summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 02:33:55 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 02:33:55 -0700
commit7f3d60a5afe08411cf5a9e49eaa02f37499cb1ec (patch)
tree7b20c6265434af5a3d0da096cab788117e149631
initial commit of ebook 27124HEADmain
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--27124-8.txt23084
-rw-r--r--27124-8.zipbin0 -> 422136 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
5 files changed, 23100 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/27124-8.txt b/27124-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..c112401
--- /dev/null
+++ b/27124-8.txt
@@ -0,0 +1,23084 @@
+The Project Gutenberg EBook of De Negerhut, by Harriet Beecher Stowe
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: De Negerhut
+
+Author: Harriet Beecher Stowe
+
+Translator: C. M. Mensing
+
+Release Date: November 2, 2008 [EBook #27124]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE NEGERHUT ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+ De
+
+ Cohen-Editie
+
+ Van de
+
+ Beste Binnen- en Buitenlandsche Boeken
+
+ Uitgave van
+ Gebroeders E. & M. Cohen, Amsterdam
+ 1918
+
+
+
+
+
+
+ De Negerhut
+
+ (Uncle Tom's Cabin)
+
+ Een verhaal uit het slavenleven in Noord-Amerika
+
+ Door
+
+ Harriet Beecher Stowe
+
+ Naar den 20sten Amerikaanschen druk uit het
+ Engelsch vertaald
+
+ Door
+
+ C. M. Mensing
+
+ Geïllustreerd door Braakensiek en anderen
+
+
+ Uitgave van
+ Gebroeders E. & M. Cohen, Amsterdam
+ Heerengracht 326
+
+
+
+
+
+
+
+VOORREDE.
+
+
+De tooneelen van dit verhaal verplaatsen den lezer, gelijk de titel
+reeds aanduidt, onder een menschenstam, waarvan de beschaafde
+maatschappij tot nog toe hare aandacht heeft afgewend en liefst
+niets heeft willen weten: een vreemd geslacht, welks voorouders,
+onder de zon der keerkringen geboren, een karakter medebrachten en
+aan hunne afstammelingen ten erfdeel gaven, zoo geheel ongelijk aan
+dat van den harden en heerschenden Anglo-Saksischen stam, dat het
+van dezen vele jaren lang niets anders dan misverstand en verachting
+heeft kunnen verwerven.
+
+Doch wij zien het aanbreken van een anderen en beteren dag;
+letterkunde, poëzie en kunsten brengen in onzen tijd haar invloed
+meer en meer in overeenstemming met den voornamen grondtoon des
+Christendoms: "In de menschen een welbehagen!"
+
+De dichter, de schilder en de schrijver zoeken thans de meer
+gewone betrekkingen des levens en de zachtere aandoeningen van
+het menschelijke hart op, pogen deze schooner en beminnelijker te
+maken, en ademen, onder het lokkende der verdichting, een geest van
+menschelijkheid en verteedering, welke de ontwikkeling der groote
+beginselen van Christelijke broederschap moet bevorderen.
+
+De hand der menschenliefde is overal uitgestrekt, om naar misbruiken
+te zoeken, om verongelijkingen te herstellen, om rampen te lenigen,
+en de geringen, de verdrukten en de vergetenen voor de oogen der
+wereld te plaatsen, en deze tot medelijden te bewegen.
+
+In deze algemeene beweging is men eindelijk gedachtig aan het
+ongelukkige Afrika: Afrika, dat in den schemerachtigen dageraad van
+den ouden tijd het eerst de loopbaan der beschaving intrad, maar dat
+sedert eeuwen geboeid en bloedende voor de voeten der beschaafde en
+Christelijke menschheid gelegen en vruchteloos om haar medelijden
+gesmeekt heeft.
+
+Doch het hart van den heerschenden stam, het hart van hen, die
+de overwinnaars en harde meesters der Afrikaansche menschheid zijn
+geweest, is eindelijk tot barmhartigheid met haar bewogen, en men heeft
+gezien hoeveel edeler het voor volken is de zwakken te beschermen,
+dan hen te onderdrukken. God zij geloofd, de wereld heeft eindelijk
+den slavenhandel overleefd.
+
+Het oogmerk dezer schetsen is, gevoel en medelijden voor het
+Afrikaansche menschengeslacht, gelijk het onder ons Amerikanen leeft,
+te doen ontwaken; het onrecht en de ellende te doen zien, die het lijdt
+onder een stelsel, hetwelk zoo noodzakelijk wreed en onrechtvaardig
+is, dat het de goede gevolgen verijdelt en vernietigt van alles,
+wat onder dat stelsel door de beste vrienden dier ongelukkigen voor
+hen kan beproefd worden.
+
+Dit doende kan de schrijfster oprechtelijk alle vijandelijk gevoel
+verloochenen jegens diegenen die dikwijls zonder eigen schuld in
+de bezwaren en moeilijkheden van de wettelijke aangelegenheden der
+slavernij zijn betrokken.
+
+De ondervinding heeft haar bewezen, dat menschen met het helderste
+hoofd en het edelste hart dikwijls in deze moeielijkheden zijn
+gewikkeld, en niemand weet beter dan zij, dat alles wat men uit
+schetsen gelijk deze van de ellende der slavernij kan leeren kennen,
+nog niet de helft is van hetgeen men zou kunnen verhalen van het
+onbeschrijfelijk geheel.
+
+In de noordelijke staten zullen deze tafereelen misschien overdreven
+genoemd worden; in de zuidelijke staten zijn getuigen, die weten hoe
+getrouw zij zijn. Welke persoonlijke kennis de schrijfster draagt
+van werkelijke voorvallen, gelijk dezulke die hier verhaald zijn,
+zal op zijnen tijd blijken.
+
+Het is een troost, te hopen dat, gelijk de wereld van eeuw tot eeuw
+zooveel smart en onrecht heeft overleefd en achter zich gelaten, er
+zoo een tijd zal komen, wanneer schetsen gelijk deze alleen belangrijk
+zullen zijn als gedenkstukken van iets, dat al lang heeft opgehouden
+te bestaan.
+
+Wanneer een verlichte en echt Christelijke maatschappij op de kusten
+van Afrika zal gevestigd zijn, met eene aan ons ontleende wetgeving,
+taal en letterkunde, mogen dan de tooneelen uit het diensthuis
+voor hare leden wezen gelijk de geheugenissen van Egypte voor den
+Israëliet--eene opwekking tot dankbaarheid aan Hem, die hen verlost
+heeft!
+
+
+
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK
+
+WAARIN DE LEZER EEN MENSCHLIEVEND MAN LEERT KENNEN.
+
+
+Laat in den namiddag van een guren dag in Februari zaten twee heeren
+alleen bij hunnen wijn, in een fraai gemeubileerd eetzaaltje, in de
+stad P***, in Kentucky. Er waren geene bedienden aanwezig, en met
+dicht bij elkander geschoven stoelen schenen de heeren met grooten
+ernst over een belangrijk onderwerp te spreken.
+
+Heeren hebben wij zooeven gezegd. Een van de twee scheen echter,
+als men hem oplettend aanzag, dien naam niet zeer te verdienen. Hij
+was een kort, zwaarlijvig man, met grove, gemeene gelaatstrekken
+en dat voorkomen van opgeblazen aanmatiging, dat een man van weinig
+opvoeding kenmerkt, die zich in de wereld omhoog tracht te werken. Hij
+was buitensporig zwierig gekleed, met een schitterend veelkleurig
+vest, eene blauwe das met schreeuwend gele oogen bezaaid en met een
+winderigen strik opgeknoopt, volkomen in overeenstemming met het
+geheele voorkomen van den persoon. Zijne handen, groot en grof, waren
+met ringen overladen; hij droeg een zwaren gouden horloge-ketting,
+met een tros verbazende cachetten van allerlei kleuren daaraan,
+welke hij gewoon was onder het spreken met blijkbaar welgevallen te
+laten slingeren en rinkelen. Zijne taal was eene zeer vrijpostige
+uittarting van al de regelen der spraakkunst, en hier en daar met
+verschillende profane uitdrukkingen doorzaaid, welke wij zelfs niet
+uit verlangen om ons verhaal levendiger te maken willen overnemen.
+
+De ander, Mr. Shelby, had inderdaad het voorkomen van een heer, een
+_gentleman_, en de geheele inrichting van zijn huis en huishouden
+scheen te doen blijken, dat hij een gegoed, ja zelfs een rijk man
+moest wezen. Gelijk reeds gezegd is, waren deze twee midden in een
+ernstig gesprek.
+
+"Dat is de manier, waarop ik de zaak wilde schikken", zeide Mr. Shelby.
+
+"Op die manier kan ik geen handel doen--stellig niet, Mijnheer
+Shelby!" zeide de ander, en hield te gelijk een glas wijn tusschen
+zijn oog en het licht.
+
+"Wel, ik zal u zeggen, Haley, Tom is een buitengewone kerel; hij is
+die som zeker overal waardig--nuchter, eerlijk en bekwaam, houdt hij
+mijne geheele hoeve in orde, alsof het een uurwerk was."
+
+"Gij meent eerlijk zoover als dat met negers gaat," zeide Haley,
+zich nog een glas brandewijn inschenkende.
+
+"Neen, ik meen waarlijk dat Tom een brave, degelijke, godvreezende
+kerel is. Vier jaren geleden heeft hij bij eene veldpredikatie
+godsdienst geleerd, en ik geloof dat hij dien waarlijk geleerd
+heeft. Ik heb hem sedert alles aanvertrouwd wat ik heb--geld, huis,
+paarden--ik heb hem laten gaan en komen het geheele land door; en ik
+heb hem altijd en in alles trouw en eerlijk bevonden."
+
+"Sommige menschen gelooven niet dat er vrome negers zijn, Shelby,"
+zeide Haley met de hand wuivende, alsof hij eens zeer billijk wilde
+zijn; "maar ik geloof het wel. Ik had een kerel bij den laatsten troep,
+dien ik naar Orleans bracht--het was inderdaad zoo goed als eene preek,
+dien knaap te hooren praten; en hij was ook heel zacht en stil. Hij
+heeft mij eene mooie som opgebracht, want ik had hem goedkoop van
+iemand, die moest uitverkoopen, en zoo verdiende ik zeshonderd aan
+hem. Ja, ik houd godsdienst voor iets heel goeds in een neger, als
+het namelijk echte waar is."
+
+"Nu, Tom heeft de echte waar, als ooit iemand ze had," hervatte
+de ander. "Wel, verleden najaar liet ik hem alleen naar Cincinnati
+gaan, om zaken voor mij te doen en mij vijfhonderd dollars tehuis te
+brengen. "Tom," zeide ik tegen hem, "ik vertrouw u, omdat ik denk
+dat gij een Christen zijt. Ik weet dat gij mij niet zoudt willen
+bedriegen." Tom kwam terug, zeker genoeg--dat wist ik wel. Eenige
+gemeene kerels, heb ik gehoord, vroegen hem: "Tom, waarom zijt ge niet
+naar Canada gedrost?"--"O, meester vertrouwde mij, ik kon niet." Zoo
+heeft men het mij verteld. Het spijt mij Tom te moeten wegdoen, dat
+moet ik zeggen. Gij moest hem voor het geheele restant der schuld
+aannemen; en dat zoudt gij ook, Haley, als gij een geweten hadt."
+
+"Wel, ik heb juist zooveel geweten als iemand, die handel doet, er op
+kan nahouden--zoo'n beetje, weet ge, om bij te zweren als het ware,"
+zeide de handelaar, [1] schertsend, "en ik ben ook gewillig om alles
+in het redelijke te doen, om een vriend te verplichten; maar dit hier,
+ziet ge, is een beetje te veel gevergd--een beetje te veel."
+
+De handelaar slaakte een peinzenden zucht en schoof zijn glas nog
+eens bij.
+
+"Welnu, Haley, hoe wilt gij het dan schikken?" zeide Mr. Shelby na
+eene tusschenpoos van drukkende stilte.
+
+"Wel, hebt ge geen jongen noch meid, dien ge op Tom kondt toegeven?"
+
+"Hm! Geen, dien ik wel missen kan. Om u de waarheid te zeggen, het
+is alleen de harde noodzakelijkheid, die mij over het geheel wil doen
+verkoopen. Ik doe niet gaarne een van mijne lieden weg; zoo is het."
+
+Hier werd de deur geopend en een kleine jongen, een quadron,
+tusschen de vier en vijf jaren oud, kwam de kamer binnen. Hij had
+iets zeer bevalligs en innemends in zijn voorkomen. Zijne zwarte
+haren, zoo fijn als zijde, hingen in glanzige krullen om zijn rond,
+vroolijk gezichtje, terwijl een paar groote donkere oogen, vol vuur
+en zachtheid te gelijk, onder de lange wimpers kwamen uitkijken, toen
+hij nieuwsgierig in het vertrek rondzag. Een rokje van rood en geel
+geruite stof, dat hem zeer netjes paste, deed zijne donkere en welige
+schoonheid nog gunstiger uitkomen; en zeker koddig zelfvertrouwen
+met eenige bedeesdheid vermengd, toonde dat hij niet ongewoon was
+door zijnen meester als een speelpopje behandeld te worden.
+
+"Holla, Jim Crow!" zeide Mr. Shelby, floot eens en wierp een trosje
+rozijnen naar hem toe. "Raap dat eens op."
+
+Het kind liep zoo hard hij kon naar den buit, terwijl zijn meester
+lachte.
+
+"Kom hier, Jim Crow!" zeide hij.
+
+Het kind kwam; de meester streelde zijn krulkopje en tikte hem onder
+de kin.
+
+"Kom aan nu, Jim, laat mijnheer eens zien hoe ge dansen en zingen
+kunt."
+
+Het knaapje begon met eene heldere stem een van die wilde dwaze liedjes
+te zingen, die onder de negers in zwang zijn, en vergezelde zijn gezang
+met vele koddige bewegingen van handen, voeten en het geheele lijf,
+alles juist op de maat zijner muziek.
+
+"Bravo!" zeide Haley, hem een vierdepart van een sinaasappel
+toewerpende.
+
+"Jim, loop nu eens zooals oude Oom Cudjoe, als hij de rheumatiek
+heeft."
+
+Terstond namen de buigzame leden van het knaapje den schijn van
+misvormig aan, en strompelde hij met een krommen rug en zijns meesters
+stok in de hand door de kamer rond, met zijn kindergezichtje in
+pijnlijk knorrige plooien getrokken, en rechts en links spuwende,
+gelijk de oude man deed, dien hij nabootste.
+
+Beide heeren schaterden van lachen.
+
+"Jim," zeide zijn meester weder, "laat ons nu hooren en zien hoe
+ouderling Robbins psalmen zingt."
+
+Het kind rekte zijn rond gezichtje tot eene verbazende lengte uit,
+en begon door zijn neus eene psalmwijs te zingen, alles met den
+grootsten ernst.
+
+"Bravo! Wat een jongen!" zeide Haley. "Dat kereltje is knap, dat beloof
+ik u. Wil ik eens wat zeggen," en daarbij klopte hij Mr. Shelby op
+den schouder; "geef dat kereltje er op toe, en ik houd de zaak voor
+afgedaan--dat doe ik. Kom aan, is dat nu geen spijkers met koppen
+slaan?"
+
+Op dit oogenblik werd de deur zachtjes opengeduwd, en kwam eene jonge
+quadrone, van vijf-en-twintig jaren naar het scheen, de kamer binnen.
+
+Men behoefde slechts even van het kind naar haar te zien, om haar als
+de moeder daarvan te herkennen. Zij had dezelfde donkere groote oogen
+met lange wimpers, hetzelfde golvende zijdeachtige zwarte haar. Het
+bruin harer kleur maakte voor een donkeren blos plaats, toen zij den
+blik van den vreemden man met onverholen bewondering op haar gevestigd
+zag. Hare kleeding paste zeer net en deed hare fraai gevormde gestalte
+voordeelig uitkomen. Een fijne hand en nette voet waren bijzonderheden,
+die het snelle oog des handelaars niet ontsnapten, wel gewoon om met
+een enkelen blik de eigenschappen van vrouwelijke waar op te merken.
+
+"Wel, Eliza!" zeide haar meester, toen zij staan bleef en hem
+aarzelend aanzag.
+
+"Verschooning, Mijnheer, ik zocht naar Harry," en het kind sprong
+naar haar toe en liet haar zijn buit zien, dien hij in een slip van
+zijn rokje had gedaan.
+
+"Neem hem dan maar mede," zeide Mr. Shelby, en zij ging haastig heen
+met het kind op den arm.
+
+"Bij Jupiter, dat is goede waar!" zeide de handelaar, den ander
+met opgetogenheid aanziende. "Aan die meid kunt gij in Orleans geld
+verdienen, wanneer ge maar wilt. Ik heb wel eens over de duizend zien
+betalen voor meiden die geen zier mooier waren."
+
+"Ik wil geen geld aan haar verdienen," zeide Shelby droogjes, en
+om het gesprek eene andere wending te geven, trok hij eene versche
+flesch wijn open en vroeg Haley wat hij daarvan dacht.
+
+"Heerlijk," antwoordde de handelaar kortaf, en toen, Shelby weder
+familiaar op den schouder kloppende, vervolgde hij: "kom, laten wij
+eens over die meid handelen. Wat zal ik voor haar bieden? Hoeveel
+wilt gij voor haar nemen?"
+
+"Zij is niet te koop, Mijnheer Haley," zeide Shelby. "Mijne vrouw
+zou haar niet willen missen voor haar gewicht aan goud."
+
+"Ja, ja, vrouwen zeggen zulke dingen altijd, omdat ze niet
+rekenen. Laat ze maar eens zien, hoeveel horloges, pluimen en
+snuisterijen men voor iemands gewicht in goud krijgen kan, en dan
+verandert de zaak, zou ik denken."
+
+"Ik zeg u, Haley, hiervan moet niet gesproken worden. Ik zeg neen,
+en ik meen neen," antwoordde Shelby beslissend.
+
+"Nu, gij zult mij den jongen toch wel laten?" hervatte de
+handelaar. "Gij moet bekennen, dat ik tamelijk veel voor hem bied."
+
+"Wat op de wereld kunt gij met het kind willen doen?" zeide Shelby.
+
+"Wel, ik heb een vriend, die in dat vak gaat doen; hij wil mooie
+jongens koopen, om voor de markt op te fokken. Liefhebberij-artikelen
+om te verkoopen voor lijfknechts en zoo voort aan rijke heeren, die
+mooi goed kunnen betalen. Dat maakt figuur in een groot huis--een
+echt mooie jongen, om de deur open te doen en te bedienen. Zij halen
+eene goede som, en die kleine drommel is zulk een koddig, muzikaal
+ventje--hij is net de rechte soort."
+
+"Ik wilde hem liever niet verkoopen," zeide Shelby nadenkend. "Om
+de waarheid te zeggen, Mijnheer, ik denk menschelijk en scheid niet
+gaarne het kind van de moeder."
+
+"O zoo!--Ja wel, iets van dien aard. Ik begrijp het volkomen. Het is
+somtijds heel lastig met die vrouwen terecht te komen. Ik heb altijd
+een hekel aan zulk een huil- en schreeuwtijd. Het is machtig lastig
+en onpleizierig; maar zooals ik de zaak overleg, Mijnheer, vermijd ik
+die onaangenaamheid meestal. Als gij nu maar de meid voor een dag, of
+eene week of zoo uit den weg zendt, dan wordt het stilletjes gedaan,
+en alles is voorbij eer zij tehuis komt. Uwe vrouw kan haar een paar
+oorringen geven, of eene nieuwe japon, of zulke nesterij, om het haar
+te verzoeten."
+
+"Ik vrees van neen."
+
+"Och vriend, ja. Die schepsels zijn niet zooals de blanken, weet ge;
+zij komen over alles heen, als men het maar goed aanlegt. Men zegt
+wel eens," vervolgde Haley, een oprechten en vertrouwelijken toon
+aannemende, "dat deze soort van handel het gevoel verhardt; maar
+dat heb ik niet ondervonden. Het is de waarheid, dat ik nooit zoo
+zou kunnen handelen, als sommige kerels doen. Ik heb er gekend, die
+eene vrouw haar kind uit de armen zouden halen en het opzetten om te
+verkoopen, terwijl zij al doorschreeuwt, als of zij dol was. Zeer
+slecht overleg--beschadigt de waar--maakt ze somtijds geheel
+onbruikbaar. Ik heb eens in Orleans eene echt mooie meid gezien,
+die door deze manier van handelen gansch bedorven werd. De kerel,
+die haar kocht, wilde haar kind niet, en zij was eene van de lastige
+soort als haar bloed warm werd. Ik kan u zeggen, zij klemde haar kind
+in hare armen, en babbelde, en roerde zich ijselijk. Ik word haast
+nog koud, als ik er aan denk; en toen zij haar kind wegbrachten
+en haar opsloten, werd zij heel en al razend en stierf binnen de
+week. Dat was duizend dollars zoo maar weggegooid, Mijnheer, alleen
+door gebrek aan overleg. Het is altijd best, menschelijk te wezen,
+Mijnheer, dat is mijne ondervinding."
+
+De handelaar liet zich in zijn stoel zakken, sloeg zijne armen met
+zekere onverschilligheid over elkander en scheen zichzelven voor een
+tweeden Wilberforce te houden.
+
+Het scheen dat hij het onderwerp zeer belangrijk vond, want terwijl
+Shelby peinzend een sinaasappel schilde, begon Haley opnieuw, wel met
+eene zekere schroomvalligheid, maar alsof de kracht der waarheid hem
+werkelijk dwong om nog iets te zeggen:
+
+"Het staat voor iemand niet mooi als hij zich zelven prijst, maar
+ik zeg het alleen, omdat het de waarheid is. Ik geloof men houdt mij
+voor den man die de mooiste troepen negers aanvoert, die er gebracht
+worden, tenminste zoo heeft men mij gezegd; honderd zoo goed als een,
+allen in goeden staat, vet en welgedaan, en ik verlies er zoo weinig
+als iemand in het vak. En dat alles ligt aan mijne behandeling,
+Mijnheer; en menschelijk, Mijnheer, dat mag ik wel zeggen, is de
+groote steunpilaar van mijn handelen."
+
+Shelby wist niet wat te zeggen, en zeide dus: "inderdaad!"
+
+"Men heeft mij uitgelachen om mijne denkbeelden, Mijnheer, en men
+heeft er mij over aangesproken. Zij zijn niet bemind, Mijnheer, en
+zij zijn niet gewoon, maar ik blijf er bij: ik ben er bij gebleven
+en heb er goed geld mede verdiend; ja, mijnheer, zij hebben hunne
+vracht betaald, mag ik wel zeggen."
+
+En de handelaar lachte om zijne eigene aardigheid.
+
+Er was iets zoo origineels in deze redeneeringen over menschelijkheid,
+dat Shelby niet kon nalaten met hem mede te lachen. Misschien lacht gij
+ook waarde lezer, maar gij weet wel, de menschelijkheid vertoont zich
+tegenwoordig in allerlei vreemde gedaanten en zegt en doet allerlei
+wonderlijke dingen.
+
+Shelby's lachen bemoedigde den handelaar om voort te gaan.
+
+"Het is wel vreemd, maar ik heb het den menschen nooit in het hoofd
+kunnen stampen. Daar was Tom Loker, mijn oude compagnon in Natchez;
+hij was een knappe kerel, dat was Tom, maar een duivel voor de
+negers--om reden was hij dat, ziet ge, want hij had zulk een goed
+hart als iemand, die ooit brood gebroken heeft; het was zijn systeem,
+Mijnheer. Ik placht wel met Tom te praten en te zeggen: "Wel, Tom,
+als die meiden eens aangaan en huilen, wat baat het dan, ze een gat
+in den kop te slaan en af te ranselen? Het is belachelijk," zeide ik,
+"en het doet nooit goed. Ik voor mij zie geen kwaad in het huilen,"
+zeide ik; "dat is hare natuur, en als de natuur niet op de eene
+manier er uit kan, dan neemt zij eene andere. Bovendien Tom," zei ik,
+"gij bederft de meiden maar. Zij worden ziekelijk en neerslachtig,
+en somtijds worden ze leelijk--vooral de gele meiden doen dat. Waarom
+kunt gij ze niet een beetje flikflooien en mooie woorden geven? Ge kunt
+er op aan, Tom, een beetje menschelijkheid nu en dan te pas gebracht,
+helpt veel meer dan uw ranselen, en brengt meer geld op, geloof dat
+vrij." Maar Tom kon er geen smaak in krijgen, en hij bedierf er nog
+zooveel, dat ik van hem scheiden moest, hoewel hij een goedhartige
+kerel was en anders wel verstand van den handel had."
+
+"En gij vindt dus uwe manier van doen voordeeliger dan die van
+Tom?" zeide Shelby.
+
+"Ja, mijnheer, dat lijkt wel. Ziet ge, als ik eenigszins kan, ben ik
+een beetje voorzichtig met onpleizierige dingen, zooals het jonge goed
+te verkoopen en zoo meer--zend de meiden uit den weg--uit het oog uit
+het hart, weet ge, en als het afgedaan en niet meer te veranderen is,
+worden zij er vanzelf aan gewoon. Het is niet als met de blanken,
+die geleerd hebben te verwachten, dat zij hunne vrouwen en kinderen
+zullen houden. Negers, die behoorlijk zijn grootgebracht, hebben
+zulke verwachtingen niet, en dus valt hun dat alles lichter."
+
+"Ik vrees dan, dat de mijne niet behoorlijk zijn grootgebracht,"
+zeide Shelby.
+
+"Dat denk ik ook wel. Gij, in Kentucky, bederft uwe negers. Gij meent
+het goed met hen, maar het is toch geene ware goedheid. Voor een
+neger, die door de wereld moet gesold en aan Tom en Dick en de hemel
+weet wien verkocht worden, is het geene goedheid, als men hem andere
+denkbeelden en verwachtingen geeft en hem al te goed opbrengt; want
+dan valt het slingeren en sollen hem naderhand zooveel te harder. Ik
+durf wel zeggen, uwe negers zouden lang niet in hun schik zijn op
+eene plaats, waar de meeste plantage-negers zouden zingen en joelen
+als bezetenen. Iedereen, weet ge, Mijnheer Shelby, denkt natuurlijk
+goed over zijne eigene manieren, en ik geloof dat ik de negers omtrent
+zoo goed behandel, als het ooit de moeite waard is ze te behandelen."
+
+"Het is gelukkig als men weltevreden is," zeide Shelby, even zijne
+schouders ophalende, en blijkbaar met een gevoel van onaangenamen aard.
+
+"Wel, wat zegt ge?" zeide Haley, nadat beiden eene poos stilzwijgend
+noten hadden geplozen.
+
+"Ik zal eens over de zaak denken en er met mijne vrouw over spreken,"
+antwoordde Shelby. "Ondertusschen, Haley, als gij de zaak op die
+stille manier wilt uitvoeren, waarvan ge spreekt, deedt ge best niet
+te laten bekend worden, wat ge hier in de buurt komt doen. Het zal
+anders onder mijn volk ruchtbaar worden, en dan zal het niet heel
+stil toegaan, een van hen weg te brengen; dat kan ik u zeggen."
+
+"O zeker, mondje dicht, natuurlijk. Maar ik moet u zeggen, ik heb
+eene drommelsche haast, en wilde wel zoo spoedig mogelijk weten waar
+ik op aan kan," zeide Haley terwijl hij opstond en zijn jas aantrok.
+
+"Welnu, kom van avond tusschen zes en zeven uur, dan zult ge mijn
+antwoord krijgen," liet Shelby hierop volgen, en de handelaar ging
+buigende heen.
+
+"Hoe gaarne was ik in staat geweest om dien onbeschaamden kerel de trap
+af te schoppen," zeide Shelby bij zich zelven, toen hij alleen was;
+"maar hij weet welk een voordeel hij op mij heeft. Als iemand mij ooit
+gezegd had, dat ik Tom aan een van die schelmsche handelaars uit het
+Zuiden zou verkoopen, zou ik gezegd hebben: "is uw dienstknecht een
+hond, dat hij deze zaak zou doen?" en nu moet het er toch toe komen. En
+Eliza's kind ook! Ik weet wel dat ik daarover onaangenaamheden met
+mijne vrouw zal hebben; en over Tom ook al. Zoo gaat het als men
+schulden heeft. O! die kerel ziet zijn voordeel en weet er gebruik
+van te maken."
+
+Misschien is de zachtste vorm van het stelsel der slavernij in den
+staat Kentucky te zien. De algemeenheid eener soort van landbouw,
+waarbij de arbeid stil en bedaard zijn gang gaat, en die geene tijden
+van overgroote haast en drukte medebrengt, gelijk de landbouw van
+meer zuidelijke gewesten, maakt daar de taak van den neger gezonder en
+redelijker; terwijl de meester, tevreden met langzamer geld te winnen,
+die verzoekingen tot hardvochtigheid niet heeft, welke den zwakken
+mensch altijd verlokken, wanneer het vooruitzicht op eene snelle en
+plotselinge winst in eene weegschaal wordt gewogen, die geen ander
+tegenwicht heeft dan de belangen van weerlooze ondergeschikten.
+
+Wie eenige landgoederen daar bezoekt en getuige is van de vriendelijke
+toegeeflijkheid van sommige meesters en meesteressen, en de liefderijke
+trouw van sommige slaven, zou in verzoeking kunnen komen, om van de zoo
+dikwijls herhaalde dichterlijke fabel van een patriarchalen toestand te
+gaan droomen; maar boven dat bekoorlijke tooneel hangt eene dreigende
+schaduw--de schaduw der wet. Zoolang de wet al deze menschelijke
+wezens, met kloppende harten en levende aandoeningen, slechts als
+zoovele dingen beschouwt, die eenen meester toebehooren--zoolang
+het ongeluk, de onvoorzichtigheid of de dood van een menschlievend
+meester hen op eens een leven van geruste welvaart met een van
+hopelooze ellende en zwaren arbeid kan doen verwisselen--zóólang is
+het onmogelijk, aan het best geregelde stelsel van slavernij iets
+schoons of begeerlijks te geven.
+
+Mr. Shelby was een man van de gewone goede soort, zachtaardig en
+vriendelijk, en genegen om allen die hem omringden, met toegeeflijkheid
+te behandelen, en hij had het nooit aan iets laten ontbreken, dat tot
+het lichamelijk welzijn der negers op zijn goed kon bijdragen. Hij
+had echter op eene groote schaal en onvoorzichtig gespeculeerd--had
+zich diep in schulden gestoken, en wissels van een aanzienlijk bedrag
+waren Haley in handen gekomen. Dit korte bericht is de sleutel van
+het voorafgaande gesprek.
+
+Nu was het gebeurd dat Eliza, toen zij naar de deur kwam, genoeg van
+dat gesprek had opgevangen om haar te doen begrijpen, dat de handelaar
+iemand van haren meester wilde koopen.
+
+Gaarne had zij, toen zij heenging, bij de deur blijven staan
+luisteren, maar dewijl hare meesteres haar toen juist riep, was haar
+dit onmogelijk.
+
+Zij meende echter te hooren, dat de handelaar een bod deed naar
+haar kind. Kon zij zich bedriegen? Haar hart klopte onstuimig, en
+onwillekeurig drukte zij den kleine vast aan hare borst, dat hij haar
+met verbazing aanzag.
+
+"Eliza, wat scheelt u vandaag?" zeide hare meesteres, toen Eliza de
+waterkan had omgestooten, tegen het werktafeltje was aangeloopen,
+en eindelijk in overmaat van verstrooiïng met een lange nachtjapon
+aankwam, in plaats van met het zijden kleedje, dat zij uit de kleerkast
+had moeten krijgen.
+
+Eliza schrikte. "O Mevrouw!" zeide zij, hare oogen opslaande, barstte
+toen in tranen uit en wierp zich snikkende op een stoel.
+
+"Maar, Eliza, kind! Wat scheelt u toch?" zeide hare meesteres weder.
+
+"O Mevrouw, Mevrouw," antwoordde Eliza, "er zit een handelaar in de
+voorkamer met den meester te spreken. Ik heb hem gehoord."
+
+"Welnu, onnoozel kind en wat zou dat?"
+
+"O Mevrouw, denkt gij dat de meester mijn Harry zou willen
+verkoopen?" riep het arme schepsel snikkend uit.
+
+"Hem verkoopen? Wel neen, zottinnetje! Gij weet wel dat uw meester
+zich nooit met die handelaars uit het Zuiden inlaat, en voornemens
+is nimmer een van zijne bedienden te verkoopen, zoolang zij zich wèl
+gedragen. En, onnoozel kind, wie denkt ge dat uw Harry zou willen
+koopen? Denkt ge dat iedereen zoo op hem gesteld is als gij zijt,
+gij gansje? Kom, wees weer vroolijk en maak mijn kleedje vast. Zoo,
+maak nu mijn haar van achteren in die aardige vlecht, die gij pas
+geleerd hebt, en sta niet meer aan de deuren te luisteren."
+
+"O Mevrouw, maar gij zoudt toch nimmer toestemmen, om--om...."
+
+"Dwaasheid kind! Wel zeker zou ik niet. Hoe praat gij zoo? Ik zou even
+gaarne een van mijne eigene kinderen laten verkoopen. Maar waarlijk,
+Eliza, gij wordt al te grootsch op dien kleinen jongen. Geen mensch
+kan zijn neus meer binnen de deur steken, of gij denkt dat hij komen
+moet om hem te koopen."
+
+Gerustgesteld door den toon harer meesteres, ging Eliza vlug en
+handig met het toilet voort en lachte onder hare bezigheden om hare
+eigene vrees.
+
+Mevrouw Shelby was eene vrouw, die in verstand en zedelijk gevoel
+boven het gewone uitmuntte. Met die natuurlijke hooghartigheid en
+edelmoedigheid, welke de vrouwen van Kentucky dikwijls kenmerken,
+vereenigde zij een verheven godsdienstig en zedelijk gevoel, op vaste
+grondbeginselen steunende, naar welke zij met evenveel standvastigheid
+als overleg handelde. Haar man, die zelf geene aanspraak op bijzondere
+godsdienstigheid maakte, eerbiedigde evenwel de hare en had misschien
+wel eenig ontzag voor hare meeningen. Zeker was het, dat hij volle
+vrijheid liet aan hare weldadige pogingen, die op het welzijn, het
+onderwijs en de zedelijke verbetering harer dienstboden waren gericht,
+hoewel hij zelf daaraan geen zeer werkdadig aandeel nam. Inderdaad
+scheen hij, ofschoon hij wel niet aan de leer van de toerekening der
+overtollige goede werken van heiligen geloofde, zich toch eenigszins
+te verbeelden, dat zijne vrouw vroomheid en weldadigheid genoeg voor
+twee bezat, en half te verwachten, dat hij door haren overvloed van die
+eigenschappen, waarop hij zelf geene bijzondere aanspraak kon maken,
+in den hemel zou komen.
+
+De zwaarste last op zijn gemoed, na zijn gesprek met den handelaar,
+was de noodzakelijkheid om zijne vrouw van de voorgenomen schikking
+kennis te geven, en den tegenstand te bekampen, dien hij met reden
+moest verwachten.
+
+Daar Mevrouw Shelby geheel onbekend was met de ongelegenheden, waarin
+haar Echtgenoot verkeerde en alleen de gewone menschlievendheid van
+zijn karakter kende, was de ongeloovigheid, waarmede zij Eliza's
+vermoedens had beantwoord, volkomen oprecht geweest. Zij zette zich
+zelfs zonder verder nadenken de zaak uit het hoofd, en daar zij
+zich haasten moest om zich voor eene avondvisite gereed te maken,
+ontsnapte die korte woordenwisseling geheel aan haar geheugen.
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK
+
+DE MOEDER
+
+
+Eliza was van hare meisjesjaren af door hare meesteres als eene
+geliefkoosde en eenigszins verwende gunstelinge behandeld.
+
+De reiziger in het Zuiden moet dikwijls dien bijzonderen zweem van
+beschaving, die zachtheid van stem en manieren hebben opgemerkt,
+welke veelal eene eigenaardige gave der quadronen en mulattinnen
+schijnt te wezen. Deze natuurlijke bevalligheid is bij de quadrone
+dikwijls met eene schitterende schoonheid, bijna altijd ten minste
+met een behagelijk en innemend voorkomen vereenigd. Eliza, gelijk
+wij haar beschreven hebben, is geene schets naar onze verbeelding
+geteekend, maar aan onze herinnering ontleend, gelijk wij haar jaren
+geleden in Kentucky gezien hebben. Veilig onder de beschermende zorg
+harer meesteres, had Eliza een rijpen leeftijd bereikt, verschoond
+van die verzoekingen, welke de schoonheid van eene slavin tot zulk
+een noodlottig erfgoed maken. Zij was met een knappen en talentvollen
+jongen mulat getrouwd, die slaaf was op een naburig landgoed en den
+naam van George Harris droeg.
+
+Deze jonkman was door zijnen meester verhuurd om in eene fabriek van
+zeildoek te werken, waar zijne behendigheid en schranderheid hem voor
+onmisbaar deden houden. Hij had eene machine om den hennep te zuiveren
+uitgevonden, welke, indien men de opvoeding en omstandigheden des
+uitvinders in aanmerking nam, evenveel genie voor de werktuigkunde
+aan den dag legde als Whitney's spinmolen [2].
+
+Hij had eene welgemaakte gestalte en innemende manieren, en was in
+de fabriek een algemeene gunsteling. Evenwel, daar deze jonkman
+in het oog der wet geen mensch maar een ding was, waren al deze
+voortreffelijke hoedanigheden onderworpen aan het bedwang van een
+gemeenen laaghartigen meester. Toen de heer van George's uitvinding
+had gehoord, reed hij eens naar de fabriek, om te zien wat zijn
+denkend stuk vee had uitgericht. Hij werd door den fabrikant met
+groote voorkomendheid ontvangen, gefeliciteerd met het bezit van een
+slaaf van zooveel waarde.
+
+Men leidde hem de geheele fabriek door, en liet hem de machine zien,
+door George uitgevonden, die in zijne opgetogenheid zoo vlug sprak,
+zich zoo rechtop hield, en er zoo beschaafd en mannelijk uitzag
+dat zijn meester eene onaangename bewustheid van minderheid begon
+te gevoelen. Wat behoefde zijn slaaf door het land rond te loopen,
+machines uit te vinden en onder _gentlemen_ het hoofd op te steken? Hij
+zou spoedig een eind daaraan maken. Hij zou hem terugnemen, aan het
+graven en spitten zetten, en dan eens zien: "of hij nog zoo grootsch
+zou loopen." Tot verbazing van den fabrikant en alle belanghebbenden
+zeide hij dus eensklaps, dat hij nu maar het loon van George verlangde
+en hem terug wilde nemen.
+
+"Maar, Mijnheer Harris," bracht de fabrikant hiertegen in: "is dat
+toch niet wat haastig?"
+
+"En al was dat zoo?--Is de man niet van mij?"
+
+"Wij zouden gaarne meer vergoeding voor hem betalen, Mijnheer!"
+
+"Dat kan mij volstrekt niet schelen. Ik verhuur geen van mijne
+arbeiders, of ik moet er lust toe hebben."
+
+"Maar, Mijnheer, hij schijnt voor dit vak bijzonder geschikt."
+
+"Misschien wel. Hij was nooit zeer geschikt voor iets waaraan ik hem
+zette, dat kan ik zeggen."
+
+"Maar bedenk eens, dat hij deze machine heeft uitgevonden," viel een
+der werklieden er tamelijk ongelukkig op in.
+
+"O, ja! eene machine om werk uit te halen, niet waar? Die wilde hij
+wel uitvinden, dat geloof ik. Laat dat altijd maar aan een neger
+over. Zij zijn zelven allen machines om werk uit te halen, de een
+zoo goed als de ander. Neen, hij zal opstappen."
+
+George stond als versteend, toen hij zoo onverwachts zijn vonnis hoorde
+uitspreken door eene macht, die hij wist dat onweerstaanbaar was. Hij
+sloeg zijne armen over elkander en kneep zijne lippen dicht, maar eene
+geheele vulkaan van bittere aandoeningen brandde in zijne borst en zond
+stroomen vuurs door zijne aderen. Hij haalde kort en hijgend adem,
+zijne donkere oogen gloeiden als kolen vuur, en hij zou misschien
+in eene gevaarlijke drift zijn uitgebarsten, indien de welmeenende
+fabrikant hem niet aan den arm had gestooten en zacht gezegd:
+
+"Geef toe, George; ga vooreerst maar met hem mede. Wij zullen u wel
+zien te helpen."
+
+De dwingeland bemerkte dit gefluister, en gissende wat er gezegd
+werd, hoewel hij het niet hooren kon, versterkte hij zich zelven
+heimelijk in zijn besluit om de macht te behouden, die hij over zijn
+slachtoffer bezat.
+
+George werd teruggebracht en aan het geringste en onaangenaamste werk
+op de hoeve gezet. Hij was in staat geweest om elk oneerbiedig woord
+te smoren: maar zijn flikkerend oog en zijn betrokken voorhoofd
+waren een gedeelte der natuurlijke taal, die niet gesmoord kon
+worden--ontwijfelbare teekenen, die maar al te duidelijk toonden dat
+de mensch niet tot een ding kon gemaakt worden.
+
+Het was gedurende den gelukkigen tijd, toen hij in de fabriek werkzaam
+was, dat George zijne vrouw had leeren kennen en met haar getrouwd
+was. In dien tijd had hij, daar de fabrikant hem zeer begunstigde en
+vertrouwde, volle vrijheid om naar believen uit te gaan. Het huwelijk
+was zeer naar den zin van Mevrouw Shelby, die, met een weinigje van
+de vrouwelijke liefhebberij voor het smeden van echtelijke banden,
+hare schoone gunstelinge gaarne vereenigd zag met een man van
+hare eigene klasse, die in alle opzichten zoo uitmuntend voor haar
+geschikt scheen; zoo werden zij getrouwd in de groote voorkamer harer
+meesteres, en versierde die meesteres zelve het fraaie haar der bruid
+met oranjebloesems, en wierp den bruidssluier daarover heen, die haast
+niet op bekoorlijker hoofd had kunnen rusten; en er was geen gebrek
+aan witte handschoenen, koek en wijn, en aan bewonderende gasten,
+om de schoonheid der bruid en de goedheid en mildheid der meesteres
+te prijzen. Een paar jaren lang zag Eliza haar echtgenoot dikwijls,
+en werd hun geluk door niets gestoord, behalve het verlies van twee
+kleine kinderen, waaraan zij hartstochtelijk gehecht was, en die zij
+met zulk eene diepe smart betreurde, dat zij daardoor eene zachte
+vermaning van hare meesteres uitlokte, die met moederlijke bezorgdheid
+haar hartstochtelijk gevoel binnen de perken van rede en godsdienst
+poogde terug te brengen.
+
+Na de geboorte van den kleinen Harry was zij echter langzamerhand
+bedaarder en rustiger geworden, en toen elke bloedende hartsader
+weder met dat jeugdig leven was samengestrengeld, bleef Eliza eene
+gelukkige vrouw, totdat haar man met ruwheid van zijnen vriendelijken
+huurder werd afgerukt, en onder het ijzeren gezag van zijn wettigen
+eigenaar gebracht.
+
+De fabrikant, getrouw aan zijn woord, bezocht Harris een paar weken,
+nadat George van hem weggenomen was, hopende dat nu de drift bedaard
+zou zijn, en beproefde alle mogelijke middelen om den knappen werkman
+terug te bekomen.
+
+"Gij behoeft u geene moeite te geven om langer te praten," zeide
+Harris stuursch. "Ik weet mijne eigene zaken wel, Mijnheer!"
+
+"Ik heb mij niet vermeten om mij daarmede te bemoeien, Mijnheer. Maar
+ik dacht, dat ge het in uw belang zoudt kunnen achten, uw man op de
+voorgestelde conditiën aan ons te laten."
+
+"O, ik begrijp de zaak goed genoeg. Ik heb u wel zien wenken en
+fluisteren, toen ik hem uit de fabriek kwam halen; maar gij zult mij
+zoo niet krijgen. Dit is een vrij land, Mijnheer; de man is mijn,
+en ik doe met hem wat ik verkies--zoo is het."
+
+En zoo ontzonk George zijne laatste hoop. Hij zag niets vóór zich,
+dan een leven van slaafschen arbeid, nog meer verbitterd door alle
+kleine kwellingen en vernederingen, die de schranderheid van zijnen
+dwingeland kon uitdenken.
+
+Een zeer menschlievend rechtsgeleerde zeide eens: "het
+slechtste gebruik dat men van een mensch maken kan, is hem op te
+hangen!" Neen! er kan nog een gebruik van een mensch gemaakt worden,
+dat _erger_ is.
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+DE ECHTGENOOT EN VADER.
+
+
+Mevrouw Shelby was uitgereden om hare visite te gaan brengen, en Eliza
+stond eenigszins neerslachtig onder de veranda het rijtuig na te zien,
+toen er een hand op haren schouder werd gelegd. Zij keerde zich om
+en een heldere glimlach blonk op geheel haar gelaat, tot zelfs in
+hare schoone oogen.
+
+"George, zijt gij het? Wat doet gij mij schrikken! O, ik ben zoo blij,
+dat ge komt. Mevrouw blijft van avond uit. Kom dus naar mijn kamertje,
+wij hebben den geheelen tijd voor ons."
+
+Met deze woorden trok zij hem naar een net vertrekje, dat op de
+veranda uitkwam, waar zij gewoonlijk zat te naaien, binnen beroep
+van hare meesteres.
+
+"Hoe blijde ben ik! Waarom lacht gij ook niet? En zie eens naar
+Harry! Wat groeit hij!"
+
+Het knaapje stond zijn vader door zijne krullen heen schuins aan te
+kijken, en hield zich aan den rok zijner moeder vast.
+
+"Is het niet een mooi kind?" zeide Eliza, de hangende krullen
+opstrijkende, om haar lieveling een kus te geven.
+
+"Ik wenschte dat hij nooit geboren was," zeide George met
+bitterheid. "Ik wenschte dat ik zelf nooit geboren was."
+
+Verrast en verschrikt, zette Eliza zich neer, liet haar hoofd op den
+schouder van haren echtgenoot zinken en barstte in tranen uit.
+
+"O Eliza, het is al te erg van mij, dat ik u zoo deed schrikken,"
+zeide hij met teederheid--"al te erg! O, hoe wenschte ik, dat ge mij
+nooit gezien hadt--dan hadt gij gelukkig kunnen zijn."
+
+"George! George! hoe kunt gij zoo spreken? Wat is er gebeurd of zal
+er gebeuren, dat zoo schrikkelijk is? Wij zijn immers tot heden zoo
+gelukkig geweest."
+
+"Dat zijn wij, lieve," zeide George.
+
+Daarna zijn kind op zijne knie nemende, zag hij het in de donkere
+glansrijke oogen, en haalde zijne vingers door de krullende lokken.
+
+"Uw evenbeeld, Eliza; en gij zijt de schoonste vrouw die ik ooit gezien
+heb, en de beste die ik ooit verlang te zien; maar o, ik wenschte,
+dat ik u nooit gezien had, en gij mij niet!"
+
+"O George, hoe kunt gij zoo spreken?"
+
+"Ja, Eliza, het is alles jammer en ellende! Mijn leven is zoo bitter
+als alsem; het leven zelf wordt mij uitgepijnigd. Ik ben een arme,
+ellendige, moedelooze slover, en ik zal u maar even ellendig maken. Wat
+baat het, dat wij ons inspannen om iets te doen, om iets te weten,
+om iets te zijn? Wat baat ons het leven? Ik wenschte dat ik dood was."
+
+"Maar lieve George! dat is waarlijk goddeloos. Ik weet wel hoe het u
+spijt, dat gij uwe plaats in de fabriek hebt verloren, en gij hebt
+een harden meester; maar ik bid u, wees geduldig en misschien zal
+er iets...."
+
+"Geduldig!" zeide hij, haar in de rede vallende. "Ben ik niet geduldig
+geweest? Heb ik een woord gezegd, toen hij kwam en mij weghaalde,
+zonder eenige redenen ter wereld, daar vandaan, waar iedereen goed
+voor mij was? Ik heb hem trouw elken cent betaald dien ik verdiende,
+en iedereen zegt, dat ik braaf gewerkt heb."
+
+"Ja, het is ijselijk," zeide Eliza, "maar hij is toch uw meester,
+moet ge denken."
+
+"Mijn meester! En wie heeft hem mijn meester gemaakt? Dat is het wat ik
+denk--welk recht heeft hij op mij? Ik ben een mensch zoo goed als hij;
+ik ben beter en knapper dan hij is; ik weet meer van allerlei dingen
+dan hij weet; ik heb beter overleg dan hij; ik kan beter lezen dan hij;
+ik schrijf eene betere hand; en dat alles heb ik mij zelven geleerd,
+zonder dat ik er hem voor behoef te danken--ik heb het geleerd ondanks
+hem; en wat recht heeft hij nu om een karrepaard van mij te maken,--mij
+af te nemen van het werk dat ik doen kan, beter doen kan dan hij,
+en mij aan werk te zetten dat ieder paard kan doen? Hij heeft een
+oogmerk; hij zegt, dat hij mij zal vernederen en onderdanig maken,
+en hij zet mij opzettelijk aan het zwaarste, laagste en vuilste werk."
+
+"O, George, George! gij maakt mij angstig. Ik heb u nog nooit zoo
+hooren spreken. Ik vrees, dat gij nog iets ijselijks doen zult. Het
+verwondert mij geheel niet, dat gij dat zoo voelt; maar o, wees toch
+voorzichtig--om mijnentwil--om Harry's wil!"
+
+"Ik ben voorzichtig geweest en ik ben geduldig geweest; maar het wordt
+al erger en erger. Vleesch en bloed kan het niet langer dragen. Elke
+gelegenheid die hij vinden kan om mij te beleedigen en te kwellen,
+neemt hij waar. Ik dacht dat ik mijn werk wel zou kunnen afdoen en
+mij stil gedragen, en dan buiten de werkuren wat tijd overhouden om
+te lezen en te leeren; maar hoe meer hij ziet wat ik doen kan, des
+te meer belast hij mij. En hij zegt dat hij, hoewel ik niet spreek,
+toch zien kan dat ik den duivel in mij heb, en dat hij dien er uit
+wil jagen; en op den een of anderen tijd zal hij er ook wel uitkomen
+op eene manier die hem niet bevalt, of ik heb het mis."
+
+"Och, wat zullen wij doen?" zeide Eliza treurig.
+
+"Het was pas gisteren," hervatte George, "toen ik bezig was met
+steenen in de kar te laden, dat Tom, de jongeheer, daar stond en
+met zijne zweep klapte, zoo dicht bij het paard, dat het beest er
+schichtig van werd. Ik vroeg hem op te houden, zoo vriendelijk als
+ik kon, maar hij ging maar voort. Ik vroeg het hem nog eens, en toen
+keerde hij zich om en begon mij te slaan. Ik hield zijne hand vast,
+en toen begon hij te schreeuwen en te schoppen, en liep vervolgens
+naar zijnen vader en zeide dat ik tegen hem vocht. Deze kwam woedend
+aanloopen en zeide dat hij mij leeren zou wie mijn meester was; en
+toen bond hij mij aan een boom, en sneed teentjes voor den jongen
+meester en zeide hem dat hij mij slaan mocht tot hij er moe van werd,
+en zoo deed hij ook. Als ik hem dat niet eens betaald zet!"
+
+Zijn gezicht betrok en in zijne oogen gloeide een vuur, dat zijne
+jonge vrouw deed beven.
+
+"Wie heeft dien man tot mijn meester gemaakt--dat wil ik maar weten,"
+voegde hij er bij.
+
+"Och!" zeide Eliza droevig. "Ik heb altijd gedacht, dat ik mijn meester
+en meesteres moest gehoorzamen, of dat ik geene Christin kon zijn."
+
+"Dat is misschien wel gezegd in uw geval. Zij hebben u als een eigen
+kind grootgebracht--u gevoed, gekleed, zacht behandeld en onderwezen,
+zoodat gij eene goede opvoeding hebt gehad--dat is wel eene reden,
+waarom zij aanspraak op u kunnen maken. Maar ik ben geschopt,
+gescholden en geslagen; op zijn best bemoeide men zich maar niet met
+mij. Wat ben ik dan schuldig? Ik heb voor mijn onderhoud honderdvoudig
+betaald. Ik wil het niet verdragen--neen, ik wil niet!" zeide hij,
+en kneep met een donker gerimpeld voorhoofd zijn vuisten dicht.
+
+Eliza beefde en zweeg. Zij had haar man nog nooit in zulk eene stemming
+gezien, en hare zachtzinnige zedenleer scheen voor de baren van zulk
+een hartstocht als riet te zwichten.
+
+"Gij weet nog wel van dien armen kleinen Carlo, dien gij mij gegeven
+hebt," hervatte George. "Dat beestje was omtrent al de troost dien ik
+had. Het sliep des nachts bij mij en liep den geheelen dag met mij
+mede, en keek mij aan alsof het begreep wat ik voelde. Wel, laatst,
+toen ik hem eenige oude kliekjes gaf, die ik bij de keukendeur had
+opgeraapt, en de meester aankwam, zeide deze dat ik hem op zijne
+kosten voedde, en dat hij niet lijden kon dat elke neger zijn hond
+hield, en beval mij om het diertje een steen om den hals te doen en
+in den vijver te smijten."
+
+"O George! dat hebt gij toch niet gedaan!"
+
+"Gedaan?--Ik niet, maar zij. Meester en Tom smeten het arme
+verdrinkende beest nog met steenen. De arme Carlo keek mij zoo droevig
+aan, alsof hij zich verwonderde, waarom ik hem niet redde. Ik kreeg
+met de zweep, omdat ik het niet zelf wilde doen. Maar het kon mij
+niet schelen. Hij zal wel eens ondervinden dat de zweep iemand niet
+temt. Mijn dag zal wel komen, als hij niet oppast."
+
+"Wat wilt gij gaan doen? O George, doe toch geene goddeloosheid. Als
+gij maar op God vertrouwt en wel wilt handelen, zal Hij u verlossen."
+
+"Ik ben geen Christen gelijk gij, Eliza. Mijn hart is vol
+bitterheid. Ik kan niet op God vertrouwen. Waarom laat Hij de dingen
+zoo zijn?"
+
+"O George, wij moeten geloof hebben. Mevrouw zegt dat wij, als alles
+verkeerd met ons gaat, toch moeten gelooven dat God het allerbeste
+doet."
+
+"Dat is gemakkelijk te zeggen voor menschen die op hunne sofa's zitten
+en in koetsen rijden; maar als ze eens waren waar ik ben, denk ik
+dat het wat moeielijker zou zijn. Ik wenschte dat ik goed kon zijn,
+maar mijn hart brandt, en ik kan er mij niet mede verzoenen. Gij
+zoudt het niet kunnen in mijne plaats; gij kondt het nu niet, als ik
+u alles zeggen zou wat ik te zeggen heb. Gij weet alles nog niet."
+
+"Wat kan er nu nog moeten komen?"
+
+"Wel, laatst heeft meester gezegd dat hij een gek was geweest, om mij
+van de plaats te laten trouwen; dat hij mijnheer Shelby en al zijn
+gedoe haat, omdat zij trotsch zijn en het hoofd boven hem opsteken,
+en dat ik mijne trotsche denkbeelden van u gekregen had, en hij zegt
+dat hij mij niet meer hier wil laten komen, en dat ik op zijne plaats
+eene vrouw moet nemen en daar blijven. Eerst sprak hij daarvan maar
+scheldende en brommende; maar gisteren zeide hij mij dat ik Mina tot
+vrouw moest nemen en in eene hut met haar wonen, of dat hij mij de
+rivier af zou verkoopen."
+
+"Maar gij zijt met mij getrouwd door den predikant, even goed alsof
+gij een blanke waart geweest," zeide Eliza eenvoudig.
+
+"Weet gij dan niet dat een slaaf niet getrouwd kan zijn? Er is geene
+wet in dit land daarvoor. Ik kan u niet tot vrouw houden, als hij
+ons verkiest te scheiden. Dat is het waarom ik wensch dat ik u nooit
+gezien had--waarom ik wensch dat ik nooit geboren was. Het zou beter
+voor ons beiden zijn geweest--het zou beter voor dit arme kind zijn
+geweest als het nooit geboren was. Dat alles kan hem ook nog gebeuren."
+
+"O, maar meester is zoo goed."
+
+"Ja, maar wie weet?--Deze kan sterven; en dan kan hij verkocht
+worden aan niemand weet wie. Wat, verheugt het u, dat hij zoo schoon,
+schrander en vroolijk is? Ik zeg u, Eliza, dat er een zwaard door uw
+hart zal gaan voor iedere goede en lieve eigenschap van uw kind--dat
+alles zal hem te veel waard maken om hem u te laten houden."
+
+Deze woorden vielen Eliza zwaar op het hart. De handelaar, dien zij
+gezien had, kwam haar weder voor den geest; en alsof iemand haar
+een doodelijken slag had toegebracht, verbleekte zij en snakte naar
+adem. Zij keek met zenuwachtigen angst onder de veranda uit, waar het
+knaapje, dat het ernstig gesprek verveelde, was heengeloopen, en waar
+hij zegepralend op Mr. Shelby's wandelstok heen en weder reed. Zij
+had haren man wel van hare vrees willen spreken, maar zij bedwong zich.
+
+"Neen, neen, hij heeft zelf al genoeg te dragen," dacht zij. "Neen,
+ik wil het hem niet zeggen. En buitendien, het is ook niet waar:
+Mevrouw bedriegt ons nooit."
+
+"Kom, Eliza, lieve vrouw," zeide George treurig, "houd u nu maar goed
+en vaarwel. Ik ga heen."
+
+"Heen, George--waarheen?"
+
+"Naar Canada," antwoordde hij, zich recht oprichtende, "en als ik daar
+ben, zal ik u koopen; dat is alle hoop, die ons overblijft. Gij hebt
+een goeden meester, die niet weigeren zal u te verkoopen. Ik zal u
+koopen en het kind--als God mij helpt, dat zal ik."
+
+"O schrikkelijk!--Als gij gevat mocht worden!"
+
+"Ik zal mij niet laten vatten, Eliza. Ik zal liever sterven. Ik wil
+vrij zijn of sterven."
+
+"Gij zult toch u zelven niet ombrengen?"
+
+"Dat zal niet behoeven; zij zullen mij wel ombrengen; zij zullen mij
+niet levend de rivier afkrijgen."
+
+"O George, om mijnentwil, wees toch voorzichtig. Doe geene
+goddeloosheid; sla geene handen aan u zelven of iemand anders. Gij
+wordt al te zwaar verzocht--al te zwaar; maar--gaan moet gij--maar
+doe het voorzichtig en bid God om u te helpen."
+
+"Welnu, Eliza, hoor dan mijn plan. Meester heeft het in zijn hoofd
+gekregen om mij hier vlak voorbij te zenden, met een briefje aan
+Mijnheer Simmes, die eene mijl verder woont. Hij dacht, geloof ik,
+dat ik wel hier zou komen om u te zeggen wat mij scheelt. Het zou
+hem verheugen, als hij de Shelby's, zooals hij ze noemt, daarmede
+verdriet kan doen. Ik ga nu heel stil naar huis, begrijpt ge, alsof
+ik mij geheel onderwierp en alles afgedaan was. Ik heb nog eenige
+toebereidselen te maken, en er zijn er wel die mij wel zullen helpen;
+en na eene week of zoo zal ik onder de vermisten zijn. Bid voor mij,
+Eliza; misschien zal onze lieve Heer u hooren."
+
+"O bid zelf, George, en ga in vertrouwen op Hem; dan zult gij niets
+doen wat goddeloos is."
+
+"Welnu dan, vaarwel!" zeide George, Eliza bij de handen vattende en
+haar in de oogen starende, zonder heen te gaan. Zij bleven zwijgend
+staan; toen kwamen er nog laatste woorden en snikken en bittere
+tranen--zulk een afscheid als zij nemen, wier hoop om elkander weder
+te zien zoo broos als spinrag is; en man en vrouw hadden elkander
+verlaten.
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+EEN AVOND IN DE HUT VAN OOM TOM.
+
+
+De hut van Oom Tom was een gebouwtje van boomstammen en planken dicht
+bij "het huis" gelijk de neger de woning van zijnen meester noemt. Voor
+deze hut lag een tuintje, waar elken zomer aardbeziën, frambozen en
+allerlei vruchten en groenten, zorgvuldig gekweekt, welig groeiden. De
+geheele voorgevel was met eene groote roode bignonia en een wilden
+rozestruik begroeid, die zich zoodanig door elkander strengelden,
+dat er bijna niets van de ruwe houtsblokken te zien was. Hier vonden
+in den zomer ook verschillende eenjarige bloemplanten een hoekje,
+om hare pracht te laten schitteren, en waren de blijdschap en trots
+van Tante Chloe's hart.
+
+Laten wij de woning binnentreden. In "het huis" is het avondmaal reeds
+voorbij, en Tante Chloe, die als eerste keukenmeid het oppertoezicht
+over de bereiding daarvan heeft gehad, heeft aan de mindere
+keukenbedienden het wasschen en wegruimen van borden en schotels
+overgelaten, en is naar hare eigene lieve woning gekomen, om wat voor
+"haar ouden man" klaar te maken. Dus is zij het zonder twijfel, die gij
+daar bij het vuur ziet, terwijl zij met oplettende belangstelling het
+oog houdt op zekere sissende dingen in een braadpan, en somtijds met
+ernstige bedachtzaamheid het deksel van een ketel oplicht, waaruit
+een geurige damp opstijgt, die ontwijfelbaar iets bijzonder lekkers
+aankondigt. Zij heeft een rond zwart gezicht, zoo glanzig, dat het
+iemand op de gedachte brengt, of het ook met eiwit mocht bestreken
+zijn, gelijk haar eigen theebanket. Geheel dat ronde gezicht straalt
+van genoegen en tevredenheid onder haren welgesteven geruiten tulband,
+maar vertoont ook, dit moeten wij bekennen, een zweempje van die
+bewustheid van eigenwaarde, welke de beste keukenmeid van den geheelen
+omtrek voegt, waarvoor Tante Chloe algemeen erkend wordt.
+
+Zij was zeker eene keukenmeid tot in het diepst van hare ziel. Geen
+kuiken, kalkoen of eend was er op het pleintje bij de schuur of
+hij keek ernstig en begon aan zijn einde te denken, als hij haar
+zag naderen, en zeker speelden hare zinnen ook altijd zoozeer op
+plukken, vullen en braden, dat haar gezicht een nadenkenden vogel
+moest beangstigen. Hare koeken en koekjes van allerlei soort waren
+een verheven mysterie voor alle minder ervarene baksters; en zij
+lachte dat zij schudde, met een mengeling van spotterij en hoogmoed,
+als zij vertelde van de vruchtelooze pogingen, die deze en gene harer
+mededingsters hadden gedaan om hare hoogte te bereiken.
+
+De komst van gasten in huis en het beschikken van een diner of souper,
+"in staatsie", deed al haar ijver en geestkracht ontwaken, en geen
+gezicht was haar aangenamer dan een hoop reiskoffers onder de veranda
+opgestapeld, want dit deed haar nieuwe drukte en nieuwe zegepralen
+te gemoet zien.
+
+Juist op het oogenblik echter kijkt Tante Chloe in de braadpan,
+en aan die streelende bezigheid zullen wij haar laten, tot wij onze
+schilderij van hare woning hebben voltooid.
+
+In een hoek stond een bed, netjes met een sneeuwwitte sprei bedekt,
+en daarnaast lag een stuk tapijt van aanmerkelijke grootte. Op dit
+tapijt grondde Tante Chloe hare aanspraken op eene fatsoenlijke
+manier van leven, daar het ontegenzeggelijk iets voornaams was; en
+dit tapijt en het bed waarbij het lag, ja eigenlijk die geheele hoek
+werden in zekere eere gehouden, en zooveel mogelijk beveiligd voor
+strooptochten en aanvallen van het kleine goed. Die hoek was zooveel
+als staatsiekamer van het huis. In een anderen hoek stond een bed, dat
+er minder deftig uitzag en blijkbaar tot _gebruik_ bestemd was. De muur
+tegenover den schoorsteen was met eenige zeer schitterende bijbelsche
+prenten versierd, en ook met een portret van generaal Washington,
+geteekend en gekleurd op een manier, waarover die heer zich zeker
+zelf zou verbaasd hebben, als hij het ooit had kunnen zien.
+
+Op eene ruwe bank in dezen hoek zaten eenige jongens met wollige
+kroeskoppen, glinsterende zwarte oogen en ronde blinkende wangen,
+bezig met het opzicht over de eerste loopmanoeuvres van het kleinste
+kind, die, gelijk doorgaans daarmede het geval is, bestonden in zich
+even op te richten, een oogenblik op zijne voeten te balanceeren en
+dan weder om te tuimelen--terwijl elke mislukking als een buitengemeen
+kunststuk werd toegejuicht.
+
+Eene tafel, eenigszins wankelend op hare pooten, was voor het vuur
+geschoven en met een tafellaken bedekt, waarop kopjes en schoteltjes
+met schitterende kleuren en andere voorteekenen van een naderenden
+maaltijd stonden. Aan deze tafel was Oom Tom gezeten, Mr. Shelby's
+meest vertrouwde dienaar, wien wij, daar hij de held van ons verhaal
+zal zijn, met de getrouwheid eener daguerreotype voor onze lezers
+moeten afteekenen. Hij was een rijzig en forsch gebouwd man met eene
+breede borst en een glanzig zwart gezicht, welks echt Afrikaansche
+trekken gekenmerkt werden door eene uitdrukking van ernst en
+degelijk gezond verstand, met veel goedhartigheid en zachtaardigheid
+vereenigd. Geheel zijn voorkomen had iets deftigs, alsof het hem
+niet aan gevoel van eigenwaarde ontbrak; maar deze deftigheid ging
+met eene vertrouwelijke en nederige eenvoudigheid gepaard.
+
+Hij had op dat oogenblik al zijn aandacht gevestigd op eene lei,
+die voor hem lag, waarop hij zorgvuldig en langzaam eenige letters
+poogde na te trekken, in welke bezigheid hij geholpen werd door
+jongeheer George, een vluggen, schranderen knaap van dertien jaren,
+die de waardigheid zijner betrekking van onderwijzer ten volle scheen
+te gevoelen.
+
+"Niet zoo, Oom Tom; niet naar dien kant," zeide hij driftig, toen Oom
+Tom met stijve vingers den staart van eene _g_ naar den verkeerden
+kant omhaalde. "Dat wordt eene _q_, ziet ge wel?"
+
+"O, zoo wordt het?" zeide Oom Tom, met eerbiedige bewondering
+toekijkende, terwijl zijn jonge meester, tot zijne onderrichting,
+vlug eene ontelbare rij van g's en q's krabbelde. Daarop nam hij
+het grifje weder tusschen zijne groote grove vingers en hervatte met
+geduld zijne taak.
+
+"Hoe gemakkelijk doen blanke menschen altijd iets!" zeide Tante Chloe,
+even ophoudende, terwijl zij een rooster met een stukje spek aan eene
+vork insmeerde, en haar jonge meester met zekere trotschheid aanziende.
+
+"Zooals hij schrijven kan! En lezen ook! En dan 's avonds hier te
+komen en ons zijne lessen te leeren. Het is waarlijk om er pleizier
+in te hebben."
+
+"Maar, Tante Chloe, ik krijg een geweldigen honger," zeide George. "Is
+de koek in de ketel niet haast klaar?"
+
+"Haast, jongeheer George," antwoordde Tante Chloe, het deksel
+oplichtende en eens kijkende. "Hij bruint al mooi--heerlijk
+bruin. Vertrouw dat maar aan mij. Mevrouw liet Sally laatst eens
+probeeren om een koek te maken, om haar te laten leeren, zeide zij. Och
+loop heen, Mevrouw," zei ik. "Het gaat mij waarlijk aan het hart,
+om dat goede eten zoo te zien bederven! De koek is alles aan één kant
+gerezen--geen fatsoen aan, niet meer dan mijn schoen. Loop heen."
+
+Met deze laatste uitdrukking van minachting voor Sally's
+onbedrevenheid, nam Chloe het deksel van den ketel en ontblootte zoo
+een heerlijk gebakken koek, waarvoor geen stadspasteibakker zich had
+behoeven te schamen. Daar deze koek blijkbaar de hoofdzaak van het
+onthaal moest wezen, begon Tante Chloe nu met drukte de tafel gereed
+te maken.
+
+"Hier gij, Mozes en Peter, uit den weg, gij, negers! Weg, Polly,
+liefje, maatje zal haar kleintje zoo meteen wat geven. Nu, jongeheer
+George, neem nu die boeken maar weg en ga bij mijn ouden man zitten,
+dan zal ik de saucijzen opdoen, en zult ge in minder dan een oogenblik
+het eerste baksel geroosterde koekjes op uw bord hebben."
+
+"Zij wilde hebben dat ik in huis zou eten," zeide George, "maar ik
+wist mijn weetje te wel, om dat te doen, Tante Chloe!"
+
+"Ja, dat deedt ge zeker," zeide zij, hem eenige snikheete koekjes op
+zijn bord schuivende. "Gij weet wel dat uwe oude tante het beste voor
+u bewaart. Dat weet gij wel--loop heen!"
+
+Daarmede gaf zij George schertsende een duwtje met haar vinger en
+keerde zich toen met vernieuwden ijver weder naar den rooster.
+
+"Nu aan den ketelkoek," zeide George, toen de geroosterde koekjes
+nagenoeg op waren, en meteen zwaaide hij een groot mes over het
+bedoelde gebak.
+
+"Halt, jongeheer George!" zeide Tante Chloe zeer ernstig en hield
+tegelijk zijn arm vast. "Woudt ge hem met dat groote zware mes gaan
+snijden? Gij zoudt hem geheel in elkaar drukken en al het mooi van
+het rijzen bederven. Hier heb ik een oud dun mes, dat ik er met
+opzet scherp voor houd. Daar, ziet ge, dat gaat er door, zoo licht
+als een veertje. Eet nu maar,--ge zult niet licht iets krijgen dat
+lekkerder is."
+
+"Tom Lincoln zegt," zeide George, met een vollen mond sprekende,
+"dat hunne Jenny beter keukenmeid is dan gij."
+
+"Die Lincolns hebben niet veel te beduiden," zeide Tante Chloe
+verachtelijk; "ik meen naast ons huis. De lieden zijn fatsoenlijk
+genoeg, op eene soort van eenvoudige manier, maar om iets met staatsie
+op te maken, daar hebben zij geen begrip van. Zet jongeheer Lincoln--nu
+eens naast jongeheer Shelby--och och! En Mevrouw Lincoln--kan zij zoo
+de kamer inkomen als mijne mevrouw--met zulk eene soort van staatsie,
+weet ge? Och loop heen--praat me niet van de Lincolns."
+
+"Wel, ik heb u toch hooren zeggen," hervatte George, "dat Jenny eene
+goede keukenmeid was."
+
+"Dat heb ik ook gezegd en dat mag ik zeggen. Een goeden, eenvoudigen
+pot kan Jenny koken, en hare korenkoekjes zijn wel niet extra,
+maar zij schikken,--zij schikken. Maar, och, kom eens hooger, en
+wat kan zij dan? Zij kan taarten maken,--zeker dat doet zij; maar
+wat voor soort van korst? Kan ze het echte brosse deeg maken, dat
+zoo luchtig is als schuim en in den mond wegsmelt? Ik ben daar eens
+naar toe geweest, toen Miss Mary zou gaan trouwen, en Jenny liet me de
+bruiloftstaarten zien. Jenny en ik zijn goede vriendinnen, weet ge? Ik
+zei niets; maar loop heen, jongeheer George! Wel ik zou er geene week
+van kunnen slapen, als ik zulk een baksel taarten gemaakt had. Neen,
+ze konden er volstrekt niet door."
+
+"En Jenny zal al gedacht hebben, dat ze heel lekker waren," zeide
+George.
+
+"Of ze dat dacht? Zij was immers zoo onnoozel om ze nog te laten
+zien. Gij ziet, daar ligt het aan; Jenny weet het niet. Och, de familie
+beduidt niets; men kan niet verwachten dat zij het weet. Het is hare
+schuld niet. O jongeheer George, gij kent nog niet half het voorrecht
+van uwe familie en uwe opvoeding." En tante Chloe slaakte een zucht,
+en liet van aandoening het wit harer oogen zien.
+
+"O zeker Tante Chloe, ik begrijp al mijne taart- en koek-voorrechten,"
+zeide George. "Vraag Tom Lincoln maar, of ik er hem niet mee plaag,
+zoo dikwijls ik hem zie."
+
+Tante Chloe liet zich op haren stoel zakken, en lachte over deze
+geestigheid van haren jongen meester tot haar de tranen over de
+zwarte blinkende wangen rolden. Nu en dan hield zij even op, om George
+schertsend een klap of stoot te geven, en hem te commandeeren om weg
+te loopen, en te zeggen, dat hij zeker nog eens haar dood zou zijn:
+tusschen welke akelige voorspellingen zij telkens weder in eene nieuwe
+vlaag van lachen uitbarstte, elk harder en langer dan de vorige, totdat
+George werkelijk begon te denken dat hij een gevaarlijk geestige jongen
+was, en moest oppassen om niet zóó grappig te zijn als hij wel kon.
+
+"Ei zoo, hebt gij er Tom over gesproken? Och, wat doen die jongens
+niet al. Wel heb ik ooit! Een paardenvlieg zou er om moeten lachen."
+
+"Ja," zeide George, "ik zei: Tom, gij moest Tante Chloe's taarten
+eens zien; dat is rechte taart."
+
+"Jammer dat Tom het niet kon," zeide Tante Chloe, op wier menschlievend
+hart de ongelukkige onkunde van Tom een diepen indruk scheen te
+maken. "Gij moet hem hier eens ten eten vragen, jongeheer George,"
+vervolgde zij, "dat zou lief van u zijn. Gij weet wel, jongeheer
+George, gij moogt u boven niemand verheffen op uwe voorrechten,
+omdat al onze voorrechten ons gegeven zijn. Dat moeten wij altijd
+onthouden," zeide Tante Chloe met een zeer ernstig gezicht.
+
+"Wel, ik zal Tom aanstaande week eens hier vragen," zeide George;
+"en doe dan uw best, Tante Chloe, dan zullen wij hem eens laten
+opkijken. He! zullen we hem niet zoo laten eten, dat hij het in geen
+veertien dagen te boven komt?"
+
+"Ja, ja, zeker," zeide Tante Chloe opgetogen. "Gij zult eens
+zien! O! als ik nog aan sommige van onze diners denk! Heugt u nog die
+groote keukenpastei, die ik maakte, toen wij generaal Knox ten eten
+hadden? Ik en mevrouw kregen toen haast ruzie over de korst. Wat
+de dames somtijds in het hoofd krijgen weet ik niet; maar juist
+als iemand het machtig druk en veel te verantwoorden heeft, nemen
+zij den tijd waar om in den weg te loopen en overal tusschen te
+willen komen. Nu wilde Mevrouw mij dit zóó laten doen en dat zóó,
+en eindelijk werd ik vrijpostig en zeide: nu, Mevrouw, zie eens naar
+die mooie witte handen van u met lange vingers, en overal schitterende
+van ringen gelijk mijne witte leliën als de dauw er op ligt; en zie
+dan naar mijne groote zwarte stomperige handen. Denkt ge nu niet dat
+de Heer mij moet bedoeld hebben om taartenkorst te maken, en u om in
+de voorkamer te blijven? Ja, zoo vrijpostig was ik, jongeheer George!"
+
+"En wat zei moeder toen?" vroeg George.
+
+"Wat zij zeide? Wel, zij lachte met hare oogen, die mooie groote oogen,
+die zij heeft; en toen zeide ze: "Wel, Tante Chloe, ik denk dat gij
+eenigszins gelijk hebt." Dat zei ze en ging naar de voorkamer. Zij had
+mij een gat in het hoofd moeten slaan, omdat ik zoo onbeschaamd was;
+maar zoo is het--met dames in de keuken kan ik niets uitrichten."
+
+"Nu, gij hebt het toch goed gemaakt met dat diner. Ik weet nog wel
+dat iedereen dat zeide."
+
+"Heb ik niet? En was ik niet achter de deur van de eetzaal dienzelfden
+dag; en zag ik den generaal niet driemaal zijn bord geven, om nog
+meer van diezelfde taart; en zeide hij niet: "Gij moet eene ongemeene
+keukenmeid hebben, Mevrouw Shelby?" O! ik dacht dat ik barsten zou!"
+
+"En de generaal weet wat koken is," vervolgde Tante Chloe, zich
+trotsch oprichtende. "Heel fatsoenlijk man, die generaal! Hij komt van
+eene der eerste familiën in Oud-Virginië! Hij heeft er verstand van,
+zoo goed als ik--die generaal. Weet ge, elke taart heeft haar eisch,
+jongeheer George; maar het is niet iedereen, die weet wat er de eisch
+van is. Maar de generaal weet het; dat hoorde ik aan wat hij er van
+zeide. Ja, hij weet er den eisch van."
+
+Thans was de jongeheer George zoover gekomen, als zelfs een jongen (in
+buitengewone gevallen) komen kan, zoover namelijk, dat hij inderdaad
+geen brok meer kon eten; en had dus den tijd om op den hoop wollige
+kroeskoppen en glinsterende oogen te letten, die in den anderen hoek
+zijn bedrijf hongerig gadesloegen.
+
+"Hier, gij, Mozes en Peter," zeide hij, milde stukken voor hen
+afbrekende. "Gij lust ook wel wat, niet waar? Kom, Tante Chloe,
+bak nog wat koekjes voor hen."
+
+George en Tom kozen nu een gemakkelijk plaatsje in het hoekje van den
+haard, terwijl Tante Chloe, na een goeden stapel koekjes te hebben
+gebakken, haar kleintje op haren schoot nam, en aan het werk ging om
+beurtelings haar eigen mond en dien van het wichtje te vullen, en aan
+hare twee jongens uit te deelen, die hunne portie liefst schenen op
+te eten, terwijl zij onder de tafel over den grond rolden en elkander
+krieuwelden of het schootkindje bij de beenen trokken.
+
+"O, loopt heen, zal je!" zeide de moeder, nu en dan in den blinde een
+schop onder de tafel gevende, als de beweging al te erg werd. "Kunt ge
+u niet ordentelijk houden als er blanke menschen bij ons komen? Houdt
+op daarmee, zal je? Pas op, ik zal je een knoopsgat lager maken,
+als de jongeheer George weg is."
+
+Wat dit verschrikkelijke dreigement eigenlijk beteekende, is moeielijk
+te raden; maar de geduchte onduidelijkheid er van scheen toch zeer
+weinig indruk op de aangesproken kleine zondaars te maken.
+
+"Och," zeide Oom Tom, "zij zijn zoo vol pret, dat zij zich niet goed
+kunnen houden."
+
+Nu kwamen de jongens onder de tafel vandaan en begonnen met
+welbestroopte gezichten, het kleine zusje te zoenen.
+
+"Loopt heen!" zeide de moeder, hunne kroeskoppen wegduwende. "Ge
+zult allen aan elkander blijven plakken en nooit weer van elkaar
+loskomen. Loopt naar de bron en gaat uw gezicht wasschen!"
+
+Zij bekrachtigde hare vermaning met een klap, die geducht klonk,
+maar toch de jongens slechts des te harder scheen te doen lachen,
+terwijl zij over elkander de deur uittuimelden, om hunne pret buiten
+uit te gieren.
+
+"Hebt gij ooit zulke lastige jongens gezien?" zeide Tante Chloe,
+maar met zeker welbehagen naar het scheen, nam vervolgens een ouden
+handdoek, voor zulke dringende gevallen bewaard, schonk het water
+uit den gebarsten trekpot daarop, en begon de stroop van het kleine
+gezichtje af te wrijven. Nadat zij het kind gepoetst had tot het
+blonk, zette zij het Tom op zijne knie, terwijl zij de tafel ging
+opruimen. Het wichtje gebruikte dien tijd om Tom bij zijn neus te
+trekken, in zijn gezicht te krabben, en de dikke handjes in zijn
+wollig haar te verwarren, waarin het vooral vermaak scheen te hebben.
+
+"Is het niet een nest van een meid?" zeide Tom, haar op armslengte van
+zich afhoudende, om haar eens geheel te overzien; en toen opstaande,
+zette hij de kleine op zijn breeden schouder en begon met haar te
+springen en te dansen, terwijl George met zijn zakdoek naar haar
+sloeg, en Mozes en Peter, die teruggekomen waren, haar als beren
+aanbromden, tot Tante Chloe verklaarde dat haar hoofd spleet van
+het leven. Daar echter volgens haar eigen zeggen, hetzelfde ongeluk
+dagelijks plaats had, deed deze verklaring de vroolijkheid niet
+verminderen, totdat iedereen zich zelven tot bedaren had gedanst,
+gesprongen en geschreeuwd.
+
+"Wel, nu hoop ik dat gij gedaan hebt," zeide Tante Chloe, die in eene
+soort van pakkist, welke zij onder het bed weghaalde, nog een bed
+had opgemaakt. "Komt aan, Mozes en Peter, maakt dat gij er in komt,
+want er is eene meeting van avond."
+
+"O moeder, dat willen wij niet. Wij wilden liever opblijven. De
+meeting is zoo aardig."
+
+"Och, Tante Chloe, schuif het weer weg en laat hen maar opblijven,"
+zeide George, de kist alreeds een duw gevende.
+
+Tante Chloe, aldus een schijn van ordelievendheid bewaard hebbende,
+scheen blijde dat zij het ding weder weg kon schuiven en zeide,
+terwijl zij dit deed: "Wel, misschien zal het hun nog wel goed doen."
+
+Men trad nu in ernstig overleg, om aanstalten voor de bijeenkomst
+te maken.
+
+"Hoe wij het nu met stoelen zullen maken, verklaar ik niet te weten,"
+zeide Tante Chloe.
+
+Daar echter de bijeenkomst sedert onheuglijken tijd wekelijks bij
+Oom Tom gehouden was, zonder dat men meer stoelen had gehad, scheen
+men te mogen hopen, dat de zaak zich nu ook wel zou schikken.
+
+"Oude Oom Peter heeft verleden week twee pooten van dien ouden stoel
+afgewrongen," merkte Mozes aan.
+
+"Loop heen! Ik geloof zeker, dat gij ze er afgebroken hebt," zeide
+zijne moeder.
+
+"O, hij kan nog wel staan, als hij maar vlak tegen den muur wordt
+gezet."
+
+"Dan moet Oom Peter er niet op gaan zitten, omdat hij altijd hobbelt
+als hij aan het zingen komt," zeide Peter. "Laatst hobbelde hij bijna
+de geheele kamer door."
+
+"Toe! laat hij er dan op zitten", viel Mozes er op in. "He! dan begint
+hij: "Komt, heiligen en zondaars!" en dan tuimelt hij omver."
+
+Mozes bootste den neusklank des ouden mans zeer getrouw na en liet zich
+op den grond vallen, om een voorbeeld van de verwachte grap te geven.
+
+"Kom, wees ordentelijk!" zeide Tante Chloe. "Schaamt gij u niet?"
+
+De jongeheer George lachte echter met den kleinen zwarten deugniet
+mede, en verklaarde volmondig dat Mozes een "platje" was, zoodat de
+moederlijke vermaning weinig baatte.
+
+"Wel, oude man," zeide Tante Chloe, "dan moeten wij de vaatjes maar
+weer nemen."
+
+Er werden twee ledige vaten binnengerold, en nadat deze met steenen
+waren vastgezet, legde men er planken dwars overheen. Met dezen
+toestel, benevens het omkeeren van eenige tobben en emmers, en het
+plaatsen der wrakke stoelen, waren de toebereidselen voltooid.
+
+"De jongeheer George is zulk een heerlijk lezer," zeide Tante Chloe
+nu. "Zeker zal hij wel willen blijven om voor ons te lezen; dat zou
+zooveel stichtelijker zijn."
+
+George gaf bereidwillig zijne toestemming, want een jongen is altijd
+gereed voor iets dat hem tot een persoon van gewicht maakt.
+
+Weldra werd het vertrek gevuld met eene zeer gemengde vergadering van
+den grijzen patriarch van tachtig jaren tot het jonge meisje en den
+knaap van vijftien. Men had een onschuldig praatje over allerlei
+onderwerpen, zooals: waar oude Tante Sally haar nieuwen rooden
+hoofddoek had gekregen, en aan wie Mevrouw Lizzy haar mousselinen
+japon zou geven, als zij haar nieuwe zijden had laten maken en hoe de
+jongeheer Shelby een bruin veulen zou koopen, dat de staatsie van het
+huishouden zou vergrooten. Eenige aanwezigen behoorden tot familiën in
+de nabijheid en brachten eenige belangrijke berichten mede aangaande
+het zeggen en doen in huis en op het goed, die even vaardig rondgingen
+als dezelfde soort van kleine munt in hoogere kringen doet.
+
+Na een poosje begon het zingen, tot blijkbaar genoegen van alle
+aanwezigen. Zelfs de leelijke gewoonte om door den neus te zingen,
+kon den indruk der inderdaad fraaie stemmen en der tegelijk wilde
+en levendige melodiën niet bederven. De woorden waren somtijds de
+gewone welbekende liederen, die in de kerken in het rond gezongen
+werden, maar hadden ook somtijds een meer dwependen toon en waren
+bij veldpredicatiën gehoord en aangeleerd.
+
+Het koor van een dier liederen luidde als volgt en werd met bijzondere
+kracht en stichting gezongen:
+
+
+ "Sterven op het slagveld,
+ Sterven op het slagveld,
+ Heerlijkheid in mijne ziel."
+
+
+In een ander geliefkoosd lied werden dikwijls de woorden herhaald:
+
+
+ "'k Ga nu naar de heerlijkheid:
+ Gaat gij met mij mee?
+ Ziet gij d'engelen niet wenken
+ Naar de heilige stee?
+ Ziet gij niet de gouden muren,
+ Waar de dag zal duren?"
+
+
+Er waren nog andere, waarin gedurig melding werd gemaakt van den
+"oever des Jordaans", "de velden Kanaäns", en het "nieuwe Jeruzalem",
+want het hartstochtelijke gemoed des negers schept vooral behagen
+in levendige, schilderachtige voorstellingen en uitdrukkingen; en
+terwijl zij zongen, begonnen sommigen te lachen, anderen te schreien,
+en sommigen klapten in de handen, of drukten elkander met verrukking
+de hand, als hadden zij de overzijde der rivier reeds bereikt.
+
+Verschillende vermaningen en verhalen van bevindingen volgden daarop,
+telkens weder met zingen afgewisseld. Eene oude vrouw, die al lang
+niet meer werken kon, maar als eene soort van kroniek van het verledene
+werd geëerd, stond op, en op haar stok leunende zeide zij:
+
+"Wel, kinderen, wel, ik ben machtig blijde, u allen nog eens te zien
+en te hooren, omdat ik niet weet wanneer ik naar de heerlijkheid zal
+gegaan zijn; maar ik heb mij geheel klaargemaakt, kinderen; het is
+alsof ik mijn pakje al gemaakt had en mijn hoed op, zoo wachtende
+tot de postwagen langs komt en mij medeneemt naar huis. Somtijds in
+den nacht, denk ik dat ik de wielen al hoor ratelen; en al dien tijd
+zie ik uit. Weest ook maar gereed, want ik zeg u allen, kinderen," en
+daarbij stampte zij met haar stok op den vloer, "dat die heerlijkheid
+een machtig ding is! Het is een machtig ding, kinderen--gij weet er
+nog niets van--het is wonderbaar!"
+
+En de oude vrouw zette zich weder neder, overstelpt van aandoening
+en met een stroom van tranen, terwijl de geheele kring aanhief:
+
+
+ "O Kanaän, schoon Kanaän,
+ Ik ga naar 't land van Kanaän!"
+
+
+De jongeheer George las daarna op verzoek de laatste hoofdstukken der
+Openbaring, dikwijls gestoord door zulke uitroepingen als: "Dat zijn
+de beloften nu!"--"Hoor dat nu eens!"--"Denk daar eens aan!"--"Zal
+dat alles zeker komen?"
+
+George, die een schrandere jongen was, en door zijne moeder wel in
+godsdienstige zaken onderwezen werd, voegde er, nu hij zich een
+voorwerp van algemeene bewondering zag, van tijd tot tijd eenige
+aanmerkingen tusschen, met een loffelijken ernst en eene deftigheid,
+waarvoor hij door de jongen bewonderd en door de ouden gezegend
+werd. Algemeen zeide men, "dat een dominee niet beter kon uitleggen
+dan hij deed", en dat het "waarlijk verbazend was."
+
+Oom Tom werd in den omtrek voor een soort patriarch gehouden. Daar hij
+zeer geregeld leefde en zijn geest zoowel krachtiger als meer beschaafd
+was dan die zijner makkers, zag men met eerbied, als een leeraar en
+voorganger, tot hem op: en het eenvoudige, hartelijke en oprechte
+zijner vermaningen had zelfs menschen van betere opvoeding kunnen
+stichten. Maar het was vooral in het bidden, dat hij uitmuntte. Niets
+kon de treffende eenvoudigheid en den kinderlijken ernst overtreffen
+van zijn gebed, in de taal der Heilige Schrift gekleed, welke hem
+zoo eigen was geworden, dat zij hem van de lippen scheen te vloeien,
+zonder dat hij zelf het wist. Zoo sterk werkte zijn gebed altijd op
+het godsdienstig gevoel zijner hoorders, dat er dikwijls gevaar scheen
+te bestaan, dat het geheel onhoorbaar zou worden door den overvloed
+van uitroepingen, die overal om hem heen uitbarstten.
+
+
+
+Terwijl dit tooneel in de hut van den dienaar plaats had, had men in
+de woning van zijn meester van een geheel ander getuige kunnen zijn.
+
+De handelaar en Mr. Shelby zaten bij elkander in de bovenvermelde
+eetzaal, aan eene tafel met papieren en schrijfgereedschap.
+
+"Alles in orde," zeide de handelaar. "Nu nog maar deze teekenen."
+
+Shelby haalde haastig de koopbrieven naar zich toe en teekende ze,
+als een man die spoedig eene onaangename zaak wil afdoen. Haley
+haalde uit een versleten valies een perkament, dat hij, na het even
+te hebben ingezien aan Shelby overgaf, die het met een gretigheid,
+welke hij vruchteloos poogde te ontveinzen, aannam.
+
+"En nu is de zaak gedaan," zeide de handelaar opstaande.
+
+"Ja, gedaan!" zeide Shelby binnensmonds, en na diep adem te hebben
+gehaald, zeide hij nog eens: "het is gedaan!"
+
+"Gij schijnt er niet zeer mee in uw schik te zijn, naar het mij
+voorkomt," zeide de handelaar.
+
+"Haley," antwoordde Shelby, "gij zult hoop ik onthouden, dat gij op
+uwe eer hebt beloofd dat gij Tom niet zult verkoopen, zonder te weten
+in welke soort van handen hij komt."
+
+"Wel, dat hebt ge daar juist gedaan, Mijnheer," zeide de handelaar.
+
+"Omstandigheden, zooals gij weet, hebben mij gedwongen," antwoordde
+Shelby trotsch.
+
+"Wel, gij weet, zij kunnen mij ook dwingen," zeide de
+handelaar. "Evenwel, ik zal mijn best doen, zooveel ik kan, om Tom
+eene goede plaats te bezorgen; en dat ik hem slecht zou behandelen,
+daarvoor behoeft ge niet bang te zijn. Als er iets is waarvoor ik
+onzen lieven Heer dank, is het dat ik nooit wreed ben."
+
+Na de uitweiding over zijne menschlievendheid, welke de handelaar
+vroeger had gedaan, gevoelde Shelby zich door deze verklaring niet
+zeer gerustgesteld; maar daar zij de beste troost was dien het geval
+veroorloofde, liet hij Haley stilzwijgend vertrekken en bleef in
+eenzaamheid zijne sigaar rooken.
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+WAT LEVENDE KOOPWAAR GEVOELT BIJ VERWISSELING VAN EIGENAAR.
+
+
+Shelby en zijne vrouw hadden zich naar hun slaapvertrek begeven. Hij
+zat nog in een grooten leuningstoel eenige brieven door te zien,
+welke de namiddagpost had medegebracht, terwijl zij voor haren
+spiegel stond en de kunstige vlecht losmaakte, waarin Eliza haar het
+haar had gestrengeld; want op de bleeke wangen en holle oogen harer
+kamenier lettende, had zij deze van die taak ontslagen en naar bed
+gezonden. Hare bezigheid bracht haar, natuurlijk genoeg, haar gesprek
+met Eliza in de gedachten, en zich naar haren echtgenoot keerende,
+zeide zij losweg:
+
+"Apropos, wie was toch die ongemanierde kerel, dien gij vandaag bij
+ons aan tafel hebt gebracht?"
+
+"Hij heet Haley," antwoordde Shelby, zich onrustig op zijnen stoel
+verschuivende en de oogen strak op een brief gevestigd houdende.
+
+"Haley! Wie is dat, en wat kan hij hier te doen hebben?"
+
+"Och, hij is iemand met wien ik eenige zaken heb gedaan, toen ik
+laatst naar Natchez was."
+
+"En dat maakte hem zoo vrijpostig om hier te komen eten en te doen
+alsof hij thuis was?"
+
+"Wel, ik had hem gevraagd--ik had eene rekening met hem te sluiten,"
+zeide Shelby.
+
+"Is hij een slavenhandelaar?" zeide Mevrouw Shelby, nu op zekere
+verlegenheid in het voorkomen van haren man lettende.
+
+"Maar, lieve, wat heeft dat in uw hoofd gebracht?" antwoordde Shelby
+opziende.
+
+"Niets, behalve dat Eliza na het diner zeer ontsteld en schreiende hier
+kwam, en zeide dat gij met een handelaar aan het spreken waart, en dat
+zij hem een bod had hooren doen naar heur kind--dat onnoozele gansje!"
+
+"Zoo, zeide zij dat?" zeide Shelby, den brief weder opnemende, waarop
+hij een poos al zijne aandacht scheen te vestigen, niet bemerkende
+dat hij dien het onderste boven hield.
+
+"Het moet nu maar uitkomen," zeide hij bij zich zelven; "nu zoo goed
+als ooit."
+
+"Ik zeide Eliza," hervatte Mevrouw Shelby, "dat zij een zottinnetje
+was en dat gij nooit iets met zulke menschen te doen hadt. Ik wist
+natuurlijk wel, dat gij nooit een van onze lieden zoudt willen
+verkoopen, vooral niet aan zulk een kerel."
+
+"Ja, Emily, dat heb ik altijd gedacht en gezegd," antwoordde haar
+echtgenoot; "maar de waarheid is, dat mijne zaken zoo gesteld zijn,
+dat ik het niet laten kan. Ik zal eenigen van mijne lieden moeten
+verkoopen."
+
+"Aan dat schepsel? Onmogelijk! Dat kunt gij niet ernstig meenen."
+
+"Het spijt mij het te moeten zeggen. Ik heb toegestemd om Tom te
+verkoopen."
+
+"Wat, onzen Tom? Dien goeden, trouwen man--die van kind af uw trouwe
+dienaar is geweest? O Shelby--en gij hebt hem nog zijne vrijheid
+beloofd--gij en ik hebben hem er honderdmalen van gesproken. Wel, nu
+kan ik alles gelooven; nu kan ik zelfs gelooven dat gij den kleinen
+Harry zoudt verkoopen, arme Eliza's eenig kind!" zeide Mevrouw Shelby
+op een toon tusschen smart en verontwaardiging.
+
+"Welnu,--daar gij alles weten moet--het is zoo. Ik heb toegestemd om
+Tom en Harry beiden te verkoopen; en ik weet niet waarom ik aangezien
+moet worden alsof ik een monster was, omdat ik doe wat iedereen alle
+dagen doet."
+
+"Maar waarom die te kiezen uit al de anderen?" zeide Mevrouw
+Shelby. "Waarom die te verkoopen van allen op het goed, als gij dan
+verkoopen moet?"
+
+"Omdat zij van allen den hoogsten prijs zullen opbrengen--dat is
+het waarom. Ik zou nog wel anders kunnen kiezen, als gij wilt. De
+kerel heeft mij een hoog bod voor Eliza gedaan, als dat u beter
+zou bevallen."
+
+"Die ellendeling!" riep Mevrouw Shelby met heftigheid uit.
+
+"Welnu, daar luisterde ik geen oogenblik naar. Om uw gevoel te sparen
+wilde ik niet. Dank mij tenminste daarvoor."
+
+"Vergeef mij, lieve!" zeide Mevrouw Shelby zich bedenkende. "Ik
+ben haastig geweest. Ik werd verrast en was geheel niet hierop
+voorbereid. Maar gij wilt mij toch wel voor die arme schepsels laten
+spreken. Tom is edelachtig en trouw, even ontwijfelbaar als hij
+zwart is. Ik geloof waarlijk dat hij zijn leven voor u laten zou,
+als het van hem gevergd werd."
+
+"Dat weet ik--dat zeg ik ook. Maar wat baat dat alles? Ik kan mij
+anders niet helpen."
+
+"Waarom offert gij niet iets anders op? Ik ben gewillig om mijn
+deel van ontbering te dragen. O Shelby, ik heb getracht--zoo getrouw
+getracht als eene Christelijke vrouw behoort te doen--om mijn plicht
+aan die arme, eenvoudige, afhankelijke schepsels te vervullen. Ik heb
+mij hunner aangetrokken, hen onderwezen; over hen gewaakt, en jarenlang
+al hunne kleine zorgen en genoegens gekend; en hoe kan ik ooit mijn
+hoofd weder onder hen ophouden, als wij om eene nietige winst zulk een
+trouw en vertrouwelijk dienaar als dien goeden Tom verkoopen, en hem in
+een oogenblik losrukken van alles wat wij hem hebben leeren liefhebben
+en waardeeren? Ik heb hem de plichten tusschen de leden eener familie,
+tusschen ouders en kinderen, tusschen man en vrouw leeren kennen;
+en hoe kan ik het nu aanzien, zoo openlijk te toonen dat wij ons om
+geen band, geen plicht, geene betrekking bekommeren als het om geld
+te doen is? Ik heb met Eliza over haar kind gesproken--over haren
+plicht jegens hem als eene Christelijke moeder, om over hem te waken,
+voor hem te bidden en hem Christelijk op te voeden, en wat kan ik
+nu zeggen als gij hem wegrukt en hem verkoopt met lichaam en ziel
+aan een slecht, goddeloos man, alleen om wat geld te besparen? Ik
+heb haar gezegd dat ééne ziel meer waard is dan al het geld op de
+wereld, en hoe zal zij mij gelooven, als zij ons ziet omkeeren en
+haar kind verkoopen?--verkoopen misschien tot zeker verderf voor
+lichaam en ziel!"
+
+"Het spijt mij dat gij het zoo voelt, Emily--waarlijk het spijt
+mij!" zeide Shelby hierop, "en ik eerbiedig uw gevoel ook, hoewel
+ik niet zeggen kan dat ik er ten volle in deel; maar ik zeg u nu
+plechtig: het baat niet, ik kan mij anders niet helpen. Ik had u dit
+niet willen zeggen, Emily, maar met ronde woorden: ik heb geen andere
+keus dan tusschen deze twee te verkoopen en alles te verkoopen. Zij
+moeten gaan of alles moet. Haley is in het bezit van eene hypoteek
+gekomen die, als ik ze niet terstond afdoe, alles zal wegnemen. Ik
+heb saamgeschraapt en geleend, bijna gebedeld--en de prijs van deze
+twee was nog noodig voor het tekort. Ik moest hen afstaan. Haley had
+zin in het kind, hij wilde de zaak zoo schikken en anders niet. Ik
+was in zijne macht, ik moest het doen. Als het u zoo verdriet dat
+zij verkocht worden, zou het dan beter zijn allen te verkoopen?"
+
+Mevrouw Shelby stond eene poos als versteend. Eindelijk zich omkeerende
+naar hare toilettafel, verborg zij haar gezicht in hare handen en
+slaakte een kermenden zucht.
+
+"Dat is Gods vloek op de slavernij!--een bitter, diep vervloekt
+ding!--een vloek voor den meester en een vloek voor den slaaf! Het
+was dwaas van mij te denken, dat ik iets goeds kon maken uit zulk een
+doodelijk kwaad. Het is eene zonde een slaaf te hebben onder wetten
+gelijk de onze. Ik heb altijd gevoeld dat het zoo was. Ik voelde het
+reeds als een kind, en nog meer toen ik in de kerk was gekomen; maar
+ik dacht dat ik het zou kunnen verbloemen en vergulden--ik dacht dat
+ik door goedheid, zorg en onderwijs dan toestand van mijne slaven en
+slavinnen beter zou kunnen maken dan de vrijheid! O hoe dwaas!"
+
+"Maar vrouw, gij wordt geheel een abolitionist."
+
+"Abolitionist! Als zij alles van de slavernij wisten wat ik weet,
+dan zouden zij kunnen spreken! Zij behoeven er ons niets van te
+zeggen. Gij weet wel dat ik nooit de slavernij voor rechtvaardig en
+goed heb gehouden--nooit genegen was om slaven in eigendom te hebben."
+
+"Daarin verschilt gij dan van vele wijze en godvruchtige lieden,"
+zeide Shelby. "Gij herinnert u de preek van Mijnheer B*** nog wel,
+verleden Zondag?"
+
+"Ik wil zulke preeken niet hooren. Ik hoop dien mijnheer B*** nooit
+weder in onze kerk te hooren. Predikers kunnen misschien het kwaad niet
+stuiten--kunnen het evenmin genezen als wij--maar het verdedigen!--dat
+streed altijd tegen mijn gezond verstand. En ik denk dat gij ook niet
+veel waarde aan die preek hebt gehecht."
+
+"Wel, ik moet zeggen," antwoordde Shelby, "dat die dominees de zaak
+somtijds verder drijven, dan wij arme zondaren eigenlijk zouden
+durven doen. Wij mannen van de wereld moeten voor sommige dingen de
+oogen dichtknijpen, en gewennen ons aan veel wat eigenlijk niet naar
+behooren is; maar het bevalt ons toch niet als vrouwen en dominees
+zoo volmondig spreken, en in zaken van zedenleer of bescheidenheid
+nog verder gaan dan wij. Maar nu, lieve, vertrouw ik dat gij de
+noodzakelijkheid inziet, en begrijpt dat ik het beste gedaan heb wat
+de omstandigheden veroorloofden."
+
+"O ja, ja," antwoordde Mevrouw Shelby haastig en futselde verstrooid
+met haar gouden horloge. "Ik heb geene juweelen van eenige waarde,"
+vervolgde zij peinzend, "maar zou dit horloge niet iets kunnen
+doen? Het was duur toen het gekocht werd. Als ik tenminste Eliza's
+kind kon redden, zou ik alles willen opofferen wat ik heb."
+
+"Het spijt mij, het spijt mij zeer, Emily," zeide Shelby, dat gij u
+dit zoo aantrekt; maar het kan niet baten. Om de waarheid te zeggen,
+Emily, het is gedaan, de koopbrief is reeds geteekend en in Haley's
+handen, en gij moet dankbaar zijn dat het niet erger is. De man had
+het in zijn macht om ons geheel te ruïneeren, en nu is hij voorgoed
+heen. Als gij den man zoo goed hadt gekend als ik, zoudt ge denken
+dat wij er nog gelukkig van zijn afgekomen."
+
+"Is hij dan zoo hardvochtig?"
+
+"Wel, hij is eigenlijk niet barbaarsch, maar een man zonder
+gevoel--een man, die om niets dan handel en voordeel denkt, zoo koud
+en onbarmhartig als de dood en het graf. Hij zou zijne eigene moeder
+verkoopen voor eene goede winst, en dat zonder de oude vrouw eigenlijk
+kwaad te willen doen."
+
+"En die ellendeling is nu eigenaar van onzen goeden, trouwen Tom en
+van Eliza's kind!"
+
+"Wel, lieve ik moet zeggen dat het mij zelf hard valt en ik er
+niet gaarne aan denk. Haley wil haast maken en morgen bezit van hen
+nemen. Ik zal vroeg mijn paard laten voorbrengen en uitrijden. Ik
+kan Tom niet meer zien; het is niet anders. En gij moest liefst een
+toertje gaan doen en Eliza medenemen. Laat het gedaan worden terwijl
+zij buiten 't gezicht is."
+
+"Neen, neen," antwoordde Mevrouw Shelby. "Ik wil in geenerlei opzicht
+medeplichtige of helpster bij deze wreedheid zijn. Ik zal den armen
+Tom, God helpe hem, gaan bezoeken in zijn droefheid. Zij zullen
+in allen gevalle zien dat hunne meesteres met hen en voor hen kan
+gevoelen. En Eliza--daaraan durf ik niet denken. De Heer vergeve
+ons! Wat hebben wij gedaan, dat deze wreede noodzakelijkheid ons
+overkomen moet?"
+
+Dit gesprek werd door iemand beluisterd, zonder dat de sprekers iets
+daarvan konden vermoeden.
+
+De kamer had eene groote kast, die met eene andere deur in de gang
+uitkwam. Toen Mevrouw Shelby Eliza wegzond, had deze in haren
+koortsachtigen angst om die kast gedacht. Daar verborgen en met
+haar oor dicht voor eene reet in de deur, had zij geen woord van het
+gesprokene gemist.
+
+Toen de stemmen zwegen, stond zij op en sloop stil heen. Bleek,
+huiverend, met strakke trekken en dichtgeknepen lippen, scheen zij een
+geheel ander wezen te zijn dan de zachtaardige, vreesachtige vrouw,
+die zij tot nog toe geweest was. Zij ging voorzichtig de gang langs,
+bleef een oogenblik staan voor de deur harer meesteres, hief in een
+stil gebed hare handen ten hemel op, en sloop toen even zacht naar hare
+eigene kamer. Deze was een stil, net vertrekje op dezelfde verdieping,
+waar haar meesteres sliep.
+
+Het had een zonnig venster met een fraai uitzicht, waarvoor zij
+dikwijls zingende zat te naaien; er stond een kastje met boeken en
+eenige kleine snuisterijen daartusschen gerangschikt, geschenken op
+Kerstdagen; daar had zij hare eenvoudige kleederen in de kast en de
+latafel; daar, kortom, was ze tehuis, en daar was zij over het geheel
+gelukkig geweest. Maar daar op het bed lag haar sluimerend kind,
+met de lange krullen achteloos over de gesloten oogjes, het roode
+mondje half geopend, de mollige handjes op het dek, en een glimlach
+als een zonnestraal over het geheele gezichtje.
+
+"Arme jongen! Arm kind!" zeide Eliza. "Zij hebben u verkocht; maar
+uwe moeder zal u nog redden."
+
+Geen traan viel op de peluw. In zulk eene benauwdheid heeft het hart
+geene tranen; het laat alleen bloed droppelen en bloedt in stilte
+ledig. Zij nam een stukje papier en schreef daarop haastig met potlood:
+
+"O, Mevrouw, lieve meesteres! houd mij niet voor ondankbaar--denk toch
+niet hard over mij. Ik heb alles gehoord wat gij en de meester van
+avond gezegd hebt. Ik ga beproeven of ik mijn kind kan redden--gij
+zult mij daarom niet veroordeelen. God zegene en beloone u voor al
+uwe goedheid."
+
+Haastig dit briefje gevouwen en geadresseerd hebbende, ging zij
+naar de latafel en maakte een pakje kleederen voor haar kind, dat
+zij met een zakdoek stevig om haar middel vastbond; en zoo teeder
+is het geheugen eener moeder, dat zij zelfs in den angst van dat uur
+niet vergat een paar geliefkoosde stukjes speelgoed in te pakken, en
+een bont geschilderd papegaaitje te bewaren om hem te vermaken, als
+zij hem zou moeten wekken. Het was eenigszins moeielijk den kleinen
+slaper wakker te krijgen; maar ten laatste zat hij toch overeind en
+speelde met zijn vogeltje, terwijl zijne moeder haar hoed opzette en
+haar doek omsloeg.
+
+"Waar gaat gij naar toe, moeder?" zeide hij, toen zij met zijn rokje
+en mutsje naar het bed kwam.
+
+Zijne moeder kwam nog nader en zag hem zoo ernstig in de oogen, dat
+de kleine terstond begreep dat het om iets buitengewoons te doen was.
+
+"Stil!" zeide zij. "Harry moet niet hard spreken of zij zullen ons
+hooren. Er zal een boos man komen, om den kleinen Harry van zijne
+moeder af te nemen en ver weg te brengen; maar moeder wil hem dat
+niet laten doen. Zij zal haar kindje aankleeden en met hem wegloopen,
+zoodat de leelijke man hem niet krijgen kan."
+
+Met deze woorden had zij haar knaapje zijn eenvoudig kleedje reeds
+aangetrokken. Zij nam hem op den arm, fluisterde hem nog eens toe dat
+hij heel stil moest wezen, opende de deur van hare kamer, die op de
+veranda uitkwam, en sloop zonder eenig gedruisch te maken naar buiten.
+
+Het was een heldere, vriezende nacht met sterrenlicht, en de moeder
+wikkelde haar doek om het kind, dat zich stom van onbestemden angst
+om haren hals vastklemde.
+
+De oude Bruno, een groote Newfoundlandsche hond, die aan het eind der
+veranda sliep, stond brommend op, toen zij naderde. Zij sprak zacht
+zijn naam uit, en het dier dat een oude lieveling en speelmakker van
+haar was, begon te kwispelstaarten en volgde haar, hoewel hij met
+zijnen eenvoudigen hondekop zeer ernstig scheen te overleggen wat
+zulk eene ongewone nachtwandeling moest beduiden. Eenige onbepaalde
+denkbeelden van het onvoorzichtige of onvoegzame daarvan schenen hem
+tamelijk te verbijsteren; want dikwijls bleef hij stilstaan en keek,
+terwijl Eliza voortsloop, twijfelend eerst naar haar en dan naar het
+huis, totdat hij, alsof hij zich door nadenken had gerustgesteld, haar
+weder natrippelde. Eenige minuten brachten beiden aan de woning van Oom
+Tom, waar Eliza bleef stilstaan en zachtjes tegen het venster tikte.
+
+De bijeenkomst bij Oom Tom had, vooral door het liederen zingen tot
+zeer laat geduurd, en daar Oom Tom naderhand nog eenige solo's had
+gezongen, was het gevolg dat hij en zijne vrouw, hoewel het nu tusschen
+twaalf en één uur was, wel te bed maar nog niet in slaap waren.
+
+"Lieve deugd! Wat is dat?" zeide Tante Chloe, overeind komende en
+haastig het gordijn opschuivende. "Al mijn tijd, als het Lizzy niet
+is! Kleed u aan, oude man, spoedig! En daar is de oude Bruno ook
+en krabt aan de deur. Wat op de wereld--! Ik zal de deur maar gaan
+opendoen."
+
+Toen zij deed wat zij zeide, bescheen het licht der kaars, die Tom
+haastig had aangestoken, het bleeke, angstige gelaat en de verwilderde
+oogen der vluchteling.
+
+"Heere zegen ons! Ik schrik als ik u aanzie, Lizzy! Zijt gij ziek,
+of wat is u overkomen?"
+
+"Ik loop weg Oom Tom en Tante Chloe en ik neem mijn kind mede. Meester
+heeft het verkocht."
+
+"Het verkocht?" herhaalden beiden, van ontzetting de handen opstekende.
+
+"Ja, het verkocht," antwoordde Eliza, op vasten toon. "Ik sloop
+van avond in de kast naast de deur van Mevrouw en toen hoorde ik
+meester haar vertellen, dat hij mijn Harry en u, Oom Tom, beiden aan
+een handelaar had verkocht, en dat hij van morgen te paard uitreed,
+en dat die man vandaag bezit van u zou nemen."
+
+Tom was onder deze gezegden met opgeheven handen en wijd starende oogen
+blijven staan. Langzamerhand, toen hij begreep wat zij beteekenden,
+zakte hij op zijn stoel neer, en zonk zijn hoofd op zijne knieën.
+
+"Onze lieve Heer zij ons genadig!" zeide Tante Chloe. "Maar o, het
+klinkt alsof het niet waar was. Wat heeft hij gedaan, dat meester
+hem verkoopen zou?"
+
+"Hij heeft niets gedaan--daar is het niet om. Meester wilde niet
+verkoopen, en Mevrouw--zij is altijd goed. Ik hoorde haar voor ons
+spreken en bidden; maar hij zeide haar dat het niet baten kon--dat
+hij bij dien man in schuld was, en dat die man macht over hem had,
+en dat hij, als hij hem niet geheel afbetaalde, eindelijk de geheele
+plaats en al de lieden zou moeten verkoopen. Ja, ik hoorde hem zeggen
+dat hij geene andere keus had dan tusschen deze twee te verkoopen of
+allen--zoo hard drong hem die man. Meester zeide dat het hem speet;
+maar Mevrouw--o, gij hadt haar moeten hooren! Als zij geene Christin
+en geen engel is, dan is er nooit een geweest. Ik ben slecht dat ik
+haar zoo verlaat; maar ik kan toch niet anders. Zij heeft zelve gezegd,
+dat ééne ziel meer waard is dan de wereld; en dit kind heeft eene ziel,
+en als ik hem laat wegbrengen, wie weet wat er dan van worden zal? Het
+moet goed wezen; maar als het niet goed is, moge de Heer mij vergeven,
+want ik kan het niet laten."
+
+"Wel oude man," zeide Tante Chloe, "waarom gaat gij ook niet? Wilt
+ge wachten tot ge de rivier wordt afgebracht, waar zij de negers
+vermoorden met zwaar werken en honger lijden? Ik zou altijd veel
+liever willen sterven dan daarheen gaan. Gij hebt nog tijd. Ga met
+Lizzy mee. Gij hebt een vrijpas om overal heen te gaan. Kom, maak u
+klaar, en ik zal uw goed bijeenpakken."
+
+Tom beurde zijn hoofd op, zag treurig maar bedaard in 't rond,
+en zeide:
+
+"Neen, neen, ik ga niet. Laat Eliza gaan. Voor haar is het goed. Ik wil
+de man niet wezen, om neen daartegen te zeggen. Het is niet natuurlijk
+voor haar dat zij blijven zou. Maar gij hoort wat zij zegt. Als ik
+verkocht moet worden of alles hier op de plaats, laat ik dan verkocht
+worden. Ik denk dat ik het dragen kan zoo goed als iemand anders,"
+vervolgde hij, terwijl iets tusschen een zucht en een snik zijne
+breede borst stuipachtig deed zwoegen. "Meester heeft mij altijd
+gereed gevonden--en dat zal hij altijd. Ik heb nooit vertrouwen
+geschonden of mijn vrijpas tegen mijn woord gebruikt, en dat zal
+ik nimmer. Het is beter dat ik alleen ga, dan dat de geheele plaats
+opgebroken en alles verkocht wordt. Meester is niet te laken, Chloe,
+en hij zal wel voor u zorgen, en voor de arme...."
+
+Hij zag naar het bed met de slapende kroeskoppen, en nu bezweek
+hij. Over den rug van zijn stoel leunende, bedekte hij zijn gezicht
+met zijne groote grove handen. Snikken, zwaar, schor en luid, deden
+den stoel beven, en groote tranen vielen tusschen zijne vingers op
+den grond--zulke tranen, Mijnheer, als gij hebt laten vallen op de
+doodkist, waarin uw eerstgeboren zoon lag; zulke tranen, Mevrouw,
+als gij geschreid hebt bij het benauwde krijten van uw stervend
+kind. Want, Mijnheer, hij was een man, en gij zijt ook een man: en
+Mevrouw, schoon in zijde en met juweelen gekleed, gij zijt maar eene
+vrouw, en in het diepste leed des levens voelt gij maar dezelfde smart!
+
+"En nu", zeide Eliza, bij de deur staande, "ik heb mijn man pas van
+middag gezien en wist toen weinig wat er komen zou. Zij hebben hem
+tot het uiterste gedreven, en hij zeide mij vandaag dat hij zou
+wegloopen. Beproef toch, als gij kunt, om hem eene boodschap te
+bezorgen. Zeg hem hoe ik heenging en waarom ik heenging; en zeg hem
+dat ik zal beproeven om Canada te vinden. Gij moet mijn liefderijken
+groet aan hem doen en hem zeggen als ik hem nooit wederzie"--zij
+keerde zich om, bleef een oogenblik met den rug naar hem toe staan,
+en vervolgde toen met eene heesche stem: "zeg hem dat hij zoo goed
+moet zijn als hij kan, en zijn best doen om mij in het koninkrijk
+der hemelen weder te zien."
+
+"Roep Bruno hier binnen," zeide zij nog, "en doe de deur dicht. Hij
+moet niet met mij meeloopen, het goede beest."
+
+Nog eenige laatste woorden en tranen, nog eenige eenvoudige zegenbeden,
+en haar verbaasd en beangstigd kind in hare armen sluitende, sloop
+zij stil heen.
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+DE ONTDEKKING.
+
+
+Mr. Shelby en zijne vrouw konden, na het langgerekte gesprek van den
+vorigen avond, niet spoedig tot rust komen, en het gevolg daarvan was,
+dat zij den volgenden morgen wat langer dan gewoonlijk bleven slapen.
+
+"Het verwondert mij waarom Eliza niet komt," zeide Mevrouw Shelby,
+nadat zij verscheidene malen vruchteloos aan hare schel had getrokken.
+
+Shelby stond voor zijnen spiegel, bezig met zijn scheermes aan te
+zetten; en juist toen werd de deur geopend en kwam een zwarte jongen
+binnen om zijn meester heet water te brengen.
+
+"Andy," zeide zijne meesteres, "ga eens naar Eliza's deur, en zeg
+haar dat ik al driemaal om haar gescheld heb. Arme ziel!" voegde zij
+er bij zich zelve zuchtend bij.
+
+Andy kwam spoedig terug met groote oogen van verbazing.
+
+"O Mevrouw! Lizzy's laden staan alle open, en al haar goed ligt overal
+in het rond, en ik geloof dat zij de deur uit is."
+
+Op hetzelfde oogenblik begrepen Shelby en zijne vrouw beiden de
+waarheid.
+
+"Dan heeft zij het vermoed en is weggeloopen," riep hij uit.
+
+"Dat geloof ik ook. God zij gedankt!" zeide Mevrouw Shelby.
+
+"Vrouw, gij spreekt als eene zottin. Het zal er inderdaad leelijk
+voor mij uitzien als zij het gedaan heeft. Haley zag dat ik er tegen
+had om dat kind te verkoopen, en zal nu denken dat ik oogluikend
+heb toegelaten hem uit den weg te helpen. Dat raakt mijne eer!" En
+daarmede snelde hij de kamer uit.
+
+Omtrent een kwartier lang hoorde men heen en weer loopen en eene
+menigte van uitroepingen, afgewisseld met het openen en toeslaan
+van deuren, en zag men gezichten van allerlei tinten van kleur
+hier en daar te voorschijn komen. Één persoon echter, de eenige
+die eenig licht over de zaak had kunnen verspreiden, hield zich
+geheel stil. Tante Chloe namelijk, de eerste keukenmeid, wier eens
+zoo vroolijk gezicht donker betrokken was, bleef zwijgend aan het
+gereedmaken der ontbijtbeschuiten, als zag of hoorde zij niets van
+het gewoel om zich heen.
+
+Zeer spoedig zaten een half dozijn, kleine zwarte jongens en meisjes,
+als zooveel kraaien, op het hek der veranda, allen verlangende de
+eerste te zijn, om den vreemden meester zijn ongeluk aan te kondigen.
+
+"Hij zal razend worden, dat geloof ik vast," zeide Andy.
+
+"Of hij ook vloeken zal!" zeide de kleine Jake.
+
+"Ja, want hij vloekt erg," liet een meisje, Mandy geheeten, hierop
+volgen. "Ik heb het hem gisteren aan tafel hooren doen. Ik heb er toen
+alles van gehoord, omdat ik in de kast was gekropen, waar Mevrouw de
+groote kruiken bewaart; en ik hoorde ieder woord."
+
+En Mandy, die nog nooit in haar leven over een woord dat zij hoorde had
+nagedacht, nam nu een voorkomen van bijzonder gewicht aan, en zeide
+niet dat zij, hoewel zij werkelijk op den genoemden tijd tusschen de
+kruiken had gelegen, al dien tijd vast had geslapen.
+
+Toen Haley eindelijk gelaarsd en gespoord aankwam, werd hij van alle
+kanten met de slechte tijding begroet. De kleine kwelgeesten op het
+hek werden niet teleurgesteld in de hoop van hem te hooren vloeken;
+hij deed dit met eene vlugheid en kracht, die hen allen verbazend
+vermaakte, terwijl zij herwaarts en derwaarts stoven, om buiten bereik
+van zijne karwats te komen. Eindelijk liepen zij allen een eind weg,
+rolden over het verdorde gras en gilden, met de hielen in de lucht
+schoppende, hunne pret uit.
+
+"Als ik die kleine duivels maar had!" prevelde Haley tusschen zijne
+tanden.
+
+"Maar gij hebt ze nog niet," zeide Andy zegevierend, toen hij buiten
+gehoor was, en trok een geheele reeks van onbeschrijfelijke gezichten
+achter den rug van den ongelukkigen handelaar.
+
+"Zeg eens, Shelby, dat is een vreemd geval hier!" zeide Haley, toen
+hij vrijpostig de voorkamer binnentrad. "Het schijnt dat die meid
+weggeloopen is met haar jong."
+
+"Mijnheer Haley, Mevrouw Shelby is hier," zeide Shelby.
+
+"Verschooning, Mevrouw," hervatte Haley, even buigende, maar nog met
+een donker gezicht. "Maar ik zeg nog eens, gelijk ik zeide, dat is
+een vreemd gerucht hier. Is het waar, Mijnheer?"
+
+"Mijnheer," antwoordde Shelby, "als gij mij verlangt te spreken,
+moet gij eenigszins de manieren van een _gentleman_ in acht
+nemen. Andy, ontlast Mijnheer Haley van zijn hoed en karwats. Ga
+zitten, Mijnheer. Ja, Mijnheer; het spijt mij te moeten zeggen, dat
+die jonge vrouw iets van de zaak moet afgeluisterd of op eene andere
+manier vernomen hebben, en daardoor opgewonden in den nacht met haar
+kind is weggeloopen."
+
+"Ik had een eerlijke manier van handelen verwacht, dat moet ik
+bekennen," zeide Haley.
+
+"Mijnheer," antwoordde Shelby, zich driftig naar hem omkeerende,
+"wat moet ik uit dat gezegde verstaan? Als iemand mijne eer in twijfel
+trekt, heb ik maar een antwoord voor hem."
+
+De handelaar scheen hierdoor uit het veld geslagen, en zeide op een
+wat lageren toon dat het toch verduiveld hard voor iemand was, als
+hij een goeden koop gedaan had, dan zoo gefopt te worden.
+
+"Mijnheer Haley," antwoordde Shelby hierop, "als ik niet dacht dat
+gij eenige reden tot verdrietelijkheid hadt, zou ik zulk een ruw en
+vrijpostig binnenkomen in mijne kamer niet van u verdragen hebben. Ik
+zeg nu echter, dewijl uwe houding reden daartoe geeft, dat ik mij
+geene gezegden zal laten welgevallen, alsof het denkbaar was dat ik
+mij met eenige oneerlijkheid in dit geval had ingelaten. Bovendien
+zal ik mij verplicht achten om u, wat het gebruik van paarden,
+bedienden enz. betreft, alle hulp te verleenen om uw eigendom terug te
+bekomen. Dus kortom, Haley," vervolgde hij, eensklaps van zijnen koel
+deftigen toon tot zijne gewone rondborstige vriendelijkheid overgaande,
+"het beste wat gij doen kunt, is in een goed humeur te blijven,
+en hier te ontbijten; dan zullen wij daarna zien wat er te doen is."
+
+Mevrouw Shelby stond nu op, en zeide dat hare bezigheden haar
+verhinderden dien morgen bij het ontbijt te blijven; en nadat zij
+eene zeer welgemanierde mulattin had belast de heeren van koffie te
+bedienen, verliet zij de kamer.
+
+"De oude vrouw schijnt niet machtig op uwen onderdanigen dienaar
+gesteld," zeide Haley, met een gedwongen poging om zeer familiaar
+te zijn.
+
+"Ik ben niet gewoon op zulk een vrijen toon van mijne vrouw te hooren
+spreken," antwoordde Shelby droogjes.
+
+"Verschooning! Natuurlijk maar een aardigheid, weet ge," zeide Haley,
+gemaakt lachende.
+
+"Sommige aardigheden zijn minder aangenaam dan andere," zeide Shelby
+hierop.
+
+"Duivels licht geraakt, nu ik die papieren geteekend heb!" mompelde
+Haley. "Vervloekt grootsch geworden sedert gisteren."
+
+Nooit maakte de val van een eersten minister meer algemeenen indruk
+aan een hof, dan het gerucht van het lot dat Tom te wachten stond
+op het landgoed. Iedereen had er overal den mond vol van; en in het
+huis en op het veld deed men niets anders dan over de waarschijnlijke
+gevolgen van dat voorval spreken. Eliza's vlucht--eene voorbeeldelooze
+gebeurtenis op het goed--bracht er ook niet weinig toe bij om de
+algemeene spanning te vergrooten.
+
+Zwarte Sam, gelijk hij gewoonlijk genoemd werd, omdat hij een zweempje
+zwarter was dan iemand anders op de plaats, overwoog de zaak in al
+hare omstandigheden en gevolgen, met een scherpzinnigheid en eene
+stipte aandacht voor zijn eigen belang, die een blank patriot te
+Washington tot eer zouden zijn geweest.
+
+"Het is een slechte wind, die nergens heenwaait--zoo is het,"
+zeide hij spreukmatig en trok zijn broek op, om voor een afwezigen
+bretelknoop een langen spijker in de plaats te steken; eene vinding,
+waarmede hij zeer in zijn schik scheen te zijn.
+
+"Ja, het is een slechte wind, die nergens heenwaait," herhaalde
+hij. "Daar is nu Tom naar omlaag--natuurlijk geeft dat ruimte voor
+een anderen neger om omhoog te komen--en waarom deze neger niet?--dat
+is de vraag. Tom het land doorrijden--met gepoetste laarzen--pas in
+zijn zak! Waarom Sam nu niet? Dat zou ik willen weten."
+
+"Hallo, Sam! O Sam! Meester zegt dat ge Bill en Jerry moet vangen,"
+riep Andy, Sam's alleenspraak afbrekende.
+
+"Ho! Wat is er nu te doen, jongen?"
+
+"O, gij zult nog niet weten, dat Lizzy met haar jongen is weggeloopen."
+
+"Loop uwe grootmoeder een lesje geven," antwoordde Sam met diepe
+minachting. "Dat heb ik veel eer geweten dan gij. Deze neger is zoo
+dom niet."
+
+"Welnu, meester wil Bill en Jerry dadelijk opgetoomd hebben; en gij
+en ik moeten met Mijnheer Haley mee om haar te zoeken."
+
+"Zoo! Goed! Zoo laat is het nu!" zeide Sam. "Het is nu Sam,
+die geroepen wordt. Hij is nu de neger. Zie maar of ik haar niet
+vang. Meester zal zien wat Sam doen kan."
+
+"Ja, maar, Sam," zeide Andy, "daar moogt ge u nog wel eens op bedenken;
+want Mevrouw wil niet hebben dat zij gevangen wordt en zij zal het
+u betaald zetten."
+
+"Ho!" zeide Sam met wijd starende oogen. "Hoe weet ge dat?"
+
+"Dat heb ik haar van morgen zelve hooren zeggen, toen ik meester
+scheerwater bracht. Zij liet mij gaan zien waarom Lizzy haar niet kwam
+kleeden; en toen ik haar kwam zeggen dat deze weg was, stond zij op en
+zeide: "God zij gedankt!" en meester geleek half dol te worden en zei:
+"vrouw! gij spreekt als een zottin." Maar zij zal hem wel ompraten. Ik
+weet wel hoe dat gaat. Het is altijd best, het met Mevrouw te houden;
+dat zeg ik u."
+
+Zwarte Sam krabde zijn kroeskop, die, als hij geene zeer diepe
+wijsheid bevatte, toch genoeg van die bijzondere soort inhield, welke
+onder staatkundigen van alle kleuren en landen zeer in trek is, en
+gemeenlijk genoemd wordt: te weten aan welken kant het brood geboterd
+is. Sam dacht dus ernstig na en trok daarbij zijn broek nog eens op,
+zijne gewone manier om zich in diepzinnige overpeinzingen te helpen.
+
+"Men kan toch nooit iets zeggen,--nooit--van iets op deze wereld,"
+zeide hij eindelijk.
+
+Hij legde zulk een nadruk op het woord _deze_, alsof hij in
+verschillende werelden ondervinding had opgedaan, en zoo na rijp
+beraad tot zijn besluit gekomen was.
+
+"Ik zou zeker gedacht hebben dat Mevrouw de geheele wereld door naar
+Lizzy zou laten zoeken," voegde hij er vervolgens bij.
+
+"Dat zou ze ook," zeide Andy hierop; "maar kunt gij niet door eene
+ladder heen zien, gij, zwarte neger? Mevrouw wil niet dat die Mijnheer
+Haley Lizzy's jongen krijgt; dat is het."
+
+"Ho!" zeide Sam, met die onbeschrijfelijke uitdrukking in den toon,
+welke alleen zij zich kunnen voorstellen, die dezen uitroep van negers
+gehoord hebben.
+
+"En ik zal u nog meer zeggen," vervolgde Andy. "Ik geloof, dat ge best
+zoudt doen naar de paarden te gaan zoeken, en wat gauw ook; want ik heb
+Mevrouw naar u hooren vragen. Gij hebt al lang genoeg staan talmen."
+
+Sam maakte nu ernst van de zaak, en kwam weldra in zegepraal naar huis
+met Bill en Jerry in vollen galop. Zich behendig afwerpende, terwijl
+de paarden nog in vollen ren waren, liet hij ze als een wervelwind
+voorbij den paal stuiven, die daar geplaatst was om paarden aan te
+binden. Haley's paard, een schichtig, jong veulen, sprong op zijde
+en trok hard aan zijn halster.
+
+"Ha, ha! Schichtig? Zijt gij dat?" zeide Sam, en een zonderlinge glans
+van boosaardig, spottend vermaak verlichtte zijn zwart gezicht. "O,
+ik zal u wel mak maken."
+
+Een groote beukenboom overschaduwde de plek, en de scherpe, driehoekige
+beukennootjes lagen in menigte op den grond. Met een van deze tusschen
+zijne vingers naderde Sam het veulen, om het te streelen en schijnbaar
+tot bedaren te brengen. Veinzende den zadel te willen recht leggen,
+stak hij het scherp beukennootje behendig daaronder, zoodanig dat het
+minste gewicht op den zadel het gevoelige dier onverdragelijk moest
+prikken, zonder eene zichtbare wonde of schram te veroorzaken.
+
+"Daar," zeide Sam, en liet met een grijns van genoegen zijne oogen
+rollen. "Nu heb ik hem klaar."
+
+Op dit oogenblik verscheen Mevrouw Shelby op het balkon en wenkte
+hem. Sam naderde met zulk een goed voornemen om zijn hof te maken,
+als ooit eenige sollicitant naar eene ledige plaats te Londen of
+Washington.
+
+"Waarom hebt ge zoo getalmd, Sam? Ik heb Andy laten zeggen dat gij
+u haasten moest."
+
+"God zegene u, Mevrouw", antwoordde Sam, "de paarden wilden zich zoo
+gauw niet laten vangen. Zij waren heel naar de zuidweide geloopen en
+de Heer weet waar."
+
+"Sam, hoe dikwijls moet ik u zeggen, om niet zoo lichtzinnig zulke
+uitdrukkingen te gebruiken, als "God zegene u" en "de Heere weet",
+en dergelijke? Dat is goddeloos."
+
+"O, God zegene me, Mevrouw! Ik vergat het. Ik zal nooit zoo iets
+meer zeggen."
+
+"Wel, Sam, daar hebt gij het al weer gedaan."
+
+"Heb ik? O, Heere--ik wil zeggen; ik wilde het niet eens doen."
+
+"Gij moet attent wezen, Sam."
+
+"Laat mij maar even op adem komen, Mevrouw, dan zal ik wel beter
+oppassen. Ik zal heel attent zijn."
+
+"Nu, Sam, gij moet met Mijnheer Haley mederijden om hem den weg te
+wijzen en hem te helpen. Maar pas op de paarden, Sam. Gij weet wel dat
+Jerry verleden week wat kreupel ging. Laat hem niet te hard loopen."
+
+Mevrouw Shelby zeide deze laatste woorden zacht, maar met bijzonderen
+nadruk.
+
+"Laat dit kind daarvoor maar zorgen," antwoordde Sam, en liet zijne
+oogen rollen op eene manier, die genoeg zeide. "De Heere weet! dat
+meende ik daar niet," riep hij uit, naar adem snakkende, met eene
+koddige beweging van schrik, die zijne meesteres tegen wil en dank
+deed lachen. "Ja, Mevrouw, ik zal wel op de paarden passen."
+
+"Nu, Andy," zeide Sam, naar den beukeboom terugkeerende, "het zou mij
+volstrekt niet verwonderen, dat het paard van dien heer schopte of
+steigerde als hij wil opstijgen. Ge weet wel, Andy, die dieren doen dat
+somtijds." En daarmede gaf hij Andy een veelbeteekenenden ribbestoot.
+
+"Ho!" zeide Andy, met oogenblikkelijk begrip.
+
+"Ja, ziet ge, Andy, mevrouw wil tijd winnen; dat kan de domste wel
+zien. Ik zal eens een beetje voor haar winnen. Ge weet wel, Andy, als
+die paarden eens dol rondliepen, om het huis heen en naar het bosch,
+dan geloof ik niet dat die mijnheer zoo gauw onderweg zou zijn."
+
+Andy grinnikte.
+
+"Ge ziet wel, Andy, ge ziet wel, als het gebeuren mocht dat Mijnheer
+Haley's paard baloorig mocht worden en ging steigeren, zouden gij
+en ik de onze moeten loslaten om hem te helpen--en wij zouden hem
+helpen, zekerlijk."
+
+Sam en Andy staken de hoofden bijeen en lachten zacht, maar
+allersmakelijkst, terwijl zij van pret op den grond trappelden.
+
+Op dit oogenblik kwam Haley onder de veranda. Eenigszins verzacht
+door eenige koppen zeer goede koffie, kwam hij lachende en pratende
+naar buiten en scheen weder in een tamelijk goed humeur te zijn. Sam
+en Andy tastten naar zekere bossen palmbladeren, die zij gewoon waren
+voor hoeden te houden, en schoten toe om "mijnheer te helpen." Sams
+zoogenaamde hoed was zoodanig versleten, dat de rand geheel was
+losgeraakt en de strooken palmblad, waarvan hij eens gevlochten
+was geweest, als een krans van pluimen naar alle kanten opstaken;
+van Andy's hoed was de geheele rand af, maar hij duwde toch met een
+handigen stomp den bol op zijn hoofd, met een gezicht alsof hij vragen
+wilde: "wie zegt nu dat ik geen hoed op heb?"
+
+"Kom dan, jongens," zeide Haley. "Nu wat vlug. Wij moeten geen tijd
+verliezen."
+
+"Geen korreltje er van, Mijnheer!" antwoordde Sam, gaf Haley de teugels
+in de hand en hield zijn stijgbeugel voor hem, terwijl Andy de andere
+paarden losmaakte.
+
+Op het oogenblik toen Haley zich in den zadel zette, deed zijn paard
+zulk een onverwachten en geweldigen sprong, dat het zijn ruiter
+eenige voeten ver op het zachte, droge gras neersmeet. Sam deed met
+een dollen uitroep van schrik een greep naar de teugels; maar deed
+eigenlijk niets anders dan met zijn bovengemeld hoofdsieraad van
+palmbladeren het paard langs de oogen schrappen, hetgeen geenszins
+bevorderlijk was om het dier te bedaren. Het deed nog een sprong,
+die Sam omver smeet, brieschte een paar malen met toornige minachting
+en rende toen heen, gevolgd door Bill en Jerry, die Andy volgens
+afspraak op dit oogenblik losliet en eenige jammerkreten achterna
+zond. Daarop volgde een tooneel van koddige verwarring. Sam en Andy
+schreeuwden--honden blaften hier en daar--en een heele troep zwarte
+en bruine jongens en meisjes klapte in de handen en gilde en joelde,
+met luidruchtige dienstvaardigheid en onvermoeibaren ijver.
+
+Haley's paard, dat vlug en vurig was, scheen weldra smaak in het
+gewoel te krijgen, en daar het tot renbaan een uitgestrekt grasperk
+had, dat naar alle zijden naar een boschland afhelde, scheen het
+vermaak te hebben om te beproeven, hoe nabij het zijne vervolgers
+kon laten komen, om, als zij nog maar een handbreed van hem af waren,
+met een gehinnik en een zijsprong weder voort te stuiven en eene laan
+van het bosschage in te rennen. Niets was verder uit Sams gedachten
+verwijderd dan om een der paarden te laten opvangen, vóórdat hij
+dit goedvond, en heldhaftig waren de inspanningen die hij daartoe
+van zich vergde. Gelijk het zwaard van Richard Leeuwenhart altijd in
+het dichtste van den strijd flikkerde, zoo zag men ook de pluim van
+palmbladeren van Sam overal, waar het minste gevaar was, dat een paard
+zou gevangen worden. Daarheen kwam hij dan in volle vaart aanloopen,
+schreeuwende: "nu er op aan! Pak hem, pak hem!" op eene manier,
+die allen in een oogenblik uit elkander deed stuiven.
+
+Haley liep vloekend en stampvoetende op en neer. Shelby poogde
+zich van het balkon vruchteloos te doen hooren om bevelen te geven,
+en Mevrouw Shelby zat voor het venster harer kamer, beurtelings te
+lachen en zich te verwonderen, niet zonder eenig vermoeden wat de
+grond van die verwarring was.
+
+Eindelijk, tegen twaalf uren, kwam Sam zegepralend aan, op Jerry
+gezeten en met het paard van Haley aan den teugel, dampende van
+zweet, maar nog met flikkerende oogen en opgespalte neusgaten, die
+aankondigden dat zijne wildheid nog niet geheel bedaard was.
+
+"Hij is gevangen!" riep Sam zegevierend. "Als ik er niet geweest
+was, hadden zij zich allen te barsten kunnen loopen; maar ik heb
+hem gevangen."
+
+"Gij," bromde Haley, in geene zachtzinnige luim. "Als gij er niet
+geweest waart, zou het nooit gebeurd zijn."
+
+"God zegene ons, Mijnheer!" antwoordde Sam op een toon van diepe
+spijt. "En ik heb geloopen en gedraafd, dat het zweet van mij
+neerdruipt."
+
+"Zoo!" hervatte Haley. "Gij hebt mij drie uren doen verliezen met uwe
+vervloekte gekheid. Laten wij nu voortmaken, zonder meer zotternij."
+
+"Wel, Mijnheer," zeide Sam zeer nederig, "ik geloof dat gij ons
+allen om hals wilt helpen, paarden en al. Mijnheer zal er nu toch
+niet aan denken om voor den eten af te rijden. Mijnheers paard moet
+afgewreven worden, zie maar hoe het zich bespat heeft; en Jerry loopt
+ook kreupel. Ik geloof nooit dat mevrouw van ons zal vergen om zoo heen
+te rijden. Wij zullen de meid toch wel vangen, al wachten wij wat."
+
+"Lizzy is nooit eene groote loopster geweest."
+
+Mevrouw Shelby, die met groot genoegen dit gesprek beluisterd had,
+besloot nu insgelijks hare rol te spelen. Zij kwam naar buiten,
+gaf met beleefdheid haar leedwezen over Haley's ongeluk te kennen
+en drong hem om ter maaltijd te blijven, zeggende, dat de keukenmeid
+alle mogelijke haast zou maken.
+
+Alles overlegd hebbende, ging Haley, hoewel niet zeer goedschiks,
+naar de voorkamer, terwijl Sam hem eene onuitsprekelijke beteekenis
+in zijn rollende oogen nakeek, en vervolgens zeer stil de paarden
+naar de stalwerf bracht.
+
+"Hebt gij hem gezien?" zeide Sam, toen zij veilig achter de schuur
+gekomen waren en de paarden hadden vastgebonden. "O, was het niet
+zoo pleizierig als psalmzingen, om hem daar te zien rondspringen en
+op ons vloeken? Hebt gij hem niet gehoord? Vloek maar, oude knaap,
+zeide ik bij mij zelven. Wilt gij uw paard nu terstond hebben, of
+wachten tot ik het gevangen heb? O, mij dunkt ik zie hem nog zoo."
+
+Het gesprek werd gestaakt totdat beiden op hun gemak hadden
+uitgelachen.
+
+"Gij hadt eens moeten zien hoe dol hij keek, toen ik met het paard
+aankwam," hervatte Sam. "Hij had mij wel willen doodslaan, als hij
+gedurfd had. En daar stond ik zoo onschuldig en zoo nederig."
+
+"O, ik zag het wel," zeide Andy. "Zijt gij niet een oude snaak, Sam?"
+
+"Dat denk ik wel haast," was het antwoord. "Hebt ge Mevrouw boven
+voor het venster zien staan? Ik heb haar zien lachen."
+
+"Ik liep zoo hard, dat ik niemendal zag," zeide Andy.
+
+"Wel, ziet ge," hervatte Sam, terwijl hij het paard van Haley ging
+poetsen, "ik heb gekregen wat men de gewoonte van bopservasie noemt,
+en dat is eene heel voordeelige gewoonte, Andy, en ik raad u, om ze
+aan te leeren, nu gij nog zoo jong zijt. Til den achterpoot eens op,
+Andy. Ziet ge wel, Andy, het is de bopservasie, die al het verschil
+maakt tusschen den eenen neger en den anderen. Zag ik niet wat Mevrouw
+hebben wilde, al zeide ze het niet? Dat is bopservasie, Andy. Het is
+een talent, zooals men dat noemt, en alle menschen hebben verschillende
+talenten; maar aanwennen kan veel doen."
+
+"Ik geloof, als ik uwe bopservasie van morgen niet geholpen had,
+zoudt ge niet zooveel gezien hebben," zeide Andy.
+
+"Andy," zeide Sam hierop, "ge zijt een veelbelovende jongen, daar is
+niet aan te twijfelen. Ik houd veel van u, en schaam mij geheel niet
+om een idee van u over te nemen. Wij moeten op niemand laag neerzien,
+Andy, omdat de knapste van ons wel eens struikelen kan. En dus,
+Andy, laten wij nu in huis gaan. Mevrouw zal ons zeker dezen keer
+eens buitengemeen goed laten onthalen."
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+MOEDERANGST EN MOEDERKRACHT.
+
+
+Het is onmogelijk zich een menschelijk wezen voor te stellen, meer
+hulpeloos en verlaten dan Eliza, toen zij de hut van Oom Tom verliet.
