zo lang te vragen tot zij begrijpt hoe de +zaken staan en vertelt dan van die jonge man die van liefde verteert. In +een pastei die de keizerin de volgende dag aan de vrouw laat brengen om +voor de kersen te bedanken, ligt een mededeling hoe de ontmoeting plaats +zal kunnen hebben. In de woning van de oude vrouw wordt een onderaardse +kamer gegraven en daar wordt Parides in verborgen. Wanneer de keizerin +nu, enige dagen daarna, bij een groot feest, met haar escorte daar +voorbijrijdt, heeft zij 't ongeluk van haar paard te vallen, haar +rijkleed erg vuil te maken en haar been te<span class="pagenum" title="195"></span><a id="p_195"></a> bezeren, zodat zij in 't +huis van de oude ondergebracht moet worden. En dan wordt ook alles +volgens 't programma afgewerkt,—dat natuurlik ook van Oosterse +oorsprong is: „<span xml:lang="fr">Ne sait, qu'il fait, qui femme gaite.</span>”</p> + +<p>Maar natuurlik weet de wijze Eracle die met de keizer en het leger van +huis is, dadelik wat er gebeurt en vertelt dit aan zijn meester. Deze +ijlt spoorslags terug en neemt de schuldigen in verhoor. Zij erkennen +beiden 't gebeurde, maar zij verklaart dat zij alles wil doen om haar +geliefde te bezitten en ook hij is bereid voor zijn liefde te +sterven,—„dat is geen schande.” En wanneer dan bovendien Eracle de +keizer nog voorhoudt dat hij zelf aan alles medeschuldig is, door zijn +tyrannieke behandeling van zijn echtgenote, dan laat de grootmoedige +Oosterse despoot die hij is, zich welwillend van zijn echtgenote +scheiden en verenigt de twee gelieven... En dan glijdt de roman weer in +een geestelike legendesfeer over.</p> + +<p>Oosterse vrouwenlist, ontrouw van een Griekse keizerin, maar met de +sympathie der lezers aan de kant van echtbreuk en de vrouw,—dat is ook +het onderwerp van een der eerste romans van <span xml:lang="fr">Gautier</span>'s grote +mededingers,—de „<span xml:lang="fr">Cligès</span>” van <span xml:lang="fr">Chrestien de Troyes</span>. Het is haar neef die +de keizerin hier bemint, en haar voedster, die de toverkunst verstaat, +bereidt eerst een toverdrank die de keizer verhindert het huwelik te +„consumeren” wanneer hij 's nachts bij haar komt en daarna een andere +die de keizerin in een slaap brengt die op de dood gelijkt, waarna zij +zich laat schaken,—evenals dit uit de geschiedenis van koning Salomo's +echtgenote in de Oosterse vertellingen bekend is; wij kennen het uit de +geschiedenis van Romeo en Julia.</p> + +<p>Maar in een roman als „<span xml:lang="fr">Cligès</span>” is het, gelijk wij later zullen zien, +alleen maar de uiterlike handeling, de machinerie er van, die uit het +Oosten stamt. Van deze, zoals van zo veel andere romans die alleen in +wat voorafgaat beschouwd zijn als een Europeisering van Grieks-Oosterse +vertellingskunst, geldt het dat ze veel meer op te vatten zijn als +geheel originele ridderlike romanpoëzie die eenvoudig „<span xml:lang="fr">prend son bien où +il le trouve</span>”.</p> + +<p>Maar nog een vreemd element—en niet 't minst belangrijke—zou die +romanpoëzie beïnvloeden, vóór die haar volle romantiese geur en kleur +zou krijgen.</p> + +<p><span class="pagenum" title="196"></span><a id="p_196"></a></p> + +<h2><a id="XIV"></a>XIV.</h2> + +<p class="subh2" xml:lang="fr">MATIÈRE DE BRETAGNE.</p> + +<p>De ridderromantiek ontvouwde zich voor 't eerst ten volle in het +Engels-Normandiese rijk dat immers in het midden van de 12<sup>de</sup> eeuw +Groot-Brittannië en het gehele West-Frankrijk omvatte en waar de taal +van de heersende klassen het Frans was. Hier vond men de grootste +welstand en het sterkste geestelik leven, hier kwamen het koningsschap +en de adel der leenheren pas tot hun grootste recht, hier was de +volksmenging en de kultuurmenging, waar de romantiek uit ontstond het +rijkst.</p> + +<p>In het door de Noormannen veroverde rijk kwam het koningsschap in +Engeland met Willem de Veroveraar en zijn opvolgers tot een macht zoals +die sedert de tijd van Karel de Grote niet gezien was. Een rijk waarin +een kleine klasse van veroveraars een veel groter massa, de +oorspronkelike bevolking, er onder wil houden, moet noodzakelik streng +monarchies en militaristies georganiseerd worden. En de krachtige, niet +al te makke koningen die ze waren, wisten de organisatie dan ook flink +door te voeren. Zware belastingen vulden 's konings schatkist, grote +goederen en jachtrechten maakten de baronnen rijk en machtig, maar de +koning liet allen, ook de vazallen zijner vazallen, aan zichzelf de eed +van trouw zweren en oefende een niet geringe despotiese macht over de +adel uit doordat hij zich het recht van voogdij en om huweliken te +sluiten voorbehield; ook de gehele rechtspleging en het gehele bestuur +hielden de koningen alleen in hun hand; gelijk ook de geestelikheid hun +gehoorzaam gereedschap was. Voortdurend staken zij het Kanaal over en +onderdrukten Angelsaksen en Britten en de baronnen van Normandië; razend +van woede zodat hun aderen er van opzwollen, als iemand ook maar kikte +of tegenstand trachtte te bieden, ontembaar in hun wreedheid, zelfs +tegen hun naaste bloedverwanten, ontoombaar in hun lusten en begeerten, +als zij op de jacht het koren der boeren neertrapten, hun echtgenoten +wegzonden of er talrijke bijzitten op na hielden, maar ook, als goede +koningen voor hun soldaten, goud onder hun mannen uitstrooiende en er +genot in vindend royaal en vlot te leven en schitterende feesten te +geven. In het begin van de 12<sup>de</sup> eeuw hield Hendrik I een hof, waar de +meest elegante feesten en tournooien gegeven werden en waar men de dames +het hof maakte<span class="pagenum" title="197"></span><a id="p_197"></a> zoals in die tijd anders zo goed als niet voorkwam +behalve in Provence en Languedoc.</p> + +<p>Na een periode van burgeroorlogen die de Noormannen, Britten en +Angelsaksen geheel tot één volk deden samensmelten, dat zich Engelsen +noemde, maar waarin Frans de taal van de hogere klassen was, kwam toen +ongeveer 1150 met Hendrik II, het huis van <span xml:lang="fr">Anjou</span> aan de regering, dat +der <span xml:lang="fr">Plantagenets</span>. Onder hem zagen de Normandiese koningen de hoogste +verwezenliking van hun eergierige plannen. Van moederszijde een +afstammeling van Willem de Veroveraar, had hij van zijn vader <span xml:lang="fr">Anjou</span> +geërfd, zowel als <span xml:lang="fr">Touraine</span> en <span xml:lang="fr">Maine</span>. Door zijn echtgenote, koningin +Alienor (Eleonora), een prinses van <span xml:lang="fr">Poitou</span>, die eerst met de koning van +Frankrijk getrouwd was geweest, kreeg Hendrik ook nog het graafschap +Poitou en het hertogdom Aquitanië, d. w. z. geheel Zuid-West-Frankrijk +in zijn bezit. Zijn machtig West-Europese rijk dat zich van de +Orkney-eilanden tot aan de Pyreneeën uitstrekte, overschaduwde geheel en +al de Franse koning te Parijs met zijn nog slechts beperkte macht. En de +verbindingen van het koningshuis strekten zich over geheel Europa uit. +De oudste zoon van Hendrik, die onderkoning over Engeland was, trouwde +met de dochter van de Franse koning, de tweede zoon, Richard +Leeuwenhart, huwde de dochter van de koning van Aragon, de oudste van +zijn eigen dochters trouwde met de machtige hertog Hendrik van Saksen en +werd de moeder van een aanstaand Duits keizer, een andere prinses werd +koningin van Castilië, een derde trouwde met de rijke koning van +Sicilië. Het was in Hendriks hand dat alle draden van de Europese +politiek samen schenen te komen.</p> + +<p>Van uiterlik was de koning zelf een echte Noorman uit het geslacht van +de Veroveraar: vierkant, maar met een rond hoofd, met een vuurrood +gezicht vol sproeten, en rood haar. Maar even als zijn korte +schoudermantel—die hem de naam van „kortmantel” verschaft had—uit +<span xml:lang="fr">Anjou</span> kwam, zo duidden ook veel van zijn eigenaardigheden er op dat de +man zelf daar ook uit stamde: zijn soberheid, zijn levendigheid en zijn +drang naar ontwikkeling. Zijn werklust had iets koortsachtigs: altijd +zat hij in 't zadel, nooit was hij langer dan één week op één plaats in +zijn rijk, zijn gevolg was altijd veel eerder moe dan hij; zelfs als hij +'s avonds in zijn kwartier aangekomen was, liep hij nog heen en weer te +redeneren, zelfs onder de mis kon men hem nog edikten zien zitten +uitvaardigen. Ook zijn zucht naar kennis was zonder perken, Latijn sprak +hij even goed als Frans en hij verstond veel<span class="pagenum" title="198"></span><a id="p_198"></a> andere talen; als hij geen +zwaard op jacht in de hand had of met zijn raad vergaderde, zat hij in +een boek verdiept of te disputeren met zijn klerken.</p> + +<p>Het rijk waarvan hij aan het hoofd stond, nam enorm in bloei toe. Nu +Engeland door de Noormannen veel van zijn geïsoleerdheid verloren had en +op 't punt stond zich tot „het Australië van Europa” te ontwikkelen, zou +het de Vlaamse en Italiaanse lakenindustrie van wol voorzien en maakte +het ontwakende handelsleven steden als <span xml:lang="en">York, Nottingham, Gloucester</span> en +vooral Londen, van vlekken tot rijke burger-gemeenten. En welk een enige +vermenging van intelligente nationaliteiten vond er nu niet in dat rijk +plaats! De Noormannen die reeds door hun verfransing zulk een +merkwaardige ontfankelikheid en drang tot ontwikkeling aan den dag +gelegd hadden, en die zich bij alle gelegenheden door hun levendigheid +en hun moed de voorgangers van Europa toonden. De Kelten die reeds in de +6<sup>de</sup>–8<sup>e</sup> eeuw in Wales en Ierland een buitengewoon rijke en +merkwaardige kultuur gehad hadden en de Angelsaksen die in de +8<sup>e</sup>–10<sup>e</sup> eeuw hun zeker niet minder belangrijk +bloeitijdperk gekend hadden,—en wel alle twee in een tijd dat de rest +van Europa de zoetste slaap der onwetendheid sliep. En eindelik <span xml:lang="fr">Poitou</span>, +in West-Frankrijk, dat de beste scholen had van die tijd en de meest +originele literatuur en dat waarschijnlik de wieg geweest is van de +troubadour-poëzie die zo snel naar Zuid-Frankrijk oversloeg om daar pas +tot bloei te komen. In de streek van <span xml:lang="fr">Poitou</span> was het, zoals men zich +herinneren zal, dat juist nu, in de tijd van Hendrik II, de roman van +Aeneas, de Alexanderroman, de roman van Thebe en de Trojeroman door +<span xml:lang="fr">Benoît de St. More</span> geschreven werden. En in het Engels-Normandiese rijk +was het ook, zoals wij gezien hebben, dat de belangstelling der baronnen +in de historie het eerst rijmkronieken in het leven riep, die de +Latijnse geestelike annalen voor leken toegankelik maakten.</p> + +<p>Het was, zoals men zich herinneren zal, in de eerste plaats, de kroniek +van <span xml:lang="en">Geoffrey</span> van <span xml:lang="en">Monmouth</span>, een geestelike uit Wales over de „<span xml:lang="la">Historia +Regum Britanniae</span>”, welke de Normandiese vorsten en vorstinnen door hun +klerken in Franse verzen over lieten zetten. Patriot en vol verdriet +over de ondergang der Britten, maar toch veel voelend voor de +Normandiërs, welke immers een einde hadden gemaakt aan de macht van de +Angelsaksen en de Denen op het eiland, dichtte <span xml:lang="en">Geoffrey</span> uit de volheid +van zijn rijke fantasie en zijn grote geleerdheid; voor het Britse volk<span class="pagenum" title="199"></span><a id="p_199"></a> +toverde hij uit de overleveringen van Wales een sage van hun stralend +verleden op, en—of dat nu een diplomatieke zet was of uit „eerlike +ambitie”—weefde hij het verleden van de Fransen en zijn eigene +landgenoten zo volkomen samen alsof de schrijver op het standpunt van de +Normandies-Engelse koningspolitiek stond. De Britten, beweerde hij, +stammen van de Romanen en Trojanen evengoed als de Fransen, waren een +even geciviliseerde natie als zij en vooral niet te verwarren met +Angelsaksen en Denen. In hun glanstijd, onder koning Arthur, had het +rijk der Britten èn Engeland èn 't grootste deel van Frankrijk omvat, +presies als nu het Normandies-Engelse rijk. En in die zelfde koning +Arthur, wiens schitterende hof hij blijkbaar in de beeltenis van het hof +van zijn tijdgenoot Hendrik de Eerste beschreef, schilderde <span xml:lang="en">Geoffrey</span> +voor het nieuwe rijk de grote held van het nationale verleden, die +helemaal niet onder deed voor Karel de Grote, waar de „<span xml:lang="fr">Franceis de +France</span>” in hun „<span xml:lang="fr">Chansons de geste</span>” zo trots op waren.</p> + +<p>Geoffrey is de Nestor van een groep geleerde Engelse geesteliken die +zich nu als om strijd aangorden de wereld van het Britse verleden voor +de Fransen en Europa te openen. Toen <span xml:lang="en">Geoffrey</span> zag welk een sukses zijn +kroniek had, verraste hij de geleerde wereld ook met de merkwaardige +voorspellingen van Merlijn, de oude wijze van Wales, die, zoals blijken +zou, volkomen de gebeurtenissen tot zijn eigen tijd toe had voorspeld. +En nu kwam Giraldus Cambrensis, geboren op een adellik familieslot in +Wales, maar met half Normandies, half Brits bloed in zijn aderen; +resoluut wierp hij de algemene zware pedanterie der geesteliken van zich +af en praatte er in zijn Latijnse geschriften over Wales en Ierland +lustig op los, vertellend van de vele natuurwonderen, van de +merkwaardige zeden en gewoonten, over de gave der voorspelling van zijn +landgenoten en al het mirakuleuse dat in zijn eigen land als in de lucht +lag. Dan was er <span xml:lang="en">Walter Map</span>, ook van adel en uit Wales, aartsdiaken te +Oxford; in zijn geschrift hoopte hij als in een soort rommelkamer +allerlei anekdoten en merkwaardigheden op, die hij gehoord had of +gelezen en zich herinnerde, en de geleerde schrijver heeft er toch ook +plezier in allerlei volksverhalen weer te geven over dwergen en +kabouters, over „Harlekijn” en over feeën die zich door ridders laten +beminnen, maar ze laten lopen zodra die dat aan de grote klok hangen. +Misschien was het ook <span xml:lang="en">Walter Map</span> die de merkwaardige graal-histories in +elkaar heeft gezet, uit Keltiese, Oosterse en Kristelike elementen +samengesteld, welke in die tijd juist in omloop kwamen.</p> + +<p><span class="pagenum" title="200"></span><a id="p_200"></a></p> + +<p>Zowel Walther als Giraldus waren kapellaans aan het hof van koning +Hendrik de Tweede en ofschoon zij in 't Latijn schreven, richtten zij +zich tot de hofkringen. Evenals onder de Otto's in Duitsland zijn er +blijkbaar heel wat ontwikkelden onder de hoge adel geweest, die evenals +de koning zelf Latijn verstonden. En het is een hele geestelike +„Keltiese beweging” waar deze ijverige Britse geesteliken propaganda +voor maken. Giraldus las zelfs zijn werk, drie dagen lang, aan een +auditorium voor, dat hij te Oxford bij elkaar had gehaald, en—ontving +bij die gelegenheid zijn toehoorders allerroyaalst!</p> + +<p>Maar van nog groter betekenis dan deze geleerde propaganda was de +invloed der Brits-Bretonse speellieden en vertellers uit Wales en +Bretagne. De „Bretonse” melodieën waren al heel vroeg wijd en zijd +bekend geworden en tegelijk daarmeê werden zeker ook veel van die +volksliederen die er bij gezongen werden, door talenkundige speellieden +in 't Engels en Frans overgebracht en in elk geval werden de sagen welke +die liederen behandelden wel in diezelfde kringen in proza naverteld. +Reeds vóór dat de Noormannen naar Engeland trokken, hadden ze zich, +intelligent en ontfankelik als ze waren, al in verbinding gesteld met +het naburige Bretanje en toen ze een mensenleeftijd vóór ze naar +Engeland gingen, naar Zuid-Italië waren getrokken, brachten ze reeds de +namen van helden uit hun sagen met zich mede; reeds in de 11<sup>de</sup> eeuw +vindt men in Italië Arthur en Gawain als doopnamen. Maar vooral nu, na +de samensmelting tot één volk, is een grote invloed van poëzie en sage +niet te miskennen.</p> + +<p>En die Keltiese sagen en gedichten spraken voor zich zelf. Voor de +mensen die smachtten naar romantiek, zou zich daarvan nu een gehele +wereld openen.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Kelten waren toch ook de Fransen eens geweest en in den grond was hun +aard, niettegenstaande al hun romanisering, toch helemaal Gallies +gebleven; de karakteristiek welke de Latijnse schrijvers van de Galliërs +geven—hun sanguiniteit en hun levendigheid, hun zin voor opschik, hun +opgewektheid, hun gezellige omgang,—dit alles past nog op den huidigen +dag op de Fransen. Trots het Latijn en het Kristendom en de heerschappij +der Franken, hadden zich ook nog overblijfselen van de oude Keltiese +godsdienst der Druïden bewaard. De oude priesterkaste, waarvan er zelfs +in 't jaar 700 nog geheime genootschappen bestonden, bleef zijn bestaan +voortzetten als tovenaars die de<span class="pagenum" title="201"></span><a id="p_201"></a> magiese kruiden kenden en de oude +toverformules. Nog trokken tegen Nieuwjaar, evenals vroeger, de mensen +in de maneschijn naar buiten om de heilige mistelstruik te zoeken. En in +de bronnen woonden nog altijd feeën die met geschenken bij de wieg der +pasgeborenen aan kwamen zetten en die de eenzaam in 't bos rondzwervende +jonge mannen in hun alfendans meesleepten.</p> + +<p>Maar ginds in Ierland en Cornwalles en Wales leefden er massa's Keltiese +sagen en gedichten en door immigratie uit Cornwalles in de 6<sup>de</sup> eeuw +was nu ook de noord-westelike streek van Frankrijk, Bretagne, weer voor +de Keltiese wereld teruggewonnen. Toen de Noormannen naar Engeland +kwamen, vond men in de Ierse kloosters grote perkament-folianten—ze +zijn er nog tot op den huidigen dag—waarin de monniken de oude sagen +opgeschreven hadden over de heldendaden van <span xml:lang="en">Cuchulain</span>, de voornaamste +Ierse held, en over de strijd tussen de mannen uit Ulster en <span xml:lang="en">Connaught</span>, +of die tussen de koningen van Erin en hun huurlingen, de mannen van +Fionn, wier voornaamste helden Fin en Ossian waren. In bepaalde direkte +verbinding met de Ierse sagen kwamen de veroveraars niet te staan, maar +er bestond in Wales een overeenkomstige poëzie, die wij nog in haar vorm +van vóór 1100 kennen, n.l. in de oudste delen van de oudste manuskripten +uit Wales, het zogenaamde „zwarte” en het „rode Boek”. Dit zijn ten dele +kunstmatige lofzangen over vorsten, strijdzangen, en bardenliederen die, +geakkompagneerd door de harp, in de grote feestzaal gezongen werden +evenals de Noorse liederen der skalden; ten dele zijn het +volkssprookjes: de Mabinogion, op oude sagen en mythen gebouwd. +Onmiskenbaar slaat ons uit deze poëzie het eigenaardig Keltiese +tegemoet.</p> + +<p>Er ligt iets vaags over die poëzie in haar lyriek en fantasie. Vaste +omtrekken of een massa détails te geven is haar zaak niet; personen en +gebeurtenissen vloeien in 't vage, immateriële over, schijnen als +visioenen voorbij 't oog te trekken. Maar ze worden door een rijk en +levendig gevoel gedragen, dat alles in lyriese kleuren-tonen beeldt en +een losgelaten fantasie die alles naar haar eigen bandeloze luimen +omvormt.</p> + +<p>Er schuilt een elegiese, romantiese stemming achter veel van die +bardenliederen. Stap voor stap zijn de Kelten dan ook uit Europa +verdreven, eerst naar 't Westen, toen op de eilanden,—door de Romeinen, +de Germanen, door Angelen en Denen. Klagend staat de bard uit Wales aan +de graven der krijgers en herdenkt de dappere gevallenen. Klagend +spreekt de oude dichter, nu hij<span class="pagenum" title="202"></span><a id="p_202"></a> in zijn ouderdom een kruk draagt, over +wat hij kon en deed in de dagen van zijn volle kracht, en over zijn +liefde. Maar van de werkelikheid, het nu, ijlt de fantasie òf de +toekomst tegemoet wanneer de sagekoning uit de glanstijd die nu op het +feeëneiland wegens zijn wonden verzorgd wordt, wanneer koning Arthur op +zal staan en de oude Britten-heerschappij weer zal vestigen, of zij gaat +terug naar de oude tijd,—„ouder dan enige geschiedenis, die in enig +boek geschreven is”. Van oude heidense sagen die de gekerstende inwoners +van Ierland en Wales niet meer verstaan, bouwt de fantasie lustige, +luchtige sprookjes op, woest en barbaars, maar vervluchtigd en vormloos +als vage, stralende dromen. Geweldig kijven de helden van Ulster en +<span xml:lang="en">Connaught</span> met elkaar, of de witte stier van Ulster of de bruine van +<span xml:lang="en">Connaught</span> sterker is en schoner; ook al om de een of andere jacht-twist +wordt er hevig gestreden, of over een paar varkens, over een oorvijg, of +wie het eerste stuk vlees krijgen zal; en als de reus uit de slag thuis +komt, is hij zo verhit door zijn woeste razernij dat hij dadelik moet +baden om af te koelen;—drie kuipen gaan er aan, want de eerste twee +worden dadelik door zijn lichaam aan 't koken gebracht. Op de +wonderlikste expedities trekt de held uit; de gekste, onmogelikste +opdrachten worden hem door Penkawr gegeven vóór hij de schone Olwen +krijgt, maar hij volbrengt ze alle; hij loopt ook zo licht dat geen +grassprietje zich onder zijn voet buigt; en hij kan de mier horen +wanneer die 's morgens zijn nest verlaat. Tachtig jaar lang zitten die +reuzen in de Wonderbare zaal te eten en te drinken zonder dat zij merken +dat er meer dan één uur verlopen is. Onverzadigbaar is voor mannen en +vrouwen beiden de liefde; de vrouw vraagt gewoon de man in wie zij +behagen vindt, en <span xml:lang="en">Cuchulain</span> maakt de vrouwen van Ulster zo gek op hem +verliefd, dat de mannen terwille van hun huiselike vrede zelf er op uit +trekken om hem de schoonste vrouw in de wereld te verschaffen. Maar wij +horen ook van de jongeling die van stom liefdelijden versmacht of die +slechts in zijn droom een schoonheid heeft gezien die hem zo zeer met +liefde vervult, dat er geen stukje in een van zijn beenderen is, of geen +plaatsje op het binnenste van zijn nagel dat niet van liefde doortrokken +is. Door toverij wordt er een vrouw gevormd uit louter bloemen, uit de +brem en de spirea en andere bloemen die daar groeien, zij krijgt de naam +van „Bloemenaangezicht”—<span xml:lang="de">Blodenwedd</span>—en wekt bij een ieder liefde op. +Overal wordt er veel met kleuren gewerkt. De kleedij des konings is +gelijk de wazige Mei-morgen, wisselend<span class="pagenum" title="203"></span><a id="p_203"></a> van kleur; de winden hebben een +kleur: uit 't Oosten komt de rode wind, uit 't Zuiden de witte, uit 't +Noorden de zwarte en uit het Westen de dikke, grauwe mist-wind. Ook de +geïllumineerde handschriften en oude wettelike dokumenten bewijzen welk +een lyries gevoel voor kleur de Kelten hadden. Pracht en rijkdom, gouden +sieraden en geborduurde en geweven stoffen, prachtige sloten en zalen en +feesten, dit alles ziet men in hun sagen schitteren. En wij horen van +allerlei wonderen,—van een toverketel die door de adem van meisjes +verwarmd wordt; wanneer de ledematen van de dode krijgslieden daarin +worden gelegd, groeien ze weer aan elkaar en worden ze weer levend; en +van een tovervat dat altijd vol is met eten en de dingen die alle +behoeften tevreden kunnen stellen; van toverlanden waar alle wensen +vervuld worden en van „Avalon” het „appeleneiland” der eeuwige jeugd, +heel ver weg in het Westen.</p> + +<p>Een vage romantiese fantasie omgeeft overal de werkelikheid met die +wereld welke niet gezien wordt. Staande tegenover de heldere +aanschouwingskunst der Latijnse volkeren, bestond daar bij dat ras een +fantasie die overal het onzichtbare zoekt, dat wat slechts mystiese +voorstellingen opwekt. Een levendige romantiese natuur-poëzie gaat er +door de sagen en sprookjes zowel als de liederen,—een poëzie van het +mistige klimaat en de altijd omslaande winden en de Atlantiese Oceaan, +van bos en heide, dat zoveel plaats in 't land inneemt. „Een roep van de +bulderende zee komt tot mij, een roep van de bulderende zee jaagt mij +des nachts op van mijn leger... Raad eens waaraan ik denk: Een sterk +wezen, zonder vlees, zonder been, zonder hoofd, zonder voeten; het wordt +nooit ouder dan het is; de zee wordt wit wanneer het komt. Hij is op 't +veld, hij is in het bos, zonder hand, zonder voet, hij ziet niet en +wordt door niemand gezien... Van 't Noorden komt de winterwind, laag en +kort is nu de baan van de zon, de varens in het bos zijn geel, de golven +van de zee brullen, de wilde gans laat zijn gewone kreet horen, de vorst +bijt hem in zijn vleugels. Het is de tijd nu van het ijs en treurig zijn +mijn woorden.”</p> + +<p>Daar zien wij hoe een volk van jagers met de natuur en de jaargetijden +vertrouwd is. Met de wilde woeste vlakten waarop het heidekruid in de +wind golft, en vooral met het bos: de grauwe eiken en de hazelbosjes, de +herten die op de open plekken in 't bos grazen, de wilde zwijnen daar +waar het 't dichtst is, de arend in de toppen der bomen. Steeds horen +wij van de passie waarmede <span class="pagenum" title="204"></span><a id="p_204"></a>er gejaagd wordt,—op wilde zwijnen, wolven +en herten. Van de jonge man die in de eenzaamheid van 't bos geboren en +getogen is, geen mensen kent, maar wel alle natuurgeluiden en de taal +der dieren, die hij met zijn fluit tot zich kan halen. Van de witte +toverhinde, waar alle jagers het op verzien hebben. Van de fantastiese +bosman die de jagers soms op een heuvel in het oerbos vinden, de Deense +sagafiguur „Dier-mens” die met een knots in zijn hand het wilde, vreemde +vee bewaakt... Vooral van de feeën die de jager aantreft wanneer hij een +dier vervolgt en daardoor zijn jachtgezelschap kwijt raakt. Bij een +meertje of een bron ziet hij een nymf daarin baden. En dan is òf zij het +die zijn liefde verlangt en hem, wanneer hij niet wil, betovert en aan +het ziekbed kluistert, of wel steelt hij haar kleêren die op de oever +liggen en zo krijgt hij haar met geweld tot zijn wil.</p> + +<p>Soms worden de mensen door de feeën zelfs naar hun rijk meegelokt. Een +geloof in een land van gelukzaligheid en onsterfelikheid ergens in 't +Westen komt overal in de Keltiese sagawereld te voorschijn. Enkele +uitverkorenen onder de stervelingen zijn daar wel al eens op bezoek +geweest. Een gewond krijgsman legt zich b.v. in een boot neer en laat +zich dan door weer en wind maar drijven, waarop hij dan in het feeënrijk +komt, waar zijn wonden verbonden worden. Dat gebeurde b.v. met koning +Arthur. Hij die uit het feeënrijk terugkomt, meent dat hij maar één dag +weg geweest is, maar dan kunnen er honderden jaren verlopen zijn. Eens +toen Bran, door zijn krijgers en hoofdmannen omgeven, in zijn hal zat, +stond er plotseling een vrouw voor hem, een afgezant uit het Geluksland, +die in wonderbare verzen van de heerlikheid in dat eiland zong—waar de +witte zeepaarden (de golven) omheen spelen en uit hun manen kristallen +droppels naar de kust spatten; waar de vogels in oude, bloeiende bomen +zingen, waar ze spelen op de vlakte, onder het genot van <span xml:lang="de">Wein, Weib</span> en +<span xml:lang="de">Gesang</span>; alles in geluk en in zonneschijn, „zonder enige mist”, zonder +verdriet, en ziekte en dood, waar alles gelijk de zoetste muziek in de +oren klinkt... In een kristelik kleed is een reis naar dat land +beschreven in de verhalen van de Heilige Brandanus, en in een heidense +variant als de tochten van Maël Duin. Hier komen ze aan allerlei +fantastiese eilanden: het eiland van de grote mieren en de grote vogels, +het eiland der zwarte Wenenden en der Lachenden, het eiland waar alles +van kleur verandert en het eiland van de verschrikkelike smeden, de „<span xml:lang="fr">ile +des forgerons</span>”, waar er geen gras groeit, maar waar men overal<span class="pagenum" title="205"></span><a id="p_205"></a> sintels +vindt en hamerslagen hoort en blaasbalgen van de onderaardse +smidsen,—men denkt hier allicht aan de Hekla en IJsland.</p> + +<p>Dat zijn van die verhalen zoals alle zeevarende volkeren ze kennen; de +Indiërs en de Grieken hebben die zowel als de IJslanders, en het is +duidelik dat er al van zeer oude tijden verband is tussen die verhalen: +men herkent allerlei motieven in die Ierse wonderbare reisverhalen òf +uit de „Indica” van Megasthenes, òf uit de reizen van Sindbad, of uit de +Odyssee en Virgilius.</p> + +<p>De gehele lucht is er vol van toverij en magie; wat Ierland voor de +Scandinaven was, vonden de Fransen in Wales: het land van tovenaars. De +kern van de godsdienst der Druïden was dan ook het geloof in de magie; +de Druïden hadden in hun cultus de goden zo goed als afgezet en +beheersten nu zelf de wereld. Niet de krijgslieden maar die priesters en +tovenaars waren de eigelike heersers in hun maatschappij. En sage en +gezang vertellen van hun doen. Ze lopen langs de zee en vinden +voorspellingen in de golven en de stemmen der zeevogels; donkere +profetiën vertellen van een bos dat over de zee zal komen (een mastbos) +over de rode en de witte draak die samen zullen vechten (Saksen en +Britten). De figuur van Merlijn werd het inbegrip voor Wales van +voorspelling en toverkunst. In zijn haat voor de mensheid was hij naar +de bossen van <span xml:lang="en">Northumberland</span> gevlucht en daar voorspelde hij nu alles +wat er gebeuren zou. In de bardenpoëzie wemelt het van mystiese +versraadsels en die is ook doortrokken van een vreemd geloof in de +zielsverhuizing: „Ik heb vele gedaanten aangenomen, ik ben een traan +geweest in de lucht, de verste van alle sterren, een woord, een boek, +een kaarslicht, een wild zwijn, een geluid in de slag, een golf op de +woeste kust,”—men ziet hoe vreemd onwezenlik de meesten van die +personificaties zijn. Door allerlei bezweringsformules kunnen de +tovenaars de wil van de mens buigen, kwaad over het hoofd van de +vijanden brengen, zich zelf en anderen in allerlei gedaanten omtoveren, +en een mist op de heide of prachtige kastelen te voorschijn toveren en +dit ook weer laten verdwijnen. Die toverij schijnt vooral op de heide te +bloeien,—„<span xml:lang="fr">la lande aventureuse</span>”, waar we in de Franse romans uit +Bretanje zo veel van horen.</p> + +<p>Ongemengd was dit Keltiese element nu niet. Niet alleen de reis van +Brandanus, maar de hele literatuur van Ierland en Wales was al vroeg +doordrongen van antieke en Oosterse elementen en dikwels ook kristelike. +Driehonderd en vijftig jaar lang hadden de Romeinen in Engeland geheerst +en tot op den huidigen dag<span class="pagenum" title="206"></span><a id="p_206"></a> toe tonen ruïnes en opgravingen hoe grondig +ze de Latinisering aangepakt hadden. Evenals de hele latere Romeinse +wereld, was ook hier in 't uiterste Noord-westen de Romeinse kultuur +sterk met Oosterse elementen vermengd. Een prefekt—weet men +toevallig—was van Nicomedia, een tribuun uit Syrië, dikwels kwamen +garnizoenen uit Azië hierheen en in <span xml:lang="en">Northumberland</span> heeft men altaren +gevonden voor de Perziese Mithra, te Cambridge voor de Syriese Astarte, +te York voor de Aegyptiese Serapis. De Keltiese kristelike kerk was in +de 6<sup>de</sup>–8<sup>e</sup> eeuw, een tijd, verder van alle kultuur ontbloot, de +enige in Europa om niet alleen aan Latijn te doen, maar ook aan Grieks; +de Ierse kloosters hebben een hoofdaandeel aan het bewaren van de +antieke literatuur. En een bizondere band schijnt ook die Westerse kerk +met de Oosterse gehad te hebben; het kristendom der Ierse monniken +draagt in vele opzichten meer een Oosters dan een Latijns karakter.</p> + +<p>Toen <span xml:lang="en">Geoffrey</span> de Britten van Brutus liet afstammen en van de Romeinen, +was dat nog niet zo helemaal zonder enige reden. Onder de (jongere) +„Mabinogion” vindt men verhalen die niets dan fantasiën over de tijd der +Romeinen zijn,—b.v. over een keizer van Rome die met 32 koningen op +jacht gaat en van een toverschip droomt, een tovereiland, een toverslot +en een toverachtig schoon meisje en dan laat hij de hele wereld afzoeken +totdat hij eindelik in Brittanië komt en de maagd vindt. Zo zijn er ook +zelfs in het oudste deel van de Mabinogion, voortdurend trekken die +opvallend aan <ins class="corr" id="corr28" title="Bron: Oostere">Oosterse</ins> motieven doen denken, zo b.v. de +„Vriendschapsproef”,—twee vrienden die elkaars plaats innemen, maar +tegenover elkaars echtgenoot vriendentrouw bewaren—of wel de +geschiedenis van Ali Baba en de oliezakken die wij herkennen, of wel +verwoeste prachtige toversloten, waar de bezoeker tot steen wordt, zodra +hij een gouden schaal aanraakt. Bij het „Appelen-eiland” van de Eeuwige +Jeugd in het Westen denkt men allicht aan de appelen der Hesperiden en +de eilanden der zaligen, en er loopt een verhaal van een held die „het +land waar niemand ooit vandaan komt” binnengedrongen was en daar met een +vrouw vandaan was gekomen, waarbij natuurlik iedereen aan de +geschiedenis van Orpheus en Eurydice denkt. Merlijn wordt ook al heel +gauw verdoopt en heet dan als de zoon van een Romeins konsul Ambrosius, +veel trekjes die zijn list betreffen en zijn helderziendheid, zijn +eenvoudig op hem overgebracht van de verhalen van Indiese, Griekse en +Hebreeuwse wijzen—van Midas en Silenus, van koning Salomo en de vorst<span class="pagenum" title="207"></span><a id="p_207"></a> +der Geesten, Aschmedai—terwijl zijn „Profetiën”, die Geoffrey uitgaf, +vol van reminiscenties van Lucanus zijn en van de Sibellijnse boeken.</p> + +<p>Eindelik schijnen ook verschillende Germaanse elementen de Keltiese +sagen binnengedrongen te zijn—het is onzeker of dat nu de Noorse +Vikingen, de Angelsaksen of de Denen en Noormannen zijn die ze gebracht +hebben. Nu eens herkent men trekken uit de sage van Siegfried, dan uit +die van <span xml:lang="de">Völund-Wieland</span>—of wel zijn het Germaanse namen die men +plotseling te midden van zuiver Keltiese aantreft.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Maar hoe deze „<span xml:lang="fr">Matière de Bretagne</span>” ook samengeweven is,—daarin opende +zich voor de Franse <span xml:lang="fr">trouvères</span> van het Engels-Normandiese rijk een wereld +van poëzie die hen en hun publiek in verrukking moest brengen. Die +wereld was hun nieuw en vreemd en daar lag een mysties perspektief, een +geheimzinnige ondertoon van halfvergeten mythen en sagen achter die +verhalen, welke de fantasie romanties in beweging moest brengen. En met +die vreemde stof kon men ongegeneerd omspringen en doen wat men wilde, +zonder door traditie of piëteit gebonden te zijn; dat alles kwam in +losse onsamenhangende saga-motieven uit het Westen aanfladderen en elke +dichter kon dat aan elkaar flansen, presies zoals hij zelf wilde. Dat +was iets anders dan dat gescharrel met die romans van Karel de Grote, +waar de stof met zulk een piëteit en histories nauwkeurig behandeld +moest worden, of een Latijns boek voor zich te hebben dat men volgen +moest!</p> + +<p>En wonderbaarlik scheen die „Bretonse stof” met de poëtiese smaak dier +tijden overeen te stemmen. Hier streed men niet in geordende scharen +voor goederen of voor land en rijk, maar de helden trokken—presies als +de kruisridders en de vaganten in hun eigen wereld—op eigen hand op weg +om avonturen op te zoeken. En nu waren het eens niet die eeuwige +Saracenen daar ze mee moesten vechten, maar monsters en wildemannen,—en +voor al die magie en toverij en dergelijke avonturen, daar hoorde een +andere soort moed toe, een „nouveau frisson” die zij de zenuwen gaven. +Er lag een geur van natuurromantiek over deze poëzie van bos, heide en +oceaan en een glans en een kleurenpracht en sprookjesrijkdom over die +Keltiese fantasiewereld, welke bijna de vergelijking met de Alexander- +en Troje-romans kon doorstaan. En per slot van rekening leken die +Keltiese sagen de Fransen meer van hun eigen vlees en bloed dan de +Frankies-Germaanse <span class="pagenum" title="208"></span><a id="p_208"></a>epiek der baronnenwereld. Er was een levendigheid en +een fijne genotzucht in die Keltiese poëzie, een vrolik opgewekt +samenleven en zulk een sterk erotiese aanleg kwam daar in te voorschijn, +dat de Fransen zich daar zeer aan verwant moesten voelen. Hier waren +schitterende feesten, vooral ook aan het hof, een sappig „<span xml:lang="fr">esprit +gaulois</span>”, en een gepassioneerd „<span xml:lang="fr">feminisme</span>”,—te midden van al die +barbaarse woestheid lijkt het bijna een eerste schets van het leven der +Franse edelen in de 12<sup>de</sup> eeuw.</p> + +<p>Een kleine groep van ridderlike dichters die in het Anglo-Normandiese +rijk werkten en die, ten dele direkt, maar ten dele ook door middel van +Engelse en Latijnse vertalingen de Britse en Bretonse sagewereld +trachtten te leren kennen, brachten van het midden der 12<sup>de</sup> eeuw af, +„<span xml:lang="fr">la Matière de Bretagne</span>” in de kring van het Franse geestesleven en wel +met het gevolg dat niet alleen de „<span xml:lang="fr">Matière de France</span>” (de nationale +heldenpoëzie) maar ook de „<span xml:lang="fr">Matière de Rome</span>” (de onder antieke invloed +staande romans) door de nieuwe modepoëzie vrijwel in de schaduw werd +gesteld.</p> + +<p>Maar feitelik was het niet zo zeer de „<span xml:lang="fr">Matière de Bretagne</span>” die +Frankrijk veroverde als wel de Franse riddermaatschappij wier eigen +dichterlik genie de Keltiese stof in zichzelf op wist te nemen.</p> + +<h2><a id="XV"></a>XV.</h2> + +<p class="subh2" xml:lang="fr">MARIE DE FRANCE.</p> + +<p>In het begin vergenoegde men er zich mede in kleine berijmde +vertellingen de stof neer te leggen die men in de liederen der Bretonse +en Britse speellieden getroffen had of door de „<span xml:lang="fr">fableors</span>” had horen +vertellen. Het woord „<span xml:lang="fr">lai</span>”, van Keltiese oorsprong, kwam in gebruik voor +die berijmde novellen welke hun stof uit den vreemde haalden en die door +hun karakter en hun geest zich meer in 't bizonder tot de hogere kringen +richtten, spesiaal waarschijnlijk tot de dames.</p> + +<p>De oudste en fraaiste van die lais, waarvan de stof dus Brits was, waren +door een dame gedicht wier naam Marie was en die in 't eigelike +koninkrijk Frankrijk geboren was, maar onder de regering van Hendrik II, +in Engeland woonde en hem haar novellen opdroeg. Evenals de oude +romancen, schijnen ook de lais dikwels door vrouwen geschreven te zijn. +<span class="pagenum" title="209"></span><a id="p_209"></a>In een Noorse bewerking uit de 13<sup>de</sup> eeuw van een Franse lai, heet +het dat Willem de Veroveraar eens met zijn mannen aan de Normandiese +kust lag, terwijl storm hen verhinderde naar Engeland over te steken; +toen verdreef hij de tijd met jacht en feesten en om te zorgen dat die +niet vergeten zouden worden, zond hij enige harpspelers naar een dame in +Bretagne die bekend was door de schone <span xml:lang="fr">lais</span> die zij dichtte, en liet +haar uitnodigen, op een fraaie melodie daar gedichten over te maken; dat +deed zij en leerde de harpspelers 't gedicht zowel als de melodie. Zo +maakte ook Iseut gedichten over haar ontmoetingen met Tristan. Marie was +literair ontwikkeld, zij vertaalde fabelen uit het Engels en legenden +uit het Latijn en zoals zij in de proloog voor haar lais vertelt, had +zij er eerst over gedacht een goed geschiedwerk uit het Latijn te +vertalen, maar daar er nu zovelen juist met dergelijke dingen bezig +waren, had zij liever willen vertellen wat zij van Bretonse verhalen +gehoord of gelezen had. Bij die „dergelijke dingen” denkt zij +waarschijnlik aan zo iets als de Roman van Aeneas, er zijn allerlei +reminiscenties in haar <span xml:lang="fr">lais</span> juist aan die roman te vinden, evenals aan +Ovidius. Een zekere kennis van de Provençaalse erotiese poëzie der +troubadours schijnt zij al vroeg gehad te hebben. Dichteres van +betekenis was zij niet; er is iets bleeks en damesachtigs over haar +stijl, iets konventioneels in haar karakteristiek; maar bevallig en met +gemak geeft zij de Keltiese stof in Franse verzen weer,—in hoeverre zij +zelf voor dit alles verantwoordelik is, of wat zij dankt aan een ander, +Frans of Engels, die tusschen haar en de sagestof in staat, dat laat +zich niet gemakkelik uit maken; zij zelf schijnt in elk geval geen +Kelties gekend te hebben. Maar—zij wist een eigenaardige romantiese +geur van 't ver-affe en 't wonderbaarlike over die vreemde, niet altijd +meer goed begrepen motieven te leggen; zij voelt de poëzie van zee en +bos, zoals die over de Keltiese sagen ligt, en overal legt zij nadruk op +het erotiese en het sentimentele en het vergroot eigelik alleen maar de +poëtiese charme, wanneer trekjes uit de Aeneas-roman of Ovidius of zelfs +motieven van de Grieks-Oosterse vertellingen in de Keltiese stof +ingeweven zijn.</p> + +<p>Verscheidene Keltiese sagen behandelden b.v. de verhouding der mensen in +zake de liefde betreffende, tot de onsterfeliken. Mannen die b.v. uit +het land des Doods opgestaan zijn of mannen uit het onderaardse +feeënland die een vrouw onder de sterfeliken liefhebben. Of, gewoonlik, +feeën die sterfelike mannen hun liefde aanbieden. Maar wanneer de zaak +bekend wordt is 't uit,—gelijk <span class="pagenum" title="210"></span><a id="p_210"></a>altijd bij de onderaardsen: wanneer +niet-ingewijden 't zien of de zaak bij de naam genoemd wordt, dan +verdwijnt alles. Zulk een sage was nu net iets voor de sentimentele +romantiese smaak dier dagen. <span xml:lang="fr">Lanval</span>, een gedicht van <span xml:lang="fr">Marie de France</span> +evenals verschillende lais van onbekende schrijvers, behandelen dat tema +met allerlei variaties. Er is b.v. een ridder die alleen het bos +doorrijdt,—hij is op jacht van zijn gezelschap afgeraakt of hij dwaalt +alleen maar wat om, b.v. omdat hij bedroefd is over het feit dat de +koning zijn diensten niet goed beloont. Hij viert de teugel, en weldra +heeft 't paard hem in 't dichtst van 't woud gebracht; het is heerlik +weer en de vogels zingen in de middaguren, maar hij hoort er niet naar. +Op eens is het hem alsof hij honden hoort aanslaan of een glimp van het +witte hert krijgt, dan zet hij de hoorn voor de mond zodat het luid door +'t bos weergalmt... Maar hij is steeds alleen in de betovering van 't +eenzame bos. Zo komt hij dan aan een bron waar hij een badende fee +verrast, hij bemachtigt haar klederen en zo krijgt hij haar in zijn +macht en heeft haar zo aldra tot zijn wil,—als in de sage van <span xml:lang="de">Völund +(Wieland)</span>. Of wel wordt hij door haar aangezocht en laat hij zich naar +haar tent of haar slot voeren, waar hij haar liefde geniet, volop eten +en drinken krijgt zowel als de kostbaarste kleren en goud. Zulke feeën +die prinsen naar hun feeën-kastelen ontvoeren, kenden ook de Oosterse +verhalen; met een Middeleeuws-Latijnse verzameling van zulke +geschiedenissen (de Delopathos) heeft een van die lais merkwaardige +punten van overeenkomst en die zelfde <span xml:lang="fr">lai (Guingamor)</span> schildert ook de +pracht van marmer en ivoor in dat slot en de muziekfeesten, met echt +Oosterse kleuren. Het einde van de historie, om er dat even bij te +voegen, is zeer karakteristiek. Wanneer de ridder daar drie „dagen” bij +die fee door heeft gebracht, begint hij naar huis te verlangen en wil +weg, maar nu vertelt de fee hem dat er reeds 300 jaar verlopen zijn en +zo vindt hij dan ook 't bos en alles heel anders wanneer hij weer in de +wereld terugkomt. Niettegenstaande dat de fee hem er tegen gewaarschuwd +heeft, eet hij toch onderweg van de vruchten van een appelboom en +daardoor valt plotseling de ouderdom op hem en wordt hij een oud +mannetje,—door van 't aardse voedsel te gebruiken is hij n.l. ook weer +onder de aardse wet der sterfelikheid gekomen,—evenals zij die naar 't +dodenrijk trekken ook aan de wetten daarvan onderworpen zijn, zodra zij +daar eten. (Verg. de appelen van Persephone en de sage van koning +Hadding uit Saxo).</p> + +<p><span class="pagenum" title="211"></span><a id="p_211"></a></p> + +<p>In de andere <span xml:lang="fr">lais</span> keert de ridder na een „<span xml:lang="fr">heure du berger</span>”, naar de +mensenwereld terug, maar nu is hij altijd rijk en opgewekt en heeft nog +steeds, wanneer hij maar wil, ontmoetingen met zijn geliefde; alleen +heeft de onderaardse schone hem verboden op straffe van haar te moeten +verliezen, iets van deze zaak te vertellen. Maar nu wordt ongelukkig de +koningin op de jonge ridder verliefd. Met haar vrouwen komt de koningin +de tuin in, waar de ridders dadelik de dames het hof gaan maken, maar +hij, de schoonste van allen, houdt zich alleen op een afstand; ofwel +komt de koningin eens door de voorhal waar zij hem bij het raam ziet +zitten schaak spelen, terwijl een zonnestraal daardoor op zijn +aangezicht valt en er een nieuwe glans op werpt. Zij laat hem roepen, +tracht hem te verleiden door hem haar liefde aan te bieden en is diep +gekwetst wanneer de jongeling die afwijst,—in een dier <span xml:lang="fr">lais</span> in de eigen +woorden van een lange passage uit Cicero's „<span xml:lang="la">De Amicitia</span>”. In onbeheerste +razernij barst de koningin nu in allerlei eerrovende beschuldigingen uit +(wij volgen hier de versie uit <span xml:lang="fr">Marie de France</span>, waar de gebeurtenissen +het natuurlikst met elkaar in verband schijnen te staan),—dat <span xml:lang="fr">Lanval</span> +zeker niet om jonge vrouwen geeft omdat hij natuurlik van knapen +houdt,—de dichteres zal dat wel uit de Roman van Aeneas hebben—en om +zijn eer te wreken komt <span xml:lang="fr">Lanval</span> er nu toe te zeggen dat hij een ander +liefheeft die veel schoner is. In een veel plompere, misschien wel +oorspronkelike versie is het de koning die bij een groot gastmaal, zijn +koningin geheel ontkleed op een bankje ten toon stelt, zoals Ahasverus +dat ook wilde, opdat de ridders haar kunnen bewonderen en haar gemaal +benijden; wat zij dan ook allen plichtschuldig doen, behalve onze jonge +ridder die, wanneer de koning hem uitvorst, er iets over los laat dat +hij er een kent die nog schoner is.—In beide gevallen moet de ridder +binnen een zekere vastgestelde tijd zijn bewering waar maken, anders +moet hij voor zijn brutale pocherij sterven. Wanhopend loopt hij nu +rond, niet alleen omdat hij nu sterven moet, maar ook wijl hij zijn +woord tegenover zijn geliefde gebroken heeft. Maar de laatste dag komt +er een prachtige stoet van maagden aanzetten die de bewondering der +hovelingen opwekken en ten slotte de feeënkoningin op een wit paard, in +een wit gewaad, maar zo dat haar gehele lichaam door alle aanwezigen te +zien komt,—Venus noch Dido noch Lavinia waren schoner dan zij,—zo +wonderbaarlik schoon is zij dat allen erkennen moeten dat de jonge man +niet gepocht heeft. Maar hij blijft apart staan, omdat hij zich<span class="pagenum" title="212"></span><a id="p_212"></a> schaamt +over zijn gebroken belofte en zij is dan ook eerst niet geneigd hem +genade te schenken, maar 't eindigt er toch mede dat hij met haar +meegaat naar het feeënrijk en nu voor goed.</p> + +<p>Ook dit alles: dat de ridder naar de mensenwereld teruggaat, zich zijn +geheim laat afpersen, enz., wordt in Oosterse sprookjes van de fee +Peribanu verteld; er is hier verband met Griekse mythen van Amor en +Psyche en de Duitse sagen over <span xml:lang="de">Tannhaüser</span> in de Venusberg. Even duister +als de sage zelf is voorlopig ook nog het verband tusschen de +verschillende vormen er van. Wat het omgekeerde geval betreft van een +aardse vrouw die een onsterfelike man toebehoort, in die klasse valt +<span xml:lang="fr">Marie de France's lai</span> over <span xml:lang="fr">Yonec</span>. Maar hier is de bewerkster zich maar +half bewust dat zij met een onsterfelike te doen heeft en dat het land +in kwestie het hiernamaals is; de personen uit die sage maakt zij, +zonder het echter geheel van de mystiek te ontdoen, tot echte gewone +mensen en ridders.</p> + +<p>De jonge echtgenote van een ridder is in een toren opgesloten en +„verspilt haar schoonheid met tranen”. Op een morgen in de maand April +ligt zij klagend naar de heldere zon te kijken. Dat die akelige jaloerse +oude man van haar dan ook nooit schijnt te kunnen sterven. Dat er dan +ook nooit bij haar eens een van die ridders komt, waar men hier in +Bretanje altijd van spreekt, die de dames komen „troosten” zonder dat +hun reputatie daar onder lijdt. Op 't zelfde ogenblik dat zij die wens +uitspreekt, ziet zij in 't venster de schaduw—zeer schilderachtig wordt +dit verteld—van een grote vogel, die vlak daarop de kamer in komt +vliegen. Zodra de vogel en zij elkaar aankijken, wordt hij tot een +ridder (in de „<span xml:lang="fr">Oiseau Bleu</span>” en ook in een Deens volkslied en een +sprookje komt dat zelfde motief voor); nooit, beweert hij, heeft hij +iemand anders dan haar liefgehad, maar hij zou zijn rijk niet hebben +kunnen verlaten en bij haar komen indien haar wens hem niet geroepen +had. Hier zien wij duidelik 't mytiese dat hier aan ten grondslag ligt, +en de dame durft zich niet met hem inlaten, vóór zij de zekerheid +verkregen heeft dat hij geen kwade geest is, nu weet de kristelike +auteur er zeer naïef en onbeholpen niets beter op dan de ridder het H. +Avondmaal in de toren te laten gebruiken! Dan schenkt de vrouwe hem haar +liefde en—evenals de fee bij de ridder,—komt hij van nu af telkens +wanneer zij dat wenst; alleen moet hij zorgen dat nooit iemand hem ziet. +Lang genieten zij nu van elkaars omarmingen, totdat de echtgenoot zich +er over begint te verbazen dat de schoonheid van<span class="pagenum" title="213"></span><a id="p_213"></a> zijn troosteloze vrouw +nu op eens weer zo opbloeit; hij laat haar bespieden en als hij hoort +dat er dikwels een grote vogel bij haar komt, laat hij ijzeren punten in +'t raam slaan. En wanneer de vogelridder dan de volgende keer komt heeft +hij zich bezeerd en valt bloedend op haar bed neer, evenals in de Deense +ballade, de knaap <span xml:lang="fr">Germand</span> in zijn veêren kleêren tot zijn geliefde komt, +alleen om te sterven, daar de harpij onderweg zijn hartebloed gedronken +heeft. Ook de ridder zegt dat hij nu naar huis moet vliegen om in zijn +eigen rijk te sterven, maar zij zal een zoon baren die hem zal wreken. +Met kreten van smart springt zij hem uit het raam na; in haar hemd volgt +zij zijn bloedige sporen; het wordt een lange tocht—men begrijpt dat +het oorspronkelik de reis naar het doodsrijk was die zij daar +ondernam,—door een bergengte... over met bloed besprenkelde weiden... +door een stad waar geen mens op straat te zien is... tot in een kasteel +waar zij hem stervend te bed vindt liggen. Maar zij mag dáar niet +blijven, zegt zij, als de mensen haar zagen zouden zij haar afmaken +omdat zij schuldig is aan zijn dood; maar hij geeft haar een ring die +maakt dat haar man niets van haar afwezigheid zal merken, en een zwaard +dat zij aan hun zoon moet geven om daarmeê zijn dood te wreken...</p> + +<p>Meer en meer verdwijnt de Keltiese achtergrond uit de vertellingen van +<span xml:lang="fr">Marie de France</span>. Een bezoek in het feeënrijk is oorspronkelik ook wel +het onderwerp van de <span xml:lang="fr">Lai</span> van <span xml:lang="fr">Guigemar</span> geweest, maar de gehele +détail-schildering wijst in de richting van de Grieks-Oosterse kunst. De +jonge <span xml:lang="fr">Guigemar</span> die altijd de liefde van zich afgeworpen heeft, schiet +eens op de jacht op een witte hinde, maar de pijl slaat op hem zelf +terug en verwond hem,—blijkbaar is de hinde door een fee gezonden om +hem voor zijn gevoelloosheid te straffen, evenals Amor bij Ovidius de +god van de jacht treft omdat die de liefde veracht heeft. En de hinde +voorspelt hem dat slechts een trouwe liefde hem zal kunnen genezen. +Somber dwaalt <span xml:lang="fr">Guigemar</span> nu van zijn mannen af om bij het zeestrand een +prachtig wonderschip te treffen,—er is niemand aan boord. Nieuwsgierig +maar niet zonder enige angst gaat hij er heen en vindt daar een prachtig +bed (het wordt beschreven zo prachtig als dat van Salomo in het Hooglied +en dat van Hektor in de roman van Troje), hij gaat er even op liggen +omdat hij door zijn wonden vermoeid is en als hij weer opstaat is hij al +in het ruime sop. Dat soort van tover-mystiek is echt Kelties. Hij landt +aan de voet van een groene marmeren toren. Daar houdt<span class="pagenum" title="214"></span><a id="p_214"></a> een oude man zijn +vrouw gevangen, slechts een jong meisje en een oude ontmande klerk zijn +daar bij haar,—dat zijn natuurlik voorstellingen van een harem en +eunuchen die de dichteres hier voorzweefden. De twee vrouwen vinden de +jongeling op dek liggen slapen; hij lijkt dood, maar als de jonge vrouw +haar hand op zijn borst legt, merkt zij dat die nog warm is, nu slaat +hij ook zijn ogen op en zij brengen hem binnen waar hij in het bed van +de maagd gelegd en goed verzorgd wordt. <span xml:lang="fr">Marie</span>, die voor alles allerlei +zedige omschrijvingen weet te vinden en die altijd in de kleinste +kleinigheden de zedigheid in acht neemt, laat ze een mantel als een +gordijn voor dat bed hangen, want er is maar één kamer in die toren. Nu +vergeet hij al heel gauw zijn wonden, maar hij wordt daarentegen nu door +de liefdepijl getroffen, en de jonge vrouw niet minder. Het meisje helpt +ze, en ofschoon hij zich eigelik erg geneert,—want, zegt de +sentimentele <span xml:lang="fr">Marie de France</span>, hij was niet een van die lichtzinnige +ridders die de ware liefde bespotten—waagt hij 't eindelik met zijn +gevoelens voor den dag te komen. Eerst wijst zij hem lachend af,—zij +moet van Antigone uit de roman van Thebe geleerd hebben dat men eerst en +vooral moet tonen er niet „zo maar één” te zijn die men met een natte +vinger kan lijmen; maar de ridder antwoordt, en het is <span xml:lang="fr">Marie</span>'s eigen +fijne vrouwelikheid die door zijn woorden spreekt,—: „Vrouwe, wees niet +boos dat ik dit zeg. Een lichtzinnige vrouw moet zich lang laten smeken +om haar waar op prijs te stellen, opdat men gelove dat het de eerste +keer is dat zij zich lokken laat. Maar een edele vrouw, die een man +vindt van wie zij houdt, heeft zich niet trots op een afstand te houden, +maar mag hem liefhebben en zich met hem verheugen.” De dame geeft dan +ook al heel gauw toe, en zij kussen elkaar en omhelzen elkaar en „wat +daar verder zo bij hoort”. Maar de echtgenoot krijgt de lucht van wat er +in die toren gebeurt en <span xml:lang="fr">Guigemar</span> moet nu vertrekken. Wederkerig geven +zij elkaar beloften van trouw, maar hij legt toch een kuisheidsgordel om +haar lijf—dat wijst ook op Asië en Aegypte—en zij legt een knoop in +zijn hemd die zij alleen los zal kunnen maken... Verder horen wij hoe +beiden hun trouw bewaren, hoe zij haar man verlaat en bij een andere +ridder in huis komt die tracht haar in zijn macht te krijgen, maar hij +kan haar gordel al evenmin los krijgen als alle vrouwen van Bretagne de +knoop in 't hemd van <span xml:lang="fr">Guigemar</span> los kunnen maken. Ten slotte vinden zij +elkaar en worden ze verenigd,—aandoenlik wordt geschilderd hoe zij +elkaar gaandeweg <span class="pagenum" title="215"></span><a id="p_215"></a>herkennen, fijn is ook de droefheid beschreven van de +ridder in wiens huis zij opgenomen was geworden en die nu getuige is van +de vreugde van hun wederzien. Ook hierin is er veel dat aan +Grieks-Oosterse romans herinnert met hun verliefde maar toch zo humane +despoten...</p> + +<p>Over 't algemeen put <span xml:lang="fr">Marie</span> nu langzamerhand haar stof zo wat uit alle +bronnen, terwijl zij die alleen maar in Engeland of Bretagne lokaliseert +en er haar zachte sentimentele geest in legt. Zij neemt b.v. een +vulgaire anekdote over echtbreuk en een geliefde die zich in een badkuip +aan het kokende water brandt, maar brengt die in hoger sfeer over, door +er een sentimentele troubadour-liefde in te leggen en vol aandoening het +ongelukkig einde der gelieven te bewenen. Zij neemt een verhaal dat in +'t middeleeuws Latijn voorkwam en van Oosterse oorsprong schijnt, over +de jalousie van een echtgenoot die zo hevig was dat hij eens een +nachtegaal door vier paarden in stukken deed rijten omdat haar gezang +zijn vrouws hart in tederheid deed smelten en haar zo tot liefde +verlokte. Daar maakt zij nu een aandoenlike kleine natuur-romantiese +geschiedenis van: De echtgenote van de ridder en haar vriend zitten in +een nacht vol maneschijn elk voor zijn venster naar elkander te kijken +en naar 't gezang van de nachtegaal te luisteren—hun tuinen grenzen aan +elkaar, zij kunnen nu met elkaar spreken maar zij zijn nog nooit samen +geweest. De ruwe echtgenoot is boos dat zijn vrouw 's nachts zo dikwels +opstaat en naar 't gezang der vogelen luistert,—'t is de nachtegaal +zegt zij n.l. die maakt dat zij geen oog dicht kan doen—en daarom zet +hij een vogelknip voor de verstoorder van zijn vrede uit en eens op een +dag kan hij vol triomf haar de bloedige vogel in de schoot werpen. Maar +de dame zendt het kleine lichaampje in fluweel gehuld naar haar vriend +met de boodschap dat zij nu niet langer 's nachts bij het raam durft te +gaan zitten en hij legt het lijkje in een gouden kistje en draagt het +als een herinnering op zijn borst...</p> + +<p>Helemaal tot kleine romans groeien ten slotte hier de vertellingen aan, +die naar het schijnt niets Kelties in zich hebben en waar het overdreven +fantastiese geheel op de achtergrond treedt voor de zuiver menselike +hartegevoelens. Beide handelen ze over vrouwen wier liefde zo vol +zelfverlochening is dat zij zich voor het geluk van hun geliefde +opofferen door voor een andere vrouw plaats te maken. Maar het is zeker +<span xml:lang="fr">Marie</span>'s eigen gevoelige idealisme, dat dit in de onderwerpen gelegd +heeft die zij opvatte.</p> + +<p><span class="pagenum" title="216"></span><a id="p_216"></a></p> + +<p>Overal in alle landen treft men verhalen—die misschien op een oud +sprookje terug gaan—van de jonge vorstendochter die bestemd was om de +bruid van een prins te worden, maar die dan juist daar vóor geschaakt +wordt en die dan na velerhande avonturen pas herkend en erkend wordt +juist op 't ogenblik dat een van haar zusters met de vorst trouwen zou +voor wie zij zelf bestemd was. Uit dit motief is het gedicht van <span xml:lang="fr">Marie</span>, +De Esch—„<span xml:lang="fr">Le Fraisne</span>”—ontstaan. Het is een vondeling, die Esch heet +naar de boom waaronder zij gevonden werd,—zij wordt in een klooster +opgevoed, maar heeft een vorst lief die in de buurt woont en vlucht uit +het klooster om op zijn slot als zijn bijzit te gaan leven. Zij zijn +zeer gelukkig samen, maar dan verlangen ongelukkig de baronnen van de +vorst dat hij nu een huwelik in zijn stand aan zal gaan om een erfgenaam +het leven te geven. Hij wordt er dan ook toe gebracht om de hand van de +dochter van een zijner ridderlike naburen te vragen. De bruiloft wordt +vastgesteld en de moeder komt naar het kasteel om de voorbereidselen te +treffen en o. a. om de bijzit weg te jagen. Maar ze wordt verrast en +geheel ingenomen door de liefelikheid van het jonge meisje, dat zacht en +geduldig aan alles medehelpt, zijn dienaars zegt hoe hij gewoon is het +te hebben, ook b.v. zelfs zijn bruidsbed helpt gereed maken „want dat +wist zij zo heel goed” en als zij geen linnengoed vindt dat mooi genoeg +is voor hem, gaat zij zelf van haar eigen linnengoed uit haar kast +halen. Maar wat zij daar nu uithaalt is juist het goed waar zij in +gewikkeld was toen zij in 't klooster opgenomen was. En—de moeder van +de bruid kijkt en kijkt,—ze kent dat goed! Dat was 't zelfde linnen +waarin zij zo lang geleden haar eigen kind te vondeling legde, toen zij +niet had durven erkennen dat zij een tweeling gekregen had, omdat zij +altijd volgehouden had dat dit op ontrouw van de vrouw duidde. „Esch” is +dus haar eigen kind, de tweelingzuster van de bruid (Hazel)... En nu +komt er verklaring en vreugde,—gejubel!—en Esch wordt de bruid in +plaats van haar zuster.</p> + +<p>Het is de zachte vrouwelikheid, de aandoenlike verzaking van de liefde +die hier verheerlikt wordt—zoals die reeds in talrijke legenden van +vrouwelike heiligen door het Kristendom verheerlikt was geworden, zowel +als in de Indiese en Griekse poëzie. Maar zo lang als de opoffering aan +een Godsvrucht te danken was die zich van de wereld afwendt, zolang de +stempel van de slavernij nog op de vrouw drukte, kon de verzaking niet +het karakter van<span class="pagenum" title="217"></span><a id="p_217"></a> die vrijwillig verlochenende liefde dragen als hier in +„<span xml:lang="fr">Fraisne</span>”. Na <span xml:lang="fr">Marie de France</span> wordt de geduldige Geliefde een +lievelingstema voor de poëzie der middeleeuwen en ook van de latere +tijd; de verwantschap met de lais van Marie laat zich vooral niet +lochenen voor de schone Engelse en Noordse balladen van „De schone +Anna—<span xml:lang="en">fair Annet</span>”.</p> + +<p>In het Deense volkslied is de ridder blijkbaar van plan ze alle beiden +aan te houden, en hij vraagt kalm zijn bruid wat zij zijn „<span xml:lang="dk">fryndinne</span>” +voor geschenk denkt te geven en omgekeerd. In de tijd van de +kruistochten, kwam het, zoals wij al gezien hebben, dikwels genoeg voor +dat de echtgenote meer of minder vrijwillig zich in een soort <span xml:lang="fr">ménage à +trois</span> moest schikken, wanneer haar ridder van zijn reizen met een vrouw +thuis kwam die hij in verre landen gehuwd had. Dat is het tema van de +grootste en fijnst uitgevoerde vertelling van <span xml:lang="fr">Marie de France</span>, die van +Eliduc.</p> + +<p>Ridder Eliduc van Bretagne heeft zijn vrouw en zijn haardstede moeten +verlaten en is naar Engeland getogen waar hij de Koning van Exeter in de +oorlog gevolgd is. De koningsdochter wordt op hem verliefd en spreekt +vriendelik met hem en ook de ridder kan van zijn kant niet nalaten naar +de zoete woorden der prinses te luisteren, maar wil zijn vrouw toch niet +vergeten. De prinses zendt hem een kamerjonker met geschenken om te zien +of hij haar lief heeft,—zó kan men nu eigelik niets er over te weten +komen, voegt de dichteres er met een zekere skeptiese mensenkennis aan +toe, die dikwels door haar sentimentaliteit heen breekt; nog nooit zag +ik een ridder die geen geschenken aanneemt. Levendig als bij Ovidius +wordt de twijfel der prinses beschreven, of zij die geschenken durft +zenden of niet, en haar ongeduld om 't resultaat te horen. Eliduc neemt +alles aan, maar zegt „niets zonder dank” en biedt de boodschapper geld; +zo weet de Prinses nog niet wat zij geloven moet. Zij heeft n.l. geen +idee dat ook het hart van de ridder in diepe nood verkeert, hij kan niet +meer voor zich zelf verbergen dat hij haar lief heeft, maar toch wil hij +zijn trouw jegens zijn echtgenote bewaren. En hij wil ook wel op goede +voet met de prinses staan en haar eens kussen, maar ook niets meer. Eens +zit de koning schaak te spelen en laat zijn dochter binnen komen om +Eliduc bezig te houden. Zij gaan apart in een hoek van de zaal +zitten—de scène doet denken aan die tusschen Jason en Medea in de roman +van Troje—zij zijn beiden wat gegeneerd en 't gesprek vlot volstrekt +niet. Eindelik stamelt hij een woord van dank voor haar geschenken<span class="pagenum" title="218"></span><a id="p_218"></a> en +nu biecht zij op dat zij die zond, omdat zij hem lief heeft en niemand +anders wil hebben. Hij legt zijn gevoelens nu ook bloot maar—voegt er +bij—wanneer de oorlog gedaan is moet hij naar huis terug. Zij legde +zich daar bij neer en van toen af zagen zij elkaar dikwels en hielden +veel van elkander.</p> + +<p>Maar nu wordt Eliduc naar Bretagne teruggeroepen, omdat zijn eigen +koning zijn hulp tegen hun vijanden nodig heeft. Hij moet weg. Het doet +hem verdriet voor zijn vriendin, maar er is niets tussen hen geweest dan +vriendelike woorden en gaven, geen dwaasheden of iets oneerbaars, maar +zij die niet wist dat hij getrouwd was, bleef hopen. Men ziet hoe fijn +de kleuren gemengd zijn, hoe delicaat Marie de halfheid in de verhouding +weet te tekenen: hij heeft de eerste schrede niet gedaan, alleen is hij +niet sterk genoeg geweest om de avances der jonge dame af te wijzen; hij +heeft alles nog binnen de grenzen van het fatsoen weten te houden, maar +heeft 't niet over zich kunnen verkrijgen te zeggen dat hij daar ginds +in den lande van overzee getrouwd was. Nu voelt hij met smart dat het +hart van een hunner of misschien wel van beiden bij de scheiding moet +breken, en besluit alles aan de beslissing van de prinses zelf over te +laten. Eerst neemt hij afscheid van de Koning en gaat dan naar de +dochter om haar alles te vertellen. Maar ongelukkig valt zij dadelik in +zwijm zodra zij van afscheid nemen hoort spreken en nu kan onze held +niet anders doen dan haar in zijn armen nemen en kussen: „Mijn zoete +vriendin, laat ik U alleen dit maar zeggen: gij zijt de mijne in leven +en dood.” Haar dadelik meenemen—wat zij eigelik wilde—kan hij niet; +hij staat in haars vaders diensten dat zou trouwbreuk zijn; wel kan hij +terugkomen als hij een vrij man is en dan kan hij haar schaken, zonder +dat zijn eer daar onder lijdt. Nu wisselen ze ringen, kussen elkaar... +en zo zijn al zijn schone voornemens door haar tranen gesmolten—zoals +het de man zo dikwels gaat die komt om zulk een verhouding af te breken.</p> + +<p>Eliduc komt thuis en wordt door allen goed ontvangen, vooral door zijn +trouwe echtgenote; maar hij loopt stil en in overpeinzingen rond en zij +vraagt in haar verdriet of iemand haar misschien belasterd heeft. Als +hij nu zijn koning bijgestaan heeft, gaat hij, zoals hij beloofd heeft, +naar Exeter terug en schaakt daar de koningsdochter. Er steekt een storm +op zee op en de bemanning mompelt iets over—even als in de geschiedenis +van Jonas—dat er zeker een schuldige aan boord is, die geofferd zal +moeten worden;—natuurlik is zij dat, de vrouw die 't met een getrouwde<span class="pagenum" title="219"></span><a id="p_219"></a> +man houdt. De prinses bezwijmt van schrik, ook omdat zij hoort dat hij +gehuwd is; woedend slaat Eliduc de schipper tegen den grond en neemt +zelf 't roer over, hij weet het schip ook veilig aan land te brengen, +maar... zijn geliefde ligt daar nog altijd dood voor hem. Wanhopend +neemt hij haar in zijn armen en draagt haar naar een verlaten grafkapel +waar hij haar voor 't altaar op een baar legt; hij heeft de moed niet +het lichaam te begraven, lang blijft hij over haar gebogen zitten klagen +en zweert dat hij nooit meer wapenen zal dragen, maar monnik wil worden. +Als zij hem niet lief had gehad, zucht hij, had zij nu een koningskroon +gedragen... Nu rijdt hij naar huis, maar altijd keek hij even somber en +elke morgen na de mis reed hij naar die kapel en ging bij 't lijk van +zijn geliefde zitten die merkwaardig genoeg er altijd even fris en +schoon uitzag. Zijn bedroefde vrouw laat haar man's wegen bespieden en +in gezelschap van een dienaar gaat zij eens de kapel binnen, waar zij +het meisje ziet liggen als een pas ontloken rozenknop; zij neemt het +lijkkleed weg en bewondert haar schone lichaam. Zij verbaast zich nu +niet meer over de smart van haar man en heeft innig medelijden met hem; +droef geresigneerd voelt zij ook heel goed dat zij zijn liefde nooit +meer terug zal kunnen krijgen. Wenend zit zij bij het lijk van haar +mededingster,—een situatie vol grootse, dichterlike schoonheid. Daar +komt in de stilte een wezel aanlopen over de stenen in de vervallen +kerk. Haar dienaar slaat die met een stok dood. Maar 't duurt niet lang +of het vrouwtje van de wezel komt met een rode bloem in haar mond +aanlopen en zodra zij het mannetje daarmee aangeraakt heeft, is die weer +levend. (Een natuurmerkwaardigheid waar klassieken zowel als Oosterse +schrijvers van weten te vertellen). Nu beveelt de vrouw haar dienaar de +rode bloem op te nemen, nauweliks heeft zij die op de lippen der +afgestorvene gelegd of die ontwaakt met een diepe zucht uit haar lange +slaap. Maar wat volgt is nog schoner; de vreemdelinge klaagt haar nood, +hoe zij een man lief heeft gehad en met hem gevlucht was en hoe zij toen +hoorde dat hij getrouwd was; de vrouw van de ridder moet haar nu zelf +troosten door te vertellen hoe innig veel verdriet die man hier over +heeft en hoe weinig hij van zijn echtgenote houdt. Zij heeft al dadelik +haar besluit genomen; die twee moeten elkaar toebehoren, zij zal zelf de +sluier aannemen. Dat weet de heldhaftige vrouw ook door te zetten en +Eliduc „<span xml:lang="fr">dulcement sa femme mercie</span>”, wat werkelik ook niet te veel is. +Maar 't duurde niet lang—eindigt de dichteres<span class="pagenum" title="220"></span><a id="p_220"></a> die hier enigsins +kristelik begint te worden en schijnt te vinden dat Eliduc er wat al te +gemakkelik af is gekomen—of hij volgde met zijn prinses het voorbeeld +van de vrouw en zij gaan ook in een klooster. En in het klooster +ontvangt de echtgenote haar opvolgster als een zuster!</p> + +<p>Waar <span xml:lang="fr">Marie de France</span> deze geschiedenis misschien vandaan heeft, is niet +van veel belang; zoals zij die hier vertelt, zonder sterke kleuren en +zonder diepe kracht, met een licht lopende damespen, is het toch wel +degelik haar eigen werk geworden; er zit in die vertelling juist dat +mengsel van voorname wereldlikheid en fijne, ironiese zielekennis, van +een gevoelvol verheven menselikheid en fijn, subtiel moreel gevoel,—die +ook later weer de echt Franse liefderoman zal karakteriseren.</p> + +<p>De <span xml:lang="fr">Lais</span> van <span xml:lang="fr">Marie de France</span> vormen daartoe de bekoorlikste inleiding.</p> + +<h2><a id="XVI"></a>XVI.</h2> + +<p class="subh2">TRISTAN EN ISOLDE.</p> + +<p>Uit vele van die populaire speelmanslais ontstonden romans. Van de +liefde van Tristan en Isolde is er gezongen en gedicht in die oude <span xml:lang="fr">lais</span>, +waardoor die paar gelieven uit Cornwall reeds aan de oudste Provençaalse +troubadours bekend waren. En weldra stonden zij voor de middeleeuwen als +omstraald door een nog hogere poëzie dan zelfs Floris en <span xml:lang="fr">Blanchefleur</span> of +Aeneas en Dido in de oudheid. „Nooit,” heet het in de oudste versie, die +men heeft kunnen opdiepen (Berol's bron), „hadden anderen elkaar zo lief +en kochten de liefde zo duur.” Het noodlot had ze door één teug aan +liefde en ongeluk gewijd, en zo stond het paar voor alle gevoelige +harten met een dubbele aureool omgeven; hun liefde was misdadig, altans +volgens de vromen van de Ridderromantiek, maar ze waren toch enigsins te +verontschuldigen door het onwederstaanbare van hun schone passie en ze +werden toch ook door al hun ellende gelouterd. Evenals St. Preux en +Julie of Werther en Lotte voor hun tijdgenoten, waren Tristan en Isolde +voor de middeleeuwen martelaars der liefde, onschuldige offers van de +moraal der burgerlik kristelike maatschappij,—maar in de ogen van alle +jongeren was hun lot toch eigelik benijdenswaardig, en stonden ze toch +in geluk ver boven dat van de gewone burger.</p> + +<p><span class="pagenum" title="221"></span><a id="p_221"></a></p> + +<p>Geen motief is zo dikwels in de romans gebruikt geworden als dit, maar +er heeft een merkwaardig noodlot op de overlevering er van gerust. Van +de oudste versies is er geen een over; de oudste die wij hebben zijn +fragmenten van twee Franse berijmde romans die uit 't Anglo-Normandiese +rijk stammen, die van Berol en van Thomas, uit de jaren 1160–1170; dan +zijn er een paar latere Franse berijmde bewerkingen verloren gegaan, +maar wij hebben een proza-roman uit de 13<sup>de</sup> eeuw over; in 't Duits +bestaan er berijmde bewerkingen van Eilhart v. Oberge (1190) en Gotfried +van Strassburg (ongeveer 1210) en twee vervolgen; vervolgens is er een +Middel-Engels-gedicht, Sir Tristrem, een IJslandse sage en enkele late +volksboeken. Met grote kunst heeft de Franse filologie echter aan +Frankrijk van dit alles teruggegeven wat haar toekomt, door de vreemde +versies in twee groepen in te delen, die respektievelik op Berol en +Thomas terug gaan, en heeft uit wat aan de versies van elke groep gemeen +is, de twee Anglo-Normandiese romans kunnen rekonstrueren om de paar +fragmenten heen die wij er feitelik alleen maar van bezitten. Zij +zijn—zoals wij zagen—omtrent van de tijd van Marie de France. Berol is +meer populair en die staat waarschijnlik ook wel dichter bij 't +oorspronkelike. Thomas is meer ridderlik. Terwijl 't vooral Eilhart is +die ons Berol kan helpen reconstrueren, hoort zowel de roman van +Gotfried, als die van Sir Tristrem en de IJslandse sage tot de groep +afstammelingen van Thomas. De groei van de Ridderromantiek laat zich +heel goed volgen als men de twee groepen Berol-Eilhart en +Thomas-Gotfried met elkaar vergelijkt.</p> + +<p>Dat er oorspronkelik een sage uit Cornwall of uit West-Schotland aan ten +grondslag ligt, staat buiten alle twijfel. Ook is 't zeker dat er zich +al heel vroeg om die oorspronkelike sage-stam andere motieven en +anekdoten geslingerd hebben, tendele reeds op Keltiese grond, maar ook +later in de Franse versies, uit de oudheid en het Oosten, uit Frankrijk +zelf en uit Duitsland. Zoals het werk van Berol en Thomas eeuwen lang +alle landen rond is getrokken, kan de stof door zijn hele kleur en toon +maar tot zekere hoogte Kelties genoemd worden. Reeds de namen zijn +kosmopolities. Iseut beschouwen sommigen als Germaans evenals andere +vormen met Is-, misschien voor Ishilde, maar in elk geval is de naam al +zéér spoedig als Kelties gevoeld; haar vader Gormond heeft zeker een +Scandinaviese naam, ook Morolt lijkt Germaans. <span xml:lang="fr">Blanchefleur</span>, Tristan's +moeder is natuurlik Frans, Isolde's dienstmaagd <span xml:lang="fr">Brangién</span><span class="pagenum" title="222"></span><a id="p_222"></a> (= witborst) +daarentegen Kelties. Marc, de oom is Kelties en betekent paard; dat +heeft aanleiding gegeven tot het sprookje dat hij paardenoren had,—een +trek die in vele volkssagen voorkomt, maar nu wordt ook de geschiedenis +van koning Midas zijn ezelsoren en het geheim dat hij aan 't riet +toevertrouwde op koning Marc overgedragen. Eindelik is Tristan +oorspronkelik Kelties (Drostan, maar de gelijkenis met 't Frans „<span xml:lang="fr">triste</span>” +heeft invloed op de naam gehad en een zeker elegies-tragies kleurtje +over de Franse Tristan gelegd die Drostan uit Cornwall zeker miste). Die +Drostan schijnt een held van 't zeer populaire „<span xml:lang="de">Schlau-kopf</span>”-type +geweest te zijn—gelijk Odysseus of Jakob uit de Bijbel—een slimme +schelm, die door het noodlot vervolgd wordt, maar handig en gewikst zich +door alles heen weet te slaan. Hij was de duizend-kunstenaar die zwemmen +kon, vechten, draken doden, die kon springen zo hoog als niemand anders +(in Cornwall wees men de rots waarvan hij zijn enorme beroemde sprong +gedaan had); een man even uitstekend als jager als in de kunst het wild +te bereiden, als harpspeler als in de kunst om vogelenstemmen na te +bootsen. En de verhouding waarin hij tot de vrouw van zijn oom stond was +slechts een van de wijzen waarop het noodlot hem vervolgde, maar waarop +hij ook zijn listige streken kon vertonen.</p> + +<p>Er is een voorhistorie over de afstamming en de jeugd van Tristan, maar +die er later aan toegevoegd schijnt, op motieven zo wat van alle kanten +bijeengeschraapt en in een ridderlike en sentimenteel-avontuurlike geest +geschreven. Een ridder uit Wales of Bretagne houdt zich een tijd aan 't +hof van koning Marc op, de beroemde legendariese koning van Cornwall of +Engeland. De zuster van de koning wordt op hem verliefd—de naïeve +monologen en koket-sentimentele gesprekken doen aan de Aeneas-roman +denken—terwijl hij na een gevecht gewond is, wordt zij in 't geheim en +onder tranen bij hem zwanger, dan vlucht zij met hem naar zijn eigen +land. Maar daar valt hij nu in de strijd tegen zijn vijanden, die nu +zijn goederen in bezit nemen en de wanhopende weduwe baart nu in smart +de in smart ontvangen zoon, die bovendien bij de geboorte zijn moeder +het leven kost. Tristan werd de erveloze knaap genoemd en zijn leven zal +die naam der smarte waar maken. In 't geheim door een trouwe dienaar +opgevoed, wordt hij door kooplieden met een schip ontvoerd, maar weet te +ontvluchten en aan land te komen,—bij koning Marc, waar hij aan 't hof +in grote gunst komt. Ten slotte wordt 't hem en de koning bekend wie hij +eigelik is en de koning<span class="pagenum" title="223"></span><a id="p_223"></a> stelt zijn neef tot erfgenaam over zijn rijk +aan; maar eerst trekt de jonge held er op uit om zijn vaderlik erfdeel +terug te winnen, alleen echter om dat land aan zijn trouwe pleegvader +over te dragen. In de volkssagen en de heldenpoëzie zijn er veel helden +aan wier jeugd dit alles sterk herinnert, maar ook met de roman van +Appolonius van Tyrus en die van Ruodlieb heeft onze geschiedenis menige +trek gemeen.</p> + +<p>En nu begint de eigelike roman daarmede dat Tristan, als hij weer naar +'t rijk van koning Marc teruggekomen is, het heldenstuk uitvoert om in +een tweegevecht de reus Morolt te doden, die uit Ierland gekomen was om +het jaarlikse tribuut voor zijn zwager, de koning van Ierland en de +Romeinse senaat op te eisen. Hier als ook nog elders is duidelik de +kroniek van <span xml:lang="en">Geoffrey</span> van <span xml:lang="en">Monmouth</span> gebruikt en wel naar de Franse +berijmde bewerking van <span xml:lang="fr">Wace</span>; het motief is bovendien algemeen genoeg in +de heldenpoëzie. Het wordt een duel, volgens alle regelen van de kunst +op een eiland gevochten. De reus wordt door een geweldige slag op zijn +voorhoofd geveld—een stuk van Tristan's zwaard blijft hem in de schedel +zitten—maar hij krijgt nog net de gelegenheid zijn overwinnaar een houw +met een vergiftigd zwaard te geven en er stervend bij te voegen dat +alleen zijn eigen zuster, koningin Isolde van Ierland, dit genezen kan.</p> + +<p>Nu wordt Tristan ernstig ziek,—niemand kan zijn wonden helen, waar +bovendien een onuitstaanbare stank uit opstijgt,—iets wat Gotfried +overslaat omdat „zo iets niet goed past in de hoofse toon”. Gelijk +gewonde helden dat in de Keltiese sage dikwels doen, legt hij zich op +een schip en laat dat maar ergens heendrijven; het komt in Ierland +terecht. Men ziet hoe weinig doorwerkt de stof is, hij wist n.l. zelf +dat hij dáár alleen genezing zou vinden. Als degeen die de dood van +Morolt op zijn geweten heeft, durft hij zich toch niet te kennen te +geven; hij verkleedt zich nu weer als koopman, of—zoals de ridderlike +versies 't liever voorstellen—als een harpspeler en komt zo in het +paleis van de koning waar hij zich Tantris noemt en door de koningin +verzorgd en genezen wordt. Uit dankbaarheid daarvoor geeft, volgens de +ridderlike bewerking, Tantris aan 's konings dochter Isolde les in het +harpspel, in de kunst lais te dichten, in het schrijven en in goede +manieren (<span xml:lang="la">moralitas</span>), zodat haar vader zijn gasten dikwels door zijn +jonge dochter kon laten bezighouden. Steeds bevreesd dat hij herkend zal +worden, vertrekt Tristan terstond als hij zich weer beter voelt, +ofschoon de<span class="pagenum" title="224"></span><a id="p_224"></a> koningin de wellevende vreemdeling graag nog wat gehouden +had.</p> + +<p>Nu leefde Tristan weer aan het hof van Koning Marc. Maar de baronnen die +jaloers op Tristan zijn dat hij de troon zou erven, brachten er de +koning toch nog toe weer een vrouw te zoeken. Alleraardigst is een hier +ingevoegd sprookjesmotief. Terwijl zij bezig zijn de Koning over te +halen, fladderen een paar zwaluwen het venster binnen en een daarvan +laat een goudgeel vrouwenhaar uit zijn bek vallen. De Koning raapt het +op en zegt dat als hij dan toch trouwen moet, dan wil hij de jonkvrouw +hebben aan wie dat haar toebehoort. En Tristan neemt op zich de schone +met het gouden haar voor hem te gaan vinden, die niemand anders blijkt +dan de prinses van Ierland. Maar de ridderlike bewerkingen verwerpen +deze trek als een onwaardige uitvinding der speellieden; Tristan zelf +had bij zijn thuiskomst de schoonheid van de jonge Isolde in zulke hoge +tonen geprezen en bovendien wensten de baronnen Tristan juist naar +Ierland te zenden omdat zij wisten dat er daar levensgevaar voor hem +schuilde.</p> + +<p>Zo trekt Tristan daar nu weer heen, te midden van het gevaar. Hij kwam +op een gunstig oogenblik. Een draak hield juist vreselik op het eiland +huis, elke dag moest er een jonge maagd aan hem geofferd worden en de +Koning had laten weten dat hij die de draak wist te dooden, de prinses +ten huwelik zou krijgen,—een in de Griekse en Germaanse sagenwereld +zeer bekend motief. Tristan, gelijk gewoonlik als een koopman verkleed, +trekt er incognito op uit en doodt het monster door een stoot in zijn +muil—in het hart zegt <ins class="corr" id="corr29" title="Bron: Golfried">Gotfried</ins> meer in overeenstemming +met ridderlike opvattingen—snijdt zijn tong uit en steekt die in zijn +broekzak—legt die op zijn borst, zegt Gotfried, maar—nu trekt het +vergif zijn lichaam door en niet ver van de draak valt Tristan zelf in +zwijm. De Seneskalk des konings, een slecht mens, komt langs het lijk +van de draak, en eigent zich de eer toe die gedood te hebben, rijdt vol +triumf naar huis en eist Isolde voor zich op. Zij is wanhopend over het +vooruitzicht met die man te moeten trouwen en zij kan bovendien ook niet +geloven dat hij zulk een heldendaad heeft kunnen volbrengen en zij gaat +met haar moeder het gevelde dier bekijken. Daar vinden ze nu de +vreemdeling met de tong van het ondier; zij nemen hem mee naar huis waar +hij verpleegd wordt en dan komt hij met zijn trofee voor den dag en +bewijst tot groote schande van de Seneskalk hoe die ze allen heeft +willen bedriegen. Dit is duidelik een geheel op zich zelf staande sage +die vrij onhandig in het gedicht ingevlochten is,<span class="pagenum" title="225"></span><a id="p_225"></a> het wordt ook in een +apart Kelties gedicht gevonden over „De held en het hert met de witte +poot”; misschien is het ook verwant aan de Griekse geschiedenis van +Alkatoos, die op die zelfde manier zich door de tong van het monster als +de geen doet kennen die het gedood heeft, inplaats van een ander die hem +die eer wil roven. De sage is in haar grondtrekken zeer algemeen.</p> + +<p>Maar intussen is het opgehelderd wie Tantris is. Eens zit hij naakt in +het bad en Isolde staat er bij met hem te praten, terwijl zij er zich +over ergert dat die man, zo schoon als hij is, toch niets dan een +koopman is. Nu gaat zij naar zijn wapens kijken die daar hangen, en ziet +het zwaard dat nog de sporen draagt van de houw die Morolt er mee +gekregen heeft—op eens krijgt zij een ingeving, zij haalt het stukje +dat in het hoofd van Morolt is blijven zitten en dat zij bewaard +heeft,—kijk! Dat past presies en op 't zelfde ogenblik wordt het haar +op eens duidelik dat Tantris natuurlik hetzelfde is als Tristan. En zij +neemt dadelik het besluit hem, zoals hij daar in het bad zit, te doden. +Een echt pikante situatie, die de ridderlike versies in detail +uitwerken: die naakte held geheel in de macht van het jonge meisje. +Tristan herinnert er haar aan dat hij haar zal moeten helpen, nu de +Seneskalk beweert de draak gedood te hebben en haar hand eist. De jonge +maagd voert een innerlike tweestrijd, zij moest de moordenaar van haar +moeders broeder haten, maar haar „<span xml:lang="de">milde wîplichheit</span>” zoals Gotfried +zegt, waagt het niet toe te slaan. Nu komt de moeder er bij en wordt van +de zaak op de hoogte gebracht; beiden zijn vol twijfel, als de een iets +besluit, houdt de ander haar terug, ook <span xml:lang="fr">Brangien</span> stelt zich op de +voorgrond en wil als Isolde's „<span xml:lang="fr">cameriere</span>” ook een duit <ins class="corr" id="corr30" title="Bron: mêe">meê</ins> in +'t zakje doen. Tristan verlaat nu het bad en knielt „voor de schone rij +der vrouwen”, die galant door de Duitser met de zon, de maan en de +dageraad vergeleken worden. <span xml:lang="fr">Brangien</span> brengt er het drietal toe elkaar de +kus der verzoening te geven,—het maakt vooral indruk als Tristan +mededeelt dat het uit naam van de Koning van Cornwall is dat hij om de +hand van Isolde komt vragen.</p> + +<p>Isoldes vader gaat op dat huwelik in en met grote pracht en praal wordt +de prinses, door <span xml:lang="fr">Brangien</span> begeleid, met Tristan over de zee gezonden. Er +is tot nu toe geen sprake van liefde tussen die twee, wel zegt Gotfried +iets van tedere gevoelens tussen hen, maar het wordt toch nog als iets +dat van zelf spreekt beschouwd, dat Isolde met vreugde de Koningin van +Koning Marc zal worden. In de voorgeschiedenis <span class="pagenum" title="226"></span><a id="p_226"></a>zijn er +sprookjesmotieven en reminiscenties van allerlei heldensagen. De +eigelike handeling begint pas waar Tristan en Isolde uit Ierland +vertrekken, nadat Tristan voor zijn oom de hand van de Ierse +koningsdochter gevraagd heeft.</p> + +<p>Isoldes moeder heeft <span xml:lang="fr">Brangien</span> een minnedrank meegegeven die zij de +jonggehuwden de avond van het huwelik moet doen drinken om hun +huweliksgeluk te bezegelen. Van zulke minnedrankjes vertelde +Ovidius,—Circe zowel als Medea hadden die gebrouwen. En nu heeft de +tragiese vergissing plaats. Isolde heeft heimwee en is bedroefd. Tristan +komt haar dikwels gezelschap houden en troosten. Eens wanneer het schip +door windstilte genoodzaakt is geworden een haven binnen te lopen en de +meesten aan land zijn gegaan, wil een van Isoldes maagden hun een glas +wijn inschenken om bij de hitte hun dorst te laven. „Doch neen! het was +geen wijn, ofschoon het dit wel scheen. Het was de eeuw'ge smarte, de +eindeloze hartenood, en beiden bracht die ook de dood”, barst Gotfried +uit. Te laat ontdekt <span xml:lang="fr">Brangien</span> wat er gebeurd is. „Die drank die wordt +beider dood.” En inderdaad blijkt nu ook al ras dat „<span xml:lang="de">der Welt Unmusze</span>”, +de grote onruststichter der wereld, hun beider gemoed is binnen +gedrongen. Gotfried laat ze eerst nog wat tegenstribbelen maar „de ogen +en de harten naderen elkaar steelsgewijze,”—de liefde—die „kleurster” +maakt ze beiden dan rood, dan bleek. Zij is het die per slot van +rekening het initiatief neemt, maar echt op de manier van jonge meisjes, +met allerlei omwegen: levensmoede gaat zij tegen hem aan leunen en laat +haar hoofd op zijn borst nederzinken, zodat hij haar met zijn arm omvat. +„Wat scheelt er aan?” vraagt hij. <ins class="corr" id="corr31" title="Niet in Bron.">„</ins>„<span xml:lang="fr">L'amer</span>” is het dat mij wee +doet”; en nu spekuleert hij er over welke drie betekenissen dat woord +hebben kan. Bedoelt zij „de zee”? Is het „de bittere” wind? vraagt hij +daarna, maar zij is het die de derde betekenis noemen moet:—het is „de +liefde”. „Mijn beminde, zo is het ook mij gegaan,” zegt hij dan. Het is +zeker een vrij oud spel over die woorden, waarschijnlik al uit 't +Latijn. En dan wordt Tristan—gelijk Gotfried het zoet-sentimenteel +beschrijft, in de trant van „Daphnis en Chloë”—door de geneesheer +Liefde naar de legerstede van Isolde geleid en biedt Amor hun elkaar aan +als medicijn voor hun ziekte.</p> + +<p>En hier is het punt waar alles om draait. Een gewone vergissing, iets +wat niemand gewild heeft, brengt de hele tragedie aan de gang. Iets +dergeliks hoorde in de grote Heldenepiek niet thuis,<span class="pagenum" title="227"></span><a id="p_227"></a> noch in de Ilias, +noch in de <span xml:lang="de">Völsungensage</span>, noch in de Chanson de Roland; dit is een +roman-truc,—vooral in de Grieks-Oosterse romans is het prototype van +dergelike vergissingen door drankjes te vinden. Zulk een toeval kan niet +als de hoogste tragiek werken, een die met noodzakelikheid uit de +oorzakelike samenhang voortgekomen werkt, integendeel komt er zo iets in +de eigelike zin van het woord pikants in ons gevoel van verdriet, omdat +we voortdurend voelen dat het ongeluk per slot van rekening even goed +niet had kunnen gebeuren en hoe onzinnig het eigelik is en hoe het +zonder enige reden op de slachtoffers neer is gekomen. Maar voor het +middeleeuws bewustzijn is zulk een toeval géén toeval, maar het mystieke +noodlot. En juist daarom, omdat het geheel niets anders dan toeval is, +valt er iets plechtigs, bijna iets heiligs over de liefde en de dood van +Tristan en Isolde, het zijn geen menselike grillen of invallende +gedachten die de verschillende personen in elkaars armen werpen of in +het ongeluk voeren, maar mystieke machten in wier hand de wil slechts +was is. Die tweezijdige houding tegenover de geschiedenis van Tristan en +Isolde kan men in de Middeleeuwen overal opmerken. Voor Berol is het +niets anders dan een gewoon tover-toeval; voor hem duurt de werking er +van dan ook maar een bepaald aantal jaren. En tegenover zulk een +opvatting komen de erotici van professie met een protest in de echte +stijl der troubadours, dat men zo iets liefde zou durven noemen. In +tegenstelling met de klassieken die de liefde als een soort ziekte +beschouwden, een noodlot dat de mensen overvalt, leerden namelik de +troubadours dat de liefde een vrijwillige kultus van de vrouw is, een +uiting van een moreel willen en dus een deugd, een verdienste, en meer +dan één ridderlik dichter legt er dan ook, zoals wij zien zullen, de +nadruk op, dat hun paar geliefden zich niet door een minnedrankje de +liefde aangedronken heeft, maar dat die het gevolg is van hun vrije +neiging. Velen hunner staat echter vaag een zekere opvatting voor de +geest, volgens welke die liefdedrank alleen maar een simbool is van de +natuurmacht der liefde,—zo, vrij zeker, voor Thomas en Gotfried voor +wie de werking ervan ook niet tot een bepaalde tijd beperkt is. Wanneer +het naïeve bewustzijn de plotseling opkomende liefde en de omstandigheid +dat er geen ontkomen aan is, verklaren kan als de werking van runen, of +andere tovermiddelen of als die van een pijl door een godheid +afgeschoten, dan moest dit alles voor het meer ontwikkelde bewustzijn +eenvoudig tot poëtiese uitdrukkingen worden van een natuurmacht<span class="pagenum" title="228"></span><a id="p_228"></a> die, +zich boven verstand en wil verheffend, zich door de liefde openbaart en +juist daardoor dat gevoel boven wet en recht stelde. Deze opvatting +schemert al in de minnepoëzie der ridderromantiek door en die ligt ten +allen tijde aan de romantiek ten grondslag; de burgerlike samenleving en +de kristelike moraal hebben ook voortdurend tegen die gevaarlike teoriën +moeten kampen.</p> + +<p>Nu nadert het schip juist deze burgerlike samenleving, gelijk Isolde +haar bruiloft. Zij is ongerust omdat zij niet als maagd het bruidsbed +kan bestijgen en daarom haalt zij er haar camerière toe over haar eigen +plaats in de huweliksnacht in te nemen,—een onderschuiving die in vele +verhalen, o. a. in meer dan een Deens volkslied, voorkomt. Heel naïef +krijgen de lezers te horen hoe de koning ietwat onder de invloed van de +wijn is en hoe Tristan terstond de kaarsen uitblaast. Maar wanneer het +paar zo van de diensten van <span xml:lang="fr">Brangien</span> geprofiteerd heeft, vinden ze het +toch onaangenaam dat zij in hun geheim ingewijd is, en ruw en gevoelloos +wordt verhaald van de voorbereiding die Isolde treft om de trouwe +dienares kwijt te raken. Zij zendt haar het bos in met moordenaars die +haar moeten ombrengen. Maar die volbrengen het stuk niet. <span xml:lang="fr">Brangien</span> +brengt hun n.l. in 't bos aan het verstand dat haar hele misdaad daarin +bestond dat zij haar meesteres haar eigen bruidslinnen heeft laten +gebruiken, wijl dat van de hoge vrouw gekreukeld was; de moordenaars +keren terug en laten de koningin een hindetong zien voor die van het +meisje en vertellen haar ook wat die in het bos gezegd heeft. Die fijne +beeldspraak die zo heel Oosters-bijbels klinkt, doet Isolde zo aan dat +zij hevig berouw begint te gevoelen en de moordenaars bekennen nu de +waarheid. <span xml:lang="fr">Brangien</span> wordt teruggeroepen en is van nu af de vertrouwde en +de hulp der gelieven.</p> + +<p>Die nemen namelik kalm hun maatregelen om hun relaties achter de rug van +haar man en zijn oom voort te zetten. En van nu af begint er een +voortdurende kamp. De twee gelieven kunnen niet zonder elkaar leven, zij +proberen dit ook in 't geheel niet; maar Tristan heeft vijanden aan het +hof—vooral is er daar een kwaadaardige dwerg zoals de Keltiese sage die +kent—die de verhouding ontdekken, die aan de goede koning verklikken en +de geliefden in de val trachten te lokken, die zij lang weten te +vermijden—<span xml:lang="fr">Brangien</span> staat tegenover de dwerg aan hun zijde—maar waar +zij eindelik eens invliegen; dan wordt Tristan verbannen maar hij weet +de zaak toch gaande te houden en wordt spoedig weer in genade +aangenomen. Oorspronkelik zal de hele geschiedenis,—er <span class="pagenum" title="229"></span><a id="p_229"></a>werd al op +gezinspeeld—door de sage volstrekt niet zo sentimenteel-tragies opgevat +zijn, de grote virtuositeit van de slimme held bestaat juist daarin dat +hij zulke stukjes klaar weet te spelen en het slachtoffer nog een lange +neus op de koop toe weet te bezorgen, en wat de echtbreuk in het geval +betreft, over deze „komedie” heeft de volksfantasie altijd de nodige +anekdoten te vertellen gehad; vooral de Galliese humor heeft voor dat +tema altijd grote voorliefde aan den dag gelegd. Het enige wat de +Tristan-roman met de krasse verhalen over de bedrogen echtgenoot wist te +doen, was ze in een sentimenteel licht te stellen, wat gelijk wij zagen +ook de grote kunst van <span xml:lang="fr">Marie de France</span> was. De minnedrank komt dan ook +goed te pas om de onschuldige gelieven in een beter daglicht te stellen; +zij weten beiden dat zij geen verantwoording voor 't gebeurde hebben, en +dat hun alles toegestaan is—en dat voelt de lezer ook. Maar hun liefde +staat ook daardoor hoger dan de grove komiek der <span xml:lang="fr">fabliaux</span> doordat de +echtgenoot niet opgeofferd wordt. In de sage zal deze koning der +ezelsoren niet anders dan de goedgelovige nar geweest zijn, lichtgelovig +tegenover Isolde en die zich ook even licht door de verklikkers laat +ophitsen. Bij Berol verwijt koning Artus hem ook dat hij wispelturig is +en veel te gauw toegeeft. Maar niet alleen de dichters, ook zij die hem +bedriegen erkennen dat hij welwillend is en toegevend, en groot is de +sympathie van allen voor de „<span xml:lang="de">einvalt</span>” en „<span xml:lang="de">wegelôse</span>” koning, zoals +Gotfried hem noemt. „Slechts zijn grote liefde voor u,” zegt <span xml:lang="fr">Brangien</span> +eens tegen haar meesteres, „maakte hem zo toegeeflik voor u, maar gij +beloont hem slecht.”</p> + +<p>In talrijke episoden krijgen wij het spel en het tegenspel te zien. De +koning heeft Tristan van het hof verbannen en de geliefden versmachten +van verdriet, nu zij van elkaar gescheiden zijn. Edoch, Tristan weet +raad. Er stroomt een rivier langs—of oorspronkelik door—het vertrek +van Isolde (zo eigenaardig en primitief was het Keltiese huis van bouw) +en door middel van zaagsel dat tekens vormt en de rivier afdrijft, laat +hij haar weten hoe zij elkaar zullen vinden,—een list die reeds in een +oude Ierse sage voorkomt.</p> + +<p>De dwerg is te weten gekomen dat zij elkaar 's nachts bij maneschijn aan +de oever van een meertje in het bos zullen ontmoeten. Koning Marc is met +een pijl en boog gewapend in een boom geklommen daar dicht bij om ze te +beloeren,—in de oorspronkelike versies van de sage vindt men, naar het +schijnt, nog geen lans of paard. Tristan komt eerst en ziet de schaduw +van<span class="pagenum" title="230"></span><a id="p_230"></a> de koning in het water. Hij staat als op gloeiende kolen en durft +niets te laten merken, maar is vol angst hoe alles aflopen zal wanneer +Isolde ook komt. Maar, ook zij ziet de schaduw en nu beginnen ze door +een gelukkige inval van beide kanten, en tot stichting van de koning in +de boom, een aandoenlik gesprek over de laster waaraan hun onschuldige +vriendschap blootstaat en Tristan smeekt de koningin zijn voorspraak bij +de koning te willen zijn—vooral over een som gelds om zijn harnas terug +te krijgen dat hij heeft moeten verpanden—; maar zij zegt dat zij +dit niet durft,—zo alleen en vreemd als zij zich aan het hof +voelt. De echtgenoot wordt zo aangedaan dat hij, zoals hij naderhand +vertelt, bijna uit de boom was gevallen. De volgende dag neemt hij +Isolde in verhoor en na een kleine komedie, waar zij prachtig toneel +speelt, wordt zijn neef weer in genade aangenomen. Maar <span xml:lang="fr">Brangien</span> +moraliseert over het mirakel dat God voor hen gedaan heeft—op een +manier waarvan men eigelik niet weet of het Godsbespotting of naïef laks +kristendom is—hij is een goed vader die geen hart heeft hen kwaad te +doen die „<span xml:lang="fr">buen et loyal</span>” zijn.</p> + +<p>Een ander maal heeft een dwerg meel tussen de bedden gestrooid; de +koning, Isolde en Tristan slapen n.l. in hetzelfde vertrek en er wordt +vermoed dat Tristan 's morgens het bed van Isolde bezoekt wanneer de +koning vroeg opgestaan en uitgegaan is. Maar de gelieven hebben dat meel +gezien en met een enorme sprong weet Tristan direkt uit zijn bed in dat +van Isolde te komen. Maar ongelukkig was hij kort te voren door een wild +zwijn gewond (volgens de meer ridderlike versie heeft hij zich juist +adergelaten) en nu springt de wond open en komt er bloed op het laken +van Isolde en zo wordt alles toch ontdekt, ofschoon hij heel onschuldig +in zijn eigen bed ligt te snurken wanneer er anderen binnen komen. „Ach, +God, welk een smart,” roept de dichter uit—„dat de koningin de lakens +niet weggedaan had.”</p> + +<p>Isolde moet nu een eed afleggen om door een godsgericht haar onschuld te +bewijzen. Ten einde op de plaats des gerechts te komen, moet zij met +haar gevolg een rivier over. Aan de oever staat een schurftige bedelaar +en wanneer de koningin nu landen zal, vraagt hij haar uit de boot te +mogen dragen. Zij omvat hem nu met haar armen en benen want zij heeft +dadelik Tristan herkend; hij had haar ook laten weten dat zij maar +goeden moed zou houden. En wanneer zij nu aankomt, kan zij kalm de eed +afleggen dat zij nooit een andere man dan de koning haar Heer<span class="pagenum" title="231"></span><a id="p_231"></a> en +Meester in haar armen heeft gehad en,—ja, dan ook nog die +schurftachtige bedelaar van daar straks,—en doorstaat zij met glans de +ijzerproef.—Reeds in de oude Indiese vertellingen en later in Griekse +romans hadden loze geliefden dergelijke dubbelzinnige eden afgelegd. +Daar ziet men alweer, roept naar aanleiding hiervan de antiklerikaal +Gotfried tot de geestelikheid met haar „vrome bedriegerijen”,—daar ziet +men alweer dat Kristus zich tot alles leent, hij is als een mouw die men +kan draaien en wenden, presies zo als men wil, evengoed tot bedrog als +tot waarheid!</p> + +<p>Maar,—de koning kan, niettegenstaande dit alles toch niet blind blijven +voor wat er tussen die twee gebeurt. Hij ziet het, zo als Gotfried het +sentimenteel uitdrukt, aan hun blikken, hun groeten, hun handen die zij +zo dikwijls tegen het hart drukken. Weer volgt er een breuk en wordt het +paar veroordeeld. Bij Berol geschiedt dit op zeer ruwe manier. Tristan +wordt naar de brandstapel geleid, maar als hij onderweg permissie heeft +gekregen om een kleine kapel in te gaan om te bidden, weet hij met een +koene sprong het raam uit te springen naar een steile rots en zich zo te +redden, Isolde zal ook verbrand worden, maar op weg komt de stoet een +troep melaatsen voorbij en hun geleider stelt de koning voor de zondares +aan hen over te leveren. De melaatsen die in de middeleeuwen in +voortdurende vleselike lust bleken te leven, konden haar nu allen +bezitten en dat zou nog de beste spot voor zulk een verwende prinses +zijn. Zonder zich een ogenblik te bedenken levert de koning haar uit en +trots trekken zij met de wenende verder. Maar uit een hinderlaag komt +Tristan op eens te voorschijn en verdrijft de schare; Berol, dichter van +de beginnende ridderlikheid als hij is, zegt dat Tristan zich volstrekt +niet verwaardigde zijn zwaard te trekken, zoals vroegere dichters hebben +beweerd, zijn getrouwe vriend en makker ranselde er met een knuppel op +los en dat was genoeg. Dan trekt hij met zijn geredde geliefde het bos +in.</p> + +<p>Thomas laat dit alles weg; alleen doet de koning beiden in de ban, +Tristan voorziet zich alleen maar van wat geld; neemt zijn harp, zijn +hoorn, zijn degen en zijn hond mede en vol verrukking gaan de twee +gelieven zonder enig protest, hand in hand op weg.</p> + +<p>Het bos is altijd het toevluchtsoord voor alle vogelvrij verklaarden +geweest;—in Engelse liederen van Robin Hood als in de IJslandse +ballingsschapsverhalen. Even als daarin wordt ook in „Tristan en Isolde” +de vrijheidsromantiek in het Robinson-achtige natuurleven<span class="pagenum" title="232"></span><a id="p_232"></a> in het diepe +bos gepoëtiseerd. De geliefden bouwen zich nu een verborgen loofhut, +vertelt Berol, en Tristan gaat op jacht na zijn hond zo gedresseerd te +hebben dat die het wild grijpt zonder te blaffen; hij kan ook al de +vogelgeluiden na doen zodat die zich om hem verzamelen. Liefde tot de +dieren komt hier, evenals bij Marie de France, sterk op de voorgrond als +een schakel in de keten der ontwikkeling van de sentimentaliteit en het +natuurgevoel. Bij Gotfried, misschien reeds bij Thomas—komt zelfs het +Rousseau-achtige dwepen met de natuur van de hoveling hier en daar te +voorschijn. De twee geliefden leven alleen van hun liefde, dat is de +enige spijs en drank waar ze iets om geven, hun hof is de linde, de +weide en het gezang der nachtegalen. Wat niet weg neemt dat Berol ze, +eigelik heel gek, een prachtige „liefdegrot” in het diepst van het woud +in laat richten, en hij zich geen moeite spaart om de marmeren muren, de +glans der edelstenen en het bed van kristal te schilderen—alles in de +trant van de „Chambre de beauté” der Trojaromans—maar hij legt er een +diepe allegoriese betekenis in en vertelt vol aandoening dat hij zelf +dikwels in zulk een liefdegrot geweest is, ofschoon hij nooit Cornwall +bezocht heeft,—hij was dikwels op jacht gegaan maar dan, zonder enig +wild te vangen, altijd in die grot terecht gekomen. Des morgens, vertelt +hij nu verder, wandelde het paar wat rond, of zat naar het kabbelende +beekje te luisteren en volgde de golfjes met hun ogen. Wanneer de zon +hoger aan de horizont kwam, gingen zij onder de lindenboom zitten die +bij hun grot groeide, en dan suisde de wind koel door het schaduwrijke +loof, terwijl zij elkaar droeve liefde-verhalen deden uit Ovidius. Ook +vermaakten zij zich met te spelen en op de jacht te gaan. Zo gingen ze +eens op een morgen hand in hand op weg; alle vogelen in het bos +begroetten hen met hun kunstigste trillers, lachend keken de bloemen hun +in 't gezicht, de dauw fonkelde in het morgenlicht en koelde hun voeten. +Het was alsof de gehele natuur ze vaarwel wilde zeggen. Zij zijn n.l. in +een onrustige stemming; de vorige dag hebben ze hondengeblaf gehoord en +ze zijn bang dat de koning in de buurt op jacht is.</p> + +<p>En zo is het,—de koning jaagt; hij wil proberen de zwaarmoedigheid te +verdrijven die op hem rust sedert zijn vrouw hem verlaten heeft, die hij +nog steeds lief heeft. En in de namiddag, wanneer de gelieven in hun +woning liggen te slapen, komt een der jagers daar toevallig voorbij, +kijkt door een reet en ziet ze liggen... dadelik haalt hij de koning, +die aan komt sluipen om<span class="pagenum" title="233"></span><a id="p_233"></a> de schuldigen te doden. Maar gelukkig liggen ze +daar, geheel gekleed, met het blote zwaard tussen hen in, als de +gepersonifieerde onschuld. Geen luchtje roert zich, geen blaadje beeft, +door het bladerdak dringt een zonnestraal en verguldt het aangezicht van +Isolde, „zo slapen de twee gelieven, die denken aan geen kwaad, zij +hebben niemand dan zich zelf hier in 't land.” Het getrokken zwaard +tussen de gelieven,—dat is het overoude teken van onschuld, dat men +reeds in „<span xml:lang="fr">Amis</span> en <span xml:lang="fr">Amiles</span>” vindt, zowel als in de „<span xml:lang="de">Völsungensage</span>”, maar +hier is het òf een bloot toeval dat ze zo liggen, òf een list, omdat zij +wel vermoeden dat de koning op jacht is. En de brave koning loopt er dan +ook in! Reeds heeft hij zijn zwaard opgeheven, maar ontroerd laat hij +het vallen, vol liefde blijft hij zijn schone Isolde weer aan staren; +hij besluit zich weer even ongemerkt te verwijderen, maar hij wil ze een +teken achterlaten dat hij er geweest is en hun geen kwaad wenst,—even +als David wanneer hij Saul in 't hol heeft gevonden. Hij ziet hoe haar +teêre huid door de zon gekleurd wordt en trekt een van zijn handschoenen +uit die hij voor haar gelaat hangt; ook neemt hij een van haar ringen +weg,—ach! haar vingers zijn zo mager geworden dat dit gemakkelik genoeg +gaat—en doet een der zijnen daarvoor in de plaats aan haar vinger; ook +wisselt hij zwaarden. Een dergelike geschiedenis van een goedige +echtgenoot vindt men in de oude troubadour-biografieën en is ook in de +moderne literatuur te vinden.