+
+Het lijden en gevaar van haren echtgenoot en de nood van haar kind
+vermengden zich in hare gedachten met een verbijsterend, bedwelmend
+gevoel van hetgeen zij zelve waagde, door het eenige tehuis te
+verlaten, dat zij ooit gekend had, en zich te onttrekken aan de
+bescherming eener vriendin, die zij liefhad en eerbiedigde. Daarbij
+kwam het scheiden van alles waaraan zij gewoon was--van de plaats
+waar zij was opgegroeid, de boomen waaronder zij gespeeld had, de
+bosschages waar zij in gelukkiger tijd menigen avond aan de zijde van
+haren jeugdigen echtgenoot had gewandeld. Alles wat daar in het heldere
+sterrenlicht voor haar lag, scheen haar verwijten toe te spreken,
+en haar te vragen waarheen zij gaan kon van een tehuis gelijk dit.
+
+Doch sterker dan alles was de moederliefde, door een vreeselijk
+dreigend gevaar tot eene aan het waanzinnige grenzende overspanning
+gedreven. Haar knaapje was oud genoeg om naast haar te loopen, en
+in een gewoon geval zou zij het slechts bij de hand hebben geleid;
+maar nu deed de gedachte alleen om hem uit hare armen te laten
+haar huiveren, en drukte zij hem, terwijl zij snel voortstapte,
+met stuipachtige kracht aan hare borst.
+
+De bevroren grond kraakte onder hare voeten, en zij beefde bij dat
+geluid. Elk trillend blaadje, elke wuivende schaduw dreef het bloed
+naar heur hart terug en versnelde hare schreden. Zij verbaasde zich
+zelve over de kracht die haar scheen gegeven te worden; want het
+gewicht van haar kind was voor haar gevoel slechts een veertje, en
+elke vlaag van angst scheen de bovennatuurlijke macht te versterken,
+die haar als het ware droeg, terwijl aan hare bleeke lippen telkens
+een uitroep ontsnapte, die een gebed was tot den Vriend daarboven:
+"Heere help mij! Heere behoud mij!"
+
+Indien het uw Harry was, moeder, of _uw_ Willie, die u morgenochtend
+door een barbaarschen slavenhandelaar zou ontrukt worden--indien
+ge den man hadt gezien, en gehoord had dat de papieren geteekend
+en overgegeven waren, en gij niet meer tijd hadt om te vluchten dan
+van middernacht tot aan den ochtend--hoe snel zoudt gij dan kunnen
+gaan? Hoevele mijlen zoudt gij dan kunnen afleggen in die weinige
+uren, met den lieveling aan uwe borst--met het slapende hoofdje op
+uwen schouder--met de zachte armpjes vertrouwelijk om uwen hals?
+
+Want het kind sliep. In het eerst hadden onrust en verwondering het
+wakker gehouden; maar zijne moeder stuitte zoo haastig ieder woord
+of geluid, en verzekerde hem zoo, dat zij hem zeker zou redden als
+hij zich maar stil hield, dat hij zich ook stil om haren hals klemde
+en toen hij voelde dat hij in slaap zou vallen, alleen maar vroeg:
+
+"Moeder, ik behoef niet wakker te blijven, niet waar?"
+
+"Neen, mijn lieveling; slaap maar als gij moet."
+
+"Maar moeder, als ik ga slapen, zult gij hem mij niet laten krijgen?"
+
+"Neen zoo helpe mij God!" antwoordde de moeder met bleeke wangen en
+een helder licht in hare oogen.
+
+"Gij weet dat zeker, niet waar, moeder?"
+
+"Ja zeker!" antwoordde de moeder met eene stem waarvan zij zelve
+schrikte, want zij scheen van een geest in haar binnenste te komen
+die haar niet toebehoorde, en het knaapje liet zijn vermoeid hoofd
+op haren schouder zakken en viel in slaap. Hoe scheen de aanraking
+van die armpjes, hoe scheen de zachte ademhaling die haar in den
+hals blies, vuur en kracht aan haar bewegingen te geven! Het was
+met elke zachte aanraking en beweging van het slapend kind, alsof
+electrische stroomen van kracht haar werden ingestort. Verheven is de
+heerschappij van den geest over het lichaam, die voor een tijd het
+vleesch onoverwinnelijk kan maken, en de spieren spannen als staal,
+zoodat de zwakken zoo sterk worden.
+
+De zoomen van hoeve, bosch en plantsoen zweefden haar schemerend
+voorbij; en steeds ging zij voort, het eene gemeenzame voorwerp na
+het andere achter zich latende, en toefde niet en rustte niet, totdat
+het aanbrekende daglicht haar ver van elk gemeenzaam voorwerp op den
+open weg vond.
+
+Zij was dikwijls met hare meesteres op een bezoek bij betrekkingen in
+het dorpje T*** aan de Ohio geweest, en kende den weg wel. Daarheen
+te gaan en over de Ohio te komen, waren de eerste haastige trekken van
+het plan harer vlucht geweest; verder kon zij alleen op God vertrouwen.
+
+Toen zich paarden en rijtuigen op den weg begonnen te vertoonen,
+begreep zij met die levendigheid van bevatting, die aan een staat van
+buitengemeene opgewondenheid eigen is en naar eene soort van ingeving
+gelijkt, dat haar haastige tred en verwilderd voorkomen opmerkzaamheid
+en achterdocht konden wekken. Zij zette dus haar kind op den grond,
+bracht hare kleeding wat in orde, en stapte toen weder voort, zoo
+snel als zij meende te kunnen doen zonder aandacht te trekken. In
+haar pakje had zij een kleinen voorraad van koekjes en appelen,
+welke zij gebruikte om haar kind meer spoed te doen maken. Dikwijls
+liet zij een appel een eind vooruitrollen, en dan liep de kleine uit
+alle macht om hem te krijgen. Deze list, dikwijls herhaald, bracht
+hem menige halve mijl ver.
+
+Na een poos kwamen zij aan een dicht boschje, waardoor eene heldere
+beek murmelde. Daar het kind over honger en dorst klaagde, klom zij er
+mede over het staketsel; en zich achter eene groote rots neerzettende,
+die hen voor voorbijgangers op den weg verborg, gaf zij hem een
+ontbijt uit haar pakje. Het knaapje was verwonderd en bedroefd dat
+zij niet eten kon, en toen hij, zijne armpjes om haren hals slaande,
+haar een stuk van zijn koekje in den mond poogde te stoppen, was het
+haar alsof keelkramp haar zou doen stikken.
+
+"Neen, Harry, moeder kan niet eten tot gij veilig zijt. Wij moeten
+voort--voort tot wij aan de rivier komen."
+
+En zij snelde met hem naar den weg, en dwong zich daar weder om
+bedaard en geregeld voort te stappen.
+
+Zij was mijlen ver elke plaats voorbij waar zij persoonlijk bekend
+was. Als zij nog bij toeval iemand mocht ontmoeten die haar kende,
+dacht zij dat de algemeen bekende goedheid der familie strekken
+zou om alle achterdocht van haar af te wenden, daar het iedereen
+onwaarschijnlijk moest voorkomen, dat zij gevlucht zou zijn. Daar
+zij ook zoo blank was, dat men haar niet zonder haar opmerkzaam aan
+te zien voor eene kleurlinge kon herkennen, en haar kind insgelijks,
+was het des te gemakkelijker voor haar om onopgemerkt te blijven.
+
+Hierop vertrouwende, ging zij tegen den middag eene nette boerenwoning
+binnen om te rusten, en eten voor zich zelve en haar kind te bekomen;
+want daar het gevaar met den afstand kleiner werd, nam ook de
+overmatige spanning harer zenuwen af, en voelde zij zoowel vermoeienis
+als honger.
+
+De vrouw, die vriendelijk en spraakzaam was, scheen wel in haar schik
+te zijn dat er iemand wat met haar kwam praten, en geloofde zonder
+eenige navraag Eliza's opgaaf "dat zij een eind ver ging om eene week
+bij vrienden door te brengen," hetgeen zij in haar hart wenschte dat
+waarheid mocht zijn.
+
+Een uur voor het ondergaan der zon kwam zij aan het dorp T***, bij
+de Ohio, vermoeid en met pijnlijke voeten, maar nog krachtig van
+hart. Haar eerste blik was de rivier, die gelijk de Jordaan en het
+Kanaän der vrijheid aan den overkant stroomde.
+
+Het was in het begin der lente, en de rivier was gezwollen en
+onstuimig; groote brokken ijs dreven heen en weder op het troebele
+water. Door den bijzonderen vorm van den oever aan de zijde van
+Kentucky, waar het land met eene bocht ver in het water uitstak,
+was het ijs daar in groote hoeveelheid opgehouden en vastgezet,
+en het nauwe kanaal, dat om die bocht heenliep, was ingelijks vol
+ijs, zoodat de op elkander gestapelde schotsen een slagboom vormden,
+waartegen het afdrijvende ijs stuitte, dat als een groot golvend vlot
+de geheele rivier vulde, en zich bijna van den eenen oever tot den
+anderen uitstrekte.
+
+Eliza stond voor een oogenblik dezen ongunstigen staat van zaken aan
+te zien, welke, zooals zij terstond begreep, eene gewone veerboot
+het oversteken moest beletten, en keerde zich toen naar eene kleine
+herberg op den oever om eenige navraag te doen.
+
+De waardin, die bij het vuur bezig was met koken en bakken, keerde
+zich met eene vork in de hand om, toen Eliza's zachte, klagende stem
+haar in haar werk stoorde.
+
+"Wat is er?" zeide zij.
+
+"Is er tegenwoordig geen veerschuit of boot om iemand naar F***
+over te zetten?" vroeg Eliza.
+
+"Wel neen," antwoordde de vrouw. "Al de booten hebben opgehouden
+met varen."
+
+Eliza's blik van schrik en teleurstelling trof de vrouw, en zij
+zeide vragend:
+
+"Misschien moest gij zelf over? Iemand ziek? Ge schijnt zoo angstig
+te zijn."
+
+"Ik heb een kind dat heel gevaarlijk is," antwoordde Eliza. "Ik wist
+er niets van voor gisteravond, en ben vandaag een heel eind gegaan,
+in de hoop om nog aan het veer te komen."
+
+"Wel, dat is ongelukkig," zeide de vrouw, wier moederlijk gevoel
+terstond ontwaakte. "Ik heb waarlijk met u te doen.--Salomon!" riep
+zij uit het venster naar een achtergebouwtje.
+
+Een man met een lederen schootsvel en zeer morsige handen kwam aan
+de deur.
+
+"Zeg eens, Sam," hervatte de vrouw, "gaat die man van avond die vaten
+niet overbrengen?"
+
+"Hij zeide dat hij het beproeven zou, als het maar eenigszins te
+wagen was," antwoordde de man.
+
+"Er is een man hier, die van avond met eenig goed over zou gaan,
+als hij het durfde doen. Dat is een lieve kleine jongen," voegde de
+vrouw er bij en bood hem een koekje aan.
+
+Maar het kind, geheel afgemat, schreide van vermoeienis.
+
+"Arme kleine! Hij is het loopen niet gewend, en ik heb hem zoo
+gehaast," zeide Eliza.
+
+"Wel breng hem in deze kamer," zeide de vrouw, een kamertje openende
+waarin een goed bed stond.
+
+Eliza legde het vermoeide kind daarop neer en hield zijne handjes in de
+hare, totdat hij in slaap was. Voor haar was er geene rust. De gedachte
+aan den vervolger joeg haar voort, en met verlangende oogen staarde
+zij op den gezwollen stroom, die tusschen haar en de vrijheid golfde.
+
+Hier moeten wij voor een oogenblik afscheid van haar nemen om naar
+hare vervolgers terug te keeren.
+
+Hoewel Mevrouw Shelby beloofd had dat er haast met den maaltijd zou
+gemaakt worden, bleek het echter weldra, gelijk meermalen is gebleken,
+dat haast niet altijd spoed is. Hoewel het gebod ten aanhoore van Haley
+werd gegeven en door tenminste een half dozijn kleine boden naar de
+keuken overgebracht, scheen Tante Chloe toch niet gezind om eenigen
+spoed te maken. Zij bromde slechts wat, wierp haar hoofd in den nek
+en ging met buitengewone omslachtigheid en langzaamheid haar gang.
+
+Eene of andere bijzondere reden scheen tot eene algemeene verbeelding
+onder de bedienden aanleiding te hebben gegeven, dat Mevrouw zich
+niet meer boos zou maken over eenig getalm; en het was verbazend
+welk een getal van kleine ongelukken er samenliep om den maaltijd
+te vertragen. Een lomperd stiet de sauspan om, en toen moest er met
+zorgvuldigheid weder nieuwe saus gemaakt worden, die tante Chloe met
+hardnekkige oplettendheid mengde en roerde, terwijl zij ieder die van
+haast sprak, ten antwoord gaf "dat zij geene klonterige saus op de
+tafel zou geven, om wien het ook wezen mocht te helpen vangen." Een
+helper deed een val met het water en moest naar de bron gaan om meer
+te halen; een ander smeet de boter als een hinderpaal in den loop der
+gebeurtenissen om, en van tijd tot tijd werd er grinnikend bericht
+in de keuken gebracht, dat "Mijnheer Haley machtig onrustig was,
+en onmogelijk op zijn stoel kon blijven zitten, maar telkens naar de
+vensters en de veranda wandelde."
+
+"Dat heeft hij er voor," zeide Tante Chloe met verontwaardiging.
+
+"Hij zal wel eens nog onrustiger worden als hij zijn leven niet
+betert. Zijn meester zal hem laten halen, en dan zullen wij zien hoe
+het hem gaan zal."
+
+"Hij zal naar de plaats der pijning gaan, zonder missen," zeide
+kleine Jake.
+
+"Dat verdient hij," zeide Tante Chloe strak. "Hij heeft menig hart
+gebroken. Ik zeg u allen," vervolgde zij, zich omkeerende, met eene
+opgeheven vork in de hand, "het is zooals de jongeheer George in de
+Openbaring las--zielen roepende onder het altaar,--roepende tot den
+Heer om wraak over dezulken,--en eens zal de Heer hen hooren.--dat
+zal Hij!"
+
+Tante Chloe, die in de keuken in groot aanzien stond, werd met open
+monden aangehoord, en daar de maaltijd nu eindelijk was opgedischt,
+had iedereen tijd om naar haar te luisteren en met haar te praten.
+
+"Zulke kerels zullen voor eeuwig branden, zullen ze niet?" zeide Andy.
+
+"Of ik blij zal zijn als ik het zie!" liet kleine Jake hierop volgen.
+
+"Kinderen!" riep eene stem, die allen deed schrikken.
+
+Het was Oom Tom, die binnen was gekomen, en bij de deur naar het
+gesprek stond te luisteren.
+
+"Kinderen," herhaalde hij, "ik weet dat gij niet weet wat gij
+zegt. Voor eeuwig is een schrikkend woord, kinderen; het is
+ontzettend om er aan te denken. Gij moet dat nooit een menschelijk
+wezen toewenschen."
+
+"Wij zouden het niemand dan de zielendrijvers," zeide Andy. "Niemand
+kan het laten het hun toe te wenschen; zij zijn zoo ontzaglijk
+goddeloos."
+
+"Roept de natuur zelve geen wraak over hen?" zeide Tante Chloe. "Rukken
+zij niet den zuigeling van de moederborst, en verkoopen hem--en de
+kleine kinderen, die zich schreiend aan hare kleeren vasthouden,
+rukken zij ze niet los en verkoopen ze? Rukken zij niet man en vrouw
+van elkander?" vervolgde zij, en begon te schreien, "al moest het
+hun ook het leven kosten? En voelen zij iets van dat alles--drinken
+en rooken zij niet, en nemen zij het niet heel licht op? O, als de
+duivel hen niet krijgt, waar is hij dan goed voor?"
+
+En Tante Chloe bedekte haar gezicht met haar geruiten voorschoot,
+en begon in goeden ernst te snikken.
+
+"Bidt voor degenen die u geweld aandoen, zegt het boek," zeide Oom Tom.
+
+"Voor hen bidden!" zeide Tante Chloe. "O, dat is al te hard. Ik kan
+niet voor hen bidden."
+
+"Dat is de natuur, Chloe, en de natuur is sterk," antwoordde Tom,
+"maar de genade des Heeren is sterker. Bovendien, gij moest bedenken
+in welk een ontzettenden staat de ziel van een arm schepsel is,
+dat zulke dingen doet--gij moest God danken, dat gij niet aan hem
+gelijk zijt, Chloe. Ik ben zeker dat ik mij liever tien duizendmaal
+zou laten verkoopen, dan dat alles te verantwoorden te hebben wat
+dat arme schepsel heeft."
+
+"Ik ook veel liever," zeide Jake. "Gij ook niet Andy?"
+
+Andy haalde zijne schouders op.
+
+"Ik ben blij dat de meester van morgen niet is heengegaan, zooals hij
+voornemens was," zeide Tom, "dat zou mij meer verdriet gedaan hebben
+dan het verkoopen. Misschien zou het natuurlijk voor hem zijn geweest;
+maar het zou bitter hard voor mij geweest zijn, die hem van kind af
+gekend heb. Maar ik heb meester gezien en nu begin ik eenigszins met
+den wil des Heeren verzoend te worden. Meester kon zich niet anders
+helpen. Hij heeft wèl gedaan; maar ik vrees dat de zaken in de war
+zullen loopen als ik wegga. Men kan niet verwachten dat meester overal
+zal rondkijken, zooals ik deed, om alles in orde te houden. De jongens
+willen wel, maar zij zijn machtig zorgeloos. Dat kwelt mij."
+
+Hier liet de schel zich hooren en werd Tom in de voorkamer geroepen.
+
+"Tom," zeide zijn meester vriendelijk, "ik wilde u kennis geven,
+dat ik dezen heer eene schriftelijke belofte heb gegeven, om duizend
+dollars te verbeuren als gij niet gereed zijt, wanneer hij u hebben
+wil. Hij gaat vandaag naar zijne andere zaken zien, en gij kunt dezen
+dag voor u zelven hebben. Ga nu waar gij wilt, mijn jongen."
+
+"Dank u meester," zeide Tom.
+
+"En pas op," zeide de handelaar nu, "en fop uw meester niet met uwe
+negerstreken, want ik zal elken cent van hem halen als gij er niet
+zijt. Als hij naar mij luisterde zou hij u niet vertrouwen. Ge zijt
+zoo glad als alen."
+
+"Meester," zeide Tom, en richtte zich rechtop, "ik was juist acht
+jaren oud, toen de oude mevrouw u in mijne armen legde, en gij waart
+toen nog geen jaar oud. "Daar," zeide zij. "Tom, dat moet uw jonge
+meester zijn; pas goed op hem," zeide zij. En nu vraag ik u, meester,
+heb ik ooit mijn woord gebroken of iets tot uw nadeel gedaan, vooral
+sedert ik een Christen ben geworden?"
+
+Mr. Shelby was diep getroffen, en de tranen kwamen hem in de oogen.
+
+"Mijn goede jongen," antwoordde hij, "de Heer weet dat gij niets
+anders dan de waarheid zegt; en als ik in staat was om anders te doen,
+zou de geheele wereld u niet van mij koopen."
+
+"En zoo zeker als ik eene christinne ben," zeide Mevrouw Shelby,
+"zult gij losgemaakt worden, zoodra ik op eenerlei wijs de middelen
+kan bijeenbrengen. Mijnheer," vervolgde zij tot Haley, "let wel op
+aan wien gij hem verkoopt en laat het mij weten."
+
+"Och wel ja, wat dat aangaat," antwoordde de handelaar, "misschien
+breng ik hem over een jaar terug, niet eens veel versleten, en
+verhandel hem weer."
+
+"Dan zal ik met u handelen, en het tot uw voordeel maken," zeide
+Mevrouw Shelby.
+
+"Het is mij natuurlijk hetzelfde," liet de handelaar hierop volgen. "Ik
+breng ze even lief de rivier op als de rivier af, als ik maar goede
+zaken maak. Al wat ik zoek is bestaan, weet ge, Mevrouw; en dat is
+wat wij allen zoeken, denk ik."
+
+Mr. Shelby en zijne vrouw voelden zich beiden gekrenkt en vernederd
+door de onbeschaamde gemeenzaamheid van den handelaar, maar
+beiden begrepen ook de volstrekte noodzakelijkheid om hun gevoel
+te bedwingen. Hoe langgeestiger en gevoelloozer hij zich toonde,
+des te grooter werd Mevrouw Shelby's angst dat het hem gelukken
+zou Eliza en haar kind te achterhalen, en des te grooter natuurlijk
+haar verlangen om hem door allerlei vrouwelijke kunstgrepen op te
+houden. Zij glimlachte dus vriendelijk, gaf hem zooveel mogelijk
+gelijk, praatte gemeenzaam met hem en deed al wat zij kon om den tijd
+ongemerkt te doen omgaan.
+
+Tegen twee uren brachten Sam en Andy de paarden voor, naar het scheen
+slechts verfrischt en versterkt door het hollen van dien ochtend.
+
+Sam had door een goed maal insgelijks nieuwe krachten gekregen en was
+geheel ijver en gedienstigheid. Toen Haley naderde, pochte hij tegen
+Andy in een bloemrijken stijl op den ontwijfelbaar goeden uitslag
+der onderneming, nu zij er maar eens toe kwamen.
+
+"Uw meester geloof ik, houdt geene honden," zeide Haley toen hij
+gereed was om op te stijgen.
+
+"Bij troepen," antwoordde Sam zegepralende. "Daar is Bruno--dat is
+een bullebak, en bovendien houdt bijna elke neger van ons een hond
+van de eene of andere soort."
+
+"Poe!" zeide Haley; en hij zeide nog iets anders van die honden,
+waarop Sam mompelde:
+
+"Ik zie niet in waar het toe dient, om ze zoo te vervloeken."
+
+"Maar uw meester houdt geene honden--ik weet haast wel zeker van
+neen--om negers op te sporen."
+
+Sam wist zeer wel wat hij meende, maar bleef zeer ernstig en dom
+onnoozel kijken.
+
+"Onze honden hebben allemaal een fijnen reuk. Ik denk, dat ze wel
+van de soort zullen zijn, al zijn ze nooit gedresseerd. Zij loopen
+haast naar alles waar men ze op afstuurt. Hier, Bruno," riep hij,
+en floot te gelijk den loggen Newfoundlander, die met plompe sprongen
+naar hem toekwam.
+
+"Laat ze hangen!" zeide Haley, opstijgende. "Kom aan, te paard maar."
+
+Sam sprong te paard, en terwijl hij dit deed trok hij een gezicht
+tegen Andy, waarop deze in een luiden lach uitbarstte, tot groote
+verontwaardiging van Haley, die een slag met zijn karwats naar
+hem deed.
+
+"Ik ben verbaasd over u, Andy," zeide Sam met strakken ernst. "Het
+is een ernstig werk, Andy. Gij moet er den gek niet mee steken. Dit
+is de manier niet om Mijnheer te helpen."
+
+"Ik zal den rechten weg naar de rivier nemen," zeide Haley beslissend,
+toen zij op de grenzen van het landgoed waren gekomen. "Ik ken
+de manier van die wegloopers wel. Zij willen allen maar naar den
+overkant."
+
+"Zeker," zeide Sam, "dat is het idee. Mijnheer Haley heeft den spijker
+vlak op den kop geslagen. Maar er zijn twee wegen naar de rivier:
+de landweg en de tolweg;--welken van die twee denkt Mijnheer te nemen?"
+
+Andy keek Sam onnoozel aan, zeer verwonderd over deze nieuwe
+ontdekking, maar bevestigde toch dadelijk het gezegde door eene
+nadrukkelijke herhaling.
+
+"Omdat," zeide Sam, "ik haast zou denken,dat Lizzy den landweg genomen
+heeft, die het minst begaan en bereden wordt."
+
+Haley, hoewel slim genoeg om altijd streken te vermoeden, liet zich
+toch door deze redeneering eenigszins tot hetzelfde gevoel bewegen.
+
+"Als gij maar zulke vervloekte leugenaars niet waart," zeide hij
+twijfelende, na een oogenblik te hebben nagedacht.
+
+De peinzende toon, waarop dit gezegd werd, scheen Andy bijzonder te
+vermaken; hij bleef wat achter en schudde zoo, dat hij gevaar liep
+om van zijn paard te vallen, terwijl Sams gezicht onverzettelijk
+ernstig bleef.
+
+"Natuurlijk," zeide Sam, "Mijnheer kan doen wat hij het liefst
+wil en den tolweg nemen, als hij dat het beste vindt, het is ons
+hetzelfde. Als ik er beter over denk, vind ik ook den tolweg het
+beste."
+
+"Zij moest natuurlijk den eenzamen weg kiezen," zeide Haley, hardop
+denkende, zonder op het gezegde van Sam te letten.
+
+"Daar is geen zeggen van," liet Sam hierop volgen. "Die meiden zijn
+zoo wonderlijk. Zij doen nooit iets dat men denkt dat zij zullen doen,
+maar meestal vlak contrarie. Meiden zijn natuurlijk contrarie, en
+dus als gij denkt dat zij den eenen weg gegaan zijn, is het beter den
+anderen te nemen en dan kunt gij er vast op aan dat gij ze vindt. Nu
+is mijne gedachte dat Lizzy den landweg heeft genomen, en dus houd
+ik het voor beter den tolweg te nemen."
+
+Deze diepzinnige bespiegeling over den aard der vrouwelijke sekse
+scheen Haley niet bijzonder voor den tolweg in te nemen. Hij gaf zijn
+stellig besluit te kennen om den anderen weg te kiezen, en vroeg Sam
+wanneer zij daar aankwamen.
+
+"Een beetje verder," antwoordde Sam, en gaf tevens Andy een wenk met
+het oog dat niet aan Haley's kant was. "Maar ik heb nu over de zaak
+gedacht," vervolgde hij zeer ernstig, "en ben vast van meening dat
+wij dien weg niet moeten gaan. Ik ben dien weg nooit geweest. Het
+is er schrikkelijk eenzaam en wij zouden wel kunnen verdwalen. Onze
+lieve Heer alleen weet waar wij zouden terecht komen."
+
+"Ik zal toch dien weg nemen," zeide Haley.
+
+"Nu ik er aan denk geloof ik, dat ik heb hooren zeggen dat die weg bij
+de beek en verderop afgeheind en gesloten is. Is het zoo niet, Andy?"
+
+Andy was er niet zeker van; hij had maar alleen van dien weg hooren
+spreken, maar was er nooit over geweest. Kortom, hij wilde zich niet
+compromitteeren.
+
+Haley, gewoon om de waarschijnlijkheid te berekenen tusschen logens van
+meerdere en mindere grootte, meende dat de landweg toch de voorkeur
+verdiende. Het was onwillekeurig, gelijk hij meende opgemerkt te
+hebben, dat Sam er het eerst van had gesproken; en zijne verwarde
+poging tot afrading schreef hij aan een wanhopig liegen toe, toen de
+neger zich bedacht had en ongenegen was om Eliza te helpen vatten.
+
+Toen Sam dus den bedoelden weg aanwees, sloeg Haley dien driftig in,
+door de twee negers gevolgd.
+
+De weg nu was inderdaad een oude weg, die vroeger tot aan de rivier
+had doorgeloopen, maar sedert het aanleggen van den nieuwen tolweg
+verlaten was. Omtrent een uur rijdens ver was hij open, maar dan werd
+hij door de schuttingen van verscheidene hoeven doorsneden. Sam wist
+dit zeer wel; en de weg was reeds zoolang gesloten geweest, dat Andy
+er nooit van had hooren spreken. Hij reed dus met een gezicht vol
+ootmoedige onderdanigheid mede, en bromde slechts tusschenbeiden dat
+de weg machtig ongelijk was en heel slecht voor Jerry's poot.
+
+"Ik zal u eens wat zeggen," zeide Haley. "Ik weet wel wat ge wilt,
+maar ge zult mij met al dat geklaag niet van dezen weg afbrengen,
+zwijg dus maar stil."
+
+Om zijn ijver te toonen, hield Sam zich alsof hij steeds scherp
+uitkeek. Nu riep hij dat hij op eene hoogte in de verte een vrouwenhoed
+zag; dan vroeg hij Andy of dat Lizzy niet was, daar beneden in de
+diepte, en telkens deed hij die uitroepingen op eene ruwe en rotsige
+plek van den weg, waar het versnellen van den draf gevaarlijk en
+vermoeiend moest wezen, zoodat Haley in gedurige onrust bleef.
+
+Nadat zij omtrent een uur lang aldus hadden gereden, draafde de troep,
+eensklaps in eene diepte afdalende, de werf eener groote boerderij
+op. Er was niemand te zien, daar al de arbeiders op het veld waren,
+maar eene schuur die dwars over den weg stond, deed duidelijk blijken
+dat de tocht in deze richting hier voor goed gestuit werd.
+
+"Heb ik dat Mijnheer niet gezegd?" zeide Sam op een toon alsof hij
+zeer verongelijkt was. "Hoe kan een vreemd heer denken, dat hij meer
+van het land zal weten dan iemand die er geboren is?"
+
+"Gij, schelm!" zeide Haley, "dat hebt gij wel geweten."
+
+"Heb ik u niet gezegd dat ik het wist, toen gij mij niet woudt
+gelooven? Ik heb Mijnheer gezegd dat de weg afgezet en gesloten was,
+en dat ik niet dacht dat wij er door zouden kunnen. Andy heeft het
+gehoord."
+
+Dit was al te waar om het tegen te spreken, en de ongelukkige Haley
+moest zijne gramschap verkroppen zoo goed hij kon. Zij keerden terug
+en sloegen den gewonen grooten weg in.
+
+Ten gevolge van al dat oponthoud, was het bijna een uur nadat Eliza
+haar kind in de dorpsherberg te slapen had gelegd, toen de troep het
+dorp kwam inrijden. Eliza stond voor het venster naar een andere kant
+uit te zien, toen Sam met zijn scherpe oogen haar ontdekte. Haley en
+Andy waren eenige schreden achter. Op dit oogenblik wist Sam zijn hoed
+te laten afwaaien en deed daarbij een luiden, eigenaardigen uitroep,
+die haar deed schrikken. Zij trad achteruit, en de geheele troep reed
+het venster voorbij naar de voordeur.
+
+Duizendvoudige kracht scheen Eliza in dat eene oogenblik te
+worden ingestort. Hare kamer kwam met eene zijdeur op de rivier
+uit. Zij greep haar kind en vloog de trap af naar den waterkant. De
+handelaar zag juist een zweem van haar, toen zij achter den hoogen kant
+verdween. Oogenblikkelijk wierp hij zich van zijn paard, en Sam en Andy
+te hulp roepende, zette hij haar na, gelijk een hond een stuk wild. In
+dat bedwelmende oogenblik schenen hare voeten den grond nauwelijks te
+raken; in een oogenblik was zij aan den waterkant. Vlak achter haar
+kwamen zij aan, en met eene kracht begaafd, welke God alleen aan
+wanhopigen geeft, deed zij met een wilden schreeuw een geweldigen
+sprong, die haar over de opene strook water langs den oever op het
+ijsvlot bracht. Het was een wanhopige sprong, niet mogelijk dan alleen
+voor de razernij der wanhoop. Haley, Sam en Andy gaven onwillekeurig
+een schreeuw en staken de handen op, toen zij het waagstuk zagen.
+
+De groote, groene ijsschots kantelde en kraakte, toen zij er
+op neerkwam, maar zij toefde geen oogenblik. Met nog een wilder
+schreeuw sprong zij op een andere, al verder en verder, struikelende,
+springende, uitglijdende en weder opvliegende. Hare schoenen bleven
+steken, hare kousen werden haar van de voeten gereten, haar bloed
+teekende elken voetstap; maar zij zag niets, voelde niets, totdat zij
+flauw, als in een droom, den grond van Ohio onderscheidde en een man
+zag, die haar de hand reikte om haar op den oever te helpen.
+
+"Ge zijt een knappe meid, wie ge ook wezen moogt," zeide de man met
+een vloek.
+
+Eliza herkende de stem en het gezicht van den eigenaar eener hoeve,
+niet ver van hare oude woning.
+
+"O, Mijnheer Symmes, red mij--red mij toch--verberg mij!" riep zij uit.
+
+"Wat is dat?" zeide de man. "Waarachtig, als dat geene meid van
+Shelby is!"
+
+"Mijn kind--dit jongetje--hij heeft hem verkocht! Daar is zijn
+meester," zeide zij naar den overkant wijzende. "O Mijnheer Symmes,
+gij hebt ook een jongetje!"
+
+"Dat heb ik," zeide de man, terwijl hij haar ruw maar vriendelijk
+tegen den steilen kant optrok. "Bovendien, ge zijt eene meid die hart
+heeft. Ik houd van courage, waar ik dien ook zie."
+
+Toen zij boven op den kant gekomen waren, bleef de man staan.
+
+"Ik zou gaarne iets voor u doen," zeide hij, "maar ik kan u nergens
+brengen. Het beste wat ik doen kan, is u te zeggen, dat gij _daarheen_
+gaat," vervolgde hij, naar een groot wit huis wijzende, dat een eind
+van het dorp op zich zelf stond. "Ga daar; dat zijn goede lieden. Er
+is geene soort van gevaar of zij zullen u helpen--zij zijn aan dat
+alles gewoon."
+
+"De Heere zegene u!" zeide Eliza ernstig.
+
+"Toch niet, toch niet,' antwoordde de man. "Wat ik gedaan heb, heeft
+niets te beduiden."
+
+"En o, Mijnheer, gij zult het toch zeker niemand zeggen!"
+
+"Loop naar den donder, meid! Waar houdt gij iemand voor? Wel natuurlijk
+niet," antwoordde de man. "Kom, ga nu heen als een knappe verstandige
+meid, die gij zijt. Gij hebt uwe vrijheid verdiend, en wat mij betreft,
+zult gij ze hebben."
+
+Zij sloot haar kind in hare armen en ging snel en met vaste schreden
+heen. De man bleef haar staan nakijken.
+
+"Shelby zal dit misschien niet heel buurmanachtig gedaan vinden; maar
+wat zal iemand doen? Als hij eene van mijne meiden in denzelfden nood
+vindt, laat hij het dan vrij ook zoo maken. Ik ben nooit in staat
+geweest om wat voor schepsel het ook wezen mocht te zien vluchten
+voor zijn leven, hijgende en zwoegende, met de honden achteraan, en
+het dan tegen te houden. Buitendien, ik zie geene enkele verplichting
+voor mij om voor anderen jager en vanger te wezen."
+
+Zoo sprak de arme heidensche Kentuckiër, die niet in de
+constitutioneele burgerplichten onderwezen was en zich dus liet
+verlokken om eenigszins op eene christelijke manier te handelen,
+hetgeen hij, als hij beter opgevoed en meer verlicht was geweest,
+niet had mogen doen.
+
+Haley had met stomme verbazing naar dit tooneel staan staren, totdat
+Eliza achter den hoogen kant verdween. Toen keerde hij zich naar Sam
+en Andy met een verwonderd vragenden blik.
+
+"Dat was tamelijk knap gedaan," zeide Sam.
+
+"De meid heeft zeven duivels in het lijf, geloof ik," zeide Haley. "Zij
+sprong als een wilde kat."
+
+"Wel," hervatte Sam, zijn hoofd krabbende, "ik hoop dat Mijnheer
+het ons niet kwalijk nemen zal, als wij dien weg niet probeeren. Ik
+geloof niet dat ik er courage genoeg toe heb." En Sam liet een schor
+gelach hooren.
+
+"Lacht gij nog!" snauwde de handelaar.
+
+"God zegene u, meester, ik kon het niet laten," antwoordde Sam en
+gaf zijne lang gesmoorde opgetogenheid lucht. "Zij maakte zulk eene
+wonderlijke vertooning, daar wippende en springende over dat krakende
+ijs. En het hooren er van! Plomp, krik, krak, plis, plas! He, wat ging
+dat!" En Sam en Andy lachten, dat hun de tranen over de wangen rolden.
+
+"Ik zal u wel anders leeren lachen," zeide de handelaar en sloeg naar
+hunne hoofden met zijne karwats.
+
+Beiden bukten, liepen schreeuwende en joelende den oever op, en waren
+te paard eer hij hen bereikte.
+
+"Goeden avond, meester," zeide Sam zeer ernstig. "Ik geloof vast,
+dat Mevrouw ongerust over Jerry zal wezen.
+
+"Mijnheer Haley zal ons nu wel niet langer willen ophouden. Mevrouw
+zou er toch niet van willen hooren dat wij de paarden van avond over
+Lizzy's brug brachten."
+
+En Andy een schertsenden ribbestoot gevende, reed hij voort, door
+zijnen makker in vollen ren gevolgd, terwijl de wind nog lang hun
+schaterend gelach overwoei.
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+ELIZA'S ONTSNAPPING.
+
+
+Het was juist schemeravond, toen Eliza dien wanhopigen aftocht
+over de rivier waagde. De grauwe avondnevel, die langzaam uit het
+water oprees, omhulde haar toen zij den oever besteeg, en deed
+haar spoedig geheel verdwijnen, terwijl de gezwollen stroom en de
+drijvende ijsschotsen een onoverkomelijken slagboom tusschen haar en
+haren vervolger plaatsten. Haley keerde dus langzaam en ontevreden
+naar de herberg terug, om daar te overleggen wat verder te doen. De
+vrouw opende voor hem de deur van een voorkamertje, met een karpet
+op den grond en gemeubileerd met eene tafel, met blinkend wasdoek
+bedekt, eenige stoelen met hooge pooten en leuningen, en eenige hard
+gekleurde pleisterbeeldjes op den mantel van den schoorsteen, waarin
+een smeulend vuur brandde. Bovendien stond bij den schoorsteen nog
+eene lange houten bank, en daarop zette Haley zich neer om over de
+onzekerheid van alle menschelijke hoop te peinzen.
+
+"Wat had ik ook met het kleine kreng noodig," zeide hij bij zich
+zelven, "dat ik mij daarvoor zoo voor den gek moest laten houden?"
+
+Hij verlichtte zijn hart door eene niet zeer keurig uitgezochte litanie
+van verwenschingen tegen zich zelven, die wij, hoewel er goede reden
+zou zijn om ze voor zeer gepast te houden, om den smaak onzer lezers
+niet te kwetsen, maar niet zullen herhalen.
+
+Hij werd gestoord door de luide, ruwe stem van een man die voor de
+deur scheen af te stijgen, en haastte zich naar het venster.
+
+"Waarachtig, als dat nu niet het naaste bijkomt bij wat de menschen
+voorzienigheid noemen!" zeide Haley bij zich zelven. "Ik geloof dat
+Tom Loker daar is."
+
+Hij haastte zich naar buiten. Bij het buffet stond een grof gespierd
+man, van volle zes voet lengte en breed naar evenredigheid. Hij had
+een jas van buffelhuid aan, met het haar naar buiten, hetgeen aan
+zijn voorkomen eene ruigheid en woestheid gaf, volkomen strookende
+met de uitdrukking van zijn gezicht. Elke trek van dat gezicht en elke
+vorming van het hoofd, die dierlijke woestheid kon aanduiden, was zoo
+sterk mogelijk ontwikkeld. Wanneer onze lezers zich een bulhond konden
+voorstellen, die tot eene manslengte was opgegroeid en met een hoed en
+jas rondliep, zouden zij geen slecht denkbeeld hebben van het algemeene
+voorkomen van dezen man. In zijn gezelschap had hij een reisgenoot,
+die in vele opzichten een volmaakt contrast met hem aanbood. Deze
+was kort en tenger, vlug en katachtig in zijne bewegingen, en had
+iets turends en loerends in zijne scherpe zwarte oogen, waarmede al
+de even scherpe trekken van zijn gelaat overeenstemden. Zijn lange,
+smalle neus liep in zulk eene spitse punt uit, alsof hij in alles
+wilde inboren; zijn dun, gladgestreken, zwart haar stak insgelijks met
+spitse punten naar voren, en al zijne bewegingen en gebaren duidden
+listige, voorzichtige slimheid aan. De groote, grove man schonk een
+bierglas half vol brandewijn en goot het zonder een woord te spreken
+in eens in zijn keel. De kleine, magere man verhief zich op de teenen,
+stak het hoofd eerst naar den eenen en toen naar den anderen kant,
+alsof hij aan de flesschen wilde ruiken, en bestelde eindelijk een
+glaasje likeur, met eene schelle, pieperige stem en met een voorkomen
+van voorzichtig overleg. Toen het hem gegeven werd, nam hij het op
+en bekeek het met vergenoegde aandacht, gelijk iemand die denkt dat
+hij iets juist van pas heeft gedaan, en ging het toen met korte,
+bedachtzame teugjes uitdrinken.
+
+"Wel, wie zou zulk een geluk verwacht hebben! Hoe vaart gij,
+Loker?" zeide Haley naderkomende, en reikte den groven man zijne hand.
+
+"Voor den duivel, Haley, hoe komt gij hier?" was het beleefde antwoord.
+
+De katachtige man, die den naam van Marks droeg, hield dadelijk op
+met slurpen, stak zijn hoofd vooruit, en keek onzen nieuwen bekende
+vragend aan.
+
+"Zeg eens, Tom," hervatte Haley, "het is gelukkig dat ik u zie. Ik
+zit verduiveld in de klem en gij moet er mij eens uit helpen."
+
+"Hm! Wel te denken!" bromde zijn vriendelijke bekende. "Daar kan
+iemand wel zeker van zijn, als ge blijde zijt hem te zien moet het
+om een reden zijn. Wat is er nu aan de hand?"
+
+"Gij hebt daar een vriend?" zeide Haley, Marks twijfelachtig
+aanziende. "Een compagnon misschien?"
+
+"Ja, zoowat. Hier, Marks, dat is de man met wien ik te Natchez ben
+geweest."
+
+"Het zal mij pleizier doen kennis met hem te maken," zeide Marks,
+eene lange, magere hand, gelijk een ravenklauw, uitstekende. "Mijnheer
+Haley, geloof ik?"
+
+"Dezelfde, Mijnheer," antwoordde Haley. "En nu, Heeren, nu wij
+elkander zoo gelukkig hebben ontmoet, dunkt mij, moest ik eens op een
+kleinigheid trakteeren. Kom aan, oude," vervolgde hij tegen den man
+aan het buffet, "geef heet water, suiker en sigaren, en eene goede
+portie van "het echte goed," dan zullen wij de kennis eens hernieuwen."
+
+Ziedaar dan de kaarsen aangestoken, het vuur in den haard opgepookt,
+en onze drie vrienden om eene tafel gezeten, wel voorzien met al het
+noodige om kennis aan te knoopen en te hernieuwen.
+
+Haley begon een aandoenlijk verhaal van zijn ongeval. Loker kneep
+zijn mond dicht en luisterde met norsche aandacht. Marks, die met
+veel omslag een glas punch naar zijnen eigen bijzonderen smaak
+gereed maakte, keek tusschenbeide eens op en stak dan zijn scherpen
+neus bijna in Haley's gezicht. Hij luisterde ook oplettend naar het
+geheele verhaal, en het slot scheen hem buitengemeen te vermaken;
+want hij lachte dat hij schudde, hoewel zonder geluid te geven,
+en kneep met een gezicht vol pret zijn lippen dicht.
+
+"Zoo zijt ge dan gefopt?" zeide hij eindelijk. "Nu, het is aardig
+gedaan."
+
+"Dat jonge goed geeft veel last in den handel," zeide Haley droevig.
+
+"Als wij een ras van meiden konden maken dat niet om hare jongen gaf,"
+liet Marks hierop volgen, "dunkt mij, dat het nagenoeg de grootste
+uitvinding van onzen tijd zou zijn."
+
+"Ja," zeide Haley hierop, "ik heb het nooit kunnen begrijpen. Jongen
+zijn een grooten last voor de meiden, en men zou denken dat ze blij
+moesten zijn, als zij er af raakten; maar dat zijn ze toch niet. En
+hoe meer last een jong geeft, en hoe minder het eigenlijk deugt,
+zooveel te meer zijn zij er aan gehecht."
+
+"Ja, Mijnheer Haley," zeide Marks.--"Och, geef mij eens het water
+aan!--Ja, Mijnheer, gij zegt daar wat ik altijd gedacht heb. Eens
+heb ik eene meid gekocht--eene knappe, frissche meid was zij, en
+tamelijk mooi ook--en die had een jong dat ellendig ziekelijk was,
+een krommen rug had of zoo iets; en ik gaf hem weg aan een man die
+wilde probeeren of hij hem kon grootbrengen, als hij hem toch niets
+kostte; en ik had nooit gedacht dat de meid het zich zou aantrekken;
+maar o! o! gij had eens moeten zien hoe zij te werk ging. Zij scheen
+waarlijk zooveel te meer van het kind te houden, omdat het ziekelijk
+en lastig was en haar plaagde; en zij veinsde dat maar niet, neen
+zij huilde en werd er mager van, alsof zij alles verloren had wat
+zij had. Het was waarlijk koddig, als men het zoo bedacht. Maar de
+grillen van vrouwen zijn onverklaarbaar."
+
+"Wel, zoo is het mij ook gegaan," hervatte Haley. "Verleden zomer werd
+er aan de Roode Rivier eene meid aan mij verkocht, met een kind dat er
+goed genoeg uitzag en oogen had, zoo helder als die van u; maar toen
+ik beter keek, bevond ik dat het stekeblind was--stekeblind. Wel,
+gij begrijpt, ik vond er geen kwaad in, om hem maar van de hand te
+doen zonder er iets van te zeggen, en ik verkocht hem voor een vaatje
+jenever; maar toen wij hem van de meid kwamen weghalen, geleek zij wel
+eene tijgerin. Het was vóórdat wij van de rivier waren en ik had mijn
+troep niet geboeid. Wat zou ze dus doen? Zij vliegt op eene katoenbaal,
+grijpt een van het volk op het dek een mes uit de hand, en ik zeg u,
+zij deed in het eerst iedereen voor haar loopen, tot zij zag dat het
+toch niet baten zou; en toen keert zij zich om en springt, met jong
+en al, plompverloren in de rivier, zinkt als een steen en komt nooit
+weder boven."
+
+"Bah!" zeide Tom Loker, die met blijkbare minachting naar deze verhalen
+had geluisterd. "Gij weet er beiden niet mede om te gaan. _Mijne_
+meiden zullen zich nooit zoo aanstellen, dat zeg ik u."
+
+"Zoo! Hoe voorkomt gij dat?" vroeg Marks snel.
+
+"Hoe ik het voorkom! Wel, als ik eene meid koop, die een jong heeft dat
+verkocht kan worden, ga ik even naar haar toe en houd mijne vuist voor
+haar gezicht, en zeg: "Kijk eens hier. Als gij mij één dwars woord
+geeft, zal ik uw gezicht inbeuken. Ik wil geen woord hooren--geen
+begin van een woord." En dan zeg ik verder: "Dat jong is van mij,
+niet van u; gij hebt er niets mee te maken. Ik zal het bij de eerste
+gelegenheid verkoopen. Pas op dat gij geen spektakel daarover maakt,
+of ik zal u doen wenschen dat gij nooit geboren waart." Ik zeg u,
+zij zien dan wel dat het geen gekheid is als ik begin. Het maakt haar
+zoo stom als visschen; en als eene van haar begint en maar eens jankt,
+wel...." En daarmede liet hij zijne vuist op de tafel vallen met een
+bons, die zijn rede genoegzaam aanvulde.
+
+"Dat noem ik spreken!" zeide Marks glimlachend en gaf Haley een
+stoot in de zijde. "Weet Tom het die meiden niet aan het verstand
+te brengen, he? Ik geloof dat zij u wel begrijpen, Tom, al zijn
+alle negerkoppen wollig. Zij zullen niet twijfelen aan uwe meening,
+Tom. Als gij de duivel niet zijt, Tom, zijt gij zijn tweelingbroeder;
+dat wil ik voor u getuigen."
+
+Tom nam dit compliment met voegzame bescheidenheid aan, en keek zoo
+vriendelijk als hem mogelijk was.
+
+Haley, die vrij wat gedronken had, begon een bijzondere verheffing
+van zedelijk gevoel te ontwaren--geen ongewoon verschijnsel bij heeren
+van een ernstig en nadenkend karakter onder dergelijke omstandigheden.
+
+"Wel, Tom," zeide hij, "dat is waarlijk te erg, zooals ik u altijd
+gezegd hebt. Gij weet wel, Tom, hoe ik over die dingen met u placht
+te praten daar te Natchez, en u placht te bewijzen dat wij er
+evenveel mee wonnen voor deze wereld, als wij hen goed behandelden,
+en bovendien beter kans hielden om eindelijk in den hemel te komen,
+als wij eens opraakten en toch anders niets meer konden krijgen. Weet
+ge dat nog wel?"
+
+"Bah, of ik het weet!" antwoordde Tom. "Maak me niet misselijk met
+dien kost. Mijne maag begint nu al te koken." En hij dronk een half
+glas klaren brandewijn uit.
+
+"Ik zeg dit," hervatte Haley, achterover in zijn stoel leunende en met
+nadrukkelijke gebaren, "ik zeg dit: ik heb altijd gemeend mijn handel
+te drijven om er geld mede te winnen, _eerst en vooral zoo_ goed als
+iemand; maar daarom is de handel toch niet alles en geld is niet alles,
+want wij hebben allen toch eene ziel. Het kan mij niet schelen, wie
+mij dat hoort zeggen--en ik denk er ver....d dikwijls aan, zoodat ik
+het ook wel zeggen mag. Ik geloof aan den godsdienst, en eens, als ik
+geld genoeg bij elkander heb, denk ik ook voor mijne ziel te zorgen,
+en wat baat het dus meer goddeloosheid te doen dan werkelijk noodig
+is? Mij komt het voor dat het lang niet voorzichtig is."
+
+"Voor uwe ziel te zorgen!" zeide Tom verachtelijk. "Men zou hard
+moeten zoeken om eene ziel in u te vinden. Maak u daarover maar
+niet ongerust. Al zift de duivel u door een koornzeef, hij zal geene
+ziel vinden."
+
+"Wel, Tom, wat zijt gij barsch!" zeide Haley. "Waarom kunt gij het
+niet vriendelijk opnemen, als iemand tot uw bestwil spreekt?"
+
+"Houd op met dat gemaal," antwoordde Tom, even grof. "Ik kan bijna
+alle praatjes van u hooren, behalve die vrome praatjes--die zouden
+mij ziek maken. En wat is dan eigenlijk het verschil tusschen u en
+mij? Het is niet dat gij een zier beter zijt, of een zier meer gevoel
+hebt--maar het is klinkklare hondsche laaghartigheid en lafheid,
+dat gij den duivel wilt bedriegen en u zelven uit zijne klauwen
+redden. Doorzie ik het niet? En uw "godsdienstig worden," zooals gij
+zegt, is maar een gemeene streek. Ge laat uw leven lang uwe rekening
+bij den duivel oploopen, en wilt dan uitvluchtjes zoeken als het tijd
+van betalen wordt. Bah!"
+
+"Kom, kom, Heeren, dat zijn dingen, die nu niet te pas komen," zeide
+Marks hierop. "Mijnheer Haley is een heel ordentelijk man, daar twijfel
+ik niet aan, en heeft zijne eigene soort van geweten; en gij, Tom,
+hebt ook uwe manier van denken, en die is ook heel goed; maar twisten
+weet ge, baat niets. Laten wij tot de zaak komen. Wat is het nu,
+Mijnheer Haley? Gij wilt dat wij u helpen om die meid te vangen?"
+
+"De meid gaat mij niet aan; zij is van Shelby. Het is mij maar om
+den jongen te doen. Ik ben een gek geweest dat ik den aap gekocht heb."
+
+"Gij zijt doorgaans een gek," bromde Tom.
+
+"Stil toch, Loker," duwde Marks hem toe. "Mijnheer Haley wil ons
+immers een goed karweitje aan de hand doen. Zeg eens, hoe ziet die
+meid er uit, en wat is zij?"
+
+"Wel, blank en mooi, en goed opgebracht. Ik had Shelby achthonderd of
+duizend voor haar willen geven, en zou nog goede winst hebben gemaakt."
+
+"Blank, mooi en goed opgebracht?" herhaalde Marks met levendige
+begeerte in al zijne scherpe trekken. "Kijk eens aan, Loker, welk een
+heerlijk kansje! Wij moeten de zaak voor eigen rekening ondernemen;
+wij vangen ze; de jongen gaat natuurlijk naar Mijnheer Haley, en wij
+brengen de meid op speculatie naar Orleans. Is dat niet heerlijk?"
+
+Tom, wiens breede grove mond onder het luisteren had opengestaan, sloot
+hem nu op eens dicht, gelijk een bulhond naar een stuk vleesch hapt, en
+scheen vervolgens op zijn gemak het smakelijke denkbeeld te verzwelgen.
+
+"Gij weet," zeide Marks tot Haley, onder de hand zijn glas punch
+omroerende, "wij hebben rechters overal langs de kust, die klaar
+staan om alle noodige kleinigheden in ons vak te doen. Tom moet voor
+het vangen zorgen; en ik kom als een heer gekleed, met blinkende
+laarzen, en dat alles als er gezworen moet worden. Gij moet eens
+zien," vervolgde hij met trotsche zelfvoldoening, "hoe ik mij dan
+houden kan. Den eenen dag ben ik Mr. Twickens van New-Orleans;
+den anderen dag kom ik zoo van mijne plantage aan de Paarlrivier,
+waar ik vijfhonderd negers heb; dan weder ben ik een verre neef van
+Henry Clay, of een ander groot man. Ieder heeft zijn bijzonder talent,
+weet ge. Tom is een kerel, als er gebulderd of gevochten moet worden,
+maar voor het liegen deugt hij niet; dat gaat hem niet natuurlijk
+af. Maar o, als er iemand in het land is, die beter op alles kan
+zweren, en alle omstandigheden beter bij elkander brengen, en een
+strakker gezicht daarbij kan zetten dan ik, dan zou ik hem wel eens
+willen zien--meer zeg ik niet. Ik geloof dat ik het wel klaren zou,
+al keken de rechters wat nauwer dan zij doen. Somtijds wenschte ik
+haast dat zij wat nauwer keken; het zou veel aardiger en prettiger
+zijn, als zij dat deden, weet ge!"
+
+Tom Loker die, gelijk reeds gebleken is, langzaam in zijn denken en
+doen was, stoorde hier Marks door zijne zware vuist op de tafel te
+laten vallen, zoodat er alles op rinkelde.
+
+"Ik doe het," zeide hij.
+
+"Gij behoeft de glazen daarom niet te breken," zeide Marks. "Bewaar
+uwe vuist maar voor tijd van nood."
+
+"Maar, Heeren, zal ik dan ook geen aandeel hebben in de winst?" vroeg
+Haley nu.
+
+"Is het niet genoeg, dat wij den jongen voor u vangen?" antwoordde
+Loker. "Wat wilt gij anders?"
+
+"Wel," zeide Haley, "dat ik u het kansje aan de hand doe, is toch
+iets waard. Zeg tien percent van de winst, na aftrek van de kosten."
+
+Loker barstte uit in een geduchten vloek en liet nog eens zijne vuist
+op de tafel vallen.
+
+"Ken ik u niet, Daniël Haley?" zeide hij vervolgens. "Denk niet dat ge
+mij zoo zult beetnemen. Gelooft gij dat Marks en ik het negervangen
+bij de hand hebben genomen, alleen om zulke heeren als gij zijt van
+dienst te wezen, en niets voor ons zelven te verdienen? Dat lijkt
+er niet naar. Wij houden de meid geheel en al, en gij moogt u maar
+stilhouden, of wij houden ze allebei. Wat zou het ons beletten? Hebt
+gij ons het wild niet gewezen? Wij mogen het evengoed vangen als gij,
+zou ik denken. Als gij of Shelby ons wilt vervolgen, ga dan maar eens
+kijken waar de patrijzen van verleden jaar zijn. Als gij die of ons
+vinden kunt, staat het u vrij."
+
+"Welnu, laat het dan maar zoo blijven," zeide Haley ontsteld. "Gij
+vangt dus den jongen voor mij. Gij hebt mij altijd eerlijk behandeld
+Tom, en uw woord gehouden."
+
+"Dat weet gij wel," antwoordde Tom. "Ik houd mij niet op met uw geteem;
+maar valsch spel speel ik zelfs den duivel niet. Wat ik zeg dat ik
+doen zal dat doe ik. Dat weet gij wel, Daniël Haley."
+
+"Ja wel, ja wel; dat zeide ik ook, Tom. En als gij mij maar beloven
+wilt dat gij den jongen over een week voor mij gereed zult houden,
+waar gij maar zelf verkiest, is het al wat ik eisch."
+
+"Maar nog lang niet al wat ik eisch," hervatte Tom. "Gij denkt toch
+niet dat ik voor niet zaken met u gedaan heb te Natchez, Haley? Ik
+heb geleerd een aal vast te houden als ik hem pak. Gij moet vijftig
+dollars geven, maar vooruit, of ik verzet geen voet. Ik ken u wel."
+
+"Wat als ik u een kansje aan de hand heb gedaan, dat u duizend
+of zestienhonderd zuivere winst kan opbrengen? Wel Tom, ge zijt
+onredelijk."
+
+"Ja, en hebben wij geen werk aangenomen voor vijf weken achtereen,
+zooveel als wij maar af kunnen? En als wij nu alles verzuimen, en
+die jongen van u gaan naloopen en eindelijk misschien de meid niet
+eens pakken--meiden zijn altijd duivels moeielijk te pakken--wat
+dan? Zoudt gij ons dan een cent betalen? Mij dunkt, ik zie het u al
+doen! Bah! Neen, tel ons uwe vijftig op de hand toe. Als de zaak
+goed uitkomt, geven wij ze u terug, zoo niet dan is dat voor onze
+moeite. Dat is billijk. Niet waar, Marks?"
+
+"Zekerlijk, zekerlijk," antwoordde Marks op een verzoenenden toon. "Het
+is maar geld op de hand. Maar wij zullen de zaak wel in der minne
+schikken, wees maar gerust. Tom zal u den jongen brengen waar gij
+verkiest; niet waar, Tom?"
+
+"Als ik het jong vang, breng ik het naar Cincinnatie en laat het bij
+grootmoeder Belcher," antwoordde Loker.
+
+Marks had eene smerige portefeuille uit zijn zak gehaald, en een
+strook papier daaruit nemende, begon hij mompelende te lezen:
+
+"Barnes--Shelby County--jongen Jim, driehonderd dollars voor hem, dood
+of levend, Edward--Dick en Lucy--man en vrouw, zeshonderd dollars;
+meid Polly met twee kinderen, zeshonderd voor haar of haar hoofd. Ik
+loop onze zaken eens even door, om te zien of wij dit nog kunnen
+waarnemen.--Wij zullen Adams en Springer op deze moeten afzenden,"
+zeide hij na zich eene poos te hebben bedacht. "Zij staan al eenigen
+tijd geboekt."
+
+"Zij zullen te veel rekenen," zeide Tom.
+
+"Dat zal ik wel schikken. Zij zijn zoo jong in het vak en zullen
+wel begrijpen, dat zij goedkoop moeten werken," antwoordde Marks,
+terwijl hij stil voortlas. "Drie er van zijn gemakkelijke karweien,
+want al wat zij te doen hebben, is ze dood te schieten of te zweren
+dat zij doodgeschoten zijn; en daar kunnen zij natuurlijk niet
+veel voor rekenen. Die andere dingen kunnen nog wel wat uitgesteld
+worden;"--daarmede vouwde hij het papier weder op. "Laten wij nu tot
+de bijzonderheden overgaan. Gij hebt dus die meid aan land zien komen,
+Mijnheer Haley?"
+
+"Zeker--zoo duidelijk als ik u zie."
+
+"En een man die haar den kant ophielp?" zeide Loker.
+
+"Zeker zag ik dat."
+
+"Waarschijnlijk is zij ergens ingenomen," zeide Marks nu. "Waar? Dat
+is de vraag. Wat zegt gij Tom?"
+
+"Wij moeten van nacht nog de rivier over," zeide Tom.
+
+"Maar er ligt hier geene boot," liet Marks daarop volgen. "En het
+ijs kruit geweldig. Zou het niet gevaarlijk zijn?"
+
+"Daar weet ik niet van, maar alleen dat het gedaan moet worden,"
+antwoordde Tom beslissend.
+
+"Maar toch," hervatte Marks onrustig. "Ik weet niet." Hij stond op
+en ging naar het venster. "Het is pikdonker buiten, en...."
+
+"Het lange en het korte van de zaak is, dat ge bang zijt, Marks. Maar
+dat kan ik niet helpen, ge moet toch mee. Zoudt ge misschien een paar
+dagen willen wachten tot de meid langs den onderaardschen spoorweg
+[3] naar Sandusky of zoo is gebracht?"
+
+"O neen, ik ben volstrekt niet bang," zeide Marks. "Maar--"
+
+"Maar wat?"
+
+"Wel, eene boot. Gij weet dat er geene boot is."
+
+"Ik heb de vrouw hooren zeggen dat er van avond eene kwam, en dat er
+iemand mede overging. Gevaarlijk of niet, wij moeten met hem mede,"
+zeide Tom.
+
+"Ik onderstel dat gij goede honden hebt?" merkte Haley nu aan.
+
+"Allerbeste," antwoordde Marks. "Maar wat baat dat? Gij hebt toch
+niets van haar, om aan te laten ruiken."
+
+"Ja, dat heb ik wel, zeide Haley zegepralende. "Hier is haar doek,
+dien zij in haar haast op bed heeft laten liggen en haar hoed ook."
+
+"Dat is gelukkig," zeide Loker. "Geef maar hier."
+
+"Maar de honden zouden de meid kunnen beschadigen, als zij haar
+onverwacht pakten," zeide Haley.
+
+"Dat is eene bedenking," zeide Marks. "Onze honden hebben daar in
+Mobile eens een kerel half in stukken gescheurd eer wij hen konden
+terug roepen."
+
+"Wel, ziet ge, voor deze soort, die voor haar mooi moet verkocht
+worden, gaat dat niet aan," zeide Haley.
+
+"Dat begrijp ik," antwoordde Marks. "En bovendien, als zij ingenomen
+is, gaat het ook niet. Honden helpen niet in deze staten, waar die
+schepsels met rijtuig weggebracht worden; zij kunnen dan natuurlijk
+geen spoor vinden. Zij helpen maar alleen in de plantages, waar de
+negers als zij wegloopen zelf moeten loopen, en niet geholpen worden!"
+
+"Welnu," zeide Loker, die even de kamer uit was geweest om iets te
+vragen; "zij zeggen dat de man met de boot gekomen is. Dus Marks...."
+
+Deze keek treurig rond in het aangename nachtverblijf, dat hij
+verlaten moest, maar stond toch langzaam op. Na nog eenige afspraken
+te hebben gemaakt, stelde Haley met zichtbaren tegenzin Tom de vijftig
+dollars ter hand, en zoo scheidde het elkander waardige drietal voor
+dien avond.
+
+Indien sommige van onze beschaafde en christelijke lezers iets
+tegen het gezelschap hebben, waarin dit tooneel hen gebracht heeft,
+laten wij hen dan mogen verzoeken om bijtijds hunne vooroordeelen te
+overwinnen. Het negervangen, moeten wij hun herinneren, verheft zich
+thans tot de waardigheid van een wettig en patriotsch beroep. Wanneer
+het geheele breede land tusschen den Mississippi en de Stille Zuidzee
+ééne groote markt voor lichamen en zielen wordt, en menschelijke
+koopwaar de locomotieve neigingen dezer negentiende eeuw behoudt,
+kunnen de handelaar en de negerjager nog wel eens tot onze aristocratie
+gerekend worden.
+
+
+
+Terwijl dit in de herberg voorviel, reden Sam en Andy vol blijde
+zelfvoldoening naar huis.
+
+Sam was zoo opgewonden als maar mogelijk was, en gaf zijne
+overmaat van genot lucht door allerlei onnatuurlijke geluiden en
+uitroepingen, en allerlei wonderlijke bewegingen en verwringingen van
+zijn lichaam. Somtijds reed hij het achterste voor, met het gezicht
+naar den staart van zijn paard; en zich dan met een zegekreet en een
+luchtsprong weder recht plaatsende, zette hij een ernstig gezicht en
+begon Andy op hoogdravenden toon eene vermaning te geven, dat hij
+lachte en voor gek speelde. Dan weder sloeg hij zich met de handen
+in de zijden en hief een schaterend gelach aan, zoodat het door de
+oude bosschen weergalmde. Onder al die grimassen wist hij echter
+zijn paard in vliegenden ren te houden, tot hij met zijn makker,
+tusschen tien en elf uur, weder over het kiezelgruis langs de veranda
+knerste. Mevrouw Shelby ijlde naar buiten.
+
+"Zijt gij dat, Sam? Waar zijn zij?"
+
+"Mijnheer Haley zit in de herberg uit te rusten. Hij is schrikkelijk
+vermoeid, Mevrouw."
+
+"En Eliza, Sam?"
+
+"O, zij is den Jordaan over. In het land van Kanaän, zou iemand
+mogen zeggen."
+
+"Wat meent gij toch, Sam?" zeide Mevrouw Shelby, bijna flauw vallende,
+toen de mogelijke beteekenis dezer woorden haar te binnen kwam.
+
+"Wel, Mevrouw, de Heere bewaart die de Zijnen zijn. Lizzy is over de
+rivier gekomen naar Ohio, zoo wonderlijk, alsof de Heere haar in een
+vurigen wagen met twee paarden had overgebracht."
+
+Sams vroomheid was in de tegenwoordigheid zijner meesteres bijzonder
+vurig, en hij bracht dan altijd zooveel schriftuurlijke uitdrukkingen
+en beelden te pas als hij maar kon.
+
+"Kom hier, Sam," zeide Mr. Shelby, die insgelijks onder de veranda
+was gekomen, "en zeg uwe meesteres wat zij verlangt te weten. Kom,
+Emilia," vervolgde hij, zijn arm om haar heenslaande. "Gij staat te
+beven. Gij geeft al te veel toe aan uw gevoel."
+
+"Te veel toe aan mijn gevoel! Ben ik geene vrouw--geene moeder? Zijn
+wij niet bij God verantwoordelijk voor dat arme schepsel? O God,
+reken ons deze zonden niet toe!"
+
+"Welke zonde, Emilia? Gij ziet immers zelve wel, dat wij alleen maar
+gedaan hebben wat wij moesten doen."
+
+"Het geeft mij toch een ontzettend gevoel van schuld," antwoordde
+Mevrouw Shelby. "Dat kan ik niet wegredeneeren."
+
+"Hier, Andy, gij neger, maak wat haast!" riep Sam. "Breng de paarden
+naar den stal. Hoort gij niet dat de meester mij roept?"
+
+En weldra verscheen Sam, met zijn hoofdsieraad van palmbladeren in
+de hand, voor de deur der voorkamer.
+
+"Zeg ons nu duidelijk, Sam, hoe de zaak is afgeloopen," zeide
+Mr. Shelby. "Waar is Eliza, als gij dit weet?"
+
+"Wel, meester, ik zag haar met mijne eigene oogen op het drijvende ijs
+overstappen. Zij kwam op eene buitengemeene manier aan den overkant;
+het was niets minder dan een wonder. En ik zag een man aan den Ohiokant
+haar ophelpen, en toen raakte zij in het donker uit mijne oogen."
+
+"Ik vind dat wonder eenigszins ongeloofelijk, Sam. Op drijvend ijs
+overstappen gaat zoo gemakkelijk niet," zeide Mr. Shelby.
+
+"Gemakkelijk!" riep Sam. "Niemand kon het gedaan hebben, als de Heere
+hem niet hielp. Ik zal het u zeggen, hoe het was. Mijnheer Haley
+en ik en Andy, wij kwamen aan het herbergje aan de rivier, en ik
+reed een beetje vooruit--ik had zulk een ijver om Lizzy te vangen,
+dat ik mij niet kon inhouden--en toen ik voorbij het venster kwam,
+daar stond zij zoo waar vlak in het gezicht en zij kwamen achter mij
+aan. Wel, ik verlies mijn hoed, en schreeuw hard genoeg om de dooden
+wakker te maken. Natuurlijk hoort Lizzy dat en zij stapt achteruit,
+en Mijnheer Haley rijdt voorbij naar de deur. En toen liep zij de
+achterdeur uit naar de rivier. En toen zag Mijnheer Haley haar en
+schreeuwde, en hij en ik en Andy, wij liepen haar na. Zij komt aan de
+rivier, en daar was de strooming langs den kant volle tien voet breed,
+en aan de overzijde lag het ijs op en neer te wiegelen, alsof het
+een groot eiland was. Wij kwamen recht achter haar aan en ik dacht
+zeker dat hij haar al had--en toen gaf zij zulk een schreeuw als
+ik nooit in mijn leven gehoord heb, en daar was zij op eens aan den
+overkant van den stroom, op het ijs, en voort liep zij, al gillende
+en springende--en het ijs ging krik, krak, plis, plas! en zij sprong
+maar voort als een hert! Och, wat kan die meid springen!"
+
+Mevrouw Shelby was stil en bleek van aandoening blijven zitten,
+terwijl Sam dit verhaalde.
+
+"God zij gedankt, zij is dan niet dood!" zeide zij eindelijk. "Maar
+waar is het arme kind nu?"
+
+"De Heere zal voorzien," antwoordde Sam en liet met eene zonderlinge
+vertooning van vroomheid zijne oogen rollen. "Zooals ik gezegd heb,
+dat is de Voorzienigheid geweest en niets anders, gelijk Mevrouw
+ons altijd heeft onderricht. Er komen altijd werktuigen op, om den
+wil des Heeren te doen. Als ik er niet geweest was, zou zij vandaag
+wel twaalf maal gevangen zijn. Was ik het niet die de paarden van
+morgen liet hollen en ze bleef naloopen tot dicht bij etenstijd? En
+bracht ik mijnheer Haley van avond niet vijf mijlen van zijn weg af,
+anders zou hij Lizzy zoo gemakkelijk achterhaald hebben als een hond
+een kip. Dat zijn alles proeven van de Voorzienigheid."
+
+"Het zijn eene soort van proeven, waar gij spaarzaam mede zult moeten
+zijn, Sam. Ik duld zulke streken niet van mijne onderhoorigen," zeide
+Mr. Shelby, met zooveel barschheid, als hij bij deze gelegenheid
+veinzen kon.
+
+Nu baat het even weinig zich op een neger boos te willen houden als
+op een kind; beiden zien door instinct den waren staat der zaken,
+al veinst men het tegendeel; en Sam schrikte dus volstrekt niet van
+deze bestraffing, hoewel hij een gezicht vol droevigen ernst zette,
+en zeer boetvaardig de hoeken van zijn mond neertrok.
+
+"Meester heeft gelijk--volkomen gelijk. Het was leelijk van mij--dat
+is niet anders. En natuurlijk willen meester en Mevrouw zulke dingen
+niet goedkeuren. Dat gevoel ik wel, maar een arme neger zooals ik komt
+somtijds in groote verzoeking om leelijke dingen te doen, als iemand
+zoo te werk gaat als die Mijnheer Haley. Hij is geen _gentleman_,
+gansch niet; iedereen die zoo is grootgebracht als ik, moet dat
+wel zien."
+
+"Wel, Sam," zeide Mevrouw Shelby, "daar gij uw misstap schijnt te
+begrijpen, kunt gij nu Tante Chloe gaan zeggen dat zij u wat van die
+ham kan geven, die vandaag van het diner is overgebleven. Gij en Andy
+moeten wel honger hebben."
+
+"Mevrouw is veel te goed voor ons," antwoordde Sam, maakte eene vlugge
+buiging en ging heen.
+
+Men zal wel zien, gelijk reeds vroeger is aangemerkt, dat Sam een
+aangeboren talent bezat, hetwelk hem in de politieke wereld zeker ver
+had kunnen brengen--een talent om alles wat hem voor de voeten kwam tot
+een kapitaal te maken, om tot eigen lof en eer te beleggen; en nadat
+hij tot genoegen der voorkamer, gelijk hij vertrouwde, zijne vroomheid
+en nederigheid had laten blinken, zette hij met zekeren lossen zwier
+zijn hoofddeksel van palmbladeren op, en ging naar het gebied van
+Tante Chloe met het voornemen om in de keuken eens recht te schitteren.
+
+"Ik zal die negers eens een redevoering laten hooren, nu ik er
+gelegenheid toe heb," zeide hij bij zich zelven. "Ik zal maken dat
+zij mij met open mond staan aan te kijken."
+
+Het moet hier aangemerkt worden, dat Sam er bijzonder vermaak in had,
+met zijn meester naar allerlei politieke vergaderingen te rijden,
+waar hij, op een hek of in een boom gezeten, met groote liefhebberij
+naar de redenaren zat te luisteren, om dan, afgeklommen onder de
+broeders van zijne eigene kleur, die insgelijks met hunne meesters
+waren medegekomen, deze met de koddigste nabootsingen, die hij met
+onverstoorbare deftigheid uitsprak, te stichten en te vermaken. Hoewel
+zijne naaste toehoorders lieden van zijne eigene kleur waren, stonden
+niet zelden in het rond eenigen van blanker tint, die lachende en
+wenkende luisterden, waarop Sam dan niet weinig trotsch was. Kortom,
+Sam was blijkbaar tot redenaar geroepen, en verzuimde geen gelegenheid
+om die roeping te volgen.
+
+Nu had van oude tijden af tusschen Sam en Tante Chloe eene soort van
+slepende vijandschap, of liever eene in het oog loopende koelheid
+bestaan; maar daar hij thans het oog op een goeden maaltijd had,
+besloot hij, om zijne vooruitzichten niet te bederven, ditmaal
+buitengemeen verzoenlijk te zijn; want hij wist, dat hoewel de bevelen
+van mevrouw zeker naar de letter zouden worden opgevolgd, het toch
+een groot voordeel voor hem zou zijn, als de geest ook daarbij
+medewerkte. Hij verscheen dus voor Tante Chloe met een bedeesd,
+geduldig gezicht, gelijk iemand, die om een zijner ongelukkige
+medemenschen te dienen, onmetelijk veel had uitgestaan, en weidde er
+breed over uit dat mevrouw hem gezegd had naar Tante Chloe te gaan,
+om vergoeding te krijgen voor wat hij aan eten en drinken te kort
+gekomen was, waardoor hij onbewimpeld hare opperheerschappij in de
+keuken en de aanhoorigheden daarvan erkende.
+
+Hij slaagde naar wensch. Geen onnoozele brave vergadering van
+kiezers liet zich ooit gemakkelijker door de oplettendheden van een
+geslepen candidaat om den tuin leiden, dan Tante Chloe zich door
+Sams vriendelijkheid liet innemen; en al ware hij de verloren zoon
+zelf geweest, zoo had hij niet met meer moederlijke mildheid kunnen
+overladen worden. Weldra zat hij vergenoegd bij een grooten blikken
+pan, die eene _olla podrida_ bevatte van alles wat er in de laatste
+twee of drie dagen op de tafel was geweest. Smakelijke brokken
+ham, goudkleurige maïskoek, stukken pudding van allerlei fatsoen,
+hoenderbouten, vlerken en koppen, alles lag daar in schilderachtige
+verwarring; en Sam zat daar, als koning van dat alles, met zijne
+palmbladeren-kroon op een oor, en Andy als begunstigd lijftrawant
+aan zijne rechterhand.
+
+De keuken was vol van zijne makkers, die haastig uit de verschillende
+hutten waren komen aanloopen, om te hooren welken uitslag de avonturen
+van den dag hadden gehad. Nu kon Sam schitteren. Hij herhaalde zijne
+geschiedenis, met al de sieraden die noodig waren om het effect er
+van te vergrooten, want Sam liet een verhaal nooit door zijne handen
+gaan zonder het te verfraaien. Een schaterend gelach begeleidde zijne
+vertelling, en werd opgevangen en voortgezet door het kleine goed,
+dat in aantal op den vloer lag en in de hoeken zat. Onder al dat
+rumoer en gelach bewaarde Sam echter eene onverzettelijke kalmte,
+en liet slechts van tijd tot tijd zijne oogen rollen, of wierp zijnen
+hoorders een onweerstaanbaar koddigen blik toe, zonder van de hoogte
+zijner welsprekendheid af te dalen.
+
+"Gij ziet nu, landgenooten," zeide Sam, met nadruk een hoenderboutje
+opstekende, "gij ziet nu, waartoe ik in staat ben om u allen te
+verdedigen--ja u allen, zeg ik. Want hij die beproeft om één van
+ons volk te vangen, is evengoed als die allen beproeft te vangen;
+gij ziet, het beginsel is hetzelfde, dat is duidelijk. En ieder van
+die drijvers, die naar een van ons volk komt zoeken, welnu, hij vindt
+mij in zijnen weg; ik ben de man met wien hij te doen heeft--ik ben
+de man bij wien gij allen maar komen moet, mijne broeders, ik zal voor
+uwe rechten strijden--ik zal ze verdedigen tot den laatsten ademtocht."
+
+"Maar Sam," viel Andy hierop in, "gij hebt mij pas van morgen gezegd,
+dat ge dien mijnheer woudt helpen om Lizzy te vangen. Het komt mij
+voor dat uw praten niet goed samenhangt."
+
+"Ik zeg u nu, Andy," antwoordde Sam met geduchte meerderheid, "dat
+gij niet praten moet over iets waar gij niets van weet. Jongens,
+zooals gij, Andy, meenen het wel goed, maar zij kunnen nog geene
+opinie hebben over de groote beginselen van gedrag."
+
+Andy scheen verslagen, vooral door het vreemde woord opinie, hetwelk
+ook de meeste jeugdige leden der vergadering voor alles afdoende
+schenen te houden. Sam vervolgde:
+
+"Dat was volgens mijn geweten, Andy. Toen ik Lizzy meende te vangen,
+dacht ik werkelijk dat meester daarop gesteld was. Toen ik begreep,
+dat mevrouw op het tegendeel gesteld was, was dat nog meer volgens mijn
+geweten--omdat iemand altijd meer wint als hij zich op den kant van
+mevrouw houdt. Zoo ziet ge, dat ik op allebeide manieren consequent
+ben, en mijn geweten getrouw blijf en mij aan beginselen houd. Ja,
+beginselen," vervolgde hij en pikte nadrukkelijk in een lekkeren brok;
+"waar zouden beginselen goed voor zijn, als men niet consequent is,
+dat zou ik wel eens willen weten. Daar, Andy, gij moogt dat beentje
+hebben; het is nog niet schoon afgekloven."
+
+Daar Sams gehoor met open mond bleef luisteren, kon hij niet anders
+doen dan voortgaan.
+
+"Dat stuk van de consequentie," hervatte hij, zeer diepzinnig kijkende,
+"is iets wat de meeste menschen niet duidelijk begrijpen. Ziet ge
+wel, als iemand eerst stijf en sterk volhoudt voor het eene, en
+dan naderhand voor het tegendeel, dan zeggen de menschen (en dat
+zeggen zij natuurlijk genoeg) hij is niet consequent. Maar laten
+wij het eens beter bezien. Ik hoop dat de _gentlemen_ en de schoone
+sekse mij zullen verschoonen, als ik eene alledaagsche vergelijking
+gebruik. Hier wil ik boven op een hooiberg komen. Wel, ik zet mijne
+ladder aan den eenen kant, maar daar gaat het niet. Omdat ik dan daar
+niet meer probeer, maar mijne ladder aan den anderen kant zet, ben ik
+daarom niet consequent? Ik ben consequent als ik er op wil komen, aan
+wat voor kant mijne ladder ook staan mag. Ziet ge dat allemaal niet?"
+
+"Dat is het eenige, waarin gij ooit consequent zijt geweest, dat
+weet de Heer," mompelde Tante Chloe, die ongeduldig begon te worden,
+daar de vroolijkheid van den avond voor haar eenigszins was, zooals
+de Schrift zegt, "gelijk edik op salpeter."
+
+"Ja, waarlijk," hervatte Sam, tevreden met zijn avondmaal en den
+gemaakten indruk opstaande, "ja mijne medeburgers en dames van de
+andere sekse in het algemeen, ik heb beginselen, ik ben trotsch
+om ze te bekennen--zij zijn een roem voor dezen tijd en voor alle
+tijden. Ik heb beginselen, en ik houd er mij aan vast met hand en
+tand. Zoodra ik denk dat iets een beginsel is, pak ik het aan. Het
+zou mij niet kunnen schelen, al wilden zij mij levend verbranden;
+ik zou recht naar den brandstapel gaan, dat zou ik, en zeggen: hier
+kom ik om mijn laatste bloed te storten voor mijne beginselen, voor
+mijn vaderland en voor de algemeene belangen der maatschappij."
+
+"Wel," zeide Tante Chloe hierop, "een van uwe beginselen zal moeten
+wezen, om op een of anderen tijd van den nacht naar bed te gaan,
+en niet iedereen tot aan den ochtend op te houden. En nu, als gij,
+jongens, geene klappen wilt hebben, maakt dat gij voorkomt, en wat
+heel gauw!"
+
+"Negers, gij allen," sprak Sam, en zwaaide met deftige vriendelijkheid
+zijn hoofdsieraad; "ik geef u mijn zegen. Gaat nu naar bed en weest
+brave jongens."
+
+En met dit aandoenlijk afscheid ging de vergadering uiteen.
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+WAARIN HET BLIJKT DAT EEN SENATOR NIET MEER DAN EEN MENSCH IS.
+
+
+Het licht van een vroolijk vuur bescheen het tapijt eener deftig
+gemeubileerde voorkamer, en flikkerde op de theekopjes en den
+blinkenden trekpot, toen senator Bird zijne laarzen uittrok om
+zijne voeten in een paar fraaie pantoffels te steken, die zijne
+vrouw voor hem gewerkt had, terwijl hij op zijne senatoriale reis uit
+was. Mevrouw Bird was met een vergenoegd gezicht bezig met nog een en
+ander op de tafel te schikken, en sprak tusschenbeiden een vermanend en
+waarschuwend woordje tot eenige kinderen van verschillenden ouderdom,
+die zich vermaakten met al die manieren van dartel kwaad doen,
+welke sedert de dagen van den zondvloed de moeders hebben verbaasd
+doen staan.
+
+"Tom, blijf van de deur af, als een zoete jongen. Mary, Mary, trek de
+kat niet bij haar staart--arme poes! Neen, Jim, gij moogt niet op de
+tafel klimmen. Gij weet niet, lieve, welk eene verrassing het voor ons
+allen is u van avond nog tehuis te zien," voegde zij er eindelijk bij,
+toen zij tijd vond om iets tegen haar man te zeggen.
+
+"Ja, ik dacht, ik moest eens komen overvliegen, en tehuis een
+pleizierigen avond en wat rust hebben. Ik ben doodmoede en heb
+hoofdpijn."
+
+Mevrouw Bird wierp een blik naar een fleschje met kamferdroppeltjes,
+dat in eene half opene kast stond, en scheen er naar toe te willen
+gaan; maar haar echtgenoot weerhield haar.
+
+"Neen, neen, Mary," zeide hij, "geen medicijn. Een kop sterke, heete
+thee en wat van onzen goeden huiskost, is al wat ik noodig heb. Het
+is een vervelend werk, dat wetten maken."
+
+En de senator glimlachte, alsof hij zich eenigszins streelde met het
+denkbeeld, dat hij zich voor zijn vaderland opofferde.
+
+"Wel," zeide zijne vrouw, toen het aan de theetafel minder druk begon
+toe te gaan: "en wat hebben zij in den senaat gedaan?"
+
+Nu was het iets zeer ongewoons bij het zachtzinnige Mevrouwtje Bird,
+dat zij haar hoofd brak met hetgeen er in het Huis van den senaat
+omging, zeer wijselijk denkende, dat zij genoeg met haar eigen huis
+te stellen had. Mr. Bird sloeg dus een paar eenigszins verbaasde
+oogen op, en antwoordde:
+
+"Niet veel van belang."
+
+"Maar is het waar, dat zij eene wet hebben aangenomen om de menschen
+te verbieden eten en drinken te geven aan die arme kleurlingen, die
+ergens langs komen? Ik heb gehoord, dat men van zulk eene wet sprak,
+maar ik dacht niet, dat eene christelijke wetgeving ze zou aannemen."
+
+"Wel Mary, gij wordt op eens politiek."
+
+"Neen, toch niet! Ik stoor mij geen zier aan al uwe politiek over
+het geheel, maar dit zou ik rechtuit voor wreed en onchristelijk
+houden. Ik hoop toch lieve, dat er geene zulke wet is aangenomen?"
+
+"Er is eene wet aangenomen, om iedereen te verbieden de slaven voort
+te helpen, die van Kentucky overkomen, lieve. Er is zooveel van dien
+aard door die heethoofdige abolitionisten gedaan, dat onze broeders
+in Kentucky zeer verstoord zijn, en het schijnt noodig en niet meer
+dan menschlievend en christelijk, iets te doen om die opgewondenheid
+te doen bedaren."
+
+"En wat zegt die wet? Zij verbiedt ons toch niet om die arme schepsels
+een nacht te laten schuilen? En om ze wat hardsterkends te eten en
+wat oude kleeren te geven, en weer stil te laten heengaan?"
+
+"Ja zeker, lieve, dat zou voorthelpen zijn."
+
+Mevrouw Bird was een blozend en zachtzinnig vrouwtje, omtrent vier
+voet lang, met zachte blauwe oogen, eene heldere fijne kleur en het
+zachtste, liefste stemmetje van de wereld. Wat haar moed betrof,
+een kalkoensche haan van middelbare grootte kon haar op de vlucht
+jagen, als hij maar eens kokkelde, en een huishond van de gewone
+soort kon haar oogenblikkelijk tot onderwerping brengen, alleen door
+zijne tanden te laten zien. Haar echtgenoot en hare kinderen waren
+hare geheele wereld, en deze beheerschte zij meer door verzoek en
+overreding, dan door bevel of redekaveling. Er was slechts één ding,
+dat in staat was om haar vuur te doen vatten, en dit was iets, wat
+juist den zachtsten kant van haar buitengemeen zacht en medelijdend
+gemoed trof: alles wat naar wreedheid geleek was in staat om haar in
+eene drift te brengen, des te meer ontrustend en onverklaarbaar, omdat
+zij anders zoo zacht van karakter was. Doorgaans de inschikkelijkste
+van alle moeders, hadden hare jongens nog eene eerbiedige herinnering
+aan de geduchte kastijding die zij hun eens gegeven had, toen zij hen
+met eenige ondeugende knapen uit de buurt samengespannen had gevonden,
+om een weerloos katje te steenigen.
+
+"Ja, toen was ik verschrikt," placht kleine William te zeggen. "Moeder
+kwam naar mij toe, zoodat ik dacht dat zij razend was geworden, en ik
+kreeg een pak en werd zonder eten in bed gestopt, eer ik nog bekomen
+was van de verwondering wat er met mij gebeurde; en daarna hoorde
+ik moeder buiten de deur hardop snikken, en dat was nog erger dan al
+het andere. Ik zeg u, wij hebben nooit weer eene kat gesteenigd."
+
+Bij deze gelegenheid stond Mevrouw Bird snel op, met zeer roode
+wangen, die haar gezichtje lang niet leelijker maakten, kwam met eene
+inderdaad vastberadene houding naar haren echtgenoot en zeide op een
+even vastberaden toon:
+
+"Nu, John, wil ik weten of gij zulk eene wet voor recht en christelijk
+houdt."
+
+"Gij zult mij toch niet doodschieten, Mary, als ik ja zeg?"
+
+"Dat had ik nooit van u gedacht, John. Gij hebt er toch niet vóór
+gestemd?"
+
+"Juist zoo, mijne schoone politieke dame."
+
+"Gij moest u schamen, John. Arme schepsels die niet onder dak kunnen
+komen! Het is eene schandelijke, goddelooze, verfoeielijke wet, en ik
+zal haar breken, zoodra ik er maar gelegenheid toe heb; en ik hoop,
+dat ik er gelegenheid toe krijgen zal, dat doe ik. Het is mooi met
+de zaken gesteld, als eene vrouw geen maal eten en geen bed mag geven
+aan menschen die gebrek en honger lijden, juist omdat zij slaven zijn
+en al hun leven mishandeld en onderdrukt zijn--die ongelukkigen!"
+
+"Maar, Mary, luister eens. Uw gevoel is op zich zelf goed en ik heb
+er u te liever om. Maar, lieve, wij moeten niet toelaten, dat ons
+gevoel ons verstand overheerscht. Gij moet bedenken dat dit geene zaak
+van iemands bijzonder gevoel is. Er zijn groote openbare belangen in
+betrokken; er is zulk eene algemeene spanning ontstaan, dat wij ons
+bijzonder gevoel ter zijde moeten zetten."
+
+"John, ik weet niets van politiek, maar ik kan mijn Bijbel lezen;
+daar vind ik dat ik de hongerigen moet voeden, de naakten kleeden en
+de bedroefden troosten, en dien Bijbel denk ik te volgen."
+
+"Maar in gevallen, dat men zoo doende een groot kwaad voor het algemeen
+zou stichten...."
+
+"God gehoorzaam te zijn kan nooit geen kwaad voor het algemeen
+stichten; dat weet ik. Het is in alle gevallen het veiligste, te doen
+gelijk Hij ons beveelt."
+
+"Maar luister nu eens, Mary, ik kan u met eene zeer duidelijke
+redeneering bewijzen...."
+
+"Neen, John! gij kunt den geheelen nacht praten, maar dat zou niet
+gaan. Ik vraag het u, John, zoudt gij nu een arm, hongerig, verkleumd
+mensch van uwe deur jagen, omdat hij een vluchteling was? Zoudt
+ge dat?"
+
+Om nu de waarheid te zeggen, had onze senator het ongeluk van een
+man te zijn, die een bijzonder week en medelijdend hart had; iemand
+die in nood verkeerde van zijne deur te jagen, was nooit zijn fort
+geweest, en wat bij deze gelegenheid nog erger voor hem was, zijne
+vrouw wist dit, en richtte dus natuurlijk haar aanval op een punt
+dat bijna onverdedigbaar was. Hij nam daarom de toevlucht tot de
+gewone middelen om tijd te winnen, waarmede men zich in zulke gevallen
+behelpt. Hij zeide "ahem" en kuchte eenige malen, haalde zijn zakdoek
+uit en begon zijn bril af te vegen. Mevrouw Bird, ziende hoe zwak
+het gebied des vijands verdedigd was, vond er geen bezwaar in om haar
+voordeel te vervolgen.
+
+"Ik zou het u wel eens willen zien doen, John, dat zou ik waarlijk! Gij
+zoudt, bijvoorbeeld, eene vrouw in een sneeuwstorm de deur uitjagen,
+of misschien zoudt gij haar oppakken en in de gevangenis zetten,
+zoudt ge niet! Ja, dat zou u goed afgaan."
+
+"Natuurlijk, het zou een zeer pijnlijke plicht wezen," begon Mr. Bird
+op zeer gematigden toon.
+
+"Plicht, John? Gebruik dat woord toch niet. Gij weet wel dat het
+geen plicht is. Het kan geen plicht wezen. Als de menschen willen
+dat hunne slaven niet wegloopen, laten zij ze dan goed behandelen,
+dat is mijne leer. Als ik slaven had--ik hoop dat ik ze nooit hebben
+zal--zou ik het wel er op durven wagen of zij van mij zouden wegloopen,
+en dat zoudt gij ook, John. Ik zeg u, menschen loopen niet weg als
+zij het goed hebben; en als zij wegloopen, de arme schepsels, lijden
+zij genoeg van honger en koude en angst, dat iedereen tegen hen is;
+en hetzij wet of geene wet, dat zal ik nooit, zoo helpe mij God!"
+
+"Mary, Mary, lieve, laat mij toch met u redeneeren!"
+
+"Ik heb een hekel aan redeneeren, John, vooral aan het redeneeren
+over zulke zaken. Gij politieke heeren hebt eene manier om over eene
+zaak zooals zij eenvoudig is heen te redeneeren; en als het op de
+practijk aankomt, gelooft gij er zelf niet aan. Ik ken u wel genoeg,
+John. Gij gelooft evenmin dat zoo iets recht is als ik, en gij zoudt
+het ook evenmin doen als ik."
+
+Op dit netelige oogenblik stak de oude Cudjoe, de zwarte huisknecht,
+zijn hoofd binnen de deur en vroeg of Mevrouw eens in de keuken wilde
+komen; en onze senator, tamelijk blijde hierover, keek zijn vrouwtje
+met een zonderlinge mengeling van lachlust en ergernis na, zette zich
+toen op zijn gemak in zijn leuningstoel en begon de couranten te lezen.
+
+Eene korte poos later hoorde hij de stem zijner vrouw voor de deur snel
+en dringend zeggen: "John, John, ik wou dat ge eens even hier kwaamt."
+
+Hij legde zijne courant neer, ging naar de keuken en deinsde verschrikt
+en verbaasd terug op het gezicht dat hij daar ontmoette.--Eene
+jonge, tengere vrouw, met gescheurde kleederen, waaraan overal ijs
+was vastgevroren, en met een gewonden, bloedenden voet, waarvan de
+schoen verloren en de kous afgescheurd was, lag in eene flauwte, alsof
+zij dood was, op twee stoelen. Zij had het teeken van het verachte
+geslacht om haar gezicht, maar niemand kon ongetroffen blijven voor
+de treurige aandoenlijke schoonheid daarvan, terwijl de scherpe,
+de koude, doodsche strakheid der trekken ook hem als van koude deed
+huiveren. Hij haalde kort adem en bleef zwijgend staan. Zijne vrouw
+en hunne eenige gekleurde meid, oude Tante Dina, waren met bijhelpen
+bezig; terwijl Cudjoe een knaapje op zijne knie had genomen, het
+schoenen en kousen had uitgetrokken om zijn voetjes te warmen.
+
+"Zeker, als dat niet iets is om aan te zien!" zeide de oude Dina
+medelijdend. "Denkelijk heeft de warmte haar doen flauw vallen. Zij
+was tamelijk bijdehand, toen zij binnenkwam, en vroeg of zij zich hier
+even mocht warmen; en ik wilde haar juist vragen waar zij vandaan kwam,
+toen zij opeens flauw viel. Zij heeft nooit veel zwaar werk gedaan,
+zou ik denken, aan hare handen te zien."
+
+"Ongelukkig schepsel!" zeide mevrouw Bird treurig, toen de jonge vrouw
+hare groote donkere oogen opende en haar verbijsterd starende aanzag.
+
+Eensklaps kwam er een trek van zielsangst op haar gelaat en vloog
+zij op, uitroepende: "O mijn Harry; hebben zij hem gekregen?"
+
+Het knaapje sprong hierop van Cudjoe's knie, liep naar haar toe en
+stak zijne armpjes uit.
+
+"O, hier is hij! hier is hij!" riep zij uit.
+
+"Ach, Mevrouw!" vervolgde zij, zich met verbijsterenden angst naar
+Mevrouw Bird keerende; "bescherm ons toch! Laten zij hem niet krijgen!"
+
+"Niemand zal u hier kwaad doen, arme vrouw," antwoordde Mevrouw Bird
+bemoedigend. "Gij zijt veilig. Wees niet bevreesd."
+
+"God zegene u," zeide de vrouw, hield hare handen voor haar gezicht
+en snikte; terwijl het knaapje, toen het haar zag schreien, op haren
+schoot poogde te komen.
+
+Door vele teedere, vrouwelijke dienstbetooningen, die niemand
+beter wist te bewijzen dan Mevrouw Bird, werd de arme vluchtelinge
+langzamerhand tot meer kalmte gebracht. Er werd op eene rustbank
+voor het vuur een bed voor haar gereedgemaakt, en na eene korte
+poos viel zij in een zwaren slaap, terwijl het kind, dat niet minder
+vermoeid scheen te zijn, gerust in haren arm sluimerde; want de moeder
+wederstond met zenuwachtigen angst de vriendelijkste pogingen om het
+van haar af te nemen, en zelfs in haren slaap hield zij het vast in
+haren arm gekneld, alsof zij ook toen nog waakzaam bleef.
+
+Mr. Bird en zijne vrouw waren weder naar de voorkamer gegaan, waar,
+hoe vreemd het ook schijne, door geen van beiden het vroegere gesprek
+weder werd aangeroerd. Mevrouw Bird hield zich met haar breiwerk bezig,
+terwijl haar man deed alsof hij de courant las.
+
+"Ik ben benieuwd wie en wat zij is," zeide Mr. Bird eindelijk, zijne
+courant neerleggende.
+
+"Als zij wakker wordt en zich wat uitgerust gevoelt, zullen wij zien,"
+antwoordde Mevrouw.
+
+"Zeg eens vrouw!" zeide Mr. Bird weder, nadat hij eene poos stil had
+zitten peinzen.
+
+"Wel, lieve?"
+
+"Zou zij niet eene van uwe japonnen kunnen aandoen, met wat uitleggen
+of zoo iets? Zij schijnt wat grooter te zijn dan gij."
+
+Een zeer merkbare glimlach flikkerde over het gezicht van Mevrouw Bird,
+toen zij antwoordde: "Wij zullen zien."
+
+"Zeg eens, vrouw!"
+
+"Wel, wat nu?"
+
+"Wel, dien ouden bombazijnen mantel, dien gij alleen bewaard hebt om
+mij mee toe te dekken, als ik na den eten een dutje doe, dien mocht
+gij haar ook wel geven. Zij heeft wel warme kleeren noodig."
+
+Op dit oogenblik kwam Dina zeggen, dat de vrouw wakker was en Mevrouw
+verlangde te zien.
+
+De echtgenooten gingen te zamen naar de keuken, gevolgd door de
+twee oudste jongens, daar het kleine goed in dien tijd naar bed
+was gebracht.
+
+De vrouw zat nu op de rustbank bij het vuur. Ze staarde strak in de
+vlam, met eene kalme treurigheid in haren blik, zeer verschillend
+van haren vroegeren woesten angst.
+
+"Hebt gij naar mij gevraagd?" zeide Mevrouw Bird vriendelijk. "Ik
+hoop dat gij u nu beter gevoelt, arme vrouw."
+
+Een diepe, angstige zucht was het eenige antwoord; maar zij sloeg
+hare donkere oogen op, en zag Mevrouw Bird aan met zulk een jammerlijk
+smeekenden blik, dat het goede vrouwtje zelve tranen in de oogen kreeg.
+
+"Gij behoeft voor niets bang te zijn. Wij zijn hier vrienden,
+arme vrouw. Zeg mij, waar gij vandaan komt en wat gij hier zoekt,"
+zeide zij.
+
+"Ik ben uit Kentucky gekomen," was het antwoord.
+
+"Wanneer?" zeide Mr. Bird, het verhoor opvattende.
+
+"Dezen avond."
+
+"Hoe zijt gij dan gekomen?"
+
+"Ik ben over het ijs gegaan."
+
+"Over het ijs gegaan?" herhaalden al de aanwezigen.
+
+"Ja," zeide de vrouw langzaam. "Dat heb ik gedaan. Daar God mij hielp,
+ben ik over het ijs gegaan; want zij waren achter mij--vlak achter
+mij--en er was geen andere weg."
+
+"O, Mevrouw!" riep Cudjoe nu uit. "Het ijs is geheel aan schotsen
+gebroken, en dobbert op en neer op het water."
+
+"Dat weet ik wel," hervatte zij met eenige woestheid. "Maar ik deed
+het toch. Ik dacht niet, dat ik er over zou komen; maar daar gaf ik
+niet om. Ik kon maar sterven, als het niet gelukte. De Heere hielp
+mij. Niemand weet hoeveel de Heere helpen kan, eer hij het beproeft,"
+voegde zij er met flikkerende oogen bij.
+
+"Waart gij slavin?" zeide Mr. Bird.
+
+"Ja, Mijnheer; ik behoorde aan iemand in Kentucky."
+
+"Was hij hard voor u?"
+
+"Neen, Mijnheer! hij was een goed meester."
+
+"Was uwe meesteres dan hard voor u?"
+
+"Neen, Mijnheer! neen, mijne meesteres was altijd goed voor mij."
+
+"Wat kon u dan bewegen om een goed tehuis te verlaten en weg te loopen,
+en u in zulk een gevaar te storten?"
+
+De vrouw zag Mevrouw Bird aan met een scherpen, uitvorschenden blik,
+en het ontsnapte haar niet, dat zij in rouw gekleed was.
+
+"Mevrouw," zeide zij plotseling, "hebt gij ooit een kind verloren?"
+
+De vraag was onverwacht en trof eene versche wonde; want het was
+pas eene maand geleden dat de lieveling der familie naar het graf
+was gebracht.
+
+Mr. Bird keerde zich om en ging naar het venster, zijne vrouw barstte
+in tranen uit, en toen zij hare stem terug had, zeide zij:
+
+"Waarom vraagt gij dat? Ik heb pas een kleintje verloren."
+
+"Dan zult gij gevoel voor mij hebben. Ik heb twee kinderen verloren,
+het eene na het andere. Ik heb ze begraven gelaten waar ik vandaan
+kwam, en ik had maar dit eene over. Ik sliep nooit een nacht zonder
+hem; hij was al wat ik had. Hij was mijn troost en mijn trots, nacht en
+dag; en, Mevrouw, zij wilden hem mij afnemen--hem verkoopen--hem naar
+het Zuiden verkoopen, Mevrouw, om alleen daarheen te gaan--een klein
+kind, dat zijn leven lang nooit van zijne moeder was geweest. Dat kon
+ik niet afwachten, Mevrouw. Ik wist dat ik nooit meer tot iets deugen
+zou als zij dat deden; en toen ik wist dat de papieren geteekend waren
+en dat hij verkocht was, nam ik hem op en liep in den nacht weg. En zij
+jaagden mij na--de man die hem gekocht had, en eenigen van het volk
+van mijnen meester--en zij kwamen vlak achter mij aan en ik hoorde
+hen. Ik sprong op het ijs, en hoe ik er over kwam weet ik niet. Het
+eerste waar ik van wist, was een man die mij op den kant hielp."
+
+De vrouw schreide niet of snikte niet; zij verkeerde nog in een angst,
+die geene tranen kent; maar allen om haar heen gaven, ieder op zijne
+manier, blijken van het hartelijkste medelijden.
+
+De twee kleine jongens hadden, nadat zij wanhopig in hunne zakken
+naar die zakdoeken hadden gezocht, welke moeders wel weten dat daar
+nooit te vinden zijn, ieder eene slip van hun moeders rok gepakt,
+en veegden daaraan al snikkende naar hartelust oogen en neuzen af;
+Mevrouw Bird had haar gezicht geheel in haren zakdoek verborgen;
+en de oude Dina, wie de tranen over de wangen rolden, riep gedurig
+met evenveel kracht als bij eene veldpredikatie: "Heere, wees ons
+genadig!" terwijl Cudjoe, zijne oogen met zijne mouw afwrijvende en
+eene buitengewone verscheidenheid van scheeve gezichten trekkende,
+dien uitroep tusschenbeide met hetzelfde vuur herhaalde. Onze
+senator was een staatsman, van wien men natuurlijk niet verwachten
+kon dat hij gelijk andere stervelingen zou schreien: hij keerde
+dus het gezelschap zijn rug toe, keek uit het venster en scheen het
+bijzonder druk te hebben met zijn keel te schrapen en zijn bril af te
+vegen; tusschenbeide zijn neus snuitende op eene manier, welke zeker
+achterdocht had moeten verwekken, indien iemand in staat was geweest
+om op hem te letten.
+
+"Hoe hebt ge mij dan kunnen zeggen, dat gij een goed meester
+had?" zeide hij eensklaps, met geweld iets dat hem in de keel scheen te
+komen bedwingende, en keerde zich eenigszins driftig naar de vrouw om.
+
+"Omdat hij waarlijk een goed meester was--dat zal ik altijd van
+hem zeggen; en mijne meesteres was ook goed; maar zij konden niet
+anders. Zij waren geld schuldig, en er was iets dat ik niet zeggen kan,
+waardoor die man hen dwingen kon, en zij waren genoodzaakt hem zijn zin
+te geven. Ik luisterde en hoorde hem dat aan mijne meesteres zeggen,
+en haar voor mij bidden en smeeken; hij zeide haar dat hij niet anders
+meer kon en dat de papieren al geteekend waren; en toen nam ik hem
+op en liep weg. Ik wist wel dat ik niet meer kon blijven leven als
+zij dat deden; want het is mij alsof dat kind alles is wat ik heb."
+
+"Hebt gij geen man?"
+
+"Ja, maar hij behoort aan iemand anders. Zijn meester is waarlijk
+hard voor hem en wil hem bijna nooit laten gaan om mij te zien; en
+hij is al harder en harder voor ons geworden en dreigt hem naar het
+Zuiden te verkoopen. Het is denkelijk, dat ik hem nooit zal weerzien."
+
+De kalme toon waarmede de vrouw dit zeide, had een oppervlakkig
+opmerker kunnen doen denken, dat zij geheel onverschillig was; maar
+er sprak eene stille, diepe zielesmart uit hare donkere oogen, die
+geheel iets anders aanduidde.
+
+"En waar denkt gij nu heen te gaan, arme vrouw?" zeide Mevrouw Bird.
+
+"Naar Canada, als ik maar wist waar dat ligt. Het is heel veraf,
+Canada, niet waar?" zeide zij, met hartelijk vertrouwen naar Mevrouw
+Bird opziende.
+
+"Arme ziel!" zeide Mevrouw Bird onwillekeurig.
+
+"Het is heel ver weg, denk ik?" herhaalde de vrouw ernstig.
+
+"Veel verder dan gij denkt, arm kind," antwoordde Mevrouw Bird. "Maar
+wij zullen ons best doen om te overleggen wat er voor u gedaan kan
+worden. Dina, maak een bed voor haar in uwe eigene kamer, dan zal ik
+morgen zien wat er voor haar te doen is. Wees ondertusschen niet bang,
+arme vrouw. Stel uw vertrouwen op God. Hij zal u beschermen."
+
+Mevrouw Bird en haar echtgenoot gingen weder naar de voorkamer. Zij
+zette zich op haar schommelstoeltje voor het vuur en liet zich peinzend
+wiegen; terwijl Mr. Bird de kamer op en neer ging en bij zich zelven
+bromde: "Hm, och! Drommels lastige historie!" Eindelijk kwam hij met
+een paar groote stappen naar zijne vrouw en zeide:
+
+"Zeg eens, vrouw, zij moet dezen nacht nog hier vandaan. Die kerel zal
+haar morgenochtend al op het spoor zijn. Als het de vrouw alleen was,
+kon zij stil blijven schuilen tot hij weder was afgetrokken; maar dat
+kind zal niet te houden zijn, vrees ik. Het zou zich verraden door
+uit een raam te kijken of zoo. Het zou eene leelijke geschiedenis
+voor mij zijn, als die twee nu juist hier betrapt werden. Neen,
+zij moeten van nacht nog voort."
+
+"Van nacht! Hoe is dat mogelijk? Waarheen?"
+
+"Ik weet al zoo tamelijk wel waarheen," antwoordde de senator en begon
+zijne laarzen aan te trekken; maar toen zijn eene been half in de laars
+was, bleef hij met beide handen om zijne knie geslagen peinzend zitten.
+
+"Het is eene verduiveld leelijke, lastige historie; dat is maar zoo,"
+zeide hij eindelijk en begon weder aan de laars te trekken.
+
+Nadat de eene laars aan was, bleef de senator, met de andere in de
+hand, naar de ruiten op het tapijt zitten staren.
+
+"Het zal toch moeten gedaan worden, zoover ik zien kan. Maar lastig
+is het," zeide hij weder, trok de andere laars aan en keek eens uit
+het venster.
+
+Nu was Mevrouw Bird een bescheiden en verstandig vrouwtje--een
+vrouwtje, dat nooit zeide: "dat heb ik u wel gezegd," en hoewel zij
+bij deze gelegenheid wel wist welken loop de gedachten van haren
+echtgenoot namen, was zij voorzichtig genoeg om zich daarmede niet
+te bemoeien en bleef maar stil zitten, zich gereed houdende om de
+meeningen van haren heer en meester aan te hooren, wanneer het hem
+goeddacht die te kennen te geven.
+
+"Gij weet wel," zeide hij eindelijk, "daar is mijn oude cliënt Van
+Trompe, die uit Kentucky is overgekomen en al zijne slaven in vrijheid
+heeft gesteld. Hij heeft een goed gekocht, hierachter in de bosschen,
+zeven mijlen de kreek op, waar niemand ooit komt of het moet met opzet
+wezen, en dan is de plaats nog niet gemakkelijk te vinden. Daar zal
+zij veilig genoeg wezen; maar het lastige van de zaak is, dat niemand
+haar daar van nacht met rijtuig naar toe kan brengen dan ik."
+
+"Waarom niet? Cudjoe rijdt heel goed."
+
+"Ja, ja, maar hier zit het in. Men moet tweemaal de kreek over,
+en de tweede maal is het gevaarlijk, als iemand de plek niet zoo
+goed kent als ik. Ik ben daar wel honderdmaal te paard over geweest,
+en weet nauwkeurig welke draaien men moet nemen. Dus, ziet ge, is er
+niets anders op. Cudjoe moet tegen twaalf uren zoo stil als hij kan
+de paarden voorspannen, en ik zal haar brengen. Maar om de zaak een
+kleurtje te geven, moet hij tot aan de naaste herberg met mij mee,
+alsof hij mij op den postwagen naar Columbus bracht, die daar tegen
+drie of vier uren voorbijkomt; zoo zal het schijnen, alsof ik het
+rijtuig alleen daarvoor gebruikt had. Dan kan ik morgenochtend in de
+vergadering zijn. Ik denk dat ik mij daar wel wat beklemd zal voelen,
+na al wat er gezegd en gedaan is; maar verduiveld, ik kan het niet
+helpen."
+
+"Uw hart is beter dan uw hoofd in dit geval, John!" zeide zijne vrouw,
+haar handje op zijne hand leggende. "Had ik u ooit kunnen liefhebben,
+als ik u niet beter gekend had dan gij u zelven kent!"
+
+En het vrouwtje zag er zoo bekoorlijk uit, met de tranen die in hare
+oogen glinsterden, dat de senator dacht welk een knap man hij toch
+wel moest wezen, om zulk een aardig wijfje zulk eene hartstochtelijke
+bewondering voor zich in te boezemen. Wat kon hij dan anders doen,
+dan stil heengaan om naar het rijtuig te zien! Bij de deur bleef hij
+echter een oogenblik stilstaan, en toen terugkomende, zeide hij met
+eenige aarzeling:
+
+"Mary, ik weet niet wat gij er van denkt, maar daar is nog de lade
+vol goed van--van den lieven kleinen Henry."
+
+Daarmede keerde hij zich snel om en sloot de deur achter zich.
+
+Zijne vrouw opende een slaapkamertje naast hare kamer, zette daar
+de kaars die zij had medegenomen op een bureau, nam vervolgens een
+sleutel, stak dien peinzende in het slot eener lade en bleef toen
+stilstaan, terwijl de twee knapen, die haar, zooals jongens doen,
+op de hielen waren gevolgd, met veelbeteekenende blikken naar hunne
+moeder keken. O, moeder, die dit leest, is er in uw huis nooit eene
+lade of kast geweest, waarbij het u, als gij ze opendeedt, was alsof
+er een kindergrafje geopend werd? O gelukkige moeder, die gij zijt,
+als het nooit zoo geweest is!
+
+Mevrouw Bird opende langzaam de lade. Daar lagen kleertjes van
+verschillenden vorm en stof, stapels schortjes en rijen kousjes;
+zelfs een paar schoentjes met afgesleten neuzen kwamen uit de vouwen
+van een papier kijken. Er lag ook eenig speelgoed--een paardje en
+een wagentje, een tol en een bal--gedachtenissen met menigen traan
+en menigen zucht opgezameld. Zij zette zich neer, en met haar hoofd
+in hare handen schreide zij, tot de tranen door hare vingers in de
+lade droppelden. Toen eensklaps haar hoofd opheffende, begon zij met
+zenuwachtigen haast het eenvoudigste en sterkste van alles uit te
+zoeken en maakte een pakje daarvan.
+
+"Mama," zeide een van de knapen, haar zacht aan den arm stootende,
+"gaat gij dat goed weggeven?"
+
+"Lieve jongens," antwoordde zij met zachten ernst, "als onze dierbare,
+lieve, kleine Henry uit den hemel neerzag, zou hij zich verheugen
+dat wij dit doen. Ik zou het hart niet hebben om iets daarvan weg
+te geven aan een gewoon mensch--aan iemand die gelukkig was; maar ik
+geef het aan eene moeder, die nog droeviger is dan ik en ik hoop dat
+God zijn zegen er bij zal zenden."
+
+Er zijn gezegende zielen op de wereld, wier smarten allen in vreugde
+voor anderen overgaan; wier aardsche hoop, met vele tranen in het
+graf gelegd, het zaad is waaruit genezende bloemen en balsem groeien
+voor bedroefden en noodlijdenden. Onder deze behoorde die tengere
+vrouw, die daar zat en langzaam tranen liet droppelen, terwijl zij
+de gedachtenissen van haren eigen verloren lieveling voor dien der
+arme zwervelinge gereed maakte.
+
+Na eene poos opende Mevrouw Bird eene kleerkast, en daaruit een paar
+sterke japonnen nemende, zette zij zich bij haar werktafeltje en begon
+met schaar, naald en draad aan het "uitleggen", dat haar echtgenoot had
+aanbevolen. Zij bleef druk daarmede bezig, tot de klok twaalf sloeg,
+en zij het zachte geratel van wielen hoorde.
+
+"Mary," zeide haar man, met zijn jas over den arm binnenkomende,
+"gij moet haar nu wakker maken; wij moeten voort."
+
+Haastig pakte Mevrouw Bird al wat zij verzameld had in een koffertje,
+verzocht haar echtgenoot om dit in het rijtuig te laten zetten en ging
+de arme vrouw roepen. Spoedig met een mantel, hoed en doek gekleed,
+die hare weldoenster hadden toebehoord, kwam deze met haar kind op den
+arm de deur uit. Mr. Bird haastte haar om in het rijtuig te stappen,
+zijn vrouw kwam buiten tot aan de trede. Eliza boog zich uit het
+portier en stak hare hand uit, eene hand even schoon als die haar werd
+toegereikt. Zij zag Mevrouw Bird aan met oogen vol ernstige beteekenis
+en scheen te willen spreken. Zij beproefde dit een paar malen en bewoog
+hare lippen, maar er kwam geen geluid, en naar boven wijzende met een
+blik dien men nooit vergeten kon, zonk zij achterover op de bank en
+bedekte haar gelaat. Het portier werd gesloten en de koets reed voort.
+
+Welk een toestand voor een patriotsch senator, die een geheele week
+lang de wetgevende macht van den staat, waarin hij geboren was,
+had aangespoord om strengere maatregelen te verordenen tegen de
+vluchtelingen en medeplichtigen, die hen voorthielpen!
+
+Onze goede senator had zich in de staatsvergadering door geen
+zijner broederen te Washington laten overtreffen in die soort van
+welsprekendheid, welke deze heeren een onsterfelijken roem heeft
+doen verwerven. Hoe statig had hij daar gezeten met zijne handen
+in zijne zakken en gesmaald op de sentimenteele zwakheid van hen,
+die het welzijn van eenige ellendige vluchtelingen boven de groote
+belangen van den staat wilden stellen!
+
+Hij had zeer stout daarover gesproken en niet alleen zich zelven,
+maar ook zijne hoorders overtuigd. Doch zijn denkbeeld van een
+vluchteling was alleen het denkbeeld van de letters, waarmede dat
+woord gespeld wordt, of ten hoogste van het courantenprentje, dat
+een man met een stok en een bundeltje voorstelt en waaronder men
+leest: "Weggeloopen van den ondergeteekende." De toovermacht van het
+werkelijke gezicht, van het smeekende oog, van de sidderende hand,
+van den hulpeloozen zielsangst had hij nog nooit ondervonden. Hij had
+nooit bedacht, dat een vluchteling eene ongelukkige moeder kon zijn,
+of een weerloos kind, gelijk dat, hetwelk nu het welbekende mutsje
+van zijnen verloren lieveling droeg; en daar nu onze arme senator
+niet van steen of ijzer was, daar hij een mensch was, en dat wel een
+recht edelaardig mensch, bevond hij zich, gelijk iedereen zien moet,
+met zijn patriotisme ellendig in het nauw. Gij behoeft niet over hem te
+triomfeeren, goede broeder uit de Zuidelijke staten, want wij hebben
+eenige reden om te vermoeden, dat het u in dergelijke omstandigheden
+niet beter zou gaan. Wij hebben reden om te weten dat er in Kentucky,
+zoowel als in Mississippi, goede en edele harten zijn, aan welke
+niemand ooit vruchteloos zijn lijden heeft geklaagd. O goede broeder,
+is het billijk van u, diensten van ons te verwachten, welke uw eigen
+goed en edel hart u niet zou toelaten te bewijzen, als gij in onze
+plaats waart?
+
+Dit zij gelijk het wil, indien onze senator een politiek zondaar
+was, zoo was hij ook op den "goeden" weg om zijne zonde door den
+nachtelijken tocht af te boeten. Er was een langdurige regentijd
+geweest, en de weeke vette grond van Ohio is, gelijk iedereen weet,
+uitmuntend geschikt om er modder van te maken, terwijl de weg een
+Ohio'sche spoorweg uit den goeden ouden tijd was.
+
+"En welke soort van weg mag dat wezen?" zegt een Oostersche reiziger,
+die gewoon is geene andere denkbeelden dan die van effenheid of spoed
+met een spoorweg in verband te brengen.
+
+Weet dan, onnoozele Oostersche vriend, dat in de Westelijke streken,
+waar de modder eene onpeilbare diepte heeft, wegen gemaakt worden
+van ruwe, ronde boomstammen, overdwars naast elkander gelegd, en
+met aarde, graszoden of wat het eerst bijdehand is overdekt; en
+dan noemt de verheugde inboorling dit een weg en beproeft er over
+te rijden. Na verloop van tijd spoelt de regen het gras en de aarde
+weg en doet de boomstammen verzakken in allerlei schilderachtige
+liggingen, hooger en lager en kruiselings, met holen en reten vol
+zwarte modder daartusschen.
+
+Over zulk een weg hotste onze senator voort, zedekundige bespiegelingen
+makende, zoo samenhangend als onder deze omstandigheden te verwachten
+was. Om een voorbeeld van dit rijden te geven, verbeelde men zich
+het gezelschap onder het horten en stooten op de twee banken van het
+rijtuig gezeten. Op eens helt het overzijdsch en tuimelen senator,
+vrouw en kind naar den laagsten kant. Het rijtuig blijft steken,
+terwijl men Cudjoe buiten een geweldig leven onder de paarden hoort
+maken. Na eenig vruchteloos trekken en sjorren, als de senator juist
+op het punt is om alle geduld te verliezen, richt het rijtuig zich
+met een schok weder op, maar te gelijk zinken de voorwielen in een
+anderen afgrond, en tuimelen senator, vrouw en kind over elkander
+op de voorbank. Des senators hoed is over zijnen neus en zijne oogen
+gedrukt, zoodat hij niet zien kan, het kind schreeuwt, en Cudjoe houdt
+buiten wederom eene aanspraak tegen de paarden, die nu eens schoppen en
+steigeren, dan weder door herhaalde zweepslagen aangespoord, al hunne
+krachten inspannen. Het rijtuig springt met een schok weder op, en nu
+gaan de achterwielen naar beneden, en senator, vrouw en kind stuiven
+naar de achterbank over; zijne ellebogen drukken haar hoed ineen,
+die door den laatsten schok is afgevlogen, en hare voeten worden in
+de zijnen beklemd. Een oogenblik later is men den "kuil" voorbij en
+blijven de paarden hijgende staan; de senator zoekt zijn hoed weder op,
+de vrouw poogt den haren weder in fatsoen te buigen en sust het kind,
+en allen zetten zich opnieuw schrap voor hetgeen er nog komen moet.
+
+Een tijdlang hotst men tamelijk geregeld voort, slechts nu en dan wat
+ter zijde overhellende, en zij beginnen zich te vleien, dat het ergste
+voorbij is; maar op eens komt er een stampende stoot, die allen doet
+opvliegen en even snel weder neervallen, het rijtuig blijft staan, en
+na veel opschudding van buiten vertoont Cudjoe zich voor het portier.
+
+"Als het u belieft, Mijnheer, dat is eene erge plek hier. Ik weet
+niet hoe wij er door zullen komen. Ik denk dat wij staken zullen
+moeten leggen."
+
+De senator stapt wanhopig uit en voelt met de teenen naar iets, om
+den voet op te zetten; daar zakt zijn eene voet in eene onmetelijke
+diepte: hij beproeft hem op te trekken, verliest het evenwicht en
+tuimelt in de modder omver en wordt in een jammerlijken toestand door
+Cudjoe opgevischt.
+
+Doch uit medelijden met de beenderen onzer lezers houden wij
+op. Westersche reizigers, die zich somtijds te middernacht hebben
+moeten vermaken met staken uit een hek te breken, om hun rijtuig
+uit een modderkuil te tillen, zullen wel gevoel hebben voor onzen
+ongelukkigen held. Wij verzoeken hun een stillen traan te laten vallen
+en gaan verder.
+
+Het was zeer laat in den nacht, toen het rijtuig druipende en overal
+bemodderd de kreek uitkwam en voor de deur eener groote boerderij
+bleef stilstaan. Er was niet weinig volharding noodig om de bewoners
+wakker te maken; maar ten laatste kwam de eigenaar toch op en deed
+de deur open. Het was een grove, ruige beer van een kerel, volle zes
+voet en eenige duimen lang en gekleed in rood flanel. Een bos verward
+zandkleurig haar en een baard van eenige dagen groei gaven den braven
+man een voorkomen, dat, om het minste te zeggen, niet buitengemeen
+innemend was. Hij bleef eene poos met zijne kaars omhoog staan,
+en keek onze reizigers aan met eene bevreemding en verslagenheid,
+die inderdaad koddig waren. Het kostte onzen senator eenige moeite
+om hem de zaak ten volle te doen begrijpen; en terwijl hij daartoe
+zijn best doet, willen wij hem onzen lezer wat nader bekend maken.
+
+De oude, brave John van Trompe was eens een aanzienlijk landeigenaar en
+slavenhouder in den staat Kentucky geweest. Daar hij alleen voor het
+uitwendige ruw en barsch was en door de natuur met een groot, edel en
+gevoelig hart was begaafd, juist in evenredigheid met zijn reusachtig
+lichaam, was hij eenige jaren lang met gesmoorde onrust getuige
+geweest van de gevolgen van een stelsel, dat voor de onderdrukkers en
+onderdrukten even slecht is. Eindelijk was eens het groote hart van
+John te veel gezwollen om zich langer door banden te laten beklemmen;
+en zoo nam hij zijne portefeuille uit zijnen lessenaar, ging naar Ohio,
+kocht daar een plek goed vet land, teekende vrijbrieven voor al zijn
+volk, mannen, vrouwen en kinderen, pakte allen op wagens en zond ze
+heen om zich te vestigen; en toen begaf de brave John zich daar naar
+de kreek en vestigde zich insgelijks op eene stille afgelegen hoeve,
+met zijn geweten en zijne overdenkingen.
+
+"Zijt gij de man, die eene vrouw en haar kind voor de slavenjagers
+wilt bergen?" vroeg de senator ronduit.
+
+"Dat zou ik nog al denken," antwoordde John met zekeren nadruk.
+
+"Ik dacht het ook wel," zeide de senator.
+
+"Als er iemand komt," hervatte de goede man, zijne forsche gestalte
+oprichtende, "welnu, ik ben hier voor hem klaar, en ik heb zeven zonen,
+ieder zes voet lang, die zullen ook voor hem klaar zijn. Doe hun mijn
+compliment maar, en zeg dat het er niet op aankomt hoe spoedig zij
+komen; dat maakt voor ons geen verschil."
+
+En daarmede haalde John zijne vingers door zijne verwarde haren en
+lachte smakelijk.
+
+Flauw en afgemat kwam Eliza met slepende tred naar de deur, met haar
+kind vast in slaap op haren arm. De ruwe man hield zijne kaars voor
+haar gezicht, liet een zeker medelijdend geknor hooren, opende de deur
+eener kleine slaapkamer naast de groote keuken, waarin hij de vreemden
+eerst gelaten had, en wenkte haar om binnen te gaan. Hij stak nog eene
+kaars aan, zette deze op tafel en richtte toen het woord tot Eliza.
+
+"Ik zeg u, meid, gij behoeft niet bang te zijn; laat hier maar komen
+wie wil. Ik ben voor al die soort van dingen klaar," zeide hij,
+naar een paar jachtgeweren voor den schoorsteenmantel wijzende: "en
+de menschen die mij kennen, weten ook wel, dat het niet geraden zou
+zijn in mijn huis te willen komen, als ik er tegen ben. Nu kunt gij
+dus zoo gerust gaan slapen alsof uwe moeder u wiegde." En daarmede
+sloot hij de deur.
+
+"Wel, dat is eene buitengemeen mooie meid," vervolgde hij tot den
+senator. "Nu ja, de mooie hebben somtijds de grootste reden om weg te
+loopen, als zij dat soort van gevoel hebben, dat ordentelijke vrouwen
+moeten hebben. Ik weet dat alles wel."
+
+De senator verhaalde met weinige woorden Eliza's geschiedenis.
+
+"Ja, zoo gaat het--of ik het weet," zeide de goede man
+medelijdend. "Gejaagd als een wild dier, dat arme schepsel, alleen
+omdat zij natuurlijk gevoel heeft en doet wat geene moeder zou kunnen
+laten. Ik moet u zeggen, zulke dingen brengen mij het dichtste bij
+het vloeken van alles wat er op de wereld gebeurt." En daarmede
+veegde de goede John zijne oogen af met den rug zijner groote bruine
+hand. "Ik moet u zeggen, vreemdeling, het is jaren aan jaren geweest,
+dat ik geen lid van de kerk wilde worden, omdat de dominees in onze
+streek wilden preken dat de bijbel dat menschenjagen voorsprak. Ik
+kon niet tegen hen aan met hun Grieksch en Hebreeuwsch, en zoo kreeg
+ik een hekel aan hen, met Bijbel en al. Ik ben geen lid van de kerk
+geworden, vóórdat ik een dominee vond, die tegen hen allen op kon in
+het Grieksch en dat alles, en die vlak het tegendeel zeide;--en toen
+beviel het mij en voegde ik mij bij de kerk--dat deed ik," zeide John,
+onder het spreken eene flesch zeer krachtigen cider opentrekkende,
+waaruit hij een paar glazen vulde.
+
+"Gij moest hier blijven tot het dag wordt," vervolgde hij
+hartelijk. "Ik zal de oude vrouw oproepen en in een oogenblik een
+bed voor u laten maken."
+
+"Wel bedankt, goede vriend," antwoordde de senator. "Maar ik moet
+voort, om met de nachtpost van Columbus mee te gaan."
+
+"Welnu, als gij dan moet, zal ik een eind met u medegaan, en u een
+dwarsweg wijzen, die beter is dan de weg dien gij gekomen zijt. Die
+weg is al heel slecht."
+
+John maakte zich spoedig gereed, en weldra stapte hij met een lantaarn
+in de hand vóór het rijtuig des senators uit naar een weg, die door
+eene laagte achter zijne woning liep. Toen zij scheidden, stopte de
+senator hem een briefje van tien dollars in de hand.
+
+"Het is voor haar," zeide hij kortaf.
+
+"Ja wel," antwoordde John even kort.
+
+Zij gaven elkander de hand en scheidden.
+
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+DE GEKOCHTE WAAR WORDT WEGGEHAALD.
+
+
+Grauw en regenachtig scheen de Februari-ochtend door het venster
+der woning van Oom Tom binnen. Hij bescheen treurige gezichten, de
+afspiegeling van bedroefde harten. Het tafeltje, nu met een strijkdeken
+bedekt, stond voor het vuur; over de leuning van een stoel hingen
+een paar grove, maar helder-schoone hemden, zoo pas gestreken, en
+Tante Chloe had een ander vóór zich uitgespreid. Zorgvuldig streek
+zij alle zoomen en naden plat, en hief nu en dan haar hand op om de
+tranen af te vegen die over hare wangen rolden.
+
+Tom zat bij haar, met zijn Testament open op zijne knie en het hoofd
+in de hand; maar geen van beiden spraken zij. Het was nog vroeg en
+de kinderen lagen allen nog te slapen.
+
+Tom, die ten volle het zachte, voor huiselijk genoegen vatbare
+hart had, dat ongelukkig voor hen, eene bijzondere eigenschap van
+zijn beklagenswaardig geslacht is, stond op en ging stil naar zijne
+kinderen zien.
+
+"Het is de laatste maal!" zeide hij.
+
+Tante Chloe gaf geen antwoord en streek maar voort over het grove hemd,
+dat reeds zoo glad was als hare handen het konden maken; eindelijk
+zette zij eenklaps met een wanhopigen slag haar strijkijzer neer, liet
+zich bij de tafel op een stoel vallen en verhief hare stem en weende.
+
+"Wij moeten wel berustend zijn," zeide zij, "maar och, och, hoe
+kan ik? Als ik maar wist waar gij heengaat en hoe zij u behandelen
+zullen! Mevrouw zegt dat zij haar best zal doen om u over een jaar
+of twee los te koopen; maar, och! niemand komt ooit hier terug, die
+daar naar toegaat! Zij vermoorden hem! Ik heb wel hooren vertellen
+hoe zij hen daar op de plantages laten werken!"
+
+"Er zal daar dezelfde God wezen, Chloe, die hier is."
+
+"Ja, dat zal wel zoo zijn," zeide Chloe; "maar de Heere laat somtijds
+schrikkelijke dingen gebeuren. Op die manier kan ik ook al geen
+troost vinden."
+
+"Ik ben in de hand des Heeren," zeide Tom: "niets kan verder gaan dan
+Hij het toelaat; en er is een ding waarvoor ik Hem danken kan. Dat is
+dat _ik_ het ben, die verkocht is en daarheen ga, en niet gij of de
+kinderen. Hier zijt gij veilig: wat er ook gebeuren moet, zal alleen
+met mij gebeuren; en de Heere--Hij zal mij helpen--ik weet dat Hij
+dat zal."
+
+O, dapper, mannelijk hart, dat uw eigen leed smoort, om uwe beminden
+te troosten! Tom sprak met eene heesche stem en met een beklemd gevoel
+in de keel--maar hij sprak toch dapper en stout.
+
+"Laten wij om Zijne genade denken!" voegde hij er bij met eene
+bevende stem, alsof hij gevoelde, dat het wel noodig voor hem was,
+daaraan te denken.
+
+"Genade!" zeide Chloe. "Ik zie er geene genade in! Het is niet goed,
+het is niet goed, dat het zoo gaat! Meester had het nooit zoo moeten
+maken, dat gij voor zijne schuld _kondt_ genomen worden. Gij hebt al
+wat hij voor u krijgt dubbel voor hem verdiend. Hij was u uwe vrijheid
+schuldig, en had u die al jaren geleden moeten geven. Misschien kan
+hij nu niet anders; maar ik voel dat het verkeerd is. Niets is in
+staat om mij dat uit het hoofd te zetten. Zulk een trouw dienaar
+als gij geweest zijt, die altijd zijn belang boven uw eigen hebt
+gesteld, en meer voor hem gezorgd hebt dan voor uwe eigene vrouw en
+kinderen! Zij, die harteliefde en hartebloed verkoopen, om uit hun
+eigen nood te geraken, de Heere zal hen bezoeken!"
+
+"Chloe, als ge mij nu liefhebt, moet ge zoo niet spreken, nu het
+misschien de laatste maal is, dat wij bij elkander zullen zijn. En
+ik zeg u, Chloe, het gaat mij aan het hart een woord tegen meester te
+hooren. Werd hij niet als een klein kind in mijne armen gelegd? Het is
+natuurlijk dat ik veel om hem denk; maar het was niet te verwachten
+dat hij zooveel om den armen Tom zou denken. Meesters zijn gewoon,
+dat al die dingen voor hen gedaan worden, en natuurlijk denken zij
+zooveel niet daaraan. Dat kan men niet van hen verwachten. Zet hem
+eens naast andere meesters! Wie heeft zulk een leven gehad als ik
+gehad heb! En hij had mij dit nooit laten overkomen, als hij het
+vooruit had kunnen zien. Ik weet dat hij het niet zou gedaan hebben."
+
+"Nu, er is toch _ergens_ iets onrechtvaardigs," zeide Chloe, bij wie
+een streng gevoel voor recht een heerschende karaktertrek was. "Ik
+kan niet goed uitmaken, waar het is; maar dat er ergens onrecht is,
+dat zie ik duidelijk."
+
+"Gij moest tot den Heere daarboven opzien; Hij is boven allen--er
+valt geen muschje op aarde zonder Zijnen wil."
+
+"Dat troost mij toch niet, al moest het dat doen," zeide Chloe
+weder. "Maar het helpt niet er over te spreken. Ik zal maar voor den
+koek gaan zorgen en een goed ontbijt voor u maken, want niemand weet
+wanneer gij er weder een krijgen zult."
+
+Om het leed der negers die naar het Zuiden verkocht worden geheel
+te begrijpen, moet men bedenken, dat al de instinctmatige neigingen
+van dien menschenstam bijzonder sterk zijn. Hunne gehechtheid aan
+eene plaats is zeer duurzaam. Zij zijn niet ondernemend en waagziek
+van aard, maar op huiselijkheid gesteld en aan hunne gewoonten en
+bekenden verkleefd. Men voege hierbij het verschrikkelijke, waarmede
+de onkunde het onbekende bekleedt, en bovenal, dat naar het Zuiden
+verkocht te worden den neger van zijne kindsheid af als de strengste
+straf wordt voorgehouden. Het dreigement dat meer schrik aanjaagt dan
+dat van geeseling of eenige andere pijniging, is het dreigement om de
+rivier afgezonden te worden. Wij hebben hen zelve dat gevoel hooren
+uitdrukken en het ongeveinsde afgrijzen gezien, waarmede zij, als zij
+bij elkander zitten te praten, de akeligste histories vertellen van
+dat "de rivier af", dat voor hen gelijkstaat met "het onontdekte land,
+van welks grenspaal geen reiziger ooit terugkomt."
+
+Een zendeling onder de vluchtelingen in Canada verhaalde ons, dat
+velen van hen bekenden van meesters te zijn weggeloopen, die bij
+anderen vergeleken goede meesters waren, maar dat zij bewogen waren
+om al de gevaren eener vlucht te tarten door den wanhopigen angst,
+waarmede dat "naar het Zuiden verkocht worden" hen vervulde--een lot,
+dat hun zelven of hunne vrouwen of kinderen boven het hoofd hing.--Die
+angst boezemt den Afrikaan, anders geduldig, schroomvallig en niet
+ondernemend, een heldhaftigen moed in en verhardt hem tegen honger,
+koude, de gevaren der wildernis en het nog veel geduchter gevaar om
+weder gevat te worden.
+
+De eenvoudige ochtendmaaltijd stond nu op de tafel te dampen, want
+Mevrouw Shelby had Chloe dien morgen van haren gewonen arbeid in
+"het huis" ontslagen. De arme ziel had voor het afscheidsmaal haar
+uiterste best gedaan, had haar vetste kuiken geslacht en gebraden,
+haar koornkoek met de uiterste zorg, juist naar den smaak van
+haren man, gereedgemaakt, en uit zekere geheimzinnige potten op den
+schoorsteenmantel de ingemaakte vruchten opgezet, die alleen bij zeer
+groote gelegenheden te voorschijn kwamen.
+
+"Wel, Peter!" zeide Mozes met opgetogenheid, "hebben we niet een
+heerlijk ontbijt van ochtend?" en tastte te gelijk naar een brok van
+het kuiken.
+
+Tante Chloe gaf hem een onverwachten klap om de ooren, met de woorden:
+"Daar! zijt ge blij met het laatste ontbijt, dat uw arme vader ooit
+tehuis zal hebben?"
+
+"O Chloe!" zeide Tom zacht.
+
+"Wie kan het helpen?" zeide Chloe en hield haar voorschoot voor haar
+gezicht. "Ik ben zoo in de war, dat ik "leelijk" doe."
+
+De jongens bleven stilstaan en keken beurtelings op naar vader
+en moeder, terwijl het kleinste kind zijn best deed om tegen hare
+kleederen op te klauteren en dwingend begon te schreeuwen.
+
+"Daar," zeide Chloe, terwijl zij hare oogen afveegde, en de ongeduldige
+kleine opnam, "nu is het gedaan, hoop ik. Eet nu wat. Dat is mijn
+lekkerste kuiken. Daar, jongens, gij zult ook wat hebben, arme
+kinderen! Moeder is te driftig geweest."
+
+De knapen behoefden niet tweemaal genoodigd te worden, en gingen
+met grooten ijver aan het eten: en het was in zeker opzicht gelukkig
+dat zij dit deden, dewijl anders aan het ontbijt zeer weinig eer zou
+zijn bewezen.
+
+"Nu moet ik uwe kleeren gaan inpakken," zeide Tante Chloe,
+spoedig weder opstaande. "Het is heel wel mogelijk dat hij u alles
+zal afnemen. Ik ken hunne manieren wel--zij zijn er gemeen genoeg
+toe. Zie, uwe flanellen borstrokken liggen hier in den hoek; pas er
+wel op, want er zal daar niemand wezen om anderen voor u te maken. En
+daar zijn de oude hemden en hier de nieuwe. Ik heb gisterenavond uwe
+kousen nog nagezien en den bal er bij gedaan om ze te stoppen. Maar,
+och, och! wie zal ze voor u stoppen?" En wederom overstelpt door
+haar gevoel, liet zij haar hoofd op den kant van den koffer zinken
+en snikte: "als ik daaraan denk! Niemand om u te helpen, ziek of
+gezond! Ik weet waarlijk niet, hoe ik mij nog goed kan houden."
+
+Toen de jongens zooveel gegeten hadden als zij konden, begonnen
+zij eenigszins te denken om hetgeen er ophanden was; en daar zij
+hunne moeder zagen schreien en hun vader een zeer droevig gezicht
+zetten, begonnen zij ook te huilen en hunne knuisten in hunne oogen
+te duwen. Tom had het jongste kind op zijne knie en liet het zich
+vermaken zooveel het maar wilde. Het krabde hem in het gezicht,
+trok hem bij de haren, en kraaide tusschenbeide van pret.
+
+"Ja, kraai nu maar, arm schepseltje!" zeide tante Chloe. "Het zal
+u ook wel eens overkomen. Gij zult het ook nog beleven dat uw man
+verkocht wordt, of gij zelve. En de jongens, zij zullen ook wel
+verkocht worden, denk ik--waarom niet?--als zij tot iets beginnen te
+deugen. Negers behoeven immers niets te houden."
+
+Juist nu riep een van de jongens: "Daar komt de meesteres aan!"
+
+"Zij kan toch geen goed doen. Waar komt zij voor?" zeide Tante
+Chloe. Mevrouw Shelby trad binnen. Tante Chloe zette een stoel voor
+haar, maar met zichtbare norschheid en wreveligheid. Mevrouw Shelby
+scheen hierop niet te letten; haar gezicht was bleek en betrokken.
+
+"Tom," zeide zij, "ik kom om...."
+
+Zij zweeg eensklaps, zag in het rond naar de zwijgende groep, zette
+zich op den stoel neer, hield haar zakdoek voor haar gezicht en begon
+te snikken.
+
+"O God, Mevrouw, dat niet--dat niet!" riep tante Chloe nu, insgelijks
+uitbarstende, en eene poos lang schreiden allen met elkander; en in
+die tranen die zij te zamen schreiden, de aanzienlijke en de geringen,
+smelt al de wrevel der onderdrukten weg. O gij, die de bedroefden
+bezoekt, weet gij wel dat alles wat uw geld kan koopen, met een koud
+en afgewend gezicht gegeven, geen enkelen oprechten traan waardig is,
+uit medelijden geschreid?
+
+"Goede man," zeide Mevrouw Shelby, "ik kan u niets geven, dat u
+eenig goed kan doen. Als ik u geld geef, zal het u maar afgenomen
+worden. Maar ik zeg u plechtig en voor God, dat ik u in het oog zal
+houden en u terug laten komen, zoo spoedig als ik het geld daarvoor
+kan krijgen; en tot zoolang--vertrouw op God!"
+
+Hier riepen de jongens dat Mr. Haley aankwam, en kort daarna deed een
+schop de deur openvliegen. Daar stond Haley in een zeer slecht humeur,
+dewijl hij in den nacht hard had moeten rijden en vooral niet beter
+gestemd was door den slechten afloop van zijnen tocht om zijne prooi
+te achterhalen.
+
+"Komaan, gij neger," zeide hij: "zijt gij gereed?--Uw dienaar,
+Mevrouw," vervolgde hij, zijn hoed afnemende toen hij Mevrouw
+Shelby zag.
+
+Tante Chloe sloot den koffer, bond er een touw omheen, en toen
+opstaande zag zij den handelaar aan, terwijl hare tranen in vurige
+vonken schenen te veranderen.
+
+Tom stond gedwee op om zijn nieuwen meester te volgen, en tilde zijne
+zware kist op zijnen schouder. Zijne vrouw nam het kleinste kind op
+den arm, om met hem naar den wagen te gaan, en de anderen kwamen nog
+schreiende achteraan.
+
+Mevrouw Shelby ging naar den handelaar en hield hem nog eenige
+oogenblikken op, terwijl zij ernstig met hem sprak; en ondertusschen
+ging de geheele familie naar den wagen, die reeds ingespannen voor
+de deur stond. Een troep oude en jonge negers en negerinnen stond
+daaromheen, wachtende om hunnen ouden makker vaarwel te zeggen. Tom was
+bij allen op de plaats, als opzichter en ook als Christelijk leeraar,
+in hooge achting geweest, en thans was er veel oprechte droefheid
+over hem, vooral onder de vrouwen.
+
+"Wel, Chloe, gij draagt het beter dan wij doen," zeide eene der
+schreiende vrouwen, toen zij de sombere kalmte opmerkte waarmede
+Chloe bij den wagen stond.
+
+"_Mijne_ tranen zijn gedaan!" antwoordde zij met een grammen blik
+naar den handelaar, die nu aankwam. "Ik wil niet schreien voor dien
+ouden duivel, om nog zooveel niet."
+
+"Stap in!" zeide Haley tegen Tom, door een troep Negers gaande,
+die hem met dreigende blikken aanzagen.
+
+Tom stapte in den wagen, en daarop nam Haley van onder de bank een
+paar zware boeien en bevestigde die om zijne enkels.
+
+Een gesmoord gemompel van verontwaardiging liep door den geheelen
+kring, en Mevrouw Shelby sprak van de veranda:
+
+"Mijnheer Haley, ik verzeker u dat die voorzorg geheel onnoodig is."
+
+"Dat weet ik niet, mevrouw, ik heb al vijfhonderd dollars hier
+verloren, en kan er niet meer aan wagen."
+
+"Wat kon zij anders van hem verwachten?" zeide Tante Chloe met
+verontwaardiging, terwijl de twee jongens, die nu eerst recht schenen
+te begrijpen wat er met hunnen vader zou gebeuren, zich snikkende
+aan haren rok vasthielden.
+
+"Het spijt mij," zeide Tom, "dat jongeheer George juist van huis
+moest wezen."
+
+George moest een paar dagen bij een makker op een naburig landgoed gaan
+doorbrengen; en daar hij des morgens vroeg vertrokken was, eer nog het
+ongeluk van Tom openbaar was geworden, had hij niets daarvan vernomen.
+
+"Doe mijn liefderijken groet aan jongeheer George," zeide hij ernstig.
+
+Haley gaf zijn paard de zweep; en een strakken, ernstigen blik op
+zijn oude woonplaats gevestigd houdende, werd Tom weggereden.