</p> + +<p>Maar nu houdt de werking van de liefdedrank op; de drie jaar gedurende +welke die volgens Berol werken zou, zijn verlopen. Op een dag dat +Tristan op jacht is, begint het hem te vervelen dat hij niets te doen +heeft en geen heldendaden meer verricht. En Isolde krijgt nu berouw dat +zij haar koninklike waardigheid en het rijke hofleven voor al deze +ellende heeft laten varen en zij zijn het er over eens dat zij hebben +„<span xml:lang="fr">male usé notre jovente</span>”. Nu zoeken zij een eremiet in de buurt op die +reeds te voren getracht had op hun gemoed te werken,—zij beriepen zich +toen op die minnedrank—ook nu nog verklaart Isolde dat zij geen +berouw heeft, maar dat zij toch bereid zijn elkaar te verlaten. En de +eremiet staat dadelik met een zeer ruim biechtvader-geweten paraat. God +vergeeft alles zegt hij, hoe erg 't ook is, en luister nu eens, +koningin, om de zonde te bedekken en de schande weg te nemen is een +klein beetje „<span xml:lang="fr">bel mentir</span>” nu niet altijd zo heel verkeerd. +En door zijn raad en medewerking wordt de zaak al heel spoedig +zo geschikt dat Isolde weer tot haar vroegere eer en waardigheid<span class="pagenum" title="234"></span><a id="p_234"></a> komt, +als zij verzekert dat er nooit iets anders dan gepaste +vriendschapsgevoelens tussen hen beiden geweest zijn; maar Tristan moet +het hof verlaten en ten strijde trekken. De Koning wil hem geld +medegeven, maar dat weigert hij en na afscheid van Isolde genomen te +hebben, trekt hij trots op weg; zolang Isolde hem kan zien, wendt zij +het oog niet van hem af en zij heeft hem beloofd dat, zodra hij om haar +zendt, muur noch toren haar terug zal houden.</p> + +<p>Anders loopt het in de ridderlike versies, waar de werking van de +minnedrank niet aan een bepaalde tijd gebonden is. Nog eenmaal worden de +geliefden in genade aangenomen; fijn verklaart Gotfried hoe de Koning, +door zijn eigen begeerte verblind, „weet en toch niet weten wil” wat er +steeds tussen hen is; op die manier, vervolgt hij met een vrij slappe +moraal, is het 's Konings eigen schuld dat het gaat zo als het gaat; +bedriegen doen ze hem eigelik niet, zo open als alles in 't werk gaat. +Maar eindelik vindt men ze eens op een warme zomermiddag in de tuin in +een situatie, die geen de minste twijfel meer over laten kán en nu moet +Tristan definitief weg. „<span xml:lang="fr">Nos cors partir or convient,—mais l'amor ne +partira nient,</span>” zeggen zij tot elkaar.</p> + +<p>Tristan gaat nu naar Bretagne—het is steeds in het „Keltiese hoekje” +dat die historie zich beweegt: Wales, Cornwall, Ierland en Bretagne, met +de golven van de Atlantiese zee als brug tussen dit alles—; en hier is +het nu dat Tristan een andere Isolde huwt,—<span xml:lang="fr">Iseut aux blanches mains.</span> +Hij wordt n.l. bevriend met Kaherdin, de zoon van de hertog, en spreekt +dikwels diens zuster naar wier vertrek Kaherdin hem placht te brengen. +Haar naam ontroert hem sterk, hij maakt haar 't hof en dicht op haar: +„<span xml:lang="fr">Isot ma drue, Isot ma mie—en vus ma mort, en vus ma vie</span>”; hij denkt +aan zijn eigen Isolde, maar zij denkt aan hem; „die arme vrouw” meent +dat zij bemind wordt, wat Gotfried zeer gevoelvol schildert en +veroorlooft zichzelf al meer en meer toenaderingen, en Tristan is eerst +op haar gesteld omdat zij nieuw voedsel aan zijn weemoed geeft, maar ten +slotte vindt hij troost en vergetelheid bij haar.—Of deze tweezijdige +verbinding een overblijfsel is van een zonnemyte laat zich niet +uitmaken; in „Eliduc” zien wij de held evenzo tussen twee vrouwen +verdeeld; de een in Engeland, de ander in Bretagne en ook daar waren hun +namen ongeveer dezelfde. In elk geval is het een verfijnd sentimenteel +onderwerp en in de ridderlike versie van Thomas licht Tristan zijn +zielestrijd in lange monologen toe, in de trant van die in<span class="pagenum" title="235"></span><a id="p_235"></a> de roman van +Troje; maar het is een zeer origineel stuk psychologie, naïef-ruw niet +alleen, maar smachtend als 't in zijn ongemengde oprechtheid is.</p> + +<p>Isolde—zegt Tristan zich zelf—kan nu toch zeker niet meer zo naar mij +verlangen; nu heeft zij immers haar man met wie zij de liefde leert +kennen. Tot andere gedachten is zij zeker niet gekomen, dan zou ik 't +wel gevoeld hebben, evenals zij 't gevoeld zou hebben als dit met mij 't +geval was.—Hier hebben wij het geloof in een wisselwerking uit de verte +tussen verwante zielen (dat reeds in de naïeve verhalen uit de +volkssagen bekend is) hoe de thuisgeblevenen aan een achtergelaten +haarlok of kleed kunnen zien hoe het de ander gaat;—een motief dat zeer +vaak in de liefderomans opgenomen wordt als een soort mise-en-scène van +de steeds zeer voorkomende bewering van de lyriese dichter dat hij met +zijn geliefde „van hart verruild” heeft.—Maar,—gaat Tristan tegen zich +zelf door—dàt zij bezig is van mij af te gaan, is zeker, anders zou zij +wel om mij gezonden hebben. Als zij nu elke nacht door haar man omhelsd +wordt, zal zij mij niet langer missen, en moet ze er langzamerhand toe +komen hem lief te hebben. Ik wil dan ook maar trouwen en zien of ik bij +die andere mijn lust kan vinden zonder haar werkelik lief te hebben. In +een dergelijke wraak, merkt de schrijver hierbij op, zit eigelik liefde +zo wel als toorn, hij doet wat hij eigelik niet wilde!</p> + +<p>En zo huwt hij dan Isolde Withand,—maar als 't er op aan komt, kan hij +het niet over zich verkrijgen bij haar te gaan. De gedachte aan zijn +ware Isolde houdt hem terug en hij vindt er een geraffineerde +zelfplagerij in, getrouwd te zijn en zich toch te onthouden. Hij +verlangde steeds naar Cornwall en daarginds verlangde Isolde niet +minder. Zij zit daar „lais” te zingen, en op haar harp te spelen; „zoet +zingt de vrouwe, en de stem voegt zich naar het snarenspel, schoon zijn +haar handen, haar lied is lief, zoet is haar stem en de tonen zacht.” Er +stijgt een wonderlik weemoedige stemming uit die fraaie verzen op: „<span xml:lang="fr">La +dame chante dulcement,—la voiz accord a l'estrument,—les mains sunt +beles, li lais bons,—dulce la voiz et bas li tons.</span>” Eens krijgt zij een +hond van haar vriend ten geschenke, met bellen om zijn nek; die heeft +een vorst hem geschonken en wanneer die bellen weerklinken, vergeet men +zijn verdriet, daarom zendt Tristan die aan zijn vriendin, opdat zij hem +niet zal missen. Isolde is heel blij met haar hond, maar—als zij merkt +dat zij door het gerinkel <span class="pagenum" title="236"></span><a id="p_236"></a>der bellen haar vriend vergeet, neemt zij +haar hond de halsband af en werpt die in het water: zij wenst geen +troost terwijl hij lijdt. Zulke vergetelheidbrengende feeëngaven waren +blijkbaar een oud dichtermotief, maar de asceties sentimentele draai er +aan is zeker aan de roman te danken. In Bretagne heeft Tristan ergens in +'t woud een geheime grot die hij door grote meesters in de kunst van +vergulde beelden van Isolde en <span xml:lang="fr">Brangien</span> heeft laten voorzien; dat zijn +van die mekaniese kunstwerken als in de Troja-romans, die verspreiden +heerlike geuren en daar gaat Tristan dikwels heen om het beeld van zijn +geliefde te omhelzen en harer te gedenken. Dergelijke ietwat ongure +geschiedenissen van vrouwenstandbeelden die mannen als levende vrouwen +omhelzen, zijn uit de latere klassieke schrijvers in de Graalroman en de +kronieken overgegaan en wijzen misschien op een zeker ruw volksgeloof +met betrekking tot naakte antieke vrouwenbeelden.</p> + +<p>Isolde Withand droeg haar jonkvrouwelike stand in het huwelik met +berusting. Slechts door een toeval komt zij er toe haar broeder op de +hoogte te brengen, waarbij de schrijver een motief uit een oud-Ierse +sage gebruikt. Nu heeft Kaherdin een verklaring met Tristan, die zich +voor zijn verdediging op de omstandigheid beroept dat hij een vriendin +heeft die zo schoon is dat zelfs haar cameriere nog de zuster van +Kaherdin overtreft,—bijna presies hetzelfde wat <span xml:lang="fr">Lanval</span> in de „<span xml:lang="fr">lai</span>” van +<span xml:lang="fr">Marie de France</span> te zijner verdediging aanvoerde toen men hem zijn +onverschilligheid voor vrouwen verweet. Maar dat gelooft Kaherdin niet +voor hij 't ziet! En zo trekt hij met Tristan op naar Cornwall, waar +deze laatste weer Isolde in 't geheim ontmoet, terwijl Kaherdin en +<span xml:lang="fr">Brangien</span> weldra het tweede paar vormen. Dergelike verhalen komen er meer +voor in de roman; veel van wat in deze motieven in de heldendichten en +de vroegere litteratuur in 't algemeen voorkwam, van <span xml:lang="fr">Renaud de +Montauban</span>, Grettir uit de IJslandse verhalen, Robin Hood en andere +bannelingen die in 't geheim hun land bezoeken, wordt nu weder op +Tristan overgedragen. Eens staat hij in haar tuin en bootst de klagende +tonen van de nachtegaal na, zo zoet „dat er geen hart is, zelfs niet dat +van een moordenaar, dat er niet door vermurwd wordt”, en zij hoort +dadelik dat het haar vriend is. Een volgende keer komt hij, alsof hij +een krankzinnige was, met het sap van allerlei wortels besmeerd, een +knuppel in zijn hand en als een wildeman gekleed, in de grote zaal van +koning Marc, waar hij in bedekte woorden maar alsof het die van een +krankzinnige waren, er vermaak in schept, de<span class="pagenum" title="237"></span><a id="p_237"></a> koning van zijn liefde en +die van de koningin te vertellen. „Geef mij uw koningin,” zegt hij, „ik +zal haar naar een kristallen paleis boven de wolken brengen, waar de zon +doorheen schijnt, waar de wind niet bij kan komen, naar dat slot zal ik +mijn geliefde brengen”, en hij herinnert de koningin aan de geschiedenis +van de draak, aan de beker waar zij beiden uit gedronken hebben... de +koningin raakt helemaal in de war en begrijpt er niets van. Zij vlucht +naar haar kamer, de „krankzinnige” weet daar ook zijn weg heen te +vinden; daar wil hij haar omhelzen, zeggend dat hij haar eigen Tristan +is,—maar zij deinst terug, in die vreemde kleedij en met zijn valse +stem kan zij hem niet herkennen. Nu spreekt hij haar van nog meer, waar +alleen zij beiden van af weten, uit hun samenleven in het bos, en vraagt +dan zijn oude trouwe hond te zien. En die alleen herkent dadelik zijn +meester, trekt zijn touw stuk, likt hem en blaft... iets wat weer aan de +hond van Odysseus herinnert waar die terug komt... Nog veel meer +sentimentele episoden komen in de latere prozaroman de verlangens en de +smart der twee gescheiden gelieven schilderen. Daar wordt Tristan +bovendien nog door jaloesie geplaagd, omdat hij meent ontdekt te hebben +dat zijn Isolde nu Kaherdin, zijn zwager uit Bretagne liefheeft, nu is +het geen aanstellerij, maar wordt hij echt krankzinnig van verdriet, en +gaat in het bos bij een beek zitten wenen en zijn zwanenzang dichten. Nu +wil Isolde zich op haar beurt van 't leven beroven, evenals Dido; +opgeschikt als op haar kroningsdag sluipt zij de tuin in om „in +schoonheid te sterven” op die heerlike zomerdag. Zij staat reeds wenend +gereed om in het zwaard van Tristan te vallen dat zij tegen een boom aan +heeft gezet, wanneer de koning, die haar gangen na heeft laten gaan, +aankomt en haar plannen verijdelt...</p> + +<p>Tenslotte wordt Tristan in Bretagne door een vergiftigd zwaard gewond: +kruiden helpen niet meer en hij roept Kaherdin bij zich en smeekt hem +Isolde aan haar belofte te willen gaan herinneren en dat het nu tijd is +te komen. Hij kan haar maar 40 dagen tijd geven, daarna zal zij hem +slechts als lijk vinden. En evenals een vergiftigde wonde eens de +aanleiding was dat hij hulp zocht bij de koningin van Ierland Isolde, zo +kan hij nu alleen maar redding vinden bij de dochter Isolde. Wanneer zij +mee terugkomt zullen zij witte zeilen heisen, anders zwarte. Maar aan +Isolde Withand mag alleen slechts gezegd worden dat het een ervaren +vrouwelik geneeskundige is die ze halen. Ongelukkig heeft de echtgenote +buiten gestaan en alles gehoord: „al te gruwelik zal zij zich<span class="pagenum" title="238"></span><a id="p_238"></a> wreken op +hem die zij boven alles lief heeft”. Maar zij doet alsof zij niets weet +en blijft zeer vriendelik.</p> + +<p>Tristan ligt te verlangen,—laat zijn bed naar 't strand brengen en +„houdt er alleen het leven nog maar in” om zijn geliefde terug te zien. +Zij is dadelik op reis gegaan en is dan ook al dicht bij de kust van +Bretagne. Maar er steekt een storm op, het schip dreigt te vergaan. Als +zij nu haar vriend nog maar weergezien had, klaagt Isolde, zou zij +gaarne sterven. Maar zo is de liefde, dat niemand van ons smart kan +voelen of sterven zonder dat het de ander ook zo gaat. Als wij maar in +elkaars armen konden sterven, in één kist neergelegd worden. Ofschoon, +als ik nu hier in zee verdrink, zal Tristan zeker ook op zee sterven +(steeds weer die gedachte aan hetzelfde lot voor de verwante zielen) en +wie weet of dan niet een vis ons beiden verslindt en misschien vangt +iemand dan die vis en herkent die onze lichamen en begraaft ons te +samen!... Maar wat praat ik... als God ons nu maar te samen bracht, +zodat ik hem òf genezen kon òf dat wij te samen in dezelfde doodsangst +konden sterven.</p> + +<p>Ondertussen ligt Tristan aan wal zich in ellende en verlangen op zijn +sponde te wenden en te keren; het loopt op het uiterste. Listig komt nu +zijn vrouw hem vertellen dat het schip in 't gezicht is,—wat ook +werkelik waar is. Is het wel zeker, vraagt Tristan met ingehouden adem, +en welke kleuren hebben de zeilen? „Helemaal zwart”. Nooit had Tristan +groter smart gevoeld, hij keerde zich af; Isolde had dus niet willen +komen. Drie maal fluisterde hij zuchtend haar naam en toen stierf +hij.—Zonder twijfel zijn het de zwart en witte zeilen van de Griekse +Theseus-sage die men hier terug vindt, ook zeker wel een andere antieke +mythe,—van Paris die vóór Helena, de geneeskundige nymph Oenone bemind +had en dodelik gewond bij haar om hulp komt vragen. En evenals het een +„toevallige” vergissing is welke die twee in liefde samen bracht, zo is +ook het slot van de tragedie het gevolg van een „toevallige” vergissing. +Want dat het uit jaloesie zou zijn dat Isolde Withand zwart in plaats +van wit zegt, is blijkbaar slechts een latere, ridderlik, sentimentele +motivering; in de primitiefste vorm van het gedicht is het slechts de +gril van een vrouw om iets anders dan anders te zeggen.</p> + +<p>Juist in die versie van Eilhart, is het slot ook het eenvoudigst en het +schoonst. Wanneer Isolde nu aan land komt en de klachten over de dood +van Tristan hoort, roept zij alleen maar uit: „Wee mij! O Tristan! hij +is dood!”; zij verbleekte niet en werd niet<span class="pagenum" title="239"></span><a id="p_239"></a> rood. Ook weende zij niet +mee, maar haar harte deed haar zo zeer. Bij 't lijk ligt de andere +Isolde luid te jammeren, onschuldig als zij (in deze versie) aan zijn +dood is. Zonder tranen komt de ware Isolde naar binnen en zegt: „Vrouwe, +sta op! Laat mij er bij. Geloof mij, ik heb meer recht om hier te wenen +dan gij. Ik heb hem meer liefgehad.” En dan valt zij neer en sterft stil +aan zijn zijde.</p> + +<p>Maar op het graf aan Isolde werd een rozenstruik geplant, op dat van +Tristan een wijnrank. Over de graven slingerden die zich samen en hoe er +ook aan gekapt werd, die waren niet van elkaar af te houden. Een oude +zeer verbreide volksoverlevering, die oorspronkelik misschien wel op de +opvatting terug gaat van een werkelike verandering in planten van de +afgestorvenen, maar die in elk geval het schoonste simbool er van is dat +zij in het leven ook niet van elkander af konden.</p> + +<h2><a id="XVII"></a>XVII.</h2> + +<p class="subh2">FRANSE RIDDERLIKHEID.</p> + +<p>Ridderlikheid en hoofse vormen—zegt een Noord-Frans dichter uit het +einde van de 12<sup>de</sup> eeuw—waren eerst te huis in Griekenland, toen +kwamen ze naar Rome, nu zijn ze naar Frankrijk getrokken, en mogen ze +daar steeds blijven. En het werd ook feitelik overal erkend dat +Frankrijk nu de zetel van alle „<span xml:lang="fr">Chevalerie</span>” en alle „<span xml:lang="fr">Courtoisie</span>” was. +Naast het hof van Hendrik II en Eleonora, zijn gemalin uit<span xml:lang="fr"> Poitou</span>, waren +er de vorstelike hoven in Vlaanderen en Champagne, in Neder-Lotharingen +en Henegouwen,—dan een massa kleine hoven in Noord-Frankrijk en—een +mensengeslacht later—dat van de koning te Parijs, waar het ridderleven +en de ridderpoëzie tot de grootste bloei kwamen. Alle literaire en +kultuur-invloeden die wij in het voorafgaande onderzocht hebben, werden +hier samengevoegd tot één organies geheel.</p> + +<p>Zoals wij reeds opmerkten, kon men invloed van de Provençaalse +troubadours en hun minnedichten vinden niet alleen in de Troja-romans +die door een klerk aan het hof van Hendrik II geschreven waren, maar ook +hier en daar in de lais van <span xml:lang="fr">Marie de France</span> en de Tristan van <span xml:lang="fr">Thomas</span>. +Koningin Eleonora, de kleindochter van Graaf <span xml:lang="fr">Guillaume</span> IX van <span xml:lang="fr">Poitou</span>, +een troubadour<span class="pagenum" title="240"></span><a id="p_240"></a> van talent, en die zelf haar grootvaders schitterende en +beminnelike sosiale talenten geërfd had, was meer dan alle anderen de +schakel tussen Zuid-Frans en Noord-Frans. Evenals zij haar eerste +gemaal, koning Lodewijk van Frankrijk verlaten had—„een monnik, maar +geen vorst” zeide zij van hem—werd de verhouding tussen koning Hendrik +en haar ook al heel spoedig slecht. Hij had meer dan één bijzit,—o. a. +de beroemde „schone Rozemonde” waar zoveel sagen van lopen—en zij +intrigeerde en zette zijn zoon net zo lang tegen hem op, totdat de +koning haar, alsof zij gevangen was, steeds liet bewaken. Maar vóór die +katastrofe hield zij hof te Rouaan, te Londen en Limoges waar zij +massa's tot zich trok, o. a. vele troubadours. Zo was b.v. <span xml:lang="fr">Bernard de +Ventadour</span> haar gast te Rouaan, waar hij minneliederen aan haar dichtte; +„de jonge, vrolike, voortreffelike koningin,” zegt de oude biografie, +„ontving hem met genoegen en maakte hem tot de „<span xml:lang="es">seignor de tota lo soa +cort.</span>”<ins class="corr" id="corr32" title="Niet in Bron.">”</ins> Haar zoon Richard die zich geheel als Zuid-Fransman +voelde, ging voortdurend met troubadours om. <span xml:lang="fr">Bertrand de Born</span> was eerst +zijn bittere vijand, maar werd later door de jonge vorst gewonnen en +bezocht hem te Rouaan. Een andere troubadour volgde hem op de kruistocht +en bij de dood van Richard weerklonk Frankrijk van de liederen der +troubadours te zijner ere. Zelf was hij ook troubadour, o. a. had hij +het in zijn zangen met de <span xml:lang="fr">Dauphin</span> van <span xml:lang="fr">Auvergne</span> aan de stok of met de +koning van Frankrijk en schreef een fraaie klaagzang over zijn +gevangenschap in Oostenrijk; hij schijnt even gemakkelik in het +Provençaals als in het Frans gedicht te hebben.</p> + +<p>Er waren vele persoonlike verbindingen geweest tussen de Noord-Franse +hoven en die van <span xml:lang="fr">Anjou</span> en het Anglo-Normandiese rijk. Een Vlaamse +prinses was de gemalin van Hendrik I van Engeland geweest en vele werken +der Anglo-Normandiese literatuur waren aan haar opgedragen. Het +graafschap Champagne werd met het Midden-Franse graafschap <span xml:lang="fr">Blois</span> +verenigd onder een zoon van de zo literaire vorstin van <span xml:lang="fr">Blois</span>. Een +prinses van Anjou trouwde met een graaf van Vlaanderen en werd de moeder +van de literaire Mecenas, Philip van de Elzas. Maar vooral waren het de +dochters van koningin Eleonora die evenals hun moeder in het Noorden van +Frankrijk een soort missionairs werden voor de Provençaalse kultuur. +Marie huwde met de graaf van Champagne en hield in de jaren 1160–1180 +een zeer gezocht hof te Troyes; haar zuster Aelis trouwde met de graaf +van <span xml:lang="fr">Blois</span>, een broeder van Marie's echtgenoot. En elk bracht in haar +kring de<span class="pagenum" title="241"></span><a id="p_241"></a> minnedichten der troubadours in de mode bij de Noord-Franse +dames en heren.</p> + +<p>Provençaalse melodieën en liederen waren daar reeds vroeger gezongen +geworden; ze gingen onder de naam van „<span xml:lang="fr">sons poitevins</span>”; ook troubadours +kwamen er wel eens. Maar sedert de laatste dertig jaren van de 12<sup>de</sup> +eeuw kwam aan de grote en kleine Franse hoven een adelike hoflyriek op +en in bloei, volkomen in de trant van de troubadours. Evenals in het +Zuiden, had men ook in het Noorden dichters van allerlei stand: naast +een vorst als graaf <span xml:lang="fr">Thibaut</span> van Champagne, een leenheer als <span xml:lang="fr">Conon</span> van +<span xml:lang="fr">Bethune</span>, vond men de slotheer van <span xml:lang="fr">Coucy</span>, ridders als <span xml:lang="fr">Gace Brulé</span> en +burgerlike <span xml:lang="fr">trouvères</span> als <span xml:lang="fr">Jean Bodel</span> van Arras. De troubadours werden +nagevolgd in de kunstige versvorm, in de conventionele poëtiese stijl, +en zelfs in de ootmoedige vrouwendienst die er de inhoud van uitmaakte. +Alleen was het Noordfrans een veel minder vormrijke taal, en de +Noordfranse volksaard geheel anders dan die der Zuidelingen, en zo er al +heel gauw iets kunstigs en conventioneels in de Provençaalse troubadours +kwam, de imitatie der Noordfranse heren was eigelik al niet veel meer +dan een echt dilettantengezelschapsspelletje. En het zijn ook zo goed +als uitsluitend de erotiese en maatschappelike genres waar men zich daar +op toelegt: voor de politieke <i xml:lang="es">sirventes</i> is de bodem daar minder +geschikt. Enkele van die minneliederen vertonen iets persoonliks. In de +liederen van de graaf van <span xml:lang="fr">Bethune</span> zijn er hier en daar zeer originele +beelden; op zijn zegel ziet men hem in volle wapenrusting voor zijn dame +knielen, terwijl hij haar hand als een vasal vastgrijpt, die zijn +leenheer huldigt. Een tijd lang leefde hij aan het hof van Marie te +Troyes en bezong haar, maar werd door „de Fransen” voor de gek gehouden +wegens zijn dialekt van Artois. De burchtgraaf van <span xml:lang="fr">Coucy</span> schreef +gedichten ter ere van de vrouwe van Fayel die een zeer natuurlike +verknochtheid aan „<span xml:lang="fr">ma très douce chière amie</span>” ademen; mijn liefde, zegt +hij, is zo vermetel als het kind dat schreeuwt „<span xml:lang="fr">por la bele estoile +avoir—k'il voit haut et cler seoir</span>”. Graaf <span xml:lang="fr">Thibaut</span> die op bescheiden +afstand zelfs een hulde bracht aan koningin Blanca van Kastilië, de +trotse moeder van Lodewijk de Heilige, toont in vele zijner liederen +heel wat smaak voor geleerde allegorieën en mythologie, maar toch ook +een ware aanleg voor liefde en echt Franse fijngevoeligheid. Mijn +liederen—zegt hij—zijn vol gramschap en smart, ik weet niet of ik +zingen zal of wenen. Ik weet niet hoe ik het met mijn trouweloze schone +heb, maar „<span xml:lang="fr">un peu la hais<span class="pagenum" title="242"></span><a id="p_242"></a> trop amoureusement</span>”. En wanneer de dichters, +zoals b.v.<span xml:lang="fr"> Richard de Semilli</span>, vrijere versvormen gebruiken, zingen ze +dikwels heel vrolik en fris. <span xml:lang="fr">Richard</span> vertelt b.v. hoe hij zijn dame in +gezelschap van anderen langs de Seine wandelend is tegengekomen—haar +voetje is zo klein en haar schoentje zo netjes en zij loopt er zo keurig +op—, en dan geeft hij een genoegelike schildering van een +damestoernooi: de hele uitrusting, brokstukken van een levendige +woordenwisseling, en angstig voor zijn dames roept hij als een soort +refrein voor elke strofe een nieuwe heilige aan met zijn „<span xml:lang="fr">Gardés moi mes +dame, mes Sire Saint...</span>”</p> + +<p>Maar anders is alles vrij bleek en banaal. De hele stijl, met zijn +smachtende hyperbolen, die de verliefde vleier in de mond van een +Zuid-Franse heel natuurlik staan, worden bij de Noordeling koude +conventie. Het is het verstand dat droog de beelden over het hart +doorwerkt, dat bij de aangebedene in gevangenschap verwijlt, en waar zij +voor zorgen moet, en stroo en brood moet verschaffen in de +gevangenis,—of over haar schoonheid die als een pijl de toeschouwer het +oog doorboort: haar ogen zijn de pijlspits, haar wenkbrauwen de boog en +haar lokken de veren der pijl. Slechts nu en dan duikt er een fris uit +het ridderleven gegrepen vergelijking op. Over het algemeen is het +slechts het spirituele en het subtiele in de liefde dat de Noordfranse +geest bizonder op prijs stelt en ontwikkelt. Parijs was niet voor niets +de zetel der scholastiek. Al de scherpzinnigheid waarmede men in de +scholen van Parijs abstrakte begrippen definieerde of geestelike +verschijnselen analyseerde, werden ook al heel vroeg door de lyrici op +het liefdeleven toegepast, en men kleedt in de lyriek evenzeer als in de +scholastiek zijn gedachten in allegoriese abstracties en +personificaties. Nu treden in de gedachten niet alleen „<span xml:lang="fr">Prix</span>” en +„<span xml:lang="fr">Honneur</span>” als handelende en sprekende personages op, maar ook <span xml:lang="fr">„Attente”, +„Espoir”, „Pitié”</span> en „<span xml:lang="fr">Doux-Semblant</span>” en het hart van de schone wordt tot +een gevangenis, waarvan „<span xml:lang="fr">Bon-Espoir</span>” de boeien zijn, het slot: +„<span xml:lang="fr">Bel-voir</span>” en de cipiers: „<span xml:lang="fr">Beau-Semblant</span>” en „<span xml:lang="fr">Dangier</span>”. Een poëties +genre waarin men bizonder uitmuntte was die nabootsing van de +Provençaalsche versdebatten over het een of ander eroties vraagstuk dat, +merkwaardig genoeg met de naam van „<span xml:lang="fr">jeux-partis</span>” wordt aangeduid. Zulke +debatten werden er dikwels aan het hof van <span xml:lang="fr">Thibaut</span> van Champagne +gevoerd. „Welk echtgenoot is het meest te beklagen,—was één vraag—hij +die vermoedens of hij die zekerheid heeft? Welke van twee gelieven is +het ongelukkigst, hij die het gezicht of die<span class="pagenum" title="243"></span><a id="p_243"></a> het gehoor mist? Welke +dame bemint het vurigste: zij die uit angst voor haar vriend hem +verbiedt aan een toernooi deel te nemen, of zij die hem met 't oog op +zijn eer daartoe aanzet?<ins class="corr" id="corr33" title="Niet in Bron.">”</ins> Gezelschapsspelletjes, waarin wel veel +kinderachtigs steekt maar toch ook dezelfde belangstelling voor +psychologiese en morele kasuistiek die steeds de toon is aan blijven +geven in de Franse salons van <span xml:lang="fr">Marguérite de Navarre</span> tot de tijd van de +<span xml:lang="fr">Précieuses</span> en van de dagen van <span xml:lang="fr">Marivaux</span> tot die van <span xml:lang="fr">Bourget</span>.</p> + +<p>In dergelijke liefdedebatten heeft Marie van Champagne dikwels met haar +dames als hoogste rechter gefungeerd en „vonnissen” moeten „vellen”, +evenals haar moeder, koningin Eleonore of de burggravin Ermengarde van +Narbonne dat in Zuid-Frankrijk gedaan hadden. Ook zullen Noord-Franse +ridders en dames meer dan eens voor Marie of voor gravin Margaretha van +Vlaanderen of koningin Aelis van Frankrijk gekomen zijn met een greep +uit het werkelike leven, om te vragen hoe men volgens hoofse +Provençaalse opvattingen in die gevallen moest oordelen of handelen, +zoals men ook naar de nieuwe mode kwam informeren. Er is b.v. een page +die <span xml:lang="fr">postillon d'amour</span> geweest is voor zijn meester, een ridder, bij een +dame. Maar nu zijn de page en de dame verliefd op elkaar geworden. Wat +moet men nu met zoo'n paar misdadigers beginnen? En gravin Marie +antwoordt: zij zijn goed genoeg om elkaar te mogen behouden, maar zij +kunnen niet meer in de goede kringen geduld worden. Een dame heeft een +jonge man tot zich genomen, een ridder, waar de schaaf nog zo goed als +in 't geheel niet over gegaan was, heeft hem toegelaten haar te dienen +en heeft hem nu zo ver gebracht dat hij een voorbeeld van goede manieren +en zeden is geworden; nu komt een andere dame die hem haar liefde biedt, +de ridder keert zich nu tot deze en veronachtzaamt zijn weldoenster. Wat +moet men van zo iets denken? En de gravin van Vlaanderen zegt: de dame +zowel als de ridder hebben zeer verkeerd gehandeld; door de ridder zo op +te voeden heeft de dame het recht verworven hem voor zich te houden.</p> + +<p>Deze en dergelijke oordeelvellingen vindt men in een kurieus Latijns +boekje van ongeveer 1200 opgenomen, gevormd: „<span xml:lang="la">De arte amandi</span>”, +geschreven door een geestelike, Andreas, die aan het hof te Parijs +werkte en die alles opschreef voor een jong man uit de hoge standen om +hem te waarschuwen tegen het betreden van de wegen der liefde, maar hem +toch ook (en dit is het wat verreweg het grootste deel van 't boek +uitmaakt) eens<span class="pagenum" title="244"></span><a id="p_244"></a> goed op de hoogte te brengen van alles wat tot die +nieuwe „<span xml:lang="fr">Comme-il-faut</span>-liefde” hoort. Het boekje geeft zeer duidelik de +geest der scholastieken weer, die zo ook de kunst der hoop en liefde +doordringt, ze in sisteem zet en in optima forma tot een <i>leer</i> maakt. +Onze klerk heeft een groot materiaal bijeen verzameld van dergelijke +rijm-debatten uit de Provençaalse en Noord-Franse dichters en van +exempelen uit allerlei ridderromans, waaruit hij nu met fijne dialektiek +maar grove pedanterie een leerstelsel voor de hogere kringen op tracht +te bouwen. Zo geeft hij b.v. een hele collectie formules, voor de +verschillende standen, in welke bewoordingen „hij” „haar” moet vragen en +hoe zij moet antwoorden. En er zijn allerlei rubrieken: een niet-edelman +die evenzo een burgerlike dame vraagt, of een adelike dame of een van de +hoge adel of zelfs een vorstin! Dan: een gewoon ridder die tot een +burgervrouw spreekt of een ridderlike dame of een vorstin enz. enz. +Volgens die verschillende mogelikheden is de toon eerbiedig of +opdringend, gewoon of met de nodige fraaie wendingen aan de kant van de +vrijer en meer eerbiedig of vereerd of uit de hoogte bij de dame. En +achter het stijve Latijn kan men dikwils de levende taal, en de +omgangstoon van de verschillende maatschappelike standen onderscheiden. +Verder geeft de geestelike ook een „Wetboek der Liefde” zo als een +ridder dat van het hof van koning Artus heet gehaald te hebben. Onder de +31 voorschriften daaruit—die Andreas uit de troubadourlyriek en de +ridderromans getrokken heeft—zijn er als volgt: dat de liefde geheim +gehouden moet worden, dat het huwelik geen geldige reden is te weigeren +een ander lief te hebben, dat men maar één te gelijk liefhebben kan, +maar heel goed door méér dan één bemind kan worden, dat niemand zonder +goede reden er van af moet zien iemand lief te hebben en dat men twee +jaar lang over zijn afgestorven geliefde moet treuren. Men ziet er ook +uit dat de ware minnaar slecht moet slapen en weinig eetlust hebben, dat +hij verbleekt wanneer hij zijn geliefde ziet, dat hij alleen maar +plezier hebben moet in wat zijn aangebedene hem vrijwillig toestaat, +maar dat hij natuurlik jaloers is en haar bij de geringste aanleiding +van het ergste verdenkt. Psychologiese waarneming en een zeker morele +fijngevoeligheid, gelijk men ziet, naast zuiver conventionele regels, +als voor een nieuw gezelschapsspel.</p> + +<p>Wordt nu troubadour-erotiek in het Noord-Franse riddergezelschap van +zijn lyries karakter ontdaan en gemaakt tot een spirituele +gevoels-analyse en sentimentele moraalleer, Noord-Frankrijk is<span class="pagenum" title="245"></span><a id="p_245"></a> toch aan +de andere kant het tehuis van de oude epiese heldengedichten, en de +mannelike zijde van de ridderkultuur kwam hier, in het leven zowel als +in de literatuur, heel wat meer tot ontwikkeling dan in Zuid-Frankrijk.</p> + +<p>De Anglo-Normandiese koningen waren meer en meer de vorstenidealen naar +het hart der ridders geworden: dapper en eergierig, vrijgevig en +prachtlievend. Reeds Hendrik I had een grote naam van ridderlikheid +verkregen, toen hij na een slag bij <span xml:lang="fr">Noyon</span>, tegen zijn leenheer, de +koning van Frankrijk, grootmoedig alle gevangenen vrij liet, die als +vazallen van hem en de koning van Frankrijk, hun plicht jegens hun hoge +leenheer vóór hadden laten gaan. Zijn schitterend hof in de jaren +1130–40 had kleur geleend aan de schilderingen door <span xml:lang="en">Geoffrey</span> van +<span xml:lang="en">Monmouth</span> en <span xml:lang="fr">Wace</span> van het Sagehof van koning Arthur. Maar nog meer werden +de tijdgenoten verblind door de overdadige pracht, die Hendrik II ten +toon zou spreiden om zijn koningswaardigheid op te houden,—het bonte +weelderige gevolg, waarmede <span xml:lang="en">Thomas à Beckett</span>, de kanselier, op +gezantschapsreizen zijn intocht in Franse steden hield, of de bijna +Byzantijnse feestdos en het ceremonieel waarmede <span xml:lang="fr">Richard Cœur de Lion</span> +te Westminster gekroond werd. Van zijn jeugd af was <span xml:lang="fr">Richard</span> voor zijn +tijd de incarnatie van ridderlikheid en vorstendeugd. Goed bezien was +hij, oproermaker als zoon en als vazal, eigelik volstrekt geen goed +voorbeeld, net zo min als echtgenoot en als koning over een rijk dat hij +geheel en al verwaarloosde. Maar hij was statig van postuur en geweldig +sterk, was zeer op het uiterlike gesteld, was altijd opgewekt en +onvervaard, „vrijgevig als Titus, welbespraakt als Nestor,” een man die +tengevolge van een ogenblikkelike inval, zonder het voor en tegen te +overwegen, zich in het een of ander schitterend avontuur zou storten, +roekeloos dapper, de eer boven alles stellend, daarbij niet zonder een +zekere altans schijnbare ijver voor de zaak der kerk. Geheel en al +romanties was de glans die op hem viel toen hij, de afgod der +troubadours, de belhamel van Zuid-Frankrijk, op éénmaal, vlak nà zijn +kroning op een kruistocht trok. Gelijktijdige berichten schilderen hem +in alle poëtiese heerlikheid op die kruistocht: weg galopperende op zijn +edel Spaans paard—„een schilder kon het niet fraaier gemaakt +hebben”—in zijn rozenrode mantel met halve manen er in genaaid en zijn +geborduurde scharlakenrode hoed met prachtige wapens en gulden sporen; +streng de hand houdende aan tucht en orde in het leger—„geen van 't +andere geslacht mochten mede trekken behalve wasvrouwen, die zo moesten +zijn dat ze<span class="pagenum" title="246"></span><a id="p_246"></a> niemand tot de zonde konden verleiden”; stoutmoedig zich in +de avontuurlikste tochten stortende en Philip Augustus geheel +overschaduwende; de edele koning Saladin bewondering afdwingende en +trachtend hem in beleefdheden en grootmoedigheid te overtreffen; ten +slotte door de jaloerse Franse koning verlaten en in zijn land door zijn +broeder verraden, vermomd door Duitsland heen terug ijlend waar hij +lange tijd in smadelike gevangenschap gehouden werd door de Duitse +keizer.</p> + +<p>Van die figuur van Koning Saladin straalde de tijdgenoten een even +schitterende glans van ridderlike poëzie te gemoet. De gedichten wisten +te vertellen hoe hij zich door Bertran de Born in de ridderlike liefde +liet onderwijzen en hoe hij zich door een gevangen genomen ridder de +wetten van de Ridderlikheid liet uitleggen en de ridderslag ontving met +een simboliese verklaring van al de ceremoniën daarvan.</p> + +<p>De Noord-Franse vorsten en ridders trachtten zowel door uiterlike glans +als door hun schitterend optreden aan de wedstrijden voor de prijs der +Ridderlikheid deel te nemen. Zeer beroemd werd een feest dat Graaf +Boudewijn V van Henegouwen gaf toen zijn zoon tot ridder geslagen was, +de toernooien te <span xml:lang="fr">Soissons</span> van Augustus 1175 en van <span xml:lang="fr">Trasignies</span> in 1169, +maar de glorie van het grote feest dat de Keizer van Duitsland in 1184 +te Mainz had gearrangeerd, toen zijn zoon de ridderslag ontving, had +toch alle andere overtroffen en een massa Noord-Franse vorsten en +ridders namen daar aan deel. En van Gotfried van Bouillon en Boudewijn +van Vlaanderen af tot de ridders toe die Konstantinopel in 1204 +veroverden en in 1214 de zegepraal bij Bouvines behaalden, vertellen de +kronieken van een hele reeks schitterende Noord-Franse ridderfiguren.</p> + +<p>De ridderschap als zodanig werd meer en meer door de Noord-Franse +juristen en ceremoniemeesters georganiseerd en gevormd. De graden door +welke de jongeling tot de ridderwaardigheid komt, de ceremoniën van de +ridderslag, heraldiek en de regels voor het steekspel—dit alles werd in +de praktijk vastgesteld, maar dan in de theorie verder uitgewerkt. En in +Latijnse verhandelingen en Franse leerdichten werd een ideaal van de +ridderlikheid ontwikkeld waartoe de adel hun zonen trachtte op te +voeden. Een der geesteliken van Hendrik II, John of Salisbury leert in +zijn groot werk „Polycraticus” dat de soldatenstand even goed een missie +heeft als de geestelikheid, maar evenals slechts zij waarlik geesteliken +zijn die de H. wijding ontvangen hebben, zo<span class="pagenum" title="247"></span><a id="p_247"></a> zijn alle krijgslieden die +niet tot ridder geordend zijn, slechts indringers en rovers. De +ordinatie bestaat voor hen in de omgording met het zwaard en de +ridderslag; het is een sakrament even als dat van de priester. De missie +van de geordineerde krijgsman is de kerk te beschermen, de priesters te +eren, kinderen en zwakken tegen overmacht te beschutten en zijn bloed in +de strijd voor anderen te vergieten. Mannen die hun vorst zo dienen zijn +heilig en het is een schone zede dat de Ridder op de dag waarop hij met +het zwaard omgord wordt, naar de kerk gaat, daar zijn zwaard op het +altaar legt en daardoor zijn gang aan de dienst Gods wijdt. De +geestelike „<span xml:lang="fr">Doctrinals</span>” en „<span xml:lang="fr">Enseignements</span>” die als paddestoelen +opschieten, willen gewoonlik volstrekt niet ridders tot monniken maken. +Zij schelden integendeel de vorsten flink uit, wanneer die geen hof +houden en feesten geven, hun ridders niet eren en de kunst niet verstaan +om „<span xml:lang="fr">biau despendre</span>”, zoals de Duitse keizer dat deed bij zijn glorierijk +feest te Mainz. Zij schrijven handleidingen voor het schaken en de jacht +voor, die bij de opvoeding in al wat ridderlik is te pas komen, en tot +de ware ridderlijkheid rekenen ze ook de kwestie van <ins class="corr" id="corr34" title="Bron: klêeren">kleêren</ins>, strijd +en toernooien. „Men moet zo leven dat er over je gesproken +wordt” zingen de ridderlike dichters, moeite en strijd moet men +niet schuwen, „het gemak is voor de eer de dood,—de ere eist +voor 't lichaam nood”, men moet 't gevaar opzoeken en avonturen, +om te „<span xml:lang="fr">valoir</span>”, d. w. z. te tonen dat men iemand is, en wáár +men toe deugt. Maar de riddereer wordt meer en meer tot de kern van het +ridderwezen, en er wordt een fijnere en ook hogere moraal in gelegd. Het +krijgsmansleven bouwt al uit zich zelf een eremoraal op; het gevoel van +sterkte en de moed scheppen eerlikheid en een zekere grootmoedigheid, +kameraadschap en discipline ontwikkelen standvastigheid en trouw. In het +nationale heldenepos dat in het noorden van Frankrijk nog in de zalen +der ridderhuizen weerklonk, was die militaire eremoraal steeds +verheerlikt geworden. Maar die wordt nu verder ontwikkeld door de steeds +omdwalende ridderschap, door de hogere kringen en door de +scholastiek—ontwikkelt men alleen in de richting van het humane en +het geraffineerd spitsvondige, maar ook van sterk overdreven ijdele +bravades. De kerk leert dat de ridder vrouwen en zwakken moet +beschermen, goud en goederen voor zijn deugd en zijn eer op moet +offeren, grootmoedig zijn vijanden moet vergeven. Het maatschappelik +leven legt fijngevoeligheid, bescheidenheid, hoffelikheid, en vrouwendienst +in het<span class="pagenum" title="248"></span><a id="p_248"></a> begrip der +riddereer, maar ook kleingeestige geraaktheid en ijdelheid. Door de +tournooien en het leven der rondtrekkende ridders wordt men aan menige +bravade gewend, een voortdurend geraffineerd op de spits drijven van het +begrip van eer en menig geval van lichtvaardig spelen met leven en +ledematen. Het begrip van de riddereer wordt tot een doctrine en krijgt +zijn wetboek evenals de leer van de ridderliefde.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>In de rijke Noord-Franse en Vlaamse beemden waar reeds vroeger een +letterkundig leven bloeide, ontvouwt zich nu een geweldige productie van +romans, een konkurrent van die heldenpoëzie, wel in vele opzichten ook +als literatuur een vervolg en een nabootsing er van, maar toch in de +eerste plaats in bewuste tegenstelling <ins class="corr" id="corr35" title="Bron: daarmêe">daarmeê</ins>. Van alle +kanten vloeide de stof bijeen. De kruistochten waarin de adel van +Vlaanderen en Lotharingen het voornaamste aandeel had, brachten een +voortdurende verbinding met Byzantium en het Oosten. De vorsten van +Lotharingen werden koningen van Jeruzalem, de handelsverbindingen der +Vlaamse steden met het Oosten via Venetië vermenigvuldigden zich en +werden bezegeld, toen graaf Boudewijn op de vierde kruistocht Keizer van +het Byzantijnse rijk werd. De epiek der kruistochten en de +Grieks-Oosterse romans die wij in „Floris en <span xml:lang="fr">Blanchefleur</span>” en „<span xml:lang="fr">Escoufle</span>” +geschetst hebben, waren ook juist toen in dat zelfde Noord-Frankrijk +geschreven. Van het Anglo-Normandiese rijk kwamen toen ook juist de +Bretonse sagen en gedichten en uit Midden-Frankrijk werden de Alexander- +en Troja-romans <ins class="corr" id="corr36" title="Bron: geimporteerd">geïmporteerd</ins>. In die gehele +romantiese stof werd nu juist hier de professionele ridderlikheid +ingewerkt en de van de Provençaalse hoven ingevoerde liefdepoëzie, en +daardoor is het dat de ridderromantiek tot de volle ontwikkeling komen +kan.</p> + +<h2><a id="XVIII"></a>XVIII.</h2> + +<p class="subh2">BRETONSE ROMANS.</p> + +<p>„Bretonse Romans” werden de meesten van die Noord-Franse romans uit het +einde van de 12<sup>de</sup> en het begin van de 13<sup>de</sup> eeuw genoemd. Die +speelden altijd in de wereld van „de twee Bretagnes” en waren opgebouwd +op stoffen en motieven uit de Keltiese sagenwereld, maar vermengden die +met talrijke antieke en Oosterse<span class="pagenum" title="249"></span><a id="p_249"></a> elementen, waardoor ze hun dichterlike +fantasie de vrije loop lieten. Enkele namen dier schrijvers—<span xml:lang="fr">Chrestien +de Troyes, Raoul de Houdenc, Renaut de Beaujeu, Guillaume le Clerc</span> zijn +tot ons gekomen, maar verreweg het grootste getal van die romans zijn +anoniem,—die van <span xml:lang="fr">Durmart le Galois, Meraugis de Portlesguez, Ider, +Gliglois, Perceval, Gauvain, Chevalier as deus epees, le Bel Desconu</span> en +hoe al die andere helden van de Arturcyclus heten.</p> + +<p>Reeds <span xml:lang="fr">Geoffrey</span> van <span xml:lang="en">Monmouth</span> en <span xml:lang="fr">Wace</span> hadden tegenover Karel de Grote, met +zijn hof te Aken of te Laon en zijn twaalf paladijnen, een andere held +opgesteld, Artus, de oude sagekoning uit Cornwall met zijn hof te +Carduel (in Cumberland) en zijn ridders van de Tafelronde. En hij is 't +dan ook die de roman met zijn hof tot hun centrum maakt. In vele +opzichten is er een scherpe tegenstelling tussen die twee. Karel was de +witgebaarde, oer-oude keizer „<span xml:lang="fr">au fier vis</span>” altijd in de wapenen en in +krijg voor de zaak van de kristenheid, geweldig in de strijd, van woede +bulderend in zijn raad, maar ook vol majesteit in zijn ouderdom en zijn +heiligheid ingesloten, als de gezalfde Gods en diens vertrouwensman, die +de openbaringen van de hemel ontving en door de hemelse mirakelen +gesteund werd. Artus is „<span xml:lang="fr">le bon roi</span>”, schoon, en in zijn optreden +helemaal een jonge man, maar iemand die, al kon hij, als het er op aan +kwam, dapper genoeg zijn, toch niet aldoor maar ten strijde trok, in de +regel zit hij vreedzaam op zijn kasteel, vrolik en gezellig, alleen maar +aan feesten denkend; sombere gezichten om zich heen kan hij niet dulden, +verklaart hij. Hij woont de mis bij en doet aan alle uiterlike +ceremoniën mede, maar er ligt niets van de priester over hem, hij staat +in geen mystiese verhouding tot de hemel, integendeel representeert hij +de hele wereldlike ridderlikheid, „<span xml:lang="de">die Welt</span>” die zich geheel van de kerk +los heeft gemaakt. Hij is een voorbeeld van vorstelike gastvrijheid en +milddadigheid, een tweede Alexander. Zijn hof en zijn tafel staan voor +allen open, hij strooit gaven om zich heen; wanneer Tristan als een +bedelaar naar het hof komt en om een mantel vraagt, doet hij dadelik +zijn eigen mantel af en geeft hem die. Tegen allen is hij hoofs en +hoffelik. Hij zou het niet in zijn hoofd krijgen om, gelijk Keizer +Karel, „Houd je mond” tegen zijn aartsbisschop te zeggen en zijn Roland +om de oren te slaan; integendeel tracht hij altijd vrede tussen de +ridders te stichten. Wanneer er dames op bezoek komen, ijlt hij ze +tegemoet en helpt ze zelf uit het zadel. Hij is grootmoedig, zijn werk +is om de beschermer van alle zwakken te zijn, degeen die alle onrecht +goed<span class="pagenum" title="250"></span><a id="p_250"></a> maakt. Dageliks komen er dan ook aan het hof die zijn hulp komen +inroepen en niemand trekt ongehoord weg. Vooral zijn dat vrouwen wier +echtgenoot ze verlaten heeft of die overlast geleden hebben of beledigd +zijn; want Artus is vooral de ridder der vrouwen en aan zijn hof heerst +de vrouw en bloeit de vrouwendienst.</p> + +<p>Artur en zijn gemalin Guenievre zitten aan tafel op de twee ereplaatsen, +en om die ronde tafel heen alle ridders zonder onderscheid van rang. +Zijn neef Gawein is het voorbeeld van een held, de bloem der +ridderschap, de „<span xml:lang="fr">chevalier sans peur et sans reproche</span>”. Hij is het +schild van allen die in moeilikheden zijn, die altijd op 't laatste +ogenblik hulp brengt, de ideale vriend die de held bijstaat zo die hem +bij zijn grote daden nodig heeft. Hij is hoofs, opgewekt, heeft de +vrouwen lief maar nog meer de strijd; altijd wordt hij geroemd wegens +„<span xml:lang="fr">mesure</span>”,—zijn takt en zelfbeheersing—en met bizondere hoogachting +behandelen de dichters hem wanneer zij hem „<span xml:lang="fr">Monseigneur</span>” en „<span xml:lang="fr">Messire +Gauvain</span>” noemen. Zijn beroemdste avontuur is dat met de groene +Ridder—een oude Keltiese bosreus, die geheel in 't groen gekleed, op +een groen paard gezeten op het Nieuwjaarsfeest bij koning Artus +verscheen en de aanwezigen uitdaagde tot een wedstrijd in moed en +kracht. Hij bood aan, zijn hals een ridder voor te houden die dan toe +mocht houwen, op voorwaarde dat hij een jaar daarna zich op die wijze +tot beschikking van „<span xml:lang="en">The Green Knight</span>” zou stellen. Niemand durft de +uitdaging aannemen, behalve Gawein. Die slaat de reus het hoofd af +maar... maar dood-kalm zet die het weer op en roept Gawein tegen het +volgende Nieuwjaar een tot weerziens toe bij „de groene Kapel”; daar +moet Gawein de slag in ontvangst nemen. Ofschoon het zo goed als de dood +voor hem betekent, gaat die toch tegen het volgend jaar, zo als hij nu +eenmaal beloofd heeft, op reis om de groene kapel te zoeken; gedurende +zijn tocht wordt ook zijn loyaliteit als vriend o.a. tegenover +verleiding van vrouwen, op de proef gesteld,—zoals naderhand blijkt +door de groene ridder zelf—; dàt is zeker het oude Oosterse motief van +de „Vriendschaps-proef”. En de onvervaardheid en trouw van Gawein +bestaan die proef goed; slechts een kleine vlek komt er op het schild +van zijn eer, maar daar pijnt hij zich dan ook evenzeer over als +koningin Dagmar uit het volksliedje deed omdat zij eens op een Zondag +haar zijden mouwen had vastgemaakt!</p> + +<p>Dan komt Iwein, de ridder met de Leeuw die eens een leeuw gered had die +met een slang vocht; nu is Iwein gelijk Androkles<span class="pagenum" title="251"></span><a id="p_251"></a> of Hieronymus overal +door het dankbare dier vergezeld dat hem op kritiese ogenblikken +bijstaat. En dan zijn er Lancelot en Perceval op wie wij terug komen. De +grappenmaker is Key, de drossaert. Oorspronkelik was hij niet +onsympathiek getekend, hij is dapper maar al te doldriest, met wat al te +veel vertrouwen op zich zelf; hij moet altijd absoluut elk avontuurtje +aan 't hof aanpakken maar hij delft altijd het onderspit. Naderhand +wordt hij kwaadaardig, laf en vals, de onruststichter wiens vergiftigde +tong vooral de dames van 't hof belastert.</p> + +<p>Ook de ridders van Arthur vormen reeds in hun uiterlik in vele opzichten +een tegenstelling met de paladijnen van Karel de Grote. Wel zijn ze +sterk en breedgeschouderd als Karels <span xml:lang="fr">pairs</span>, maar waar bij de +beschrijving van hun figuur spesiaal de nadruk op gelegd wordt is juist +het slanke en elegante: het smalle middel, de lange smalle vingers, de +hoge wreef zijn bizondere aristocratiese schoonheidstekenen. De +Arthur-ridders hebben blonde lokken maar géén baard; de uitdrukking van +hun gezicht is niet gelijk die der Paladijnen „<span xml:lang="fr">fier, hardi</span>” maar schoon +en rein: „<span xml:lang="fr">face tendre, chière riante, vis joyos</span>”; „hij scheen helderder +dan een edelsteen” staat er ergens; het aangezicht heeft een bloeiende +kleur, is „als de roos een morgen in Mei”. Het oog is stralend, zacht; +de mond is klein, maar heeft gevulde lippen, die is „als een +meisjesmond”, de kin heeft kuiltjes, de hals is lang, gevuld en „wit als +die van een meisje”. De gestalte van de Arthur-ridder tekent kracht +zowel als bevalligheid en deugt voor de strijd even goed als voor het +hofleven en de liefde.</p> + +<p>En aan het hof van Arthur leeft men in vreugde en genot. Dan zijn het +toernooien, dan jachtpartijen. Terwijl de koning 's middags na de +maaltijd zijn slaapje doet, zien wij het gezelschap in een kring zich +aangenaam bezig houden met vertellen van hun ondervindingen; het +gezelschap wordt door de koningin gepresideerd, Key begint weer op te +spelen en wordt door haar op zijn plaats gezet. Of wij treffen ze in hun +tenten in het bos onder een van die dagen lang durende jachtpartijen. +Hij die er in slaagt het witte hert te vellen, heeft het recht de +schoonste dame aan het hof te kussen,—in de oude Keltiese sagen mocht +de overwinnaar zich bij de maaltijd het mooiste stuk vlees afsnijden!</p> + +<p>Maar het hof van koning Artus is slechts het uitgangspunt en de laatste +scène der Arthur-romans. Zijn ridders zijn niet geschapen voor een +gezellig hofleven van niets doen dan genieten. Zij moeten de wereld in, +en avonturen zoeken, om later—zoals een van<span class="pagenum" title="252"></span><a id="p_252"></a> hen zegt—iets te hebben +om in gezelschap van te kunnen vertellen. Meer dan eens verklaart Arthur +'s morgens dat hij zijn eten niet aan wil roeren „vóór er het een of +ander gebeurd is”. En dat laat dan in de regel ook niet lang op zich +wachten. Dan komt er b.v. zoals wij reeds zagen, een vrouw klagen dat de +een of andere reus haar vriend weg is komen halen of geweld tegen haar +gepleegd heeft. Of omgekeerd is een vrouw aan haar vriend ontstolen +geworden. Of er komt een reus de ridders tot 't een of ander uitdagen. +Een der dames krijgt het in haar hoofd dat zij het wonderhert met de +witte benen moet hebben, dat ergens in het diepst van het woud door vier +leeuwen bewaakt wordt. Of er komt een jonkvrouw uit Ierland aanzetten +die de helden hun werkeloosheid verwijt; zij moesten maar eens naar haar +eiland komen, naar een kasteel dat zo vol met spoken is, dat niemand er +durft overnachten. En de romans trachten elkaar langzamerhand met het +vreemdste, meest spannende begin te overtroeven. Midden in de zaal +vertoont zich b.v. opeens een schaakbord van zilver en ivoor dat even +plotseling weer verdwijnt. Arthur verklaart dadelik dat hij dat absoluut +hebben moet. Of er vliegt plotseling een wit hert dwars door de zaal, +daarachter een hond en een jonkvrouw; een ridder weet de hond te pakken, +een ander grijpt de jonkvrouw die hij mede neemt, en nu krijgen +natuurlik terstond drie ridders van de Tafelronde bevel van de koning, +de een om het hert op te sporen en twee anderen om de geroofde hond en +de maagd na te zetten. Of eindelik: er komt een boot aanzetten die landt +met niets dan een lijk er op, waarin de punt van een lans vast zit; in +de hand van de dode zit een brief waarin de verslagene verlangt door hem +gewroken te worden die het stuk van de lans uit het lijk kan trekken, +maar hij zal dit onmogelik kunnen doen, staat er verder, tenzij met de +hulp van een ander die er in slaagt de ringen van de vingers van het +lijk af te halen.</p> + +<p>En dan trekken de ridders er op uit om de avonturen te bestaan die zich +zo voor kunnen doen. Maar dikwels worden die gezocht door de een of +andere jongeling die juist dezelfde dag aan 't hof is gekomen en die van +Koning Arthur permissie krijgt daar zijn krachten op te beproeven. En +dan gaat het de weg op,—de wijde wereld in,—gelijk men in de Griekse +romans op zee voer, zo hier te land. Alleen zijn het niet zoals dáár, +lijdende helden en heldinnen die door het noodlot van de ene kant van de +wereld naar de andere kant gestuurd worden, gevangen worden genomen, in +slavernij verkocht, enz. en zonder tegenstand zich<span class="pagenum" title="253"></span><a id="p_253"></a> aan alles wat hun +overkomt maar onderwerpen; hier zijn het energieke, moedige ridders die +zelf die avonturen zoeken en de strijd met beide handen aangrijpen. Wat +die romans geven in de poëzie van de gehele tijd der kruistochten en van +de omzwervende losbandige ridderschap—dat zelfde onberekenbare leven, +zo rijk in afwisseling, van de zwerver en de vagebond dat er in onze +tijd ook nu nog een klein beetje inzit, dezelfde geest die +<span xml:lang="la">Simplicissimus</span> te voorschijn heeft geroepen en <span xml:lang="en">Gil Blas, Peregrine +Pickle, Wilhelm Meister en Kenelm Chillingly</span>,—een geest die in een tijd +vooral dat het onrustige bloed zich nog niet naar vaste regels in de +samenleving voegen kon, de bijwegen onveilig maakte en de herbergen met +reizigers uit alle klassen der maatschappij vulde. De werkelikheid is in +die Bretonse romans nog maar heel vaag aangegeven en veel feitelike +aanduidingen over de reis krijgen wij ook niet; evenmin als in de +Keltiese sagen worden er bepaalde plaatsen genoemd, de reis gaat in „<span xml:lang="fr">la +blanche lande</span>”, door „<span xml:lang="fr">la forêt aventureuse</span>”, voorbij „<span xml:lang="fr">l'orgueillus +castel fort</span>”, en gewoonlik zijn er nog zelfs geen herbergen, waar men +overnachten kan, maar klopt men bij de een of andere arme „<span xml:lang="fr">vavasseur</span>” +aan, of slaapt in een vervallen „<span xml:lang="fr">tour des merveilles.</span>” In dit leven aan +de grote weg staat alles op losse schroeven en draagt elke schrede de +kiem van gevaar in zich. Wanneer men een bos intreedt—„<span xml:lang="fr">s'enforester</span>” +zoals dit met een bijzondere term luidt—is het altijd met een beklemd +gevoel van angst voor rovers; komt men aan een kruisweg, kiest men maar +op goed geluk een dier wegen. Gewoonlik treft men daar wel de een of +ander die weet te vertellen dat de ene weg veilig is en goed, de andere +daarentegen vol bezwaren en gevaren, zo dat niemand daar levend over +schijnt te kunnen komen. Waarop de ridder dan als van zelfsprekend die +laatste weg kiest. Door zijn drang tot avonturen laat de man zich zonder +enig vast plan steeds weer van zijn doel afbrengen; door alles wat hij +onderweg tegenkomt laat hij zich ophouden. Iets van de weg af, in het +bos, hoort hij kreten en als hij dan een ridder aan ziet komen rijden +met een dame dwars over het paard heen geworpen, dan moet hij die +natuurlik achterna. Of hij komt aan een brug waar een ridder zich bij +geposteerd heeft, en ieder die er over wil, moet verklaren dat de dame +van die ridder schoner is dan de zijne of zij moeten duelleren. Of wel +men komt aan een slot waar een ridder woont die van alle voorbijgaanden +schatting vordert. Dit laatste is iets wat maar al te zeer uit het +werkelike leven gegrepen was.</p> + +<p><span class="pagenum" title="254"></span><a id="p_254"></a></p> + +<p>Soms herkent men in die trekken met moeite nog de een of andere oude +sage of sprookje. Maar heel dikwels zijn het niets dan kleine +bedenkseltjes. „<span xml:lang="fr">Les contes de Bretagne sont si vains et plaisants</span>”, heet +het. Men voelt het sterk aan die romans dat ze al heel eigenaardig en +lichtvaardig omspringen met allerlei vreemde sagen en sprookjesmotieven +die absoluut geen wortel in het volk zelf hadden, die niet begrepen +werden in die samenhang en zo ook niet op de rechte waarde geschat, maar +alleen als stof dienden voor de spelende fantasie. Er was niets van het +„<span xml:lang="de">Erdgeruch</span>” der verhalen van Karel de Grote over de Bretonse romans, het +waren niets dan vluchtige, fladderende luchtspiegelingen. Al heel gauw +kwam het er eigelik maar op aan elkaar in verrassende en de +nieuwsgierigheid prikkelende „<span xml:lang="fr">Aventures</span>” te overtreffen. Alle mogelike +bizarreriën hoopt men op elkaar. Een ridder komt aan een herberg waar de +waard zijn gasten de gekste en meest absurde bevelen geeft en iedereen +doodslaat die niet gehoorzaamt; de ridder volbrengt zonder kikken al +zijn bevelen en het slot is dat hij zijn dochter ten huwelik krijgt; dit +schijnt een sprookje uit Wales te zijn, dat van Kilhwch. Een andermaal +komt de zoekende een ridder tegen die met een dame rondtrekt die er als +een lichte vogelverschrikker uitziet, maar tegenover wie hij vol van +alle mogelike galanterieën is en op wie hij zeer jaloers schijnt. Ginds +komt een dame aan, die met haar kleeren te binnenste buiten gekeerd, +achteruit op een paard rijdt, dit alles om zich zelf te straffen omdat +zij tegen een zekere ridder onvriendelik geweest is.</p> + +<p>Evenals in de Griekse romans wordt de handeling nog verder gecompliceerd +door allerlei misverstand en vergissingen. Men loopt elkaar mis: de +ridder die de dame vergezellen zal raakt haar onderweg kwijt en wanneer +hij dan bij zijn zoeken naar haar in een herberg komt is zij daar net +vandaan getrokken en niemand weet waar heen. Nog meer vergissingen +hebben er plaats en nog groter verwarring ontstaat er omdat alle ridders +in hun dichtgesloten wapenrusting er presies 't zelfde als een „ijzeren +wezen” uitzien, dat alleen maar te herkennen is aan het wapenschild of +helmteken en die dus volkomen incognito zijn wanneer ze dit verbergen; +ook de dames zijn gemakkelik te verwisselen waar het gelaat zo dikwels +bijna geheel door de hoofdtooi bedekt is. Daardoor strijdt men dikwels +met de verkeerde ridder, misschien wel met zijn beste vriend, of wel +schaakt men de verkeerde dame. En verder spelen intriganten de<span class="pagenum" title="255"></span><a id="p_255"></a> gelieven +vervalste brieven in de handen om kwaad bloed te zetten.</p> + +<p>Maar daarbij komen dan nog allerlei bovennatuurlike dingen. Zo is er +b.v. een slot met een „<span xml:lang="fr">lit perilleux</span>” waarin de ridder natuurlik dadelik +vraagt te mogen overnachten, te middernacht schiet er een vlammende +speer het venster in en doorboort de dekens, bijna was hij zelf gedood. +In een ander slot waar hij komt, „<span xml:lang="fr">la gaste cité</span>”, zijn duizend vensters, +in elk venster staat een jongleur met zijn snareninstrument en een +brandende kaars; het is een toverslot en een vroede man heeft Guinglain +de enige manier laten weten waarop die betovering op zal houden: hij +moet steeds met een heftige vervloeking antwoorden op de vriendelike +begroetingen waarmee hij ontvangen wordt, en dan moet hij in de grote +zaal wachten. Dat doet hij dan ook. De ene reusachtige tovenaar na de +ander komt binnen, maar wordt zo door de ridder overwonnen. Nu gaan +opeens alle kaarsen der jongleurs uit, in de duisternis hoort men ongure +geluiden, en de ridder wordt bang en maakt het teken des kruises. Een +ogenblik daarna komt er een slang binnenkronkelen, met vuurspugende ogen +maar een heerlike vrouwenmond. En die moet de ridder kussen; met die +„<span xml:lang="fr">fier baiser</span>” is het met de tovenarij uit, en de slang wordt een +allerliefste prinses. Of er borrelt <ins class="corr" id="corr37" title="Bron: ergers">ergens</ins> een bron op onder een fraaie +boom die nooit zijn bladen verliest; er hangt een gouden beker bij. Als +de ridder water in die beker doet en 't daarna op stenen voor die bron +leeg giet, steekt er een geweldige storm op. Maar 't wordt gauw weer +kalm, en dan wordt de lucht helder en heerst er een wondere stilte, +alleen is de boom vol van de prachtigste vogelenzang. Maar dan komt er +een wildeman met groot lawaai aanzetten die van de ridder rekenschap +vordert omdat hij die storm veroorzaakt heeft; met zijn leven moet hij +daarvoor boeten.</p> + +<p>Die bovennatuurlike dingen zijn een mengsel van Keltiese, Oosterse en +alle mogelike andere sprookjesmotieven. De brommende reus en de storm +komen in de 1001-nacht voor; de boom met de heerlike vogelenzang stamt +uit de legende van de H. Brandanus, die een gekerstende bewerking is van +oude Keltiese sagen. De slang die door een kus tot een prinses wordt, +schijnt Byzantijns-Oosters; in de reizen van Mandeville wordt die +historie van de dochter van Hippocrates verteld,—misschien door een +vermakelike vergissing, hij had n.l. een zoon die Draco heette. In een +episode van „<span xml:lang="fr">laide semblance</span>”, een monster welks aanblik niemand +uithouden kon, is de Medusa sage te herkennen. En als wij ergens<span class="pagenum" title="256"></span><a id="p_256"></a> anders +van een ridder lezen die naar een onderaards vertrek van een slot +gebracht wordt, waar hij een speer in zijn hand krijgt die zijn krachten +wegneemt, en een ring aan zijn vinger die vergetelheid brengt, en die +voor het weefgetouw gezet wordt en allerlei keukenwerk voor een dame +moet verrichten, dan is men geneigd te geloven dat hier een antieke bron +voor te vinden is, literair of door afbeeldingen, in de geschiedenis van +Heracles en Omphale. Maar van Keltiese sagen en gedichten stammen zonder +twijfel de boze dwergen, de schone heksen, de wilde reuzen, „de +gevaarlike heide” en „het avontuurlike bos”.</p> + +<p>Zelfs blijken dikwels hele Keltiese mythen achter de handeling dier +Bretonse romans te staan. Dat is het juist wat de achtergrond er van zo +vol stemming maakt en er een perspektief in legt dat de fantasie zo +aanzet, dat men er een andere bovennatuurlike wereld achter voelt, die +de schrijver zelf niet kent of die hij altans verkeerd begrijpt, maar +die dan juist door zijn poging om die menselik te maken, des te +fantastieser en vreemder wordt. Daar lezen wij b.v. van een burchtvrouwe +die haar slot door een ridder laat bewaken; die moet met allen vechten +die naar het kasteel komen, totdat hij door iemand overwonnen zal +worden, dan komt hij vrij, maar de overwinnaar moet nu de wacht +overnemen tot hij op zijn beurt weer afgelost wordt. Ergens anders lezen +wij dat de ridders die haar bewaken de een na de ander als beloning haar +trouwen, zodat de burchtvrouwe op die manier steeds de moordenaar van +haar man huwt. Weer in een ander werk wordt diezelfde geschiedenis nu +vrij sentimenteel zo verhaald dat het een dame is die, om haar minnaar +alleen voor zich te hebben, hem de belofte heeft afgeperst dat hij in +een tuin bij haar blijven zal totdat iemand hem overwonnen heeft; nu +kampt hij met allen die de tuin in willen dringen en stelt de hoofden +van de overwonnenen op de tuinmuur ten toon, maar zelf verlangt hij er +eigelik alleen maar naar om eindelik eens het onderspit te delven om zo +van zijn vervelend baantje verlost te worden. Men voelt licht dat al die +versies niets zijn dan pogingen om de Keltiese sagen in mensenfiguren te +belichamen van feeën die mannen naar hun rijk halen en als minnaars bij +zich houden, hoezeer die ook naar hun eigen land verlangen; totdat er +weer andere sterfeliken komen en de eerste minnaar doden, of aan wien de +fee nu haar liefde schenkt.—Dikwels horen wij ook van de gemalin van +Arthur, die door een vreemde koning geschaakt wordt, maar door ridder +Lancelot wordt gered, maar er wordt zoveel vreemds van<span class="pagenum" title="257"></span><a id="p_257"></a> dit land verteld +„waarvan niemand terug keert”, van een brug zo smal als de scherpe kant +van een zwaard, waar men over moet om er in te komen, enz., dat de lezer +een vaag gevoel krijgt dat dit oorspronkelik niets anders dan het +Dodenrijk is geweest, waar een levende uit teruggehaald moest +worden,—een mytiese stof reeds uit de oertijd die in Griekse sagen van +Persephone en Eurydice teruggevonden wordt, zowel als in Perziese mythen +en kristelike visioenen van het hiernamaals, maar vooral in Ierse sagen +van reizen naar het land der onsterfeliken. Er is ook nog een historie +van een jonge knaap,—Tyolet heet hij in een „<span xml:lang="fr">lai</span>”—die geboren en +getogen is in de eenzaamheid van het bos en die nu de wereld opzoekt, +naïef en onschuldig, alleen maar geholpen door de goede raad van zijn +moeder en wien uit de dagen van zijn leven in het bos een merkwaardige +macht over alle dieren bij gebleven is.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Het was in de bewerking van <span xml:lang="fr">Chrestien de Troyes</span> dat deze „Bretonse” +stofmassa de meest volledige verfransing onderging en tot een +aristokratiese sosiale roman werd. <span xml:lang="fr">Chrestien</span> was de toonaangevende, +misschien ook de oudste schrijver van die Bretonse romans. Hij schreef +tussen de jaren 1160 en 1190 en leefde waarschijnlik als een „<span xml:lang="fr">heraut +d'armes</span>”, aan het hof van Maria van Champagne en dat van Philip van +Vlaanderen; aan elk van hen heeft hij werken opgedragen. Van de gewone +kennis der geesteliken was heel wat de zijne; hij kende zijn Ovidius en +debuteerde met een vertaling van diens „Minnekunst” en enkele van de +„<span xml:lang="fr">Metamorphoses</span>”, hij was bekend met de Aeneas- en Troja-romans en +schreef, zoals wij al gezien hebben, een roman „<span xml:lang="fr">Cligès</span>” op enkele +Grieks-Oosterse verhalen. Maar van betekenis is hij voornamelik door +vier romans met Britse en Bretonse stof ten grondslag: „Erec en Enide, +De ridder met de kar, Iwein, de ridder met de Leeuw en Perceval.”</p> + +<p><span xml:lang="fr">Chrestien</span> schijnt mij van burgerlike afkomst te zijn; hij is vol +belangstelling en bewondering voor het ridderlike hofleven en maakt zijn +kunst tot één en al verheerliking daarvan en verkondigt er de idealen +van. Zijn romans zijn eerst en vooral zedeschilderingen van het elegante +leven der edelen van de 12<sup>de</sup> eeuw. Overal heeft hij het licht van de +werkelikheid op de vage, fantastiese sagen laten schijnen en maakt hij +de losse schetsjes van de <i xml:lang="fr">contes</i> en <i xml:lang="fr">lais</i> die zijn bronnen waren, tot +uitvoerige levensbeelden. Overal heeft zijn fantasie gevraagd: „wáár +gebeurde dat?—hoe<span class="pagenum" title="258"></span><a id="p_258"></a> is dat gekomen?—wàt zeide hij?—hoe zag dit of dat +er uit?” En zo worden de voorstellingen overal aanschouwelik, en meer en +meer gedétailleerd en worden ze tot hele portretten, beschrijvingen, +gesprekken en scènes. Het „<span xml:lang="fr">Chanson de Roland</span>” vertelt ons heel wat over +de tijdgeest, maar heel weinig over het dageliks leven en de zeden en +gewoonten van de 12<sup>de</sup> eeuw; daarvoor is de toon van 't heldendicht te +verheven, en de vorm te stijf. In de gewone, levendige, onderhoudende +romans van <span xml:lang="fr">Chrestien</span> treedt ons daarentegen de gehele atmosfeer van het +omgevende leven tegemoet en uit zijn romans kan men het „<span xml:lang="de">höfische leben</span>” +van zijn tijd reconstrueren, wat dan ook meer dan eens geschied is! Bij +een bezoek aan de franse burcht, komt men over de ophaalbrug, onder de +valpoort door op de binnenplaats, dan in de boomgaard, de trappen op, +zuilegangen door, in de grote zaal en de andere vertrekken en ziet hoe +dit alles ingericht is. Wij zien het jonge meisje in de hof haar ouders +zitten voorlezen; in de grote werkzaal zitten talrijke dienstmaagden en +gevangen vrouwen de gehele dag te weven. Wij zitten aan bij een +feestmaaltijd en bewonderen het servies en de spijzen; wij doen aan +jachtpartijen mede waarbij ons de wapenen en alles wat er bij te pas +komt vertoond wordt, wij wonen toernooien bij, waar wij de verschillende +banieren en deviezen leren kennen en wij krijgen de techniese verklaring +te horen van allerlei houwen en stoten. Overal komt de wapenheraut en de +ceremoniemeester voor den dag, maar wat wij óók zien, is, dat de +schrijver niet in al die heerlikheid opgevoed schijnt. Het grootste deel +van de attraktie zijner romans zal wel bestaan hebben in de zeer +zaakkundige beschrijvingen van alles wat het „<span xml:lang="en">high-life</span>” van zijn tijd +betrof. Terecht heeft men hem de <span xml:lang="fr">Paul Bourget</span> van die tijd genoemd. +Evenals deze overdrijft <span xml:lang="fr">Chrestien</span> ook heel dikwels de rijkdom en de +<span xml:lang="fr">elegance</span>,—de prachtige kleedij en sieraden der ridders en hun dames, de +zeldzame paarden en de kostbare wapenen. Het is uit de roman van Troje +en, met dat werk als schakel, uit de Latijnse poëzie en de Griekse roman +dat <span xml:lang="fr">Chrestien</span> die vele overdreven beschrijvingen met zo al te veel +details geleerd heeft; vooral in de stereotype schilderingen van tuinen +met exotiese planten herkent men dikwels de vreemde bronnen,—de hof is +n.l. zo ongeveer het enigste in de natuur waar <span xml:lang="fr">Chrestien</span> oog voor heeft.</p> + +<p>Maar waar de perceptie zo nauwkeurig en uitvoerig te werk gaat, is geen +plaats voor die scala van gebeurtenissen en episoden waar de +lichtvoetige fantasie der Bretonse vertellingen zich zo<span class="pagenum" title="259"></span><a id="p_259"></a> gemakkelik over +beweegt. Met die zelfde innerlike drang tot klaarheid die men later ook +bij <span xml:lang="fr">Racine</span> en het Frans klassisisme opmerkt, verstaat <span xml:lang="fr">Chrestien</span> de kunst +zijn stof te simplificeren. Waar het bij hem voornamelik op aankomt, +zijn volstrekt niet de uiterlike gebeurtenissen, maar het zieleleven +waar handelingen uit voortspruiten en waarop die inwerken. Er is een +overwegend dramaties element in de romans van <span xml:lang="fr">Chrestien</span>. Bij elke roman +die hij schrijft nemen de gesprekken een grotere plaats in evenals de +psychiese monologen en dialogen. Reeds in de Aeneas-roman zagen wij dat +de lange retoriese tiraden van Virgilius tot levendige, voortdurend +afwisselende vragen en antwoorden geworden zijn, hier bij <span xml:lang="fr">Chrestien</span> zijn +het dialogen geheel in de trant van een blijspel, b.v. die van het +Mysterie van Adam, uit dezelfde tijd, waarin Eva door de slang verleid +wordt. Midden in een indirekt verhaal slaat <span xml:lang="fr">Chrestien</span> opeens in de +levendigste dialoog over en geeft de woorden weer zoals ze vielen. En de +gesprekken zijn dikwels heel levendig en geestig, vooral wat de vrouwen +zeggen is vol Frans <i xml:lang="fr">esprit</i>. Daarbij komen dan nog de monologen en de +gesprekken waardoor de personen ons hun innerlik doen kennen. Ook dat +kunstmiddeltje had <span xml:lang="fr">Chrestien</span> van de romans geleerd die de antieken +nabootsten. Maar duidelik heeft de lyriek der Provençaalsche troubadours +hier ook als voorbeeld gediend; meer dan één van de monologen van +<span xml:lang="fr">Chrestien</span>'s minnaars is niets dan een lied der troubadours in +acht-lettergrepige verzen omgezet. Ook de hele geestelike dialektiek is +<span xml:lang="fr">Chrestiens</span>' leraar geweest in dialogiese analyse van zielstoestanden, de +dramatiese voorstelling van met elkaar in konflikt komende opvattingen. +Er is een sterk element van scholastiese dialektiek en spirituele +pedanterie in de manier waarop hij zijn gedachten aan de man brengt; +liefde en haat, vermetelheid en vrijgevigheid treden als personen op en +schelden elkander uit of vliegen elkaar aan en er wordt over 't algemeen +kinderachtig veel met woorden geschermd in plaats van met gedachten +gevochten. Maar dikwels wordt de sofisterij van het hart zeer levendig +weergegeven, wanneer de passie zich van schijngronden bedient om +verstand en plichtgevoel er onder te brengen. En aldoor volgt de dichter +alles wat er geschiedt met zijn psychologiese fantasie en zijn +sympathie. Hij verstaat levendig de kunst om het ongeduld weer te geven +van een die lang wachten moet of de gewetensbezwaren van een twijfelaar +en hij jubelt met de verzoende geliefden wanneer ze „met elkaar +wedijveren hoe ze elkander het meest plezier kunnen<span class="pagenum" title="260"></span><a id="p_260"></a> doen”, of wanneer +Gawein plotseling zijn lang ontbeerde vriend Lancelot naar hem toe ziet +komen rijden, van zijn paard springt en hem omhelst: Gawein „was zo +verrast alsof Lancelot uit de wolken was komen vallen en hij zou zelfs +niet graag tot koning gekozen willen zijn in plaats van Lancelot te +zien”.</p> + +<p>Overal in zijn kunst wordt <span xml:lang="fr">Chrestien</span> door zijn persoonlikheid in twee +verschillende richtingen getrokken. Er is een realisties nuchter +verstand in hem dat het vreemde element assimileert aan wat hem +familiaar is en bekend, het hoge aan het lage. Maar er is ook een drang +naar het ideale in hem die hem steeds zijn onderwerpen doet opsmukken, +verfijnen en veredelen. Zijn fantasie leeft steeds onder de vorsten en +edelen, hij schildert slechts rijkdom en schoonheid, en tovert zich en +zijn publiek het verleden als een ideale avontuurlike wereld voor de +ogen. Laten wij van de tegenwoordige tijden maar niet spreken, zegt +hij,—die kennen geen ware ridderlikheid meer en geen ware liefde, maar +laat ons spreken van hen die <i>waren</i>; een dode edelman is meer waard dan +een levende ellendeling; laten wij spreken van de gulden tijden van +koning Artus, toen het leven was zo als het zijn moet. Toen waren er +feesten,—„niets ontbrak er toen van wat genot geeft of 's mensen harte +vreugde brengt”; toen waren er vrouwen,—„nooit zag men een schoner +paar”, „God schiep in <span xml:lang="fr">Blanchefleur</span> zijn meesterwerk”; toen waren er +paarden,—„geen koning of keizer bezit zulk een prachtig paard”,—„dat +is 100 Mark, ja, wel 100.000 Mark in goud waard.” In zulk een idealisme +wordt elke karakteristiek van personen en toestanden uitgewist. Maar als +hij aan 't werk is, vergeet Meester <span xml:lang="fr">Chrestien</span> gelukkig dat hij +Hofdichter is en Artus moet bezingen en geïnspireerd door zijn naieve en +realistiese vertellingskunst, schildert hij zonder zich te generen, hoe +de ridder achter de valdeur gevangen zat als in een rotteval, hoe een +der strijders een hele karbonade uit zijn tegenstander kerft en hoe die +zich liever een tand uit wou laten trekken dan door te vechten. Vooral +tegenover de vrouw en de liefde komt zo zijn realistiese en ironiese +blik op de menselike natuur duidelik voor den dag. Hij vindt het gewoon +„onzin” om te beweren, zoals <span xml:lang="en">Thomas</span> in zijn Tristan doet, dat de ene +geliefde op een afstand kan voelen wat de ander denkt, omdat „zijn hart +bij haar en 't hare bij hem is.” En hij heeft er plezier in alle +voorbeelden op te noemen van de trouweloosheid en veranderlikheid van de +vrouw en tekent een beeld van haar dat heel wat verschilt van dat der +troubadours. Maar toch zijn<span class="pagenum" title="261"></span><a id="p_261"></a> <span xml:lang="fr">Chrestien</span>'s romans er op uit om in de +Bretonse sagestof het idealisme van de liefde en de riddereer te leggen +die hij aan de adel verkondigt. Het is een sentimenteel, maar misschien +ook tot zekere hoogte een logies idealisme: het is zijn dialekties +verstand dat er een genoegen in vindt om die opvatting van de liefde en +de eer welke hij in de ridderlike poëzie al gevonden had, zo subtiel +mogelik ten spits te drijven en logies in al zijn konsekwenties door te +voeren. Zo als dit voor een ceremoniemeester en wapenheraut past, stelt +hij in zijn romans alle regels der riddereer op en interpreteert ze als +een streng jurist; maar als de hofdichter van Marie van Champagne +huldigt hij tegelijk ook de religie van de mode-liefde en waakt er +nauwkeurig over dat aan alle eisen daarvan voldaan wordt. En met zijn +dramatiese dichtergave weet hij in zijn romans het konflikt tussen +riddereer en ridderliefde ten top te drijven.</p> + +<p>In „Erec en Enide” wordt verhaald hoe Erec, een der ridders van koning +Artus, door de dwerg van een onbekend ridder gehoond is geworden. Zijn +riddereer verbood hem de dwerg dadelik te tuchtigen, maar nu gaat hij +naar een stad waar hij die ridder in een toernooi zal ontmoeten. +Gezellig pratend vertelt <span xml:lang="fr">Chrestien</span> hoe Erec bij een arme „<span xml:lang="fr">Vavassor</span>” met +een witte baard, zijn intrek neemt die droef in zijn eenzaamheid voor +zijn huis zit. Zijn gastheer heet hem dadelik welkom en roept zijn vrouw +en dochter van haar huiselik werk en beveelt het jonge meisje voor het +paard van de ridder te zorgen en dat op stal te zetten. Zij is zeer +armoedig gekleed en treedt schuchter voor de gast, maar haar zeldzame +schoonheid lijkt dubbel schoon in haar nederig kleed. Als zij het paard +verzorgd heeft, leidt zij de ridder bij de hand naar de kamer die de +moeder intussen zo fraai mogelik voor hem in orde heeft gebracht. En +daar zet Erec zich nu tussen zijn gastheer en diens dochter op het met +tapijten bedekte bed voor een helder brandend vuur, terwijl de enige +dienstmaagd van de familie het avondeten toebereidt. Erec vindt het +meisje hoe langer hoe liever en de vader vertelt met naieve trots hoe +velen haar al gevraagd hebben, maar zij is zo schoon dat hij haar niet +geven wil tenzij er een echte koningszoon komt die haar hebben wil. Nu +maakt de gast zich bekend als Erec, de zoon van koning Lac, een der +ridders van de Tafelronde en vraagt dat de dochter morgen bij het +toernooi zijn dame moge zijn. De gastheer en de hele familie zijn +natuurlik allemaal even blij als vereerd en voor de avond om is, is de +zaak uitgemaakt dat Enide met Erec trouwen gaat.<span class="pagenum" title="262"></span><a id="p_262"></a> Stil en bedeesd zit +het jonge meisje daar, innig gelukkig bij de gedachte dat zij koningin +zal worden. De volgende morgen helpt zij hem bij het aantrekken van zijn +wapenrusting, „dat liet zij zich niet twee maal vragen,” zegt de dichter +schelms, en Erec overwint in de strijd en geeft haar de prijs: een +sperwer. De volgende dag trekt Erec met Enide naar het hof van koning +Artus. Erec vraagt dat zij haar armoedig kleed aan zal houden, niet +alleen omdat hij dit wel pikant vindt, maar ook omdat hij zeer +ridderlijk haar uitzet door koningin Guenievre wil laten bezorgen; het +enige dat zij mede neemt is de sperwer die niet uit haar hand te krijgen +is, en waarin ze de hele tocht door een kinderlik plezier heeft, terwijl +Erec zich steeds dicht tegen zijn schone aandrukt en niet moe wordt haar +aan te zien, vol ongeduld om haar aan het hof voor te stellen en zijn +lotgevallen te vertellen...</p> + +<p>En nu vertelt de schrijver, alles in de prachtigste kleuren, van de +schitterende bruiloft en van het jonge paar en hun huweliksgeluk. Maar +nu komt pas het eigelike onderwerp: het konflikt in Erec tussen de +minnaar en de ridder. Naïef en familiaar verhaalt <span xml:lang="fr">Chrestien</span> ons hoe Erec +meer en meer verwijfd wordt; hij is niet van Enide af te slaan en staat +soms niet voor 12 uur op. Zijn mannen beginnen daar over te mopperen en +eens op een morgen hoort hij hoe Enide tegen zich zelf ligt te klagen +dat zij schande en oneer over haar man gebracht heeft door hem van zijn +ridderlike daden af te houden. Als Erec met moeite uit haar gekregen +heeft wat er van hem verteld wordt, ontwaakt zijn trots en zijn +gramschap en zijn gekrenkte riddereer doet hem in zijn overspanning een +plotseling besluit nemen. Nu zal hij haar en de wereld eens tonen wat +het voor een man is die zij verdenken en tegelijkertijd zal hij haar +vertrouwen en gehoorzaamheid op de proef stellen. Hij laat zich zijn +volle wapenrusting aandoen en zonder enige verklaring, bars en met een +paar woorden, beveelt hij zijn vrouw haar schoonste kleed aan te +trekken; nu gaan zij te samen de wereld in. Het enige teken van +tederheid dat hij aan den dag legt, is dat hij zijn vader opdraagt voor +Enide te zorgen, voor het geval dat zij alleen terug zou komen. Nu laat +hij haar steeds een eind vóór hem uit rijden en verbiedt hij haar streng +tegen hem te spreken of hem te waarschuwen, welk gevaar zij ook moge +vrezen. Zijn bedoeling daarmee is haar als een soort lokvogel te laten +dienen en zo allerlei roofridders en strijders te krijgen die Erec in +nieuwe gevaren zullen brengen en nieuwe avonturen zullen bezorgen. Er +wordt nu geschilderd hoe ze rondtrekken; <span class="pagenum" title="263"></span><a id="p_263"></a>overdag mag de arme Enide geen +woord tegen haar geliefde man zeggen en des avonds in de herbergen +behandelt hij haar als zijn schildknaap en moet zij het werk van een +stalknecht doen. Keer op keer is haar man aan gevaren blootgesteld door +haar schoonheid; òf het zijn drie roofridders die hem overvallen, òf wel +een burchtheer in een ander slot waar ze overnachten, wordt verliefd op +Enide en wil Erec ombrengen... En keer op keer vergeet zij in angst voor +haar man zijn verbod of veronachtzaamt het, waarschuwt hem en redt +daardoor zijn leven; maar hij wordt elke keer weer meer vergramd over +haar ongehoorzaamheid en haar wantrouwen,—hij zal zich wel weten te +redden zonder hulp van vrouwen! Maar,—haar liefde is toch steeds +sterker dan haar vrees voor zijn gramschap. Dit is feitelik een oud +motief uit de heldenpoëzie en de sprookjesliteratuur: een hond of een +paard dat door zijn blaffen of hinniken zijn heer voor een gevaar wil +waarschuwen die de bedoeling van het trouwe dier niet begrijpt en het +daarom met slagen dreigt of werkelik slaat, maar de liefde van het dier +is steeds sterker dan de vrees en de gehoorzaamheid; pas op 't +allerlaatste ogenblik, misschien pas als het te laat is of hij zijn +trouwe vriend gedood heeft, bemerkt hij het gevaar. Hier is het nu de +vrouw die haar heer die hondentrouw bewijst of die nederige liefde +toont. Het motief is ook verwant met die talrijke verhalen op het +(latere) Griseldis-motief van een man die zijn echtgenote op de proef +wil stellen, haar verstoot, haar een andere vrouw laat dienen die hij +voorgeeft te willen huwen, die haar beveelt hem als staljongen te volgen +en die hij op stroo aan het voeteneinde van zijn bed laat slapen... +alleen om haar later tot groter eer en waardigheid op te heffen. +Tenslotte, wanneer Erec dodelik gewond bewusteloos voor dood nederligt +en Enide juist door een burchtheer gedwongen zal worden hem te trouwen, +komt Erec door haar kreten weer tot bewustzijn, vliegt op en bevrijdt +haar... Zij omhelzen elkaar; aangedaan dankt hij zijn Enide—telkens +wanneer zij ongehoorzaam was had zij in werkelikheid hem eigelik weer +een bewijs van haar liefde gegeven en van nu af leven zij in een en al +geluk zonder de minste wolkjes.</p> + +<p>Hier was het de vrouw,—in de volgende roman van <span xml:lang="fr">Chrestien</span> „Ivan, de +ridder met de leeuw”, is het de man die door een hardvochtige geliefde +gepijnigd wordt, waar die de proef door zijn onderdanige liefde bestaat; +en ook in deze roman is het weer het konflikt tusschen de eisen der +liefde en die der riddereer<span class="pagenum" title="264"></span><a id="p_264"></a> voor een leven van heldendaden, dat de +handeling in beweging brengt. Maar het begin behandelt toch een ander +onderwerp,—dat duidelik de reeds hiervoor genoemde sage van feeënliefde +is, maar op menselike wezens overgebracht, zodat het bijna onherkenbaar +is. <span xml:lang="fr">Chrestien</span>'s bewerking van dit motief werd door zijn tijdgenoten +beschouwd als een meesterstuk in vrouwen-psychologie.</p> + +<p>Ivan heeft met een gouden beker water uit een betoverde bron geschept, +met de eigenaar van die bron gestreden en hem dadelik gewond. De gewonde +vliedt naar zijn burcht terug, Ivan zit hem op de hielen... maar is +juist de poort door binnengedrongen, wanneer die achter hem dicht slaat, +voor hem valt een hamei neer en... zo zit hij gevangen! De burchtgravin +en de dienstbaren zijn gelukkig zo druk bezig met hun meester die in de +ridderzaal ligt te sterven, dat zij hem niet opmerken, alleen een der +camerieres heeft hem gezien en wat nog beter uitkomt, eens toen zij met +een boodschap naar het hof van Artus was gekomen, had Ivan haar een +kleine beleefdheid kunnen bewijzen; als dank voor die ridderlikheid +belooft zij niet alleen hem niet te verraden, maar zij geeft hem ook een +ring die hem onzichtbaar maakt. Met die ring aan zijn vinger loopt hij +nu veilig overal het kasteel door. Wanneer Ivan de zaal inkomt, springen +de wonden van de dode open en begint het lijk te bloeden,—een zeker +teken dat de moordenaar in de nabijheid is—maar de mensen zoeken hem +vergeefs. Maar daar staat nu Ivan, en kijkt de wanhopend verdrietige +weduwe aan, de schone „<span xml:lang="fr">Dame de la Fontaine</span>” en voelt de liefde voor haar +ontwaken. Echt een pikante en sentimentele situatie: de overwinnaar +overwonnen door de echtgenote van zijn verslagen vijand, in de macht van +haar die hem meer dan allen haat. Betoverd door zijn liefde is het hem +onmogelik de plaats te verlaten die meer dan een ander vol gevaren voor +hem is. Wanneer Lunette, de cameriere hem de open deur wijst, kan hij 't +niet over zich krijgen het slot te verlaten, hoe hopeloos zijn liefde +hem ook voor moet komen. In lange monologen horen wij in detail al het +paradoxale van zijn toestand en hoe sentimenteel hij nu volkomen in de +war is gebracht. Nu maakt hij Lunette tot zijn vertrouwde en deze, een +van het echte koppelaarster-soort (verwant aan de dienstmaagd van Medea +en Dido's zuster in de antieke romans) beweert kans te zien er haar +meesteres toe te brengen de moordenaar van haar echtgenoot lief te +krijgen. In de feeënsage die hier aan ten grondslag ligt, was het heel +natuurlik dat elke ridder die opnieuw de<span class="pagenum" title="265"></span><a id="p_265"></a> Meester van de bron werd, ook +de watergeest daarvan, de fee, zou bezitten; het wordt pas stotend en +paradoksaal wanneer dit op menselike wezens overgebracht wordt. Toch kan +dit het publiek van de heldenpoëzie niet ongelofelik voorgekomen zijn, +zo min als de lezers van onze oude balladen; voor hen was het iets heel +gewoons dat een moordenaar als boetedoening en schadevergoeding de +weduwe of de dochter van de verslagene huwde. Maar de prototype van +<span xml:lang="fr">Chrestien</span> was niet zo zeer de Oosterse cyniese vertelling van de +gemakkelik te troosten weduwe van Ephesus, als Jokaste die, in de Roman +van Thebe, de moordenaar van haar man huwt, of Dido, die er door haar +zuster toe gebracht wordt haar belofte van trouw tegenover haar +gestorven gemaal te breken, of de wispelturige trouweloze Briseis in de +roman van Troje. Het is vooral zeker de episode van Briseis die +<span xml:lang="fr">Chrestien</span> heeft willen overtreffen door een nog schitterender +schildering der veranderlikheid van het vrouwenhart en hoe dat zich +onder alle omstandigheden voor de liefde vinden laat. Het meisje dat +blijkbaar tegen haar meesteres zeggen mag wat ze wil, begint een praatje +met haar: dat het toch niets geeft of ze daar nu al blijft zitten wenen, +zij moet er liever over denken hoe zij de bron en het kasteel nu kan +beschermen, zij kan toch gemakkelik weer een even goed heer en meester +krijgen als hij die ze nu verloren heeft. Haar meesteres, die, gelijk +alle vrouwen, „weigert wat ze in haar hart eigelik wil”, zendt het +meisje weg en verbiedt haar zulke dingen te zeggen. Maar ze denkt er +toch steeds aan en voelt al wat berouw dat zij Lunette verboden heeft er +op terug te komen. Gelukkig begint die er kalm de volgende keer toch +weer over en verklaart dat het een voorname vrouw als haar meesteres +niet past zo lang te wenen en vraagt of zij misschien denkt dat er geen +moediger mannen zijn dan hij die nu gevallen is?—„Ja,—en wie zou dat +dan zijn?”—„Ik zeg 't niet want dan wordt u maar boos!”—De vrouwe +belooft van niet. En nu begint Lunette: „Iemand die een ander velt, moet +een beter en sterker ridder zijn dan de verslagene, en dus...” „Weg, uit +mijn ogen! afschuwelik wezen!”—barst de meesteres uit,—maar +desniettegenstaande ligt zij toch een hele nacht over de zaak na te +denken en reeds begint zij in haar hart zijn zaak te +bepleiten.<ins class="corr" id="corr38" title="Bron: ”"></ins> „Als de mensen mij maar niet uit +zouden lachen!” Maar wanneer Lunette haar de volgende dag vertelt dat de +man niemand anders is dan Ivan, de beroemde Artus-ridder, dan is de dame +op eens vuur en vlam. „Hoe gauw zou hij hier kunnen<span class="pagenum" title="266"></span><a id="p_266"></a> komen?”—en +ofschoon Lunette hem in haar bereik heeft, laat zij toch haar vrouwe een +hele dag lang in spanning op hem wachten vóór zij haar Ivan brengt. +Wanneer die voor haar verschijnt weet hij nog van niets en is hevig +bevreesd voor zijn leven, ofschoon Lunette hem schelms verteld heeft dat +haar meesteres hem in een niet zeer onaangename gevangenis wil zetten. +Hij moet nu ook niet met zijn mond vol tanden blijven staan maar... +flink voor den dag komen. Hij gaat nu recht op haar af, werpt zich voor +haar op de knieën en geeft zich aan haar genade over,... vertelt dat het +liefde voor haar is die hem op het kasteel heeft doen blijven; en +eindelik stelt zij hem kort maar bondig en zakelik voor de verdediger +van de burcht te worden en daarmede... haar man! Dan roept zij haar +baronnen bij elkaar, speelt een scène voor hen en weet het zo in te +richten dat zij haar dwingen een nieuwe echtgenoot te kiezen,—waarop +zij met Ivan voor den dag komt en hen de eed van trouw aan hem doet +afleggen.</p> + +<p>Hoe naïef dit hele stuk psychologiese roman de moderne tijd ook kan +schijnen,—de mensen <i>waren</i> nu eenmaal naïever en meer ongekunsteld in +die dagen, en de analyse van <span xml:lang="fr">Chrestien</span> komt tegenover de werkelikheid +misschien niet zo heel veel tekort. Maar nu komt als de eigelike inhoud +van de roman, het moment dat Iwein's vriend Gawein hem al heel gauw +verwijt dat hij „luiwammest” en in zijn liefde het ridderleven vergeet +en nu vraagt en krijgt Iwein een jaar permissie van zijn vrouw. Maar de +vriendschap met Gawein, het genot dat hij nu weer in het ridderleven +schept en dan ook zijn ridderplichten die hem steeds weer de +ongelukkigen ter hulp doet snellen die in nood verkeren, dit alles maakt +dat hij langer dan een jaar uitblijft—de plichten der liefde worden nu +voor die der riddereer verzuimd—en nu krijgt hij bericht van zijn dame +dat zij hem niet meer zien wil. In wanhoop en berouw vliedt Iwein nu +naar het bos en leeft daar als een wildeman, wordt waanzinnig van +verdriet en het is niet dan na veel ellende doorstaan en vele +heldendaden bedreven te hebben dat hij alweer door de slimheid van +Lunette zich in genade bij zijn vrouw weet te doen aannemen.</p> + +<p>Dat de vrouw hier supérieur, de meesteres is en de man de ootmoedige +dienaar, terwijl in „Erec en Enide” de toestand juist omgekeerd was, +komt in hoofdzaak hierdoor dat Enide een arm meisje was dat tot een +plaats aan de zijde van een vorst opgeheven wordt, terwijl de „<span xml:lang="fr">Dame de +la Fontaine</span>” de regerende vorstin is en Iwein haar „man” d. w. in dit +geval zeggen haar „vasal” was.<span class="pagenum" title="267"></span><a id="p_267"></a> +Maar in de volgende roman van <span xml:lang="fr">Chrestien</span> +zien wij de Provençaalse vrouwenverering reeds geheel en al door hem in +de Britse sagenwereld ingewerkt en paradoksaal tot het uiterste +gedreven. En hier is het nu de Keltiese sage van iemand die naar het +Dodenrijk ontvoerd wordt maar die weer voor het leven gewonnen wordt, +waar de dichter een volkomen menselik ridderverhaal op geborduurd heeft. +De geschiedenis der ontvoering van Artur's gemalin door een vreemde +koning was een oude schakel in de Britse Arthur-verhalen en daarmede +smolt de Keltiese Orfeus-mythe samen; Guenievre is het, die weggevoerd +wordt en Lancelot die haar terug haalt. Nu wordt Lancelot tot de neef +van de koning gemaakt en hij vereert en aanbidt de vrouw van zijn +oom,—evenals Tristan die van zijn oom Marc. Ook hier draait alles +feitelik om een konflikt tusschen riddereer en liefde,—een zuiver +simbolies konflikt tussen die twee tot het uiterste gevoerde begrippen. +Lancelot hunkert er slechts naar te weten te komen waar zijn aangebeden +koningin heen gevoerd is en dat land zelf te betreden, maar hij is zijn +paard kwijt geraakt en staat wanhopend te kijken wanneer er juist een +dwerg voorbij komt op een kar: als de ridder nu maar op wil zitten, zal +de dwerg hem de weg naar de koningin wijzen. In zijn sterk ongeduldig +verlangen begaat nu ridder Lancelot door zijn liefde voor Guenievre de +voor een ridder zo uiterst vernederende handeling werkelik op de kar +plaats te nemen,—iets waar hij duur voor zal moeten boeten. In de oude +sage is er zeker ook iets van een wagen geweest,—misschien wel de +doodswagen, waar er voor de ridder een grote zelfoverwinning voor nodig +was om die te bestijgen, om zo in het doodsrijk te komen. En dit zal +<span xml:lang="fr">Chrestien</span> òf niet hebben begrepen òf niet hebben kunnen gebruiken, in +plaats waarvan hij met al het formalisme van een ceremoniemeester, een +heel simbool maakt dat Lancelot liefde boven riddereer stelt, wat per +slot van rekening toch maar een kleine inbreuk was op de +riddergewoonten: dat hij in een kar reed in plaats van te paard. Overal +waar hij nu voortaan heengaat, heeft men van zijn tocht op de kar +gehoord en wordt hij met spot en hoon overladen, ja, wanneer hij +eindelik, na allerlei avonturen en heldendaden, alles om zijn liefde +vergetend, de koningin weet te vinden en haar te bevrijden, dan keert +ook zij haar ridder en redder de rug toe: hij heeft zijn riddereer +geschonden en daardoor haar eer. (Anderen verstaan daarentegen de tekst +zo dat de koningin er integendeel boos over is omdat Lancelot even +<i>geaarzeld</i> heeft van<span class="pagenum" title="268"></span><a id="p_268"></a> de kar gebruik te maken). Zwijgend en ootmoedig +buigt hij zich voor haar ongenade, die hem geen woord van verklaring +zelfs gunt en lang zwerft hij wanhopend rond totdat hij na nieuwe daden +en gebroken in zijn ootmoed eindelik toch in genade aangenomen wordt. +Met nieuwe, heel bizondere kleuren is die ootmoedige liefde van Lancelot +geschilderd; niettegenstaande de invloed der troubadours is die, als men +het zo uitdrukken mag, meer noordelik-blond dan de door hen geschilderde +liefde; het is een heel romanties-dromende ingenomenheid, een verlangend +smachten, waar de jongeling mede rondloopt. Vele maagden trachten hem +onderweg te verleiden of te dwingen, maar „een ridder heeft maar één +hart en het zijne is niet langer bij hem”, in alle situaties bewaart hij +zijn kuisheid, als b.v. ergens de jonge schone gastvrouw hem haar bed +laat delen, houdt hij voorzichtig zijn ondergoed aan. Eens op een morgen +vindt hij een ivoren kam op de weg liggen, met goudgeel vrouwenhaar er +in—„ik weet niet van wie die is”, zegt de schrijver schelms—dadelik +valt hij in zwijm van aandoening, daarna haalt hij er netjes alle haren +uit, drukt die tegen zijn ogen, mond en voorhoofd en bergt ze op zijn +borst. Van haar kant heeft Guenievre er plezier in de bescheiden +page-liefde van de jongeling naar haar zin te zetten en op een verfijnde +proef te stellen. Eens wanneer Lancelot—incognito, alleen de koningin +herkent hem—met grote kranigheid op een toernooi strijdt dat enige +dagen duurt, zendt zij hem op een morgen heimelik bevel dat hij die dag +slecht moet vechten en niettegenstaande hij in zijn eergierigheid hevige +lust heeft om zich zo goed mogelik voor te doen, geeft hij toch aan de +luimen van zijn aangebedene toe en laat zich door de anderen uitlachen. +Als een want in haar hand, als een hond voor haar voet wil zij hem +hebben. Eindelik weet hij haar toch 's nachts te ontmoeten; hij drukt de +ijzeren tralies van haar raam uit elkaar en werkt zich naar binnen, niet +zonder zijn hand te kneuzen en aan het bloeden gekregen te hebben,—een +herinnering misschien wel aan de<span xml:lang="fr"> Yonec</span> van <span xml:lang="fr">Marie de France</span>. Als hij het +bed van de koningin bereikt „buigt hij zich eerst aanbiddend neder, want +hij gelooft in geen heilig lichaam zoals aan het hare”—men ziet hoe +blasfemies de liefde kan zijn—en na een nacht vol, gelijk de auteur het +mysties uitdrukt, van een soort wellust „die nooit zijns gelijke heeft +gehad en die ik mijn leven lang zal verzwijgen”, na zulk een liefdenacht +staat hij op, terwijl de koningin nog slaapt, maar voor hij weg sluipt, +„valt hij eerst<span class="pagenum" title="269"></span><a id="p_269"></a> nog weer voor het bed op zijn knie; hij voelt zich +geheel als een martelaar en hij doet als bevond hij zich voor een +altaar”. Het pathologiese element waar wij in de knielende onderwerping +der troubadours aan de vrouw reeds de eerste sporen van tegen zijn +gekomen, is hier bijna onguur van perversiteit geworden.</p> + +<p>Niettegenstaande de oude mytiese stof nu zo op mensen overgedragen is, +ligt er toch nog een zekere vaag-mystiese atmosfeer over de +gebeurtenissen en de personen in dit gedicht van Lancelot. Pas wanneer +we ver in de historie gekomen zijn, krijgen wij te horen, en dan nog +maar helemaal in het voorbijgaan, wie de „Ridder met de kam” zoals +Lancelot genoemd wordt, eigelik is (een kunstmiddeltje om de +nieuwsgierigheid op te wekken, waar <span xml:lang="fr">Chrestien</span> ook elders met graagte +gebruik van maakt) en de hele verhouding tussen hem en Gawein, die ook +op zoek naar avonturen is, wordt geheel en al in het donker gehouden: de +eerste schijnt de laatste te kennen maar niet omgekeerd; de verhouding +tussen Lancelot en de koningin is ook al vaag en onduidelik en de +Mysteries in het land van koning Gorre, aan de overzijde van de +„Zwaardbrug”, worden al meer en meer dromerig-onbegrijpelik, hoe verder +de held op zijn tochten komt. Het is duidelik dat de dichter zelf, met +al zijn gevoel voor de nuchtere werkelikheid voor goed in de mysteries +der Keltiese sagen-wereld bevangen is geraakt; <span xml:lang="fr">Chrestien</span> zowel als zijn +lezers voelen dat wij ons hier eigelik in de onwerkelike wereld van het +hiernamaals bevinden. En in zijn laatste inkomplete roman „Perceval van +Wales” verdwaalt de dichter nog dieper in het land der wonderbare +fantasie.</p> + +<p>„Perceval” verhaalt van de knaap die in het bos grootgebracht wordt, +waar zijn moeder, de weduwe van een ridder, hem ver van de wereld heeft +opgevoed, opdat hij niet gelijk zijn vader en diens broeders een vroege +dood op het slagveld zal vinden. Eens in de lente als de jongen in het +bos rijdt en alles om hem heen van vreugde straalt, zo dat zijn hart in +zijn borst breder schijnt uit te slaan, hoort hij tussen de eikenbomen +door het kletteren van metaal, er komt een schitterend licht uit de +diepte van het bos en vijf ridders springen langs hem heen. Dat moeten +de engelen zijn waarvan zijn moeder hem verteld heeft, die schoner zijn +dan al het andere behalve God. Hij knielt neêr en wil ze aanbidden. Maar +zij houden stil en vragen hem naar de weg en heel levendig wordt het nu +beschreven hoe de knaap, in stomme verbazing, hun allerlei vragen stelt +over hun wapenrusting, hun paarden enz., terwijl de ridders al +ongeduldiger worden omdat zij niets van hem<span class="pagenum" title="270"></span><a id="p_270"></a> te weten kunnen komen,—„al +die lui uit Wales zijn ook zo dom,” zegt een van hen. Wanneer hij bij +zijn moeder thuis komt is hij niet uitgepraat over die hemelse wezens +die zich ridders noemen en tevergeefs tracht de moeder in haar angst hem +aan zijn verstand te brengen dat dit een soort engelen zijn die de +mensen dood slaan. Het geeft allemaal niets, als de zoon nu hoort dat +zijn vader ook ridder was, wil hij absoluut ook de wereld in en ridder +worden.</p> + +<p>Met een zwaar gemoed gaat zijn moeder nu ook voor zijn uitrusting +zorgen, het wordt een zeer huiselike, komiek boerachtige uitrusting, en +zij geeft hem allerlei raad voor het leven mede, praktiese dingen en +zedelike voorschriften, regels op de hoofsheid en goede manieren +betrekking hebbend, als in de Oosterse verhalen en Ruodlieb, alleen iets +ridderliker. En zo trekt de jongen de wereld in, zonder te vermoeden dat +zijn moeder van verdriet in zwijm valt. En waar hij nu ook komt, overal +tracht hij de levensregels van zijn moeder in praktijk te brengen, „dat +heeft mijn moeder mij nu zo voorgehouden,” zegt hij eenvoudig. En die +voorschriften brengt hij dan op zulk een naïef-onwetende manier in +toepassing dat hij voortdurend tegen „de goede toon” handelt, maar door +zijn gezonde onbedorven natuur komt hij toch vooruit, en steeds tracht +hij zich volgens de raad van zijn moeder te volmaken en zich altijd bij +de „<span xml:lang="fr">prudhommes</span>” te houden. Hij komt aan het hof van koning Arthur, waar +„<span xml:lang="fr">le valet sauvage</span>”, zoals de dichter hem noemt, dadelik zonder blikken +of blozen eist een uitrusting te krijgen en tot ridder geslagen te +worden. Als hij juist op dat ogenblik een ridder in een rode +wapenrusting zich ongepast tegen de koningin ziet gedragen, slaat hij +hem met zijn eigenaardige werpspiets uit Wales ter neer en trekt nu +diens wapenrusting aan. Maar hij wil zijn eigengemaakte kleeren toch +niet afleggen en zo moet men de jongen, die natuurlik aan dit alles niet +gewend is, helpen die nieuwe wapenrusting over zijn eigen kleeren aan te +trekken, en als „de roode ridder”—zijn eigen ware naam kent hij +niet—trekt hij nu verder de wereld in. Hij komt een oude burchtheer +tegen, Goneman, die hem uitnodigt mee naar zijn slot te gaan, hem tot +ridder slaat en verder voor zijn opvoeding zorgt, door hem een stel +nieuwe levensregels mede te geven,—niet alleen voorschriften uit de +ridderlik-religieuse moraal: de weerlozen te hulp te komen, in de kerken +te bidden, geen overwonnen vijand te doden, maar ook die op goede +manieren betrekking hebben, b.v. dat men niet te veel moet spreken of +vragen.</p> + +<p><span class="pagenum" title="271"></span><a id="p_271"></a></p> + +<p>Maar hij trekt weer verder om zijn „<span xml:lang="de">Lehr- und Wanderjahre</span>” voort te +zetten. En nu krijgt hij ook les in de liefde. Op een kasteel treft hij +de heerseres, een jong meisje dat lelik door vijandelike naburen in het +nauw wordt gebracht. Hij verslaat al haar vijanden en het duurt niet +lang of het jonge meisje behandelt hem zo vriendelik dat zij tedere +gevoelens bij de onwetende en onschuldige knaap weet op te wekken; die +episode is in al haar naïeveteit zéér lief en fijn geschilderd. Maar +voorlopig moet „de rode ridder” verder, nu wil hij zijn lieve moeder +bezoeken, eindelik is het verlangen naar haar in hem ontwaakt.</p> + +<p>Maar vergeefs gaat hij de „<span xml:lang="fr">gaste forèt</span>” zoeken waar zijn moeder woonde. +Maar wel komt hij aan een geheimzinnig slot. Een man die stond te vissen +heeft hem daar heen gebracht en hij wordt nu een zaal binnengeleid waar +op een bed voor een vuur een oude man ligt wien blijkbaar al zijn +krachten begeven hebben. Beleefd vraagt hij de gast hem dan ook te +verontschuldigen als hij niet opstaat, en begint een gesprek met hem. +Onderwijl komt een dienaar zijn meester een zwaard brengen van zijn +nicht, en de gastheer vereert dit aan de rode Ridder. Daarna komt er een +ander met een blinkende lans, waar bloed afdruipt; nieuwsgierig is hij +op 't punt te vragen wat dit alles te betekenen heeft, maar hij +herinnert zich Goneman's raad en zwijgt. Ten slotte komen er twee +dienaren met hoge kandelaars en tussen hen in loopt een maagd die een +„graal” in haar handen draagt; de glans van die graal overtreft verre +die van de kaarsen. Een vlak, zilveren bordje, een soort voetstuk, wordt +achter de graal aangedragen. Weer weet de ridder zijn nieuwsgierigheid +te bedwingen en de stoet verdwijnt door een andere deur. Geen woord +wordt over dit alles gewisseld en nu wordt er een prachtige maaltijd +binnengebracht; daarna wordt de gast naar zijn legerstede gebracht. Maar +de volgende morgen als hij wakker wordt is het gehele kasteel als +uitgestorven, de zalen zijn afgesloten, alleen ziet hij zijn paard +gezadeld staan waarop hij verder rijdt...