+
+Mr. Shelby was op dien tijd niet tehuis. Hij had Tom uit nood verkocht,
+om uit de macht te komen van een man voor wien hij bevreesd was,
+en zijn eerste gevoel na het sluiten van den koop was verlichting
+geweest. De klachten zijner vrouw hadden echter zijn halfsluimerend
+naberouw wakker gemaakt, en de belangelooze bereidwilligheid van
+Tom vergrootte nog het onaangename zijner aandoeningen. Het was
+vruchteloos zich zelven te zeggen dat hij recht had om dit te doen,
+dat iedereen het deed, en sommigen het zelfs deden zonder zich met de
+noodzakelijkheid te kunnen verontschuldigen. Hij kon zich daarmede niet
+bevredigen, en om geene getuige te zijn van onaangename tooneelen bij
+de uitvoering van den maatregel, was hij uitgereden op een tochtje
+om eenige zaken te doen, hopende dat alles voorbij zou zijn als
+hij terugkwam.
+
+Tom en Haley ratelden over den stoffigen weg en reden alle bekende
+plekken voorbij, tot zij buiten de grenzen van het landgoed en op
+den open tolweg waren. Nadat zij omtrent eene mijl gereden hadden,
+hield Haley eensklaps op voor een smidswinkel, en een paar handboeien
+medenemende, stapte hij uit om iets daaraan te laten veranderen.
+
+"Die zijn een beetje te klein voor hem," zeide Haley, de boeien
+toonende en naar Tom wijzende.
+
+"O, als dat niet Shelby's Tom is!" zeide de smid. "Hij heeft hem toch
+niet verkocht?'
+
+"Ja, dat heeft hij," zeide Haley.
+
+"Wel waarlijk, wie zou dat ooit gedacht hebben?" hervatte de
+smid. "Maar gij behoeft hem zoo niet te boeien. Hij is de beste
+en trouwste...."
+
+"Ja, ja," zeide Haley, "die brave jongens zijn juist de kerels om te
+willen wegloopen. De botteriken, wien het niet schelen kan waar zij
+gaan, en de dronkaards die om niets meer geven, die blijven wel, en
+het bevalt hun zelfs, naar het schijnt, als zij wat rondgesold worden;
+maar die knappe kerels haten het als de pest. Er zit niets anders op
+dan ze te boeien; zij hebben beenen en zullen ze ook gebruiken--als
+ik mij niet vergis."
+
+"Nu ja," zeide de smid, naar zijn gereedschap zoekende, "die plantages
+daar ginds zijn juist de plaats niet, waar negers uit Kentucky gaarne
+naar toe willen. Zij sterven daar tamelijk gauw, niet waar?"
+
+"Ja, het sterven gaat daar nog al gauw. Met het acclimatiseeren en
+het een en ander sterven er zooveel weg, dat zij de markt tamelijk
+levendig houden," antwoordde Haley.
+
+"Welnu, iemand kan toch niet nalaten het jammer te vinden, dat een
+knappe, bedaarde, ordentelijke kerel, zooals Tom is, op eene van die
+suikerplantages moet afgewerkt worden."
+
+"O, hij heeft eene goede kans. Ik heb beloofd dat ik mijn best voor
+hem zou doen. Ik zal hem als huisknecht in een oude goede familie
+verkoopen, en als hij dan tegen de koorts en het klimaat kan, zal
+hij zulk eene goede plaats hebben, als een neger behoeft te verlangen."
+
+"Hij laat vrouw en kinderen hier, zoude ik denken?"
+
+"Ja, maar hij zal daar wel eene andere krijgen. Och, er zijn overal
+vrouwen genoeg."
+
+Tom zat onder dit gesprek treurig buiten den winkel. Eensklaps hoorde
+hij het trappelen van paardenhoeven achter zich; en eer hij zich van
+zijne verrassing kon herstellen, sprong George, zijn gewezen jonge
+meester, op den wagen, sloeg onstuimig de armen om zijnen hals,
+en gaf al snikkende lucht aan zijne gramschap en verontwaardiging.
+
+"Ik zeg, het is eene laagheid," riep hij. "Het kan mij niet schelen wat
+zij er van zeggen, maar het is waarlijk gemeen; het is schande! Als ik
+maar een man was, zouden zij het niet doen--neen, dat zouden zij niet!"
+
+"O, jongeheer George, dat doet mij goed," zeide Tom. "Ik kon het niet
+dragen, dat ik vertrok zonder u te zien. Het doet mij waarlijk goed,
+meer dan ik u zeggen kan."
+
+Hier maakte Tom eene beweging met zijne voeten, en nu vielen George
+de kluisters in het oog.
+
+"Welk een schande!" riep hij. "Ik zal dien ouden kerel een gat in
+den kop slaan--dat zal ik."
+
+"Neen, dat zult gij niet, jongeheer George; en gij moet zoo hard niet
+spreken. Het zou mij niet helpen als hij kwaad werd gemaakt."
+
+"Welnu, ik zal dan niet om uwentwil. Maar als ik er aan denk--is het
+geene schande? Zij hebben mij niet laten weten; zonder Tom Lincoln
+zou ik er geen woord van gehoord hebben. Ik kan het u zeggen, ik heb
+wat een leven gemaakt tegen allemaal tehuis."
+
+"Dat was niet wel gedaan, vrees ik, jongeheer George."
+
+"Dat kan ik niet helpen. Ik zeg dat het schande is. Ziehier, Oom Tom,"
+zeide hij zacht, terwijl hij zorg droeg om zich met zijnen rug naar
+den winkel te keeren, "_hier breng ik u mijn dollar_."
+
+"O, ik zou er niet aan kunnen denken om dien aan te nemen," zeide
+Tom ontroerd. "Dat nooit."
+
+"Maar gij moet hem aannemen," hervatte George, "Ziehier. Ik heb Tante
+Chloe gezegd dat ik het doen zou, en zij raadde mij aan er een gaatje
+in te maken en er een koordje door te doen, zoodat hij om uwen hals
+kon hangen en uit het oog blijven; anders zou die gemeene schavuit
+hem u afnemen. Ik moet zeggen, Tom, ik zou hem gaarne de huid vol
+schelden. Dat zou mij goed doen."
+
+"Neen, doe dat niet, jongeheer George; want het zou mij geen goed
+doen."
+
+"Welnu, dan zal ik het niet, om uwentwil," zeide George, en deed Tom
+haastig het koordje met den dollar om den hals. "Daar, knoop uw buis
+er nu over dicht, en bewaar hem, en bedenk telkens als gij hem ziet,
+dat ik u eens zal komen terughalen. Tante Chloe en ik hebben daarover
+gesproken. Ik zeide haar dat zij niet bang moest wezen. Ik zal er
+voor zorgen, en mijn vader doodplagen als hij het niet doet."
+
+"O, jongeheer George, gij moet zoo niet van uwen vader spreken."
+
+"Nu, ik meen geen kwaad, Tom."
+
+"Maar, jongeheer George," hervatte Tom, "gij moet een brave goede
+jongen zijn, en bedenken hoeveel harten aan u gehecht zijn. Houd altijd
+uwe moeder in waarde. Leer de dwaze manieren niet van de jongens, die
+denken dat zij te groot worden om zich aan hunne moeder te storen. Ik
+zal u wat zeggen, jongeheer George. De Heere geeft vele goede dingen
+tweemaal over; maar uwe moeder geeft Hij u maar eens. Gij zult geene
+andere zoodanige vrouw vinden, jongeheer George, al wordt gij honderd
+jaar oud. Houd u dus aan haar vast en groei op om haar tot troost te
+zijn. Dat zult gij immers, niet waar?"
+
+"Ja, dat zal ik, dat wil ik, Oom Tom," antwoordde George ernstig.
+
+"En wees voorzichtig in uw spreken, jongeheer George. Jongelieden,
+als zij op uwe jaren komen, zijn somtijds driftig en eigenzinnig--dat
+is natuurlijk. Maar echte _gentlemen_, zooals ik hoop dat gij er een
+worden zult, laten zich nooit een woord ontvallen dat niet eerbiedig
+voor hunne ouders is. Gij wordt toch niet boos, dat ik dit zeg,
+jongeheer George."
+
+"Neen, waarlijk niet, Oom Tom. Gij hebt mij altijd goeden raad
+gegeven."
+
+"Ik ben ouder, weet ge," zeide Oom Tom, zijne groote grove hand over de
+krullende lokken van den knaap strijkende, met eene stem, zoo zacht als
+die eener vrouw, "en ik zie hoeveel er van u verwacht kan worden. O,
+jongeheer George, gij hebt alles--kundigheden, voorrechten, lezen en
+schrijven--en gij zult opgroeien tot een groot man; en allen op de
+plaats en uwe moeder zullen trotsch op u zijn. Wees een goed meester,
+gelijk uw vader, en wees een christen, zooals uwe moeder. Gedenk aan
+uwen Schepper in de dagen uwer jeugd, jongeheer George."
+
+"Ik wil _waarlijk_ goed worden, Oom Tom, dat zeg ik u," antwoordde
+George. "Ik zal waarlijk mijn best doen. En wordt gij maar niet
+moedeloos. Ik zal u nog wel terughalen, zooals ik Tante Chloe van
+morgen heb gezegd. Ik zal een nieuw huis voor u bouwen, en gij zult
+eene voorkamer hebben met een tapijt op den vloer, als ik groot ben. O,
+gij zult nog eens een goeden tijd krijgen."
+
+Haley kwam weder aan de deur met de boeien in de hand.
+
+"Luister eens, Mijnheer," zeide George, van den wagen stappende,
+met een toon van meerderheid, "ik zal vader en moeder eens zeggen
+hoe gij Oom Tom behandelt."
+
+"Dat staat u vrij," antwoordde de handelaar.
+
+"Ik zou denken dat gij u schamen moest, al uw leven te slijten met
+menschen te koopen en als honden aan kettingen te sluiten. Ik zou
+denken dat gij u laag moest voelen," zeide George.
+
+"Zoolang gij, groote lui, menschen wilt koopen, ben ik evengoed als
+gij," antwoordde Haley, "het verkoopen is niet lager dan het koopen."
+
+"Ik zal geen van beiden doen als ik eens een man ben," liet
+George hierop volgen. "Ik schaam mij vandaag dat ik een Kentuckiër
+ben. Voorheen ben ik daar altoos trotsch op geweest."
+
+En met deze woorden zette hij zich recht op zijn paard en keek rond,
+alsof hij dacht dat de geheele staat ontzag zou hebben voor zijn
+gevoelen.
+
+"Nu, goeden dag, Oom Tom, houd maar moed!" zeide hij eindelijk.
+
+"Goeden dag, jongeheer George," antwoordde Tom, hem met ingenomenheid
+en bewondering aanziende, "God almachtig zegene u! Ach, Kentucky heeft
+er niet veel zooals gij!" zeide hij uit de volheid van zijn hart,
+toen het openhartige, jeugdige gezicht uit zijne oogen verdween. Hij
+bleef nog staren tot hij de hoefslagen niet meer hoorde, het laatste
+geluid, dat hem aan zijne oude woning herinnerde. Maar boven zijn
+hart scheen een warme plek te blijven, waar die jeugdige handen dien
+kostbaren dollar hadden geplaatst. Tom hief zijne hand op en drukte
+hem vast tegen zijne borst.
+
+"Nu zal ik u eens wat zeggen," zeide Haley, toen hij bij den wagen kwam
+en de handboeien daarin wierp. "Ik meen redelijk met u te beginnen,
+zooals ik doorgaans met mijne negers doe; en ik zeg u om te beginnen,
+als gij mij redelijk behandelt, zal ik u ook redelijk behandelen. Ik
+ben nooit hard voor mijne negers en meen mijn best voor u te doen. Gij
+ziet, het is het beste dat gij stil blijft zitten en geene streken
+beproeft; want ik ben aan alle negerstreken gewoon en die baten bij
+mij niet. Als een neger zich stilhoudt en niet beproeft weg te loopen,
+heeft hij een goeden tijd bij mij; zoo niet, dan is het zijne schuld
+en niet de mijne."
+
+Tom verzekerde Haley dat hij niet van voornemen was om weg te
+loopen. Over het geheel scheen de vermaning overbodig bij iemand,
+die een paar boeien aan de beenen had, maar Haley had de gewoonte
+aangenomen om zijn betrekking met zijn menschelijk vee met zulke korte
+opwekkingen te beginnen, waardoor hij dacht gerustheid en vertrouwen
+in te boezemen en onaangename tooneelen te verhoeden.
+
+En nu nemen wij vooreerst afscheid van Tom, om de lotgevallen der
+andere personen van ons verhaal te vervolgen.
+
+
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+WAARIN EEN SLAAF VOORKOMT DIE GEEN SLAAF MEER IS.
+
+
+Het was laat op een regenachtigen namiddag, toen een reiziger voor
+de deur van eene landelijke herberg in het dorp N*** in Kentucky
+afstapte. In de buffetkamer vond hij een zeer gemengd gezelschap van
+lieden, die daar voor het weder eene schuilplaats hadden gezocht en
+het gewone tooneel van zulk eene samenkomst aanboden. Zware, lange,
+grof gebouwde Kentuckiërs in jachtkleedij, die achteloos uitgestrekt,
+met hunne lompe leden eene aanzienlijke plaats besloegen--jachtroeren
+in een hoek bijeengezet--weitasschen, kogelzakken, jachthonden en
+kleine negers bij elkaar in de andere hoeken, waren de eigenaardige
+trekken van het tafereel. Aan iedere zijde van den haard zat een
+heer met lange beenen, met achterover gewipten stoel, den hoed op
+het hoofd, en de hielen zijner bemodderde laarzen te pronk op den
+schoorsteenmantel--eene houding, welke men in Westersche herbergen
+zeer dikwijls door reizigers ziet aannemen.
+
+De kastelein, die achter de toonbank aan het buffet stond, was gelijk
+de meeste zijner landgenooten, goedaardig, groot van gestalte en
+lang van leden, met een vervaarlijken ruigen bos haar op het hoofd,
+en een hoogen hoed daar bovenop.
+
+Iedereen in de kamer droeg met echt republikeinschen vrijheidszin
+dat teeken der mannelijke oppermacht op het hoofd, hetzij van vilt
+of palmbladeren, oud en smerig of glimmend-nieuw. De hoed scheen
+zelfs het karakteristiek onderscheidingsteeken van elken persoon te
+zijn. Sommigen droegen hem luchtig op een oor, en dit waren ook de
+luchtige, vroolijke lieden, luimig en ongegeneerd; anderen hadden hem
+diep op den neus gedrukt, en dit waren de harde karakters, mannen van
+stavast, die als zij een hoed op hadden, wilden laten zien dat zij
+hem op hadden en voor niemand afnamen; nog anderen hadden den hoed ver
+achterover gezet, en dit waren lieden, die bijzonder bijdehand waren
+en een onbelemmerd uitzicht wilden hebben; terwijl onverschillige,
+zorgelooze lieden, wien het niet schelen kon hoe hun hoed stond,
+dien ook blijkbaar hadden opgezet, gelijk het toeval wilde. Men had
+van die hoeden eene geheele studie kunnen maken.
+
+Verscheidene negers, met zeer wijde broeken maar niet overmatig van
+hemden voorzien, liepen heen en weer, zonder veel meer te doen, dan
+hunne bereidwilligheid te toonen om voor de gasten alles overhoop
+te halen. Men voege bij dit tafereel nog een vroolijk vlammend en
+knetterend vuur, dat hoog in een wijden schoorsteen opslaat--terwijl
+de buitendeur en vensters wijd openstaan, en de katoenen gordijnen
+in den vochtigen guren wind die met tamelijk veel kracht waait, heen
+en weder zwieren--en men heeft een denkbeeld van de aangenaamheden
+eener landelijke herberg in Kentucky.
+
+De Kentuckiër van den tegenwoordigen tijd is een goed bewijs voor de
+leer van het erfelijke van eigenaardige gewoonten en neigingen. Zijne
+vaderen waren groote jagers--menschen, die in de bosschen leefden en
+onder den blooten hemel sliepen, met de sterren om hun te lichten;
+en hun afstammeling doet nog altijd alsof hij het huis voor het
+open veld hield--heeft altijd zijn hoed op, smijt zich neer zoo
+lang als hij is en legt zijne voeten op de leuning van een stoel
+of op den schoorsteenmantel, evenals zijn vader op het groene gras
+ging liggen, met zijne voeten op een boomstam--laat winter en zomer
+deur en venster open om lucht genoeg te krijgen voor zijne groote
+longen--noemt iedereen met luchthartige vriendelijkheid "vreemdeling,"
+en is over het geheel het rondborstigste, vroolijkste, ongegeneerdste
+schepsel op de wereld.
+
+Onder een gezelschap van zulke ongegeneerde lieden trad onze reiziger
+nu binnen. Hij was een kort, zwaarlijvig man, zorgvuldig gekleed,
+met een rond, goedhartig gezicht en eene eenigszins zonderlinge
+drukte in zijne manieren. Hij was zeer bezorgd voor zijn valies en
+parapluie, bracht deze met eigen handen binnen en wees hardnekkig de
+aanbiedingen der bedienden af om hem daarvan te ontslaan. Hij keek met
+zekere angstigheid in de kamer rond, en zich met zijne kostbaarheden
+naar den warmsten hoek begevende, schikte hij ze onder een stoel,
+zette zich daarop neer en bleef eenigszins vreesachtig zitten turen
+naar den heer, wiens hielen dat einde van den schoorsteen versierden,
+en die rechts en links spuwde met eene kracht, welke iemand, die zwak
+van zenuwen en net op zijne kleeren was, wel mocht verontrusten.
+
+"Zeg eens, vreemdeling, hoe vaart gij?" zeide de bovenbedoelde heer,
+een saluutschot van tabakssap naar den nieuw-aangekomene richtende.
+
+"Zoo tamelijk wel," was het antwoord van den ander, die met schroom
+het dreigende eerbewijs ontweek.
+
+"Iets nieuws?" vroeg de eerste weder en haalde een stuk pruimtabak
+en een groot mes uit zijn zak.
+
+"Niets, dat ik weet," was het antwoord.
+
+"Pruimen?" zeide de eerste weder, en bood den ouden heer een stuk tabak
+aan met eene gulheid, die inderdaad broederlijk mocht genoemd worden.
+
+"Neen, wel bedankt; dat bekomt mij niet goed," antwoordde het manneke
+zich afwendende.
+
+"Niet? Zoo!" zeide de ander en stak het stuk in zijn eigen mond,
+waarna hij weder aan het kauwen en spuwen ging.
+
+De oude heer maakte telkens eene kleine beweging van schrik, wanneer
+zijn lange broeder in zijne richting vuurde; en toen deze dit opmerkte,
+was hij goedhartig genoeg om zijne artillerie naar den anderen kant
+te keeren en spuwde in het vuur.
+
+"Wat is dat?" zeide de oude heer, toen hij opmerkte dat eenigen van
+het gezelschap eene groep vormden voor een groot gedrukt biljet.
+
+"Een neger geadverteerd," antwoordde een van de groep kortaf.
+
+Mr. Wilson, want zoo heette de oude heer, stond op, en nadat hij zijn
+valies en parapluie te recht had gelegd, haalde hij zeer bedaard zijn
+bril uit en zette dien op zijn neus. Dit verricht hebbende las hij
+het volgende:
+
+"Weggeloopen van den ondergeteekende mijn mulat George. Gezegde George
+zes voet lang, zeer lichte mulat, met bruin krullend haar, is zeer
+schrander, spreekt goed, kan lezen en schrijven; zal waarschijnlijk
+beproeven voor een blanke door te gaan, heeft diepe litteekens op
+rug en schouder, is in zijne rechterhand gebrand met de letter H.
+
+"Ik wil vierhonderd dollars levend voor hem geven, en dezelfde som
+voor voldoend bewijs dat hij doodgeschoten is."
+
+De oude heer las deze advertentie van het begin tot het einde
+binnensmonds, alsof hij ze van buiten leerde.
+
+De langgebeende man, die in het vuur had zitten spuwen, nam nu zijne
+hielen van den schoorsteenmantel, richtte zijne lange leden op,
+kwam naar het biljet en bespoot het zeer bedaard met een groote
+klad tabakssap.
+
+"Dat is mijn gevoelen daarover!" zeide hij kortaf en ging weder zitten.
+
+"Wel, vreemdeling, waarom doet gij dat?" zeide de kastelein.
+
+"Ik zou den schrijver van dat papier hetzelfde doen als hij hier was,"
+antwoordde de lange man en sneed koelbloedig weder een pruim. "Iemand
+die zulk een jongen heeft en geene betere manier weet om hem te
+behandelen, verdient hem te verliezen. Zulke papieren als dat zijn
+eene schande voor Kentucky; dat is mijn gevoelen ronduit, als iemand
+het verlangt te weten."
+
+"Wel zoo, dat schrijf ik maar op," zeide de kastelein en schreef ook
+iets in zijn boek.
+
+"Ik heb een troep jongens, mijnheer," zeide de lange man, weder in
+het vuur spuwende, "en ik zeg hun eenvoudig: "Jongens, loop maar weg
+als gij wilt. Ik zal nooit iemand komen zoeken." Dat is de manier,
+waarop ik de mijnen houd. Laten zij weten dat het hun vrijstaat
+om weg te loopen, dan hebben zij er geen lust meer toe. Meer nog:
+ik heb vrijbrieven voor hen allen laten opmaken, ingeval mij eens
+iets overkomen mocht, en ik zeg u, vreemdeling, er is niemand in
+onze streken die meer van zijne negers gedaan krijgt dan ik. Wel,
+mijne jongens zijn naar Cincinnati geweest met vijfhonderd dollars
+waarde aan veulens, en zijn met het geld regelrecht weer naar huis
+gekomen. Het spreekt vanzelf dat zij dit deden. Behandel ze als honden
+en gij zult hondenwerk en hondenbedrijf van hen hebben. Behandel ze
+als menschen en gij zult menschenwerk hebben."
+
+En in zijner ijver spuwde de brave paardenkooper nog eens zoo forsch
+in het vuur.
+
+"Ik geloof dat gij volkomen gelijk hebt, vriend," zeide Mr. Wilson;
+"en de jongen die hier beschreven wordt, is een knappe kerel--dat
+is zeker. Hij heeft zes jaren in mijne fabriek gewerkt en hij was
+mijn beste arbeider, Mijnheer. Hij is een vernuftige kerel ook. Hij
+heeft eene machine uitgevonden om hennep te zuiveren--inderdaad een
+kostbaar ding. Zij is in verscheidene fabrieken in gebruik gekomen
+en zijn meester heeft het patent daarvan."
+
+"Daar maakt hij geld van," zeide de paardenkooper, "en dan keert
+hij zich om en brandmerkt den jongen in zijne rechterhand. Als ik
+gelegenheid had, denk ik, zou ik hem eens merken, dat hij een poosje
+geteekend zou blijven."
+
+"Die knappe jongens zijn altijd weerspannig en brutaal," zeide een
+grove gemeene kerel aan den anderen kant van het vertrek, "daarom
+worden zij geslagen en gebrand. Als zij zich onderdanig hielden zou
+dat niet gebeuren."
+
+"Dat is te zeggen, de Heere maakte hen menschen en het is moeielijk
+hen tot beesten te verlagen," merkte de paardenkooper droogjes aan.
+
+"Schrandere negers brengen hunne meesters nooit voordeel aan," hervatte
+de ander, tegen de verachting van zijnen tegenstander achter zijne
+grove stompzinnigheid verschanst. "Wat baten iemands talenten en zulke
+dingen, als gij ze zelfs niet gebruiken kunt. Het eenige gebruik dat
+zij er van maken, is maar om u te bedriegen. Ik heb eens een paar van
+die snaken gehad, maar ik heb ze de rivier af verkocht. Ik wist toch
+wel dat ik ze vroeg of laat verliezen zou."
+
+"Zend liever eene boodschap aan den Heere, om een troep voor u te
+maken en hunne ziel geheel weg te laten," zeide de paardenkooper.
+
+Hier werd het gesprek gestoord door het stilhouden van een rijtuigje
+met een paard voor de herberg. Het zag er zeer fatsoenlijk uit, en
+op de bank zat een welgekleed persoon, die geheel het voorkomen van
+een _gentleman_ had, terwijl een zwarte knecht het paard mende.
+
+Het geheele gezelschap monsterde den nieuw-aangekomene met de
+nieuwsgierigheid van menschen, die zich op een regenachtigen dag
+zitten te vervelen. Hij was zeer rijzig, had een donkere Spaansche
+tint, fraaie zwarte oogen en glanzig krullend haar van de zelfde
+kleur. Zijn welgevormde kromme neus, zijn strakke dunne lippen en
+de geheele bouw zijner ranke leden brachten het gezelschap terstond
+op de gedachte, dat hij een buitengemeen persoon moest wezen. Hij
+stapte met vrijmoedige ongedwongenheid onder het gezelschap, wees
+den knecht met een wenk waar zijn koffer moest geplaatst worden,
+ging met zijnen hoed in de hand op zijn gemak naar de toonbank en
+gaf den kastelein zijn naam op, als Henry Butler van Oakland in het
+graafschap Shelby. Zich toen onverschillig omkeerende, ging hij naar
+de advertentie en las die hardop.
+
+"Jim," zeide hij tot zijnen knecht, "het komt mij voor dat wij zulk
+een jongen daar bij Bernan hebben ontmoet. Is het niet zoo?"
+
+"Ja, meester," was het antwoord; "maar van de hand ben ik niet zeker."
+
+"Daar heb ik natuurlijk ook niet naar gezien," zeide de vreemdeling
+onverschillig. Vervolgens naar den kastelein gaande, verzocht hij
+dezen hem een afzonderlijk vertrek te verschaffen, daar hij terstond
+iets te schrijven had.
+
+De kastelein was geheel gedienstigheid en weldra zag men een troep
+van zes of zeven negers, oud en jong, man en vrouw, groot en klein,
+gelijk een vlucht patrijzen rondfladderen, en elkander op de hielen
+trappen en omverloopen in hunnen ijver om de kamer voor den vreemdeling
+klaar te maken, terwijl deze zich op zijn gemak midden in het vertrek
+neerzette en in gesprek trad met iemand die naast hem zat.
+
+De fabrikant Wilson had den vreemdeling van dat hij binnenkwam af met
+zekere onrustige en pijnlijke nieuwsgierigheid aangezien. Het kwam hem
+voor dat hij dezen ergens gekend had, maar hij kon zich niet herinneren
+waar. Telkens wanneer die persoon zich bewoog, sprak of glimlachte,
+vestigde hij met eene kleine beweging van schrik zijne oogen op hem,
+maar sloeg ze schielijk weder neer voor den helderen blik, die met
+koelbloedige onverschilligheid den zijnen ontmoette. Eindelijk scheen
+eene plotselinge herinnering bij hem op te komen, want nu staarde hij
+den vreemdeling met zulke in het oogloopende verbazing aan, dat deze
+naar hem toekwam.
+
+"Mijnheer Wilson, geloof ik," zeide hij op een toon van
+vriendschappelijke herkenning, hem zijne hand toestekende. "Ik verzoek
+u verschooning, dat ik u niet vroeger herkende. Ik zie dat gij u mij
+herinnert--Mr. Butler van Oakland in het graafschap Shelby."
+
+"Ja wel--ja wel, Mijnheer," antwoordde Mr. Wilson, gelijk iemand die
+in een droom spreekt.
+
+Juist kwam een negerjongen binnen, om te zeggen dat Mijnheers kamer
+gereed was.
+
+"Jim, zorg voor de koffers," zeide de vreemdeling achteloosweg; en
+zich toen weder tot Wilson keerende, vervolgde hij: "Ik zou u gaarne
+eens in mijne kamer over zaken spreken, als het u belieft."
+
+Mr. Wilson volgde hem, als iemand, die in zijnen slaap wandelt, en
+zoo gingen zij naar eene groote bovenkamer, waar een pas aangelegd
+vuur knetterde en de dienstboden nog ronddwarrelden om hier en daar
+eene laatste hand aan te leggen.
+
+Toen alles gedaan was en de bedienden heengegaan waren, sloot de
+jonkman bedaard de deur, stak den sleutel in zijnen zak, keerde
+zich daarna om, sloeg zijne armen kruiselings over de borst en zag
+Mr. Wilson strak in het gezicht.
+
+"George," zeide Mr. Wilson.
+
+"Ja, George," antwoordde de jonkman.
+
+"Ik kon het haast niet denken."
+
+"Ik ben tamelijk wel vermomd, verbeeld ik mij," zeide de jonkman
+met een glimlach. "Een weinigje notenschors heeft mijn gele huid
+een fatsoenlijk bruin gegeven, en ik heb mijn haar zwart gekleurd;
+dus ziet ge dat ik volstrekt niet aan de advertentie beantwoord."
+
+"O, George, het is een gevaarlijk spel dat gij speelt. Ik zou het u
+nooit geraden hebben?."
+
+"Ik kan het op mijne eigen verantwoording doen," antwoordde George
+met een trotschen glimlach.
+
+Wij moeten terloops aanmerken, dat George van vaders zijde van blanke
+afkomst was. Zijne moeder was eene dier ongelukkigen van haar geslacht,
+welke door hare schoonheid tot slavin der hartstochten van haren
+bezitter worden bestemd en moeders van kinderen worden, die nooit een
+vader mogen kennen. Van eene der aanzienlijkste familiën in Kentucky
+had hij zijne fraaie Europeesche trekken en zijn hoogvliegenden,
+ontembaren geest geërfd. Van zijne moeder had hij alleen eene geringe
+tint van mulattenkleur ontvangen, rijkelijk vergoed door de daarmede
+gepaard gaande gloeiende zwarte oogen. Eene geringe wijziging in
+de kleur van zijne huid en het verven van zijn haar hadden hem dat
+Spaansche voorkomen gegeven dat hij nu had; en daar sierlijkheid van
+bewegingen en fatsoenlijke manieren hem altijd eigen waren geweest,
+had hij geene moeite om de vermetele rol te spelen welke hij nu had
+aangenomen, de rol van een _gentleman_ die met zijne bediende op
+reis was.
+
+Mr. Wilson, een zeer goedhartig, maar buitengewoon voorzichtig en
+schrikachtig oud heer, trippelde onrustig de kamer op en neer. Zijn
+gemoed was verdeeld tusschen zijnen wensch om George te helpen en een
+verward denkbeeld van den plicht om wet en orde te handhaven. Terwijl
+hij zoo rondscharrelde sprak hij nu en dan:
+
+"Wel, wel, George--ik vermoed dat gij weggeloopen zijt--uw wettigen
+meester verlaten, George--het verwondert mij wel niet--maar het
+spijt mij toch ook, George--ja, zeker, mij dunkt ik moet u dat
+zeggen. George--het is mijn plicht--om u dat te zeggen."
+
+"Wat spijt u, Mijnheer?" vroeg George bedaard.
+
+"Wel, u als het ware te zien opstaan tegen de wetten van uw land."
+
+"Mijn land!" zeide George met bitteren nadruk. "Welk land zal ik ooit
+hebben behalve het graf, en gave God dat ik daarin lag!"
+
+"Neen, neen, George, zoo niet! Zulke manier van spreken is goddeloos,
+is tegen den bijbel. George, gij hebt een hard meester--eigenlijk is
+hij--nu ja, hij gedraagt zich berispelijk--ik wil zijne verdediging
+niet op mij nemen. Maar gij weet wel hoe de engel Hagar beval om naar
+hare meesteres terug te keeren en zich te vernederen onder hare hand;
+en hoe de apostel Onesimus aan diens meester terugzond."
+
+"Doe geene aanhalingen uit den bijbel op die manier, Mijnheer Wilson,"
+zeide George met schitterende oogen; "doe dat niet, want mijne vrouw is
+Christin, en ik meen het ook te worden, als ik ooit kom waar ik heen
+wil; maar voor iemand in mijne omstandigheden zulke aanhalingen uit
+den bijbel te doen, is genoeg om hem dien geheel te doen verwerpen. Ik
+beroep mij op God almachtig, ik ben bereid om mijne zaak voor Hem te
+brengen en Hem te vragen of ik kwaad doe als ik mijne vrijheid zoek."
+
+"Dat gevoel is heel natuurlijk, George," zeide de goedhartige man,
+zijn neus snuitende. "Ga, het is natuurlijk, maar ik mag er u niet
+in aanmoedigen. Ja, mijn jongen, het spijt mij voor u; het is een
+hard geval--zeer hard; maar de apostel zegt: "Laat iedereen blijven
+in den staat waarin hij geroepen is." Wij moeten ons allen aan de
+beschikkingen der Voorzienigheid onderwerpen, George--ziet gij dat
+niet in?"
+
+George stond met het hoofd trotsch opgericht en zijne armen over
+zijne breede borst gekruist, terwijl een bittere glimlach zijne lippen
+deed krullen.
+
+"Ik zou wel eens willen weten, Mijnheer Wilson, als de Indianen eens
+kwamen en u als gevangene medenamen van uwe vrouw en kinderen af,
+en u al uw leven voor hen lieten spitten en schoffelen, of gij het
+dan uw plicht zoudt achten, om in den staat te blijven waarin gij
+geroepen waart! Ik geloof veeleer dat gij het eerste losse paard
+dat gij vinden kondt voor eene beschikking der Voorzienigheid zoudt
+houden. Zoudt gij niet?"
+
+Het oude heertje keek verbaasd op bij deze toelichting der zaak; maar
+hoewel hij niet sterk in het redeneeren was, had hij toch zooveel
+gezond verstand--en dit hebben sommigen die over dit onderwerp het
+woord voeren niet eens--om niets te zeggen waar niets gezegd kan
+worden. Hij hervatte dus maar zijne algemeene waarschuwingen:
+
+"Gij ziet wel, George, gij weet wel, ik ben altijd uw vriend geweest
+en wat ik gezegd heb, heb ik tot uw bestwil gezegd. Nu komt het mij
+voor dat gij u aan een schrikkelijk gevaar blootstelt. Gij kunt niet
+hopen er door te komen. Als gij gevat wordt, zal het erger dan ooit
+met u afloopen; men zal u half dood slaan en de rivier af verkoopen."
+
+"Mijnheer Wilson, ik weet dat alles wel," antwoordde George. "Ik
+loop gevaar, maar," met deze woorden sloeg hij zijn overjas open
+en liet een paar pistolen en een mes zien, "gij ziet, ik ben er op
+bedacht. Naar het Zuiden zal ik nooit gaan. Neen, als het zoover komt,
+kan ik mij ten minste zes voet vrijen grond verschaffen--den eersten
+en den laatsten die ooit in Kentucky mijn eigen zal zijn."
+
+"Maar, George, dat zijn schrikkelijke voornemens. Dat is waarlijk een
+wanhopig opzet, George. Het doet mij leed van u. Gij wilt in opstand
+komen tegen de wetten van uw land."
+
+"Mijn land, nog eens! Mijnheer Wilson, _gij_ hebt een land; maar
+wat land heb _ik_, of iemand die zooals ik van eene slavenmoeder
+geboren is? Welke wetten zijn er voor ons? Wij maken ze niet--wij
+stemmen er niet in toe--wij hebben er niets mede te doen. Alles wat
+zij voor ons doen, is ons verdrukken en onder bedwang houden. Heb ik
+uwe vierde Juli-redevoering niet gehoord? Zegt gij ons niet eens in
+het jaar, dat de regeering hare rechtvaardige macht verkrijgt door
+de toestemming van hen die geregeerd worden? Kan iemand die zulke
+dingen hoort niet denken? Kan hij het eene niet met het andere in
+verband brengen en zien wat daaruit voortvloeit?"
+
+Mr. Wilsons geest was een van die, welke men niet ongepast bij eene
+baal katoen zou kunnen vergelijken--donzig zacht en verward. Hij
+had inderdaad hartelijk medelijden met George, had ook een flauw en
+beneveld begrip van den aard der aandoeningen die dezen vervulden;
+maar hij achtte het toch zijn plicht om hem met onuitputtelijke
+volharding "het goede" voor te houden.
+
+"George, dat deugt zoo niet. Ik moet u als vriend zeggen dat gij beter
+zoudt doen u niet met zulke denkbeelden op te houden. Zij zijn slecht,
+zeer slecht, George, voor menschen in uwe omstandigheden."
+
+En daarna zette Mr. Wilson zich bij eene tafel neer en kneep zich
+zenuwachtig in de vingers.
+
+"Zie eens hier, Mijnheer Wilson," zeide George, zich koelbloedig op
+een stoel tegen hem over plaatsende: "zie mij nu eens aan. Zit ik daar
+niet vóór u in alle opzichten evengoed een mensch als gij zijt? Zie
+naar mijn gezicht--naar mijne handen--naar mijne houding," en daarmede
+richtte de jonkman zich trotsch op. "Waarom ben ik niet een mensch zoo
+goed als iemand? Welnu, Mijnheer Wilson, luister naar wat ik u zeggen
+zal. Ik heb een vader gehad--een van uwe heeren uit Kentucky--die mij
+niet goed genoeg achtte om te zorgen, dat ik niet met zijne paarden of
+honden voor zijne schulden verkocht werd toen hij stierf. Ik zag mijne
+moeder publiek verkoopen met hare zeven kinderen. Zij werden voor hare
+oogen verkocht een voor een aan verschillende meesters, en ik was het
+jongste. Zij knielde voor mijnen meester neer en bad hem om haar ook
+te koopen, opdat er ten minste één kind bij haar zou blijven; maar hij
+schopte haar van zich af met zijne zware laars. Ik zag hem dat doen;
+en het laatste wat ik hoorde, was haar kermen en gillen, toen ik aan
+zijn paard werd gebonden om naar zijn goed gebracht te worden."
+
+"En toen?"
+
+"Mijn meester kocht daarna mijn oudste zuster nog van iemand
+anders. Zij was een vroom, goed meisje--lid van de baptistenkerk--en
+even bevallig als mijne arme moeder geweest was. Zij was welopgevoed
+en had goede manieren. Eerst was ik blijde dat zij gekocht werd, want
+nu had ik eene vriendin bij mij. Spoedig speet het mij, Mijnheer;
+ik heb bij de deur gestaan en haar hooren gegeeseld worden terwijl
+het was alsof elke slag in mijn hart sneed; en ik kon toch niets doen
+om haar te helpen.--En zij werd gegeeseld, Mijnheer, omdat zij een
+eerlijk Christenleven wilde leiden, en eindelijk zag ik haar geketend
+onder een troep, die naar de markt te Orleans werd gezonden,--om
+niet anders dan dat--en dat is het laatste wat ik van haar weet. Nu,
+ik groeide op--lang waren de jaren--zonder vader, moeder of zuster,
+zonder iemand, die meer om mij gaf dan om een hond; niets dan slagen,
+kwade woorden en honger lijden. Mijnheer, ik heb zulk een honger
+geleden, dat ik blij was met de beenderen die men den honden toewierp;
+en toch, toen ik nog een kleine jongen was en geheele nachten wakker
+lag en schreide, was het niet van den honger of om de slagen. Neen,
+Mijnheer, het was om mijn moeder en zuster; het was omdat ik niemand
+op de wereld had om mij lief te hebben. Ik had nooit geweten wat
+gerustheid of genoegen was; nooit had iemand mij vriendelijk woord
+toegesproken, tot ik in uw fabriek kwam werken. Mijnheer Wilson, gij
+hebt mij goed behandeld; gij hebt mij aangemoedigd om mijn best te
+doen, om te leeren lezen en schrijven, om te beproeven iets van mij
+zelven te maken; en God weet hoe dankbaar ik u daarvoor ben. Toen,
+Mijnheer, vond ik mijne vrouw. Gij hebt haar gezien--gij weet hoe
+schoon zij is. Toen ik vond dat zij mij liefhad, toen ik met haar
+getrouwd was, kon ik nauwelijks gelooven dat ik leefde, zoo gelukkig
+was ik; en o, Mijnheer, zij is even goed als schoon. Maar wat nu? Wel,
+nu komt mijn meester, neemt mij weg van mijn werk, van mijne vrienden,
+van alles waar ik aan gehecht ben, en zet mij aan den zwaarsten,
+geringsten arbeid. En waarom? Omdat ik, zegt hij, vergat wie ik was;
+om mij te leeren, zegt hij, dat ik maar een neger ben. En eindelijk
+komt hij tusschen mij en mijne vrouw en zegt dat ik van haar moet
+afzien en met eene andere vrouw leven. En tot dat alles geven uwe
+wetten hem macht, in spijt van God en menschen. Zie dat eens aan,
+Mijnheer Wilson. Er is niets van al die dingen, die mijne moeder en
+mijne zuster, mijne vrouw en mij zelven het hart hebben gebroken,
+of uwe wetten veroorloven het en geven ieder man in Kentucky macht
+om het te doen, zonder dat iemand het hem kan beletten! Noemt gij
+die wetten de wetten van _mijn_ land? Mijnheer, ik heb evenmin een
+land als ik een vader heb. Maar ik zal er nu een krijgen. Ik wil
+niets van _uw_ land, behalve dat het mij met rust laat, dat het mij
+vreedzaam laat heengaan, en als ik in Canada kom, waar de wetten mij
+zullen erkennen en beschermen, zal dat mijn land zijn, en ik zal daar
+de wetten gehoorzamen. Maar als iemand mij wil tegenhouden, laat hij
+zich hoeden, want ik ben wanhopig. Ik zal voor mijne vrijheid vechten
+tot mijnen laatsten ademtocht. Gij zegt dat uwe vaderen dit gedaan
+hebben; als zij wél hebben gedaan, doe ik ook wél."
+
+Deze rede, gedeeltelijk zittende, gedeeltelijk op en neer stappende
+uitgesproken, met tranen, flikkerende oogen en wanhopige gebaren was
+te veel voor het goedhartige, oude manneke, tot wien zij gericht werd
+en die een grooten gelen zijden zakdoek had uitgehaald waarmede hij
+ijverig zijn gezicht afveegde.
+
+"Dat de donder hen allen sla!" barstte hij eensklaps uit. "Heb ik
+dat niet gezegd--die helsche schavuiten! Ik hoop toch dat ik niet
+vloek. Wel, ga uw gang, George; ga uw gang. Maar wees voorzichtig,
+mijn jongen. Schiet niemand dood, George, of--maar gij zoudt beter
+doen niet te schieten, ten minste ik zou toch niemand raken, weet
+ge. Waar is uwe vrouw, George?" voegde hij er eindelijk bij, met
+zenuwachtige onrust opstaande.
+
+"Heengegaan, Mijnheer, heengegaan met haar kind op den arm. De Heere
+alleen weet waarheen. Zij is de noordster gaan zoeken, en wanneer
+wij elkander zullen wederzien, en of wij elkander ooit op de wereld
+zullen wederzien, kan geen schepsel zeggen."
+
+"Verbazend! Is het mogelijk! Van zulk eene goede familie!"
+
+"Goede familiën raken in schulden, en de wetten van ons land
+veroorloven haar het kind van de moederborst te verkoopen om de
+schulden van den meester te betalen," zeide George met bitterheid.
+
+"Wel, wel," zeide de brave oude man, in zijnen zak zoekende. "Ik
+vrees haast dat ik niet met overleg handel--loop heen, ik _wil_ niet
+met overleg handelen!" vervolgde hij eensklaps. "Daar dan, George!"
+
+En een rolletje bankbriefjes uit zijne portefeuille nemende, bood
+hij dit George aan.
+
+"Neen, mijn goede heer!" zeide George. "Gij hebt al veel voor mij
+gedaan, en dit zou u in moeite kunnen brengen. Ik heb geld genoeg
+hoop ik, om mij zoover te brengen als noodig is."
+
+"Neen, neen. Gij moet, George. Geld is een groote hulp overal; gij
+kunt er niet te veel van hebben, als gij het eerlijk krijgt. Neem
+het--kom aan, neem het, mijn jongen,"
+
+"Onder beding, Mijnheer, dat ik het eens mag teruggeven, neem ik het
+dan aan," zeide George.
+
+"En nu, George, hoelang zult gij op deze manier reizen? Niet lang
+of ver, hoop ik. Gij voert het uitmuntend uit; maar het is al te
+stout. En die zwarte kerel, wie is hij?"
+
+"Een trouwe kerel, die langer dan een jaar geleden naar Canada is
+gegaan. Hij hoorde, toen hij daar was, dat zijn meester zoo kwaad
+was over zijn wegloopen, dat hij zijne arme moeder liet geeselen:
+en hij is dien geheelen weg teruggekomen om haar te troosten en eene
+gelegenheid te zoeken om haar weg te krijgen."
+
+"Heeft hij haar gekregen?"
+
+"Nog niet. Hij heeft om de plaats rond gezworven, maar nog geen
+kans gevonden. Ondertusschen gaat hij met mij mede tot in Ohio,
+om mij daar onder de vrienden te brengen die hem geholpen hebben,
+en dan zal hij om haar terugkomen."
+
+"Gevaarlijk! zeer gevaarlijk!" zeide de oude man.
+
+George richtte zich trotsch op met een glimlach van minachting.
+
+De oude heer bekeek hem van het hoofd tot de voeten met zekere
+onnoozele verwondering.
+
+"George, er is iets dat u verbazend veranderd heeft," zeide hij. "Gij
+houdt nu het hoofd op en spreekt alsof gij een ander mensch waart
+geworden."
+
+"Omdat ik nu een _vrij man_ ben, Mijnheer," zeide George met
+trotschheid. "Ja, Mijnheer, ik heb voor de laatste maal "meester"
+tegen iemand gezegd. Ik ben vrij."
+
+"Pas op. Gij zijt nog niet veilig. Gij kunt weder gevat worden."
+
+"Alle menschen zijn vrij en gelijk in het graf, Mijnheer Wilson,
+als het zoover komt," zeide George.
+
+"Ik sta geheel verstomd over uwe vermetelheid," hervatte Wilson. "Hier
+zoo recht naar de naaste herberg te komen."
+
+"Mijnheer Wilson, het is _zoo_ vermetel en de herberg is zoo nabij, dat
+zij er nooit aan zullen denken. Zij zullen mij veel verder opzoeken,
+en gijzelf zoudt mij niet gekend hebben. De meester van Jim woont
+niet in dit graafschap, hij is in deze streken onbekend. Bovendien,
+hij is opgegeven, niemand zoekt meer naar hem, en mij zal men op de
+advertentie niet aanhouden."
+
+"Maar het merk in uwe hand?"
+
+George trok zijn handschoen uit en liet een versch litteeken in zijne
+hand zien.
+
+"Dat is een aandenken van Mijnheer Harris," zeide hij: "veertien
+dagen geleden kreeg hij in het hoofd om mij dat te geven, omdat
+hij geloofde, zeide hij, "dat ik wel eens zou beproeven om weg te
+loopen." Het ziet er aardig uit, niet waar?" voegde hij er bij,
+zijn handschoen weder aantrekkende.
+
+"Ik verklaar u, het bloed stolt mij als ik er aan denk--uwe
+omstandigheden en uw gevaar!" zeide Mr. Wilson.
+
+"Het mijne is al jarenlang gestold geweest, maar nu is het kokend
+heet," antwoordde George.
+
+"Wel, mijn goede heer," vervolgde hij na een poos van stilte, "ik zag
+dat gij mij herkend hadt en ik meende dat ik eens even met u spreken
+moest, opdat uw verwonderd gezicht mij niet zou doen ontdekken. Ik
+vertrek morgenochtend vóór den dageraad; en morgennacht hoop ik veilig
+in Ohio te slapen. Ik zal bij daglicht reizen, in de beste hôtels
+gaan en mij met de heeren des lands aan tafel zetten. Vaarwel dus,
+Mijnheer. Als gij hoort dat ik gevat ben, kunt gij ook weten, dat ik
+dood ben."
+
+George stond daar als eene rots en stak met de houding van een vorst
+zijne hand uit. Het vriendelijke, oude heertje drukte die hartelijk, en
+na eenige vermaningen tot voorzichtigheid trippelde hij de kamer uit.
+
+George staarde peinzend naar de deur toen zij gesloten werd. Eensklaps
+scheen hem iets in te vallen. Hij deed een paar schreden, opende de
+deur weder en zeide:
+
+"Mijnheer Wilson, nog een woordje."
+
+De oude heer kwam weder binnen. George sloot de deur gelijk te voren
+en bleef toen een oogenblik besluitloos staan. Eindelijk zeide hij,
+als met inspanning:
+
+"Mijnheer Wilson, gij hebt u door uwe manier van handelen met mij een
+christen getoond--ik wilde een laatste daad van christelijke liefde
+van u vragen."
+
+"Wel, George?"
+
+"Wel, Mijnheer, wat gij zegt is de waarheid. Ik loop een
+verschrikkelijk gevaar. Er is op aarde geene levende ziel, die
+zich om mij bekommert;" hij haalde nu zwaar adem en sprak slechts
+met groote moeite voort: "Ik zal als een hond weggeschopt en als
+een hond begraven worden, en een dag later zal niemand meer om mij
+denken--behalve mijne arme vrouw. Arme ziel! Zij alleen zal om mij
+treuren. Als gij een middel kondt vinden, Mijnheer Wilson, om haar dit
+speldje te doen toekomen. Zij gaf het mij eens als een kerstpresentje,
+het goede kind. Geef het haar, en zeg dat ik haar tot het laatste
+toe heb liefgehad. Wilt gij? Zult gij?"
+
+"Ja zeker, arme man," antwoordde Wilson met eene van aandoening
+bevende stem, en nam met tranen in de oogen de speld aan.
+
+"Zeg haar nog dit eene," hervatte George, "het is mijn laatste wensch,
+dat zij, als zij naar Canada kan komen, daarheen moet gaan. Hoe
+goed hare meesteres ook wezen mag--hoeveel zij van hare woonplaats
+mag houden, laat zij niet terugkeeren--want slavernij eindigt in
+ellende. Zeg haar dat zij haar kind als een vrij man moet opvoeden,
+en dat hij dan niet lijden zal zooals ik heb geleden. Zeg haar dat,
+Mijnheer Wilson; wilt gij?"
+
+"Ja, George, ik zal het haar zeggen: maar ik vertrouw dat gij niet
+sterven zult. Vat moed; gij zijt immers een moedig man. Vertrouw op
+den Heere. Ik wenschte met al mijn hart dat gij er veilig doorheen
+waart, hoewel--maar ik wenschte het toch."
+
+"Is er een God om op te vertrouwen?" zeide George op zulk een toon
+van bittere wanhoop, dat de oude heer er van versteld stond.
+
+"O, ik heb in mijn leven dingen gezien, die mij deden denken dat
+er geen God kon zijn. Maar christenen weten niet hoe die dingen ons
+voorkomen. Er is een God voor u, maar is er een voor ons?"
+
+"O, neen, neen, spreek zoo niet mijn jongen," zeide de oude man bijna
+snikkende: "denk zoo niet. Er is een God! Rondom Hem zijn wolken en
+duisternis, maar waarheid en gerechtigheid zijn de grondvesten van
+Zijnen troon. Er is een God, George--geloof dat, vertrouw op Hem,
+en ik ben zeker dat Hij u helpen zal. Alles zal terechtkomen--zoo
+niet in dit leven, dan in een ander."
+
+De echte godsvrucht en menschlievendheid van den eenvoudigen ouden
+man bekleedden hem, toen hij zoo sprak, voor een oogenblik met gezag
+en waardigheid. George, die in groote gemoedsbeweging de kamer op en
+neer stapte, bleef een oogenblik peinzend staan en zeide toen zacht:
+
+"Ik dank u dat gij dit gezegd hebt, mijn goede vriend. Ik zal er
+aan denken."
+
+
+
+
+
+TWAALFDE HOOFDSTUK.
+
+EEN PROEFJE VAN WAT ER IN DEN WETTIGEN HANDEL VOORKOMT.
+
+ Eene stem is gehoord in Rama,
+ geklag, geween, en groot gekerm;
+ Rachel beweent hare kinderen en
+ wil niet vertroost wezen, omdat zij
+ niet meer zijn.
+
+
+Mr. Haley en Tom hotsten op den wagen voort, ieder voor eene poos in
+zijne eigene gedachten verdiept. Nu is het met de gedachten van twee
+menschen die naast elkander zitten, zonderling gesteld. Terwijl zij op
+dezelfde bank gezeten zijn, dezelfde oogen, ooren, handen en allerlei
+andere organen hebben, is het verwonderlijk welk een verschil wij in
+hunne gedachten zullen vinden.
+
+Wat Haley bij voorbeeld betreft, hij dacht het eerst aan Toms lengte,
+breedte en sterkte, en voor hoeveel deze verkocht zou kunnen worden,
+als hij vet en in goeden staat gehouden werd tot hij aan de markt
+kwam. Hij dacht hoe hij een troep bijeen zou brengen, hij dacht aan
+de waarde van zekere mannen, vrouwen en kinderen, waaruit die troep
+bestaan zou, en andere handelszaken. Daarna dacht hij aan zich zelven
+en hoe menschelijk hij was, daar, terwijl anderen hunne negers aan
+handen en voeten boeiden, hij Tom alleen boeien aan de beenen deed en
+zijne handen vrij liet zoolang hij zich wel gedroeg; en dan zuchtte
+hij bij de gedachte hoe ondankbaar de menschen waren, zoodat het zelfs
+twijfelachtig was of Tom zijne barmhartigheid wel waardeerde. Hij was
+zoo dikwijls beetgenomen door negers, die hij gunsten had bewezen,
+dat hij zich verwonderde hoe hij nog zoo goedhartig was gebleven.
+
+Wat Tom aangaat, hij dacht aan eenige woorden uit een oud boek,
+dat tegenwoordig niet meer in de mode is, maar die hem gedurig in
+het hoofd kwamen. Zij waren de volgende: "Wij hebben hier geene
+blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende. Daarom schaamt zich
+God hunner niet om hun God genaamd te worden, want Hij heeft hun
+eene stad bereid." Deze woorden uit een oud boek, voornamelijk door
+"onkundige en ongeleerde mannen" geschreven, hebben door alle tijden
+heen eene zonderlinge macht uitgeoefend over het gemoed van arme,
+eenvoudige lieden zooals Tom. Zij brengen hunne ziel tot in hare
+diepste diepte in beweging en wekken, als met trompetgeschal, moed,
+kracht en geestdrift op, waar te voren niets anders dan wanhoop was.
+
+Haley haalde eenige couranten uit zijn zak en begon met aandacht
+de advertentiën na te zien. Hij was geen zeer vlot lezer en had dus
+de gewoonte om in eene soort van recitatief half-overluid te lezen,
+als wilde hij zijne ooren laten oordeelen of zijne oogen het recht
+begrepen. Op dezen toon las hij het volgende:
+
+
+ "Verkoop bij executie.--Negers.--Volgens machtiging van het Hof
+ zullen op Dinsdag 20 Februari, voor de deur van het Raadhuis,
+ in de stad Washington, Kentucky, verkocht worden de volgende
+ negers: Hagar, oud 60; John, oud 30; Ben, oud 21; Saul,
+ oud 15; Albert, oud 14. Te verkoopen ten voordeele van de
+ crediteuren en erfgenamen in den boedel van Jesse Blutchford.
+
+ Samuel Morris en Tomas Flint, executeuren."
+
+
+"Daar moet ik naar kijken," zeide Haley tegen Tom, uit gebrek aan
+iemand anders om tegen te spreken. "Ge moet weten, ik zal een mooien
+troep bijeenbrengen om met u mee te nemen, Tom; dat zal het gezellig
+en plezierig maken, zulk goed gezelschap, he? Wij moeten eerst recht
+naar Washington; daar zal ik u dan in de gevangenis plakken, terwijl
+ik zaken ga doen."
+
+Tom hoorde deze aangename kennisgeving met zachtzinnige gedweeheid
+aan, en verwonderde zich eenvoudig bij zich zelven, hoeveel van
+die ongelukkige mannen vrouwen en kinderen zouden hebben, en of
+zij ook hetzelfde zouden gevoelen als hij, wanneer zij die moesten
+verlaten. Het moet ook gezegd worden, dat het naïeve bericht dat
+hij in de gevangenis zou gezet worden, geen zeer aangenamen indruk
+teweegbracht bij een armen kerel, die altijd eenigszins trotsch was
+op zijn eerlijkheid, daar hij niet veel anders had om trotsch op
+te wezen. Als hij tot sommige hoogere klassen der maatschappij had
+behoord, zou hij misschien geen gevaar hebben geloopen om tot zulk
+eene trotschheid te komen. Maar hoe dit zij, die dag verliep, en de
+avond zag Haley en Tom te Washington bezorgd, den een in de herberg,
+den ander in de gevangenis.
+
+Tegen elf uren van den volgenden dag verzamelde zich een gemengde
+troep menschen bij de stoep van het raadhuis, rookende, pruimende,
+spuwende, vloekende en pratende, volgens ieders smaak en neiging,
+en wachtende tot de verkooping beginnen zou. De mannen en vrouwen,
+die verkocht zouden worden, zaten afzonderlijk in eene groep en spraken
+zacht met elkander. De vrouw, die in de advertentie Hagar was genoemd,
+was eene echt Afrikaansche van gezicht en gestalte. Zij kon zestig
+jaar wezen, maar scheen door zwaar werken en ziekelijkheid veel ouder;
+zij was half blind en half kreupel van rheumatiek. Naast haar stond
+haar eenige overgebleven zoon Albert, een jongen van veertien jaren,
+met een schrander uitzicht. De knaap was alleen nog over van eene
+talrijke familie, die stuk voor stuk naar de Zuidelijke markt was
+verkocht. De moeder hield hem met beide handen vast, en beefde van
+angst als er iemand aankwam om hem te bezichtigen.
+
+"Wees maar niet bang, tante Hagar," zeide de oudste der mannen. "Ik
+heb er met meester Thomas over gesproken, en hij dacht dat hij het
+wel schikken kon om u te zamen te verkoopen."
+
+"Zij behoeven mij nog niet versleten te noemen," zeide zij daarop,
+hare bevende handen opheffende. "Ik kan nog koken, schrobben en
+schuren. Ik ben het koopen nog wel waard, als ik goedkoop ga. Zeg
+hun dat--zeg hun dat toch," voegde zij er met aandrang bij.
+
+Haley kwam naar de groep en bezichtigde het eerst een ouden man, deed
+zijn mond open en keek erin, bevoelde zijne tanden, liet hem opstaan,
+zich uitrekken, zijn rug buigen en verschillende bewegingen maken,
+om zijne spieren te laten zien. Daarna ging hij naar den volgenden en
+nam dezelfde proeven. Eindelijk kwam hij bij den knaap, betastte zijne
+armen, kneep zijne handen, bekeek zijne vingers en liet hem springen,
+om zijne vlugheid te toonen.
+
+"Hij wordt niet zonder mij verkocht," zeide de oude vrouw met
+hartstochtelijke drift. "Hij en ik gaan samen in één koop. Ik ben
+nog heel sterk, meester, en kan nog een boel werk doen--een boel
+werk, meester."
+
+"Op eene plantage?" zeide Haley met een blik van minachting. "Dat
+gelijkt er wel naar."
+
+En voldaan met zijn onderzoek, kuierde hij op, en bleef met zijne
+handen in zijne zakken en een sigaar in zijnen mond heen en weder
+drentelen.
+
+"Wat dunkt u er van?" zeide een man, die Haley's onderzoek had
+gadegeslagen, alsof hij zelf daarop wilde afgaan.
+
+"Wel," antwoordde Haley, eens spuwende: "ik zal op een paar van de
+jongsten en op dien knaap bieden."
+
+"Zij willen den knaap en de oude vrouw samen verkoopen," hervatte
+de man.
+
+"Dat zullen zij vrij moeielijk vinden. Zij is immers een oude zak
+met knokken, die haar zout niet waard is."
+
+"Gij zoudt haar dan niet willen hebben?"
+
+"Het zou een gek zijn die dat wilde. Zij is half blind, krom van de
+rheumatiek, en nog simpel ook er bij."
+
+"Er zijn menschen die dat oude goed koopen, en zeggen dat er nog veel
+meer mee te doen is dan men denken zou," zeide de man peinzend.
+
+"Ik zou haar niet present willen hebben," antwoordde Haley. "Ik heb
+haar gezien."
+
+"Wel, het zou jammer zijn haar niet met haren zoon te koopen;
+zij schijnt er haar hart zoo op gesteld te hebben. Als zij haar nu
+goedkoop op hem toegeven?"
+
+"Voor iemand die op die manier geld heeft weg te gooien, is het goed
+en wel," antwoordde Haley. "Ik zal op den jongen bieden voor een
+plantage arbeider. Maar met haar wil ik niet belast wezen, al gaven
+zij er haar op toe."
+
+"Zij zal razend te werk gaan," zeide de man.
+
+"Natuurlijk zal zij dat," antwoordde de handelaar koeltjes.
+
+Hier werd het gesprek gestoord door een algemeen gemompel, en de
+afslager, een kort en dik manneke, drong met veel drukte en groote
+deftigheid door de menigte heen. De oude vrouw haalde diep adem en
+greep onwillekeurig haar zoon vast.
+
+"Blijf dicht bij mij, Albert--dicht bij mij--zij zullen ons te zamen
+opzetten," zeide zij.
+
+"Och, moeder, ik vrees, dat zij toch niet zullen," antwoordde de knaap.
+
+"Zij moeten, kind. Anders kan ik niet blijven leven," riep zij
+heftig uit.
+
+De forsche stem van den afslager, roepende om ruimte te maken,
+kondigde nu aan dat de verkooping beginnen zou. Men schikte zich in
+een kring, en het bieden begon. De mannen, die op de lijst stonden,
+werden spoedig toegeslagen tot prijzen, die bewezen dat er tamelijk
+veel vraag aan de markt was. Twee van hen vielen Haley ten deel.
+
+"Kom aan nu, jongen," zeide de afslager en gaf den knaap een stootje
+met zijnen hamer. "Op, en laat zien hoe ge springen kunt."
+
+"Zet ons samen op,--samen, als het u belieft, meester," riep de oude
+vrouw, zich aan haren zoon vasthoudende.
+
+"Uit den weg," zeide de afslager, haar ruw terugduwende. "Gij komt
+het laatst. Kom aan, zwarte, spring!"
+
+En met deze woorden duwde hij den knaap naar het blok, terwijl achter
+hem een zware zucht werd geslaakt. De jongen bedacht zich nog en
+keek om, maar er werd hem geen tijd gelaten. Hij veegde de tranen
+uit zijne heldere oogen en was in een oogenblik omhoog.
+
+Zijn welgemaakte leden, forsche lichaamsbouw en schrander uitzicht
+wekten aanstonds kooplust op en wel zes stemmen deden tegelijk een
+bod. Angstig keek de knaap van den een naar den ander, terwijl het
+opbieden voortging en nu hier, dan daar een hoogere som werd geroepen,
+tot eindelijk de hamer viel. Haley had hem gekregen. Hij werd van het
+blok naar zijnen nieuwen meester geduwd, maar bleef nog een oogenblik
+staan en keek om, terwijl zijne arme, oude moeder, over al hare leden
+bevende, hare sidderende handen naar hem uitstak.
+
+"Koop mij ook, meester. Om onzen lieven Heerswil, koop mij. Ik zal
+sterven als gij het niet doet."
+
+"Gij moogt sterven als ik het doe," antwoordde Haley. "Neen, zeg
+ik." En daarmede keerde hij zich om.
+
+Voor de arme, oude sloof, werd maar één bod gedaan. De man, die met
+Haley gesproken had en niet van medelijden ontbloot scheen te zijn,
+kocht haar voor eene kleinigheid en daarna begonnen de toeschouwers
+uiteen te gaan.
+
+De arme slachtoffers der verkooping, die jarenlang met elkander op
+dezelfde plaats hadden gewoond, verzamelden zich om de wanhopige oude
+moeder, wier zielesmart jammerlijk was om aan te zien.
+
+"Konden zij er mij niet één laten? Meester heeft altijd gezegd dat
+ik er één houden zou--altijd heeft hij dat gezegd," herhaalde zij
+gedurig op een hartbrekenden toon.
+
+"Vertrouw maar op den Heere, Tante Hagar," zeide een der mannen
+droevig.
+
+"Wat zal mij dat baten?" antwoordde zij, hartstochtelijk snikkende.
+
+"Moeder, moeder, spreek zoo niet," riep de knaap. "Zij zeggen dat
+gij een goeden meester hebt gekregen."
+
+"Dat kan mij niet schelen--dat kan mij niet schelen. O, Albert, o,
+mijn jongen--mijn laatste kind! O Heere, hoe kan ik?"
+
+"Kom, maakt haar liever los," zeide Haley droogjes. "Het doet haar
+immers geen goed dat zij zoo te werk gaat."
+
+De oudsten van den troep dwongen de oude vrouw, half door overreding,
+half met geweld, haar zoon eindelijk los te laten, en poogden haar te
+troosten, terwijl zij haar naar den wagen van haren nieuwen meester
+brachten.
+
+"Kom aan!" zeide Haley, zijne drie koopjes bij elkander duwende. Daarop
+haalde hij een bos handboeien uit, deed ze hun om de polsen, maakte
+allen aan een langen ketting vast en dreef hen zoo ver voor zich uit
+naar de gevangenis.
+
+Eenige dagen later was Haley met zijn eigendom op eene der stoombooten,
+die gedurig den Ohio bevaren. Deze nieuwe koopjes waren nog maar een
+begin van zijnen troep, dien hij, naarmate de boot verder de rivier
+afvoer, zou vermeerderen met andere koopwaar van denzelfden aard,
+welke hij hier en daar langs den oever in bewaring had gelaten.
+
+_La Belle Riviére_--zulk eene fraaie boot als ooit de rivier had
+bevaren, naar welke zij genoemd was--dreef vroolijk de rivier af, onder
+eene heldere lucht, met de strepen en sterren van het vrije Amerika
+aan den mast, en het dek vol welgekleede heeren en dames, die heen en
+weder wandelden en zich in het heerlijkste weder verlustigden. Alles
+was vol leven en vroolijkheid; alles, behalve de troep van Haley,
+die met de andere vracht op het benedendek was verborgen, en waarvan
+niemand eenige reden tot blijdschap scheen te gevoelen.
+
+"Kom aan jongens," zeide Haley, luchtig naar hen toekomende. "Ik
+hoop dat gij vroolijk blijft. Geen druilen, hoort ge. Houdt u goed,
+en ik zal mij ook goed houden."
+
+De aangesprokenen antwoordden met het onveranderlijk "Ja meester,"
+dat sedert eeuwen de leus van het arme Afrika is; maar het moet gezegd
+worden dat zij toch niet bijzonder opgeruimd keken. Zij hadden hunne
+verschillende kleine voordeelen ten gunste van vrouwen, kinderen,
+moeders en zusters, die zij voor de laatste maal hadden gezien,
+en hoewel hunne verdrukkers vroolijkheid van hen eischten, was deze
+niet zoo aanstonds gereed.
+
+"Ik heb eene vrouw," sprak het artikel op de lijst als "John,
+oud dertig" aangeduid, en legde zijne geboeide hand op Toms knie,
+"en zij weet geen woord hiervan, de arme ziel!"
+
+"Waar woont zij?" zeide Tom.
+
+"In eene herberg, een eind weegs hier de rivier af," antwoordde
+John. "Ik wenschte dat ik haar nog maar eens in de wereld zien kon."
+
+Arme John! Zijn wensch was wel eenigszins natuurlijk; en de tranen,
+die onder het spreken over zijne wangen rolden, zagen er zoo natuurlijk
+uit, als ware hij een blanke geweest. Tom haalde met een beklemd hart
+diep adem en poogde hem op zijne eenvoudige manier te troosten.
+
+En boven hun hoofd, in de kajuit, zaten vaders en moeders, mannen en
+vrouwen; en vroolijk huppelende kinderen fladderden als vlindertjes
+om hen heen, en allen waren vroolijk en wel te moede.
+
+"O, Mama," zeide een knaapje dat juist van het dek was gekomen,
+"er is een negerhandelaar aan boord en hij heeft vier of vijf slaven
+daar beneden."
+
+"Arme schepsels!" zeide de moeder, op een toon tusschen beklag en
+verontwaardiging.
+
+"Wat is er?" zeide eene andere dame.
+
+"Eenige arme slaven beneden," antwoordde de moeder.
+
+"En zij hebben kettingen aan," zeide het knaapje.
+
+"Welk eene schande voor ons land," zeide eene andere dame, "dat men
+zoo iets ziet."
+
+"O, er is aan beide kanten veel van de zaak te zeggen," zeide nu een
+zwierige dame, die bij de deur van haar salon zat te naaien, terwijl
+een jongetje en een meisje bij haar speelden. "Ik ben in het Zuiden
+geweest, en ik moet zeggen, ik denk dat de negers het beter hebben
+dan het geval zou zijn als zij vrij waren."
+
+"In sommige opzichten hebben sommigen van hen het goed, dat geef
+ik toe," zeide de dame, wier gezegde zij had beantwoord. "Het
+schrikkelijkste der slavernij, naar mijne gedachten, is het geweld dat
+zij de natuur en het gevoel aandoet, bij het scheiden van huisgezinnen
+bij voorbeeld."
+
+"Dat is zeker een kwaad," zeide de andere dame, met aandacht de
+belegsels bekijkende van het kinderjurkje dat zij naaide. "Maar ik
+verbeeld mij dat het niet dikwijls gebeurt."
+
+"O ja, zeker," zeide de eerste dame haastig. "Ik heb jarenlang zoowel
+in Kentucky als in Virginië gewoond en genoeg gezien om iemand het
+hart te doen wegkrimpen. Verbeeld u eens, Mevrouw, dat uwe twee
+kinderen van u afgenomen en verkocht werden."
+
+"Wij kunnen ons gevoel niet met dat van die soort van lieden
+vergelijken," antwoordde de andere dame, nog altijd bezig met het
+jurkje.
+
+"Inderdaad, Mevrouw, als gij zoo spreekt, moet gij niets van hen
+weten," zeide de eerste dame met warmte. "Ik ben onder hen geboren en
+grootgebracht. Ik weet dat zij gevoel hebben--een even fijn gevoel--nog
+fijner misschien dan wij."
+
+"Inderdaad?" zeide de andere dame en keek geeuwende uit een
+venstertje. Ten slotte herhaalde zij, om alles af te doen, nog eens
+het gezegde, waarmede zij begonnen was: "Ik denk toch dat zij het
+beter hebben, dan wanneer zij vrij waren."
+
+"Het is ontwijfelbaar de bedoeling der Voorzienigheid, dat het
+Afrikaansche ras dienstbaar zal zijn en in onderwerping gehouden
+worden," zeide een deftig heer in het zwart, een geestelijke, die
+bij de deur der kajuit zat. "Vervloekt zij Kanaän; een knecht der
+knechten zal hij zijn, zegt de Schrift."
+
+"Zeg eens, vreemdeling, is het dat wel wat die tekst beteekent?" zeide
+een lang man, die er bij stond.
+
+"Zonder twijfel. Het heeft der Voorzienigheid om ondoorgrondelijke
+redenen behaagd, dat geslacht eeuwen geleden tot slavernij te
+veroordeelen; en onze eigene meeningen moeten daartegen niet
+aandruischen."
+
+"Wel zoo, dan gaan wij onzen gang maar en koopen negers, als de
+Voorzienigheid het toch zoo hebben wil," zeide de lange man. "Niet
+waar, heerschap?" vervolgde hij, zich naar Haley keerende, die met de
+handen in de zakken bij de kachel stond en oplettend naar het gesprek
+had geluisterd. "Wel ja," vervolgde hij, "wij moeten ons immers naar
+de besluiten der Voorzienigheid voegen. Negers moeten verkocht en
+versleept en onder bedwang gehouden worden; dat is het, waarvoor
+zij geschapen zijn. Zulke begrippen schijnen heel verkwikkelijk,
+niet waar, vreemdeling?" en daarmede keerde hij zich weder naar Haley.
+
+"Ik heb daarover nooit gedacht," antwoordde Haley, "ik wist dat niet
+eens, want ik ben niet geleerd. Ik heb den handel maar opgevat om
+fortuin te maken, en als ik niet wèl deed, dacht ik wel bijtijds
+berouw te zullen hebben, weet ge?"
+
+"En nu zult gij u die moeite maar sparen, niet waar?" hervatte de
+lange man. "Zie eens hoe goed het is de Schrift te kennen. Als gij
+uw Bijbel maar hadt gelezen, gelijk die brave man, dan hadt gij dit
+te voren kunnen weten en dus niet ongerust behoeven te zijn. Hij had
+maar even kunnen zeggen: "Vervloekt zij"--hoe heet het ook weer?--en
+alles zou in orde zijn geweest."
+
+Daarmede zette de vreemdeling, die niemand anders was dan de eerlijke
+paardenkooper, met wien onze lezers in de herberg in Kentucky kennis
+hebben gemaakt, zich weder neer en begon te rooken, met een zeer
+zonderlingen glimlach op zijn lang en strak gezicht.
+
+Een rijzig tenger jonkman, wiens uitzicht verstand en gevoel aanduidde,
+nam nu het woord en zeide: "Alles wat gij wilt dat de menschen
+u zouden doen, doet gij hun ook alzoo. Ik meen," vervolgde hij,
+"dat dit evengoed in de Schrift staat als: 'vervloekt zij Kanaän.'"
+
+"Zeker, vreemdeling, die tekst schijnt even duidelijk voor arme lieden,
+zooals wij," zeide John en rookte als een vulkaan.
+
+De jonkman bedacht zich alsof hij voornemens was nog meer te zeggen,
+toen eensklaps de boot bleef stil liggen en het gezelschap volgens
+gewoonte naar het dek snelde, om te zien waar men aanlegde.
+
+"Zijn die twee allebei dominees?" zeide John tegen iemand, toen zij
+naar buiten gingen.
+
+De man knikte.
+
+Toen de boot stillag, kwam eene zwarte vrouw als razend over de plank
+stormen, drong door alles heen, vloog naar de plaats, waar de troep
+slaven zat, sloeg hare armen om het stuk koopwaar, bekend als "John oud
+dertig" en jammerde met tranen en snikken over hem--haren echtgenoot.
+
+Maar wat behoeven wij eene geschiedenis te verhalen, die maar al te
+dikwerf--die dagelijks herhaald wordt--hoe harten gebroken worden,
+en hoe de zwakke wordt vertrapt ten voordeele van den sterke!
+
+Dit behoeft niet meer herhaald te worden;--elke dag verhaalt het,
+verhaalt het voor de Ooren van Eenen die niet doof is, hoewel Hij
+lang stilzwijgt.
+
+De jonkman, die vroeger voor de zaak der menschelijkheid en van God
+gesproken had, stond dit tooneel met over elkander geslagen armen
+aan te zien. Hij keerde zich om, en Haley stond naast hem.
+
+"Mijn vriend," zeide hij met eene gesmoorde stem, "hoe kunt gij, hoe
+durft gij zulk een beroep drijven? Zie die arme schepselen aan! Hier
+ben ik, mij verheugende in mijn hart dat ik naar huis ga, naar mijne
+vrouw en mijn kind; en dezelfde klok, die het teeken geeft om mij
+naar hen toe te brengen, zal dezen armen man en zijne vrouw voor
+altijd scheiden. Wees er zeker van, God zal daarvoor met u in het
+gerecht treden."
+
+De handelaar keerde zich zwijgend om.
+
+"Zeg eens," zeide de paardenkooper, hem aan zijnen elleboog stootende,
+"dat is een verschil in dominees, niet waar? "Vervloekt zij Kanaän"
+schijnt bij dezen niet af te doen, he?"
+
+Haley, blijkbaar zeer slecht op zijn gemak, bromde iets binnensmonds.
+
+"En dat is het ergste nog niet," hervatte John. "Misschien zal het
+ook bij den Heere niet baten, als gij eens met Hem afrekent, gelijk
+wij allen toch moeten, geloof ik."
+
+Haley wandelde peinzend naar het andere einde der boot.
+
+"Als ik met dezen en nog een of twee troepen goede winst maak," dacht
+hij, "denk ik er toch maar van af te stappen. Het wordt inderdaad
+gevaarlijk."
+
+Daarmede haalde hij zijne portefeuille uit en begon zijne
+waarschijnlijke winst te berekenen, eene tijdkorting, welke nog vele
+andere heeren, behalve Haley, een specifiek middel voor een ongerust
+geweten hebben bevonden.
+
+De boot stak weder af en alles was even vroolijk als te voren. De
+mannen praatten, kuierden, lazen en rookten; de vrouwen naaiden,
+de kinderen speelden, en de tocht ging van dag tot dag zoo voort.
+
+Op een dag, toen de boot voor eene poos bij een stadje in Kentucky
+bleef stilliggen, ging Haley van boord om zaken te doen.
+
+Tom, wiens boeien hem niet verhinderden eene matige wandeling te
+doen, ging naar voren en stond daar verstrooid naar den oever te
+kijken. Na verloop van eenigen tijd zag hij den handelaar met vluggen
+tred terugkomen in gezelschap van eene gekleurde vrouw, die een klein
+kind op den arm had. Zij was zeer fatsoenlijk gekleed en werd gevolgd
+door een kleurling die haar koffertje droeg; en zoo kwam zij de plank
+over en op de boot. De klok luidde, de stoom siste, de machine stampte
+en hijgde, en de boot voer weder af.
+
+De vrouw ging naar het voordek tusschen de koffers en de balen,
+zette zich daar neer en begon zachtjes voor haar kind te zingen.
+
+Haley wandelde de boot een paar malen op en neer, en toen naar haar
+toekomende, zette hij zich naast haar neer en zeide iets op een
+zachten, onverschilligen toon.
+
+Tom zag dat het gezicht van de vrouw terstond betrok, en dat zij snel
+en driftig antwoord gaf.
+
+"Ik geloof het niet, ik wil het niet gelooven," zeide zij, "steek
+den gek maar met mij."
+
+"Als gij niet gelooven wilt, zie dan hier," zeide Haley, een papier
+toonende. "Dat is de koopbrief en daar staat uws meesters naam onder,
+en ik heb hem duur genoeg betaald, dat kan ik u zeggen--dus!"
+
+"Ik geloof niet dat meester mij zoo bedriegen zou; het kan niet waar
+zijn," zeide de vrouw met toenemende ontroering.
+
+"Gij kunt een van die lieden hier vragen, die schrift kunnen
+lezen. Hier," zeide Haley tot iemand die voorbijkwam, "lees dit eens
+even, als gij wilt. De meid wil mij niet gelooven als ik haar zeg
+wat het is."
+
+"Wel, het is een koopbrief, geteekend door John Fosdick," antwoordde
+de man, "waarmede u de meid Lucy en haar kind worden overgedaan. Het
+is alles in orde, zoover ik zien kan."
+
+De hartstochtelijke uitroepingen der vrouw verzamelden weldra eene
+groep om haar heen, en de handelaar zeide met korte woorden wat de
+reden van hare aandoening was.
+
+"Hij heeft mij gezegd dat ik naar Louisville ging, om als keukenmeid
+verhuurd te worden in dezelfde herberg waar mijn man werkt; dat is
+het wat de meester zelf mij gezegd heeft, en ik kan niet gelooven
+dat hij mij voorliegen zou," zeide de vrouw.
+
+"Maar hij heeft u toch verkocht, arme vrouw, daaraan is niet te
+twijfelen," zeide een man met een goedhartig uitzicht, die de papieren
+had nagezien. "Hij heeft het gedaan; dat is niet anders."
+
+"Dan helpt er geen praten," zeide de vrouw eensklaps bedarende, sloot
+haar kind vaster in hare armen, zette zich op hare kist neder, keerde
+zich met den rug naar de groep en staarde verstrooid naar de rivier.
+
+"Zij zal het toch nogal licht opnemen," zeide de handelaar. "Het kan
+haar niet veel schelen, zie ik."
+
+Terwijl de boot voortvoer, bleef de vrouw bedaard zitten; en
+het zachte zomerkoeltje zweefde als een medelijdende geest over
+haar hoofd--dat zachte koeltje, dat nooit vraagt of het voorhoofd
+dat het streelt zwart of blank is. Zij zag den zonneschijn op het
+kabbelende water flikkeren en hoorde vroolijke stemmen in het rond,
+maar haar hart was zoo beklemd, als ware haar een zware steen op
+de borst gevallen. Haar kindje klauterde tegen haar op en streelde
+hare wangen met zijne handjes, en scheen haar door zijn kraaien en
+dartelen te willen opwekken. Zij klemde het eensklaps nog vaster
+in hare armen, en langzaam viel de eene traan na den anderen op het
+onnoozele verwonderde gezichtje; maar zij scheen langzamerhand weder
+tot kalmte te komen en streelde en koesterde het wicht.
+
+Het kind, een jongetje van tien maanden, was buitengemeen groot
+en sterk voor zijn ouderdom, en zeer vlug en krachtig in zijne
+bewegingen. Het hield zich geen oogenblik stil en gaf zijne moeder
+gedurig werk, om op te passen dat het haar niet van den schoot sprong.
+
+"Dat is een frisch kind," zeide een man die met de handen in de zakken
+voor haar bleef staan. "Hoe oud is hij?"
+
+"Tien en een halve maand," antwoordde de moeder.
+
+De man floot eens en hield den kleine een klontje suiker voor, dat
+deze gretig pakte en terstond in zijnen mond stak.
+
+"Slimme jongen!" zeide de man. "Hij weet zijn weetje al!" En daarmede
+wandelde hij fluitend heen.
+
+Toen hij aan de andere zijde der boot gekomen was, trof hij Haley aan,
+die op een stapel kisten zat te rooken.
+
+De man stak ook eene sigaar aan, en dit gedaan hebbende, zeide hij:
+"Een knappe meid die gij daar hebt, vreemdeling."
+
+"Ja, zij ziet er tamelijk wel uit," antwoordde Haley, een rookwolk
+uitblazende.
+
+"Brengt gij haar naar het Zuiden?" zeide de man.
+
+Haley knikte slechts.
+
+"Voor eene plantage?" was wederom de vraag.
+
+"Ja," zeide Haley, "ik moet eene bestelling voor eene plantage
+bijeenbrengen, en ik denk dat ik er haar bij zal doen. Zij zeiden dat
+zij eene goede keukenmeid was; zij kunnen haar dus daarvoor gebruiken
+of aan het katoenpluizen zetten. Zij heeft de rechte vingers daarvoor;
+kijk er maar naar. Zij is op beide manieren haar geld waard."
+
+"Maar zij zullen op eene plantage dat jong niet willen hebben,"
+zeide de man.
+
+"Ik zal het ook verkoopen zoodra ik maar gelegenheid heb," antwoordde
+Haley en stak eene andere sigaar aan.
+
+"Gij zult hem zeker tamelijk goedkoop geven," zeide de vreemdeling
+en klom insgelijks op den hoop kisten, waarna hij zich op zijn gemak
+neerzette.
+
+"Dat weet ik nog niet," antwoordde Haley. "Het is een ferme jongen,
+welgemaakt, sterk en vet, met vleesch zoo hard als een spijker."
+
+"Dat is waar. Maar de kosten en de last van het grootbrengen."
+
+"Gekheid," zeide Haley. "Zij zijn even gemakkelijk groot te brengen
+als andere beesten; zij geven niet meer last dan jonge honden. De
+kleine snaak zal over een maand overal heenloopen."
+
+"Ik heb een goede gelegenheid om klein goed groot te brengen, en zou
+nog wel wat voorraad willen opdoen," zeide de man. "De eene keukenmeid
+heeft verleden week een jong verloren--in de waschtobbe verdronken,
+terwijl zij het goed te drogen hing--en het zou niet kwaad zijn haar
+dit te geven om groot te brengen."
+
+Haley en de vreemdeling bleven een poos zitten rooken, daar geen
+van beiden genegen scheen om ter zake te komen. Eindelijk zeide
+de vreemdeling:
+
+"Gij zoudt wel niet meer dan tien dollars voor dat snaakje willen
+hebben, daar gij hem toch van de hand moet doen?"
+
+Haley schudde zijn hoofd en spuwde met bijzonderen nadruk.
+
+"Wel neen," zeide hij en begon weder te rooken.
+
+"Wel vreemdeling, wat wilt ge dan nemen?"
+
+"Wel," antwoordde Haley, "ik kan hem zelf grootbrengen of laten
+grootbrengen. Hij is buitengewoon gezond en frisch. Over zes maanden
+zou hij honderd en over een paar jaren tweehonderd dollars halen,
+als ik hem aan de rechte markt bracht; en dus wil ik nu geen cent
+minder dan vijftig voor hem nemen."
+
+"O, vreemdeling, dat is al te gek om van te spreken."
+
+"Het is toch zoo," zeide Haley met nadruk.
+
+"Welnu, ik zal u veertig dollars geven."
+
+"Ik zal u eens wat zeggen," zeide Haley, wederom krachtig spuwende. "Ik
+wil het verschil deelen en vijf en veertig zeggen; dat is het uiterste
+wat ik doen wil."
+
+"Welnu, toegeslagen," zeide de man na een poos bedenkens.
+
+"Gedaan dus," zeide Haley. "Waar gaat gij aan land?"
+
+"Te Louisville."
+
+"Te Louisville. Heel goed. Daar komen wij tegen schemeravond. Het
+kind zal slapen--zooveel te beter--gij kunt hem stil meepakken,
+zonder schreeuwen of huilen--dat komt heel mooi uit--ik doe gaarne
+alles met zachtheid--ik heb een hekel aan rumoer en opschudding." En
+nadat eenige banknoten uit de portefeuille des vreemdelings in die
+des handelaars waren overgegaan, nam deze zijne sigaar weder.
+
+Het was een heldere stille avond, toen de boot aan de werf te
+Louisville aanlegde. De vrouw zat met haar kind in de armen, dat nu
+gerust sliep. Toen zij den naam der stad hoorde noemen, legde zij
+het kind in een wiegje, dat in eene holte tusschen de koffers stond,
+nadat zij eerst zorgvuldig haar omslagdoek over het wicht had gespreid,
+en ging toen naar het boord, in de hoop, dat zij onder de knechts uit
+de herbergen die op de werf stonden, misschien haar man zou zien. In
+deze hoop bukte zij over de leuning heen en tuurde naar het gewoel op
+den oever, terwijl een troep menschen tusschen haar en haar kind drong.
+
+"Nu is het uw tijd," zeide Haley, het slapende kind opnemende en aan
+den vreemdeling overgevende. "Maak hem niet wakker en laat hem niet
+schreeuwen; anders hebben wij den drommel maar last met de meid."
+
+De man nam het pakje zorgvuldig aan, en verdween spoedig onder den
+hoop menschen die naar de werf gingen.
+
+Toen de boot weder voortvoer, keerde de vrouw terug naar de plaats
+waar zij gezeten had. Daar zat de handelaar--het kind was er niet meer.
+
+"Wat--waar?" begon zij verbijsterd van verrassing.
+
+"Lucy," zeide Haley, "uw kind is weg. Het is evengoed dat gij dit nu
+hoort als later. Gij begrijpt wel dat ik het niet kon meenemen naar het
+Zuiden, en ik had gelegenheid om het te verkoopen aan eene familie van
+den eersten rang, die het beter zal grootbrengen dan gij kunt doen."
+
+De handelaar was tot dien trap van christelijke en politieke
+volmaaktheid gekomen, die sedert eenigen tijd door sommige predikers
+en staatkundigen in het Noorden wordt aanbevolen, en had dus alle
+menschelijke zwakheden en vooroordeelen overwonnen. Zijn hart was
+zoover, Mijnheer, als het uwe en het mijne met behoorlijke moeite
+en oefening ook gebracht zouden kunnen worden. De woeste blik van
+angst en wanhoop, waarmede de vrouw hem aanzag, had iemand die minder
+geoefend was, kunnen verontrusten; maar hij was er aan gewoon. Hij had
+denzelfden blik honderden malen gezien. Gij kunt ook aan zulke dingen
+gewoon worden, mijn vriend, en het is het groote doel der onlangs
+aangewende pogingen om, tot roem der Unie, onze geheele Noordelijke
+maatschappij daaraan gewoon te maken. De handelaar beschouwde dus den
+doodelijken angst, waardoor hij die trekken zag verwrongen worden,
+die dichtgeknepen handen en die benauwde ademhaling slechts als kleine
+bijzaken van zijn beroep, en berekende alleen of zij zou gaan gillen
+en opschudding veroorzaken; want, gelijk andere voorstanders van onze
+eigenaardige instellingen, had hij bepaalden afkeer van alle gerucht.
+
+De vrouw gilde echter niet. Het schot was haar te onverwacht recht
+door het hart gegaan om te kunnen schreien of geluid geven. Duizelig
+ging zij zitten. Hare slappe handen vielen als levenloos bij haar
+neer. Zij staarde recht voor zich, maar zag niets. Het gerucht op
+de boot en dat der machinerie klonk haar in de ooren alsof het in
+een droom was; het arme, getroffen hart had kreet noch traan om zijn
+jammer te uiten. Zij bleef geheel kalm.
+
+De handelaar die voor zijn doen bijna even menschlievend was als
+sommigen onzer staatslieden, scheen zich geroepen te gevoelen om die
+soort van troost toe te dienen, die het geval toeliet.
+
+"Ik weet wel, dat u dit in het begin een beetje hard moet vallen,
+Lucy," zeide hij; "maar zulk een knappe en schrandere meid als gij
+zijt, zal zich dat toch wel niet willen aantrekken. Gij begrijpt het
+wel, het was noodzakelijk en niet te veranderen."
+
+"O houd op, meester, houd op!" zeide de vrouw met eene stem, alsof
+ze op het punt was om te stikken.
+
+Maar Haley bleef aanhouden.
+
+"Gij zijt eene knappe meid, Lucy," zeide hij, "en ik meen het goed
+met u te maken en u eene beste plaats daar aan de rivier te bezorgen,
+en gij zult gauw een anderen man krijgen, zulk een frissche meid als
+gij zijt...."
+
+"O meester, spreek nu maar niet tegen mij," zeide de vrouw op een
+toon zoo vol zielesmart, dat de handelaar begreep, dat er in dit
+geval iets was waarvoor zijn troost te kort schoot. Hij stond op,
+en de vrouw keerde zich om en verborg haar gezicht in haren omslagdoek.
+
+De handelaar wandelde eene poos op en neer, en bleef nu en dan staan
+om naar haar te kijken.
+
+"Zij neemt het wel wat zwaar op," was zijne alleenspraak; "maar
+toch stil. Laat ze maar een poosje huilen; zij zal straks wel weer
+bijkomen."
+
+Tom had dit geheele voorval van het begin tot het einde gadegeslagen
+en begreep volkomen wat de afloop zou zijn. Voor hem was het iets
+onuitsprekelijk wreeds en gruwelijks, omdat hij, arme, onkundige,
+zwarte ziel niet geleerd had zich op een hooger standpunt te verheffen
+en de zaken in het algemeen en met ruimen blik te beschouwen. Als
+hij slechts door zekere Christelijke leeraren onderwezen was geweest,
+zou hij er misschien beter over gedacht hebben voor een dagelijksch
+voorval in een wettigen handel; een handel, die de steun is eener
+instelling, welke, gelijk een Amerikaansch godgeleerde [4] ons zegt,
+"_geen kwaad heeft, dan wat van alle andere betrekkingen in het
+gezellige en huiselijke leven onafscheidbaar is_." Daar Tom echter,
+gelijk wij zien, een arm, onkundig man was, wiens lectuur geheel
+tot het Nieuwe Testament beperkt was gebleven, kon hij zich niet
+met zulke begrippen troosten en opbeuren. Zijn hart bloedde over
+hetgeen hij hield voor het _kwaad_, dat de arme vrouw werd aangedaan,
+die daar als een vertrapt wegwerpsel op de koffers lag; voor dat
+gevoelende, levende, bloedende en toch onsterfelijke ding, dat de
+Amerikaansche wetten van staat koelbloedig onder pakken, balen en
+kisten rangschikten, waartusschen het lag.
+
+Tom naderde en poogde iets te zeggen: maar zij antwoordde slechts met
+tranen en zuchten. Met oprechten ijver en terwijl de tranen over zijne
+wangen rolden, sprak hij van een hart vol liefde in den hemel; van
+een medelijdenden Jezus en een eeuwig vaderland; maar het oor was doof
+van zieleleed, en het doodelijk getroffen hart kon niets meer voelen.
+
+De nacht kwam,--die stille, plechtige, heerlijke nacht, en zag met
+zijne ontelbare glinsterende oogen op haar neer, alsof het oogen van
+engelen waren; doch er kwam geene spraak of taal, geene medelijdende
+stem, geene helpende hand uit den verwijderden hemel. Langzamerhand
+werd het stiller en stiller, eindelijk sliep alles op de boot en hoorde
+men alleen het kabbelen van het water voor den boeg. Tom strekte zich
+op een kist uit, en terwijl hij daar lag, hoorde hij nog telkens een
+gesmoorden snik of uitroep van de bedroefde vrouw.
+
+"O, wat zal ik doen? O, Heere, o, goede Heere, help mij!" en zoo al
+gedurig voort, totdat ook dit gemompel ophield.
+
+In het midden van den nacht werd Tom eensklaps met schrik wakker. Iets
+zwarts snelde hem voorbij naar het boord en daarop hoorde hij een
+plomp in het water. Niemand anders zag of hoorde iets. Hij hief
+het hoofd op--de plaats der vrouw was ledig. Hij stond op en zocht
+vruchteloos om zich heen. Het arme bloedende hart was eindelijk stil,
+en de rivier kabbelde even helder alsof zij hare golfjes niet daarboven
+gesloten had.
+
+Geduld, geduld, gij wier hart zwelt van verontwaardiging over onrecht
+gelijk dit. Geen zucht, geen traan der verdrukten wordt vergeten
+door den Man van Smarten, door den Heer der Heerlijkheid. In
+zijne geduldige, menschlievende borst draagt Hij het leed eener
+wereld. Draagt gij, gelijk Hij, met geduld en arbeidt in de liefde;
+want zoo zeker als Hij God is, "zal het jaar zijner verlosten komen."
+
+De handelaar werd vroeg en frisch wakker en kwam buiten om naar
+zijne levende waar te zien. Het was nu zijne beurt om verbijsterd
+rond te kijken.
+
+"Waar drommel is die meid?" zeide hij tegen Tom.
+
+Tom, die de wijsheid van het stilzwijgen had geleerd, achtte het niet
+noodig van zijne opmerkingen en vermoedens te spreken, maar zeide
+dat hij het niet wist.
+
+"Zij zal toch van nacht niet aan eene van de ladingsplaatsen zijn
+weggeloopen, want ik was wakker en op de wacht, telkens als de boot
+stillag. Ik vertrouw die dingen nooit aan anderen."
+
+Dit werd Tom op een vertrouwelijken toon toegevoegd, als iets dat
+bijzonder belangrijk voor hem zou zijn. Tom gaf geen antwoord.
+
+De handelaar zocht over het dek van het eene einde tot het andere,
+tusschen de balen, kisten en vaten, om de machinerie en bij de
+schoorsteenen, maar tevergeefs.
+
+"Zeg nu eens, Tom, wees nu eens oprecht," zeide hij, toen hij na
+zijn vruchteloos zoeken weder bij Tom gekomen was. "Gij weet er
+iets van. Maak mij maar niets wijs--ik weet het beter. Ik heb de
+meid hier zien liggen tegen tien uren, en wederom tegen twaalf,
+en wederom tusschen een en twee; en tegen vier uren was zij weg,
+en gij laagt hier al den tijd gerust te slapen. Gij moet dus iets
+weten--dat kan niet anders."
+
+"Wel, meester," antwoordde Tom, "tegen den ochtend schoof mij iets
+voorbij en toen werd ik zoo wat half wakker; en toen hoorde ik een
+grooten plomp, en toen werd ik geheel wakker, en de vrouw was weg. Dat
+is al wat ik er van weet."
+
+De handelaar was niet ontzet of verbaasd, daar hij, gelijk wij
+vroeger gezegd hebben, aan vele dingen gewoon was, waaraan gij
+niet gewoon zijt. Zelfs de geduchte tegenwoordigheid van den dood
+boezemde hem geene plechtige huivering in. Hij had den dood dikwijls
+gezien--was hem in zijn beroep dikwijls tegengekomen en had kennis
+met hem gemaakt--hij vond in hem dus slechts een lastigen buurman,
+die hem in zijne speculatiën met koopwaren op eene zeer onbillijke
+manier dwarsboomde; en zoo zeide hij slechts met een vloek dat de
+meid een karonje was, en dat hij duivels ongelukkig was, en dat hij,
+als het zoo voortging geen cent met zijne reis verdienen kon. Kortom,
+hij scheen zich voor werkelijk verongelijkt te houden; maar er was
+niets aan te doen, want de vrouw was ontsnapt naar een staat, die
+nooit een vreemdeling wil uitleveren, zelfs niet op den eisch der
+roemrijke Unie. De handelaar ging dus onvergenoegd zitten, haalde
+zijn notitieboekje uit en schreef het vermiste lichaam met de ziel
+op de rekening van verliezen.
+
+Een hatelijk mensch, die handelaar, niet waar? zoo ongevoelig! Is
+het inderdaad niet schrikkelijk?
+
+O ja, maar men telt die handelaars ook niet. Zij worden algemeen
+veracht--nooit in een fatsoenlijk gezelschap toegelaten.
+
+Maar wie, Mijnheer, is de oorzaak dat er handelaars zijn? Wie is
+het meest te laken? De beschaafde, verstandige, verlichte man, die
+een stelsel in stand houdt, waarvan de handelaar een onvermijdelijk
+gevolg is, of de ongelukkige handelaar zelf? Gij zijt een bestanddeel
+van die publieke meening, die zijn beroep in wezen houdt, die hem
+zoodanig verblindt en zedelijk verlaagt, dat hij er zich niet meer
+voor schaamt: in welk opzicht zijt gij dus beter dan hij?
+
+Gij zijt wél-onderwezen en hij onkundig, gij zijt aanzienlijk en hij
+gering, gij zijt beschaafd en hij gemeen, gij zijt helder van oordeel
+en hij dom, niet waar?
+
+Op den dag van een toekomstig oordeel zullen juist deze tegenstellingen
+het misschien voor hem dragelijker maken dan voor u.
+
+Aan het slot van dit proefje uit hetgeen er in den wettigen handel
+voorkomt, moeten wij de wereld verzoeken om niet te denken, dat onze
+Amerikaansche wetgevers geheel van menschelijkheid ontbloot zijn,
+gelijk misschien ten onrechte zou kunnen worden afgeleid uit de
+moeite die zij zich geven, om deze soort van handel te beschermen en
+in stand te houden.
+
+Wie weet niet hoe onze groote mannen zich zelven overtreffen in het
+declameeren tegen den _vreemden_ slavenhandel? Er is in dit opzicht
+een schaar van Clarke's en Wilberforce's onder ons opgestaan, die
+allerstichtelijkst is om te zien en te hooren. De negerhandel uit
+Afrika, lieve lezers, is toch zoo afschuwelijk! Daaraan is niet te
+denken. Maar de negerhandel uit Kentucky--dat is geheel iets anders!
+
+
+
+
+
+DERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+DE KWAKERS.
+
+
+We hebben nu een stil tooneeltje voor ons. Eene ruime, zindelijke,
+net geschilderde keuken, met een effen en glanzig gelen vloer,
+zonder een enkel stofje er op; eene nette, zorgvuldig zwart gehouden
+kookkachel; rijen van blinkend tinnegoed, die aan allerlei lekker eten
+doen denken; glanzige stoelen van gewoon hout, oud maar sterk; een
+kleinen schommelstoel met een kussen er in, waarvan het overtrek aardig
+uit kleine lapjes van verschillende wollen stoffen is saamgesteld,
+en een grooten armstoel, aartsvaderlijk oud, welks wijde armen een
+gastvrije uitnoodiging schijnen te geven, die door de veeren kussens
+wordt ondersteund--een waarlijk uitlokkende, bruikbare, oude stoel,
+voor echt gemak meer waard dan een dozijn nieuwe salonmeubelen.--En
+in dien stoel, zachtjes voor- en achterover wiegende, zit onze oude
+vriendin Eliza. [5] Ja, daar zit zij, bleeker en magerder dan tehuis in
+Kentucky, en stille smart schuilt onder de schaduw harer lange wimpers
+en kenmerkt de trekken om den vriendelijken mond. Het was duidelijk te
+zien, hoe oud en vast haar jeugdig hart in de leerschool der smart was
+geworden; en wanneer zij hare donkere oogen opsloeg, om de huppelende
+sprongen van den kleinen Harry te volgen, die als een vlindertje heen
+en weder dartelde, lag er in dien blik eene vastberadenheid en kracht,
+welke voorheen in gelukkiger dagen nooit daarin te lezen was.
+
+Naast haar zat eene vrouw met eene blikken pan op den schoot, waarin
+zij bezig was gedroogde perziken uit te zoeken. Zij kon vijf en
+vijftig of zestig jaren oud wezen; maar zij had een van die gezichten,
+waaraan de tijd niets anders schijnt te kunnen doen dan ze verhelderen
+en verfraaien. De sneeuwwitte muts, naar het stijve kwaker-patroon
+opgemaakt, de effen neteldoeksche halsdoek, met strakke plooien
+over hare borst gevouwen, de donkergrijze omslagdoek en japon van
+dezelfde kleur toonden aanstonds tot welke gezindte zij behoorde. Haar
+gezicht was rond en blozend, met eene gezonde, donzige zachtheid,
+die aan eene rijpe perzik deed denken. Heur haren, door de jaren
+gedeeltelijk verzilverd, waren glad van het hooge, effen voorhoofd
+weggestreken, waarop de tijd niets anders geschreven had dan vrede
+en welwillendheid; en daaronder straalden een paar groote, heldere,
+oprechte, vriendelijke, bruine oogen. Men behoefde slechts recht
+daarin te zien, om te weten, dat men tot op den bodem van een hart zag,
+zoo goed en trouw als ooit in eene vrouwelijke borst had geklopt. Men
+heeft zooveel van de schoonheid van jonge meisjes gezegd en gezongen;
+waarom bezingt niet eens iemand de schoonheid der oude vrouwen? Als
+iemand in dit opzicht verlangt geïnspireerd te worden, verwijzen wij
+hem naar onze goede vriendin Rachel Halliday, gelijk zij daar in haar
+schommelstoeltje zit. Dat stoeltje was aan zeker kraken en piepen
+onderhevig, en terwijl zij zacht heen en weder wiegde, maakte haar
+zetel een geluid, als van elken anderen stoel onuitstaanbaar zou zijn
+geweest, maar de oude Simeon Halliday beweerde dikwijls, dat het zoo
+goed als muziek voor hem was, en de kinderen zeiden dat zij voor niets
+op de wereld het piepen van moeders stoel zouden willen missen. En
+waarom dat? Twintig jaren lang, of nog langer, waren er niets dan
+vriendelijke woorden en zachte zedenlessen en moederlijke liefdeblijken
+van dien stoel gekomen--ontelbare hoofdpijnen en hartepijnen waren daar
+genezen--geestelijke en tijdelijke bezwaren waren daar opgeheven--alles
+door ééne, goede, liefelijke vrouw. God zegene haar!
+
+"En zoo denkt gij nog naar Canada te gaan, Eliza?" zeide zij,
+voortgaande met hare perziken te bekijken.
+
+"Ja, juffrouw!" antwoordde Eliza met vastheid. "Ik moet verder. Ik
+kan hier niet blijven."
+
+"En wat zult gij doen als gij daar komt? Daar moet gij ook aan denken,
+mijne dochter."
+
+Dat "mijne dochter!" kwam zoo natuurlijk van Rachels lippen; want zij
+had juist een voorkomen en uitzicht, dat het zoo natuurlijk maakte om
+"moeder" tegen haar te zeggen.
+
+Eliza's handen beefden en eenige tranen vielen op het fijne naaiwerk,
+waaraan zij bezig was; maar haar toon bleef toch vast, toen zij
+antwoordde:
+
+"Ik zal--alles doen wat ik te doen kan vinden. Ik hoop dat ik iets
+vinden zal."
+
+"Gij weet wel, gij kunt hier blijven zoolang het u behaagt," zeide
+Rachel.
+
+"O! ik dank u," zeide Eliza; "maar," vervolgde zij, naar Harry
+wijzende, "ik kan des nachts niet slapen; ik kan niet rusten. Verleden
+nacht droomde ik dat ik een man de werf zag opkomen," voegde zij er
+huiverend bij.
+
+"Arm kind!" zeide Rachel, hare oogen afvegende. "Maar gij moet niet
+zoo angstig zijn. De Heere heeft het zoo besteld, dat nog nooit een
+vluchteling uit ons dorp gestolen is. Ik vertrouw dat gij niet de
+eerste zult wezen."
+
+Hier werd de deur geopend en kwam eene andere vrouw binnen, kort en zoo
+rond als een speldenkussen, met een vroolijk blozend gezicht, gelijk
+een rijpen appel. Zij was evenals Rachel stemmig in het grijs gekleed,
+met een neteldoekschen doek over hare zwellende borst geplooid.
+
+"Ruth Stedman," zeide Rachel, met blijdschap naar haar toekomende. "Hoe
+is het met u, Ruth?" En daarmede vatte zij deze bij de handen.
+
+"Welletjes," antwoordde Ruth, zette haar grijzen hoed af en ontblootte
+zoo een rond hoofdje, waarop de kwakerinnenmuts tamelijk zwierig stond,
+hoewel zij haar best deed om die met hare mollige handjes glad te
+strijken. Ook eenige verdwaalde lokken en krullend haar waren hier
+en daar ontsnapt en moesten weggestopt worden; en daarna keerde de
+nieuw-gekomene, die vijf en twintig jaren oud mocht wezen, zich van
+het spiegeltje af, waarvoor zij deze beschikkingen had gemaakt en
+scheen zeer wel met haar voorkomen tevreden te zijn--gelijk de meeste
+menschen die haar aanzagen ook wel konden geweest zijn; want zij was
+zulk een gezond, frisch en vroolijk vrouwtje, als ooit het hart van
+een man verheugde.
+
+"Ruth, deze vriendin is Eliza Harris, en dit is het jongetje, waarvan
+ik u gesproken heb."
+
+"Ik ben blijde u te zien, Eliza, zeer blijde," zeide Ruth en gaf Eliza
+zoo hartelijk de hand, als ware zij eene oude vriendin die zij lang
+verwacht had; "en dat is uw lieve jongen. Ik heb een koekje voor hem
+medegebracht," en daarmede hield zij het koekje den kleinen Harry
+voor, die het, door zijne krullen naar haar opkijkende, met zekere
+sluwheid aannam.
+
+"Waar is uw kleintje, Ruth?" vroeg Rachel.
+
+"O! hij komt; maar uwe Mary pakte hem op toen ik inkwam, en liep met
+hem naar de schuur, om hem aan de kinderen te laten zien."
+
+Op dit oogenblik ging de deur weder open en kwam Mary, een frisch
+blozend meisje, met groote bruine oogen, gelijk hare moeder, met het
+kind binnen.
+
+"Ha, ha!" zeide Rachel, het gezonde, mollige wicht op den arm nemende,
+"wat ziet hij er goed uit, en wat groeit hij!"
+
+"Zeker doet hij dat," zeide de levendige Ruth, nam spoedig het
+kind over en ontdeed het van een blauw zijden manteltje en andere
+bovenkleeren, waarin het gewikkeld was, vertrok en verschoof hier en
+daar iets om het op te knappen, gaf het een hartelijken kus en zette
+het naast zich op den grond neer om zich zelf te amuseeren en zoet te
+houden. Het wicht scheen aan zulk eene handelwijze volkomen gewoon te
+zijn, want het stak terstond een duim in den mond en scheen weldra in
+een genoeglijk gepeins te verzinken, terwijl de moeder zich neerzette,
+eene opgezette kous uithaalde en ijverig begon te breien.
+
+"Mary, gij moogt den ketel wel eens vullen, zoudt ge niet?" zeide de
+moeder, zacht vermanende.
+
+Mary nam den ketel mede naar den waterput, en spoedig terugkomende
+plaatste zij hem op de kachel, waar hij spoedig stond te borrelen en te
+dampen als een wierookvat in den tempel der gastvrijheid. Weldra werden
+ook de perziken, op eenige zacht gefluisterde woorden van Rachel,
+door dezelfde hand in eene aarden pan gedaan en op het vuur gezet.
+
+Vervolgens nam Rachel eene sneeuwwitte kneedplank van den wand en
+ging eenvoudig wat beschuiten kneden; maar eerst zeide zij tegen hare
+dochter: "Mary, zoudt ge John niet eens gaan zeggen om het hoentje
+te gaan halen?" waarop Mary weder verdween.
+
+"Wel, hoe is het met Abigaël Peters?" zeide Rachel onder het kneden.
+
+"O! zij is beter," antwoordde Ruth. "Ik ben daar van morgen geweest
+en heb het bed opgemaakt en het huis gedaan. Lea Hills is van middag
+gegaan en heeft brood en koek gebakken voor eenige dagen, en ik heb
+beloofd er van avond weder heen te gaan."
+
+"Ik zal morgen gaan en schoonmaken wat noodig is, en naar het
+verstelwerk zien," zeide Rachel.
+
+"Zoo, dat is goed," antwoordde Ruth. "Ik heb gehoord," vervolgde zij,
+"dat Hanna Stanwood ziek is. John is er gisteravond geweest--ik moet
+morgen daarnaar toe."
+
+"John kan hier komen eten, als het noodig is dat gij den geheelen
+dag blijft," zeide Ruth hierop.
+
+"Dank u, Rachel! we zullen morgen zien. Maar daar komt Simeon."
+
+Simeon Halliday, een rijzig, recht welgespierd man, met een bruingrijze
+jas en broek en een breedgeranden hoed kwam nu binnen.
+
+"Hoe is het met u, Ruth?" zeide hij met warmte, terwijl hij zijn
+breede palm openspreidde, om haar mollig handje er in te leggen. "En
+hoe is het met John?"
+
+"O! John is wel, en al de anderen ook," antwoordde Ruth blijmoedig.
+
+"Wat nieuws, vader?" vroeg Rachel, terwijl zij hare beschuiten in
+den oven stak.
+
+"Steven Stebbins heeft mij gezegd dat zij van nacht uit moesten met
+_paarden_," zeide Simeon met bijzonderen nadruk op het laatste woord,
+terwijl hij over een zindelijken gootsteen in een achterkeukentje
+zijn handen wiesch.
+
+"Ei!" zeide Rachel, peinzend en met een blik naar Eliza.
+
+"Hebt gij niet gezegd, dat uw naam Harris was?" zeide Simeon tot Eliza,
+weder binnenkomende.
+
+Rachel wierp snel een blik naar haren man, terwijl Eliza met bevende
+lippen "ja" antwoordde, daar zij vreesde, dat er misschien een prijs
+voor haar was uitgeloofd.
+
+"Moeder," zeide Simeon, Rachel roepende, terwijl hij weder naar het
+achterkeukentje ging.
+
+"Wat wilt gij hebben, vader?" antwoordde Rachel, hem volgende.
+
+"De man van dat kind is in het dorp en zal van avond hier komen,"
+zeide Simeon.
+
+"O! dat zegt ge toch maar niet zoo, vader?" riep Rachel uit, met een
+gezicht als het ware stralende van blijdschap.
+
+"Het is werkelijk waar. Peter was gisteren met den wagen naar de
+andere plaats, en daar vond hij eene oude vrouw en twee mannen,
+en een van hen zeide dat hij George Harris heette, en uit hetgeen
+hij van zijne geschiedenis vertelde, weet ik zeker wie hij is. Hij
+is een knap, schrander man.--Zullen wij het haar nu zeggen?" voegde
+hij er na een oogenblik stilzwijgens bij.
+
+"Laten wij het Ruth zeggen," antwoordde Rachel. "Ruth, kom eens hier."
+
+Ruth legde haar breiwerk neer en was in een oogenblik in het
+achterkeukentje.
+
+"Ruth, wat dunkt u?" zeide Rachel. "Vader zegt dat Eliza's man bij
+het laatste gezelschap is en van avond hier zal komen."
+
+Een blijde uitroep van het levendige kwakerinnetje viel de spreekster
+in de rede. Ruth klapte in de handen en deed zulk een sprong, dat er
+weder een paar krullen onder hare muts uitschoten en over haar witten
+halsdoek zwierden.
+
+"Stil toch, lieve," zeide Rachel zachtzinnig. "Stil, Ruth, zeg ons,
+zullen wij het haar nu zeggen?"
+
+"Nu? Wel zeker, op het oogenblik. Denk eens als het mijn John was,
+wat zou ik dan voelen? Zeg het haar toch maar terstond."
+
+"Gij denkt aan u zelven, alleen om te leeren uwe naasten lief te
+hebben, Ruth," zeide Simeon, haar met welgevallen aanziende.
+
+"Wel zeker," zeide Ruth. "Is het dat niet, waartoe wij geschapen
+zijn? Als ik John en mijn kindje niet liefhad, zou ik zooveel gevoel
+niet voor haar kunnen hebben.--Kom nu, zeg het haar toch!" vervolgde
+zij, Rachel dringend bij den arm vattende. "Neem haar in uwe
+slaapkamer, daar, en laat ik het hoentje braden, terwijl gij het
+haar zegt."
+
+Rachel ging weder naar de keuken, waar Eliza zat te naaien en de
+deur van een slaapkamertje openende, zeide zij vriendelijk: "kom hier
+binnen met mij, mijne dochter. Ik heb u iets nieuws te zeggen."
+
+Het bloed steeg Eliza naar de bleeke wangen; zij stond op, bevende
+van zenuwachtigen angst, en zag naar haar kind om.
+
+"Neen, neen!" zeide Ruth, naar haar toeschietende en haar bij beide
+handen vattende. "Wees maar niet bang. Het is goed nieuws, Eliza. Ga
+binnen, ga binnen."
+
+Zij duwde haar zachtjes de deur in en sloot die achter haar, en toen
+zich omkeerende, nam zij den kleinen Harry in hare armen en begon
+hem hartelijk te kussen.
+
+"Gij zult uw vader zien, kleine jongen. Weet gij het al? Uw vader
+komt," zeide zij nogmaals, en nogmaals, terwijl het kind haar met
+verbazing aanzag.
+
+Intusschen had binnen de deur een ander tooneel plaats. Rachel nam
+Eliza bij de hand, trok haar dicht naar zich toe en zeide:
+
+"De Heer heeft barmhartigheid met u gehad, mijne dochter. Uw man is
+ontkomen uit het huis der dienstbaarheid."
+
+Het plotseling opstijgende bloed deed Eliza's wangen gloeien en
+stroomde toen even snel naar het hart terug. Bleek flauw zette zij
+zich neer.
+
+"Houd moed, kind," zeide Rachel, haar de hand op het hoofd
+leggende. "Hij is onder vrienden, die hem van avond hier zullen
+brengen."
+
+"Van avond!" herhaalde Eliza. "Van avond!"
+
+De woorden hadden hunne beteekenis voor haar verloren. Haar hoofd
+was verward; alles was voor een oogenblik in een nevel gehuld.
+
+Toen zij ontwaakte lag zij te bed, warm in een deken gestopt,
+terwijl Ruth hare handen met kamfer wreef. Zij opende hare oogen in
+een toestand van droomerige, streelende kwijning, als iemand die lang
+een zwaren last gedragen heeft en nu voelt dat die hem is afgenomen en
+hij nu rusten mag. De spanning harer zenuwen, die sedert het eerste
+uur harer vlucht geen oogenblik had opgehouden, was nu geweken,
+en een vreemd gevoel van veiligheid bekroop haar. Terwijl zij daar
+met open oogen lag, volgde zij als in een droom de bewegingen van hen
+die haar omringden. Zij zag door de open deur in de andere kamer; zij
+zag de tafel met een sneeuwwit tafellaken voor het avondmaal gedekt;
+zij hoorde het slaperige zingen van den theeketel, en zag Ruth heen
+en weder trippelen met borden en schotels, en nu en dan stilstaan om
+Harry een koekje in de hand te stoppen, of zijn hoofd te streelen of
+zijne lange krullen om hare witte vingers te winden. Zij zag de breede
+moederlijke gestalte van Rachel, die telkens naar het bed kwam, en hier
+en daar iets verschikte of het dek instopte, alleen om haar goeden
+wil te toonen; en was bewust van eene soort van zonneschijn, welke
+haar uit hare oogen bestraalde. Zij zag den man van Ruth binnenkomen;
+zij zag deze naar hem toevliegen en zeer ernstig tegen hem fluisteren,
+en nu en dan met haar vingertje naar de slaapkamer wijzen. Zij zag
+haar zich met haar kindje op den arm aan de theetafel zetten; zij zag
+hen allen om de tafel en den kleinen Harry op een hoogen stoel naast
+de zorgvuldige Rachel. Zij hoorde een zacht praten en een even zacht
+rinkelen van theelepeltjes, kopjes en schoteltjes, dat zich alles
+met dien verrukkelijken droom van rust vermengde; en toen viel zij in
+slaap, en sliep gelijk zij nog niet geslapen had sedert dat geduchte
+middernachtsuur toen zij haar kind had opgenomen om te vluchten.
+
+Zij droomde van een schoon land--een land van rust kwam het haar
+voor--met groene kusten, vermakelijke eilandjes en glinsterend water;
+en daar in een huis, waar vriendelijke stemmen haar zeiden dat zij
+tehuis was, zag zij haar knaapje spelen als een vrij en gelukkig
+kind. Zij hoorde de voetstappen van haren man; zij voelde hem nader
+komen; zijne armen werden om haar heengeslagen; zijne tranen droppelden
+op haar gezicht, en zij ontwaakte. Het was geen droom. Het daglicht
+was lang verdwenen; haar kind lag gerust naast haar te slapen, eene
+kaars op een tafeltje verspreidde een flauw licht, en haar man zat
+snikkend bij haar bed.
+
+
+
+Vroolijk was de volgende morgen in het huis van den Kwaker. "Moeder"
+was vroeg op en omringd door drukbezige jongens en meisjes, allen
+gehoorzaam aan Rachels zachtzinnige "gij moest eens," of het nog
+zachtere "zoudt ge niet eens," terwijl men doende was om het ontbijt
+gereed te maken; want een ontbijt in de welige valleien van Indiana is
+een ding van veel omslag en vereischt meer handen dan die der huisvrouw
+alleen. Terwijl dus John naar de bron liep, om frisch water te halen,
+en Simeon het jonge meel ziftte voor de koornkoekjes en Mary koffie
+maalde, was Rachel stil bezig met beschuiten gereed te maken, een
+hoen te snijden, en over alles wat er over het geheel gedaan werd
+een oog te laten gaan, dat den invloed van zonneschijn had. Als er
+eenig gevaar van wrijving of botsing ontstond uit den ongeregelden
+ijver van zoovele jeugdige medewerkers, was haar zacht "kom, kom!" of
+"dat zou ik maar niet," voldoende om het bezwaar uit den weg te ruimen.
+
+Onder al die andere toebereidselen stond Simeon de oude in een hoek
+voor het spiegeltje, bezig met de antipatriarchale werkzaamheid van
+het scheren. Alles ging in de ruime keuken zoo gezellig en vroolijk
+toe, iedereen scheen zulk een vermaak te hebben in hetgeen hij deed,
+er heerschte zulk een blijkbare geest van vertrouwen en wederzijdsche
+welwillendheid--zelfs de messen en vorken hadden iets gezelligs in het
+gerammel waarmede zij op de tafel werden gelegd, en het hoentje en de
+ham in de pan sisten, alsof het hun beviel dat zij gebraden werden--en
+toen George, Eliza en de kleine Harry uit de slaapkamer kwamen,
+werden zij met zulk een hartelijk welkom begroet, dat het niet te
+verwonderen was indien het geheele tooneel hun als een droom voorkwam.
+
+Eindelijk zaten allen aan het ontbijt, terwijl Mary nog bij de kachel
+maïskoekjes stond te roosteren, die, wanneer zij juist volmaakt de
+echte goudbruine kleur hadden gekregen, handig op de tafel werden
+gezet.
+
+Rachel zag er nooit zoo echt genoegelijk en vriendelijk uit als aan
+het hoofd harer tafel. Er was zulk eene moederlijkheid en gulheid
+zelfs in de manier waarop zij een bord met koekjes toeschoof of een
+kop koffie schonk, dat zij iets van haren geest scheen mede te deelen
+aan het eten en drinken dat zij aanbood.
+
+Het was de eerste maal, dat George op den voet van gelijke aan de tafel
+van een blanke zat, en hij voelde in het eerst zekere verlegenheid
+en gedwongenheid; maar deze aandoening vervloog als een ochtendnevel
+voor de stralen dier eenvoudige, natuurlijke goedhartigheid.
+
+Hier was hij waarlijk tehuis;--tehuis, eene uitdrukking waarvan hij
+nog nooit de beteekenis had gekend; en het geloof aan God en het
+vertrouwen op Zijne voorzienigheid begonnen zijn hart te verhelderen;
+terwijl de donkere wolken van menschenhatende en godverloochenende
+twijfelingen verdreven werden door het licht van een levend evangelie,
+afgestraald van levende menschengezichten, en gepredikt door duizend
+bijna onwillekeurige daden van liefde en welwillendheid, die, gelijk
+de beker koud water in den naam eens discipels gegeven, haar loon
+nimmer zullen verliezen.
+
+"Vader, als gij nu weder ontdekt mocht worden?" zeide Simeon de tweede,
+onder het boteren van een geroosterd koekje.
+
+"Dan zou ik mijne boete betalen," antwoordde de oude Simeon koeltjes.
+
+"Maar als zij u in de gevangenis zetten?"
+
+"Zoudt gij en moeder de hoeve niet kunnen waarnemen?" antwoordde
+Simeon met een glimlach.
+
+"Moeder kan haast alles doen!" zeide de knaap. "Maar is het geene
+schande zulke wetten te maken?"
+
+"Gij moet geen kwaad spreken van uwe overheden, Simeon," antwoordde
+zijn vader ernstig. "De Heere geeft ons onze aardsche goederen alleen
+opdat wij gerechtigheid en barmhartigheid zouden doen; als onze
+overheden een prijs daarvoor van ons eischen, moeten wij dien geven."
+
+"Nu, ik haat toch die oude slavenhouders," zeide de knaap, met zulk een
+onchristelijk gevoel als eenig nieuwerwetsch _reformer_ kan koesteren.
+
+"Ik ben verwonderd over u, mijn zoon," zeide Simeon. "Uwe moeder heeft
+u nooit zoo geleerd. Ik zou hetzelfde doen voor den slavenhouder als
+voor den slaaf, indien de Heere hem in nood aan mijne deur deed komen."
+
+Simeon de tweede kreeg een blos als vuur; maar zijne moeder glimlachte
+slechts en zeide: "Simeon is mijn goede jongen. Hij zal wel gauw
+ouder worden en dan zal hij naar zijnen vader gelijken."
+
+"Ik hoop, mijn goede heer," zeide George bekommerd, "dat gij om
+mijnentwil aan geene moeielijkheden zijt blootgesteld."
+
+"Wees niet bevreesd, George; want daartoe zijn wij in de wereld
+gezonden. Als wij voor eene goede zaak geene onaangenaamheden willen
+afwachten, zijn wij onzen naam niet waardig."
+
+"Maar voor _mij_," zeide George. "Dat zou ik niet kunnen dragen."
+
+"Wees dan niet bevreesd, vriend George. Het is niet voor u, maar
+voor God en de menschen, dat wij het doen," antwoordde Simeon. "En
+nu moet gij u hier vandaag schuilhouden, en van avond tegen tien uur
+zal Phineas Fletcher u verder brengen naar de naaste rustplaats--u
+en de overigen van uw gezelschap. De vervolgers zijn dicht achter u;
+wij moeten niet dralen."
+
+"Als dat zoo is, waarom dan tot van avond wachten?"
+
+"Over dag zijt gij hier veilig, want iedereen in het dorp is een vriend
+en allen zijn wakende. Bovendien is het veiliger bij nacht te reizen."
+
+
+
+
+
+VEERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+EVANGELINE.
+
+
+De Mississippi! Hoe zijn als door een tooverstaf de tooneelen langs
+dien stroom veranderd, sedert Chateaubriand zijne dichterlijke
+beschrijving gaf van de rivier, voortrollende in een trotsche,
+onafgebroken eenzaamheid, tusschen onbekende wonderen der planten-
+en dierenwereld!
+
+Doch als in een uur is deze rivier van romaneske droomen in
+eene nauwelijks minder romaneske en grootsche werkelijkheid
+herschapen. Welke andere rivier van de wereld voert op hare golven
+de schatten en voortbrengselen van nog zulk een land naar den
+oceaan--van een land waar de natuur alles voortbrengt wat tusschen
+de keerkringen en de polen te vinden is? Die troebele golven, die
+bruisend en schuimend voortsnellen, zijn een gepast zinnebeeld van
+dat voorthollende handelsgetij, over die wateren voortgedreven door
+een menschengeslacht, driftiger dan de oude wereld er ooit een gezien
+heeft! Ach, droegen zij maar ook niet eene akelige, schrikkelijke
+vracht--de tranen der onderdrukten, de zuchten der hulpeloozen,
+de bittere gebeden der arme, onkundige harten tot een onbekenden
+God--onbekend, ongezien en zwijgend, maar die toch eens "zal komen
+om al de armen der aarde te redden."
+
+De schuinsche stralen der ondergaande zon flikkeren over de breede
+watervlakte der rivier; het trillende riet en de hooge donkere
+cypressen, met kransen van nog donkerder mos behangen, gloeien in
+het gouden licht, terwijl de zwaar beladen stoomboot voortvaart.
+
+Met stapels katoenbalen van menige plantage op het dek bevracht,
+tot zij in de verte op een vierkanten, grijzen klomp gelijkt, drijft
+zij log voorwaarts naar de naderende markt. Wij moeten eenigen tijd
+op het volgepropte dek zoeken, eer wij onzen nederigen vriend Tom
+wedervinden. Hoog op het bovendek, in een hoekje tusschen de alles
+overstelpende katoenbalen treffen wij hem eindelijk aan.
+
+Gedeeltelijk door de aanbeveling van Mr. Shelby, gedeeltelijk door
+zijn eigen, stil en onderworpen gedrag, had Tom in zekere mate zelfs
+het vertrouwen van zulk een man als Haley gewonnen.
+
+In het eerst had deze hem over dag zorgvuldig in het oog gehouden
+en des nachts nooit ongeboeid laten slapen; maar het geduld en
+de schijnbare tevredenheid van Tom deden hem langzamerhand deze
+voorzorgen nalaten, en sedert eenigen tijd was Tom als het ware een
+gevangene op parool en mocht op de boot gaan waar hij wilde.
+
+Altijd stil en gedwee, en dan gewillig om de werklieden beneden
+wanneer het noodig was te helpen, had hij de goede meening van al
+het bootsvolk verworven, en sleet menig uur onder hen, medehelpende
+aan hun werk met zulk eene hartelijke goedwilligheid, als waarmede
+hij ooit in Kentucky op het veld had gearbeid.
+
+Als er niets voor hem te doen scheen te zijn, klom hij naar een hoekje
+tusschen de katoenbalen op het bovendek, en hield zich bezig met in
+zijnen Bijbel te lezen. Daar is het dan ook, dat wij hem nu vinden.
+
+Honderd of meer mijlen ver boven Nieuw-Orleans is de rivier hooger
+dan het omliggende land en stuwt zij hare ontzaglijke watermassa
+tusschen zware dijken van twintig voet hoogte voort. De reiziger op
+het dek eener stoomboot overziet, als van den trans van een drijvend
+kasteel, het geheele land mijlen ver in het rond. Tom zag dus in de
+elkander opvolgende plantages een tafereel van het leven voor zich
+dat hem wachtte.
+
+Hij zag de slaven aan hunnen arbeid; hij zag in de verte hunne dorpen
+van hutten in lange rijen tusschen het plantsoen blinken, afgezonderd
+van het statige huis en den tuin des meesters; en terwijl dit bewegende
+schilderij hem voorbijschoof, keerde zijn kinderlijk hart terug naar
+de hoeve in Kentucky met hare oude schaduwrijke beuken, naar het
+huis van den meester met zijne ruime, koele zalen, en naar de hut
+dicht daarbij met multiflora en bignonia begroeid. Daar scheen hij
+de bekende gezichten zijner makkers te zien, die van hunne kindsheid
+af met hem waren opgegroeid; hij zag zijne werkzame vrouw, bezig met
+zijn avondmaaltijd gereed te maken, hij hoorde het vroolijk lachen
+zijner jongens onder hun spel, en het kraaien van het wichtje op zijne
+knie, en toen was met een gevoel van schrik alles verdwenen, en zag
+hij weder de moerassen en cypressen van voorbijglijdende plantages,
+en hoorde hij weder het knarsen en kraken der machinerie, hem maar
+al te duidelijk zeggende dat zijn vroeger leven geheel voorbij was.
+
+In zulk een geval schrijft gij aan uwe vrouw en zendt gij boodschappen
+aan uwe kinderen; maar Tom kon niet schrijven, de brievenpost had
+voor hem geen reden van bestaan, en over de kloof der scheiding lag
+geene brug, zelfs niet van een vriendelijk woord of teeken.
+
+Is het dan vreemd dat er eenige tranen op zijnen Bijbel vallen,
+terwijl hij dien op de katoenbaal openslaat en met geduldigen vinger
+langzaam van woord tot woord zijn weg zoekende, de bijbelsche beloften
+naspoort? Daar hij laat had leeren lezen, las Tom zeer langzaam en
+kwam slechts ten koste van moeite en tijd van vers tot vers. Gelukkig
+was het voor hem dat het boek, hetwelk hij voor zich had, er een
+is, waaraan langzaam lezen geen kwaad kan doen--integendeel, een
+boek waarvan de woorden, gelijk goudstaven, dikwijls afzonderlijk
+schijnen te moeten gewogen worden, eer het gemoed hunne waarde
+recht kan vatten. Laten wij hem een oogenblik volgen, terwijl hij,
+van woord tot woord wijzende en ieder woord halfluid uitsprekende,
+
+leest:
+
+"Uw--hart--worde--niet--ontroerd.
+In--het--huis--mijns--Vaders--zijn--vele--woningen. Ik--ga--heen--om--u
+plaats te--bereiden."
+
+Toen Cicero zijne lieveling, zijn eenige dochter begroef, had hij een
+hart even vol van oprechte smart als dat van den armen Tom--misschien
+niet voller, want beiden waren slechts menschen; maar Cicero kon
+geene zulke plechtige woorden van hoop lezen, kon naar geene zulke
+toekomstige hereeniging uitzien, en indien hij ze gelezen had,
+zou het tien tegen een zijn geweest, dat hij ze niet had geloofd;
+hij had zich eerst het hoofd moeten breken over de echtheid van het
+geschrift en de nauwkeurigheid der vertaling. Maar voor den armen Tom
+waren die woorden, gelijk hij ze daar las, juist wat hij noodig had,
+zoo blijkbaar waar en goddelijk, dat zelfs de mogelijkheid van eene
+twijfeling nooit in zijn eenvoudig hoofd opkwam. Zij moesten waar zijn;
+want waren zij niet waar, hoe kon hij dan leven?
+
+Wat Toms Bijbel aangaat, hoewel deze geene aanteekeningen van geleerde
+uitleggers op den kant had, was hij toch versierd met zekere merken en
+aanwijzingen van Tom zelven, die hem meer hielpen dan de geleerdste
+verklaringen zouden gedaan hebben. Het was zijne gewoonte geweest,
+zich den Bijbel door de kinderen van zijnen meester te laten voorlezen,
+inzonderheid door den jongeheer George; en terwijl zij lazen, teekende
+hij met inktstrepen en figuren de plaatsen aan, die vooral zijne
+ooren streelden of zijn hart troffen. Zijn Bijbel was zoo van het
+begin tot het einde met allerlei teekens gemerkt, zoodat hij in een
+oogenblik zijne geliefkoosde plaatsen kon vinden, zonder de moeite
+van alles te spellen wat daartusschen stond; en terwijl het boek
+daar voor hem lag met die aangeteekende plaatsen, die hem alle een
+vroeger huiselijk tooneel of gelukkig oogenblik herinnerden, scheen
+zijn Bijbel alles te zijn wat hem van dit leven was overgebleven,
+zoowel als de belofte van een toekomstig leven.
+
+Onder de passagiers op de boot was een jong heer van vermogen en
+aanzienlijke familie, die te Nieuw-Orleans woonde en den naam van
+St.-Clare voerde. Hij had een dochtertje bij zich, tusschen de vijf en
+zes jaren oud, en eene dame die op beiden betrekking scheen te hebben,
+en de kleine bijzonder onder haar opzicht had.
+
+Tom had dit kleine meisje dikwijls even gezien, want het was een
+van die levendige schepseltjes, die men evenmin op eene plaats kan
+vasthouden als een zonnestraal of een zomerkoeltje, en ook was zij
+een kind, dat men, als men haar eens had gezien, niet licht weder
+vergeten kon.
+
+Hare gestalte was het volmaakte van kinderlijke schoonheid, zonder de
+gewone plompheid van vormen. Zij had eene luchtigheid en liefelijkheid
+zooals men zich een mythisch of allegorisch wezen zou voorstellen.
+
+Haar gezichtje was minder opmerkelijk door de volmaakte schoonheid der
+trekken, dan door eene zonderlinge uitdrukking van peinzenden ernst,
+welke iemand, die dieper doordacht, bijna deed schrikken als hij haar
+aanzag, en zelfs op de botsten en minst nadenkenden indruk maakte,
+zonder dat zij recht wisten waarom. De vorm van haar hoofd en de
+houding van haren hals was bijzonder edel, en de lange bruine lokken,
+die als eene wolk daaromheen zweefden, en de schrandere ernstigheid
+harer donkerblauwe oogen--alles onderscheidde haar van andere kinderen,
+en deed iedereen omkijken en haar aanzien als zij op de boot heen
+en weder zweefde. Evenwel was de kleine niet wat men een ernstig
+of zwaarmoedig kind had kunnen noemen. Integendeel, eene vroolijke
+onschuldige dartelheid scheen, als de schaduw van zomergebladerte over
+het kinderlijke gezichtje en om geheel hare gestalte te flikkeren. Zij
+was altijd in beweging, altijd met een halven glimlach op de roode
+lipjes, heen en weder huppelende met een luchtigen, zwevenden tred
+bij zich zelve zingende, als in een genoegelijken droom. Haar vader
+en hare bewaakster moesten haar gedurig naloopen; maar als zij haar
+hadden opgevangen, verdween zij weder als een zomerwolkje, en daar
+geen woord van berisping of streng verbod haar ooit in de ooren klonk
+wat zij ook verkoos te doen, zwierf zij naar willekeur over de geheele
+boot. Altijd in het wit gekleed, dwaalde zij op allerlei plaatsen rond,
+zonder zich ooit vuil te maken; en er was geen hoekje boven of beneden,
+waar dat romaneske hoofdje met gouden lokken en donkerblauwe oogen
+zich niet liet zien.
+
+Wanneer de stoker van zijnen heeten arbeid opkeek, zag hij die oogen
+somtijds met verbazing in de gloeiende diepte van het fornuis turen,
+en dan met angst en medelijden naar hem omzien, alsof zij dacht dat
+hij in vreeselijk gevaar verkeerde. Dan weder glimlachte de stuurman
+aan het rad, als dat schilderachtige hoofdje op eens voor hem kwam en
+in een oogenblik weder verdwenen was. Duizendmaal op een dag riepen
+ruwe stemmen haar een vriendelijken zegenwensch toe, en gleed een
+glimlach van ongewone zachtheid over stroeve gezichten; en wanneer
+zij onbevreesd over gevaarlijke plaatsen trippelde, werden grove,
+zwartberookte handen onwillekeurig uitgestoken om haar te redden of
+een weg te banen.
+
+Tom, die de zachte, meewarige inborst van zijn goedaardig geslacht
+had, dat zich altijd aan het onnoozele en kinderlijke hecht, sloeg dit
+kleine meisje met dagelijks toenemende belangstelling gade. In zijne
+oogen was zij bijna iets goddelijks; en wanneer haar gouden hoofdje met
+de donkerblauwe oogen van achter eene grauwe katoenbaal te voorschijn
+kwam, of over den rand van een stapel pakken op hem neerzag, geloofde
+hij bijna dat hem een der engelen uit zijn Nieuw Testament verscheen.
+
+Dikwijls wandelde zij treurig om de plek rond, waar Haley's geboeide
+troep van slaven en slavinnen zat. Somtijds sloop zij tusschen
+hen in en zag hen met zekere bevreemding en treurigen ernst aan;
+somtijds tilde zij met hare kleine handjes hunne ketenen op, en
+zuchtte dan droevig, als zij weder heensloop. Verscheidene malen
+stapte zij onverwachts tusschen hen met de handen vol kandijklontjes,
+noten en sinaasappelen, die zij met blijdschap onder hen uitdeelde,
+om dan weder heen te snellen.
+
+Tom sloeg dit dametje langen tijd gade, eer hij het waagde een stap
+tot nadere kennismaking te doen. Hij wist eenvoudige middelen genoeg om
+de gunst van kinderen te winnen en hen tot zich te lokken, en besloot
+nu met voorzichtig overleg te werk te gaan. Hij kon aardige mandjes
+van kersepitten snijden, groteske gezichten van noten, en koddige,
+springende popjes van vlierpit vervaardigen; en hij was een Pan in
+het maken van fluitjes van allerlei soort en grootte. Hij had zijne
+zakken nog vol aardige kleinigheden, die hij in vroeger tijd voor de
+kinderen van zijnen meester had opgezameld en thans met voorzichtige
+spaarzaamheid een voor een te voorschijn haalde en als lokmiddelen
+tot kennismaking en vriendschap aanwendde.
+
+In weerwil van al hare levendige belangstelling in hetgeen er om haar
+heen voorviel, was het meisje schuw en niet gemakkelijk te temmen. Een
+tijdlang bleef zij als een vogeltje op eene kist of baal dicht bij
+Tom zitten, en nam van hem zoo, met zekere schroomvalligheid en
+beschaamdheid de kleinigheden aan die hij haar aanbood. Eindelijk
+kwamen zij echter op een zeer vertrouwelijken voet met elkander.
+
+"Hoe heet het kleine juffertje," vroeg Tom toen hij meende ver genoeg
+te zijn gekomen om zulk eene vraag te doen.
+
+"Evangeline St.-Clare," antwoordde de kleine, "hoewel papa en iedereen
+mij Eva noemen. En hoe heet gij nu?"
+
+"Mijn naam is Tom, en de kleine kinderen, daar heel ver in Kentucky,
+plachten mij Oom Tom te noemen."
+
+"Dan wil ik u ook Oom Tom noemen, omdat ik van u houd, weet ge,"
+zeide Eva. "Dus Oom Tom waar gaat gij naar toe?"
+
+"Dat weet ik niet, jongejuffrouw Eva."
+
+"Weet gij dat niet?"
+
+"Neen. Ik zal aan iemand verkocht worden en ik weet niet aan wien."
+
+"Mijn papa kon u wel koopen," zeide Eva snel; "en als hij u koopt,
+zult gij goede dagen hebben. Ik zal het hem vragen, vandaag nog."
+
+De boot bleef nu stilliggen om hout in te nemen, en toen Eva de stem
+van hare vader hoorde, huppelde zij heen. Tom ging naar voren, om zijn
+dienst aan te bieden bij het hout inladen en was spoedig daarbij aan
+het werk.
+
+Eva en haar vader stonden bij het dek om de boot te zien afsteken,
+en het rad had een paar malen omgedraaid, toen door eene onverwachte
+beweging de kleine Eva het evenwicht verloor en over den kant in het
+water stortte. Haar vader, nauwelijks wetende wat hij deed, wilde
+haar terstond naspringen, maar werd door de lieden, die achter hem
+stonden en zagen dat het kind reeds betere hulp kreeg, vastgehouden.
+
+Tom stond vlak onder haar op het benedendek [6] toen zij viel. Hij zag
+haar in het water plompen en zinken en sprong haar oogenblikkelijk
+achterna. Het kostte den forsch gespierden zwemmer geene de minste
+moeite, een korte poos te blijven drijven, tot het kind weder
+bovenkwam; toen greep hij de kleine, zwom naar de boot, en reikte haar
+druipende aan de honderden handen toe, die, alsof zij aan één persoon
+behoorden, werden uitgestoken om haar aan te nemen. Nog eene korte
+poos en haar vader droeg haar bewusteloos naar de dameskajuit, waar,
+gelijk in zulke omstandigheden meestal het geval is, een welmeenende
+wedstrijd ontstond, wie het meest zou doen om noodelooze opschudding
+te maken, en het herstel der kleine drenkelinge op alle mogelijke
+manieren te verhinderen.
+
+Des anderen daags, met zoel en benauwd weder, naderde de stoomboot
+Nieuw-Orleans. Een algemeen gewoel van toebereidselen om te landen
+heerschte op de boot. In de kajuit was deze en gene bezig met reeds
+zijn goed bijeen te zoeken; en de hofmeester en de kamermeid waren
+met nog anderen aan het schoonmaken, boenen en poetsen, opdat de
+prachtige boot in volle staatsie zou aankomen.
+
+Op het benedendek zat onze vriend Tom met zijne armen over elkander,
+en keek van tijd tot tijd angstig naar een groep aan den anderen kant
+van de boot.
+
+Daar stond de bevallige Evangeline, een weinig bleeker dan den vorigen
+dag, maar anders zonder eenig spoor van het ongeluk dat haar getroffen
+had. Een welgemaakt en welgekleed jongman stond naast haar, met den
+elleboog leunende op een katoenbaal, waarop eene portefeuille was
+nedergelegd. Het was met een enkelen blik duidelijk te zien, dat
+die heer Eva's vader was. Hij had denzelfden edelen gelaatsvorm,
+dezelfde blauwe oogen, hetzelfde goudachtig bruine haar, maar de
+uitdrukking was toch geheel verschillend. In de heldere blauwe
+oogen ontbrak, hoewel teekening en kleur volkomen overeenstemden,
+die peinzende, mijmerende uitdrukking: alles was licht en helder,
+maar het was een licht geheel van deze wereld; de fraai besneden
+mond had eene trotsche, eenigszins spottende uitdrukking, terwijl
+zeker gevoel van meerderheid, ongedwongen aan den dag gelegd, in
+al zijne bewegingen doorstraalde. Hij luisterde met onverschillige
+vriendelijkheid, waarin zekere schertsende minachting doorstraalde,
+naar Haley, die met groote woordenrijkheid uitweidde over de goede
+hoedanigheden van een artikel dat hij te koop had.
+
+"Alle zedelijke en christelijke deugden compleet, in zwart marokijn
+gebonden," zeide hij, toen Haley eindelijk zweeg. "En nu, goede
+man, kortaf, wat moet dat ding nu kosten? Voor hoeveel zult gij mij
+beetnemen? Spreek maar op!"
+
+"Wel," antwoordde Haley, "als ik dertienhonderd dollars voor dien kerel
+zeide, zou ik maar juist geene schade hebben, dat zou ik waarlijk."
+
+"Arme man," zeide de ander, zijne scherpe, spottende oogen op hem
+vestigende. "Maar ik geloof dat ge mij hem daarvoor toch geven zoudt,
+uit bijzondere achting voor mij?"
+
+"Wel, de jongejuffrouw schijnt op hem gesteld te zijn, dat is
+natuurlijk genoeg."
+
+"O, zeker, dat is een beroep op uwe welwillendheid mijn vriend. Zeg
+nu eens uit christelijke menschlievendheid hoe goedkoop zoudt ge hem
+kunnen geven om eene jonge juffrouw pleizier te doen, die bijzonder
+op hem gesteld is?"