</p> + +<p>Dit was de Graalburg waar hij in geweest was, krijgt Perceval (die zich +nu plotseling zijn naam herinnert) naderhand te weten, en het was heel +erg jammer dat hij niets gevraagd heeft. Maar, zoals een heremiet hem +weet te vertellen, dat hij er niet toe kwam te vragen, dat was de straf +omdat hij zo hardvochtig van zijn wenende moeder weggetrokken was, die +van verdriet over zijn vertrek gestorven is; de zieke Graalkoning was +een der twee broeders van zijn moeder, hij, de heremiet zelf, is de +ander...<span class="pagenum" title="272"></span><a id="p_272"></a> Maar meer krijgen wij bij onze schrijver niet te weten, de pen +is hem ontvallen en zo laat <span xml:lang="fr">Chrestien</span> het aan talrijke andere dichters +over de Graalsage verder uit te werken.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>De dichterlike richting waarin <span xml:lang="fr">Chrestien</span> die „Bretonse” stof vorm had +gegeven, werd voortdurend meer en meer karakteristiek voor die geweldige +massa van „Bretonse Romans”. Aan de ene kant vinden wij daarin een zeer +realistiese, lustig-frivole schildering van de zeden van de adel en van +het ongebonden, avontuurlike leven langs 's Heren wegen. Wij krijgen +verhalen van kroningsfeesten en bruiloften en de ontvangst in een stad +van een geliefd vorstenpaar; wij zien ook de dame aan haar toilet, hoe +zij half ligt, half zit op een ligbank, terwijl de ene dienstmaagd met +een ivoren kam haar de lange blonde haren kamt, de andere haar een +spiegel voorhoudt terwijl zij een bloemenkrans in de hand heeft, en wij +wonen hele gesprekken bij tussen dames en heren bij de ontvangst op het +kasteel. Hier en daar merkt men pogingen om een zekere uiterlike en +innerlike karakteristiek in de personennamen te leggen: <span xml:lang="fr">Guinaut</span> de +blonde, <span xml:lang="fr">Madian</span> de trotse, „<span xml:lang="fr">le beau-tenebreux”, „le beau-hardi</span>”, of de +mensen allerlei capricieuse eigenaardigheden te geven; ook vindt men nu +karikaturen van een lelike dame, een monsterlike dwerg, en—in de +proza-romans—„problematiese naturen” met allerlei eigenschappen die +aantrekken of afstoten goed dooreengemengd, b.v. zulke figuren als +Morgane, de zuster van koning Claudas en Arthur.</p> + +<p>Die romans geven gewoonlik een soort elegante kroniek van de +maatschappij, en het beeld dat zij van de adellike zeden geven is nu +niet bepaald stichtelik. De dame is maar al te verleidelik met haar +koketteren; wanneer zij met een cavalier samen uitrijdt, spreekt zij +over liefde en zingt Britse „<span xml:lang="fr">lais</span>” en „<span xml:lang="fr">retrouenges</span>” voor hem, doet onder +het gesprek haar halsdoek af, of maakt een paar knopen los van haar +kleed „omdat het zo warm is” zodat haar gezicht en blanke hals te zien +komen en kiest bij voorkeur gezellige, schaduwrijke plekjes uit om even +rust te houden. Of zij komt 's morgens een praatje bij hem maken op de +rand van zijn bed. Maar ook de ridder is niet bang om het initiatief te +nemen. Tegen bedtijd komt hij b.v. een der dames op het kasteel +bezoeken; zij zit in haar kamer gouddraad op te winden; hij gaat naast +haar zitten, laat het gouddraad tussen zijn vingers door glijden en +vraagt haar naar haar werk... en dan eindigt het er al licht mede dat +hij daar 's nachts blijft. En zo is het werkelik<span class="pagenum" title="273"></span><a id="p_273"></a> geen wonder dat als er +eens een man met een wondermantel aan het hof van koning Artus komt, +welke slechts <i>die</i> dame past die zich niets te verwijten heeft, en een +andere keer een man met een drinkbeker waarvan alleen die man kan +drinken zonder te morsen, wiens echtgenote zijn eer nooit bezoedeld +heeft,—dat dan blijkt, tot schrik van enkelen, maar tot groot vermaak +van de meesten, dat de mantel zo goed als geen enkele dame past en geen +echtgenoot uit de horen kan drinken.</p> + +<p>Maar vooral het rondtrekken en het leven langs 's Heren wegen en in de +herbergen werkt verslappend op alle zeden. Hier is een herberg waar de +dochter van de waard 's nachts de gast haar gezelschap opdringt, ginds +een slot waar de Heer zich zo door de vrouwen der reizigers voor zijn +gastvrijheid laat betalen. In het land waar Lancelot doortrekt was het +gewoonte dat een jonkvrouw, die alleen reisde, niet zonder hevige straf +verkracht kon worden—ofschoon dat toch voortdurend voorkomt—wanneer +zij daarentegen een ridder mede had als begeleider, mag hij die deze +laatste overwint op haar liefde aanspraak maken. Een ruw ridder, +<span xml:lang="fr">Agravain</span>, heeft juist de begeleidende ridder van zulk een rondtrekkende +dame gedood; nu gebiedt hij haar van haar paard te komen, gooit haar op +de grond en rukt haar de kleêren van het lijf, maar als hij dan ziet dat +haar lichaam vol builen zit, beveelt hij haar in plompe hoon maar weer +op te staan, haar zal hij waarachtig geen kwaad doen. Maar gelijk wij al +gezien hebben, is er maar al te dikwels geen geweld nodig. Een ridder +stelt eens zijn dame en zijn hond op de proef en ziet met weemoed dat +zijn schone dadelik met een vreemde ridder meegaat, terwijl zijn hond +hem trouw blijft. En veel van de meest beroemde ridders hebben op hun +tochten het ene avontuurtje na het andere; waar een ridder als de +vrolike Gawein zich vertoont, wedijveren alle dames om zijn gunst. +Overal hebben Gawein en andere ridders dan ook kinderen waar zij niet +van weten en die ook hun vader niet kennen, wanneer zij de wereld in +trekken; het is zeker niet zonder goede reden dat die romans zo dikwels +over dergelike heldenzonen handelen, die hun vader gaan zoeken en die +tenslotte herkennen in Gawein of een ander ridder van de tafelronde.</p> + +<p>Maar met dit frivole realisme mengt zich, evenals bij <span xml:lang="fr">Chrestien</span>, overal +in de Artus-romans een sentimentele vrouwenverering en een hooggespannen +gevoel van riddereer. Drie broeders, koningszonen, rijden het bos door +en de één vraagt de ander wat hij<span class="pagenum" title="274"></span><a id="p_274"></a> doen zou als zij nu de schone dochter +van de waard bij wie zij 's nachts gelogeerd hadden, eens alleen in het +bos aantroffen. Nu, zegt de een, dat begrijpt hij toch ook wel, hij zal +nooit een gelegenheid voorbij laten gaan om van een vrouw zijn lust te +hebben, een ridder die dat niet doet met of zonder geweld betekent ook +niet veel. Maar de ander ontwikkelt hiertegenover zijn sentimentele +smachtende opvatting van de liefde. Deze laatste hoort tot de klasse van +sentimentele minnaars als Lancelot, <span xml:lang="fr">Gliglois</span>, Ider, Claris en <span xml:lang="it">tutti +quanti</span>. <span xml:lang="fr">Gliglois</span> is een jonge page die Gawein zijn schone gezonden heeft +om haar te dienen, maar die nu zelf gloeiend op haar verliefd wordt, nu +hij dageliks in haar nabijheid is en haar aan tafel en bij haar toilet +dient. Zij merkt hoe de knaap vergeet voor te snijden, hoe zijn handen +beven wanneer hij haar kleêren vast moet maken; zij heeft er plezier in +met zijn hopeloos bedeesde liefde te koketteren, hem gruwelik te plagen +en hem zeer hardvochtig zich half dood naast haar paard te laten +lopen... en tòch per slot, wanneer zij hem genoeg gepijnigd en op de +proef gesteld heeft, plotseling zijn „<span xml:lang="fr">perseverance</span>” te belonen met haar +hand en haar hart.—Claris is de arme jonge ridder die op de koningin +verliefd wordt; als hij eens zwaar gewond ter neder ligt, heeft de +broeder van de koningin aan wie hij eens zijn geheim toevertrouwd heeft, +er zijn zuster toe weten te krijgen hem te bezoeken. Overweldigd door +zijn vreugde vat hij nu moed haar zijn gevoelens te doen kennen, maar +zij wijst hem streng terug, zodat de zieke voor dood in zwijm valt. Nu +krijgt haar medelijden de overhand, zij buigt zich over hem en kust hem. +Die kus doet hem weer herleven, en op voorspraak van haar broeder stemt +de koningin er in toe zijn „<span xml:lang="fr">amie</span>” te worden; alleen moet hij beloven +zich tevreden te stellen met „<span xml:lang="fr">l'acoler et le besier</span>”.</p> + +<p>Ook de liefde in de echtbreuk wordt langzamerhand heel smachtend-elegies +en sentimenteel-moreel behandeld,—vooral in de twee uitvoerige +prozaromans van Lancelot en Tristan. In plaats van de versvorm komt nl. +nu en dan het proza te voorschijn—een bleek, dun proza wel is waar, dat +toch een eigenaardig ceremoniële <span xml:lang="fr">elegance</span> vertoont, een eigenaardig +smachtende gratie die goed bij de gekunsteldheid en de sentimentaliteit +van de toon past. Lang dweept de jonge Lancelot in stilte met de +koningin, hij kan niet, gelijk de levendige Zuid-Fransen, zijn gevoelens +in een sierlike hulde uiten, hij valt bijna in zwijm wanneer zij hem +haar hand geeft, en zij is het die de eerste fijne en diskrete +toenadering moet doen,—allerliefst is<span class="pagenum" title="275"></span><a id="p_275"></a> b.v. de boodschap die zij hem +zendt, wanneer hij een verre tocht gaat ondernemen, dat hij zich voor +onwaardige liefde moet wachten, want „hoe hoger een ridder zijn wensen +stelt, des te meer stijgt hij zelf in waarde.” Tenslotte moet een vriend +de postillon van Lancelots gevoelens zijn en in tegenwoordigheid harer +maagden, geeft de koningin hem een kus. Op die kus en een „<span xml:lang="fr">beau doux +ami</span>” kan de gelukkige minnaar lang leven. Op zijn tochten kan hij een +hele dag stil in zijn liefdedromen weggezonken, zich door zijn paard +laten leiden, zonder dat hij zelf weet waarheen, evenals de koningin +zelf in haar torenvenster kan staan dromen van al de vreugde die haar +het hart doet overstromen. De geliefden ontmoeten elkaar maar weinig en +kort, gewoonlik moeten zij tevreden zijn met op een afstand voor elkaar +te zuchten en naar elkaar te smachten, en zelfs wanneer zij bij elkaar +zijn, vergiet hun liefde meestal nog tranen omdat zij door het ijzeren +hek van het huwelik van elkaar gescheiden zijn. Zij lijden onder het +halve en het verborgene in hun verhouding en de koning zelf heeft +medelijden met hen. Zelfs is Artus bereid hem zijn gemalin af te staan, +alleen om Lancelot's vriendschap te behouden. Elk der twee gelieven +heeft een vertrouwde, een vriend of een vriendin, voor wie zij hun hart +uitstorten en die zich met hen verheugen en met hen wenen en de koningin +weet van die twee vertrouwden een paartje te maken, evenals wij dit met +Kaherdin en <span xml:lang="fr">Brangien</span> in „Tristan” zagen gebeuren. Boze mensen zaaien +door vervalste brieven het zaad der verdenking tussen Tristan en Isolde, +als tussen Lancelot en Guenievre en wat uitdrukkelik in het wetboek der +liefde van Andreas Capellanus voorgeschreven is,—de geliefden geloven +altijd dadelik het allerergste van elkaar en zijn te trots om een +verklaring te zoeken of zich zelf te rechtvaardigen. Zij willen zich uit +wanhoop doden, maar dan weten de confidenten een verklaring of een +verzoening te weeg te brengen. En Lancelot is werkelik het voorbeeld van +een „<span xml:lang="fr">loyal amant</span>”. Wanneer men hem met de woorden „uw vriendin zal het +nooit te weten komen” tracht te verleiden, antwoordt hij: „Mijn hart zal +het te weten komen en dat is één met het hare”, en als iemand hem eens +een kus heeft ontstolen, gaat hij zich wanhopend aan een beek staan +wassen, veegt zijn lippen af en spoelt zijn mond om,—gelijk een heilige +in de oude legenden dit gedaan zou hebben.</p> + +<p>Lijnrecht tegenover die sentimentele liefde staat echter bij <span xml:lang="fr">Chrestien</span> +als bij anderen, een ander ideaal prinsiepe, dat van de<span class="pagenum" title="276"></span><a id="p_276"></a> hooggespannen +en ten top gedreven cultus van de eer. Konden echte helden der +heldensage bang worden, deze onwerkelike ridders weten niet wat vrees +is; konden de eersten verstand aan den dag leggen en list vertonen, de +laatsten verachten zulke dingen. Wanneer er gezanten de grote zaal van +Artus binnenkomen, pochend en vol drukte zoals er dat in de heldensage +bij hoort, dan antwoordt de koning zachtmoedig glimlachend: „Vriend, zeg +ons uw boodschap; dat zal niemand u verhinderen.” De ridders van de +Tafelronde moeten elke bede op voorhand inwilligen en keer op keer +worden Artus zo wel als zijn helden in de pijnlikste verlegenheid +gebracht wanneer de bede iets absoluut onmogeliks blijkt te beogen, en +meer dan eens worden zij door die onbezonnen beloften genoodzaakt een +onrechtvaardige zaak te bevorderen. Met poenerige trotsmoedigheid zet de +ridder zijn dame op het spel, zodra iemand hem maar uitdaagt om haar te +strijden. Komt er een vreemde strijdridder aan het hof van Artus, die +een ieder uitdaagt die maar wil om met hem om de koningin te vechten, +dan neemt Artus dit dadelik aan. Guenievre wordt dadelik als het +voorwerp van de strijd naar een weide gebracht en wie ook maar wil van +de ridders, al was het ook ridder Key, die om zijn ongelukken bekend is, +mag haar verdedigen. In de strijd zelf geeft de ridder zijn tegenstander +allerlei voordelen en is er op uit de fijnste ere-regels voor de strijd +op te stellen. Onder de ridders geldt ook de stijfste +beleefdheidsetikette en elk woord dat niet „<span xml:lang="fr">convenable</span>” is of elk +onbeleefd antwoord betekent zoveel als een uitdaging in een duel. Vooral +is hoofsheid tegen de dames een ridderplicht; een dame niet te groeten +is een misdaad, die gezoend moet worden; de hand aan een vrouw te +slaan—zelfs al zou zij daar zelf schuld aan zijn doordat zij zich +tussen de strijdenden geworpen had—eist een lange tijd van +boetedoening.</p> + +<p>Een nieuwe ridderlike deugd, die de ridders van koning Artus op de meest +geraffineerde wijze beoefenen is de bescheidenheid; die hebben ze uit de +heilige legenden geleerd. Nooit zullen ze zich ook maar enigermate op de +voorgrond stellen, altijd, zo mogelik, hun heldendaden anoniem +volbrengen, in een onbekende wapenrusting, men moet ze bespioneren om +gelegenheid te krijgen ze te bedanken. Schoon is b.v. ook een scène +waarin Gawein een zijner broeders treft, zonder dat die hem kent. De +broeder vraagt de Artusridder over de Tafelronde uit, wie de beste is, +enz.... steeds in de hoop Gawein te horen prijzen. Maar Gawein noemt +allen anderen een voor één op, maar nooit zijn eigen naam, waar<span class="pagenum" title="277"></span><a id="p_277"></a> de +ander zich hevig over ergert. En Lancelot zowel als andere helden hebben +er een bepaald plezier in om zich zelf te plagen, en zich te doen +miskennen, zich voor te doen als of ze voor iets niet deugden en zich +door anderen in de schaduw te doen stellen; zachtmoedig houden zij zich +op de achtergrond, totdat ze van de nood een deugd moeten maken en ze +zich plotseling in al hun kracht vertonen.</p> + +<p>En de Artusromans hebben er plezier in, evenals <span xml:lang="fr">Chrestien</span>, de ridder met +zijn eigen geweten in konflikt te brengen, waardoor verschillende +kwesties van eer of de eisen van de riddereer en die der liefde +tegenover elkaar komen te staan, zo dat de ridder genoodzaakt wordt een +dier eisen te overtreden en daarvoor gestraft wordt òf dat hij zich door +de ene of andere subtiliteit uit de slag moet trekken. Hij heeft b.v. +juist een tegenstander overwonnen en die ligt nu weerloos onder hem; nu +komt een dame aanzetten die om een gunst vraagt welke de ridder haar +natuurlik dadelik toestaat,—nu vraagt zij om het hoofd van de +overwonnene. Eerloos zou het zijn de weerloze te doden, maar zijn +belofte aan de dame mag een ridder ook niet breken; hij geeft dus de +ridder zijn wapenen terug en begint een nieuwe kamp met hem, waarin hij +hem overwint. Of Gawein heeft een ridder verslagen die een vrouw geweld +aan heeft gedaan. Des avonds komt hij aan een kasteel waar hij +allervriendelikst ontvangen wordt. Maar aan het eind van de maaltijd +wordt het lijk van de verslagene binnengebracht en nu blijkt het dat het +de zoon van zijn gastheer is die Gawein gedood heeft; het bloed dat uit +de wonden vloeit toont wie de moordenaar is en hij tracht dit dan ook +niet te ontkennen. Eerst wil zijn gastheer hem nu doden, maar dan +herinnert hij zich de eisen der gastvrijheid, laat hem de volgende +morgen wegtrekken, om hem dan pas te vervolgen en wraak te zoeken.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>De proza-roman van Lancelot is van de monniksgeest doortrokken. Lange +uitwijdingen over dogma's breken het verhaal overal af en voortdurend +wordt de kristelike missie van de ridderschap op de voorgrond gebracht. +Van zonde, berouw en boetedoening is de liefdeshistorie van Lancelot en +Guenievre vol, en de gehele elegiese sentimentaliteit waarmede hun +moeilikheden geschilderd worden heeft een kristelike legendentoon over +zich. De schroomvallige nauwgezetheid en de spitsvondige dialektiek +waarmede de ridder aan de eisen van de eer tracht te voldoen,<span class="pagenum" title="278"></span><a id="p_278"></a> het diepe +schuldbewustzijn dat de minste tekortkoming aan die eisen in het gemoed +van die ridder achterlaat,—dat is alles ook van kristelike oorsprong. +En de roman eindigt er dan ook meê dat Guenievre zich in een klooster +terugtrekt en Lancelot zijn leven als een vrome eremiet eindigt.</p> + +<p>Vele zijn over het algemeen de pogingen van de geestelikheid geweest om +de ridderpoëzie van de kristelike geest te doordringen. Wij hebben +„<span xml:lang="fr">lais</span>” die een kristelike morele kleur over de heidense Keltiese sagen +trachten te leggen; wij hebben romans waarin de kristelike mirakelen +tegen heidense toverij strijden of waar het teken des kruises de ridder +uit de handen der spoken redt. Maar de belangrijkste poging om een +beslist kristelike ridderromantiek tegenover de wereldlike te zetten, +deden de monniken in de Graalromans. Tegenover de ridders van de +Tafelronde kwam de heilige ridderschap van de Graal te staan, tegenover +de jacht op avonturen en eer, die van de Graal, „<span xml:lang="fr">la quète du graal</span>”, een +jacht op die levenskroon welke slechts de volmaakte ridder zonder blaam +zou kunnen bereiken. En niet minder avontuurlik,—neen! nog +avontuurliker en wonderliker, nog meer vervuld van heldendaden en +ridderlikheid dan al die Artur-romans werd die Graal-romantiek in de +werken van <span xml:lang="fr">Chrestiens</span>' navolgers, de Duitser <span xml:lang="de">Wolfram von Eischenbach</span>, +die in een groot gedicht een verloren Franse versroman nabootst, in de +berijmde Graalromans van <span xml:lang="fr">Robert de Boron</span>, een Anglo-Normandies dichter +en ten slotte in de grote prozaromans die ten dele aan <span xml:lang="en">Walter Mapes</span> +toegeschreven worden.</p> + +<p>In die overweldigende massa van vers en proza golft er een chaotiese +menigte van voorstellingen, van alle kanten te samen gevloeid en die +elkaar dikwels tegenspreken. Maar de <ins class="corr" id="corr39" title="Bron: hooftrekken">hoofdtrekken</ins> +zullen wel zo ongeveer de volgende zijn:</p> + +<p>De schaal, het bekken of de schotel waarvan Kristus bij het laatste +avondmaal zeide: „Die de hand met mij in den schotel doopt, die zal mij +verraden”, heeft steeds een wonderbare kracht behouden, niet alleen om +de goeden en de reinen voedsel te geven en hen tevreden te stellen maar +ook om de zonden te ontsluieren door geen onreinen in de buurt te kunnen +dulden. Die schotel kwam in het bezit van de vrome Josef van Arimathea +die er het bloed van de Gekruisigde in bewaarde. Toen hij gedurende de +Kristen-vervolgingen in de gevangenis geworpen was, werd hij +wonderbaarlik voortdurend door den schotel gevoed, en Kristus openbaarde +zich voor hem en leerde hem de ritus van de Mis<span class="pagenum" title="279"></span><a id="p_279"></a> en de mystiese +betekenis er van. Toen stichtte Josef een broederschap van die „Graal” +zoals het genoemd werd en van een Tafelronde, ter herinnering aan het +laatste Avondmaal. De Graal verschaft voedsel, maar hij die alleen uit +nieuwsgierigheid er in kijken wil of die zich aan de tafel neerzet +zonder er recht op te hebben, wordt gewond of verblind door hemelse +wapenen. De Graalbroeders trekken als zendelingen de wereld in en ten +slotte trekken zij op hemels bevel naar Engeland om dat land te +kerstenen. Overal wordt hun tocht door mirakelen en mysteriën +gekenmerkt, zij vinden het toverzwaard van koning Salomon; ter loutering +van hun zonden worden enkelen hunner met toverschepen naar tovereilanden +gebracht: een der leden van de broederschap heet Brons en wordt „de +rijke visser” genoemd, omdat hij een vis gevangen heeft waar een heel +gezelschap mee gevoed is geworden.—Petrus wordt in de H. Schrift een +„visser der mensen” genoemd en de vis is ook het symbool van Kristus—, +een ander wordt door een bloeddruipende lans in zijn voet gewond, hetzij +omdat hij op een heilige plaats is gaan slapen of omdat hij in de +schotel gekeken heeft, of het is door het zwaard van Salomon dat hij +gewond wordt. Intussen is de Graal van Josef van Arimathea in andere +handen overgegaan en die wordt ten slotte in een onbekend slot, ergens +in het westen van Engeland, bewaard opdat die niet in de handen der +woeste Saksen vallen zal.</p> + +<p>Daar zit nu een Graalkoning die te bewaken... hij is ziek, maar hij kan +niet sterven of beter worden, vóór een rein, edel man naar de Graal en +de bloedende lans komt vragen. In navolging van de broederschap van de +Graal is nu Artur's ridderschap van de Tafelronde gesticht geworden om +de Graal te zoeken. Merlijn is de stichter er van; hij was eigelik een +afgezant van de Hel, uit een maagd geboren om zo een tegenhanger van +Kristus te vormen en had als deze bovennatuurlike macht gekregen; maar +het goede in hem had de overhand gekregen over het daemoniese in hem. Zo +zijn de ridders van de Tafelronde een wereldlike ridderschap die naar +ideële volmaking streven en de beste ridders zoeken overal de wereld af +naar de Graal. Door zijn liefde voor de koningin heeft Lancelot zich +onwaardig gemaakt om die te vinden; het is òf Percival òf—volgens +anderen—<span xml:lang="en">Galahad</span>, de zoon van Lancelot, die eindelik als de reine ridder +zonder smetten, het kasteel weet te bereiken, de vragen stelt en +Graalkoning wordt.</p> + +<p>Dat schijnen de grote trekken te zijn. Het is een vreemd mengelmoes <span class="pagenum" title="280"></span><a id="p_280"></a>van +trekken uit alle kanten. Zeker zijn er Keltiese sage-elementen bij. +Zoals wij reeds gezien hebben waren er oude Ierse verhalen van een ketel +waarin altijd genoeg te eten was, en van andere merkwaardige talismans +als een lans en een zwaard; verder de sage van de gewonde koning Artus +die nog steeds in leven is op het tovereiland Avalon, en er zijn zonder +kwestie sagen bij de Britten in omloop geweest van de romantiese jacht +die hun helden de gehele wereld door maakten op wonderbare +talismans,—evenals Jason het gulden Vlies was gaan zoeken, Herkules de +appelen der Hesperiden, Thor de wonderbare ketel van Hymir en de appelen +van Idun, of de helden van de Kalevala de molen van Sampo. Perceval +schijnt oorspronkelik er op uit getrokken te zijn om een toverzwaard te +zoeken waarmede hij de moord op zijn vader zou wreken; andere helden +zochten de wonderbare ketel die weer welvaart zou brengen in een land +dat onder een vloek had gelegen of die een zieke koning de gezondheid +weer zou geven.</p> + +<p>En geesteliken hebben nu die Keltiese sagen in verband gebracht met +kristelike legenden. Apocryfe evangelieën waaronder dat van Nicodemus +het voornaamste is, vertelden van Josef van Arimathea, die de +beschermheilige der ridders werd en vooral van Brittannië en van oude +kristelike Broederschappen. Vervolgens: evenals alle andere relikwieën +uit het leven van Kristus—zijn rok, de zweetdoek van Veronica, de lans +van Longinus, het kruishout en de kruisnagels—zette de avondmaalschotel +ten tijde der kruistochten de fantasie in hoge mate in beweging en ook +alweer als die andere relikwieën werd het op verschillende plaatsen +vertoond, b.v. te Constantinopel en te Genua. Verder moest het bloed van +Kristus in de opvattingen van die dagen wel een grote rol spelen. In +overeenstemming met de oude begrippen van bloedwraak was het 't storten +van Kristenbloed zelf dat voor de mensheid de eigelike verzoening +betekende. Dat zij die het lichaam van de dode Heiland gewassen hadden, +dat kostbare vocht niet zouden hebben bewaard, waarin toch altijd zulk +een merkwaardige kracht moest zijn blijven wonen, dat scheen de mensen +volkomen onbegrijpelik: op vele plaatsen beweerde men dan ook een weinig +bloed van Kristus te bezitten, zo kreeg b.v. in het jaar 1247 koning +Hendrik III van de patriarch van Jerusalem een kristallen buisje met een +weinig van het heilige bloed er in, dat in de familie van de patriarch, +van de tijd van Josef van Arimathea af, van vader op zoon overgegaan +was. Bij de communie gebruikte men dit bloed<span class="pagenum" title="281"></span><a id="p_281"></a> ook, en het was juist in +de dagen der Kruistochten dat het krasse materialisme der Middeleeuwen +als vaststaand aannam dat het brood en de wijn door de mis werkelik tot +het lichaam en het bloed van Kristus werden. De naam graal was +waarschijnlik bedorven Middeleeuws-latijn, en de substantie +waarschijnlik een samensmelting van de schotel en de kelk die bij het H. +Avondmaal gebruikt waren, in oude miniaturen wordt die als een kelk +afgebeeld en het schijnt ook dat een en ander der mystiese liturgie der +mis, misschien wel bizonder zoals de kruisvaarders die in de Oosterse +kristelike kerk bediend zagen, de stof gegeven heeft voor vele +Graal-mysterieën.</p> + +<p>Over het algemeen kan men zeggen dat de kruistochten het voornaamste +element voor de Graalpoëzie geleverd hebben. Er zijn talrijke Oosterse +elementen in de fraaie détails. Verschillende van de mystiese +merkwaardigheden van de Graalburcht doen denken aan wat de „Priester +Johannes” in de (onechte) Latijnsche brief aan de Keizer van Byzantium +vertelde van zijn geheimzinnige reis naar de binnenlanden van Azië, of +aan een nieuw Babylonies rijk waar te Byzantium van gefabeld werd,—waar +de Griekse afgezanten bv. een heilige kerk gezien hadden die altijd met +water van het graf van Kristus gevuld bleef, en waar onzichtbare stemmen +en mystiese opschriften de vreemdelingen altijd op weg hielpen—evenals +in de Graalromans. Maar die hele Broederschap van de Graal schijnt te +danken aan voorstellingen over de orde der Tempeliers, met hun prachtige +residentie in de „Tempel van Salomon”, hun verschillende religieuse +mysterieën en hun half priesterlike ridderschap. In een geschrift „<span xml:lang="la">De +laude novae militiae</span>” verheerlikte <span xml:lang="fr">Bernard de Clairvaux</span> die +krijgshaftige Broederschap „die ik niet weet of ik monniken of ridders +moet noemen”,—„zachtmoediger dan het lam, wilder dan de leeuw;<ins class="corr" id="corr40" title="Niet in Bron.">”</ins> +leefden die te zamen in kuisheid, soberheid en eendracht, terwijl zij +wonderen van heldendaden bedreven tegenover de ongelovigen. In de +verloren Franse Perceval-roman van „Kyot uit Provence”—die <span xml:lang="de">Wolfram von +Eschenbach</span> als zijn bron noemt, wordt de Graal ook, duidelik genoeg, +door een Broederschap van heilige ongetrouwde „Tempelridders” bewaakt.</p> + +<p>Maar evenals de Tempelheren al heel spoedig als separatisten en ketters +bij de Kerk in miskrediet en in ongenade vielen, zo was goed beschouwd +de gehele Graal-poëzie tegenover de Roomse kerk ook ketters. De leden +vormden toch eigelik een priesterschap zonder door de kerk geordineerd +te zijn, met hun<span class="pagenum" title="282"></span><a id="p_282"></a> eigen sakramenten en hun eigen heiligdommen, terwijl +zij de kerk die ze niet nodig hadden ook niet als hun overheid erkenden. +De grote prozaroman over de H. Graal beweert zelfs brutaalweg van +Kristus zelf te stammen als een evangelie even heilig als dat van de +kerk. En een duidelik Anglikaanse tendens beheerste het gehele gedicht; +de Britse kerk heeft te bogen, èn op een bizonder hoge ouderdom en een +bizondere heiligheid, geheel onafhankelijk van de Paus te Rome. Er is +ook heel veel grond om met de middeleeuwen aan te nemen dat deze en +dergelijke trekken te danken zijn aan <span xml:lang="en">Walter Mapes</span>, bekend als diplomaat +en de hoogbegaafde kapellaan van Hendrik II. Evenals het trotse +nationale Anglo-normandiese rijk van Hendrik II de figuur van +Koning Artus als een pendant van Karel de Grote voor de Fransen voelde, +zo is de Graal-legende zeker wel een poging om in de fantasie een +nationaal Engels Kristendom te scheppen.</p> + +<p>Maar, hoe dit nu ook zij, een feit is het dat de Graalromans een +legendaries-mysties en een asketies-moreel element in de ridderromantiek +brachten en tussen de Bretonse romans in, waarmede ze veel van de +ridderlikheid en het sosiale en het fantastiese element gemeen hebben, +zowel als de drang naar avonturen langs de grote weg, waren de +Graalromans bizonder in trek en werden ze met een spesiale eerbied +ontvangen. Na de ridder-romantiek van <span xml:lang="fr">Chrestien</span>, menselik-wereldlik en +met haar drang naar strijd en liefde, met intérieurs van het <span xml:lang="en">high-life</span> +van die tijd en met avonturen waar niets „achter” stak, naïef rechtuit +en in bepaalde, duidelike, glasheldere omtrekken,—volgde er in de +Graalromans een ridderlik geestelike romantiek van een diepzinniger en +meer metafysies karakter en met een dieper en verder strekkend +fantasie-perspektief in zich. Met grote kunst wordt de fantasie der +lezers steeds in een mystiese atmosfeer zwevend gehouden. Er zijn bv. +geheimen die Jesus Josef van Arimathea in het oor gefluisterd heeft en +die niet bekend gemaakt mogen worden, of duistere voorspellingen die +niet verwezenlikt zullen worden voor „de dag komt, waarop de ridder met +twee zwaarden de droevige slag zal slaan waardoor alle wonderen van de +Graal zich voor het koninkrijk van Logres zullen openbaren en alle die +ellende op Groot-Brittanië zal vallen”. Of we horen van +mysterieën die men aan profane oren niet durft toevertrouwen, maar die +„opgeschreven gevonden kunnen worden in het boek der klerken, waarin +alles opgetekend staat over de grote heimelikheid die<span class="pagenum" title="283"></span><a id="p_283"></a> „de Graal” heet.” +Of we krijgen wonderen te aanschouwen die heel wat irreëler en +bovennatuurliker zijn dan de reuzen en dwergen van <span xml:lang="fr">Chrestien</span>: er wordt u +een slot voorgetoverd in plaats waarvan er plotseling een dorre heide +verschijnt; een meer, als dat waarin de „<span xml:lang="fr">Dame du Lac</span>” woonde en dat dan +weer een bos blijkt te zijn; stemmen, opschriften die een waarschuwing +of een voorspelling bevatten, onzichtbare handen die iemand trekken of +terughouden, die iemand een slag met een zwaard op de schouders geven, +of die als de geesten der spiritisten, iemand in de wang knijpen, zo dat +er een litteken van blijft zitten. Ook wat er op de kastelen voor +toverij gebeurt, is heel wat dromeriger en geheimzinniger in de +Graalroman dan bij <span xml:lang="fr">Chrestien</span>. In donkere gangen tast men zijn weg, +deuren vliegen open en slaan weer toe, men hoort het geratel van ketenen +en ongure helse geluiden... Hier is een drempel waar de ridder met geen +macht ter wereld over heen kan komen, daar ziet men een put open staan, +waar giftige gassen en duivelse stank uit komen... het doet zo wat +denken aan de ongemotiveerde en absoluut onbegrijpelike manier waarop +men bij een nachtmerrie in zijn dromen van het kastje naar de muur wordt +gestuurd.</p> + +<p>Maar steeds weer voert die atmosfeer van mystiek naar een hiernamaals en +altijd klinkt er een moraal-religieuse toon doorheen. Het zijn geen +heidense maar kristelike spookverschijningen die men hier in alle +soorten vindt. Kisten wier deksel zich opent en waar vlammen uitslaan; +te middernacht in de kerk, wordt de ridder met geselslagen van +onzichtbare geesten ontvangen of moet hij strijden met vormloze +spookverschijningen; of wel is het buiten op het kerkhof dat hij +jammerkreten uit de graven op hoort stijgen, hij wentelt grafstenen weg +en bevrijdt jonge meisjes die daar door duivels opgesloten werden om hun +lusten te dienen. Duivels die in de vorm van schone vrouwen mensen +trachten te verleiden, ridders voor hun zonden door straffende mirakelen +getuchtigd. Dikwels zijn het mirakuleuze illustratiën van het een of +ander dogma; een brood dat zich bij het gebruiken van het Avondmaal in +een levend kinderlichaam veranderd, welks bloed in de kelk vloeit +terwijl hemelse stemmen bevelen dat het in tweeën gesneden en verteerd +moet worden. Dwars door de gesloten deuren en vensters van een vertrek +komt op eens een wonderschone knaap, die ook op die zelfde wijze weer +verdwijnt; een stem verklaart dat hij die dit wonder gezien heeft zich +nu ook niet meer er over verbazen mag dat Jesus uit het lichaam<span class="pagenum" title="284"></span><a id="p_284"></a> ener +maagd geboren kon worden. Dikwels laat zich nog heel goed aantonen dat +er aan zulke verhalen een heidense Keltiese sage ten grondslag ligt, +maar waar de geesteliken een symbolies-kristelike uitlegging aan gegeven +hebben.</p> + +<p>Een fatalisme vol geheimzinnigheden dat half Oosters schijnt te zijn, +maar ten dele ook op de kristelike leer der voorzienigheid gebouwd, rust +op alles wat wij zien gebeuren. Alles is voorspeld en staat met +„çhaldæiese” schrifttekenen in het „Boek van het Noodlot”; de menselike +vrije wil is maar een illusie, het zijnde hemelse machten die de mensen +blindelings, volgens ondoorgrondelike besluiten hun pad doen betreden. +Eens vindt Lancelot ergens een grafsteen met zijn naam en zijn +afstamming er op aangegeven, die hem onbekend waren, en er staat bij dat +hier zijn graf zal staan. Er komt ergens een schip zonder zeilen +aanzetten, op het dek ligt een wapenrusting met een schriftelike +mededeling dat de wijze Salomon duizende jaren geleden het schip gebouwd +heeft en het de wereld in heeft gezonden, waar het rond zou dwalen tot +het de persoon zou vinden voor wie schip en wapenrusting bestemd waren. +Het zwaard is prachtig maar het hangt aan een versleten hennepen koord +en er staat bij dat het steeds daaraan gedragen moet worden, totdat een +koningsdochter er een ander voor in de plaats maakt van wat zij bij zich +draagt en het meeste liefheeft en zij zal het zwaard dan ook pas zijn +ware naam geven.</p> + +<p>De monniksgeest die wij reeds in de roman van Lancelot op de voorgrond +zagen komen, beheerst de Graal-poëzie al meer en meer. Reeds in de +„Perceval” van <span xml:lang="fr">Chrestien</span> was er op de sexuele kuisheid van de knaap en +zijn misdaad jegens zijn moeder sterk de nadruk gelegd; maar in het +gedicht van Robert de Boron en in de proza-romans dringt het ascetisme +overal door. In alle verhalen over de voorhistorie van de Graal, speelt +de vrouw bijna in 't geheel geen rol en waar ze optreedt wordt ze +meestal als het lagere wezen voorgesteld dat alleen maar tot het kwade +verleidt, evenals in de legenden en in de Oosterse bronnen. En in de +verhalen die „la quête du Graal” schilderen, het zoeken der +Tafelronde-ridders naar het kasteel waar men de Graal bewaart, wordt +sexuele reinheid en maagdelikheid absoluut geëist van hem die +Graalkoning worden zal. „Hij moet goed zijn in de ogen van God en in die +van de wereld. In de wereld moet hij goed zijn als hij, die vervuld is +van alle goede eigenschappen: eer, schoonheid en moed, en in Gods ogen +moet hij goed zijn, want hij moet vervuld zijn van barmhartigheid en +vroomheid en hij moet ook<span class="pagenum" title="285"></span><a id="p_285"></a> het zuiverste voorbeeld van kuisheid genoemd +kunnen worden.”</p> + +<p>Maar hier overschrijden wij dan de grenzen der ridderromantiek. De +mystiek en het idealisme van de Graal krijgt meer en meer een volkomen +kristelik-geestelike kleur,—wordt meer en meer geestesverwant met die +kruistocht der Albigensen, waardoor het vrolike Zuid-Frankrijk als de +aren voor de zeis werd neergemaaid, of met Lodewijk de Heilige, die geen +<span xml:lang="fr">trouvères</span> of minnestreels aan zijn hof duldde.</p> + +<h2><a id="XIX"></a>XIX.</h2> + +<p class="subh2">DUITSE RIDDERROMANTIEK.</p> + +<p>De Ridderromantiek is geheel en al op Franse bodem ontkiemd en in +Frankrijks lucht groot geworden en haar levensloop kan in de Franse +literatuur zelf nagegaan worden van de tijd dat zij knoppen zet en +bloeit af, totdat zij zaad schiet en verkwijnt toe. Maar—zoals wij +reeds in het begin gezien hebben—de sosiale en geestelike voorwaarden +waren zo ongeveer dezelfde in Duitsland en de ontwikkeling der kultuur +en literatuur zou daar in hoofdzaak langs dezelfde ontwikkelingslijnen +gaan als in Frankrijk, zodat de enorme Franse invloed die zich weldra +aan gene zijde van de Rijn deed gelden, eigelik slechts die geestelike +krachten in beweging bracht en vorm gaf, welke uit zich zelf al op +Duitse bodem ontstaan en gegroeid waren, en dan ook niettegenstaande +alle verfransing tot zekere hoogte een Duits karakter bewaarden.</p> + +<p>Zoals bij de Zuid- en Noord-Franse vorstenhoven, kwamen ook in het +Duitsland der 12<sup>de</sup> eeuw de kleine edellieden aan de hoven der Welfen +in Brunswijk en Beieren bij elkaar, te Weenen, in Zwaben en op de +Wartburg, aan die der Babensbergers, der <span xml:lang="de">Staufen</span> en der graven van +Thüringen en daar ontstond even als in Frankrijk een sosiaal leven en +een sosiale kultuur. De Latijnse roman „Ruodlieb” toonde, zoals wij +gezien hebben, niet alleen hoe ver men in de 11<sup>de</sup> eeuw reeds aan de +Beierse hoven gekomen was, maar ook vooral welke levensidealen de +geesteliken de baronnen voor ogen hielden. Evenals wij dit bij de Noord- +en Zuid-Franse hoven zagen gebeuren, werd ook aan die der Duitse vorsten +het volkslied het voorwerp van een fijnere, meer aristokratiese +behandeling en de edellieden van beider kunne dichtten dansliederen en +minneliederen over ridders en dames die elkaar verlaten moeten, en +„<span xml:lang="de">Liebesgrüsze</span>” die ze elkaar in de verte<span class="pagenum" title="286"></span><a id="p_286"></a> zenden,—de dame is in de +regel degeen die vraagt, de ridder gedraagt zich koel, zoals het zijn +waardigheid van man past—; de zanger zelf staat op het voorplein van de +burcht voor de dames en heren te zingen. En ten slotte: evenals weer in +Frankrijk, begonnen ook aan het hof der Welfiese hertogen te Regensburg +klerken de Latijnse kronieken der geesteliken tot Duitse rijmkronieken +om te werken, als de Kaiserkroniek, rijk aan romanachtige onderhoudende +stof, terwijl tegelijkertijd de omzwervende speellieden in Frankenland +en Beieren evenals in Frankrijk zelf de oude heldengedichten gingen +moderniseren en romantiseren door ze naar het Oosten te verleggen en ze +met herinneringen aan de kruistochten op te smukken,—verliefde +Saraceense schonen, Oosterse pracht en wonderen. Uit de tijd der Ottonen +waren er toch genoeg verbindingen tussen het Duits-Romeinse Keizerrijk +en Byzantium en lang vóór dat Duitsland door de tweede kruistocht aan +die religieuse tochten mee was gaan doen, hadden vorsten en ridders, +vooral juist uit Beieren, aan zulk een tocht naar het Heilige Land deel +genomen.</p> + +<p>Maar de begonnen zelfstandige ontwikkeling werd al meer en meer onder +een direkte, veelzijdige invloed van de Franse kultuur gebracht. Die +gehele nieuwe grote religieuse stroming van de 12<sup>de</sup> eeuw was Frans +van oorsprong en de monniken van <span xml:lang="fr">Cluny</span> die ook in Duitsland het kerkelik +leven beheersten, brachten de Franse geest en vorming met zich. Een +reeks huweliken met Franse prinsessen introduceerden het Fransdom aan de +vorstenhoven. Op het huwelik van Hendrik III met Agnes van Poitou, +volgde later dat van Hendrik V met een Anglo-Normandiese en dat van +Frederik Barbarossa met een Bourgondiese prinses en Hendrik de Leeuw van +Saksen huwde met de zuster van <span xml:lang="fr">Richard Coeur de Lion</span>. Zowel Bourgondië +als Provence kwamen onder de Duitse Keizerskroon en toen Frederik +Barbarossa de reis door Provence ondernam om zich te laten huldigen of +met oorlogszuchtige doeleinden naar Zuid-Italië trok, mag men wel +aannemen dat zijn volgelingen allerlei Romaanse modes en zeden hebben +leren kennen en overnemen, en dat troubadours hem op zijn feesten hun +opwachting zijn komen maken en Duitse hofzangers een lesje in hun kunst +hebben gegeven. Uit Noord-Italië trokken ook klerken zowel als die +troubadours uit Provence over de oude Alpenwegen op naar de gastvrije +hoven van Bohemen en Hongarije; de Donau-streken werden voortdurend +bereisd door Fransen die over land naar Byzantium of het Heilige Land +wilden. Maar vooral<span class="pagenum" title="287"></span><a id="p_287"></a> was de benedenloop van de Rijn: de Nederlanden, +Neder-Lotharingen, zowel als Vlaanderen, de plaats waar Frans en Duits +samenkwamen. Niet alleen Henegouwen en Brabant maar ook Lotharingen +hoorden onder het Duitse Keizerrijk maar waren altans overwegend Frans +in taal en kultuur en namen een aktief deel aan het opbloeien der +ridderromantiek die zich in het naburige Vlaanderen en Champagne aan het +ontwikkelen was. Langs al die wegen drong het Fransdom binnen.</p> + +<p>En de superioriteit van dat Franse element werd bereidwillig door de +Duitsers erkend die met het grote adaptatievermogen dat zij steeds +hebben behouden, zich er vlijtig aan begonnen aan te passen. De bouw en +de inrichting der kastelen, de klederdracht en de spijzen der edelen +werden Frans. De hogere standen engageerden Franse geesteliken om hun +kinderen Frans te leren of zonden ze met een gouverneur naar Frankrijk +om daar de taal te leren, evenals ook Duitse studenten de Franse scholen +gingen bezoeken. Door een reeks leerdichten, beantwoordende aan de +Franse „<span xml:lang="fr">castoiements</span>” en „<span xml:lang="fr">doctrinals</span>”, trachtten Duitse geesteliken hun +landgenoten in Franse „<span xml:lang="de">Sitte</span>” en „<span xml:lang="de">Zucht</span>” in te wijden en zij vormden het +woord „<span xml:lang="de">höfisch</span>”, beantwoordende aan het Franse „<span xml:lang="fr">courtois</span>”. In 1127 werd +te Würzburg het eerste toernooi op Duitse bodem gegeven op Franse leest +geschoeid, en in diezelfde tijd begonnen ook de vormen en ceremonieën +van het Ridderwezen een Frans karakter aan te nemen. En in verband +hiermede begon men nu de erotiese poëzie der troubadours en de +ridderromans langs verschillende wegen in het Duits te vertalen,—en het +zal buitengewoon leerrijk zijn die wegen schrede voor schrede na te +gaan.</p> + +<p>Gewoonlik waren het persoonlike en maatschappelike verbindingen der +vorsten die de aanleiding waren tot dergelijke vertalingen en +bewerkingen. Op een reis in Frankrijk in 1131 had Hendrik de Stoute het +Rolandslied leren kennen en bij zijn thuiskomst droegen hij en de +hertogin aan een priester Konrad op dit in Duitse verzen te vertalen. +Ongeveer gelijktijdig hiermede bewerkte een zekere <span xml:lang="de">Pfaffe Lamprecht</span>, die +aan de Rijn in de buurt van Straatsburg thuis hoorde, de Provençaalse +Alexanderroman in het Duits. Maar degeen wie toch eigelik de eer toekomt +die ridderomans in Duitsland geïntroduceerd te hebben, was <span xml:lang="de">Heinrich von +Veldeke</span>, die in de Nederlanden uit een ridderlik geslacht geboren en +getogen was, maar dicht bij de Franse taalgrens. Voor een gravin van +Kleef bewerkte hij de Aeneasroman in Duitse verzen.<span class="pagenum" title="288"></span><a id="p_288"></a> Toen zij met de +landgraaf Lodewijk van Thüringen trouwde, was het een dier graven van +Thüringen die het nog onvoltooide manuskript mede naar huis nam en eerst +toen de dichter negen jaar later zelf naar Thüringen kwam, kreeg hij het +van de literaire landgraaf Herman terug met de opdracht het te +voltooien. En die zelfde graaf Herman gaf nu zijn wens te kennen de +Trojaroman, die men als een soort vóórgeschiedenis van die van Aeneas +beschouwde, ook in het Duits vertaald te zien. Een graaf van <span xml:lang="de">Leiningen</span> +wist de Franse roman machtig te worden en droeg een jonge geestelike uit +<span xml:lang="de">Fritzlar</span> op die te verduitsen. Een ander onderdaan van de Landgraaf, een +der geesteliken uit het klooster Jechaburg in Thüringen, kreeg nu het +idee de <span xml:lang="la">Metamorphoses</span> van Ovidius in Duitse verzen te vertalen. En zo +verplant de beweging zich, stap voor stap, van de Nederlanden naar het +hof op de Wartburg.</p> + +<p>Een andere zetel van de Franse kultuur was, zoals wij zagen reeds ten +tijde van Hendrik de Stoute, het hof der Welfen te Regensburg; later +bevorderde de Anglo-Normandiese gemalin van Hendrik de Leeuw nog de +invloed van haar geboorteland sterker. Zo vertaalde b.v. een van 's +hertogen „Dienstmannen” <span xml:lang="de">Eilhart van Oberge</span>, uit het Brunswijkse, het ons +bekende gedicht van Tristan en Isolde.</p> + +<p>In Zwaben en aan de Bovenrijn hadden de <span xml:lang="de">Staufen</span> hun eigelik machtsgebied +en Frederik Barbarossa resideerde gewoonlik in de Keizerlike Palts, te +Hagenau, Gelnhausen of Ingelheim. Het grote feest dat hij op Pinkster +van 1184 te Mainz gaf naar aanleiding van de ridderslag—de +„<span xml:lang="de">Schwertleite</span>”—van zijn zoons, kwamen vorsten en edellieden uit +Frankrijk en Duitsland te zamen en die glorieuse dagen te Mainz wijdden +om zo te zeggen de gouden eeuw der Ridderromantiek voor Duitsland in. +Een der mannen van Barbarossa, een ridder <span xml:lang="de">von Hausen</span> uit de Rijnstreken +die in de dienst van de Keiser naar Frankrijk zowel als in Italië kwam, +vertaalde de minne-poëzie der Provençaalse troubadours in het Duits en +veel andere keizerlike <ins class="corr" id="corr41" title="Bron: amtenaren">ambtenaren</ins> die ook in de Romaanse +landen reisden volgden zijn voorbeeld. Andere ridders uit de Rijnstreek +en Zwaben zochten hun voorbeelden in Noord-Frankrijk, zo richtte <span xml:lang="de">Reinmar +von Hagenau</span> uit de Elzas zich voor zijn minneliederen hoofdzakelik naar +de Noord-Franse lyriek. Daar heeft ook de eerste grote man van de Duitse +ridderroman gereisd, <span xml:lang="de">Hartmann</span>, waarschijnlik in de dienst van zijn +meester, de heer von Aue, zelf vertelt hij ons dat hij zijn ridderlike +Liefdeleer daar van daan meebracht, die hij in een poëtiese zendbrief +(ein „<span xml:lang="de">Büchlein</span>”) ontvouwde, <span class="pagenum" title="289"></span><a id="p_289"></a>zo wel als twee der ridderromans van +<span xml:lang="fr">Chrestien de Troyes</span> die hij elegant verduitste: Erec en Iwein.</p> + +<p>Tussen die verschillende haardsteden der kultuur in Zwaben, +Rijn-Frankenland, Thüringen en het hof der Beierse hertogen was er nu +een sterk, levendig literair verkeer, en van die vaste punten breidde de +ridderromantiek zich over andere delen van Duitsland uit. Een der Franse +edelen, een dier gijzelaars die tegen de loslating van <span xml:lang="fr">Richard +Coeur-de-Lion</span> uit de gevangenschap des keizers gesteld waren, gaf een +handschrift van de roman van Lancelot aan een geestelike uit <span xml:lang="de">Thurgau</span>, +die dit later in het Duits trachtte weer te geven op het voetspoor van +<span xml:lang="de">Hartmann von Aue</span>'s romans. Een waardiger navolger en mededinger kreeg +<span xml:lang="de">Hartmann</span> intussen in een ridder uit het Beierse Frankenland, <span xml:lang="de">Wolfram von +Eschenbach</span>, die heel lang aan het hof van de landgraaf <span xml:lang="de">Herman von +Thüringen</span> leefde en werkte; althans één van de romans die Wolfram +bewerkte was hem door die landgraaf besteld. Ook de troubadour-poëzie +verplantte zich tegelijk van de Rijnstreek naar de hoven van Thüringen, +waar <span xml:lang="de">Heinrich von Moringen</span> de leider werd van een locale school van +minnezangers.</p> + +<p>En eindelik komt de beurt aan het Beiers-Oostenrijkse Duitsland, waar de +eigen nationale kultuur zich nog het langst tegen de indringer verzet +had,—waar de oude heldenliederen van Siegfried en Krimhilde en +<span xml:lang="de">Wolfdietrich</span> nog voortdurend in de grote hal der kastelen weerklonken en +waar het inheemse minnelied nog steeds aan de hoven gekultiveerd werd. +Uit de Rijnstreek kwam de <ins class="corr" id="corr42" title="Bron: zoeven">zoëven</ins> genoemde <span xml:lang="de">Reinmar</span> van +<span xml:lang="de">Hagenau</span> naar het hof der Babensbergers te Weenen en charmeerde allen +door zijn vreemde koloratuur en niet lang daarna was het Oostenrijk dat +in Walther von der Vogelweide de fraaiste liederen der ridderlyriek +voort zou brengen. Uit Midden-Duitsland kwam de rondzwervende zanger +<span xml:lang="de">Stricker</span> naar Oostenrijk met zijn eigengemaakte Artur-romans en het was +ook daar dat later de vrouwendienst en het rondzwervende ridderleven het +verst gedreven werden, zelfs bijna tot een karikatuur, door <span xml:lang="de">Ulrich von +Lichtenstein</span>. Zelden zal een literaire modebeweging zo aardig stap voor +stap in haar ontwikkeling gevolgd kunnen worden. Maar het waren toch +voortdurend de Rijnlanden die de meest echt-Franse en de meest elegante +ridderlikheid opleverden: de klassieke ridderroman in de „Tristan en +Isolde” van Gottfried van Straatsburg, fijne ridderlike verhaaltjes in +de „<span xml:lang="de">Mären</span>” van <span xml:lang="de">Konrad von Würzburg</span> die te Straatsburg en Bazel werkte.</p> + +<p><span class="pagenum" title="290"></span><a id="p_290"></a></p> + +<p>De bewerking door <span xml:lang="de">Hartman von Aue</span> der romans van <span xml:lang="fr">Chrestien de Troyes</span> +toont al dadelik ook zeer duidelik de punten waarin de Duitse en Franse +ridderromans altijd van elkaar verschild hebben. Bij de Fransman is de +ridderwereld een stuk van zijn eigen inheemse kultuur, die met de tijd +en de grond gegroeid is en die de burgerzoon uit <span xml:lang="fr">Troyes</span> met bewondering +aan de vorstenhoven om zich heen gadeslaat. Voor de Duitse ridder is +daarentegen die ridderkultuur een vreemde mode en fijne manier van leven +en voelen, waarin hij zich zelf heeft moeten inwerken en opvoeden en +waarin hij nu door zijn dichtwerk zijn landgenoten een kursus geven wil. +Waar <span xml:lang="fr">Chrestien</span> naïef en fris beschrijft wat hij zelf gezien heeft en +natuurlik menselik voelt, dikwels met zijn eigen burgerlikheid, daar +heeft Hartmann aan de ene kant een zekere ingeboren fijnere +ridderlikheid in zich, maar aan de andere kant kontroleert en +„stiliseert” hij ook aldoor en idealiseert alles wat hij schildert +volgens een ideaal der ridderlikheid dat hij zijn lezers duidelik wil +maken; in de gehele verhouding tot zijn stof is hij niet-naïef, +gereflekteerd, „sentimenteel”. En dan: de Fransman werkt in de +„grondstof” der sagen, die hij hun eerste vorm geeft, de Duitser is de +bewerker die het essentiële van het werk afgedaan vindt en die het nu +fijner kan maken,—die ongelijkheden kan effenen, het overbodige er uit +kan laten, gebreken in de motivering kan aanvullen,—maar die er ook +licht toe komt het er wat dik op te leggen, het te veel uit te spinnen +en te overladen, of te veel en te geraffineerd te verfraaien. In +vergelijking met <span xml:lang="fr">Chrestien</span> is de schildering van <span xml:lang="de">Hartmann</span> meer kunstig +maar ook meer gekunsteld.—Maar bovendien komt hier ook het verschil van +ras reeds op de voorgrond dat later de gehele Franse en Duitse +literatuur kenmerken zal. De Fransman heeft het nuchtere soliede gevoel +voor de werkelikheid van de Latijnse naties; met al zijn zintuigen leeft +hij in het uiterlike leven mede dat hij evenals zijn medemensen neemt +zoals zij zijn en hij heeft daarenboven een sosiaal simpatiek karakter, +dat zich in de gemoedsbewegingen zijner personen inleeft, en levendig +alle scènes dramatiseert: de aanleg van de Franse geest voor roman en +drama doet zich bij <span xml:lang="fr">Chrestien</span> reeds duidelik kennen. Het Germaanse +karakter van de Duitser beschouwt de dingen en neemt ze van buiten waar, +veel minder levendig en massief, hij leeft meer in zijn eigen +voorstellingen en gevoelens en hij idealiseert het leven en de mensen +naar zijn eigen dromen en idealen: de lyriese, idealistiese, +rekonstruerende aanleg van de Duitse geest openbaart zich reeds bij +Hartmann.</p> + +<p><span class="pagenum" title="291"></span><a id="p_291"></a></p> + +<p>„Mij lust het u te laten horen, dingen, die het zéér waard is te +bezingen,” zo begint <span xml:lang="fr">Chrestien</span> zijn vertelling in naïeve „<span xml:lang="de">Lust zu +fabulieren</span>”. Daarentegen schrijft Hartmann om aan te tonen „hoe hem die +zich op de ware voortreffelikheid spitst, geluk en ere steeds zullen +begeleiden”. Waar dus <span xml:lang="fr">Chrestien</span> de scène zeer aanschouwelik schildert en +de gebeurtenissen dramaties voorstelt, is <span xml:lang="de">Hartmann</span> er steeds op bedacht +alles zo goed mogelik het ideale ridderleven te doen illustreren en de +lezers tot voorbeeld te doen strekken. Het konflikt tussen riddereer en +liefde dat de romans van <span xml:lang="fr">Chrestien</span> behandelen, wordt bij de Duitser +diepzinnig tot een moreel probleem, waarbij de begrippen Eer en Trouw +zeer sterk op de voorgrond treden: Door zijn gelofte te breken is Iwein +een verrader geworden, een „<span xml:lang="de">triuweloser man</span>” welke allen zullen +verachten die „Trouw en Eer liefhebben”. En aldoor past <span xml:lang="de">Hartmann</span> op dat +alles volgens de ridderlike gewoonte en hoofsgepast geschiedt. Hij +verwerpt de realistiese jolige vergelijkingen en allerlei triviale of +naturalistiese détails over strijd of eten of kleeren, bizonderheden +waar de speellieden uit het heldenepos zich gaarne in vermeiden. +Daarentegen zijn een ideaal ridderpaard of een ridderburcht, een +tournooi of een jachtpartij onderwerpen die blijkbaar beter bij zijn +stand passen en die hij met voorliefde schildert. Waar <span xml:lang="fr">Chrestien</span> de een +of andere ontvangst levendig weergeeft, doceert daarentegen Hartmann hoe +de ware gastvrijheid zijn moet in tegenstelling met een die men tegen +zijn zin, gemelik zich laat afdwingen. Wanneer <span xml:lang="fr">Chrestien</span> mededeelt dat +Lunette bij de dienstmaagden zo geliefd was omdat zij hun de afgedragen +japonnen van de prinses gaf, of dat het bruidskleed dat de koningin +Enide ten geschenke gaf, nooit te voren gebruikt was geweest, en dat hij +de koningin haar zelf laat verzekeren dat die wel meer dan 100 mark +waard is, dan laat Hartmann dergelike burgerlike naïeveteiten eenvoudig +weg, evenals het tussen de burchtvrouwe en haar cameriere, tussen de +edellieden en de kleine burgers bij hem ook veel minder vertrouwelik, +veel deftiger toegaat dan bij <span xml:lang="fr">Chrestien</span>.</p> + +<p>In duizend kleinigheden merkt men groter takt en fijngevoeligheid bij de +Duitse edelman en diens betere opvoeding en vormen. Zo is b.v. de gehele +scène waar Erec bij de arme <span xml:lang="fr">Vavassor</span> intrekt en diens dochter wint, +geretoucheerd met een massa fijne trekjes: dat het jonge meisje eigelik +als stalknecht dienst doet, geneert de dichter evenzeer als Erec zelf; +haar schuchtere (<span xml:lang="de">bliuchliche</span>) blikken naar hun gast en diens +verliefdheid worden veel fijner dan<span class="pagenum" title="292"></span><a id="p_292"></a> in het Frans weergegeven en bij +<span xml:lang="de">Hartmann</span> treedt de voorname ridder met veel groter kiesheid tegenover +zijn gastheer op. En zo gaat het steeds; de uiterlike vormen zijn fijner +en netter geworden, en in plaats van het vertrouwelike „zoete, lieve +vriendin” wordt in het Duits de vorm „<span xml:lang="de">Frau</span>” gebruikt waar hij haar +aanspreekt en ook in bescheidenheid, takt en fijngevoeligheid staan de +mensen hoger dan die van de eenvoudige Franse <span xml:lang="fr">trouvère</span>.</p> + +<p>Verder is de Duitser harteliker en ook meer zoetsappig-sentimenteel. De +vrouwen van <span xml:lang="fr">Chrestien</span> kunnen een drastiese passie tonen die bij de +Duitser tot een stille eerbare sentimentaliteit wordt. En overal komt er +een warme zachte gevoelstoon over wat er verteld wordt: de vriendschap +tussen Iwein en Gawein heeft een volkomen sentimenteel karakter en er +zijn aardige beelden uit het familieleven, hier en daar een stukje +Duitse humor, een roerend afscheid van huis, een roerend weerzien van +twee geliefden. „Hun mond was stom, hun harte zong,—het droeg een +vreugdekrone,”—heet het lyries.</p> + +<p>Vooral is de vrouwenverering en de liefde heel wat +zoetsappig-sentimenteler bij <span xml:lang="de">Hartmann</span> dan bij <span xml:lang="fr">Chrestien</span>. +Zoetig-galant—„zoet” is een van zijn lievelingswoorden—is hij aldoor +bij de beproevingen van Enide, en dat zijn ook alle mensen met wie zij +in aanraking komt; zelfs het paard vindt dat zijn voeder beter smaakt +wanneer het hem toegediend wordt door de witte handen van zulk een +„zoete” stalknecht. Hij voegt er een lange roerende monoloog in waarin +Enide verklaart zich van kant te willen maken, zij vraagt de dood om +haar te komen huwen terwijl zij nog jong en fris is, en zij roept de +dieren des wouds aan om haar op te komen eten;—waren zij werkelik +gekomen, zegt de dichter, dan zouden zij alleen maar vol medelijden met +haar geweend hebben. Veel meer dan bij <span xml:lang="fr">Chrestien</span> wordt het daarom bij +<span xml:lang="de">Hartmann</span> een sentimentele proef waarop de echtgenoot zijn vrouws liefde +stelt en terwijl het Franse gedicht daarmee eindigt dat Erec Enide +vergeeft, is het slot van het Duitse dat Erec haar om vergiffenis +smeekt. Evenzoo wordt in de „Iwein” het avontuur van de held met de +„<span xml:lang="fr">Dame de la Fontaine</span>” wier echtgenoot hij gedood heeft, door de Duitser +veel sentimenteler geschilderd en hogerop genomen dan bij de Fransman. +Dat een vrouw de moordenaar van haar man huwt is voor <span xml:lang="fr">Chrestien</span> niet +meer dan een nieuw bewijs er voor dat de vrouw honderd keer van opinie +verandert en morgen weer anders denkt dan vandaag en feitelik gebeurt +dit ook alleen om de praktiese reden het kasteel weer een beschermer<span class="pagenum" title="293"></span><a id="p_293"></a> te +geven. Voor <span xml:lang="de">Hartmann</span> is het daarentegen „<span xml:lang="de">die gewaltige Minne</span>” die de +burchtvrouwe in haar macht krijgt ofschoon zij Iwein nog volstrekt niet +gezien heeft. De dichter wil het verhaal idealiseren en +sentimentaliseren, maar maakt het daardoor eigelik alleen maar +ergerliker.</p> + +<p>Op zijn eigen sentimenteel-Duitse manier legt <span xml:lang="de">Hartmann</span> ook een +kristelike kleur over zijn ridderromantiek. Zijn stijl is doortrokken +van geestelike en bijbelse voorstellingen en God is steeds galant en +sentimenteel voor de smeekbeden van een „zoete-meisjesmond”. Enide wordt +een echte heilige, omzweefd door hemelse allegoriese wezens. Als boete +tot zekere hoogte voor zijn profane gedichten legde Hartmann er zich in +zijn latere jaren op toe Legenden in een half ridderlike, avontuurlike +sentimentele, half aestetiese stichtelike stijl om te werken. De kleine +H. Gregorius is als kind in de kloosterschool door zijn beminnelikheid +en zachtheid eigelik een vrome pendant van de Florissen en <span xml:lang="fr">Guillaumes</span> +der Grieks gekleurde Franse romans onder hun verblijf aan het hof. En in +„<span xml:lang="de">der arme Heinrich</span>” is het dochtertje van de boerenkinkel dat leven en +bloed over heeft om de melaatse vorstenzoon te genezen, nauw verwant aan +het burgermeisje van <span xml:lang="fr">Marie de France</span>, dat zich voor haar geliefde ridder +opoffert. Maar er is in die Oedipus-achtige Gregorius-geschiedenis zowel +als in „<span xml:lang="de">der arme Heinrich</span>” een mystiek, een drang naar de +martelaarskroon en een verlangen naar het hiernamaals, die tonen hoe +sterk de Duitse ridderromantiek nog in het teken van de levensopvatting +der geesteliken staat.</p> + +<p>Maar „<span xml:lang="de">Frau Welt</span>” steekt het hoofd al meer en meer op aan de Duitse hoven +zo wel als aan de Franse. In zijn jonge dagen geneerde Hartmann zich +niet een veelvuldig gebruik te maken van een der +lievelingsvoorstellingen der geestelike literatuur: een dialoog tussen +het lichaam en het hart, om de levensregelen der ridderlike liefdekunst +te verklaren en hij schreef ook troubadour-liederen. Het oudste Duitse +minnelied staat over het algemeen bij <span xml:lang="de">Friedrich von Hausen, Heinrich von +Veldeke, Heinrich von Moringen</span> of <span xml:lang="de">Reinmar von Hagenau</span> in dezelfde +verhouding tot zijn romaanse bronnen als de romans van <span xml:lang="de">Hartmann von Aue</span> +tot de hunne.</p> + +<p>Reeds te voren waren de minneliederen aan de Duitse hoven in zwang +geweest en de erotiese poëzie der romaanse troubadours had die niet +geheel en al kunnen verdringen, zo min als de Duitse zeden zich volkomen +naar de Franse lieten vervormen. Maar: de in één strofe paarwijze +rijmende verzen werden nu vervangen <span class="pagenum" title="294"></span><a id="p_294"></a>door de kunstige versmelodieën met +hun vlug rhythme, dat maar heel slecht paste bij het stijve zware Duits +door hun talrijke, door elkaar geslingerde rijmen, de getelde +lettergrepen en hun in drieën verdeelde strofen. Men voerde de nieuwe +dichterlike stijl in met de hele vrouwendienst. Men zeide van het +lichaam der Schone dat het „<span xml:lang="de">wolgetan</span>” en „<span xml:lang="de">minneclich</span>” was, evenals de +Provençaalse dichters het „<span xml:lang="es">ben estans</span>” en „<span xml:lang="es">amoros</span>” genoemd hadden, men +prees haar „<span xml:lang="de">Tugend</span>” en „<span xml:lang="de">Guote</span>” in plaats van „<span xml:lang="es">pretz</span>” en „<span xml:lang="es">bontatz</span>”, bad +om genade en zwoer hulde als vasal, kultiveerde „<span xml:lang="de">tougen Minne</span>”, beloofde +„<span xml:lang="de">Verswîgenheit</span>” en klaagde over „<span xml:lang="de">die huote</span>”, „<span xml:lang="de">die nîdaere</span>”, juist zoals +de troubadours de geheimhouding („<span xml:lang="es">lo celar</span>”) als voorwaarde opstellen +voor de ridderliefde en zij tegen de „<span xml:lang="es">gardadors</span>”, de wachters, al de +„<span xml:lang="fr">envios</span>”, de ijverzuchtigen, en de sluwe „<span xml:lang="fr">lauzengiers</span>”, de lasteraars, +te velde trokken. Ook het bekende arsenaal der beeldspraak: de pijlen +van de blikken die het hart door het oog wonden, en de personificatie +der liefde vinden wij bij de Duitsers terug. Maar het meeste voelt men +toch als geleende veren en dat past soms heel slecht bij de Duitse +toestanden. De Duitse zangers zijn geen afhankelike hofpoëten die hun +meesteres moeten bezingen en haar daarom natuurlik hun vazallenhulde +bieden en die alle mogelike reden hebben tot bescheiden ootmoed en +discretie voor het geval zij zich verwaardigt hen te begunstigen. Het +zijn integendeel voorname edellieden en welgestelde hovelingen en de +vrouwen hebben er geen politieke en sosiale machtspositie als in +Zuid-Frankrijk. De zangers verbergen de naam hunner aangebedene dan ook +niet en dikwels zal het ook een ongetrouwd jong meisje geweest zijn dat +zij openlik, en in eer en deugd het hof maakten. En zo ontmoeten wij bij +die onderdanige huldigingsgedichten der dames naar de nieuwe mode bv. +nog steeds die oude „<span xml:lang="de">Frauenstrophen</span>” waarin de vrouw zich niet geneert +haar liefdesverlangens en smeekbeden bloot te leggen en uit te spreken +of zich eerst voorneemt zoals 't past, trots zich op een afstand te +houden, maar weldra overslaat en eigelik niets liever verlangt dan naakt +in zijn armen te liggen.</p> + +<p>Maar over 't algemeen kan men toch zeggen dat overal Duitse tonen door +de conventionele nabootsing heen breken. Heel ver van de vormen der +troubadourpoëzie is bv. de jolige platduitse humor in meer dan één van +Hendrik van Veldekes platduitse liederen: het jonge meisje dat haar +aanbidder weg heeft moeten zenden omdat hij „<span xml:lang="de">lose minne</span>” van haar durfde +vragen; zij vindt het vervelend<span class="pagenum" title="295"></span><a id="p_295"></a> dat hij niet zo is geweest als zij van +hem verwachtte maar zij neemt het zijn „ziek gemoed” niet kwalik, +verheugt zich op de komende zomer en heeft plezier in vrolike, +onschuldige „<span xml:lang="de">bliskap</span>”. Of het huiselike, klagende innige der liederen +van Albrecht van Johannesdorff, terwijl hij op een kruistocht naar zijn +geliefde terug verlangt: „Hoe liefde begint dat weet ik wel; hoe die +ophoudt weet ik niet... Mijn eerste liefde zal mijn laatste zijn... God +geve dat ik haar in ere terug moge vinden als ik weer thuis kom, dan is +mijn beste wens vervuld. Indien zij onderwijl haar leven veranderd mocht +hebben, dan wens ik zelf op reis om te komen! Een ding raad ik haar, dat +haar woorden oprecht mogen klinken en dat zij zich eerlik +„<span xml:lang="de">einvalteclîche</span>” gedrage tegenover mij.” Zeer Duits gekleurd is +tenslotte ook <span xml:lang="de">Reinmar von Hagenau</span>'s slechts weinig gepassioneerde maar +lyries sentimentele aanbidding van het „<span xml:lang="de">ewig weibliche.</span>”—„Met passende +klachten en zonder aanstoot te geven” (<span xml:lang="de">ân arge site</span>) zal hij zijn +ongelukkige liefde dragen; hoe lang hij ook leeft, zijn gehele bestaan +zal aan haar gewijd zijn, en niet alleen aan haar, maar aan de vrouw in +'t algemeen wijdt hij zijn lied. „Wel u vrouw, wat een reine naam, zo +zoet t'erkennen en zo zoet te zeggen, zo veel als gij kunt, kan er geen +volbrengen, uw lof geen mens volprijzen kan, hij die gij lief hebt is +een zalig man, één vreugd is hem het leven. De hele wereld geeft gij +lust en moed, waarom hebt gij nooit het minste mij gegeven?” Die +verering van de vrouw in het algemeen, in plaats van „een” vrouw is een +spesiaal Duitse vorm van de liefdepoëzie der troubadours,—een groot +deel van het verschil tussen de Franse en Duitse minneliederen ligt in +die verschillende opvatting uitgedrukt.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Zoals al gezegd is, trok <span xml:lang="de">Reinmar von Hagenau</span> naar Weenen en zijn +leerling was Walther von der Vogelweide. De ridderromans van <span xml:lang="de">Hartmann</span> +vonden ook hun weg oostwaarts en in Beiers Frankenland vond hij een +navolger in <span xml:lang="de">Wolfram von Eschenbach</span>. In deze beiden, de twee eerste +geesten onder de dichters der Duitse middeleeuwen, vindt de +ridderromantiek het Duitsdom in zijn krachtigste vorm, zoals die in het +Zuid-Oosten bloeide en de Nationale poëzie zoals die zich in het +Nevelingenlied en het repertoire der scholastici vagantes vertoonde.</p> + +<p>Walther von der Vogelweide was niet zoals de vroegere minnezangers een +adelik dilettant, die de Romaanse troubadourpoëzie als een +gezelschapsspelletje beschouwde; hij behoorde wel tot de<span class="pagenum" title="296"></span><a id="p_296"></a> adel, maar was +zonder enig fortuin, zodat hij als een mindere van de rondtrekkende +speellieden door muziek en zang de kost moest verdienen. Zijn lied komt +voort uit het populaire speelmanslied en dat der vaganten, zoals dit bij +de oudere Provençaalse troubadours het geval was, en zodoende is hij +feitelik een veel zuiverder pendant daarvan dan hun directe navolgers +dit waren. Hij zong ter ere van de Heren die hem onderhielden, +verdedigde hun politiek en viel hun vijanden aan; bij alle +gebeurtenissen van den dag meende hij ook een woordje meê te moeten +spreken in wat wij nu berijmde pamfletten zouden noemen, en hij dichtte +„<span xml:lang="de">Sprüche</span>” en „<span xml:lang="de">Sinngedichte</span>”, zoals de oude speellieden gedaan hadden; en +evenals deze ontzag hij zich niet bedelverzen te zingen of spotverzen op +zijn mededingers. Eerst leefde hij aan het hof te Weenen en prees de +vrijgevigheid van Hertog Frederik als groter dan die van Koning Artus; +maar toen de nieuwe hertog minder belang in poëzie bleek te stellen, +trok Walther weg en stelde in een gedicht Weenen voor als klagende over +het verval van een glansrijke periode. Een tijd lang was hij de „man” +van <span xml:lang="de">Hermann von Thüringen</span> en hemelde hem op als de „Bloem van Thüringen” +die steeds heerlik riekt en schittert, wanneer alle andere hoven reeds +lang niet meer bloeien; al kostte een vat goede wijn ook wel 1000 pond, +bij de landgraaf zou de beker van geen ridder leeg staan! Ook met andere +kleine vorstenhoven stond hij in verbinding, maar hij sloot zich toch +meer en meer bij de keizers aan: eerst bij Philip van Zwaben, wiens zaak +hij voorstond tegen de Paus en de tegen-keizer Otto, terwijl hij niet +nalaat tegelijk om een paar druppels van de zegen der vrijgevigheid te +vragen en hij de royaliteit van een Saladin en Richard Leeuwenhart de +keizer als voorbeeld voor ogen stelt. Na de moord op Philip koos Walther +de partij van keizer Otto maar verliet die weer voor Frederik II,—wel +ietwat te veel volgens de lijfspreuk der rondzwervende zangers: „wiens +brood ik eet, diens woord ik spreek,” terwijl hij zich bovendien maar al +te dikwels zijn „zangerloon” door bedelarijen en dreigementen wist te +doen geven, en hij ook meer dan eens danig van zich afsprak tegenover +„<span xml:lang="de">Hr. Wichmann</span>” of <span xml:lang="de">Nidhardt</span> of hoe die andere „<span xml:lang="en">Professionals</span>” heetten die +hem concurrentie aan wilden doen.</p> + +<p>Alle stemmingen der „<span xml:lang="es">Vagantes</span>” heeft hij doorleefd en geeft daar +uitdrukking aan in een lyriese poëzie, heel wat vrijer, persoonliker en +rijker dan die uit de gedichten van hovelingen als Friedrich von Hausen +of <span xml:lang="de">Heinrich von Moringen</span> spreekt. Hij heeft de druk<span class="pagenum" title="297"></span><a id="p_297"></a> van de winter +gevoeld en de vreugde wanneer „het seizoen” weer begon, zoals de +vagantes en een Meester „<span xml:lang="de">Spervogel</span>” of „<span xml:lang="de">Suchenwirt</span>” en andere vogels van +enigsins verdacht allooi ze gevoeld hebben. De wintertijd, wanneer de +wereld van geel, rood en blauw, bleek en grijs geworden is en de kraaien +krijsen en de vorst de kleine vogeltjes en de arme mensen plaagt. Als +hij die strenge tijd nu maar verslapen kon, tot hij de meisjes weer met +de bal kon zien spelen en de boer aan zijn veldarbeid ging! Zoete zomer, +waar blijft ge? Zo lui te liggen en als in de ijzers geslagen, dat is +alsof je een monnikspij aantrekt. Het bittere gevoel van geen thuis te +hebben heeft hij gekend, hij smacht er naar eindelik eens niet zijn +brood bij vreemden te eten, maar nog eenmaal zijn voeten onder zijn +eigen tafel te steken en als gastheer begroet te worden door zijn +vrienden, en wanneer hij eindelik op latere leeftijd een stukje land +heeft weten af te troggelen, kent zijn vreugde geen grenzen. „<span xml:lang="de">Ich han +min lehen, al die Werlt, ich han min lehen</span>” en nu vreest hij geen vorst +meer in zijn tenen!—Ook de aanvallen van doodsangst en walg van het +leven kent Walther als zo menig andere Bohémien,—wanneer hij „<span xml:lang="de">Frau +Welt</span>” vaarwel zegt en de onvriendelike waard zijn groeten zendt en dat +hij zijn schulden nu betaald heeft en zijn naam nu van het zwarte bord +verdwijnen kan,—„ik zou liever geld van een Jood lenen dan <i>hem</i> nog +langer iets schuldig zijn; hij zegt niets vóór hij je plotseling de deur +uitzet als men niet betalen kan.” Of wanneer hij,—gelijk zo menig +vagebond vroeger of later, b.v. Villon—in een ogenblik van weemoed al +zijn roerende goederen vermaakt, voordat hij „<span xml:lang="de">fare</span>” moet, opdat er geen +twist tussen zijn erfgenamen kome—al zijn ongelukken aan zijn vijanden, +zijn beslommeringen aan de leugenaars; aan de vrouwen schenkt hij zijn +hele verlangende liefde!—Maar in den regel is het toch de vreugde die +hij bezingt, de jeugd, de natuur en de liefde, zoals de vaganten dat +deden. Waar de „<span xml:lang="de">höfische</span>” lyriek liefst elegies het hoofd laat hangen, +daar is Walther de zanger van de vreugde. De ouden van dagen mogen hun +leeftijd voelen, maar zij mogen de wereld niet ook oud maken; waarom +hebben de jongeren hun jonge sterke lichaam als het niet is om de +vreugde te kultiveren? Is men jong en rijk op de koop toe, kan niemand u +overwinnen en dan moest men in de lucht zweven van plezier. Mij die arm +is heeft Vrouw Fortuna toch meer opgewektheid gegeven dan den rijke. Hij +die beslommeringen heeft moest maar eens aan goede vrouwen denken en het +schitterende <span class="pagenum" title="298"></span><a id="p_298"></a>jaargetijde, dan raakt hij zijn nachtmerrie wel kwijt.</p> + +<p>Walther is dol op de natuur en leeft daar heel wat meer vóór en ìn, dan +de echte Hofzangers. Hij bezingt het bontgekleurde tapijt der heide, +wanneer die zich over haar winterzorg begint te schamen en bloost als +zij het bos ziet groenen. Maar meer nog houdt hij van het bos zelf en +het allermeest van de vriendelike weiden en de velden, waar de +grassprietjes in de spelende zonneschijn staan te lachen en de bloemen +en de klaver met elkaar schijnen te wedijveren wie het hoogst op schiet. +Indien ik zulk een zalige dag als deze voorbij liet gaan, dan was ik wel +gek,—barst hij in overstromende lentevreugde uit. God zegene u allen en +wenst gijlieden mij nu ook maar veel geluk!—Op een warme zomerdag zocht +hij de schaduw onder een boom op een weide bij een beekje—in zijn +gedicht gebruikt hij bijna dezelfde woorden als een Latijns +Vagantenlied—en daar valt hij in slaap en droomt hoe hij over alle +rijken der wereld heerst en hoe zijn ziel uit alle beslommeringen +weggerukt wordt en ten hemel stijgt,—tot een domme kraai hem tot de +nuchtere werkelikheid terug roept.</p> + +<p>Ook in zijn minneliederen bleef Walther in verbinding met de speellieden +en de dansliederen. Offisieel was het zijn werk het hof te amuseren en +daarvoor heeft hij zeer zeker de hofminneliederen van zijn leraar +<span xml:lang="de">Reinmar von Hagenau</span> nagedicht. Hij voelt zulk een gedicht heel wat +sterker dan de vroegere minnezangers als iets dat <i>besteld</i> is en noemt +het zijn taak in die toonaard en die geest te zingen zoals het <i>volk</i> +het wenst: „<span xml:lang="de">swie sî sint, sô wil ich sin,—daz si niht verdrieze mîn.</span>” +Voor hem hoort het tot de hoofse omgangsmanieren om zich één met de +mensen te voelen met wie men samen is, en hij is bang om uitgelachen te +worden wanneer hij alleen vrolik is terwijl al de lui om hem heen +bedroefd zijn. En zo zingt hij ter ere van de voorname vrouwen en maakt +zich de heraut van hun schoonheid; maar hij doet het voor zangerloon al +is het maar een vriendelike „<span xml:lang="de">gruoz</span>” en hij verklaart ronduit dat hij hun +de rug toekeert indien zij dat niet voor hem over hebben en dan zullen +zij ook gauw genoeg merken dat het met hun goede reputatie uit is. Maar +hij geeft de conventionele, de Provençaalse dichters nageaapte +vrouwendienst en de hele stijl die daarmeê in verband staat, toch heel +spoedig op. In plaats van het „Vrouwe”—het „<span xml:lang="la">domina</span>”, meesteres, der +troubadours—gebruikt hij in een fraai gedicht: „<span xml:lang="de">Wîp</span>” als de erenaam der +vrouw,—de natuurlike naam van het geslacht in plaats van de +conventionele aanduiding van de<span class="pagenum" title="299"></span><a id="p_299"></a> stand en hij verheerlikt de +„echtgenote” in plaats van de „vriendin”. Mooi en natuurlik, zoals nog +geen een dichter vóór hem, geeft Walther uitdrukking aan zijn echt +rechtstreeks plezier in de schoonheid der vrouw: schoner gezicht zelfs +dan de pracht der zomerweide is hem de schone reine vrouw, wanneer zij +in een nette dracht en fijne witte hoofdtooi ten feeste opgaat, in fiere +houding en door haar maagden begeleid, maar nu en dan toch eens +vriendelik omkijkend,—een zonne tussen sterren. Met het beeld der +uiterlike schoonheid vermengt zich hier reeds de hoofse zedigheid en de +innerlike schoonheid der ziel. Maar nog inniger—en in verzen die nog +heden geschreven hadden kunnen zijn—wordt de liefde der vrouw +verheerlikt als de beste balsem voor het verlangend hart van de man. +„Zalig verlangen, haar heb ik gevonden,—in mijn hart, daar keerde zij +in,—heel mijn gemoed heeft zij betoverd, gebonden, mij beroofd van +bewustzijn en zin—Nooit meer kan ik van haar scheiden, door haar +goedheid en haar gratie, en haar rode mondje dat zo zoetjes lacht.” +„Maar,” gaat Walther verder door, „liefde is slechts liefde wanneer die +door beiden gedeeld wordt, die moet het geluk van twee uitmaken; als die +er eén ongelukkig maakt, dan heet die ten onrechte liefde,”—voor de +sentimentele elegiese troubadour die zich in zijn eigen smachten +verkneutert, voelt Walter niets. „Liefde is niet goed voor één alleen, +daar moeten er twee voor zijn, en wel zo dat die de twee harten +doordringt maar ook niet meer.” En de vrouw en de man moeten hetzelfde +in die liefde voelen: jubelt de man dat „het geluk dat een man ten deel +kan vallen, werd het mijne, toen zij mij eerlik rechtuit verklaarde dat +ik haar na aan het hart lag”, even openlik erkent de vrouw dat zij in +hem ook „<span xml:lang="de">wîbes heil</span>” gevonden heeft, het geluk dat voor de vrouw +weggelegd is. Voor beiden moet de liefde iets zijn wat ze in de goede +zeden opvoedt: <i>hij</i> komt tot haar en bidt haar er met „<span xml:lang="fr">Maze</span>” de schaaf +bij hem over te laten gaan, maar nu verklaart zij bescheiden dat hij +even goed aan haar heel wat op te voeden zal vinden; en dan vertelt +<i>hij</i> haar wat de man bij de vrouw verwacht: trouw en zedigheid, maar +tegelijkertijd opgewektheid en beminnelikheid, en <i>zij</i> hem wat de vrouw +graag in de man ziet: vrolikheid, maar gelijkmatigheid van karakter en +trouwe toewijding. En vrouwen die zo kunnen beminnen en ook zo bemind +kunnen worden, die vindt men, volgens Walther, alléén in Duitsland: vele +landen heb ik gezien, maar nooit nog vond mijn hart smaak in vreemde +zede; Duitse zedigheid gaat boven alles, van<span class="pagenum" title="300"></span><a id="p_300"></a> de Elbe tot de Rijn, en +helemaal tot Hongarije, daar vindt men de besten als ik tenminste iets +van geestesgaven en lichaamsschoonheid af weet; hij die deugd en reine +liefde zoekt, moet naar ons land komen.</p> + +<p>Dikwels gaat Walther ook van de conventionele „<span xml:lang="de">hohe minne</span>” der hogere +kringen op „<span xml:lang="de">die niedere minne</span>” over en bezingt dan burgerdochters en +boerenmeisjes in een fris gedichtje in de volkstoon. „<span xml:lang="de">Herzeliebes +frowelîn,</span>” zingt hij, „de mensen maken er aanmerking op dat ik mijn +snaren zo laag stem, maar zij die zo spreken, hebben nooit liefgehad. +Zij die aardse goederen nastreven of schoonheid, voelen de ware liefde +niet. De liefde maakt de vrouw haar schoonheid uit en laat ze maar +praten, ik heb liever jou ring van glaspareltjes dan de gouden ring van +een koningin...” „Neem deze krans,” zeide hij in een heerlike droom die +hij verleden had, tegen een „<span xml:lang="de">wôl getanen maget</span>”, en met blozende kaken +en neergeslagen ogen nam zij die als een schuchter kind en „geschiedde +er meer, dan bewaar ik dat in mijn heimelikheid.” Nooit was groter +vreugde mijn, de bloemen daalden van de bomen over ons in het gras +neder,—toen het eilacy! dag werd en ik uit mijn droom ontwaakte. En nu +loop ik alle meisjes sterk in de ogen te kijken of zij er ook bij is, +van wie ik droomde. „Wie weet of zij hier niet bij is, bij deze dans? +Wees zo goed, o schonen, uw hoed wat op te schuiven, ach! zag ik haar +maar met haar krans!”—Schelms en lief zingt ook het jonge meisje hoe +zij en haar vriend zich onder de linde op de weide een plaatsje +uitgezocht hebben. Menigeen die daar voorbijkomt zal moeten lachen als +hij ziet hoe het gras en de bloemen er uit zien! Aan de rozen zal hij +het kunnen zien waar mijn hoofd lag. Als iemand wist dat hij bij mij +gelegen had, zou ik mij dood schamen en wat hij met mij deed, dat hoeft +niemand te weten behalve hij en ik en een klein vogeltje. Tietewiet! dat +zit hier niet ver vandaan!</p> + +<p>Dat is artistiek verfijnde volkskunst. En zo staan ook Walther's +politieke „Dienst”-gedichten duidelik in verband met de oude populaire +dicht-genres der Speellieden. Van de heidense tijden af waren +volksdichters gewoon geweest de een of andere gedachte uit te spreken in +de scherpe, treffende kernachtige vorm van een korte strofe gekleed, die +òf op een bepaalde gebeurtenis sloeg òf van meer algemeen satiriese of +morele aard was en soms een zekere leerstelling door een „exempel” +illustreerde. In dergelijke „<span xml:lang="de">Sprüche</span>” en „<span xml:lang="de">Bîspeln</span>” geeft Walther +gewoonlik zijn politieke<span class="pagenum" title="301"></span><a id="p_301"></a> journalistiek ten beste en heft daardoor ook +zijn schimpdichten en zijn bedelpoëzie boven die van het ogenblik tot de +waardigheid van werkelik diepere dichtkunst op, een poësie soms +satiries, filosoferend of moraliserend. In zijn korte kernachtige +„zinnekens” verstond hij de kunst de kern van de Duitse nationale +politiek bloot te leggen, die hij voorstond en om het „los van Rome”, de +grondgedachte der <span xml:lang="de">Hohenstaufen</span>, in alle toonaarden te variëren, van +energies pathos tot bloedige hoon en bittere komiek—en dat steeds weer +in nieuwe beelden en vormen die zelfs de kunst van de beste „<span xml:lang="es">Sirventes</span>” +der troubadours overtreffen. Men ziet dadelik dat hij hier uit zijn +eigen volle nationale overtuiging spreekt. En in zijn meer algemene +morele berijmde beschouwingen legde hij zijn gehele etiese +levensbeschouwing bloot met als idealen twee deugden: „<span xml:lang="fr">Maze</span>” de deugd +der ridderlike vormen en „<span xml:lang="de">Staete</span>”, de voornaamste der oude Germaanse +deugden. „<span xml:lang="fr">Maze</span>” is evenals het Franse „<span xml:lang="fr">mesure</span>” in het algemeen +hoofsheid, fatsoen, zedelike tucht. „<span xml:lang="fr">Unmaze</span>” legt zowel de vrouw aan den +dag die als een man optreedt, als omgekeerd de man die zich als een +vrouw aanstelt, zowel de ridder die als een monnik leeft, als de monnik +die de allures van een ridder aanneemt, zowel hij die zich boven zijn +stand wil verheffen als hij die zo lang drinkt tot zijn tong dubbel +slaat en hij niet meer op zijn benen kan staan. En tot „<span xml:lang="fr">Maze</span>” hoort vóór +alles, Gode te geven wat Godes is en de wereld wat der wereld is, „<span xml:lang="de">Gotes +hulde</span>” dus te zoeken zowel als „<span xml:lang="de">weltlich ere</span>”,—goed te onderscheiden +tussen de hemel die Gods is en de aarde die des Keizers is. Maar nog +hoger schittert toch „<span xml:lang="de">Staete</span>”. Walther's ideaal: „<span xml:lang="de">Staete</span>” betekent de +mannelike vastberadenheid, de opene integriteit, de onbuigzaamheid en +trouw die reeds Tacitus zo bij de Germanen prees,—trouw tegen zich zelf +zowel als tegen anderen. De man moet uit één stuk zijn, en „vierkant”, +wat de Grieken „tetragonos” en de Romeinen „quadratus” noemen, evenals +nog in 't Frans carré, zijn zin moet vast zijn als steen, en rechtuit, +zo recht als de pijl uit een boog,—niet glad als ijs of een aal,—zijn +woord moet zonder tweetongigheid zijn, beter één eerlik Neen! dan twee +gelogen Ja's, zijn hart zonder valsheid, zoet als de avondschemering die +een heldere dag voor morgen voorspelt,—de ware man wordt nooit +„nieuw”,—wien hij éénmaal wel wil, wil hij ook wel voor altijd.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Aan het hof van <span xml:lang="de">Hermann van Thüringen</span> trof Walther de dichter van de +Parzival, <i xml:lang="de">Wolfram von Eschenbach</i>, die in de lyriek<span class="pagenum" title="302"></span><a id="p_302"></a> een dergelike +plaats inneemt als Walther, terwijl hij zich ook in een krachtige Duitse +geest aan de ridderromantiek wijdde. Evenals Walther is hij van adel, +maar zonder geld; hij is geboren, zegt hij, tot „<span xml:lang="de">Schiltes Ambet</span>” en laat +er zich zelfs erg op voorstaan dat hij heel weinig gelezen heeft en niet +kan schrijven. Hij is uit Beieren en verklaart dat „wij Beieren zijn +dapper, maar verstand en hoofse vormen is niet iets voor ons”. Toch +heeft hij met zijn grote drang naar ontwikkeling en vormen getracht zich +het hele evangelium van het nieuwe Fransdom eigen te maken, zowel als +allerlei geleerdheid over landen en volkeren en natuurfenomenen, gelijk +hij zich ook brutaalweg inlaat met allerlei geheimzinnige teologiese +bespiegelingen. En met al de verachting van een krijgsman voor boeken, +heeft hij als de echte autodidact die hij is, er altijd plezier in zijn +half verteerde wijsheid uit te kramen. Zijn taal is doorspekt met Franse +woorden en eigengemaakte Franse uitdrukkingen en hij kan op de +vermakelikste manier het „<span xml:lang="fr">gaste forest soutaine</span>” van zijn Franse bron +tot „de woestijn in Soltâne” maken en „<span xml:lang="fr">Une dame gisait</span>” tot „Vrouwe +Jeschute” en soms steekt hij zelf de gek met zijn Beiers Frans. IJverig +heeft hij <span xml:lang="de">Heinrich von Veldeke</span> en <span xml:lang="de">Hartmann von Aue</span> bestudeerd en met hen +als leermeesters tracht hij zichzelf en zijn landgenoten naar de nieuwe +moderne ridderlikheid te vormen. Maar veel van de oude bekende +heldenzangen hoort hij nog in zijn oor klinken en hij kent de oude +heldensagen goed en wij vinden al de karakteristieke uitdrukkingen +daaruit, als „<span xml:lang="de">Degen</span>” en „<span xml:lang="de">Recken</span>”, „<span xml:lang="de">balt</span>” en „<span xml:lang="de">ellenthaft</span>” in zijn +ridderstijl terug. Het was geen toeval dat hij het niet beneden zich +achtte om een van de wildste oud-Franse Heldendichten—<span xml:lang="fr">Aliscans</span>—te +bewerken, ofschoon, dat dient er bij gezegd, in een merkwaardig +ridderromanties kleed!</p> + +<p>Er is een frisse, kernachtige kracht, een flinke durf in die Beierse +ridder en zanger. Aan de levende ridderwereld van de oorlog en de jacht +en het paard en het zwaard, ontleent hij krachtige en schilderachtige +beelden voor alles wat hij uit wil drukken. De morgenzon heeft zijn +klauwen door de wolken geslagen en stijgt met macht; trouw zit in het +maagdelik gemoed, vèr-blikkend als de helderziende valk; voor een van +zijn personen breekt de „kling der vreugde” plotseling dwars door bij +het heft, voor een ander is de smart reeds zo ver van honk gereden dat +geen speer die meer in kan halen. Maar er is ook een brede Beierse humor +in hem, sterk verwant aan die van de gedichten<span class="pagenum" title="303"></span><a id="p_303"></a> der speellieden. Midden +in zijn verhaal vallen er hem woordspelingen of barokke vergelijkingen +in, of kan hij niet nalaten zijn eigen personen voor de gek te houden; +soms krijgen wij op eens een vermakelike scène aan het hof van Thüringen +of uit zijn eigen levensgeschiedenis of tapt hij een hatelikheid op de +stereotiepe beschrijvingen van andere dichters. En gewoonlik geneert hij +zich niet,—hij toont zich de man die hij is en er zit niet weinig +zinnelikheid in hem. Zijn grapjes draaien daarom dikwels om het +geslachtsleven en zijn dubbelzinnigheden zijn gewoonlik grof en als hij +er maar even kans toe ziet, beschrijft hij graag de vrouwelike vormen en +een nacht van liefde. Zijn ridders en vrouwen en meisjes munten meestal +uit door een grote mate van zinnelikheid en zijn ridders hebben het +voortdurend over vrouwen en behandelen ze meer op de wijze der baronnen +dan echt ridderlik.</p> + +<p>Gemoedelikheid en karakter is er genoeg in het werk van Wolfram. Hij +heeft het warme frisse gemoedsleven van de Zuid-Duitser en zijn poëzie +ziet de wereld door een glimlach en tranen en voelt voor het geluk en +het ongeluk der mensen waar zijn pen van schrijft. Humor, idyllen, +sentimentaliteit, alle straalbrekingen van het gemoedsleven zijn er in +de poëzie van <span xml:lang="de">Wolfram von Eschenbach</span> evenals in die van <span xml:lang="de">Goethe</span> of <span xml:lang="fr">Jean +Paul</span>. De hele Parzival door wordt de belangstelling van de lezer gaande +gehouden door aardige kleine scènes en episoden: nu eens wordt er +humoristies de treurige hongerkuur geschilderd die de bezetting van een +belegerde burcht moet verduren, dan eens is het een ridder die Parzival +op zijn kasteel ontvangt en met de bedachtzaamheid van een familievader +zijn schuchter jong dochtertje en de knappe vreemde ridder samen tracht +te brengen. Of Gaweins zeer jonge zuster, die voor het eerst in haar +leven met een ridder spreekt, en om beurten rood en bleek wordt wanneer +die haar zeer dierbare groeten komt brengen van niemand meer of minder +dan de Koning zelf, voor wie zij reeds lang in het geheim gezucht heeft. +En overal in het boek schitteren beelden en vergelijkingen die van een +bizondere sentimentele vlucht der fantasie getuigen: De groene vreugde +van Parzival wordt volkomen ontkleurd,—de gedachte aan Sigune trok de +vreugde te voorschijn uit het hart van de held gelijk de bij de +zoetigheid uit de bloemen zuigt,—de sterren begonnen zich te vertonen, +de boodschappers van de nacht, die haar voorafgaan om haar herberg te +bereiden.</p> + +<p>Maar die zoete kern is bij Wolfram in een verwonderlik harde<span class="pagenum" title="304"></span><a id="p_304"></a> schil +verborgen. Zijn stijl is even hortend en stotend, even verward en met +presies zulke uitwassen als de Duitse taal zelf met zijn ophoping van +sisklanken en harde konsonanten en zijn in elkaar gedraaide zinsbouw. +Evenals de verzen van de IJslandse Skalden zijn die van Wolfram vol van +de meest capricieuse onvoldragen en geheel en al mankgaande beelden die +een merkwaardige neiging vertonen om in onverteerbare klompen samen te +groeien of zich in onontwasbare knopen door elkaar te slingeren. Zijn +fantasie is even groot als zijn smaak barok is, hij houdt er van +allerlei kunstige omschrijvingen te bedenken en heeft plezier in de +wonderlikste vergelijkingen: het is alsof hij er een eer in stelt alles +op zijn eigen manier te zeggen en het de lezer zo lastig mogelik te +maken om hem te volgen. Wolfram is een echte Germaan die zijn hoed +draagt zo als hem dat nu eenmaal belieft, en die nog trots is op zijn +eigenaardigheden ook.</p> + +<p>In de Franse romans van Parzival vond de Beiers-Frankiese dichter een +voorbeeld dat hem in het hart grijpen moest. Daar leest men immers hoe +een jonge, naieve, onbeschaafde bewoner van Valois,—maar dat is nu +juist, zegt Wolfram, alsof wij zeggen zouden: een Beier—langzamerhand +in de ridderlikheid ingewijd en tot een voorbeeldig ridder gemaakt +wordt; hier vond men nu juist zulk een kursus in goede zeden en +ridderlik denken als Wolfram zelf wenste te doorlopen en zijn +landgenoten voor te kunnen houden. Het zou zijn levenswerk worden om die +gedichten in het Duits over te brengen en Wolfram's Parzival werd het +belangrijkste en meest echt-Duitse werk van de Duitse ridderromantiek. +Nu is het natuurlik op dit ogenblik heel moeilik met zekerheid aan te +geven wàt er in dat werk van hem is en wat hij aan de Franse bronnen te +danken heeft. Als een dier bronnen noemt Wolfram naast het gedicht van +<span xml:lang="fr">Chrestien de Troyes</span> vooral „Kyot van Provence” (waarschijnlik <span xml:lang="fr">Guiot</span>) +maar dat gedicht is niet tot ons gekomen. Maar in hoofdtrekken kan men +toch wel aan ieder het zijne geven.</p> + +<p>Die Franse schrijver zal van <span xml:lang="fr">Anjou</span> geweest zijn, hij heeft altans ter +ere van het <span xml:lang="fr">Angevin</span>-Engelse koningshuis Parzival een prins van <span xml:lang="fr">Anjou</span> tot +vader gegeven en er een hele voorgeschiedenis bij geschreven over diens +heldendaden in Azië en zijn huwelik met een koningin der Moren,—alles +in de gewone stijl van de epiek der Kruistochten. Trouwens, hij heeft er +veel Oosterse elementen der Kruistochten bijgevoegd, citeert Arabiese +werken die hij in het Latijn gelezen heeft en is een van degenen geweest +<span class="pagenum" title="305"></span><a id="p_305"></a>die het meest gedaan hebben om de Graalromantiek met geestelike mystiek +te doortrekken; hij zal dan ook wel een geestelike geweest zijn. De +Graal is nu niet meer een schotel, maar een steen met allerlei +wonderbare eigenschappen. Die bezaten ook volgens de Oosterlingen vele +edelstenen en meteoorstenen, en zowel te Mekka als in Phoeniciese steden +en in Klein-Azië aanbad men in de oudheid heilige stenen. En de +Alchimisten hebben het altijd over de „Steen der Wijzen”. Een heel +merkwaardig verhaal hangt <span xml:lang="fr">Guiot</span> (Kyot) nu op over de Graalsteen die uit +de Hemel naar de aarde gebracht was en eerst bewaakt was door de Engelen +die als „neutralen” uit de Hemel verbannen waren geworden, maar die nu +bewaakt werd op een kasteel „<span xml:lang="fr">Mont Sauvage</span>” (of <span xml:lang="la">Mons Salvationis</span>) en +bediend door een ridderschap van kuise Tempelridders. Elke Goede Vrijdag +wordt de wonderbaarlike kracht van de Steen vernieuwd door een oblaat +waarmeê een duif uit de Hemel aan komt vliegen. De eerste Graalkoning +was Titurel, de tegenwoordige is Amfortas maar die is tot straf voor een +zondige liefde met ziekte geslagen. In het algemeen is de Graalmystiek +in dit werk heel wat meer geestelik-asceties en Oosters gekleurd dan die +van <span xml:lang="fr">Chrestien</span>. Er is ook een mystieke tovenaars-figuur ingevoegd, die +van <span xml:lang="fr">Clincheor</span> (<span xml:lang="de">Klinschor</span>)—een soort Merlijn maar een boosaardig +halfmens—die op „<span xml:lang="fr">Chateau Merveille</span>” woont; en uit een Brabantse sage is +de Zwanenridder <span xml:lang="de">Lohengrin</span> er bij gehaald die een onschuldig aangeklaagde +prinses redt en door Kyot tot ridder van de Graal gemaakt is en de zoon +van Parzival heet.</p> + +<p>Dit ridderlik-geestelike gedicht is het nu dat Wolfram verduitst heeft +en vrij bewerkt in overeenstemming met zijn eigen karakter en +persoonlikheid. Veel meer dan de Graalmystiek is de geschiedenis van +Parzival zelf voor hem hoofdzaak en daardoor is die bij hem veel dieper +en tot een wereldlike „<span xml:lang="de">Erziehungsroman</span>” geworden zo als later „<span xml:lang="de">Wilhelm +Meister</span>” en in dramatiese vorm „<span xml:lang="de">Faust</span>” dat is. Wat hij van Parzival +maakt is, als men het zo uitdrukken mag, de „<span xml:lang="en">perfect gentleman</span>”, niet +alleen in uiterlike ridderlikheid waar het voor <span xml:lang="fr">Chrestien</span> bijna alleen +op aan kwam, maar vooral in de hogere vorming van het hart en het +karakter, in een volle en echte menselikheid zoals het ideaal daarvan +zich voor een Beiers ridder voor moest doen.</p> + +<p>De jonge, in het bos geboren en getogen knaap is hier niet alleen zoals +voor de Fransman, een simpel onbeschaafd jongeling uit Wales die door de +wereld afgeslepen moet worden; Wolfram<span class="pagenum" title="306"></span><a id="p_306"></a> herkent zich zelf en zijn eigen +Beieren in die frisse oprechte kinderlikheid en bekijkt met hartelike +welwillendheid zijn onervarenheid en eerlikheid, waarachter hij alle +deugden van hart en karakter vermoedt. Reeds in het begin van zijn werk +begroet hij zijn held als „<span xml:lang="de">traeclîche wîs</span>”,—hij die traag rijpt en +langzaam, maar dan ook des te heerliker vrucht geeft. Zo hadden de +Germaanse heldensagen er steeds behagen in geschept hun helden voor te +stellen—wat van Beowulf verhaald wordt, geldt ook van vele andere +helden, hoe ze in hun jeugd eigelik wat achterlik waren en geminacht +werden, zoals dit ook bij ons in het Noorden zo dikwels met de rijkste +naturen werkelik voorkomt. Juist onhandigheid en naïeveteit zijn de +eigenschappen waar Wolfram veel voor voelt als de karakteristieke +kentekenen van jeugdigheid en onbedorvenheid. Zijn „<span xml:lang="de">süeziu jugent</span>” +brengt hem in verrukking; hij is „<span xml:lang="de">tumb und wert</span>”, hij is „<span xml:lang="de">gein valscher +fuore ein tor</span>”, een dwaas tegenover alle valse streken,—zoals Thor dat +in Jotunheim is.</p> + +<p>Een echt Duits lyries dwepend jongeling is hij ook, die Parzival van +Wolfram, wanneer hij in de eenzaamheid van het bos ronddwaalt en zijn +borst uit voelt zetten bij het zoet gekweel der vogeltjes, dat zijn hart +doordringt; wenend loopt hij naar zijn moeder en kan haar niet verklaren +waarom hij weent. Dat is hetzelfde verlangen om weg te komen, dat reeds +„zijn linkerborst doet zwellen” evenals dat hetwelk zijn vader er uit +dreef en later ook de jongeling zelf er uit zou jagen—alle vlakten +waren hem nog te eng, al het groen scheen hem verlept, zoals het ergens +over hem heet. Een verwonderlik dromerige zwaarmoedigheid en dwepend +verlangen blijft de Duitse Graalheld aan de eenzaamheid wijden en aan +rusteloos smachten; in gedachten verzonken, leeft hij op meer dan een +plaats, soms raakt hij helemaal zijn hoofd kwijt; die hele figuur +schijnt als een uitwerking van het oude Keltiese sprookjesmotief dat +<span xml:lang="fr">Chrestien</span> reeds voor Parzival gebruikt heeft, maar dat Wolfram veel +verder uitwerkt: de held die op zijn omzwervingen een zekere dag in +gepeins verzinkt bij het zien van een paar bloeddruppels in de witte +sneeuw, die nu het gezicht van zijn geliefde voor zich ziet en de gehele +dag door daar blijft staan, in smachtend verlangen verzonken.</p> + +<p>Nu gaat Parzival de wereld in en verlaat zijn moeder. Maar reeds bij +zijn eerste stappen veroorzaakt hij, zonder het te willen en zonder het +te weten, ongeluk op ongeluk door zijn naïeve onachtzaamheid en +gedachteloosheid en hoopt de ene schuld op<span class="pagenum" title="307"></span><a id="p_307"></a> de andere; door zijn moeder +te verlaten legt hij haar in het graf, hij doodt een zijner +bloedverwanten om diens wapenrusting machtig te worden en is de oorzaak +dat Jeschute door haar man verdacht en hard behandeld wordt. Maar dat +gebeurt alles terwijl hij eerlik meent de raad van zijn moeder te +volgen: „<span xml:lang="de">sus riet mîn muoter</span>” zegt hij telkens weer, en zijn „zoete +jeugd”, zijn goed hart, zijn flink karakter komen altijd weer te +voorschijn en winnen de harten van allen. Alles wat hij nodig heeft is +slechts dat hij door onderricht en ervaring wijzer worden moge.</p> + +<p>Onderricht,—dat geeft hem evenals bij <span xml:lang="fr">Chrestien</span>, de oude ridder +<span xml:lang="de">Gurnemanz</span> en op zijn tochten treft de jongeling ridders en dames wier +optreden een voorbeeld is voor hem—en voor Wolfram's lezers. Het +gedicht is om zo te zeggen één kursus in uiterlike vormen en als in het +geval van Hartmann tracht ook hier de Duitse leerling zijn Franse +leermeester in pedant ceremonieel te overtreffen. Ridder Key, de +drossaart van Arthur, die in de Bretonse romans altijd uitgelachen +wordt, verdedigt Wolfram omdat hij zo goed de etikette in acht doet +nemen; het hof van de Thüringse landgraaf zou zulk een ceremoniemeester +uitstekend kunnen gebruiken. Dames en ridders trachten elkaar in het +gedicht in tucht en hoofsheid de loef af te steken, en zelfs wanneer +Gawein na een gevecht doodvermoeid ter neder ligt en geen lid verroeren +kan, maakt hij nog duizend excuses tegen de jonge meisjes die hem +verzorgen dat hij daar zo „<span xml:lang="de">ungezogenlîche</span>” blijft liggen. „<span xml:lang="de">Gezogenlich</span>” +en „<span xml:lang="de">Vuoge</span>” zijn de uitdrukkingen voor dat zekere „decorum” dat Wolfram +najaagt. Maar behalve in de uiterlike riddervormen geeft de Gurnemanz +van Wolfram, veel meer dan die van <span xml:lang="fr">Chrestien</span>, Parzival ook diepere +morele levensregels ten beste: karaktervastheid en ootmoed, +barmhartigheid voor hen die in nood zijn, achting voor de vrouw, trouw +in de liefde,—dat zijn de deugden die hij hem voorhoudt en aanprijst. +En bij Wolfram is het dan ook juist door een afwijken van die diepere +moraal dat Parzival eerst zondigt, om daarna, als hij het weer goed +gemaakt heeft, te zegevieren.</p> + +<p>Uit de handen van <span xml:lang="de">Gurnemanz</span> en na diens onderwijs genoten te hebben, +komt Parzival aan het slot van de jonge ridderdochter <span xml:lang="de">Kundwiramur</span> waar +hij zijn opvoeding in de liefde-kunst ontvangen zal. Ook in de min deed +Wolfram zijn best zich volgens de nieuwe ridderlike smaak te vormen, +maar die komt met zijn natuur heel weinig overeen. Als hij op zijn Frans +frivool wil zijn, wordt hij onbehagelik wellustig, als hij charmant wil +zijn, wordt hij zoetig<span class="pagenum" title="308"></span><a id="p_308"></a> geaffekteerd,—men vergelijke b.v. de episode +van Gawein-Obilote bij de beide schrijvers. Zo is ook het jonge meisje +op het slot dat de knaap de liefde wil leren kennen, veel gracieuser in +het Frans en onschuldiger in haar natuurlikheid,—bij Wolfram ligt er +iets zoets, wellustigs over de episode. Maar daar staat iets tegenover +dat werkelik Scandinavies-Germaans genoemd mag worden. Wanneer in de +huweliksnacht de jongeling te schuchter is en te veel er op uit zijn +bruid te sparen, om dadelijk aan zijn wensen toe te geven, dan stelt hij +zich met lichte liefkozingen tevreden, maar de jonge bruid bindt toch de +volgende dag zich de „Vrouwenband” om het voorhoofd en weet niet beter +of zij is vrouw geworden, zo goed als een ander!</p> + +<p>Wanneer Parzival aan de Graalburg komt, verzuimt hij bij Wolfram zowel +als bij <span xml:lang="fr">Chrestien</span>, de vraag te stellen die een einde aan de betovering +zou maken. Dit oud sprookjes-motief is bij <span xml:lang="fr">Chrestien</span> een bewijs van +Parzival's naïeveteit en onbeschaafdheid; hij heeft de waarschuwing van +Gurnemanz om zijn vraaglust niet te veel bot te vieren, al te letterlik +opgevat en laat alle merkwaardige dingen gebeuren zonder de vraag te +stellen die men van een gast die zijn wereld kent had mogen verwachten. +Maar Wolfram geeft het geheel een veel moreler en sentimenteler draai. +Niet naar de Graal en de lans had Parzival moeten vragen, maar als gast +had hij met deelneming en medelijden naar de ziekte van de lijdende +koning moeten informeren. Door een al te streng vasthouden aan de +uiterlikheden van <span xml:lang="de">Gurnemanz</span>'s voorschriften verzuimt hij zijn plicht als +man. Het is dus alleen nog maar het uiterlike, de schil der +ridderlikheid die hij zich eigen heeft gemaakt; hij laat de stem des +harten verstikken in leeg conventionalisme, en daarin steekt zijn fout. +En als hij dan hoort wat hij al niet door dat verzuim verspeeld heeft en +gesmaad wordt voor wat hij juist als fijne riddervormen beschouwde, dan +raakt hij helemaal de kluts kwijt en zo vervalt hij dan in een veel +groter zonde, die waarvan Wolfram juist leert dat het 't grootste gevaar +voor de mensheid is,—dan komt de twijfel bij hem op,—d. w. z. dan +begint hij te twijfelen aan de hemelse rechtvaardigheid en hij komt tot +oproer tegen God, in plaats van zich ootmoedig onder de hem opgelegde +beproevingen te buigen. En hier zien wij de eis van de religieuse +opvoeding der ridders waarschijnlik uit Wolfram's geestelike Franse bron +te voorschijn komen. Dit ontbreekt Parzival n.l. nog maar, zegt Wolfram +en hierin herkent men hem terstond, als er maar echte mannenaard en +trouw tegen<span class="pagenum" title="309"></span><a id="p_309"></a> zich zelf in de mens zit, dan werkt hij zich wel uit die +twijfel en die vertwijfeling vandaan, en komt zeer zeker tot de troost +van God. „<span xml:lang="de">Wert gedinge,</span>” d. w. z. een edel vertrouwend streven, zegt +Wolfram, is een groot geluk in dit leven zowel als +hiernamaals.