+
+"Wel, denk er eens over," zeide de handelaar. "Kijk eens naar die
+beenen--en wat een breede borst, zoo sterk als een paard. Zie eens naar
+dat hoofd; die hooge voorhoofden teekenen altijd schrandere negers,
+van wien men alles gedaan kan krijgen. Dat heb ik opgemerkt. Nu
+is een neger van zulke makelij al een goede som waard, alleen, mag
+men wel zeggen, voor zijn lichaam, al is hij dom; maar als men nu
+zijne verstandelijke vermogens er bij rekent--en ik kan bewijzen,
+dat die buitengemeen zijn--dan moet hij natuurlijk hooger komen. Ik
+kan u zeggen, die kerel heeft de geheele hoeve van zijn meester
+bestuurd. Hij heeft een overleg zooals men weinig vindt."
+
+"Dat is erg, heel erg. Dan weet hij veel te veel," zeide St.-Clare met
+denzelfden spottenden glimlach. "Die knappe kerels loopen gedurig weg
+en stelen paarden, en spelen over het geheel den drommel. Mij dunkt,
+gij moest er een paar honderd afnemen, omdat hij knap is."
+
+"Wel, daar zoudt ge wel eenigszins gelijk in kunnen hebben, als het
+niet om zijn karakter was; maar ik kan u recommandatiën van zijnen
+meester en anderen laten zien, om te bewijzen dat hij een van de
+vromen is--zoo nederig en vroom als gij er ooit een gezien hebt. Men
+noemde hem zelfs een prediker in die streek waar hij vandaan komt."
+
+"Dan zou ik hem misschien voor huiskapelaan kunnen gebruiken," zeide
+St.-Clare droogjes. "Geen kwade inval. De godsdienst is bij ons in
+huis eene bijzonder schaarsche waar."
+
+"Nu steekt gij er den gek mede."
+
+"Hoe weet gij dat? Hebt gij mij niet verzekerd dat hij een prediker
+was? Is hij door een synode of concilie geëxamineerd? Kom, laat uwe
+papieren maar eens zien."
+
+Als de handelaar niet door zekere flikkering in de groote blauwe
+oogen verzekerd was geworden, dat al dat schertsen eindelijk toch
+op een koop zou uitloopen, zou hij misschien wel wat ongeduldig zijn
+geworden; maar thans legde hij zijn portefeuille op een baal katoen
+en zocht met ijver eenige papieren daaruit op terwijl de ander met
+een onverschillig spottend gezicht bleef staan toekijken.
+
+"O, Papa, koop hem toch! Het komt er immers niet opaan wat gij
+betaalt," fluisterde Eva, nadat zij op een pak was geklommen en haar
+arm om heur vaders hals had geslagen. "Gij hebt geld genoeg, dat weet
+ik wel; en ik wou hem hebben."
+
+"Waarom, poesje? Zult ge hem als hobbelpaard gebruiken, of wat wilt
+ge met hem doen?"
+
+"Ik wil hem gelukkig maken."
+
+"Dat is zeker eene origineele reden."
+
+Nu gaf de handelaar een certificaat over, met den naam van Shelby
+onderteekend, hetwelk St.-Clare met de toppen zijner lange vingers
+aannam en onverschillig doorkeek.
+
+"Eene fatsoenlijke hand," zeide hij, "en goed gespeld ook. Maar van
+zijne godsdienstigheid ben ik toch nog niet zeker," vervolgde hij,
+terwijl het spotachtige flikkeren in zijn oog terugkwam. "Het land
+wordt bijna geruïneerd door de vrome blanken. Bij de verkiezingen voor
+kerk en staat ziet men zooveel vroomheid, dat iemand niet weet wie hem
+nog het meest zal foppen. Dan weet ik ook niet of de godsdienstigheid
+nu wel hoog aan de markt is. Ik heb in lang niet in de courant gezien
+hoeveel zij geldt. Hoeveel honderd dollars hebt gij er wel voor zijne
+godsdienstigheid opgelegd?"
+
+"Gij steekt er den gek nu maar mee," antwoordde de handelaar; "maar
+gij hebt toch wel eenigszins gelijk. Ik weet wel dat er verschil in
+godsdienstigheid is. Sommige soorten zijn ellendig; men heeft vroomheid
+die in praten, zingen en bulderen bestaat, en die tel ik niet bij
+blanken of bij negers. Maar dit is de echte soort; en die heb ik even
+dikwijls bij negers gezien als bij iemand anders, die stille, eerlijke,
+oprechte, gestadige godsdienstigheid van zulke vromen, die de geheele
+wereld niet zou kunnen verleiden om iets te doen dat zij voor kwaad
+hielden; en gij ziet in dien brief wat Toms oude meester van hem zegt."
+
+"Welnu," zeide St.-Clare ernstiger, "als gij mij verzekeren kunt
+dat ik deze soort van vroomheid werkelijk kan koopen en dat zij in
+het boek daar boven op mijne rekening zal worden gezet, als iets
+dat mij toebehoort, wil ik er niet op zien om er iets extra voor te
+betalen. Wat zegt gij?"
+
+"Ja, dat kan ik werkelijk niet doen," antwoordde Haley. "Ik denk dat
+daar ginder ieder op zijn eigen wieken zal moeten drijven."
+
+"Het is wel hard voor iemand, die voor godsdienstigheid extra
+betaalt, dat hij ze niet kan laten gelden in het land waar hij ze
+meest zou noodig hebben, vindt ge niet?" hervatte St.-Clare, en
+zocht al sprekende eenige banknoten uit. "Daar, tel uw geld maar,
+oude jongen," vervolgde hij, de banknoten aan Haley overgevende.
+
+"In orde," zeide Haley met een gezicht dat van blijdschap straalde;
+hij haalde daarop een inktkoker uit en ging een koopbrief invullen,
+dien hij vervolgers aan St.-Clare overgaf.
+
+"Het zou mij benieuwen," zeide deze, "als ik eens verdeeld en
+geïnventariseerd werd, hoeveel ik wel zou opbrengen. Zeg zooveel voor
+den vorm van mijn gezicht, zooveel voor een hoog voorhoofd, zooveel
+voor armen, handen en beenen; zooveel voor beschaving, kundigheden,
+talenten en godsdienst. Och, dat laatste artikel zou weinig uitmaken,
+denk ik. Maar kom, Eva," vervolgde hij, nam zijn dochtertje bij de
+hand en stapte met haar de boot over.
+
+"Kijk eens op, Tom," zeide hij vriendelijk en tikte Tom even met den
+vinger onder de kin; "en zie hoe uw nieuwe meester u bevalt."
+
+Tom zag op. Het was onmogelijk dat vroolijke, jeugdige, wel besneden
+gezicht zonder welgevallen aan te zien, en Tom voelde de tranen in
+zijne oogen komen toen hij hartelijk zeide:
+
+"God zegene u, meester."
+
+"Wel, ik hoop dat Hij het doen zal. Misschien zal Hij het op uw
+vragen nog eer doen dan op het mijne, naar al wat ik hoor. Kunt ge
+rijden, Tom?"
+
+"Ik ben altijd met paarden gewend geweest," antwoordde Tom. "Mijnheer
+Shelby fokte er veel aan."
+
+"Welnu, ik geloof dat ik u op eene koets zal zetten, Tom, onder
+voorwaarde dat ge niet meer dan eens in de week dronken zijt, behalve
+in geval van groote noodzakelijkheid."
+
+Tom keek verwonderd en eenigszins beleedigd op en antwoordde:
+"Ik drink nooit, meester."
+
+"Dat heb ik meer hooren zeggen, Tom: maar wij zullen zien. Het zal
+een bijzonder gemak wezen voor allen wie het aangaat, als het waar
+is. Trek het u maar niet aan, jongen," vervolgde hij vriendelijk,
+toen hij zag dat Tom nog ernstig keek: "ik twijfel er niet aan of
+gij meent het goed."
+
+"Zeker doe ik dat, meester," zeide Tom.
+
+"En gij zult goede dagen hebben," zeide Eva nu. "Papa is heel goed
+voor alle menschen, maar hij wil ze maar altijd uitlachen."
+
+"Papa is u zeer verplicht voor uwe recommandatie," zeide St.-Clare
+lachende, keerde zich om en ging heen.
+
+
+
+
+
+VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
+
+OVER TOMS NIEUWEN MEESTER EN VERSCHEIDENE ANDERE DINGEN.
+
+
+Daar de levensdraad van onzen nederigen held thans met dien van hoogere
+personen wordt samengestrengeld, is het noodig den lezer eenigszins
+met hen te doen kennis maken.
+
+Augustine St.-Clare was de zoon van een rijken planter in
+Louisiana. De familie was uit Canada afkomstig. Van twee broeders,
+weinig verschillende in karakter en temperament, had de eene zich
+op eene vruchtbare hoeve in Vermont nedergezet, de andere was een
+welgesteld planter in Louisiana geworden. De moeder van Augustine
+was eene protestantsche Fransche dame, wier familie in vroeger tijd
+naar Louisiana was verhuisd. Augustine en zijn broeder waren de
+eenige kinderen hunner ouders. Daar hij van zijne moeder eene zwakke
+gezondheid had geërfd, werd hij op dringenden raad van geneesheeren in
+zijne kindsheid voor vele jaren naar zijnen oom in Vermont gezonden,
+opdat zijn gestel door een kouder klimaat versterkt zou worden.
+
+In zijne kindsheid onderscheidde hij zich door eene buitengemeene
+gevoeligheid, meer grenzende aan de zachtheid der vrouw, dan aan de
+gewone hardheid van zijn eigen geslacht. De tijd deed echter deze
+zachtheid met eene ruwe schors overgroeien, en weinigen wisten hoe
+levendig en frisch zij nog daaronder lag. Zijne talenten waren van
+den eersten rang, hoewel hij steeds eene voorkeur voor het ideale
+en de schoone kunsten aan den dag legde, en dien tegenzin voor de
+bezigheden van het werkelijke leven koesterde, die een gewoon gevolg
+van zulk eene gemoedsgesteldheid is. Kort nadat hij zijne studiën had
+volbracht, werd zijne geheele ziel door een romanesken hartstocht in
+vlam gezet. Zijn uur kwam--het uur dat maar eenmaal komt; zijne ster
+rees aan den horizon--die ster, die zoo dikwijls vruchteloos opgaat,
+om naderhand slechts de herinnering van een droom te zijn; en voor hem
+ging zij vruchteloos op. Om onverbloemd te spreken, hij zag in een der
+Noordelijke staten een schoon en edelaardig meisje, won hare liefde en
+zij werden verloofd. Hij keerde naar het Zuiden terug om beschikkingen
+voor hun huwelijk te maken, toen geheel onverwachts zijne brieven hem
+werden teruggezonden, met een kort briefje van haren voogd, dat eer
+dit hem bereikte de dame de vrouw van een ander zou zijn. Razend van
+spijt, hoopte hij vruchteloos, gelijk zoo menig ander gedaan heeft, de
+geheele zaak met eene wanhopige inspanning van zich af te werpen. Te
+trotsch om opheldering te vragen, stortte hij zich terstond in de
+draaikolk der modewereld; veertien dagen na het ontvangen van dien
+noodlottigen brief was hij de verklaarde minnaar der heerschende
+_belle_ van het seizoen, en zoodra de noodige schikkingen konden
+gemaakt worden, werd hij de echtgenoot van een sierlijk figuurtje,
+een paar fraaie zwarte oogen en honderdduizend dollars. Natuurlijk
+hield iedereen hem voor een gelukkig man.
+
+Het jonge paar was nog in de wittebroodsweken en onthaalde op hunne
+prachtige villa bij het meer Pontchartrain een schitterenden kring
+van vrienden, toen hem een brief werd gebracht van die welbekende
+hand. Hij ontving dit geschrift te midden van een vroolijk gesprek, in
+eene zaal vol gezelschap. Zoodra hij de hand herkende verbleekte hij,
+maar hij bleef toch bedaard en zette een schertsenden woordenstrijd
+voort met eene dame, die tegen over hem zat. Eene korte poos later
+miste men hem uit den kring. In zijne kamer alleen zijnde opende en
+las hij den brief, nu erger dan nutteloos. Hij kwam van haar en gaf
+hem een wijdloopig verslag van de kunstgrepen, die de familie van
+haren voogd had gebezigd om haar tot een huwelijk met zijnen zoon
+te bewegen. Zij verhaalde hoe zij in langen tijd geene brieven meer
+van hem had ontvangen, hoe zij verscheidene malen geschreven had tot
+zij dit moede werd en aan hem begon te twijfelen, hoe hare gezondheid
+onder hare bekommeringen was bezweken, en hoe zij eindelijk het geheele
+bedrog had ontdekt dat men tegen hen beiden had gepleegd. De brief
+eindigde met uitdrukkingen van hoop en dankbaarheid en betuigingen
+van eeuwige liefde, die thans voor den ongelukkigen man bitterder
+dan de dood waren. Hij schreef haar onmiddellijk:
+
+"Ik heb den uwe ontvangen, maar te laat. Ik geloofde alles
+wat ik hoorde. Ik was wanhopig. _Ik ben getrouwd_ en alles is
+voorbij. Vergeten--dit is het eenige wat ons beiden overblijft."
+
+En zoo eindigde al het romaneske in het leven van Augustine
+St. Clare. Doch het werkelijke bleef over--het werkelijke, gelijk
+het slijk dat op den oever blijft liggen, wanneer de heldere golven,
+met haar gezelschap van snelle booten en wit gevleugelde schepen,
+met de muziek van roeislagen en kabbelend water is afgeloopen--en
+lag daar koud, afzichtelijk en akelig voor hem.
+
+Het spreekt vanzelf, in een roman breekt iemand dan het hart, hij
+sterft en daarmede is het gedaan, en in een verhaal is dat zeer
+gemakkelijk. Maar in het werkelijke leven sterft iemand nog niet,
+wanneer alles wat het leven dierbaar maakte voor hem gestorven is. Hij
+heeft dan nog een drukken en gewichtigen kringloop over van eten,
+drinken, kleeden, wandelen, visites doen, koopen, verkoopen, praten,
+lezen en alles wat te zamen datgene uitmaakt, wat men gewoonlijk
+_leven_ noemt; en dit bleef ook voor Augustine nog over. Indien
+zijne vrouw eene echte vrouw geweest was, had zij nog iets kunnen
+doen--gelijk vrouwen dat kunnen--om de gebroken levensdraden weder aan
+te knoopen en met de hare tot een schoon geheel samen te weven. Doch
+Marie St.-Clare kon niet eens zien dat zij gebroken waren. Gelijk
+vroeger gezegd is, bestond zij uit een sierlijk figuurtje, een
+paar fraaie oogen en honderdduizend dollars, en geen van die drie
+bestanddeelen waren juist geschikt om een krank gemoed te genezen.
+
+Toen men Augustine, doodsbleek en eene plotselinge hoofdpijn als
+reden zijner ongesteldheid voorwendende, op de sofa vond liggen,
+raadde zij hem aan om hertshoorn te ruiken; en toen de bleekheid
+en de hoofdpijn week op week aanhielden, zeide zij slechts dat zij
+nooit gedacht had dat Mr. St.-Clare ziekelijk was, maar dat hij zeer
+aan hoofdpijn onderhevig scheen te zijn en dat dit een ongelukkig
+ding voor haar was, dewijl hij dan geen vermaak had om met haar naar
+gezelschappen te gaan, en het raar voor haar stond zooveel alleen
+uit te gaan, nu zij zoo pas getrouwd waren. Augustine was heimelijk
+blijde dat hij eene zoo weinig scherpziende vrouw had getrouwd; maar
+toen het vernis der wittebroodsweken was afgesleten, ontdekte hij,
+dat eene schoone jonge vrouw, die al haar leven gewoon was gevleid en
+gediend te worden, in het huiselijk leven wel eens een harde meesteres
+kon blijken te zijn. Marie had nooit veel vatbaarheid voor liefde
+of teergevoeligheid bezeten, en het weinige dat zij daarvan had,
+was in eene uitsluitende en onwillekeurige eigenliefde overgegaan,
+eene eigenliefde des te hopeloozer, omdat zij zoo geheel blind was
+en geene andere rechten kon gewaar worden dan hare eigene. Van hare
+kindsheid af was zij door dienstboden omringd geweest, die alleen
+leefden om op hare grillen te letten; het denkbeeld dat ook zij gevoel
+of rechten hadden, was haar nooit zelfs maar in de verte voor den geest
+gekomen. Haar vader, wiens eenig kind zij geweest was, had haar nooit
+iets geweigerd dat binnen het bereik der mogelijkheid lag; en toen
+zij als een schoon en rijk meisje de wereld intrad, kwamen natuurlijk
+alle mannen, die haar voor een goede partij hielden, aan haar voeten
+zuchten, en twijfelde zij niet of Augustine moest zich zeer gelukkig
+achten dat hij hare hand verwierf. Het is eene groote vergissing dat
+eene vrouw zonder vatbaarheid voor liefde, daarom minder gehechtheid
+van een minnaar of echtgenoot zal eischen. Niemand op aarde dwingt
+met minder barmhartigheid de liefde van anderen af, dan eene door
+en door eigenlievende vrouw; en hoe beminnelijker zij wordt, des te
+strenger en ijverzuchtiger wil zij de liefde, waarop zij recht meent
+te hebben, tot den laatsten penning toe invorderen. Toen dus St.-Clare
+die galanterieën en kleine oplettendheden begon te verzuimen, waarvan
+hij als minnaar de gewoonte had aangenomen, vond hij zijne sultane
+geenszins gewillig om van haren slaaf afstand te doen, en er kwamen
+tranen, kwade buien, kleine onweders, verdrietelijkheden en verwijten
+in overvloed. St.-Clare was goedhartig en vredelievend, en poogde zich
+met presentjes en vleierijen los te koopen; en toen Marie moeder van
+eene schoone dochter werd, voelde hij inderdaad voor eene poos iets
+dat naar teederheid geleek ontwaken.
+
+St.-Clare's moeder was eene vrouw geweest van buitengewoon verstand en
+reinheid van wandel, en hij gaf dit kind den naam zijner moeder, zich
+vleiende met de hoop dat het geheel haar evenbeeld zou worden. Dit
+werd door zijne vrouw met wrevelige jaloezie opgemerkt, en zij
+sloeg de teedere liefde van hare echtgenoot, voor zijne dochter
+met wangunst en achterdocht gade; alles wat de kleine werd gegeven,
+scheen haar zelve te worden ontnomen. Na de geboorte van het kind
+verzwakte hare gezondheid langzamerhand. Een leven van volslagen
+werkeloosheid naar het lichaam en den geest--het uitputtende van
+gedurige verveling en ontevredenheid, vereenigd met de verzwakking,
+welke het kraambed naliet--dat alles veranderde in den loop van
+weinige jaren de bloeiende, jonge schoone in eene gele, verwelkte,
+ziekelijke vrouw, die haar tijd tusschen de zorgen voor eene menigte
+ingebeelde kwalen verdeelde, en zich zelve in alle opzichten voor de
+ongelukkigste en meest verwaarloosde lijderes op de wereld hield.
+
+Er kwam geen eind aan haar klagen; maar de kwaal, waarvan zij het
+meeste werk maakte, scheen eene stompe hoofdpijn te zijn, welke
+haar drie dagen van de zes in hare kamer hield. Daar natuurlijk
+alle huiselijke beschikkingen en bezigheden aan dienstboden
+werden overgelaten, vond St.-Clare zijn huishouden alles behalve
+plezierig. Zijne eenige dochter was zeer teeder van gestel en hij
+vreesde dat, zonder iemand om voor haar te zorgen en haar op te passen,
+hare gezondheid en zelfs haar leven zou gevaar loopen, dewijl hare
+moeder zich zoo weinig aan haar liet gelegen liggen. Hij had haar
+medegenomen op een reisje naar Vermont, en zijne nicht Miss Ophelia
+St.-Clare overgehaald om met hem naar zijne woonplaats in het Zuiden
+terug te keeren. Zoo kwamen zij te zamen op de boot waarop wij hen
+aan onze lezers hebben voorgesteld.
+
+Terwijl de koepels en de torens van Nieuw-Orleans in de verte voor
+ons oprijzen, hebben wij nog tijd om Miss Ophelia te introduceeren.
+
+Wie in Nieuw-Engeland heeft gereisd, zal zich wel in een of ander
+de groote hoeve herinneren met de zindelijke werf, beschaduwd door
+het dichte gebladerte van suikermastboomen, en zich daarbij nog wel
+kunnen voorstellen welk een geest van orde en kalmte, van duurzaamheid
+en onverstoorbare rust de geheele plaats scheen te ademen. Niets
+verwaarloosd, niets ongeregeld, geene lat los in de schutting,
+geen het minste vuil op de begraasde werf met hare seringenboschjes
+die onder de vensters opgroeien. In het huis zal hij zich de ruime,
+zindelijke kamers herinneren, waar nooit iets schijnt gedaan te worden
+of te zullen gedaan worden, waar alles voor altijd stijf op zijne
+plaats staat, en alle huiselijke bezigheden met de regelmatigheid der
+oude klok in den hoek afloopen. In de grootste kamer zal hij zich
+de deftige boekenkast met glazen deuren herinneren, waarin Rollins
+Geschiedenis, Miltons Paradijs Verloren, Bunyans Christens Reize,
+Scotts Huisbijbel en andere deftige boeken geregeld naast elkander
+staan. Er zijn geene dienstboden in huis; maar de huisvrouw, met hare
+sneeuwwitte muts en haar bril op, die daar elken namiddag onder hare
+dochters zit te naaien, alsof er niets gedaan was--zij heeft met deze
+meisjes in den lang vergeten vroegen ochtend "den boel beredderd,"
+en voor het overige van den tijd, waarschijnlijk op alle mogelijke
+uren dat gij kunt inkomen, is hij "aan kant." De keukenvloer schijnt
+nooit een vlek te krijgen, de stoelen, ja zelfs de potten en pannen,
+schijnen nooit van hunne plaats te komen, hoewel daar drie en somtijds
+vier maaltijden daags gereedgemaakt worden, hoewel al het linnen daar
+gewasschen en gestreken wordt, en hoewel tal van ponden boter en kaas
+daar op zekere stille, geheime manier tot aanzijn worden gebracht.
+
+Op zulk eene hoeve, in zulk een huis en zulk gezin, had Miss Ophelia
+een rustig leven van omtrent vijf en veertig jaren gesleten, toen haar
+neef haar verzocht om met hem mede te komen naar zijne woonplaats in
+het Zuiden. Hoewel de oudste van een talrijke familie, werd zij door
+haren vader en hare moeder nog als een van de kinderen beschouwd, en
+het voorstel dat zij naar Orleans zou gaan, was voor den huiselijken
+kring van groot gewicht. Haar grijze vader nam den atlas van Morse
+uit de boekenkast om nauwkeurig de ligging na te zien, en las Flints
+Reizen in het Zuiden en Westen nog eens na, om over den aard van het
+land te oordeelen.
+
+De goede moeder vroeg angstig of Orleans niet "eene ontzettend
+goddelooze plaats" was en zeide, dat het haar voorkwam bijna gelijk
+te staan met naar de Sandwich-eilanden of ergens anders onder de
+heidenen te gaan.
+
+Het werd bij den dominee, bij den dokter en bij Miss Peabody, de
+wollenaaister, bekend, dat Ophelia St.-Clare er over praatte, om met
+haren neef naar Orleans te gaan, en natuurlijk kon het geheele dorp
+niet minder doen dan er mede over helpen praten. De dominee, die tot
+de abolitionistische begrippen overhelde, twijfelde of zulk een stap
+de Zuiderlingen niet eenigszins in het stelsel der slavernij zou
+kunnen steunen; terwijl de dokter, die een ijverig colonisationist
+was, tot het gevoelen overhelde dat Miss Ophelia behoorde te gaan,
+om de lieden van Orleans te toonen dat zij toch zoo slecht niet over
+hen dachten. Toen het echter volkomen zeker was dat zij gaan zou,
+werd zij veertien dagen achtereen door alle vriendinnen en geburinnen
+op de thee gevraagd, en bij die gelegenheid werden hare plannen en
+vooruitzichten naar behooren onderzocht en besproken. Miss Mosely,
+die aan huis kwam om te helpen naaien, kon dagelijks nieuwe berichten
+geven aangaande den voorraad van onder- en bovengoed dien Miss Ophelia
+zou medenemen. Men vernam aldus, dat de oude Sinclare, gelijk zijn
+naam gewoonlijk werd samengetrokken, zijne dochter vijftig dollars
+had gegeven, met vrijheid daarvoor te koopen wat zij noodig achtte,
+en dat men twee nieuwe zijden japonnen en een hoed van Boston had
+laten komen. Over het voegzame van zulke buitengewone onkosten waren
+de stemmen van het publiek verdeeld; sommigen zeiden dat men, alles
+in aanmerking genomen, voor eene enkele maal zoo iets wel doen mocht;
+en anderen beweerden dat men het geld liever aan de zendelingen had
+moeten geven; maar allen kwamen daarin overeen, dat men nog nooit
+zulk een parasol had gezien als er uit Nieuw-York was gekomen, en
+dat de eene zijden japon heel wel in staat was om alleen op zich
+zelven te staan, wat men ook in dit opzicht van de eigenares mocht
+zeggen. Er liepen ook geloofwaardige geruchten van gestikte zakdoeken;
+en men wilde zelfs zeggen dat Miss Ophelia één zakdoek had, rondom
+met kant bezet--sommigen voegden er ook bij met geborduurde hoeken;
+maar dit laatste punt werd nooit geheel uitgemaakt en blijft tot
+heden toe onbeslist.
+
+Miss Ophelia, gelijk gij haar nu ziet, staat voor u in een reisgewaad
+van blinkend bruin linnen, rijzig, beenderig en hoekig van figuur. Haar
+gezicht was mager en had tamelijk scherpe trekken; de lippen waren
+dichtgeknepen, gelijk van iemand die gewoon is over alle voorkomende
+dingen terstond eene beslissende meening op te vatten, terwijl hare
+donkere oogen een bijzonder bedachtzaam zoekenden blik hadden, en
+over alles heen en weder gingen, alsof zij naar iets zochten waarop
+gelet en gepast moest worden.
+
+Al hare bewegingen waren snel, vast en krachtig, en hoewel zij nooit
+veel sprak, waren, wanneer zij dit deed, hare woorden altijd bijzonder
+puntig en bondig.
+
+In hare gewoonten en manieren was zij de orde, regelmatigheid en
+nauwkeurigheid in eigen persoon. Zij paste op haren tijd met de
+juistheid van eene klok en de onverbiddelijkheid van een spoortrein,
+en voor alles wat zich niet aan zulk een regel hield, koesterde zij
+evenveel minachting als afkeer.
+
+De allergrootste zonde in hare oogen--de som van alle kwaad--werd
+aangeduid door eene veel gebezigde en zeer gewichtige uitdrukking
+in haar woordenboek;--"onbeholpenheid." Haar ultimatum van afkeuring
+bestond in het nadrukkelijk uitspreken van het woord "onbeholpen;" en
+daarmede bestempelde zij alle bedrijven en manieren van handelen die
+niet duidelijk en rechtstreeks op een bepaald doel afgingen. Menschen,
+die niets deden of niet recht wisten wat zij deden, of niet den
+kortsten weg namen om uit te voeren wat zij begonnen, waren voorwerpen
+van hare diepe verachting, eene verachting, welke zij doorgaans minder
+toonde door iets dat zij zeide, dan wel door zekere steenachtige
+norschheid van uitzicht, alsof zij het beneden zich achtte iets van
+de zaak te zeggen.
+
+Wat hare verstandsontwikkeling betrof, zoo had zij een helder en
+krachtig oordeel, was welbelezen in de geschiedenis en de oudere
+Engelsche klassieke schrijvers, en redeneerde zeer juist binnen zekere
+beperkte grenzen. Haar godgeleerde stellingen waren alle in den meest
+bepaalden en duidelijken vorm gebracht, en werden zoo bewaard gelijk
+de pakjes garen in haar naaikistje: er waren juist zooveel en er
+moest nooit eene meer zijn. Zoo was het ook gelegen met hare meeste
+denkbeelden over wereldsche zaken, bij voorbeeld over het huishouden
+in al zijne takken, en de politieke aangelegenheden van het dorp harer
+geboorte. Doch onder dat alles, dieper, breeder en hooger dan iets
+anders, lag het krachtigste beginsel van haar gemoed--nauwgezetheid
+van geweten. Nergens heerscht het geweten zoo geheel en boven alles,
+als bij de vrouwen van Nieuw-Engeland. Het is de granietformatie
+welke het diepste ligt, en toch zelfs tot aan de toppen der hoogste
+bergen oprijst.
+
+Miss Ophelia was de slavin van het "moeten." Wanneer het haar eens
+duidelijk bleek, "dat de baan van haren plicht," gelijk zij het
+gewoonlijk uitdrukte, in zekere richting lag, konden vuur en water
+haar niet daarvan doen afwijken. Zij zou recht op een afgrond of op
+de tromp van een geladen kanon zijn afgegaan, indien zij maar zeker
+was geweest dat de baan van haren plicht daarheen voerde. Haar regel
+van recht en plicht was zoo verheven, zoo alles omvattend, ging tot
+in zulke kleine bijzonderheden en kende zoo weinig oogluiking voor
+menschelijke zwakheden, dat zij, hoewel zij met heldhaftigen ijver
+naar haar eigen ideaal streefde, dien toch nooit bereiken kon, en
+daardoor natuurlijk steeds een kwellend gevoel van hare tekortkomingen
+met zich omdroeg. Dit gaf hare godsdienstige stemming eene strenge
+en eenigszins sombere kleur.
+
+Maar hoe in de wereld kan Miss Ophelia met Augustine St.-Clare te
+recht komen--een vroolijk, onbezorgd, lichtzinnig, vergeetachtig,
+ongodsdienstig jongmensch, die met onbeschaamde vrijpostigheid tegen
+al hare geliefkoosde meeningen en gewoonten aanloopt?
+
+Om dan de waarheid te zeggen, Miss Ophelia had hem lief. Toen hij nog
+een kind was, was zij het die hem zijnen catechismus moest leeren,
+zijne kleeren verstellen, zijne haren kammen, en over het geheel hem
+onder opzicht en bedwang houden; en daar haar hart ook een warmen kant
+had, was het Augustine gelukt zich een groot gedeelte daarvan toe te
+eigenen, en zoo was het hem niet moeielijk geweest haar te overreden,
+dat "de baan van haren plicht" in de richting van Nieuw-Orleans lag,
+en dat zij met hem mede moest gaan om op Eva te passen, en te zorgen
+dat niet alles door de bestendige ziekelijkheid zijner vrouw in de war
+liep en hij eindelijk geruïneerd werd. Het denkbeeld van een huishouden
+zonder iemand om er op te passen, ging haar aan het hart; dan had zij
+ook de innemende Eva lief gekregen, gelijk weinige menschen konden
+laten; en hoewel zij Augustine voor een halven heiden hield, had zij
+hem toch lief, lachte over zijne grappen, en verdroeg zijne gebreken
+zelfs in eene mate, welke diegenen die hem kenden geheel ongelooflijk
+voorkwam. Doch wat er meer of anders van Miss Ophelia geweten moet
+worden, zal de lezer wel door persoonlijke kennismaking ontdekken.
+
+Daar zit zij nu op de stoomboot in haar kamertje, omringd door een
+aantal groote en kleine reiszakken, doozen en manden, die alle iets
+bevatten waarvoor zij verantwoordelijk is, met een zeer ernstig
+gezicht vast te binden, toe te sluiten en bijeen te pakken.
+
+"Wel, Eva, hebt gij nu uw goed nageteld? Neen, zeker niet--kinderen
+denken daar nooit om. Daar is de geruite reiszak en de blauwe doos
+met uwen besten hoed--dat is twee; dan dat geverniste zakje, dat
+is drie; en mijn garendoosje is vier; en mijn lintendoosje is vijf;
+en mijne kragendoos is zes; en dat koffertje is zeven. Waar hebt ge
+uw parasol gelaten? Geef haar mij hier, dan zal ik er een papier om
+doen en haar met mijne parapluie en parasol bijeenbinden. Daar nu."
+
+"Maar, Tante, wij gaan maar naar huis. Waartoe hoeft dat zoo?"
+
+"Om alles netjes te houden, kind. Iemand moet op zijn goed passen,
+als hij het bewaren wil. Hebt gij uw vingerhoed nu geborgen, Eva?"
+
+"Waarlijk, Tante, ik weet het niet."
+
+"Nu, dat doet er niet toe; ik zal uw doosje wel eens
+nazien. Vingerhoed, stukje was, twee lepeltjes, schaar, mesje,
+rijgpen--alles is er. Zet het nu daar maar neer. Hoe hebt gij het
+toch gemaakt, kind, toen ge met uwen papa alleen op reis waart? Ik
+zou denken dat gij al wat gij hadt moest verloren hebben."
+
+"Wel, Tante, ik verloor ook veel; maar als we dan ergens stilhielden,
+kocht papa weder nieuw daarvoor."
+
+"Wel lieve deugd, kind, welk eene manier van doen!"
+
+"O, het was eene heel gemakkelijke manier, Tante," zeide Eva.
+
+"Maar hoe roekeloos!" zeide tante.
+
+"Maar, tante, hoe zult ge het nu maken?" hervatte Eva. "Die koffer
+is te vol om dicht te kunnen."
+
+"Hij _moet_ dicht," zeide tante op een toon van een commandeerend
+generaal en stapte boven op het deksel; maar hoe het goed ook werd
+samengeperst, de koffer bleef nog een weinig gapen.
+
+"Ga hier eens op zitten, Eva," zeide Miss Ophelia onverschrokken. "Wat
+eens gegaan heeft kan ook weer gaan. Die koffer moet gesloten worden;
+dat mag niet anders."
+
+En waarschijnlijk door deze vastberadenheid beangstigd, zwichtte
+de koffer. De kram knipte in het gat, en Miss Ophelia draaide den
+sleutel om en stak dien zegepralend in haren zak.
+
+"Nu zijn wij klaar. Waar is uw papa? Ik acht het tijd dat zijne bagage
+uitgezet wordt. Ga toch eens kijken, Eva, waar uw papa is."
+
+"Hij is in de heerenkajuit," antwoordde Eva.
+
+"Hij weet zeker niet hoe dichtbij wij al komen," zeide tante. "Zoudt
+gij niet eens naar hem toe gaan en hem waarschuwen?"
+
+"Papa haast zich nooit met iets," antwoordde Eva; "en wij zijn nog
+niet aan land. Kom eens kijken, Tante. Zie, daar staat ons huis,
+daar in die straat."
+
+De boot begon nu, steunende als een afgemat monsterdier, zich door
+de menigte van andere stoombooten langs de kade heen te werken. Eva
+wees met blijdschap naar den toren, koepels en andere voorwerpen,
+waaraan zij hare geboorteplaats herkende.
+
+"Ja, ja, lieve, alles is heel mooi," zeide Miss Ophelia. "Maar lieve
+hemel, daar ligt de boot al stil en waar is uw vader?"
+
+Nu kwam de gewone drukte van het landen--knechts wilden naar twintig
+kanten te gelijk heenloopen--mannen sleepten met koffers, doozen en
+reiszakken--vrouwen riepen angstig om hare kinderen, en allen drongen
+dicht op elkander naar de loopplank.
+
+Miss Ophelia zette zich op den laatst overmeesterden koffer, en
+nadat zij eene verschansing van hare andere goederen had gebouwd,
+scheen zij zich gereed te houden om die tot het uiterste te verdedigen.
+
+"Zal ik uw koffer dragen, Juffrouw?"--"Zal ik uwe bagage
+opladen?"--"Laat mij maar voor uw goed zorgen."--"Zal ik u helpen,
+Juffrouw?" regende het om haar heen, zonder dat zij er op lette. Zij
+bleef, haar bundel van parapluies en parasols vasthoudende, stokstijf
+zitten, en keek zoo zuur, dat zelfs een huurkoetsier er bang voor
+moest worden, tusschenbeide Eva aansprekende om te betuigen dat zij
+niet begreep waar haar papa bleef.
+
+"Hij kan toch niet overboord gevallen zijn; maar er moet zeker iets
+gebeurd wezen."
+
+Juist toen zij zich inderdaad angstig begon te maken, kwam St.-Clare
+met zijne gewone onverschilligheid aankuieren, en nadat hij Eva een
+vierdepartje van een sinaasappel had gegeven, dien hij nog bezig was
+te eten, zeide hij:
+
+"Wel, Nicht Vermont, ik geloof haast dat ge klaar zult zijn?"
+
+"Ik heb al haast een uur zitten wachten," antwoordde Ophelia. "Ik
+begon waarlijk ongerust over u te worden."
+
+"Welnu," zeide hij, "het rijtuig staat te wachten en het gedrang is
+over, zoodat men nu op eene fatsoenlijke manier aan land kan gaan,
+zonder geduwd en gestooten te worden. Hier," vervolgde hij tot een
+koetsier die achter hem stond, "neem die dingen eens op."
+
+"O, ik zal ze zelve wel dragen en bergen," zeide Ophelia.
+
+"Kom, kom, Nicht, waartoe dat?"
+
+"Nu, in allen gevalle wil ik dit, en dit, en dit, zelve dragen,"
+zeide Ophelia, drie doozen en een reiszakje uitzoekende.
+
+"Maar lieve Miss Vermont, gij moet hier niet doen alsof gij in de
+Groene Bergen waart. Gij moet ten minste iets van onze zuidelijke
+manieren overnemen en u zelve niet zoo bevrachten. Men zou u voor
+een kamenier houden. Geef die dingen maar aan dien man; hij zal er
+zoo voorzichtig mee omgaan alsof het eieren waren."
+
+Miss Ophelia liet zich met een wanhopig gezicht al hare schatten
+afnemen, en was zeer blijde toen zij er behouden mede in het rijtuig
+zat.
+
+"Waar is Tom?" zeide Eva.
+
+"Hij zit achterop, poesje. Ik zal hem aan mama geven tot een presentje
+om vrede te maken en haar dien dronken kerel te doen vergeten, die
+de kast heeft omgesmeten."
+
+"O, Tom zal zeker een uitmuntend koetsier zijn," zeide Eva. "Hij zal
+zich nooit dronken drinken."
+
+Het rijtuig hield stil voor een oud huis, hetwelk die zonderlinge
+mengeling van den Spaanschen en Franschen bouwtrant vertoonde,
+waarvan men in sommige gedeelten van Nieuw-Orleans nog voorbeelden
+ziet. Het was een vierkant gebouw, dat een binnenplein omsloot,
+hetwelk men door eene gewelfde koetspoort opreed. Dit binnenplein was
+blijkbaar ingericht om aan een schilderachtigen en weelderigen smaak
+te voldoen. Om al de vier zijden liepen breede galerijen, met bogen,
+ranke pilaren en arabesken versierd, die den geest als in een droom
+naar den romanesken tijd van de heerschappij der Oosterlingen in
+Spanje terugvoerden. In het midden wierp eene fontein haar zilveren
+waterstraal, die als regen in een marmeren bekken neerviel met een
+breeden rand van geurige bloemen omzoomd. Het water in dat bekken,
+zoo helder als kristal, wemelde van goud- en zilvervischjes, die
+als zoovele levende juweelen flikkerend heen en weder schoten. Om
+de fontein liep een pad met een mozaïek van keitjes bevloerd, in
+allerlei grillige figuren geschikt; en dit werd wederom omgeven door
+een grasperk, zoo effen als groen fluweel, terwijl een breed rijpad het
+geheel omsloot. Twee groote oranjeboomen, thans met geurige bloesems
+beladen, gaven eene verkwikkelijke schaduw; en in een kring op het gras
+stonden fraai gebeeldhouwde marmeren vazen, met de keurigst bloeiende
+heesters der keerkringslanden. De galerijen om dit plein waren met
+gordijnen van gebloemde stof gedrapeerd, die naar welgevallen konden
+neergelaten worden om de zonnestralen af te weren. Het voorkomen van
+het geheel was bij uitstek weelderig en romanesk. Toen men de poort
+inreed, geleek Eva, in hare woeste blijdschap, naar een vogeltje dat
+uit zijne kooi wil breken.
+
+"O, is het hier niet mooi, niet heerlijk?" zeide zij tegen Miss
+Ophelia. "Hoe vindt gij mijn huis? Is het niet allerliefst?"
+
+"Het is heel aardig," antwoordde Ophelia afstappende, "hoewel het
+mij wel wat ouderwetsch en heidensch voorkomt."
+
+Tom stapte van het rijtuig en zag met stil maar innig genot om
+zich heen. De neger, moet men bedenken, is uit het heerlijkste der
+wereld afkomstig en heeft eene hartstochtelijke zucht voor alles wat
+prachtig, rijk en veelkleurig is, eene zucht, welke hem, wanneer hij
+haar met zijnen onbeschaafden smaak involgt, aan den spot der koelere,
+juister oordeelende blanken blootstelt.
+
+St.-Clare, die in zijn hart een poëtisch wellusteling was, glimlachte
+bij Ophelia's oordeel over zijne woning, en zich naar Tom wendende,
+die nog met een glans van bewondering op zijn zwart gezicht stond
+rond te zien, zeide hij:
+
+"Wel, Tom, mijn jongen, dat schijnt u te bevallen?"
+
+"Ja, meester," antwoordde Tom, "dat lijkt haast het rechte ding
+te wezen."
+
+Dit alles gebeurde in een oogenblik, terwijl de koffers werden
+afgeladen, de huurkoetsier betaald werd, en een troep mannen,
+vrouwen en kinderen door de galerijen boven en beneden kwam aanloopen
+om meester te zien komen. Vooraan plaatste zich een jonge mulat,
+blijkbaar een gedistingueerd persoon, die overdreven zwierig en naar
+de mode gekleed was, en sierlijk met een geparfumeerden zakdoek stond
+te wuiven.
+
+Deze persoon joeg met grooten ijver den geheelen troep van bedienden
+terug.
+
+"Ik schaam mij over u," zeide hij op een toon van gezag. "Zoudt gij u
+bij meesters huiselijke betrekkingen willen indringen, in het eerste
+uur zijner terugkomst?"
+
+Allen stonden verslagen over deze fraaie bestraffing, die met
+niet weinig air werd uitgesproken, en bleven op een afstand, met
+uitzondering van twee sterke negers, die nader kwamen en de bagage
+begonnen weg te dragen.
+
+Mr. Adolf had het zoo aangelegd, dat er, toen St.-Clare den
+huurkoetsier had betaald en zich omkeerde, niemand in het gezicht
+was, behalve Mr. Adolf zelf, die door zijn satijnen vest, gouden
+horlogeketting en wit linnengoed genoeg in het oog liep en met
+onbeschrijfelijke gratie en vriendelijkheid stond te buigen.
+
+"Ha, Adolf! zijt gij daar?" zeide zijn meester hem de hand
+toereikende. "Hoe gaat het mijn jongen?" En daarop bracht Adolf met
+groote vlugheid eene aanspraak voor den dag, welke hij sedert veertien
+dagen zorgvuldig had bedacht en van buiten geleerd.
+
+"Goed, goed," zeide St.-Clare, met zijne gewone spottende
+onverschilligheid voortstappende; "dat is alles heel mooi bijeengelapt,
+Adolf. Zorg eens dat de bagage goed geborgen wordt. Ik zal zoo meteen
+bij het volk komen." En met deze woorden bracht hij Miss Ophelia naar
+eene kamer die op de galerij uitkwam.
+
+Terwijl dit voorviel was Eva als een vogeltje naar een klein boudoir
+gevlogen, dat insgelijks op de galerij uitkwam.
+
+Eene rijzige, geelbleeke vrouw met donkere oogen richtte zich half
+op van de sofa waarop zij lag.
+
+"Mama!" riep Eva in eene verrukking van blijdschap, sloeg hare armpjes
+om haren hals en kuste haar nogmaals en nogmaals.
+
+"Dat is genoeg--pas op, kind--maak niet dat ik hoofdpijn krijg,"
+zeide de Moeder, na haar flauw een kus te hebben gegeven.
+
+Nu kwam St.-Clare binnen, gaf zijn vrouw een echt orthodoxen,
+echtelijken kus en presenteerde haar daarna zijne nicht. Marie sloeg
+met zekeren zweem van nieuwsgierigheid hare groote oogen naar Ophelia
+op en ontving haar met kwijnende beleefdheid. Een troep bedienden
+verdrong elkander om den ingang; de voorste daaronder was eene mulattin
+van middelbare jaren en een fatsoenlijk voorkomen, die van vroolijk
+ongeduld scheen te beven.
+
+"O, daar is Mammy!" riep Eva, vloog de kamer door, wierp zich in hare
+armen en kuste haar verscheidene malen.
+
+Deze vrouw sprak niet van hoofdpijn, maar liefkoosde haar en lachte en
+schreide, tot men er aan twijfelen kon of zij wel bij haar verstand
+was, en toen zij haar losliet, vloog Eva van den een naar den ander,
+handen gevende en kussende, op eene manier waarvan Miss Ophelia
+naderhand zeide dat zij inderdaad misselijk was geworden.
+
+"Nu," zeide zij, "uwe kinderen in het Zuiden kunnen iets doen, dat _ik_
+niet zou kunnen doen."
+
+"Wat is dat?" zeide St.-Clare.
+
+"Wel, ik wil wel tegen iedereen vriendelijk zijn en zou niemand willen
+kwaad doen; maar negers...."
+
+"Zoenen te geven," zeide St.-Clare, "daartoe zijt gij niet in staat,
+niet waar?"
+
+"Ja, dat is het. Hoe kan zij het doen?"
+
+St. Clare lachte en stapte de gang in.
+
+"Holla daar, waar blijft gij nu? Hier, allemaal--Mammy, Jimmy,
+Polty, Suckey--blij dat ge meester weerziet?" zeide hij en gaf allen
+achtereen de hand. "Pas op de kinderen," vervolgde hij, toen hij
+over een pikzwarten kabouter struikelde, die op handen en voeten
+kroop. "Als ik er op een trap, laat hij het dan maar zeggen."
+
+Gelach en zegewenschen in overvloed beloonden den meester, toen hij
+kleingeld onder hen uitdeelde.
+
+"En maak nu dat gij wegkomt, als goede jongens en meiden," zeide hij
+en de geheele vergadering, zwart en bruin, stoof de deur uit naar
+de galerij, gevolgd door Eva, die een grooten zak medenam, welken
+zij op de geheele reis naar huis met appelen, noten, kandijklontjes,
+eindjes lint en kant en allerlei speelgoed had gevuld.
+
+Toen St. Clare zich omkeerde om heen te gaan, viel hem Tom in het oog,
+die onrustig nu op den eenen dan op den anderen voet stond te wiegelen,
+terwijl Adolf, tegen een pilaar leunende, hem door een lorgnet bekeek,
+met een _air_ dat een modeheertje tot eer zou hebben gestrekt.
+
+"Gij, aap!" zeide zijn meester en sloeg hem het lorgnet uit de hand:
+"is dat de manier om uw gezelschap te behandelen? Mij dunkt, Dolf,"
+vervolgde hij, met zijnen vinger naar het gebloemd satijnen vest
+wijzende waarmede Adolf pronkte, "mij dunkt dat is _mijn_ vest."
+
+"O, meester, dat vest was overal met wijn bemorst. Natuurlijk kon een
+_gentleman_ van meesters fatsoen zulk een vest nooit meer dragen. Ik
+dacht dat ik het wel hebben mocht. Voor een armen neger zooals ik,
+is het nog goed."
+
+Adolf wierp zijn hoofd in den nek en streek zijne vingers sierlijk
+door zijne geparfumeerde haren.
+
+"Zoo, is dat het geval?" zeide St.-Clare onverschillig. "Nu, ik zal Tom
+aan zijne meesteres laten zien, en neem hem dan mede naar de keuken,
+en pas op dat gij u niet weer zulke _airs_ tegen hem geeft. Hij is
+meer waard dan twee zulke apen als gij."
+
+"Meester wil altijd gekscheren," zeide Adolf lachende. "Ik ben blij
+dat ik meester weer zoo vroolijk zie."
+
+"Hier, Tom!" zeide St.-Clare hem wenkende.
+
+Tom trad de kamer binnen. Hij zag de tapijten en de voorbeeldelooze
+pracht der spiegels, schilderijen, standbeelden en gordijnen, en,
+gelijk de koningin van Scheba voor Salomo, er was geen geest meer in
+hem. Hij scheen zelfs bevreesd om zijn voet neer te zetten.
+
+"Zie eens hier, Marie," zeide St.-Clare tot zijne vrouw, "nu heb ik
+eindelijk een koetsier voor u gekocht zooals ge hebben woudt. Hij is
+zoo zwart en deftig als eene geheele lijkstaatsie en zal u ook even
+deftig rijden als gij wilt. Doe uwe oogen nu eens open en zie hem
+aan. Zeg nu niet meer dat ik nooit om u denk als ik uit ben."
+
+Marie opende hare oogen en keek naar Tom, maar zonder zich op te
+richten.
+
+"Ik weet toch wel dat hij ook drinken zal," zeide zij nu.
+
+"Neen, men heeft er voor ingestaan dat hij vroom en nuchter is."
+
+"Nu, ik hoop dat het met hem schikken zal," zeide de dame; "maar het
+is meer dan ik verwacht."
+
+"Dolf!" zeide St.-Clare, "wijs Tom den weg naar de keuken. En pas op,"
+voegde hij er bij, "onthoud wat ik u gezegd heb."
+
+Adolf trippelde sierlijk heen. Tom volgde met zware schreden.
+
+"Hij gelijkt wel een olifant," zeide Marie.
+
+"Komaan, Marie," zeide St.-Clare, zich bij de sofa op een stoel
+zettende, "wees nu eens vriendelijk en zeg iemand iets aardigs."
+
+"Gij zijt veertien dagen over den tijd uitgebleven," zeide de dame
+pruilende.
+
+"Maar gij weet wel, ik heb u de reden geschreven."
+
+"Zulk een korten, koelen brief."
+
+"Maar mijn hemel, de post zou vertrekken, ik moest kort schrijven of
+geheel niet."
+
+"Zoo is het altijd," zeide de dame; "altijd is er iets om uwe reizen
+lang en uwe brieven kort te maken."
+
+"Zie nu eens hier," hervatte hij, een elegant fluweelen doosje uit
+zijnen zak halende en openende, "hier is een presentje, dat ik u uit
+Nieuw-York heb medegebracht."
+
+Het was eene daguerreotype, zoo duidelijk en fraai als eene gravure,
+van Eva en haar vader, hand aan hand naast elkander zittende.
+
+Marie bekeek die portretjes met een onvergenoegd gezicht.
+
+"Waarom moest gij in zulk een stijve houding zitten?"
+
+"Nu, over de houding mag verschil van meening zijn; maar wat vindt
+gij van die gelijkenis?"
+
+"Als gij u aan mijne meening in dit opzicht niet stoort, zult gij het
+ook wel in het andere niet doen," antwoordde zij, het doosje sluitende.
+
+"Welk een onaangenaam wijf!" dacht St.-Clare bij zich zelven;
+maar overluid zeide hij: "Komaan nu, Marie, wat dunkt u van de
+gelijkenis? Wees nu niet dwaas."
+
+"Het is al zeer ongevoelig van u, St.-Clare," antwoordde de dame,
+"dat gij mij dwingt om nu naar allerlei dingen te kijken en er over
+te spreken. Gij weet wel dat ik den geheelen dag met hoofdpijn heb
+gelegen, en sedert gij tehuis gekomen zijt, is er zulk een geweld
+gemaakt, dat ik halfdood ben."
+
+"Zijt gij zoo aan hoofdpijn onderhevig, Mevrouw?" zeide Miss Ophelia,
+uit de diepte van een kussenstoel oprijzende, waarin zij stil was
+blijven zitten, bij zich zelve een inventaris van de meubelen makende
+en berekenende wat zij moesten gekost hebben.
+
+"Ja, ik ben eene martelares daarvan," antwoordde de dame.
+
+"Jeneverbessen-thee is heel goed voor hoofdpijn," zeide Ophelia,
+"tenminste Augusta, de vrouw van den ouden Abraham Perry, placht zoo
+te zeggen, en zij had veel ondervinding."
+
+"Ik zal de eerste jeneverbessen, die in onzen tuin bij het meer
+rijp worden, opzettelijk daarvoor laten komen," zeide St.-Clare
+zeer ernstig en trok te gelijk aan de schel. "Ondertusschen, Nicht,
+zult gij wel gaarne naar uwe kamer willen gaan, om u na de reis wat
+te verfrisschen. Dolf," vervolgde hij, "laat Mammy terstond eens
+hier komen."
+
+De mulattin, welke Eva met zooveel verrukking had geliefkoosd, trad
+spoedig binnen. Zij was zeer net gekleed en had een rooden en gelen
+tulband op, dien Eva haar nu pas had medegebracht, en welken het
+meisje zelf om haar hoofd had gewonden.
+
+"Mammy," zeide St.-Clare, "ik stel deze dame onder uwe zorg. Zij is
+moede en heeft rust noodig. Breng haar naar heur kamer en zorg er
+voor dat zij alle gemak heeft."
+
+Daarop verdween Ophelia, door Mammy voorgegaan.
+
+
+
+
+
+ZESTIENDE HOOFDSTUK.
+
+TOMS NIEUWE MEESTERES EN HARE GEVOELENS.
+
+
+"En nu, Marie," zeide St.-Clare, "zullen er gouden dagen voor
+u aankomen. Hier is nu onze knappe huishoudelijke nicht uit
+Nieuw-Engeland, die den geheelen last van zorgen van uwe schouders
+zal nemen, en u tijd laten om u op te frisschen om weder jong en
+mooi te worden. Gij moest nu maar terstond tot de ceremonie van het
+overgeven der sleutels komen."
+
+Dit zeide hij aan de ontbijttafel, eenige ochtenden nadat hij met
+Ophelia was aangekomen.
+
+"O, zij is welkom," zeide Marie en liet kwijnend haar hoofd op hare
+handen rusten. "Ik denk dat zij wel iets ondervinden zal, namelijk,
+dat wij meesteressen hier eigenlijk de slavinnen zijn."
+
+"O zeker, dat zal zij wel ontdekken, en nog een aantal heilzame
+waarheden bovendien," zeide St.-Clare.
+
+"Men praat van slaven houden, alsof wij het voor ons gemak deden,"
+hervatte Marie. "Zeker, als wij daarom dachten, zouden wij hen allen
+terstond laten gaan."
+
+Evangeline zag hare moeder ernstig aan, alsof er iets gezegd was dat
+haar verbijsterde, en vroeg toen eenvoudig:
+
+"Waarom houdt gij ze dan, Mama?"
+
+"Dat weet ik zelf niet, of het moest tot eene plaag wezen; zij zijn
+de plaag van mijn leven. Ik geloof dat zij meer de schuld van mijne
+ziekelijkheid zijn dan iets anders; en de onze, dat weet gij wel,
+zijn de ergsten waarmede ooit iemand geplaagd was."
+
+"Och kom, Marie, ge zijt van morgen melancholiek," zeide
+St.-Clare. "Gij weet wel dat het zoo niet is. Daar is Mammy--die
+is immers de beste meid van de wereld. Hoe zoudt gij het zonder
+haar maken?"
+
+"Mammy is de beste die ik ooit gekend heb," zeide Marie hierop;
+"en Mammy is toch zoo eigenlievend--schrikkelijk eigenlievend; dat
+is het gebrek van het geheele ras."
+
+"Eigenliefde is inderdaad een akelig gebrek," zeide St.-Clare ernstig.
+
+"Nu, daar is dan die Mammy," hervatte Marie. "Mij dunkt, het is zeer
+eigenlievend van haar, des nachts zoo vast te slapen. Zij weet wel
+dat ik gedurig kleine diensten noodig heb, als ik mijne ergste vlagen
+krijg, en toch is zij zoo moeielijk te wekken, dat ik van morgen
+stellig erger was door de inspanning, die ik van nacht van mij had
+moeten vergen om haar wakker te krijgen."
+
+"Maar is zij niet al verscheidene nachten bij u opgebleven,
+Mama?" zeide Eva.
+
+"Hoe weet gij daarvan?" zeide Marie scherp. "Zij zal er denkelijk
+over geklaagd hebben."
+
+"Zij heeft niet geklaagd. Zij zeide mij maar welke slechte nachten
+zij gehad hadt, zooveel achtereen."
+
+"Waarom neemt gij Jane of Rosa niet voor een paar nachten in hare
+plaats, en laat haar uitslapen?" zeide St.-Clare.
+
+"Hoe kunt ge mij zoo iets voorstellen?" antwoordde Marie. "Gij zijt
+waarlijk ongevoelig, St.-Clare. Zoo zenuwachtig als ik ben, brengt
+het minste mij van streek, en eene vreemde helpster bij mij zou mij
+haast razend maken. Als Mammy zooveel om mij gaf als zij doen moest,
+zou zij gemakkelijker wakker worden--natuurlijk zou zij dat. Ik heb
+wel van menschen gehoord die zulke trouwe dienstboden hadden; maar
+ik ben nooit zoo gelukkig geweest." En Marie slaakte een zucht.
+
+Miss Ophelia had met een gezicht vol scherpe, ernstige oplettendheid
+naar dit gesprek geluisterd en kneep nu hare lippen nog vaster
+dicht, alsof zij zich voornam eerst met volle zekerheid waar te
+nemen welke menschen zij hier voor zich had, eer zij zich eenigszins
+compromitteerde.
+
+"Mammy heeft wel zekere soort van goedhartigheid," hervatte Marie;
+"zij is vriendelijk en gedienstig; maar eigenlijk is zij toch zeer
+eigenlievend. Zoo wil zij maar nooit ophouden over dien man van haar
+te kniezen en te malen. Gij begrijpt wel, toen ik getrouwd was en
+hier kwam wonen, moest ik haar natuurlijk medenemen, en haar man kon
+mijn vader niet missen. Hij was een smid en daar zeer noodzakelijk; en
+ik dacht en zeide toen, dat Mammy en hij liever van elkander moesten
+afzien, daar zij waarschijnlijk toch nooit weder met elkander zouden
+kunnen leven. Ik wenschte nu wel dat ik dat had doorgezet en Mammy met
+iemand anders getrouwd; maar ik was dwaas en al te inschikkelijk en
+wilde het niet doorzetten. Ik zeide Mammy toen, dat zij niet denken
+moest hem meer dan nog een paar maal in haar leven weer te zien,
+want dat de lucht van de streek, waar mijn vader woonde, niet goed
+voor mijne gezondheid is, en ik daar dus zeer zelden weder komen zou,
+en ik raadde haar om met iemand anders te leven; maar neen--zij wilde
+niet. Mammy heeft zekere koppigheid in enkele opzichten, die iedereen
+niet zoo waarneemt als ik doe."
+
+"Heeft zij kinderen?" vroeg Ophelia.
+
+"Ja, zij heeft er twee."
+
+"Het zal haar denkelijk wel spijten dat zij daarvan gescheiden is."
+
+"O, natuurlijk kon ik die niet meenemen. Het waren nog kleine morsige
+dingen, die ik niet onder mijne oogen velen kon; en bovendien namen
+zij te veel van haren tijd weg; maar ik geloof toch dat Mammy daarover
+altijd eenigszins is blijven wrokken. Zij wil met niemand anders
+trouwen, en ik geloof zeker dat zij, hoewel zij weet hoe ik haar
+noodig heb en hoe zwak mijne gezondheid is, morgen weder naar haren
+man zou gaan, als zij maar kon. Ja zeker; en zoo eigenlievend zijn
+de besten van die wezens."
+
+"Het is treurig om aan te denken," zeide St.-Clare droogjes.
+
+Ophelia zag hem scherp aan, en bemerkte den blos van ergenis en de
+spottend krullende lip, waarmede hij dit zeide.
+
+"Nu is Mammy toch altijd eene soort van troetelkindje van mij geweest,"
+zeide Marie. "Ik wenschte dat uwe vrije dienstboden uit het Noorden
+hare kasten met kleeren eens konden zien. Zijden en mousselinen
+japonnen, en eene van echt kamerdoek heeft zij daarin hangen, en ik
+heb somtijds een heelen middag gewerkt om hare mutsen op te maken en
+haar voor een partijtje op te schikken. Wat mishandelen betreft, zij
+weet niet eens wat dat is. Zij heeft niet meer dan eens of tweemaal in
+haar geheele leven de zweep gehad. Zij heeft alle dagen haar koffie of
+thee met witte suiker. Dat is wel overdadig; maar St.-Clare wil dat
+zij in de keuken ook op een grooten voet leven, en ieder doet daar
+dus wat hem bevalt. Om de waarheid te zeggen, onze bedienden hebben
+het al te goed. Ik geloof dat het gedeeltelijk onze eigen schuld is,
+dat zij zoo eigenlievend zijn en doen als bedorven kinderen. Maar ik
+heb gepraat dat ik er moede van ben."
+
+"En ik ook," zeide St.-Clare.
+
+Eva had naar hare moeder staan luisteren met dien blik vol
+geheimzinnigen ernst, die haar bijzonder eigen was. Nu kwam zij naar
+hare moeder toe en sloeg haar arm om haren hals.
+
+"Wel, Eva, wat nu?" zeide Marie.
+
+"Mama, zou ik u niet voor een nacht kunnen oppassen--maar één? Ik
+zou u zeker niet zenuwachtig maken, en ik zou ook niet slapen. Ik
+lig toch dikwijls des nachts wakker te denken...."
+
+"Och, dwaasheid kind," antwoordde Marie. "Welk een wonderlijk kind
+zijt ge toch!"
+
+"Maar mag ik, Mama? Ik denk," zeide zij schroomvallig, "dat Mammy
+niet wel is. Zij heeft mij gezegd, dat zij tegenwoordig aanhoudend
+hoofdpijn heeft."
+
+"Dat is weer eene van hare kuren. Mammy is als al de rest--allen
+maken zij zulk een beweging van wat pijn hier of daar; maar daar geef
+ik nooit aan toe--nooit. Dat is een grondregel van mij," vervolgde
+zij, zich naar Ophelia keerende, "en gij zult zelve ondervinden hoe
+noodzakelijk die is. Als men bedienden toelaat om zich aan ieder
+onaangenaam gevoel te storen en over elke kleine onpasselijkheid te
+klagen, heeft men er nooit rust van. Ik zelve klaag nooit--niemand
+weet wat ik lijd. Ik acht het mijn plicht om dat stil te dragen,
+en dat doe ik ook."
+
+Ophelia's oogen gaven hare ongeveinsde verbazing over dit besluit der
+redevoering te kennen, hetwelk St.-Clare zoo overmatig koddig vond,
+dat hij in een luiden lach uitbarstte.
+
+"St.-Clare lacht altijd, als ik het minste woord van mijne
+ziekelijkheid zeg," zeide Marie op den toon van eene geduldige
+martelares. "Ik hoop maar dat er niet eens een dag zal komen, dat
+hij daaraan denken zal." En daarmede hield zij haar zakdoek voor
+hare oogen.
+
+Natuurlijk volgde er nu eene eenigszins lastige stilte. Eindelijk
+keek St.-Clare op zijn horloge, zeide dat hij uit moest, stond op en
+ging heen. Eva trippelde hem na, en zoo bleven nu Marie en Ophelia
+met elkander alleen.
+
+"Zoo maakt St.-Clare het altijd," zeide de eerste, en nam met een
+tamelijk driftigen zwaai haar zakdoek van haar gezicht, toen de
+misdadiger, wiens hart zij wilde roeren, buiten de deur was. "Hij
+verbeeldt zich nooit, hij kan en zal zich nooit verbeelden wat ik
+jarenlang geleden heb en nog lijd. Als ik veel van klagen hield,
+of ooit eenige beweging over mijne kwalen maakte, zou hij gelijk
+hebben. Natuurlijk worden de mannen eene vrouw moede, die altijd
+klaagt. Maar ik heb alles voor mij zelve gehouden en gedragen, doch
+St.-Clare denkt dat ik alles dragen kan."
+
+Ophelia wist niet recht wat zij hierop moest antwoorden.
+
+Terwijl zij zich nog bedacht wat zij zeggen zou, veegde Marie hare
+tranen af, streek als het ware hare veeren glad, gelijk een duif na
+eene regenbui haar toilet maakt, en begon een huishoudelijk praatje
+over hare kasten met aardewerk, glas en tafelgoed, hare provisiekamers
+en andere dingen, waarover de nicht het beheer zou aanvaarden, en
+gaf zoovele regelen, waarschuwingen en aanwijzingen, dat een minder
+koel en helder hoofd dan dat van Ophelia er geheel door verbijsterd
+zou zijn geworden.
+
+"En nu," zeide Marie, "geloof ik dat ik u alles gezegd heb, zoodat gij,
+als ik weder eene vlaag van mijne kwaal krijg, wel geheel zult voort
+kunnen, zonder mij ergens naar te vragen. Maar nu nog over Eva--het
+is noodig dat er op haar gelet wordt."
+
+"Zij schijnt een heel zoet kind te zijn," zeide Ophelia. "Ik heb
+nooit zoeter kind gezien."
+
+"Eva is een vreemd kind, een zeer vreemd," zeide de moeder. "Zij heeft
+dingen over zich die heel wonderlijk zijn: zij gelijkt volstrekt niet
+naar mij." En Marie zuchtte, alsof dit eene droevige gedachte was.
+
+Ophelia zeide in haar hart: "Ik hoop wel van neen," maar zij was
+voorzichtig genoeg om dit te verzwijgen.
+
+"Eva is altijd liefst bij de bedienden geweest, en dat houd ik voor
+sommige kinderen voor heel goed. Ik heb altijd met de kleine negers
+van mijnen vader gespeeld, en dat heeft mij nooit kwaad gedaan;
+maar Eva schijnt zich altijd met ieder die haar nabijkomt gelijk te
+willen stellen. Het is iets vreemds in dat kind. Ik heb haar dat nooit
+kunnen afwennen. St.-Clare, geloof ik, helpt haar daarin voort. Om de
+waarheid te zeggen: St.-Clare is er op uit om iedereen te believen,
+behalve zijne vrouw."
+
+Wederom bewaarde Ophelia een bot stilzwijgen.
+
+"Men kan met bedienden niet te recht komen," zeide Marie, "of men moet
+hen onder zich brengen en onder zich houden. Dat is mij van kindsbeen
+af altijd eigen geweest. Eva is in staat om een geheel huisvol te
+bederven. Hoe zij het maken zal als zij zelve eens moet huishouden,
+betuig ik niet te weten. Ik ben gaarne _goed_ voor bedienden, en
+dat ben ik ook; maar men moet zorgen dat zij op een afstand blijven
+en weten wat zij zijn. Dat doet Eva nooit; men kan het kind geen
+zweem van een denkbeeld in het hoofd krijgen, wat een bediende is
+en op welken afstand hij behoort te blijven. Gij hebt wel gehoord,
+hoe zij des nachts bij mij wilde waken om Mammy te laten slapen. Dat
+is nu een staaltje van de manier waarop het kind altijd handelen zou,
+als men haar liet begaan."
+
+"Wel," zeide Ophelia zonder omwegen, "ik meen dat gij toch ook denken
+zult dat uwe bedienden menschelijke wezens zijn, en rust behooren te
+hebben als zij moe zijn."
+
+"Wel zeker--natuurlijk. Ik ben er bijzonder op gesteld om hen alles te
+laten hebben wat mij maar eenigszins gelegen komt, alles wat mij maar
+niet geheel van mijn streek brengt. Mammy kan haar slaap op een of
+anderen tijd inhalen; daar is geen bezwaar in. Zij is het slaperigste
+stuk vleesch dat ik ooit gezien heb; naaiende, zittende of staande,
+overal valt dat schepsel in slaap. Men behoeft niet bang te zijn dat
+Mammy geen slaap genoeg krijgt. Maar de bedienden zoo te behandelen,
+alsof zij uitheemsche bloemen of porseleinen vazen waren, is inderdaad
+belachelijk," zeide Marie, terwijl zij zich in de diepte eener donzige
+sofa liet zinken, en een fraai geslepen reukfleschje opnam.
+
+"Gij merkt wel," vervolgde zij met eene flauwe, echt damesachtige
+stem, gelijk de stervende ademtocht van eene Arabische jasmijn, of
+iets even kwijnends en aetherisch, "gij merkt wel, Nicht Ophelia, ik
+spreek niet dikwijls van mij zelve. Dat is mijne gewoonte niet. Om
+de waarheid te zeggen, ik heb er de kracht niet toe; maar er zijn
+punten waarover St.-Clare en ik altijd verschillen. St.-Clare
+heeft mij nooit gewaardeerd. Dat geloof ik is de grond van al mijne
+ziekelijkheid. St.-Clare meent het goed, dat ben ik verplicht te
+gelooven; maar de mannen zijn eigenlievend van aard en hebben geen
+gevoel voor eene vrouw. Zoo denk ik ten minste."
+
+Ophelia, die geen gering aandeel van de echte Nieuw-Engelsche
+voorzichtigheid bezat en zeer ongaarne in huiselijke geschillen
+betrokken werd, begon nu te zien dat haar iets van dien aard bedreigde;
+zij zette dus haar gezicht in de plooien eener stroeve neutraliteit,
+haalde een begonnen kous uit haren zak, die zij daar bewaarde als een
+specifiek middel tegen datgene wat volgens Dr. Watts eene gewoonte
+van Satan is, als de menschen ledige handen hebben, en begon met
+ijver te breien, tegelijk hare lippen dichtknijpende op eene manier
+die duidelijk zeide: "Gij behoeft niet te probeeren om mij te doen
+spreken; ik wil niets met uwe zaken te doen hebben;"--kortom zij
+keek nagenoeg zoo medelijdend als een steenen leeuw. Marie stoorde
+zich echter niet daaraan. Zij had iemand om tegen te praten en dat
+was genoeg. Nadat zij nog eens aan haar flacon had geroken, om hare
+krachten te herstellen, vervolgde zij:
+
+"Gij moet weten, ik heb mijn vermogen en mijne bedienden in eigendom
+gehouden toen ik met St. Clare trouwde, en heb een wettig recht om er
+op mijne eigene manier mede te handelen. St. Clare heeft zijn vermogen
+en zijne bedienden, en ik heb er volstrekt niet tegen dat hij daarmede
+naar zijnen eigen zin handelt; maar St. Clare wil zich altijd met het
+mijne bemoeien. Hij heeft wonderlijk buitensporige denkbeelden over
+allerlei dingen, vooral over de behandeling van bedienden. Hij doet
+waarlijk alsof hij zijne bedienden boven mij stelde en boven zich
+zelven ook: want hij laat zich allerlei last door hen veroorzaken en
+licht nooit een vinger op. Nu is St. Clare, wat sommige dingen betreft,
+schrikkelijk ongemakkelijk--zoodat hij mij bang maakt, hoe goedaardig
+hij er ook uitziet. Zoo heeft hij zich in het hoofd gezet dat er, wat
+er ook gebeuren mag, geen slag in huis mag gegeven worden, behalve
+door mij of door hem; en dat drijft hij door op eene manier, dat ik
+er mij waarlijk niet overheen durf zetten. Nu zult gij wel zien waar
+dat op uitloopt, want St. Clare zou de hand niet oplichten al liepen
+zij allen over hem heen, en ik--gij begrijpt wel hoe barbaarsch het
+zou zijn van mij te vergen om mij zoo te vermoeien. En toch, gij weet
+wel, die bedienden zijn niet anders dan volwassen kinderen."
+
+"Daar weet ik niets van en ik dank den Heere dat ik er niets van weet,"
+antwoordde Ophelia nu kortaf.
+
+"O, gij zult het wel leeren en dat ten uwen koste, als gij hier
+blijft. Gij weet nog niet welke onverdragelijke, domme, loszinnige,
+onredelijke, kinderachtige, ondankbare ellendelingen zij zijn."
+
+Marie scheen altijd eene verwonderlijke kracht te bekomen, als zij
+aan dit onderwerp begon. Zij hield nu hare oogen open en scheen hare
+kwijnende zwakheid geheel te vergeten.
+
+"Gij weet nog niet," vervolgde zij, "en kunt nog niet weten, hoe eene
+huishoudster altijd en overal door hen geplaagd wordt. Maar het baat
+niet bij St. Clare daarover te klagen. Hij heeft dan de wonderlijkste
+redeneeringen. Hij zegt: wij hebben hen gemaakt wat zij zijn en moeten
+hen verdragen. Hij zegt dat al hunne gebreken aan ons te wijten zijn,
+en dat het wreed zou zijn eerst de schuld te veroorzaken en dan te
+straffen. Hij zegt dat wij in hunne plaats niet beter zouden doen;
+alsof er tusschen hen en ons vergelijkingen konden gemaakt worden."
+
+"Gelooft gij niet dat de Heere hen uit één bloed met ons geschapen
+heeft?" zeide Ophelia weder kortaf.
+
+"Wel waarlijk niet! Dat zou wat moois zijn. Ze zijn een vernederd
+geslacht."
+
+"Denkt gij niet dat zij onsterfelijke zielen hebben?" zeide Ophelia,
+met toenemende verontwaardiging.
+
+"O, natuurlijk, daar twijfelt niemand aan," antwoordde Marie
+geeuwende. "Maar hen op gelijken rang te plaatsen, alsof wij met
+elkander te vergelijken waren, dat is immers onmogelijk! En nu heeft
+St. Clare inderdaad wel met mij gesproken alsof het 't zelfde was,
+dat Mammy van haar man werd afgehouden, als het zijn zou als ik van
+den mijnen werd gehouden. Zóó kan men geene vergelijkingen maken. Mammy
+kan zulk een gevoel niet hebben als ik hebben zou. Het is geheel iets
+anders--dat spreekt vanzelf; en toch houdt St. Clare zich alsof hij
+dat niet begreep, en praat alsof Mammy hare zwarte smerige kinderen
+even lief zou hebben als ik Eva heb. Ja, eens heeft St. Clare mij
+werkelijk en ernstig willen overreden, dat het mijn plicht was, met
+mijne zwakke gezondheid en al wat ik lijd, Mammy terug te zenden en
+iemand anders in hare plaats te nemen. Dat was een weinigje te veel,
+zelfs voor mij om te dragen. Ik toon niet dikwijls mijn gevoel. Ik
+maak er een regel van om alles in stilte te verduren, dat is het
+harde lot eener vrouw. Maar toen barstte ik toch uit, zoodat hij
+nooit weder daarover gesproken heeft. Maar uit zijn gezicht en uit
+kleinigheden die hij zegt, kan ik wel opmaken dat hij nog eveneens
+denkt; en dat is immers iemand tergen."
+
+Ophelia keek, alsof zij zeer bang was dat zij tegen wil en dank iets
+zeggen zou; maar liet slechts hare breinaalden ratelen op eene manier,
+die zooveel zeide als men in een geheel boekdeel zou kunnen schrijven;
+indien Marie het maar had kunnen verstaan.
+
+"Gij begrijpt dus," vervolgde deze, "wat gij hier te stellen zult
+hebben. Een huishouden zonder eenigen regel, waar de bedienden allen
+hun eigen zin volgen, doen wat hun aanstaat en nemen wat hun aanstaat,
+behalve in zooverre, als ik met mijne zwakke gezondheid eenige orde
+heb gehandhaafd. Ik houd mijne zweep bij mij en sla er somtijds mee
+toe; maar het vermoeit mij al te veel. Als St. Clare dat maar wilde
+laten doen zooals anderen het doen."
+
+"En hoe is dat?"
+
+"Wel, hen naar den _calaboose_ of een van de andere plaatsen zenden om
+gestraft te worden. Dat is de eenige manier, als ik niet zoo zwak en
+ziekelijk was, geloof ik dat ik hen met tweemaal zooveel geestkracht
+naar mijne hand zou zetten als St. Clare doet."
+
+"En hoe zet hij hen dan naar zijne hand?" zeide Ophelia. "Gij zegt
+dat hij nooit slaat."
+
+"Wel, mannen hebben een forscher toon; voor hen is dat gemakkelijk;
+en bovendien, als gij hem ooit vlak in de oogen hebt gezien--zij hebben
+iets bijzonders, die oogen--en als hij ernstig spreekt, is er een soort
+van flikkering in. Ik ben zelve bang daarvoor en de bedienden weten
+dan wel dat zij oppassen moeten. Ik zou zooveel niet kunnen doen met
+leven en kijven, als St. Clare door een enkelen blik van zijn oog, als
+hij het ernstig meent. St. Clare behoeft zich geene moeite te geven,
+en dat is de reden dat hij geen gevoel voor mij heeft. Maar gij zult
+ondervinden, als gij in het huishouden komt, dat men zonder strengheid
+niet voort kan--zoo slecht, zoo logenachtig en zoo lui zijn zij."
+
+"Het oude liedje," zeide St. Clare, op zijn gemak binnenkomende. "Welk
+eene geduchte verantwoording zullen die slechte schepsels eindelijk
+eens hebben, vooral voor die luiheid! Gij ziet wel, Nicht,"
+vervolgde hij, zich zoo lang als hij was op eene sofa tegenover
+Marie uitstrekkende, "die luiheid is geheel onverschoonlijk in hen,
+bij het voorbeeld dat Marie en ik hun geven."
+
+"O, St. Clare, nu maakt gij het al te erg!" zeide Marie.
+
+"Doe ik! Wel, ik dacht dat ik voor mijn doen al bijzonder goed
+sprak. Ik poog altijd kracht aan uwe gezegden bij te zetten, Marie."
+
+"Gij weet wel dat ik het zoo niet gemeend heb, St. Clare."
+
+"O, dan moet ik mij vergist hebben. Dank, lieve, dat ge mij te
+recht helpt."
+
+"Gij probeert mij waarlijk boos te maken," zeide Marie.
+
+"Och kom, Marie, het wordt een warme dag vandaag, en ik heb juist
+eene lange woordenwisseling met Dolf gehad, die mij geweldig vermoeid
+heeft. Eilieve, wees dus vriendelijk, en laat iemand eens in het
+licht van uwen glimlach rusten."
+
+"Wat is er met Dolf?" zeide Marie. "De onbeschaamdheid van dien knaap
+begint tot eene hoogte te komen, die mij werkelijk onuitstaanbaar
+wordt. Ik wenschte maar dat ik een poosje naar mijnen zin met hem
+doen kon; ik zou hem wel klein krijgen."
+
+"Wat ge daar zegt, lieve," antwoordde St. Clare, "is weder een blijk
+van uwe gewone scherpzinnigheid. Wat Dolf betreft, de zaak is deze, dat
+hij zich zoolang moeite heeft gegeven om al mijne goede eigenschappen
+na te bootsen, dat hij eindelijk inderdaad met zich zelven en zijnen
+meester in de war geraakt en den een voor den ander houdt. Ik ben
+dus verplicht geweest hem zijne vergissing eens aan het verstand
+te brengen."
+
+"Hoe zoo?" zeide Marie.
+
+"Wel, ik was verplicht hem duidelijk te doen verstaan, dat ik eenige
+van mijne kleeren liever voor mijn eigen gebruik wilde houden; ik heb
+zijne excellentie ook op een rantsoen van eau-de-cologne gesteld, en
+ben inderdaad zoo wreed geweest om hem tot een dozijn van kamerdoeksche
+zakdoeken te beperken. Dolf was daarover bijzonder geraakt, en ik
+moest hem vaderlijk aanspreken om hem tot berusting te brengen."
+
+"O, St. Clare, wanneer zult gij eens leeren hoe men zijne bedienden
+behandelen moet? Het is ijselijk, zooals gij alles toelaat," zeide
+Marie.
+
+"Maar wel bezien, wat kwaad steekt er eigenlijk in, dat de arme
+jakhals naar zijnen meester wil gelijken? En als ik hem niet beter
+heb opgebracht, dan om hem zijn hoogste goed in eau-de-cologne en
+kamerdoeksche zakdoeken te doen vinden, waarom zou ik ze hem dan
+niet geven?"
+
+"En waarom hebt gij hem niet beter opgebracht," zeide Ophelia botweg.
+
+"Te veel moeite; luiheid, Nicht, luiheid, die meer zielen bederft
+dan waarover gij knorren kunt. Als het niet door mijne luiheid was,
+zou ik zelf een volmaakte engel zijn.
+
+Ik begin haast te gelooven dat luiheid, zooals die dominee in Vermont
+zeide, nog meer dan de gierigheid de wortel van alle kwaad is; en
+dat is zeker eene gedachte om iemand onrustig te maken."
+
+"Ik denk dat gij, slavenhouders, eene geduchte verantwoordelijkheid
+hebt," zeide Ophelia. "Ik zou die voor geene duizend werelden willen
+hebben. Gij behoort uwe slaven op te voeden en hen te behandelen als
+redelijke wezens, als onsterfelijke wezens, waarmede gij voor Gods
+rechterstoel zult moeten komen. Zoo denk ik er over!" zeide de goede
+oudste vrijster, en liet aldus eensklaps al den ijver uitbarsten,
+dien zij den geheelen morgen in haar gemoed had opgekropt.
+
+"Och kom, kom," zeide St. Clare snel opstaande, "wat weet gij van ons?"
+
+Hij zette zich voor de piano en begon een levendig stuk te
+spelen. St. Clare had veel aanleg voor muziek en was een goed, ja
+zelfs verbazend vlug en schitterend pianist. Zijne vingers vlogen
+over de toetsen, terwijl hij het eene stuk na het andere afspeelde,
+gelijk iemand die zich zelven in een goed humeur wil spelen. Daarna
+schoof hij de muziek weg, stond op en zeide vroolijk:
+
+"Welnu, Nicht, gij hebt ons eene goede les gegeven en uw plicht gedaan;
+en over het geheel acht ik u er te meer om. Ik twijfel niet of gij
+hebt mij een echten diamant van waarheid naar het hoofd gegooid,
+hoewel hij mij zoo vlak in het gezicht raakte, dat hij in het eerst
+niet naar waarde erkend werd."
+
+"Wat mij betreft, ik zie niet dat zulk praten ergens toe dient,"
+zeide Marie. "Als iemand meer voor bedienden doet dan wij doen, zou ik
+wel eens willen weten wie; en het doet hun toch geen goed, geen zier;
+zij worden al erger en erger. Wat praten of zoo iets betreft, ik heb
+tegen hen gepraat tot ik er moe en schor van was, en hen hun plicht
+voorgehouden en dat alles; en zij kunnen naar de kerk gaan wanneer zij
+willen, hoewel zij toch even weinig van de preek verstaan als zooveel
+varkens zouden doen, zoodat het hun toch niet veel baat of zij gaan,
+zou ik denken. Maar zij gaan toch en hebben dus alle gelegenheid;
+maar zooals ik reeds gezegd heb, zij zijn een vernederd geslacht
+en zullen dat altijd zijn, en er is niets aan hen te doen; gij kunt
+niets van hen maken, al doet gij nog zoo uw best. Gij begrijpt wel,
+nicht Ophelia, ik heb het geprobeerd en gij nog niet; ik ben onder
+hen geboren en opgegroeid en ik weet het wel."
+
+Ophelia meende genoeg gezegd te hebben en zweeg dus. St. Clare floot
+een wijsje.
+
+"St. Clare, laat ik u mogen verzoeken om niet te fluiten," zeide Marie,
+"dat maakt mijn hoofd veel erger."
+
+"Dan zal ik het laten," antwoordde St. Clare. "Is er ook nog iets
+dat ge mij woudt verzoeken om niet te doen?"
+
+"Ik wenschte dat gij _wel_ eenige meedoogendheid had met hetgeen ik
+uitsta; gij hebt nooit gevoel voor mij."
+
+"Dierbare, beschuldigende engel!" zeide St. Clare hierop.
+
+"Als gij zoo tegen mij spreekt, moet ik immers denken dat het is om
+mij te plagen."
+
+"Hoe wilt ge dan dat ik tegen u spreken zal? Ik wil spreken zooals
+ge het maar verlangt, om u maar te voldoen."
+
+Een vroolijk gelach klonk van het binnenplein door de zijden gordijnen
+der galerij. St. Clare lichtte de gordijn op en begon insgelijks
+te lachen.
+
+"Wat is het?" vroeg Ophelia, naar de deur komende.
+
+Daar zat Tom op eene bank, met jasmijnen in al zijne knoopsgaten
+gestoken, terwijl Eva, vroolijk lachende, hem nog een krans van rozen
+om den hals hing, en toen nog lachende op zijne knie sprong.
+
+"O Tom, nu ziet gij er zoo grappig uit."
+
+Tom zag haar met een stillen, welwillenden glimlach aan, en scheen
+zich op zijne bedaarde manier evenzeer met de grap te vermaken als
+zijne kleine meesteres. Toen hij zijn meester zag, sloeg hij smeekend
+de oogen naar hem op, alsof hij verschooning wilde vragen.
+
+"Hoe kunt gij haar dat toelaten?" zeide Ophelia.
+
+"Waarom niet?" vroeg St. Clare.
+
+"Wel, ik weet het niet, maar het komt mij zoo akelig voor."
+
+"Gij zoudt er geen kwaad in vinden als het kind een grooten hond
+liefkoosde, al was hij zwart; maar voor een schepsel dat kan denken,
+redeneeren en gevoelen, huivert gij: beken het maar, Nicht. Ik
+weet wel hoe dat bij u in het Noorden gesteld is. Niet dat het eene
+deugd is dat wij anders zijn; maar de gewoonte doet bij ons wat het
+christendom behoorde te doen--zij neemt het gevoel van persoonlijk
+vooroordeel weg. Ik heb op mijne reizen in het Noorden opgemerkt,
+hoeveel sterker dat gevoel bij u is dan bij ons. Gij zijt vies van
+hen als van eene slang of padde, en toch verontwaardigt gij u over het
+onrecht dat zij lijden. Gij zoudt hen niet willen laten mishandelen,
+maar gij wilt toch zelven niets met hen te maken hebben. Gij zoudt
+hen naar Afrika willen zenden, buiten uw gezicht en uwen reuk, en hun
+dan een paar zendelingen willen sturen om al de zelfverloochening, die
+noodig is om hen te verbeteren, in eens af te doen. Is het dat niet?"
+
+"Wel, Neef," antwoordde Ophelia nadenkend, "dat kan wel eenigszins
+de waarheid zijn."
+
+"Wat zouden de armen en geringen doen zonder kinderen?" hervatte
+St. Clare, terwijl hij Eva nazag, die met Tom aan de hand
+heenhuppelde. "Een kind is de eenige echte democraat. Die Tom is
+een held voor Eva: zijne vertellingen zijn wonderen voor haar; zijne
+liedjes en methodistische gezangen zijn pleizieriger dan eene opera;
+de snuisterijen in zijnen zak zijn eene mijn van juweelen, en hij
+zelf is de verwonderlijkste Tom, die ooit eene zwarte huid had. Dit
+is eene der rozen van het Eden, welke de Heere opzettelijk voor de
+armen en geringen heeft gestrooid, die er weinig genoeg van andere
+soort krijgen."
+
+"Het is vreemd, Neef," zeide Ophelia hierop. "Als men u zoo hoort
+spreken, zou men haast denken dat gij een "belijder" waart."
+
+"Een belijder?" herhaalde St. Clare.
+
+"Ja, een belijder van den godsdienst."
+
+"Lang niet. Ik ben geen "belijder", zooals men dat bij u noemt;
+en wat erger is: ik vrees dat ik ook geen "beoefenaar" ben."
+
+"Hoe komt het dan dat gij zoo spreekt?"
+
+"Niets is gemakkelijker dan het praten," antwoordde St. Clare. "Het
+is Shakespeare, geloof ik, die iemand laat zeggen: "ik zou u eerder
+twintig dingen kunnen toonen die goed waren om te doen, dan een van
+de twintig zijn om mijne eigene aanwijzing te volgen." Niets gaat
+boven verdeeling van arbeid. Mijn _fort_ ligt in het praten, het uwe
+in het doen."
+
+
+
+Tom had nu in zijne uitwendige omstandigheden, gelijk de wereld zegt,
+niets om over te klagen. De kinderlijke genegenheid die de kleine Eva
+voor hem had opgevat--de instinctmatige dankbaarheid van een edel
+hart--had haar heur vader doen verzoeken om hem haar tot bijzonder
+geleider te geven, als zij op hare wandelingen of rijtoertjes een
+bediende noodig had; en Tom had een algemeenen last ontvangen om alle
+andere dingen te laten staan en Eva te vergezellen, wanneer zij hem
+daarom vroeg--een last die hem, gelijk men wel denken kan, verre van
+onaangenaam was. Hij was altijd welgekleed, want St. Clare was op dit
+punt zeer keurig. Zijn staldienst was eene sinecure, en bestond slechts
+in een dagelijksch toezicht of de mindere bedienden hun plicht deden;
+want Marie St. Clare zeide dat hij geene paardenlucht moest medebrengen
+als hij bij haar kwam, en nooit iets doen moest dat hem voor haar
+onaangenaam kon maken, dewijl haar zenuwgestel zoo iets niet velen kon;
+eene onaangename lucht zou, volgens haar zeggen, genoeg zijn om op eens
+een einde aan al hare aardsche onaangenaamheden te maken. Tom zag er
+dus met zijn welgeborsteld lakensch pak, zijnen glanzigen hoed, zijne
+blinkende laarzen, onberispelijk linnengoed en ernstig en goedhartig
+zwart gezicht, deftig genoeg uit, om bisschop van Carthago te zijn,
+gelijk lieden van zijne kleur in vroegere eeuwen waren.
+
+Dan had hij ook eene heerlijke woonplaats, iets waarvoor zijn licht
+getroffen geslacht nooit onverschillig is, en hij verheugde zich met
+stil genot in de vogelen, de bloemen, de fontein, het licht en al
+de andere schoonheden van het binnenplein, en de zijden behangsels,
+schilderijen, kroonkandelaars, het beeld- en verguldwerk, waardoor
+de vertrekken tot zalen van een tooverpaleis voor hem gemaakt werden.
+
+Indien Afrika ooit de zetel wordt van een beschaafd
+menschengeslacht--en op een of anderen tijd moet het toch aan de beurt
+komen, om in het groote drama van den vooruitgang der menschheid zijne
+rol te spelen--dan zal het leven daar ontwaken met een glans en eene
+pracht, waarvan onze koude Westersche menschenstammen slechts een
+flauw begrip hebben. In dat afgelegen land van goud en juweelen,
+specerijen en wuivende palmboomen, wonderbare bloemen en even
+wonderbare vruchtbaarheid zullen nieuwe kunstvormen, nieuwe soorten
+van weelde ontwaken; en het negergeslacht, niet langer veracht en
+vertreden, zal misschien eene der laatste en heerlijkste openbaringen
+van den menschelijken geest vertoonen. Zeker zullen de negers met hunne
+zachtmoedigheid, met hunne nederigheid van hart, met hunne neiging
+om meer verheven geesten te vertrouwen en zich op hoogere macht
+te verlaten, met hunne kinderlijke eenvoudigheid, liefderijkheid en
+vergevensgezindheid, den hoogsten vorm van het eigenaardig _christelijk
+leven_ aanbieden, en misschien, daar God kastijdt wien Hij liefheeft,
+heeft Hij het arme Afrika, thans zoo diep vernederd, uitverkoren
+om het te maken tot het hoogste en edelste in dat koninkrijk, dat
+opgericht zal worden wanneer alle andere koninkrijken zijn gewogen
+en te licht bevonden; want de eersten zullen de laatsten zijn en de
+laatsten de eersten.
+
+Was het dit waaraan Marie St. Clare dacht, toen zij op een
+Zondagochtend prachtig gekleed onder de galerij stond, en een
+juweelen armband om hare tengere arm vastmaakte? Waarschijnlijk
+wel. Of indien zij daaraan niet dacht, was het aan iets anders;
+want Marie hield van het goede en ging nu in volle pracht,--met
+diamanten, zijde, kanten en alles--naar eene _fashionable_ kerk,
+om eens zeer godsdienstig te zijn. Marie maakte er een regel van
+om zich op Zondag vroom te toonen. Daar stond zij dus, zoo tenger,
+zoo elegant, zoo sierlijk in al hare bewegingen, met de kanten voile,
+die haar als een nevel omhulde. Zij zag er bekoorlijk uit en voelde dat
+zij zeer goed was--en zeer elegant. Miss Ophelia stond naast haar als
+haar volmaakt contrast. Zij had, wel is waar, eene even fraaie zijden
+japon en een even fijnen zakdoek, doch zekere onbeschrijfelijke, maar
+duidelijke stijfheid en houterigheid lagen evenzeer over geheel haar
+voorkomen verspreid, als zekere gratie over dat harer elegante nicht.
+
+"Waar is Eva?" zeide Marie.
+
+"Het kind is op de trap blijven staan om iets tegen Mammy te zeggen."
+
+En wat zeide Eva tegen Mammy op de trap? Luister, lezer! en gij zult
+het hooren, ofschoon Marie het niet hoort.
+
+"Lieve Mammy, ik zie wel dat gij schrikkelijke hoofdpijn hebt."
+
+"God zegene u, Miss Eva, ik heb tegenwoordig altijd hoofdpijn. Gij
+behoeft u daarover niet te kwellen."
+
+"Nu, ik ben blij dat gij nu ook uitgaat; en hier, Mammy," en daarmede
+sloeg het meisje hare armen om haar heen, "gij moet mijn flacon
+ook medenemen."
+
+"Wat? Dat mooie gouden ding van u, met diamanten? Wel, Jongejuffrouw,
+dat zou geheel niet voegen."
+
+"Waarom niet? Gij hebt het noodig en ik niet. Mama gebruikt het
+altijd tegen hoofdpijn, en dan zult gij ook beter worden. Kom nu,
+neem maar aan, om mij pleizier te doen."
+
+"Hoor dat lieve kind eens!" zeide Mammy bij zich zelve, toen Eva den
+flacon in hare borst stopte, haar een kus gaf en vervolgens de trap
+af hare moeder naliep.
+
+"Waarom hebt gij u opgehouden?"
+
+"Ik hield mij maar even op, Mama, om Mammy mijn flacon te geven,
+om mede naar de kerk te nemen."
+
+"Uw gouden flacon aan Mammy!" zeide Marie, ongeduldig met haren voet
+stampende. "Wanneer zult gij toch eens manieren leeren, kind? Ga dien
+terstond terugvragen."
+
+Eva keek bedroefd voor zich en keerde zich langzaam om.
+
+"Och, Marie, laat het kind begaan; zij mag doen wat zij verkiest,"
+zeide St. Clare.
+
+"Maar, St. Clare, hoe zal zij ooit door de wereld komen?" zeide Marie.
+
+"Dat weet de Heere," antwoordde St. Clare; "maar zij zal beter naar
+den hemel komen dan gij of ik."
+
+"O, Papa, spreek zoo niet," zeide Eva, hem zacht aan den arm stootende,
+"dat maakt moeder verdrietig."
+
+"Wel, Neef! zijt gij ook gereed om naar de _meeting_ te gaan?" zeide
+Ophelia, zich vlak voor St. Clare plaatsende.
+
+"Wèl verplicht; ik ga niet."
+
+"Ik wenschte zoo dat St. Clare maar eens naar de kerk wilde gaan,"
+zeide Marie; "maar hij geeft niets om den godsdienst. Het is inderdaad
+niet fatsoenlijk."
+
+"Dat weet ik wel," zeide St. Clare hierop. "Gij, dames, gaat naar de
+kerk, om te leeren hoe door de wereld te komen, naar ik meen, en uwe
+vroomheid deelt ons fatsoen mede. Als ik al ging, zou ik gaan waar
+Mammy gaat; daar is tenminste nog iets om iemand wakker te houden."
+
+"Wat, naar die schreeuwende methodisten?" zeide Mary. "Afschuwelijk!"
+
+"Alles liever dan de doode zee van uwe fatsoenlijke kerken, Marie. Dat
+is waarlijk te veel van iemand gevergd. Eva, gaat gij wel gaarne
+mede? Kom blijf tehuis en speel met mij."
+
+"Dank u, Papa, maar ik wilde liever naar de kerk gaan."
+
+"Is dat dan niet schrikkelijk vervelend?" zeide St. Clare.
+
+"Ik vind het wel wat vervelend," antwoordde Eva: "en ik ben ook wel
+slaperig, maar ik doe mijn best om wakker te blijven."
+
+"Waarom gaat gij dan?"
+
+"Wel, gij weet, Papa," antwoordde zij fluisterend, "nicht heeft mij
+gezegd dat God dit van ons hebben wil; en Hij geeft ons alles, weet
+ge; en het is niet veel om dat te doen, als Hij het hebben wil. Het
+is toch zoo heel vervelend niet."
+
+"Ge zijt een lief gewillig kind," zeide St. Clare--en kuste haar. "Ga
+maar als een goed meisje en bid voor mij."
+
+"Zeker, dat doe ik altijd," antwoordde Eva, en zij sprong hare moeder
+na in de koets.
+
+St. Clare bleef op de stoep staan en wierp haar een handkus na toen
+de koets wegreed. Er waren groote tranen in zijne oogen.
+
+"O Evangeline! Wel moogt gij uw naam dragen," zeide hij. "Heeft God
+u niet tot een evangelie voor mij gemaakt?"
+
+Zoo dacht en voelde hij voor een oogenblik; toen ging hij eene
+sigaar rooken en een onderhoudend boek lezen, en vergat zijn klein
+evangelie. Verschilde hij wel veel van anderen?
+
+"Gij begrijpt wel, Evangeline," zeide hare moeder, "het is wel
+behoorlijk de bedienden altijd goed te behandelen, maar het is niet
+voegzaam hen eveneens te behandelen als wij onze bloedverwanten of
+menschen van onze eigene klasse zouden doen. Als Mammy nu eens ziek
+was, zoudt gij haar dan in uw eigen bed willen leggen?"
+
+"Dat zou ik wel gaarne, Mama," antwoordde Eva, "omdat het dan veel
+gemakkelijker zou zijn haar op te passen, en ook omdat mijn bed beter
+is dan het hare."
+
+Marie werd wanhopig over het gebrek aan zedelijk begrip, dat dit
+antwoord aanduidde.
+
+"Wat kan ik doen om mij door dit kind te doen verstaan?" zeide zij.
+
+"Niets," antwoordde Ophelia met nadruk.
+
+Eva keek voor een oogenblik droevig en verslagen; maar bij kinderen
+blijft een indruk gelukkig niet lang bestaan, en weldra lachte zij
+weder vroolijk over allerhande dingen, die zij in het voorbijrijden
+zag.
+
+
+
+"Wel, dames," zeide St. Clare, toen zij aan het diner zaten: "wat
+heeft men u vandaag in de kerk opgedischt?"
+
+"O, Dr. G.-- heeft vandaag een heerlijke preek gehouden," zeide
+Marie. "Het was juist zulk een preek als gij hadt moeten hooren. Hij
+heeft alles gezegd wat ik dikwijls denk."
+
+"Dat zal zeer stichtelijk geweest zijn," zeide St. Clare, "en het
+onderwerp moet ook uitgebreid geweest zijn.'
+
+"Wel, ik meen wat ik over de maatschappij en zulke dingen denk,"
+zeide Marie. "De tekst was: "Hij heeft ieder ding schoon gemaakt
+in zijnen tijd," en hij bewees: hoe alle rangen en onderscheidingen
+in de maatschappij van God kwamen; en dat het zoo gepast en schoon
+was dat sommigen hoog en sommigen gering waren; dat sommigen geboren
+werden om te gebieden en anderen om te dienen, en alzoo meer, weet ge;
+en hij paste dat zoo wèl toe op de belachelijke opschudding die over
+de slavernij gemaakt wordt, en hij bewees duidelijk dat de Bijbel op
+onzen kant was en al onze instellingen bevestigde. Ik wenschte maar
+dat gij hem gehoord hadt."
+
+"Och, ik had dat niet noodig," antwoordde St. Clare; "ik kan dat
+zelfde wel in andere boeken lezen, en dan nog eene sigaar er bij
+rooken, wat ik in eene kerk niet doen kan."
+
+"Gelooft gij dus niet aan zulke stellingen?" zeide Ophelia.
+
+"Wie--ik? Ik moet bekennen dat ik lichtzinnig genoeg ben niet
+veel stichting te vinden in godsdienstige redeneeringen over zulke
+dingen. Als ik iets over die quaestie van de slavernij moest zeggen,
+zou ik ronduit bekennen: Wij zitten er nu mee. Wij hebben ze en willen
+ze houden. Het is voor ons gemak en voordeel. Dat is toch het lange en
+het korte er van, en dat is het ook waar die schijnheilige praatjes
+eigenlijk op neer komen; en ik denk, dat zou voor iedereen en overal
+verstaanbaar zijn."
+
+"Ik vind dat gij al heel oneerbiedig zijt, Augustine," zeide Marie. "Ik
+vind het ijselijk u zoo te hooren spreken."
+
+"IJselijk! Het is de waarheid. Dat godsdienstig gebabbel over zulke
+dingen--waarom drijven zij het niet nog wat verder en bewijzen hoe
+schoon het is, als iemand op zijnen tijd een glas te veel drinkt,
+of wat te laat bij de kaarten blijft zitten, kortom, het schoone van
+al die beschikkingen der Voorzienigheid, die onder ons, jongelieden,
+tamelijk dikwijls voorkomen? Wij zouden gaarne willen hooren dat al
+die dingen ook goed en goddelijk zijn."
+
+"Maar," zeide Ophelia, "houdt gij nu de slavernij voor recht of
+onrecht?"
+
+"Gij moet mij niet op die akelige Nieuw-Engelsche manier met zulke
+rechtstreeksche vragen komen bestoken, Nicht," zeide St. Clare
+schertsend. "Als ik die eene vraag beantwoord, weet ik dat ge mij nog
+met een half dozijn meer op het lijf valt, de eene al lastiger dan
+de andere, en dat wil ik niet afwachten. Ik ben een van die soort,
+die wel met steenen willen smijten naar de glazen huizen van anderen,
+maar nooit zelf een glazen huis willen bouwen om hen met steenen te
+laten gooien."
+
+"Dat is de manier waarop hij altijd praat," zeide Marie. "Men kan
+nooit bepaalde antwoorden van hem krijgen. Ik geloof dat het is omdat
+hij niet van den godsdienst houdt, dat hij er altijd zoo omheen praat."
+
+"Godsdienst!" zeide St. Clare, op een toon die beide dames naar hem
+deed opzien. "Godsdienst! Is dat, wat gij daar in de kerk hoort,
+godsdienst? Is dat, wat men zoo kan buigen en wringen, om in al de
+kronkelingen van eene eigenlievende, aardschgezinde maatschappij
+te passen, godsdienst? Is dat godsdienst wat minder billijk,
+minder edelmoedig, minder rechtvaardig, minder meedoogend voor den
+mensch is dan mijn eigen ongodsdienstig, aardschgezind, verblind
+gemoed? Neen! Als ik naar godsdienst zoek, dan moet ik zoeken naar
+iets dat boven mij is, niet naar iets dat beneden mij is."
+
+"Dus gelooft gij niet dat de Bijbel de slavernij rechtvaardigt?" zeide
+Ophelia.
+
+"De Bijbel was mijn moeders boek," antwoordde St. Clare. "Daarmede
+heeft zij geleefd en is zij gestorven, en het zou mij zeer spijten
+als ik denken moest dat hij dat deed. Ik zou mij even gaarne zien
+bewijzen dat mijne moeder brandewijn dronk, en tabak pruimde, en
+vloekte, om mij zoo gerust te stellen dat ik recht had om hetzelfde
+te doen. Dat zou mij met die dingen voor mij zelven geheel niet
+beter tevreden maken en het zou mij den troost ontnemen van haar te
+eerbiedigen; en het is waarlijk een troost, in deze wereld iets te
+hebben dat men eerbiedigen kan. Kortom," vervolgde hij, eensklaps zijn
+schertsende toon hernemende, "al wat ik verlang is, dat verschillende
+dingen in verschillende doozen bewaard worden. Het geheele samenstel
+der maatschappij, zoowel in Amerika als in Europa, is van allerlei
+dingen gemaakt, die niet voor de proef eener maar eenigszins strenge
+zedelijkheid bestand zijn. Men is het tamelijk algemeen eens, dat de
+menschen niet naar het absolute recht streven, maar alleen omtrent
+zoo goed willen zijn als anderen. Als nu iemand opstaat en spreekt als
+een man, en zegt dat de slavernij noodig voor ons is, dat wij er niet
+buiten kunnen, dat wij doodarm zouden worden als wij er van afzagen,
+en dat wij ze natuurlijk denken te behouden--dan is dat krachtige,
+duidelijke, bondige taal, die het achtenswaardige der oprechtheid
+heeft; en als wij op het doorgaande gebruik kunnen afgaan, zal de
+meerderheid der wereld ons daarin gelijk geven. Maar als hij een
+lang gezicht wil zetten, temende preeken houden en de Schrift er bij
+aanhalen, dan begin ik te denken dat hij niet van de beste soort is."
+
+"Gij oordeelt zeer liefdeloos," zeide Marie.
+
+"Wel," hervatte St. Clare, "onderstel eens dat iets den prijs van
+het katoen voor altijd zoodanig deed dalen, dat slaven geene waarde
+meer hadden; zoudt ge dan niet denken dat wij spoedig eene andere
+uitlegging van de Schrift zouden krijgen? Welk een vloed van licht
+zou dan op eens in de kerk stroomen en oogenblikkelijk doen ontdekken
+dat de Bijbel geheel het tegendeel leerde!"
+
+"Nu," zeide Marie, zich op de sofa uitstrekkende, "ik ben in allen
+gevalle blijde, dat ik ergens geboren ben waar de slavernij bestaat;
+en ik geloof dat zij rechtmatig is--ik voel dat zij dit wezen moet;
+en in allen gevalle, ik zou er niet buiten kunnen."
+
+"Zeg eens, wat denkt gij, poesje?" zeide St. Clare tot Eva, die juist
+met eene bloem in de hand binnenkwam.
+
+"Waarover, Papa?"
+
+"Wel, wat bevalt u het beste, zoo te leven als bij uwen oom in Vermont,
+of een huis vol bedienden te hebben zooals wij?"
+
+"O natuurlijk, onze manier is veel pleizieriger," zeide Eva.
+
+"Waarom?" zeide St. Clare, haar over het hoofd streelende.
+
+"Wel, dan heeft men er zooveel meer om zich heen om lief te hebben,"
+antwoordde Eva hem ernstig aanziende.
+
+"Dat is weder zoo wonderlijk gesproken als gij altijd doet, Eva,"
+zeide Marie.
+
+"Is dat zoo wonderlijk gesproken, Papa?" fluisterde Eva, toen zij op
+zijne knie was geklommen.
+
+"Een beetje wonderlijk, poesje, bij hetgeen de wereld gewoonlijk
+zegt," antwoordde St. Clare. "Maar waar is mijne kleine Eva onder
+het diner geweest?"
+
+"Ik ben bij Tom geweest op zijne kamer, ik heb hem hooren zingen,
+en tante Dina heeft mij eten gegeven."
+
+"Zoo! Hebt gij Tom hooren zingen!"
+
+"Ja. Hij zingt zulke mooie dingen van Nieuw-Jeruzalem, en de heerlijke
+engelen en het land van Kanaän."
+
+"Dat is nog veel mooier dan in de opera, niet waar?"
+
+"Ja, en hij zal ze mij leeren."
+
+"Zanglessen? Zoo, gij begint te vorderen."
+
+"Ja, hij zingt voor mij, en ik lees voor hem in mijnen Bijbel; en
+hij verklaart wat het beduidt, weet ge!"
+
+"Nu, dat zal kluchtig zijn," zeide Marie.
+
+"Tom is zoo kwaad niet om de Schrift uit te leggen," zeide
+St. Clare. "Hij heeft een natuurlijk talent voor den godsdienst. Ik
+wilde van morgen vroeg de paarden hebben en ging dus naar Tom's
+kamertje boven den stal, en daar hoorde ik hem in zijne eenigheid
+eene _meeting_ houden; en waarlijk, ik heb in langen tijd niets zoo
+hartelijks gehoord als het gebed van Tom. Hij bad voor mij met een
+ijver die waarlijk apostolisch was."
+
+"Misschien kon hij raden dat gij stondt te luisteren. Ik heb wel meer
+van die streken gehoord."
+
+"Als hij dat deed, was het niet zeer politiek; want hij zeide den Heere
+tamelijk vrijpostig zijne meening over mij. Tom scheen te denken dat
+er nog vrij wat aan mij te verbeteren viel, en het ernstig met mijne
+bekeering te meenen."
+
+"Ik hoop dat gij het ter harte zult nemen," zeide Ophelia.
+
+"Het schijnt dus dat gij zoo wat van dezelfde meening zijt," antwoordde
+St. Clare. "Wij zullen zien--niet waar, Eva?"
+
+
+
+
+
+ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
+
+EEN VRIJ MAN, DIE ZIJNE VRIJHEID VERDEDIGT.
+
+
+Er heerschte zekere stille drukte in het huis van den kwaker, toen
+de dag ten avond neigde. Rachel Halliday ging bedaard heen en weder,
+en bracht van haren huiselijken voorraad een aantal benoodigdheden
+bijeen, welke in eene kleine ruimte konden gepakt worden, voor de
+zwervelingen die in den nacht zouden vertrekken. De avondschaduwen
+strekten zich oostwaarts, en de ronde, roode zon toefde als het ware
+peinzend bij den gezichteinder, terwijl hare gele stralen zacht in
+het slaapkamertje schenen, waar George en zijne vrouw bij elkander
+zaten. Hij had zijn kind op zijne knie en de hand zijner vrouw in de
+zijne. Beider gezicht stond nadenkend en ernstig, en er waren sporen
+van tranen op hunne wangen.
+
+"Ja, Eliza," zeide George. "Ik weet dat al wat gij zegt waar is. Gij
+zijt een goed kind--veel beter dan ik; en ik zal trachten te doen
+gelijk gij zegt. Ik zal trachten te handelen gelijk een vrij man
+betaamt. Ik zal trachten het gevoel van een christen te koesteren. God
+almachtig weet dat ik wèl heb willen doen--dat ik mij ingespannen
+heb om wèl te doen--toen alles tegen mij was, en nu wil ik al het
+verledene vergeten, en harde en bittere aandoeningen smoren en mijn
+Bijbel lezen en een goed man leeren worden."
+
+"En als wij in Canada komen," zeide Eliza, "kan ik u helpen. Ik kan
+heel goed dameskleeren maken, en fijn goed wasschen en strijken en
+met ons beiden zullen wij wel genoeg verdienen om van te leven."
+
+"Ja, Eliza, zoolang wij maar elkander en ons kind liefhebben. O,
+Eliza, als die menschen maar eens wisten welk een zegen het voor een
+man is, dat zijne vrouw en zijne kinderen _hem_ toebehooren! Ik heb
+mij dikwijls verwonderd dat een man, die zijne vrouw en kinderen _zijn
+eigen_ kon noemen, zich nog over iets anders kwelde. Ik voel mij nu
+rijk en sterk, hoewel wij niets hebben dan onze bloote handen. Het
+is mij, alsof ik God nauwelijks om iets meer zou durven vragen. Ja,
+hoewel ik alle dagen zwaar gewerkt heb tot ik nu vijf en twintig jaren
+oud ben, en geen cent geld bezit, en geen dak om mij te dekken, en
+geen plekje grond dat ik mijn eigendom kan noemen; toch, als zij mij
+nu maar met vrede willen laten, zal ik tevreden zijn, dankbaar zijn,
+zal ik werken, en het geld voor u en mijn kind terugzenden. Wat mijn
+ouden meester betreft, ik heb hem vijfvoudig alles betaald, wat ik
+hem ooit gekost heb. Hem ben ik niets schuldig."
+
+"Maar wij zijn nog niet geheel buiten gevaar," zeide Eliza. "Wij zijn
+nog niet in Canada."
+
+"Dat is waar," antwoordde George: "maar het is als rook ik reeds de
+vrije lucht, en dat maakt mij zoo sterk."
+
+Op dit oogenblik werden er in de groote kamer stemmen gehoord, die een
+ernstig gesprek hielden, en weldra werd er aan de deur geklopt. Eliza
+opende haar schielijk.
+
+Simeon Halliday was daar met een van zijne geloofsgenooten, dien hij
+als Phineas Fletcher binnenleidde. Phineas was lang en mager; hij
+had rood haar en een gezicht, waarvan de uitdrukking schranderheid
+en sluwheid aanduidde. Hij had lang niet het stille, kalme, voor de
+wereld onverschillige voorkomen van Simeon; maar integendeel een
+bijzonder scherp en wakker uitzicht, als iemand die er eenigszins
+grootsch op is dat hij weet wat hij doet en goed voor zich ziet;
+eigenaardigheden, die vrij zonderling bij zijne stijve kleeding en
+manier van spreken afstaken.
+
+"George, onze vriend Phineas heeft iets van belang ontdekt voor u en
+uw gezelschap," zeide Simeon; "het zou goed voor u zijn dat te hooren."
+
+"Dat heb ik," zeide Phineas, "en het bewijst hoe nuttig het is dat
+een man op zekere plaatsen altijd met één oor open slaapt, gelijk
+ik altijd gezegd heb. Den vorigen nacht vertoefde ik in eene kleine
+eenzame herberg aan den weg achterwaarts. Gij weet de plaats nog wel,
+Simeon, waar wij verleden jaar appelen verkocht hebben aan die dikke
+vrouw met groote oorringen. Nu, ik was moede van het harde rijden en
+na mijn avondmaal legde ik mij op een hoop zakken in een hoek neer,
+en dekte mij met een buffelhuid, om te wachten tot mijn bed gereed was,
+en wat doe ik anders dan vast in slaap vallen."
+
+"Met één oor open, Phineas?" zeide Simeon koeltjes.
+
+"Neen, ik sliep met beide ooren en al een paar uren lang, want ik was
+tamelijk moede; maar toen ik tot mij zelven kwam, bevond ik dat er
+eenige mannen in de kamer waren, die aan de tafel zaten te drinken
+en te praten; en ik dacht dat ik, eer ik veel beweging maakte, even
+moest zien waar zij aan bezig waren, vooral daar ik hen iets over
+de kwakers hoorde zeggen. "Dus zijn zij zeker in het kwakersdorp,"
+zeide er een. Toen luisterde ik met beide ooren, en bevond dat
+zij juist over ditzelfde gezelschap spraken. Dus bleef ik liggen
+en hoorde hen al hunne plannen overleggen. Deze jonge man, zeiden
+zij, zou weder naar Kentucky gezonden worden, naar zijnen meester,
+die een voorbeeld aan hem zou stellen, om alle negers het wegloopen
+af te leeren; en zijne vrouw zouden twee van hen naar Nieuw-Orleans
+brengen om te verkoopen, en zij rekenden zestien- of achttienhonderd
+dollars voor haar te krijgen; en het kind, zeiden zij, moest naar
+een handelaar, die het gekocht had; en dan waren er de jongen Jim en
+zijne moeder, zij zouden weder naar hunne meesters in Kentucky. Zij
+zeiden dat er twee constabels waren in een stadje, een weinig verder
+op, die met hen zouden gaan om hen te vatten; en de jonge vrouw zou
+voor een rechter gebracht worden; en een van die lieden, die klein
+en welbespraakt is, zou zweren dat zij zijn eigendom was en haar aan
+hem laten overleveren. Zij hebben een recht begrip van den weg dien
+wij van nacht willen nemen; en zij willen ons nazetten, zes of acht
+man sterk. Dus, wat is er nu te doen?"
+
+De groep, die na deze mededeeling in verschillende houdingen staan
+bleef, was een schilder waardig. Rachel Halliday, die het kneden
+van een baksel beschuit had laten staan om het nieuws te hooren,
+stond daar nu met opgeheven, bemeelde handen en een zeer verslagen
+gezicht. Simeon stond ernstig te peinzen; Eliza had hare armen om haren
+man geslagen en zag naar hem op. George stond daar met dichtgeknepen
+vuisten en gloeiende oogen; zijn blik was gelijk die van ieder ander
+man zou mogen wezen, als zijne vrouw bij opbod verkocht en zijn zoon
+aan een handelaar overgeleverd zou worden, alles onder het schild
+der wetten van een christelijk volk.
+
+"Wat zullen wij doen, George?" zeide Eliza flauw.
+
+"Ik weet wel wat _ik_ doen zal," antwoordde George en ging het kamertje
+weder binnen, om zijne pistolen na te zien.
+
+"Ja, ja," zeide Phineas, Simeon toeknikkende: "gij ziet wel wat er
+op volgen moet."
+
+"Ik zie het," zeide Simeon met een zucht; "maar ik bid dat het zoover
+niet komen zal."
+
+"Ik wil niemand met mij of voor mij in gevaar brengen," zeide George
+nu. "Als gij mij uwe kar wilt leenen en den weg beduiden, zal ik
+alleen naar de volgende schuilplaats rijden. Jim heeft reuzenkracht
+en is zoo dapper als de dood en de wanhoop; en ik insgelijks."
+
+"Dat is wel, vriend," zeide Phineas; "maar gij zult toch een voerman
+noodig hebben. Al het vechten zal met genoegen voor u worden gelaten;
+maar ik weet een paar dingen van den weg, die gij niet weet."
+
+"Maar ik wil niemand in ongelegenheid brengen," zeide George.
+
+"In ongelegenheid?" herhaalde Phineas met een zonderlingen
+glimlach. "Als gij mij in ongelegenheid brengt, wees dan zoo
+vriendelijk om het mij te laten weten."
+
+"Phineas is een wijs en bekwaam man," zeide Simeon. "Gij doet wel,
+George, met u naar zijn oordeel te voegen, en," vervolgde hij, zijne
+hand vriendelijk op George's schouder leggende en naar de pistolen
+wijzende, "wees niet al te haastig met de--jong bloed is heet."
+
+"Ik zal niemand aanvallen," antwoordde George. "Al wat ik van dit land
+vraag, is dat men mij met vrede laat, en ik zal vreedzaam heengaan;
+maar," hij zweeg een oogenblik en zijn gezicht werd donker--"er is
+eene zuster van mij op de markt van dat Nieuw-Orleans verkocht. Ik
+weet waartoe men haar verkocht; en ik zal het aanzien dat zij mijne
+vrouw nemen en haar verkoopen, terwijl God mij een paar sterke armen
+gegeven heeft om haar te verdedigen! Neen, zoo helpe mij God! Ik zal
+tot den laatsten ademtocht vechten, eer zij mijne vrouw en mijn zoon
+krijgen. Kunt gij mij laken?"
+
+"Geen sterfelijk mensch kan u laken, George. Vleesch en bloed kunnen
+niets anders doen," zeide Simeon. "Wee over de wereld vanwege de
+ergernis; maar wee over hen, door wie de ergernis komt."
+
+"Zoudt gij in mijne plaats niet hetzelfde doen, Mijnheer?"
+
+"Ik bid dat ik niet beproefd worde," antwoordde Simeon. "Het vleesch
+is zwak."
+
+"Ik denk dat mijn vleesch in zulk een geval tamelijk sterk zou zijn,"
+zeide Phineas, een paar armen uitstekende, die naar de wieken van een
+windmolen geleken. "Ik ben niet zeker, vriend George, of ik niet wel
+een kerel voor u zou vasthouden als gij eene rekening met hem had af
+te doen."
+
+"Indien de mensch ooit het kwaad behoort te wederstaan," zeide
+Simeon, "dan moet George de vrijheid gevoelen om dit nu te doen;
+maar de leidslieden van ons volk hebben ons een meer uitmuntenden
+weg geleerd; want de toorn des mans wekt Gods gerechtigheid niet;
+maar deze strijd bitterlijk tegen den bedorven wil des menschen en
+niemand kan haar ontvangen dan zij aan wie zij gegeven wordt. Laten
+wij den Heere bidden dat wij niet verzocht worden."
+
+"Dat doe ik ook," zeide Phineas; "maar als wij al te zeer verzocht
+worden--welnu, laten zij voor zich zien, dat is alles."
+
+"Het is duidelijk dat gij geen Vriend geboren zijt," zeide Simeon
+met een glimlach. "De oude natuur blijft nog tamelijk sterk in u."
+
+Om de waarheid te zeggen, Phineas was een forsche, hardhandige boschman
+geweest, een geweldig jager en scherpschutter; maar verliefd op eene
+bevallige kwakerin, was hij door de macht harer bekoorlijkheden
+bewogen om zich bij het gezelschap in deze streek te voegen; en
+hoewel hij een eerlijk, nuchter en nuttig lid der gemeente was,
+en er niets bijzonders op zijn gedrag was te zeggen, konden toch de
+meer geestelijkgezinden niet nalaten een bijzonder gebrek aan heilige
+zachtmoedigheid bij hem op te merken.
+
+"Vriend Phineas zal altijd zijne eigene manieren hebben," zeide Rachel
+glimlachende; "maar wij allen denken toch dat zijn hart op de rechte
+plaats zit."
+
+"Welnu," zeide George; "is het niet best dat wij onze vlucht
+verhaasten?"
+
+"Ik ben te vier uren opgestaan en heb allen spoed gemaakt, twee of drie
+uren voor hen, als zij vertrekken op den tijd dien zij afspraken. Het
+is in allen gevalle niet veilig te vertrekken eer het donker is; want
+er zijn eenige booze menschen in de dorpen verder op, die genegen
+konden zijn om zich met ons te bemoeien als zij onzen wagen zagen,
+en dat zou ons meer ophouden dan het wachten; maar over twee uren
+denk ik dat wij het kunnen wagen. Ik zal naar Michael Cross gaan,
+en hem vragen om op zijnen harddraver achter ons aan te komen,
+en onderweg scherp uit te zien, en ons te waarschuwen als er een
+gezelschap aankomt. Michael heeft een paard, dat de meeste andere
+paarden spoedig kan vooruitloopen; en hij zou vooruit kunnen rijden,
+en het ons doen weten als er eenig gevaar was. Ik ga nu Jim en de oude
+vrouw waarschuwen om zich gereed te houden en naar de paarden zien. Wij
+zijn een goed eind vooruit en hebben dus kans om in veiligheid te
+komen eer zij ons inhalen. Heb dus goeden moed, vriend George; dat
+is niet de eerste maal, dat ik met uw volk leelijk in het nauw ben
+geweest," zeide Phineas, terwijl hij de deur sloot.
+
+"Phineas is schrander," zeide Simeon. "Hij zal ook het beste doen
+dat voor u gedaan kan worden, George."
+
+"Werkelijk, gij brengt u voor ons in ongelegenheid," zeide George.
+
+"Gij zult ons zeer verplichten, vriend George, met daarvan niets meer
+te zeggen. Wat wij doen, zijn wij volgens ons geweten verplicht om
+te doen; wij kunnen niet anders. En nu, moeder," zeide hij, zich naar
+Rachel keerende, "spoed u met uwe toebereidselen voor deze vrienden,
+want wij moeten hen niet vastende heenzenden."
+
+Terwijl Rachel en hare kinderen bezig waren met koornkoek te bakken,
+ham en hoenders te braden en andere toebereidselen voor het avondmaal
+te maken, zaten George en Eliza in hun kamertje met de armen om
+elkander heengeslagen en in zulke gesprekken verdiept, als man en
+vrouw met elkander moeten hebben, wanneer zij weten dat zij over
+weinige uren voor altijd van elkander gescheiden kunnen worden.
+
+"Eliza," zeide George, "menschen die vrienden, huizen, land en geld
+en dat alles hebben, kunnen elkander niet zoo liefhebben als wij,
+die niets hebben dan elkander. Vóórdat ik u kende, Eliza, had niemand
+mij ooit liefgehad, behalve mijne ongelukkige moeder en zuster. Ik zag
+de arme Emily nog op den ochtend toen de handelaar haar medenam. Zij
+kwam naar den hoek waar ik lag te slapen, en zeide: "Arme George, uw
+laatste vriendin gaat heen. Wat zal er van u worden, arme jongen?" En
+ik stond op en sloeg mijne armen om haar heen, en schreide en snikte
+en zij schreide ook; en dat waren de laatste vriendelijke woorden die
+ik in tien lange jaren gehoord heb; en mijn hart verdroogde geheel
+en al, tot ik u ontmoette. En toen gij mij liefhadt--wel, het was
+bijna alsof iemand uit den dood werd opgewekt. Ik ben sedert dien tijd
+een nieuw mensch geweest. En nu, Eliza, zal ik mijn laatsten droppel
+bloed geven, maar zij zullen u niet van mij afnemen. Wie u krijgt,
+zal over mijn lijk moeten stappen."
+
+"O Heere, wees barmhartig!" zeide Eliza snikkende. "Als Hij ons maar
+te zamen uit dit land wil laten komen, dat is al wat wij vragen."
+
+"Is God dan op hunne zijde?" zeide George, minder tot zijne vrouw
+sprekende dan zijne eigene bittere gedachten uitstortende. "Ziet Hij al
+wat zij doen? Waarom laat Hij zulke dingen gebeuren? En men zegt dat
+de Bijbel op hunne zijde is; zeker is alle macht op hunne zijde. Zij
+zijn rijk, gezond en welvarend; zij zijn leden van de kerk en denken
+in den hemel te komen; het gaat hun goed in de wereld en zij hebben
+in alles hun zin; en arme, oprechte, getrouwe christenen--christenen
+zoo goed of beter dan zij--liggen in het stof onder hunne voeten. Zij
+koopen en verkoopen hen, en drijven handel met hun hartebloed, hunne
+zuchten en tranen, en God laat hun dat toe."
+
+"Vriend George," zeide Simeon uit de keuken, "luister eens naar dezen
+psalm; hij zal u misschien goed doen."
+
+George schoof zijn stoel naar de deur, en Eliza, hare tranen
+afdrogende, kwam ook nader om te luisteren, terwijl Simeon las:
+
+"Maar mij aangaande, mijne voeten waren bijna uitgeweken, mijne
+treden waren bijkans uitgeschoten. Want ik was nijdig op de dwazen,
+ziende der goddeloozen vrede. Want er zijn geen banden, tot hunnen
+dood toe, en hunne kracht is frisch. Zij zijn niet in moeite als
+andere menschen, en worden met andere menschen niet geplaagd. Daarom
+omringt hen de hoovaardij als een keten, het geweld bedekt hen als
+een gewaad. Hunne oogen puilen uit van vet; zij gaan de verbeeldingen
+des harten te boven. Zij mergelen de lieden uit, en spreken boozelijk
+van verdrukking; zij spreken uit de hoogte. Daarom keert zijn volk
+zich hiertoe, als hun wateren eens vollen bekers worden uitgedrukt,
+dat zij zeggen: Hoe zou God het weten, en zou er wetenschap zijn bij
+den Allerhoogste?" "Is het nu zoo niet, dat gij denkt, George?"
+
+"Zoo is het waarlijk," antwoordde George. "Zoo goed alsof ik het zelf
+geschreven had."
+
+"Hoor dan," zeide Simeon. "Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen
+verstaan, maar het was moeite in mijne oogen; totdat ik in Gods
+heiligdommen inging en op hun einde merkte. Immers zet Gij hen op
+gladde plaatsen en doet hen vallen in verwoestingen. Als Gij opwaakt,
+O Heer, dan zult Gij hun beeld verachten. Ik zal dan geduriglijk bij
+U zijn: Gij hebt mijne rechterhand gevat. Gij zult mij leiden door
+uwen raad, en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen. Het is
+mij goed nabij God te wezen; ik zet mijn betrouwen op den Heere."
+
+Deze woorden van heilig vertrouwen, door den vriendelijken ouden
+man uitgesproken, waren als hemelmuziek om den ontrusten geest van
+George te stillen, en toen het lezen ophield, droegen zijne trekken
+eene uitdrukking van kalmte en onderwerping.
+
+"Indien deze wereld alles was, George," zeide Simeon, "dan mochten
+wij wel vragen: Waar is de Heere? Maar het zijn dikwijls diegenen,
+die het minste in dit leven hebben, welke Hij voor zijn koninkrijk
+uitkiest. Stel uw vertrouwen op Hem, en wat u hier ook overkome,
+Hij zal hier namaals wèl maken."
+
+Indien deze woorden door een vermaner van de gewone soort waren
+gesproken, in wiens mond zij slechts vrome, redekunstige spreekwijzen
+zouden geweest zijn, zouden zij misschien niet veel indruk hebben
+gemaakt; maar uit den mond van iemand, die zich voor de zaak van God en
+den mensch dagelijks koelbloedig aan boeten en gevangenis blootstelde,
+hadden zij een gewicht dat men niet kon nalaten te gevoelen, en beide
+ongelukkige vluchtelingen bevonden dat hun daardoor kalmte en kracht
+werden ingeboezemd.
+
+Nu nam Rachel Eliza vriendelijk bij de hand en bracht haar naar de
+tafel, waarop het avondmaal gereed stond. Toen zij zaten, werd er
+zachtjes aan de deur geklopt en daarop trad Ruth binnen.
+
+"Ik kom eens even aanloopen," zeide zij, "met deze kousjes voor den
+kleinen jongen--drie paar van lekker warme wol. Het zal zoo koud zijn,
+weet ge, daar in Canada. Houdt ge wel goeden moed, Eliza?" vervolgde
+zij, kwam de tafel om naar haar toe, en drukte haar hartelijk de hand,
+terwijl zij tegelijk Harry een kruidkoekje toestopte. "Ik heb een
+pakje daarvan voor hem medegebracht," zeide zij, trekkende om het
+bedoelde pakje uit haren zak te krijgen. "Kinderen, weet ge wel,
+willen toch altijd eten."
+
+"O, ik dank u; gij zijt al te goed," zeide Eliza.
+
+"Kom, Ruth, ga mede aanzitten," zeide Rachel.
+
+"Ik kan onmogelijk. Ik heb John bij het kleintje gelaten, en ik heb
+beschuit in den oven; en ik kan geen oogenblik blijven, of John zal
+de beschuit laten verbranden en het kind al de suiker in zijne pap
+geven. Dat is zijne manier zoo," zeide het kwakerinnetje. "Goeden dag,
+Eliza, goeden dag, George; de Heere geve u eene veilige reis." En
+daarmede trippelde Ruth weder de deur uit.
+
+Een poosje na het avondeten kwam er een groote overdekte wagen voor
+de deur. Het was een heldere sterrennacht en Phineas sprong vlug van
+zijn bankje, om zijne passagiers te schikken. George kwam de deur uit
+met zijn kind op den eenen arm en zijne vrouw aan den anderen. Zijn
+tred was vast, zijn gezicht ernstig, maar kalm. Rachel en Simeon
+kwamen ook buiten.
+
+"Stapt eens even uit,' zeide Phineas tegen hen, die reeds in den
+wagen zaten, "en laat ik het achterste van den wagen klaarmaken voor
+de vrouwen en het kind."
+
+"Hier zijn de twee buffelhuiden," zeide Rachel. "Maak de plaatsen maar
+zoo zacht als gij kunt, want het is toch hard genoeg, den geheelen
+nacht te rijden."
+
+Jim stapte het eerst af en hielp toen voorzichtig zijne oude moeder,
+die zich aan zijnen arm vastklemde en angstig rondzag, alsof zij
+ieder oogenblik een vervolger verwachtte.
+
+"Jim, zijn uwe pistolen in orde?" zeide George, met eene zachte maar
+vaste stem.
+
+"Ja, wel zeker," antwoordde Jim.
+
+"En gij zult u niet bedenken wat te doen zal komen?"
+
+"Ik geloof haast van neen," antwoordde Jim, zoo diep ademhalende,
+dat zijne breede borst opzwol. "Denkt gij dat ik moeder weder zal
+laten krijgen?"
+
+Onder dit korte gesprek had Eliza van hare liefderijke vriendin Rachel
+afscheid genomen. Zij werd nu door Simeon in den wagen geholpen,
+en met haar kind naar het achtereinde kruipende, zette zij zich op
+de buffelhuiden neer.
+
+De oude vrouw werd vervolgens in den wagen geholpen en naast haar
+geplaatst; George en Jim zetten zich op de harde bank in het midden
+en Phineas klom voorop.
+
+"Vaartwel, mijne vrienden," riep Simeon van buiten.
+
+"God zegene u!" was het antwoord van binnen.
+
+En de wagen reed voort, ratelende en hotsende over den bevroren
+weg. Door het stooten en gedruisch dat de wielen maakten, was het niet
+mogelijk een gesprek te voeren. Men hotste dus uur op uur maar voort en
+voort, door lange donkere streken boschland, over uitgestrekte barre
+vlakten, tegen heuvelen op en in dalen af. Het kind viel spoedig in
+slaap en lag zwaar op den schoot zijner moeder. De arme vrouw vergat
+eindelijk haar angst, en zelfs Eliza bevond, toen het later in den
+nacht werd, dat al hare bekommeringen niet in staat waren om hare
+oogen het dichtvallen te beletten. Phineas scheen over het algemeen
+de levendigste van het gezelschap, en kortte zich den tijd van den
+langen tocht door het fluiten van zeer onkwakerachtige deuntjes.
+
+Tegen drie uren ving George's gehoor het gekletter op van snelle
+hoefslagen die achter hen aankwamen, en stiet hij Phineas aan den
+elleboog. Phineas hield stil en luisterde.
+
+"Dat moet Michael zijn," zeide hij, "ik meen het geluid van zijnen
+galop te kennen."
+
+Hij stond op en keek oplettend den weg langs.
+
+Nu kon men op den top van een heuvel een man te paard onderscheiden,
+die haastig aankwam.
+
+"Daar is hij, geloof ik," zeide Phineas.
+
+George en Jim sprongen beiden van den wagen, eer zij recht wisten
+wat zij deden. Allen tuurden doodstil naar den verwachten bode. Hij
+naderde. Nu daalde hij in eene vallei af, waar zij hem niet zien
+konden; maar zij hoorden toch de snelle hoefslagen al dichter en
+dichter bij komen; eindelijk zagen zij hem op den top eener hoogte,
+binnen beroep.
+
+"Ja, dat is Michael," zeide Phineas, en zijne stem hoog verheffende,
+riep hij: "Holla daar, Michael!"
+
+"Phineas, zijt gij dat?"
+
+"Ja! Wat nieuws? Komen zij?"
+
+"Vlak achter mij. Met hun achten of tienen. Dol van brandewijn,
+vloekende en schuimbekkende als wolven."
+
+En terwijl hij dit zeide, voerde de wind den flauwen klank van
+galoppeerende ruiters aan.
+
+"Stapt weer op, jongens," zeide Phineas. "Als gij vechten moet,
+wacht dan tot gij een eind verder zijt."
+
+Beiden sprongen weder in den wagen, en Phineas bracht de paarden door
+zweepslagen in een ren, terwijl de ruiter naast hen bleef. Hotsend
+en stootend vloog de wagen bijna over den bevroren grond; maar al
+duidelijker en duidelijker werd het geluid der achteraankomende
+ruiters. De vrouwen hoorden dit ook, en uitkijkende zagen zij, ver
+achterwaarts, op den kam van een heuvel, een troep mannen tegen
+het roode schijnsel van den dageraad afstekende. Nog een heuvel,
+en de vervolgers hadden blijkbaar den wagen in het oog gekregen,
+daar de witte kap dezen in de verte deed onderscheiden, en een woeste
+zegekreet werd door den wind overgevoerd. Met een gevoel alsof ze
+flauw zou vallen, drukte Eliza haar kind vaster aan hare borst;
+de oude vrouw kermde en bad; George en Jim grepen met de kracht der
+wanhoop hunne pistolen. De vervolgers wonnen nu snel. De weg nam een
+draai en bracht den wagen vlak bij eenige steile rotsen die bijna
+loodrecht oprezen, op eene plek die in het rond geheel effen was. Deze
+groep of keten van rotsen, die zwart tegen de reeds helder wordende
+lucht afstak, scheen eene schuilplaats, waar men zich veiligheid kon
+beloven. Zij waren Phineas wel bekend, daar hij, in vroeger tijd op
+de jacht zijnde, dikwijls in deze streek was geweest, en het was om
+deze plek te bereiken, dat hij de paarden zoo had voortgejaagd.
+
+"Nu komt het er op aan," zeide hij, zijne paarden eensklaps inhoudende;
+en terstond op den grond springende, vervolgde hij: "Dadelijk er uit,
+allemaal, en met mij de rotsen op. Michael, bind uw paard aan den wagen
+en rijd door naar Amariah, en laat hij met zijne jongens terugkomen,
+om met die kerels te spreken."
+
+In een oogenblik waren allen uit den wagen.
+
+"Komt," zeide Phineas, Harry opnemende, "neemt ieder een van de
+vrouwen, en loopt dan zooals gij nog nooit in uw leven geloopen hebt."
+
+Zij hadden geene aansporing noodig. Sneller dan wij het zeggen kunnen,
+waren allen over het staketsel langs den weg en haastten zij zich
+naar de rotsen, terwijl Michael van zijn paard sprong, het aan den
+wagen vastbond, voorop klom en zoo hard hij kon voortreed.
+
+"Komt verder," zeide Phineas, toen zij de rotsen bereikten, en in het
+flauwe licht van den dageraad de sporen van een ruw maar duidelijk
+aangewezen voetpad zagen. "Dat is een van onze oude jagersholen. Komt
+op!"
+
+Phineas ging vooruit en sprong als eene geit de rotsen op, met
+het kind in zijne armen. Jim, die zijne oude moeder over zijnen
+schouder droeg, was de tweede; George en Eliza kwamen achteraan. De
+ruiters kwamen ingelijks aan het staketsel, en stegen schreeuwende
+en vloekende af om hen te volgen. Eene korte poos klauterens bracht
+de vluchtelingen op den top der eerste steilte; vervolgens liep het
+pad door eene enge kloof, waardoor zij slechts een voor een konden
+heengaan, tot zij plotseling gestuit werden door eene diepe kloof van
+meer dan eene el breedte en over de dertig voet diepte, met wanden zoo
+steil en effen als een muur. Phineas sprong vlug over de spleet heen,
+en zette het kind op het witte veerkrachtige mos neer, dat den effen
+top der rots bedekte.
+
+"Komt er over!" riep hij. "Doet nu eens een sprong voor uw leven!"
+
+Weldra waren allen aan den overkant.
+
+Een aantal losse steenen lag daar, zoodanig opgestapeld, dat zij
+eene soort van borstwering vormden, zoodat men, daarachter zijnde,
+niet van beneden kon gezien worden.
+
+"Zoo, daar zijn wij allen," zeide Phineas, over de borstwering
+kijkende naar de vervolgers, die gedeeltelijk de rots opklauterden,
+gedeeltelijk beneden bleven staan. "Laten zij ons maar krijgen als zij
+kunnen. Die hier komen, moeten een voor een tusschen de rotsen door,
+onder bereik van uwe pistolen; ziet ge wel, jongens?"
+
+"Ik zie het," antwoordde George; "en daar de zaak ons alleen aangaat,
+zoo laat ons het gevaar op ons nemen en alleen vechten."
+
+"Ik gun u het vechten wel alleen, George," zeide Phineas, eenige
+bessenbladeren kauwende, onder het spreken, "maar ik zal toch wel de
+aardigheid mogen hebben van toe te kijken, zou ik denken. Maar zie,
+die kerels staan daar beneden te overleggen, en kijken naar omhoog,
+gelijk kippen als zij naar hare slaapplaats opvliegen. Zou het
+niet beter zijn een woordje van goeden raad te geven eer zij komen,
+om hun eerlijk te waarschuwen dat er op hen geschoten zal worden,
+als zij dat doen?"
+
+De troep beneden, thans in het licht van den aanbrekenden dag
+duidelijk zichtbaar, bestond uit onze oude bekenden, Tom Loker en
+Marks met twee constabels, en eenige kerels die zich in de laatste
+herberg door wat brandewijn hadden laten bewegen om vermaakshalve
+mede op de jacht te gaan.
+
+"Wel, Tom, het wild is in de val," zeide een van hen.
+
+"Ja, ik zag ze recht hierop gaan," antwoordde Tom, "en daar is een
+pad. Ik ben er voor om terstond op hen af te gaan. Zij kunnen toch
+niet in eens naar beneden springen, en het zal niet lang duren of
+wij vinden ze."
+
+"Maar Tom, zij kunnen wel achter de rotsen op ons vuren," zeide Marks,
+"en dat zou leelijk zijn."
+
+"Ba!" zeide Tom smalend. "Gij wilt altijd uw huid sparen, Marks. Maar
+geen gevaar! Negers zijn veel te laf."
+
+"Ik weet niet waarom ik mijne huid niet zou sparen," antwoordde
+Marks. "Het is het beste wat ik heb, en negers vechten somtijds
+als duivels."
+
+Op dit oogenblik verscheen George op den top der rots boven hen en
+zeide met eene heldere en vaste stem:
+
+"Heeren, wie zijt gij daar beneden en wat zoekt gij hier?"
+
+"Wij zoeken een troep weggeloopen negers," antwoordde Tom
+Loker. "Zekeren George Harris en Eliza Harris en hun zoon, en Jim
+Selden en eene oude vrouw. Wij hebben de officieren hier en eene
+volmacht om hen te vatten; en wij zullen hen krijgen ook. Hoort gij
+wel? Zijt gij George Harris niet, die aan Mr. Harris van Kentucky
+behoort?"
+
+"Ik ben George Harris. Zekere Mr. Harris van Kentucky noemde mij eens
+zijn eigendom. Maar nu ben ik een vrij man en sta op Gods vrijen grond,
+en mijne vrouw en mijn kind behooren mij toe. Jim en zijne moeder zijn
+hier. Wij hebben wapenen om ons te verdedigen en dat zullen wij ook
+doen. Gij kunt naar boven komen als gij wilt; maar de eerste van u,
+die binnen bereik van onze kogels komt, is een lijk, en de volgende
+ook, en zoo voort tot den laatsten toe."
+
+"Och, kom, kom!" zeide een kort, zwaarlijvig manneke, naar voren
+komende, en terwijl hij dit deed zijn neus snuitende: "Jonkman, dat
+is eene taal die u geheel niet past. Gij ziet, wij zijn officieren
+van justitie. Wij hebben de wet op onze zijde, en de macht en zoo
+voort. Gij zult dus best doen met u vreedzaam over te geven, ziet ge,
+want gij moet het toch eindelijk zeker opgeven."
+
+"Ik weet zeer wel, dat gij de wetten de macht op uwe zijde hebt,"
+antwoordde George met bitterheid. "Gij meent mijne vrouw te
+Nieuw-Orleans te gaan verkoopen, en mijn kind als een kalf in het
+hok van een handelaar op te sluiten, en Jims oude moeder weer naar
+dien beestachtigen kerel te brengen, die haar te voren mishandeld
+heeft omdat hij haar zoon niet mishandelen kon. Gij wilt Jim en mij
+terugbrengen, om gemarteld en getrapt te worden onder de voeten
+van hen die zich onze meesters noemen, en uwe wetten zullen dat
+goedkeuren--des te meer schande voor u en uwe wetten. Maar gij hebt
+ons nog niet. We erkennen uwe wetten niet, wij erkennen uw land niet,
+wij staan hier onder Gods hemel als vrije lieden, gelijk gij zijt;
+en bij den grooten God die ons geschapen heeft, wij zullen voor onze
+vrijheid vechten tot wij sterven."
+
+George stond in het volle gezicht zijner vijanden boven op de rots,
+toen hij deze verklaring van onafhankelijkheid aflegde; de gloed
+van den dageraad leende een blos aan zijne gebruinde wangen, en
+verontwaardiging en wanhoop gaven vuur aan zijne donkere oogen; en
+alsof hij zich van de menschen op de rechtvaardigheid Gods beriep,
+hief hij onder het spreken zijne hand ten hemel op.