<ins class="corr" id="corr43" title="Bron: ”"></ins> „<span xml:lang="de">Wer immer strebend sich bemüht, +den können wir erlösen,</span>” zoals het heet van een ander die zich ook van +God losgemaakt heeft, maar die tengevolge van zijn morele kracht toch +door strijd tot redding weet te komen. En zo buigt ook Parzival na +jarenlang nutteloos omzwerven tenslotte gewillig zijn ridderlik mandom +onder de wil van God. Nu is zijn zedelike opvoeding pas geëindigd, de +hoogste ridderlikheid bereikt en als de volmaakte ridder weet hij de +toverij te doen wijken en wordt hij zelf tot Graalkoning +<ins class="corr" id="corr44" title="Bron: uftgeroepen">uitgeroepen</ins>.</p> + +<p>Dit alles is niet helder doordacht en de oude stof heeft er zich maar +half toe kunnen lenen om de gedachtengang in levende handeling om te +zetten. In tegenstelling met Gawein die, gelijk reeds bij <span xml:lang="fr">Chrestien</span>, +niet anders doet dan op krijgs- en liefdesavontuurtjes uittrekken, is de +Graalheld Persival de naar volmaaktheid strevende, ideale ridder. Maar +hij wordt geen monnik-ridder, hij wil, evenals Wolfram, voldoen aan de +eisen van God maar ook van de wereld. Wolfram leefde namelik midden in +de voortdurende strijd tussen Keizer en Paus en hij voelt met zijn +karakter, even diep als Dante, de grote tegenstelling tussen die twee +levensopvattingen, maar wil, ook gelijk Dante, leven voor een krachtige +dualiteit. Dit was trouwens toch in 't algemeen het programma van de +ridder-romantiek: „Voor ‚<span xml:lang="fr">Dieu</span>’ en voor ‚<span xml:lang="fr">le Siècle</span>’ te leven, goed te +zijn voor God en in de ogen der wereld”,—dat is het ideaal der Franse +ridderromans. „Het lichaam moet voor de wereld leven, het hart moet naar +God streven,” de mens moet tegelijkertijd „<span xml:lang="de">die beiden ê</span>” (<span xml:lang="fr">fas et jus</span>) +nastreven—zo leren de Duitse ridderlike leerdichten, want, gelijk +Frederik Barbarossa een oproerige stad toevoegde die religie in de +politiek wilde mengen: „Aangaande den hemel, de hemel is des Heeren; +maar de aarde heeft Hij der menschen kinderen gegeven” (Ps. 115, 16). +Dit programma zal Parzival illustreren. De hermiet schrijft hem voor dat +hij niet alleen God moet liefhebben, maar ook dienen moet „<span xml:lang="de">umbe wibes +gruoz</span>”, de ridderschap moet vooral „<span xml:lang="de">des lîbes prîs</span>” nastreven evenals +„<span xml:lang="de">der sêle pardîs</span>”. En zo is Parzivals ziel ook verdeeld tussen verlangen +naar de Graal en naar zijn geliefde Kundwiramur.</p> + +<p>Niet de religie maar een zuiver menselike moraal is feitelik het<span class="pagenum" title="310"></span><a id="p_310"></a> +hoogste voor Wolfram. Het is dan ook een zeer weinig kerkelik Kristendom +dat er in het gedicht doorstraalt. De kuise vrouwelikheid van de +Moren-koningin is, volgens de dichter, haar doop en was Parzivals moeder +niet te voren gedoopt geweest, dan zou zij „in haar moedermelk” gedoopt +zijn geworden, d. w. z. door haar moederliefde. En gelijk in de figuur +van Parzival het mannelik ideaal verheerlikt wordt als trouw tegenover +zich zelf, „<span xml:lang="de">Staete</span>”, de deugd der Duitse karaktervastheid die ook +Wolfram verheerlikt had, zo wordt in een reeks vrouwenfiguren het ideaal +der zuivere „<span xml:lang="de">wîplichkeit</span>” getekend als trouw tegenover de geliefde man. +Vol smart voelt de dichter dat er zoveel valse vrouwen de reine naam van +„<span xml:lang="de">wîp</span>” dragen, waar alleen de trouwe vrouw recht op heeft; en ergens +noemt hij alle trouwe vrouwen op die hij in zijn gedicht geschilderd +heeft,—van de koningin der Moren af tot Parzival's moeder toe wier hart +barstte „in liefdetrouw” en die daarom zeker tot de vreugde des hemels +ingegaan is, van Ieschute die onschuldig als zij is, haar mans +mishandeling geduldig draagt, tot <span xml:lang="de">Kundwiramur</span>, die als een Solveig op +haar rondzwervende man blijft zitten wachten—maar met twee kinderen—en +hem met roerende vreugde ontvangt zonder een enkel verwijt. Maar het +allervleiendst wordt de vrouwentrouw getekend in de figuur van +Sigune—zij die eens in een gril, zoals de dames in de ridderromans die +zo dikwels hebben, haar liefhebbende ridder in de dood heeft gezonden en +die nu ontroostbaar bij zijn lijk zit te wenen—die daar nog altijd weer +zit, telkens als Parzival op zijn zwerftochten haar weer aantreft, +totdat hij haar ten laatste dood over zijn lichaam vindt liggen. In een +aparte cyclus—de hoogste openbaring van Wolfram's fantasie en +lyriek—verhaalde hij naderhand de liefdesgeschiedenis van Sigune en +Schiotulander van hun kindsheid af toen zij samen opgroeiden tot op het +ogenblik dat zij uit pure nieuwsgierigheid, omdat zij weten wou wat er +op de halsband van een jachthond geschreven staat, haar hartevriend in +de strijd zendt waarin hij vallen zou. Er is hier ook een zekere zoetige +sentimentaliteit en een geaffekteerde naïeveteit in die poëzie van +Wolfram, maar er ligt ook iets als men 't zo uitdrukken mag, +Scandinavies-blonds, iets smachtends over de liefde dier twee jonge +lieden, iets dat meer verwant is aan de gevoelens van Fritjof en +Ingeborg dan aan die van Floris en <span xml:lang="fr">Blanchefleur</span>. En de trouw waarmede +zij zo lang boete doet voor haar flauwe koketterie is, evenals Wolfram's +schildering van „<span xml:lang="fr">Dame orgueilluse</span>”, is het echt-menselike protest van de +dichter tegen de frivoliteit van de ridderliefde. Overal in Wolfram's +poëzie<span class="pagenum" title="311"></span><a id="p_311"></a> komt ook de verheerliking van het huwelik mooi door de literaire +galanterie heen op de voorgrond. Waar hij ook rondzwerft, denkt hij aan +zijn armoedig slot, zijn vrouw en zijn kinderen en één van zijn +„<span xml:lang="de">Tagelieder</span>” waarin de minnaar bij het breken van de dageraad uit de +kamer van zijn geliefde weg moet sluipen, breekt af met een hartezucht: +hoeveel heerliker dan zulk een heimelik gestolen liefde toch die is, +welke „<span xml:lang="de">ein offen suëze wirtes wîp</span>” schenken kan.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Maar het zou niet de verduitsing der ridderromantiek door Wolfram en +door Walther zijn die de aard en het karakter der latere literatuur +bepaalde. Sterker en sterker werd de invloed van de Rijnstreken. Zelfs +het oude Duitse heldenepos dat nog steeds aan de hoven van Oostenrijk in +ere stond, ondergaat de invloed van de ridderromantiek, zoals dat b.v. +met het Nevelingenlied en de Gudrun het geval was. Wel zijn de +grondtonen en de grondstof en het oorspronkelik celweefsel gebleven maar +over de barbaarsheid en de naïeveteit van de toestanden is door de +ridderlike bewerkers een blinkend net van fijne, hoofse levensvormen en +zeden geworpen: klederdrachten en feesten, de toernooien en de gehele +omgangstoon is die van het nieuwe hofleven en door het wilde heroisme en +het tragiese pathos zijn er tonen gemengd uit de liefdelyriek van het +minnelied en de ridderromans van Hartmann von Aue: men denke slechts aan +de verliefdheid van Siegfried en Chrimhilde aan het hof te Worms of de +innerlike strijd van Markgraaf Rüdiger waar hij weifelt tussen riddereer +en leenmanstrouw, volkomen in de trant van die van Iwein.</p> + +<p>En met de derde grote naam van de Duitse poëzie der Middeleeuwen, +<i xml:lang="de">Gottfried von Strassburg</i>,—dus uit het meest verfranste deel van +Duitsland—werd de invloed van de Franse ridderromantiek zo goed als +kompleet. Hier stelt de schrijver zich niet tevreden met een nabootsing +van uiterlikheden als van een scholier gelijk in Hartmann, of met een +<span xml:lang="fr">barok alliage</span> van vreemde en eigen stof als bij Wolfram; de „Tristan en +Isolde” van Gottfried sloot zich zoals wij reeds gezien hebben, innig +aan het Franse gedicht aan, maar werkte zelfstandig op die stof voort, +welke op zoveel krachten in Frankrijk beslag had gelegd, en wel +hoofdzakelik in dezelfde richting. Zijn gedicht over Tristan betekent de +hoogste kunstmatige afronding die de stof in de middeleeuwen ten deel +gevallen is, en daarom is het dat wij die reeds vroeger hier behandeld +hebben als een schakel,—de laatste—in de keten der Franse bewerkingen.</p> + +<p><span class="pagenum" title="312"></span><a id="p_312"></a></p> + +<p>Enkele van de fouten die de Duitse vertalingen van Hartmann +aankleefden, vindt men ook wel bij Gottfried. Het breedsprakige +uitrekken van elke trek in het origineel, het pedante de ander steeds +trachten te overtreffen in sierlikheid en ceremonieel, als wanneer de +<span xml:lang="fr">précieuses</span> der provincie die der hoofdstad naäpen—het spitsvondige +spelen met allegorieën en de schoolmeesterachtige moralisaties. Waar hij +er maar gelegenheid toe vindt—zelfs ook waar die er eigelik niet +is—geeft de schrijver ons een hele cursus in de kunst om het wild toe +te bereiden of een uitvoerige allegoriese verklaring van de „deugden” +waar Tristan's ridderkleed uit is samengeweven; en wanneer de blikken +van Isolde alles in de zaal „schaak zetten” of Tristan's hart verzegeld +wordt met „de zegel der liefde”, dan herkennen wij de Duitser en zien +hoe zwaar op de hand die worden kan, wanneer hij aan Frans „<span xml:lang="fr">esprit</span>” wil +gaan meedoen. Niet minder Duits is daarentegen het lyriese smachten en +de romantiese fantasie die zulk een glans werpt over de Tristan van +Gottfried. Zijn taal kan soms een hele symboliese gevoelskleur krijgen, +als hij van woorden spreekt die door het oor klinken en in het harte +lachen of die het hart verkwikkende schaduw brengen als het +sappig-groene lindenblad. De natuurromantiek die zijn schildering van +Tristan en Isolde's bosleven bezielt, bezit een eigenaardig Germaans +karakter. Het doet sterk aan <span xml:lang="de">Heine</span> denken waar Gottfried „<span xml:lang="de">diu senfte +süeze sumerzît</span>” verheerlikt die „zo zoet” de weide heeft versierd; het +groene gras, „de vriend van de Meimaand” dat zulk een „<span xml:lang="de">wunneclîchiu +sumerkleit</span>” aan had getrokken, de schitterende bloemen die de mensen „<span xml:lang="de">sô +rehte suoze lachende</span>” aankeken en „de zalige nachtegaal” die met zulk +een overstromende vreugde („<span xml:lang="de">übermüete</span>”) zijn trillers sloeg dat alle +harten er van verrukt werden. Een verfijnd genot in muziekale schoonheid +is ook overal in het gedicht op te merken. Wij horen een en ander over +Tristan's kunst om op de hoorn te blazen en wanneer hij op de harp +speelt, vertelt de dichter niet alleen welke prachtige zoete tonen hij +te voorschijn wist te lokken, maar ook hoe zeer het tokkelen zijn +zachte, slanke, lange hermelijn-witte vingers uit deed komen.</p> + +<p>Een smachtend lyriese toon klinkt er vooral door de minne-poëzie van +Gottfried; dat is reeds de echte Duitse „<span xml:lang="de">Ueberschwänglichkeit</span>”. De held +is een „vreugde verspreidende zon”, een „<span xml:lang="de">Werltwunne</span>”, hij leeft slechts +in zijn rijke gevoelsleven, „zweeft in de lucht zijns harten”, op alle +praktiese verstandsredenen en nuttigheidsgronden ziet hij met verachting +neer, en<span class="pagenum" title="313"></span><a id="p_313"></a> dat hij in zijn jongensjaren wat school- en boekenwijsheid +geleerd heeft, vindt hij eigelik zonde en jammer, een ingrijpen in de +vrijheid van de dweepzieke jongeling, een verdorren van de bloei zijner +vreugde. Met extase schildert de dichter de zaligheid der liefde wanneer +hij zijn „<span xml:lang="de">kaiserlîches wîp</span>” omhelst en haar mond „honderdduizend maal” +kust,—op een zeker ogenblik krijgen we een hele hymne aan de liefde; +als ik aan de liefde denk—zegt hij—ofschoon ik dat geluk nog maar +weinig ken, dan zwelt mijn hart op en alles in mij verlangt dan naar +iets hoogs, iets boven de wolken. Maar sentimenteel weet hij van 't +begin tot het einde de tonen van de smart en de dood in de liefdemuziek +in te leggen. De liefde is een religie, voor de liefde is alles +veroorloofd, alle wetten moeten voor de liefde wijken, zelfs Kristus kan +de ware liefde heel gemakkelik naar haar hand zetten. Maar de enige +inwijding in de liefde, de noodzakelike prijs er voor is lijden en het +lijden is de grootste waarde. Daarom wendt zijn gedicht zich niet tot de +velen die alleen vreugde vragen en genot; alleen tot die uitverkorenen +die „<span xml:lang="de">diu senfte herzesmerzen</span>” kennen, tot „<span xml:lang="de">den edelen senedæren</span>”, de +edele verlangende gemoederen die het zoete van de liefde kennen, alleen +tot troost voor <i>hen</i> en om een ogenblik slechts de zware smart van hen +af te wentelen, vertelt hij van Tristan,—van hem wien het gegeven was +in volle mate twee dingen te bereiken: lijden en geluk. Hier zijn wij +bij de Tristan en Isolde-romantiek van Wagner.</p> + +<p><span xml:lang="de">Gottfried von Strassburg</span> is de bloem der ridderlike kultuur in +Duitsland. Een natuur vatbaar voor ontwikkeling en die het in zich had +om wat hij doen moest, ook harmonies af te maken,—zoals Raphael en +Racine dat voor hun tijd waren—geen baanbrekende vernieuwer, geen +„oer-eigen origineel genie” als Wolfram, wiens gehele persoonlikheid +Gottfried een afschuw was en de enige tegen wie de Straatsburger zich +kwaadaardig toont,—maar goed belezen in de klassieken, volkomen thuis +in 't Frans,—hij is de enige dier Duitsers die geen vertaalfouten +maakt,—met een levend poëties gevoel, een fijne aestetiese smaak, een +plooibaar en volkomen artistiek gevoel voor vormen; tegelijk een man van +de wereld, volkomen thuis in de hogere ridderkringen, met een aangeboren +zin voor de hofkultuur en de uiterlike kentekenen er van,—een fijne +nobele natuur, een echt gevoelig mens. Zijn gedicht van Tristan +openbaart meer dan eens meer goedheid des harten en meer geweten dan de +Franse bewerkingen van de stof.</p> + +<p><span class="pagenum" title="314"></span><a id="p_314"></a></p> + +<p>Met Gottfried is de Duitse ridderromantiek even hoog gestegen als de +Franse en zijn volgelingen overtreffen hem even min als die van +<span xml:lang="fr">Chrestien</span> van <span xml:lang="fr">Troyes</span> deze laatste.</p> + +<h2><a id="XX"></a>XX.</h2> + +<p class="subh2">IDEAAL HUMANISME.</p> + +<p>In haar korte bloeitijd die in het einde van de 12<sup>de</sup> en het grootste +deel van de 13<sup>de</sup> eeuw valt, ontvouwt de ridderromantiek zich op haar +hoogste punt tot wat men zou kunnen noemen een soort ideaal humanisme.</p> + +<p>De hele kultuur van de middeleeuwen komt in het Frankrijk van Philips +Augustus en Lodewijk de Heilige en het Duitsland der laatste +<span xml:lang="de">Hohenstaufen</span> tot een korte harmonie in een edele en schone +menselikheid,—een classiciteit zo goed als die der Grieken en Romeinen. +Alles wat er van de kunst dier dagen tot ons gekomen is, draagt die +stempel. De Gotiese katedralen van de Rijnstreken en Noord-Frankrijk met +hun lichte gewelfde, feestelik stemmende ruimten, de slanke pijlers en +bogen, het kleurrijke stralende licht door ruiten en rosetten. De schone +glasmozaieken der kerken van Tours en Bourges met de reine diepe +kleuren, de eenvoudige, duidelike omtrekken der figuren en de hele +ideale klassieke stijl die wat te vertellen heeft, dezelfde die wij in +de edele eenvoudige miniaturen van de zogenaamde Bijbel van Lodewijk de +Heilige terugvinden. De Madonnabeelden en die der Apostelen op de +kerkfaçaden van Rheims en Amiens, de reliefbeelden van de dood van Maria +op de Notre-Dame te Parijs of de Dom van Straatsburg,—afbeeldingen van +de mens van een even vrije natuurlikheid en hoge adel als die van de +klassieken. Of „de heilige kapel” te Parijs met het feestelik fijne +samenspel van licht en kleuren, ruimte en lijnen en met de reine en +nobele ornamentiek der muren. In het museum van <span xml:lang="fr">Cluny</span> te Parijs of het +„<span xml:lang="de">Germanisches Museum</span>” te Neurenberg getuigen kleine voorwerpen—een +ivoren kam, een kandelaar, een muurtapijt—van de edele en fijne +schoonheidskultuur der 13<sup>de</sup> eeuw.</p> + +<p>Op dezelfde wijze wordt de ridderromantiek op haar hoogste punt slechts +tot een geïdealiseerde uitdrukking van de edele en fijne menselikheid +die in de eerste kultuurcentra van die dagen te voorschijn kwam. Vele +romans en korte ridderlike berijmde<span class="pagenum" title="315"></span><a id="p_315"></a> novellen laten nu meer en meer de +wonderbaarlike producten der fantasie vallen die de ridderromantiek uit +Keltiese en Oosterse bronnen ontleend had en de kinderachtige +avontuurtjes die ze van de Griekse romans geleend hadden; ook de +geaffekteerde, overspannen troubadourpoëzie geven ze op, zowel als de +zoetige sentimentaliteit der Bretonse romans en hun andere +extravagances,—feitelik ontdoen ze zich van alles wat spesiaal +ridderromantiek was en worden zo tot heel natuurlike, menselike, +verhalen uit het leven der Franse en Duitse edelen, een ideale +afspiegeling van de werkelike kultuur der hoge kringen en een +interpretatie van de fijne gevoelige menselikheid die het leven in de +beste ogenblikken kon verwerkeliken. En in een reeks leerdichten worden +geformuleerd, niet langer gelijk vroeger, de voorschriften der +geestelike paedagogen, hoe men de „fijne wereld” opvoeden moet, maar +omgekeerd, regels voor goede manieren, opgesteld door die zelfde +geesteliken tengevolge van wat ze zelf in die kringen hadden kunnen +opmerken en leren.</p> + +<p>Die „kringen”,—dat zijn de uitverkorene edelen,—over die alleen is het +de moeite waard te spreken: een dode edelman is meer waard, heet het, +dan een levende burger. En het enige leven waar men iets aan heeft is +dan ook dat in die kringen; men moet „<span xml:lang="de">sich gesellen</span>”, anders wordt men +„<span xml:lang="fr">sauvage</span>”,—„ongemanierd”, zoals Parzival of Iwein dit werden in de +eenzaamheid van het bos. Een hogere stand die slechts leeft voor een +luxe, leven van vrije, schone, fijne menselikheid,—een „liberaal” leven +in tegenstelling dat der „<span xml:lang="fr">illiberale</span>” werkers, der <i xml:lang="fr">banausoi</i>,—dat is +de ridderwereld, gelijk de Griekse aristocratie van de +„edelvoortreffeliken”—de „kalokagathoi”—dat was. „<span xml:lang="fr">Le vilain</span>”—zo leert +een riddergedicht—leeft alleen maar om te zwoegen en te sparen, te +pruttelen en te schelden,—hij spreekt niet en hij zingt niet, als de +hond die slechts bijt; hij voelt niets voor bloemen en vogels, en alles +wat schoon is en schittert, ergert hem alleen maar, zijn hele leven is +één wanklank in de harmonie des hemels,—Gods vrolike, gelukkige engelen +hebben niets met zulk een grove plebejer uit te staan. De „edelgeborene” +daarentegen, die God zelf met zijn schone handen uit een edeler +natuurstof gevormd heeft en die ook verder een goede opvoeding in +gezelschap van nette mensen gehad heeft, die leeft alleen maar voor +alles wat schoon is en edel en goed.</p> + +<p>Waar men in de eerste plaats voor leeft, is om de schoonheid van het +leven te genieten en het nog schoner te maken. De<span class="pagenum" title="316"></span><a id="p_316"></a> natuur werpt men een +vriendelike blik toe, maar verder niet. Meest is het nog in tuinen en +parken dat men de natuur liefheeft,—men bezingt de roos als het +zinnebeeld van het liefdegenot, het madeliefje van de trouw; in de +Duitse liederen is de linde de boom van de zomer en de liefde. Onder de +vogels zijn de meest geliefden de nachtegaal van Marie de France, de +leeuwerik van Bernard de Ventadour en de zwaluw die een lok van Isolde's +gulden haren uit Ierland haalde. Maar ook het jachtleven opent de ridder +het oog voor de natuur: men vindt b.v. een beschrijving van de +dauw-natte morgenstond, de slaperige middagstilte in het diepe groene +bos, de slanke ree, het enorme wilde zwijn en de roofvogels in de toppen +der bomen. De reiger en de valk—„<span xml:lang="en">the gentil faucon</span>” noemt Chaucer +hem—is de lievelingsvogel van de ridders zowel als de dames. „Die vogel +doet mij 't harte goed”, heet het in een gedicht ter ere van de valk, +„als ik die op mijn hand zie zitten, zacht en hoofs, of wanneer die zo +„edel” vliegt; alleen daarom sta ik gaarne 's morgens vroeg op.” En de +borst van een valk,—zwelt die niet even schoon als een vrouwenboezem? +En kan de blik van een schone vrouw stralender zijn dan die van de +ridderlike jachtvogel? Menig ridder twijfelt of hij meer van zijn valk +houdt of van zijn dame en er lopen verhalen hoe een dame uit jaloesie de +valk van haar ridder de nek omdraait of hoe de arme ridder bij de +ontvangst van zijn dame genoodzaakt wordt haar het allerzwaarste offer +te brengen: zijn valk te doden en haar die bij de maaltijd voor te +zetten. Of een page die in een alleraardigste kleine vertelling door +liefde verkwijnt voor de echtgenote van zijn meester; zij heeft vergeefs +getracht hem weer moed in te spreken, en wanneer haar man dan vraagt wat +er eigelik bij hem aan scheelt, begint de dame aan het ziekbed van de +jongeling en tot diens grote schrik, te vertellen hoe de knaap haar +aldoor achtervolgd heeft en gesmeekt om... zijn meesters lievelingsvalk, +maar dat zij die toch niet heeft durven geven. Maar de ridder verklaart +dat hij hem liever al de valken zal geven die hij bezit, dan hem zo van +ellende te zien verteren en nu belooft de meesteres de zieke dat hij dus +de valk krijgen zal waar hij zo naar gezucht heeft.</p> + +<p>Meer dan de natuur is het 't hofleven op de burcht dat de ridderkultuur +schoner tracht te maken en dat de ridderromans verheerliken. Een +eenvoudige, fijne smaak heeft nu in het leven zowel als in de romans die +massa van bonte Oosterse pracht vervangen die b.v. de Troja-romans bij +hunne beschrijvingen op<span class="pagenum" title="317"></span><a id="p_317"></a> elkaar stapelden; maar feestelik en schitterend +ziet zoo'n slot er toch uit. De muren blauw met gouden sterren of met +tafrelen versierd of wel hele schilderingen met voorstellingen naar de +ridderromans; ook in de muurtapijten zijn zulke scènes uit die boeken +geborduurd. De vloer is van groen marmer „als een weide met gras” of +grote lemen platen met bloemdekoraties of wapenschilden er in gebeiteld. +Op deuren en zolderingen zijn dieren of bloemen uitgesneden; kunstig +smids-werk; weinig maar smaakvol versierde ligbanken en taboeretten; +vele kleuren en een sierlike rijkdom van détails, maar zuiver en deftig +van smaak.</p> + +<p>Een deftige smaak vertoont zich ook in de klederdrachten der ridders en +der dames in de 12<sup>de</sup> en 13<sup>de</sup> eeuw, waardoor ze ook sterk +verschilden van de barbaarse tijd der roofridders en van de +geraffineerde extravagance der 14<sup>de</sup> eeuw. Een lange mantel van donker +purper met gouden sterren er op, werd om het lijf door een zijden koord +samengebonden en van boven door een gouden gesp; de voering van +hermelijn met zwarte sterren, om de open hals sabelbont, op het haar een +krans van bloemen, aan welks kant twee geëmailleerde gouden gespen aan +zijn gebracht,—zo ziet de heldin bij <span xml:lang="fr">Chrestien</span> er in haar bruidstooi +uit. Zorgvuldig worden de kleuren van dat gewaad zo uitgezocht dat ze +niet vloeken en dat ze bij de teint en de kleur van het haar passen, met +dezelfde zin voor schoonheid als bij het draperen van de beelden wordt +er voor gezorgd,—voor zover we uit de beschrijvingen der romans op +kunnen maken—dat de kledij goed in de vouwen valt en er wordt +voortdurend op gewezen dat hoe mooier het meisje is, des te eenvoudiger +moet de klederdracht zijn. Met zéér geringe afwijkingen wordt hetzelfde +kleed en mantel door man en vrouw gedragen, door jong zowel als oud, +gelijk ook de gladgeschoren baard het verschil tussen leeftijd en +geslacht uitwist, de dracht waarmede men in het openbaar verschijnt, +maakt allen als 't kan slechts tot mensen, alleen de stof en de snit +laat diskreet de waardigheid en de leeftijd doorschijnen, de gratie van +de vrouw en de lichte elegantie van de jongeling. Ook in de wapenrusting +en wat de man verder voor de oorlog nodig heeft,—wat men b.v. op de +zegels uit die tijd goed kan bestuderen—openbaart zich een zuiverheid +en een adel van smaak die zowel de tijd die er aan vooraf gaat als die +welke er na komt, zeer in dit opzicht overtreft.</p> + +<p>De vormen der samenleving worden ook schoner en edeler,—van de pedant +aangeleerde regelen voor goede manieren die men<span class="pagenum" title="318"></span><a id="p_318"></a> uit het buitenland en +van de geesteliken ontvangen had, worden ze nu tot een werkelike +wellevendheid, gedragen door takt en fijngevoelige vriendelikheid. +„<span xml:lang="es">Cortezia</span>”—zegt een ridder uit Provence—„bestaat dáárin dat men zich +door woord en optreden bemind weet te maken, en hoofs is hij die weet te +doen wat anderen aangenaam is; hoofsheid vertoont zich in klederdracht +en vriendelike tegemoetkoming, in het onthaal en in liefde.” De Duitse +woorden „<span xml:lang="de">Tugend</span>” en „<span xml:lang="de">gezogentlich</span>” slaan op uiterlike zowel als +innerlike eigenschappen. „Iemand die op hoofse wijze een ander een beker +aan kan bieden,” zegt een moralist, „en zijn handen houdt zoals het +hoort, van zo iemand zeggen de mensen dadelik: „wat een welopgevoede +knaap is dat toch, die is zeker deugdzaam, zie eens hoe deugdzaam hij +zich gedraagt”.<ins class="corr" id="corr45" title="Niet in Bron.">”</ins> En een Duits boekje over „tafelmanieren” zegt: +„Verloren is geen opgevoed man, heb ik wel horen zeggen, nooit kan een +onopgevoede een plaats in de hemel verkrijgen.” Nu komt het er niet +alleen op aan om „wel bedankt” te zeggen of „Goeden-dag”, of zijn mond +goed af te drogen, neen, men moet zich nu netjes houden en rechtop lopen +„als een waskaars” of „als een jonge scheut op een tak”—en daarvoor +zijn schermoefeningen goed, heet het,—en men moet de conversatie goed +gaande weten te houden—in de romans vindt men menig gesprek tussen gast +en gastheer waarin die elkaar in beleefdheidsfrases trachten te +overtreffen—en men moet zich licht en bevallig weten te bewegen en zich +fijn en netjes gedragen. Het is duidelik dat de omgangsvormen bepaald +werden door hetzelfde tegen elkaar doen opwegen van een conventionele +vormelikheid en de natuurlijke vrijheid die bijvoorbeeld ook de figuren +kenmerkt op miniaturen en ivoorwerk. De houding, gestes en andere +bewegingen hebben nog een traditionele betekenis om het gesproken woord +kracht bij te zetten en te illustreren, even simbolies ongeveer als bij +de oude rechtspleging: door de vinger op te heffen maakt men op iets +opmerkzaam, in diepe gedachten steunt men zijn kin op de hand, en dat +twee goede vrienden elkaar omhelzen wanneer ze elkaar ergens ontmoeten +en samen in een vensternis gaan zitten praten, hoorde evengoed tot de +overgeleverde „goede toon” als dat een rechter op zijn rechterstoel +zitten moest als een „<span xml:lang="de">grisgrimmender löwe</span>” en met <ins class="corr" id="corr46" title="Niet in Bron.">„</ins>de rechtervoet +over de linker geworpen.”</p> + +<p>Een samengaan van „<span xml:lang="de">Tucht</span>” en „<span xml:lang="de">Gemeite</span>”, d. w. z. van eerbare tucht en +opgewekte vriendelikheid is het ideaal voor de verschijning in 't +publiek. Te hard lachen en te hard schreeuwen als men<span class="pagenum" title="319"></span><a id="p_319"></a> klaagt is al even +ongepast; een vrouw moet met half open mond lachen, en al is ze ook nog +zo zeer onder de indruk van het een of ander, moet ze toch goed oppassen +dat haar hoofdtooi netjes blijft zitten,—als Walther klaagt dat de +wereld in de war is, drukt hij dit zo uit: „Wee, u, wereld, wat zit uw +hoofddoek tegenwoordig slecht!”—zacht en licht moet de vrouw +voortzweven („<span xml:lang="de">schleichen</span>”), liefst met een zekere gratieuse zwaai +(„<span xml:lang="de">swanc</span>”); het hoofd ietwat op zij—zoals men dat op de Mariabeelden kan +zien; en de ene kant van haar kleed moet zij op een bepaalde wijze +opnemen. Zij mag niet te veel rondgluren maar een zekere schuchtere, +half nieuwsgierige blik past een jong meisje wel, zegt Walther. Een +voorbeeld van menselike „<span xml:lang="de">Tucht</span>” en „<span xml:lang="de">Gemeite</span>” is de manier waarop Isolde +en haar moeder, de koningin, de zaal binnentreden in de koningsburcht, +zoals Gottfried dit schildert. Slank als een den is de prinses, haar +bruine fluwelen kleed is om het middel vastgesnoerd en voegt zich lenig +om de lichaamsvormen, met haar linkerhand houdt ze een paarlen snoer +vast dat de mantel op haar borst vast bindt, zo dat ze volgens de hoofse +zeden die met twee vingers samenhoudt; bevallig „zweeft” ze nu met haar +moeder naar binnen, men volgt hen met de ogen en langzaam en gelijk op +doorlopen de blikken der twee vorstinnen de zaal, zo dat elk der +aanwezigen een blik krijgt en in aller harten brengen ze onrust; de +moeder begroet de anderen met een woord, de dochter, zo als het past, +buigt zwijgend.</p> + +<p>Steeds fijner worden de wenken die Provençaalse en Franse didaktiese +gedichten de dames geven voor hun optreden in de wereld—„Het hof der +Liefde”,—„De God der Liefde”,<ins class="corr" id="corr47" title="Bron: ">—</ins>„De Sleutel der Liefde”,—„De +Kunst der Liefde” en wat die alle heten,—de Liefde wordt nl. altijd +beschouwd als de bloem van het wereldse „<span xml:lang="fr">Savoir-vivre</span>”. Dergelijke +leerdichten bewerkte een halfduitse geestelike in Italië in Duitse +verzen en zond die naar zijn land onder de titel „De Walse Gast”,—en +kort daarop volgde een „<span xml:lang="de">Winsbecker</span>” en een „<span xml:lang="de">Winsbeckerin</span>” met <i>hun</i> +raad. Een geslacht later was er een notaris uit Florence die aan Franse +hoven verwijld had en die, toen hij thuis gekomen was, een leerdicht +schreef om zijn vrouwelike landgenoten Franse manieren te leren. En nu +zijn het niet meer zo als vroeger elementaire regels die ze daar te +lezen krijgen: wanneer ze zich verschonen moeten en dergelijke +dingen—ofschoon „er zijn dames die geloven dat reinheid een teken van +losse zeden is”—hij schrijft vooral over<span class="pagenum" title="320"></span><a id="p_320"></a> de kunst om maatschappelike +talenten te vormen. De dame moet leren zingen en als zij een aangename +stem heeft, moet zij zich niet laten bidden, maar gewillig een lied ten +beste geven; ten dans moet zij gaan „<span xml:lang="fr">à petit pas, simple et mollet</span>”, zij +moet kunnen schaken en de teerlingbak spelen, waarbij het er minder voor +haar op aan komt goed, dan wel met gratie te spelen en zij mag voor al +niet boos worden als zij verliest,—de vrouw die boos wordt en dat in +woorden toont, verdient de naam van „<span xml:lang="fr">dame</span>” niet. Vooral moet zij de +kunst verstaan van een gesprek te voeren, „<span xml:lang="fr">car nul chose tant +n'afole—coeur d'homme que douce parole</span>”, zij moet, gelijk een +Zuid-frans gedicht het fijn uitdrukt, zo kunnen spreken, zo kunnen +converseren dat de ander bij zijn afscheid, de indruk meeneemt dat hij +geestig geweest is, zelfs al is hij niet meer dan een dwaas, en zij moet +een gesprek dat haar mishaagt af kunnen breken of het een andere draai +te geven, zonder iemand te stoten; dan kan zij hem b.v. vragen of hij de +vrouwen uit Gascogne of die uit Engeland schoner vindt en welke opinie +hij dan ook heeft, kan zij het tegenovergestelde beweren om zo een +dispuut aan de gang te krijgen. Zeer fijne regels worden er b.v. ook +gegeven over de kwestie hoe een bruid zich gedragen moet. Bij het +wisselen van de ringen moet zij terughoudend zijn, bijna angstig, haar +hand niet al te gretig naar de ring uitsteken en slechts met een zachte +stem „ja” zeggen. Het is ook verstandig als zij thuis reeds iets eet, zo +dat zij bij de huweliksmaaltijd zich meer in kan houden, en wanneer zij +het vertrek binnenkomt waar de bruidegom is, moet zij eerst doen alsof +zij hem niet ziet, dat is echt „hoofs”.</p> + +<p>Opgewektheid, vriendelikheid, zachtheid, dat is voor de man zo wel als +voor de vrouw de hoofdzaak bij de omgang; het is er de kultuur dier +dagen dan ook altijd om te doen, ruwheid en brutaliteit te onderdrukken. +De Tristan van Gottfried is de verpersoonliking van de vriendelikheid; +wij lezen van hem dat hij graag een ieder op zijn handen wil dragen en +voor allen tracht te leven, „wat iemand uit het gezelschap ook maar +voorsloeg was hij dadelik bereid te doen.” Ook <span xml:lang="fr">Aucassin</span> is de +beminnelikheid zelf; door zijn zachtmoedigheid en hoofsheid ontwapent de +jonge edelknaap volkomen de lompe kolenbranders en herders die hem +onbeschoft aan hebben gesproken. Een zoetige liefheid hoort tot de goede +toon tussen ridders en hun dames: „Schone Heer”,—„Schone +Dame”,—„Lieve, zoete vriend”,—„God zegene U”, en kussen en een +omhelzing horen tot de omgangs<span class="pagenum" title="321"></span><a id="p_321"></a>vormen, evenals er in de brievenstijl +allerlei sierlike wendingen en zwierige zwaaien voorkomen die in de +„brievenboeken” aangegeven zijn.</p> + +<p>Een vrolik „leven en laten leven” hoort verder tot de „liberale” +ridderlike opvattingen. Al wat treurig is en ruw, wordt glad gemaakt, al +wat somber is en donker wordt verlicht en verzacht in deze adelswereld +van spel en schoonheid. Ouderdom en dood is iets waar de ridderpoëzie +maar zo min mogelik over denkt; de dood die zulk een tragiese pathos in +de oude heldenpoëzie gebracht had, komt hier bijna niet voor, en de +eerbied waarmede de ouderdom daar ginds omstraald werd is hier +verdwenen—het is b.v. bepaald vermakelik te zien hoe ongepast in de +Parzival van Wolfram de oude moeder van koning Arthur behandeld wordt en +terzijde gezet, voor de jongere dames. Schoonheid, jeugd en vreugde +moeten regeren. Hoog en rijk moet er geleefd worden,—alle sparen en +alle zuinigheid maakt de geest bekrompen en zet „banausties” stof op de +vingers. Men moet „gast-ere” aan den dag leggen zowel als „hus-ere”,—d. +w. z. milddadigheid en gastvrijheid bij feestelike gelegenheden tonen, +en zelf een gepaste weelde in zijn huishouding ten toon spreiden. En het +is niet langer genoeg vrijgevig te zijn, men mag een echte +welwillendheid en fijngevoeligheid eisen in de manier <i>waarop</i> men +geeft. Van een edele vorstin lezen wij: zij heeft er meer door fraaie +woorden gewonnen, dan anderen door grote gaven, en zo vriendelik geeft +zij haar geschenk dat dit voor dubbele gave telt. En omgekeerd worden +die gastheren gelaakt, die over niets met hun gasten spreken dan over de +slechte tijden en hoe weinig er te verdienen valt, zodat de gasten het +niet anders dan bezwaarlik moeten vinden zich zo te laten onthalen.</p> + +<p>„<span xml:lang="fr">Les vilains</span>”,—dat zijn de gemelike knorrepotten die altijd in de +contramine zijn, en die noch zelf willen leven noch anderen laten leven. +Maar God is met de opgewekten en welwilligen, „<span xml:lang="fr">les courtois</span>”; hij zelf +en zijn engelen zijn schoner en opgewekter dan alle anderen en hij heeft +alle jonge paren en alle vrouwen lief. Hoe graag zou hij b.v. niet +<span xml:lang="fr">Nicolette</span> daarboven in den hemel bij zich gehad hebben<ins class="corr" id="corr48" title="Bron: .">,</ins> „om in +den avondstond als een licht voor hem te schijnen”! En jonkvrouw +Maria—men merke maar op hoe schoon en liefderijk zij er uit ziet, die +zal zeker de jonge ridderknaap niet weigeren wat hij zo graag zou +wensen. Als schitterende feestzalen schijnen de Gotiese kerken. „Het oog +weet niet waarheen het 't eerst de blik zal wenden. De zoldering is<span class="pagenum" title="322"></span><a id="p_322"></a> +groen als een tapijt, de muren verbeelden het paradijs, de vensters +wekken bewondering door de schone kleuren van het glas en het rijk +versierde werk... Het is alsof men naar de hemel verplaatst is en zich +in een der schoonste zalen van het paradijs bevindt.” Hier, bij het +heldere schijnsel der waskaarsen en het schone misgezang der +geesteliken, wordt de ziel tot liefde gestemd en hier heeft men +gelegenheid de schonen te zien, die iemand een glimlach of een knik +geven of in het geheim de hand drukken en de zeer gewillige biechtvader +heeft er niets op tegen de smeekbeden van de minnaars te verhoren, of de +geliefden samen te brengen ten spijt van boze ouders of brutale +echtgenoten.</p> + +<p>Alle goede, zachte gevoelens van menselike simpatie zijn het die de +ridderlike hofkultuur ontwikkelen wil, en die de ridder-romantiek +verheerlikt. De wapenen zijn niet minder geëerd dan vroeger, de roeping +van de ridder is „<span xml:lang="de">Schiltes Ambt</span>” en het is het schild dat hem verplicht +zijn eer onbevlekt te houden; wil men in teugelloosheid leven en zijn +schild met oneer bevlekken, dan doet men beter het maar aan de wand te +laten hangen. Maar wat de ridder op den weg der eer zal vergezellen dat +is, lezen wij: „de gedachte aan een reine vrouw.” En korter en korter +worden in de schoonste riddergedichten de beschrijvingen van de strijd, +meer en meer idealiseert de ridderromantiek zich tot hetzelfde schone, +gevoelvolle humanisme waar het kristendom zich in de Gotiese beeldende +kunst en de Marialegenden der 13<sup>de</sup> eeuw in omzet. In werkelikheid is +ook die bloem der ridderkultuur ontsproten uit de sentimentaliteit der +kristelike legenden zowel als uit de zoetige humaniteit van Ovidius en +de Griekse romans en uit de vrouwen-atmosfeer van het maatschappelike +hofleven.</p> + +<p>In de heldenpoëzie hadden de personen er zich op beroemd wanneer zij een +hart hadden als een steen zo hard en als een noot zo klein. In een +asceties gedicht uit de 12<sup>de</sup> eeuw klaagde een monnik over zijn +oproerig gek hart dat nooit de ziel met rust laat; het is niet 't +lichaam maar het hart dat de zonde veroorzaakt, en nu had hij zelf, +ongelukkig voor zijn zielsrust, een hart gekregen dat groot genoeg was +voor duizend mensen. Maar nu berispt de ridderlike dichter hem, die „een +hart van hout heeft”. Het hart is het lievelingetje dier dagen geworden, +naar welks bewegingen men luistert, naar welks welzijn men steeds +informeert, en waar men trots op is als men het zijne groter, zachter, +rijker noemen kan dan dat van anderen en welks bevelen men zonder +aarzelen opvolgt. „<span xml:lang="fr">Pitié</span>” en „<span xml:lang="fr">Gentilesse</span>” zijn in het Frans, „<span xml:lang="de">Güte</span><span class="pagenum" title="323"></span><a id="p_323"></a>” in +'t Duits de termen voor de zachtheid en de ontvankelikheid voor simpatie +van het hart en de woorden die Chaucer meer dan eens herhaalt: „<span xml:lang="en">Pity +renneth sone in gentil heart</span>” kon het motto zijn van de ridderpoëzie.</p> + +<p>Het zijn alle vormen van „<span xml:lang="de">Güte</span>” en „<span xml:lang="fr">Pitié</span>” die de Duitse en Franse +vertellingen van de 13<sup>de</sup> eeuw verheerliken. De roerende trouw van een +oude dienaar jegens zijn ridder die tot armoede vervallen is (<span xml:lang="de">Der Junker +und der treue Heinrich</span>, vgl. Flore en Jehanne); opofferende vriendschap, +(Engelhart); de leenman van keizer Otto die in een rijksakte verbannen +verklaard is, maar gelegenheid vindt om het leven van zijn leenheer te +redden en zich met hem verzoent (<span xml:lang="de">Otto mit dem Barte</span>); de onschuldig +aangeklaagde prinses voor wie geen ridder in het perk durft te treden +tegen de machtige aanklager, totdat op het beslissende ogenblik een +Arthur of Graalridder als redder op het toneel komt en de beschuldiger +nederslaat (het allerschoonst in de Lohengrin). Maar in de eerste plaats +is het toch de min in alle soorten en graden waar de romans en +vertellingen over handelen; de liefde is de bloem van het ridderleven en +de gehele edele menselikheid.</p> + +<p>Denk b.v. aan dat heel kleine meisje dat Gawein bij een toernooi tot +zijn dame gemaakt heeft, opdat zij evengoed een ridder hebben zou als +haar oudere zuster. Haar vader laat haar een mouw van rood fluweel +maken, die het kind de volgende morgen zelf haar ridder brengen moet om +in de strijd op zijn lans te dragen, zoals dat gewoonte was, en zij kan +van ongeduld haast niet slapen, staat ook vroeg op en brengt hem de +mouw. Met kloppend hart volgt zij haar ridder in het gevecht en is +verrukt te zien dat hij haar zusters kavalier geheel in de schaduw +stelt, en wanneer hij thuiskomt staat zij aan zijn stijgbeugel om hem te +bedanken. Gawein moet verder de wereld in maar belooft voor haar als +haar ridder te komen strijden, wanneer zij in haar nood hem een +boodschap zendt en het kleine meisje kust zijn voet opdat hij aan haar +zal denken waar hij ook komt (<span xml:lang="fr">Chrestien</span>'s „Perceval” en Wolfram's +Parzival).</p> + +<p>Of het zeer jonge meisje dat nieuwsgierig de wereldt inkijkt, maar nog +jonkvrouwelik schuchter, niets van de liefde weten wil. Haar vader heeft +haar opgedragen om de vreemde gast zo goed mogelik bezig te houden en zo +neemt zij hem dan ook bij de hand en wijst hem in het kasteel rond. Hij +vraagt haar uit of zij al een vriend heeft, maar zij antwoordt +wijsneuzerig dat de tijd voor zulke gekheid nog niet gekomen is; als zij +wou had ze al<span class="pagenum" title="324"></span><a id="p_324"></a> heel goed een „<span xml:lang="fr">ami bel et gent</span>” kunnen hebben, maar daar +heeft ze nu nog geen zin in. Maar daarentegen wil ze graag mensen +ontmoeten die de liefde gekend hebben en daarvoor geleden hebben, zodat +zij op die manier wat ervaring in dat opzicht op kan doen. Glimlachend +luistert de ridder naar dat voorzichtige jonge meisje en maakt haar een +paar komplimentjes (<span xml:lang="fr">Chrestien</span>'s „Perceval”).</p> + +<p>Dan lezen we van een bakvisje dat haar eerste kleine hartewonde krijgt. +Het is de uitverkorene van haar nichtje op wie zij in stilte verliefd +wordt. Zij heeft hem helpen oppassen en aan zijn ridderdracht naaien en +„zolang heeft zij nu naar zijn ogen en zijn gezicht gekeken, en zijn +handen en zijn lichaam dat het haar wee begint te doen.” De ridder ziet +dat wel, maar vindt dat het haar alleen maar goed kan doen iets van +hartsverdriet te leren kennen. Zij is er altijd bij om hem zijn +wapenrusting aan te helpen trekken; hoe zwaar het haar ook valt, is het +haar toch aangenaam met iets van hem bezig te zijn. Hoe meer het huwelik +nadert, des te dieper wordt de stille smart van het meisje; zonder iets +te zeggen legt zij haar zuster's hand op haar hart, opdat zij merken zal +hoe haar het harte klopt. Maar de ridder heeft toch goed gezien, het was +alleen maar een „proefpijltje” dat Amor op haar afgezonden had om haar +kinderhart te wekken. Wanneer een arme maar uitstekende ridder even +daarna om haar komt met de klacht dat hij haar helaas geen rijkdom heeft +aan te bieden, antwoordt zij: „Mijn liefde hangt niet aan goed of geld, +maar behoort een ridder even beminnelik als dapper.” Terwijl zij dit +zegt,—waarschuwt nu de dichter—denkt zij nog aan haar aangebeden +ridder, maar meer en meer gaan haar gedachten toch naar de ander. En het +duurt niet lang voor die haar hand en hart gewonnen heeft (Parthenopaeus +van <span xml:lang="fr">Blois</span>).</p> + +<p>En tegenover het heel jong meisje staat de even jeugdige knaap, de +page,—„<span xml:lang="fr">le valet</span>” of „<span xml:lang="de">das Kind</span>”. Het is als de verliefdheid van een +student en een jong meisje in onze tijd—die schuchtere liefde tussen +Alexander en Soredamor, waar bij een moederlike vriendin ze te hulp moet +komen. Zij is de hofdame van de koningin en hij een vreemde vorstenzoon, +op bezoek aan 't hof; zij zijn beiden—voor de eerste maal—verliefd, +tot over de oren, maar ze generen zich gruwelik voor elkaar. Op een +avond in gezelschap zitten ze bij elkaar, maar hij houdt zijn hand onder +zijn gezicht en zegt niets, en zij wou graag tegen hem spreken, maar hoe +zal zij hem noemen? Hoe zoet zou het niet zijn als zij hem „vriend” +durfde noemen—maar heeft ze daar recht op? een ding weet<span class="pagenum" title="325"></span><a id="p_325"></a> zij wel, dat +als hij haar „vriendin” noemde, dit geen onwaarheid zou zijn. Maar +waarom hem niet bij de naam noemen? Maar die heeft zo veel en zulke +zware lettergrepen, zij voelt dat zij in haar bedeesdheid er midden in +zou blijven steken. Als zij dat gemakkelik en liever „<span xml:lang="fr">mon doux ami</span>” er +maar uit kon krijgen... De koningin krijgt dikwels bezoek van de prins +en daar mag Soredamor dan bij zijn; de koningin heeft hem een met goud +gestikt kleed ten geschenke gegeven en daar heeft Soredamor aan helpen +borduren zonder te weten voor wie het bestemd was. Uit de aardigheid +heeft het jonge meisje van haar eigen guldenhaar tussen het gouddraad +ingewerkt en wanneer zij eens op een dag met z'n drieën bij elkaar +zitten en de koningin naar Alexanders kleed kijkt, ontdekt zij het +gouden haar; het gouddraad er naast wordt geheel door de glans er van +overtroffen. Glimlachend roept zij het jonge meisje er bij, alle twee +worden om beurten rood en wit en weten uit puur geluk dat ze zo dicht +bij elkaar zijn niet hoe ze zich zullen houden en de koningin die dit +ziet, begrijpt nu alles en vertelt hun wat hun scheelt. „Kijk eens naar +dat kleed,” zegt zij, „en vertel wie daar aan gewerkt heeft en of zij er +niet iets van haar zelf bij gegeven heeft.” En Soredamor is tegelijk +verrukt en ongelukkig dat ze nu met de verklaring voor den dag moet +komen, maar Alexander kan zich nauweliks inhouden om het gouden haar +niet, waar zij beiden bij zijn, te kussen (<span xml:lang="fr">Chrestien: „<span xml:lang="fr">Cligès</span>”</span>).</p> + +<p>Alles lokte ook tot liefde,—de gehele atmosfeer van de ridderhoven was +vol van liefde. Op alle muren en wandtapijten trof het oog scènes uit +Ovidius of uit „Tristan en Isolde”,—een Duits gedicht „Het Gordijn” +behandelt een hele serie van dergelijke liefdegeschiedenissen die op een +bedgordijn afgebeeld waren. Op ivoren kammen en toiletdozen vond men +zoetige, kleine Amorbeeldjes, op drinkbekers stond te lezen: „<span xml:lang="de">Liebes +langer Mangel—das ist der Herzen Angel</span>”, op gespen kon men (antieke?) +stenen vinden met Amor en Venus er in uitgesneden; verzen over de „zoete +moeite van de liefde” waren met kralen op de klederen der ridders en hun +dames geborduurd. Om liefde speelt men en van liefde zingt men, en de +romans zijn het meest geliefde tijdverdrijf voor allen. Menige ridder +gaat het als de Heer van Gravenberg van wie het heet dat hij de gehele +dag op zijn kamer romans zit te lezen over avonturen en liefde, en +iedereen is het er over eens dat het lezen van romans de beste opvoeding +voor de jeugd is en de ouderen van dagen van alle „<span xml:lang="fr">vilainie</span>”<span class="pagenum" title="326"></span><a id="p_326"></a> afhoudt. +„Men mint beter als men over liefde hoort zingen en lezen” en het is +door die roman dat de jonge knaap leert dat het nu tijd voor hem is om +er op uit te trekken en een „voorwerp” te zoeken. Romans en leerdichten +vertellen van de verschillende soorten van liefde: „<span xml:lang="de">twingende minne</span>”—de +woeste passie der zinnen, die „glibberig als ijs” is en de „<span xml:lang="de">hohe minne</span>”, +die van het hart. Van de lage liefde die aan het verlangen naar geld te +danken is, de grote die door de goede naam der dame ontstaat, en de +allerbeste liefde,—dat is de „goedwil” (<span xml:lang="fr">bonne volonté</span>) die plotseling +uit het diepste van het hart opwelt.<ins class="corr" id="corr49" title="Bron: ”"></ins> Van de +verschillende stadiën van de liefde: het ontwaken er van, het dieper +worden er van, door de zekerheid dat men weder bemind wordt en de +consumatie er van wanneer men gekomen is tot „<span xml:lang="fr">le baiser et l'accoler</span>”. +Hoe een man merken kan of een dame hem liefheeft; zij durft zich +natuurlik niet het eerst uitspreken, maar als zij met het oog half toe +geloken, ietwat knipogend hem een blik van helderste zonnestralen +toezendt, is dit een zeker teken. Ook de dame krijgt allerlei lessen hoe +zij haar aanbidder op de proef kan stellen, hoe zij hem geleidelik hoop +mag geven—welke kleine geschenken zij, zonder zich te compromitteren +kan aannemen—hoe zij, in geval van geheime correspondentie met bleke +inkt moet schrijven en alleen op kleine wassen tafelen waar het schrift +onduidelik is, evenals zij altijd van zich zelf als <i>hij</i> en van haar +minnaar als <i>zij</i> moet spreken,—hoeveel van haar lichaam zij haar +aanbidder mag laten zien en aanraken; ook allerlei intieme voorschriften +voor de verschillende stadia van haar overgave en de aestethiek van het +eroties genot.</p> + +<p>Met alle mogelike variaties is het referein dat „de jonge man die niet +lief heeft, verspilt zijn tijd”, en „de dame die niet iets of wat +zondigt, waar zou die later wanneer ze ouder geworden is, berouw over +hebben?”—Bovendien: is liefde zonde, dan brengt die zonde toch zoveel +goeds met zich, dat God die licht vergeeft. „<span xml:lang="fr">Pitié</span>” is het de plicht van +alle Kristenen, vooral van de vrouwen aan den dag te leggen, het is +tegen de natuur dat een vrouw zich hard en ongevoelig zou tonen, het is +niets minder dan doodslag om een aanbidder tot wanhoop en zelfmoord te +brengen door zijn smeekbede niet te verhoren. Hoe was het niet dat een +oude vrouw (in de „<span xml:lang="fr">Gesta Romanorum</span>”) een al te ongevoelig meisje een +doodsschrik op het lijf joeg door haar een hond te laten zien die +niemand anders was dan haar eigen dochter, die God in een hond veranderd +had tot straf dat het<span class="pagenum" title="327"></span><a id="p_327"></a> meisje haar aanbidder zelfmoord had doen plegen! +Zo had ook een ridder eens buiten een schare vrouwen gezien, die, in +lompen gehuld met gewonde, nakende voeten op uitgehongerde, zwarte +paarden door het bos reden,—dat waren vrouwen die gedurende hun leven +niet hadden willen liefhebben en die nu zo gestraft werden, terwijl er +een andere schare aan kwam rijden, schoon versierd met rozenkrans en op +krachtige witte paarden, elk in een zoet gesprek met een vriend; dat +waren zij die zo beloond werden voor een leven, gewijd aan fijne +ridderlike liefde.</p> + +<p>Van een dergelijke liefde berichten de romans en de berijmde verhalen +uit die tijd in het oneindige. De motieven worden midden uit het leven +van „de hogere kringen” genomen en dikwels worden de verhalen door +bekende met name genoemde personen verteld; veel van de verhalen uit +Provence geven zich gewoon uit voor biografieën van troubadours en vele +geschiedenissen worden ook aan de naam van adelike Noordfranse of Duitse +minnezangers vastgeknoopt. Soms zijn het niets dan anekdoten van een +stukje <span xml:lang="fr">courtoisie</span>, een geestig antwoord of een galant idee. Bijvoorbeeld +een verhaal van een <span xml:lang="fr">liaison</span> tussen een troubadour, <span xml:lang="fr">Guillaume</span> van +<span xml:lang="fr">Cabestaing</span> en de Gravin van <span xml:lang="fr">Roussillon</span> en hoe haar zuster zo goed de +schijn op zich laadt dat zij de geliefde van de troubadour is, dat haar +zuster feitelik jaloers wordt. Hoe een ridder, vermoeid van een +toernooi, zich verslaapt en daardoor een geheime ontmoeting met een dame +mist, maar hoe galant en spirituëel hij haar zijne verontschuldiging +aanbiedt, zodat alleen zij verstaat wat hij bedoelt en hem vergiffenis +schenkt. Een soort „<span xml:lang="de">Proverbe</span>”, als van <span xml:lang="fr">de Musset</span>, heeft men in de kleine +„<span xml:lang="fr">lai de l'ombre</span>”. De dame heeft aan een ridder die haar sterk het hof +maakt, weerstand kunnen bieden, maar nu heeft hij, zonder dat zij het +weet onder menig een „<span xml:lang="fr">bel mot plaisant et poli</span>” zijn ring aan haar +vinger weten te schuiven. Dat ontdekt zij later en eist dat hij die +terug zal nemen. Zij zitten op de rand van de put in de burchttuin, als +hij genoodzaakt wordt de compromitterende ring aan te nemen; „die is er +niet zwarter op geworden door aan zulk een schone vinger te zitten,” +zegt hij droevig glimlachend en als hij haar beeld zich op de bodem van +de put in het water ziet spiegelen, voegt hij er bij dat hij die nu ook +niet meer dragen wil, maar dat zijn lieve vriendin de ring nu moet +hebben, zij, die hij, na haar, het liefste heeft. De dame is ietwat +vertoornd er over dat hij zo een ander op de achtergrond schijnt te +hebben, maar op hetzelfde ogenblik werpt hij de ring in het water voor +haar beeld.