+
+Als hij nu maar een jeugdig Hongaar geweest was, die in eene
+bergvesting den aftocht der vluchtelingen beveiligde, welke uit hun
+vaderland in Amerika eene wijkplaats wilden zoeken, dan zou dit eene
+verhevene heldhaftigheid zijn geweest; maar nu hij een jonkman van
+Afrikaansche afkomst was, die vluchtelingen uit Amerika naar Canada
+verdedigde, zijn wij natuurlijk te wel onderwezen en te patriotsch,
+om daarin eene heldhaftigheid te zien; en indien iemand van onze
+lezers dit doet, moet hij het op zijne eigene verantwoordelijkheid
+doen. Indien wanhopige Hongaarsche vluchtelingen, tegen het gezag,
+ondanks de nasporingen hunner wettige regeering naar Amerika
+ontsnappen, weergalmen de drukpers en het politieke kabinet van
+toejuichingen en welkomstgroeten. Indien wanhopige Afrikaansche
+vluchtelingen hetzelfde doen--dan is het--wat is het dan?
+
+Dat zij gelijk het wil, zeker is het dat de houding, de oogen en de
+stem van den spreker den troep beneden voor een oogenblik tot stilte
+brachten. Vastberadene stoutmoedigheid heeft iets dat zelfs het ruwste
+gemoed voor eene poos ontzag inboezemt. Marks was de eenige die geheel
+ongetroffen bleef. Hij spande bedaard den haan van zijn pistool, en
+in het oogenblik van stilte, dat op de toespraak van George volgde,
+gaf hij vuur op hem.
+
+"Gij begrijpt wel, gij krijgt dood of levend evenveel voor hem in
+Kentucky," zeide hij koeltjes, en veegde zijn pistool op zijne mouw af.
+
+George sprong achteruit--Eliza gaf een gil--de kogel was bijna door
+zijne haren en dicht langs de wang zijner vrouw gegaan.
+
+"Het is niets, Eliza," zeide George snel.
+
+"Gij moest liever uit het gezicht blijven, als gij aanspraken houdt,"
+zeide Phineas. "Zij zijn gemeene schurken."
+
+"Zie nu of uwe pistolen in orde zijn, Jim," zeide George, "en pas
+met mij op de engte. Op den eerste die zich vertoont geef ik vuur;
+gij neemt den tweede en zoo verder. Het zou niet gaan, weet ge,
+twee schoten kruit aan één te verspillen."
+
+"Maar als gij niet raakt?"
+
+"Ik zal raken," antwoordde George koelbloedig.
+
+"Goed zoo! Dat is een jongen die hart heeft," prevelde Phineas
+binnensmonds.
+
+De troep beneden bleef, toen Marks gevuurd had, voor eene poos
+eenigszins besluiteloos staan.
+
+"Ik ben er voor om recht op hen af te gaan," zeide Tom. "Ik ben nooit
+bang voor negers geweest, en dat wil ik nu ook niet worden. Wie volgt
+mij?" riep hij en sprong tegen de rots op.
+
+George hoorde deze woorden duidelijk. Hij haalde een pistool te
+voorschijn, bezichtigde die nog eens en richtte haar naar dat punt
+der engte, waar de eerste man zich vertoonen moest.
+
+Een der dapperste van den troep volgde Tom en toen aldus het voorbeeld
+gegeven was, begonnen allen tegen de rotsen op te klauteren, terwijl
+de achtersten de voorsten sneller voortduwden, dan zij uit zich zelven
+wel zouden gestapt hebben. Zoo kwamen zij aan, en een oogenblik later
+vertoonde zich de breede gestalte van Tom bijna aan den rand der kloof.
+
+George gaf vuur--de kogel trof Tom in de zijde, doch hoewel gekwetst,
+wilde hij niet terugdeinzen, maar met een brullenden kreet als van
+een razenden stier deed hij een sprong, die hem over de kloof onder
+de vluchtelingen zou gebracht hebben.
+
+"Vriend," zeide Phineas, eensklaps vooruitkomende en hem met zijne
+lange armen een duw gevende, "gij zijt hier niet noodig."
+
+Tom stortte in de kloof en tuimelde tusschen de krakende takken van
+boomen en struiken door, tot hij, dertig voet diep, op de afgebrokkelde
+steenen bleef liggen. Deze val zou hem het leven hebben gekost als
+hij niet daardoor gebroken was, dat zijne kleeren aan de takken van
+een grooten boom bleven haken; hij kwam echter nog met tamelijk veel
+kracht neer--met meer kracht dan hem eenigszins aangenaam was.
+
+"Heere help ons! Zij zijn baarlijke duivels!" zeide Marks en
+stoof vooruit de rots weder af, veel gewilliger dan hij mede was
+opgeklommen. Al de anderen volgden hem met even grooten spoed, die
+den dikken constabel inzonderheid deed blazen en hijgen.
+
+"Hoort eens, jongens," zeide Marks. "Ge moest omloopen en Tom opnemen,
+terwijl ik naar mijn paard ga en terugrijd om hulp te halen."
+
+En zonder zich aan de smaadwoorden en het uitjouwen zijner makkers
+te storen, deed Marks wat hij gezegd had en reed weldra in galop heen.
+
+"Heb ik ooit zulk een laffen schobbejak gezien?" zeide een van den
+troep. "Wij komen hier voor zijne zaken, en hij loopt weg en laat
+ons hier in den steek."
+
+"Nu, wij moeten zijn kameraad toch gaan opzoeken," zeide een ander;
+"maar ik mag verd..d zijn, als het mij veel schelen kan of hij levend
+of dood is."
+
+Op het geluid afgaande, klauterden en kropen zij door struiken,
+stronken en steenen heen, tot zij aan de plek kwamen waar onze held
+beurtelings lag te vloeken en te kermen.
+
+"Gij laat u tamelijk hard hooren, Tom," zeide er een. "Zijt ge erg
+bezeerd?"
+
+"Dat weet ik niet. Neemt mij maar op als gij kunt. De duivel haal
+dien helschen kwaker. Was hij er niet geweest, dan zou ik een van
+den troep hier naar hebben gesmeten, om te zien hoe dat hun aanstond."
+
+Met veel moeite en gekerm werd de gevallen held opgeholpen, en hem
+onder de armen vasthoudende, brachten zij hem tot bij de paarden.
+
+"Als ge mij maar naar die herberg terug kunt brengen. Geeft mij een
+zakdoek of zoo iets om hier in te stoppen en dat duivelsch bloeden
+te stuiten."
+
+George keek over de rotsen heen en zag hen beproeven om den loggen
+Tom op een paard te tillen. Na een paar vruchtelooze pogingen zwaaide
+hij duizelend om en viel met een slag op den grond.
+
+"O, ik hoop maar dat hij niet dood is," zeide Eliza, die nu met al
+de anderen stond toe te zien.
+
+"Waarom?" zeide Phineas. "Het zou niet meer dan zijn loon zijn."
+
+"Omdat na den dood het oordeel komt," antwoordde Eliza.
+
+"Ja," zeide de oude vrouw, die onder al het voorgevallene op hare
+methodisten-manier had zitten kermen en bidden, "dat zou ontzaglijk
+wezen voor de ziel van dat arme schepsel."
+
+"Op mijn woord, zij laten hem liggen, geloof ik," zeide Phineas.
+
+Dit was de waarheid, want na eenig beraad stegen al de anderen te
+paard en reden heen. Toen zij uit het gezicht waren, achtte Phineas
+het raadzaam ook niet langer te toeven.
+
+"Wij moeten afklimmen en een eind te voet gaan," zeide hij. "Ik heb
+Michael gezegd dat hij moest doorrijden en hulp halen en hij zal
+spoedig met den wagen terug zijn, maar wij zullen hem een eind wegs
+te gemoet dienen te gaan. De Heere geve dat hij spoedig kome! Het
+is nog vroeg op den dag, en er zullen nog niet veel voetgangers op
+den weg zijn. Wij zijn niet veel verder dan een paar mijlen van onze
+rustplaats af. Als de weg verleden nacht niet zoo heel slecht was
+geweest, zouden wij hun geheel zijn ontkomen."
+
+Toen de vluchtelingen het hek langs den weg naderden, zagen zij
+in de verte hun eigen wagen weder aankomen, door eenige mannen te
+paard vergezeld.
+
+"Zoo, daar is Michael en Stephen en Amariah," riep Phineas met
+blijdschap uit. "Nu zijn we behouden--zoo goed alsof wij daar al
+waren."
+
+"Maar blijf dan nog even," zeide Eliza, "en doet iets voor dien armen
+man. Hij kermt zoo akelig."
+
+"Het zou niet meer dan christelijk wezen," zeide George. "Laten wij
+hem maar optillen en medenemen"
+
+"En hem onder de kwakers genezen!" zeide Phineas. "Dat zou wel aardig
+zijn. Nu, ik heb er niets tegen. Maar laten wij eerst eens naar hem
+gaan kijken."
+
+En Phineas, die in zijn jagersleven eenige ondervinding in de chirurgie
+had opgedaan, knielde bij den gekwetste neer en begon zorgvuldig zijn
+toestand te onderzoeken.
+
+"Marks," zeide Tom met eene flauwe stem, "zijt gij dat Marks?"
+
+"Neen, dat is niet te denken, vriend," antwoordde Phineas. "Hoeveel
+Marks van u houdt, hij houdt toch meer van zijne eigene huid. Hij is
+al lang voort."
+
+"Ik geloof dat het met mij gedaan is," zeide Tom. "Die lafhartige
+rekel, om mij hier alleen te laten sterven! Mijne goede oude moeder
+heeft mij altijd gezegd dat het zoo gaan zou."
+
+"Och Heere, hoor dat arme schepsel eens! Hij heeft nog eene moeder,"
+zeide de oude negerin. "Ik kan het niet nalaten om medelijden met
+hem te hebben."
+
+"Zachtjes, zachtjes; zoo kleinzeerig en driftig niet, vriend," zeide
+Phineas, toen Tom ineenkromp en zijn hand wegstiet. "Gij hebt geene
+kans meer, als ik het bloeden niet stuit." En Phineas improviseerde
+haastig een verband van zijn eigen zakdoek en van die, welke hij bij
+het gezelschap nog kon bekomen.
+
+"Gij hebt mij daar afgestooten," zeide Tom met eene flauwe stem.
+
+"Wel, als ik dat niet gedaan had, zoudt gij er ons hebben afgestooten,"
+antwoordde Phineas, bukkende om het verband aan te leggen. "Kom,
+laat ik u helpen. Wij meenen het wel met u; wij willen u geen kwaad
+doen. Gij zult naar een huis gebracht worden, waar men u uitmuntend
+zal oppassen--zoogoed als uwe eigene moeder zou kunnen doen."
+
+Tom kermde slechts en sloot zijn oogen. Bij menschen van zijne klasse
+zijn kracht en moed iets geheel lichamelijks, en vervliegen met
+het wegvloeien van hun bloed; de reusachtige kerel zag er in zijne
+hulpeloosheid inderdaad jammerlijk uit.
+
+De andere troep kwam nu aan. Men nam de banken uit den wagen, legde de
+buffelhuiden, in vieren gevouwen, geheel langs eene zijde, en daarop
+tilden vier mannen met groote moeite den loggen Tom er in. Eer men
+hem neerlegde was hij geheel flauw. De oude negerin ging, in haren
+overvloed van medelijden, op den grond zitten, en nam zijn hoofd in
+haren schoot.
+
+"Wat denkt gij van hem?" zeide George, die naast Phineas voorop zat.
+
+"Wel, het is maar eene tamelijk diepe vleeschwonde; maar dat kneuzen en
+krabben bij zijnen val heeft hem geen goed gedaan. Hij heeft tamelijk
+sterk gebloed; hij is haast leeggeloopen, met courage en al; maar
+hij zal het wel te boven komen en er misschien iets door leeren."
+
+"Ik ben blijde, dat ik dit van u hoor," zeide George, "het zou
+altijd eene drukkende gedachte voor mij geweest zijn, als ik zijn
+dood veroorzaakt had, zelfs in eene rechtvaardige zaak."
+
+"Ja," zeide Phineas, "het dooden is een leelijk ding, hoe men het ook
+neemt--mensch of beest. Ik ben in mijnen tijd een groot jager geweest
+en ik zeg u, ik heb dikwijls gezien dat een reebok, die geschoten was
+en stierf, iemand zoo aankeek, dat hij haast een gevoel had alsof hij
+eene goddeloosheid had gedaan; en met menschelijke wezens is het nog
+ernstiger, omdat, zooals uwe vrouw gezegd heeft, voor hen na den dood
+het oordeel komt. Ik weet niet of de begrippen van ons volk over die
+dingen wel te nauw zijn; en als men bedenkt hoe ik ben groot geworden,
+heb ik ze tamelijk wel overgenomen."
+
+"Wat zullen wij nu met dien armen kerel doen?" zeide George.
+
+"O, hem naar Amariah brengen. Daar is oude grootmoeder Stephens--Dorcas
+noemen zij haar--zij kan verbazend goed oppassen. Dat is haar
+natuurlijk vak, en zij is nooit beter in haren schik dan wanneer zij
+een zieke heeft te verzorgen. Wij kunnen hem wel veertien dagen of
+zoo bij haar laten."
+
+Na omtrent een uur rijdens kwam men aan eene nette boerenwoning,
+waar de vermoeide reizigers terstond op een goed ontbijt werden
+onthaald. Tom Loker werd spoedig met behoedzaamheid op een veel
+zindelijker en zachter bed gelegd, dan waarin hij ooit gewoon was
+geweest te slapen. Zijne wonde werd zorgvuldig gezuiverd en verbonden,
+en toen bleef hij stilliggen als een vermoeid kind, kwijnend zijne
+oogen sluitende en dan weder openende, om naar de witte gordijnen der
+kamer en de zacht voorbijglijdende gedaanten te turen. En hiermede
+nemen wij voor het tegenwoordige van dit gezelschap afscheid.
+
+
+
+
+
+ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
+
+MISS OPHELIA AANVAARDT HARE TAAK.
+
+
+Onze vriend Tom vergeleek, in zijn eenvoudig gepeins, zijn eigen
+gelukkig lot in zijne dienstbaarheid met dat van Jozef in Egypte;
+en naarmate zijn karakter zich voor het oog van zijnen meester meer
+en meer ontwikkelde, werd die vergelijking al juister en juister.
+
+St. Clare was traag en onverschillig voor geld. Tot nog toe was het
+inkoopen van allerlei benoodigdheden voornamelijk door Adolf bezorgd,
+die even onbedacht en spilziek was als zijn meester; en met hun
+beiden ging het verkwisten met vervaarlijke snelheid voort. Jarenlang
+gewoon zijns meesters eigendom als een aan hem toevertrouwd goed te
+beschouwen, zag Tom met eene onrust, die hij bijna niet smoren kon,
+de verkwisting in dit huishouden; en op de zachte, zijdelingsche
+manier, die menschen van zijnen stand dikwijls aannemen, gaf hij
+somtijds wenken en raad.
+
+In het begin gebruikte St. Clare hem nu en dan; maar Weldra overtuigd
+van zijn gezond oordeel en zijne bedrevenheid in dit opzicht,
+vertrouwde hij hem al meer en meer, totdat eindelijk alle inkoopen
+op de markt en elders aan hem werden opgedragen.
+
+"Neen, neen, Adolf," zeide hij eens, toen deze zich beklaagde over
+de vermindering van zijne macht, "laat Tom maar begaan. Gij weet
+alleen wat er noodig is--Tom weet wat het kost en waar het gekocht
+moet worden; en er zou welhaast een einde aan het geld komen, als
+wij niet iemand daarop lieten passen."
+
+Zoo onbeperkt vertrouwd door een zorgeloozen meester, die hem eene
+banknoot gaf zonder er naar te zien, en het geld aannam zonder
+het te tellen, had Tom velerlei gelegenheden en verzoekingen tot
+oneerlijkheid, en niets dan zijne eenvoudige rechtschapenheid, door
+zijn christelijk geloof versterkt, kon hem daarvan terughouden. Voor
+hem was juist het onbeperkte vertrouwen, dat men in hem stelde,
+eene drangreden en heilige verplichting tot de striktste nauwgezetheid.
+
+Met Adolf was het geheel anders geweest. Onnadenkend begeerig en niet
+gedwongen door vrees voor een meester, die het 't gemakkelijkst vond
+alles maar te laten loopen gelijk het wilde, was hij ten opzichte van
+dien meester tot zulk eene volkomen verwarring van het _mijn_ en _dijn_
+geraakt, dat zelfs St. Clare somtijds onrustig daarover werd. Zijn
+eigen gezond verstand zeide hem dat het verkeerd en gevaarlijk was,
+zijne bedienden zoodanige gewoonten te laten aannemen. Hij gevoelde
+altijd zekere knaging daarover, hoewel deze niet sterk genoeg was om
+hem eene beslissende verandering in zijne handelwijs te doen maken; en
+juist deze knaging bewoog hem tot verdere toegeeflijkheid. Hij zag de
+zwaarste fouten licht over het hoofd, omdat hij zich zelven zeide dat
+zonder zijn toedoen zijne bedienden niet daartoe zouden vervallen zijn.
+
+Tom beschouwde zijn vroolijken, luchthartigen, innemenden jongen
+meester met een zonderlinge mengeling van welgevallen, eerbied en
+vaderlijke bekommering. Dat hij nooit in den Bijbel las en nooit
+naar de kerk ging, dat hij spotte met alles waarmede hij verkoos
+zijn vernuft te laten spelen, dat hij zijne Zondagavonden in de
+opera sleet; dat hij meer dan hem wel dienstig was naar de clubs
+en avondgezelschappen ging, waar veel gedronken werd--waren dingen,
+welke Tom even duidelijk zien kon als iemand anders, en die hem tot de
+overtuiging brachten dat "meester geen christen was;" eene overtuiging
+evenwel, die hij zeer bezwaarlijk aan iemand anders zou bekend hebben,
+maar die hem in zijn slaapkamertje op zijne eenvoudige manier menig
+gebed deed uitstorten. Bij gelegenheid zeide hij ook wel eens zijne
+gedachten, met iets van dien tact die aan zijne klasse eigen is. Bij
+voorbeeld: daags na den vroeger beschreven Zondag was St. Clare op
+eene gezellige partij van vroolijke snaken genoodigd, en werd hij
+tusschen één en twee uur in den nacht tehuis gebracht in een toestand,
+welke weinig van smoordronken verschilde. Tom en Adolf hielpen hem in
+bed. De laatste was zeer vroolijk, hield de zaak blijkbaar voor een
+aardigheid en lachte hartelijk over de onnoozele ontzetting van Tom,
+die inderdaad eenvoudig genoeg was om het grootste gedeelte van den
+nacht te blijven wakker liggen en voor zijnen jongen meester te bidden.
+
+"Wel, Tom, waar wacht gij naar?" zeide St. Clare den volgenden dag,
+toen hij in zijne kamerjapon in zijn bibliotheek zat, en Tom juist
+verschillende boodschappen en eenig geld had gegeven. "Is het niet
+alles in orde?" vervolgde hij, toen Tom nog staan bleef.
+
+"Ik vrees van neen, meester," antwoordde Tom met een ernstig gezicht.
+
+St. Clare legde zijne courant neder en zag Tom aan.
+
+"Wel, Tom, wat scheelt er aan? Gij kijkt zoo plechtig als eene
+doodkist."
+
+"Ik ben heel benauwd, meester. Ik heb altijd gedacht, dat meester
+voor alle menschen goed zou zijn."
+
+"Wel, Tom, ben ik dat dan niet geweest? Komaan, wat woudt ge
+hebben? Gij wilt om iets vragen, denk ik, en dit is de inleiding."
+
+"Meester is altijd goed voor mij geweest. Ik heb in dat opzicht niets
+te klagen. Maar er is iemand, voor wien meester niet goed is."
+
+"Wel, Tom, hoe is u dat in het hoofd gekomen? Spreek op, wat meent
+gij?"
+
+"Verleden nacht tusschen één en twee uur dacht ik zoo. Ik heb toen
+de zaak overlegd. Meester is niet goed voor zich zelven."
+
+Toen Tom dit zeide, keerde hij zich om en tastte naar de kruk van
+de deur. St. Clare voelde zijn gezicht bloedrood worden, maar hij
+lachte toch.
+
+"O, is dat alles?" zeide hij luchtig.
+
+"Alles!" zeide Tom, zich eensklaps weder omkeerende en op de knieën
+vallende. "O, mijn lieve jonge meester, ik vrees dat dit het verlies
+van alles zal zijn--van alles--lichaam en ziel. Het goede boek zegt:
+Hij zal bijten als eene slang en steken als eene adder, lieve meester."
+
+Zijne stem bleef steken en de tranen rolden over zijne wangen.
+
+"Welnu, ik zal niet meer naar die verwenschte gezelschappen gaan, Tom,"
+zeide St. Clare, "op mijn eer, ik zal niet. Ik weet niet waarom ik er
+al niet lang van weggebleven ben. Ik heb die ruwheid altijd veracht,
+en mij zelven ook omdat ik er aan mededeed. Veeg dus nu uwe oogen maar
+af, Tom, en ga uwe boodschappen doen. Neen," vervolgde hij, "geene
+zegenbeden! Ik ben zoo verbazend goed nog niet." En dit zeggende,
+duwde hij Tom zachtjes naar de deur. "Daar, Tom, ik verpand u mijne
+eer, dat ge mij nooit weder zoo zien zult."
+
+Tom veegde zijne oogen af en ging zeer vergenoegd heen.
+
+"En ik zal ook mijn woord aan hem houden," zeide St. Clare, de deur
+sluitende.
+
+Hij deed dit werkelijk; want grof zinnelijk genot, van welken aard ook,
+was geene groote verzoeking voor hem.
+
+Doch wie zal de menigvuldige verdrietelijkheden van onze vriendin
+Ophelia beschrijven, die in zulk een Zuidelijk huishouden de taak
+van huishoudster aanvaardde?
+
+Tusschen de bedienden in Zuidelijke huisgezinnen bestaat zooveel
+verschil als maar mogelijk is, volgens het karakter en de bekwaamheid
+der meesteressen, die hen hebben opgebracht. In het Zuiden,
+zoowel als in het Noorden zijn vrouwen, die een buitengewonen
+aanleg hebben om heerschappij te voeren en een bijzondere tact van
+opvoeding bezitten. Dezulken zijn in staat om met schijnbaar gemak
+en zonder gestrengheid de leden van een talrijk gezin aan haren wil
+te onderwerpen en in geregelde orde te doen samenwerken, terwijl zij
+ieders eigenaardigheden zoodanig aanmoedigen, en wat den een ontbreekt
+zoodanig door hetgeen de ander in overmaat bezit weten te vergoeden,
+dat daardoor een goed geheel ontstaat.
+
+Zulk eene huishoudster was Mevrouw Shelby, welke wij reeds beschreven
+hebben en onze lezers zich misschien nog herinneren. Indien zij in
+het Zuiden niet talrijk zijn, is het omdat zij dit op de geheele
+wereld niet zijn. Zij zijn daar evengoed te vinden als ergens elders,
+en zij vinden daar in den bijzonderen toestand der maatschappij eene
+schitterende gelegenheid om hare huiselijke talenten aan den dag
+te leggen.
+
+Zulk eene huishoudster was Mevrouw St. Clare niet, evenmin als hare
+moeder vóór haar. Traag, kinderachtig, onnadenkend en zelve aan
+geenen regel gewend, was het niet te verwachten, dat de bedienden
+onder haar bestuur anders zouden zijn, en zij had Ophelia den staat
+van verwarring, waarin zij het huishouden zou vinden, naar waarheid
+beschreven, hoewel zij dien niet aan de rechte oorzaak had geweten.
+
+Op den eersten morgen van haar regentschap stond Ophelia te vier
+uren op, en nadat zij hare eigene kamer had opgeredderd, gelijk zij,
+tot groote verbazing der kamermeid, sedert hare aankomst altijd gedaan
+had, ging zij een krachtigen aanval doen op de kasten en bergplaatsen,
+waarvan zij de sleutels had.
+
+De provisiekamer, de linnenkasten, de porseleinkast, de keuken en de
+kelder moesten dien dag eene geduchte inspectie doorstaan. Verborgen
+dingen der duisternis werden voor het licht gebracht met zoo weinig
+verschooning, dat de gezagvoersters in de keuken en elders er van
+versteld stonden, en er niet weinig over "die Noordsche dame" werd
+gepraat en gemompeld.
+
+De oude Dina, de opperkeukenmeid en de eerste in gezag in dat gedeelte
+van het huis, was niet weinig vergramd over de vermeende schennis
+harer privilegiën. Geen baron in den tijd der Magna Charta kon meer
+verbitterd zijn over de aanmatigingen der kroon.
+
+Dina was op hare manier een origineel, en wij zouden hare nagedachtenis
+onrecht aandoen, als wij den lezer niet eenig denkbeeld van haar
+gaven. Zij was eene geboren keukenmeid, evenzeer als Tante Chloe,
+want het koken is een aangeboren talent van den Afrikaanschen stam;
+maar Chloe was eene geregelde wel-afgerichte keukenmeid, die hare
+zaken met orde en overleg verrichtte, terwijl Dina een ongeregeld
+genie en, gelijk genieën in het algemeen, ten uiterste eigenzinnig
+en onhandelbaar was.
+
+Gelijk zekere klasse van nieuwe philosofen, verachtte Dina alles wat
+naar rede en regel geleek, en beriep zich steeds op eene ingeschapen
+kennis. Daarmede gewapend, was zij onaantastbaar; geen gezag,
+overreding of opheldering kon haar ooit doen gelooven, dat eenige
+andere manier beter kon zijn dan de hare, of dat de handelwijs, waaraan
+zij gewoon was, in het geringste kon gewijzigd worden. Dit was iets
+waaraan hare oude meesteres, de moeder van Marie, en deze zelve na haar
+huwelijk hadden toegegeven, daar dit veel gemakkelijker was dan het te
+bekampen, en zoo had Dina altijd haar eigen zin gedaan. Dit was haar
+des te eer gelukt, daar zij volmaakt meesteres was in die diplomatische
+kunst, welke de grootste onderdanigheid van manieren met de grootste
+hardnekkigheid wat de zaak zelve betreft weet te vereenigen.
+
+Dina was meesteres in de geheele kunst van verontschuldigingen maken
+in al hare takken. Het was bij haar een stelregel dat eene keukenmeid
+geen kwaad kan doen; en in eene Zuidelijke keuken vindt de oppervoogdes
+altijd hoofden en schouders genoeg om alle zonden en zwakheden op
+te laden, zoodat zij hare onfeilbaarheid ongedeerd houdt. Als een of
+ander gedeelte van een diner mislukte, waren daarvoor altijd vijftig
+ontegenzeggelijk goede redenen; het was onloochenbaar de schuld van
+vijftig andere lieden; welke Dina met onbarmhartigen ijver bekeef.
+
+Doch het was zelden dat er iets mislukt kon heeten van hetgeen door
+Dina naar de tafel werd gezonden. Schoon de manier waarop zij alles
+deed, bijzonder omslachtig en langdradig was, en tijd of plaats daarbij
+in geene aanmerking kwam--schoon hare keuken er doorgaans uitzag
+alsof alles daar gerangschikt was door een orkaan, die er doorheen had
+gewaaid, en zij voor elk stuk kookgereedschap omtrent zoovele plaatsen
+had als er dagen in het jaar waren, kwam toch, als men maar geduld had
+om haar tijd af te wachten, de maaltijd in volmaakte orde op de tafel,
+zoo keurig toebereid dat geen epicurist er iets op kon aanmerken.
+
+Het was nu de tijd voor de allereerste toebereidselen voor den
+maaltijd. Dina, die lange tusschenpoozen van rust en nadenken noodig
+had, en bij alles zooveel mogelijk gemak zocht, zat op den vloer een
+kort stompje pijp te rooken, waarvan zij veel hield, en dat zij altijd
+bij wijze van wierookvat liet branden, als zij voor haren arbeid
+eenige inspiratie noodig had. Dit was hare manier om de huiselijke
+muzen aan te roepen.
+
+Om haar heen zaten verscheidene leden van dat opkomende geslacht, dat
+in een Zuidelijk huishouden zoo talrijk is, bezig met erwten te doppen,
+aardappelen te schillen, vogels te plukken en andere voorloopige
+werkzaamheden, terwijl Dina telkens uit haar gepeins opkeek, om met
+een rolstok, die naast haar lag, een harer jonge helpsters een stomp
+of een tik op het hoofd te geven. Dina beheerschte inderdaad de jonge
+leden van het dienstbare gezin als met eene ijzeren roede. Dit was
+de geest van het stelsel waaronder zij zelve was opgegroeid, en dat
+zij ook ten volle had aangenomen.
+
+Nadat Ophelia haar hervormingstocht door andere gewesten van haar
+gebied had volbracht, kwam zij ook in de keuken. Dina had van
+verschillende kanten gehoord wat er gaande was; en bij zich zelve
+besloten eene geheel conservatieve en defensieve houding te bewaren,
+geene nieuwigheden aan te nemen of te laten invoeren, maar toch tot
+geene werkelijke en zichtbare tegenkanting te komen.
+
+De keuken was een ruim vertrek met een vloer van gebakken tegels,
+en een grooten ouderwetschen schoorsteen, die aan ééne zijde den
+geheelen muur besloeg; eene inrichting, welke St.-Clare vruchteloos
+gepoogd had door eene nieuwerwetsche kookkachel te doen vervangen. Hij
+had het onmogelijk bevonden Dina zoover te brengen. Hoe meer kastjes
+en laden er waren, des te meer schuilhoeken kon Dina vinden, om oude
+doeken, kammen, schoenen, linten, weggeworpen kunstbloemen en andere
+fraaiïgheden weg te stoppen, waarvoor zij een bijzonderen smaak had.
+
+Toen Ophelia de keuken binnentrad, stond Dina niet op, maar bleef
+met statige kalmte zitten rooken, nu en dan in de schuinte naar haar
+kijkende, maar schijnbaar op niets anders lettende dan op het werk
+om haar heen.
+
+Ophelia begon hare inspectie met een kastje met laden.
+
+"Waar zijn die laden voor, Dina?" zeide zij.
+
+"Die zijn handig voor bijna alle dingen, Juffrouw," was het antwoord.
+
+Zoo bleek het ook te zijn. Uit eene lade haalde Ophelia vooreerst
+een fijn damasten tafellaken met bloed bevlekt en blijkbaar gediend
+hebbende om rauw vleesch in te wikkelen.
+
+"Wat is dat, Dina? Gij zult toch de beste tafellakens van uwe meesteres
+niet om het vleesch heenslaan?"
+
+"O, wel neen, Juffrouw. De handdoeken waren eens allemaal weg--en
+toen deed ik het maar. Ik heb het daar gelegd, om het te laten
+wasschen--daarom ligt het daar maar."
+
+"Hoe roekeloos!" zeide Ophelia bij zich zelve, haalde de laden verder
+uit en vond een muskaatrasp met muskaatnoten, een methodistisch
+gezangboek, een paar vuile bonte zakdoeken, eenig breiwerk en wat
+garen, een papiertje met tabak en een kort pijpje, eenige zwermen,
+een paar porseleinen schoteltjes met pommade, een paar oude schoenen,
+een stuk flanel, zorgvuldig dichtgespeld en daarin eenige witte uien,
+verscheidene damasten servetten, eenige grove handdoeken, wat bindgaren
+en eenige stopnaalden, en verscheidene papiertjes met gaten, waaruit
+specerijen door de geheele lade waren gestrooid.
+
+"Waar bewaart gij uwe muskaatnoten, Dina?" zeide Ophelia, met een
+gezicht, alsof zij bij zich zelve om geduld bad.
+
+"Bijna overal, Juffrouw. Er zijn er wat in dien gebarsten trekpot
+daar boven op, en er zijn er nog wat in die kast daar."
+
+"Er zijn er ook hier in de rasp," zeide Ophelia.
+
+"Och ja, ik heb ze daar van morgen ingedaan. Ik heb mijne dingen gaarne
+bijdehand," zeide Dina. "Gij, Jake, waarom werkt gij niet voort? Ik
+zal u raken. Pas op!" vervolgde zij, en deed een stomp met den stok
+naar de schuldige.
+
+"Wat is dat?" zeide Ophelia, een der schoteltjes met pommade
+ophoudende.
+
+"Och, dat is vet voor mijn haar. Ik heb het daar gezet om het bijdehand
+te hebben."
+
+"En gebruikt gij de beste schoteltjes van uwe meesteres daarvoor?"
+
+"Och, dat was maar, omdat ik eens haast had; ik zou ze vandaag
+verwisseld hebben."
+
+"Hier zijn twee damasten servetten."
+
+"Die heb ik daar gelegd om ze te laten wasschen."
+
+"Hebt gij dan geene vaste plaats voor het goed dat gewasschen moet
+worden?"
+
+"Ja, meester heeft die kist daarvoor gegeven, zegt hij, maar ik kneed
+mijne beschuit wel eens daarop en zet er goed op, en dan is het zoo'n
+omslag om het deksel op te lichten."
+
+"Waarom kneedt gij de beschuit niet daar op de tafel?"
+
+"Och, Juffrouw, die staat altijd zoo vol schotels en allerlei dingen,
+dat er nooit plaats op is."
+
+"Maar gij moest uwe schotels wasschen en wegzetten."
+
+"Mijne schotels wasschen?" zeide Dina op hoogen toon, daar thans hare
+gramschap sterker werd dan haar ontzag. "Wat de dames van het werk
+weten, dat zou ik wel eens willen weten. Wanneer zou meester ooit
+zijn eten krijgen, als ik mijn tijd moest verslijten met schotels
+wasschen en wegzetten? Miss Marie," zoo noemde zij hare meesteres nog,
+gelijk zij gewoon was haar vóór haar huwelijk te noemen, "heeft mij
+nooit iets daarvan gezegd."
+
+"Zoo! En hier zijn die uien."
+
+"Och, ja," zeide Dina. "Daar heb ik ze geborgen. Ik kon het mij niet
+bezinnen. De uien had ik juist voor dezen ragout bewaard. Ik had
+vergeten dat ze in dien ouden lap waren."
+
+Nu nam Ophelia de papiertjes met specerijen op.
+
+"Ik wou dat de juffrouw daar niet aan wilde komen," zeide Dina
+tamelijk stout. "Ik houd mijne dingen gaarne waar ik weet waar ik ze
+vinden kan."
+
+"Maar ge hebt toch geene gaten in de papieren noodig."
+
+"Dat is handig om uit te strooien," zeide Dina.
+
+"Maar gij ziet wel, dat het door de geheele lade morst."
+
+"Nu ja, als de juffrouw alles zoo overhoop wil halen, dan doet het
+dat. De juffrouw heeft al een heelen boel gemorst," zeide Dina,
+onrustig naar de lade komende. "Als de juffrouw maar naar boven wil
+gaan tot de opruimtijd komt, dan zal ik alles in orde hebben; maar ik
+kan niets doen, als er dames om mij heen zijn en mij hinderen. Gij,
+Sam, geef dat kind den suikerpot niet. Ik zal je een tik geven,
+als ge niet oppast."
+
+"Ik zal de keuken rondgaan, Dina, en alles voor eens in orde brengen;
+en dan verwacht ik dat gij het zoo houden zult."
+
+"Wel, Juffrouw Phelia, dat is geene manier voor dames om te doen. Ik
+heb nooit dames zoo iets zien doen, mijne oude meesteres en Miss
+Marie hebben het nooit gedaan en ik zie ook niet in dat het noodig is."
+
+Dina bleef met verontwaardiging op een afstand, terwijl Ophelia
+schotels en borden sorteerde; een dozijn hier en daar verspreide
+suikerpotten in één pot ledigde; servetten, tafellakens en
+handdoeken bij elkander zocht om te laten wasschen, en eigenhandig
+alles schoonmaakte en wegzette met een spoed, waarover Dina geheel
+verbaasd stond.
+
+"Nu, als dat de manier is waarop de Noordsche dames doen, dan zijn zij
+geene dames," zeide zij tot eenige harer satellieten, toen zij gerust
+was dat niemand anders het hooren zou. "Ik heb alles zoo goed in orde
+als iemand, als mijn opruimtijd komt; maar ik wil geene dames om mij
+heen hebben, die mij in den weg loopen en al mijne dingen zetten waar
+ik ze niet vinden kan."
+
+Om Dina recht te doen moeten wij zeggen, dat zij op geregelde tijden
+vlagen van zindelijkheid en orde had, die zij hare "opruimtijden"
+noemde. Dan ging zij met grooten ijver aan het werk, haalde alle
+kasten en laden op den vloer en de tafels uit, en maakte de gewone
+verwarring nog zevenmaal erger; vervolgens stak zij haar pijpje aan,
+ging op haar gemak den boel aanzien en bedenken en overleggen hoe alles
+moest geschikt worden; liet hare helpsters alles boenen en schuren,
+hield alles eenige uren lang in de grootst mogelijke opschudding en
+verklaarde deze drukte aan allen, die naar de reden vroegen, door te
+zeggen dat zij "opruimde."--"Zij kon den boel niet zoo laten loopen als
+het ging, en zou dat jonge goed beter orde leeren houden," want Dina
+streelde zich met den waan, dat zij zelve de orde in eigen persoon
+was en het slechts aan "het jonge goed en anderen" was te wijten,
+dat in dit opzicht de keuken beneden de volmaaktheid bleef. Wanneer
+al het kopergoed blinkend was geschuurd en de tafels sneeuwwit waren
+geboend, en alles wat aanstootelijk kon zijn, in hoeken en gaten was
+gestopt, kleedde Dina zich netjes aan, met een schoon voorschoot en
+zwierigen bonten tulband, en zeide het stroopende jonge goed dat het
+uit de keuken moest blijven, want dat alles nu in orde moest gehouden
+worden. Deze tijdperken waren zelfs een ongemak voor het geheele
+huisgezin; want Dina kreeg dan zulk eene overdreven gehechtheid aan
+haar blinkend keukengereedschap, dat zij het tot niets hoegenaamd
+weder wilde laten gebruiken, ten minste totdat het vuur van den
+"opruimtijd" weder verflauwd was.
+
+Ophelia had na weinige dagen alles in huis op een geregelden voet
+gebracht; maar in die opzichten, waarin het gevolg harer bemoeiïngen
+van de medewerking der bedienden afhing, geleek haar arbeid naar
+dien van Sisyphus of der Danaïden. Eens deed zij wanhopig haar beklag
+bij St.-Clare.
+
+"Het is niet mogelijk," zeide zij, "iets wat naar orde en regel
+gelijkt in dit huishouden te brengen."
+
+"Dat is het ook niet," antwoordde St.-Clare.
+
+"Zulk een roekeloosheid, zulk een vermorsen van allerlei dingen,
+zulk een ongeregeldheid heb ik nog nooit gezien."
+
+"Dat zult ge zeker wel niet."
+
+"Gij zoudt dat niet zoo koel opnemen als gij eene huishoudster waart."
+
+"Lieve Nicht, gij moogt wel voor eens en altijd hooren dat wij
+meesters in twee klassen zijn verdeeld: de onderdrukkers en de
+onderdrukten. Wij, die goedaardig zijn en een afkeer van gestrengheid
+hebben, moeten vrij wat onaangenaams voor lief nemen. Als wij tot ons
+gerief een troep domme, loszinnige, onbedreven dienaren willen houden,
+dan moeten wij ook de gevolgen daarvan dragen. Ik heb eenige zeldzame
+voorbeelden gezien van menschen, die door een bijzonder talent, zonder
+gestrengheid orde kunnen houden; maar ik behoor daar niet onder, en ik
+heb dus reeds lang geleden het besluit genomen om het maar te laten
+loopen gelijk het kan. Ik wil de arme duivels niet laten ranselen en
+dat weten zij; en daardoor hebben zij natuurlijk het heft in handen."
+
+"Maar geen tijd, geene plaats, geen regel te hebben, alles maar zoo
+in de war te laten loopen...."
+
+"Lieve Nicht, gij goede lieden, die bij de Noordpool woont, hecht
+eene buitensporige waarde aan den tijd. Wat op de wereld heeft de
+tijd te beduiden voor iemand, die er tweemaal zooveel van heeft als
+hij er iets mede weet uit te richten? Wat orde en regel betreft, als
+men niets anders te doen heeft dan op de sofa te luieren en wat te
+lezen, is het niet van groot belang of men een uur vroeger of later
+ontbijt en dineert. Nu bezorgt Dina toch een heerlijk diner--soep,
+ragout, gebraad, dessert, roomijs en alles--en dat schept zij uit
+een chaos daar in de keuken. Ik vind hare manier van doen inderdaad
+subliem. Maar, lieve hemel, als wij nu naar beneden gaan en haar onder
+den vuilen verwarden boel met haar stompje pijp op den grond zien
+zitten, moeten wij maar nooit meer eten. Absolveer u zelve daarvan,
+lieve Nicht. Het is erger dan een Roomsche penetentie en van even
+weinig nut. Gij zult maar uit uw humeur raken en Dina geheel in de
+war brengen. Laat haar maar haar eigen gang gaan."
+
+"Maar, Augustine, gij weet niet hoe ik alles gevonden heb."
+
+"Weet ik het niet? Weet ik niet dat de rolstok onder haar bed ligt,
+en het muskaatraspje bij hare tabak in haren zak zit--dat er vijf en
+zestig verschillende suikerpotten zijn in alle hoeken en gaten van
+het huis--dat zij de schotels den eenen dag met een servet wascht,
+en den anderen dag met een lap van een ouden rok? Maar het einde
+van alles is dat zij uitmuntende diners op tafel brengt en heerlijke
+koffie zet; en gij moet haar beoordeelen gelijk men veldoversten en
+staatslieden beoordeelt, naar den uitslag."
+
+"Maar de verspilling--de onkosten!"
+
+"Och ja. Sluit alles weg wat gij kunt wegsluiten. Geef bij kleine
+porties uit en vraag nooit naar overschotjes--dat is het beste."
+
+"Maar er is iets dat mij onrustig maakt, Augustine. Ik kan niet
+nalaten te denken dat die bedienden niet eerlijk zijn. Zijt gij wel
+zeker dat men hen vertrouwen kan?"
+
+Augustine lachte schaterend over het ernstige en benauwde gezicht,
+waarmede Ophelia deze vraag deed.
+
+"O, Nicht, dat is al te koddig. Eerlijk!--alsof men zoo iets verwachten
+kon. Eerlijk!--Wel zeker zijn ze dat niet. Waarom zouden zij dat
+wezen? En wat op de wereld zou het hen maken?"
+
+"Waarom leert gij hun dan niet beter?"
+
+"Leeren! Kom, kom, gekheid. Hoe zou ik hun iets kunnen leeren, denkt
+gij? Daar ben ik wel de man naar. Wat Marie betreft, zij is zeker
+driftig genoeg om eene geheele plantage dood te slaan als men haar
+begaan liet; maar het bedriegen zou zij hun toch niet afwennen."
+
+"Zijn er dan geene eerlijke?"
+
+"Nu en dan wel eens een, wien de natuur zoo onhandelbaar, onnoozel,
+braaf en trouw heeft gemaakt, dat de slechtste voorbeelden hem
+niet bederven kunnen. Maar ziet ge, van de moederborst af leert het
+gekleurde kind dat hem geene andere dan slinksche wegen openstaan. Hij
+kan anders met zijne ouders, zijne meesters en zijne kleine meestertjes
+en meesteresjes, die tegelijk zijne speelkameraden zijn, volstrekt
+niet voort. List en bedrog worden hem tot noodzakelijke, onmisbare
+gewoonten. Het is niet billijk iets anders van hen te verwachten. Zij
+behooren er niet voor gestraft te worden. Wat eerlijkheid betreft,
+de slaaf wordt in zulk een afhankelijken, halfkinderlijken staat
+gehouden, dat men hem geen denkbeeld van het recht van eigendom kan
+geven, en niet kan doen voelen dat het goed van zijnen meester hem
+niet toebehoort, als hij het zich kan toeëigenen. Wat zoo iemand als
+dien Tom aangaat--hij is een zedelijk mirakel."
+
+"En wat wordt er dan van hunne zielen?" zeide Ophelia.
+
+"Dat is mijne zaak niet, zoover ik weet," antwoordde St.-Clare. "Ik
+heb alleen met de zaken van het tegenwoordige leven te doen; en om de
+waarheid te zeggen, men denkt vrij algemeen dat zij in deze wereld
+ten onzen voordeele aan den duivel zijn overgegeven, hoe het dan in
+de andere met hen mag afloopen."
+
+"Maar dat is afschuwelijk," zeide Miss Ophelia. "Gij moest u schamen."
+
+"Dat weet ik nog niet. Wij staan zoo tamelijk met anderen gelijk,
+zooals de menschen over het geheel zijn," zeide St-Clare. "Zie maar
+naar grooten en geringen over de geheele wereld en het is overal
+eveneens; de lagere klassen met lichaam en ziel ten voordeele der
+hoogere gebruikt en versleten; zoo is het in Engeland, zoo is het
+overal; en toch staat het geheele christendom versteld en gloeit van
+edele verontwaardiging, omdat wij dezelfde dingen in een eenigszins
+anderen vorm doen dan zij."
+
+"In Vermont is het zoo niet."
+
+"Nu ja, in Nieuw-Engeland en de vrije Staten zijt gij ons vooruit;
+dit geef ik toe. Maar daar hoor ik de klok; laten wij dus voor eene
+poos onze geschillen en vooroordeelen aan kant zetten, lieve Nicht,
+en gaan dineeren."
+
+Toen Ophelia laat in den namiddag weder in de keuken was, riepen
+eenige van de zwarte kinderen: "O, daar komt Prue aan, brommende en
+knorrende, zooals zij altijd doet."
+
+Eene lange, beenderige, gekleurde vrouw, kwam met eene mand vol
+beschuitjes en warme broodjes op het hoofd, de keuken binnen.
+
+"Zoo, Prue, zijt gij daar?" zeide Dina.
+
+Prue's gezicht had eene bijzonder kwaadaardige uitdrukking en hare stem
+een norschen, brommenden toon. Zij zette hare mand op den grond en zich
+zelve daarbij op de hurken, met de ellebogen op de knieën, en zeide:
+
+"Och! ik wou dat ik maar dood was!!"
+
+"Waarom wenscht gij om maar dood te zijn?" zeide Ophelia.
+
+"Dan zou ik uit mijne ellende wezen," antwoordde de vrouw stuursch
+en zonder hare oogen op te slaan.
+
+"Wat behoeft gij u ook dronken te drinken en altijd slaag te krijgen,
+Prue?" zeide een opgeschikt kamermeisje, eene quadrone, en liet onder
+het spreken hare koralen oorbellen bengelen.
+
+De vrouw zag haar met een stuurschen blik aan.
+
+"Misschien zult gij er ook wel eens toe komen," zeide zij. "Ik zou
+blijde zijn als ik het zag, dat zou ik. Dan zoudt gij ook verlangen,
+zooals ik, naar een droppel om uwe ellende te vergeten."
+
+"Kom, Prue," zeide Dina. "Laat uwe beschuitjes zien. De juffrouw zal
+ze betalen."
+
+Ophelia nam er een paar dozijn van.
+
+"Daar zijn nog eenige loodjes in de gebarsten kan op de bovenste
+plank," zeide Dina. "Klim eens op een stoel en geef ze haar aan."
+
+"Loodjes--waar zijn die voor?" zeide Ophelia.
+
+"Wij koopen loodjes van haren meester en zij geeft ons brood daarvoor."
+
+"En zij tellen mijn geld en mijne loodjes als ik tehuis kom, en als
+het niet uitkomt slaan ze mij halfdood."
+
+"Dat is uw verdiende loon," zeide Jane, het snibbige kamermeisje,
+"als gij hun geld besteedt om u dronken te drinken; en dat doet zij,
+Juffrouw."
+
+"En dat _wil_ ik doen; ik kan anders niet leven; ik moet drinken en
+mijne ellende vergeten."
+
+"Het is zeer slecht en dwaas van u," zeide Ophelia, "dat gij uw
+meesters goed steelt, om u zelve tot een redeloos dier te maken."
+
+"Dat mag wel zoo zijn, Juffrouw; maar ik wil het toch doen--ja,
+ik wil. Och, ik wou dat ik maar dood was, dat doe ik. Ik wou dat ik
+maar dood was en uit mijne ellende."
+
+Zij stond stijf en langzaam op en zette hare mand weder op haar hoofd,
+maar eer zij heenging keerde zij zich naar het kamermeisje, dat nog
+met hare oorbellen stond te spelen.
+
+"Gij denkt," zeide zij, "dat gij machtig mooi daarmee zijt, en vrij
+uw hoofd in den nek kunt werpen en op iedereen neerzien. Nu, dat komt
+er niet op aan--gij kunt nog wel een oud, afgebeuld schepsel worden,
+zooals ik. Ik hoop dat de Heere dat doen zal; en zie dan of gij niet
+drinken zult--drinken--drinken--u zelve naar de hel drinken; en dat
+zal uw verdiende loon zijn--oe!" En met een kwaadaardig geluid ging
+zij heen.
+
+"Dat misselijke oude beest!" zeide Adolf, die in de keuken was gekomen
+om scheerwater voor zijnen meester te halen. "Als ik haar meester was,
+zou ik haar nog erger laten afzweepen."
+
+"Dat zoudt ge niet eens kunnen," zeide Dina. "Haar vel kan nooit
+meer genezen."
+
+"Ik vind dat men zulke gemeene schepsels niet bij fatsoenlijke
+huishoudens moest laten rondgaan," zeide Jane. "Wat denkt gij daarvan,
+Mijnheer St.-Clare?" vervolgde zij, coquet haar hoofdje naar Adolf
+omdraaiende.
+
+Onder de dingen, welke Adolf zich van zijnen meester had toegeëigend,
+behoorde ook zijn naam, en in de gekleurde kringen van Nieuw-Orleans
+was hij algemeen als Mr. St.-Clare bekend,
+
+"Zekerlijk ben ik van uw gevoelen, Juffrouw Benoir," antwoordde Adolf.
+
+Benoir was de naam der familie van Marie St.Clare, en Jane behoorde
+onder hare lijfbedienden.
+
+"Lieve Juffrouw Benoir, mag ik vragen of die oorbellen voor het bal
+van morgenavond bestemd zijn? Zij zijn waarlijk betooverend."
+
+"En ik ben waarlijk benieuwd, Mijnheer St.-Clare, hoever gij heeren
+de vrijpostigheid drijven zult," en zij schudde haar hoofdje dat hare
+oorbellen wederom bengelden. "Ik zal den geheelen avond niet met u
+dansen, als gij mij nog zoo iets vraagt."
+
+"O, zoo wreed zult ge toch niet zijn. Ik was juist zoo verlangend om
+te weten of gij uw rose kleedje zoudt aan hebben," zeide Adolf.
+
+"Wat is er?" zeide Rosa, eene kleine, pikante quadrone, die juist de
+trap kwam aanwippen.
+
+"Wel, die mijnheer St.-Clare is zoo onbeschaamd."
+
+"Op mijne eer," zeide Adolf, "ik wil het juffrouw Rosa laten
+beslissen."
+
+"Ik weet wel dat hij een ondeugend schepsel is," zeide Rosa, zich op
+een harer nette voetjes wiegende en Adolf schalkachtig aankijkende.
+
+"Hij maakt mij altijd kwaad op hem."
+
+"O Dames, Dames, gij zult met u beiden mijn hart nog breken," zeide
+Adolf. "Ik zal eens op een ochtend dood in mijn bed worden gevonden
+en dat zult gij te verantwoorden hebben."
+
+"Hoor dien ondeugd eens aan!" riepen beide dames en schaterden van
+het lachen.
+
+"Kom, maakt maar dat gij voortkomt," zeide Dina nu. "Ik kan dat
+gebabbel in de keuken niet velen. Gij loopt mij maar in den weg met
+uwe zotternij."
+
+"Tante Dina is knorrig, omdat zij niet mede naar het bal kan gaan,"
+zeide Rosa.
+
+"Ik wil niet met uw lichtkleurige bals te maken hebben," antwoordde
+Dina. "Gij wilt u verbeelden dat gij blanken zijt, en gij zijt toch
+maar negers, zoo goed als ik."
+
+"Tante Dina smeert zich het haar wel alle dagen met vet om het glad
+te doen worden," zeide Jane.
+
+"En het blijft toch maar wol," voegde Rosa er bij, en schudde spottend
+hare lange zijden krullen.
+
+"Welnu, is wol niet evengoed als haar in de oogen des Heeren?" zeide
+Dina. "Ik zou van mevrouw wel eens willen hooren wie het meeste waard
+is--een paar zooals gij, of ééne zooals ik. Maakt nu maar dat gij
+wegkomt; ik wil u niet om mij heen hebben."
+
+Hier werd het gesprek van twee kanten gestoord. Men hoorde boven aan
+de trap de stem van St. Clare, die Adolf vroeg of hij den geheelen
+avond met het water dacht uit te blijven; en tegelijk kwam Ophelia
+er weder aan en zeide:
+
+"Jane en Rosa, waarom staat gij daar uw tijd te verbeuzelen? Gaat
+aan uw naaiwerk."
+
+Onze vriend Tom, die onder het gesprek met de oude Prue in de keuken
+was geweest, was haar de straat op gevolgd. Hij zag haar langzaam
+voortstrompelen, en hoorde haar telkens bij zich zelve brommen en
+zuchten. Eindelijk zette zij hare mand op eene stoep neer en begon den
+ouden verschoten doek, die over hare schouders hing, te verschikken.
+
+"Ik zal uwe mand wel een eind ver dragen," zeide Tom medelijdend.
+
+"Waarom zoudt ge?" zeide de oude vrouw. "Ik heb geene hulp noodig."
+
+"Gij schijnt ziek, of droevig, of zoo iets te wezen," zeide Tom.
+
+"Ik ben niet ziek," antwoordde de vrouw kortaf.
+
+"Ik wenschte," zeide Tom, haar ernstig aanziende, "ik wenschte dat
+ik u kon overhalen om het drinken te laten. Weet gij niet dat het uw
+verderf zal zijn, naar ziel en lichaam?"
+
+"Ik weet wel dat ik naar de hel ga," zeide de oude vrouw norsch. "Gij
+behoeft mij dat niet te zeggen. Ik ben slecht, ik ben goddeloos--ik
+ga recht naar de hel. Och, ik wou dat ik er al was."
+
+Tom huiverde bij die schrikkelijke woorden, die met stroeven,
+onverschilligen ernst werden uitgesproken.
+
+"O, de Heere zij u genadig, arm schepsel! Hebt gij nooit van Jezus
+Christus gehoord?"
+
+"Jezus Christus, wie is dat?"
+
+"Wel hij is _de Heere_," zeide Tom.
+
+"Ik heb wel gehoord van den Heere en het oordeel en de hel. Daar heb
+ik wel van gehoord."
+
+"Maar heeft niemand u ooit van den Heere Jezus gesproken, en gezegd
+dat Hij onze arme zondaren liefhad en voor ons gestorven is?"
+
+"Daar weet ik niets van," antwoordde zij. "Niemand heeft mij ooit
+liefgehad sedert mijn oude man dood is."
+
+"Waar zijt gij opgebracht?" vroeg Tom.
+
+"Daar hooger op in Kentucky. Een man hield mij om kinderen voor de
+markt van mij te krijgen, en verkocht ze zoo gauw ze groot genoeg
+waren. Eindelijk verkocht hij mij aan een handelaar, en mijn meester
+kreeg mij van hem."
+
+"Maar wat heeft u aan die slechte gewoonte van drinken gebracht?"
+
+"Om maar uit mijne ellende te komen. Ik kreeg nog een kind nadat ik
+hier kwam, en toen dacht ik dat ik er een hebben zou om groot te
+brengen, omdat mijn meester geen koopman was; en mijne meesteres
+scheen er eerst veel werk van te maken; het schreeuwde nooit en
+was gezond en vet. Maar mijne meesteres werd ziek en ik paste haar
+op; toen kreeg ik ook de koorts en ging al mijn zog weg; mijn kind
+teerde uit tot vel en been en mijne meesteres wilde er geene melk
+voor koopen. Zij wilde niet naar mij luisteren, als ik zeide dat
+ik geen zog had. Zij zeide dat ik het wel voeden kon met hetzelfde
+dat andere lieden aten; en het kind verkwijnde, schreeuwde nacht en
+dag, en was niets meer dan vel en been; en mijne meesteres kreeg er
+een hekel aan en zeide dat het niets anders dan stoutigheid was. Zij
+wenschte dat het dood was, zeide zij, en zij wilde het des nachts niet
+bij mij laten, omdat het mij wakker hield, zeide zij, en maakte dat
+ik over dag nergens toe deugde. Ik moest bij haar in de kamer slapen;
+en ik moest het kind wegzetten op een soort van zoldertje, en eens op
+een nacht schreeuwde het zich dood. Dat deed het, en toen ging ik aan
+het drinken om zijn schreeuwen uit mijne ooren te houden. Dat deed
+ik, en ik wil drinken. Ik wil, en ik wil, al ga ik er naar de hel
+voor. Meester zegt dat ik naar de hel zal gaan en gepijnigd worden;
+maar ik zeg dat ik nu toch al gepijnigd word."
+
+"O, gij arm schepsel!" zeide Tom nu. "Heeft dan niemand u ooit gezegd
+hoe de Heere Jezus u liefhad en dat Hij voor u gestorven is? Hebben
+zij u niet gezegd dat Hij u ook helpen wil, en dat gij in den hemel
+kunt komen, en daar eindelijk rust hebben?"
+
+"Ik zie er wel naar uit om in den hemel te komen," antwoordde de
+vrouw. "Is het daar niet waar de blanken naar toe gaan? Misschien
+zouden zij mij daar wel willen hebben. Ik ga liever naar de hel,
+als ik maar van mijnen meester en mijne meesteres afkom--veel liever."
+
+En met haar gewoon brommen en zuchten nam zij hare mand weder op en
+ging heen.
+
+
+
+
+
+NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
+
+GESCHIEDENIS VAN ST.-CLARE.
+
+
+Tom keerde zich om en ging treurig naar huis terug. Op het binnenplein
+ontmoette hij de kleine Eva met een bloemenkransje op het hoofd en
+oogen die van blijdschap straalden.
+
+"O, Tom, zijt gij daar? Ik ben blij dat ik u vind. Papa zegt dat gij
+de hitjes moogt laten inspannen en mij in een nieuw wagentje laten
+rijden," zeide zij, hem bij de hand nemende. "Maar wat scheelt u,
+Tom? Gij ziet zoo ernstig."
+
+"Ik ben geschrikt, Jongejuffrouw Eva," antwoordde Tom droevig.
+
+"Maar zeg mij toch, Tom, wat scheelt er aan? Ik heb u met die brommende
+oude Prue zien spreken."
+
+Tom verhaalde met ernstige, eenvoudige bewoordingen de geschiedenis
+dezer vrouw. Eva deed geene uitroeping en schreide ook niet, gelijk
+andere kinderen zouden gedaan hebben. Hare wangen verbleekten; en
+haar blik werd donker en strak. Zij legde beide handen op hare borst
+en slaakte een zwaren zucht.
+
+"Tom, gij behoeft de paarden niet te laten inspannen. Ik wil niet
+gaan rijden," zeide zij toen.
+
+"Waarom niet, Jongejuffrouw Eva?"
+
+"Die dingen zinken mij in het hart, Tom," antwoordde zij. "Zij
+zinken mij in het hart," herhaalde zij nog ernstiger. "Ik heb geen
+lust meer om te gaan rijden." En daarmede keerde zij zich om en ging
+weder in huis.
+
+Eenige dagen later kwam eene andere vrouw, in plaats van de oude Prue,
+de beschuitjes brengen. Ophelia was juist in de keuken.
+
+"Wel!" zeide Dina. "Wat scheelt er aan met Prue?"
+
+"Prue komt niet meer," antwoordde de andere vrouw geheimzinnig.
+
+"Waarom niet?" zeide Dina. "Zij is niet dood, is ze?"
+
+"Dat weten wij niet recht. Zij is in den kelder," antwoordde de vrouw
+met een blik naar Ophelia,
+
+Nadat Ophelia beschuitjes had genomen, ging Dina met de vrouw mede
+naar de deur.
+
+"Wat is er toch met Prue?" zeide zij.
+
+De vrouw scheen verlangend en toch bevreesd om te spreken en antwoordde
+op een zachten, geheimzinnigen toon:
+
+"Wel, gij moet het niemand vertellen. Prue is weder dronken geweest--en
+zij brachten haar in een kelder--en lieten haar daar den geheelen dag;
+ik hoorde zeggen dat _de vliegen haar hadden beetgekregen_--en nu is
+zij dood!"
+
+Dina stak hare handen op, en toen zij zich omkeerde, zag zij vlak
+achter haar de kleine Eva staan, met afgrijzen in hare wijd starende
+oogen en zonder eenig spoor van kleur op hare wangen.
+
+"De hemel bewaar ons! Jongejuffrouw Eva zal nog flauw vallen. Waarom
+hebben wij haar zulke dingen laten hooren! Haar papa zal razend wezen!"
+
+"Ik zal niet flauw vallen, Dina," antwoordde het kind op vasten
+toon. "En waarom zou ik dat niet hooren? Het is voor mij zooveel niet
+om het te hooren als voor de arme Prue om het te lijden."
+
+"Och, och, zulke teere, zachte juffertjes als gij moesten zulke
+histories niet hooren. Het is genoeg om ze den dood te doen."
+
+Eva zuchtte wederom en ging langzaam en treurig naar boven.
+
+Ophelia vroeg nu met zekere angstige nieuwsgierigheid wat de
+vrouw gezegd had. Dina gaf haar een zeer woordenrijk verslag van
+het gebeurde, waarbij Tom de bijzonderheden voegde, welke hij dien
+ochtend had vernomen.
+
+"Dat is nu toch iets verschrikkelijks--iets verfoeielijks!" riep
+Ophelia uit, toen zij de kamer binnentrad waar St.-Clare zijne courant
+zat te lezen.
+
+"Wel, welke verfoeielijkheid weet gij nu weder?" zeide hij.
+
+"Wat ik weet? Wel, dat volk heeft Prue dood gegeeseld," antwoordde
+Ophelia, en deelde toen met veel ophef het voorgevallene mede, over
+welks akelige bijzonderheden zij met verontwaardiging uitweidde.
+
+"Ik dacht wel, dat het eens daartoe komen zou," zeide St.-Clare,
+zijne courant weder inkijkende.
+
+"Dacht gij dat wel? En zult gij er nu niets meer aan doen?" hervatte
+Ophelia. "Hebt gij hier geene "hoofdlieden", of iemand om zulke dingen
+te onderzoeken en zich aan te trekken?"
+
+"Men denkt gewoonlijk dat het eigenbelang in zulke gevallen een
+voldoende waarborg is. Wanneer iemand verkiest zijne eigene bezittingen
+te vernielen, weet ik niet wat er aan te doen is. Het schijnt dat die
+arme vrouw eene dievegge en aan den drank was, en dus kan men niet
+hopen dat men iemand zal kunnen bewegen om zich aan haar te laten
+gelegen liggen."
+
+"Het is ontzettend--het is afschuwelijk, Augustine! Het zal zeker
+eens een oordeel over u brengen."
+
+"Lieve Nicht, ik heb het niet gedaan en ik kan het niet verhelpen;
+ik zou wel willen, als ik maar kon. Als gemeene, ruwe kerels naar
+hunnen aard willen handelen, wat zal ik er dan aan doen? Zij hebben
+onbeperkte macht; zij zijn onverantwoordelijke despoten. Het zou niet
+baten zich met hen te willen bemoeien; er is geene wet, die in zulk
+een geval van wezenlijke hulp is. Het beste dat wij kunnen doen is:
+oogen en ooren sluiten en het maar zoo laten. Dat is het eenige wat
+ons overschiet."
+
+"Hoe kunt gij oogen en ooren sluiten? Hoe kunt gij zulke dingen zoo
+maar laten?"
+
+"Maar wat zoudt gij dan willen, lieve Nicht? Hier is eene geheele
+klasse--verdierlijkt, onkundig, traag, koppig, onhandelbaar--zonder
+eenige beperkingen of bedingen onder de macht gesteld van menschen
+gelijk de meeste menschen in de wereld zijn, menschen zonder nadenken
+of zelfbeheersching, die zelfs hun eigen welbegrepen belang niet in
+het oog houden--want zoo is het met de grootste helft van 't menschdom
+gesteld. Wat kan nu in zulk eene maatschappij een man van menschelijk
+gevoel anders doen, dan zooveel hij kan zijne oogen sluiten en zijn
+hart verharden? Ik kan alle mishandelde ellendelingen niet koopen. Ik
+kan geen dolend ridder worden en ondernemen om ieder onrecht in zulk
+eene stad als deze te herstellen. Het eenige dat ik doen kan is:
+beproeven om er mij zelven vrij van te houden."
+
+St.-Clare's gezicht bleef voor eene poos betrokken; maar eensklaps
+zijn vroolijken glimlach hernemende, zeide hij:
+
+"Kom, kom, Nicht, blijf daar niet staan als eene dreigende
+ongeluksprofetes. Gij hebt nog maar even een hoekje der gordijn
+opgelicht--nog maar even een proefje er van gezien, hoe het op eene of
+andere manier door de geheele wereld toegaat. Als wij alle akeligheden
+van het leven willen opzoeken en beloeren, zullen wij nergens lust
+meer in hebben. Dat zou hetzelfde zijn alsof men al te nauwlettend
+de details van Dina's keuken wou bekijken." En St.-Clare strekte zich
+weder op de sofa uit en ging tevens voort met lezen.
+
+Ophelia zette zich neer, haalde haar breiwerk tevoorschijn en bleef
+met een gezicht vol barsche verontwaardiging zitten breien; maar
+terwijl zij breide en peinsde, brandde het vuur in haar binnenste
+voort en eindelijk barstte zij uit:
+
+"Ik zeg u Augustine, ik kan mij niet over zulke dingen heenzetten,
+indien gij dat al doen kunt. Het is verfoeilijk van u, zulk een
+stelsel te verdedigen--zoo denk ik er over."
+
+"Wat nu?" zeide St.-Clare opkijkende. "Begint gij er nog eens over?"
+
+"Ik zeg dat het verfoeielijk van u is, zulk een stelsel te verdedigen,"
+herhaalde Ophelia met toenemende warmte.
+
+"_Ik_ het verdedigen, lieve Juffrouw? Wie heeft ooit gezegd dat ik
+het verdedigde?" zeide St.-Clare.
+
+"Wel zeker verdedigt gij het--dat doet gij allen--al gij
+Zuidlanders. Waarom houdt gij slaven, als gij dat niet doet?"
+
+"Zijt gij dan zoo dood-onnoozel, dat gij nog denkt dat iemand op de
+wereld ooit iets doet dan wat hij voor recht houdt? Doet gij nooit
+iets, of hebt gij nooit iets gedaan, dat gij niet voor geheel recht
+houdt?"
+
+"Als ik dat doe heb ik er berouw van, hoop ik," antwoordde Ophelia
+en liet vinnig hare breinaalden ratelen.
+
+"Ik ook," zeide St.-Clare, onder het schillen van een sinaasappel. "Ik
+heb er op den duur berouw van."
+
+"Waarom gaat gij er dan mede voort?"
+
+"Zijt gij nooit voortgegaan met kwaad doen, nadat gij er al berouw
+van hadt, goede Nicht?"
+
+"Welnu, ja, maar alleen als ik in zware verzoeking was," antwoordde
+Ophelia.
+
+"Welnu, ik ben in zware verzoeking," hervatte St.-Clare. "Dat is
+juist de moeielijkheid."
+
+"Maar ik neem mij dan altijd voor om het niet meer te doen en beproef
+ook het te laten."
+
+"Welnu, ik heb mij al tien jaren lang voorgenomen het niet meer te
+doen," zeide St.-Clare; "maar ik heb mij er toch, hoe dan ook, niet van
+af kunnen houden. Zijt gij van al uwe zonden afgekomen, lieve Nicht?"
+
+"Neef Augustine," antwoordde Ophelia en legde haar breiwerk neer. "Ik
+zal het zeker wel verdienen dat gij mijne tekortkomingen bestraft. Ik
+weet dat het maar al te waar is wat gij zegt, niemand kan dat dieper
+gevoelen dan ik; maar het komt mij toch voor dat er eenig verschil is
+tusschen u en mij. Ik geloof dat ik liever mijne rechterhand zou willen
+afhouwen, dan dag aan dag voortgaan met te doen wat ik voor kwaad
+hield. Maar niettemin is mijn gedrag zoo weinig overeenkomstig met
+mijne belijdenis, dat het mij niet verwondert dat gij mij bestraft."
+
+"Och kom, Nicht," zeide Augustine, zich voor haar op den grond zettende
+en zijn hoofd in haren schoot leggende, "neem het niet zoo geducht
+ernstig op! Gij weet wel welk een deugniet van een jongen ik altijd
+geweest ben. Ik heb er liefhebberij in om u te plagen en uw toorn
+gaande te maken--anders is het niet. Ik weet wel dat gij wanhopig,
+ontzettend braaf zijt; ik word er bang van als ik er aan denk."
+
+"Maar dat is een ernstig onderwerp, Auguste, mijn jongen," zeide
+Ophelia, hare hand op zijn voorhoofd leggende.
+
+"Akelig ernstig," zeide St.-Clare, "en ik--maar ik praat niet gaarne
+ernstig bij warm weder. Met de muskieten en al die dingen gelukt
+het iemand toch niet eene heel hooge zedelijke vlucht te nemen; en ik
+geloof--daar vind ik eene theorie," zeide hij, eensklaps opstaande. "Ik
+begrijp nu de reden, waarom gij Noordelijke natiën altijd deugdzamer
+zijt dan wij Zuidelijke, ik begrijp nu de geheele zaak."
+
+"O, Augustine, ge zijt toch een ongelukkig loshoofd."
+
+"Ben ik? Nu ja, het zal wel waar zijn; maar voor eene enkele maal
+wil ik toch eens ernstig wezen, als ge mij eerst dat mandje met
+sinaasappelen eens aangeeft; want ik moet mij tusschenbeide eens
+kunnen verfrisschen, als ik mij zoo zal inspannen. Nu begin ik,"
+vervolgde hij, het mandje naar zich toehalende. "Als het in den loop
+der wereldsche zaken voor iemand noodig wordt, twee of drie dozijn
+van zijne mede-aardwormen in gevangenschap te houden, vereischt een
+voegzaam ontzag voor de gevoelens der maatschappij...."
+
+"Ik zie niet dat gij ernstiger wordt," viel Ophelia hierop in.
+
+"Wacht maar--ik kom er toe--gij zult hooren. Om kort te gaan, Nicht,"
+zeide hij, terwijl zijn gezicht eensklaps strak en ernstig werd,
+"over de slavernij, in het afgetrokkene beschouwd, kan, naar ik
+meen, slechts één gevoelen bestaan, planters, die er geld mede
+moeten winnen--geestelijken, die planters naar den mond moeten
+praten--staatkundigen, die er gezag door willen voeren--mogen de taal
+en de zedenleer verdraaien en verwringen, zoodat de wereld verbaasd
+staat over hunne schranderheid; zij kunnen de natuur en den Bijbel,
+en wat weet ik al meer, in hunnen dienst pressen; maar na dat alles
+gelooven zij en de wereld toch geen aasje meer er aan. Het komt van
+den duivel, kortaf gezegd, en naar mijn begrip is het een goed proefje
+van hetgeen hij in zijn vak doen kan."
+
+Ophelia hield op met breien en zag hem verwonderd aan; St.-Clare,
+die zich met hare verbazing zeer scheen te vermaken, vervolgde:
+
+"Gij schijnt u te verwonderen; maar als gij mij wilt laten uitspreken,
+zal ik ronduit zeggen wat ik denk. Die vervloekte zaak, vervloekt
+door God en menschen, wat is zij? Ontruk haar alle optooisel, zoek
+naar hare kern en haren wortel, en wat is zij dan? Wel, omdat mijn
+broeder Quashy onkundig en zwak en ik schrander en sterk ben--omdat
+ik weet hoe ik dat kan doen en de macht heb--daarom mag ik alles
+stelen wat hij heeft, het behouden, en hem alleen zooveel geven als
+mij belieft. Al wat te zwaar, te vuil en te onaangenaam voor mij
+is, mag ik Quashy laten doen. Omdat ik niet gaarne werk, zal Quashy
+werken. Omdat de zon mij zengt, zal Quashy in de zon staan. Quashy
+zal het geld verdienen, en ik zal het verteren. Quashy zal zich in
+een modderpoel leggen, opdat ik er droogvoets kan overstappen. Quashy
+zal mijn wil doen en niet den zijnen, al de dagen van zijn leven op
+aarde, en eindelijk alleen zooveel kans op den hemel hebben, als
+mij gelegen komt. Dit houd ik ten naastebij voor wat de slavernij
+_is_. Ik tart iedereen uit om ons slavenwetboek te lezen, gelijk het
+in onze wetten staat, en er iets anders van te maken. Men praat van
+_misbruiken_ der slavernij. Draaierij! De zaak zelve is een gruwelijk
+misbruik. En de eenige reden waarom het land er niet onder verzinkt,
+gelijk Sodom en Gomorra, is omdat zij oneindig beter wordt _gebruikt_
+dan zij is. Uit barmhartigheid, uit schaamte, omdat wij menschen zijn,
+uit vrouwen geboren, en geene wilde dieren, willen velen van ons niet,
+durven velen van ons niet--achten wij ons te goed, om de volle macht
+te gebruiken die onze gruwelijke wet in onze handen stelt. En hij
+die het verste gaat en het ergste doet, gebruikt nog maar met mate
+de macht, die de wet hem geeft."
+
+St.-Clare was opgestaan en ging met haastige schreden op en
+neer. Zijn gelaat gloeide door het vurige van zijn gevoel, zijne
+blauwe oogen flikkerden, en zonder het zelf te weten maakte hij
+heftige gebaren. Ophelia had hem nog nooit in zulk eene stemming
+gezien en bleef roerloos zitten, zonder een woord te spreken.
+
+"Ik verklaar u," vervolgde hij, eensklaps voor zijne nicht staan
+blijvende--"het baat wel niet wat men over de zaak denkt of zegt, maar
+ik verklaar u toch, er zijn oogenblikken geweest waarop ik dacht dat
+als het geheele land maar verzonk, en al dat onrecht en die ellende
+voor het licht verborg, ik gaarne mede wilde verzinken. Als ik met
+onze stoombooten of door het land heen en weder reisde, om slaven op
+te koopen, en bedacht dat elken laaghartigen, verdierlijkten kerel,
+dien ik zag, door onze wetten werd veroorloofd om de absolute despoot
+te worden van zoovele mannen, vrouwen en kinderen als hij voor zijn
+met stelen, bedriegen of spelen gewonnen geld kon koopen--als ik
+zulke kerels werkelijk eigenaars zag van weerlooze kinderen, van
+jonge meisjes en vrouwen--dan was ik op het punt om mijn land, om
+het geheele menschdom te vervloeken."
+
+"Augustine! Augustine!" riep Ophelia uit; "nu hebt gij toch zeker
+genoeg gezegd. Nog nooit in mijn leven heb ik zoo iets gehoord,
+zelfs niet in het Noorden."
+
+"In het Noorden?" herhaalde St.-Clare, terwijl de uitdrukking van
+zijn gelaat eensklaps veranderde en hij een zweem van zijn gewonen
+onverschilligen toon hernam. "Ba! Gij Noordlanders zijt koud van bloed;
+gij zijt koel in alles. Gij kunt niet zoo hartelijk vervloeken als wij,
+wanneer wij er eens toe komen."
+
+"Nu, maar de vraag is...." begon Ophelia.
+
+"O ja, zeker," viel St.-Clare er op in, "de vraag is, en eene
+lastige vraag is het: Hoe zijt _gij_ in dien staat van zonde en
+ellende gekomen? Wel, ik zal u antwoorden met de goede oude woorden,
+die gij mij op Zondagen placht te leeren. Ik ben zoo geworden door
+de gewone voortplanting des geslachts. Mijne bedienden waren die van
+mijnen vader, en wat nog meer is, van mijne moeder, en nu zijn zij de
+mijne, zij en hun nakroost, dat al vrij aanzienlijk is. Mijn vader,
+gelijk gij weet, kwam uit Nieuw-Engeland; en hij was juist een man
+als uw vader--een echte oud-Romein, rechtschapen, vurig, edeldenkend
+en met een ijzeren wil. Uw vader vestigde zich in Nieuw-Engeland, om
+over rotsen en steenen te heerschen en de natuur zijn onderhoud af te
+dwingen; de mijne vestigde zich in Louisiana, om over mannen en vrouwen
+te heerschen en hun zijn onderhoud af te dwingen. Mijne moeder,"
+vervolgde St.-Clare opstaande en naar een portret gaande, waarnaar hij
+met een blik vol teederheid en eerbied opzag: "Zij was goddelijk. Zie
+mij maar zoo niet aan: ik weet wel wat gij meent. Waarschijnlijk was
+zij van sterfelijke geboorte; maar zooveel ik ooit heb kunnen opmerken,
+had zij geen spoor van menschelijke zwakheid of dwaling; en allen die
+zich haar nog herinneren, hetzij slaven of vrijen, dienaren, bekenden,
+en bloedverwanten, allen zeggen hetzelfde. Welnu, Nicht, die moeder is
+alles geweest, wat jarenlang tusschen mij en een volslagen ongeloof
+stond. Zij was een aanschouwelijk bewijs van het Nieuwe Testament
+voor mij, een levend verschijnsel dat verklaard moest worden, en
+dat op geene andere wijs verklaard kon worden dan door de waarheid
+dier leer. O moeder, moeder!" riep St.-Clare uit, als in verrukking
+zijne gevouwen handen opheffende; en toen zich eensklaps bedwingende,
+kwam hij terug, zette zich op de sofa en vervolgde:
+
+"Mijn broeder en ik waren tweelingen; en men zegt, gelijk gij weet,
+dat tweelingen op elkander gelijken moeten, maar wij waren in alle
+opzichten elkanders contrasten. Hij had zwarte vurige oogen, koolzwart
+haar, sterk sprekende Romeinsche trekken en eene bruinachtige kleur;
+ik had blauwe oogen, lichtbruin haar, Grieksch profiel en een blanke
+kleur. Hij was vriendelijk en edelmoedig voor zijne vrienden en
+gelijken; maar trotsch, heerschzuchtig en hard voor zijne minderen,
+en geheel onbarmhartig voor alles wat zich tegen hem verzette. Oprecht
+waren wij beiden, hij uit trotschheid en onversaagdheid, ik uit zekere
+ideale waarheidsliefde. Wij hielden veel van elkander en hadden
+toch nu en dan ongenoegen, gelijk het met jongens gewoonlijk gaat;
+hij was de lieveling van mijnen vader en ik die van moeder.
+
+"Ik had eene ziekelijke gevoeligheid ten aanzien van vele dingen,
+waarvan hij en mijn vader niets begrepen, zoodat zij daarin onmogelijk
+met mijn gevoel konden overeenstemmen. Mijne moeder kon dit echter
+wel, en wanneer ik dus met Alfred twist had of mijn vader mij barsch
+aankeek, placht ik naar mijne moeders kamer te gaan en bij haar te
+gaan zitten. Ik herinner mij nog zeer wel hoe zij er altijd uitzag
+met hare bleeke wangen, hare zachte, ernstige oogen, en haar wit
+kleed--zij droeg altijd wit--en ik placht altijd aan haar te denken
+als ik in de Openbaring las van de heiligen, die in fijn linnen,
+helder wit, gekleed waren. Zij had veel smaak en talent, inzonderheid
+voor de muziek, en zij was gewoon op het orgel de statige muziek der
+Katholieke kerk te spelen, en daarbij te zingen met eene stem, welke
+meer naar die van een engel dan van eene sterfelijke vrouw geleek;
+en dan legde ik dikwijls mijn hoofd in haren schoot, en schreide en
+droomde en voelde dingen, waartoe het mij aan woorden ontbrak om ze
+te zeggen.
+
+"In die dagen had men de zaak der slavernij nog nooit zoo onderzocht
+als nu, niemand droomde dat er eenig kwaad in stak.
+
+"Mijn vader was een geboren aristocraat. Ik denk dat hij in een
+vroegeren staat tot de hoogere kringen van geesten moet behoord hebben
+en al zijn adeltrots had medegebracht; want die zat hem in het bloed,
+hoewel hij van eene arme en volstrekt niet edele familie was. Mijn
+broeder was in dit opzicht zijn evenbeeld.
+
+"Nu heeft een aristocraat, gelijk gij weet, de geheele wereld over,
+geen menschelijk gevoel voor iets dat buiten zekere maatschappelijke
+grenslijn ligt. In Engeland is die grenslijn op zekere plaats
+getrokken, in Birma op eene andere en in Amerika weder op eene andere;
+maar de aristocraat van al die landen stapt nooit daarover heen. Wat
+in zijne eigene klasse eene hardheid, een onrecht of een ongeluk
+zou zijn geweest, was in eene andere slechts iets onverschilligs,
+dat vanzelf sprak. Mijn vaders grenslijn was die der kleur; _onder
+zijns gelijken_ was nooit iemand billijker en edelmoediger; maar
+hij beschouwde den neger door alle kleurschakeeringen heen als een
+schakel tusschen den mensch en de dieren, en mat al zijne denkbeelden
+van recht en billijkheid naar deze onderstelling af. Ik denk wel, als
+iemand hem ruiterlijk had gevraagd of zij menschelijke, onsterfelijke
+zielen hadden, dat hij dan wel, na wat kuchen en keelschrapen, "ja"
+zou gezegd hebben. Maar mijn vader was geen man, die veel last van
+nadenken had, en godsdienstig gevoel had hij in het geheel niet,
+behalve zekeren eerbied voor God, daar deze toch stellig aan het
+hoofd der hoogere klassen stond.
+
+"Welnu, mijn vader had ongeveer vijfhonderd negers aan het werk;
+hij was een onbuigzaam, voortvarend, scherp oplettend man van zaken;
+alles moest naar een vasten regel gaan, die met onfeilbare stiptheid
+in acht genomen moest worden. Als gij nu in aanmerking neemt, dat
+er naar zulk een regel gewerkt moest worden door een troep luie,
+babbelzieke, onhandige arbeiders, die hun leven lang geen lust,
+en ook geene reden hadden gehad om iets anders te leeren dan
+"dagdieven," dan zult gij begrijpen dat er op zijne plantage vele
+dingen moesten gebeuren, die een gevoelig kind, zooals ik, droevig
+en akelig moesten voorkomen. Buitendien had hij een opzichter, een
+lange, grove kerel, met zware, forsche vuisten, die eene regelmatige
+leerschool van hardheid en ruwheid had doorgegaan en meester in dat
+vak was geworden. Mijne moeder kon hem nooit uitstaan, en ik ook
+niet; maar mijn vader had hij geheel voor zich ingenomen, en deze
+man heerschte dus op het goed als absoluut despoot.
+
+"Ik was toen een kleine jongen, maar ik had reeds dezelfde liefhebberij
+voor alle soorten van menschelijke wezens, die ik nu heb--eene soort
+van hartstocht om met de menschheid, welke gedaante zij ook dragen
+mocht, kennis te maken. Ik was veel in de hutten en onder de arbeiders
+op het veld, en was dus natuurlijk een groot gunsteling. Allerlei
+grieven en klachten werden mij in het oor gefluisterd en ik vertelde
+ze mijne moeder, en wij met ons beiden vormden een soort van commissie
+tot herstel van grieven. Wij voorkwamen en verhinderden veel wreedheid,
+en streelden ons met de gedachte dat wij veel goeds deden, totdat ik,
+gelijk dikwijls gebeurde, in mijnen ijver te veel deed. Stubbs klaagde
+aan mijnen vader dat hij het volk niet meer regeeren kon en zijne
+betrekking moest neerleggen. Mijn vader was een teeder, inschikkelijk
+echtgenoot; maar hij was ook iemand die nooit terugdeinsde voor
+iets dat hij noodig achtte; en aldus zette hij zijn voet als een
+rots tusschen ons en de veldarbeiders. Hij zeide mijne moeder in
+bewoordingen, die zeer minzaam en verschoonend, maar tevens zeer
+beslissend waren, dat zij volkomen meesteres over de huisbedienden
+zou zijn, maar dat hij geene bemoeiing met de veldarbeiders kon
+veroorloven. Hij achtte en beminde haar boven alle levende wezens;
+maar hij zou hetzelfde tegen de Maagd Maria hebben gezegd, als zij
+zijn regel in den weg gekomen was.
+
+"Ik hoorde mijne moeder wel eens over sommige gevallen met hem
+redeneeren en haar best doen om zijn mededoogen op te wekken. Hij
+luisterde met de ootmoedigste beleefdheid en kalmte naar de
+aandoenlijkste toespraak en antwoordde dan: "Het komt alles
+daarop neer: moet ik Stubbs laten gaan of hem houden? Stubbs is de
+nauwkeurigheid, de eerlijkheid en de bekwaamheid in eigen persoon,
+een man door en door met mijne zaak bekend en zoo menschelijk als de
+menschen over het algemeen zijn. Volmaaktheid kan men niet bekomen;
+en als ik hem behoud, moet ik zijne administratie als een _geheel_
+goedkeuren, al gebeurt er nu en dan iets waarop aanmerking zou
+kunnen gemaakt worden. Alle regeering brengt eenige noodzakelijke
+hardheid mede. Algemeene regels moeten wel in sommige bijzondere
+gevallen hard zijn." Dezen laatsten stelregel scheen mijn vader bij
+de meeste omstandigheden, waarin over wreedheid werd geklaagd, voor
+alles afdoende te houden. Als hij dit gezegd had, trok hij meestal
+zijne voeten op de sofa, gelijk iemand die met zijn werk gedaan heeft,
+en schikte zich tot een dutje of tot het lezen van de courant, naar
+het te pas kwam.
+
+"De waarheid is dat mijn vader juist die soort van talent bezat,
+die een staatsman noodig heeft. Hij had Polen kunnen verdeelen,
+even gemakkelijk als men een sinaasappel doorsnijdt; of Ierland
+kunnen vertrappen, even bedaard en stelselmatig als iemand op de
+wereld. Eindelijk zag mijne moeder wanhopig van alle tusschenkomst
+af. Men zal het nooit weten, voordat de laatste verantwoording wordt
+afgelegd, wat vele edele en teedere harten gelijk het hare gevoeld
+hebben, zoo geheel weerloos geworpen in hetgeen zij een afgrond
+van onrecht en wreedheid achten, en wat niemand anders om hen heen
+daarvoor houdt. Het leven is een tijd van gedurig lijden geweest
+voor zulke harten, in zulk een duivelachtige wereld als de onze. Wat
+schoot haar anders over dan hare kinderen in hare eigene begrippen
+en gevoelens op te voeden? Nu, met al wat men van de opvoeding zegt,
+groeien kinderen toch zelfstandig op tot hetgeen zij van nature reeds
+zijn en tot niets anders. Van de wieg af was Alfred een aristocraat;
+toen hij opgroeide, namen al zijne neigingen en zijne geheele
+denkwijs die richting, en al de vermaningen mijner moeder waren
+woorden in den wind. Wat mij betreft, zij maakten een diepen indruk op
+mij. Zij sprak nooit uitdrukkelijk iets tegen dat mijn vader zeide,
+en scheen nooit ernstig van hem te verschillen; maar zij prentte het
+mij met al de kracht van haar edel en vurig gemoed in, zij brandde
+het mij in de ziel, dat het laagste menschelijke wezen nog adel en
+waarde had. Dikwijls heb ik met plechtig ontzag naar haar opgezien,
+als zij des avonds naar de sterren wees en zeide: "Ziedaar, Auguste,
+de geringste, verachtste menschelijke ziel op ons goed zal nog leven,
+wanneer al die sterren vergaan zijn--zal leven, zoolang als God leeft!"
+
+"Zij had eenige fraaie oude schilderijen, inzonderheid eene van Jezus:
+den blinde genezende. Het waren schoone stukken en zij plachten een
+diepen indruk op mij te maken. "Ziedaar, Auguste," zeide zij dan wel,
+"de blinde was een bedelaar, arm en walgelijk, en daarom wilde Hij
+hem niet _uit de verte_ genezen! Hij riep hem naar zich toe en _legde
+zijne handen op hem_. Onthoud dit, mijn jongen!" Als ik onder hare zorg
+was blijven opgroeien, zou zij mij tot ik weet niet welk enthousiasme
+hebben opgewonden. Ik had misschien een heilige, een hervormer, een
+martelaar kunnen worden--maar helaas, helaas! Ik moest van haar af
+toen ik pas dertien jaar oud was, en ik heb haar nooit weder gezien."
+
+St. Clare liet zijn hoofd in zijne handen zinken en zweeg eene
+poos. Eindelijk zag hij weder op en vervolgde:
+
+"Hoe armoedig, laag en ellendig is toch die geheele menschelijke
+deugd! Een gevolg grootendeels van geographische lengte, breedte
+en ligging, in verband met een natuurlijk temperament! Uw vader,
+bij voorbeeld, vestigt zich in Vermont, in eene stad waar allen
+inderdaad vrij en gelijk zijn; wordt een deftig lid van de kerk en
+ouderling; voegt zich in den loop van den tijd bij het genootschap der
+abolitionisten en houdt ons allen voor weinig beter dan heidenen. En
+toch is hij duidelijk in karakter en denkwijze een duplicaat
+van mijnen vader. Ik zie dat op vijftig verschillende manieren
+doorstralen--duidelijk zie ik denzelfden krachtigen, heerschzuchtigen,
+aanmatigenden geest. Gij weet wel hoe onmogelijk het is, sommigen
+der lieden van uw dorp te doen gelooven dat Mr. Sinclair zich niet
+boven hen verheven acht. De waarheid is: dat hij, schoon hij in een
+democratischen tijd leeft en eene democratische theorie heeft omhelsd,
+in zijn hart een aristocraat is, evengoed als mijn vader, die over
+vijf- of zeshonderd slaven gebood."
+
+Ophelia voelde zich wel eenigszins genegen om bedenkingen hiertegen
+te maken en legde haar breiwerk neder om te beginnen, maar St. Clare
+stuitte haar.
+
+"Ik weet alles wat gij zeggen wilt. Ik weet wel dat zij niet werkelijk
+aan elkander gelijk waren. De een kwam in een toestand waarin alles
+zijne natuurlijke neigingen tegenwerkte, en de ander in omstandigheden
+waarin alles die sterker deed ontwikkelen; en zoo werd de eerste een
+tamelijk eigenzinnige, onverbiddelijke, aanmatigende, oude democraat,
+de ander een eigenzinnige, onverbiddelijke, oude despoot. Als beiden
+nu plantages in Louisiana hadden gehad, zouden zij naar elkander
+geleken hebben als twee kogels, in een en denzelfden vorm gegoten."
+
+"Welk een oneerbiedig kind zijt gij toch!" zeide Ophelia.
+
+"Ik meen het niet beleedigend voor hen," zeide St. Clare; "maar gij
+weet wel dat eerbiedigheid mijn _fort_ niet is. Maar om weder op
+mijne geschiedenis te komen:
+
+"Toen mijn vader stierf, liet hij zijn vermogen na aan ons, zijne
+tweelingzonen, om te verdeelen, gelijk wij zelven met elkander zouden
+overeenkomen. Er ademt op Gods aarde geen edeler, grootmoediger
+mensch dan Alfred, wanneer hij met zijne gelijken te doen heeft,
+en wij schikten die verdeeling van eigendom uitmuntend, zonder een
+enkel onbroederlijk woord of gewaarwording. Wij namen ons voor, de
+plantage te zamen te laten bewerken, en Alfred, wiens gestel tweemaal
+zoo sterk was als het mijne, en die veel meer aanleg voor landbouw
+en handelszaken bezat, werd met hart en ziel een planter.
+
+"Wat mij betreft, een proeftijd van twee jaren overtuigde mij dat ik
+in die zaak geen deelgenoot kon blijven. Een troep van zevenhonderd
+slaven, die ik niet persoonlijk kon kennen en in wie ik geen
+persoonlijk belang kon stellen, als zoovele ossen te laten opkoopen,
+voortjagen, stallen, voeden en werken,--terwijl de vraag: hoe weinig
+van de meest gewone genietingen des levens voldoende waren om hen tot
+werken in staat te houden, gedurig opnieuw moest overlegd worden; en de
+noodzakelijkheid van opzichters en drijvers, met hunne eeuwige zweep,
+de eerste en de laatste, de eenige reden voor alles was--dat geheele
+ding was mij onuitstaanbaar verdrietig en walgelijk;--en als ik dacht
+aan de waarde die mijn goede moeder aan eene enkele menschelijke ziel
+had toegekend, werd het zelfs schrikkelijk voor mij.
+
+"Het is onzin, naar mijn begrip, te willen zeggen dat slaven met dat
+alles weltevreden zijn. Ik heb nooit de wartaal kunnen uitstaan, die
+sommigen van uwe Noordlanders, onze vrienden, hebben bijeengelapt om
+onze zonden te verschoonen. Wij weten het allen wel beter. Zeg mij dat
+er iemand op de wereld is, die al de dagen van zijn leven, van den
+dageraad tot den avond, onder het scherpziende oog van een meester
+verlangt te werken, zonder in eenig opzicht zijn eigen wil te mogen
+doen, altijd aan denzelfden vervelenden, eentonigen arbeid, en dat
+alles voor twee broeken en twee paar schoenen in het jaar, met juist
+genoeg voedsel en huisvesting om hem tot werken in staat te houden;
+iemand die denkt dat menschelijke wezens op die manier nagenoeg even
+weltevreden kunnen zijn als op eenige andere--ik wenschte dat hij het
+eens beproefde! Ik zou den hond koopen en hem met een gerust geweten
+als slaaf gebruiken."
+
+"Ik heb altijd gemeend," zeide Ophelia, "dat gij allen met die dingen
+tevreden waart en ze voor recht hieldt--volgens de Schrift."
+
+"Praatjes! Zoover zijn wij nog niet heen. Alfred, die zulk een
+onverbiddelijke despoot is als er nog ooit leefde, wil zich niet met
+zulk eene verdediging behelpen. Neen, hij beroept zich trotsch en
+stout op dat oude eerwaardige recht, het recht van den sterkste; en
+hij zegt--en ik geloof met reden--dat de Amerikaansche planter alleen
+maar datgene in een anderen vorm doet, wat de Engelsche aristocraten
+en kapitalisten met de lagere klassen doen; en dat is naar ik meen: ze
+zich toeëigenen met lichaam en ziel, om ze tot hun voordeel en genoegen
+te gebruiken. Hij verdedigt beiden--en mij dunkt dat hij daarin ten
+minste consequent is. Hij zegt dat er geen trap van beschaving kan
+bestaan, zonder dat de massa's, hetzij uitdrukkelijk en in naam,
+hetzij toch inderdaad, slaven zijn. Er moet, zegt hij, eene lagere
+klasse wezen, die aan lichamelijken arbeid gebonden is en slechts eene
+dierlijke natuur heeft: en eene hoogere, die daardoor middelen en tijd
+bekomt om haar verstand te ontwikkelen en hare talenten te volmaken,
+waarmede zij tevens de ziel en beheerscheres der lagere wordt. Zoo
+redeneert hij, omdat hij, gelijk ik zeide, een geboren aristocraat is;
+en ik geloof het dus niet, omdat ik een democraat geboren ben."
+
+"Hoe in de wereld kunnen die twee dingen met elkander vergeleken
+worden?" zeide Ophelia. "De Engelsche arbeider wordt immers niet
+verkocht en verhandeld, niet van zijne familie gescheiden, niet
+gegeeseld?"
+
+"Hij hangt evenzeer van den wil zijns meesters af, alsof deze hem
+gekocht had. De slavenhouder kan zijn weerspannigen slaaf laten dood
+geeselen--de kapitalist kan hem laten dood hongeren. Wat de familie
+betreft, is het moeielijk te zeggen wat erger is: zijne kinderen te
+zien verkoopen, of hen tehuis te zien honger lijden."
+
+"Maar het is geene rechtvaardiging der slavernij, te bewijzen dat
+zij niet erger is dan een ander kwaad."
+
+"Ik heb haar ook niet willen rechtvaardigen; ja ik zeg bovendien dat
+onze schennis van de rechten der menschheid stouter en openlijker
+is. Een mensch werkelijk te koopen gelijk een paard--zijne tanden te
+bekijken, zijne gewrichten te laten knappen, hem te laten toonen hoe
+hij loopt en zich beweegt, en dan zijn prijs te betalen--speculanten,
+opfokkers, handelaars en makelaars in menschelijke lichamen en zielen
+te hebben--dat stelt de zaak in eene meer tastbare gedaante voor de
+oogen der beschaafde wereld, schoon het andere dat men doet in zijnen
+aard eigenlijk hetzelfde is, namelijk het toeëigenen en gebruiken van
+de eene klasse van menschen tot voordeel en genoegen eener andere,
+zonder op hare eigene belangen acht te geven."
+
+"Ik heb de zaak nog nooit in dat licht bezien," zeide Ophelia.
+
+"Wel, ik heb in Engeland gereisd en heb tamelijk veel over den toestand
+der lagere klassen aldaar gelezen, en ik denk waarlijk dat men Alfred
+niet kan tegenspreken, als hij zegt dat zijne slaven er beter aan
+toe zijn dan een groot gedeelte der bevolking van Engeland. Gij moet
+echter uit hetgeen ik gezegd heb niet opmaken, dat Alfred is wat men
+een hard meester noemt; want dat is hij niet. Hij is despotiek en
+ongenadig in geval van weerspannigheid; hij zou een kerel die hem
+tegenweer bood, met even weinig gewetensknaging doodschieten als
+een bok; maar over het geheel stelt hij er eene soort van trots in,
+dat zijne slaven goed gevoed en verzorgd worden.
+
+"Toen ik bij hem was, drong ik er op aan dat hij iets voor hun
+onderricht zou doen, en om mij te behagen nam hij een kapelaan aan en
+liet hem des Zondags catechiseeren, hoewel ik geloof dat hij wel bij
+zich zelven dacht, dat het omtrent evenveel goed zou doen alsof hij
+een kapelaan bij zijne paarden en honden zette. En het is ook waar,
+dat er met iemand, die van zijne geboorte af door allerlei schadelijke
+omstandigheden verstompt en verdierlijkt is, en die zijne werkdagen
+geheel moet slijten met een arbeid, welke hem geen tijd tot een
+oogenblik nadenkens laat, in eenige uren op Zondag niet veel kan gedaan
+worden. De onderwijzers in de zondagsscholen onder de fabrieksbevolking
+van Engeland en onder de plantage-arbeiders in Amerika zullen misschien
+_hier_ en _daar_ hetzelfde kunnen getuigen. Maar onder ons bestaan
+toch eenige treffende uitzonderingen, daar het blijkt dat de neger van
+nature meer vatbaarheid heeft voor godsdienstig gevoel dan de blanke."
+
+"Maar hoe zijt gij er eindelijk toe gekomen om van de plantage af te
+zien?" zeide Ophelia.
+
+"Wel, wij tobden eenigen tijd met elkander voort, tot Alfred
+duidelijk zag dat ik geen planter was. Hij vond het ongerijmd dat
+ik nog ontevreden was, nadat hij, om zich naar mijne begrippen te
+voegen, allerlei veranderingen en verbeteringen gemaakt had. Het was
+dan ook eigenlijk de zaak zelve die ik haatte--het gebruiken van die
+mannen en vrouwen als onze werkdieren, het onderhouden van onkunde,
+ruwheid en ondeugd--alleen om geld voor mij te winnen!
+
+"Bovendien was ik daar wezenlijk in den weg. Daar ik zelf een der
+luiste stervelingen was, had ik veel te veel sympathie voor luiaards;
+en als dus arme onhandige rekels steenen in hunne katoenmanden legden,
+om ze zwaarder te doen wegen; of hunne zakken met vuilnis vulden,
+met wat katoen bovenop, kwam mij dit zoo volkomen hetzelfde voor als
+wat ik in hunne plaats zou gedaan hebben, dat ik er hen niet voor
+kon of wilde laten geeselen. Daardoor was er natuurlijk geen orde
+of tucht op de plantage te houden, en Alfred en ik kwamen omtrent
+evenver met elkander, als jaren geleden mijn vader met mij gekomen
+was. Hij zeide mij dus dat ik een verwijfd sentimentalist was en nooit
+deugen zou om zaken te doen; raadde mij om de bankactiën en het huis
+te Nieuw-Orleans te nemen, daar verzen te gaan schrijven en hem de
+plantage over te laten. Zoo scheidden wij ook en ik kwam hier wonen."
+
+"Maar waarom hebt gij uwe slaven niet vrijgelaten?"
+
+"Zoover had ik het nog niet gebracht. Hen houden als gereedschap
+om geld te winnen, dat kon ik niet; maar hen te houden om mijn geld
+te helpen verteren, kwam mij zoo kwaad niet voor. Sommigen van hen
+waren oude huisbedienden, aan wie ik gehecht was, en de jongeren
+waren de kinderen van de ouden. Allen waren weltevreden als zij
+mochten blijven."
+
+Hij zweeg en wandelde peinzend de kamer op en neer.
+
+"Er was een tijd in mijn leven," vervolgde hij, "toen ik plan en
+hoop had om meer in de wereld te doen, dan zoo met den stroom af te
+drijven. Ik had een onbestemd, nevelachtig verlangen om een soort
+van emancipator te worden--om mijn vader van die schandvlek te
+bevrijden. Alle jongelieden, geloof ik, hebben zulke koortsachtige
+vlagen--maar dan...."
+
+"Waarom deedt gij dat niet?" zeide Ophelia. "Gij moest uwe hand niet
+aan den ploeg slaan en dan achterwaarts zien."
+
+"Och, het ging niet met mij zooals ik verwacht had, en toen kreeg ik
+hetzelfde verdriet in het leven dat Salomo kreeg. Ik denk dat zal voor
+ons beiden noodzakelijk geweest zijn om wijs te worden. Maar hoe dan
+ook, in plaats van de maatschappij te verbeteren en te hervormen,
+werd ik een stuk drijfhout en heb mij sedert dien tijd maar laten
+rondslingeren. Alfred bekijkt mij telkens als wij elkander zien en
+heeft iets op mij vooruit, dat moet ik bekennen. Zijn leven is een
+logisch gevolg van zijne denkwijs, het mijne is eene verachtelijke
+inconsequentie."
+
+"Lieve Neef, hoe kunt gij tevreden zijn met zulk eene manier om uw
+proeftijd te besteden?"
+
+"Tevreden? Heb ik u niet zooeven gezegd dat ik mijn gedrag
+verachtte? Maar om weder ter zake te komen--wij waren aan het vrijlaten
+van slaven. Ik geloof dat mijne manier van doen niet ongemeen is. Ik
+vind vele menschen, die heimelijk eveneens over de slavernij denken
+als ik. Het land zucht er onder; en zoo erg als zij voor den slaaf is,
+zij is, zoo mogelijk, nog erger voor den meester. Men heeft geen bril
+noodig, om te zien dat eene talrijke klasse van zorgelooze, ondeugende,
+zedelijk verbasterde menschen onder ons een kwaad is, voor ons zoowel
+als voor hen. De kapitalisten en aristocraten van Engeland kunnen dat
+zoo niet doen als wij, omdat zij met de klasse die zij verdrukken niet
+zoo in aanraking komen als wij doen. De slaven zijn in onze huizen;
+zij zijn het gezelschap van onze kinderen en hebben meer invloed op
+hun gemoed dan wij, omdat zij tot eene soort van menschen behooren
+waaraan kinderen zich altijd hechten. Als Eva niet meer een engel was
+dan gewoonlijk, zou zij geheel bedorven worden. Wij mochten evengoed
+de kinderpokken onder hen laten heerschen en denken dat onze kinderen
+niet besmet worden, als hen ondeugend laten en denken dat dit onzen
+kinderen geen kwaad zal doen. En toch verbieden onze wetten stellig
+alle krachtige maatregelen van opvoeding, en dat doen zij met reden;
+want begin maar eens en geef één geslacht van negers eene goede
+opvoeding, en het geheele ding vliegt in de lucht. Als wij hun hunne
+vrijheid niet gaven zouden zij ze nemen."
+
+"En wat denkt gij dat hiervan het einde zal zijn?" zeide Ophelia.
+
+"Ik weet het niet. Eén ding is zeker--over de geheele wereld vereenigen
+zich de massa's en komen in beweging; en vroeger of later komt er een
+_dies irae_ [7]. Hetzelfde werkt in Engeland, in geheel Europa en in
+dit land. Mijne moeder placht mij te spreken van een duizendjarig rijk,
+dat eens komen zou, wanneer Christus zou heerschen en alle menschen
+vrij en gelukkig zouden zijn. En toen ik een kind was leerde zij mij
+bidden: "Uw Koninkrijk kome." Somtijds denk ik dat al dat zuchten en
+kermen, en die beweging onder de dorre beenderen, datgene voorspelt,
+wat zij mij placht te zeggen dat komen zou. Maar wie zal den dag
+zijner toekomst zien?"
+
+"Augustine, somtijds denk ik dat gij niet ver van het Koninkrijk
+zijt," zeide Ophelia, terwijl zij haar breiwerk neerlegde en haar
+neef oplettend en met zekere bezorgdheid aanzag.
+
+"Ik dank u voor uwe goede meening; maar het gaat op en neer met mij--op
+tot aan de poort des hemels, in theorie, neer in het stof der aarde,
+in practijk. Daar hoor ik de schel om thee te drinken. Laten wij gaan,
+en zeg nu niet dat ik niet voor eene enkele maal in mijn leven ernstig
+met u gesproken heb."
+
+Aan de theetafel sprak Marie over het voorgevallene met Prue.
+
+"Gij zult nu wel denken, Nicht," zeide zij, "dat wij allen barbaren
+zijn."
+
+"Ik denk dat dit iets barbaarsch is," antwoordde Ophelia; "maar ik
+houd u allen nog niet voor barbaren."
+
+"Och," hervatte Marie, "ik weet zelve wel dat het onmogelijk is met
+sommigen van die schepsels te recht te komen. Zij zijn zoo slecht,
+dat zij het leven niet waard zijn. Ik voel geen greintje medelijden
+in zulke gevallen. Als zij zich maar wel gedroegen, zou het niet
+gebeuren."
+
+"Maar, Mama," zeide Eva, "het arme schepsel was ongelukkig; dat hielp
+haar aan den drank."
+
+"Och, gekheid! Alsof dat eene verontschuldiging was! Ik ben ook
+dikwijls ongelukkig. Ik geloof," zeide Marie peinzend, "dat ik grooter
+verdriet heb gehad dan zij ooit gehad heeft. Het is maar dat zij
+zoo slecht van aard zijn. Er zijn sommigen die men met de grootste
+gestrengheid niet dwingen kan. Ik herinner mij dat mijn vader een
+man had, die zoo lui was dat hij wegliep, alleen maar om van het
+werken af te komen, en in de moerassen school en stal en allerlei
+afschuwelijkheden deed. Die man werd gevangen en gegeeseld, nog eens en
+nog eens, maar nooit hielp het hem; eindelijk kroop hij weder weg, want
+hij kon haast niet loopen, en stierf in het moeras. Er was geenerlei
+reden voor, want mijns vaders volk werd altijd goed behandeld."
+
+"Ik heb eens een kerel getemd," zeide St. Clare, "aan wien al de
+opzichters en meesters vruchteloos hunne krachten beproefd hadden."
+
+"Gij!" zeide Marie. "Nu, ik zou wel willen weten wanneer gij iets
+van dien aard gedaan hebt."
+
+"Wel, hij was een sterke reusachtige kerel, een geboren Afrikaan, en
+hij scheen in een buitengemeenen trap het ruwe instinct van vrijheid
+in zich te hebben. Hij was een echte Afrikaansche leeuw. Men noemde
+hem Scipio. Niemand kon iets met hem uitrichten; hij werd van den een
+aan den ander overgedaan, tot eindelijk Alfred hem kocht, daar hij
+dacht hem wel te kunnen regeeren. Maar eens gaf Scipio een opzichter
+een slag zoodat deze neerviel, en liep toen naar de moerassen. Ik
+was juist op Alfreds plantage te logeeren, want het was nadat wij de
+compagnieschap ontbonden hadden. Alfred was geweldig verbolgen, maar
+ik zeide hem dat het zijn eigen schuld was; ik wilde met hem wedden,
+voor zooveel hij verkoos, dat ik den neger kon temmen; en eindelijk
+werd er afgesproken, dat als ik hem ving, ik hem zou hebben om de proef
+te nemen. Zij verzamelden zich dus in een troep van zes of zeven, met
+honden en geweren voor de jacht. Men kan, zooals gij weet, evenveel
+liefhebberij krijgen in het menschenjagen als in het hertenjagen, als
+men er zich maar aan gewent; om de waarheid te zeggen, ik kwam zelfs
+een weinig in vuur, hoewel ik slechts was medegegaan om eenigermate
+tot onderhandelaar te dienen, ingeval hij gevangen werd.
+
+"Nu, de honden blaften en huilden en wij reden door dik en dun:
+eindelijk joegen wij hem op. Hij liep en sprong als een reebok en
+liet ons eerst ver achter, maar eindelijk raakte hij beklemd in een
+ondoordringbaar rietbosch; toen keerde hij zich om en hield stand, en
+ik kan u zeggen dat hij als een held tegen de honden vocht. Hij smeet
+ze rechts en links van zich af en hielp er werkelijk drie van kant,
+alleen met zijne bloote vuisten, tot een geweerschot hem weerloos
+maakte en hij bloedend bijna voor mijne voeten neerviel. De arme
+kerel zag naar mij op, met mannenmoed en wanhoop in zijne oogen. Ik
+hield de honden en de troep van hem af, toen de anderen aankwamen,
+en eischte hem op als mijn gevangene. Ik had moeite genoeg, om te
+beletten, dat zij hem in het eerste gevoel van triomf doodschoten; maar
+ik bleef op mijn recht staan en Alfred verkocht hem aan mij. Welnu,
+toen nam ik hem onderhanden, en in veertien dagen had ik hem zoo tam
+en gedwee gemaakt als men maar verlangen kon."
+
+"Wat in de wereld hebt gij dan met hem gedaan?" zeide Marie.
+
+"Wel, het was eene zeer eenvoudige manier van doen. Ik nam hem in
+mijne eigene kamer, liet een goed bed voor hem maken, verbond zijne
+wonden en paste hem zelf op tot hij weder op de been kwam. En na
+verloop van tijd liet ik een vrijbrief voor hem opmaken en zeide hem
+dat hij gaan kon waar hij wilde."
+
+"En ging hij?" vroeg Ophelia.
+
+"Neen. De malle kerel scheurde het papier in tweeën en weigerde ronduit
+mij te verlaten. Ik heb nooit een braver en beter knecht gehad--zoo
+handelbaar als staal. Hij omhelsde naderhand het christendom en
+werd zoo zachtzinnig als een kind. Hij placht het opzicht te houden
+over mijne plaats en hij deed dat uitmuntend. Ik verloor hem in den
+eersten choleratijd of eigenlijk offerde hij zijn leven voor mij op;
+want ik werd ziek, bijna doodziek, en toen de blinde angst iedereen
+de vlucht deed nemen, werkte Scipio voor mij met reuzenkrachten en
+hield hij mij inderdaad in het leven. Maar, arme kerel! hij werd
+terstond daarop aangetast en hij was niet te redden. Ik heb nooit
+iemands verlies zwaarder gevoeld."
+
+Eva was langzamerhand al dichter en dichter bij haren vader gekomen,
+terwijl hij dit verhaalde, en staarde hem met geopende lippen en
+strakke ernstige oogen aan.
+
+Toen hij zweeg sloeg zij eensklaps hare armen om zijnen hals en
+barstte in een hartstochtelijk snikken en schreien uit.
+
+"Eva, kindlief, wat scheelt u?" zeide St. Clare, toen hij de teedere
+leden van het meisje door hare heftige aandoening voelde schokken en
+beven. "Zij moest nooit van zoo iets hooren," voegde hij er bij. "Zij
+is zenuwachtig."
+
+"Neen, Papa, ik ben niet zenuwachtig," zeide Eva, zich plotseling
+bedwingende met eene kracht van wil, die bij zulk een kind
+verwonderlijk was. "Ik ben niet zenuwachtig, maar die dingen zinken
+mij in het hart."
+
+"Wat meent gij daarmede, Eva?"
+
+"Dat kan ik u niet zeggen, Papa. Ik heb veel in mijne
+gedachten. Misschien zal ik het u wel eens zeggen."
+
+"Wel, denk maar voort, liefje; als gij maar niet schreit en uw papa
+ongerust maakt," zeide St. Clare. "Kijk eens hier, zie welk een mooie
+perzik ik voor u heb."
+
+Eva nam de perzik en glimlachte, hoewel zich om haar mondje nog een
+zenuwachtig trekken vertoonde.
+
+"Kom, laten wij eens naar de goudvischjes gaan zien," zeide St. Clare,
+haar bij de hand nemende en naar het binnenplein gaande. Eenige
+oogenblikken nog, en men hoorde een vroolijk gelach door de zijden
+gordijnen, terwijl Eva en haar vader elkander met rozen gooiden en
+langs de paden van het binnenplein naliepen.
+
+
+
+Er is gevaar, dat onze nederige vriend Tom onder de aangelegenheden
+van hooger geborenen verwaarloosd zal worden, maar als de lezer ons
+naar zijn woninkje boven den stal wil vergezellen, zal hij misschien
+ook wel iets van zijne zaken vernemen. Het is een knappe kamer, met
+een bed, een stoel en een tafeltje, waarop Toms Bijbel en gezangboek
+liggen; en daar zit hij nu, met een lei voor zich, bezig met iets
+dat hem veel inspanning en nadenken schijnt te kosten.
+
+De zaak was, dat Toms verlangen naar zijne achtergelaten betrekkingen
+zoo sterk was geworden, dat hij Eva om een blad schrijfpapier had
+gevraagd; en thans den geheelen kleinen voorraad van letterkennis
+bijeenzamelende, dien hij door het onderwijs van Jongeheer George
+verworven had, vatte hij het stoute voornemen op, om een brief te
+gaan schrijven, en was hij nu bezig met op zijne lei het eerste
+ontwerp daarvan te maken. Tom was in vrij groote verlegenheid, want
+de fatsoenen van sommige letters had hij geheel vergeten, en van die
+hij nog onthouden had, wist hij niet recht welke hij gebruiken moest;
+en terwijl hij zoo werkte en door zijnen ijver zwaar ademhaalde,
+wipte Eva als een vogeltje achter hem op de leuning van zijnen stoel
+en bleef over zijnen schouder zitten kijken.
+
+"O, Oom Tom, welke grappige dingetjes maakt ge daar!"
+
+"Ik doe mijn best om aan mijne arme goede vrouw en mijne kleine
+kindertjes te schrijven, Jongejuffrouw Eva," zeide Tom, met den rug
+zijner hand zijne oogen afvegende; "maar ik vrees dat het toch niet
+lukken zal."
+
+"Ik wou dat ik u helpen kon, Tom. Ik heb een beetje leeren
+schrijven. Verleden jaar kon ik al de letters maken; maar ik vrees
+dat ik het meest vergeten ben!"
+
+Zoo duwde Eva haar krulkopje dicht naast zijn hoofd en de twee begonnen
+ernstig te beraadslagen, beiden even ijverig en omtrent even onkundig;
+doch met veel overleggen en beraden van ieder woord begon het opstel
+eigenlijk toch wezenlijk naar schrift te gelijken.
+
+"Ja, Oom Tom, nu begint het er waarlijk mooi uit te zien," zeide Eva,
+er met verrukking naar turende. "Wat zal uwe vrouw blij zijn en uwe
+arme kleine kinderen! O, het is schande dat gij ooit van hen vandaan
+moest. Ik denk papa eens te vragen om u weder terug te laten gaan."
+
+"Mevrouw heeft gezegd dat zij het geld voor mij zal zenden, zoodra
+zij het kan bijeenkrijgen," zeide Tom, "en ik verwacht ook dat zij
+het doen zal. Jongeheer George heeft mij gezegd dat hij om mij komen
+zou en hij heeft mij dezen dollar tot een teeken daarvan gegeven."
+
+En Tom vertoonde den kostbaren dollar.
+
+"O, dan zal hij zeker komen," zeide Eva. "Wat ben ik blij."
+
+"En ik wilde een brief zenden, weet ge, om haar te laten weten waar
+ik ben, en de arme Chloe te zeggen, dat ik het goed heb, omdat zij
+zoo schrikkelijk angstig was, arme ziel!"
+
+"Zeg eens, Tom," zeide de stem van St. Clare, die op dit oogenblik
+de deur inkwam.
+
+Tom en Eva zagen beiden nu met zekeren schrik op.
+
+"Wat is dat hier?" zeide St. Clare naderkomende en de lei bekijkende.
+
+"O, dat is Tom zijn brief," zeide Eva. "Ik help hem daaraan
+schrijven. Is het al niet mooi?"
+
+"Ik wil u geen van beiden den moed benemen," zeide St. Clare, "maar
+ik geloof toch haast, Tom, het zou beter zijn als ge mij een brief
+voor u liet schrijven. Ik wil het wel doen als ik van mijn rijtoertje
+tehuis kom."
+
+"Het is van groot belang dat hij schrijft," zeide Eva, "want zijne
+meesteres zal geld zenden om hem los te koopen, weet ge, Papa. Hij
+heeft mij gezegd dat zij hem dit gezegd had."
+
+St. Clare hield dit bij zich zelven voor een van die dingen, welke
+goedhartige eigenaars hunnen slaven zeggen om hun schrik voor het
+verkocht worden te verminderen, zonder dat zij voornemens zijn om de
+aldus opgewekte hoop te verwezenlijken. Hij zeide dit echter niet en
+beval Tom slechts de paarden te laten voorbrengen om een rijtoertje
+te doen.
+
+Dien avond werd er een behoorlijke brief voor Tom geschreven en op
+de post bezorgd.
+
+Ophelia volhardde nog in haren arbeid als huishoudster; en in
+het geheele huishouden, van Dina af tot den kleinsten jongen toe,
+stemden allen daarin overeen, dat Juffrouw Ophelia "raar" was, eene
+uitdrukking, waarmede de dienstboden in het Zuiden gewoon zijn aan
+te duiden dat hunne meerderen hun niet recht naar den zin zijn.
+
+In den hoogsten huiselijken kring, die uit Adolf, Jane en Rosa bestond,
+was men het eens dat zij geene _lady_ was--want _ladies_ werkten nooit
+zooals zij deed--en dat zij volstrekt geen _air_ had, weshalve men zich
+zeer verwonderde dat zij van de familie der St. Clares zou zijn. Zelfs
+Marie verklaarde dat het wezenlijk vermoeiend was nicht Ophelia altijd
+zoo druk bezig te zien, en inderdaad was Ophelia's vlijt zoo groot,
+dat zij wel eenige reden gaf tot zulk een klacht. Zij naaide en stikte
+voort, van den dageraad tot aan de avondschemering, met den ijver van
+iemand die door eene dringende noodzakelijkheid wordt aangespoord, en
+als dan het licht haar te flauw werd en het naaiwerk opgevouwen was,
+kwam het altijd gereede breiwerk te voorschijn, en ging zij weder
+haar gang met zooveel ijver als ooit. Het was werkelijk vermoeiend
+haar te zien.
+
+
+
+
+
+TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+TOPSY.
+
+
+Op een ochtend, toen Ophelia druk aan hare huiselijke bezigheden was,
+hoorde zij beneden aan de trap de stem van St. Clare die haar riep:
+
+"Kom eens hier beneden, Nicht! Ik heb u iets te laten zien."
+
+"Wat is het?" zeide Ophelia, met haar werk in de hand afkomende.
+
+"Ik heb iets voor u gekocht--kijk eens," zeide St. Clare, en met deze
+woorden duwde hij een negermeisje van acht of negen jaren naar voren.
+
+Zij behoorde onder de zwartsten van haren stam, en hare ronde oogen,
+die als glazen kralen glinsterden zwierven met snelle rustelooze
+blikken over alles in den omtrek rond. Haar mond, half open van
+verbazing over de wonderen in de woning van haren nieuwen meester, liet
+twee rijen schitterend witte tanden zien. Haar gekroesd haar was in een
+aantal korte staartjes gevlochten, die naar alle kanten uitstaken. De
+uitdrukking van haar gezicht was eene zonderlinge mengeling van
+schranderheid en loosheid, waarover op eene allervreemdste manier
+als het ware een sluier van droevigen ernst en ootmoedigheid lag
+gespreid. Zij had niets anders aan dan eene soort van hemd, van
+paklinnen gemaakt en zeer vuil en gescheurd, en stond daar stijf en
+stil, met gevouwen handen. Over het geheel was er iets zoo wonderlijks
+en kabouterachtigs in haar voorkomen--iets zoo "heidensch" gelijk
+Ophelia naderhand zeide, dat deze goede juffrouw er van schrikte,
+en zich naar St. Clare keerende zeide zij:
+
+"Maar, Augustine, waarvoor in de wereld hebt gij dat schepsel toch
+hier gebracht?"
+
+"Wel voor u, om het op te voeden en wat goeds van haar te maken. Ik
+vond haar een tamelijk koddig staaltje van het negerras. Hier,
+Topsy!" vervolgde hij, fluitende alsof hij een hond wilde waarschuwen
+om op te passen, "laat ons een liedje van u hooren en uw dansen
+eens zien."
+
+De zwarte oogen glinsterden op eene manier, die tegelijk iets koddigs
+en iets akeligs had. Het kleine meisje hief met eene heldere, schelle
+stem een koddig negerliedje aan, bracht op de maat daarvan handen
+en voeten in beweging, draaide als een tol in het rond, klapte in
+de handen, liet de knieën tegen elkander slaan, en perste al die
+wonderlijke keelklanken uit haren gorgel, die de muziek van haar
+geslacht onderscheiden; eindelijk deed zij een paar luchtsprongen,
+en met een lang aangehouden slottoon, zoo onnatuurlijk schel als een
+stoomfluitje, kwam ze met een bons op den vloer neer en bleef staan
+met gevouwen handen en een gezicht, dat eene schijnheilige ernstigheid
+en ootmoedigheid vertoonde, gelogenstraft door de looze blikken,
+die zijwaarts uit hare half dichtgeknepen oogen schoten.
+
+Ophelia stond sprakeloos en verstijfd van verbazing.
+
+St. Clare, ondeugend als hij was, scheen zich met hare verbijstering
+zeer te vermaken, en het kind wederom aansprekende, zeide hij:
+
+"Topsy, dit is uwe meesteres. Ik geef u nu aan haar over. Pas op,
+dat gij u nu wel gedraagt."
+
+"Ja, meester," antwoordde Topsy met gehuichelden ernst, terwijl hare
+ondeugend spotachtige oogen flikkerden.
+
+"Gij moet nu braaf oppassen; verstaat gij wel, Topsy?"
+
+"O ja, meester," antwoordde Topsy wederom met dien flikkerenden blik,
+terwijl zij hare handen nog ootmoedig gevouwen hield.
+
+"Maar, Augustine, waar op de wereld moet dat nu voor dienen?" zeide
+Ophelia. "Uw huis is al zoo vol van die kleine plaaggeesten, dat men
+geen voet kan verzetten zonder op een te trappen. Als ik des morgens
+opsta, vind ik er een achter de deur, een ander komt met zijn zwart
+gezicht onder de tafel uitkijken en een derde ligt op de mat. Zij
+maken kuren en grimassen tusschen de leuning van de trap, en rollen
+in de keuken over elkander op den vloer; waartoe op de wereld brengt
+gij er nu nog een mede?"
+
+"Voor u om op te voeden--heb ik u dat niet gezegd? Gij houdt gedurig
+predikatiën over de opvoeding. Ik dacht u daarom eens een nog geheel
+onopgevoed negerinnetje te moeten geven, om u uwe kunst te laten
+beproeven en haar op te brengen gelijk het behoort."
+
+"Ik voor mij wil haar niet hebben. Ik heb al veel meer met negers te
+doen, dan ik zou wenschen."
+
+"Zoo zijt gij, christenen! Gij wilt wel een genootschap oprichten en
+een armen zendeling huren om zijn geheele leven onder zulke heidenen
+te slijten; maar laat mij eens iemand van u zien, die er een in
+zijn huis wil nemen en zelf den last en de moeite hebben van hem te
+bekeeren. Neen, als het zoover komen zal, zijn zij te morsig en te
+afzichtelijk; het is te veel zorg en zoo voort."
+
+"Augustine, gij weet wel dat ik het niet van dien kant heb beschouwd,"
+zeide Ophelia, blijkbaar zachter wordende. "Nu ja, het zou wel
+wezenlijk een zendelingswerk kunnen zijn." En dit zeggende zag zij
+het kind aan met een blik, die eenigszins gunstiger was.
+
+St. Clare had de rechte snaar geraakt. Ophelia's geweten was altijd
+terstond wakker. "Maar," vervolgde zij evenwel, "ik begrijp toch
+waarlijk niet dat het noodig was deze nog te koopen. Er zijn er al
+genoeg in huis om zooveel tijd en bekwaamheid aan te besteden als ik
+maar heb."
+
+"Welnu dan, Nicht," antwoordde St. Clare, haar ter zijde nemende,
+"ik moet u eerst verschooning verzoeken voor mijne ondeugende
+plagerijen. Gij zijt waarlijk zoo goed en braaf, dat zij volstrekt
+niet te pas komen. De zaak is dan, dat dit slavinnetje aan een paar
+dronken schepsels behoorde, die eene gemeene herberg houden, waar
+ik dagelijks voorbij moet, en dat het mij verveelde haar te hooren
+gillen als zij haar afrosten. Zij zag er ook schrander en geestig
+uit, alsof er wel iets van haar gemaakt zou kunnen worden, en zoo
+kocht ik haar en geef haar nu aan u. Beproef haar nu eens eene goede
+orthodoxe Nieuw-Engelsche opvoeding te geven en zie wat gij zoo van
+haar maken zult. Gij weet wel, ik heb voor zoo iets geen talent,
+maar ik zou het u gaarne eens zien probeeren."
+
+"Welnu, ik zal doen wat ik kan," zeide Ophelia, en daarop naderde
+zij haar nieuw pleegkind, ongeveer gelijk men zich verbeelden kan dat
+iemand eens eene zwarte spin zou naderen, waarmede hij een welwillend
+oogmerk had.
+
+"Zij is schrikkelijk morsig en half naakt," zeide zij.
+
+"Welnu, breng haar naar beneden en laten zij haar daar schoonmaken
+en aankleeden."
+
+Ophelia bracht haar dus naar de keuken.
+
+"Ik begrijp niet waarom meester nog meer negers noodig heeft," zeide
+Dina, het nieuwkoopje lang niet vriendelijk aanziende. "Ik wil haar
+niet in den weg hebben; dat weet ik wel."
+
+"En laat zij mij ook maar uit den weg blijven," zeiden Jane en Rosa
+met diepe minachting. "Om wat reden in de wereld meester nog meer
+van die gemeene negers noodig heeft, kan ik niet zien."
+
+"Loopt heen! Niet meer negers dan gij zelven zijt, Miss Rosa," zeide
+Dina hierop, die in dit laatste gezegde iets beleedigends voor haar
+zelve vond. "Gij twee schijnt u zelven voor blanken te houden. Gij zijt
+niemendal, niet zwart en niet blank. Ik ben liever een van beiden."
+
+Ophelia zag wel dat er niemand was die voor het reinigen en kleeden van
+het nieuwkoopje zou willen zorgen; zij was dus genoodzaakt dit zelve
+te doen, met eenige zeer onwillige en onvriendelijke hulp van Jane.
+
+Het zou niet voegen, beschaafde ooren de bijzonderheden van het
+eerste toilet der mishandelde en verwaarloosde kleine te laten
+hooren. Duizenden van menschelijke wezens moeten in deze wereld leven
+en sterven in een staat, waarvan de beschrijving alleen de zenuwen
+hunner medestervelingen te grooten schok zou geven. Miss Ophelia
+bezat eene goede portie bruikbare zelfverloochening, en verrichtte
+al het walgelijke harer taak met heldhaftige zorgvuldigheid, hoewel,
+dit moet men ook zeggen, met geene groote vriendelijkheid--want
+lijdzame volharding was het uiterste, waartoe haar plichtbesef haar
+brengen kon. Toen zij echter op den rug van het kind groote striemen en
+vereelte plekken zag, onuitwischbare teekenen van het stelsel waaronder
+het tot dusverre was opgegroeid, werd haar hart week in haar binnenste.
+
+"Ziedaar!" zeide Jane, naar die litteekens wijzende. "Ziet men daaraan
+al niet welk een kataas zij is! Wij zullen wat met haar te stellen
+hebben, dat begrijp ik al. Ik heb een hekel aan zulke misselijke
+"negerjongen!" Ik weet niet waarom meester dit gekocht heeft."
+
+Het bedoelde "negerjong" hoorde deze regelen aan met het treurig
+ootmoedige gezicht, dat haar tot eene gewoonte scheen te zijn geworden,
+en keek slechts nu en dan tersluiks met hare flikkerende oogen naar de
+sieraden, die Jane in hare ooren droeg. Toen zij eindelijk voegzaam
+was gekleed en hare haren kort afgeknipt waren, zeide Ophelia met
+zekere tevredenheid, dat zij er nu wat christelijker uitzag, en begon
+terstond te denken over de beste manier om haar te onderrichten.
+
+Zich voor het kind nederzettende, begon zij het te ondervragen.
+
+"Hoe oud zijt ge, Topsy?'
+
+"Weet niet, Juffrouw," antwoordde de kleine, met een grijns die al
+hare tanden liet zien.
+
+"Weet ge niet hoe oud ge zijt? Heeft niemand u dat ooit gezegd? Wie
+was uwe moeder?"
+
+"Nooit eene gehad," antwoordde het kind wederom grijnzende.
+
+"Nooit eene moeder gehad! Wat meent ge daarmede? Waar zijt ge dan
+geboren?"
+
+"Ben nooit geboren," antwoordde Topsy nu met zulk een akeligen,
+spookachtigen grijns, dat Ophelia, indien zij bijgeloovig en
+zenuwachtig was geweest, zich wel had kunnen verbeelden dat zij een
+zwart kabouterkind uit een andere wereld voor zich had; doch Ophelia
+was noch bijgeloovig, noch zenuwachtig, maar wel voortvarend en
+tamelijk kort van stof, en zeide dus eenigszins barsch:
+
+"Gij moet mij zoo geen antwoord geven, kind. Ik steek er den gek niet
+mee. Zeg mij waar gij geboren zijt, en wie uw vader en moeder waren."
+
+"Ben nooit geboren," herhaalde het kind met nadruk, "heb nooit een
+vader of moeder of iets gehad. Ik ben grootgebracht door een speculant,
+met een troep anderen. Oude Tante Sue placht op ons te passen."
+
+Het kind sprak blijkbaar oprecht, en Jane zeide nu met een schamperen
+lach:
+
+"Och Juffrouw, zoo zijn er hoopen. Speculanten koopen ze goedkoop
+als ze klein zijn, en brengen ze groot voor de markt."
+
+"Hoelang zijt ge bij uwen laatsten meester geweest?"
+
+"Weet niet, Juffrouw."
+
+"Is het een jaar, of langer of korter?"
+
+"Weet niet, Juffrouw."
+
+"Och, Juffrouw, die gemeene negers kunnen dat niet zeggen, zij weten
+van geen tijd," zeide Jane nu weder. "Zij weten niet wat een jaar is,
+of hoe oud zij zijn."
+
+"Hebt gij nooit iets van God gehoord, Topsy?"
+
+Het kind keek verbijsterd, maar grijnsde volgens gewoonte.
+
+"Weet gij niet wie uw maker is?"
+
+"Niemand, zooveel ik weet," antwoordde het meisje met een lach.
+
+Zij scheen dien inval tamelijk grappig te vinden, want hare oogen
+flikkerden, en zij vervolgde:
+
+"Ik denk dat ik gegroeid ben. Ik denk niet dat iemand mij gemaakt
+heeft."
+
+"Kunt gij naaien?" zeide Ophelia nu, meenende dat het best zou zijn
+hare vragen tot meer tastbare onderwerpen te beperken.
+
+"Neen, Juffrouw."
+
+"Wat kunt gij dan doen? Wat hebt gij voor uwen meester gedaan?"
+
+"Water gehaald, borden gewasschen, messen geslepen en de menschen
+bediend."
+
+"Waren uw meester en uw meesteres goed voor u?"
+
+"Denk wel van ja," antwoordde het kind, Ophelia wantrouwig aanziende.
+
+Ophelia liet het gesprek steken en stond op. St. Clare was achter
+haar gekomen.
+
+"Gij zult daar maagdelijken grond vinden, Nicht, om uwe denkbeelden
+in te planten--gij zult er niet veel vinden die gij behoeft uit te
+roeien," zeide hij.
+
+Ophelia's denkbeelden over de opvoeding waren, evenals al hare andere
+denkbeelden, zeer bepaald en stellig. Over het geheel strookten zij met
+die, welke honderd jaren geleden in Nieuw-Engeland in zwang waren en op
+sommige afgelegen, onbedorven plekken, waar geene spoorwegen zijn, nog
+bewaard worden. In zooverre zij onder woorden te brengen waren, kon dit
+met weinige woorden geschieden: de meisjes te leeren opletten als haar
+iets gezegd werd; ze den catechismus, naaien en lezen te leeren, en ze
+de roede te geven als zij jokten; en hoewel men natuurlijk, bij den
+vloed van licht die tegenwoordig de opvoedkunde beschijnt, thans ver
+daar bovenuit is, kan men toch niet ontkennen, dat onze grootmoeders
+onder dit _régime_ eenige tamelijk knappe mannen en vrouwen hebben
+grootgebracht. Hoe dit ook zij, Miss Ophelia wist van niets anders,
+en nam dus haar heidinnetje op die manier met allen ijver onderhanden.
+
+Het kind werd in het huishouden als hare meid beschouwd, en daar
+het in de keuken met geene gunstige oogen werd aangezien, besloot
+Ophelia haar kring van werkzaamheden en onderricht hoofdzakelijk
+tot hare eigene kamer te beperken. Met eene zelfopoffering, welke
+sommigen onzer lezeressen zullen weten te waardeeren, besloot zij, in
+plaats van gerust haar eigen bed op te maken en hare eigene kamer te
+stoffen--gelijk zij tot nog toe, met afwijzing van alle aangeboden
+hulp der kamermeid van het huis, had gedaan--zich zelve tot het
+martelaarschap te veroordeelen om Topsy in deze werkzaamheden te
+onderrichten. Ontzettend besluit! Heeft iemand van onze lezeressen ooit
+hetzelfde gedaan, dan zal zij de mate van Ophelia's zelfverloochening
+wel kunnen beseffen.
+
+Miss Ophelia begon met Topsy op den eersten morgen naar hare kamer mede
+te nemen, en deftig eene eerste les in de kunst van het bed-opmaken
+te geven.
+
+Ziedaar dan Topsy, gewasschen en van al die gevlochten staartjes
+beroofd, waarop zij zoo grootsch was, in eene schoone jurk gekleed
+en met een welgesteven schortje voor, eerbiedig voor hare meesteres
+staande, met een gezicht zoo ernstig alsof zij te begraven zou gaan.
+
+"Nu, Topsy, zal ik u wijzen hoe mijn bed wordt opgemaakt. Ik ben
+zeer keurig op mijn bed en gij moet precies leeren hoe het gedaan
+moet worden."
+
+"Ja, Juffrouw!" antwoordde Topsy nu, met een zwaren zucht en een
+jammerlijk doch zeer ernstig gezicht.
+
+"Zie dan, Topsy, dat is de zoom van het laken--dit is de rechte kant
+van het laken, en dit is de verkeerde. Zult gij dat onthouden?"
+
+"Ja, Juffrouw!" antwoordde Topsy met nog een zucht.
+
+"Welnu, het onderlaken moet gij over de peluw leggen--zóó, en glad
+onder de matras steken--zóó. Ziet ge wel?"
+
+"Ja, Juffrouw!" antwoordde Topsy met ingespannen aandacht.
+
+"Maar het bovenlaken," vervolgde Ophelia, "moet zóó worden gelegd,
+en glad en vast aan het voeteneinde worden ingestopt--zóó--de smalle
+zoom aan het voeteneinde."
+
+"Ja, Juffrouw," antwoordde Topsy, evenals te voren; maar wij moeten
+er bijvoegen dat Miss Ophelia niet zag, dat, terwijl de meesteres zich
+omkeerde, de jeugdige leerling een paar handschoenen en een eind lint
+had weggekaapt en behendig in hare mouwen gestopt, waarna zij weder
+met ootmoedig gevouwen handen bleef staan.
+
+"Komaan dan, Topsy, laat ik het u nu eens zien doen," zeide Ophelia,
+trok de lakens weder van het bed en zette zich neer.
+
+Met grooten ijver en even groote behendigheid maakte Topsy de
+exercitie, tot Ophelia's volkomen tevredenheid; zij legde de lakens
+behoorlijk te recht, streek elk rimpeltje glad, vertoonde bij dat alles
+eene ernstigheid, waardoor hare onderwijzeres zeer gesticht werd. Maar
+juist toen zij haast gedaan had, kwam door eene ongelukkige beweging
+een eindje van het lint uit hare mouw kijken en viel Ophelia in het
+oog. Dadelijk schoot zij er op toe.
+
+"Wat is dat?" zeide zij. "Gij ondeugend, goddeloos kind, dat hebt
+gij gestolen!"
+
+Het lint werd uit Topsy's mouw gehaald en toch werd de kleine niet
+het minste verlegen. Zij keek het aan met een gezicht vol onschuldige
+verbazing.
+
+"Wel! Dat is een lint van Juffrouw Phelia--is het niet? Hoe kan dat
+in mijne mouw komen?"
+
+"Jok maar niet, gij ondeugende meid. Gij hebt het gestolen."
+
+"O, Juffrouw, ik wil zweren van neen. Ik heb het nooit gezien dan nu
+op het oogenblik."
+
+"Topsy," zeide Ophelia, "weet gij niet dat het liegen goddeloos is?"
+
+"Ik lieg nooit, Juffrouw Phelia," antwoordde Topsy met den ernst
+der onschuld. "Het is zuivere waarheid wat ik u gezegd heb en niets
+anders."
+
+"Topsy, ik zal de roe moeten krijgen als gij zoo liegt."
+
+"O Juffrouw, al woudt ge mij den heelen dag slaan, ik kan toch niet
+anders zeggen," antwoordde Topsy, nu huilende. "Ik heb het daar nooit
+gezien; het moet vanzelf in mijne mouw zijn gekomen. Juffrouw Phelia
+zal het op het bed hebben gelaten, en zoo is het in de lakens gekomen,
+en zoo in mijne mouw geraakt."
+
+Ophelia was zoo verontwaardigd over dit onbeschaamde liegen, dat zij
+het kind bij de schouders greep en heftig schudde.
+
+"Zeg mij dat niet nog eens!"
+
+Het schudden deed de handschoenen uit de andere mouw op den grond
+vallen.
+
+"Daar, gij--!" zeide Ophelia. "Zult ge mij nu nog zeggen dat gij het
+lint niet gestolen hebt?"
+
+Topsy bekende zich nu schuldig aan de handschoenen maar wilde nog
+niets van het lint weten.
+
+"Als gij nu maar alles bekent, Topsy," zeide Ophelia, "dan zult gij
+voor dezen keer geen slaag krijgen."
+
+Aldus toegesproken, beleed Topsy het stelen van het lint en de
+handschoenen, met jammerende betuigingen van boetvaardig berouw.
+
+"En zeg mij nog meer. Ik begrijp wel, dat gij nog andere dingen moet
+weggenomen hebben, sedert gij in huis zijt, want ik heb u gisteren
+den geheelen dag laten rondloopen."
+
+"Och, Juffrouw, ik heb dat roode dingetje van Jongejuffrouw Eva,
+dat zij om haar hals heeft."
+
+"Hebt gij dat gedaan, ondeugend kind! Nu, en wat meer?"
+
+"Ik heb Rosa's oorbellen genomen--die roode."
+
+"Ga terstond alles hier halen."
+
+"Och, lieve Juffrouw, ik kan niet--het is verbrand."
+
+"Verbrand! Welk een verzinsel!--Breng alles hier, of ge zult slaag
+hebben."
+
+Met luide betuigingen, tranen en zuchten verklaarde Topsy dat zij
+dit niet doen kon. "Alles was verbrand--dat was het."
+
+"En waarom hebt gij dat goed verbrand?" zeide Ophelia.
+
+Juist op dat oogenblik kwam Eva zonder van iets te weten de kamer in,
+met het koralen kettinkje om den hals.
+
+"Wel, Eva, hoe hebt gij dit kettinkje weergekregen?" zeide Ophelia.
+
+"Weergekregen?" zeide Eva. "Ik heb het den geheelen nacht omgehad. Ik
+vergat het af te doen, toen ik naar bed ging."
+
+Ophelia keek geheel en al verbijsterd, des te meer daar Rosa een
+oogenblik later binnenkwam, met een mandje pas gestreken goed in
+balans op haar hoofd en de bewuste bellen in hare ooren.
+
+"Ik begrijp volstrekt niet meer hoe ik met dit kind aanmoet," zeide
+zij wanhopig. "Waarom hebt gij mij gezegd, dat gij die dingen hadt
+weggenomen, Topsy?"
+
+"Wel, Juffrouw," antwoordde Topsy, "omdat ik bekennen moest, en ik
+kon niets anders bedenken om te bekennen."
+
+"Maar ik wilde natuurlijk niet dat gij die dingen bekennen zoudt,
+die gij niet gedaan hadt," zeide Ophelia; "dat is evengoed liegen
+als het andere."
+
+"Och, er is geen waarheid uit die meid te krijgen," zeide Rosa,
+haar met verontwaardiging aanziende. "Als ik Mijnheer St. Clare was,
+zou ik haar laten geeselen tot het bloed er bij neerliep. Ik zou haar
+in eens genoeg geven."
+
+"Neen, neen, Rosa," zeide Eva hierop, met de gebiedende houding,
+welke het kind somtijds kon aannemen. "Gij moet zoo niet spreken. Dat
+kan ik niet hooren."
+
+"Och, Jongejuffrouw Eva, gij zijt al te goed; gij weet niet hoe men
+met negers moet omgaan. Er zit niets op dan ze goed af te zweepen,
+dat zeg ik u."
+
+"Stil, Rosa; laat mij geen woord meer zoo hooren," zeide Eva, met
+flikkerende oogen en een hoogere kleur op de wangen.
+
+Rosa was terstond uit het veld geslagen.
+
+"Zij heeft het echte bloed der St. Clare's, dat is duidelijk. Zij
+kan eveneens spreken als haar papa," prevelde zij, de kamer uitgaande.
+
+Eva bleef Topsy aanzien.
+
+Daar stonden de twee kinderen, die de uitersten der maatschappij
+vertegenwoordigden. Het blanke, beschaafde, welopgevoede kind,
+met hare gouden lokken, haar zielvolle oogen, haar edel voorhoofd
+en vorstelijke houding, en hare zwarte, doortrapte, kruipende, maar
+toch schandere geburin. Daar stonden zij, elk als vertegenwoordigster
+van haren stam; de Sakser, uit eeuwen van beschaving, heerschappij,
+opvoeding, lichamelijke en zedelijke meerderheid gesproten; de
+Afrikaan, uit eeuwen van onderdrukking, slavernij, onkunde, arbeid
+en ondeugd geboren.
+
+Dergelijke gedachten vlogen Eva misschien door het hoofd. Maar
+de gedachten van een kind zijn veeleer flauwe, onduidelijke
+gewaarwordingen, en in Eva's edel gemoed lagen vele van dien aard
+verscholen, waaraan zij geene woorden kon geven. Toen Ophelia over
+Topsy's slechtheid en goddeloosheid uitweidde, keek Eva verbijsterd
+en droevig, en eindelijk zeide zij vriendelijk:
+
+"Arme Topsy, wat behoeft gij te stelen? Er zal nu goed voor u gezorgd
+worden, en ik wil u liever alles van mij geven dan dat gij het van
+mij steelt."
+
+Dit waren de eerste vriendelijke woorden, die het negerkind ooit in
+haar leven had gehoord; de zachte toon maakte een vreemden indruk op
+het wilde, ruwe hart, en iets dat naar een traan geleek blonk in de
+ronde, glinsterende oogen, maar werd terstond door een korten lach
+en den gewonen grijns gevolgd. Het oor, dat nooit iets anders dan
+scheldwoorden heeft gehoord, is verbazend ongeloovig voor iets dat
+zoo hemelsch is als vriendelijke goedheid; en Topsy vond Eva's gezegde
+alleen iets grappigs en onverklaarbaars, maar zij geloofde er niet aan.
+
+Doch wat moest er met Topsy gedaan worden? Ophelia vond de zaak
+bedenkelijk; hare regelen van opvoeding schenen hier van geene
+toepassing te kunnen zijn. Zij wilde tijd nemen om er over te denken,
+en om tijd te winnen, en tevens met zeker vertrouwen op de zedelijke
+kracht, welke men aan donkere kasten toeschrijft, sloot zij Topsy
+in zulk een donkere kast op, tot zij het met zich zelve eens zou
+zijn geworden.
+
+"Ik begrijp niet," zeide zij tot St. Clare, "hoe ik met dat kind zal
+te recht komen zonder haar slaag te geven."
+
+"Wel, geef haar dan slaag naar hartelust. Ik laat u de volle macht
+om te doen wat gij wilt."
+
+"Kinderen moeten altijd slaag hebben," hervatte Ophelia. "Ik heb
+nooit gehoord dat iemand er een zonder slaag had grootgebracht."
+
+"Doe wat u het best voorkomt," antwoordde St. Clare, "maar laat ik
+ééne aanmerking mogen maken. Ik heb dit kind zien slaag geven met
+pook, tang of aschschop, wat maar het eerst ter hand kwam, en daar
+zij aan die manier van doen gewoon is, zal uw "slaag geven" tamelijk
+krachtig moeten zijn, om veel indruk te maken."
+
+"Wat is er dan aan te doen?" vroeg Ophelia.
+
+"Daar hebt gij een ernstige vraag opgeworpen, die ik wel wenschte
+door u beantwoord te zien," antwoordde St. Clare. "Wat is er te doen
+met een menschelijk wezen, dat alleen door de zweep kan geregeerd
+worden, wanneer de zweep niet meer baat?--een zeer gewone staat van
+zaken hier."
+
+"Ik moet zeggen dat ik het niet weet, en dat ik nog nooit zulk een
+kind gezien heb."
+
+"Zulke kinderen zijn zeer gewoon bij ons, en zulke mannen en vrouwen
+ook. Hoe moeten zij geregeerd worden?" zeide St. Clare.
+
+"Het is waarlijk meer dan ik zeggen kan," antwoordde Ophelia.
+
+"Ik weet het ook niet," hervatte St. Clare. "De afschuwelijke
+wreedheden, die nu en dan in de couranten komen--gelijk dat geval
+van Prue bij voorbeeld--waaruit ontstaan zij? In vele gevallen uit
+eene langzame verharding aan beide zijden, daar de meester hoe langer
+hoe wreeder wordt, naarmate de slaaf harder wordt. Slagen en kwade
+woorden gelijken naar opium; men moet de dosis vergrooten, naarmate het
+gevoel afslijt. Ik zag dit zeer spoedig, toen ik slaveneigenaar was
+geworden, en ik nam mij voor om nooit te beginnen, omdat ik dan niet
+wist, waar ik zou moeten ophouden; ik besloot ten minste mijn eigen
+zedelijk karakter te beschermen. Het gevolg is, dat mijne bedienden
+zich gedragen als bedorven kinderen; maar ik acht dit beter dan dat
+wij beiden gebrutaliseerd worden. Gij hebt veel gesproken, Nicht,
+over onze verantwoordelijkheid om onze slaven op te voeden, en ik
+wenschte inderdaad dat gij het eens woudt beproeven met één kind,
+dat een staaltje is van duizenden onder ons."
+
+"Het is uw stelsel, dat zulke kinderen maakt," zeide Ophelia.
+
+"Dat weet ik wel; maar zij zijn nu gemaakt--zij bestaan, en wat is
+er nu met hen te doen?"
+
+"Wel, ik kan niet zeggen dat ik u dankbaar ben voor die
+proefneming. Maar daar het een plicht schijnt te zijn, zal ik volharden
+en mijn best doen," zeide Ophelia, en deed ook verder haar best
+met hoogst loffelijken ijver, en stipte nauwgezetheid. Zij bepaalde
+geregelde uren van onderricht en werken voor Topsy, en ondernam ook
+haar te leeren lezen en naaien.
+
+In de eerste kunst vorderde het meisje vlug genoeg. Zij leerde de
+letters als door tooverij en was spoedig in staat om een eenvoudig
+boek te lezen; maar met het naaien was de zaak moeielijker. Het
+schepseltje was zoo vlug als eene kat, en het stilzitten was haar
+allerhatelijkst. Zij brak dus telkens hare naalden, wierp ze stil het
+venster uit of in een donkeren hoek; en zij maakte haar garen vuil,
+of maakte behendig een geheele streng weg. Hare bewegingen waren
+zoo snel, als die van een goochelaar, en zij kon haar gezicht ook
+evengoed in bedwang houden, zoodat Ophelia, hoewel zij niet nalaten
+kon te vermoeden, dat zoovele ongelukken achtereen niet bij toeval
+konden gebeuren, haar toch niet betrappen kon, of zij had tot eene
+waakzaamheid moeten besluiten, die haar tot niets anders tijd zou
+hebben gelaten.
+
+In huis was Topsy spoedig een gewichtig persoontje. Haar talent
+voor allerlei soorten van potsen, grimassen en kuren--voor het
+dansen, buitelen, klauteren, zingen, fluiten en nabootsen van
+allerlei geluiden--scheen onuitputtelijk te zijn. In hare speeluren
+had zij altijd al de andere kinderen van het huis om zich heen,
+die haar met verbazing en bewondering aangaapten, zelfs de kleine
+Eva niet uitgezonderd, die door hare wilde kuren scheen te worden
+aangelokt, gelijk eene duif somtijds door eene glinsterende slang
+wordt bekoord. Ophelia maakte er zich ongerust over, dat Eva zooveel
+behagen had in Topsy's gezelschap, en drong er bij St. Clare op aan
+om zijn dochtertje dit te verbieden.
+
+"Och, laat het kind maar begaan," zeide St. Clare. "Topsy's gezelschap
+zal haar goeddoen."
+
+"Maar zulk een ondeugend kind! Zijt ge niet bang dat zij haar kwaad
+zal leeren?"
+
+"Zij kan haar geen kwaad leeren. Andere kinderen mag zij het kunnen
+doen, maar het kwaad loopt langs Eva's gemoed af, gelijk de dauw van
+een koolblad--geen droppel trekt er in."
+
+"Wees maar niet al te gerust," zeide Ophelia. "Ik weet wel dat ik
+nooit een kind van mij met Topsy zou laten spelen."
+
+"Wel, uwe kinderen behoeven dit niet," antwoordde St. Clare, "maar
+het mijne mag wel. Als Eva bedorven had kunnen worden, zou het al
+voor jaren gebeurd zijn."
+
+Topsy werd door de hoogere bedienden eerst veracht en gesmaad; maar
+weldra vonden zij reden om van meening te veranderen. Men ontdekte
+zeer spoedig dat wie Topsy eenige minachting toonde, zeker was kort
+daarop door eene of andere onaangenaamheid te worden getroffen--een of
+ander geliefkoosd sieraad werd vermist, of een voorwerp van kleeding
+geheel bedorven gevonden, of de schuldige struikelde ongelukkig over
+een emmer heet water, of een stortbui van gootwater overstelpte hem
+op eene onverklaarbare manier, als hij juist in staatsie gekleed was;
+en als men bij zulke gelegenheden onderzoek deed, kon de oorzaak van
+het gebeurde nooit ontdekt worden. Topsy werd er voor gehouden, en
+dikwijls voor alle gezagvoerende personen ter verantwoording geroepen,
+maar altijd stond zij haar verhoor met stichtelijke onnoozelheid
+door. Niemand twijfelde er aan wie al dat kattekwaad uitrichtte,
+maar geen schijn van bewijs kon ooit gevonden worden ter bevestiging
+van het vermoeden, en Ophelia was te rechtvaardig om zonder bewijs
+te willen straffen.
+
+Daarbij kwam dat de tijd voor dat kattekwaad altijd zoo gekozen was,
+dat de schuldige daardoor nog meer werd beschermd. Zoo werd om op
+Rosa en Jane, de twee kamermeiden, wraak te nemen, altijd een tijd
+gekozen, wanneer zij, gelijk niet zelden gebeurde, bij hare meesteres
+in ongenade waren, en dan vonden hare klachten natuurlijk geen
+gehoor. Kortom, Topsy deed het huishouden spoedig begrijpen, dat het
+raadzaam was haar met vrede te laten, en men liet haar dus met vrede.
+
+Topsy was handig in alles wat met handen kon gedaan worden, en leerde
+alles wat men haar voordeed met verbazende vlugheid. In weinige
+lessen had zij Ophelia's kamer in orde leeren brengen op eene manier,
+waarop zelfs deze keurige dame niets kon aanmerken. Niemand kon beter
+het bed opmaken, de kamer stoffen, en alles ordelijker opruimen dan
+Topsy, wanneer zij dit verkoos--maar zeer dikwijls verkoos zij het
+niet. Wanneer Ophelia, na drie of vier dagen achtereen alles zorgvuldig
+te hebben nagezien, zich verbeeldde dat Topsy zich eindelijk hare
+manieren had aangewend en nu zonder toezicht haar gang kon gaan, zoodat
+zij in dien tijd iets anders kon gaan doen, hield Topsy een of twee
+uren lang een carnaval op hare eigene manier. In plaats van het bed op
+te maken, trok zij de kussensloopen er af, en liep met haar kroeskop
+storm op de kussens, tot zij somtijds overal met veeren was versierd,
+die haar in het haar waren blijven zitten; zij klom tegen de stijlen
+van het ledikant op en liet zich met het hoofd omlaag van den hemel
+afhangen; zij spreidde lakens en dekens over den vloer uit, kleedde
+de peluw in Miss Ophelia's nachtgoed en speelde daarmede eene soort
+comedie, zingende, fluitende en in den spiegel grimassen makende; zij
+maakte kortom, gelijk Ophelia het uitdrukte, een beestachtigen boel.
+
+Eens vond zij Topsy met haar beste krippen sjaaltje als een tulband
+om het hoofd gewonden en zoo voor den spiegel repetitie houdende,
+daar Ophelia, met eene bij haar voorbeeldelooze onbedachtzaamheid,
+den sleutel op eene lade had laten steken.
+
+"Topsy," zeide zij dan wel eens, als haar geduld ten einde was,
+"waarom doet gij dit toch?"
+
+"Weet niet, Juffrouw--ik denk omdat ik zoo ondeugend ben."
+
+"Ik weet geheel niet meer wat ik met u doen zal, Topsy."
+
+"Och, Juffrouw, gij moet me slaag geven. Mijne oude meesteres gaf mij
+altijd slaag. Ik ben niet gewoon te werken als ik geen slaag krijg."
+
+"Maar ik wil geen slaag geven, Topsy. Gij kunt heel goed uw werk doen,
+als gij maar wilt. Waarom wilt gij dan niet?"
+
+"Och, Juffrouw, ik ben gewoon aan slaag. Ik geloof dat het goed voor
+mij is."
+
+Ophelia beproefde het recept, en Topsy maakte altijd eene geweldige
+opschudding, gillende, kermende en jammerende; hoewel zij een half uur
+later, als zij onder "het jonge goed" zat, met de ontvangen kastijding
+den gek stak.
+
+"Och, Miss Phelia slaag geven! Haar slaan zou geen vlieg doodslaan. Zij
+had eens moeten zien, hoe mijne oude meesteres er de lappen deed
+afvliegen; die kon anders slaag geven!"
+
+Topsy roemde altijd op hare zonden en misdrijven, en hield deze
+blijkbaar voor iets, dat haar eene bijzondere onderscheiding verleende.
+
+"Gij negers," zeide zij wel eens tot hare toehoorders, "weet gij wel
+dat gij allen zondaars zijt? Ja, dat zijt gij, allemaal, een voor
+een. En de blanken zijn ook zondaars--dat zegt Miss Phelia; maar ik
+geloof dat negers toch de grootste zijn--en, och, gij allemaal haalt
+nog niet bij mij. Ik ben zoo geducht ondeugend, dat niemand iets met
+mij kan uitrichten. Ik placht mijne oude meesteres den halven dag op
+mij aan het vloeken te houden. Ik denk wel dat ik het ondeugendste
+schepsel op de wereld ben."
+
+En dan maakte zij een luchtsprong en klauterde nog hooger op een hek
+of boom, blijkbaar grootsch op hare onderscheiding.
+
+Ophelia maakte er des Zondags ernstig werk van om Topsy den catechismus
+te laten leeren. Topsy had een buitengemeen goed geheugen voor woorden,
+en leerde met eene vlugheid van buiten, waardoor hare onderwijzeres
+zeer werd aangemoedigd.
+
+"Welk goed denkt gij toch dat dit haar doen zal?" zeide St. Clare eens.
+
+"Wel, het heeft kinderen altijd goed gedaan. Het is iets dat kinderen
+behooren te leeren," antwoordde Ophelia.
+
+"Of zij het verstaan of niet?" zeide St. Clare.
+
+"O, kinderen verstaan het nooit op dien tijd; maar als zij groot
+worden, leeren zij er waarde aan hechten."
+
+"Ik heb dat nog niet geleerd," zeide St. Clare, "hoewel ik getuigen
+kan, dat gij mij dat alles trouw hebt ingeprent, toen ik een kleine
+jongen was."
+
+"Ja, gij hebt altijd goed geleerd, Augustine. Ik placht groote hoop
+van u te hebben," zeide Ophelia.
+
+"En hebt gij die nu niet meer?"
+
+"Ik wenschte dat gij nog waart wat gij als kind geweest zijt,
+Augustine."
+
+"Dat wenschte ik waarlijk ook, Nicht," zeide St. Clare. "Nu, ga maar
+voort en leer Topsy den catechismus. Misschien zult gij nog iets van
+haar maken."
+
+Topsy, die onder dit gesprek met ootmoedig gevouwen handen als
+een zwart standbeeld was blijven staan vervolgde nu op een wenk
+van Ophelia:
+
+"Onze eerste ouders, overgelaten zijnde aan de vrijheid van hunnen
+eigen wil, vielen uit den staat waarin zij geschapen waren."
+
+Topsy's oogen flikkerden en zij zag Ophelia vragend aan.
+
+"Wat is er?" zeide deze.
+
+"Als je blieft, Juffrouw, was dat de staat Kentucky?"
+
+"Welke staat, Topsy?"
+
+"Die staat waaruit zij vielen. Ik placht meester te hooren zeggen,
+dat wij uit Kentucky gekomen waren."
+
+St. Clare lachte.
+
+"Gij zult haar eene meening moeten geven, of zij zal er eene maken,"
+zeide hij. "Er schijnt hier van eene theorie van volksverhuizing
+gesproken te worden."
+
+"O, Augustine, zwijg toch!" zeide Ophelia. "Hoe kan ik iets doen als
+gij er om lacht."
+
+"Welnu, ik zal uwe lessen niet meer storen, dat beloof ik u,"
+zeide St. Clare en ging met zijne courant naar het venster, waar
+hij bleef zitten tot Topsy hare lessen had opgezegd. Dit ging alles
+zeer wel, behalve dat zij nu en dan eenige gewichtige woorden op
+eene wonderlijke manier verplaatste en bij die verkeerde lezingen
+bleef, in spijt van alle pogingen om haar beter te leeren. Ondanks
+zijne belofte, kon St. Clare niet nalaten in deze vergissingen een
+ondeugend vermaak te stellen, en somtijds Topsy bij zich te roepen,
+om haar, in spijt van Ophelia's tegenstribbelen, de aanstootelijkste
+plaatsen nog eens te laten herhalen.
+
+"Hoe denkt gij, dat ik iets met het kind doen kan, als gij zoo wilt
+voortgaan, Augustine?" zeide zij dan.
+
+"Ja, het is te erg, ik zal het niet weer doen. Maar ik hoor zoo graag
+zulk een koddig klein ding over die groote woorden struikelen."
+
+"Maar gij bevestigt haar dan in de verkeerde manier."
+
+"En wat verscheelt dat? Het eene woord is voor haar evengoed als
+het andere."
+
+"Gij wilt, dat ik haar goed zal opbrengen; en gij behoort te bedenken,
+dat zij een redelijk wezen is, en tevens toe te zien welken invloed
+gij op haar uitoefent."
+
+"Akelige ernstigheid! Dat behoorde ik ook. Maar gelijk Topsy zelve
+zegt: 'Ik ben zoo ondeugend.'"
+
+Ongeveer op dezelfde wijs werd Topsy's opvoeding een paar jaren
+voortgezet. Ophelia liet zich dagelijks door haar kwellen, als door
+eene soort van slepende kwaal, aan welker overlast zij door den
+tijd gewoon werd, evenals menschen somtijds aan hoofdpijn of iets
+anders gewoon worden. St. Clare had in het kind dezelfde soort van
+vermaak, als een ander somtijds in potsen van een hond of papegaai
+heeft. Wanneer Topsy door hare zonden elders in ongenade viel,
+nam zij altijd de wijk achter zijnen stoel en dan maakte St. Clare
+op een of andere manier vrede voor haar. Van hem kreeg zij dikwijls
+wat klein geld, dat zij aan noten en kandijklontjes besteedde, welke
+zij met zorgelooze mildheid aan al de kinderen in huis uitdeelde,
+want Topsy, om haar recht te doen, was goedhartig en vrijgevig, en
+alleen uit zelfverdediging boosaardig. Zij is nu voorgoed onder ons
+_corps de ballet_ opgenomen en zal van tijd tot tijd op hare beurt
+onder de anderen vertooners figureeren.
+
+
+
+
+
+EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+KENTUCKY.
+
+
+Onze lezers zullen wel niet ongenegen zijn om nog eens voor een korten
+tijd de woning van Oom Tom op het landgoed in Kentucky te bezoeken,
+en te zien wat er is omgegaan onder hen, die hij heeft achtergelaten.
+
+Het was laat in den zomernamiddag, en de deuren en venters der
+ruime voorkamer stonden alle open, om ieder zwervend koeltje, dat
+zoo goed mocht willen zijn om binnen te komen, den vrijen toegang
+te laten. Mr. Shelby zat in het ruime voorhuis, dat aan de kamer
+grensde, en dat verder door het geheele huis doorloopende aan beide
+einden op een balkon uitkwam. Op zijn gemak achterover op een stoel
+leunende met de voeten op een anderen, rookte hij na den maaltijd
+een sigaar. Mevrouw Shelby zat in de deur, bezig met fijn naaiwerk;
+en haar gezicht stond als dat van iemand, die iets op het gemoed
+heeft en gelegenheid zoekt om daarvan te spreken.
+
+"Weet ge al," zeide zij eindelijk, "dat Chloe een brief van Tom
+heeft gekregen?"
+
+"Zoo, heeft zij dat? Tom heeft daar een vriend gekregen, naar het
+schijnt. Hoe gaat het nu met hem?"
+
+"Hij is in eene zeer aanzienlijke familie gekomen, zou ik denken,
+wordt goed behandeld en heeft niet veel te doen."
+
+"Wel zoo, daar ben ik blij om, zeer blij," zeide Shelby hartelijk. "Tom
+zal, denk ik, nu wel met het Zuiden verzoend zijn, en niet eens
+verlangen om weer hier te komen."
+
+"Integendeel," antwoordde Mevrouw Shelby, "hij vraagt dringend wanneer
+er geld zal zijn om hem terug te koopen."
+
+"Ik moet zeggen, ik weet het niet," zeide Shelby. "Als eens iemands
+zaken verkeerd gaan loopen, schijnt er geen veranderen meer aan te
+zijn. Het is alsof men door een moeras gaande, van den eenen plas
+in den anderen springt; van den een leenen om den ander te betalen,
+en dan weer van den ander leenen om den eerste te betalen en dan
+die verduivelde wissels! die vervallen eer men tijd heeft om er
+aan te denken--en maanbrieven en maanboodschappen--altijd gejaagd
+en verlegen!"
+
+"Het komt mij toch voor, lieve, dat er iets zou kunnen gedaan worden,
+om de zaken in het effen te brengen. Als wij eens al de paarden en
+eene van de hoeven verkochten, en alle schulden afdeden."
+
+"O, belachelijk! Emily, gij zijt de knapste vrouw in Kentucky, maar
+gij hebt toch geen verstand genoeg om te weten dat ge geen begrip
+van zaken hebt; dat hebben vrouwen nooit en kunnen zij nooit."
+
+"Maar kondt ge mij ten minste niet eenig inzicht in de uwe
+geven?" hervatte Mevrouw Shelby;--"eene lijst van al uwe schulden
+ten minste, en van al wat men u schuldig is, en mij laten beproeven
+of ik u niet kan helpen bezuinigen?"
+
+"Och, plaag mij niet, Emily. Ik kan dat zoo niet recht zeggen. Ik weet
+wel nagenoeg hoe het waarschijnlijk loopen zal; maar ik kan mijne
+zaken niet zoo netjes afpassen, als Chloe hare taartkorst. Gij weet
+niet van handelszaken af, zeg ik u."
+
+En niet wetende hoe anders nadruk aan zijne woorden te geven, verhief
+Shelby zijne stem--een zeer gemakkelijk overtuigend bewijsmiddel,
+als iemand met zijne vrouw over geldzaken spreekt.
+
+Met iets dat naar een zucht geleek, staakte Mevrouw Shelby het
+gesprek. De zaak was, dat zij, hoewel zij gelijk haar man gezegd
+had een vrouw was, toch in helderheid van verstand en doorzicht, en
+in kracht van karakter haren man ver te boven ging, zoodat het niet
+zoo ongerijmd zou zijn geweest, als Mr. Shelby meende, indien men
+haar in staat had geacht om over handelszaken mede te spreken. Haar
+hart was er op gezet om hare belofte aan Tom en Chloe te vervullen,
+en zij zuchtte dewijl het uitzicht daarop gedurig flauwer werd.
+
+"Maar denkt gij niet, dat wij op eene of andere manier het geld konden
+opbrengen? Die arme Tante Chloe! Zij heeft er haar hart zoo op gezet."
+
+"Het spijt mij als het zoo is. Ik denk dat ik met die belofte wat
+haastig ben geweest. Ik twijfel er nu aan, of het niet best is dat
+maar aan Chloe te zeggen, zoodat zij er zich naar voegen kan. Tom
+zal over een jaar of twee wel eene andere vrouw hebben, en zij zou
+best doen, ook maar iemand anders te nemen."
+
+"Mijnheer Shelby! ik heb mijn onderhoorigen geleerd, dat het huwelijk
+voor hen even heilig is als voor ons. Ik zou er nooit aan kunnen
+denken om Chloe zulk een raad te geven."
+
+"Het is jammer vrouw, dat gij hen met eene moraliteit boven hunnen
+staat en hunne vooruitzichten hebt bezwaard. Dat heb ik altijd
+gevonden."
+
+"Het is niets anders dan de moraliteit van den Bijbel."
+
+"Och kom, Emily, ik wil uwe godsdienstige begrippen niet aantasten,
+maar zij komen mij alleen voor menschen in dien staat zeer ongeschikt
+voor."
+
+"Dat zijn zij ook inderdaad," zeide Mevrouw Shelby, "en daarom is
+het, dat ik de geheele slavernij van ganscher harte haat. Ik zeg u,
+lieve man, ik kan mij zelve niet vrijspreken van de belofte, die ik
+aan die arme menschen gegeven heb. Als ik het geld op geene andere
+manier kan bekomen, zal ik muzieklessen aannemen. Ik weet dat ik er
+genoeg zou kunnen krijgen en zoo zelve het geld verdienen."
+
+"Gij zoudt u toch zoo niet willen vernederen, Emily? Daarin zou ik
+nooit kunnen toestemmen."
+
+"Vernederen! Zou het mij meer vernederen dan mijn woord aan die arme
+lieden te breken? Neen, waarlijk niet."
+
+"Nu ja, gij zijt altijd heroïsch," zeide Shelby; "maar mij dunkt, gij
+moest toch liever nog eens nadenken, eer gij zulk eene Donquichoterie
+onderneemt."
+
+Hier werd het gesprek gestoord door de verschijning van Tante Chloe
+aan het eind der veranda.
+
+"Wel Chloe, wat is het?" zeide hare meesteres, opstaande en haar
+tegemoet gaande.
+
+"Ik wou vragen of Mevrouw eens naar de kippen wou komen zien."
+
+Mevrouw Shelby glimlachte toen zij zag met welk een ernstig gezicht
+Chloe haar eenige geslachte hoenders wees.
+
+"Ik had gedacht of Mevrouw een hoenderpastei daarvan wou gemaakt
+hebben."
+
+"Inderdaad, Tante Chloe; het kan mij niet veel schelen. Maak ze maar
+klaar zooals gij zelve wilt."
+
+Chloe bleef de hoenders verstrooid bekijken en betasten; het was
+duidelijk, dat zij niet aan dat gevogelte dacht. Eindelijk zeide
+zij, met dien korten lach, welken lieden van haren stand dikwijls
+tot inleiding van een voorstel bezigen, aan welks goede opname zij
+twijfelen:
+
+"Och, Mevrouw, wat zouden meester en mevrouw zich kwellen over het
+geld, en niet gebruiken wat zij zoo goed als in de handen hebben?" En
+Chloe lachte weder.
+
+"Ik begrijp u niet, Chloe," zeide Mevrouw Shelby, niet twijfelende of
+de negerin had het geheele gesprek tusschen haar en haren echtgenoot
+gehoord.
+
+"Wel, och, Mevrouw," zeide Chloe, alweder lachende, "andere menschen
+verhuren hunne negers en trekken daar geld van. Zij houden zulk een
+troep niet om hun de ooren van het hoofd te eten."
+
+"Wel, Chloe, wien denkt gij dan dat wij moesten verhuren?"
+
+"O, ik denk niets, maar Sam zeide dat er te Louisville een banketbakker
+was, die zeide dat hij iemand noodig had, die knap was voor koek-
+en pasteiwerk, en zeide dat hij vier dollars in de week voor zoo
+iemand zou willen geven--dat deed hij."
+
+"Welnu dan, Chloe."
+
+"Wel, Mevrouw, ik had gedacht dat het haast tijd werd om Sally hier aan
+het werk te zetten. Sally is nu al een heelen tijd onder mij geweest,
+en het meeste doet zij haast evengoed als ik; en als Mevrouw mij dan
+wilde laten gaan, zou ik helpen om het geld op te brengen. Ik ben
+niet bang om mijne koeken en pasteien naast die van een banketbakker
+te zetten."
+
+"Maar, Chloe, zoudt gij dan uwe kinderen willen verlaten?"
+
+"Och, Mevrouw, de jongens zijn groot genoeg om dagwerk te doen, met
+hen zal het wel schikken en Sally zal op het kleintje passen--het is
+zulk een schrander kind, dat men er haast niet naar behoeft te zien."
+
+"Louisville is tamelijk ver weg."
+
+"O, Mevrouw, wie is daar bang voor? Het is de rivier af, dichter
+bij mijn man misschien?" zeide Chloe vragenderwijs en daarbij hare
+meesteres aanziende.
+
+"Neen, Chloe, het is nog vele honderden mijlen van hem af."
+
+Chloe's gezicht betrok.
+
+"Maar laat dat u niet spijten. Dat gij daarheen gaat, zal u toch
+dichter bij hem brengen. Ja, gij kunt gaan, en uw loon zal tot den
+laatsten cent toe worden weggelegd, om uw man los te koopen."
+
+Evenals wanneer een heldere zonnestraal eene donkere wolk verzilvert,
+zoo helderde Chloe's gezicht dadelijk op; het blonk inderdaad.
+
+"O, als Mevrouw niet haast al te goed is! Dat was het juist, waaraan
+ik dacht; omdat ik dan geene kleeren of schoenen of iets zou noodig
+hebben. Ik zou elken cent kunnen bewaren. Hoeveel weken zijn er in
+het jaar, Mevrouw?"
+
+"Twee en vijftig."
+
+"Wel, zijn er zooveel? En vier dollars in elke week. Hoeveel zou dat
+wel wezen?"
+
+"Tweehonderd en acht dollars."
+
+"He!" zeide Chloe op een toon van verbazing en blijdschap. "En hoelang
+zou ik werk hebben om alles te verdienen, Mevrouw?"
+
+"Tusschen de vier en vijf jaren, Chloe. Maar gij behoeft alles niet
+alleen te doen; ik zal er ook wat bijleggen."
+
+"Neen, ik zou er niet van willen hooren, dat Mevrouw lessen gaf of
+zoo iets. Meester heeft daarin groot gelijk, dat zou geheel niet
+aangaan. Ik hoop dat niemand van de familie zoover komen zal, terwijl
+ik nog handen aan het lijf heb."
+
+"Wees maar niet bang, Chloe. Ik zal wel voor de eer der familie
+zorgen," antwoordde Mevrouw Shelby met een glimlach. "Maar wanneer
+zoudt gij denken te gaan?"
+
+"Wel, ik had niets gedacht; maar Sam gaat met eenige veulens naar
+de rivier en hij zeide dat ik met hem mee kon gaan, en zoo heb
+ik mijn goed maar bijeen gepakt. Als Mevrouw het goedvond, zou ik
+morgenochtend met Sam gaan, als Mevrouw een pas en recommandatie voor
+mij wilde schrijven."
+
+"Wel, Chloe, ik zal er om denken, als Mr. Shelby er niet tegen
+heeft. Ik moet er eerst met hem over spreken."
+
+Mevrouw Shelby ging naar boven, en Chloe liep vol blijdschap naar
+hare woning, om verdere toebereidselen te maken.
+
+"Wel, Jongeheer George, weet gij dan niet dat ik morgen naar Louisville
+ga?" zeide zij, toen George de hut binnenkwam en haar met de kleertjes
+van haar jongste kind bezig vond. "Ik moest dat goedje toch nog wat
+nazien. Maar ik ga, Jongeheer George, en ik zal vier dollars in de
+week krijgen, en Mevrouw zal alles bewaren, om mijn goeden man terug
+te koopen."
+
+"Hoezee!" riep George uit. "Dat is goed overlegd! En wanneer gaat gij?"
+
+"Morgen, met Sam. En nu, Jongeheer George, zult ge toch wel eens
+willen gaan zitten en een brief aan mijn goeden man schrijven en hem
+alles zeggen--wilt ge niet?"
+
+"Wel zeker," antwoordde George. "Oom Tom zal wel blij zijn, dat
+hij eens van ons hoort. Ik loop even naar huis om papier en inkt;
+en dan weet ge, Tante Chloe, kan ik hem meteen van de veulens en
+alles vertellen."
+
+"Zeker, zeker, jongeheer George. Loop nu maar heen; ik zal u
+ondertusschen een hoenderboutje of zoo wat klaar zetten; gij zult
+van uwe arme oude tante niet veel meer krijgen."
+
+
+
+
+
+TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+HET GRAS VERDORT--DE BLOEM VERWELKT.
+
+
+Het leven verloopt voor ons allen bij dagen, een voor een; en zoo
+verliep het ook voor onzen vriend Tom, totdat twee jaren voorbij
+waren. Hoewel gescheiden van alles wat zijne ziel dierbaar was, en
+hoewel dikwijls smachtende naar hetgeen buiten zijn bereik lag, voelde
+hij zich toch nooit geheel ongelukkig; want zoo rijk is de harp van
+het menschelijk gevoel besnaard, dat alleen een slag, die al de snaren
+doet springen, de harmonie kan bederven; en wanneer men terugziet
+op de dagen, die in het geheugen dagen van ontbering en beproeving
+schijnen te zijn, kan men zich herinneren dat ieder uur, terwijl het
+voorbijvlood, eenige verlichting en afleiding medebracht; zoodat wij,
+schoon niet geheel gelukkig, toch ook niet geheel ongelukkig waren.
+
+Tom las in zijn eenig leesboek van iemand, "die geleerd had vergenoegd
+te zijn in hetgeen hij was." Dit kwam hem eene goede en verstandige
+les voor, en strookte zeer wel met de kalme gemoedsstemming, welke
+hem door het lezen van hetzelfde boek eigen was geworden.
+
+Zijn brief naar huis werd, gelijk in het vorige hoofdstuk reeds
+is aangeduid, weldra beantwoord door een van Jongeheer George, met
+een ronde schooljongenshand geschreven, die men, gelijk Tom zeide,
+"haast aan het einde van de kamer kon lezen." Dit geschrift bevatte
+onderscheidene heugelijke berichten, waarmede onze lezer reeds
+bekend is. Het vermeldde hoe Tante Chloe aan een banketbakker te
+Louisville was verhuurd, waar zij, door hare bekwaamheid in het
+maken van pasteien, verbazende sommen gelds verdiende, die, gelijk
+Tom mede vernam, bewaard zouden worden om hem los te koopen. Mozes
+en Peter waren welvarend, en het kleintje liep het geheele huis door,
+onder de hoede van Sally en al de anderen in het algemeen.
+
+Toms hut was voor het oogenblik gesloten, maar George weidde breed
+uit over de vergrootingen en versieringen, die er aan gemaakt zouden
+worden als Tom terugkwam.
+
+De overige inhoud van den brief gaf een lijst van George's schoolwerk,
+vermeldde ook de namen van vier nieuwe veulens, die men sedert Toms
+vertrek had gehad, en voegde in denzelfden volzin daarbij, dat vader
+en moeder welvoeren. De stijl van dien brief was kort en krachtig;
+maar Tom hield hem voor een meesterstuk van schrijfkunst. Hij werd
+het lezen, herlezen en bekijken niet moede, en hield er zelfs met
+Eva raad over, of het niet goed zou zijn hem in een lijst te zetten
+en op zijn kamertje op te hangen. Alleen de moeielijkheid om het zoo
+te schikken, dat men beide zijden van het blad tegelijk kon zien,
+verhinderde de uitvoering van dit voornemen.
+
+De vriendschap tusschen Tom en Eva groeide met het kind. Het zou
+moeielijk te zeggen zijn, welke plaats zij in het weeke, liefderijke
+hart van haren getrouwen dienaar bekleedde. Hij had haar lief als een
+broos, stoffelijk schepseltje, en vereerde haar toch bijna als iets
+hemelsch en goddelijks. Hij beschouwde haar, gelijk de Italiaansche
+matroos het afbeeldsel van het Christuskind beschouwt, met eene
+mengeling van eerbied en teederheid; en aan hare innemend bevallige
+grilletjes te voldoen en die duizend eenvoudige behoeften te vervullen,
+welke de kindsheid gelijk een veelkleurigen regenboog omgeven, was
+Toms grootste vermaak. Op de markt des morgens had hij altijd het oog
+op de bloemenkraampjes, om mooie ruikertjes voor haar uit te zoeken,
+en de fraaiste perzik of sinaasappel stak hij in zijnen zak, om aan
+haar te geven als hij terugkwam; want het gezicht, dat hem het meest
+behaagde, was haar bevallig kopje, dat aan het hek in de verte naar
+hem uitkeek, en niets hoorde hij zoo gaarne als hare kinderlijke vraag:
+"Wel, Oom Tom, wat hebt ge vandaag voor mij?"
+
+Niet minder ijverig was Eva op hare beurt in het bewijzen van
+vriendelijke diensten. Hoewel maar een kind, kon zij uitmuntend
+lezen; haar muzikaal gehoor, hare vlugge verbeeldingskracht en haar
+instinctmatig gevoel voor al wat grootsch en edel was, maakte haar tot
+zulk eene voorlezeres van den Bijbel, als Tom nog nooit gehoord had. In
+het begin las zij om haren nederigen vriend te behagen, maar spoedig
+hechtte haar eigen ernstig gemoed zich aan het verhevene boek, en kreeg
+zij dit lief, omdat het een vreemd, krachtig verlangen, en donkere
+maar diepe gewaarwordingen bij haar opwekte, waaraan kinderen van een
+teergevoelig en tevens hartstochtelijk karakter zich gaarne overgeven.
+
+De gedeelten, die haar het meest behaagden, waren de Openbaring en de
+Profeten--gedeelten, welker duistere, vreemde beeldspraak en vurige
+taal een des te dieperen indruk op haar maakten, omdat zij vruchteloos
+naar de beteekenis daarvan vroeg. Zij en haar eenvoudige vriend, het
+jonge kind en het oude, stonden in dit opzicht met elkander gelijk. Al
+wat zij wisten was, dat er gesproken werd van eene heerlijkheid die
+geopenbaard zou worden--iets wonderbaars, dat nog komen moest, en
+waarin hunne ziel zich verheugde, zonder dat zij wisten waarom. En
+schoon het in de natuurkundige wetenschappen zoo niet wezen mag, in
+de zedelijke wetenschap is datgene wat men niet begrijpt niet altijd
+nutteloos, want de ziel ontwaakt als een schroomvallig vreemdeling
+tusschen twee duistere eeuwigheden--het eeuwige verledene en de
+eeuwige toekomst. Het licht beschijnt slechts eene kleine ruimte om
+haar heen: zij moet dus naar het onbekende verlangen, en de stemmen
+en schaduwachtige gedaanten, die uit de wolk-kolom der inspiratie tot
+haar komen, vinden in haar eigen hopende verwachtingen een weerklank
+en een antwoord. De geheimzinnige beelden zijn zoovele juweelen,
+als talismans met onbekende hiëroglyphen beschreven; zij verbergt ze
+in haren boezem en verwacht ze eens te zullen lezen, als zij achter
+den sluier zal gekomen zijn.
+
+Op dezen tijd van ons verhaal was het geheele huishouden van St.-Clare
+naar de villa aan het meer Pontchartrain verhuisd. De zomerhitte had
+allen die in staat waren, om de benauwde, ongezonde stad te verlaten,
+daaruit verdreven, om de oevers van het meer en den koelen zeewind
+te gaan opzoeken.
+
+De villa van St.-Clare was een gebouw in den Oostindischen trant, door
+lichte veranda's van bamboes omgeven, en aan alle kanten op tuinen en
+plantsoenen uitziende. De gewone huiskamer kwam op een tuin uit, vol
+van geurige en sierlijke planten en bloemen der keerkringsgewesten,
+tusschen welke slingerende paden tot aan den oever van het meer
+voortliepen, welks zilveren waterspiegel, in den zonneschijn rijzende
+of dalende, een tafereel aanbiedt, dat nooit een uur lang hetzelfde
+blijft en met ieder uur schooner schijnt te worden.
+
+De zon ging nu onder, met dien vurigen gouden glans, welke den hemel
+tot eene enkele glorie en het water tot een anderen hemel maakt. Het
+geheele meer was met rozeroode en gouden strepen gekleurd, behalve
+waar witgevleugelde scheepjes als zoovele geesten heen en weder gleden,
+en kleine fonkelende sterren door den glans heenflikkerden.
+
+Tom en Eva zaten op eene met mos begroeide bank, in een priëeltje aan
+het eind van den tuin. Het was Zondagavond, en Eva's Bijbel lag open
+op hare knieën. Zij las: "En ik zag een glazen zee, met vuur gemengd."
+
+"Tom," zeide Eva, eensklaps ophoudende en naar het meer wijzende,
+"daar is het."
+
+"Wat, Miss Eva?"
+
+"Ziet gij niet?--Daar!" antwoordde het kind naar het heldere water
+wijzende, waarin de gouden gloed der lucht zich afspiegelde. "Daar
+is eene glazen zee met vuur gemengd."
+
+"Dat is wel waar, Miss Eva," zeide Tom, en zong daarop:
+
+
+ "O, had ik maar de vleuglen van den morgen;
+ Dan vloog ik heen naar Kanaäns schoone kust,
+ Dan zouden heerlijke engelen mij dragen
+ Naar 't Nieuw-Jeruzalem der heilige rust."
+
+
+"Waar denkt gij dat het Nieuw-Jeruzalem is, Oom Tom?" vroeg Eva.
+
+"O, daarboven in de wolken, Miss Eva."
+
+"Dan denk ik dat ik het zie," zeide Eva. "Zie, daar in de wolken! Zij
+gelijken naar groote poorten van paarlen; en gij kunt er doorheen
+zien--ver, heel ver is alles goud. Tom, zing nog eens van de zalige
+geestenschaar."
+
+En Tom zong nu uit een welbekend Methodistenlied:
+
+
+ "Ik hoor een zaalge geestenschaar
+ Die blijde zegeliedren galmen;
+ Zij zijn in vlekloos wit gekleed
+ En dragen overwinningspalmen."
+
+
+Tom twijfelde aan dit alles niet, en het verwonderde hem ook niet
+het minste; als Eva hem gezegd had dat zij in den hemel was geweest,
+zou hij het zeer waarschijnlijk hebben gevonden.
+
+"Zij komen somtijds bij mij in mijnen slaap, die geesten," zeide Eva,
+en zong toen zacht bij zich zelve, terwijl hare oogen eene vreemde
+droomerige uitdrukking aannamen:
+
+
+ "Zij zijn in vlekloos wit gekleed
+ En dragen overwinningspalmen."
+
+
+"Oom Tom, ik ga daarnaar toe," zeide zij vervolgens.
+
+"Waar naar toe, Miss Eva?"
+
+Het kind stond op en wees met haar handje naar den Hemel. Het
+gloeiende avondrood verleende haar gouden lokken en blozende wangen
+een bovenaardschen glans, en hare oogen staarden ernstig naar boven.
+
+"Ik ga daarheen," zeide zij, "naar de zalige geesten, Tom. _Ik ga
+binnenkort._"
+
+Het oude trouwe hart voelde eensklaps eene stekende pijn. Tom bedacht
+zich, hoe dikwijls hij er in de laatste zes maanden op had gelet,
+dat Eva's handjes smaller geleken, en hare kleur nog helderder en
+haar adem korter scheen te worden; en dat zij, als zij in den tuin
+liep en speelde, gelijk zij voorheen urenlang doen kon, spoedig moede
+werd. Hij had Miss Ophelia dikwijls van een kuch hooren spreken, die
+al hare huismiddelen niet konden wegnemen; en zelfs op dit oogenblik
+gloeiden de wangen en de hand van het kind als van koortshitte; en
+toch was de gedachte, welke Eva's woorden opwekten, hem nog nooit
+ingevallen dan op dit oogenblik.
+
+Is er ooit zulk een kind geweest als Eva? Ja, zeker zijn er zoo
+geweest; maar hunne namen staan alle op de grafsteenen, en hunne
+lieve lachjes, hunne hemelsche oogen en hunne vreemde manieren
+en uitdrukkingen zijn onder de begraven schatten van smachtende
+harten. In hoevele familiën hoort men de legende, dat al de goedheid
+en bevalligheid der nog levenden niets beteekenen bij de buitengemeene
+gaven van een of eene, die _niet meer is_. Het is alsof de hemel eene
+uitgelezen schaar van engelen had, wier post het was voor een korten
+tijd hier te vertoeven, en het eigenlievend menschelijk hart te lokken
+en te winnen, om het met zich opwaarts te voeren bij hunne vlucht
+hemelwaarts. Als gij dat hemelsche licht in kinderoogen ziet--als
+het zieltje zich openbaart in woorden, liefelijker en wijzer dan
+de gewone woorden van kinderen--hoop dan niet dat kind te behouden;
+want het draagt het zegel des hemels, en wat het uit de oogen straalt,
+is het licht der onsterfelijkheid.
+
+Zoo is het met u, beminde Eva, vreugde van uw huis. Gij gaat heen,
+en zij die u het teerste liefhebben weten het niet.
+
+Het gesprek tusschen Tom en Eva werd gestoord door een haastig roepen
+van Miss Ophelia.
+
+"Eva--Eva!--Maar kind, er valt zulk een dauw; gij moet niet buiten
+blijven."
+
+Eva en Tom haastten zich naar binnen.
+
+Ophelia was reeds jaren en wel bedreven in de kunst van kinderen
+verzorgen. Zij was uit Nieuw-Engeland, en kende maar al te wel de
+eerste voetstappen dier stille, verraderlijke kwaal, die zoovelen
+van de schoonsten en beminnelijksten wegsleept, en haar slachtoffer
+onherroepelijk aan den dood wijdt, vóórdat er nog eene enkele
+levensdraad gebroken schijnt.
+
+Zij had acht gegeven op het droge kuchje en de dagelijks helderder
+wordende kleur der wangen; de glans der oogen en de opgewonden
+vroolijkheid, die een gevolg der koorts was, konden haar niet
+bedriegen.
+
+Zij poogde hare bekommering aan St. Clare mede te deelen; maar hij
+beantwoordde hare vrees met een wrevelig ongeduld, zeer ongelijk aan
+zijne gewone onverschillige goedaardigheid.
+
+"Laat mij toch geen ravengekras hooren, Nicht. Dat kan ik niet
+uitstaan," zeide hij eens. "Ziet gij niet dat het kind maar
+groeit? Kinderen worden altijd wat zwak, als zij sterk groeien."
+
+"Maar zij heeft die kuch toch."
+
+"Och, maal niet over die kuch. Die heeft niets te beduiden. Zij zal
+misschien wat koude gevat hebben."
+
+"Nu, het was juist op die manier dat het met Eliza Jane begon, en
+met Helena Sanders."
+
+"Houd toch op met die spookachtige bakersprookjes. Gij oude dames,
+wordt zoo wijs, dat een kind niet meer kan hoesten of niezen, of
+gij ziet den dood vooruit. Pas maar op het kind, houd haar buiten de
+avondlucht, laat zij zich niet te moe maken met spelen, en het zal
+wel schikken."
+
+Zoo sprak St. Clare, maar hij was toch onrustig geworden. Hij
+bespiedde Eva dag en nacht met zekeren koortsachtigen angst,
+gelijk men kon opmaken uit zijne dikwijls herhaalde aanmerkingen,
+"dat het kind volmaakt wel was--dat die kuch niets beteekende--dat
+het haar een weinigje in de keel scheelde, gelijk zoo dikwijls bij
+kinderen gebeurde." Maar hij bleef meer bij haar dan gewoonlijk,
+hij liet haar meer met zich mederijden, en bracht telkens recepten
+mede naar huis van versterkende middelen, "niet," zeide hij, "omdat
+het kind zoo iets noodig had, maar het zou haar toch geen kwaad doen."
+
+Wat hem het meest beangstigde, was de dagelijks toenemende rijpheid
+van Eva's gedachten en gemoed. Terwijl zij nog al de onnoozele
+aanvalligheid der kindsheid behield, liet zij zich toch dikwijls, als
+ware het onwillekeurig, woorden ontvallen van zulk een diepzinnige
+beteekenis, van zulk eene vreemde, bovenaardsche wijsheid, dat zij
+naar eene ingeving geleken. Wanneer dit gebeurde, voelde St. Clare
+een plotselingen schrik en sloot hij haar in zijne armen, alsof die
+teedere omarming haar kon redden; en dan rees er in zijn hart een
+woest oproerig besluit op om haar vast te houden en nooit los te laten.
+
+De geheele ziel van het kind scheen zich thans in werken van liefde en
+goedheid te verdiepen. Altijd was zij vriendelijk en weldadig geweest;
+maar thans had zij eene aandoenlijke, vrouwelijke bedachtzaamheid
+over zich, die iedereen opmerkte. Zij speelde nog gaarne met Topsy en
+andere slavenkinderen, maar scheen thans veeleer eene toeschouwster
+dan eene deelgenoote van hun spel. Zij kon wel een half uur lang om
+de grappige kuren van Topsy zitten lachen; en dan scheen er eene
+schaduw over haar gezichtje te komen, werden hare oogen beneveld,
+en zwierven hare gedachten ver weg.
+
+"Mama," zeide zij eens plotseling tegen hare moeder, "waarom leeren
+wij onzen bedienden niet lezen?"
+
+"Welk eene vraag, kind! Dat doet men nooit."
+
+"Waarom doet men dat niet?" zeide Eva.
+
+"Omdat het lezen hun tot niets dient. Het leert hun niet beter werken
+en zij behoeven niets anders te doen."
+
+"Maar zij behoorden toch den Bijbel te lezen, Mama, om Gods wil
+te leeren."
+
+"O, alles wat zij daarvan noodig hebben, wordt hun wel voorgelezen."
+
+"Ik zou denken, Mama, dat de Bijbel voor iedereen is, om zelf te
+lezen. Zij hebben dat heel dikwijls noodig, als er niemand is om hun
+voor te lezen."
+
+"Eva, ge zijt een wonderlijk kind," zeide hare moeder.
+
+"Nicht Ophelia heeft Topsy leeren lezen," vervolgde Eva.
+
+"Ja, en gij ziet hoeveel goed het haar doet. Topsy is de ergste die
+ik ooit gezien heb."
+
+"En daar is Mammy. Zij houdt zooveel van den Bijbel en wenschte
+wel dat zij lezen kon. En wat zal zij doen, als ik haar niet meer
+kan voorlezen?"
+
+Marie was juist bezig met in eene lade te zoeken, toen zij antwoordde:
+
+"Wel natuurlijk, Eva, door den tijd zult gij aan andere dingen
+te denken hebben, dan om den Bijbel aan al de bedienden voor te
+lezen. Niet dat dit ook niet heel goed is; ik heb het zelve wel
+gedaan toen ik nog gezond was. Maar als gij u moet kleeden en naar
+gezelschappen gaan, zult gij er geen tijd meer voor hebben. Zie hier,
+deze juweelen zal ik u geven als gij naar een bal gaat. Ik heb ze
+zelve gedragen op mijn eerste bal; en ik kan u zeggen, Eva, ik heb
+sensatie gemaakt."
+
+Eva bezichtigde het juweelendoosje en nam er een diamanten halsketting
+uit. Hare groote peinzende oogen bleven op dit sieraad gevestigd,
+maar hare gedachten waren elders.
+
+"Wat kijkt gij ernstig, kind!" zeide Marie.
+
+"Dat is wel veel geld waard, Mama?"
+
+"Zeker is het dat. Vader had het uit Frankrijk laten komen. Het is
+een klein fortuin waard."
+
+"Ik wenschte dat ik het had," zeide Eva, "en er mee doen mocht wat
+ik wilde."
+
+"Wat zoudt gij er dan mee doen?"
+
+"Het verkoopen, en eene plaats koopen in de vrije staten, en al ons
+volk daarheen brengen, en meesters betalen om ze te leeren lezen
+en schrijven."
+
+"Dus eene soort van kostschool opzetten? Zoudt gij hun ook niet leeren
+piano spelen en op fluweel schilderen?"
+
+"Ik zou hun leeren hun eigen Bijbel te lezen en hunne eigen brieven
+te schrijven, en de brieven te lezen die aan hen geschreven werden,"
+antwoordde Eva zeer bedaard. "Ik weet, Mama, dat het hun zeer hard
+valt, dat zij dit niet kunnen doen. Tom voelt het, en Mammy en vele
+anderen; en ik houd het voor verkeerd."
+
+"Kom, kom, Eva, ge zijt nog maar een kind. Gij weet nog lang niets
+van al die dingen," zeide Marie; "en bovendien, uw praten doet mij
+hoofdpijn krijgen."
+
+Marie had altijd hoofdpijn bijdehand voor een gesprek, dat haar niet
+zeer beviel. Eva sloop heen, maar van dien tijd af gaf zij Mammy
+geregeld les in het lezen.
+
+
+
+
+
+DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+HENRIQUE.
+
+
+Tegen dezen tijd kwam St. Clare's broeder Alfred, met zijnen oudsten
+zoon, een knaap van twaalf jaren, eenige dagen bij de familie aan
+het meer doorbrengen.
+
+Niets kon vreemder en schooner zijn dan het gezicht dezer
+tweelingbroeders. De natuur had in plaats van een volkomen gelijkenis
+tusschen hen te bedoelen, hen in bijna alle opzichten contrasten
+gemaakt, en toch scheen een geheimzinnige band hen in nauwere
+vriendschap dan gewoonlijk te verbinden.
+
+Zij plachten arm in arm de paden en lanen van den tuin op en neer te
+wandelen.--Augustine met zijne blauwe oogen en goudblonde lokken,
+zijne tengere, buigzame gestalte en levendige trekken; Alfred,
+met zijn donker uitzicht, zijn trotschen Romeinschen gelaatsvorm,
+zijne forsch gebouwde leden en deftige houding. Zij hekelden altijd
+elkanders gevoelens en gedrag, en toch waren zij daarom niet minder
+op elkanders gezelschap gesteld; juist hunne tegenstrijdigheid scheen
+hen te vereenigen.
+
+Henrique, de oudste zoon van Alfred, was een frissche, gezonde knaap,
+vol geest en leven, die van het eerste oogenblik der kennismaking
+af geheel door de teedere aanvalligheid van zijn nichtje Evangeline
+betooverd scheen.
+
+Eva had een spierwit hitje, haar lieveling, zoo gemakkelijk van
+beweging als eene wieg, en zoo zachtaardig als zijne jonge meesteres,
+en dit hitje werd nu door Tom voor de achter-veranda gebracht, terwijl
+een kleine mulat van ongeveer dertien jaren met een Arabisch paardje
+aankwam, dat kort geleden zeer duur voor Henrique was gekocht.
+
+Henrique was op dit nieuwe eigendom zoo trotsch als een knaap maar
+wezen kan; en toen hij zijnen kleinen rijknecht de teugels uit de
+hand had genomen, bezichtigde hij zijn paardje nog eens zorgvuldig
+en daarbij betrok zijn gezicht.
+
+"Wat is dat, Dodo, gij luie rekel? Gij hebt mijn paard van morgen
+niet gepoetst."
+
+"Ja wel, meester," antwoordde Dodo onderdanig. "Hij heeft dat stof
+zoo pas gekregen."
+
+"Houd den bek, rekel," zeide Henrique, driftig zijne karwats
+opheffende. "Hoe durft ge nog een woord spreken?"
+
+De knaap was een fraaie mulat, van dezelfde grootte als Henrique, met
+heldere oogen en krullend haar, dat om een hoog en trotsch voorhoofd
+zwierde. Hij had blank bloed in de aderen, gelijk men zien kon aan
+den snel opkomenden blos, waarmede hij haastig het woord wilde nemen.
+
+"Meester Henrique," begon hij.
+
+Henrique gaf hem met de karwats een slag in het gezicht, greep hem
+bij een arm, duwde hem zoo op de knieën en sloeg hem, tot hij zelf
+buiten adem was.
+
+"Daar onbeschaamde rekel. Nu zult gij wel leeren niet tegen te spreken
+als ik iets zeg. Breng het paard terug en maak het schoon. Ik zal u
+wel manieren leeren."
+
+"Jongeheer," zeide Tom nu, "ik geloof dat hij voornemens was te zeggen
+dat het paard met geweld wilde gaan rollen, toen hij het uit den stal
+haalde; het is zoo vol vuur--en zoo heeft het dat vuil gekregen. Ik
+heb gezien dat het schoongemaakt werd."
+
+"Houd den mond tot men u vraagt om te spreken," antwoordde Henrique,
+zich omkeerende en de stoep opgaande naar Eva, die in haar rijkleedje
+stond te wachten.
+
+"Lieve Nicht, het spijt mij dat die domme jongen u noodzaakt om te
+wachten," zeide hij. "Laten wij hier op deze bank gaan zitten tot
+mijn paard komt. Wat scheelt u, Nichtje? Ge ziet zoo ernstig."
+
+"Hoe kondt ge zoo wreed en slecht wezen voor dien armen Dodo?" zeide
+Eva.
+
+"Wreed en slecht?" herhaalde de knaap met ongeveinsde
+verwondering. "Wat meent gij toch, lieve Eva?"
+
+"Ik wil niet dat ge mij lieve Eva noemt, als gij zoo doet," zeide Eva.
+
+"Lieve Nicht, gij kent Dodo nog niet. Dat is de eenige manier om met
+hem te recht te komen, zoo vol leugens en uitvluchten is hij. De eenige
+manier is: hem terstond te stuiten--hem geen mond te laten opendoen;
+en dat is ook de manier van papa."
+
+"Maar Oom Tom zeide dat het een ongeluk was, en hij zegt nooit iets
+dat niet waar is."
+
+"Hij is dan wel een ongewone neger," antwoordde Henrique. "Dodo liegt
+zoo hard als hij maar spreken kan."
+
+"Gij dwingt hem door angst om u te bedriegen, als gij hem zoo
+behandelt."
+
+"Maar, Eva gij hebt waarlijk zooveel zin in Dodo, dat ik jaloersch
+zal worden."
+
+"Gij hebt hem geslagen, en dat verdiende hij niet."
+
+"Welnu, dan kan dat doorgaan voor een keer dat hij slaag verdient en
+niet krijgt. Eenige meppen zijn op Dodo nooit verloren. Hij verdient
+altijd wat, dat kan ik u zeggen. Maar ik zal hem niet weder slaan
+waar gij bij zijt, als u dat onaangenaam is."
+
+Eva was niet tevreden, maar achtte het vruchteloos haren neef haar
+gevoel te willen doen begrijpen.
+
+Dodo kwam spoedig met het paard terug.
+
+"Zoo, Dodo, nu hebt gij het tamelijk wel gemaakt," zeide zijn jonge
+meester, met wat meer vriendelijkheid dan gewoonlijk. "Kom, houd nu
+het paard van Miss Eva, terwijl ik haar in den zadel help."
+
+Dodo plaatste zich nu bij Eva's hitje. Zijn gezicht was betrokken en
+zijne oogen zagen er uit alsof hij geschreid had.
+
+Henrique, die reeds grootsch was op zijne bedrevenheid in alle punten
+van galanterie, hielp zijn nichtje vlug in den zadel, nam de teugels
+over en gaf ze haar in de hand. Eva echter boog zich naar den anderen
+kant van het paard, waar Dodo stond, en toen hij de teugels losliet,
+zeide zij: "Zoo, Dodo, goede jongen, nu bedank ik u."
+
+Dodo keek met verbazing op naar het lieve jeugdige gezichtje; het
+bloed steeg hem naar de wangen en de tranen kwamen hem in de oogen.
+
+"Hier, Dodo!" zeide Henrique gebiedend.
+
+Dodo sprong toe en hield het paard, terwijl zijn meester opsteeg.
+
+"Daar hebt gij wat om klontjes voor te koopen, Dodo," zeide
+Henrique. "Ga nu maar heen."
+
+Henrique reed naast Eva de laan af en Dodo bleef de twee kinderen staan
+nazien. Een had hem geld gegeven, en een had hem gegeven wat hij veel
+liever had--een vriendelijk woord, vriendelijk gesproken. Dodo was
+nog maar eenige maanden van zijne moeder geweest. Zijn meester had
+hem in een slavenmagazijn gekocht, om met zijn mooi gezicht bij het
+mooie paardje te passen: en hij werd nu door zijnen jongen meester
+getemd en afgericht.
+
+Dit geheele tooneel was door de broeders St. Clare uit een ander
+gedeelte van den tuin aangezien.
+
+Toen Henrique den kleinen mulat sloeg, kreeg Augustine eene
+hoogere kleur, maar hij zeide slechts met zijne gewone, spottende
+onverschilligheid: "Dit zullen wij zeker eene republikeinsche opvoeding
+moeten noemen, niet waar, Alfred?"
+
+"Henrique is een duivel van een jongen, als zijn bloed heet wordt,"
+antwoordde Alfred even onverschillig.
+
+"Gij zult dit zeker eene leerrijke oefening voor hem achten?" hervatte
+Augustine droogjes.
+
+"Al deed ik dat niet, dan kon ik dat toch niet veranderen. Henrique
+is ontembaar als hij driftig wordt. Zijne moeder en ik hebben er al
+lang van afgezien om hem hierin tegen te gaan. Maar Dodo kan het wel
+velen--slagen zullen hem niet deren."
+
+"En dit is zeker de manier om Henrique het begin van den
+republikeinschen catechismus te leeren: "Alle menschen worden vrij
+en gelijk geboren?"
+
+"Och," zeide Alfred, "dat is een van Tom Jeffersons staaltjes van
+Fransche kwakzalverij. Het is belachelijk, dat zulke dingen nog
+tegenwoordig onder ons rondloopen."
+
+"Dat vind ik ook," zeide Augustine met veel nadruk.
+
+"Omdat," vervolgde Alfred, "iedereen duidelijk genoeg zien kan, dat
+alle menschen _niet_ vrij en _niet_ gelijk geboren worden. Wat mij
+betreft, ik houd van dat republikeinsche gezwets de grootste helft voor
+klinkklaren onzin. Het zijn de kundigen, de beschaafden, de gegoeden,
+die gelijke rechten behooren te hebben, en niet het _canaille_."
+
+"Als gij het _canaille_ maar in die meening kunt houden," zeide
+Augustine. "Eens in Frankrijk heeft het zijne beurt genomen."
+
+"Natuurlijk, het moet ten onder gehouden worden, stelselmatig
+en standvastig zooals ik doen zou," antwoordde Alfred, zijn voet
+vastplantende, alsof hij op iemand trapte.
+
+"Het is een leelijk geval, als het er eens bovenop komt," zeide
+Augustine, "zooals op St. Domingo, bij voorbeeld."
+
+"O!" antwoordde Alfred, "daarop zullen wij hier wel passen. Wij moeten
+maar al dat gepraat over opvoeding en zedenverbetering tegengaan,
+dat tegenwoordig in zwang komt; de lagere klasse moet geene opvoeding
+hebben."
+
+"Daar is geen bidden meer tegen," antwoordde Augustine; "opgevoed
+zullen de negers worden en wij hebben alleen te zeggen hoe. Ons
+stelsel is hen in barbaarschheid en verdierlijking op te voeden. Wij
+breken alle banden die hen aan de menschelijkheid hechten en maken
+hen tot wilde dieren; als zij eens de overhand krijgen, zullen wij
+dat ondervinden."
+
+"Zij zullen nimmer de overhand krijgen," zeide Alfred.
+
+"Goed zoo," antwoordde Augustine. "Maak maar stoom, schroef de
+veiligheidsklep dicht, ga er op zitten, en zie waar gij belanden zult."
+
+"Welnu," zeide Alfred, "dat _zullen_ wij zien. Ik ben niet bang
+om op de veiligheidsklep te zitten, als de ketels maar sterk zijn,
+en de machinerie goed werkt."
+
+"De adellijke heeren in den tijd van Lodewijk XIV dachten eveneens, en
+Pius IX denkt tegenwoordig nog zoo, en op een fraaien ochtend zult gij
+allen in de lucht tegen elkander zien vliegen, als de ketels springen."
+
+"De tijd zal het leeren," zeide Alfred lachende.
+
+"Ik zeg u," hervatte Augustine, "als er iets is dat zich in onzen
+tijd met de kracht eener goddelijke wet openbaart, dan is het, dat de
+massa's zich zullen verheffen en de laagste klassen de hoogste worden."
+
+"Dat is weer van uw rood republikeinschen bombast, Augustine! Waarom
+zijt ge geen reizend volksredenaar geworden? Daar zoudt gij heerlijk
+voor zijn. Nu, ik hoop dat ik dood zal wezen, eer dat duizendjarige
+rijk van uwe smerige massa's begint."
+
+"Smerig of niet smerig, zij zullen u overheerschen, als haar tijd komt;
+en zij zullen juist zulke heerschers zijn als gij ze maakt. De Fransche
+edelen verkozen het volk _sans culotte_ te hebben, en zij hebben _sans
+culotte_-heerschers gehad naar hartelust. De bevolking van Haïti..."
+
+"Och kom, Augustine! alsof wij al niet genoeg hadden gehad van dat
+verachtelijke en verfoeielijke Haïti! De Franschen van Haïti waren
+geene Anglo-Saksers; waren zij dat geweest, dan zou het anders zijn
+gegaan. De Anglo-Saksers zijn de heerschende stam op de wereld en
+zullen dat blijven."
+
+"Welnu, er zit tegenwoordig al vrij wat Anglo-Saksisch bloed in onze
+slaven," hervatte Augustine. "Er zijn er velen onder, die maar juist
+genoeg van het Afrikaansche hebben, om zekere tropische warmte en
+drift aan onze bedachtzame standvastigheid te geven. Als hier ooit het
+San-Domingo-uur slaat, zal het Anglo-Saksisch bloed voorgaan. Zonen van
+blanke vaders, wien al ons trotsch gevoel van eigenwaarde in de aderen
+brandt, zullen zich niet altijd laten verkoopen en verhandelen. Zij
+zullen oprijzen, en het geslacht hunner moeder met hen doen oprijzen."
+
+"Dwaasheid!--Onzin!"
+
+"Er is een oud boek," hervatte Augustine, "dat zegt: 'Gelijk het
+geschied is in de dagen van Noach, alzoo zal het ook zijn: zij aten
+en dronken, zij plantten en bouwden en wisten het niet, totdat de
+zondvloed kwam en hen allen wegnam.'"
+
+"Over het geheel, Augustine, denk ik inderdaad dat gij talenten
+genoeg hebt voor een volksredenaar," zeide Alfred lachende. "Wees
+voor ons maar niet bang. Zalig zijn de bezitters. Wij hebben de
+macht. Dit onderworpen ras," vervolgde hij, met den voet stampende,
+"is onder en zal onder blijven. Wij zijn wel mans genoeg om met ons
+eigen buskruit om te gaan."
+
+"Zonen, opgevoed gelijk uwen Henrique, zullen de beste bewaarders van
+uwe kruitmagazijnen wezen," zeide Augustine, "zoo koel en beraden als
+zij zijn. Het spreekwoord zegt: 'Die zich zelven niet kan regeeren,
+kan geene anderen regeeren.'"
+
+"Dat is wel iets bedenkelijks," zeide Alfred peinzende. "Het is niet
+te ontkennen, dat het onder ons stelsel zeer moeielijk is kinderen
+op te leiden. Het geeft hunne hartstochten, die in ons klimaat vurig
+genoeg zijn, veel te veel vrijheid. Ik heb moeite met Henrique. De
+knaap is goedhartig en edelmoedig; maar als hij driftig wordt, is hij
+onhandelbaar. Ik geloof dat ik hem voor zijne verdere opvoeding naar
+het Noorden zal zenden, waar de gehoorzaamheid nog meer in de mode is,
+en hij meer met gelijken en minder met onderhoorigen zal omgaan."
+
+"Daar de opleiding van kinderen eene hoofdzaak voor het geheele
+menschdom is," zeide Augustine, "zou ik het wel van eenig gewicht
+achten, dat ons stelsel in dit opzicht niet deugt."
+
+"In sommige opzichten niet," antwoordde Alfred, "maar in andere wederom
+wel. Het maakt de jongens manhaftig en dapper; en de ondeugden van
+het vernederde geslacht strekken juist om hen in de tegenovergestelde
+deugden te bevestigen. Ik geloof, bij voorbeeld, dat Henrique een
+fijner gevoel voor het schoone der waarheidsliefde heeft, omdat hij
+ziet dat logen en bedrog de algemeene kenteekenen der slavernij zijn."
+
+"Zeker een christelijk begrip van de zaak," zeide Augustine.
+
+"Christelijk of niet, het is waar," antwoordde Alfred, "en het is
+omtrent even christelijk als de meeste andere dingen in de wereld."
+
+"Wel mogelijk," zeide Augustine.
+
+"Och, het praten helpt niet, Augustine. Ik geloof dat wij dat alles
+wel vijfhonderd malen met elkander zijn rond geweest. Wat zegt ge
+van een spelletje triktrak?"
+
+De twee broeders gingen de stoep op en zaten weldra aan een tafeltje
+met het bord tusschen hen in. Terwijl zij de schijven schikten, zeide
+Alfred: "Ik moet u toch nog zeggen, Augustine, wanneer ik dacht zooals
+gij, zou ik iets doen."
+
+"Dat geloof ik wel--gij zijt van de soort die iets doet--maar wat?"
+
+"Wel, uw eigen bedienden wat beter opvoeden, tot een proefje," zeide
+Alfred met een half spottende glimlach.
+
+"Gij zoudt evengoed den berg Etna plat op hen kunnen neerzetten en hun
+gelasten om daaronder op te staan, als mij zeggen mijne bedienden tot
+iets beters op te voeden, terwijl de geheele massa der maatschappij
+hen neerdrukt. Een enkel man kan niets doen tegen den invloed eener
+maatschappij. De opvoeding, zal zij iets beteekenen, moet de zaak
+van den staat zijn; of er moeten zich ten minste genoeg vereenigen
+om ze tot eene gemeenschappelijke zaak te maken."
+
+"Gij speelt het eerst," zeide Alfred, en weldra waren de broeders in
+hun spel verdiept en spraken over niets anders, totdat men dichtbij
+weder hoefslagen hoorde.
+
+"Daar komen de kinderen aan," zeide Augustine, opstaande. "Zie eens,
+Alfred, hebt gij ooit iets schooners gezien?"
+
+En waarlijk, het was een schoon tafereeltje. Henrique met zijn vroolijk
+gezicht, zijne donkere glanzige krullen en gloeiende wangen, boog
+zich onder het rijden lachende naar zijn nichtje over. Eva droeg een
+blauw rijkleedje en een mutsje van dezelfde kleur. De beweging had
+hare wangen een hoogen blos gegeven, die hare buitengemeen heldere
+blankheid nog meer deed uitkomen.
+
+"Waarlijk, eene schitterende kleine schoone!" zeide Alfred. "Ik
+voorzeg u, Augustine, dat zij eens harten zal breken."
+
+"Dat zal zij!--Maar al te waar!--God weet het, ik vrees er voor!" zeide
+Augustine, met plotseling opwellende bitterheid, en snelde toe om
+haar van het paard te helpen.
+
+"Eva, mijn liefje, zijt gij niet al te moe geworden?" zeide hij,
+haar in zijne armen sluitende.
+
+"Neen, Papa," antwoordde het kind; maar hare korte hijgende ademhaling
+maakte hem toch ongerust.
+
+"Waarom hebt ge zoo hard gereden, liefje? Gij weet toch dat het niet
+goed voor u is."
+
+"Ik voelde mij zoo wel, Papa, en vond het zóó pleizierig, dat ik
+dat vergat."
+
+St. Clare droeg haar in zijne armen naar de voorkamer en legde haar
+op de sofa.
+
+"Henrique, gij moet met Eva zeer voorzichtig zijn," zeide hij:
+"gij moet niet zoo hard met haar rijden."
+
+"Ik zal op haar passen," antwoordde Henrique, zette zich bij de sofa
+neer en nam zijn nichtje bij de hand.
+
+Eva bevond zich spoedig veel beter. Haar vader en oom gingen hun spel
+vervolgen en de twee kinderen bleven alleen.
+
+"Weet gij wel, Eva," zeide Henrique, "het spijt mij zoo, dat papa
+nog maar twee dagen hier blijft, en ik u dan niet meer zien zal voor
+ik weet niet hoelang. Als ik bij u bleef, zou ik mijn best doen om
+goed te zijn en niet hard voor Dodo, en dat alles. Ik wil Dodo niet
+kwaad behandelen; maar weet ge, ik ben zoo driftig. En toch ben ik
+eigenlijk niet kwaad voor hem. Ik geef hem dikwijls een fooitje,
+en gij ziet dat hij goed gekleed is. Ik denk dat Dodo het over het
+geheel tamelijk wel heeft."
+
+"Zoudt gij denken dat gij het tamelijk wel hadt, als er geen schepsel
+bij u was om u lief te hebben?"
+
+"Ik! Wel natuurlijk niet!"
+
+"En gij hebt Dodo afgenomen van al de vrienden die hij ooit had,
+en nu is er geen schepsel om hem lief te hebben. Op die manier kan
+niemand goed zijn."
+
+"Ja, dat kan ik toch niet helpen of veranderen, zoover ik weet. Ik
+kan zijne moeder niet koopen, en ik kan hem toch zelf niet gaan
+liefhebben."
+
+"Waarom kunt gij dat niet?" zeide Eva.
+
+"Dodo liefhebben! Maar, Eva, dat kunt gij toch niet van mij willen. Ik
+mag van hem houden; maar liefhebben doet men zijne bedienden niet."
+
+"Ik wel--waarlijk."
+
+"Dat is raar."
+
+"Zegt de Bijbel niet dat wij alle menschen moeten liefhebben?"
+
+"O, de Bijbel! Zeker, die zegt veel zulke dingen; maar niemand denkt
+er toch ooit aan om ze te doen. Gij weet wel, Eva, niemand doet dat."
+
+Eva sprak niet; hare oogen bleven een poos strak en peinzend.
+
+"Hoe dat zij, lieve Neef," zeide zij eindelijk, "heb dien armen Dodo
+toch lief en wees goed voor hem, om mijnentwil."
+
+"Ik zou om uwentwil alles kunnen liefhebben, lief Nichtje; want ik
+houd u waarlijk voor het liefste meisje dat ik ooit gezien heb."
+
+Henrique sprak met een ernst, die een blos op zijne wangen bracht; en
+Eva ontving die betuiging met volmaakte eenvoudigheid, zonder dat haar
+gezichtje een spoor van eenige aandoening verried, en zeide slechts:
+"O, ik ben blij, dat gij nu zoo denkt, lieve Henrique. Ik hoop dat
+gij het altijd onthouden zult."
+
+De schel van het diner maakte een einde aan het gesprek.
+
+
+
+
+
+VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+VOORTEEKENEN.
+
+
+Twee dagen later namen Alfred en Augustine St. Clare afscheid
+van elkander; daarna begon Eva, die door het gezelschap van haar
+neefje tot inspanningen boven hare krachten was aangespoord, snel te
+vervallen. St. Clare werd eindelijk geneigd om geneeskundigen raad in
+te roepen, waarvoor hij tot nog toe had gehuiverd, daar dit te doen de
+bekentenis van een onwelkome waarheid was. Thans was Eva twee dagen
+lang zoo ongesteld geweest, dat zij geheel in huis moest blijven,
+en nu werd de dokter geroepen.
+
+Marie St. Clare had volstrekt geen acht gegeven op de langzame
+vermindering van Eva's gezondheid en krachten, daar zij geheel verdiept
+was in het bestudeeren van twee of drie nieuwe kwalen, waarvan zij
+zelve het slachtoffer meende te zijn. Het was bij Marie een voornaam
+punt van geloof, dat niemand ooit zulk eene groote lijderes was
+geweest of wezen kon als zij zelve, en dus verwierp zij altijd met
+zekere verontwaardiging de gedachte, dat iemand van hare onderhoorigen
+ziek zou zijn. Zij hield zich in zulk een geval altijd verzekerd, dat
+het niets dan luiheid of gebrek aan geduld was en dat iemand, als hij
+eens lijden moest wat zij leed, spoedig het verschil zou gewaar worden.
+
+Ophelia poogde verscheidene malen hare moederlijke bekommering over
+Eva te doen ontwaken, maar vruchteloos.
+
+"Ik zie niet dat het kind iets scheelt," zeide zij dan. "Zij loopt
+rond en speelt."
+
+"Maar zij heeft een hoest."
+
+"Een hoest! O, gij behoeft niet van een hoest te spreken; ik heb al
+mijn leven een hoest gehad. Toen ik zoo oud was als Eva, dacht men dat
+ik de tering had. Nacht op nacht moest Mammy bij mij opzitten. Och,
+Eva's hoest heeft zeker wel niets te beduiden."
+
+"Maar zij wordt zoo zwak en kortademig."
+
+"O, dat heb ik al jarenlang gehad. Dat is maar zenuwachtigheid."
+
+"En des nachts zweet zij zoo."
+
+"Wel, dat heb ik jarenlang gedaan. Dikwijls zijn des nachts mijne
+kleeren zoo nat, dat men ze wel kan uitwringen. Dan is er geen droge
+draad aan mijn nachtgoed, en zijn de lakens zoo nat, dat Mammy ze
+moet te drogen hangen. Zoo zweet Eva toch niet."
+
+Ophelia zweeg. Maar nu Eva zoo zichtbaar verminderde en er een dokter
+geroepen werd, sloeg Marie eensklaps een geheel anderen toon aan.
+
+Zij wist het wel, zeide zij, en had het altijd gevoeld, dat zij bestemd
+was om de rampzaligste aller moeders te zijn. Zij zelve kwijnde weg
+met eene verwoeste gezondheid, en hare lieveling zou voor hare oogen
+ten grave dalen; en deze nieuwe jammer verschafte Marie weder eene
+nieuwe reden om Mammy des nachts telkens wakker te roepen en over
+dag veel erger dan ooit te bekijven en uit te schelden.
+
+"Maar, lieve Marie, spreek toch zoo niet," zeide St. Clare. "Gij moet
+niet zoo terstond het ergste denken."
+
+"Gij hebt het gevoel eener moeder niet, St. Clare. Gij hebt mij nooit
+kunnen verstaan, en dat doet gij nu ook niet."
+
+"Maar spreek toch niet alsof het een wanhopig geval was."
+
+"Gij moogt het zoo onverschillig opnemen als gij kunt, St. Clare. Zoo
+gij er geen gevoel van hebt, als uw kind in zulk een toestand is,
+ik wel. Het is een slag die te zwaar voor mij is, met al wat ik te
+voren al droeg."
+
+"Het is waar," zeide St. Clare, "dat Eva teer van gestel is, _dat_
+heb ik altijd geweten, en dat haar snelle groei hare krachten heeft
+uitgeput, en dat haar toestand bedenkelijk is. Maar nu is zij toch
+maar zoo verzwakt door de warmte van het weder en de vermoeienis en
+opgewondenheid, waartoe het bezoek van haren neef aanleiding gaf;
+de dokter zegt dat er nog reden is om te hopen."
+
+"O, natuurlijk; als gij de zaak van den besten kant kunt bezien,
+doe het dan. Het is een geluk als iemand in deze wereld zulk een
+teer gevoel niet heeft. Ik wenschte dat ik het ook maar niet had. Het
+maakt mij maar geheel rampzalig. Ik wenschte dat ik zoo gerust _kon_
+wezen als gij en anderen."
+
+En die "anderen" hadden maar al te veel reden om denzelfden wensch te
+uiten; want Marie gebruikte haar nieuwen jammer tot een voorwendsel
+om allen die haar genaakten, te kwellen. Ieder woord, dat door iemand
+gesproken, al wat er gedaan of niet gedaan werd, was een nieuw bewijs
+dat zij omringd was door hardvochtige gevoellooze wezens, die zich
+niet om hare smart bekommerden. De arme Eva hoorde eenige van die
+gezegden, en schreide van medelijden met hare mama, en van spijt dat
+zij haar zooveel droefheid veroorzaakte.
+
+In een paar weken werden de verschijnselen veel gunstiger; het was
+eene dier bedriegelijke tusschenpoozen van schijnbare verbetering,
+door welke hare onverbiddelijke kwaal zoo dikwijls zelfs nog op den
+rand van het graf, het angstige hart misleidt. Men zag Eva weder
+op de balkons en in den tuin; zij speelde en lachte weder, en haar
+vader zeide met verrukking dat zij spoedig zoo frisch en gezond zou
+zijn als iemand. Ophelia en de dokter werden door dezen bedriegelijke
+wapenstilstand niet gerustgesteld. Er was nog een hart, dat dezelfde
+zekerheid van den eindelijken afloop gevoelde, en dat was het hartje
+van Eva. Wat is het, dat de ziel somtijds zoo kalm en zoo duidelijk
+zegt dat haar tijd op aarde kort zal zijn? Is het een geheim instinct
+der stervende natuur, of eene geheimzinnige bewustheid van den geest,
+dat de onsterfelijkheid nadert? Wat het wezen moge, het woonde in
+het hart van Eva, als een kalme, streelende zekerheid, dat de hemel
+nabij was; en daarmede was haar hartje voldaan, en werd alleen nog
+ontrust door het leedwezen met hen, die haar zoo hartelijk liefhadden.
+
+Want het kind, hoewel zoo teeder verzorgd, en schoon het leven zich
+voor haar opende met al de helderheid, welke liefde en overvloed
+aan het uitzicht konden geven, had voor zich zelve geen tegenzin in
+het sterven.
+
+In dat boek, waarin zij en haar eenvoudige oude vriend zooveel te zamen
+gelezen hadden, had zij het beeld gevonden van Een, die de kinderkens
+liefhad; en terwijl zij staarde en peinsde, had dat beeld opgehouden
+een schilderij uit het lang verleden te zijn, en was eene levende,
+alomtegenwoordige werkelijkheid geworden. Zijne liefde omving het
+kinderlijke hart met meer dan sterfelijke teederheid; en het was naar
+Hem en naar Zijn huis, zeide zij, dat zij heenging.
+
+Maar haar hart bleef toch met treurige teederheid gehecht aan allen
+die zij zou achterlaten--het meest aan haren vader; want hoewel zij dit
+nooit duidelijk dacht, voelde Eva er toch eene onwillekeurige zekerheid
+van, dat zij meer in zijn hart woonde dan in eenig ander. Zij had
+hare moeder lief, omdat zij zoo vol liefde was; en al de zelfzucht,
+welke zij in deze zag, bedroefde en verbijsterde haar slechts, want
+zij koesterde het blinde vertrouwen van een kind, dat hare moeder geen
+kwaad kan doen. Er was iets in de moeder, waarvan Eva geen begrip
+kon krijgen, en zij bewimpelde dit voor zich zelve door te denken
+dat deze toch hare mama was, en had haar toch waarlijk en innig lief.
+
+Zij was ook gehecht aan die trouwe bedienden, voor wie zij als
+daglicht en zonneschijn was. Kinderen bekommeren zich doorgaans niet om
+algemeene belangen; maar Eva was een ongewoon vroeg ontwikkeld kind,
+en wat zij gezien had van het kwaad, dat het stelsel waaronder zij
+leefde medebracht, was al dieper en dieper in haar peinzend hartje
+gedaald. Zij had een onbestemd verlangen om iets voor hen te doen, om
+hen niet alleen, maar allen in hunnen staat, te redden en gelukkig te
+maken--een verlangen, dat een droevig contrast vormde met de zwakheid
+harer krachten.
+
+"Och Tom," zeide zij eens, toen zij voor haren vriend las, "nu kan
+ik begrijpen waarom Jezus voor ons wilde sterven."
+
+"Waarom, Miss Eva?"
+
+"Omdat ik dat ook gevoeld heb."
+
+"Wat is dat, Miss Eva?--Dat begrijp ik niet."
+
+"Ik kan het u niet zeggen. Maar toen ik die arme schepsels op de boot
+zag, weet ge, toen wij hiernaar toe kwamen, sommigen die hunne moeder,
+en sommigen die hare mannen hadden verloren, en sommige moeders die om
+hare kinderen schreiden; en toen ik dat van de arme Prue hoorde--was
+dat niet schrikkelijk?--en nog heel dikwijls op andere tijden, heb
+ik gevoeld, dat ik gaarne zou willen sterven, als mijn sterven een
+einde aan al die ellende kon maken. Ik zou voor hen willen sterven,
+Tom, als ik kon," zeide het kind ernstig, haar uitgeteerde handje op
+zijne hand leggende.
+
+Tom zag haar nu met zekere eerbiedige ontzetting aan; en toen zij,
+de stem van haren vader hoorende, heentrippelde, veegde hij terwijl
+hij haar nazag verscheidene malen zijne oogen af.
+
+"Het baat niet of wij Miss Eva hier willen houden," zeide hij tegen
+Mammy, die hij een oogenblik later ontmoette. "Zij heeft het teeken
+des Heeren op haar voorhoofd."
+
+"Och, ja, ja," antwoordde Mammy hare handen opheffende. "Dat heb
+ik altijd gezegd. Zij geleek nooit naar een kind dat moest blijven
+leven--er was altijd iets dieps in hare oogen. Ik heb het mevrouw zoo
+dikwijls gezegd--en nu komt het uit--dat zien wij nu--allen--dat lieve,
+kleine, gezegende lam!"
+
+Eva kwam de stoep op naar haren vader toe. Het was laat in den
+namiddag, en de zonnestralen vormden eene soort van glorie achter haar,
+toen zij aankwam in haar wit kleedje, met haar goudblonde lokken,
+gloeiende wangen en onnatuurlijk heldere oogen, schitterende door de
+koorts, die in hare aderen brandde.
+
+St. Clare had haar geroepen om haar een beeldje te laten zien, dat
+hij voor haar gekocht had; maar haar voorkomen, toen zij naderde,
+maakte een plotselingen en pijnlijken indruk op hem. Er is eene soort
+van schoonheid, zoo bekoorlijk, en tevens zoo broos, dat wij die niet
+kunnen aanzien. Haar vader sloot haar in zijne armen en vergat bijna
+wat hij haar wilde zeggen.
+
+"Eva, liefje, ge zijt toch beter tegenwoordig, zijt ge niet?"
+
+"Papa," antwoordde Eva met eene ongewone vastheid van toon, "er zijn al
+lang dingen geweest, die ik u zeggen wilde, en ik wil ze u nu zeggen,
+eer ik zwakker word."
+
+St. Clare beefde, terwijl Eva zich op zijne knie plaatste.
+
+Zij leide haar hoofdje tegen zijne borst en vervolgde:
+
+"Het baat niet, Papa, of ik het langer voor mij zelve wil houden. De
+tijd komt dat ik u verlaten zal. Ik ga heen en kom dan nooit terug." En
+Eva snikte.
+
+"O kom, mijne lieve kleine Eva," zeide St. Clare, bevende terwijl
+hij sprak, maar zich tot een opgeruimden toon dwingende: "gij
+zijt zenuwachtig en droefgeestig geworden. Gij moet niet aan zulke
+zwaarmoedige gedachten toegeven. Zie eens hier, ik heb een beeldje
+voor u gekocht."
+
+"Neen, Papa," zeide Eva, het zacht wegduwende: "bedrieg u zelven
+niet. Ik ben niet beter--dat weet ik heel wel; en ik ga heen
+binnenkort. Ik ben niet zenuwachtig--ik ben niet zwaarmoedig. Als
+het niet om u en mijne vrienden was, Papa, zou ik blijde zijn. Ik
+wil gaarne gaan--ik verlang om te gaan."
+
+"Maar, lief kind, wat heeft uw hartje zoo treurig gemaakt? Gij hebt
+alles gehad wat u maar gegeven kon worden om u gelukkig te maken."
+
+"Ik zou toch liever in den hemel willen zijn--alleen om mijne vrienden
+zou ik nog gaarne blijven leven. Er zijn vele dingen hier, die mij
+droevig maken, die mij schrikkelijk voorkomen. Ik zou liever daar
+willen zijn--maar ik zou u toch niet willen verlaten--het breekt mij
+het hart bijna."
+
+"Wat maakt u zoo droevig, wat komt u zoo schrikkelijk voor, Eva?"
+
+"Ach, dingen die er gedaan zijn en nog gedurig gedaan worden. Ik ben
+bedroefd over onze arme slaven; zij hebben mij lief en zijn goed en
+vriendelijk voor mij. Ik wenschte, Papa, dat zij allen vrij waren."
+
+"Maar, Eva, kind, denkt gij dan niet dat zij het tegenwoordig goed
+genoeg hebben?"
+
+"Maar o, Papa, als u iets gebeuren mocht, wat zou er dan van hen
+worden? Er zijn heel weinig menschen, die u gelijken, Papa. Oom
+Alfred gelijkt niet naar u, en mama ook niet; en denk dan eens aan
+de eigenaars van die arme oude Prue! Welke schrikkelijke dingen doet
+men en kan men doen?" En Eva huiverde.
+
+"Lief kind, gij zijt al te gevoelig. Het spijt mij dat ik u ooit
+zulke histories heb laten hooren."
+
+"Ach, Papa, dat is het wat mij ontrust. Gij wilt dat ik gelukkig
+zal zijn, en nooit eenige pijn hebben, en nooit iets lijden, zelfs
+niets akeligs hooren, terwijl andere arme menschen hun leven lang
+niets dan pijn en droefheid hebben; dat schijnt zoo eigenlievend. Ik
+behoor zulke dingen te weten--ik behoor er gevoel voor te hebben. Zulke
+dingen zinken mij altijd in het hart, diep in het hart. Ik heb er over
+gedacht en weder gedacht. Papa, is er geen middel om alle slaven vrij
+te maken?"
+
+"Dat is eene moeielijke vraag, liefje. Er is geen twijfel aan of deze
+staat van zaken is zeer slecht, en vele menschen denken er zoo over,
+ik zelf insgelijks. Ik zou hartelijk wenschen, dat er geen slaaf in
+het land was, maar ik weet toch niet wat er aan te doen."
+
+"Papa, gij zijt zulk een goed man, zoo edeldenkend en menschlievend,
+en gij weet alles op zulk eene innemende manier te zeggen; zoudt gij
+niet kunnen rondgaan en beproeven de menschen te overreden om hierin
+te doen wat recht is? Als ik dood ben, Papa, dan zult gij aan mij
+denken en het om mijnentwil doen. Ik zou het doen als ik kon."
+
+"Als gij dood zijt, Eva?" zeide St. Clare met aandoening. "O, kind,
+spreek toch zoo niet. Gij zijt al wat ik op de wereld heb."
+
+"Het kind van die arme oude Prue was ook al wat zij had, en toch
+moest zij het hooren schreeuwen en kon het niet helpen. Papa, die
+arme schepsels hebben hunne kinderen even lief, als gij mij hebt. O,
+doe toch iets voor hen. Daar is de arme Mammy, die hare kinderen
+zoo liefheeft; ik heb haar zien schreien als zij er van sprak. En
+Tom heeft zijne kinderen ook zoo lief. O, het is schrikkelijk, Papa,
+dat zulke dingen gedurig gebeuren."
+
+"Kom, kom, lieveling," zeide St. Clare troostend; "maak u maar niet
+bedroefd en spreek maar niet van sterven, en ik wil alles doen wat
+gij maar verlangt."
+
+"Beloof mij dan, lieve vader, dat Tom zijne vrijheid zal hebben
+zoodra...." zij bleef hier steken en voegde er aarzelend bij:
+"zoodra ik hier vandaan ben."
+
+"Ja, liefje, ik wil alles doen--al wat gij maar vragen kunt."
+
+"Lieve Papa," zeide Eva, hare gloeiende wangen tegen de zijne leggende,
+"hoe wenschte ik dat wij te zamen konden gaan!"
+
+"Waarheen liefje?"
+
+"Naar het Huis van onzen Zaligmaker. Het is daar zoo zoet en
+vreedzaam--allen hebben elkander daar zoo lief." Het kind sprak
+onwillekeurig als van eene plaats waar zij dikwijls geweest
+was. "Verlangt gij ook niet te gaan, Papa?" zeide zij.
+
+St. Clare drukte haar vaster aan zijne borst, maar zweeg.
+
+"Gij zult eens bij mij komen," zeide het kind op den toon van geruste
+zekerheid sprekende, dien zij dikwijls onwillekeurig aannam.
+
+"Ik zal u nakomen. Ik zal u niet vergeten," zeide haar vader.
+
+De plechtige avondschemering werd al donkerder en donkerder, terwijl
+St. Clare daar nog zat met zijne lieveling in de armen. Hij zag de
+zielvolle oogen niet meer, maar de stem klonk hem als eene geestenstem
+in de ooren: en als in een visioen rees in een oogenblik geheel zijn
+leven voor hem op--de gebeden en gezangen zijner moeder--zijne eigene
+kinderlijke zucht en streven naar het goede--en tusschen die dagen
+en dit uur jaren van aardschgezindheid en twijfelzucht, en wat men
+een onberispelijk leven noemt. Men kan in een oogenblik veel, zeer
+veel denken. St. Clare zag en gevoelde veel, maar hij sprak niet; en
+toen het donkerder werd, bracht hij zijn kind naar haar slaapkamertje;
+en toen zij te bed was geholpen, zond hij de bedienden weg, en hield
+haar in zijnen arm en zong voor haar tot zij sliep.
+
+
+
+
+
+VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+DE KLEINE EVANGELIST.
+
+
+Het was Zondag-namiddag; St. Clare lag op eene van riet gevlochten
+bank onder de veranda en rookte eene sigaar. Marie lag op eene sofa,
+tegenover het venster dat onder de veranda uitkwam, door eene gordijn
+van doorzichtig gaas tegen den overlast der muskieten beschermd, en
+met een fraai gebonden gebedenboekje lusteloos in de hand. Zij had
+dit bij zich omdat het Zondag was, en verbeeldde zich dat zij er in
+gelezen had, hoewel zij slechts met het boekje in de hand eene reeks
+van dutjes had gedaan.
+
+Ophelia, die na eenig zoeken een kleine _meeting_ van methodisten
+in de nabijheid had ontdekt, was met Tom als koetsier en met Eva tot
+gezelschap daarheen gereden.
+
+"Zeg eens, Augustine," zeide Marie, na nog een dutje: "Ik moet mijn
+ouden dokter Posey uit de stad laten komen. Ik ben zeker dat ik eene
+hartkwaal heb."
+
+"Maar wat behoeft gij hem te laten komen? De dokter die over Eva
+praktizeert, schijnt zeer bekwaam te zijn."
+
+"Ik zou hem in een kritiek geval niet vertrouwen," antwoordde Marie;
+"en ik meen wel te mogen zeggen dat het mijne dat wordt. Ik heb er
+al twee nachten over liggen denken. Ik heb zulk eene akelige pijn en
+zulk een vreemd gevoel."
+
+"Och, Marie, ge zijt hypochondrisch. Ik geloof het niet dat het eene
+hartkwaal is."
+
+"Dat gij het niet gelooft kan ik wel denken, en had ik ook wel
+verwacht," antwoordde Marie. "Gij kunt u ongerust genoeg maken als Eva
+maar kucht of haar het minste scheelt, maar om mij denkt gij nooit."
+
+"Als het u bijzonder pleizier doet eene hartkwaal te hebben, welnu,
+doe dan uw best maar om te bewijzen dat gij er eene hebt," zeide
+St. Clare. "Ik had het niet gedacht."
+
+"Wel, ik hoop maar dat het u niet spijten zal als het te laat is,"
+zeide Marie, "maar geloof of geloof het niet, mijne droefheid over Eva
+en de vermoeienissen, die ik voor dat lieve kind van mij heb gevergd,
+hebben datgene doen ontwikkelen, wat ik reeds lang vermoed had."
+
+Welke vermoeienissen het waren, die Marie bedoelde, zou niet
+gemakkelijk te zeggen zijn geweest. St. Clare maakte bij zich zelven
+die aanmerking en bleef toen gevoelloos liggen rooken, tot er een
+rijtuig voor de veranda stilhield en Eva en hare tante daaruit stapten.
+
+Miss Ophelia ging altijd naar hare kamer om haar hoed en sjaal te
+gaan bergen, gelijk hare vaste gewoonte was, eer zij nog een woord
+over iets sprak; terwijl Eva, door haar vader geroepen, op zijne knie
+kwam zitten en hem een verslag van de preek gaf.
+
+Weldra hoorde men in de kamer van Ophelia, die insgelijks op de veranda
+uitkwam, eenige luide uitroepingen en daarop eene scherpe bestraffing,
+tot den een of ander gericht.
+
+"Welk nieuw kattekwaad zou Topsy weer aangericht hebben?" zeide
+St. Clare. "Die opschudding is haar bedrijf, daar wil ik op wedden."
+
+Een oogenblik later kwam Ophelia aan, ten hoogste verbolgen en de
+schuldige met zich medetrekkende.
+
+"Kom hier buiten," zeide zij. "Nu wil ik het uwen meester zeggen."
+
+"Wat is de zaak?" zeide Augustine.
+
+"De zaak is dat ik met dit kind niet langer wil geplaagd wezen. Het is
+niet te verdragen; vleesch en bloed kunnen het niet uitstaan. Daar had
+ik haar nu opgesloten en een gezang gegeven om van buiten te leeren;
+en wat heeft zij nu gedaan;--afgeloerd waar ik mijne sleutels berg,
+mijn bureau opengedaan, er voering van een hoed uitgehaald en die
+geheel aan stukjes geknipt, om poppejakjes te maken. Ik heb nooit in
+mijn leven zoo iets gezien."
+
+"Ik heb u wel gezegd, Nicht," zeide Marie, "dat ge wel ondervinden
+zoudt dat die schepsels niet zonder strengheid kunnen opgebracht
+worden. Als ik mijn zin nu deed," vervolgde zij, St. Clare verwijtend
+aanziende, "zou ik die meid eens goed laten geeselen; ik zou haar
+laten geeselen, dat ze niet meer staan kon."
+
+"Daar twijfel ik niet aan," zeide St. Clare. "Spreek me maar van de
+zachte heerschappij der vrouw. Ik heb nooit meer dan een half dozijn
+vrouwen gekend, die niet in staat zouden zijn, om een paar meiden of
+een meid dood te laten slaan, als zij haar eigen zin mochten doen."
+
+"Ik weet niet hoe gij u nog langer bedenken kunt, St. Clare," hervatte
+Marie. "Nicht is eene verstandige vrouw en zij ziet het nu evengoed
+als ik.'
+
+Ophelia was wel in staat om zich zoo boos te maken als eene goede
+huishoudster behoort te kunnen doen, en zij had zich over de listigheid
+en baldadigheid van het kind zoo boos gemaakt als zij maar worden kon;
+maar wat Marie voorsloeg was haar toch al te grof en zij voelde zich
+dadelijk veel minder warm.
+
+"Ik zou het kind voor de geheele wereld zoo niet willen behandelen,"
+zeide zij; "maar het is toch zoo, Augustine, ik weet niet meer wat
+te doen. Ik heb haar geleerd en geleerd; ik heb gepraat tot ik er moe
+van werd, ik heb haar gestraft op alle manieren die ik bedenken kon,
+en zij is nog juist hetzelfde wat zij in het begin was."
+
+"Kom hier, Topsy, gij kleine meerkat!" zeide St. Clare, het kind
+roepende.
+
+Topsy kwam. In hare ronde oogen flikkerde een mengeling van vrees en
+hare gewone koddige dartelheid.
+
+"Waarom gedraagt gij u zoo?" zeide St. Clare, die bijna niet nalaten
+kon om de uitdrukking van het zwarte gezichtje te lachen.
+
+"Ik geloof dat het aan mijn goddeloos hart ligt," antwoordde Topsy
+zeer stemmig. "Miss Phelia zegt dit."
+
+"Begrijpt gij dan niet hoeveel Miss Ophelia voor u gedaan heeft? Zij
+zegt dat zij alles gedaan heeft wat zij bedenken kon."
+
+"Och meester, mijne oude meesteres placht dit ook te zeggen. Zij
+sloeg mij veel harder, en trok mij bij de haren en beukte mij met
+mijn hoofd tegen de deur; maar het deed mij toch geen goed. Ik geloof
+al trokken zij ieder haartje uit mijn hoofd, het zou mij nog geen
+goed doen.--Zoo goddeloos ben ik. Och! Ik ben niets anders dan een
+neger--anders niets."
+
+"Nu, ik zal van haar moeten afzien," zeide Ophelia. "Ik kan dien last
+niet langer hebben."
+
+"Ik zou u toch wel ééne vraag willen doen," zeide St. Clare.
+
+"Welke vraag?"
+
+"Wel, als uw Evangelie geen kracht genoeg heeft om één heidensch kind
+te redden, dat gij geheel onder uwe macht tehuis bij u hebt, wat
+baat het dan om daarmede een paar arme zendelingen te zenden onder
+duizenden van zulke schepselen? Ik meen toch dat dit kind nagenoeg
+een staaltje zal wezen van wat duizenden heidenen zijn."
+
+Ophelia gaf niet dadelijk antwoord; en Eva, die dit tooneel tot
+nog toe stil had aangezien, gaf Topsy zwijgend een teeken om haar
+te volgen. Op den hoek der veranda was een afgeschoten kamertje van
+glasramen, waarin St. Clare dikwijls zat te lezen, en het was in dit
+vertrekje dat Eva met Topsy verdween.
+
+"Wat gaat Eva nu beginnen?" zeide St. Clare. "Dat moet ik toch zien."
+
+Hij sloop op de teenen nader en lichtte de gordijnen op, die voor
+de glazen deur hingen. Een oogenblik later gaf hij, met den vinger
+op de lippen, Ophelia een wenk om ook te komen zien. Daar zaten de
+twee kinderen op den grond, zoodat hunne gezichtjes juist op zijde
+konden gezien worden--Topsy met hare gewone, koddige, halfspottende
+onverschilligheid; maar tegenover haar Eva, met vurige aandoening in
+al hare trekken en tranen in de oogen.
+
+"Waarom maakt gij het zoo slecht, Topsy? Waarom wilt gij uw best niet
+doen om goed te zijn? Is er niemand dien gij liefhebt, niemand van
+wien gij houdt, Topsy?"
+
+"Van liefhebben weet ik niet af; en ik houd van klontjes en zoo,
+anders niet," antwoordde Topsy.
+
+"Maar hebt ge dan uw vader en uwe moeder niet lief?"
+
+"Nooit gehad, weet ge wel. Dat heb ik u gezegd, Miss Eva."
+
+"O ja, dat weet ik," zeide Eva treurig. "Maar hebt gij dan geen
+broeder of zuster gehad, of tante, of...."
+
+"Neen, niets van dat--heb nooit iemand of iets gehad."
+
+"Maar, Topsy, als ge maar uw best woudt doen om goed te zijn, dan
+zoudt ge...."
+
+"Ik zou toch nooit iets anders dan een neger kunnen wezen, al was ik
+nog zoo goed," zeide Topsy. "Als ik gevild kon worden en blank worden,
+dan zou ik mijn best doen."
+
+"Maar men kan u toch wel liefhebben, al zijt gij zwart, Topsy. Miss
+Ophelia zou u liefhebben, als gij maar goed waart."
+
+Topsy liet den korten schamperen lach hooren, waarmede zij gewoon
+was ongeloof aan te duiden.
+
+"Denkt gij dat niet," zeide Eva.
+
+"Neen, zij kan mij niet uitstaan, omdat ik eene negerin ben! Zij zou
+even lief hebben dat eene padde haar aanraakte. Niemand kan negers
+liefhebben, en negers kunnen niets doen. Maar het kan mij niet
+schelen." En Topsy begon te fluiten.
+
+"O, Topsy, arm kind, ik heb u lief!" zeide Eva met eene plotselinge
+uitbarsting van aandoening, en haar wit uitgeteerd handje op Topsy's
+schouder leggende. "Ik heb u lief, omdat gij nooit vader, moeder of
+vrienden hebt gehad, omdat gij een arm mishandeld kind zijt geweest. Ik
+heb u zeer lief, en ik wenschte dat gij al goed waart. Ik ben heel
+ziek, Topsy, en ik denk dat ik niet lang leven zal; en het spijt mij
+waarlijk u zoo ondeugend te zien. Ik wenschte dat gij om mijnentwil
+uw best deedt om goed te zijn, Topsy: het is nog maar een korte poos
+dat ik bij u zal wezen."
+
+De ronde flikkerende oogen van het zwarte kind werden door tranen
+beneveld; groote, heldere droppels rolden een voor een over hare
+wangen en vielen op het blanke handje. Ja, op dat oogenblik had een
+straal van waar geloof, een straal van hemelsche liefde de duisternis
+harer heidensche ziel doordrongen! Zij liet haar hoofd tusschen hare
+knieën zinken en schreide en snikte, terwijl het schoone meisje,
+over haar heengebogen, op het beeld van een heerlijken engel geleek,
+afdalende om een zondaar te redden.
+
+"Arme Topsy!" zeide Eva, "weet gij niet dat Jezus allen eveneens
+liefheeft? Hij is even gewillig om u lief te hebben als mij. Hij heeft
+u even lief als ik, nog meer, omdat Hij beter is. Hij zal u helpen
+om goed te zijn. En gij kunt eindelijk naar den hemel gaan en voor
+eeuwig een engel worden, evengoed alsof gij blank waart. Bedenk dat
+eens, Topsy! Gij kunt een van die zalige geesten worden, waar Oom
+Tom van zingt."
+
+"O, lieve Miss Eva, lieve Miss Eva," zeide het kind. "Ik wil mijn
+best doen. Ik wil mijn best doen. Voorheen heeft het mij nooit kunnen
+schelen."
+
+Op dit oogenblik liet St. Clare de gordijn vallen.
+
+"Dat herinnert mij aan moeder," zeide hij tegen Ophelia. "Het is
+waar wat zij mij zeide: "Als wij de blinden het gezicht willen geven,
+moeten wij willen doen wat Christus deed--hen tot ons roepen en _onze
+handen op hen leggen_."
+
+"Ik heb altijd een vooroordeel tegen negers gehad," zeide Ophelia,
+"en het is waar, ik heb nooit kunnen velen, dat dat kind mij aanraakte;
+maar ik dacht dat zij het niet wist."
+
+"Wees er maar zeker van, dat ieder kind zoo iets ontdekt," zeide
+St. Clare. "Dat is niet voor hen te verbergen. Maar ik geloof dat
+alle pogingen om een kind wel te doen, en alle wezenlijke gunsten,
+die men het bewijzen kan, nooit eenige opwelling van dankbaarheid
+kunnen teweegbrengen, zoolang dat gevoel van tegenzin in het hart
+blijft; het mag zonderling zijn, maar het is zoo."
+
+"Ik weet niet hoe ik het veranderen kan," antwoordde Ophelia. "Zij
+_zijn_ mij onaangenaam, en dit kind in het bijzonder. Hoe kan ik dat
+gevoel bedwingen?"
+
+"Eva doet het toch, naar het schijnt."
+
+"Maar zij is ook zoo liefhebbend!" zeide Ophelia. "Evenwel, zij is
+toch niet meer dan christelijk. Ik wenschte dat ik op haar geleek. Zij
+zou mij nog wel eene les kunnen geven."
+
+"Het zou de eerste maal niet zijn, dat een klein kind gebruikt was
+om een ouden discipel te onderwijzen," zeide St.-Clare.
+
+
+
+
+
+ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+DOOD.
+
+ "Ween niet om hen, wie de sluier des grafs
+ In 's levens morgenstond heeft voor ons oog verborgen."
+
+
+Eva's slaapkamer was een ruim vertrek, dat, gelijk al de andere kamers
+van het huis, op de breede veranda uitkwam. Aan de eene zijde grensde
+het aan de kamer van haren vader en moeder, aan de andere aan die,
+welke Miss Ophelia in gebruik had. St.-Clare had zijn eigen smaak
+gevolgd in het meubileeren van dit vertrek in een trant, welke volkomen
+met het karakter van haar voor wie het bestemd was strookte. De
+vensters waren met gordijnen van rozerood en wit neteldoek behangen;
+de vloer was bedekt met eene mat, die men van Parijs had laten komen,
+naar een patroon van zijne eigene teekening, dat in het rond een rand
+van rozeknoppen en bladeren, en in het midden een perk geheel ontloken
+rozen had. Het ledikant, de stoelen en de sofa's waren van bamboes in
+bijzonder sierlijke patronen gevlochten. Aan het hoofdeinde van het
+ledikant was eene albasten console, waarop een schoon gebeeldhouwde
+engel, met saamgevouwen vleugelen stond, die een mirtekrans ophield;
+van dien krans hingen de lichte gordijnen van rooskleurig met
+zilver gestreept gaas af, welke die beschutting gaven, welke in dat
+klimaat een onmisbaar vereischte voor elke slaapplaats is. Op de
+sierlijke sofa's van bamboes lagen kussens van rooskleurig damast, en
+daaroverheen hingen, door beelden opgehouden, dergelijke gordijnen als
+die van het ledikant. Eene fraaie, insgelijks van bamboes gevlochten
+tafel stond midden in het vertrek, en daarop een wit marmeren vaas,
+in den vorm eener lelie met knoppen, altijd met bloemen gevuld. Op
+deze tafel lagen Eva's boeken en snuisterijen, en stond ook een
+sierlijke albasten inktkoker, dien haar vader haar had gegeven,
+toen hij zag dat zij moeite deed om te leeren schrijven. Er was eene
+stookplaats in het vertrek, en op den schoorsteenmantel stond eene
+uitmuntend gebeeldhouwde kleine groep, Jezus de kinderen zegenende,
+tusschen twee marmeren vazen, welke Tom zorgde elken morgen van versche
+bloemruikers te voorzien. Eenige uitmuntende schilderijen van kinderen,
+in verschillende houdingen, verfraaiden de wanden. Kortom, het oog kon
+zich nergens heenwenden, zonder de beelden van kindsheid, schoonheid
+en zielevrede te ontmoeten. Die twee oogjes openden zich nooit voor
+het morgenlicht, zonder iets te zien dat het hartje streelde en het
+veredelende gedachten moest inboezemen.
+
+De bedriegelijke kracht, welke Eva eene poos had ondersteund, verdween
+spoedig weder; al zeldzamer en zeldzamer hoorde men haar lichten tred
+onder de veranda, en als men haar zocht, vond men haar gewoonlijk op
+eene sofa voor het open venster liggen, met de oogen op de kabbelende
+golfjes van het meer gevestigd.
+
+Het was eens op een namiddag, terwijl zij zoo lag--met haren Bijbel
+half open bij haar, en de dunne doorschijnende vingertjes lusteloos
+tusschen de bladen--dat zij de stem harer moeder, schel en driftig
+onder de veranda hoorde.
+
+"O, gij ondeugend nest, wat hebt gij nu weer uitgevoerd? Bloemen
+geplukt, he?" En Eva hoorde den klank van een harden klap.
+
+"Och, Mevrouw, zij zijn voor Miss Eva," hoorde zij eene stem zeggen,
+welke zij voor die van Topsy herkende.
+
+"Voor Miss Eva? Een mooi verzinsel! Denkt gij dat zij bloemen van u
+noodig heeft, gij logenachtig ding? Maak dat gij weg komt."
+
+In een oogenblik was Eva op en naar de veranda.
+
+"O, neen, Mama, ik zou de bloemen gaarne hebben. Geef ze mij toch. Ik
+verlang er naar."
+
+"Maar, Eva, uwe kamer is vol."
+
+"Ik kan er nooit te veel hebben," antwoordde Eva. "Topsy, breng ze
+mij hier."
+
+Topsy, die met een hangend hoofd druilend was blijven staan, kwam nu
+en bood hare bloemen aan. Zij deed dit met eene schroomvalligheid
+en bedeesdheid, zeer verschillende van de zonderlinge koddige
+onbeschaamdheid en levendigheid, die haar anders eigen waren.
+
+"Het is een mooi bouquetje!" zeide Eva, het beziende.
+
+Het was zeker buitengemeen genoeg--een enkele schitterende roode
+geranium en eene enkele witte japonica, met hare glanzige bladeren. Het
+was blijkbaar zoo gekozen door een oog dat gevoel had voor het contrast
+van kleuren, en elk blaadje was met zorg geschikt.
+
+Topsy scheen zeer in haren schik toen Eva zeide: "Topsy, gij kunt heel
+aardig bloemen schikken. Hier in dit vaasje heb ik er nog geen. Ik
+wou dat gij er alle dagen een ruikertje voor kondt maken."
+
+"Welk een wonderlijke inval!" zeide Marie. "Wat in de wereld wilt ge
+toch daarmede doen?"
+
+"Och niets, Mama; maar gij wilt immers wel hebben dat Topsy dit doet,
+niet waar?"
+
+"Natuurlijk, alles wat u genoegen kan geven, liefje. Topsy, gij hoort
+wat uwe jonge meesteres zegt; pas op dat gij er voor zorgt."
+
+Topsy neeg even en keek voor zich neer; en toen zij zich omkeerde,
+zag Eva een traan over hare zwarte wang rollen.
+
+"Ziet ge, Mama, ik wist wel dat die arme Topsy iets voor mij wilde
+doen," zeide Eva tegen hare moeder.
+
+"Och kom, gekheid! Het is maar alleen omdat zij gaarne kwaad doet. Zij
+weet dat zij geen bloemen mag plukken, en daarom doet zij het--anders
+is het niet. Maar als gij er pleizier in hebt dat zij ze plukt,
+laat het dan zoo zijn.
+
+"Mama, ik geloof dat Topsy anders is dan zij placht te wezen. Zij
+wil nu haar best doen om een goed meisje te worden."
+
+"Zij zal lang haar best moeten doen eer haar dat gelukt," zeide Marie
+met een onverschilligen lach.
+
+"Maar gij weet ook wel, Mama, die arme Topsy heeft altijd alles tegen
+zich gehad."
+
+"Toch zeker niet sedert zij hier is. Men heeft haar onderricht en
+voor haar gepreekt, en alles gedaan wat iemand op de wereld doen kon;
+en zij is even ondeugend en zal dat altijd blijven; van dat schepsel
+kunt gij nooit iets maken."
+
+"Maar, Mama, het maakt zulk een groot verschil, of iemand opgebracht
+is zooals ik geworden ben, met zooveel vrienden en zooveel dingen
+om mij tevreden en goed te maken, of opgebracht te worden zooals zij
+altijd geworden is tot zij hier kwam."
+
+"Dat zal wel waar zijn," antwoordde Marie. "He, wat is het
+warm!" "Mama, gij gelooft toch wel, doet gij niet, dat Topsy een engel
+zou kunnen worden, zoowel als een van ons, als zij christen werd?"
+
+"Topsy! Welk een gekke inval! Niemand dan gij zou ooit daaraan gedacht
+hebben. Maar ik denk toch dat het zou kunnen zijn."
+
+"Maar, Mama, is dan God haar Vader niet, evengoed als de onze? Is
+Jezus haar Zaligmaker niet?"
+
+"Nu ja, dat zal wel wezen. Ik geloof ook dat God alle menschen
+geschapen heeft," zeide Marie. "Waar is mijn flacon?"
+
+"Het is zoo jammer--o zoo jammer!" zeide Eva, naar het meer in de
+verte turende en half bij zich zelve sprekende.
+
+"Wat is jammer?" zeide Marie.
+
+"Wel, dat iemand die een heerlijke engel zou kunnen zijn, en met
+engelen leven, in het verderf zou zinken, en niemand die ongelukkige
+helpen zou?"
+
+"Ja, dat kunnen wij toch niet helpen, en het gaat niet zich daarover
+te kwellen, Eva. Ik weet niet wat er aan te doen is. Wij moeten maar
+dankbaar zijn voor onze eigene voorrechten."
+
+"Dat kan ik haast niet wezen," antwoordde Eva, "zoo bedroefd word ik,
+als ik aan die arme menschen denk die er geene hebben."
+
+"Dat is toch vreemd," zeide Marie; "ik weet wel dat mijn godsdienst
+mij dankbaar maakt voor mijne voorrechten."
+
+"Mama," zeide Eva op eens, "ik wou wat van mijn haar hebben
+afgeknipt--veel afgeknipt."
+
+"Waarom?" vroeg Marie.
+
+"Ik wou het aan mijne vrienden geven, Mama, terwijl ik nog in staat
+ben om het zelve te geven. Wilt gij tante niet vragen om eens hier
+te komen en het voor mij af te knippen?"
+
+Marie verhief hare stem en riep Ophelia uit de andere kamer.
+
+Toen deze binnenkwam, rees Eva half overeind, schudde hare lange
+krullen los, en zeide bijna schertsende: "Kom, Tante, scheer het
+schaapje!"
+
+"Wat is dat?" zeide St.-Clare, die juist binnenkwam met eenige
+vruchten, die hij voor haar was gaan halen.
+
+"Papa, ik wilde tante wat van mijn haar laten afsnijden. Ik heb te
+veel, en het maakt mijn hoofd heet. En bovendien wilde ik er wat
+van weggeven."
+
+Ophelia kwam met eene schaar.
+
+"Pas op dat gij het niet ontsiert," zeide St.-Clare. "Knip van onderen
+weg, waar het niet te zien zal zijn. Ik ben grootsch op Eva's krullen."
+
+"O, Papa!" zeide Eva treurig.
+
+"Ja zeker, en ik wil ze mooi hebben gehouden, tegen den tijd dat ik u
+medeneem naar de plantage van uwen oom, om neef Henrique te bezoeken,"
+zeide St.-Clare op een vroolijken toon.
+
+"Ik zal nooit daarheen gaan; ik ga naar een beter land. O, geloof
+mij toch! Ziet ge niet, Papa, dat ik elken dag zwakker word?"
+
+"Waarom dringt gij mij zoo om iets te gelooven, dat mij zoo verdrietig
+zou zijn, Eva?" zeide haar vader.
+
+"Alleen omdat het waar is, Papa; en als gij het nu gelooven wilt,
+zult gij er misschien even kalm onder worden als ik."
+
+St.-Clare kneep zijne lippen dicht en bleef somber staan toezien,
+terwijl de fraaie lange krullen van het hoofd zijner dochter werden
+afgeknipt, en een voor een in haren schoot gelegd. Zij nam ze op, zag
+ze ernstig aan, wond ze om hare dunne vingertjes, en keek tusschenbeide
+met angstige treurigheid naar haar vader op.
+
+"Dat is het juist, waarvan ik een voorgevoel heb gehad," zeide
+Marie. "Dat is het, wat van dag tot dag aan mijne gezondheid heeft
+geknaagd en mij naar het graf brengt, hoewel niemand er op let. Ik
+heb dit al lang voorzien, en spoedig, St.-Clare, zult gij zien dat
+ik gelijk had."
+
+"En dat zal u zeker een grooten troost geven," zeide St.-Clare droog
+en bitter.
+
+Marie liet zich achterover op eene sofa zakken en bedekte haar gelaat
+met haren zakdoek.
+
+Eva's helderblauwe oogen keerden zich ernstig starende van den een
+naar den ander. Het was de kalme, heldere blik eener ziel, reeds
+half van hare aardsche banden ontslagen; het was duidelijk dat zij
+verschil tusschen die twee zag en gevoelde.
+
+Zij wenkte haar vader met haar handje. Hij kwam en zette zich bij
+haar neer.
+
+"Papa, mijne kracht vermindert van dag tot dag, en ik weet dat ik
+moet heengaan. Er zijn nog eenige dingen, die ik zeggen en doen wilde
+en die ik niet verzuimen mag; en gij zijt zoo bang om mij een woord
+daarover te laten spreken. Maar het moet toch gebeuren, het kan niet
+uitgesteld worden. Wees toch gewillig dat ik nu spreek."
+
+"Ik ben gewillig, mijn kind," zeide St.-Clare, met de eene hand zijne
+oogen bedekkende en met de andere Eva's handje vasthoudende.
+
+"Dan wilde ik al onze lieden bij elkander zien. Er zijn eenige dingen
+die ik hun moet zeggen."
+
+"Welnu dan," antwoordde St.-Clare, op een toon van doffe berusting.
+
+Ophelia zond iemand heen, en weldra waren al de bedienden in de kamer
+bij elkander.
+
+Eva zat in de kussens, rustende op de sofa; hare overgeblevene lokken
+zwierden los om haar gezichtje; hare gloeiende wangen vormden een
+pijnlijk contrast met de bleeke blankheid harer kleur en de magerheid
+harer trekken en leden; en hare groote, zielvolle oogen zagen iedereen
+ernstig aan.
+
+Eene plotselinge ontroering beving al de bedienden. Dat gezichtje van
+bovenaardsche schoonheid, de lange afgeknipte haarlokken, het afgewende
+gelaat van den vader, het snikken der moeder, dat alles maakte een
+diepen indruk op het gevoel van zulke licht aandoenlijke menschen;
+en toen zij binnenkwamen zagen zij elkander aan, zuchtten en schudden
+het hoofd. Er volgde eene diepe stilte, gelijk bij eene begrafenis.
+
+Eva beurde zich op en zag eene poos ernstig in het rond. Alle gezichten
+stonden droevig; vele der vrouwen verborgen het gezicht achter haar
+voorschoot.
+
+"Ik heb u allen laten roepen, mijne vrienden," zeide Eva, "omdat
+ik u liefheb. Ik heb u allen lief, en ik heb iets te zeggen, dat
+ik wensch dat gij altijd onthouden zult. Ik ga u verlaten. Over nog
+eenige weken zult gij mij niet meer zien..."
+
+Hier werd zij in de rede gevallen door eene uitbarsting van kermende
+zuchten, snikken en jammerklachten, die hare zwakke stem geheel
+verdoofden. Zij wachtte een oogenblik, en toen zeide zij op een toon
+die alles tot stilte bracht:
+
+"Als ge mij liefhebt, moet ge mij zoo niet storen. Luistert naar
+wat ik zeg. Ik wilde over uwe zielen spreken. Vele van u, vrees ik,
+zijn zeer zorgeloos. Gij denkt alleen aan deze wereld. Ik wilde u doen
+bedenken en onthouden dat er een schoone wereld is, waar Jezus is. Ik
+ga daarheen, en gij kunt ook daarheen gaan; die wereld is voor u,
+zoowel als voor mij. Maar als gij daarheen wilt gaan, moet gij niet
+los, zorgeloos en gedachteloos leven; dan moet gij christenen zijn. Gij
+moet altijd onthouden, dat gij allen, een voor een, engelen kunt
+worden en voor eeuwig engelen zijn.--Als gij christenen wilt worden,
+zal Jezus u helpen. Gij moet tot Hem bidden; gij moet lezen...."
+
+Hier bedacht zij zich, zag hen medelijdend aan en zeide treurig: "Ach,
+gij kunt niet lezen! Arme zielen!" En toen verborg zij haar gezichtje
+in de kussens en schreide, totdat de gesmoorde zuchten van hen, wie
+zij had aangesproken en die nu om haar heen op den grond knielden,
+haar opwekten.
+
+"Dat is niets," zeide zij, zich weder oprichtende en door hare tranen
+heen helder glimlachende: "ik heb voor u gebeden, en ik weet dat
+Jezus u helpen zal, al kunt gij niet lezen. Doet allen uw best maar,
+bidt elken dag; vraagt Hem om u te helpen, en laat u uit den Bijbel
+voorlezen, zoo dikwijls gij kunt, dan denk ik dat ik u allen in den
+hemel zal zien."
+
+"Amen!" was het antwoord, dat nu door Tom en Mammy en eenige anderen
+der oudsten, die tot de methodistische kerk behoorden, gepreveld
+werd. De jongeren en andere loszinnigen, thans geheel vermurwd,
+lagen met gebogen hoofd op de knieën te snikken.
+
+"Ik weet," zeide Eva, "dat gij mij allen zeer liefhebt."
+
+"Ja, o ja! Waarlijk doen wij dat! God zegene haar!" was het algemeene
+onwillekeurige antwoord.
+
+"Ja, dat weet ik. Er is niemand onder u, die niet altijd heel goed voor
+mij geweest is; en ik wilde u iets geven, dat ge mij altijd gedenken
+moogt, als ge het ziet. Ik zal u ieder eene krul van mijn haar geven;
+en als ge die aanziet, denk dan dat ik u liefhad en naar den hemel
+ben gegaan, en dat ik zoo verlang u allen daar te zien."
+
+Het is onmogelijk het tooneel te beschrijven dat nu volgde, terwijl
+allen zich met tranen en snikken om het kind verzamelden en uit hare
+hand het laatste teeken harer liefde ontvingen. Zij vielen op hunne
+knieën, zij snikten, baden en kusten den zoom van haar kleed; terwijl
+de oudsten een vloed van teedere benamingen uitstortten, met gebeden en
+zegenwenschen gemengd, op de wijze van hunnen hartstochtelijken stam.
+
+Ophelia, beducht voor den invloed van al deze aandoeningen op de
+kleine lijderes, wenkte ieder die hare gift ontvangen had om uit de
+kamer te gaan.
+
+Eindelijk waren allen vertrokken, behalve Tom en Mammy.
+
+"Hier, Oom Tom," zeide Eva, "hier is een mooie voor u. O, ik ben
+zoo blij, Oom Tom, als ik denk dat ik u in den hemel zien zal, want
+dat zal ik zeker; en Mammy--lieve, goede, vriendelijke Mammy," zeide
+zij, teeder hare armpjes om hare oude oppasster slaande, "ik weet,
+dat gij daar ook wel zult zijn."
+
+"O, Miss Eva, ik weet niet hoe ik zonder u leven zal!" riep de
+getrouwe oppasster uit. "Het is alsof alles op eens uit het huis wordt
+weggenomen," en Mammy gaf zich over aan hare hartstochtelijke smart.
+
+Ophelia duwde haar en Tom zachtjes de kamer uit en dacht nu dat allen
+weg waren, maar toen zij zich omkeerde, stond Topsy daar nog.
+
+"Waar zijt gij vandaan gekomen?" zeide zij bevreemd.
+
+"Ik was nog hier," antwoordde Topsy, zich de tranen uit de oogen
+vegende. "O, Miss Eva, ik ben een slecht meisje geweest; maar wilt
+gij er mij niet ook eene geven?"
+
+"Ja, arme Topsy, zeker wil ik. Daar--telkens als gij dat aanziet,
+denk dan dat ik u liefhad en wenschte dat gij een goed meisje waart."
+
+"O, Miss Eva, ik doe mijn best," zeide Topsy ernstig; "maar och,
+het is zoo moeilijk om goed te zijn. Het lijkt dat ik er mij maar
+geheel niet aan gewennen kan."
+
+"Jezus weet dat wel, Topsy. Hij heeft medelijden met u en Hij zal
+u helpen."
+
+Topsy liet zich met haar voorschoot voor haar oogen, stil door Miss
+Ophelia de kamer uitbrengen, maar onder het heengaan verborg zij de
+kostbare krul aan hare borst.
+
+Toen allen weg waren sloot Ophelia de deur. De brave vrouw had onder
+dit tooneel veel eigen tranen afgewischt, maar bekommering voor de
+gevolgen van zooveel aandoening voor de kleine lijderes had toch de
+overhand in haar gemoed.
+
+St. Clare had al dien tijd met de hand voor de oogen gezeten, en toen
+allen heen waren bleef hij nog zitten.
+
+"Papa!" zeide Eva, hare hand op de zijne leggende.
+
+Hij maakte eene beweging van schrik en huiverde, maar gaf geen
+antwoord.
+
+"Lieve Papa!" zeide Eva.
+
+"Ik kan, ik kan het niet doorstaan!" zeide St. Clare opstaande. "De
+Almachtige heeft bitter, zeer bitter met mij gehandeld!" En bitter
+was waarlijk de nadruk, waarmede hij deze woorden uitsprak.
+
+"Augustine, heeft God het recht niet om met Zijn eigendom te doen
+wat Hij wil?" zeide Ophelia.
+
+"Misschien; maar dat maakt het niet lichter om te dragen," antwoordde
+St. Clare op een harden, drogen toon en zonder tranen, terwijl hij
+zich omkeerde.
+
+"O, Papa, gij breekt mij het hart!" riep Eva uit en wierp zich
+opstaande in zijne armen. "Gij moet zoo niet denken, zoo niet
+voelen." En zij schreide en snikte met eene heftigheid, die allen
+zeer ongerust maakte en aan de gedachten van haren vader terstond
+eene andere richting gaf.
+
+"Stil, Eva; stil, liefje! Ik heb verkeerd gedaan. Ik heb slecht
+gesproken. Ik wil alles denken--alles doen. Bedroef u maar zoo niet,
+snik maar zoo niet. Ik zal gelaten zijn; ik zal berusten. Ik beken
+mijne schuld met zoo te spreken."
+
+Eva lag weldra afgemat maar rustig in de armen van haren vader, die
+haar troostte met alle teedere woordjes, welke hij maar bedenken kon.
+
+Marie stond op en snelde naar hare eigene kamer, waar zij het hevig
+op de zenuwen kreeg.
+
+"Gij hebt mij geene krul gegeven, Eva," zeide haar vader met een
+treurigen glimlach.
+
+"Zij zijn allen voor u, Papa," antwoordde zij lachende, "voor u
+en mama; en gij moet er mijn lieve tante zooveel van geven als zij
+wil. Ik heb ze maar zelve aan onze arme lieden gegeven; omdat het,
+weet ge, Papa, zou kunnen vergeten worden, als ik er niet meer ben,
+en omdat ik hoopte dat het hun zou helpen onthouden.... Gij zijt een
+christen, niet waar, Papa?" zeide zij twijfelachtig.
+
+"Waarom vraagt ge mij dat?"
+
+"Ik weet het niet. Gij zijt zoo goed, dat ik niet zie hoe gij het
+niet zoudt wezen."
+
+"Wat is het, Eva, een christen te zijn?"
+
+"Christus boven alles lief te hebben," antwoordde Eva.
+
+"Doet gij dat, Eva?"
+
+"Zeker, dat doe ik."
+
+"Gij hebt Hem toch nooit gezien." zeide St. Clare.
+
+"Dat maakt geen verschil," antwoordde Eva. "Ik geloof in Hem, en
+over weinige dagen zal ik Hem zien." En haar gezichtje straalde
+van blijdschap.
+
+St. Clare zei niets meer. Het was een gevoel, dat hij ook vroeger bij
+zijne moeder had ontwaard; maar in zijn binnenste was geene snaar,
+die daarmede in overeenstemming trilde.
+
+Na dien tijd verminderde Eva snel. Er was geen twijfel meer aan
+den afloop; de teederste hoop kon zich niet meer verblinden. Hare
+fraaie kamer werd nu geheel en al een ziekenvertrek, en Ophelia
+nam nacht en dag den post van oppasster waar. Nooit hadden hare
+vrienden hare begaafdheden hooger gewaardeerd dan thans. Met zulke
+welgeoefende oogen en handen, zulk een bedrevenheid in alle zorgen
+en kunstgrepen, om zindelijkheid en gemak te bevorderen en alle
+onaangename omstandigheden eener ziekenkamer uit het oog te houden--met
+zulk een stipte oplettendheid voor den tijd, met zulk een helder,
+nooit verbijsterd hoofd, met zulk een getrouw geheugen voor alle
+voorschriften van den dokter--was zij thans alles voor hen. Zij,
+die de schouders hadden opgehaald over hare kleine zonderlingheden
+en stiptheid in beuzelingen, zoo strijdig met de achtelooze vrijheid
+der manieren van het Zuiden, erkenden thans dat zij juist diegene
+was die men noodig had.
+
+Tom was veel in Eva's kamer. Het kind leed veel aan zenuwachtige
+rusteloosheid, en het verlichtte haar als zij gedragen werd. Het was
+Toms grootste blijdschap de tengere lijderes in zijne armen op een
+kussen te mogen dragen; nu de kamer op en neer, dan buiten onder de
+veranda; en des morgens, wanneer de frissche zeewind over het meer
+woei, wandelde hij somtijds met haar onder de oranjeboomen in den
+tuin, of zette hij zich op eene der oude bekende banken neer en zong
+hij voor haar hunne oude geliefde gezangen.
+
+Haar vader deed dikwijls hetzelfde; maar hij was niet zoo forsch
+gespierd, en wanneer hij moede werd, zeide Eva meestal:
+
+"O, Papa, laat Tom mij overnemen. De arme Tom heeft er zulk een
+genoegen in. Het is al wat hij nu doen kan, en hij doet zoo gaarne
+iets."
+
+"Ik ook, Eva," zeide haar vader.
+
+"O, Papa, gij kunt alles doen, en gij zijt alles voor mij. Gij leest
+voor mij--gij zit des nachts bij mij op--en Tom heeft alleen dit
+eene en zijn zingen; en gij weet wel, hij doet het gemakkelijker dan
+gij. Hij draagt mij zoo stevig!"
+
+Het verlangen om iets te doen, was niet tot Tom beperkt. Alle bedienden
+in huis koesterden denzelfden wensch en deden op hunne manier wat
+zij konden.
+
+Het hart der arme Mammy smachtte dikwijls naar hare lieveling; maar
+zij vond nacht of dag bijna geene gelegenheid, daar Marie verklaarde,
+dat zij in haren gemoedstoestand geen oogenblik rust kon vinden, en
+het natuurlijke gevolg daarvan was, dat zij niemand een oogenblik rust
+wilde laten. Twintigmaal in één nacht werd Mammy wakker geroepen, om
+hare voeten te wrijven, om haar hoofd te verkoelen, om haar zakdoek
+op te zoeken, om te zien welk gerucht er in Eva's kamer was, om
+het gordijn neer te laten dewijl het te licht, of op te halen omdat
+het te donker was; en over dag, wanneer zij verlangde eenig deel te
+kunnen nemen aan de oppassing harer lieveling, scheen Marie al hare
+schranderheid in te spannen, om haar elders in huis werk te geven en
+bezig te houden, zoodat zij slechts tersluiks en voor een oogenblik
+bij Eva kon zijn.
+
+"Ik acht het mijn plicht tegenwoordig bijzonder op mij zelve te
+passen," zeide Marie, "zoo zwak als ik ben en met de geheele zorg
+voor dat lieve kind beladen."
+
+"Inderdaad, lieve," antwoordde St. Clare. "Ik dacht dat onze nicht
+u daarvan onthief."
+
+"Gij praat als een man, St. Clare--alsof eene moeder van de zorg
+voor een kind in dien staat kon ontheven worden; maar het is alles
+'t zelfde--niemand weet ooit wat ik gevoel. Ik kan die dingen zoo
+niet van mij afgooien, als gij doet."
+
+St. Clare glimlachte. Gij moet hem verontschuldigen, hij kon het niet
+laten--en St. Clare kon nog glimlachen. Want zoo helder en vreedzaam
+was de afscheidsreis van dien kinderlijken geest--door zulke geurige,
+verkwikkelijke koeltjes werd het barkje naar de hemelsche kusten
+gevoerd--dat het bijna onmogelijk was zich te verbeelden, dat het de
+dood was die naderde. Het kind voelde geen pijn--alleen een kwijnende,
+stille zwakheid, die dagelijks maar bijna onmerkbaar toenam; en zij
+was zoo schoon, zoo liefderijk, zoo vertrouwelijk, zoo vergenoegd,
+dat men onmogelijk den streelenden invloed kon wederstaan van die
+atmosfeer van onschuld en vrede, die haar scheen te omringen. St. Clare
+vond zich door een vreemde kalmte bekropen. Het was geene hoop, deze
+was onmogelijk; het was geene onderwerping; het was slechts een kalm
+berusten in het tegenwoordige, hetwelk zoo schoon was, dat hij aan
+geene toekomst wilde denken. Het was gelijk die kalmte van den geest,
+die wij in de statig schoone herfstbosschen gevoelen, wanneer het
+geboomte een helderen koortsblos vertoont, en de laatste bloemen nog
+beneden bij de dijk staan, en wij ons des te meer daarin verheugen,
+omdat wij weten dat het alles spoedig zal voorbijgaan.
+
+De vriend, die het meest van Eva's eigen gedachten en voorgevoelens
+wist, was haar getrouwe drager Tom. Tegen hem zeide zij alles,
+waarmede zij haar vader niet wilde verontrusten. Aan hem deelde
+zij die geheimzinnige waarschuwingen mede, welke de ziel ontvangt,
+wanneer de banden, die haar aan het stof boeien beginnen los te worden.
+
+Tom wilde eindelijk niet meer in zijn slaapkamertje slapen, maar lag
+onder de veranda, om gereed te zijn zoo dikwijls hij geroepen werd.
+
+"Oom Tom, hoe komt gij er bij, om zoo overal te gaan liggen slapen,
+evenals een hond?" zeide Ophelia. "Ik dacht dat gij een van de
+ordelijke soort waart en gaarne op eene christelijke manier in
+bed laagt."
+
+"Dat doe ik ook, Miss Phelia. Dat doe ik ook, maar nu..."
+
+"Wel, wat nu?"
+
+"Wij moeten niet hard spreken; Mijnheer St. Clare wil er niet van
+hooren; Miss Phelia gij weet, er moet iemand waken voor den bruidegom."
+
+"Wat meent gij, Tom?"
+
+"Gij weet wel, de Schrift zegt: "Te middernacht geschiedde een geroep:
+Ziet de bruidegom komt." Dat is het nu wat ik elken nacht verwacht,
+Miss Phelia; want als dat gezegende kind in het koninkrijk binnengaat,
+zullen zij de poort zoo wijd opendoen, dat wij er allen kunnen inzien
+naar de heerlijkheid, Miss Phelia."
+
+"Heeft Eva dan gezegd, dat zij zich van avond minder voelde dan
+anders?"
+
+"Neen, maar zij zeide mij van morgen, dat Hij naderkwam; er zijn er,
+die dat aan het kind zeggen, Miss Phelia. Dat zijn de engelen--dat
+is het bazuingeschal voor den dageraad," zeide Tom, eenige woorden
+uit een zijner geliefde gezangen aanhalende.
+
+Dit gesprek tusschen Miss Ophelia en Tom had tusschen tien en elf
+uur in den avond plaats, toen zij, nadat zij al hare beschikkingen
+voor den nacht gemaakt had, de buitendeur ging sluiten en Tom onder
+de veranda vond liggen.
+
+Zij was niet zenuwachtig of lichtgeloovig; maar zijn tegelijk
+plechtige en hartelijke toon ontroerde haar toch. Eva was dien namiddag
+buitengewoon wel en opgeruimd geweest; zij had overeind in haar bed
+gezeten, en al hare kleine kostbaarheden nagezien, en gezegd aan wie
+zij wenschte dat zij gegeven werden; en haar uitzicht was levendiger
+en hare stem natuurlijker geweest, dan men in verscheidene weken
+had opgemerkt.
+
+Maar te middernacht--dat vreemde, geheimzinnige uur, wanneer de sluier
+tusschen het broze tegenwoordige en de eeuwige toekomst dunner wordt,
+toen kwam de bode!
+
+Er werd geluid in de kamer gehoord, eerst van iemand die snel heen en
+weder stapte. Het was Ophelia, die voorgenomen had den geheelen nacht
+op te blijven, en nu tegen middernacht had waargenomen wat ervaren
+ziekenoppassters "verandering" noemen. De buitendeur werd haastig
+geopend, en Tom, die waakte, was terstond op. "Ga den dokter halen,
+Tom. Verlies geen oogenblik," zeide Ophelia, en toen de kamer weder
+doorgaande, klopte zij aan de deur van St. Clare. "Neef," zeide zij,
+"ik wou dat gij eens kwaamt."
+
+Die woorden vielen hem op het hart, gelijk aardkluiten op eene
+doodkist. Waarom deden zij dat? Hij was in een oogenblik op en in de
+kamer, en boog zich over Eva die nog sliep.
+
+Wat zag hij, dat zijn hart bijna deed stilstaan? Waarom werd er geen
+woord tusschen die twee gesproken? Gij kunt het zeggen, die dezelfde
+uitdrukkingen hebt gezien op het gezicht dat u het dierbaarste was--die
+verandering, onbeschrijfelijk, hopeloos, onmiskenbaar, die schijnt
+aan te duiden, dat wat u zoo dierbaar is u niet langer toebehoort.
+
+Geen akelige trek vertoonde zich echter in dat kinderlijke
+gezichtje--niets anders dan iets verhevens, iets goddelijks bijna--de
+afschaduwing der tegenwoordigheid van geestelijke wezens--de dageraad
+van het onsterfelijke leven in de kinderlijke ziel.
+
+Zoo stonden zij haar aan te staren, zoo stil, dat zelfs het tikken
+van het horloge te hard scheen te zijn. Weldra kwam Tom terug met
+den dokter. Deze trad binnen, wierp een enkelen blik op het kind en
+bleef toen even stilstaan als de anderen.
+
+"Wanneer heeft die verandering plaats gehad?" vroeg hij Ophelia
+fluisterend.
+
+"Tegen middernacht," was het antwoord.
+
+Marie, door de komst van den dokter opmerkzaam geworden, kwam haastig
+de kamer binnen.
+
+"Augustine!--Nicht!--O!--Wat!" begon zij.
+
+"St!" zeide St. Clare met een heesche stem. "Zij is stervende."
+
+Mammy hoorde deze woorden en vloog heen om de bedienden te
+wekken. Weldra was het geheele huis in beweging--men zag lichten,
+hoorde voetstappen, angstige en betraande gezichten keken uit de
+veranda door de glasdeur in de kamer; maar St. Clare zag en hoorde
+niets--hij zag alleen die uitdrukking op het gezicht der kleine
+slaapster.
+
+"O, als zij nog maar eens ontwaakte, nog maar eens sprak!" zeide hij,
+en over haar heen bukkende, sprak hij in haar oor: "Eva, liefje."
+
+De groote, blauwe oogen openden zich--een glimlach vloog over haar
+gezichtje; zij poogde haar hoofd op te beuren en te spreken.
+
+"Kent gij mij, Eva?"
+
+"Lieve Papa," zeide het kind en sloeg met een laatste inspanning hare
+armpjes om zijnen hals.
+
+Een oogenblik later zonken zij weder neer; en toen St. Clare zijn
+hoofd ophief, zag hij een doodsstuip over het gezichtje trekken--zij
+snakte naar adem en stak de handjes uit.
+
+"O God, dat is schrikkelijk!" zeide hij zich omkeerende, en in zijne
+zielesmart nauwelijks wetende wat hij deed, klemde hij de hand van
+Tom in de zijne. "O, Tom, mijn jongen, het doet mij den dood!"
+
+Tom hield de hand van zijnen meester vast, en terwijl de tranen over
+zijne zwarte wangen rolden, zag hij om hulp waarheen hij steeds gewoon
+was op te zien.
+
+"Bid dat dit kort mag duren!" zeide St. Clare. "Het is eene marteling
+voor mijn hart."
+
+"O, gezegend zij de Heere! Het is over--het is over, lieve meester,"
+zeide Tom. "Zie haar maar aan."
+
+Het kind lag hijgende op het kussen geheel afgemat, maar met de
+groote heldere oogen strak omhooggeslagen. En wat las men in die
+oogen, waarin altijd zooveel van dien hemel te zien was? De aarde was
+voorbij en alle aardsche smart; maar zoo plechtig, zoo geheimzinnig
+was de zegevierende blijdschap, die op dat gezichtje lag verspreid,
+dat zelfs de zuchten der droefheid daardoor bedwongen werden. De
+aanwezigen bleven stil voor zich uit staren.
+
+"Eva," zeide St. Clare zacht.
+
+Zij hoorde niet.
+
+"O, Eva, zeg ons wat gij ziet! wat is het?" zeide haar vader.
+
+Een heldere, heerlijke glimlach zweefde over haar gezichtje en zij
+antwoordde afgebroken: "O, liefde--blijdschap--vrede!" slaakte een
+enkelen zucht en ging uit den dood in in het leven over.
+
+Vaarwel, dierbaar kind! De eeuwige poort is achter u gesloten; wij
+zullen uw lief gezichtje niet meer zien. Ach, wee hunner, die uw
+ingaan in den hemel hebben aanschouwd, als zij ontwaken en alleen
+de koude grauwe lucht van het dagelijksche leven vinden, en gij voor
+altijd heen zijt!