<span class="pagenum" title="328"></span><a id="p_328"></a> „Zie, nu mijn dame de ring niet wil hebben, is die voor +haar daarginds”, „Welk een gelukkige inval,” zegt de dichter, „was die +galanterie niet!” De dame kijkt naar beneden in de put en wordt geroerd: +„Uwe zoete woorden en uw grappig idee en het geschenk dat gij mijn beeld +geschonken hebt, doen mij geheel anders hierover denken; daar hebt gij +mijn ring: ik veronderstel dat gij er niet minder op gesteld zult zijn, +al is die ook minder fraai dan die welke gij opgeofferd hebt.”</p> + +<p>Een werkelike echtbreuk-roman is de Provençaalse „<span xml:lang="es">Flamenca</span>”. De jonge +<span xml:lang="fr">Guillaume de Nevers</span> heeft zo veel horen spreken van Flamenca, de vrome, +jonge echtgenote van de brutale <span xml:lang="fr">Seigneur de Bourbon</span>, dat hij het besluit +neemt de ongeziene Schone lief te hebben. Hij neemt een kamer in een +herberg vlak tegenover de burchttoren, waarin zij opgesloten gehouden +wordt, en geïnspireerd door de nabijheid der geliefde, groeit zijn +romantiese liefde voor haar aan tot dweperij van de zelfde telepatiese +aard als die wij bij Tristan tegen zijn gekomen. Wanneer hij vanuit zijn +venster naar haar toren kijkt, valt hij in een soort bezwijming en in +die tijd is zijn ziel bij haar in de toren en houdt haar in de armen +zonder dat zij 't zelf vermoedt. Slechts na enkele ogenblikken ziet zijn +bekommerde dienaar een glimlach over het bewusteloze gezicht spelen en +de geest er langzamerhand weer in terugkeren, met een weerspiegeling +over zich van het geluk dat die genoten heeft. Om met de dame in +verbinding te komen weet hij van een gewillige priester de toelating te +verkrijgen de koordienst in de kerk te verrichten waar zij de mis hoort, +en dat hij het werk van de geestelike op zich mag nemen die rondgaat en +de gemeente het brevier laat kussen. Bij dat werk heeft hij allerlei +ogenblikken van verrukking. Wanneer hij het zonnelicht op Flamenca's +haar ziet vallen, jubelt hij met zijn schone stem dubbel mede in het +koorgezang. Wanneer zij haar hand ontbloot om het teken des kruises te +maken, dan loopt het de minnaar als ijs langs de rug „alsof men in al te +koud water baadt”. Nu waagt hij het een eigenaardig soort van gesprek in +te leiden, wanneer hij haar het brevier tot kussen aanbiedt. De eerste +keer zucht hij alleen maar diep, en thuis gekomen vertelt Flamenca haar +maagden van die schone geestelike en zijn zuchten, waarop de meisjes +dadelik gereed staan met hun raad: de volgende maal moet zij vragen +waarom hij zo zucht. En zo ontwikkelt zich het gesprek, elke keer dat +zij in de kerk komt slechts een paar woorden van een der beide partijen +en telkens wordt er thuis in<span class="pagenum" title="329"></span><a id="p_329"></a> het vrouwenvertrek ijverig gedebatteerd, +wat de geestelike gezegd heeft en hoeveel aanmoediging hun meesteres hem +de volgende keer in haar antwoord geven mag, totdat zij elkaar +langzamerhand beginnen te begrijpen en afspreken hoe de echtgenoot het +best bedrogen zal kunnen worden.</p> + +<p>In Noord-Frankrijk worden de minneliederen van de Heer van <span xml:lang="fr">Coucy</span> aan de +Vrouwe van <span xml:lang="fr">Fayel</span> het onderwerp van een hele roman die wij gedeeltelik +terugvinden in de allerliefste „<span xml:lang="de">Herzmäre</span>” van Koenraad van Würzburg. Die +eindigt met het barbaarse sage-motief dat men ook in Indiese en Keltiese +en vele andere sprookjes vindt,—dat de echtgenoot zijn vrouw het hart +van haar minnaar te eten geeft en haar dan, als het op is, vertelt wat +voor een lekkernij zij voor zich gehad heeft, waarop zij zweert van nu +af geen voedsel meer tot zich te nemen. Maar afgezien van dit tragiese +slot beweegt de historie zich geheel en al in de vormen van het +geciviliseerde hofleven en schetst de verhouding der twee hoofdpersonen +door alle gewone fases heen, van het eerste bezoek af waar zij, in de +afwezigheid van haar gemaal, het gesprek een andere draai geeft telkens +wanneer zij vrezen moet dat de Heer van <span xml:lang="fr">Coucy</span> aan tafel met zijn +liefdesverklaring voor den dag zal komen, tot op het ogenblik dat een +andere dame, wier avances de ridder afgewezen heeft, eens met de +scherpzinnigheid van de jalousie de blikken opvangt die de geliefden +elkaar in 't geheim toewerpen en alles aan de echtgenoot verklikt.</p> + +<p>Maar liefde die met het huwelik in konflikt komt is nu niet langer het +enige wat interesseert. Men heeft nu het konventionele standpunt +verlaten van het geloof dat de poëtiese ridderlike liefde niet met het +proza van het huwelik samen kan gaan; een fijnere moraal begint zich aan +het halve en het valse in gestolen liefde te stoten en een inniger +opvatting der liefde tracht tot solieder, zekerder huwelikstoestanden te +leiden. Men zal zich herinneren hoe de echtgenote in het gedicht van +<span xml:lang="fr">Marie de France</span> „Eliduc” haar recht op haar eigen echtgenoot opgaf ten +voordele van de verbinding die hij in 't buitenland aangegaan had, +ofschoon hij wist dat hij elders gebonden was. Op dit gedicht van Marie +schreef <span xml:lang="fr">Gautier</span> van <span xml:lang="fr">Arras</span> een roman maar met karakteristieke +veranderingen. <span xml:lang="fr">Ille</span> verlaat zijn innig geliefde vrouw Galeron uit +wanhoop dat hij bij een toernooi zijn ene oog kwijt is geraakt; hij kan +niet geloven dat zij steeds liefde zal kunnen blijven voelen voor iemand +die zo ontsierd is, en trekt stil weg naar een vreemd land. Een zeer +onhandig idee, dat blijkbaar in verband staat met een<span class="pagenum" title="330"></span><a id="p_330"></a> oordeel in het +boek van Andreas Capellanus over de „Kunst der Liefde” en ook weer +gevonden wordt in een Duits gedicht: „De getrouwe Echtgenote”; maar er +moest iets zijn om <span xml:lang="fr">Illes</span> vertrek van zijn huis te verklaren. Ille komt +te Rome en maakt zich zo verdienstelik dat de Paus en de keizer hem een +geschikte partij vinden voor de dochter van de keizer. Maar het is +alleen op de verantwoording van de Paus en na lang Galeron gezocht te +hebben, die intussen ook haar tehuis verlaten heeft, dat <span xml:lang="fr">Ille</span> in het +nieuwe huwelik toestemt, en wanneer dan Galeron in de St. Pieterskerk +opduikt, juist op het ogenblik dat de bruidsstoet daar aankomt, bedenkt +Ille zich geen ogenblik om de keizerdochter in de steek te laten en met +zijn vrouw naar huis te trekken, niettegenstaande die bereid is hem op +te geven. Eerst na jaren geeft Galeron zich na een gevaarlike bevalling +aan God en wordt non, en nu kan <span xml:lang="fr">Ille</span> zich met zijn geliefde prinses +laten verenigen. Het verschil ten gunste van Marie wat betreft de +<ins class="corr" id="corr50" title="Bron: morale">morele</ins> verantwoordelikheid en fijngevoeligheid is duidelik.</p> + +<p>Nog duideliker is het dat de <span xml:lang="fr">Cligès</span> van <span xml:lang="fr">Chrestien</span> als een morele +tegenhanger van de Tristan-romans bedoeld is. Evenals hier wordt ook in +de <span xml:lang="fr">Cligès</span> een neef verliefd op de bruid die hij voor de koning, zijn +oom, gaat halen. Maar behalve dat <span xml:lang="fr">Cligès</span> volstrekt niet door +dankbaarheid aan zijn oom gebonden was, zoals dit met Tristan het geval +was,—integendeel is zijn erfrecht op de troon door zijn oom met geweld +terzijde gezet—verklaart ook Felice, de koningin, dadelik uitdrukkelik +dat zij niet, wat Isolde zo met vreugde deed, haar lichaam tussen +echtgenoot en minnaar wil delen: „hij die het hart heeft, zal ook het +lichaam genieten.” En zo geeft zij zich ook pas aan <span xml:lang="fr">Cligès</span>, wanneer haar +min, die de kunst der toverij verstaat, de keizer een toverdrank gegeven +heeft die maakt dat hij het huwelik niet heeft kunnen consumeren. En de +twee gelieven zoeken dan ook niets beter dan een openbaar, wettig +huwelik voor de verborgen liaison in de plaats te stellen, wat hun dan +per slot van rekening ook gelukt, als de keizer uit de weg geruimd is. +Maar zelfs als echtgenote—heet het, volkomen tegen de wetten van de +ridderlike erotiek indruisend—bleef zij zijn dame en vriendin. Zo +antwoordt ook de echtgenote in „Erec en Enide” demonstratief aan iemand +die haar vraagt of zij de vrouw of de vriendin van de held is: +„Echtgenote èn vriendin.”</p> + +<p>In vele romans van de 13<sup>de</sup> eeuw kan men nagaan hoe de verfijning van +de erotiese moraal en het dieper en inniger gevoel<span class="pagenum" title="331"></span><a id="p_331"></a> dat voor de andere +min in de plaats komt, als vanzelf van de konventionele troubadourliefde +tot het huwelik voert. De vorstenzoon, <span xml:lang="fr">Durmart le Gallois</span>, die begint +met een losse verbintenis met de vrouw van den drossaete, ondergaat b.v. +langzamerhand een morele loutering en opvoeding en eindigt met zijn +dame, de Ierse vorstin, de hand voor het altaar te reiken. „De meesten,” +zegt de dichter, „laken hem die met zijn minnares trouwt, maar die +voelen de ware, echte liefde niet, want hoger is dàt geluk te achten dat +onverminderd genoten kan worden, dan dat hetwelk men slechts voor een +ogenblik leent, en het moet voor ieder zéér pijnlik aandoen zijn +vriendin vlak voor zijn ogen door een ander te moeten zien kussen en +omhelzen.” En vooral in Duitsland bezingen de voornaamste dichters +eigelik steeds de lof van het huwelik ten spijt van de conventie der +riddererotiek, terwijl de leerdichten als in de geest van Luther +verklaren dat het hoogste geluk in de wereld is een goede en trouwe +vrouw te bezitten en dat de wil van man en vrouw „van het hart en tot +het hart gaat”.</p> + +<p>Ook uit menig andere conventie der ridderromantiek ziet men zich +langzamerhand een fijnere en gezonder liefdemoraal ontwikkelen. B.v. uit +de argumenten tegen die echtgenoten welke zonder het minste vertrouwen +op hun vrouw, dadelik in alle laster tegen hen en hun eer +geloven—gelijk in de „<span xml:lang="fr">Roman de la Violette</span>”—uit de oppositie tegen de +dames die de ridder tot speelbal van hun luimen maken en hen die ze +liefhebben door hun grillen plagen; of wel wendt dan de ridder zich ten +slotte van haar af, als hij genoeg heeft van haar koketterie, of wel +betaalt hij haar in gelijke munt door haar liefde op een dergelike proef +te stellen, als die waarmede zij hem in haar koketterie geplaagd heeft. +Allerliefst bestaat beider liefde de proef in een klein verhaal: „De +drie ridders en de mantel.” De dame heeft haar drie aanbidders gezegd +dat zij hèm voor zou trekken, die bij een toernooi haar mantel wil +aantrekken in plaats van een wapenrusting. Slechts bij één der drie is +de liefde daar sterk genoeg voor en hij komt zegevierend terug, maar met +zware wonden. Maar nu verlangt hij van haar dat zij op een feest die +bloedige mantel over haar feestdracht dragen zal. En haar liefde is even +sterk als de zijne, zij offert haar ijdelheid op evenals hij zijn leven +op het spel gezet had.</p> + +<p>Of men lette op hoe vaak morele fijngevoeligheid en hooggespannen +idealisme de ridderroman op zijn best in het oude feeën-motief leggen +kan, dat wij al zo dikwels hebben zien behandelen: <span class="pagenum" title="332"></span><a id="p_332"></a>de ridder die +verraadt dat hij in het geheim de gunst van de fee genoten heeft. In de +„Parthenopaeus van <span xml:lang="fr">Blois</span>” is de fee tot een prinses van Konstantinopel +geworden, die de toverkunst machtig geworden is, haar minnaar is de +jonge ridder van <span xml:lang="fr">Blois</span>. Wanneer hij er zich toe laat verleiden haar +gebod van geheimhouding te overtreden, verbant zij hem uit haar ogen, +niettegenstaande al zijn berouw en de smeekbeden van haar zuster; haar +verwond hart, haar teleurgesteld vertrouwen vloeien over van smart en +boosheid. „Zuster,” zegt zij, „gij kent de liefde slecht, de liefde met +haar vreugde en smart; één enkele smart die een vriend ons berokkent, +doet meer kwaad dan vijf die een vijand ons veroorzaakt.” Maar even diep +is dan ook haar berouw en haar zelfverwijt, als het blijkt dat zij hem +tot vertwijfeling gebracht heeft. „Wie zijn vriend hoogmoedig afwijst, +wanneer hij onder tranen om genade bidt,” zegt zij, „moet niet éénmaal +sterven, maar langzaam de uitterende dood voelen naderen.” Eerst wanneer +beiden door hun beproevingen gelouterd zijn, worden zij voor goed +vereenigd.</p> + +<p>Dit feeën-motief wordt geheel in de werkelikheid opgenomen in de kleine +vertelling van „<span xml:lang="fr">La Châtelaine de Vergy</span>”,—misschien de fijnste bloem der +ridderpoëzie. Misschien ligt er iets dat werkelik aan het Bourgondiese +hof gebeurd is aan ten grondslag. Aan het hof van een Hertog leeft een +jong ridder, de lieveling van de vorst en de vreugde van het hof. Ook de +hertogin werpt haar ogen op hem; lang tracht zij hem zeer diskreet haar +gunst te tonen, en in fijne, passende bewoordingen geeft zij hem haar +gevoelens te kennen, maar hij doet haar in alle hoffelikheid begrijpen +dat hij er niet over kan denken het vertrouwen van zijn meester te +beschamen. En nu gaat de hertogin diep gekrenkt naar haar echtgenoot om +de knaap te belasteren en te zeggen dat hij haar met oneerbare +bedoelingen heeft trachten te naderen. De hertog kan zijn oren nauweliks +geloven en hij laat de ridder nu alleen bij zich komen om hem aan een +verhoor te onderwerpen; het is duidelik dat de jongen verliefd is, maar +hij zweert dat hij onschuldig is en de hertog wil hem heel graag +geloven, maar op wie kan het dan zijn dat hij verliefd is? Slechts als +hij hem dat wil zeggen, kan hij zijn wantrouwen doen verdwijnen. En zo +lang dringt hij aan en zo ongelukkig voelt de knaap zich dat hij in een +vals licht voor zijn meester zou staan, dat hij ten slotte met het +geheim voor den dag komt: het is de nicht van de hertog, de +Burchtgravinne van <span xml:lang="fr">Vergy</span> en hij die elkaar al lang<span class="pagenum" title="333"></span><a id="p_333"></a> in het geheim bemind +hebben, maar ze hebben gezworen er het stilzwijgen over te bewaren. De +vorst zweert van zijn kant dat het geheim niet over zijn lippen zal +komen en neemt de gelegenheid waar, om, ongezien, de ontmoeting van het +jonge paar in de tuin bij te wonen. Hoger dan ooit te voren staat de +jongeling nu bij de hertog in de gunst, wat, gelijk te verwachten was, +de verbazing en zelfs de verbittering van de hertogin wekt. In een +vluchtig geschetst nachtelik idyllies ogenblik weet de jaloerse vrouw +eindelik haar gemaal met moeite het geheim te ontlokken. Zij, een +hertogin, versmaad voor een simpele burchtgravin,—dat is een +belediging, die gewroken moet worden. Kort daarna is er een groot feest +aan het hof van de hertog en onder de gasten uit de buurt is ook de +burchtgravin. Vriendelik wordt zij door de hertogin ontvangen, maar +wanneer de dames zich na het middagmaal teruggetrokken hebben om zich +voor het bal te kleden, dan kan de gastvrouw niet nalaten met een kleine +hatelikheid voor den dag te komen die de jonge vrouw het hart doorboort, +omdat die het haar duidelik maakt dat haar geliefde hun geheim verraden +heeft. Als de andere dames die niets gemerkt hebben, ten dans gaan, +trekt zij zich, diep in 't hart getroffen, in een kleine kleedkamer +terug: zij is verraden door haar minnaar, verraden aan de hertogin,—dus +is zij het nu die hij liefheeft. Zij werpt zich op een bed en onder +wenen en klagen breekt haar hart van verdriet met de woorden: „Gode +beveel ik u, zoete vriend.” Ondertussen heeft haar ridder haar overal +bij de dans gezocht en in de vertrekken; eindelik vindt hij haar op het +bed in die kleine kamer. Zijn kwade geweten doet hem reeds vermoeden wat +er gebeurd is en dat wordt hem door een kamermeisje bevestigd die de +dame heeft horen klagen, en als de rest van het gezelschap aan komt +ijlen, wordt de ridder, doorboord door zijn zwaard, op het lichaam van +zijn geliefde gevonden. Maar de vorst trekt het zwaard uit het lichaam +van de dode en midden onder het feest stoot hij het in zijn +vrouw,—daarop neemt hij het kruis en trekt naar het heilige land.</p> + +<p>Alles wat de ridderromantiek aan fijne kennis van het maatschappelik +leven kent en fijne aristokratiese mensenkennis, komt rein en schoon in +deze kleine berijmde vertelling voor den dag, die nog heden ten dage +geleefd en gedicht had kunnen worden.</p> + +<p><span class="pagenum" title="334"></span><a id="p_334"></a></p> + +<h2><a id="XXI"></a>XXI.</h2> + +<p class="subh2">HET EINDE DER RIDDERROMANTIEK.</p> + +<p>Gelijk de glanstijd van de ridderadel, duurde ook de bloeitijd van de +ridderromantiek slechts zeer kort. In het laatst der middeleeuwen was +het de kerk, de universiteit en de burgergeest die het geestesleven +zouden beheersen. Deze drie machten waren het die in de 14<sup>de</sup> en +15<sup>de</sup> eeuw de dood van de ridderromantiek veroorzaakten.</p> + +<p>In de latere Graalromans zagen wij haar in de dienst treden van de +kristelike mystiek en ascetiese monnikengeest. Lancelot en Guenievre +doen ten slotte boete in cel en kluis; Perceval ligt „bevend als een +blad” aan de zijde van zijn vrouw die hij voor God en de mensen getrouwd +heeft, van pure vrees de vreugde des hemels te missen, als hij zich aan +vleselike lust overgeeft; heilige mirakelen en de valstrikken des +duivels omgeven de maagdelike Galaad bij zijn zoeken naar de Graal; en +in het Duitse gedicht „De jonge Titurel” worden de Graal-tempel en de +Graal-dienst tot een mysties symboliese idealisering van het nieuwe +Gotiese kerkgebouw en de kristelike godsdienst. Handige geesteliken +beginnen over het algemeen de wereldlikheid tot de Ere Gods te wenden, +door de ridderromans en de minneliederen of de „<span xml:lang="la">ars amandi</span>” te +„moraliseren” en te „spiritualiseren” en ze tot geestelike allegorieën +te maken; er worden „geestelike toernooien” en ridderromans geschreven +over de reis naar de Hel en het Paradijs. Menig ridderlik dichter kreeg +zelf scrupules: zowel <span xml:lang="fr">Chrestien de Troyes</span> als <span xml:lang="de">Hartmann von Aue</span> schreven +legenden als boetedoening voor hun ridderromans en meer dan een +minnezanger eindigde op een kruistocht of in het klooster. In het +gedicht van <span xml:lang="de">Konrath von Würzburg</span>, „'s Werelds loon”, krijgt een +ridderlik minnezanger bezoek van „<span xml:lang="de">Frau Welt</span>” die hij steeds gediend +heeft, haar schoonheid en beminnelikheid betoveren hem volkomen, maar +als zij zich omkeert, ziet hij hoe haar rug geheel opgegeten is door +vergiftige slangen, en vol walging maakt hij zich nu van haar af en +neemt het kruis.</p> + +<p>Nog werkzamer middelen dan allegorieën en waarschuwingen werden tegen de +verwilderde kinderen der wereld gebruikt. De 13<sup>de</sup> eeuw is die van +Innocentius III en Lodewijk de Heilige, van de orden der bedelmonniken +<span class="pagenum" title="335"></span><a id="p_335"></a>en van de Inquisitie; de 14<sup>de</sup> eeuw is die der mystiek, van de zwarte +dood, en van de geselbroeders en noch in de ogen van Lodewijk de +Heilige, noch in die van Bonaventura, zou de roman van Lancelot genade +kunnen vinden die Paolo en Francesca tot „de zoete zonde” verleidde. +Vooral was het de schone jolige ridderkultuur van geheel Zuid-Frankrijk +die vertrapt werd, toen het kruisleger van <span xml:lang="fr">Simon de Montfort</span> als een +gesel Gods zich over de ketterse steden en het land der troubadourhoven +stortte. „Ik was gewoon aan zang en vrolikheid, aan ridderlikheid en +vriendelikheid, klaagt de troubadour,—de wereld was vrolik en de +vrouwen mooi en lief en een ieder legde zich slechts toe op wat edel was +en schoon. Maar nu is alles veranderd, ik word gelaakt en veroordeeld +voor alles waar ik vroeger voor geprezen werd en nu zegt men dat gulden +stoffen niet voor vrouwen passen en dat men de genade Gods vinden zal +door witte pijen en zwarte kleêren.” Zeer plotseling verstomde de rijke +fijne zangkunst of moest zich voor moraliserende leerdichten laten +gebruiken, slechts een paar troubadours waren er voor te vinden om de +liefdelyriek te gebruiken voor de verkondiging van een +platonies-kristelike, mysties-spiritualistiese godsdienst der +liefde,—zoals die zich later verder ontwikkelde uit de Italiaanse +<ins class="corr" id="corr51" title="Bron: renaisssance">renaissance</ins>-lyriek, in Dantes +„<a href="https://www.gutenberg.org/files/28029/28029-h/28029-h.htm" title="Dit boek is via https://www.gutenberg.org als e-boek #28029 beschikbaar." xml:lang="la">Vita nuova</a>” en +Petrarca's „<span xml:lang="fr">Canzoniere</span>”.</p> + +<p>Intussen kwam de kerk zelf ook met een literatuur voor den dag die het +publiek interesseerde. Van de ridderromans wendde men zich tot de +„<span xml:lang="la">Legenda Aurea</span>”, Bonaventura's „Beschouwingen”, <span xml:lang="fr">Jacques de Vitry</span>'s +verzameling van stichtelike „exempelen” en door de boetpredikanten die +uit het volk voorkwamen en vóor het volk spraken, zowel als door de +grote mysteries werd het kermispubliek toch meer en meer van de +speellieden en de „<span xml:lang="fr">conteors</span>” afgetrokken.</p> + +<p>Maar tegelijkertijd kreeg de ridderromantiek het hard te verantwoorden +op de Universiteit,—door de geleerdheid en de scholastiek. Een +geografiese en natuurwetenschappelike literatuur in de volkstaal zou +weldra de ridderromans geheel overtreffen door haar verhalen over alle +merkwaardige landen en volkeren, van alle wonderbare planten en dieren +en mirakuleuze stenen. De romantiese fantasiehonger had zich +langzamerhand ontwikkeld tot een werkelike dorst naar wetenschap en tot +een ontwakende drang naar onderzoek, en allerlei soort <span xml:lang="fr">„Mappemondes”, +„Miroirs du monde”</span>, bestiarieën en lapidarieën of de reisbeschrijvingen +van een Marco Polo en Mandeville trokken weldra de belangstelling +<span class="pagenum" title="336"></span><a id="p_336"></a>sterker tot zich dan de merkwaardigheden van de Alexanderromans of de +Parzivalgedichten. Op dezelfde manier leidden de ridderromans tot een +historiese literatuur die meer en meer de belangstelling van die romans +af, en tot zich trok. Reeds de schrijver van „de roman van Troje” begon +op zijn ouden dag een kroniek der Normandiese Hertogen te schrijven, en +gebruikte de kleuren der ridderromantiek om te beschrijven hoe hertog +Richard tot ridder geslagen werd of de liefdegeschiedenis te vertellen +van Robert van Normandië en het schone burgermeisje dat hij aan de was +had zien staan. In <span xml:lang="fr">Villehardouin</span>, in de werken van de Minstreel uit +Rheims, en later in de kronieken van <span xml:lang="fr">Froissart</span> ontwikkelt zich een +ridderlik romantiese kunst om de geschiedenis te schrijven, met +schitterende beschrijvingen van de feesten der Bourgondiese hertogen en +het hofleven der Engelse Plantagenets of van de heldenfeiten en de +Oosterse lust naar avonturen op de kruistocht naar Konstantinopel. De +overgang van roman naar historie komt duidelik aan den dag in een werk +als de „Roman de Hem” van een Sarrasijn in de 13<sup>de</sup> eeuw. Feitelik is +dit niet anders dan een uitvoerige beschrijving van een toernooi, dat de +dichter bijgewoond heeft, hij beschrijft alle deelnemers onder hun +werkelike namen, ofschoon in een gril zijner fantasie een paar +Arthurridders er bij gehaald worden. In zijn inleiding prijst de +schrijver ook bizonder die dame op wier bevel het gedicht geschreven +werd, omdat zij niet is gelijk die dames die zich allerlei leugens „bij +elkaar laten lappen die de geest alleen maar bederven”, maar die zulke +„<span xml:lang="fr">romans d'aventure</span>” als „<span xml:lang="fr">Cligès</span>” en „Parcival” versmaden.</p> + +<p>Maar het was toch vooral de didaktiek en de scholastiek die van de +Universiteit komende, de ridderromantiek zouden verstikken. Er was, +zoals wij al gezien hebben, reeds vroeg een scholasties element in de +minnepoëzie der troubadours gekomen en in zelfstandige leerdichten zowel +als overal in de ridderromans waren er stukken te vinden waar men een +lesje in de ridderlikheid en de hoofsheid kon krijgen. Meer en meer +verdroogt nu echter dat frisse gevoel in de lyriek en verdwijnt de +levende fantasie uit de romans en in plaats daarvan komen morele +allegorieën en een spitsvondige dialektiek in die lyriek, in de romans +en nog meer in de zelfstandige leerdichten. Reeds in de jongste +klassiciteit floreerden erotiese en morele allegorieën—het slot van +Venus en de rechtbank van Venus, vrouw Philosophia die Boethius in zijn +gevangenis komt troosten, of de bruiloft van<span class="pagenum" title="337"></span><a id="p_337"></a> Philologia en Mercurius +bij <span xml:lang="la">Martianus Capella</span>—en meer en meer ziet men die allegorieën in de +theologie der middeleeuwen verschijnen, en daaruit dringt nu de zin om +eigenschappen te personifieren en abstrakte begrippen af te beelden in +de wereldlike ridderpoëzie door, in Noord- en Zuid-Frankrijk zo ook als +in Duitschland. De Godin der Liefde zit in haar paleis omgeven door +Vreugde, Schaamte, Hoop enz. en houdt een leerrijke voordracht voor hen. +De dichter ontmoet op zijn wandeling allerlei allegoriese personen en +heeft leerrijke gesprekken met hen. Of wel wordt de belegering van „de +Burcht der Liefde” in alle stadia geschilderd. Het is vooral in +Noord-Frankrijk—Parijs was immers de hoofdzetel van de Scholastiek—dat +wij de moraal der ridderlikheid aanschouwelijk zagen maken door de +allegorie, of het wezen der liefde in zijn bestanddeelen zagen oplossen +die alle allegories gekleed waren. En wij zagen ook hoe in het leerboek +over de „gepaste” liefde „De <span xml:lang="la">arte honeste amandi</span>” van de Kapellaan +Andreas, de regels van de ridderlikheid en de ridderliefde +gesistematiseerd waren, als wetten werden geformuleerd en subtiel in +scholasties-juridiese geest vertolkt; in een gedicht als „het Dierenboek +der Liefde” van <span xml:lang="fr">Richard de Fournival</span>, maakt de minnaar van alle +berichten uit de bestiaria over merkwaardige dieren gebruik om +allegories de merkwaardige eigenschappen van de liefde en de aangebedene +te beschrijven en zij antwoordt door nog weer andere morele vertolkingen +van die dierenverhalen te citeren!</p> + +<p>Maar de beroemdste en fijnste, meest poëtiese scholastisering van de +ridderromantiek is toch de „<span xml:lang="fr">Roman de la Rose</span>” die een jonge geestelik +opgevoede edelman uit Orleans omstreeks het jaar 1240 geschreven had. +Daarin lezen we, hoe de dichter—in zijn droom—vrolik en met liefde in +het hart, de stad uitwandelt om van het gezang der vogelen en het +voorjaar te genieten, en bij een tuin komt die door een hoge muur +omgeven is zodat men er niet in kan komen. Buiten op de muur zijn de +ondeugden afgebeeld die er buiten moeten blijven: haat en laagheid, +gierigheid en afgunst, droefenis en ouderdom; want dit is het rijk van +de ridderlik-hoofse liefde, dat slechts open staat voor de edel +geborenen, rijken, welopgevoeden en jongen. „<span xml:lang="fr">Dame Oiseuse</span>” is de +portierster, d. w. z. dat alleen een leven in lediggang als dat van de +hogere klassen daar toegang verschaft. Zij vraagt de dichter vriendelik +de tuin in ogenschouw te willen nemen; het is haar zuster „<span xml:lang="fr">Déduit</span>” die +hem heeft aangelegd. In de tuin gekomen, vindt hij zich weldra omringd +door een uitgelezen gezelschap van<span class="pagenum" title="338"></span><a id="p_338"></a> spelende en dansende Dames en Heren, +„Juffrouw Beleefdheid”, „Rijkdom”, die zijn vriendin „Vrolikheid” bij de +hand geleidt, „Vrijgevigheid”, die als een ridder van Arthur's +Tafelronde gekleed is, „Jeugd”, een lief klein meisje van 12 jaar dat +argeloos-onschuldig haar minnaar voor aller ogen kust, en eindelik +„Amor” zelf, een jong ridder in een kleed met bloemen, die door zijn +page „Zoete Blik” begeleid is en met „Vrouwe Schoonheid” danst, die +prachtig is als de maneschijn, onstoffelik als de dauw, eerbaar als een +bruid en wit als een lelie. Terwijl de dichter een roos achter een heg +staat te bewonderen, schiet Amor een pijl op hem af die hem in zijn hart +wondt, en knielend moet de dichter nu de Liefdegod als zijn leenheer +huldigen. Om volkomen zeker te zijn, zet die bovendien nog een slot op +zijn hart en steekt de sleutel in zijn zak, waarop hij zijn vazal een +reeks voorschriften geeft, hoe hij zich bij de liefde gedragen +moet,—vele er van kinderachtig, maar enkele toch ook fijn en schoon—, +en om hem te troosten krijgt hij „Zoete Gedachte”, „Zoete Woorden” en +„Zoete Blik” bij zich. Gewond sleept de dichter zich nu naar de roos en +vergeet zijn wonde door daar op te blijven zitten staren en er de geur +van op te snuiven; een vriendelike man (<span xml:lang="fr">Bel-accueil</span>) biedt aan hem te +helpen als hij beloven kan de roos niet te plukken maar alleen zich met +de aanblik en de geur er van tevreden te stellen, maar hij kan aan de +verleiding geen weerstand bieden en wil over de heg springen,—als de +„bewaker” (<span xml:lang="fr">Dangier</span>) te voorschijn komt en hem overvalt, met behulp van +„Kwade tongen”, „Schrik” en „Schuchterheid”... Een hele +liefde-geschiedenis, zoals men ziet, en een soort psychologie der +verliefdheid in een allegorie ingekleed; de fijnste essens der +riddererotiek, die zonder de geur te verliezen in de verschillende +samenstellende delen ontleed is en op flessen gezet.</p> + +<p>Maar midden in zijn verhaal was de dichter er uitgescheden, en een +mensenleeftijd later of iets meer, was er een welvarende, geleerde +burger van Parijs, <span xml:lang="fr">Jean de Meung</span>, die het handschrift in zijn bezit +kreeg en het voortzette. En met hem kwam er een hele nieuwe geest in het +werk, die van een grof verstands-realisme, dat de sierlike rozentuin +lelik zou maken. Want terwijl de minnaar staat te jammeren, komt „Het +Verstand” hem eens de les lezen. Liefde komt slechts uit een „<span xml:lang="fr">passion +desordonnée</span>” voort en is een soort krankzinnigheid die de man uit +natuurdrift overvalt, terwille van de voortplanting. En als zulk een +natuurdrift moet die gehoorzaamd worden, maar als het niet wegens die +blinde passie was, zou het verstand werkelik geen plezier vinden in die +onbekookte<span class="pagenum" title="339"></span><a id="p_339"></a> praatjesmaaksters die men vrouwen noemt en die de poëten nog +verheerliken!,—het is alleen maar hun opschik die ons zand in de ogen +strooit, en al de sentimentaliteit waarmede de liefde zich omgeeft, +betekent eigelik niets! Als priester der natuur treedt ook „Genius” op +en verkondigt zijn: „Vermenigvuldigt u”. Alle vrouwen zijn voor alle +mannen en het is al te dwaas te geloven dat <span xml:lang="fr">Robicon</span> voor <span xml:lang="fr">Mariote</span> +geschapen is of <span xml:lang="fr">Mariote</span> voor <span xml:lang="fr">Robicon</span>. Meer en meer brengen de lange +gesprekken die de dichter heeft met „Verstand”, met de „Vriend” en +„Valse Schijn”, hem uit de atmosfeer van de rozentuin weg, maar op alle +gebied is het romantiek en sentimentaliteit en de gekunsteldheid in de +overspanning der hele ridderkultuur die aangegrepen wordt—alles in naam +van kultuur en verstand, van utiliteit en verlichting en van een +demokratiese burgerlikheid. „Laten wij nu toch eens even verstandig +trachten te zijn!” daar komt het alles op neer. Geen adel en geen +rijkdom,—de mensen zijn van nature gelijk; geen weelde in eten en +klederdracht, geen preutsheid en geen affectatie, geen bederven van de +natuur door opvoeding en konventie, niet al dat blanketten en maskeren +van de naaktheid van het geslachtsleven, niet al die hoogdravendheid en +gekheid van het ridderwezen,—laten wij natuurlik zijn en waar, en de +werkelikheid onder de ogen zien.</p> + +<p>En onder talrijke vormen laat de burgerlike geest in de zich +ontwikkelende steden een dergelijke taal tegenover de ridderromantiek +horen. Zeker, de burgers proberen de ridderromantiek zo wel als de +ridderlyriek tot de hunne te maken en die bewust of onbewust te +verburgerliken. De werklieden vormen een zangersgilde te Toulouse, te +Gent en te Neurenberg en maken zo een handwerk op rijm van de +minneliederen der troubadours met moraliserende, spitsburgerlike inhoud. +En de ridderromans werden omgewerkt tot lompe, kinderachtige +volksboeken, tot vermaak van het volk. Maar tegelijkertijd wordt de +poëzie der ridders en hun romantiek voortdurend geparodieerd evenals de +ridderadel met hoon en toorn aangevallen wordt. Van de latere +riddergedichten waren er al vele die in zelf-ironie gespot hadden over +de afstand tussen het hooggespannen ridderlike idealisme en de steeds +meer en meer armer wordende werkelikheid in de ridderwereld. En in +Chaucers nobele <span xml:lang="en">Sir Thopas</span> of in de kleine <span xml:lang="fr">Jean de Saintré</span> in de Franse +roman van de 15<sup>de</sup> eeuw worden de ronddolende ridders geparodieerd en +gehoond, presies als later in de ridderepopeën der Italiaanse +Renaissance-dichters. In Duitse gedichten willen ridders meê doen<span class="pagenum" title="340"></span><a id="p_340"></a> aan +de dans met boerendochters, maar ze worden met spot de deur gewezen door +de landelike schoonheden als zij ze het hof willen maken, en lopen een +pak slaag op van de boerenjongens. Alle aanstellerij in de minnepoëzie +der troubadours kan men in de gedichten der Florentijnse burgers +geparodieerd vinden. En hoe meer de adel zelf ekonomies, moreel en +militair in verval kwam, des te meer lachen de burgers ze uit. Het +eclatante fiasco van de Franse adel in de honderdjarige oorlog doet een +stroom van spot op hun hoofden nederdalen,—hoe de Duitse ridders in het +laatste deel der Middeleeuwen eigelik tot gemene struikrovers gezonken +waren, vindt men reeds midden in de 13<sup>de</sup> eeuw getekend in een +allerliefste kleine novelle „<span xml:lang="de">Meier Helmbrecht</span>” waar het eerlike werkzame +leven van de boer in een heldere tegenstelling geplaatst is tot het +vervallen ridderwezen, waar de ridders rijp zijn voor de dood van een +struikrover aan de galg.</p> + +<p>En dit verval van de adel, ekonomies, militair, politiek en moreel, +brengt ook van zelf dat van de ridderromantiek mede. Wel is waar schoot +die eerst nog veel meer en meer eksentriese loten. Zo overtrof b.v. de +Duitse ridder Ulrich von Lichtenstein alle vroegere minnedichters in +dwaasheid, toen hij een lid van zijn vinger afhakte en dat zijn +aangebedene zond, of als „Vrouw Venus” verkleed, geheel Duitsland +doortrok en bij alle toernooien ter ere van zijn dame streed—gelijk hij +dit alles zelf in zijn autobiografiese roman „Vrouwendienst” verhaald +heeft. De eindeloze Franse roman „<span xml:lang="fr">Perceforest</span>” uit de 14<sup>de</sup> eeuw en de +Spaans-Portugese Amadis romans uit de 15<sup>de</sup> eeuw gaven nog eens en wel +in de meest paradoxale ten spits gedreven vorm alle idealen van de +ridderromantiek bij elkaar en alle lievelingsmotieven uit de +ridderromans. Aan het Bourgondiese hertogelike hof trachtte men evenzo +in de 15<sup>de</sup> eeuw de ridderlike glansperiode van de Tafelronde te doen +herleven door prachtige toernooien, kunstmatige hoflyriek en ridderlike +„<span xml:lang="fr">voeux du faisan</span>” over de kruistochten tegen de Turken. En +toch,—evenals het niet de ridderlike politiek der Bourgondiese hertogen +was die de zegepraal zou behalen, maar de zeer burgerlike politiek van +Lodewijk XI, zo waren het niet de laatste verwaterde ridderromans en +minnedichten in de stijl der troubadours, maar de burgerlike realistiese +farce of novelle of Villon's burgerlik-realistiese lyriek waaruit de +levende ziel van de 15<sup>de</sup> eeuw sprak. Terwijl de ridderromantiek zich +over de andere landen van Europa uitbreidde en nog in de 15<sup>de</sup> eeuw +nieuwe zelfstandige loten schoot, in de Scandinaviese ridderballaden, in +Spaanse<span class="pagenum" title="341"></span><a id="p_341"></a> romances van de Cid, in de Engelse Arturroman van Malory, +allerlei spruiten van de ridderromantiek die wij hier niet verder kunnen +vervolgen,—waren hun sappen uitgedroogd in de landen zelf waar zij +thuis hoort, de leidende landen wat de kultuur der middeleeuwen betreft: +Frankrijk en Duitsland.</p> + +<p>Zo nauw was de Ridderromantiek aan een bepaald maatschappelik en +geestelik leven der middeleeuwen verbonden, dat die in haar +oorspronkelike vormen met de middeleeuwen ten grave <i>moest</i> dalen. Maar +in die romantiek, en verborgen onder wat daarvan aan plaats en tijd +gebonden was, lagen algemene dichterlike kultuurwaarden die altijd tot +het levende eigendom der mensheid zouden blijven behoren. Meer en meer +is men toch ook van de opvatting teruggekomen dat de renaissance een +volkomen breken met de Middeleeuwen zou betekenen. Evenals het +middeleeuwse kristendom en de stedelike kultuur, maakt ook de ridderlike +vorming een deel van de moderne kultuur uit. Indien men de inslag van de +ridderlikheid door de schering van het maatschappelike geestesleven van +een latere tijd of die van de ridderromantiek in haar latere literaire +ontwikkeling heen wilde nagaan, zou dit betekenen dat een aanzienlik +deel van de geschiedenis der moderne kultuur geschreven was. Het +ridderlike krijgsmansideaal en het ridderlike begrip van eer zijn niet +alleen nu nog springlevend in de militaire stand, maar maakt een vrij +essentieel deel uit van onze burgerlike mannelike moraal en de +middeleeuwse begrippen „<span xml:lang="fr">Chevalier</span>” en „<span xml:lang="fr">gentilhomme</span>” met de bijsmaak van +eer en hoofsheid die deze woorden hebben, zijn langzamerhand tot het +„<span xml:lang="fr">cavalier</span>” en „<span xml:lang="en">gentleman</span>” van onze tijd geworden. En zo zijn, van een +zuiver literair standpunt uit, de ridders van Ariosto, Tasso en Spenser, +die de wereld rondtrekken en ter ere van hun Angelica, Armida of +Gloriana strijden, de direkte afstammelingen van de ridders van +<span xml:lang="fr">Chrestien</span> en Wolfram, maar ook de galante Alexander de Grote van <span xml:lang="fr">Mlle de +Scudéry</span>, de Cid van Corneille, ja zelfs Hernani van Victor Hugo en Don +Carlos van <span xml:lang="de">Schiller</span> hebben nog het bloed in hun aderen van Arthur's +ridders van de Tafelronde. En verder: de Provençaalse en Franse „Hoven +van Liefde” waar de dames presideerden, werden voortgezet in de hoven +van Margareta van Navarre en de Italiaanse literaire vorstinnen, zowel +als in de Franse salons der 17<sup>de</sup> en 18<sup>de</sup> eeuw en de minneliederen +der troubadours weerklinken in het Italiaanse sosiale leven als +sonnetten van Petrarca, evenzeer als de spiritueel-sentimentele liederen +van <span xml:lang="fr">Charles d'Orléans</span> bij het hof van <span xml:lang="fr">Blois,</span> en<span class="pagenum" title="342"></span><a id="p_342"></a> de liefdelyriek van +<span xml:lang="en">Sidney</span> en <span xml:lang="en">Spenser</span> aan het hof van <span xml:lang="en">Elisabeth</span>. Ja, zelfs de minneliederen +van de Musset en <span xml:lang="fr">Lamartine</span>, van Klopstock en van <span xml:lang="de">Heine</span> hebben nog veel +in zich dat aan de „Liefdekunst” der troubadours herinnert. En +tenslotte: de middeleeuwse liefderoman—met zijn sentimentaliteit, zijn +romaneske intrigue-fantasie en zijn belangstelling om de grillige +roeringen van het hart na te sporen—brengt ons tot Boccacio en Ariosto, +Chaucer en Shakespeare, Margareta van Navarre en Racine en daaruit +vinden wij die met zijn motieven en gehele toonscala in talrijke moderne +romans, novellen en drama's terug. De episode van Troïlus en Briseïs in +de roman van Troje werd als voorbeeld van de grillen van de liefde en +het vrouwenhart eerst en veel dieper gebruikt door Boccacio en Chaucer, +en later door Shakespeare; bij diezelfde drie grote dichters der +renaissance werden de onschuldig lijdende en zich liefderijk opofferende +vrouwen heerlik gepoëtiseerd in figuren als Griseldis of Imogen. De +meest sentimentele van Boccacio's novellen en de meest romantiese van +Shakespeare's blijspelen zijn op de Middeleeuwse intrigen gebouwd, maar +met roerender toon en dieper zielestudie,—van Floris en <span xml:lang="fr">Blanchefleur</span>, +Appollonius van Tyrus, <span xml:lang="de">Die Herzmäre</span> en de roman van Lancelot. Ariosto's +van liefde razende Roeland en de heldin Bradamante in panser en +kuras,—Chaucer's „<span xml:lang="en">Fair Emily</span>” op een schone Meimorgen, en <span xml:lang="en">Spencer's +Britomartis</span> die de wereld doortrekt om een ontvoerde geliefde te zoeken +wier beeld zij in een spiegel gezien heeft,—Tasso's kokette en +ijverzuchtige Armida... aan al dergelijke figuren kunnen wij zien hoe ze +direkt uit middeleeuwse ridderromans stammen en op hun beurt weer leiden +tot <span xml:lang="fr">Racine</span>'s despotiese en jaloerse prinsessen, tot de desperate +minnaars der romantiek en <span xml:lang="en">Tennyson's „fair Elaine</span>”.</p> + +<p>Het moderne geestesleven zou nog verder ten achter gestaan hebben in +morele verfijning en maatschappelike vormen, de moderne poëzie zou heel +wat armer geweest zijn aan sentimentaliteit en een eigenaardig soort +romanfantasie, indien het adelike hofleven der 12<sup>de</sup> en 13<sup>de</sup> eeuw +niet geleefd was en de gedichten der troubadours en de ridderromans +nooit geschreven waren. Soms lijkt het zelfs wel eens alsof al onze hang +naar het populaire en natuurlike en over het algemeen onze tijd van +„feiten” en „een gezonde brutaliteit” nog heel wat zou kunnen leren van +adel en ridderlikheid, fijne hoofsheid en zelfopofferende innigheid, van +die oude verhalen van Eer en Liefde ten spijt van alle gezond verstand +en langer dan het leven.</p> + +<p><span class="pagenum" title="343"></span><a id="p_343"></a></p> + +<div class="inhoud"> + +<h2 class="h2inh"><a id="INHOUD"></a>INHOUD.</h2> + +<table class="toc" summary="inhoudsopgave"> + <tbody> + <tr><td class="tdr"></td><td></td><td class="tdr size80">Bladz.</td></tr> + <tr><td class="tdr"></td><td class="tdl">Inleiding</td><td class="tdr"><a href="#p_v"><span class="smcap">V</span></a></td></tr> + <tr><td class="tdc size80">Hoofdstuk</td><td></td><td></td></tr> + <tr><td class="tdr"><a href="#I">I.</a></td><td class="tdl">Van Baron-burcht tot Ridderhof</td><td class="tdr"><a href="#p_1">1</a></td></tr> + <tr><td class="tdr"><a href="#II">II.</a></td><td class="tdl">Kristelike Gevoelskultuur</td><td class="tdr"><a href="#p_9">9</a></td></tr> + <tr><td class="tdr"><a href="#III">III.</a></td><td class="tdl">Wereldlike Kultuur</td><td class="tdr"><a href="#p_21">21</a></td></tr> + <tr><td class="tdr"><a href="#IV">IV.</a></td><td class="tdl">Hofkultuur</td><td class="tdr"><a href="#p_32">32</a></td></tr> + <tr><td class="tdr"><a href="#V">V.</a></td><td class="tdl">„Salon-Poëzie” der Ridderkringen</td><td class="tdr"><a href="#p_44">44</a></td></tr> + <tr><td class="tdr"><a href="#VI">VI.</a></td><td class="tdl">Zuid-Frankrijk</td><td class="tdr"><a href="#p_58">58</a></td></tr> + <tr><td class="tdr"><a href="#VII">VII.</a></td><td class="tdl">De Kunst der Troubadours</td><td class="tdr"><a href="#p_69">69</a></td></tr> + <tr><td class="tdr"><a href="#VIII">VIII.</a></td><td class="tdl">Minnekunst</td><td class="tdr"><a href="#p_93">93</a></td></tr> + <tr><td class="tdr"><a href="#IX">IX.</a></td><td class="tdl">Geestelike Romans</td><td class="tdr"><a href="#p_110">110</a></td></tr> + <tr><td class="tdr"><a href="#X">X.</a></td><td class="tdl">De Romantiek der Kruistochten</td><td class="tdr"><a href="#p_121">121</a></td></tr> + <tr><td class="tdr"><a href="#XI">XI.</a></td><td class="tdl">De Alexander-Romans</td><td class="tdr"><a href="#p_132">132</a></td></tr> + <tr><td class="tdr"><a href="#XII">XII.</a></td><td class="tdl">Romanties-Klassieke Literatuur</td><td class="tdr"><a href="#p_143">143</a></td></tr> + <tr><td class="tdr"><a href="#XIII">XIII.</a></td><td class="tdl">Grieks-Oosterse Vertelkunst</td><td class="tdr"><a href="#p_171">171</a></td></tr> + <tr><td class="tdr"><a href="#XIV">XIV.</a></td><td class="tdl" xml:lang="fr">Matière de Bretagne</td><td class="tdr"><a href="#p_196">196</a></td></tr> + <tr><td class="tdr"><a href="#XV">XV.</a></td><td class="tdl" xml:lang="fr">Marie de France</td><td class="tdr"><a href="#p_208">208</a></td></tr> + <tr><td class="tdr"><a href="#XVI">XVI.</a></td><td class="tdl">Tristan en Isolde</td><td class="tdr"><a href="#p_220">220</a></td></tr> + <tr><td class="tdr"><a href="#XVII">XVII.</a></td><td class="tdl">Franse Ridderlikheid</td><td class="tdr"><a href="#p_239">239</a></td></tr> + <tr><td class="tdr"><a href="#XVIII">XVIII.</a></td><td class="tdl">Bretonse Romans</td><td class="tdr"><a href="#p_248">248</a></td></tr> + <tr><td class="tdr"><a href="#XIX">XIX.</a></td><td class="tdl">Duitse Ridderromantiek</td><td class="tdr"><a href="#p_285">285</a></td></tr> + <tr><td class="tdr"><a href="#XX">XX.</a></td><td class="tdl">Ideaal Humanisme</td><td class="tdr"><a href="#p_314">314</a></td></tr> + <tr><td class="tdr"><a href="#XXI">XXI.</a></td><td class="tdl">Het Einde der Ridderromantiek</td><td class="tdr"><a href="#p_334">334</a></td></tr> + </tbody> +</table> + +</div> + +<div class="TNbox"> +<a id="correctie"></a> + +<h1>Overzicht aangebrachte correcties</h1> + +<p>De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:</p> + +<table summary="correcties in tekst"> + <thead> + <tr><th>Plaats</th><th>Bron</th><th>Correctie</th></tr> + </thead> + <tbody> + <tr><td class="td2"><a href="#corr1">Blz. 2</a></td><td class="td4">er er</td><td class="td4">er</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr2">Blz. 12</a></td><td class="td4">grote</td><td class="td4">Grote</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr3">Blz. 14</a></td><td class="td4">hospi-pitalen</td><td class="td4">hospitalen</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr4">Blz. 14</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">„</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr5">Blz. 18</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">„</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr6">Blz. 21</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr7">Blz. 33</a></td><td class="td4">vau</td><td class="td4">van</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr8">Blz. 40</a></td><td class="td4">al</td><td class="td4">als</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr9">Blz. 42</a></td><td class="td4">ontiwkkeling</td><td class="td4">ontwikkeling</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr10">Blz. 44</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">„</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr11">Blz. 49</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">„</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr12">Blz. 49</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">„</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr13">Blz. 49</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr14">Blz. 54</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr15">Blz. 56</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr16">Blz. 73</a></td><td class="td4">word</td><td class="td4">wordt</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr17">Blz. 78</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”e</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr18">Blz. 79</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">„</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr19">Blz. 105</a></td><td class="td4">licht</td><td class="td4">ligt</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr20">Blz. 111</a></td><td class="td4">„</td><td class="td4">[<i>Verwijderd.</i>]</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr21">Blz. 115</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">„</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr22">Blz. 119</a></td><td class="td4">„</td><td class="td4">[<i>Verwijderd.</i>]</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr23">Blz. 124</a></td><td class="td4">griffoenen</td><td class="td4">griffioenen</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr24">Blz. 132</a></td><td class="td4">drink</td><td class="td4">drinkt</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr25">Blz. 136</a></td><td class="td4">scéne</td><td class="td4">scène</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr26">Blz. 173</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">„</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr27">Blz. 191</a></td><td class="td4">vind</td><td class="td4">vindt</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr28">Blz. 206</a></td><td class="td4">Oostere</td><td class="td4">Oosterse</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr29">Blz. 224</a></td><td class="td4">Golfried</td><td class="td4">Gotfried</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr30">Blz. 225</a></td><td class="td4">mêe</td><td class="td4">meê</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr31">Blz. 226</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">„</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr32">Blz. 240</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr33">Blz. 243</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr34">Blz. 247</a></td><td class="td4">klêeren</td><td class="td4">kleêren</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr35">Blz. 248</a></td><td class="td4">daarmêe</td><td class="td4">daarmeê</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr36">Blz. 248</a></td><td class="td4">geimporteerd</td><td class="td4">geïmporteerd</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr37">Blz. 255</a></td><td class="td4">ergers</td><td class="td4">ergens</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr38">Blz. 265</a></td><td class="td4">”</td><td class="td4">[<i>Verwijderd.</i>]</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr39">Blz. 278</a></td><td class="td4">hooftrekken</td><td class="td4">hoofdtrekken</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr40">Blz. 281</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr41">Blz. 288</a></td><td class="td4">amtenaren</td><td class="td4">ambtenaren</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr42">Blz. 289</a></td><td class="td4">zoeven</td><td class="td4">zoëven</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr43">Blz. 309</a></td><td class="td4">”</td><td class="td4">[<i>Verwijderd.</i>]</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr44">Blz. 309</a></td><td class="td4">uftgeroepen</td><td class="td4">uitgeroepen</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr45">Blz. 318</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr46">Blz. 318</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">„</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr47">Blz. 319</a></td><td class="td4"> </td><td class="td4">—</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr48">Blz. 321</a></td><td class="td4">.</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr49">Blz. 326</a></td><td class="td4">”</td><td class="td4">[<i>Verwijderd.</i>]</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr50">Blz. 330</a></td><td class="td4">morale</td><td class="td4">morele</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr51">Blz. 335</a></td><td class="td4">renaisssance</td><td class="td4">renaissance</td></tr> + </tbody> +</table> +</div> + + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of De Ridderromantiek der Franse en +Duitse Middeleeuwen, by Valdemar Vedel + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE RIDDERROMANTIEK DER FRANSE *** + +***** This file should be named 33332-h.htm or 33332-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/3/3/3/3/33332/ + +Produced by Frank van Drogen and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + +</body> +</html> + diff --git a/33332-h/images/cover.jpg b/33332-h/images/cover.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..e4eb97c --- /dev/null +++ b/33332-h/images/cover.jpg diff --git a/33332-h/images/spine.jpg b/33332-h/images/spine.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..0a74c12 --- /dev/null +++ b/33332-h/images/spine.jpg diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..93afabb --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #33332 (https://www.gutenberg.org/ebooks/33332) |