+
+
+
+
+
+ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK
+
+"DIT IS HET LAATSTE VAN DE AARDE", JOHN Q. ADAMS
+
+
+De beeldjes en schilderijen in Eva's kamer waren met witte doeken
+bedekt; men hoorde daar slechts gesmoord ademhalen en met zachte
+voorzichtige schreden gaan, en het licht, door de neergelaten
+valgordijnen schijnende, verspreidde eene plechtige schemering.
+
+Het bed was met eene sprei bedekt; en daar, onder de zwevende
+engelengedaante, lag de kleine slaapster--die sliep om nooit weder
+te ontwaken.
+
+Daar lag zij, in een van die eenvoudige witte jurkjes gekleed, die
+zij placht te dragen toen zij leefde; het rozekleurige licht door
+de gordijnen wierp een warmen gloed over het ijskoude des doods. De
+zware wimpers lagen zacht op de reine wangen; het hoofd was een
+weinigje op zijde gekeerd, gelijk in een natuurlijken slaap, maar
+elke trek van het gezichtje deelde in die hemelsche uitdrukking,
+die mengeling van verrukking en ernst, welke bewees dat het geen
+aardsche, kortstondige slaap was, maar de lange, heilige rust, die
+"Hij aan zijne beminden geeft."
+
+Er is geen dood voor dezulken als gij, lieve Eva! geene duisternis
+of schaduw des doods; niet anders dan zulk een helder verbleeken,
+gelijk wanneer de morgenster in den gouden dageraad verdwijnt. Voor
+hen is het een zege zonder strijd--een kroon zonder kamp.
+
+Zoo dacht St. Clare, terwijl hij daar met de armen over elkander stond
+te staren. Maar wie zal zeggen wat hij dacht? want van het oogenblik,
+toen de stemmen in dat sterfvertrek hadden gezegd: "Het is voorbij,"
+was alles om hem heen een dichte nevel geweest, had hij niets gevoeld
+dan zijne bedwelmende zielesmart. Hij had stemmen gehoord; er waren
+hem vragen gedaan, en hij had geantwoord; men had hem gevraagd, wanneer
+de begrafenis moest plaats hebben, en waar zij begraven moest worden,
+en hij had ongeduldig geantwoord, dat het hem niet schelen kon.
+
+Adolf en Rosa hadden de kamer geschikt. Zoo lichtzinnig, wispelturig
+en kinderachtig als zij doorgaans waren, hadden zij toch een zacht hart
+en warm gevoel: en terwijl Ophelia over het geheel het opzicht hield en
+zorgde dat alles net en ordelijk was, waren het hunne handen, welke die
+kleine, poëtische versierselen aanbrachten, die het sterfvertrek dat
+akelige en sombere ontnamen, hetwelk eene begrafenis in Nieuw-Engeland
+maar al te zeer kenmerkt.
+
+Er waren nog bloemen hier en daar--alle wit, teeder en geurig,
+met sierlijk hangende bladeren. Op Eva's tafeltje, met een wit kleed
+bedekt, stond hare geliefde vaas, thans met eene enkele witte mos-roos
+er in. De plooien van draperiën en gordijnen waren door Adolf en Rosa
+geschikt en herschikt, met die juistheid van oog, die aan hun geslacht
+eigen is; en ook nu nog, terwijl St. Clare daar stond te peinzen,
+kwam Rosa de kamer binnentrippelen met een mandje witte bloemen. Zij
+trad terug toen zij haar meester zag en bleef eerbiedig staan; maar
+ziende dat hij haar niet opmerkte, kwam zij nader om ze op het bed
+te strooien. St. Clare zag haar als in een droom, terwijl zij een
+Kaapsche jasmijn in de witte handjes plaatste, en de overige bloemen
+met keurigen smaak hier en daar verdeelde.
+
+De deur werd wederom geopend en Topsy kwam, met oogen gezwollen van
+het schreien en iets onder haar voorschoot houdende. Rosa wenkte haar
+snel om terug te blijven, maar zij trad toch binnen.
+
+"Gij moet heengaan," zei Rosa, driftig en gebiedend fluisterende,
+"gij hebt hier niets te maken."
+
+"O laat mij toch! Ik heb eene bloem gebracht--zoo mooi!" zeide Topsy,
+eene half ontloken theeroos vertoonende. "Laat ik die toch maar even
+daar leggen."
+
+"Maak je weg," zeide Rosa nog scherper.
+
+"Laat haar blijven!" zeide St. Clare eensklaps en stampte met zijnen
+voet. "Zij mag komen."
+
+Rosa droop spoedig af en Topsy kwam nader en legde haar offer aan den
+voet van het lijkje. Toen wierp zij zich plotseling, met een woesten
+en bitteren kreet, bij het bed op den grond en bleef daar luid liggen
+schreien en kermen.
+
+Ophelia kwam haastig de kamer binnen en poogde haar te doen opstaan
+en zwijgen, maar vruchteloos.
+
+"O, Miss Eva! O, Miss Eva! Ik wenschte dat ik dood was,--dat doe ik!"
+
+Toen zij dat met woeste droefheid uitriep, kwam er weder een blos
+op St. Clare's marmerwitte wangen, en sprongen de eerste tranen,
+die hij sedert Eva's dood had geschreid, uit zijne oogen.
+
+"Sta op, kind," zeide Ophelia met meer zachtheid in hare stem. "Huil
+zoo niet. Miss Eva is naar den hemel gegaan. Zij is nu een engel!"
+
+"Maar ik kan haar niet meer zien, en ik zal haar nooit meer zien,"
+zeide Topsy en begon weder te snikken.
+
+Allen zwegen een poos.
+
+"Zij zeide dat zij mij liefhad," begon Topsy weder, "dat deed zij! En
+och! nu is er niemand over--niemand!"
+
+"Dat is maar al te waar," zeide St. Clare. "Maar zie toch of gij dat
+arme schepsel niet troosten kunt," vervolgde hij tegen Ophelia.
+
+"Ik wenschte dat ik nooit geboren was," zei Topsy. "Ik behoefde geheel
+niet geboren te worden. Ik zie niet waarvoor het goed is."
+
+Miss Ophelia nam haar nu met zachten dwang van den grond op en bracht
+haar de kamer uit; maar terwijl zij dit deed, rolden er tranen over
+hare wangen.
+
+"Topsy, gij arm kind," zeide zij, toen zij het meisje naar hare eigene
+kamer had gebracht, "verlies nu den moed niet. Ik kan u liefhebben,
+al ben ik niet gelijk aan dat lieve kleine kind. Ik hoop dat ik
+toch iets van de liefde van Christus van haar geleerd heb. Ik kan
+u liefhebben. Dat doe ik al, en ik zal beproeven u te helpen om een
+goed christelijk meisje te worden."
+
+Ophelia's stem zeide meer dan hare woorden, en nog meer zeiden de
+oprechte, medelijdende tranen, die over hare wangen rolden. Van dat
+uur af verkreeg zij een invloed op het gemoed van dat arme kind,
+dien zij nooit weder verloor.
+
+"O, mijne Eva, wier korte tijd op aarde zooveel goed deed," dacht
+St. Clare, "welke verantwoording heb ik voor mijne lange jaren
+te geven!"
+
+Eene poos hoorde men nog gefluister en zachte voetstappen in de
+kamer, terwijl de een na den ander binnensloop om den doode te zien;
+en toen kwam de kleine doodkist, en toen volgde de begrafenis,
+en koetsen hielden voor de deur op, en vreemdelingen gingen daarin
+zitten; en men zag witte strikken en zwarte strooken krip, en dragers
+geheel in het zwart; en er werden woorden uit den Bijbel gelezen, en
+gebeden gedaan; en St. Clare leefde en ging en deed gelijk iemand,
+die zijne laatste tranen geschreid had. Tot het laatst toe zag hij
+slechts dat eene--het hoofdje met gouden lokken in de doodkist. Maar
+toen zag hij den doek daarover leggen en het deksel op de kist doen;
+en toen hij naast anderen geplaatst was, ging hij voort naar eene
+plek in den tuin, en daar, bij de met mos begroeide bank, waarop zij
+en Tom zoo dikwijls hadden zitten praten, zingen en lezen, daar was
+het grafje. St. Clare stond er bij en zag er verstrooid in neder,
+hij zag de kleine kist afdalen, hoorde flauw de plechtige woorden:
+"Ik ben de opstanding en het leven; die in mij gelooft, zal leven al
+ware hij ook gestorven," en toen de aarde in het grafje werd geworpen,
+kon hij zich niet voorstellen, dat het zijne Eva was, die men zoo
+voor zijne oogen verborg.
+
+En het was ook Eva niet--maar alleen de zwakke kiem van die heerlijke,
+onsterfelijke gedaante, die eens te voorschijn zal treden op den dag
+van den Heere Jezus!
+
+En toen verstrooiden zich allen, en de rouwdragers gingen weder naar de
+plaats die haar niet meer kennen zou; en de kamer van Marie was donker
+gemaakt, en zij lag te bed, snikkende en zuchtende in onbedwingbare
+smart, en telkens om de hulp harer bedienden vragende. Zij hadden
+natuurlijk geen tijd om te schreien--wat behoefden zij ook? Het leed
+was _haar_ leed, en zij was ten volle overtuigd, dat niemand het zoo
+op de wereld kon en zou gevoelen als zij.
+
+"St. Clare schreide geen enkele traan," zeide zij. "Hij had geen het
+minste medelijden met haar. Het was inderdaad verbazend als men dacht
+hoe hardvochtig en ongevoelig hij was, daar hij toch wel weten moest
+wat zij leed."
+
+Zoozeer zijn de menschen de slaven hunner oogen en ooren, dat velen
+der bedienden inderdaad geloofden, dat hunne meesteres het meest onder
+het gebeurde leed, vooral toen Marie zenuwtoevallen begon te krijgen,
+en den dokter liet komen, en eindelijk verklaarde dat zij stervende
+was; en het loopen en draven, het brengen van warme kruiken, het heet
+maken van wollen lappen, het wrijven en al het gedoe dat daarop volgde,
+gaf werkelijk eene afleiding.
+
+Tom evenwel had een gevoel in zijn hart, dat hem naar zijnen meester
+trok. Hij volgde dezen oplettend en treurig, waar hij ook ging,
+en toen hij hem zoo bleek en stil in Eva's kamer zag zitten, met
+haar Bijbeltje open voor zich, schoon hij geen woord of letter zag
+van hetgeen er in stond, was er voor Tom meer smart in die strakke,
+tranenlooze oogen, dan in al het kermen en klagen zijner meesteres.
+
+Eenige dagen later ging de familie weder naar de stad terug, daar
+St. Clare, met de rusteloosheid der smart, naar verandering van
+plaats verlangde, om den loop zijner gedachten eene andere richting
+te geven. Zij verlieten dus het huis en den tuin, met zijn grafje,
+en kwamen te Nieuw-Orleans terug; St. Clare zwierf veel langs de
+straten, en poogde het ledige in zijn hart met gewoel en drukte te
+vervullen; en zij die hem op straat of in het koffiehuis zagen,
+wisten van zijn verlies alleen door den rouwband om zijnen hoed;
+want daar was hij pratende en lachende, de couranten lezende, en zich
+met politiek en handelszaken bemoeiende; en wie kon het zien dat die
+uitwendige vroolijkheid slechts een holle schel was over een hart,
+dat een stil en donker graf was.
+
+"St. Clare is een zonderling man," zeide Marie eens op een klagenden
+toon tegen Ophelia. "Ik placht te denken, als er iets op de wereld was
+dat hij liefhad, dat het dan onze kleine Eva was; maar hij schijnt
+haar zeer gemakkelijk te vergeten. Ik kan hem er nooit toe krijgen
+om over haar te spreken. Ik had waarlijk gedacht dat hij meer gevoel
+zou toonen."
+
+"Stille waters hebben diepe gronden, placht men mij te zeggen,"
+antwoordde Ophelia op den toon van een orakel.
+
+"Och, ik geloof aan zulke dingen niet. Dat zijn maar praatjes. Als
+iemand gevoel heeft toont hij het ook; dat kan hij niet laten. Maar
+toch is het een groot ongeluk als men gevoel heeft. Ik zou liever
+naar St. Clare willen gelijken. Mijn gevoel ondermijnt mij."
+
+"Maar zeker, Mevrouw, Mijnheer St. Clare wordt zoo bleek en mager als
+een schim, en ik hoor dat hij haast niet meer eet," zeide Mammy. "Ik
+weet wel, dat hij Miss Eva niet vergeet; en dat zou ook niemand
+kunnen doen, dat lieve, kleine schaap," voegde zij er bij en veegde
+hare oogen af.
+
+"Nu, in allen gevalle, hij denkt geheel niet om mij," zeide Marie. "Hij
+heeft geen woord van troost tegen mij gesproken, en hij moet toch
+wel weten hoeveel meer eene moeder voelt dan een man ooit doen kan."
+
+"Het hart kent zijne eigene bitterheid," zeide Ophelia ernstig.
+
+"Dat is het juist wat ik denk. Ik weet wat ik gevoel--niemand anders
+schijnt dat te weten. Eva placht dat te doen; maar ze is weg!" En Marie
+liet zich achterover op de sofa zinken en begon jammerlijk te snikken.
+
+Marie was eene van die ongelukkige stervelingen, in wier oogen al wat
+zij verloren hebben eene waarde verkrijgt, die het nooit had terwijl
+zij het bezaten. Wat zij had, scheen zij slechts te beschouwen om er
+gebreken aan te vinden; maar wanneer zij het eens voorgoed kwijt was,
+hield zij niet op het te prijzen.
+
+Terwijl dit gesprek in de voorkamer plaats had, werd er een ander in
+de bibliotheek gevoerd.
+
+Tom, die zijn meester onrustig overal volgde, had hem eenige uren
+geleden daar zien binnengaan, en na vruchtloos gewacht te hebben dat
+hij er weder uit zou komen, besloot hij eindelijk er eenige bezigheid
+te zoeken. Hij trad zacht binnen. St. Clare zat in een leuningstoel aan
+het einde van het vertrek. Zijn gezicht was in zijne handen verborgen,
+en Eva's Bijbeltje lag op eenigen afstand open op de tafel.
+
+Tom kwam nader en bleef aarzelend bij hem staan. Eensklaps richtte
+St. Clare zich op. Toms eerlijk gezicht, zoo vol droefheid en met
+zulk een smeekende uitdrukking van liefde en medelijden, trof zijn
+meester. Hij legde zijne hand op die van Tom, en liet zijn voorhoofd
+daarop zinken.
+
+"O Tom, mijn jongen, de geheele wereld is zoo ledig als een
+eierschaal."
+
+"Dat weet ik, meester, dat weet ik," antwoordde Tom. "Maar o, als
+meester kon opzien, waar onze lieve Miss Eva is--naar den lieven
+Heere Jezus!"
+
+"Och, Tom, ik zie op. Maar het ergste is, ik zie toch niets als ik
+het doe. Ik wenschte dat ik kon."
+
+Tom slaakte een zwaren zucht.
+
+"Het schijnt aan de kinderen en arme oprechte lieden, zooals gij,
+gegeven te zijn, om te zien wat wij niet kunnen zien," zeide St. Clare
+nu. "Hoe komt dat?"
+
+"Gij hebt ze voor de wijzen en verstandigen verborgen, en ze den
+kinderkens geopenbaard," prevelde Tom. "Ja, Vader, want alzoo is
+geweest het welbehagen voor U."
+
+"Tom, ik geloof niet--ik kan niet gelooven; ik heb de gewoonte van
+twijfelen aangenomen," zeide St. Clare. "Ik wil dezen Bijbel gelooven,
+en ik kan niet."
+
+"Lieve meester, bid tot den goeden Heere: 'Heere, ik geloof, kom
+mijne ongeloovigheid te hulp.'"
+
+"Wie weet iets van niets?" zeide St. Clare bij zichzelven, terwijl
+zijne oogen peinzend rondzwierven. "Was al die heerlijke liefde, was al
+dat schoone geloof slechts een der altijd afwisselende verschijnselen
+van het menschelijk gevoel, dat niets wezenlijks tot grondslag had en
+met den laatsten ademtocht werd uitgeblazen? Er is geen Eva meer--geen
+hemel--geen Christus--niets!"
+
+"O, lieve meester, Hij is er! Dat weet ik; daarvan ben ik zeker," zeide
+Tom, op zijne knieën vallende. "O, lieve meester, geloof het toch!"
+
+"Hoe weet gij dat er een Christus is, Tom? Gij hebt den Heere nooit
+gezien."
+
+"Ik heb Hem in mijne ziel gevoeld, meester--ik voel Hem nu! O,
+meester, toen ik verkocht werd en van mijne vrouw en kinderen af
+moest, toen was het haast gedaan met mij. Het was mij alsof ik niets
+meer over had, en toen kwam de goede Heere mij te hulp en zeide:
+"Wees niet bevreesd, Tom!" en Hij brengt licht en vreugd in de ziel
+van een armen neger, en maakt alles vrede; en ik ben zoo gelukkig,
+en heb alle menschen lief, en voel mij gewillig om des Heeren te
+zijn, en des Heeren wil te laten geschieden, en overal te zijn waar
+de Heere mij brengen wil. Ik weet dat dit niet van mij kan komen,
+omdat ik een arm zondig schepsel ben; het komt van den Heere, en ik
+weet dat Hij gewillig is om dit ook voor meester te doen."
+
+Tom sprak met eene gesmoorde stem, terwijl de tranen hem over de
+wangen rolden. St. Clare liet het hoofd op zijnen schouder zinken,
+en drukte de harde, trouwe zwarte hand.
+
+"Tom, gij hebt mij lief," zeide hij.
+
+"Ik ben gewillig om mijn leven af te leggen, nog dezen gezegenden dag,
+om meester een christen te zien."
+
+"Arme, dwaze jongen," zeide St. Clare zich half oprichtende. "Ik ben
+de liefde van een goed, eerlijk hart, zooals het uwe, niet waardig."
+
+"O, meester, er zijn er meer dan ik die u liefhebben--de gezegende
+Heere Jezus heeft u lief."
+
+"Hoe weet ge dat, Tom?"
+
+"Ik voel het in mijne ziel. O, meester, "de liefde van Christus,
+die steeds alle verstand te boven gaat!""
+
+"Vreemd!" zeide St. Clare, "dat de geschiedenis van een man, die
+achttienhonderd jaren geleden geleefd en gestorven is, iemand zoodanig
+kan aandoen. Maar hij was ook geen mensch," vervolgde hij snel. "Geen
+mensch heeft ooit zulk een lange en levende macht gehad. O, dat ik
+gelooven kon wat mijne moeder mij leerde, en bidden kon gelijk ik
+deed toen ik een kind was!"
+
+"Als het meester belieft," zeide Tom; "Miss Eva placht dat zoo schoon
+te lezen. Ik wenschte dat meester zoo goed was om het te lezen. Ik
+hoor haast niet meer lezen, nu Miss Eva weg is."
+
+Het hoofdstuk was het elfde van Johannes--het treffende verhaal
+der opwekking van Lazarus. St. Clare las het overluid. Dikwijls
+ophoudende, om de aandoeningen te bekampen, die door het aandoenlijke
+der geschiedenis werden opgewekt. Tom knielde voor hem met gevouwen
+handen, en met eene uitdrukking van liefde, vertrouwen en eerbied in
+zijne kalme trekken.
+
+"Tom, is dat alles waarheid voor u?" zeide zijn meester.
+
+"Ik kan het zoo voor mij zien, meester," antwoordde Tom.
+
+"Ik wenschte dat ik uwe oogen had, Tom."
+
+"Ik wenschte van onzen Lieven Heer dat meester ze had."
+
+"Maar, Tom, gij weet wel, dat ik veel kundiger ben dan gij. Als ik
+u nu zeide dat ik dien Bijbel niet geloof?"
+
+"O, meester!" zeide Tom, smeekend de handen opheffende.
+
+"Zou dat uw geloof toch niet eenigszins schokken, Tom?"
+
+"Geheel niet," antwoordde Tom.
+
+"Wel, Tom, gij moet toch weten dat ik het meeste weet."
+
+"O, meester, hebt gij niet zoo pas gelezen, dat Hij het voor de wijzen
+en verstandigen verborgen houdt, en aan de kinderkens openbaart? Maar
+meester sprak niet in ernst, zeker niet?" zeide Tom angstig.
+
+"Neen, Tom, dat deed ik niet. Ik ben niet ongeloovig, en ik denk
+dat er reden is om te gelooven; en toch doe ik het niet. Dat is een
+lastige gewoonte, die ik aangenomen heb, Tom!"
+
+"Als meester maar wilde bidden."
+
+"Hoe weet gij dat ik dat niet doe, Tom?"
+
+"Doet meester het?"
+
+"Ik zou het doen, Tom, als er iemand vóór mij was, wanneer ik bid;
+maar het is alles in de lucht gesproken, als ik het doe. Maar kom aan,
+Tom, bidt gij en leer mij het te doen."
+
+Toms hart was vol, en hij stortte het nu geheel uit in zijn gebed. Eén
+ding was duidelijk: Tom dacht wel dat er iemand was om hem te hooren,
+hetzij er iemand was of niet. St. Clare voelde zich dan ook werkelijk
+door den stroom van zijne liefde en zijn geloof tot bijna voor de
+poorten van den hemel gevoerd, dien hij zich zoo levendig scheen voor
+te stellen. Hij scheen daardoor nader bij Eva gebracht te worden.
+
+"Dank, mijn jongen," zeide St. Clare, toen Tom opstond. "Ik hoor u
+gaarne, Tom; maar ga nu heen en laat mij alleen. Op een anderen tijd
+zal ik meer met u spreken."
+
+Tom verliet stilzwijgend het vertrek.
+
+
+
+
+
+ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK
+
+HEREENIGING.
+
+
+Week op week verliep in de woning van St. Clare, en de golven des
+levens effenden zich weder tot haar gewonen vloed, waar die kleine
+bark gezonken was. Want hoe heerschzuchtig, hoe onverschillig voor
+iemands gevoel, stroomt die koude, gewone loop der dagelijksche zaken
+voort! Nog moeten wij eten, drinken, slapen en weder ontwaken--nog
+moeten wij koopen, verkoopen, vragen en antwoorden--kortom duizend
+schaduwen naloopen, hoewel alle belangstelling daarin voorbij is;
+de koude werktuigelijke gewoonte des levens blijft nog, wanneer alles
+wat waarde voor ons geeft is verdwenen.
+
+Alle hoop en uitzicht van St. Clare's leven had zich, zonder dat hij
+zelf het wist, met zijn kind samengestrengeld. Het was voor Eva, dat
+hij zijn vermogen bewaarde; het was voor Eva, dat hij het besteden van
+zijnen tijd overleide; en dit en dat nu en dan voor Eva te doen--iets
+voor haar te koopen, te veranderen of te beschikken--was zoolang
+zijne gewoonte geweest, dat er, nu zij er niet meer was, om niets
+meer scheen gedacht, niets meer scheen gedaan te moeten worden.
+
+Het is waar, er was een ander leven--een leven dat, als men er
+eens aan gelooft, als een ernstig, veelbeteekenend cijfer vóór de
+andere waardelooze nullen van den tijd staat, en die in eene reeks
+van geheimzinnige, onberekenbare waarde doet veranderen. St. Clare
+wist dit wel; en dikwijls had hij in een moedeloos uur die zachte
+kinderstem naar boven hooren roepen, dat handje hem den weg van dat
+ware leven zien aanwijzen; maar de doffe slaperigheid der smart
+benevelde hem--hij kon niet opstaan. Zijn geest behoorde onder
+diegenen, die zich, naar hunne eigene aandoeningen en neigingen, een
+beter en duidelijker begrip van godsdienstige zaken kunnen vormen, dan
+menig welonderwezen en geoefend christen kan. De gaaf om de fijnste
+onderscheidingen en betrekkingen van zedelijke dingen te gevoelen en
+te beoordeelen, schijnt dikwijls eene eigenschap te zijn van hen, wier
+geheele leven eene onverschillige minachting daarvoor toont. Vandaar
+dat Moore, Byron en Goethe dikwijls woorden zeggen, waarin het ware
+godsdienstige gevoel beter beschreven wordt, dan in die van iemand,
+wiens geheele leven daardoor bestuurd wordt. In zulke gemoederen is
+minachting voor den godsdienst een des te schrikkelijker verraad--eene
+te doodelijker zonde.
+
+St. Clare had zich nooit willen laten doorgaan voor iemand, die zich
+door godsdienstige verplichtingen liet besturen, en zekere fijnheid van
+zedelijk gevoel gaf hem zulk een verheven denkbeeld van de uitgebreide
+eischen des christendoms, dat hij reeds bij voorbaat terugdeinsde
+voor hetgeen hij gevoelde dat zijn geweten van hem vorderen zou,
+wanneer hij ooit besloot om zich aan die eischen te onderwerpen. Want
+zulke tegenstrijdigheden bevat het menschelijk gemoed, dat het beter
+schijnt iets geheel niet te ondernemen, dan het te ondernemen en te
+kort te schieten.
+
+Evenwel was St. Clare in vele opzichten een ander mensch geworden.
+
+Hij las ernstig en met oprechte begeerte in den Bijbel zijner kleine
+Eva; hij dacht meer bepaald en opzettelijk na over zijne betrekkingen
+tot zijne bedienden--genoeg om hem buitengemeen ontevreden te maken,
+zoowel met zijne tegenwoordige als zijne vroegere handelwijs. Eén
+ding deed hij dan ook, kort na zijne terugkomst te Nieuw-Orleans; hij
+maakte namelijk een aanvang met de noodige wettige maatregelen om Tom
+vrij te verklaren, hetgeen zoo spoedig geschieden zou, als hij door de
+vereischte formaliteiten kon heenkomen. Ondertusschen hechtte hij zich
+dagelijks meer aan Tom. In de geheele wijde wereld was er niets dat
+hem zoozeer aan Eva scheen te herinneren; hij hield hem dus bestendig
+bij zich, en zoo huiverig als hij anders was om zijn dieper gevoel
+aan iemand te ontdekken, voor Tom dacht hij bijna overluid. Niemand,
+die gezien had met welk een gezicht vol dienstvaardige genegenheid Tom
+zijn meester gedurig volgde, zou zich ook daarover verwonderd hebben.
+
+"Wel, Tom," zeide St. Clare, daags nadat hij een aanvang had gemaakt
+met de wettige formaliteiten voor zijne vrijverklaring, "ik zal een
+vrij man van u maken. Pak uw koffer dus maar, en houd u gereed om
+naar Kentucky te vertrekken."
+
+De glans van blijdschap, die Toms gezicht eensklaps verhelderde,
+terwijl hij zijne handen naar den hemel ophief en een nadrukkelijk "de
+Heere zij gezegend!" ontboezemde, maakte op St. Clare een eenigszins
+onaangenamen indruk; het beviel hem niet, dat Tom zoo bereidwillig
+was om hem te verlaten.
+
+"Gij hebt hier zulk een slechten tijd niet gehad, dat ge zoo verrukt
+behoeft te wezen, Tom," zeide hij droogjes.
+
+"Neen, neen, meester, dat is het niet. Het is dat ik een vrij man
+zal wezen. Dat is het waarover ik zoo blij ben."
+
+"Maar, Tom, denkt gij niet, dat gij het, wat u aangaat, hier beter
+hebt, dan gij het als vrij man zult hebben?"
+
+"Neen, waarlijk niet, Mijnheer St. Clare," antwoordde Tom, met eene
+opwelling van fierheid. "Neen, waarlijk niet."
+
+"Wel, Tom, gij zoudt toch met werken onmogelijk zulke kleeren en zulk
+een kost kunnen verdiend hebben, als ik u gegeven heb."
+
+"Dat weet ik alles wel, meester St. Clare. Meester is al te goed
+geweest; maar ik zou toch liever armoedige kleeren, een armoedig
+huis, alles even armoedig willen hebben, als het maar het mijne was,
+dan het beste als het van een ander is. Dat zou ik, meester; en ik
+geloof dat het natuurlijk is."
+
+"Dat denk ik ook, Tom, en dus zult ge over eene maand of zoo vertrekken
+en mij verlaten," zeide St. Clare eenigszins onvergenoegd. "Evenwel,
+geen mensch zou kunnen zeggen waarom gij het niet doen zoudt," voegde
+hij er op vroolijker toon bij, en begon op en neer te wandelen.
+
+"Niet, zoolang meester in droefheid is," zeide Tom. "Ik zal bij
+meester blijven, zoolang hij mij noodig heeft--als ik maar van eenig
+nut kan zijn."
+
+"Niet, zoolang ik in droefheid ben, Tom?" zeide St. Clare, treurig
+uit het venster ziende. "En wanneer zal mijn droefheid ten einde zijn?"
+
+"Als meester een christen is," antwoordde Tom.
+
+"En meent gij werkelijk bij mij te blijven tot die dag komt?" zeide
+St. Clare, zich met een halven glimlach van het venster afkeerende. "O,
+Tom, gij onnoozele jongen," vervolgde hij, zijne hand op Toms schouder
+leggende, "ik wil u niet tot dien dag laten wachten. Ga naar huis,
+naar uwe vrouw en kinderen, en wees gelukkig met hen."
+
+"Mijn geloof zegt mij te gelooven dat die dag wel komen zal," zeide
+Tom ernstig en tevens met tranen in de oogen. "De Heere heeft een
+werk voor meester."
+
+"Een werk!" herhaalde St. Clare. "Wel zoo! Zeg mij eens wat voor een
+werk dat wezen zou, naar uw begrip. Laat hooren Tom."
+
+"Wel, zelfs zulk een arm man als ik, heeft een werk van den Heere;
+en meester St. Clare, die geleerdheid, geld en vrienden heeft--hoeveel
+meer zou hij voor den Heer kunnen doen!"
+
+"Gij schijnt dus te denken, Tom, dat de Heere noodig heeft, dat er
+veel voor hem gedaan wordt," zeide St. Clare glimlachende.
+
+"Wij doen voor den Heere wat wij voor Zijne schepselen doen,"
+antwoordde Tom.
+
+"Dat is goede godgeleerdheid, Tom; beter dan die Dr. C*** preekt;
+dat durf ik beweren," zeide St. Clare.
+
+Hier werd het gesprek door het aandienen van bezoek gestoord.
+
+Marie St. Clare gevoelde het verlies van Eva zoo diep, als zij
+iets gevoelen kon; en daar zij iemand was, bijzonder in staat, om
+wanneer zij zich ongelukkig gevoelde, hetzelfde gevoel aan allen
+om haar heen mede te deden, hadden hare lijfbedienden nog grooter
+reden om het verlies hunner meesteres te beklagen, wier innemende
+manieren en lieftallige tusschenkomst hun zoo dikwijls tot een
+schild hadden gestrekt tegen de eigenlievende dwingelandij harer
+moeder. De arme Mammy vooral, wier hart, van alle natuurlijke banden
+losgerukt, zich met dat ééne beminnelijke wezen had getroost, verging
+bijna van rouw. Zij schreide nacht en dag, en was, door de groote
+overmaat van droefheid, minder vlug en behendig in hare diensten
+bij hare meesteres, waardoor zij zich gedurig een storm van smaad-
+en scheldwoorden berokkende.
+
+Miss Ophelia gevoelde het verlies insgelijks; maar in haar goed
+en oprecht hart droeg het vruchten ten eeuwigen leven. Zij was
+zachter en vriendelijker; en schoon even ijverig in hare plichten,
+was het met meer bedaardheid en kalmte, waaruit bleek dat zij niet
+vruchteloos haar eigen hart had doorzocht. Zij was vlijtiger in
+het onderwijzen van Topsy--onderrichtte haar hoofdzakelijk uit
+den Bijbel--en was niet langer huiverig om haar aan te raken--zij
+liet geene kwalijk ontveinsde viesheid meer blijken, omdat zij die
+niet langer gevoelde. Zij beschouwde haar nu als het ware door het
+verhelderde glas, dat Eva's handje haar het eerst voor de oogen
+had gehouden, en zag in haar slechts een onsterfelijk schepsel,
+dat God gezonden had, om door haar tot de deugd en de eeuwige
+heerlijkheid geleid te worden. Topsy werd niet op eens een heilige,
+maar het leven en de dood van Eva bewerkten toch eene opmerkelijke
+verandering in haar. De verharde onverschilligheid was verdwenen;
+deze was vervangen door gevoel, hoop, verlangen en een streven naar
+het goede--een streven dat ongeregeld was en dikwijls afgebroken werd,
+maar toch telkens werd hervat.
+
+Eens, toen Topsy bij Ophelia was geroepen, stak zij, aankomende,
+haastig iets in hare borst weg.
+
+"Wat doet gij daar, ondeugend nest? Gij hebt zeker weer iets gestolen,"
+zeide de heerschzuchtige, kleine Rosa, die gezonden was om haar te
+roepen, en greep haar tevens onzacht bij den arm.
+
+"Och, loop heen, Miss Rosa," zeide Topsy, met eene poging om zich
+los te trekken. "Dat is iets dat je niet aangaat."
+
+"Wees maar zoo onbeschaamd niet," hervatte Rosa. "Ik heb je daar
+wat zien wegstoppen. Ik ken je streken wel," en daarmede poogde Rosa
+hare hand in Topsy's borst te steken, terwijl het meisje woedend van
+zich af schopte en dapper vocht voor wat zij hare rechten achtte. Het
+rumoer van dit gevecht deed Ophelia en St. Clare beiden toeschieten.
+
+"Zij heeft gestolen," zeide Rosa.
+
+"Dat heb ik niet," schreeuwde Topsy, huilende van kwaadheid.
+
+"Geef het mij, wat het ook wezen mag," gebood Ophelia.
+
+Topsy aarzelde; maar op een tweede bevel haalde zij een pakje uit
+hare borst, in den voet van eene harer oude kousen gewikkeld.
+
+Toen Ophelia het opendeed, vond zij een boekje, dat Eva eens aan Topsy
+geschonken had, een almanak met een tekst uit den Bijbel voor elken
+dag van het jaar, en in een papiertje de haarlok, welke zij het kind
+op den gedenkwaardigen dag van haar afscheid had gegeven.
+
+St. Clare werd zeer aangedaan door dit gezicht. Het boekje was in
+eene strook zwarte krip gewikkeld.
+
+"Waarom hebt ge _dit_ om het boekje gedaan?" zeide St. Clare, het
+krip vertoonende.
+
+"Omdat--omdat het van Miss Eva was. O, neem het mij niet af,"
+antwoordde Topsy, zette zich toen plat op den grond neer, sloeg haar
+voorschoot over haar hoofd en begon heftig te schreien.
+
+Het was een zonderling mengsel van aandoenlijkheid en
+belachelijkheid--dat stuk van eene kous, het zwarte krip, het
+tekstenboekje, de haarlok en Topsy's matelooze droefheid.
+
+St. Clare glimlachte, maar er stonden toch tranen in zijne oogen,
+toen hij zeide:
+
+"Kom, kom, schrei maar niet; gij moogt het wel hebben." En alles weder
+bijeendoende wierp hij het Topsy in den schoot, en trok Ophelia mede
+naar de voorkamer.
+
+"Ik geloof inderdaad dat gij nog iets van dat ding zult kunnen maken,"
+zeide hij met zijnen duim over zijnen schouder wijzende. "Een gemoed,
+dat voor ware droefheid vatbaar is, is ook voor het goede vatbaar. Gij
+moet uw best maar met haar doen."
+
+"Het kind is veel verbeterd," antwoordde Ophelia, "en ik heb groote
+hoop van haar. Maar Augustine," vervolgde zij, hare hand op zijnen arm
+leggende, "ik moet u nog iets vragen. Van wien zal dit kind wezen? Van
+u of van mij?"
+
+"Wel, ik heb haar immers aan u gegeven," antwoordde St. Clare.
+
+"Maar niet wettig. Ik zou willen dat zij wettig de mijne was,"
+zeide Ophelia.
+
+"Wel, Nicht, wat zal het abolitie-genootschap daarvan denken?" zeide
+St. Clare. "Zij zullen een vastendag uitschrijven voor zulk een afval,
+dat gij eene slavenhoudster wordt."
+
+"Dat is maar gekheid. Ik zou willen dat zij de mijne was, om het recht
+te hebben haar naar de vrije staten te brengen en haar heur vrijheid
+te geven, opdat al wat ik beproef te doen niet weer verijdeld worde."
+
+"O, Nicht, welk een ontzettend, 'kwaaddoen opdat er goed uit
+voortkome.' Daartoe kan ik niet behulpzaam zijn."
+
+"Ik zou u liever hooren redeneeren dan schertsen," zeide Ophelia. "Het
+baat niet of ik mijn best doe om dit kind tot een christenkind te
+maken, als ik haar niet bewaar voor alles, waaraan de slavernij
+haar later blootstelt, en als gij inderdaad gezind zijt om haar aan
+mij te geven, verlang ik dat ge mij een giftbrief of ander wettig
+bewijs geeft."
+
+"Welnu, dat zal ik," zeide St. Clare, zette zich neer en nam de
+courant op om te gaan lezen.
+
+"Maar ik zou dat nu willen gedaan hebben," hervatte Ophelia.
+
+"Hoe hebt ge zoo'n haast?"
+
+"Omdat het nu gedaan moet, als het ooit gedaan zal worden," antwoordde
+Ophelia. "Kom, daar is papier, pen en inkt; schrijf nu even zoo iets."
+
+St. Clare had, gelijk de meeste menschen van zijnen stempel, een
+hartelijken afkeer van den tegenwoordigen tijd, van het bedrijvend
+werkwoord, en werd dus eenigszins verstoord over Ophelia's
+voortvarendheid.
+
+"Wat scheelt u toch?" zeide hij. "Kunt gij mijn woord niet
+aannemen? Men zou denken dat ge bij de joden les had genomen, om
+iemand zoo aan te pakken."
+
+"Ik wil er zeker van zijn," antwoordde Ophelia. "Gij kunt sterven of
+in ongelegenheid raken, en dan zou Topsy verkocht worden, zonder dat
+ik er iets tegen doen kon."
+
+"Inderdaad, ge zijt zeer voorzichtig. Maar nu ik zie dat ik in de
+handen van een Yankee ben, is er niets anders op dan maar toe te
+geven," zeide St. Clare en schreef snel een giftbrief, hetgeen hij,
+daar hij met alle wettige vormen bekend was, zeer gemakkelijk doen kon,
+en teekende zijn naam met groote wilde letters, met een geduchte krul
+er onder.
+
+"Daar, is dat nu zwart op wit, Miss Vermont?" zeide hij, haar het
+papier overgevende.
+
+"Goede jongen!" zeide Ophelia nu hierop. "Maar moet het ook niet door
+een getuige onderteekend worden?"
+
+"Och ja, dat is ook waar. Hier, Marie!" vervolgde St. Clare tot zijne
+vrouw, de deur harer kamer openende. "Nicht wilde uw handteekening
+bewaren. Zet eens even uw naam hieronder."
+
+"Wat is dat?" zeide Marie het geschrift doorloopende. "Wel,
+dat is grappig! Ik dacht dat nicht veel te vroom was voor
+zulke afschuwelijkheden," vervolgde zij, onverschillig haar naam
+schrijvende. "Maar als zij dat ding verlangt te hebben, is het haar
+hartelijk gegund."
+
+"Daar, nu is zij de uwe met lichaam en ziel," zeide St. Clare, het
+papier teruggevende.
+
+"Niet meer de mijne dan zij te voren was," zeide Ophelia. "Niemand
+dan God heeft het recht om haar aan mij te geven; maar ik kan haar
+nu beschermen."
+
+"Welnu, zij is dan nu de uwe door eene fictie der wet," zeide
+St. Clare, naar de voorkamer en zijne courant terugkeerende.
+
+Ophelia, die Marie zelden veel gezelschap bleef houden, volgde hem
+naar de voorkamer, nadat zij het papier zorgvuldig geborgen had.
+
+"Augustine," zeide zij eensklaps terwijl zij zat te breien, "hebt gij
+eenige bestelling voor uw bedienden gemaakt, in geval van overlijden?"
+
+"Neen," antwoordde St. Clare en las weder voort.
+
+"Dan kan al uwe goedheid voor hen wel eens eene groote wreedheid
+blijken te zijn."
+
+St. Clare had bij zich zelven dikwijls eveneens gedacht, maar
+antwoordde nu toch achteloos: "Nu, ik denk ook zulk eene bestelling
+te maken."
+
+"Wanneer?" zeide Ophelia.
+
+"Eerstdaags."
+
+"En als gij dan nog eerder kwaamt te sterven?"
+
+"Wat scheelt u toch, Nicht?" zeide St. Clare, zijne courant
+neerleggende en haar aanziende. "Denkt gij dat ik eenige voorteekenen
+van de gele koorts of de cholera heb, dat gij zoo ijverig voor mijn
+testament zorgt?"
+
+"Te midden van het leven zijn wij in den dood," antwoordde Ophelia.
+
+St. Clare stond op en ging naar de deur die op de veranda uitkwam,
+om zoo een eind te maken aan een gesprek, dat hem onaangenaam
+was. Onwillekeurig herhaalde hij het laatste woord "_dood_!"--en
+terwijl hij tegen het hek leunde, en naar de springende fontein en
+het water in de kom tuurde, en daarin als in een nevel de bloemen en
+boomen van het binnenplein zag spiegelen, herhaalde hij nog eens het
+geheimzinnige woord, dat iedereen zoo dikwijls in den mond neemt,
+en dat toch zulk een geduchte kracht heeft--"_dood_!"
+
+"Vreemd, dat er zulk een woord en zulk een ding is," zeide hij bij
+zich zelven, "en wij het ooit vergeten, dat iemand den eenen dag
+leeft vol hoop, begeerten en behoeften, en den volgenden dag weg is,
+geheel weg en voor altijd."
+
+Het was een warme, heldere avond, en toen hij naar het andere einde
+der veranda ging, zag hij Tom in zijnen Bijbel zitten lezen, daarbij
+met zijnen vinger van woord tot woord wijzende en ernstig fluisterende.
+
+"Wilt ge mij voor u laten lezen, Tom?" zeide St. Clare, zich achteloos
+naast hem nederzettende.
+
+"Als het meester belieft," antwoordde Tom. "Meester maakt het zooveel
+duidelijker."
+
+St. Clare nam het boek en begon te lezen bij eene van de plaatsen, die
+Tom met dikke strepen in het rond had gemerkt. Die plaats luidde aldus:
+
+"En wanneer de Zoon des menschen komen zal in Zijne heerlijkheid,
+en al de engelen met Hem, dan zal Hij zitten op den troon Zijner
+heerlijkheid. En voor Hem zullen al de volken vergaderd worden, en
+Hij zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de
+bokken scheidt."
+
+St. Clare las met eene heldere stem voort, totdat hij aan de laatste
+verzen kwam.
+
+"Dan zal Hij zeggen tot degenen die ter linkerhand zijn: Gaat weg
+van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel
+en zijnen engelen bereid is. Want Ik ben hongerig geweest, en gij
+hebt Mij niet te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest, en gij hebt
+Mij niet te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling, en gij hebt Mij
+niet geherbergd; naakt, en gij hebt Mij niet gekleed; krank en in
+de gevangenis, en gij hebt Mij niet bezocht. Dan zullen ook deze Hem
+antwoorden en zeggen: "Heere, wanneer hebben wij U hongerig gezien, of
+dorstig, of een vreemdeling, of naakt, of krank, of in de gevangenis,
+en hebben U niet gediend?" Dan zal Hij hun antwoorden en zeggen:
+Voorwaar ik zeg u: voor zooveel gij dit eene van deze minsten niet
+gedaan hebt, zoo hebt gij het ook Mij niet gedaan."
+
+Deze laatste woorden schenen St. Clare te treffen, want hij las ze
+tweemaal over; de tweede maal langzaam, alsof hij bij zich zelven er
+over nadacht.
+
+"Tom," zeide hij daarop, "die lieden die zulk een hard vonnis krijgen,
+schijnen juist gedaan te hebben wat ik doe--goed en fatsoenlijk op
+hun gemak geleefd te hebben, zonder zich te kwellen met te vragen:
+hoevelen van hunne broederen hongerig, of dorstig, ziek of in de
+gevangenis waren."
+
+Tom gaf geen antwoord.
+
+St. Clare stond op en wandelde peinzend onder de veranda op en
+neer, naar het scheen alles vergetende, behalve zijne eigene
+gedachten. Zoozeer was hij daarin verdiept, dat Tom hem tweemaal
+moest herinneren dat de schel voor het theedrinken geluid was, eer
+hij gehoor kreeg.
+
+Onder het theedrinken was St. Clare verstrooid en nadenkend; en na
+de thee zette hij zich met Ophelia en Marie, allen bijna even stil,
+in de voorkamer.
+
+Marie nam op eene sofa onder een zijden muskieten gordijn haar gemak
+en was spoedig gerust in slaap. Ophelia zat stil te breien, St. Clare
+zette zich voor de piano en begon een zachte melodie te spelen, met
+accompagnement van seraphine. Hij scheen in diep gepeins verzonken
+en als het ware eene alleenspraak in muziek te houden. Na eenigen
+tijd trok hij eene der laden open, nam daaruit een oud muziekboek,
+welks bladen geel van ouderdom waren, en zag het door.
+
+"Dit was een boek van mijne moeder," zeide hij tot Ophelia, "en hier
+is haar schrift. Kom eens zien. Dit heeft zij zelve gearrangeerd uit
+Mozarts Requiem."
+
+Ophelia kwam bij hem.
+
+"Dit was iets dat zij dikwijls placht te zingen," zeide St. Clare. "Mij
+dunkt, ik hoor haar nog."
+
+Hij sloeg eenige statige accoorden aan, en begon toen het oude verheven
+kerklied: de _Dies Irae_, te zingen.
+
+Tom, die onder de veranda stond te luisteren, werd door deze muziek
+naar de deur der kamer gelokt. De woorden van het Latijnsche lied
+verstond hij natuurlijk niet, maar de muziek en de manier waarop die
+gezongen werd, scheen hem zeer aan te doen, vooral wanneer St. Clare
+de roerendste gedeelten zong. Nog veel dieper zou zijn gemoed zijn
+bewogen, als hij de beteekenis had verstaan der treffende woorden:
+
+
+ "Recordare, Jesu pie,
+ Quod sum causa tuae viae,
+ Ne me perdas illa die;
+ Quaerens me sedisti lassus,
+ Redimisti crucem passus,
+ Tantus labor non sit cassus." [8]
+
+
+St. Clare gaf eene diep roerende uitdrukking aan deze woorden; want
+de nevelachtige sluier der jaren scheen te worden opgelicht, en het
+was hem alsof hij de stem zijner moeder met de zijne hoorde medezingen.
+
+Toen het lied uitgezongen was, bleef St. Clare nog eene poos met het
+hoofd in de hand zitten; stond toen op en begon in de kamer op en
+neer te wandelen.
+
+"Welk eene verhevene voorstelling van het laatste oordeel!" zeide
+hij. "Al het onrecht van eeuwen hersteld!--alle zedelijke raadselen
+opgelost, door eene onbedriegelijke wijsheid. Het is waarlijk een
+grootsch tafereel."
+
+"Maar geducht voor ons," zeide Ophelia.
+
+"Dat moest het voor mij wezen, zou ik denken," zeide St. Clare,
+peinzend stilstaande. "Ik las van middag voor Tom dat hoofdstuk van
+Mattheus, dat eene beschrijving daarvan geeft, en ik ben er waarlijk
+door getroffen. Men zou verwacht hebben, dat aan diegenen die van
+den hemel worden uitgesloten, gruwelijke euveldaden te last zouden
+worden gelegd, als reden daarvoor, maar neen--zij worden uitgesloten
+omdat zij geen positief goed hebben gedaan, alsof dat alle mogelijk
+kwaad insloot."
+
+"Misschien," zeide Ophelia, "is het onmogelijk, dat iemand die geen
+goed doet, geen kwaad doet."
+
+"En wat," zeide St. Clare redeneerende, maar toch met diep gevoel
+sprekende, "wat zal er dan gezegd worden van iemand, die door
+zijn eigen hart, zijne opvoeding en de behoeften der maatschappij
+vruchteloos tot een edel doel geroepen werd; die als een droomerig,
+onzijdig toeschouwer van den strijd den angst en het lijden der
+menschheid heeft laten voortbestaan, terwijl hij werkzaam had kunnen
+en moeten zijn?"
+
+"Ik zou zeggen," antwoordde Ophelia, "dat hij berouw moest hebben en
+nu beginnen."
+
+"Altijd practisch en op den man af!" zeide St. Clare, terwijl zich
+een glimlach op zijn gezicht begon te vertoonen. "Gij laat mij nooit
+tijd tot algemeene bespiegelingen, Nicht; gij brengt mij altijd vlak
+voor het werkelijk tegenwoordige; gij hebt eene soort van eeuwig nu,
+dat u altijd voor den geest is."
+
+"Nu is al de tijd, waarmede ik iets te doen heb," antwoordde Ophelia.
+
+"Lieve, kleine Eva--arm kind!" zeide St. Clare, "zij had haar eenvoudig
+hartje gezet op een goed werk voor mij."
+
+Het was de eerste maal sedert Eva's dood, dat men hem zoovele woorden
+over haar had hooren spreken, en hij had nu blijkbaar veel moeite om
+zijn gevoel te bedwingen.
+
+"Ik heb van het Christendom zulk een begrip," vervolgde hij, "dat
+ik geloof, dat niemand het kan belijden, of hij moet om consequent
+te blijven, zich met alle macht tegen het gedrochtelijk stelsel
+van ongerechtigheid verzetten, dat den grondslag van geheel onze
+maatschappij uitmaakt, en zoo het noodig is, zichzelven in dien strijd
+opofferen. Dat is, ik meen dat ik op geene andere wijs een Christen
+zou kunnen zijn, schoon ik zeker omgang heb gehad met vele verlichte,
+Christelijke menschen, die zoo niet deden; en ik beken dat de lauwheid
+van godsdienstige menschen in dit opzicht, hun gebrek aan een gevoel
+bij een onrecht dat mij deed ijzen, mij meer dan iets anders tot
+twijfelzucht heeft gebracht."
+
+"Indien gij dat alles wist," zeide Ophelia, "waarom hebt gij het
+niet gedaan?"
+
+"Och, omdat ik alleen die soort menschlievendheid heb, die daarin
+bestaat, dat men op de sofa liggende, de kerk en de geestelijken
+verwenscht, omdat zij geene belijders en martelaren zijn. Men kan zeer
+gemakkelijk zien, weet ge, dat anderen martelaren behoorden te wezen."
+
+"En zult ge nu anders gaan doen?" zeide Ophelia.
+
+"God alleen kent de toekomst," antwoordde St. Clare. "Ik ben dapperder
+dan ik was, omdat ik alles verloren heb; en wie niets te verliezen
+heeft, kan alles wagen."
+
+"En wat zult ge nu gaan doen?"
+
+"Mijn plicht, hoop ik, jegens armen en geringen, zoodra ik dien maar
+duidelijk zie," antwoordde St. Clare; "beginnende bij mijne eigen
+bedienden, voor wie ik nog niets gedaan heb; en misschien zal het
+eens blijken, dat ik iets voor de geheele klasse kan doen; iets om
+mijn land te ontheffen van de schande, welke het thans voor alle
+beschaafde natiën bedekt."
+
+"Acht gij het mogelijk, dat een volk ooit vrijwillig tot de emancipatie
+zal komen?" zeide Ophelia.
+
+"Ik weet het niet," antwoordde St. Clare. "Dit is een dag van groote
+daden. Heldhaftigheid en belangeloosheid rijzen hier en daar als uit
+den grond. De Hongaarsche edelen hebben met een ontzaglijk financieel
+verlies millioenen van lijfeigenen vrijverklaard, en misschien zullen
+er onder ons grootmoedigen worden gevonden, die eer en recht niet
+naar dollars en centen waardeeren."
+
+"Ik denk het haast niet," zeide Ophelia.
+
+"Maar onderstel dat wij morgen zouden opstaan en emancipeeren,
+wie zou dan deze millioenen opvoeden en hen hunne vrijheid leeren
+gebruiken? Zij zouden onder ons nooit veel goeds worden. De waarheid
+is, dat wij zelven te lui en te flauwhartig zijn, om hun een denkbeeld
+te geven van die geestkracht en vlijt, die vereischt wordt om hen tot
+menschen te vormen. Zij zullen naar het Noorden moeten gaan, waar het
+arbeiden de mode--het algemeen gebruik is; en zeg mij nu, is er genoeg
+christelijke menschenliefde in uwe Noordelijke staten om het bezwaar
+van hunne opvoeding en beschaving te dragen? Gij geeft duizenden van
+dollars aan zendelingen in vreemde landen; maar kunt gij het velen, dat
+de heiden in uwe steden en dorpen gezonden wordt, en kunt gij uw tijd,
+uwe gedachten en uw geld geven, om hem tot den christelijken standaard
+te verheffen? Dat zou ik willen weten. Als wij emancipeeren, zijt gij
+dan bereid om op te voeden? Hoevele huisgezinnen in uwe stad zouden
+dan een neger en negerin willen opnemen, hen onderrichten, geduld met
+hen hebben en hen tot christenen maken? Hoevele kooplieden zouden Adolf
+willen nemen, als ik hem als klerk bij hen wilde plaatsen, of hoevele
+handwerkslieden, als ik hem een ambacht wilde laten leeren? Als ik
+Jane en Rosa school wilde leggen, hoevele scholen zijn er dan in de
+Noordelijke staten, die haar zouden opnemen? Hoevele familiën die haar
+zouden willen hebben? En toch zijn zij zoo blank als menige vrouw in
+het Zuiden en Noorden. Gij ziet, Nicht, ik wil dat ons recht gedaan
+worde. Wij zijn in eene slechte positie. Wij zijn de _meer openbare_
+onderdrukkers van den neger; maar het onchristelijk vooroordeel van
+het Noorden is een bijna even hard onderdrukker."
+
+"Ja, Neef, ik weet dat het zoo is," antwoordde Ophelia. "Ik weet dat
+het zoo met mij was, tot ik zag dat het mijn plicht was dat vooroordeel
+te overwinnen, en ik weet dat er vele brave menschen in het Noorden
+zijn, die in dit opzicht alleen behoeven te leeren wat hun plicht
+is, om het te doen. Het zou zeker eene grooter zelfverloochening
+vereischen, om heidenen onder ons te ontvangen, dan om hun zendelingen
+te zenden; maar ik denk dat wij het doen zouden."
+
+"Gij zoudt het doen, dat weet ik," zeide St. Clare. "Ik zou wel
+eens willen zien wat gij niet doen zoudt, als gij het voor uwen
+plicht hieldt."
+
+"Och, ik ben zoo buitengemeen niet," zeide Ophelia daarop. "Anderen
+zouden hetzelfde doen, als zij de dingen zoo zagen als ik. Ik denk
+Topsy mede naar huis te nemen als ik ga. Ik denk dat de menschen bij
+ons zich eerst wel erg zullen verwonderen; maar ik geloof dat zij
+zich wel tot mijn begrip zullen laten brengen. Bovendien weet ik dat
+er velen in het Noorden zijn, die juist zoo doen als gij gezegd hebt."
+
+"Ja, maar zij zijn de minderheid, en als wij wat veel begonnen te
+emancipeeren, zouden wij van uwen kant spoedig wat anders hooren."
+
+Ophelia gaf hierop geen antwoord. Er volgde eene poos van stilte,
+en St. Clare's gezicht nam eene treurige mijmerende uitdrukking aan.
+
+"Ik weet niet wat mij van avond zooveel aan mijne moeder doet denken,"
+zeide hij. "Ik heb een zonderling gevoel, alsof zij dicht bij mij
+was. Ik denk gedurig aan dingen die zij placht te zeggen. Het is
+vreemd. Wat is het toch, dat ons dat lang verledene somtijds zoo
+levendig herinnert?"
+
+Hij wandelde nog een poos de kamer op en neer en zeide toen: "Mij
+dunkt, ik zal eens even de straat opgaan en hooren wat nieuws er van
+avond is."
+
+Hij nam zijn hoed en ging.
+
+Tom volgde hem het binnenplein over en vroeg of hij zou medegaan.
+
+"Neen, mijn jongen," antwoordde St. Clare; "ik zal binnen een uur
+terug zijn."
+
+Tom zette zich onder de veranda. Het was helder maneschijn, hij zat
+daar naar het springen der fontein te turen en ook naar het geklater te
+luisteren. Tom dacht aan zijn huis en dat hij spoedig een vrij man zou
+zijn en in staat om daarheen terug te keeren wanneer hij verkoos. Hij
+dacht hoe hij werken zou om zijne vrouw en kinderen te koopen. Hij
+betastte met zekere blijdschap de spieren zijner forsche armen en
+dacht hoe spoedig zij hem zelven zouden toebehooren, en hoeveel zij
+zouden werken om de vrijheid zijner familie te verdienen. En toen
+dacht hij aan zijnen edelaardigen jongen meester, en op die gedachte
+volgde het gewone gebed, dat hij altijd voor hem had opgezonden,
+en toen zwierven zijne gedachten naar de lieve kleine Eva, welke
+hij zich onder de engelen voorstelde: en hij bleef zoo peinzen,
+tot hij zich bijna verbeeldde dat haar helder gezichtje hem uit de
+spattende droppels der fontein aanzag. En zoo peinzende viel hij
+in slaap en droomde dat hij haar naar zich toe zag komen huppelen,
+juist gelijk zij placht te doen, met een krans van jasmijn in het
+haar, met blozende wangen en oogen die van blijdschap straalden;
+maar toen hij wel toezag, scheen zij van den grond op te rijzen;
+hare wangen hadden een bleeke kleur, hare oogen een meer hemelschen
+glans, en eene gouden glorie scheen haar hoofd te omringen, en zoo
+verdween zij uit zijn gezicht; Tom ontwaakte door een luid kloppen
+en het roepen van verscheidene stemmen aan de voorpoort.
+
+Hij haastte zich om die te openen: en met zware schreden, onder enkele
+woorden, met gesmoorde stem gesproken, kwamen eenige mannen binnen,
+een mensch dragende, die in een mantel gewikkeld op een vensterluik
+lag. Het licht der lantaren bescheen het gezicht; en Tom gaf een
+woesten kreet van ontzetting en wanhoop, die door de galerijen klonk,
+terwijl de mannen met hunnen last de open deur der voorkamer naderden,
+waar Ophelia zat te breien.
+
+St. Clare was een koffiehuis binnengegaan, om een avondblad in te
+zien. Terwijl hij dit las, werden twee heeren in de zaal, die beiden
+door drank beneveld waren, met elkander handgemeen, St. Clare en
+een paar anderen poogden hen te scheiden, en St. Clare kreeg een
+noodlottigen steek in de zijde met een ponjaard-mes, dat hij een der
+vechtenden wilde ontwringen.
+
+Terstond was het huis vol gegil, geschreeuw en gejammer; de bedienden
+trokken zich als razend de haren uit, en wierpen zich wanhopig op den
+grond, of liepen verbijsterd heen en weder. Tom en Miss Ophelia alleen
+schenen nog eenige tegenwoordigheid van geest te bezitten; want Marie
+lag in een heftig zenuwtoeval. Op Ophelia's beschikking werd eene der
+sofa's in de voorkamer haastig gereedgemaakt en de gekwetste daarop
+nedergelegd. St. Clare was van pijn en bloedverlies flauw gevallen;
+maar toen Ophelia opwekkende middelen aanwendde, kwam hij weder bij,
+opende de oogen, staarde strak voor zich, zocht ernstig in de kamer
+rond, en liet zijn blik over alle voorwerpen dwalen, tot deze eindelijk
+op het portret zijner moeder bleef rusten.
+
+De dokter kwam nu en onderzocht zijn toestand. Men kon uit zijn gezicht
+opmaken, dat er geene hoop meer was; maar hij maakte toch aanstalten
+om de wond te verbinden; en hij, Miss Ophelia en Tom verrichtten dit
+werk met alle bedaardheid, onder het jammeren, snikken en kermen der
+verschrikte en angstige bedienden, die elkander bij de deur verdrongen.
+
+"Wij moeten al dat volk wegjagen," zeide de dokter. "Alles hangt er
+van af, dat hij stilgehouden wordt."
+
+St. Clare opende de oogen en staarde strak naar de bedroefden,
+welke Ophelia en de dokter uit de kamer poogden te verwijderen. "Arme
+schepsels!" zeide hij, en eene uitdrukking van bitter zelfverwijt vloog
+over zijn gezicht. Adolf was onmogelijk te verdrijven. Ontzetting
+had hem bijna van zijne zinnen beroofd; hij wierp zich zoo lang hij
+was op den grond, en niets kon hem bewegen om op te staan. De anderen
+luisterden naar Ophelia's dringende vermaningen, toen zij zeide dat het
+behoud van hunnen meester van hunne stilte en gehoorzaamheid afhing.
+
+St. Clare kon maar weinig spreken. Hij lag met gesloten oogen, maar
+het was duidelijk te zien dat hij met bittere gedachten worstelde. Na
+eene poos leide hij zijne hand op die van Tom, die naast hem knielde
+en zeide: "Tom, arme man!"
+
+"Wat, meester?" zeide Tom ernstig.
+
+"Ik ben stervende," zeide St. Clare en drukte hem de hand. "Bid!"
+
+"Als gij een geestelijke mocht verlangen," begon de dokter.
+
+St. Clare schudde zijn hoofd en zeide nog eens en met meer ernst tot
+Tom: "Bid!"
+
+En Tom bad, met alle kracht en geheel zijn hart, voor de ziel die
+scheiden zou--de ziel, welke zoo ernstig uit die blauwe oogen scheen
+te staren. Het was letterlijk een goed gebed, "met sterke roeping in
+tranen geofferd."
+
+Toen Tom zweeg, vatte St. Clare hem nogmaals bij de hand, maar zeide
+niets. Hij sloot zijne oogen, maar bleef die hand vasthouden; want
+voor de poort der eeuwigheid drukken de zwarte hand en de blanke
+elkander als gelijken. Afgebroken en bij tusschenpoozen prevelde hij
+bij zichzelven:
+
+
+ "Recordare, Jesu pie--
+ * * *
+ Ne me perdas illa die,
+ Quaerens me sedisti lassus."
+
+
+Blijkbaar kwamen dus de woorden, welke hij dien avond gezongen had,
+hem weder voor den geest--woorden van smeeking, tot de oneindige
+Barmhartigheid gericht. Nu en dan ontvloden enkele afgebroken regels
+van het lied zijne lippen.
+
+"Hij ijlt," zeide de dokter.
+
+"Neen, ik kom eindelijk tot mij zelven," zeide St. Clare met
+nadruk. "Eindelijk, eindelijk!"
+
+Het spreken had zijne krachten geheel uitgeput. De bleekheid des doods
+spreidde zich over zijne trekken, maar vergezeld van eene uitdrukking
+van vreedzame kalmte, gelijk die van een vermoeid kind dat in slaap
+valt. Het was als ware een engel tot hem afgedaald, om hem te troosten.
+
+Zoo lag hij een korte poos. Zij zagen dat de hand des doods op hem
+was. Slechts nog even, juist vóórdat hij den geest gaf, opende hij
+zijne oogen, waaruit een plotselinge glans als van blijde herkenning
+straalde, en zeide: "Moeder!" en toen was hij gestorven.
+
+
+
+
+
+NEGEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK
+
+DE NALATENSCHAP
+
+
+Men hoort dikwijls van de droefheid der negerslaven over het verlies
+van een goeden meester; en maar al te veel reden hebben zij om bedroefd
+daarover te zijn, want geen schepsel op Gods aarde kan ongelukkiger
+en hulpeloozer achterblijven dan een slaaf in zulke omstandigheden.
+
+Het kind, dat zijn vader heeft verloren, heeft nog de bescherming van
+nabestaanden of die der wet; het is iets en kan iets doen--het heeft
+eene positie en erkende rechten; de slaaf heeft niets daarvan. De wet
+houdt hem in alle opzichten voor zoo geheel zonder eigen rechten als
+eene baal koopwaren. De eenig mogelijke erkenning der verlangens en
+behoeften van een menschelijk en onsterfelijk wezen, die hem ten deel
+valt, heeft hij aan de oppermachtige willekeur van zijnen meester
+te danken. Dit weet iedereen en de slaaf het best van allen, en hij
+gevoelt dus, dat hij tien kansen heeft, om een grillig en tiranniek
+meester te vinden, tegen eene om een goedaardig en menschlievend heer
+te bekomen. Daarom is het, dat de rouwklacht over een goed meester
+zoo luid en lang is, en wezen mag.
+
+Toen St. Clare den adem uitblies, werden al zijne onderhoorigen door
+verbijsterden schrik overstelpt. Hij was zoo in een oogenblik in den
+bloei en de kracht zijner jeugd neergeveld! Elke kamer en galerij
+van het huis weergalmde van het snikken en gillen der wanhoop.
+
+Marie, wier zenuwgestel door hare weekelijke levenswijs geheel was
+ondermijnd, had niets om haar bij dien schok te ondersteunen. Toen
+haar echtgenoot den laatsten snik gaf, kreeg zij flauwte op flauwte,
+en hij, met wien zij door den heiligen huwelijksband was verbonden,
+was voor altijd van haar gescheiden, zonder dat het zelfs mogelijk
+was geweest een afscheidswoord te spreken.
+
+Ophelia was met haar eigenaardige geestkracht en zelfbeheersching tot
+het laatste toe bij haren neef gebleven--geheel oog, geheel oor, geheel
+oplettendheid om het weinige te doen, dat er nog gedaan kon worden,--en
+had met geheel haar hart ingestemd in het teedere en vurige gebed,
+dat door den armen slaaf voor de ziel van zijnen stervenden meester
+werd opgezonden.
+
+Toen men hem schikte voor zijne laatste rust, vond men op zijne borst
+een eenvoudig medaillon, dat met eene veer opensprong. Daarin was
+het miniatuur-portretje eener vrouw van edele schoonheid, en aan de
+achterzijde onder glas een lok donker haar. Zij plaatsten het weder
+op de levenlooze borst--stof bij stof--die treurige overblijfselen
+van vroegere droomen, die het nu koude hart eens zoo warm hadden
+doen kloppen.
+
+Toms geheele ziel was met gedachten aan de eeuwigheid vervuld,
+en terwijl hij aan dat levenlooze stof de laatste diensten bewees,
+dacht hij niet eens aan den plotselingen slag, die hem in hopelooze
+slavernij had gelaten. Hij voelde zich gerust over zijnen meester;
+want in dat uur, toen hij zijn gebed in den boezem van zijnen Vader
+had uitgestort, had hij in zich zelven een antwoord voelen opwellen,
+dat zijn gemoed bevredigde. In de diepte van zijn eigen liefderijk
+hart had hij iets van de volheid der goddelijke liefde kunnen bevatten,
+want een oud orakel had aldus geschreven: "Hij die in de liefde blijft,
+blijft in God en God in hem." Tom hoopte en vertrouwde, en was gerust.
+
+De begrafenis liep af met al haar praal van zwart en krip, van gebeden
+en strakke gezichten; en de koude, troebele golven van het dagelijksch
+leven rolden weder voort, en toen kwam de altijd weder opnieuw gehoorde
+vraag op: "Wat moet er nu gedaan worden?"
+
+Deze vraag kwam bij Marie op toen zij, in een los ochtendgewaad
+gekleed, en door angstige bedienden omringd, in een grooten
+leuningstoel opzat, en stalen en rouwgoed bezichtigde. Zij kwam ook bij
+Ophelia op, die aan haar tehuis in het Noorden begon te denken. Zij
+kwam ook met stille ontzetting bij de slaven op, die maar al te wel
+het gevoellooze grillige karakter van hunne meesteres kenden, in wier
+handen zij gelaten waren. Allen wisten zeer wel, dat de zachtheid,
+waarmede zij behandeld waren, niet van hunne meesteres, maar van
+hunnen meester afkomstig was; en dat er, nu hij niet meer leefde,
+niets meer was om hen te beschermen tegen alle tirannieke kwellingen,
+die een gemoed dat door verdriet verbitterd was zou kunnen uitdenken.
+
+Het was omtrent veertien dagen na de begrafenis, toen Ophelia, in
+hare kamer bezig, zacht aan hare deur hoorde kloppen. Zij opende die
+en daar stond Rosa, de fraaie jonge quadrone, van wie wij vroeger
+meermalen gesproken hebben, met loshangende haren en oogen, gezwollen
+van het schreien.
+
+"O, Miss Phelia!" zeide zij, op hare knieën vallende en den zoom van
+haar kleed vattende, "ga toch voor mij naar Miss Marie! Spreek toch
+voor mij! Zij wil mij zenden om gegeeseld te worden--zie hier!" En
+zij gaf Ophelia een papier over.
+
+Het was eene order, met Maries fijne Italiaansche hand geschreven,
+aan den meester van het "geesel-etablissement", om aan de brengster
+vijftien zweepslagen te geven.
+
+"Wat hebt gij dan gedaan?" zeide Ophelia.
+
+"Gij weet wel, Miss Phelia, ik heb zulk een driftig humeur, en dat is
+heel slecht van mij. Ik paste Miss Marie een kleedje, en zij gaf mij
+een klap in het gezicht, en toen sprak ik vóór ik dacht en was brutaal;
+en zij zeide dat zij mij wel klein zou krijgen, en mij voor eens en
+altijd leeren dat ik niet meer zooveel verbeelding moest hebben als
+voorheen; en toen schreef zij dit en zei dat ik het brengen moet. Ik
+had liever dat zij mij ineens doodsloeg."
+
+Ophelia stond zich met het papier in de hand te bedenken.
+
+"Gij ziet het wel, Miss Phelia," hervatte Rosa, "ik zou niet zooveel
+om het slaan geven, als Miss Marie of gij het deedt; maar, naar een
+man gezonden te worden--en zulk een afschuwelijk man--en de schande
+daarvan, Miss Phelia!"
+
+Ophelia wist wel dat het een algemeen gebruik was, vrouwen en
+meisjes naar de geeselhuizen te zenden, onder de handen der gemeenste
+kerels--laaghartig genoeg om zoo iets tot hun beroep te maken--om daar
+eene schandelijke ontblooting en tuchtiging te ondergaan. Zij had
+dit vroeger wel geweten, maar het zich nog nooit recht voorgesteld,
+vóórdat zij de tengere gestalte van Rosa stuipachtig zag rillen van
+angst. Al haar edel vrouwelijk bloed, het krachtige, vrije bloed
+van Nieuw-Engeland, steeg haar naar de wangen en klopte onstuimig
+in haar verontwaardigd hart; maar met hare gewone voorzichtigheid
+en zelfbeheersching bedwong zij zich, en het papier in hare hand
+samenknijpende, zeide zij tegen Rosa slechts: "Ga hier zitten, kind,
+terwijl ik naar uwe meesteres ga."
+
+"Schandelijk! barbaarsch! verfoeielijk!" zeide zij bij zich zelve,
+terwijl zij naar de voorkamer ging.
+
+Zij vond Marie in haren leuningstoel zitten. Mammy was bezig met haar
+het haar te kammen en Jane, die vóór haar op den grond zat met hare
+voeten te wrijven.
+
+"Hoe bevindt ge u vandaag?" zeide Ophelia.
+
+Een zware zucht met dichtgeknepen oogen was het eerste antwoord,
+en daarop zeide Marie: "Och, ik weet het niet, Nicht. Ik denk haast
+dat ik zoo wel ben, als ik ooit wezen zal." En zij veegde hare oogen
+af met een zakdoek, die een zwarten rand had van een duim breed.
+
+"Ik kwam," zeide Ophelia met een droog kuchje, gelijk meestal tot
+inleiding van een netelig onderwerp moet dienen, "ik kwam om eens
+met u over die arme Rosa te spreken."
+
+Marie opende nu hare oogen wijd genoeg, en er kwam een blos op hare
+vale wangen, toen zij met scherpheid antwoordde:
+
+"Wel, wat is er met haar?"
+
+"Zij heeft veel spijt over hare fout."
+
+"Zoo, heeft zij dat? Zij zal nog wel meer spijt hebben, eer ik met
+haar heb afgedaan. Ik heb de onbeschaamdheid van dat kind lang genoeg
+verdragen, en nu zal ik haar vernederen--ik zal haar in het stof
+doen kruipen."
+
+"Maar zoudt gij haar niet op eene andere manier kunnen straffen,
+die minder schandelijk was?"
+
+"Ik bedoelde haar schande aan te doen; dat is juist wat ik wil. Zij
+is altijd grootsch geweest op hare mooiheid en fijnheid en hare
+damesachtige manieren, tot zij vergeten heeft wat zij is; en ik zal
+haar eene les geven, die haar wel van hare verbeelding genezen zal,
+naar ik denk."
+
+"Maar, Nicht, bedenk dat als gij de kieschheid en schaamte bij een jong
+meisje verdooft, zij spoedig tot alle slechtheid in staat moet worden."
+
+"Kieschheid!" zeide Marie, met eenen schamperen lach; "een mooi woord
+voor zulken als zij! Ik zal haar leeren dat zij met al hare airs niet
+beter is dan de vuilste slet die langs de straat loopt. Zij zal zich
+bij mij geene airs geven."
+
+"Gij zult bij God verantwoordelijk zijn voor zulk eene wreedheid,"
+zeide Ophelia.
+
+"Wreedheid! Ik zou wel eens willen weten, waar gij die wreedheid
+vindt. Ik heb eene order geschreven voor maar vijftien slagen, en
+hem nog gezegd om ze licht te geven. Ik denk toch dat daarin geene
+wreedheid steekt."
+
+"Geene wreedheid!" zeide Ophelia. "Ik ben zeker, dat ieder meisje
+veel liever in eens dood zou willen zijn."
+
+"Zoo zou het iemand met uw gevoel kunnen voorkomen; maar al die
+schepsels worden er aan gewoon, en het is de eenige manier waarop er
+orde onder kan worden gehouden. Als zij eens denken dat zij airs van
+kieschheid en dat alles kunnen geven, nemen zij een loopje met u,
+gelijk mijne bedienden altijd gedaan hebben. Ik ben nu begonnen met
+hun anders te leeren, en ik zal hun spoedig allen doen begrijpen, dat
+ik den een evengoed zal zenden om gegeeseld te worden als den ander,
+als zij niet oppassen," zeide Marie, gebiedend om zich heenziende.
+
+Jane liet haar hoofd hangen en kromp ineen toen zij dit hoorde, want
+zij voelde dat het bijzonder op haar gemunt was. Miss Ophelia bleef
+een oogenblik zitten, alsof zij een of ander ontploffend mengsel had
+ingenomen en op het punt was om te bersten. Toen bedenkende hoe geheel
+nutteloos een woordenstrijd met iemand van zulk een karakter was,
+kneep zij hare lippen vaster dicht, stond op en ging de kamer uit.
+
+Het was hard, weder naar Rosa te moeten gaan om haar te zeggen, dat zij
+toch niets voor haar doen kon. Kort daarop kwam een der slaven zeggen
+dat zijne meesteres hem gelast had, Rosa naar het geeselhuis te brengen
+en in weerwil van haar smeeken en schreien, werd zij daarheen gesleept.
+
+Eenige dagen later stond Tom peinzend onder eene der galerijen,
+toen Adolf bij hem kwam, die sedert den dood van zijnen meester zeer
+mismoedig en bedrukt geweest was. Adolf wist wel dat zijne meesteres
+altijd een hekel aan hem had gehad, maar zoolang zijn meester leefde,
+had hij zich daar weinig om bekommerd. Nu deze gestorven was, was
+hij geen dag zonder angst geweest, daar hij niet wist wat hem den
+volgenden kon overkomen. Marie had reeds verscheidene malen haar
+procureur geraadpleegd, en na overleg met St. Clare's broeder had men
+besloten om het huis en al de bedienden te verkoopen, behalve die
+haar persoonlijk eigendom waren. Deze laatsten wilde zij medenemen
+en zich weder naar de plantage van haren vader begeven.
+
+"Weet gij wel, Tom, dat wij allen verkocht zullen worden?" zeide Adolf.
+
+"Hoe hebt gij dat gehoord?" zeide Tom.
+
+"Ik had mij achter de gordijnen verscholen, toen mevrouw met den
+procureur sprak. Over eenige dagen zullen wij allen naar de publieke
+verkooping gezonden worden."
+
+"De wil des Heeren geschiede!" zeide Tom met een zwaren zucht, zijne
+armen over elkander heenslaande.
+
+"Wij zullen nooit weder zulk een meester krijgen," zeide Adolf
+benauwd. "Maar ik wil liever verkocht worden, dan afwachten hoe het
+onder mevrouw met mij gaan zal."
+
+Tom keerde zich om. Zijn hart was vol. De hoop op vrijheid, de
+gedachte aan zijne vrouw en kinderen rezen op voor zijn geduldige
+ziel, gelijk voor den zeeman, die bijna in de haven schipbreuk lijdt,
+eene verschijning oprijst van den kerktoren en de bekende daken van
+het dorp zijner geboorte, die hij over de toppen der donkere golven
+slechts even ontwaart, om ze een laatst vaarwel toe te roepen. Hij
+klemde zijne armen vast over zijne borst, bedwong zijne tranen en
+poogde te bidden. De arme, onnoozele man had zulk een zonderling
+onverklaarbaar vooroordeel ten gunste der vrijheid, dat het bidden
+hem zeer moeilijk viel; en hoe meer hij zeide: "Uw wil geschiede!" des
+te oproeriger werd het in zijn gemoed.
+
+Hij zocht Miss Ophelia op, die hem sedert Eva's dood altijd met
+bijzondere achting en vriendelijkheid had behandeld.
+
+"Miss Phelia," zeide hij, "Mijnheer St. Clare had mij mijne vrijheid
+beloofd. Hij zeide mij dat hij begonnen was met de papieren gereed
+te maken; en als nu Miss Phelia zoo goed wilde zijn om er met mevrouw
+over te spreken, zou zij er misschien wel mede willen laten voortgaan,
+daar het toch Mijnheer St. Clare's verlangen was."
+
+"Ik zal voor u spreken, Tom, en mijn best doen," zeide Ophelia,
+"maar als het van Mevrouw St. Clare afhangt, kan ik niet veel voor
+u hopen. Evenwel, ik zal het beproeven."
+
+Dit gebeurde eenige dagen na het voorgevallene met Rosa, terwijl Miss
+Ophelia reeds bezig was met toebereidselen, om naar het Noorden terug
+te keeren.
+
+Ernstig bij zich zelven nadenkende, begreep zij dat zij misschien bij
+haar vorig gesprek met Marie te haastig was geweest en met te veel
+warmte gesproken had, en besloot zij thans haar ijver te matigen en zoo
+geduldig te zijn als haar maar mogelijk was. Zoo nam dus de goede ziel
+haar breiwerk mede en ging naar de kamer van Marie, met het voornemen
+om zich zoo aangenaam te maken als zij maar kon, en tevens over de
+zaak van Tom te onderhandelen met al de diplomatische behendigheid,
+die haar ten dienste stond.
+
+Zij vond Marie zoo lang als zij was op eene sofa liggen, met een
+elleboog op de kussens leunende, terwijl Jane, die voor haar naar
+eenige winkels was geweest, haar stalen van dunne zwarte stoffen
+vertoonde.
+
+"Dat zou goed zijn," zeide Marie, er een uitkiezende, "maar ik weet
+niet zeker of het wel eigenlijk voor rouw kan dienen."
+
+"O ja, Mevrouw," zeide Jane. "Mevrouw Derbennon heeft hetzelfde
+gedragen, toen de generaal verleden zomer gestorven was, en het
+kleedt overheerlijk."
+
+"Wat denkt gij er van?" zeide Marie tot Ophelia.
+
+"Dat zal van het gebruik afhangen, denk ik," antwoordde Ophelia,
+"en daarover kunt gij zeker beter oordeelen dan ik."
+
+"De zaak is," zeide Marie, "dat ik geene enkele japon in de wereld
+heb die ik dragen kan; en daar ik aanstaande week het huishouden
+opbreek en vertrek, moet ik tot het een of ander besluiten."
+
+"Gaat gij spoedig?"
+
+"Ja, St. Clare's broeder heeft geschreven, en hij en de procureur
+denken dat het best zal zijn, de bedienden en de meubelen publiek
+te laten verkoopen, en het huis en het landgoed in handen van onzen
+procureur te laten."
+
+"Dan is er nog iets, waarover ik u spreken wilde," zeide
+Ophelia. "St. Clare had Tom zijne vrijheid beloofd, en was begonnen
+met de vereischte wettige formaliteiten. Ik hoop dat gij uw invloed
+zult aanwenden, om die zaak te doen in orde brengen."
+
+"Dat ben ik volstrekt niet voornemens," antwoordde Marie scherp. "Tom
+is een van de kostbaarste bedienden, en dat zou dus eene aanmerkelijke
+schade voor de nalatenschap zijn. Bovendien, wat heeft hij met vrijheid
+noodig? Hij heeft het veel beter zooals hij nu is."
+
+"Maar hij verlangt er zeer naar, en zijn meester had ze hem beloofd,"
+zeide Ophelia.
+
+"Ik wil wel gelooven dat hij ze verlangt," zeide Marie. "Dat
+doen zij allen, alleen omdat zij altijd onvergenoegd zijn en alles
+verlangen wat zij niet hebben. Ik ben _par principe_ altijd tegen het
+emancipeeren. Houd een neger onder het opzicht van een meester en hij
+maakt het wel genoeg en gedraagt zich ordelijk; maar laat hen vrij, en
+zij worden lui en willen niet werken, raken aan den drank, en worden
+allen gemeene deugnieten. Ik heb dat honderden malen gezien. Het is
+niet eens eene gunst voor hen, hen vrij te laten."
+
+"Maar Tom is zoo bedaard, vlijtig en godsdienstig."
+
+"O, daar behoeft gij mij niet van te spreken. Ik heb er honderden
+gezien, evenals hij. Hij zal zich heel wel gedragen zoolang hij onder
+opzicht is, dat is alles."
+
+"Maar bedenk dan ook," zeide Ophelia, "als gij hem te koop laat zetten,
+is er kans dat hij een slecht meester krijgt."
+
+"O, dat is alles maar gekheid!" zeide Marie. "Het gebeurt niet eens
+in de honderd maal dat een goed kerel een slecht meester krijgt. De
+meeste meesters zijn goed, hoeveel er ook mag gepraat worden. Ik
+ben hier in het Zuiden groot geworden, en heb nog nooit een meester
+gekend, die zijne bedienden niet goed behandelde, zoo goed als het
+maar behoeft. In dat opzicht ben ik volstrekt niet bang."
+
+"Welnu," zeide Ophelia met nadruk, "ik weet dat het een der laatste
+wenschen van uwen man was, dat Tom zijne vrijheid zou hebben; het
+was eene van de beloften, die hij de kleine Eva op haar sterfbed gaf,
+en ik zou niet denken dat gij over zoo iets zoudt willen heenstappen."
+
+Onder deze toespraak bedekte Marie haar gezicht met hare zakdoek en
+begon zij met heftigheid te snikken en haar flacon te gebruiken.
+
+"Iedereen maakt het mij moeilijk," zeide zij nu. "Iedereen is even
+ongevoelig! Ik zou niet verwacht hebben, dat gij mij mijne rampen
+weder in het geheugen zoudt brengen. Maar niemand denkt ooit om mijn
+gevoel--en dat bij mijne buitengemeene bezoekingen! Het valt mij zoo
+hard, nu ik maar eene eenige dochter had, dat zij mij moest ontnomen
+worden--en daar ik een man had die mij juist beviel--en het is zoo
+zelden dat mij iets bevalt--dat hij mij ook moest ontnomen worden! Gij
+schijnt zoo weinig gevoel voor mij te hebben, en brengt het mij zoo
+onbedacht voor den geest--terwijl gij weet hoe het mij overstelpt. Ik
+wil gelooven dat gij het wèl meent; maar het is zoo onbedacht!"
+
+En Marie snikte en hijgde naar adem, en riep Mammy om het venster
+open te zetten en haar het kamferfleschje te geven, om haar hoofd
+daarmede te bevochtigen, en haar kleed los te maken, en in de algemeene
+opschudding die daarop volgde, nam Ophelia de wijk naar hare kamer.
+
+Zij begreep terstond dat het niet baten kon iets meer te zeggen, want
+Marie had altijd zenuwtoevallen bij de hand; en wanneer vervolgens
+iemand een woord over de laatste wenschen van haren echtgenoot of van
+Eva ten opzichte der bedienden begon te spreken, achtte zij het beste
+er terstond een te laten aanrukken. Ophelia deed derhalve het beste,
+dat zij in deze omstandigheden voor Tom doen kon; zij schreef voor
+hem een brief aan Mevrouw Shelby, waarin zij zijn ongeval vermeldde
+en aandrong om hem te hulp te komen.
+
+Den volgenden dag werden Tom en Adolf, met nog een half dozijn anderen,
+naar het slavenmagazijn gebracht, om daar te wachten tot de handelaar,
+die eene publieke verkooping zoude houden, een troep bijeen had.
+
+
+
+
+
+DERTIGSTE HOOFDSTUK
+
+HET SLAVENMAGAZIJN
+
+
+Een slavenmagazijn! Misschien maken sommigen mijner lezers zich eene
+allerakeligste voorstelling van zulk eene plaats. Zij verbeelden zich
+een vuil donker hol, een schrikkelijken Tartarus, "_informis ingens,
+cui lumen adeptus_." Maar neen, onnoozele vriend, in deze dagen heeft
+men de kunst geleerd om met overleg en fatsoen te zondigen, zoodat men
+de oogen en het gevoel eener beschaafde maatschappij niet beleedigt. De
+menschelijke koopwaar is hoog in prijs aan de markt, en wordt daarom
+wel gevoed en wel schoongehouden, opgepast en verzorgd, opdat zij vet,
+krachtig en in goeden staat ten verkoop kome. Een slavenmagazijn te
+Nieuw-Orleans is een huis, voor het uiterlijke niet veel verschillende
+van andere huizen, dat net onderhouden wordt, en waar gij dagelijks
+buiten de deur onder een soort van afdak, eene rij mannen en vrouwen
+kunt zien staan, als stalen van de waar die binnen te koop is.
+
+Dan zult gij beleefd verzocht worden, om binnen te komen en
+te examineeren, en dit doende zult gij een overvloed vinden van
+echtgenooten en vrouwen, broeders en zusters, vaders, moeders en kleine
+kinderen, "te koop afzonderlijk of bij partijen, gelijk gegadigden
+zullen verlangen," en die onsterfelijke zielen, eens door den Zoon
+Gods met bloed en angst gekocht, toen de aarde beefde en de rotsen
+scheurden en de graven geopend werden, kunnen verkocht, verpand en
+voor specerijen of droge waren verruild worden, naarmate het zoo in
+den handel te pas, of den kooper gelegen komt.
+
+Het was een paar dagen na het gesprek tusschen Marie en Ophelia, dat
+Tom, Adolf en nog een half dozijn anderen uit de nalatenschap van
+St. Clare aan de zorgen van Mr. Skeggs, houder van het depôt in de
+straat, werden overgegeven, om de verkooping van den volgenden dag
+daar af te wachten.
+
+Tom had een vrij grooten koffer vol kleeren bij zich, gelijk de meeste
+anderen insgelijks hadden. Zij werden voor den nacht in een lang
+vertrek gebracht, waar nog vele andere mannen van allerlei ouderdom,
+grootte en tinten van kleur verzameld waren en waar men het schaterende
+gelach eener gedachtenlooze vroolijkheid hoorde.
+
+"Ha, ha, ha, dat is goed! Toe maar, jongens, toe maar," zeide
+Mr. Skeggs, de magazijnhouder. "Mijn volk is altijd zoo vroolijk! Sambo
+is aan den gang, zie ik," voegde hij er bij, goedkeurend het woord
+richtende tot een zwaarlijvigen neger, die de ruwe potsen maakte,
+welke het gelach veroorzaakten dat Tom gehoord had.
+
+Tom was, gelijk men wel denken kan, niet gestemd om in het vermaak te
+deelen. Hij zette dus zijn koffer zoover mogelijk van de luidruchtige
+groep, ging er op zitten en liet zijn hoofd tegen den muur leunen. De
+handelaren in menschelijke koopwaar maken er opzettelijk hun werk van
+om eene luidruchtige vroolijkheid onder hunne negers te bevorderen,
+als een middel om het nadenken te smoren en hen voor hunnen toestand
+ongevoelig te maken. De geheele behandeling welke den neger ten deel
+valt, van dat hij op de markt in het Noorden wordt verkocht totdat
+hij in het Zuiden komt, wordt er stelselmatig op aangelegd om hem
+te verharden, gedachteloos te doen worden en te verdierlijken. De
+slavenhandelaar verzamelt zijn troep in Virginia of Kentucky, en
+brengt dien dan naar eene geschikte, gezonde plaats, om zijne negers
+te mesten. Hier worden zij dagelijks volop gevoed; en daar sommigen
+wel tot kniezen geneigd zijn, wordt er gewoonlijk eene viool op na
+gehouden, en laat men hen alle dagen dansen; en hij die niet vroolijk
+wil zijn--in wiens ziel de gedachten aan vrouw of kinderen te sterk
+zijn om hem te doen lachen en springen--wordt voor een kwaardaardigen
+en gevaarlijken kerel gehouden, en is blootgesteld aan al het kwaad,
+dat het ongenoegen van een gevoelloos mensch, die aan niemand
+verantwoordelijk is, hem kan aandoen. Levendigheid, vlugheid en
+vroolijkheid van uitzicht, vooral in het bijzijn van toeschouwers,
+worden hun gedurig opgedrongen, zoowel door de hoop om daardoor een
+goed meester te krijgen, als door de vrees voor alles wat de handelaar
+hun kan aandoen, wanneer zij onverkoopbaar blijken te zijn.
+
+"Wat voert die neger daar uit?" zeide Sambo, naar Tom toekomende, nadat
+Mr. Skeggs was heengegaan. Sambo was een echte zwarte, van reusachtige
+grootte, zeer levendig en vlug van tong, en vol streken en kuren.
+
+"Wat doet gij daar?" zeide Sambo, Tom schertsend een stoot in de
+zijde gevende. "Aan het mediteeren, he?"
+
+"Ik moet morgen op de verkooping verkocht worden," gaf Tom zeer
+bedaard ten antwoord.
+
+"Op de verkooping verkocht? Ha, ha! Jongens, is dat geen pret? Ik wou
+dat ik ook dien weg op moest! Zegt, zou ik ze niet laten lachen? Maar
+hoe is dat? Moet die heele troep morgen gaan?" zeide Sambo, en leide
+zijne hand vrijpostig op Adolfs schouder.
+
+"Wees zoo goed om van me af te blijven," zeide Adolf barsch en richtte
+zich met groote minachting rechtop.
+
+"Kijkt, jongens, dat is een van die blanke negers, eene soort van
+roomkleurtje, en geparfumeerd!" zeide Sambo, nog dichter bij Adolf
+komende en zijn neus ophalende. "Hij zou goed voor een tabakswinkel
+zijn. Men kon hem gebruiken om de snuif te parfumeeren. Hij zou den
+winkel aan eene goede klandizie helpen--zou hij niet?"
+
+"Blijf van mij af, zeg ik!" riep Adolf woedend uit.
+
+"Och, wat zijn wij kleinzeerig, wij blanke negers! Kijkt ons nu
+eens aan." En Sambo bootste op eene koddige manier Adolfs houding en
+manieren na. "Wat een air en gratie! Wij zijn in goede familie geweest,
+zou ik denken."
+
+"Ja," antwoordde Adolf, "ik had een meester, die u allen had kunnen
+koopen voor oude lorren."
+
+"Denk eens aan," zeide Sambo. "Zulke _gentlemen_ als wij zijn!"
+
+"Ik behoorde aan de familie St. Clare," zeide Adolf trotsch.
+
+"Wel, wel, deedt ge dat? Ik laat mij hangen, als zij niet gelukkig zijn
+dat zij u eens te zien krijgen. Ik denk dat zij u met een partijtje
+gebarsten trekpotten en zulke dingen zullen verkoopen," zeide Sambo,
+met een tergende grijns.
+
+Adolf, woedend over dien schimp, vloog als razend op zijnen vijand
+aan, en sloeg vloekende naar alle kanten om zich heen, terwijl de
+anderen lachten en joelden, en het rumoer deed daardoor den oppasser
+binnenkomen.
+
+"Wat nu, jongens! Orde, orde!" riep hij en zwaaide met een lange
+zweep. Allen namen naar verschillende kanten de vlucht, behalve Sambo,
+die op de gunst, welke Mr. Skeggs hem als bevoorrecht grappenmaker
+bewees, vertrouwende, staan bleef, en slechts met een koddige grijns
+dook, als de meester een slag naar hem deed.
+
+"O, meester, wij zijn het niet.--Wij zijn altijd ordentelijk.--Het
+zijn de nieuwelingen.--Zij maken het lastig; het is alsof zij gedurig
+ruzie met ons zoeken."
+
+Daarop keerde Mr. Skeggs zich naar Tom en Adolf, deelde, zonder veel
+te vragen, eenige schoppen en trappen uit; gaf een algemeen bevel om
+goede jongens te zijn en te gaan slapen, en ging weder heen.
+
+Terwijl dit in de slaapzaal der mannen plaats had, is de lezer
+misschien wel nieuwsgierig geweest, om eens in het aangrenzende
+vertrek te kijken, dat voor de vrouwen was bestemd.
+
+In allerlei houdingen op de vloer uitgestrekt, kon hij daar eene
+menigte gedaanten zien, van alle tinten van kleur, van het zuiverste
+zwart af tot geheel blank, en van alle jaren, van de kindsheid tot den
+grijzen ouderdom, die nu liggen te slapen. Hier is een bevallig meisje
+van tien jaren, wier moeder gisteren werd verkocht en dat zich nu in
+slaap heeft geschreid, zonder dat iemand er op lette. Daar eene oude
+afgewerkte negerin, wier magere armen en vereelte vingers van harden
+arbeid spreken, wachtende om morgen, als afgekeurde waar, verkocht te
+worden voor wat zij nog gelden kan. Veertig of vijftig anderen, met het
+hoofd op allerlei manieren in dekens of kleederen gewikkeld, liggen
+om deze heen. Maar in een hoek, van de anderen afgezonderd, zitten
+twee vrouwen, wier voorkomen meer dan gewoonlijk de aandacht trekt.
+
+Eene van deze is een fatsoenlijk gekleede mulattin, van tusschen de
+veertig en vijftig jaren, met zachte oogen en innemende trekken. Zij
+heeft een hoogen tulband op het hoofd, van een rooden madrassen doek
+van de eerste kwaliteit gemaakt en hare kleeding past haar zeer net
+en is van goede stof, aanduidende dat zij door zorgvuldige handen
+zoo is uitgerust. Naast haar, dicht tegen haar aangedrongen zit een
+meisje van vijftien jaren, hare dochter. Zij is eene quadrone, gelijk
+men aan hare blanke kleur kan zien, hoewel hare gelijkenis met hare
+moeder toch zeer duidelijk is. Zij heeft dezelfde donkere oogen met
+lange wimpers, en haar krullend haar is fraai bruin van kleur. Zij
+is ook zeer net gekleed, en hare witte, fijne handjes verraden weinig
+gemeenzaamheid met slaafschen arbeid. Deze twee moeten morgen verkocht
+worden, tegelijk met de bedienden van St. Clare, en de heer, aan wien
+zij toebehooren en aan wien het geld dat zij opbrengen, moet worden
+overgezonden, is lid eener Christelijke kerk te New-York, die het
+geld zal aannemen, en daarna het sacrament van zijnen en haren Heer
+ontvangen, zonder er meer aan te denken.
+
+Deze twee, die wij Suze en Emmeline zullen noemen, waren lijfbedienden
+van een zachtaardige en godvruchtige dame te Nieuw-Orleans geweest,
+door wie zij zorgvuldig onderwezen en godsdienstig opgeleid waren. Zij
+hadden leeren lezen en schrijven, waren geoefend in de godsdienstige
+waarheden van het Christendom, en haar lot was zoo gelukkig geweest,
+als het in haren staat wezen kon. Doch de eenige zoon harer eigenares
+had het beheer over het vermogen zijner moeder, en door zijne
+zorgeloosheid en buitensporigheid had hij dit met schulden bezwaard
+en daarna bankroet gemaakt. Een der voornaamste crediteuren was de
+zeer geachte B. en Comp. te New-York, B. en Comp. schreven aan hunnen
+procureur te New-Orleans, die den boedel had aangeslagen, (waarvan
+deze twee slavinnen en een troepje plantage-arbeiders het kostbaarste
+gedeelte uitmaakten) en die dit naar New-York had bericht. Daar broeder
+B., gelijk wij zeiden, een Christelijk man en burger van een vrijen
+staat was, voelde hij in deze omstandigheden eenige ongerustheid. Hij
+dreef niet gaarne handel in slaven en menschelijke zielen--natuurlijk
+niet; maar het was om dertig duizend dollars te doen, en dit was toch
+wat te veel geld, om voor zijne beginselen op te offeren; na zich
+dus wel bedacht te hebben, en raad te hebben gevraagd aan lieden,
+die hij wist dat hem een raad naar zijnen zin zouden geven, schreef
+broeder B. aan zijnen procureur, dat hij de zaak moest behandelen
+gelijk hem het beste voorkwam, en hem het bedrag maar overmaken.
+
+Daags nadat die brief te New-Orleans aankwam, werden Suze en Emmeline
+in beslag genomen en naar het depôt gebracht, om daar de algemeene
+verkooping af te wachten. Terwijl zij nu in het maanlicht, dat door
+het getraliede venster sluipt, schemerachtig zichtbaar zijn, kunnen
+wij naar haar gesprek luisteren. Beiden schreiden, maar stil, opdat
+de eene het niet van de andere hooren zal.
+
+"Moeder, leg uw hoofd nu in mijnen schoot en zie of gij niet wat
+slapen kunt," zeide het meisje, haar best doende om kalm te schijnen.
+
+"Ik heb geen lust om te slapen, Em. Ik zou niet kunnen. Het is
+misschien de laatste nacht, dat wij bij elkander zijn."
+
+"O, moeder, spreek zoo niet. Misschien zullen wij te zamen verkocht
+worden, wie weet het?"
+
+"Als het iemand anders zaak was, zou ik ook zoo spreken, Em,"
+antwoordde de moeder; "maar ik ben zoo bang om u te verliezen, dat
+ik niets anders zie dan het gevaar."
+
+"Waarom, moeder? De man zeide, dat wij er beide knap uitzagen." Suze
+herinnerde zich nu de woorden en de blikken van dien man; en werd
+bijna flauw van angst, toen zij bedacht hoe hij Emmeline's handen had
+bekeken en hare krullende lokken opgelicht, en gezegd dat zij "puike
+waar" was. Suze was christelijk opgebracht, gewoon om dagelijks in
+den Bijbel te lezen, en gruwde er evenzeer van, dat haar kind tot een
+leven van schande zou verkocht worden, als eenige andere christelijke
+moeder had kunnen doen; maar zij had geene hoop, geene bescherming.
+
+"Moeder, ik denk dat het wel goed zou voldoen, als gij eene plaats
+als keukenmeid kondt krijgen en ik als kamermeid of naaister bij eene
+familie. Ik geloof dat zeker. Laten wij er beiden maar zoo frisch en
+vroolijk uitzien als wij kunnen, en alles zeggen wat wij kunnen doen,
+dan zal dat misschien wel gaan," zeide Emmeline.
+
+"Gij moet morgen al uw haar achterwaarts kammen, gladweg," zeide Suze.
+
+"Waarom moeder? Ik zie er dan lang zoo goed niet uit."
+
+"Ja, maar gij zult dan beter verkocht worden."
+
+"Ik begrijp niet waarom," zeide het meisje.
+
+"Fatsoenlijke familiën zullen u liever willen koopen, als gij eenvoudig
+en stemmig zijt, dan als gij uw best doet om u mooi te maken. Ik ken
+de manieren van die menschen beter dan gij," zeide Suze.
+
+"Welnu, moeder, dan zal ik het zoo doen."
+
+"En Emmeline, als wij elkander na den dag van morgen nooit mochten
+wederzien--als ik ergens op eene plantage word verkocht, en gij dan
+ergens anders--onthoud dan altijd hoe gij zijt opgebracht en alles
+wat mevrouw u gezegd heeft. Neem uw Bijbel mede en uw gezangboek,
+en als gij den Heere getrouw zijt, zal Hij u getrouw zijn."
+
+Zoo spreekt de arme ziel, in angstige bekommering; want zij weet
+dat morgen ieder man, hoe laag en verdierlijkt, hoe goddeloos en
+onbarmhartig ook, als hij maar genoeg geld voor haar te betalen
+heeft, de eigenaar harer dochter kan worden, met lichaam en ziel;
+en hoe zal het kind dan getrouw blijven? Zij denkt aan dat alles,
+terwijl zij hare dochter in hare armen sluit, en wenscht dat zij niet
+zoo welgemaakt en bevallig was. Het schijnt bijna een verzwaring van
+haar lot, als zij bedenkt hoe rein en godvruchtig, hoe ver boven den
+gewonen staat zij is opgebracht. Zij heeft geene andere toevlucht
+dan het gebed; en vele zulke gebeden aan God zijn uit die nette,
+ordelijke en hoogst fatsoenlijke slavengevangenissen opgegaan--gebeden,
+die God niet vergeten heeft, gelijk een dag der toekomst toonen zal,
+want er staat geschreven: "Zoo wie een van deze kleinen ergert, het
+waar hem beter, dat een molensteen om zijnen hals gehangen en hij in
+de diepte der zee geworpen ware."
+
+De zachte, ernstige, stille maneschijn ziet strak naar binnen
+en teekent de bouten der getraliede vensters op de slapende
+gedaanten. Moeder en dochter zingen te zamen een wild en droevig
+treurlied, onder de slaven als lijkzang in gebruik:
+
+
+ "O, waar is schreiende Mary?
+ O, waar is schreiende Mary?
+ Gegaan naar 't schoone land,
+ Zij is dood en naar den hemel;
+ Zij is dood en naar den hemel;
+ Gegaan naar 't schoone land."
+
+
+Deze woorden, door liefelijke en treurige stemmen gezongen, naar eene
+melodie, welke het zuchten der aardsche wanhoop naar de hemelsche
+hoop scheen uit te drukken, klonken met aandoenlijke galmen door de
+gevangenis, terwijl het eene vers het andere volgde.
+
+
+ O, waar zijn Paul en Silas?
+ O, waar zijn Paul en Silas?
+ Gegaan naar 't schoone land.
+ Dood zijn ze en in den hemel;
+ Dood zijn ze en in den hemel;
+ Gegaan naar 't schoone land.
+
+
+Zingt maar voort, arme zielen! De nacht is kort en de morgen zal u
+voor altijd scheiden.
+
+Maar nu is het morgen en iedereen is in beweging; en de brave
+Mr. Skeggs heeft het zeer druk, want eene partij goederen moet voor de
+verkooping worden gereedgemaakt. Het toilet wordt oplettend nagezien;
+er wordt algemeen bevel gegeven, dat iedereen zijn beste gezicht moet
+voordoen en vlug en vroolijk zijn; en nu staan allen in een kring
+voor de laatste inspectie, eer zij naar de "Bourse" afmarcheeren.
+
+Mr. Skeggs met zijne hoed van palmbladeren op het hoofd en eene sigaar
+in den mond, gaat rond, om de laatste hand aan zijne waren te leggen.
+
+"Wat is dat," zeide hij, voor Suze en Emmeline staan blijvende. "Waar
+zijn uwe krullen, meid?"
+
+Het meisje zag beschroomd hare moeder aan, die met de gevatheid harer
+klasse antwoordde:
+
+"Ik zeide haar gisteren, dat zij heur haren netjes en glad moest
+opmaken en ze niet zoo in krullen laten rondzwieren; dat staat
+fatsoenlijk."
+
+"Larie!" zeide de man kortaf, en zich naar het meisje keerende,
+vervolgde hij: "Loop terstond heen, en maak uw haar in krullen--maar
+mooi!" En daarmede zwaaide hij met zijn rotting. "En maak dat ge
+gauw terug zijt ook. Ga gij haar maar helpen," voegde hij er bij,
+zich weder naar de moeder keerende. "Die krullen kunnen wel honderd
+dollars verschil in haren prijs uitmaken."
+
+
+
+Onder een prachtigen koepel wandelden mannen van alle natiën heen en
+weder over den marmeren vloer. In het rond van den ruimen kring waren
+kleine tribunes, ten gebruike van sprekers en verkoopinghouders. Op
+twee daarvan, tegenover elkander, stonden thans welsprekende heeren,
+die in een mengeling van Engelsch en Fransch hunne verschillende
+waren opvijzelden, om bieders uit te lokken. Een derde tribune, er
+tusschen-in, was nog onbezet en omringd door eene groep, die stond
+te wachten tot de verkooping begon. Hier kunnen wij Tom, Adolf
+en andere bedienden van St. Clare herkennen; en hier wachten ook
+Suze en Emmeline angstig op hare beurt. Verschillende toeschouwers,
+met of zonder voornemen om te koopen, verzamelden zich om de groep,
+bekeken, betastten en bepraatten de verschillende eigenschappen en
+het voorkomen der tentoongestelden, met dezelfde vrijheid als een
+troep jockeys over een paard spreekt.
+
+"Holla daar, Alf, hoe komt gij hier," zeide een jong, pronkerig
+gekleed heertje, een ander van dienzelfden stempel, die Adolf door
+een lorgnet stond te bekijken, op den schouder kloppende.
+
+"Wel, ik had een lijfknecht noodig. En daar ik hoorde dat de troep
+van St. Clare verkocht zou worden, dacht ik..."
+
+"Ik ben wel wijzer dan om iets van St. Clare te koopen. Allemaal
+verwende negers. Zoo onbeschaamd als de duivel," zeide de ander.
+
+"Daar ben ik niet bang voor," hernam de eerste. "Als ik ze maar heb,
+zal ik ze hunne airs spoedig afleeren; ze zullen gauw ondervinden
+dat zij met eene andere soort van meester te doen hebben, dan met
+Monsieur St. Clare. Op mijn woord, ik zal dien kerel koopen. Ik heb
+zin in zijn voorkomen."
+
+"Gij zult ondervinden dat het u geld zal kosten, hem zoo te houden. Hij
+is verduiveld extravagant."
+
+"Ja, maar mylord zal ondervinden, dat hij bij mij niet extravagant
+kan zijn. Laat hij maar eenige malen naar de _calabooze_ zijn geweest,
+en goed van laken gehad hebben. Ik sta er u voor in, dat hij bij mij
+wel tot andere gedachten zal komen. Ik zal hem bekeeren, geheel en al,
+dat zult ge zien. Ik koop hem, daar blijf ik bij."
+
+Tom had onder de menigte personen die hem omringden angstig uitgezien
+naar een, wien hij zijn meester zou willen noemen; en als gij,
+Mijnheer, ooit in de noodzakelijkheid mocht komen, om onder tweehonderd
+mannen er een uit te zoeken, die uw eigenaar en willekeurig beschikker
+van uw lot moest worden, zoudt gij u misschien kunnen verbeelden,
+evenals Tom toen deed, hoe weinig er zouden zijn, aan wie gij u
+maar eenigszins gerust zoudt overgeven. Tom zag een overvloed van
+mannen:--groote, zwaarlijvige, grove mannen--kleine, pieperige,
+uitgedroogde mannen; en allerlei soort van botte, alledaagsche mannen,
+die hun medemensch oprapen, gelijk men papiersnippers opraapt, en
+even onverschillig in het vuur of in eene mand werpen, naarmate het
+hun gelegen komt; maar hij zag hier geen enkelen St. Clare.
+
+Kort vóórdat de verkooping begon, zag hij een kort, breed, grof
+gespierd man, met een geruit hemd, dat op de borst ver openhing,
+en met eene beslijkte versleten broek, zich met de ellebogen door
+het gedrang werken, gelijk iemand, die niemand ontziet die hem in
+den weg is. Zoo kwam hij naar de groep en begon deze systematisch
+te examineeren. Zoodra Tom dien man zag aankomen, voelde hij een
+onwillekeurig angstig afgrijzen voor hem, dat nog toenam toen hij
+dichterbij kwam. Hoewel kort, was hij blijkbaar van reusachtige
+lichaamskracht. Zijn rond, kogelvormig hoofd, zijne groote, lichtgrijze
+oogen met hunne ruige, vlaskleurige wenkbrauwen, en geheel zijn stroef,
+gerimpeld, door de zon verbrand gezicht waren zeker niet innemend;
+zijn groote, grove mond werd zichtbaar uitgerekt door eene groote
+pruim tabak, waarvan hij het sap nu en dan met buitengemeene kracht
+en ongegeneerdheid uitspoot; zijne handen waren onevenredig groot,
+behaard, bruin gebrand door de zon, zeer morsig en met lange nagels,
+in een zeer vuilen toestand, voorzien. Deze man examineerde den
+troep met bijzondere vrijpostigheid. Hij greep Tom bij de kin en
+trok zijn mond open, om zijne tanden te bezichtigen; liet hem zijne
+mouw opstroopen, om zijne spieren te toonen; liet hem zich omkeeren,
+stappen en springen, om te zien of er niets aan zijne beenen scheelde.
+
+"Waar zijt ge opgebracht?" vroeg hij na dit onderzoek kortaf.
+
+"In Kentucky, meester," antwoordde Tom, rondziende als ware het
+naar verlossing.
+
+"Wat hebt gij daar gedaan?"
+
+"Ik had het opzicht over mijns meesters hoeve," antwoordde Tom.
+
+"Nog al waarschijnlijk," zeide de andere kortaf en ging verder.
+
+Voor Adolf bleef hij slechts een oogenblik staan, spuwde een klad
+tabakssap over zijne glimmend gepoetste laarzen en keerde zich met
+een verachtelijk "Hm!" van hem af. Voor Suze en Emmeline bleef hij
+wederom staan. Hij stak zijne grove vuile hand uit en trok het meisje
+naar zich toe; streek die hand over haren hals en borst, betastte hare
+armen, bekeek hare tanden en stiet haar toen weder naar hare moeder,
+wier geduldig gezicht echter toonde, wat zij bij elke beweging van
+den afschuwelijken vreemdeling uitstond.
+
+Het meisje was verschrikt en begon te schreien.
+
+"Houd op daarmede, gij heks," zeide de verkooper; "geen gebalk hier;
+de verkooping zal beginnen."
+
+En de verkooping begon.
+
+Adolf werd voor eene aanzienlijke som toegeslagen aan den jongen heer,
+die te voren zijn voornemen had te kennen gegeven om hem te koopen. De
+andere bedienden vielen verschillende bieders ten deel.
+
+"Kom op nu, jongen, hoort ge niet?" zeide de verkooper tegen Tom.
+
+Tom stapte op het blok en zag angstig om zich heen. Alles scheen
+ondereengemengd tot een verward, onduidelijk rumoer; het gekakel van
+den verkooper, die in het Engelsch en Fransch zijne hoedanigheden
+opvijzelde, en het snelle kruisvuur der bieders, insgelijks in het
+Fransch en Engelsch, en bijna in een oogenblik, naar het hem voorkwam,
+viel de hamerslag bij de laatste lettergreep van het woord dollars,
+toen de verkooper zijn prijs noemde. Tom was toegeslagen. Hij had
+een meester.
+
+Hij werd van het blok geduwd. De korte man met het ronde hoofd greep
+hem ruw bij den schouder, duwde hem aan een kant en zeide met een
+grove, gebiedende stem: "Blijf daar staan."
+
+Tom hoorde en zag bijna niets meer; doch het bieden ging maar
+voort--ratelende en klaterende, nu in het Fransch dan in het
+Engelsch. Wederom valt de hamer. Suze is verkocht. Zij stapt van
+het blok, blijft staan, ziet angstig verlangend om; hare dochter
+strekt de handen naar haar uit. Zij ziet vol zielsangst den man aan
+die haar gekocht heeft--een fatsoenlijk man van middelbare jaren,
+met een goedaardig gezicht.
+
+"O meester, wees toch zoo goed en koop mijne dochter ook."
+
+"Ik zou wel willen, maar ik vrees dat zij te hoog zal gaan,"
+antwoordde hij met een blik van smartelijke belangstelling naar het
+jeugdige meisje, dat nu op het blok staat en verschrikt en angstig
+om zich heenziet.
+
+Het bloed stijgt gloeiend in hare anders bleeke wangen, hare oogen
+hebben een koortsigen glans, en hare moeder slaakt een kermenden
+zucht, daar zij ziet dat zij schooner is, dan zij haar nog ooit gezien
+heeft. De verkooper neemt zijn voordeel waar, houdt eene woordenrijke
+lofrede in het Fransch en Engelsch, en het bieden begint nu met
+buitengemeene drift.
+
+"Ik wil alles doen wat maar redelijk is," zegt de heer met het
+goedaardige gezicht en biedt mede; maar weldra loopt de prijs te hoog
+voor zijne beurs. Hij zwijgt; de verkooper wordt warmer; maar het
+bieden verflauwt toch langzamerhand. Het blijft nu nog maar aan den
+gang tusschen een oud aristocratisch burger en onzen kennis met het
+ronde hoofd. De burger biedt nog eenige malen en ziet zijn mededinger
+daarbij verachtelijk aan; maar de man met het ronde hoofd wint het
+van hem in hardnekkigheid en geheime zwaarte van beurs; en de strijd
+duurt nog maar een oogenblik; de hamer valt--hij heeft het meisje
+met lichaam en ziel, als God haar niet bijstaat.
+
+Haar meester is Mr. Legree, eigenaar eener katoenplantage aan de
+Roode rivier. Zij wordt naar de plek geduwd, waar Tom en nog twee
+andere mannen staan, en wordt schreiende weggebracht.
+
+De goedaardige heer vindt het erg, maar het is iets dat alle dagen
+gebeurt. Men ziet meisjes en moeders bij die verkoopingen altijd
+schreien. Er is niets aan te doen, enz., en hij gaat met zijn
+nieuw-koopje naar een anderen kant heen.
+
+Twee dagen later zond de procureur der christelijke firma B. en
+Comp. te New-York deze het geld over. Op den rug van den wissel,
+dien deze heeren ontvingen, mochten zij wel deze woorden schrijven
+van den grooten Betaalmeester, met wien zij eens hunne rekening zullen
+moeten sluiten: "_Hij vergeet het geroep der ellendigen niet._"
+
+
+
+
+
+EEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK
+
+DE OVERTOCHT
+
+ Gij zijt te rein van oogen dan dat Gij het kwaad
+ zoudt zien, en de kwelling kunt Gij niet
+ aanschouwen; waarom zoudt Gij aanschouwen die
+ trouweloos handelen? Waarom zoudt Gij zwijgen
+ als de goddelooze dien verslindt, die
+ rechtvaardiger is dan hij?
+ Hab. 1:13
+
+
+Op het benedendek van eene kleine, slechte stoomboot op de Roode
+rivier zat Tom--met ketenen aan de handen, ketenen aan de voeten,
+en eene grootere zwaarte dan van ketenen op het hart. Alles was uit
+den hemel verdwenen, de maan en de sterren; alles was hem voorbij
+gevlogen, gelijk de oevers en het geboomte hem nu voorbijvlogen,
+om nooit weder terug te komen. Zijn tehuis in Kentucky, met vrouw en
+kinderen, en de menschlievende eigenaars; zijn tehuis bij St. Clare,
+met al de weelde en pracht daarvan; Eva met haar gouden lokken en
+haar oogen als die eener heilige; de trotsche vroolijke, innemende,
+schijnbaar onverschillige en toch altijd goede en vriendelijke
+St. Clare; zijne uren van gemak en vrijen tijd--alles weg!--en wat
+schoot hem in plaats daarvan over?
+
+Het is eene der grootste bitterheden van het slavenlot, dat de
+neger, zoo vatbaar voor streelende indrukken, wanneer hij in eene
+beschaafde familie den smaak en het gevoel heeft aangenomen, die
+als ware het de atmosfeer van zulk een verblijf uitmaken, er niet te
+minder aan blootstaat om de slaaf van den gemeensten, ruwsten meester
+te worden--evenals eene stoel of tafel, die eens een prachtig salon
+versierde, eindelijk geschonden en geschaafd in de gelagkamer eener
+gemeene herberg of in een schuilhoek van schandelijke ontucht komt. Het
+groote verschil is hierin gelegen, dat de tafel of stoel niet voelen
+kan, en de _mensch_ wel; want zelfs de wettelijke bepaling--dat hij
+"als persoonlijk eigendom en roerend goed zal geacht, geoordeeld en
+toegewezen worden," kan zijne ziel niet uitdelgen, met hare eigen
+kleine wereld van herinneringen en verlangens, van hoop, vrees
+en liefde.
+
+Mr. Simon Legree, Toms meester, had op verschillende plaatsen te
+New-Orleans slaven gekocht, te zamen acht in getal, en hen paar aan
+paar geboeid naar de stoomboot de Zeeroover gedreven, die aan het
+hoofd lag, gereed om de rivier op te varen.
+
+"Sta op!"
+
+Tom stond op.
+
+"Doe die das af!" en toen Tom door zijne kluisters belemmerd, dit
+begon te doen, hielp hij hem, door hem de das met geene zachte hand
+van den hals te trekken, en stak die vervolgens in zijnen zak.
+
+Nu keerde Legree zich naar Toms kist, die hij te voren reeds had
+doorzocht, haalde een oude broek en een versleten rok, die Tom gewoon
+was voor het stalwerk aan te doen, voor den dag en zeide, nadat hij
+Toms handen van de boeien had ontdaan, naar een hoek tusschen de
+kisten wijzende:
+
+"Ga daar, en trek die aan."
+
+Tom gehoorzaamde en kwam weldra terug.
+
+"Trek uwe laarzen uit," zeide Legree.
+
+Tom deed dit.
+
+"Daar," vervolgde Legree, hem een paar lompe, sterke schoenen
+toewerpende, gelijk door slaven gedragen werden, "trek die aan."
+
+Tom had bij zijne verwisseling van kleederen niet vergeten zijn
+beminden Bijbel in zijnen zak te steken; en het was gelukkig voor
+hem dat hij dat gedaan had, want toen Legree hem de handboeien
+weder had aangedaan, begon hij op zijn gemak de zakken der afgelegde
+kleederen te doorzoeken. Hij haalde er een zijden zakdoek uit en stak
+dien in zijnen zak. Verscheidene kleinigheden, die Tom had bewaard,
+voornamelijk omdat hij er Eva eens mede vermaakt had, bekeek hij met
+een verachtelijk gebrom en smeet ze over zijnen schouder in de rivier.
+
+Daarna vond hij Toms methodistisch gezangboek, dat deze in zijne
+haast had vergeten, en bladerde het door.
+
+"Hm, vroom, nog al! Dus gij--hoe heet gij ook weer--gij behoort tot
+de kerk, he?"
+
+"Ja, meester," antwoordde Tom op vasten toon.
+
+"Welnu, dat zal ik u spoedig afleeren; ik wil niet van die galmende,
+zingende, biddende negers op mijne plaats hebben; onthoud dat. Pas op
+nu," zeide hij, met zijnen voet stampende en Tom een dreigenden blik
+toewerpende, "ik ben uwe kerk nu, verstaat ge; gij moet nu wezen wat
+ik zeg."
+
+Iets in het binnenste van den zwarten man antwoordde: "Neen!" en
+alsof de stem van een onzichtbaar wezen sprak, hoorde hij de woorden
+van een ouden profeet, welke Eva hem zoo dikwijls voorgelezen had:
+"Vrees niet, want Ik heb u verlost; Ik heb u bij uwen naam geroepen,
+gij zijt de _mijne_."
+
+Doch Simon Legree hoorde geen stem. Die stem is eene, welke hij
+nooit zal hooren. Hij gluurde Tom, die met neergeslagen oogen voor
+hem stond, slechts even aan en ging heen. Hij bracht Tom's koffer,
+die een overvloedigen en netten voorraad van kleederen bevatte, naar
+voren, waar hij spoedig door het bootsvolk werd omringd. Met veel
+gelach over de negers, die _gentlemen_ wilden zijn, werd het goed,
+stuk voor stuk, aan den een en ander overgedaan, en eindelijk de
+koffer bij opbod verkocht. Het was een aardige grap, dachten allen,
+vooral, als men zag hoe Tom zijn goed nakeek, terwijl het hier en daar
+heenging; en dan de auctie van den koffer, die was nog grappiger en
+veroorzaakte een overvloed van geestigheden.
+
+Toen dit gedaan was, kwam Simon Legree weder naar zijn eigendom
+kuieren.
+
+"Nu, Tom, zijt ge van alle bagage bevrijd, ziet ge. Pas goed op die
+kleeren; het zal lang genoeg duren eer gij andere krijgt. Ik versta
+de kunst om negers zorgvuldig te maken; een pak moet bij mij een
+jaar duren."
+
+Legree ging vervolgens naar de plaats waar Emmeline zat, aan eene
+andere vrouw vastgekluisterd.
+
+"Wel, liefje," zeide hij, haar onder de kin strijkende, "houd maar
+courage."
+
+De onwillekeurige blik van schrik en afgrijzen, waarmede het meisje
+hem aanzag, ontsnapte hem niet. Hij fronste dreigend zijne wenkbrauwen.
+
+"Geene kuren, meid. Gij zult een pleizierig gezicht zetten als ik
+u aanspreek--hoort gij. En gij, oude gele maneschijn," zeide hij,
+de mulattin aan wie Emmeline was vastgekluisterd een duw gevende,
+"zet ook zulk een gezicht niet. Ik zal u wel vriendelijker leeren
+kijken, dat zeg ik u."
+
+"En ik zeg u allen," zeide hij, een paar schreden achterwaarts doende;
+"ziet mij aan--ziet mij aan--ziet mij vlak in de oogen--vlak in de
+oogen, zeg ik." En bij elke pauze stampte hij met zijnen voet.
+
+Als door tooverij werden aller oogen op de groenachtige grijze oogen
+van Legree gericht.
+
+"Nu," zeide hij, zijne groote, zware vuist vertoonende, die aan een
+smidshamer deed denken. "Ziet ge die vuist? voel eens!" vervolgde hij,
+en liet haar op Toms hand vallen. "Ziet die knokkels! Welnu, ik zeg
+u, die vuist is zoo hard als ijzer geworden _van het neerbeuken van
+negers_. Ik heb nog nooit een neger gezien, dien ik niet met een krak
+kon neerslaan," en daarmede duwde hij zijne vuist zoo dicht bij Toms
+gezicht, dat deze met zijne oogen knipte en terugdeinsde. "Ik houd
+geen van die vervloekte opzichters, ik ben mijn eigen opzichter en ik
+zeg u dat er naar de dingen gezien wordt. Laat dus iedereen oppassen
+en klaar staan; schielijk--zoodra ik maar spreek. Dat is de manier om
+vrede met mij te houden. Gij zult geen zacht plekje aan mij vinden,
+nergens. Past op dus; want ik bewijs geene genade."
+
+De vrouwen hielden onwillekeurig den adem in, en de geheele troep
+zette zich met benauwde gezichten neer. Ondertusschen draaide Legree
+zich op zijn hiel om, en ging naar het buffet van de boot, om een
+borrel te nemen.
+
+"Dat is de manier, waarop ik met mijne negers begin," zeide hij tegen
+een man van een fatsoenlijk voorkomen, die naar zijne aanspraak had
+staan luisteren. "Ik maak er een regel van met kracht te beginnen en
+hun te laten weten wat zij te wachten hebben."
+
+"Inderdaad!" zeide de vreemdeling, hem aanziende met de
+nieuwsgierigheid, waarmede een naturalist een zonderling dier
+beschouwt.
+
+"Ja, inderdaad. Ik ben geen van die heerenplanters met zachte, witte
+vingers, om maar rond te kuieren en mij door een ouden schavuit van
+een opzichter te laten bedriegen. Voel mijne knokkels maar eens;
+zie mijne vuist. Ik zeg u, Mijnheer, het vleesch daarop is als een
+steen geworden, van het beuken op negers. Voel maar."
+
+De vreemdeling raakte het bedoelde gereedschap met zijnen vinger aan
+en zeide eenvoudig:
+
+"Het is hard genoeg en ik zou denken, dat uw hart daarmede even hard
+geworden is."
+
+"Ja, dat moogt ge wel zeggen," antwoordde Legree, met een hartelijken
+lach. "Ik denk dat er nu zoo weinig zachts in mij is als in iemand die
+op twee beenen loopt. Ik zeg u, niemand kan mij ooit bedotten. Negers
+krijgen mij nooit gaar, noch met schreeuwen, noch met zoete broodjes
+bakken--dat is de waarheid."
+
+"Gij hebt een mooien troep daar."
+
+"Ja," antwoordde Legree. "Daar is die Tom; zij zeiden mij dat hij
+wat ongemeens was. Ik heb wel wat hoog voor hem betaald, daar ik een
+drijver en opzichter van hem denk te maken: als ik die denkbeelden
+maar uit hem krijg, die hij geleerd heeft door zoo behandeld te worden
+als negers nooit moesten worden, zal hij kostelijk zijn. Met de gele
+vrouw ben ik gefopt. Ik geloof haast dat zij ziekelijk is; maar ik
+zal haar wel behandelen naar wat zij waard is; zij zal wel een paar
+jaren duren. Ik ben niet voor het sparen van negers. Opgebruiken en
+anderen koopen is mijne manier; dat geeft minder last, en ik ben
+zeker dat het op het eind goedkooper uitkomt," en Legree nam een
+teugje uit zijn glas.
+
+"En hoe lang duren zij gewoonlijk?" vroeg de vreemdeling.
+
+"Och, dat weet ik zoo niet; naardat zij een gestel hebben. Sterke
+kerels duren zes of zeven jaar; lammelingen worden in twee of drie
+afgewerkt. Ik placht, toen ik pas begon, mij veel moeite te geven om
+ze wat langer te doen uithouden--met hun medicijnen te geven als ze
+ziek waren en kleeren en dekens, en wat niet al, om hen zooals men
+zegt fatsoenlijk en comfortabel te houden: maar, och het baatte niet;
+ik legde er geld bij toe en had nog een boel moeite bovendien. Nu,
+ziet ge, zet ik ze maar aan, ziek of gezond. Als de eene neger dood is,
+koop ik een anderen; en ik vind dat dit in alle opzichten goedkooper
+en gemakkelijker uitkomt."
+
+De vreemdeling keerde zich om en zette zich naast een jong heer,
+die met een gesmoord ongenoegen naar dit gesprek had geluisterd.
+
+"Gij moet dien kerel niet voor een staaltje van de zuidelijke planters
+houden," zeide hij.
+
+"Ik zou hopen van neen," antwoordde de jongeheer met nadruk.
+
+"Hij is een gemeene, laaghartige, verdierlijkte kerel!" zeide de
+eerste.
+
+"En toch veroorloven uwe wetten hem een aantal menschelijke wezens
+in eigendom te hebben, onderworpen aan zijne volstrekte willekeur,
+zonder zelfs een zweem van bescherming; en zoo gemeen als hij is,
+kunt gij toch wel niet zeggen dat er velen zoo zijn."
+
+"Maar," zeide de ander, "er zijn toch ook vele weldenkende,
+menschlievende mannen onder de planters."
+
+"Toegestemd," zeide de jonkman; "maar naar mijn gevoelen zijn het uwe
+weldenkende, menschlievende mannen, die verantwoordelijk zijn voor
+al de gruwelen, die deze ellendigen plegen; omdat zonder hun invloed
+het geheele stelsel geen uur langer in stand kon blijven. Als er geene
+andere planters waren dan zooals hij," vervolgde hij, met zijnen vinger
+naar Legree wijzende, die met den rug naar hem toestond, "zou het
+geheele ding zinken als een molensteen. Het zijn uwe fatsoenlijkheid
+en menschlievendheid, die zijne brutaliteit beschermen."
+
+"Gij hebt zeker hooge gedachten van mijn goed humeur," zeide de
+planter glimlachende; "maar ik raad u om niet zoo hard te spreken,
+daar er lieden op de boot zijn, die misschien niet zoo verdraagzaam
+zouden wezen als ik ben. Wacht liever tot gij op mijn plantage zijt;
+daar kunt gij dan ons allen op uw gemak over den hekel halen."
+
+De jongeheer bloosde en glimlachte, en de twee zaten spoedig aan een
+spel triktrak. Ondertusschen had er op het lagere gedeelte der boot
+een ander gesprek plaats tusschen Emmeline en de mulattin, aan wie
+zij was vastgekluisterd. Gelijk natuurlijk was, deelden zij elkander
+eenige omstandigheden van hare geschiedenis mede.
+
+"Aan wien hebt gij toebehoord?" zeide Emmeline.
+
+"Mijn meester was Mr. Ellis, en wij woonden in de
+Hoofdstraat. Misschien hebt gij het huis wel gezien."
+
+"Was hij goed voor u?"
+
+"Meestal, totdat hij ziek werd. Hij is langer dan zes maanden af
+en toe ziek geweest, en schrikkelijk onrustig. Het scheen, dat hij
+niemand nacht noch dag rust wilde laten, en hij werd zoo wonderlijk
+dat niemand iets naar zijnen zin kon doen. Hij werd met elken dag
+ongemakkelijker; hield mij 's nachts op, tot ik geheel af was en
+ik niet langer wakker kon blijven; en omdat ik eens op een nacht in
+slaap viel, o, toen sprak hij zoo schrikkelijk tegen mij. Hij zeide,
+dat hij mij verkoopen zou aan den hardsten meester, dien hij vinden
+kon; en hij had mij toch mijne vrijheid beloofd als hij stierf."
+
+"Hadt gij geene betrekkingen?" zeide Emmeline.
+
+"Ja, mijn man--hij is hoefsmid. Meester huurde hem doorgaans uit. Zij
+brachten mij zoo heel gauw weg, dat ik niet eens tijd had om hem
+te zien, en ik had vier kinderen gekregen. Och!" zeide de vrouw en
+bedekte haar gezicht met hare handen.
+
+Het is eene natuurlijke neiging bij iedereen, die een verhaal van
+jammer hoort, iets tot troost te willen zeggen. Emmeline wilde gaarne
+iets zeggen, maar zij kon niets bedenken. Wat was hier te zeggen? Als
+hadden zij het afgesproken, vermeden beiden, met vrees en angst,
+alle melding van den afschuwelijken man, die nu haar meester was.
+
+Het is waar, er is godsdienstige troost zelfs voor het donkerste
+uur. De mulattin, die lid der methodistische kerk was, bezat,
+hoewel haar verstand weinig ontwikkeld was, een echten geest van
+godsvrucht. Emmeline was veel beter opgevoed--zij had leeren lezen en
+schrijven, en was door eene vrome meesteres zorgvuldig in den Bijbel
+onderwezen; maar zou het toch niet het geloof van den standvastigsten
+christen beproeven, zich zoo, schijnbaar door God verlaten, in de
+macht van het onmeedoogende geweld te bevinden? Hoeveel meer moest
+dan het geloof geschokt worden dier arme kleinen van Christus, zwak
+in kennis en teeder in jaren.
+
+De boot voer voort--met hare lading van jammer bevracht--den modderigen
+stroom op, door de kronkelende bochten der Roode rivier; en droevige
+oogen staarden vermoeid op de steile oevers van roode klei, die met
+akelige eentonigheid voorbijgleden. Eindelijk leide de boot aan bij
+eene kleine stad, en hier ging Legree met zijn troep van boord.
+
+
+
+
+
+TWEE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK
+
+DUISTERE PLAATSEN
+
+ "De duistere plaatsen des lands
+ zijn vol woningen van geweld."
+
+
+Vermoeid, achter een ruwen wagen over een ongebaanden weg aankomende,
+stapten Tom en zijne makkers voort.
+
+In den wagen zat Simon Legree; en de twee vrouwen, _nog_ aan elkander
+gekluisterd, waren, met eenige bagage achterin gestopt. De geheele
+troep was op weg naar de tamelijk verwijderde plantage van Legree.
+
+Het was een wilde, eenzame weg: nu eens door zandige pijnbosschen
+slingerende, dan over paden van boomstammen door uitgestrekte
+cypressenmoerassen, waar die sombere boomen, met kransen van zwart
+mos behangen, uit den modderigen, sponsachtigen grond opstaken, en
+men nu en dan eene afzichtelijke slang door de afgebroken stompen
+zag glijden, die in het water lagen te rotten.
+
+Het is akelig genoeg, dit gewest, voor den vreemdeling die het met
+eene welgevulde beurs en een goed paard moet doortrekken, als zijne
+zaken hem daarheen voeren; maar nog woester en akeliger is het voor
+den armen slaaf, wien elke slepende stap verder verwijdert van alles
+wat de mensch liefheeft en waarom hij bidt.
+
+Zoo had ieder moeten denken, die de neerslachtige uitdrukking dier
+donkere gezichten zag; de geduldige verveling, waarmede die treurige
+oogen het eene voorwerp na het andere aanstaarden, dat zij op die
+treurige reis voorbijkwamen.
+
+Legree reed echter naar het scheen zeer welgemoed voort, en nam nu
+en dan een slok uit de brandewijnflesch, die hij in zijnen zak had.
+
+"Zegt eens, gij," zeide hij, toen hij omkeek en de neerslachtige
+gezichten achter zich zag. "Zingt eens een liedje, jongens--komaan!"
+
+Zijne slaven zagen elkander aan, het "komaan!" werd herhaald en
+tegelijk klapte de zweep, die Legree in de hand had. Tom begon een
+methodistisch lied:
+
+
+ "Jeruzalem, mijn vaderland,
+ Hoe dierbaar zijt ge mij!"
+
+
+"Houd op, zwarte kerel," bulderde Legree. "Denkt gij dat ik dit
+vervloekt methodistisch gegalm wil hooren? Zing wat vroolijks,
+zeg ik--gauw!"
+
+Een der anderen hief een van die zinlooze liedjes aan, die onder de
+slaven in zwang zijn.
+
+
+ "Mas'r reed me cotch a coon,
+ High, boys, high!
+ He laughed to split--d'ye see the moon?
+ Ho! ho! ho! boys, ho!
+ Ho! yo! hi!--e! oh!" [9]
+
+
+De zanger scheen zijn lied voor de vuist te maken, doorgaans het
+rijm treffende, zonder veel moeite te doen om er zin aan te geven;
+en de geheele troep stemde nu en dan in met het refrein:
+
+
+ "Ho! ho! ho! boys, ho!
+ Ho! yo! hi--hi! oh!"
+
+
+Het gezang was luidruchtig genoeg en toonde een geweldige poging
+om vroolijk te zijn; maar geen wanhopige jammerkreten, geen vurig
+smeekgebed had zulk eene diepte van zieleleed kunnen bevatten, als
+de woeste klanken van dat koor. Het was alsof het arme, bedreigde,
+tot stomheid veroordeelde hart de toevlucht nam tot die woordelooze
+vrijplaats der muziek, en daar eene taal vond om zijn gebed tot God
+uit te zuchten. Het was een gebed in eene taal, die Legree niet kon
+verstaan. Hij hoorde zijne slaven slechts luidruchtig zingen en was
+wel in zijnen schik; hij "hield hen vroolijk."
+
+"Wel, mijn liefje," zeide hij, zich naar Emmeline omkeerende en zijne
+hand op haren schouder leggende, "nu zijn wij haast tehuis."
+
+Wanneer Legree vloekte en schold, was Emmeline verschrikt; maar
+wanneer hij haar aanraakte en sprak gelijk nu, dacht zij, dat zij
+liever wilde, dat hij haar geslagen had. De uitdrukking zijner oogen
+deed haar walgen en huiveren tegelijk. Onwillekeurig drong zij dichter
+bij de mulattin naast haar, alsof deze hare moeder was.
+
+"Hebt gij nooit oorringen gedragen?" zeide hij, haar fijn oortje
+tusschen zijne grove vingers pakkende.
+
+"Neen, meester," antwoordde Emmeline bevend voor zich ziende.
+
+"Wel, ik zal u een paar geven als wij tehuis komen, als ge een goed
+meisje zijt. Ge behoeft zoo bang niet te zijn; ik heb plan u niet
+heel hard te laten werken. Gij zult een pleizierigen tijd bij mij
+hebben en als eene dame leven--alleen, wees maar een goed meisje."
+
+Legree had nu zooveel gedronken, dat hij genegen was om bijzonder
+goedertieren te zijn; en thans kreeg men juist zijne plantage in
+het gezicht. Het goed had voorheen aan een heer van vermogen en smaak
+toebehoord, die zich op het verfraaien daarvan had toegelegd. Nadat hij
+insolvent was gestorven, was het voor een prijsje door Legree gekocht,
+die het gelijk alle andere dingen, alleen gebruikte als een werktuig
+om geld te winnen. De plaats had nu dat woeste, havelooze voorkomen,
+waaruit blijkt, dat de zorg van een vroegeren eigenaar later geheel
+verwaarloosd is.
+
+Wat eens voor het huis een effen grasperk was, hier en daar met fraaie
+heesters beplant, was nu eene wildernis van slecht gras, hier en daar
+met een paal om paarden aan vast te binden, waaromheen de zoden waren
+weggetrapt, en de grond met gebroken emmers, maïsstengels en ander
+ontuig was bestrooid. Hier en daar hing eene geknakte jasmijn of
+kamperfoelie haveloos aan een sierlijk hek of paalwerk, dat op zijde
+was getrokken, daar men het insgelijks had gebruikt om er paarden
+aan vast te binden. De plek, die eens een tuin was geweest, was nu
+geheel met onkruid begroeid, waartusschen hier en daar eene enkele
+uitheemsche bloemplant eenzaam het hoofd ophief. Het gebouw, dat eens
+de broeikas was geweest, had geene ramen meer, en op de vermolmde
+planken stonden eenige verdroogde bloempotten, met stokjes er in,
+waarvan de dorre bladeren toonden dat zij eens planten geweest waren.
+
+De wagen reed een met onkruid begroeid kiezelpad op, onder eene
+statige laan van oranjeboomen, welker sierlijke kronen en zich
+steeds verjongend gebladerte het eenige scheen te zijn, dat door
+geene verwaarloozing kon bedorven of onderdrukt worden--gelijk edele
+geesten, zoo diep in het goede geworteld, dat zij onder tegenspoed
+en minachting des te sterker groeien en bloeien.
+
+Het huis was eens groot en fraai geweest. Het was in den gewonen
+trant van het Zuiden gebouwd; om alle deelen van het huis heen liep
+een breede veranda van twee verdiepingen, waarop al de buitendeuren
+uitkwamen; de benedenste dezer galerijen hadden gemetselde steenen
+pilaren.
+
+Het gebouw zag er zeer vervallen en verlaten uit; sommige vensters
+waren met planken dichtgespijkerd, andere hadden gebroken ruiten of
+luiken, die slechts aan het hengsel hingen--alles kondigde de grootste
+verwaarloozing aan.
+
+Stukken van planken en hoopen stroo bedekten overal den grond, en
+drie of vier groote honden, die er zeer kwaadaardig uitzagen, kwamen
+op het gerucht van den aankomenden wagen uitschieten, en konden door
+de met vodden bedekte slaven, die hen naliepen, slechts met moeite
+weerhouden worden van Tom en zijne makkers aan te pakken.
+
+"Gij ziet wat gij krijgen zoudt," zeide Legree, de honden met
+barsche tevredenheid liefkoozende en zich daarop naar Tom en zijne
+makkers keerende. "Gij ziet wat gij krijgen zoudt, als ge beproeven
+mocht om weg te loopen. De honden zijn gedresseerd om negers op te
+sporen, en zij zouden er even gaarne een opslokken als hun gewoon
+avondmaal. Past dus op. Wel, Sambo," zeide hij tot een haveloozen
+kerel, zonder rand aan zijnen hoed, die zich zeer gedienstig toonde:
+"hoe zijn de zaken gegaan?"
+
+"Opperbest, meester."
+
+"Quimbo," zeide Legree tot een ander, die ijverige pogingen deed om
+zijne aandacht te trekken, "gij hebt onthouden wat ik u gezegd had?"
+
+"Dat zou ik nog al denken, meester."
+
+Deze twee kleurlingen waren de voornaamste arbeiders op de
+plantage. Legree had hen even stelselachtig op woestheid en
+kwaardaardigheid afgericht als zijne bulhonden, en door lange oefening
+in gevoelloosheid en wreedheid had hij hunne geheele natuur omtrent
+aan die dezer dieren gelijk gemaakt. Het is eene gewone opmerking
+en eene die men voor een groot bezwaar tegen den stam houdt, dat
+de negeropzichter altijd veel heerschzuchtiger en wreeder is dan de
+blanke. Het is echter in dit opzicht met zijn geslacht niet anders
+gesteld, dan met ieder verdrukt geslacht op de wereld. De slaaf is
+altijd een tiran, wanneer hij gelegenheid heeft om dit te zijn.
+
+Sambo en Quimbo haatten elkander hartelijk, al de arbeiders op de
+plantage haatten hen; en door den een tegen den ander te gebruiken,
+was Legree tamelijk zeker van eene dezer drie partijen alles te
+vernemen wat er op zijne plantage omging.
+
+Niemand kan geheel zonder gezelligen omgang leven; en Legree had
+dus zijne twee zwarte satellieten zekere ruwe gemeenschap met hem
+veroorloofd--eene gemeenschap evenwel, die telkens dreigde den een
+of ander in ongelegenheid te brengen; want op den minsten wenk was
+een van beiden altijd gereed om het werktuig des meesters wraak op
+den ander te zijn.
+
+Gelijk zij daar bij Legree stonden, schenen zij het bewijs te kunnen
+leveren van de bewering, dat verdierlijkte menschen lager kunnen
+zinken dan de dieren zelven. Hunne grove, donkere, logge trekken; hunne
+groote oogen, die elkander wangunstig begluurden; hunne barbaarsche,
+gorgelende, half naar dierlijke geluiden zweemende spraak; hunne
+gescheurde, in den wind fladderende kleeren--alles strookte met het
+bedorven, ongezonde voorkomen van alles, over de geheele plaats.
+
+"Hier gij, Sambo," zeide Legree, "breng die jongens naar het
+kwartier. En hier is eene meid, die ik voor u heb gekocht," vervolgde
+hij, terwijl hij de mulattin van Emmeline afscheidde en naar hem
+toeduwde, "gij weet wel, ik heb u beloofd u er eene mee te brengen."
+
+De vrouw deinsde van schrik terug, en zeide snel: "O meester, ik heb
+mijn man te New-Orleans gelaten."
+
+"Wat raakt dat--zult gij er hier geen noodig hebben?--nu geene woorden
+meer--maakt dat gij voortkomt!" zeide Legree en lichtte zijn zweep op.
+
+"Kom, Juffertje," zeide hij tegen Emmeline, "gij gaat met mij hier
+binnen."
+
+Een donker, wild gezicht vertoonde zich voor een oogenblik voor een
+der vensters van het huis; en toen Legree de deur opende, zeide eene
+vrouwenstem iets op een driftigen, gebiedenden toon. Tom, die met
+angstige belangstelling Emmeline nazag, toen zij binnenging, lette
+hierop, en hoorde Legree toornig antwoorden: "Gij moogt uw mond
+houden. Ik zal doen wat ik verkies of het u aanstaat of niet."
+
+Tom hoorde niets meer, want hij moest Sambo naar het kwartier
+volgen. Dit kwartier was een soort van straatje van ruwe hutten,
+op een rij geplaatst, in een gedeelte der plantage, dat ver van het
+huis verwijderd was. Zij zagen er zeer vervallen en verwaarloosd
+uit. Tom voelde zich het hart beklemd, toen hij ze zag. Hij had zich
+getroost met de gedachte aan een hutje, wel ruw, maar dat hij knap
+en net kon maken, waar hij eene plank voor zijnen Bijbel kon hebben,
+en eene plaats, waar hij buiten zijne werkuren alleen kon zijn. Hij
+keek in verscheidene binnen; het waren slechts donkere holen, zonder
+eenig huisraad, behalve een hoop stroo vol vuiligheid, ordeloos op den
+vloer gesmeten die uit de bloote aarde bestond, welke door ontelbare
+voetstappen was vastgetrapt.
+
+"Welke van die zal de mijne zijn?" zeide hij onderworpen tot Sambo.
+
+"Weet niet! Kunt hier wel ingaan, denk ik," zeide Sambo. "Daar zal
+nog wel plaats voor één wezen. Er is al een goede hoop negers in
+ieder. Ik weet niet wat ik met nog meer moet doen."
+
+
+
+Het was laat in den avond, toen de vermoeide bewoners der hutten bij
+troepen naar huis kwamen--mannen en vrouwen, in vuile gescheurde
+kleeren, knorrig en wrevelig en in geene stemming om nieuwe
+medebewoners vriendelijk aan te zien. Het dorpje weergalmde van geene
+streelende klanken; schorre stemmen twistten bij de handmolens, waar
+allen hunne portie hard koren nog tot meel moesten malen, eer de koek
+er van gebakken kon worden, die hun eenig avondmaal uitmaakte. Van den
+dageraad af waren zij in het veld geweest, gedwongen tot werken door
+de drijvende zweep der opzichters; want het was nu in het heetste
+en drukste van het seizoen en geene middelen werden er gespaard om
+ieder voort te jagen, zooveel hij maar kon uithouden. "Wel zeker,"
+zegt de zorgelooze leeglooper, "het katoenplukken is geen zwaar
+werk, niet waar?" En het is ook zulk een groot ongemak niet, dat
+u een droppel water op het hoofd valt, en toch wordt de ergste
+pijniging der inquisitie voortgebracht, door droppel op droppel,
+oogenblik op oogenblik, op dezelfde plek te laten vallen; een werk,
+dat op zich zelf niet zwaar is, wordt dit, wanneer men uren achtereen
+wordt voortgejaagd, altijd met dezelfde onverbiddelijke gestrengheid
+en eentonigheid, zonder dat zelfs de bewustheid van vrijwilligheid,
+het vervelende er van vermindert. Tom zocht onder dezen troep die hem
+voorbijstroomde, vruchteloos naar een gezicht dat hem tot gezelligheid
+uitlokte. Hij zag alleen norsche, woeste, verdierlijkte mannen, en
+zwakke, moedelooze vrouwen, of vrouwen die geene vrouwen meer konden
+heeten--de sterken de zwakken verdringende--de grove, onbedwongen,
+dierlijke zelfzucht van menschelijke wezens, van welke niets goeds
+verwacht of verlangd kon worden, en die in alle opzichten als beesten
+behandeld, ook zoo nabij den rang van beesten waren gedaald als
+voor menschelijke wezens slechts mogelijk was. Tot laat in den nacht
+duurde het geluid van het malen, want de molens waren weinig in getal,
+met de malers vergeleken, en de vermoeiden en zwakken werden door de
+sterkeren weggejaagd en kwamen het laatste aan de beurt.
+
+"Ho, gij," zeide Sambo, naar de mulattin komende, en een zak met
+koren voor haar neersmijtende. "Hoe duivel is uw naam?"
+
+"Lucy," antwoordde de vrouw.
+
+"Wel, Lucy, gij mijne vrouw nu. Gij maalt dit koren en bakt mijn
+avondeten, hoort ge?"
+
+"Ik ben uwe vrouw niet en wil het niet wezen,"--zeide Lucy, met den
+plotseling ontvlammenden moed der wanhoop. "Loop heen!"
+
+"Dan zal ik je schoppen," zeide Sambo dreigend zijnen voet oplichtende.
+
+"Gij moogt mij doodslaan als gij wilt--hoe eer hoe beter. Ik wenschte
+dat ik dood was," zeide zij.
+
+"Zeg eens, Sambo, als gij iemand van het volk voor het werk bederft,
+zal ik het meester zeggen," zeide Quimbo, die aan den molen bezig
+was, vanwaar hij uit kwaardaardigheid eenige vrouwen had weggejaagd,
+die nu stonden te wachten.
+
+"En ik zal hem zeggen dat gij de vrouwen niet bij de molens wilt laten
+komen, gij oude neger," antwoordde Sambo. "Pas maar voor u zelven op."
+
+Tom was vermoeid van den tocht en bijna flauw van gebrek aan voedsel.
+
+"Daar gij," zeide Quimbo, een zak met koren voor hem
+neerwerpende. "Daar, neger, pak aan, en pas er op; want gij zult voor
+deze week niets meer krijgen."
+
+Tom wachtte tot zeer laat om eene plaats aan de molens te bekomen,
+en toen medelijden hebbende met de afmatting van twee vrouwen, die
+hij zag beproeven om hare portie te malen, maalde hij die voor haar,
+legde de halfverbrande houten bij elkander van een vuur, waarbij
+reeds velen hunne koeken hadden gebakken, en ging toen eerst zijn
+eigen avondmaal bezorgen. Dit was eene geheel nieuwe manier van
+handelen daar, en dit bewijs van beleefdheid, zoo gering als het
+was, deed toch eene overeenstemmende snaar in de harten dier vrouwen
+trillen--eene uitdrukking van vrouwelijke zachtheid kwam op hunne
+strakke gezichten. Zij besloegen zijn koek voor hem en pasten voor hem
+
+op het bakken; en Tom zette zich bij het vuur neer en haalde zijn
+Bijbel uit--want hij had troost noodig.
+
+"Wat is dat?" zeide een van de vrouwen.
+
+"Een Bijbel," antwoordde Tom.
+
+"O! ik heb er geen gezien, sedert ik in Kentucky was."
+
+"Zijt ge dan in Kentucky opgebracht?" vroeg Tom met belangstelling.
+
+"Ja, en wèl-opgebracht ook. Ik had nooit gedacht dat ik hiertoe komen
+zou," antwoordde de vrouw met een zucht.
+
+"Wat is toch dat boek daar," zeide de andere vrouw.
+
+"Wel, de Bijbel."
+
+"Wel, wat is dat?"
+
+"Wat zegt ge--hebt gij daar nooit van gehoord?" zeide de eerste vrouw.
+
+"Ik placht er somtijds mijne meesteres wel in te hooren lezen, daar
+in Kentucky. Maar, och! hier hooren wij niets dan vloeken en het
+klappen van de zweep."
+
+"Lees toch eens wat," zeide de andere vrouw nieuwsgierig, daar zij
+zag hoe aandachtig Tom in het boek tuurde.
+
+Tom las: "Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt,
+en Ik zal u rust geven."
+
+"Die woorden zijn goed genoeg," zeide de vrouw. "Wie zegt ze?"
+
+"De Heere," antwoordde Tom.
+
+"Ik wenschte dat ik wist, waar ik Hem vinden kon," hervatte de vrouw;
+"dan zou ik naar Hem toegaan, want het schijnt wel dat ik nooit meer
+rust zal krijgen. Ik heb overal pijn en beef over al mijne leden,
+elken dag, en Sambo slaat altijd naar mij, omdat ik niet gauwer pluk;
+en het is meestal middernacht eer ik eten kan, en dan schijnt het dat
+ik mijne oogen nog niet gesloten heb, of ik hoor den hoorn al weder
+blazen om op te staan, en moet er des morgens weer aan. Als ik maar
+wist waar de Heere was, zou ik Hem dat zeggen."
+
+"Hij is hier, Hij is overal," zeide Tom.
+
+"O, dat wilt ge me toch niet wijsmaken? Ik weet dat de Heere hier
+niet is," zeide de vrouw. "Maar praten helpt ook al niet. Ik ga liever
+slapen terwijl ik kan."
+
+De vrouwen gingen heen naar hare hutten. Tom bleef alleen bij het
+smeulende vuur zitten.
+
+De heldere, zilveren maan steeg op in de donkere lucht, en zag kalm en
+stil van omhoog; gelijk God op een tooneel van ellende en onderdrukking
+nederziet--zoo bescheen zij den eenzamen zwarten man, terwijl hij
+daar zat, met de armen over elkander en zijn Bijbel op zijn knie.
+
+"Is God _hier_?" O, hoe is het mogelijk voor het onkundige hart,
+zijn geloof vast te houden onder het aanzien van grove, tastbare,
+ongestrafte onrechtvaardigheid! In dat eenvoudige hart werd een
+zware strijd gevoerd tegen het kwellende gevoel van onrecht, het
+vooruitzicht op een geheel leven van ellende, de verwoesting van
+alle vroegere hoop. O, was het _hier_ gemakkelijk te gelooven en
+vast te houden aan de groote kenspreuk van het christelijk geloof,
+dat "God is een _belooner_ dergenen die Hem zoeken?"
+
+Tom stond treurig op en strompelde naar de hut, die hem was
+toegewezen. De grond was reeds met vermoeide slapers bedekt, en de
+vuile lucht dreef hem bijna terug, maar de zware nachtdauw was kil,
+zijn leden waren pijnlijk van vermoeienis, en de gescheurde deken
+over zich heen halende, die al zijn beddegoed uitmaakte, strekte hij
+zich op het stroo uit en viel in slaap.
+
+In zijne droom klonk hem een zachte stem in de ooren. Hij zat op de
+bemoste bank in den tuin bij het meer Pontchartrain, en Eva, met
+hare ernstige oogen omlaaggeslagen, las hem uit den Bijbel voor,
+en hij hoorde haar lezen:
+
+"Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn; en door
+de rivieren, zij zullen u niet overstroomen; wanneer gij door
+het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u
+niet aansteken. Want Ik ben de Heere, uw God, De Heilige Israels,
+uw Heiland."
+
+Langzamerhand schenen die woorden als weg te smelten in eene hemelsche
+muziek; het kind sloeg hare oogen op en vestigde die liefdevol op
+hem, en stralen van warmte en troost schenen daaruit in zijn hart
+te dalen, en als werd zij door die muziek gedragen, scheen zij op
+blinkende vleugelen op te stijgen, waarvan vlokken en spranken gouds
+als sterren afvielen, en zoo verdween zij.
+
+Tom ontwaakte. Was het een droom? Laat het voor een droom gehouden
+worden. Maar wie zal zeggen dat het dien liefderijken jeugdigen geest,
+die in het aardsche leven zoozeer verlangde om bedroefden te troosten,
+niet door God werd veroorloofd om na den dood deze dienstbetooning
+op zich te nemen? Het is een schoon en zeer streelend geloof, dat de
+geesten der dooden op engelenvleugelen om ons henen zweven.
+
+
+
+
+
+DRIE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK
+
+CASSY
+
+ "En ziet, er waren de tranen der verdrukten,
+ en dergenen die geenen trooster hadden, en van
+ de zijde hunner verdrukkers was macht; zij
+ daarentegen hadden geenen trooster.
+
+ Pred. 4:1
+
+
+Tom had slechts weinig tijd noodig om zich bekend te maken met alles
+wat hij in zijn nieuwen toestand te hopen en te vreezen had. Hij
+was een bekwaam arbeider, en zoowel uit gewoonte als beginselen
+ijverig en getrouw in al wat hij deed. Stil en vreedzaam van aard,
+hoopte hij dat hij door onvermoeide vlijt ten minste een gedeelte der
+onaangenaamheden van zijn tegenwoordig lot zou kunnen afwenden. Hij
+zag genoeg mishandeling en ellende, om zijn hart met verontwaardiging
+en weedom te vervullen; maar hij besloot met godsdienstig geduld voort
+te zwoegen, zich bevelende aan Hem die rechtvaardig oordeelt; en niet
+zonder hoop, dat hem nog een weg tot uitkomst zou worden geopend.
+
+Legree lette stilzwijgend op Toms bruikbare eigenschappen. Hij hield
+hem voor een arbeider van den eersten rang, en toch voelde hij een
+geheimen wrok tegen hem--de natuurlijke antipathie der boozen tegen
+de goeden. Hij zag duidelijk dat wanneer, gelijk dikwijls gebeurde,
+zijn geweld en dwingelandij weerlooze onschuldigen troffen, Tom daarop
+lette; want zoo fijn is de werking der opinie, dat zij zich zonder
+woorden doet gevoelen, en zelfs de opinie van een slaaf een meester kan
+hinderen. Tom openbaarde op verschillende wijzen een teederheid van
+gevoel, een medelijden met zijne lotgenooten, dat voor Legree nieuw
+en vreemd was, en door dezen met wangunstige oogen werd bespied. Hij
+had Tom gekocht met het oogmerk om hem tot eene soort van opzichter
+te maken, wien hij zijne zaken kon toevertrouwen, wanneer hij zelf
+nu en dan afwezig moest zijn; en naar zijn begrip was hardheid het
+eerste, tweede en derde vereischte voor zulk een post. Daar Tom hem
+niet hard genoeg was, nam Legree zich voor om hem spoedig te harden;
+en eenige weken nadat Tom op de plantage was gekomen, besloot hij
+daarmede een begin te maken.
+
+Op een ochtend, toen het volk gemonsterd werd om naar het veld te gaan,
+zag Tom met verwondering een nieuweling onder hen, wier voorkomen
+zijne aandacht trok. Zij was eene vrouw, rijzig en rank van gestalte,
+met bijzonder fijne handen en kleine voeten, net en fatsoenlijk
+gekleed. Naar haar gezicht te oordeelen kon zij tusschen de vijf
+en dertig en veertig jaren wezen; en zij had een gezicht, dat men,
+als men het eens gezien had, nooit weder vergeten kon--een van die
+gezichten, welke ons met eenen enkelen blik een denkbeeld van een
+wilde, smartelijke en romaneske geschiedenis schijnen te geven. Haar
+voorhoofd was hoog en hare wenkbrauwen waren met sierlijke scherpheid
+geteekend. Haar rechte, welgevormde neus, haar fijn besneden mond,
+de geheele sierlijke omtrek van hoofd en hals toonden dat zij eens
+zeer schoon moest geweest zijn; maar haar gezicht was diep gegroefd
+door trekken van bitter zielelijden en van trotsche verharding
+daartegen. Hare kleur was vaal en ongezond, hare wangen waren hol,
+hare trekken scherp en geheel hare gestalte was vermagerd. Hare oogen
+kwamen echter het meest van alles uit--zoo groot, zoo gitzwart,
+met lange even zwarte wimpers beschaduwd en vol woeste, treurige
+wanhoop. Wilde, uitdagende trots sprak uit al hare trekken, uit al
+hare bewegingen; maar in hare oogen zag men eene nachtelijke donkere
+diepte van zielesmart, eene uitdrukking zoo hopeloos en onveranderlijk,
+dat zij een akelig contrast vormden met den fieren trots, dien geheel
+haar voorkomen aanduidde.
+
+Waar zij vandaan kwam of wie zij was, wist Tom niet. Hij zag haar
+nu voor het eerst, nu zij in de grauwe schemering van den dageraad,
+trotsch opgericht, naast hem stapte. Aan den troep was zij echter
+bekend; want er werd veel omgekeken, en eene gesmoorde, maar toch
+duidelijk blijkbare boosaardige blijdschap heerschte onder de
+havelooze, half verhongerde ellendelingen, die haar omringden.
+
+"Eindelijk er toe gekomen--blij om," zeide er een.
+
+"Hi, hi, hi!" zeide een ander; "gij zult ondervinden hoe pleizierig
+het is, Juffrouw."
+
+"Wij zullen haar nu eens zien werken."
+
+"Benieuwd of zij van avond een pak zal krijgen evenals wij."
+
+"Ik zou haar graag eens zien geeselen, dat weet ik," zeide nog
+een ander.
+
+De vrouw gaf geen acht op deze smaadredenen, maar stapte voort met
+hetzelfde gezicht vol toornige minachting, alsof zij niets gehoord
+had. Tom had altijd onder beschaafde, welopgevoede lieden verkeerd,
+en voelde onwillekeurig dat zij tot die klasse behoorde; maar hoe zij
+in dien vernederden toestand kon gekomen zijn begreep hij niet. De
+vrouw sprak niet tegen hem en zag hem niet eens aan, hoewel zij op
+den geheelen weg naar het veld dicht naast hem bleef.
+
+Tom was spoedig aan zijn werk, maar daar de vrouw niet ver van hem
+af was, keek hij dikwijls naar haar om, hoe zij het maakte. Hij zag
+terstond dat eene aangeboren handigheid en vlugheid de taak voor haar
+veel gemakkelijker maakte, dan zij voor velen bleek te zijn. Zij
+plukte zeer snel en zeer zindelijk, met een zoo trotsch gezicht,
+alsof zij zoowel het werk als de vernedering van haren tegenwoordigen
+toestand verachtte.
+
+In den loop van den dag werkte Tom ook dicht bij de mulattin, die
+tegelijk met hem gekocht was. Blijkbaar was zij zeer zwak en vol pijn;
+dikwijls hoorde Tom haar bidden, en scheen zij, wankelende en bevende,
+op het punt om neer te vallen. Toen Tom bij haar kwam, stak hij
+stilzwijgend eenige handen vol katoen uit zijn eigen zak in de hare.
+
+"O, doe dat niet, doe dat niet," zeide de vrouw, verwonderd
+opziende. "Gij zult u zelven maar in moeite brengen."
+
+Juist toen kwam Sambo aan. Hij scheen een bijzonderen wrok tegen deze
+vrouw te hebben, en eene zweep zwaaiende, zeide hij met zijne grove,
+schorre stem: "Wat is dat, Lucy--gekheid maken?" en zonder een woord
+verder gaf hij de vrouw een schop met zijnen zwaren schoen, en Tom
+een slag met de zweep dwars over het gezicht.
+
+Tom hervatte stilzwijgend zijne taak; maar de vrouw, reeds geheel
+uitgeput, viel in een flauwte.
+
+"Ik zal haar wel bijhelpen," zeide de drijver met een woesten,
+grijnzenden lach. "Ik zal haar wat beters geven dan kamfer." En eene
+speld van zijne mouw nemende, stak hij die tot aan den kop in haar
+vleesch. De vrouw kermde en richtte zich eenigszins op.
+
+"Sta op, gij beest en werk, of ik zal je nog een kunstje leeren."
+
+De vrouw scheen voor een korte poos tot bovennatuurlijke kracht
+aangeprikkeld en werkte met wanhopigen ijver voort.
+
+"Pas op dat gij er aan blijft," zeide Sambo, "of gij zult van avond
+wenschen dat gij maar dood waart, zou ik denken."
+
+"Dat doe ik nu al," hoorde Tom haar zeggen. En kort daarop zeide zij
+weder: "O Heere, hoelang? O Heere, waarom helpt Gij ons niet?"
+
+Alles tartende waaraan hij zich kon blootstellen, kwam Tom nog eens
+naar haar toe, en stak al het katoen uit zijnen zak in de hare.
+
+"O, dat moet gij niet doen. Gij weet niet wat zij u doen zullen,"
+zeide de vrouw.
+
+"Ik kan het dragen, beter dan gij," zeide Tom en was terstond weder
+op zijne plaats.
+
+Plotseling sloeg de vreemde vrouw, die onder het werk dicht bij genoeg
+gekomen was om Toms laatste woorden te hooren, hare zwarte oogen op
+en zag hem strak aan. Daarop nam zij een hoop katoen uit haren mand
+en stak dien in zijnen zak.
+
+"Gij weet niets van deze plaats," zeide zij, "of gij zoudt dat niet
+gedaan hebben. Als gij een maand hier geweest zijt, zult gij het wel
+laten om iemand te helpen; gij zult het moeilijk genoeg vinden op uw
+eigen huid te passen."
+
+"Dat verhoede de Heere, _Missis_," zeide Tom, onwillekeurig zijne
+medearbeidster op het veld met dezelfde benaming aansprekende, welke de
+beschaafde vrouwen, met wie hij vroeger gewoon was te spreken, toekwam.
+
+"De Heere komt nooit hier," zeide de vrouw met bitterheid, en ging
+vlug weder voort met haar werk, terwijl een hoonende glimlach hare
+lippen deed krullen.
+
+Het bedrijf der vrouw was echter door den drijver in de verte gezien,
+en zijne zweep zwaaiende, kwam hij naar haar toe.
+
+"Wat, wat?" zeide hij op een zegepralenden toon: "_gij_ aan het
+gekheid maken? Ge zijt nu onder mij. Pas op, of ge zult krijgen."
+
+Een bliksemstraal scheen uit die donkere oogen te schieten, en zich
+met bevende lippen en opgetrokken neusgaten omkeerende, richtte zij
+zich rechtop, en vestigde een blik, waaruit een gloed van woede en
+verachting straalde op den drijver.
+
+"Hond," zeide zij, "raak mij eens aan, als ge durft! Ik heb nog
+macht genoeg, om u door de honden te laten verscheuren of levend te
+verbranden, of duim voor duim te laten klein snijden. Ik heb het maar
+te zeggen!"
+
+"Waar duivel zijt gij dan voor hier?" zeide Sambo blijkbaar uit
+het veld geslagen, en deed met een norsch gezicht een paar stappen
+achteruit. "Ik meende geen kwaad, Miss Cassy!"
+
+"Blijf dan van mij vandaan," zeide de vrouw. En Sambo scheen het
+raadzaam te vinden om naar iets aan de andere zijde van het veld te
+gaan zien, en liep op een draf heen.
+
+De vrouw keerde zich weder om en werkte voort met een spoed, die Tom
+geheel en al verbaasde. Het scheen wel tooverij te zijn. Vóór het einde
+van den dag was hare mand gevuld, neergedrukt en opgehoopt, en had
+zij verscheidene malen nog ruimschoots in den zak van Tom gedaan. Lang
+na het vallen der duisternis trok de geheele vermoeide trein, met de
+manden en zakken op het hoofd, naar het gebouw waar de katoen gewogen
+en opgepakt werd. Legree stond daar en sprak met de twee drijvers.
+
+"Die Tom zal wel een boel moeite geven," zeide Sambo. "Hij bleef maar
+aldoor in Lucy's mand stoppen. Hij is een van die kerels, die al de
+negers zal doen denken, dat zij het te kwaad hebben, als meester niet
+op hem past."
+
+"Zoo, zoo! Die vervloekte zwartkop!" zeide Legree. "Hij zal gedrild
+moeten worden, he, jongens?"
+
+Beide negers antwoordden met een afschuwelijke grijns.
+
+"Ja, ja," zeide Quimbo, "meester Legree kan wel drillen. Daarin zou
+de duivel zelf hem niet kunnen verbeteren."
+
+"Wel, jongens, de beste manier is hem het geeselen te laten verrichten,
+tot die grillen uit zijnen kop zijn. Dat zal hem drillen."
+
+"Meester zal veel moeite hebben om ze uit zijnen kop te brengen."
+
+"Zij zullen er toch uit moeten," zeide Legree, en kauwde op zijne
+pruim.
+
+"En daar is dan die Lucy, die leelijkste, onwilligste meid van de
+plaats," zeide Sambo.
+
+"Pas op, Sam, ik zal haast gaan denken wat de reden is, dat gij zulk
+een pik op Lucy hebt."
+
+"Wel, meester weet zelf dat ze zich tegen meester heeft verzet,
+en mij niet hebben wilde, toen hij haar dat zeide."
+
+"Ik zou haar wel zoolang gegeeseld hebben tot zij wilde," zeide Legree
+spuwende; "maar het werk dringt zoo, dat ik haar nu niet gaarne van
+de hand wilde brengen; zij is teer, maar die teere meiden laten zich
+halfdood slaan om haar zin te hebben."
+
+"Wel, Lucy was zoo lui en onwillig als zij maar kon; zij wilde niets
+doen--Tom, die nam het voor haar op."
+
+"Zoo, deed hij dat? Wel, dan zal Tom het pleizier hebben van haar te
+geeselen. Dat zal eene goede oefening voor hem zijn, en hij zal de
+meid ook zoo hard niet slaan, als gij, duivels."
+
+"Ho, ho, ho! ha, ha, ha!" lachten de twee ellendelingen; en die
+helsche klanken schenen inderdaad geene ongepaste uitdrukking te zijn
+van den duivelachtigen aard, dien Legree hun toeschreef.
+
+"Maar, meester, Tom en Miss Cassy hebben met hun beiden Lucy's mand
+gevuld. Ik geloof wel dat het gewicht er haast zijn zal."
+
+"_Ik weeg_," zeide Legree met nadruk.
+
+Beide drijvers lieten wederom hun duivelachtig gelach hooren.
+
+"En dus heeft Miss Cassy haar dagwerk gedaan?" zeide Legree.
+
+"Zij plukt als de duivel en al zijne engelen."
+
+"Zij heeft ze allen in het lijf geloof ik," zeide Legree; en een
+woesten vloek uitbrakende, ging hij naar de weegkamer.
+
+Langzaam kwamen de afgematte slaven en slavinnen de kamer in, en
+kruipende, maar met blijkbaren tegenzin, brachten zij hunne manden
+om gewogen te worden.
+
+Legree teekende het gewicht aan op eene lei, waarop aan den kant eene
+lijst der namen was geplakt.
+
+De mand van Tom werd gewogen en goedgekeurd, en hij bleef angstig
+staan kijken, hoe het zou gaan met de vrouw die hij geholpen had.
+
+Waggelende van zwakheid kwam zij aan en zette haar mand neer. Deze
+had het volle gewicht, gelijk Legree nu wel zag; maar zich vergramd
+veinzende, zeide hij:
+
+"Wat, gij lui beest, alweer te kort? Ga daar op zijde, gij zult
+spoedig wat krijgen."
+
+De vrouw zette zich kermende van wanhoop op den grond neer.
+
+Zij, die Miss Cassy genoemd was, kwam nu voorwaarts en gaf met trotsche
+achteloosheid haar mand over. Toen zij dit deed, zag Legree haar met
+een hoonenden, maar toch onrustig uitvorschenden blik in de oogen.
+
+Zij zag hem met hare zwarte oogen strak aan, bewoog even hare lippen
+en zeide iets in het Fransch. Wat het was verstond niemand; maar
+Legree's gezicht nam terstond eene duivelachtige uitdrukking aan, en
+hij hief de hand half op, als om haar een slag te geven--een gebaar
+dat zij met een blik van fiere minachting beantwoordde, waarna zij
+zich omkeerde en heenging.
+
+"En nu, gij Tom, kom hier," zeide Legree. "Ik heb u al gezegd, dat ik
+een kerel als gij niet voor het gewone werk had gekocht. Ik heb plan
+u te bevorderen en een drijver van u te maken, en van avond moogt gij
+wel eens beginnen om er den slag van te krijgen. Neem die meid mede
+en geesel haar, gij hebt het dikwijls genoeg gezien, om te weten hoe."
+
+"Ik verzoek meester verschooning," antwoordde Tom, "Ik hoop dat
+meester mij daar niet aan zal zetten. Dat is iets waaraan ik niet
+gewoon ben--ik heb het nog nooit gedaan--en ik kan het ook niet doen,
+het is mij onmogelijk."
+
+"Gij hebt kans om nog een aantal dingen te moeten leeren, waarvan gij
+nog nooit geweten hebt, eer ik met u gedaan heb," zei Legree, en een
+lederen zweep opnemende, gaf hij Tom een fellen striem over de wang,
+gevolgd door een hagelbui van slagen, waar hij maar kon raken.
+
+"Daar," zeide hij, ophoudende om te rusten, "zult ge mij nu nog zeggen
+dat gij het niet doen kunt?"
+
+"Ja, meester," antwoordde Tom, het bloed afvegende, dat langs zijn
+gezicht droop. "Ik ben gewillig om te werken, nacht en dag en zoolang
+er leven en adem in mij is; maar dit kan ik niet denken dat goed is
+om te doen; en, meester, ik zal het nooit doen--_nooit_."
+
+Tom had eene bijzonder zachte stem en eerbiedige manieren, waardoor
+Legree het denkbeeld had opgevat, dat hij lafhartig en gemakkelijk te
+dwingen zou zijn. Toen hij deze woorden sprak, liep er een schok van
+verbazing in het rond; de arme vrouw sloeg hare handen samen en zeide:
+"O Heere!" en allen zagen onwillekeurig elkander aan en hielden den
+adem in, als om zich schrap te zetten tegen den storm die nu moest
+uitbarsten.
+
+Legree keek eerst verbijsterd en versuft, maar daarop barstte hij los.
+
+"Wat, gij vervloekt zwart beest, zegt gij mij dat gij het niet _goed_
+acht, te doen wat ik zeg? Wat behoeft gij, vervloekt vee, er over
+te denken wat goed is? Daar zal ik een eind aan maken. Wat denkt ge
+wel dat gij zijt? Misschien houdt gij u zelven voor een _gentleman_,
+meester Tom, om uwen meester te zeggen wat goed is en wat niet. Gij
+wilt dus zeggen dat het verkeerd is die meid te geeselen?"
+
+"Zoo denk ik, meester," antwoordde Tom. "Het arme schepsel is ziek
+en zwak; het zou ronduit wreedheid zijn; en dat is iets dat ik nooit
+doen zal of aan beginnen wil. Meester, als gij mij wilt doodslaan,
+doe het; maar mijne hand op te heffen tegen iemand hier, dat zal ik
+nooit; ik wil liever sterven."
+
+Tom sprak met eene zachte stem; maar met eene vastberadenheid,
+waarin men zich niet vergissen kon. Legree beefde van woede; zijne
+groenachtige oogen fonkelden, en zelfs zijne bakkebaarden schenen
+van woede te krullen; maar gelijk een tijger, die een poos met zijn
+slachtoffer speelt eer hij het verscheurt, bedwong hij zijne neiging
+tot dadelijk geweld, en overlaadde hij zijn weerspannigen slaaf met
+bitteren spot.
+
+"Wel zoo, hier is een vrome hond onder ons zondaren afgedaald! een
+heilige, een _gentleman_ en niets minder, om ons zondaren over onze
+zonden te onderhouden! Een machtig heilig schepsel moet hij zijn! Hier,
+gij schavuit, die u zoo vroom wilt houden--hebt gij dan nooit uit uwen
+Bijbel gehoord: "Dienstknechten, zijt uwen heeren gehoorzaam"? Ben
+ik uw meester niet? Heb ik niet twaalfhonderd dollars klinkende munt
+betaald voor alles wat er in uw oud vervloekt zwart vel steekt? Zijt
+gij de mijne niet met lichaam en ziel? Zeg mij dat!" zoo besloot hij,
+Tom een geweldigen schop met zijne zware laars gevende.
+
+Zelfs in de diepte van zijn lichamelijk lijden, door woest dierlijk
+geweld onderdrukt, wekte deze vraag een gevoel van zegevierende
+blijdschap in het gemoed van Tom. Hij richtte zich eensklaps op, en
+ernstig naar den hemel ziende, terwijl tranen en bloed ondereengemengd
+over zijn gezicht vloeiden, riep hij uit:
+
+"Neen, neen, mijne ziel is uw eigendom niet, meester. Die hebt gij
+niet gekocht--die kunt gij niet koopen. Die is gekocht en ook betaald,
+door Eenen--Eenen--die in staat is om haar te bewaren. Doe dus wat
+gij wilt, gij kunt mij niet schaden."
+
+"Niet?" zeide Legree smalende. "Dat zullen wij eens zien. Hier, gij
+Sambo en Quimbo, geef dien hond zulk een pak, dat hij in geene maand
+te boven is."
+
+De twee reusachtige negers grepen, met eene valsche duivelachtige
+blijdschap in hun gezicht, den armen Tom aan. De arme vrouw gilde
+van angst, en allen stonden onwillekeurig op, toen hij, zonder zelfs
+eenigen tegenstand te bieden, werd weggesleept.
+
+
+
+
+
+VIER EN DERTIGSTE HOOFDSTUK
+
+GESCHIEDENIS DER QUADRONE
+
+ En ziet, er waren de tranen der verdrukten,
+ en dergenen, die geenen trooster hadden; en
+ aan de zijde hunner verdrukkers was macht.
+ Dies prees ik de dooden die alreeds gestorven
+ waren, boven de levenden die tot nog toe
+ levend zijn.
+ Pred. 4:1 en 2
+
+
+Het was laat in den nacht, en Tom lag kermende en bloedende alleen in
+eene verlaten kamer van het machinehuis, tusschen gebroken stukken
+machinerie, hoopen bedorven katoen en andere onbruikbare dingen die
+daar verzameld waren.
+
+De nacht was koel en vochtig, en de dompige lucht wemelde van
+muskieten, die de rustelooze marteling zijner wonden nog vergrootten,
+terwijl een brandende dorst--eene kwelling boven al het andere--de
+maat van zijn lichaamslijden ten uiterste toe vulde.
+
+"O goede Heere, zie toch neder! Geef mij de overwinning--geef mij de
+overwinning over alles!" bad de arme Tom in zijne ellende.
+
+Een voetstap trad achter hem binnen en het licht eener lantaren scheen
+hem in de oogen.
+
+"Wie is daar! O, om 's Heeren wil en uit barmhartigheid, geef mij
+toch wat water!"
+
+Cassy--want zij was het--zette de lantaren neer, schonk water uit eene
+flesch, beurde zijn hoofd op en gaf hem te drinken. Nog een beker en
+nog een ledigde hij met koortsige gretigheid.
+
+"Drink zooveel gij lust," zeide zij. "Ik wist wel hoe het wezen
+zou. Het is de eerste maal niet, dat ik des nachts uit ben, om zulken
+als gij water te brengen."
+
+"Dank, _Missis_," zeide Tom, toen hij genoeg gedronken had.
+
+"Noem mij niet _Missis_. Ik ben eene ellendige slavin, evenals gij--nog
+lager dan gij ooit worden kunt," zeide zij met bitterheid. "Maar
+nu," vervolgde zij, naar de deur gaande en eene kleine stroomatras
+binnensleepende, waarover zij linnen doeken, met koud water bevochtigd,
+had gelegd, "beproef nu om u hierop te rollen, arme man."
+
+Stijf van wonden en kneuzingen, had Tom lang werk om deze beweging
+ten uitvoer te brengen; maar toen hij dit gedaan had, voelde hij eene
+groote verlichting, door het koele linnen tegen zijne wonden.
+
+De vrouw, die door langen omgang met de slachtoffers van woeste
+wreedheid met velerlei middelen tot verzachting en genezing bekend
+was geworden, leide vervolgens op de wonden nog andere toebereidselen,
+waardoor de pijn weldra nog meer werd verminderd.
+
+"En dat is nu het beste wat ik voor u doen kan," zeide de vrouw,
+toen zij zijn hoofd op eene rol bedorven katoen had gelegd, om hem
+tot kussen te dienen.
+
+Tom dankte haar nogmaals. En de vrouw zette zich vóór hem op den grond,
+trok hare knieën op, sloeg hare armen daar om heen, en bleef hem zoo
+met een gezicht vol bitter verdriet zitten aanzien. Haar hoed was
+achterovergeschoven en hare lange, golvende lokken zwierden om haar
+vreemd en treurig gelaat.
+
+"Het baat niet, arme man!" barstte zij eindelijk uit, "het baat tot
+niets, wat gij hebt willen doen. Gij zijt braaf en dapper geweest--gij
+hadt het recht op uwe zijde, maar het is alles nutteloos; gij kunt
+er niet tegen worstelen. Gij zijt in des duivels handen; hij is de
+sterkste en gij moet het opgeven."
+
+"Opgeven!" Hadden menschelijke zwakheid en lichaamspijn hem dit niet
+reeds vroeger toegefluisterd? Tom maakte eene beweging van schrik;
+want die verbitterde vrouw, met hare wilde oogen en treurige stem, kwam
+hem voor als de vreeselijke verzoeking, waartegen hij geworsteld had.
+
+"O Heere, Heere!" kermde hij. "Hoe kan ik het opgeven?"
+
+"Het baat niet of gij den Heere aanroept--Hij hoort nooit," zeide de
+vrouw koud en stroef. "Er is geen God, geloof ik, of als er een is,
+is Hij tegen ons. Alles is tegen ons, hemel en aarde. Alles drijft
+ons naar de hel. Waarom zouden wij niet gaan!"
+
+Tom sloot zijne oogen en beefde van die verschrikkelijke woorden.
+
+"Gij ziet wel," hervatte de vrouw, "_gij_ weet er niets van--_ik_
+weet het. Ik ben hier vijf jaren geweest, met lichaam en ziel onder
+den voet van dien man, en ik haat hem, gelijk ik den duivel haat. Hier
+zijt gij op eene eenzame plantage, tien mijlen van elke andere, in de
+moerassen; geen blanke is hier die het zou kunnen getuigen, als gij
+levend verbrand werd, of gevild, of bij duimen in stukken gekapt, of
+voor de honden geworpen, of opgehangen of dood gegeeseld. Er is geene
+wet hier van God of menschen, die u of iemand van ons het minste goed
+kan doen; en die man, er is niets op de wereld, waartoe hij te goed
+is. Ik zou iemand de haren te berge kunnen doen rijzen en de tanden
+klapperen, als ik maar vertelde wat ik hier gezien en geweten heb;
+en tegenstand baat niet. Was het mijn zin om met hem te leven? Was
+ik geene beschaafd opgevoede vrouw? En hij--God in den hemel! wat
+was hij en is hij? En toch heb ik deze vijf jaren met hem geleefd,
+en elk oogenblik van mijn leven vervloekt--nacht en dag! En nu heeft
+hij een nieuwe gekregen--een jong ding, nog maar vijftien jaren; en
+zij is vroom opgebracht, zegt zij. Hare goede meesteres heeft haar in
+den Bijbel leeren lezen, en zij heeft haar Bijbel meegebracht--hier
+naar de hel!" En de vrouw lachte met een woesten, akeligen lach,
+die vreemd en bovennatuurlijk door het vervallen gebouw klonk.
+
+Tom vouwde zijne handen; alles was duisternis en afgrijzen.
+
+"O, Jezus, Heere Jezus, hebt Gij ons arme schepselen geheel
+vergeten?" barstte hij eindelijk uit. "Help Heere, ik verga!"
+
+De vrouw vervolgde op stroeven toon:
+
+"En wat zijn die ellendige, gemeene honden met wie gij werkt, dat
+gij om hunnentwil lijden zoudt? Een voor een zullen zij zich tegen u
+keeren, zoodra zij maar gelegenheid hebben. Zij zijn allen zoo slecht
+en wreed voor elkander, als zij maar zijn kunnen; en het baat niet
+dat gij nog meer lijdt, omdat gij hen niet wilt aanraken."
+
+"Arme schepsels!" zeide Tom. "Wat heeft hen zoo wreed gemaakt? en
+als ik toegeef, zal ik er aan gewend raken en langzamerhand eveneens
+worden als zij. Neen, neen, _Missis_, ik heb alles verloren, vrouw en
+kinderen en mijn tehuis en een goeden meester, die mij zou vrijgelaten
+hebben, als hij nog maar eene week langer geleefd had. Ik heb alles
+in deze wereld verloren, en het is weg voor altijd en nu kan ik den
+hemel er niet nog bij verliezen. Neen, ik kan nu niet goddeloos gaan
+worden boven dat alles."
+
+"Maar het kan niet wezen, dat de Heere ons de zonde zal toerekenen,"
+zeide de vrouw. "Hij zal er ons niet mede bezwaren, als wij er
+toe gedwongen worden; Hij zal er hen mede bezwaren, die er ons toe
+gedreven hebben."
+
+"Ja," antwoordde Tom, "maar dat zal ons niet beletten goddeloos
+te worden; als ik even hard van hart wordt als die Sambo en even
+goddeloos, zal het niet veel verschil maken hoe ik zoo word. Het is
+_zoo_ te _wezen_--dat is het--waar ik angstig voor ben."
+
+De vrouw zag Tom aan met een woesten verschrikten blik, alsof eene
+nieuwe gedachte haar getroffen had. En toen zeide zij met een zwaren,
+kermenden zucht:
+
+"O God van genade, gij spreekt de waarheid! O--o--o!" En zoo kermende,
+viel zij op den grond, als verpletterd en krimpend onder eene overmaat
+van zielesmart.
+
+Er heerschte eene poos stilte, terwijl men de ademhaling van beiden
+kon hooren. Toen zeide Tom met eene flauwe stem: "Och, _Missis_."
+
+De vrouw rees schielijk op, haar gezicht was weder strak en had de
+gewone uitdrukking van trotsche treurigheid hernomen.
+
+"Och, _Missis_, ik heb hen mijn rok daar in den hoek zien gooien,
+en in den zak is mijn Bijbel--als gij dien voor mij krijgen woudt."
+
+Cassy voldeed aan dit verlangen. Tom opende den Bijbel terstond
+bij eene met zware strepen gemerkte, zeer versleten plaats, in het
+levenseinde van Hem, door wiens striemen hij genezen was.
+
+"Als _Missis_ nu eens zoo goed wilde zijn om dat daar te lezen,
+dat is nog beter dan water."
+
+Cassy nam het boek met eene koele, trotsche houding en zag de
+plaats door. Daarop las zij overluid, met eene zachte stem en
+eene eigenaardige schoonheid van toon, dat treffende verhaal van
+lijden en heerlijkheid. Dikwijls haperde hare stem onder het lezen,
+en somtijds bleef die geheel steken, maar dan hield zij, eene koude
+bedaardheid veinzende, op, tot zij zich bedwongen had. Toen zij aan de
+treffende woorden kwam: "Vader, vergeef het hun, want zij weten niet
+wat zij doen," wierp zij het boek neder; en haar gezicht onder hare
+zware krullende haarlokken verbergende, begon zij met stuipachtige
+heftigheid te snikken.
+
+Tom schreide insgelijks, maar sprak tusschenbeiden eenige woorden
+met eene gesmoorde stem.
+
+"Als wij daar maar bij konden blijven," zeide hij. "Het scheen van Hem
+zoo natuurlijk te komen, en wij moeten er zoo hard voor strijden. O
+Heere help ons! O gezegende Heer Jezus, kom ons toch te hulp!"
+
+"_Missis_," zeide Tom na eene poos, "ik kan wel zien, dat gij in alles
+boven mij zijt; maar er is toch een ding dat gij zelfs van den armen
+Tom zoudt kunnen leeren. Gij hebt gezegd, dat de Heere tegen ons was,
+omdat Hij ons liet mishandelen en kwaad doen; maar zie, wat Zijn
+eigen Zoon overkomen is--den gezegenden Koning der Heerlijkheid. Was
+Hij niet altijd arm? En zijn wij een van allen nog zoover gekomen? De
+Heere heeft ons niet vergeten--daarvan ben ik zeker. Als wij met Hem
+lijden, zullen wij ook met Hem heerschen, zegt de Schrift; maar als
+wij Hem verloochenen, zal Hij ons ook verloochenen. Hebben zij niet
+alles geleden--de Heere en al de zijnen? Daar staat hoe zij gesteenigd
+en geslagen werden, en rondgingen in schapenvellen en geitenvellen,
+en gebrek leden, bedroefd waren en gepijnigd werden. Het lijden is
+geene reden om ons te doen denken dat de Heere tegen ons is; maar
+juist het tegendeel, als wij ons maar aan Hem vasthouden en ons niet
+aan de zonde overgeven."
+
+"Maar waarom brengt Hij ons, waar wij niet kunnen nalaten te
+zondigen?" zeide de vrouw.
+
+"Ik denk dat wij het _wel_ kunnen laten," antwoordde Tom.
+
+"Gij zult zien," zeide Cassy. "Wat zult gij doen? Morgen zullen zij
+weer met u beginnen. Ik ken hen; ik heb al hun bedrijf gezien. Ik kan
+er niet aan denken wat zij u zullen doen--en zij zullen u eindelijk
+dwingen om toe te geven!"
+
+"Heere Jezus," zeide Tom. "Gij kunt mijne ziel behoeden! O Heere,
+laat mij toch niet toegeven!"
+
+"Och," zeide Cassy, "ik heb al dat roepen en bidden wel meer gehoord,
+en toch zijn zij ten onder gebracht en bezweken. Daar is Emmeline nu,
+zij doet haar best om standvastig te blijven, en gij ook--maar wat baat
+het? Gij moet het opgeven, of gij zult langzaam doodgemarteld worden."
+
+"Welnu, ik _wil_ sterven," zeide Tom. "Laten zij het rekken, zoolang
+zij kunnen, zij kunnen toch niet beletten dat ik eens sterf--en daarna
+kunnen zij niets meer doen; ik ben nu gerust. Ik _weet_ dat de Heere
+mij helpen zal en er doorbrengen."
+
+De vrouw gaf geen antwoord, en staarde met hare zwarte oogen strak
+voor zich.
+
+"Misschien is dat de weg," prevelde zij bij zich zelve; "maar voor
+hen die het _hebben_ opgegeven, voor hen is toch geene hoop! Wij
+leven in de onreinheid, en worden walgelijk tot wij van ons zelven
+walgen. Wij verlangen om te sterven en durven toch niet sterven. Geene
+hoop--geene hoop--geene hoop! Dit meisje nu, juist zoo oud als ik
+was! Gij ziet mij nu," zeide zij, zich tot Tom richtende en zeer snel
+sprekende. "Zie wat ik ben. Welnu, ik werd in weelde opgebracht. Het
+eerste dat ik mij herinner is, dat ik, toen ik een kind was, in een
+prachtig salon speelde. Toen werd ik opgekleed als eene pop, en het
+gezelschap placht mij te prijzen. Er was een tuin, waarop de vensters
+van het salon uitkwamen, en daar placht ik schuilhoekje te spelen
+onder de oranjeboomen, met mijne broertjes en zusjes. Ik ging naar een
+klooster, en daar leerde ik Fransch, muziek, borduren en wat al meer;
+en toen ik veertien jaar oud was, kwam ik er uit voor de begrafenis
+van mijnen vader. Hij stierf zeer onverwacht, en toen de nalatenschap
+werd geregeld, bevond men dat er nauwelijks genoeg was om de schulden
+te dekken; en toen de crediteuren een inventaris van de eigendommen
+maakten, werd ik daarbij opgeschreven. Mijne moeder was eene slavin,
+en mijn vader had altijd plan gehad mij vrij te verklaren; maar hij
+had het niet gedaan, en zoo werd ik op de lijst gezet. Ik had altijd
+geweten wie ik was, maar er nooit veel om gedacht. Niemand denkt,
+dat een sterk, gezond man spoedig zal sterven. Mijn vader was nog
+gezond vier uur voordat hij stierf; hij was een van de eersten, die
+te New-Orleans aan de cholera stierven. Daags na de begrafenis nam
+mijn vaders vrouw hare kinderen en ging naar de plantage van haren
+vader. Ik vond wel dat zij mij vreemd behandelden, maar ik begreep
+het niet. Er was een jong rechtsgeleerde, dien zij de zaken lieten
+in orde brengen; hij kwam elken dag, deed alsof hij tehuis was en
+sprak zeer beleefd met mij. Hij bracht eens een jongmensch mede,
+dien ik voor den schoonsten man hield, welken ik ooit gezien had. Ik
+zal dien avond nooit vergeten; ik wandelde met hem in den tuin. Ik
+gevoelde mij zoo eenzaam en bedroefd, en hij was zoo vriendelijk;
+en hij zeide mij dat hij mij voorheen gezien had, eer ik naar het
+klooster ging, en dat hij mij al lang had liefgehad, en mijn vriend
+en beschermer wilde zijn. Kortom, hoewel hij niet zeide dat hij
+twee duizend dollars voor mij betaald had en ik zijn eigendom was,
+werd ik gewillig de zijne; want ik beminde hem. O, hoe heb ik dien
+man bemind! Hoe bemin ik hem nog en zal hem altijd beminnen, zoolang
+ik ademhaal! Hij was zoo schoon, zoo goed, zoo edel! Hij bracht mij
+in een fraai huis, met bedienden, paarden, rijtuigen en meubelen,
+alles even kostbaar. Al wat maar voor geld te koop was gaf hij mij;
+maar ik hechtte geene waarde daaraan; ik gaf om niets anders dan om
+hem. Ik had hem meer lief dan mijn God
+
+en mijne eigene ziel, en al wilde ik, ik kon toch niets anders doen
+dan hij van mij verlangde.
+
+"Slechts één ding wenschte ik nog--ik wenschte dat hij mij trouwde. Ik
+dacht: als hij mij zoo liefhad als hij mij zeide, en ik was waarvoor
+hij mij scheen te houden, dat hij dan gewillig moest zijn om mij
+vrij te verklaren en te trouwen. Maar hij overtuigde mij dat dit
+onmogelijk zou zijn, en hij zeide mij dat het, als wij elkander
+maar getrouw bleven, een huwelijk voor God was. Als dat waar is,
+was ik dan niet de vrouw van dien man? Was ik hem niet getrouw? Heb
+ik niet zeven jaren lang op al zijne blikken en bewegingen gelet, en
+alleen geleefd en geademd om hem te behagen? Hij kreeg de gele koorts
+en twintig dagen en nachten waakte ik bij hem--ik alleen, en gaf hem
+zijne medicijnen en deed alles voor hem; en toen noemde hij mij zijn
+beschermengel en zeide dat ik zijn leven had gered. Wij hadden twee
+schoone kinderen. Het eerste was een jongen en wij noemden hem Henry;
+hij was het beeld van zijnen vader--hij had even zulke fraaie oogen,
+zulk een voorhoofd, en zijn haar hing in krullen daaromheen--en hij had
+ook geheel den geest en de talenten van zijnen vader. Kleine Eliza,
+zeide hij, geleek naar mij. Hij placht mij dikwijls te zeggen dat ik
+de schoonste vrouw in Louisiana was, zoo trotsch was hij op mij en de
+kinderen. Hij had gaarne dat ik ze fraai kleedde, en nam hen en mij
+dikwijls mede in een open rijtuig, om te hooren wat de menschen van
+ons zeiden, en dan vulde hij mij de ooren gedurig met al het moois dat
+tot lof van mij en de kinderen gezegd werd. O, dat waren gelukkige
+dagen! Ik dacht dat ik zoo gelukkig was als iemand wezen kon; maar
+toen kwamen er booze tijden. Hij had een neef, die naar New-Orleans
+kwam en zijn bijzondere vriend was. Hij maakte heel veel werk van hem;
+maar van de eerste maal dat ik hem zag, ik kon niet zeggen waarom,
+was ik bang voor hem; want ik voelde mij er zeker van dat hij ellende
+over mij zou brengen. Hij bracht Henry er toe om met hem uit te gaan,
+en dikwijls kwam hij des nachts niet vóór twee of drie uur tehuis. Ik
+durfde er geen woord van zeggen; want Henry was zoo opvliegend, dat
+ik daarvoor schrikte. Hij bracht hem naar speelhuizen, en hij was een
+van die soort, die als zij eens daaraan zijn, niet meer zijn terug
+te houden. En toen bracht hij hem in kennis met een dame, en ik zag
+spoedig dat zijn hart van mij vervreemd werd. Hij zeide het mij nooit;
+maar ik zag en voelde het dag aan dag. En toen bood die ellendeling
+aan om mij en mijne kinderen van hem te koopen, om zijne schulden te
+voldoen, die hem verhinderden om naar zijnen zin te trouwen--en hij
+verkocht ons. Hij zeide mij eens dat hij om zaken uit moest en twee
+of drie weken zou uitblijven. Hij sprak vriendelijker dan gewoonlijk;
+en zeide dat hij zou terugkomen, maar dat bedroog mij niet; ik wist
+dat de tijd gekomen was. Ik was als in steen veranderd; ik kon niet
+spreken en ook niet schreien. Hij kuste mij, en hij kuste de kinderen
+verscheidene malen en ging. Ik zag hem te paard stijgen, en keek hem
+na tot hij uit mijn oogen was, en toen viel ik flauw.
+
+"Toen kwam hij, die vervloekte ellendeling! toen kwam hij bezit van
+ons nemen. Hij zeide dat hij mij en de kinderen had gekocht en liet
+mij de papieren zien. Ik vloekte hem voor God, en zeide dat ik liever
+wilde sterven dan met hem leven.
+
+"Juist zooals het u belieft," zeide hij, "maar als gij u niet
+verstandig gedraagt, zal ik de kinderen verkoopen en gij zult ze
+nooit wederzien." Hij zeide mij dat hij mij terstond had willen
+hebben, zoodra hij mij gezien had; en dat hij Henry had gelokt en
+in schulden geholpen, met opzet om hem te bewegen mij te verkoopen;
+en dat hij hem op eene andere vrouw verliefd had doen worden, en dat
+ik maar weten moest dat hij niet van mij zou afzien om wat kuurtjes
+en tranen, en zulke dingen.
+
+"Ik gaf mij over, want mijne handen waren gebonden. Hij had mijne
+kinderen. Wanneer ik hem in iets wilde tegen zijn, sprak hij er telkens
+van om die te verkoopen en zoo maakte hij mij zoo onderdanig als hij
+begeerde. O, welk een leven was dat! Te blijven leven, hoewel ik mijn
+hart voelde breken, te blijven liefhebben, hoewel dit niets anders
+dan ellende was, en met lichaam en ziel gebonden te zijn aan iemand
+dien ik haatte! Ik placht gaarne voor Henry te lezen, te spelen en
+te zingen; maar alles wat ik voor deze deed was eene kwelling voor
+mij, en toch was ik bang om hem iets te weigeren. Hij was zeer hard
+en streng voor de kinderen. Eliza was een vreesachtig dingetje; maar
+Henry was even stoutmoedig en opvliegend als zijn vader, en had nooit
+door iemand bedwongen kunnen worden. Hij had dagelijks aanmerkingen
+op hem en ongenoegen met hem, en zoo had ik altijd ongenoegen, vrees
+en angst. Ik poogde het kind onderdaniger te maken--ik poogde hen van
+elkander af te houden, want ik was aan die kinderen gehecht als aan
+mijn leven; maar het baatte niet. Hij verkocht beide kinderen. Hij
+nam mij eens met zich uit rijden, en toen ik tehuis kwam, waren zij
+nergens te vinden. Hij zeide mij, dat hij hen verkocht had. Hij liet
+mij het geld zien, den prijs van hun bloed. Toen was het alsof alles
+mij begaf. Ik raasde en vloekte--ik vloekte God en de menschen; en voor
+een tijd geloof ik dat hij werkelijk bevreesd voor mij was. Maar hij
+gaf het zoo niet op. Hij zeide mij dat mijne kinderen wel verkocht
+waren, maar dat het van mij zou afhangen of ik hen ooit wederzag,
+en dat, als ik niet stil en onderdanig was, zij er voor lijden
+zouden. Nu, gij kunt alles met eene vrouw doen als gij hare kinderen
+hebt. Hij bracht mij tot onderwerping; hij deed mij vreedzaam zijn;
+hij vleide mij met de hoop, dat hij ze misschien zou terugkoopen,
+en zoo ging het een paar weken. Eens was ik uit wandelen en kwam de
+_calaboose_ voorbij. Ik zag een troep volk bij de deur en hoorde eene
+kinderstem--en eensklaps rukte mijn Henry zich los van een paar mannen,
+die hem vasthielden en kwam gillende naar mij toeloopen en vatte mij
+bij mijn kleed. Zij kwamen naar hem toe, schrikkelijk vloekende, en
+een man, wiens gezicht ik nooit vergeten zal, zeide hem dat hij er
+zoo niet zou afkomen; dat hij naar de _calaboose_ moest en eene les
+zou krijgen, die hij nooit vergeten zou. Ik wilde bidden en smeeken,
+maar zij lachten mij uit. De arme jongen gilde en zag mij aan en
+hield mij vast, totdat zij, om hem mede te krijgen, de helft van mijn
+kleed afscheurden; en zoo sleepten zij hem voort, terwijl hij gilde:
+"Moeder, moeder!" Een man, die daar stond, scheen medelijden met mij te
+hebben. Ik bood hem al het geld aan dat ik had, als hij tusschen beide
+wilde komen. Maar hij schudde zijn hoofd en zeide, de man had gezegd
+dat de jongen gedurig brutaal en ongehoorzaam was geweest, zoolang
+hij hem gehad had, en dat hij hem nu eens voorgoed zou afstraffen. Ik
+keerde mij om, liep heen, en met elken stap langs den geheelen weg
+dacht ik dat ik hem hoorde gillen. Ik kwam in huis en liep buiten
+adem naar de woonkamer, waar ik Butler vond. Ik zeide het hem en bad
+hem om er heen te gaan en tusschenbeide te komen. Hij lachte maar, en
+zeide dat de jongen kreeg wat hij verdiende. Hij moest gedrild worden,
+zeide hij, hoe eer hoe beter. En toen vroeg hij "wat ik verwachtte?"
+
+"Het scheen dat er op dat oogenblik iets in mijn hoofd aan stukken
+sprong. Ik werd duizelig en woedend. Ik herinner mij dat ik een groot
+scherp mes op de tafel zag, ik herinner er mij iets van dat ik het
+greep en op hem aanvloog; en toen werd alles donker en wist ik niets
+meer--vele dagen lang.
+
+"Toen ik tot mij zelve kwam, was ik in een knappe kamer, maar niet
+in de mijne. Een oude zwarte vrouw paste mij op; een dokter kwam naar
+mij zien en er werd goed voor mij gezorgd. Na eenigen tijd hoorde ik
+dat hij weggegaan was, en mij in dat huis had gelaten om verkocht te
+worden; en daarom zorgde men zoo voor mij.
+
+"Ik dacht niet weer beter te worden en hoopte het ook niet; maar tot
+mijne spijt liep de koorts af en werd ik weder gezond. Toen dwongen zij
+mij alle dagen om mij aan te kleeden; en heeren plachten mij te komen
+zien, en hunne sigaar bij mij te staan rooken, en mij te bekijken en
+vragen te doen en over mijnen prijs te spreken. Ik was zoo somber en
+stil, dat geen van allen mij wilde hebben. Zij dreigden mij dat ik zou
+gegeeseld worden, als ik niet vroolijker was en mij aangenaam poogde te
+maken. Eindelijk kwam er eens een heer die Stuart heette. Hij scheen
+eenig gevoel voor mij te hebben. Hij zag dat ik iets schrikkelijks
+op het hart had, en kwam mij verscheidene malen alleen zien, en
+overreedde mij eindelijk om het hem te zeggen. Hij kocht mij ten
+laatste, en beloofde mij alles te doen wat hij kon om mijne kinderen
+terug te brengen. Hij ging naar het hotel, waar mijn Henry was; men
+zeide hem dat hij aan een planter aan de Paarl-rivier was verkocht;
+en dat was het laatste dat ik ooit van hem hoorde. Toen vroeg hij waar
+mijne dochter was; eene oude vrouw had haar bij zich. Hij bood eene
+ontzaglijke som voor haar, maar men wilde haar niet verkoopen. Butler
+ontdekte dat het voor mij was, dat hij haar hebben wilde, en zond
+mij eene boodschap dat ik haar nooit krijgen zou. Kapitein Stuart
+was zeer goed voor mij. Hij had een heerlijke plantage en bracht mij
+daarheen. In den loop van dat jaar kreeg ik een zoon. O, dat kind--hoe
+lief had ik het! Hoe volmaakt geleek dat wichtje naar mijnen armen
+Henry! Maar ik had mijn besluit genomen, ja,--dat had ik. Ik wilde
+nooit weder een kind laten opgroeien. Ik nam het wichtje in mijne
+armen, toen het twee weken oud was, en kuste het en schreide er over;
+en toen gaf ik het opium, en hield het vast aan mijne borst, terwijl
+het den doodsslaap insliep. Hoe treurde en jammerde ik er over! En
+wie dacht ooit anders of het was eene vergissing, dat ik het opium had
+gegeven? Maar dat is een van die weinige dingen, waarover ik nu blijde
+ben. Het spijt mij niet tot op dezen dag; hij is ten minste buiten
+leed. Wat beters dan de dood kon ik hem geven, het arme kind? Na eene
+poos kwam de cholera en kapitein Stuart stierf, en iedereen stierf
+die wenschte te blijven leven, en ik--hoewel ik op den rand van het
+graf kwam--ik bleef leven! Toen werd ik verkocht en ging van hand tot
+hand, tot ik verouderd en gerimpeld was en eene koortsziekte kreeg;
+en toen kocht mij die ellendeling en bracht mij hier--en hier ben ik!"
+
+De vrouw zweeg. Zij had met woeste drift voortgesproken, somtijds alsof
+zij tot Tom het woord richtte, somtijds alsof zij eene alleenspraak
+hield. Zoo heftig en medesleepend was de kracht, waarmede zij sprak,
+dat Tom zelfs de pijn zijner wonden vergat, en zich op zijnen elleboog
+opbeurende, naar haar bleef staren, terwijl zij rusteloos op en neder
+stapte, zoodat hare lange zwarte lokken haar nazwierden.
+
+"Gij zegt mij," zeide zij na eene korte poos van stilte, "dat er een
+God is--een God die alle dingen ziet. Misschien is het zoo. De zusters
+in het klooster plachten mij van een dag des oordeels te spreken,
+wanneer alles aan het licht zou komen. Of er dan ook wraak zou zijn?
+
+"Zij denken dat het niets is wat wij lijden--niets wat onze kinderen
+lijden! Het is alles eene beuzeling. Maar ik heb toch langs de straten
+gegaan, terwijl het mij was, alsof ik jammer genoeg in het hart had
+om de geheele stad te doen zinken. Ik heb gewenscht dat de huizen
+op mij zouden vallen, en de grond zich onder mij zou openen. Ja, en
+op den dag des oordeels, dan zal ik voor God opstaan als een getuige
+tegen hen, die mij in het verderf gestort hebben met lichaam en ziel!
+
+"Toen ik een kind was, dacht ik dat ik godsdienstig was; ik placht God
+lief te hebben en te bidden. Nu ben ik eene verloren ziel, vervolgd
+door duivelen die mij nacht en dag plagen. Zij drijven mij er gedurig
+toe aan, en op een of anderen tijd zal ik het doen!" zeide zij,
+hare vuist dichtknijpende, terwijl hare oogen flikkerden met een
+glans die aan krankzinnigheid deed denken. "Ik zal hem heenzenden
+waar hij behoort--en een korten weg ook--op een of anderen nacht,
+al zouden zij mij er levend om verbranden!"
+
+Een woest geschater klonk door het eenzame gebouw en eindigde in een
+stuipachtig snikken. Zij wierp zich op den vloer en bleef daar liggen
+in een toestand, alsof zij eene vlaag van vallende ziekte had.
+
+Doch weldra scheen die razernij te bedaren; zij stond op en scheen
+zich te bedenken.
+
+"Kan ik nog iets voor u doen, arme man?" zeide zij, de plaats naderende
+waar Tom lag. "Zal ik u nog wat water geven?"
+
+Er was toen zij dit zeide eene innemende, medelijdende zachtheid in
+hare stem en geheel haar voorkomen, die zonderling bij hare vroegere
+woestheid afstak.
+
+Tom dronk het water en zag haar ernstig en beklagelijk aan.
+
+"O, _Missis_, ik wenschte dat gij naar Hem woudt gaan, die u levend
+water kan geven."
+
+"Naar Hem gaan! Waar is Hij? Wie is Hij?" zeide Cassy.
+
+"Hij, van wien gij voor mij gelezen hebt--de Heere."
+
+"Ik heb wel een schilderij van Hem gezien boven het altaar, toen ik
+nog een meisje was," zeide Cassy, terwijl hare donkere oogen eene
+treurig peinzende uitdrukking aannamen; "maar Hij is hier niet. Hier
+is niets dan zonde en eindeloos lange wanhoop! O!"
+
+Zij legde hare hand op hare borst en haalde diep adem, alsof een
+zwaar gewicht daarop drukte.
+
+Tom zag haar aan, alsof hij nog eens wilde spreken, maar zij sloot
+hem den mond met een gebiedenden wenk.
+
+"Spreek maar niet meer, arme man. Ga slapen als gij kunt."
+
+En nadat zij het water binnen zijn bereik had geplaatst en nog eenige
+beschikkingen voor zijn gemak gemaakt had, ging Cassy heen.
+
+
+
+
+
+VIJF EN DERTIGSTE HOOFDSTUK
+
+DE GEDACHTENISSEN
+
+ "Gering kunnen somtijds de dingen zijn die het
+ hart het gewicht weder opladen, dat het voor
+ altijd zou willen afwerpen, het kan een geluid
+ zijn of eene bloem, de wind of de oceaan, die
+ de wonde vernieuwt--de electrieke keten
+ aanrakende, waarmede wij geheimzinnig
+ gebonden zijn."
+
+ Childe Harolds Pilgrimage. Canto 4
+
+
+De huiskamer in de woning van Legree was een groot, hol vertrek,
+met een wijden en hoogen schoorsteen. Eens was het met fraai
+en kostbaar papier behangen, dat nu verschoten, verscheurd en
+half vergaan aan den muur hing. De plaats had dien eigenaardigen,
+walgelijken en ongezonden reuk, door eene vereeniging van vochtigheid
+en vervuiling voortgebracht, dien men dikwijls in verwaarloosde oude
+huizen opmerkt. Het behangselpapier was hier en daar met bier- en
+wijnvlekken bespat en op andere plaatsen bedekt met lange opgetelde
+sommen, met krijt geschreven, alsof iemand zich zoo in het rekenen had
+willen oefenen. Onder den schoorsteen stond een komfoor vol brandende
+houtskolen; want hoewel het weder niet koud was, waren de avonden in
+die kille kamer altijd vochtig en huiverig, en bovendien had Legree
+iets noodig om zijne sigaar aan te steken en water voor punch te
+verhitten. De roode gloed van het kolenvuur maakte de afzichtelijke
+verwarring zichtbaar, die hier heerschte; zadels, toomen en allerlei
+wapentuig, karwatsen, overjassen en andere stukken kleeding lagen
+ordeloos hier en daar verspreid, en de honden waarvan wij vroeger
+gesproken hebben, hadden zich naar hun eigen zin en wil daartusschen
+gelegerd.
+
+Legree maakte juist een glas punch voor zich gereed, en terwijl hij
+uit een gebarsten kan water opschonk, bromde hij bij zich zelven:
+
+"Die duivelsche Sambo om zulk een haspelarij te maken tusschen mij
+en het nieuwe volk! Die kerel zal nu in geene week in staat zijn om
+te werken--en dat juist in het drukste van den tijd."
+
+"Ja, dat is juist uwe manier," zeide eene stem achter zijnen stoel.
+
+Het was Cassy, die onder zijne alleenspraak stil was aangekomen.
+
+"Zoo, gij duivelin, zijt gij daar terug?"
+
+"Ja, daar ben ik," zeide zij koel; "en ik kom ook om mijn eigen zin
+te hebben!"
+
+"Dat liegt gij, slet! Ik zal mijn woord houden. Doe wat ik wil,
+of blijf in het kwartier en eet en werk met de anderen."
+
+"Ik wil tienduizendmaal liever in het modderigste hol in het kwartier
+wezen," antwoordde de vrouw, "dan onder uwen paardepoot."
+
+"Maar gij zijt toch onder mijnen paardepoot," zeide hij, zich met een
+woesten, grijnzenden lach naar haar omkeerende; "dat is een troost. Kom
+dus maar hier op mijne knie zitten, liefje, en luister naar rede,"
+zeide hij, en vatte haar bij den arm.
+
+"Pas op, Simon Legree!" zeide de vrouw met eene flikkering in
+haar oogen, zoo vol dreigende razernij, dat zij hem schrik moest
+aanjagen. "Gij zijt bang voor mij, Simon," vervolgde zij bedaard,
+"en gij hebt reden om dat te zijn. Maar pas op, want ik heb den duivel
+in mij."
+
+Deze laatste woorden fluisterde zij sissend, vlak aan zijn oor.
+
+"Blijf van mij af! Ik geloof het waarachtig ook!" zeide Legree, haar
+wegduwende en ongerust aanziende. "Maar toch, Cassy," vervolgde hij,
+"waarom kunt gij geene goede vrienden met mij wezen zooals ge placht
+te zijn?"
+
+"Placht te zijn?" herhaalde zij bitter en bleef steken. De verstikkende
+aandoeningen, die in haar hart oprezen, deden haar zwijgen.
+
+Cassy had altijd op Legree dien invloed bezeten, dien eene vrouw van
+een hartstochtelijk en krachtig karakter steeds over den ruwsten man
+kan uitoefenen; maar sedert eenigen tijd was zij onder het afschuwelijk
+juk harer dienstbaarheid steeds wreveliger en onrustiger geworden,
+en somtijds barstte hare opgepropte gramschap in eene vlaag van
+razende krankzinnigheid uit, en deze kwaal maakte haar in zekere
+mate geducht voor Legree, die voor krankzinnigen dat bijgeloovige
+afgrijzen koesterde, dat ruwen onkundigen menschen eigen is. Toen
+Legree Emmeline in huis bracht, waren al de vonken van Cassy's
+verstorven hart weder in vlam geschoten, en had zij voor het meisje
+partij getrokken. Daarop was een heftige twist tusschen haar en Legree
+gevolgd. Legree had in woede gezworen dat zij aan het veldwerk zou
+gezet worden, als zij zich niet stilhield. Cassy had daarop met
+trotsche minachting verklaard dat zij naar het veld wilde gaan;
+en nu had zij, gelijk wij beschreven hebben, een dag daar gewerkt,
+om te toonen hoe volkomen zij die bedreiging verachtte.
+
+Legree was dien geheelen dag heimelijk ongerust geweest, want Cassy
+bezat een invloed op hem, waarvan hij zich niet kon bevrijden. Toen zij
+met hare mand naar de schaal kwam, had hij op eene inwilliging gehoopt,
+en haar op een halfverzoenenden, halfhoonenden toon aangesproken;
+en zij had met de bitterste verachting geantwoord.
+
+De gruwelijke behandeling van den armen Tom had haar nog meer
+opgewonden, en zij was Legree naar het huis gevolgd, zonder eenig
+ander bepaald voornemen dan om hem zijne barbaarschheid te verwijten.
+
+"Ik wensch alleen maar, Cassy," zeide Legree, "dat gij u ordelijk
+gedraagt."
+
+"Gij moogt wel spreken van ordelijk gedragen. Wat hebt gij gedaan? Gij,
+die geen verstand genoeg hebt om u te weerhouden van een der beste
+arbeiders te bederven, midden in den druksten tijd, alleen om uw
+duivelachtige humeur."
+
+"Ik ben zot geweest, dat is zoo, om tot zulk eene haspelarij aanleiding
+te geven," zeide Legree, "maar toen die kerel zijn wil tegen den
+mijnen zette, moest ik hem toch klein krijgen."
+
+"Ik denk niet dat gij hem zult klein krijgen."
+
+"Niet?" zeide Legree driftig opstaande. "Dat zou ik wel eens willen
+zien. Hij zou de eerste neger wezen die het ooit tegen mij uithield. Al
+zou ik al de beenderen in zijn lijf aan stuk moeten slaan, hij zal
+het opgeven!"
+
+Juist op dat oogenblik werd de deur geopend en kwam Sambo binnen. Hij
+naderde al buigende en met een papier in de hand.
+
+"Wat is dat, gij rekel?" zeide Legree.
+
+"Het is een tooverding, meester."
+
+"Wat?"
+
+"Zoo iets dat de negers van de tooverheksen krijgen. Dat maakt dat
+zij niet voelen als zij gegeeseld worden. Hij had het om zijnen hals
+gebonden met een zwart bandje."
+
+Legree was, gelijk de meeste goddelooze en wreede menschen,
+bijgeloovig. Hij nam het papier aan en opende het met ongerustheid.
+
+Er viel een zilveren dollar uit, en eene lange glanzige krul blond
+haar kronkelde zich, alsof zij een levend wezen was, om zijne vingers.
+
+"Verdoemenis!" gilde hij, eensklaps opstuivende, stampte met zijne
+voeten op den grond, en trok woedend aan het haar, alsof het hem
+brandde. "Waar is dat vandaan gekomen? Neem het mij af! Verbrand
+het!" Gillende en schreeuwende rukte hij het zich van de vingers en
+wierp het in het komfoor.
+
+"Waarom hebt gij mij dat gebracht?"
+
+Sambo stond met een wijd geopenden mond, stom van verbazing; en
+Cassy, die het vertrek had willen verlaten, bleef staan en zag hem
+met bevreemding aan.
+
+"Breng mij nooit meer van die duivelsche dingen," zeide Legree,
+Sambo, die haastig naar de deur week, met zijne vuist dreigende; en
+vervolgens raapte hij den dollar op en wierp hem door eene vensterruit
+naar buiten in de duisternis.
+
+Sambo was blijde dat hij zoo weg kwam. Toen hij de deur uit was scheen
+Legree zich eenigszins over zijne ontsteltenis te schamen. Hij zette
+zich stuursch weder neer en begon met een barsch gezicht zijne punch
+te slurpen.
+
+Cassy maakte zich gereed om onopgemerkt heen te gaan, en sloop weldra
+de deur uit, om den armen Tom te gaan bezoeken, gelijk wij reeds
+verhaald hebben.
+
+En wat scheelde Legree? Wat was er in die eenvoudige haarlok, om dien
+barbaar, gemeenzaam met alles wat wreedheid kon heeten, zoodanig te
+doen ontstellen? Om deze vraag te beantwoorden, moeten wij den lezer
+iets van zijne vroegere geschiedenis verhalen. Hoe hard en verstokt
+de goddelooze man thans wezen mocht--er was toch een tijd geweest,
+toen hij aan de borst eener moeder werd gesust--met gebeden en vrome
+gezangen in zijne wieg werd gelegd--toen zijn thans met het teeken der
+zonde gebrandmerkt voorhoofd met het water van den heiligen doop werd
+besproeid. In zijne vroegste kindsheid had eene vrouw met blonde haren
+hem bij het gelui der sabbatklokken medegenomen, om God te loven en
+te bidden. Ver in Nieuw-Engeland heeft die moeder haar eenigen zoon
+opgevoed, met onvermoeide liefde en aanhoudende gebeden. Het kind van
+een hardvochtigen vader, aan wien die zachtzinnige vrouw een schat
+van onopgemerkte liefde had verkwist, had Legree de voetstappen van
+dien vader gevolgd. Woest, onhandelbaar en eigenzinnig, had hij al
+haar raad veracht en zich aan hare berispingen onttrokken; reeds vroeg
+had hij zich van haar losgerukt, om op zee fortuin te gaan zoeken. Na
+dien tijd was hij slechts een enkele maal tehuis gekomen, en toen had
+zijne moeder met het smachtende verlangen van een hart, dat iets moest
+liefhebben en niets anders had om lief te hebben, zich aan hem gehecht,
+en met vurige gebeden en smeekingen gepoogd hem van een leven van
+zonde af te trekken en om het eeuwige heil zijner ziel te doen denken.
+
+Dat was voor Legree de dag der genade geweest. Toen hadden goede
+engelen hem geroepen. Toen had hij zich bijna laten overreden. Zijn
+hart werd innerlijk vermurwd--er ontstond een strijd in zijn
+binnenste--maar de zonde behaalde de overwinning, en met al de kracht
+van zijn ruw karakter smoorde hij de overtuiging van zijn geweten. Hij
+dronk en vloekte weder, werd woester en losbandiger dan ooit, en op
+een avond toen zijne moeder in den doodelijken angst harer wanhoop
+voor zijne voeten knielde, stiet hij haar van zich af, liet haar
+bewusteloos op den grond liggen, en vlood met woeste vloeken naar
+zijn schip. Toen Legree weder iets van zijne moeder vernam, was het
+op een avond terwijl hij met zijne woeste makkers zat te drinken. Een
+brief werd hem overgegeven. Hij opende dien en eene lok lang krullend
+haar viel er uit en kronkelde zich om zijne vingers. De brief zeide
+hem dat zijne moeder dood was, en dat zij hem stervende had vergeven
+en gezegend.
+
+In het kwaad schuilt het geduchte vermogen eener gruwelijke
+tooverkunst, die de liefelijkste en heiligste dingen in
+schrikaanjagende spooksels doet veranderen. Die bleeke, liefderijke
+moeder--hare stervende gebeden en vergevende liefde--waren voor dat
+zondige hart slechts een vonnis van verdoemenis, dat eene vreeselijke
+verwachting van het oordeel medebracht. Legree verbrandde zoowel
+den brief als het haar, en toen hij beide in de vlam zag sissen en
+knetteren, deed de gedachte aan het eeuwige vuur hem sidderen. Hij
+beproefde die herinnering met drinken en woeste buitensporigheden
+te verdrijven; maar dikwijls in den nacht, welks plechtige stilte de
+schuldige ziel tot een gedwongen omgang met zichzelven veroordeelt,
+had hij die bleeke moeder voor zijn bed zien oprijzen, en het zachte
+klemmen van dat haar om zijne vingers gevoeld, tot het koude zweet
+hem van het gezicht droop en hij van angst uit zijn bed sprong. Gij,
+die u verwonderd hebt in hetzelfde Evangelie te hooren, dat God liefde
+is en dat God een verterend vuur is; ziet gij niet hoe, voor de aan
+het kwaad overgegeven ziel, de volmaakste liefde de verschrikkelijkste
+pijniging is, het vonnis en zegel der akeligste wanhoop?
+
+"Voor den duivel!" zeide Legree bij zich zelven, terwijl hij zijn
+punch slurpte. "Waar heeft hij dat gekregen? Als het niet volmaakt
+geleek naar--ba! Ik dacht het vergeten te hebben. Het is verdoemd,
+alsof men nooit iets vergeten kan. Ik ben hier te eenzaam. Ik zal Em
+roepen. Zij haat mij--die meerkat. Maar dat kan mij niet schelen--ik
+zal haar toch laten komen."
+
+Legree ging naar een ruim voorhuis, waarin de trap uitkwam, die eens
+een prachtige wenteltrap was geweest; maar thans was alles vervallen
+van vuil en overal stonden oude kisten en andere afzichtelijke dingen
+in den weg. De trap scheen in de duisternis op te stijgen--men kon niet
+weten waarheen. Het bleeke maanlicht scheen door de gebroken ruiten
+boven de deur; de lucht was hier kil en ongezond, als in een gewelf.
+
+Legree bleef onder aan de trap staan en hoorde eene stem zingen. Dat
+gezang kwam hem in het akelige huis vreemd en spookachtig voor,
+misschien omdat zijn zenuwgestel reeds geschokt was. Luister, wat
+is het?
+
+Een roerende stem zingt een lied, gewoon onder de slaven:
+
+
+ "Jammer, jammer zal er wezen
+ Voor den rechterstoel van Christus,
+ Jammer, jammer voor d'eeuwigheid."
+
+
+"Die verwenschte meid!" zeide Legree; "ik zou haar wel willen
+worgen. Em! Em!" riep hij met zijne grove stem; maar alleen de
+spotachtige weergalm der muren gaf hem antwoord.
+
+De aandoenlijke stem zong voort:
+
+
+ "Ouders en kinderen zullen daar scheiden!
+ Ouders en kinderen zullen daar scheiden.
+ Scheiden, scheiden voor d'eeuwigheid."
+
+
+En luid en helder klonk door het ledige huis het refrein:
+
+
+ "Jammer, jammer zal er wezen
+ Voor den rechterstoel van Christus,
+ Jammer, jammer voor d'eeuwigheid."
+
+
+Legree bleef staan. Hij zou zich geschaamd hebben om het iemand te
+zeggen; maar groote droppels zweet parelden op zijn voorhoofd en
+zijn hart klopte hoorbaar van angst. Hij dacht zelfs dat hij in eene
+kamer voor zich iets schemerend wits zag oprijzen, en sidderde bij
+de gedachte wat het zijn zou, als de gedaante zijner doode moeder
+eensklaps voor hem verscheen.
+
+"Dat weet ik wel," zeide hij bij zich zelven, terwijl hij strompelend
+weder naar de huiskamer ging, "ik zal dien kerel voortaan met
+vrede laten. Wat had ik met zijn vervloekt papier noodig? Ik geloof
+waarachtig dat ik betooverd ben. Ik huiver en zweet tegelijk sedert
+dien tijd. Waar heeft hij dat haar vandaan gekregen? Het kan _dat_
+toch niet geweest zijn. _Dat_ heb ik verbrand, dat weet ik. 't Zou
+wel grappig zijn, als haar uit den dood kon opstaan."
+
+Ja, Legree, die goudblonde lok was betooverd; ieder haartje daarin
+had de kracht om u schrik en wroeging aan te jagen en werd door een
+hoogere macht gebruikt om u de wreede handen te binden en te beletten
+den hulpelooze het uiterste van uwe boosheid te doen gevoelen.
+
+"Hoort dan!" zeide Legree, met zijne voeten stampende en zijne
+honden fluitende; "wordt wakker en houdt mij gezelschap!" Maar de
+honden openden slechts even hunne slaperige oogen en lieten ze weder
+dichtvallen.
+
+"Ik zal Sambo en Quimbo hier laten komen om te zingen en hunne
+helsche dansen te dansen, en die akelige gedachten weg te jagen,"
+zeide Legree, zette zijn hoed op, ging naar de veranda en blies op
+een hoorn, waarmede hij gewoon was zijne zwarte opzichters te roepen.
+
+Als hij in een goed humeur was, liet Legree deze twee heeren dikwijls
+in de huiskamer komen, en vermaakte zich, nadat hij hen met sterken
+drank had opgewonden, met hen te laten zingen, dansen of vechten,
+naarmate hij lust had.
+
+Het was tusschen één en twee uren in den nacht, toen Cassy van haar
+liefderijk bezoek bij Tom terugkwam, en uit de huiskamer klonk haar
+een woest gezang, gegil en gejoel tegemoet, vermengd met het blaffen
+van honden en andere teekenen eener groote opschudding.
+
+Zij ging naar het venster onder de veranda, en keek naar binnen. Legree
+en de twee drijvers, alle drie smoordronken, waren aan het zingen,
+schreeuwen en dansen, smeten de stoelen omver en maakten allerlei
+belachelijke en afschuwelijke grimassen tegen elkander.
+
+Zij liet hare hand op de vensterbank rusten en beschouwde dit
+tooneel met strakke blikken. Er sprak eene geheele wereld van
+bittere zielesmart en verachting uit hare zwarte oogen, terwijl zij
+zoo staarde.
+
+"Zou het zonde zijn, de wereld van zulk een ellendeling te
+bevrijden?" zeide zij bij zich zelve.
+
+Zij keerde zich haastig om, ging eene achterdeur in, sloop naar boven
+en klopte aan Emmeline's kamer.
+
+
+
+
+
+ZES EN DERTIGSTE HOOFDSTUK
+
+EMMELINE EN CASSY
+
+
+Cassy trad de kamer binnen en vond Emmeline, bleek van angst, in den
+versten hoek zitten. Toen zij binnenkwam sprong het meisje met schrik
+op; maar zoodra zij zag wie het was, snelde zij toe, en haar bij den
+arm vattende, zeide zij:
+
+"O, Cassy, zijt gij het? Ik ben zoo blij dat gij komt. Ik was bang
+dat .... O, gij weet niet welk een schrikkelijk leven er den geheelen
+avond beneden is geweest."
+
+"Dat zal ik toch wel kunnen weten," zeide Cassy droogjes. "Ik heb
+het dikwijls genoeg gehoord."
+
+"O, Cassy, zeg mij toch! Zouden wij hier niet vandaan kunnen komen? Het
+kan mij niet schelen waarheen--in het moeras bij de slangen, ergens
+maar. _Kunnen_ wij niet _ergens_ hier vandaan komen?"
+
+"Nergens dan in het graf," antwoordde Cassy.
+
+"Hebt gij het ooit beproefd?"
+
+"Ik heb het genoeg zien beproeven, en genoeg gezien wat daarvan komt,"
+zeide Cassy.
+
+"Ik zou wel in het moeras willen leven en bast van de boomen knagen. Ik
+ben niet bang voor slangen. Ik zou liever eene slang bij mij willen
+hebben dan hem," zeide Emmeline met drift.
+
+"Er zijn al velen hier van uw gevoelen geweest," antwoordde
+Cassy. "Maar gij zoudt niet in het moeras kunnen blijven. Gij
+zoudt door de honden opgespoord en teruggebracht kunnen worden--en
+dan--dan...."
+
+"Wat zou hij dan doen?" zeide het meisje, haar strak aanziende.
+
+"Gij moest liever vragen wat hij dan _niet_ zoude doen," antwoordde
+Cassy. "Hij is lang genoeg bij de zeeroovers in de West-Indiën in de
+leer geweest. Gij zoudt niet veel meer slapen, als ik u de dingen
+vertelde, die ik gezien heb--dingen, die hij somtijds als grappen
+vertelt. Ik heb gillen gehoord, die ik weken lang niet uit mijne
+ooren kon krijgen. Er is eene plek, daar bij het kwartier, waar gij
+een zwart geblakerden boom kunt zien, en de grond nog geheel met
+asch bedekt; vraag maar wat daar gedaan is en zie of iemand het u
+zal willen zeggen."
+
+"O, wat meent ge toch?"
+
+"Ik wil het u niet zeggen. Ik heb een hekel om er aan te denken. En
+ik zeg u, de Heere alleen weet wat wij morgen zullen zien, als die
+arme man volhoudt zooals hij begonnen is."
+
+"IJselijk!" zeide Emmeline, terwijl alle spoor van kleur hare wangen
+ontvlood. "O, Cassy, zeg mij toch wat ik doen zal."
+
+"Wat ik gedaan heb. Doe het beste wat gij kunt, doe wat gij moet en
+haal dan uw hart op met haten en vloeken."
+
+"Hij wilde mij brandewijn doen drinken," zeide Emmeline, "en ik heb
+daar zulk een afkeer van..."
+
+"Drink maar liever," zeide Cassy. "Ik had er ook een afkeer van; en
+nu kan ik er niet buiten. Iemand moet iets hebben; men vindt alles
+zoo akelig niet meer, als men dat neemt."
+
+"Moeder zeide mij altijd dat ik nooit zoo iets mocht proeven,"
+zeide Emmeline.
+
+"Moeder zeide u!" herhaalde Cassy, met bitteren nadruk op het woord
+moeder. "Waartoe dient het, dat moeders iets zeggen? Gij moet toch
+allen gekocht en betaald worden, en uwe ziel behoort aan wie u
+krijgt. Zoo gaat het. Ik zeg: drink brandewijn, en drink zooveel gij
+kunt; dat maakt de dingen lichter."
+
+"O, Cassy, heb toch medelijden met mij!"
+
+"Medelijden met u? Heb ik dat niet? Heb ik geene dochter? De hemel
+weet waar zij nu is, en van wien zij is. Zij zal den weg opgaan,
+denk ik, dien hare moeder voor haar gegaan is, en dien hare kinderen
+na haar op moeten. Er is geen einde aan den vloek, in eeuwigheid niet!"
+
+"Ik wenschte dat ik nooit geboren was," zeide Emmeline, hare handen
+wringende.
+
+"Dat is al een oude wensch bij mij," zeide Cassy. "Ik ben er aan gewoon
+om dat te wenschen. Ik zou sterven, als ik maar durfde," voegde zij
+er bij, in de duisternis uitziende met die stille, strakke wanhoop,
+welke de gewone uitdrukking van haar gelaat was, wanneer hare trekken
+door geene hartstochten in beweging werden gebracht.
+
+"Het zou goddeloos zijn zich zelve om het leven te brengen," zeide
+Emmeline.
+
+"Ik weet niet waarom. Niet goddeloozer dan de dingen, die wij dag
+aan dag doen, terwijl wij leven. Maar de zusters hebben mij dingen
+verteld, terwijl ik in het klooster was, die mij bang maken om te
+sterven. Als het dan maar ten einde met ons was, dan...."
+
+Emmeline keerde zich om en verborg haar gezicht in hare handen.
+
+Terwijl dit gesprek boven plaats had, was Legree beneden door den
+drank geheel bedwelmd, in slaap gevallen. Legree was niet gewoon zich
+dronken te drinken. Zijn grof en sterk gestel kon wel eene gedurige
+prikkeling verdragen, waaronder een zwakker spoedig zou zijn bezweken,
+en zijn trek daartoe was groot genoeg; maar voorzichtigheid weerhield
+hem meestal van zich in zulke mate aan dien trek over te geven,
+dat hij zijne bezinning geheel verloor.
+
+Dezen avond echter had hij, zich koortsachtig inspannende om de
+beginselen van angst en wroeging, die bij hem waren ontwaakt, te
+verdooven, meer dan gewoonlijk gedronken; zoodat hij, toen hij zijne
+zwarte makkers had laten gaan, log op eene rustbank neerviel en weldra
+in slaap viel.
+
+O, hoe durft de schuldige ziel de schimmenwereld van den slaap
+binnentreden?--dat land, welks schemerende grenzen zoo vreeselijk
+dicht bij het geheimzinnige tooneel der vergelding liggen! Legree
+droomde. In zijnen zwaren, koortsigen slaap stond er eene gesluierde
+gedaante naast hem, en lag een koude en zachte hand op hem. Hij dacht
+dat hij wel wist wie dat was; en eene huivering van ontzetting kroop
+door zijn gebeente, hoewel het gelaat gesluierd bleef. Toen dacht hij
+dat hij _dat haar_ om zijne vingers voelde kronkelen; en toen, dat
+dat om zijnen hals werd geslingerd, en al dichter en dichter klemde,
+tot hij geen adem meer kon halen--en toen dacht hij dat stemmen hem
+toefluisterden--een gefluister dat hem van angst deed verstijven. Toen
+verbeeldde hij zich, dat hij op den kant van een donkeren afgrond
+stond, zich vasthoudende en in doodsangst worstelende, terwijl donkere
+handen zich uitstrekten en hem over den rand trokken en Cassy kwam
+lachende achter hem en duwde hem voort. En toen rees die plechtige
+gesluierde gedaante weder op en schoof den sluier weg. Het was zijne
+moeder, en zij keerde zich van hem af, en hij viel al dieper en dieper,
+onder een verward gerucht van gillen en weeklachten en uitbarstingen
+van een duivelachtig gelach--en Legree ontwaakte.
+
+De roode schemering van den dageraad vervulde het vertrek. De
+morgenster zag uit de heldere lucht, met haar plechtig, heilig oog
+van licht, op den man der zonde neder. O, welk een frischheid, welk
+eene statigheid en schoonheid heeft elke nieuwgeboren dag, alsof hij
+de gevoellooze en verstandlooze menschen toeriep: "Ziet, gij hebt
+nog weder een kans! Streeft naar de eeuwige heerlijkheid!" Er is geen
+spraak of taal, waarin die stem niet gehoord wordt; maar de verharde
+booswicht hoorde haar niet. Hij ontwaakte met een vloek en eene
+verwensching. Wat was voor hem het goud en purper, het dagelijksche
+wonderwerk van den morgen! Wat was voor hem de plechtige schoonheid
+van die ster, welke de Zoon Gods als zijn eigen zinnebeeld heeft
+geheiligd! Gelijk een redeloos dier zag hij haar, zonder haar op te
+merken; en strompelend opstaande, schonk hij zich een glas brandewijn
+in en dronk het half ledig.
+
+"Ik heb een helschen nacht gehad," zeide hij tegen Cassy, die juist
+de deur inkwam.
+
+"Gij zult er nog wel in overvloed krijgen van dezelfde soort,"
+antwoordde zij droogjes.
+
+"Wat meent ge daarmee, karonje?"
+
+"Dat zult ge wel eens ondervinden," antwoordde Cassy even droog. "En
+nu, Simon heb ik u een raad te geven."
+
+"Wat duivel zal die zijn?"
+
+"Mijn raad is," zeide Cassy, terwijl zij bedaard begon het een en
+ander in de kamer in orde te zetten, "dat gij Tom met vrede laat."
+
+"Wat gaat u dat aan?"
+
+"Wat het mij aangaat? Ja, dat weet ik zeker niet. Als gij twaalfhonderd
+dollars voor een man wilt geven en hem onbruikbaar maken in het
+drukste van den tijd, alleen om uwe kwaadaardigheid te voldoen, is
+het zeker iets dat mij niet raakt. Ik heb voor hem gedaan wat ik kon."
+
+"Zoo hebt gij dat? Wat hebt gij u met mijne zaken te bemoeien?"
+
+"O geheel niet, dat is zeker. Ik heb u nu en dan eenige duizenden
+dollars bespaard, door op uwe arbeiders te passen--en dat is al de
+dank dien ik krijg. Als uw oogst lichter aan de markt komt dan een van
+anderen, zult gij uwe weddenschap niet verliezen, denk ik? Tompkins
+zal u niet uitlachen, denk ik, en gij zult maar zoetsappig uw geld
+betalen, niet waar? Mij dunkt ik zie het u al doen."
+
+Legree had, gelijk vele andere planters, slechts eene eerzucht, om
+namelijk den zwaarsten oogst van het seizoen te hebben; en hij had
+juist op dit seizoen verscheidene weddenschappen gedaan, die in de
+naaste stad beslist moesten worden. Cassy had dus, met vrouwelijken
+tact, de eenige snaar geraakt die nog trillen kon.
+
+"Welnu, ik zal het laten bij wat hij gekregen heeft," zeide Legree;
+"maar hij moet mij vergiffenis vragen en betere manieren beloven."
+
+"Dat zal hij niet willen doen," zeide Cassy.
+
+"Niet willen?"
+
+"Neen."
+
+"Ik zou wel eens willen weten waarom, Juffertje," zeide Legree met
+diepe minachting.
+
+"Omdat hij wèl gedaan heeft en dat weet, en dus niet zal zeggen dat
+hij kwaad gedaan heeft."
+
+"Wie duivel geeft er iets om wat hij weet? De neger zal zeggen wat
+ik verkies, of...."
+
+"Of gij zult uwe weddenschap op den katoenoogst verliezen door hem
+juist in het dringendste van zijn werk uit het veld te houden."
+
+"Maar hij zal het opgeven; hij moet wel. Weet ik niet wat negers
+zijn? Hij zal van morgen kruipen als een hond."
+
+"Dat zal hij niet, Simon. Gij kent deze soort nog niet. Gij kunt
+hem doodmartelen; maar gij zult niet het eerste woord van eene
+schuldbekentenis uit hem krijgen."
+
+"Dat zullen wij zien. Waar is hij?" zeide Legree naar buiten gaande.
+
+"In het berghol van het machinehuis," hernam Cassy.
+
+Hoewel Legree zoo stout sprak, voelde hij toch, terwijl hij naar
+de aangeduide plaats ging, zekeren schroom, die iets ongewoons bij
+hem was. Zijne akelige droomen van den vorigen nacht, met Cassy's
+voorzichtigen raad vereenigd, hadden een niet onbeduidenden indruk
+op hem gemaakt. Hij wilde dat niemand getuige zou zijn van zijne
+eerste ontmoeting met Tom, en nam zich voor, indien hij dezen niet
+door dreigementen tot onderwerping kon brengen, zijne wraak tot een
+meer gelegen tijd uit te stellen.
+
+Het plechtige licht van den dageraad en de engelenglans der morgenster
+hadden ook door het venster geschenen van de ruwe schuur, waar Tom nog
+lag, en als op de stralen der ster nederdalende, waren hem de woorden
+toegezonden: "Ik ben de wortel van het geslacht Davids, de blinkende
+morgenster." De geheimzinnige waarschuwingen en welmeenende bedreiging
+van Cassy, wel verre van zijne ziel te ontmoedigen, hadden haar als
+met eene hemelsche roepstem opgewekt. Hij wist niet beter of het was
+de dag van zijnen dood, die daar aan den hemel begon te gloren, en
+zijn hart klopte van ernstige vreugde en verlangen, toen hij dacht dat
+al het wonderbare, waarover hij zoo dikwijls had gepeinsd--de groote
+witte troon met zijnen altijd schitterenden regenboog, de menigte met
+witte kleederen, en stemmen als vele wateren, de kronen, de palmen,
+de harpen--alles misschien voor zijne oogen geopenbaard zou worden,
+eer die zon weder onderging; en daarom hoorde hij zonder vreezen of
+beven de stem van zijnen vervolger, toen deze naderde.
+
+"Wel, mijn jongen," zeide Legree met een verachtelijken schop,
+"hoe gaat het nu? Heb ik niet gezegd dat ik je een paar dingen zou
+leeren? Hoe bevalt je dat? Hoe is dat pak je bekomen, Tom? Niet geheel
+zoo spraakzaam meer als gisteravond? Ge zoudt nu een armen zondaar
+niet meer op een stukje preek kunnen onthalen, zoudt ge wel?"
+
+Tom antwoordde niets.
+
+"Sta op, gij beest!" zeide Legree, hem weder een schop gevende.
+
+Dit was moeielijk voor iemand, die zoo gekneusd en flauw was,
+en terwijl Tom pogingen deed om te gehoorzamen, hief Legree een
+barbaarsch geschater aan.
+
+"Wat maakt je zoo vlug van morgen, Tom? Misschien kou gevat verleden
+avond?"
+
+Tom was nu overeind gekomen en stond rechtop en zonder het hoofd te
+buigen voor zijnen meester.
+
+"Verduiveld, gij kunt het toch!" zeide Legree. "Ik geloof dat gij
+nog niet genoeg gehad hebt. Komaan nu, Tom, op uwe knieën en vraag
+mij vergiffenis voor uw brutaliteit van gisteravond."
+
+Tom bewoog zich niet.
+
+"Kniel, hond!" zeide Legree, hem een slag met zijne karwats gevende.
+
+"Meester Legree," zeide Tom, "dat kan ik niet doen. Ik heb maar gedaan
+wat ik voor recht hield. Ik zal juist hetzelfde doen, als dat ooit
+weer wezen moet. Ik wil geen wreedheid doen, wat er ook gebeuren mag."
+
+"Ja, maar gij weet niet wat er gebeuren kan, meester Tom. Gij denkt dat
+gij al iets gehad hebt. Ik zeg u, het is nog niets--nog niemendal. Hoe
+zou het u bevallen aan een boom te worden gebonden, met een langzaam
+vuurtje om u heen? Zou dat niet pleizierig wezen, zeg Tom?"
+
+"Meester," antwoordde Tom, "Ik weet dat gij schrikkelijke dingen doen
+kunt; maar," en hierbij richtte hij zich nog meer op en vouwde zijne
+handen, "maar nadat gij het lichaam gedood hebt, kunt gij niets meer
+doen; o, er komt eene geheele _eeuwigheid_ naderhand!"
+
+_Eeuwigheid_--dat woord deed de ziel van den zwarten man beven van
+blijdschap, terwijl hij het uitsprak--het deed ook de ziel des zondaars
+beven, alsof hem een schorpioen had gestoken. Legree knarste op zijne
+tanden, maar zijne woede hield hem stom; en Tom sprak als een vrij man,
+met een heldere en vroolijke stem:
+
+"Meester Legree, daar gij mij gekocht heb, zal ik een trouw en
+gehoorzaam dienaar voor u zijn. Ik zal u al het werk mijner handen,
+al mijn tijd en al mijne kracht geven; maar mijne ziel wil ik aan geen
+sterfelijk mensch overgeven. Ik wil mij aan de Heere vasthouden en
+zijne geboden boven alles stellen, hetzij ik leve of sterve, daarvan
+kunt gij zeker zijn. Meester Legree, ik ben geen zier bevreesd om te
+sterven. Ik zou zelfs liever sterven. Gij moogt mij geeselen, mij
+uithongeren, mij verbranden--dat zal mij maar te spoediger brengen
+waar ik verlang te zijn."
+
+"Ik zal u toch wel doen buigen, eer ik met u gedaan heb," zeide
+Legree woedend.
+
+"Dat zult gij nooit doen. Ik zal hulp krijgen," antwoordde Tom.
+
+"Wie duivel zal u dan helpen?" zeide Legree met smalende minachting.
+
+"De Heere, de Almachtige!" antwoordde Tom.
+
+"Daar dan, verdoemde kerel!" schreeuwde Legree, met een vuistslag,
+die Tom op den grond deed storten.
+
+Een koude zachte hand werd op dit oogenblik op die
+
+van Legree gelegd. Hij zag om--het was Cassy; maar die koude,
+zachte aanraking herinnerde hem zijn droom van den vorigen nacht,
+en deed tevens de tafereelen van vroegere, akelige nachtwaken voor
+hem oprijzen, met een gedeelte van den angst dien hij toen had gevoeld.
+
+"Wilt gij dan een zot wezen?" zeide Cassy in het Fransch. "Laat hem met
+rust. Laat mij begaan om hem weer tot werken in staat te krijgen. Is
+het niet juist zooals ik u gezegd heb?"
+
+Men zegt dat de aligator en de rhinoceros, hoewel in een kogelvormig
+harnas gekleed, zelfs ieder een plek hebben, waar zij kwetsbaar zijn;
+en woeste, roekelooze ongeloovigen en booswichten hebben doorgaans
+dit kwetsbare punt in eene bijgeloovige vrees.
+
+Legree keerde zich om, en besloot de zaak vooreerst te laten rusten.
+
+"Welnu, doe uw zin," zeide hij norsch tot Cassy.
+
+"Hoor eens," vervolgde hij tot Tom, "ik zal het er nu bij laten,
+omdat het werk dringt en ik al mijne handen noodig heb; maar ik
+vergeet het nooit. Ik zal het u op rekening stellen, en mij op een
+of anderen tijd betaling verschaffen uit uwe zwarte huid; onthoud dat."
+
+Daarmede ging Legree heen.
+
+"Ga maar," zeide Cassy, hem dreigend aanziende. "Uwe rekening zal
+ook wel komen. Hoe gaat het u, arme man?"
+
+"De Heere heeft zijn engel gezonden en voor ditmaal den muil van den
+leeuw gesloten," antwoordde Tom.
+
+"Voor ditmaal zeker wel," zeide Cassy; "maar nu hebt gij zijn haat
+op u, die u dag aan dag volgen zal, u als een hond aan de keel zal
+hangen en uw bloed drop voor drop afzuigen. Ik ken den man!"
+
+
+
+
+
+ZEVEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK
+
+VRIJHEID
+
+ "Onverschillig met welke plechtigheden hij op het
+ altaar der slavernij mag gewijd zijn, op het
+ oogenblik dat hij den heiligen Britschen grond
+ aanraakt, zinken het altaar en de god te zamen
+ in het stof, en hij staat daar verlost, herboren,
+ ontslaafd, door den onweerstaanbaren geest der
+ algemeene emancipatie."
+
+ Curran.
+
+
+Wij moeten Tom voor een tijd in de handen van zijnen barbaarschen
+meester laten, terwijl wij de lotgevallen van George en zijne vrouw
+nagaan, die wij in eene hoeve aan den weg in handen van vrienden
+hebben gelaten.
+
+Tom Loker lieten wij kermende en woelende in een voorbeeldig zindelijk
+kwaker-bed, onder de moederlijke zorgen van Tante Dorcas, die in hem
+zulk een handelbaar patiënt vond als een zieke bison zou wezen.
+
+Verbeeld u eene rijzige, deftige vrouw, met een schrander uitzicht,
+wier helderwitte neteldoeksche muts de lokken van zilvergrijs haar
+beschaduwt, die glad langs een breed, effen voorhoofd zijn gestreken,
+dat zich boven een paar peinzende oogen welft; een sneeuwwitte halsdoek
+is met keurige netheid over hare borst geplooid; hare glanzige bruine
+zijden japon ritselt vreedzaam, terwijl zij in de kamer op en neer
+trippelt.
+
+"De duivel!" zegt Tom Loker, en werpt met een grooten smak het dek
+van zich af.
+
+"Ik moet u verzoeken, Thomas, om niet zulke taal te gebruiken," zegt
+Tante Dorcas, terwijl zij bedaard het dek weder terecht gaat leggen.
+
+"Welnu, ik zal niet, grootje, als ik het laten kan," zegt Tom, "maar
+het is wel genoeg om iemand te doen vloeken, zoo verwenscht heet!"
+
+Dorcas nam eene deken van het bed, legde het overige dek weder glad
+en stopte het in, tot Tom eenigszins naar een bakerkindje geleek. Dit
+gedaan hebbende, zeide zij:
+
+"Ik wenschte, vriend, dat gij dat vloeken en zweren woudt nalaten en
+over uw levensgedrag eens denken."
+
+"Voor wat duivel, zou ik daaraan denken," antwoordde Tom; "dat is wel
+het laatste, waar ik ooit lust heb om aan te denken--ik geef er den
+brui van!" En daarmede wentelde Tom zich om en bracht het dek weder
+in eene wanorde, die schrikkelijk was om aan te zien.
+
+"Die kerel en die meid zullen wel hier wezen, denk ik?" zeide hij,
+na eene poos van stilte, op norschen toon.
+
+"Dat zijn zij," zeide Dorcas.
+
+"Zij mogen wel maken dat zij op het meer komen," zeide Tom. "Hoe
+gauwer hoe beter."
+
+"Waarschijnlijk zullen zij dat doen," antwoordde Tante Dorcas,
+vreedzaam breiende.
+
+"En hoor eens," zeide Tom, "wij hebben correspondenten te Sandusky,
+die voor ons op de booten passen. Het kan mij nu niet schelen of ik
+het zeg. Ik hoop dat zij zullen wegkomen, alleen tot spijt van Marks,
+dien vervloekten lafbek, die verdoemd mag zijn."
+
+"Thomas, Thomas!" zeide Dorcas.
+
+"Ik zeg u, grootje, als ge iemand al te vast dichtkurkt, moet hij
+barsten," zeide Tom. "Maar nu over die meid--zeg hun dat zij haar op
+eene of andere wijs moeten verkleeden, zoodat zij niet meer te kennen
+is. Haar signalement is naar Sandusky gezonden."
+
+"Wij zullen op die zaak letten," zeide Dorcas met eigenaardige
+bedaardheid.
+
+Daar wij hier van Tom Loker afscheid nemen, mogen wij nog wel vermelden
+dat hij, na drie weken in het kwakerhuis te hebben ziek gelegen aan
+eene rheumatische koorts, die hij zich met zijne andere onheilen op
+den hals had gehaald, als een eenigszins stiller en wijzer mensch van
+zijn bed opstond; en in plaats van weder aan het slaven-jagen te gaan,
+zich naar de nieuwe volksplantingen begaf, waar hij zijne talenten
+op eene betere wijs gebruikte tot het vangen van beren, wolven en
+andere boschbewoners, waardoor hij zich zelfs een grooten naam in
+het land maakte. Tom sprak altijd met veel achting van de kwakers.
+
+"Aardige lui," placht hij te zeggen. "Zij wilden mij bekeeren, maar
+dat konden zij toch niet recht gedaan krijgen. Maar ik zal u wat
+zeggen, vreemdeling, om eene zieke op te lappen zijn ze knap. Zij
+maken bouillon en liflafjes van de allerbeste soort."
+
+Daar Tom gewaarschuwd had dat er te Sandusky op de vluchtelingen zou
+gepast worden, achtte men het best hen te verdeelen. Jim en zijne
+oude moeder werden afzonderlijk voortgeholpen; en een paar, nachten
+later werden George en Eliza met hun kind naar Sandusky gereden en
+onder een gastvrij dak geherbergd, waar zij zich gereed zouden maken
+om hun laatsten tocht over het meer te doen.
+
+Hun nacht was nu ver verloopen, en de morgenster der vrijheid rees
+voor hen op. Vrijheid! Electriseerend woord! Wat is zij? Is zij iets
+meer dan een naam, eene oratorische spreekwijs? Waarom, gij mannen en
+vrouwen van Amerika, klopt het hart u hooger bij dat woord, waarvoor
+uwe vaderen hun bloed hebben gestort, en uwe moeders, nog heldhaftiger,
+gewillig waren, dat hunne besten en edelsten zouden sterven?
+
+Is er iets in dat woord heerlijk en dierbaar voor een volk, dat ook
+niet heerlijk en dierbaar voor een mensch zou zijn? Wat is de vrijheid
+van een volk anders, dan de vrijheid der personen die het uitmaken? Wat
+is de vrijheid voor den jonkman, die daar met zijne armen over zijne
+breede borst gekruist zit, met die tint van Afrikaansch bloed op zijne
+wangen, en dat donkere vuur in zijne oogen--wat is de vrijheid voor
+George Harris? Voor uwe vaderen was de vrijheid het recht van een
+volk om een volk te zijn. Voor hem is zij het recht van een man om
+een mensch en geen beest te zijn; het recht om de vrouw van zijn hart
+zijne vrouw te noemen en haar tegen losbandig geweld te beschermen;
+het recht om zijn kind te beschermen en op te voeden, het recht om
+een eigen huis, een eigen godsdienst, eene eigene ziel te hebben,
+niet onderworpen aan den wil van een ander. Al deze gedachten woelden
+in George's borst, terwijl hij peinzend zijn hoofd op zijne hand liet
+rusten, en naar zijne vrouw zag, terwijl zij bezig was hare ranke
+gestalte in de mannenkleederen te vermommen, waarin men had gemeend
+dat zij het veiligste zou kunnen vluchten.
+
+"Nu moeten zij er aan," zeide zij, terwijl zij zich voor den spiegel
+plaatste en haren overvloed van zwarte, glanzige krullen losschudde.
+
+"Zeg eens, het is haast jammer, George, niet waar?" vervolgde zij,
+schertsend een gedeelte van die lokken ophoudende. "Is het niet jammer
+dat alles er af moet?"
+
+George glimlachte treurig en gaf geen antwoord.
+
+Eliza keerde zich naar den spiegel en flikkerend knipte de schaar,
+terwijl de eene lange lok na de andere van haar hoofd viel.
+
+"Daar, nu zal het goed zijn," zeide zij, "een haarborstel
+opnemende. "Nu nog maar eens wat opstrijken."
+
+"Daar, ben ik nu geen lieve jongen?" zeide zij zich lachend en blozend
+tegelijk naar haren man omkeerende.
+
+"Gij zult altijd lief zijn, wat gij ook doen moogt," antwoordde George.
+
+"Wat maakt u zoo ernstig?" zeide zij, voor hem op eene knie zinkende
+en hare hand op de zijne leggende. "Wij zijn nog maar vier en twintig
+uren van Canada, zegt men. Maar één dag en nacht op het meer, en
+dan--o dan!"
+
+"O, Eliza!" zeide George, haar dichter bij zich trekkende; "dat is
+het! Nu moet mijn lot bijna in een oogenblik beslist wezen. Zoo
+dichtbij gekomen, bijna in het gezicht, en dan nog alles te
+verliezen! Dat zou ik niet overleven, Eliza!"
+
+"Vrees niet," zeide zijne vrouw met hopend vertrouwen. "De goede God
+zou ons niet zoover gebracht hebben, als Hij ons er niet doorheen
+wilde brengen. Het is alsof ik Hem bij ons voel, George."
+
+"Gij zijt eene gezegende vrouw, Eliza," zeide George, met zekere
+woestheid zijn arm om haar heenslaande. "Maar o, zeg mij! kan die
+groote genade voor ons bestemd zijn? Zullen die jaren van ellende
+ten einde komen? Zullen wij vrij worden?"
+
+"Ik ben er zeker van, George," antwoordde Eliza, met tranen van hoop en
+geestvervoering in hare donkere oogen naar boven ziende. "Ik gevoel het
+in mij, dat God ons nog dezen dag uit de dienstbaarheid zal brengen."
+
+"Ik wil u gelooven, Eliza," zeide George driftig opstaande. "Ik
+wil u gelooven. Kom, laten wij gaan. Wel waarlijk," vervolgde hij,
+haar op armslengte van zich afhoudende en met bewondering aanziende,
+"gij zijt een lieve, aardige, kleine jongen. Die korte krullen staan u
+zeer goed. Zet uwe muts op. Zoo--wat op zijde. Ik heb er u nog nooit
+zóó aardig zien uitzien. Maar het is haast tijd voor de koets. Ik
+ben benieuwd of Juffrouw Smith Harry al gekleed heeft."
+
+De deur werd geopend en eene fatsoenlijke vrouw van middelbare jaren
+trad binnen, met kleine Harry in meisjeskleeren aan de hand.
+
+"Welk een lief meisje is hij!" zeide Eliza, hem om- en
+omdraaiende. "Wij willen hem Harriet noemen. Komt die naam niet juist
+van pas?"
+
+Het kind stond zijne moeder in hare vreemde kleeding ernstig aan
+te zien, zweeg bot stil, maar slaakte nu en dan een zwaren zucht,
+en wierp dan tegelijk een schuinen blik naar haar.
+
+"Kent Harry mama niet?" zeide Eliza, de handen naar hem uitstrekkende.
+
+Het kind hield zich schichtig aan zijne geleidster vast.
+
+"Kom nu, Eliza, wat wilt gij hem lokken, terwijl gij weet dat hij
+van u vandaan gehouden moet worden?"
+
+"Ik weet dat het dwaas van mij is," antwoordde Eliza, "en toch kan
+ik het niet uitstaan, dat hij zich van mij afkeert. Maar kom--waar
+is mijn mantel? Hoe doet een man zijn mantel om, George?"
+
+"Gij moet hem zóó dragen," antwoordde George, den mantel over zijne
+eigene schouders werpende.
+
+"Zoo dan," zeide Eliza, zijne bewegingen nabootsende, "en ik moet
+stampen, en groote stappen nemen, en mijn best doen om brutaal
+te kijken."
+
+"Geef u maar geen moeite," zeide George. "Er is nu en dan wel eens
+een bedeesd jonkman, en ik geloof dat het gemakkelijker voor u zal
+zijn die rol te spelen."
+
+"En die handschoenen! Kijk eens," zeide Eliza, "ik verlies mijne
+handen er in."
+
+"Ik raad u toch om ze zorgvuldig aan te houden," zeide George; "uw
+fijn smal pootje zou ons allen in gevaar kunnen brengen. Nu, Juffrouw
+Smith, reist gij in ons geleide en zijt onze tante--onthoud dat wel."
+
+"Ik heb gehoord," zeide Juffrouw Smith, "dat er menschen zijn gekomen,
+die alle stoombootkapiteins hebben gewaarschuwd tegen een man en
+vrouw met eenen kleinen jongen."
+
+"Zoo?" zeide George. "Welnu, als wij zulke lieden zien, kunnen wij
+het hun zeggen."
+
+Een huurkoets kwam nu voor de deur, en de vriendelijke familie drong
+om hen heen om afscheid te nemen.
+
+De vermommingen welke het gezelschap had aangenomen, waren volgens
+de wenken van Tom Loker gekozen; Juffrouw Smith, eene fatsoenlijke
+vrouw uit het etablissement in Canada, waarheen zij vloden, die
+gelukkig het meer wilde oversteken om daarheen terug te keeren,
+had bewilligd om zich als tante van den kleinen Harry voor te doen;
+en om deze aan haar te hechten, was hij de laatste twee dagen geheel
+bij haar gelaten, in welken tijd een overvloed van liefkoozingen,
+bij een onbeperkte toelaag van kruidkoekjes en kandijklontjes gevoegd,
+reeds eene zeer nauwe gehechtheid bij den jongeheer had doen ontstaan.
+
+De koets reed naar de werf. De twee jongelieden--gelijk zij
+schenen--stapten de plank over en de boot op. Daar gaf Eliza galant
+den arm aan Juffrouw Smith, terwijl George nu voor de bagage zorgde.
+
+George stond bij het kantoortje van een kapitein, om daar voor zijn
+gezelschap te betalen, toen hij twee mannen, die naast hem stonden,
+met elkander hoorde spreken.
+
+"Ik heb op iedereen gelet, die aan boord kwam," zeide de een, "en ik
+weet wel dat zij niet op deze boot zijn."
+
+Het was de stem van den klerk der boot. De andere, wien hij aansprak,
+was onze vroegere vriend Marks, die in zijn lofwaardigen ijver naar
+Sandusky was gekomen, zoekende wien hij zou mogen verslinden.
+
+"Men zou de vrouw haast niet van eene blanke onderscheiden," zeide
+Marks. "De man is een lichte mulat. Hij heeft een brandmerk in eene
+van zijne handen."
+
+De hand, waarmede George de plaatsbriefjes aannam, beefde eenigszins;
+maar hij keerde zich koelbloedig om, zag den spreker onverschillig
+in het gezicht, en ging op zijn gemak naar den anderen kant der boot,
+waar Eliza naar hem stond te wachten.
+
+Juffrouw Smith had met kleine Harry de afzondering der dameskajuit
+opgezocht, waar de donkere schoonheid van het vermeende meisje vele
+vleiende aanmerkingen uitlokte.
+
+Toen de klok geluid werd om van de Amerikaansche kust afscheid te
+nemen, had George het genoegen van Marks over de plank naar den wal
+te zien stappen, en hij verlichtte zijn hart met een langen zucht,
+toen de afstand tusschen hen het terugkeeren onmogelijk had gemaakt.
+
+Het was een heerlijke dag. De blauwe golven van het meer Erie dansten
+flikkerend en vroolijk in het zonnelicht. Wie dacht er, toen George met
+zijnen schuwen makker aan de zijde, zoo kalm het dek der stoomboot op
+en neer wandelde, aan alles wat in zijnen boezem gloeide? Het geluk,
+dat hem scheen te naderen, kwam hem al te groot en schoon voor, om
+ooit werkelijkheid te worden, en ieder oogenblik van dien dag kwelde
+hem een heimelijke angst, dat er zich nog iets zou opdoen om het hem
+te ontrukken.
+
+Doch de boot voer voort, de uren vlogen om, en eindelijk kwam de
+gezegende Engelsche kust duidelijk in het gezicht--de kust, welke
+door eene machtige tooverspreuk gewijd, met eene enkele aanraking
+elke helsche bezwering van slavernij vernietigt, onverschillig in
+welke taal zij is uitgesproken, of door welke nationale macht zij
+is bekrachtigd. George en zijne vrouw stonden gearmd naast elkander,
+toen de boot het stadje Amhertsberg in Canada naderde. Zijne ademhaling
+werd kort en zwaar, er kwam een nevel voor zijne oogen, stilzwijgend
+drukte hij het handje, dat bevend op zijnen arm lag. De klok luidde--de
+boot werd gestopt. Nauwelijks ziende wat hij deed, zocht George zijne
+bagage uit en verzamelde hij zijn klein gezelschap. Hij werd met de
+zijnen aan land gezet. Zij bleven stilstaan, tot de boot weder was
+afgevaren; en toen knielden man en vrouw met hun verwonderd kind in
+de armen, op den oever neder, en verhieven het hart tot God.
+
+"Het was," gelijk een dichter zegt: "iets, dat geleek naar den overstap
+uit den dood in het leven, uit de windselen des grafs in het gewaad des
+hemels, uit de heerschappij der zonden en den strijd der hartstochten
+in de reine vrijheid eener gezaligde ziel, waar alle banden van dood en
+hel verbroken worden, en het sterfelijke de onsterfelijkheid aandoet,
+wanneer de genade de gouden poort heeft geopend en hare stem heeft
+gesproken: "Juich, uwe ziel is vrij!"
+
+Het gezelschap werd door Juffrouw Smith naar de gastvrije woning van
+een braven zendeling gebracht, die door de christelijke liefde aldaar
+geplaatst was geworden tot een herder voor de zwervende ballingen,
+die gedurig op deze kust een vrijplaats komen zoeken.
+
+Wie kan de zaligheid van dien eersten dag van vrijheid beschrijven? Is
+het _gevoel der vrijheid_ edeler en fijner, dan eenig ander dat de
+zinnen kan aandoen? Onbespied en zonder gevaar te spreken en te ademen,
+uit en in te gaan! Wie kan het gezegende beschrijven van die rust,
+welke op de peluw van den vrijen man nederdaalt, onder de wetten,
+die hem de rechten verzekeren, welke God den mensch gegeven heeft? Hoe
+schoon en lief was voor die moeder dat slapende kindergezichtje, haar
+nog dierbaarder gemaakt door de herinnering aan duizend gevaren! Hoe
+onmogelijk was het te slapen in het bezit van zulk een overmatig
+geluk! En toch bezaten deze twee geen voet gronds, geen dak dat zij het
+hunne konden noemen, en hadden zij alles verteerd tot hunnen laatsten
+dollar. Zij hadden niets meer dan de vogelen der lucht of de bloemen
+des velds--en toch konden zij niet slapen van blijdschap. O gij,
+die den mensch de vrijheid ontneemt, met welke woorden zult gij dat
+voor God verantwoorden?
+
+
+
+
+
+ACHT EN DERTIGSTE HOOFDSTUK
+
+DE OVERWINNING.
+
+ "Gode zij dank, die ons de overwinning geeft."
+
+
+Hebben niet velen van ons wel eens op den vermoeienden levensweg
+gevoeld, hoeveel lichter het zijn zou te sterven dan te leven?
+
+De martelaar, wanneer hij een dood van lichamelijke folteringen voor
+oogen ziet, vindt juist in het schrikkelijke van zijn lot een krachtig
+middel tot opwekking en versterking. Hij gevoelt eene opgewondenheid,
+een ijver, eene hoop, die hem het lijdensuur helpen doorstaan, dat
+het geboorte-uur der eeuwige rust en heerlijkheid zal wezen.
+
+Maar voort te leven, dag aan dag te slijten in een lage, verachte,
+bittere, kwellende dienstbaarheid, waaronder elke zenuw verslapt en
+ontstemt, elk gevoelsvermogen langzamerhand verdoofd wordt--dat lange,
+verterende martelaarschap van het hart, dat langzame, dagelijksche
+wegbloeden van het innerlijke leven, droppel voor droppel en uur op
+uur--dit is de ware, doorzoekende proef van wat een mensch, hetzij
+man of vrouw, in zijn binnenste bezit.
+
+Toen Tom tegenover zijnen woedenden meester stond en zijne dreigementen
+hoorde, en bij zich zelven dacht dat zijn uur gekomen was, klopte
+zijn hart hooger en moediger, en dacht hij dat hij martelingen,
+brandstapel, dat hij alles zou kunnen doorstaan, met het uitzicht op
+den hemel, die nog maar ééne schrede van hem verwijderd was; maar
+toen die woedende meester was heengegaan, en zijne opgewondenheid
+daalde, kwam de pijn in zijne gekneusde leden terug, kwam het gevoel
+van zijnen vernederden, verlaten, hopeloozen toestand terug; en hij
+sleet den dag treurig genoeg.
+
+Lang voordat zijne wonden genezen waren, zette Legree hem weder aan
+het gewone veldwerk; en toen kwamen dag aan dag pijn en vermoeienis,
+verergerd door alle verongelijkingen en kwellingen, die de hatelijkheid
+van een laaghartig, boosaardig mensch kon uitdenken. Wie in _onze_
+omstandigheden eene proef van pijn heeft gehad, zelfs met die
+verlichtingen, welke ons meestal ten deel vallen, moet wel weten, welk
+een wrevelig ongeduld daaruit gewoonlijk ontstaat. Tom verwonderde
+zich nu niet meer over de doorgaande norschheid zijner makkers; ja,
+hij vond zelfs de vreedzame, blijmoedige gemoedsgesteldheid, welke de
+gewoonte van zijn leven geweest was, zeer bemoeielijkt en gestoord
+door dezelfde kwellingen, die hen zoo onverdragelijk voor anderen
+maakten. Hij had zich met vrijen tijd gevleid om zijn Bijbel te lezen,
+maar hier was niets dat naar vrijen tijd geleek. In de drukte van het
+seizoen aarzelde Legree niet, om zijne arbeiders op Zondag eveneens
+te laten werken als door de week. Waarom zou hij niet? Hij kreeg dan
+meer katoen en won zijne weddenschap, en als hij er eenige arbeiders
+meer door versleet, kon hij andere koopen. In het eerst placht Tom bij
+het flikkeren van het vuur, een paar verzen in zijnen Bijbel te lezen,
+als hij van zijn dagwerk terug kwam; maar na de wreede behandeling,
+die hij ondergaan had, kwam hij doorgaans zoo afgemat naar huis toe,
+dat zijn hoofd duizelde en zijne oogen schemerden wanneer hij beproefde
+te lezen, en hij blijde was, als hij gelijk de anderen zijne pijnlijke
+leden op den grond kon uitstrekken.
+
+Het is niet vreemd, dat het godsdienstige vertrouwen en de gemoedsrust,
+die hem tot nog toe hadden ondersteund, voor het slingeren zijner
+ziel bezweken. Het donkerste raadsel van dit raadselachtig leven
+stond gedurig voor zijnen geest: zielen met geweld verdorven, het
+kwaad zegepralende, en God zwijgende. Het duurde weken en maanden
+dat Tom in zijne ziel zoo in smart en duisternis worstelde. Hij dacht
+aan Miss Ophelia's brief, aan zijne vrienden in Kentucky, en bad God
+ernstig om hem redding te zenden; en dan zag hij dag aan dag uit,
+in de flauwe hoop dat hij iemand zien zou die gezonden was om hem los
+te koopen; en als er niemand kwam, deed hij weder moeite om in zijne
+ziel de bittere gedachte te smoren--dat het ijdel was God te dienen,
+en dat God hem vergeten had. Somtijds sprak hij Cassy; en somtijds,
+wanneer hij naar het huis werd geroepen, kon hij even de neerslachtige
+Emmeline zien, maar hij had weinig omgang met eene van beiden, en
+hij had ook eigenlijk geen tijd om met iemand om te gaan.
+
+Op een avond zat hij geheel uitgeput en ternedergeslagen bij eenige
+half verbrande houten, waarop zijn onsmakelijk avondmaal braadde. Hij
+legde eenige droge rijsjes op het vuur, om zoo vast wat licht te
+krijgen, en haalde zijn Bijbel uit zijn zak. Daar waren al de gemerkte
+plaatsen, die zijne ziel zoo dikwijls verrukt hadden--woorden van
+aartsvaders en zieners, van dichters en wijzen, die van den vroegsten
+tijd af den mensch moed hadden ingesproken--stemmen uit die groote wolk
+van getuigen, welke ons op de levensbaan altijd omringt. Had het woord
+zijne kracht verloren, of waren het schemerende oog en het vermoeide
+gevoel niet meer vatbaar voor den troost der heilige bladen? Met een
+zwaren zucht stak hij het boek weder in zijnen zak. Een woeste lach
+wekte hem uit zijne dofheid. Hij zag op, Legree stond voor hem.
+
+"Wel, oude jongen," zeide hij, "gij vindt dat uw godsdienst niet
+meer werkt, naar het schijnt. Ik dacht wel dat ik dat eindelijk in
+uw wolligen kroeskop zou krijgen."
+
+Die wreede spot was erger dan honger, koude en naaktheid; Tom zweeg.
+
+"Ge zijt een zot geweest," hernam Legree, "want ik had het goed met u
+voor, toen ik u kocht. Ge hadt het beter kunnen hebben dan Sambo of
+Quimbo, en een gemakkelijk leven; en in plaats van elke paar dagen
+geranseld te worden, hadt ge vrijheid kunnen hebben om den heer te
+spelen en de andere negers te ranselen; en ge hadt nu en dan eene goede
+verwarming van punch kunnen krijgen. Kom aan, denkt gij nu niet dat
+het beter is verstandig te worden? Smijt dat pak gewawel in het vuur,
+en kom tot mijne kerk over."
+
+"Dat verhoede de Heere!" zeide Tom met vurigen ernst.
+
+"Gij ziet wel dat de Heere u niet helpen zal. Als Hij dat gewild had,
+zou Hij wel gemaakt hebben dat ik u niet kreeg. Die godsdienst van u
+is alles een hoop leugenachtige bombast, Tom. Gij deedt beter u aan
+mij te houden. Ik ben iemand en kan iets doen."
+
+"Neen, meester," antwoordde Tom, "ik blijf er bij. De Heere mag mij
+helpen of niet helpen; maar ik houd mij aan Hem vast en geloof Hem
+tot het laatste."
+
+Wanneer een zware last de ziel zoo diep neerdrukt, als zij met
+mogelijkheid kan verduren, volgt er eene plotselinge, wanhopige
+inspanning van alle lichamelijke en zedelijke krachten om dien
+last af te werpen, en daarom is de zwaarste zielsangst dikwijls de
+voorbode van een terugkeer van moed en blijdschap. Zoo was het nu
+met Tom. De goddelooze smaad- en spotwoorden van zijnen meester
+drukten zijne reeds moedelooze ziel in de laagste diepte neder;
+en hoewel de hand des geloofs de eeuwige rots nog vasthield, was
+het alleen met de kracht der verstijfde wanhoop. Tom zat daar als
+geheel bedwelmd en versuft bij het vuur. Eensklaps scheen alles om
+hem heen te verdwijnen; eene verschijning rees voor hem op van Eenen
+met doornen gekroond en met bloedige geeselstriemen. Tom staarde met
+verbazing en ontzag op het verheven geduld van het gelaat; de oogen
+vol lijden en hemelsch medelijden straalden tot in zijn hart; zijne
+ziel ontwaakte, terwijl hij overstelpt van aandoening, de handen
+uitstrekte en op de knieën zonk; toen veranderde langzamerhand de
+verschijning: de scherpe doornen werden tot stralen eener glorie;
+met onuitsprekelijken luister zag hij datzelfde gelaat medelijdend
+naar hem nederbuigen, en hoorde hij eene stem zeggen: "Die overwint,
+Ik zal hem geven met Mij te zitten in mijnen troon, gelijk als Ik
+overwonnen heb en ben gezeten met mijnen Vader in Zijnen troon."
+
+Hoelang Tom daar lag, wist hij niet. Toen hij tot zich zelven kwam,
+was het vuur uitgegaan en waren zijne kleederen doornat van den kouden
+dauw; maar de schrikkelijke benauwdheid zijner ziel was voorbij, en in
+de vreugde, die hem vervulde, gevoelde hij geen honger, geen koude,
+geen vernedering, teleurstelling of ellende meer. Uit het diepste
+zijner ziel verzaakte hij in dat uur alle hoop in het tegenwoordige
+leven, en offerde hij zijn eigen wil als een onherroepelijk offer aan
+den Oneindige op. Tom zag op naar de stille, altijd levende sterren,
+zinnebeelden dier engelenscharen, die altijd op den mensch neerzien,
+en in de eenzaamheid van den nacht klonken de zegepralende woorden
+van een lied, dat hij in gelukkiger dagen dikwijls had gezongen,
+maar nooit met zulk een gevoel als thans:
+
+
+ "Deze aarde zal als sneeuw vergaan,
+ De zon geen licht meer geven;
+ Maar bij den God, die mij hier riep,
+ Zal ik dan eeuwig leven.
+
+ "Als 't aardsche leven mij ontzinkt,
+ De zinnen mij begeven,
+ Dan wacht mij in het hemelhof
+ Het eeuwig, zalig leven.
+
+ "En als ons daar tienduizend jaar
+ Reeds tienmaal is gegeven,
+ Dan wacht ons nog geen dag te min
+ Van 't eeuwig, zalig leven."
+
+
+Zij, die met de godsdienstige geschiedenis der slavenbevolking bekend
+zijn, weten dat verhalen van zulke verschijningen en gezichten zeer
+dikwijls voorkomen. Wij hebben eenige zulke verhalen van treffend
+aandoenlijken aard uit den eigen mond van hen gehoord, die aldus
+gesterkt en getroost waren. Zielkundigen spreken van een toestand,
+waarin de aandoeningen en voorstellingen van het gemoed zulk eene
+kracht en levendigheid bekomen, dat zij de uiterlijke zinnen aan zich
+dienstbaar maken en deze eene tastbare gedaante aan die innerlijke
+voorstellingen doen geven. Wie zal het bepalen, waartoe een alles
+doordringende Geest deze vatbaarheid van ons stoffelijk hulsel zal
+aanwenden, of door welke middelen Hij eene in wanhoop verzonkene
+ziel zal bemoedigen? Indien de arme, vergeten slaaf gelooft dat
+Jezus hem verschenen is en tot hem gesproken heeft, wie zal hem
+tegenspreken? Heeft Hij niet gezegd dat Hij door alle eeuwen heen
+gezonden was, om hen die gebroken zijn van harte te genezen en de
+verslagenen heen te zenden in vrijheid?
+
+Toen de grauwe schemering van den dageraad de sluimerenden wekte
+om weder naar het veld te gaan, was er een onder die huiverende,
+met lompen bedekte ellendelingen, die met fieren tred voortstapte;
+want vaster dan de grond dien hij betrad was zijn krachtig geloof
+in eene almachtige eeuwige liefde. Ha, Legree, beproef al uw
+vermogen! Lichaamspijn en zieleleed, gebrek en mishandeling zullen
+slechts den overstap verhaasten, waardoor hij een koning en priester
+voor God zal worden.
+
+Van dien tijd af omringde een onschendbaar gebied van vrede het
+nederige hart van den verdrukte; een altijd tegenwoordige Zaligmaker
+heiligde het tot een tempel. Voorbij was nu het bloeden van aardsche
+wonden--voorbij was het sidderen van hoop, vrees en verlangen--de
+menschelijke wil, lang bloedend worstelende, was nu geheel in
+den Goddelijken versmolten. Zoo kort scheen nu de nog overige
+levensreis--zoo nabij, zoo duidelijk zichtbaar scheen de eeuwige
+zaligheid--dat het zwaarste leed des levens op hem afstuitte, zonder
+hem te deren.
+
+Iedereen merkte de verandering in zijn voorkomen op. Hij scheen zijne
+opgeruimdheid en vlugheid terug te krijgen, en eene kalmte te bezitten,
+die door geene beleediging of mishandeling kon gestoord worden.
+
+"Wat duivel zit er in Tom?" zeide Legree tot Sambo. "Eene maand geleden
+was hij geheel melancholiek, en nu is hij zoo vroolijk als een krekel."
+
+"Weet niet, meester. Misschien wil hij wegloopen."
+
+"Dat zou ik hem wel eens willen zien probeeren," zeide Legree met
+een woesten grijnzenden lach. "Zouden we niet, Sambo?"
+
+"Denk nog al, ha, ha!" antwoordde de zwarte pluimstrijker, gedienstig
+lachende. "He, wat een pret! Hem in de modder te zien steken,
+en door de struiken rennen, met de honden op het lijf. Ik dacht te
+barsten van lachen, toen we Molly vingen. Ik dacht dat zij haar geheel
+opengescheurd zouden hebben, eer we bij haar konden komen. Zij heeft
+nog de teekens van die grap."
+
+"En die zal ze wel houden tot in haar graf, denk ik," zeide
+Legree. "Maar let nu goed op, Sambo, als de neger iets van dien aard
+voornemens is, laat hem dan in de val loopen."
+
+"Laat mij maar begaan, meester," antwoordde Sambo, "ik zal hem wel
+beetnemen, ho, ho, ho!"
+
+Dit werd gezegd toen Legree te paard stapte, om naar eene naburige
+stad te rijden. Toen hij dien avond terugkwam, viel het hem in om
+eens naar het kwartier te rijden en te zien of alles veilig was.
+
+Het was helder maneschijn, de schaduwen van het geboomte teekenden zich
+met scherpe omtrekken op het gras, en er was eene stilte in de lucht,
+waarvan het storen bijna heiligschennis scheen te zijn. Legree was
+nog op eenigen afstand van het kwartier, toen hij eene stem hoorde
+zingen. Dit was daar iets zeer ongewoons, en hij bleef staan om te
+luisteren. Eene welluidende tenorstem zong:
+
+
+ "Ben ik van mijn plaats maar zeker,
+ In de woning van mijn Heer,
+ 'k Vrees dan voor geen lijdensbeker,
+ 'k Ween dan geene tranen meer.
+
+ "Mag de wereld mij bestrijden,
+ Helsche boosheid wonden slaan,
+ Ik kan kampen, dulden, lijden,
+ Satans woede wederstaan.
+
+ "Laten rampen me overstroomen,
+ 'k Sta voor storm en golven pal,
+ Als ik veilig maar mag komen
+ Bij mijn God, mijn heil, mijn al."
+
+
+"Zoo, zoo, denkt hij zoo?" zeide Legree bij zichzelven. "Die vervloekte
+methodisten-zangen! Hier, gij neger!" riep hij, plotseling op Tom
+toeschietende en met zijne karwats dreigende, "Hoe durft gij zoo'n
+geweld hier maken, als gij in bed moest wezen. Houd je zwarten smoel,
+en maak dat je wegkomt!"
+
+"Ja, meester," antwoordde Tom, met vlugge bereidwilligheid opstaande
+om heen te gaan.
+
+Legree werd woedend over Toms onverstoorbare kalmte, en op hem
+toerijdende, sloeg hij zoo hard hij kon op zijn hoofd en schouders los.
+
+"Daar gij hond!" zeide hij. "Zie of ge nu nog zoo weltevreden zijt."
+
+Maar de slagen vielen slechts op den uitwendigen mensch, en niet
+gelijk te voren op het hart. Tom bleef onderdanig staan, en toch
+kon Legree het niet voor zich zelven verbergen, dat hij zijne macht
+over zijnen gekochten slaaf, hoe dan ook, verloren had; en toen Tom
+in zijne hut verdween, en hij zijn paard wendde om heen te rijden,
+schoot er eensklaps eene van die flikkeringen door zijne ziel, die
+dikwijls den bliksem des gewetens in een donkeren, goddeloozen geest
+zenden. Hij begreep ten volle dat het God was die tusschen hem en zijn
+slachtoffer stond, en hij lasterde Hem. Die zwijgende, onderdanige
+man, die geene smaadwoorden, dreigementen of slagen konden ontrusten,
+welke eene stem in zijn binnenste, gelijk in vroegeren tijd zijn
+meester in de door den duivel bezeten ziel had gewekt, zeggende:
+"Wij, Jezus van Nazareth, wat hebben wij met U te doen? Zijt gij
+gekomen om ons te pijnigen vóór den tijd?"
+
+Toms hart vloeide over van liefderijk medelijden met de rampzaligen die
+hem omringden. Het was alsof voor hem nu alle leed des levens voorbij
+was, en hij uit de schatkamer van vrede en vreugde, waarmede hij boven
+hen begiftigd was, iets verlangde mede te deelen tot verzachting hunner
+ellende. Het is waar, de gelegenheden daartoe waren zeldzaam; maar op
+weg naar het veld en terug en gedurende de werkuren, had hij toch nu en
+dan eene kans om vermoeiden, neerslachtigen en moedeloozen een helpende
+hand te reiken. De arme, afgetobde, verdierlijkte schepselen konden
+dit in het eerst nauwelijks begrijpen; maar toen dit week op week, en
+maand op maand aanhield, begon het eindelijk een lang verstorven gevoel
+in hunne verdoofde harten op te wekken. Langzamerhand en onbemerkt
+begon die vreemde, geduldige, stille man, die zoo gereed was om ieders
+last te dragen en zelf bij niemand hulp zocht--die voor allen week,
+het laatste kwam en het geringste nam, en toch de eerste was, om
+het weinige dat hij had te deelen met hen die gebrek leden--de man,
+die in koude nachten zijne gescheurde dekens afstond, om een vrouw
+te verwarmen die van koorts rilde,--en die in het veld de manden der
+zwakken vulde, op het schrikkelijke gevaar af om zelf in gewicht te
+kort te komen--en die, hoewel hij door den algemeenen dwingeland met
+onverbiddelijke wreedheid werd vervolgd, nooit mededeed om een woord
+van smaad of vloek tegen hen uit te spreken--eindelijk begon die
+man eene vreemde macht over hen te bekomen; en toen het drukste van
+het seizoen voorbij was, en zij de Zondagen weder tot eigen gebruik
+kregen, verzamelden zich velen, om door hem van Jezus te hooren. Gaarne
+zouden zij geregeld bijeengekomen zijn om te hooren, te bidden en te
+zingen; maar Legree wilde dit niet toelaten, en meer dan eens stoorde
+hij zulke vergaderingen met vloeken en verwenschingen, zoodat het
+gezegende nieuws bij enkelen van mond tot mond moest gaan. Wie kan
+echter de eenvoudige blijdschap beschrijven, waarmede sommigen van die
+arme verworpelingen, voor wie het leven eene vreugdelooze reis naar
+eene onbekende duisternis was, van een medelijdenden Verlosser en
+een hemelsch vaderland hoorden? De zendelingen verklaren dat, onder
+al de geslachten der aarde geen het Evangelie met zulk eene gretige
+leerzaamheid ontvangen heeft als het Afrikaansche. Het beginsel van
+vertrouwen en onvoorwaardelijk geloof, dat den grondslag daarvan
+uitmaakt, is meer een natuurlijk element voor dit geslacht, dan
+voor eenig ander; en dikwijls heeft men onder negers bevonden dat
+een verdwaald zaadje waarheid, door den wind van het toeval in de
+onkundige harten gevoerd, opgegroeid is en vruchten heeft gedragen,
+welker overvloed die van meer zorgvuldige kweeking beschaamde.
+
+De arme mulattin, wier eenvoudig geloof bijna verpletterd en begraven
+was door den berg van wreedheid en onrecht, die haar overstelpt had,
+voelde hare ziel opgebeurd door de gezangen en Bijbelplaatsen, die
+deze nederige zendeling haar nu en dan in het oor fluisterde, wanneer
+zij naar het werk ging of terugkwam; en zelfs het half krankzinnige,
+ongeregeld zwervende gemoed van Cassy werd door zijnen stillen zich
+nooit opdringenden invloed verzacht en bedaard.
+
+Tot razernij en wanhoop gedreven door de opeengehoopte zielesmarten
+van haar leven, had Cassy dikwijls bij zich zelve besloten, dat er eens
+een uur van vergelding zou komen, wanneer hare hand op haren verdrukker
+wraak zou oefenen over al de wreedheid en onrechtvaardigheid, waarvan
+zij getuige was geweest of die zelve geleden had.
+
+In een nacht, toen allen in Toms hut lagen te slapen, werd hij
+eensklaps gewekt, en zag hij haar gezicht voor het gat dat tot venster
+diende; zij wenkte hem stilzwijgend om buiten te komen.
+
+Tom kwam voor de deur. Het was tusschen één en twee uren in den nacht,
+en de maan scheen helder. Tom zag, toen het maanlicht Cassy in de
+oogen scheen, dat die groote zwarte oogen een wilden, eigenaardigen
+glans hadden, geheel verschillend van hare gewone strakke blik.
+
+"Kom hier, vader Tom," zeide zij, hare hand op zijnen arm leggende,
+en hem voorttrekkende met eene kracht alsof dat smalle handje van
+staal was. "Kom hier--ik heb nieuws voor u."
+
+"Wat is het, Miss Cassy?" zeide Tom, met vurige oplettendheid.
+
+"Tom, zoudt ge niet gaarne uwe vrijheid willen hebben?"
+
+"Die zal ik hebben, _missis_, als het Gods tijd is," antwoordde Tom.
+
+"Ja, maar gij kunt haar dezen nacht nog krijgen," zeide Cassy met
+drift. "Kom maar mede."
+
+Tom aarzelde.
+
+"Kom," zeide zij fluisterend en hem strak aanziende. "Kom voort! Hij
+slaapt--gerust! Ik heb genoeg in zijn brandewijn gedaan, om hem te
+doen slapen. Ik wenschte dat ik meer had gehad; dan zou ik u niet
+noodig gehad hebben. Maar kom, de achterdeur is open en daar ligt
+eene bijl. Zijne kamer is ook open. Ik zal u den weg wijzen. Ik zou
+het zelve wel gedaan hebben, maar mijne armen zijn zoo zwak. Kom!"
+
+"Voor geen tien duizend werelden, _missis_," zeide Tom op vasten toon,
+stilstaande en haar terughoudende, terwijl zij hem wilde voorttrekken.
+
+"Maar denk eens aan al die arme schepsels," zeide Cassy. "Wij zouden
+hen allen kunnen vrijlaten en ergens in de moerassen gaan en een
+eilandje opzoeken en daar verborgen leven. Ik heb gehoord dat zoo
+iets meer gedaan is. Alle ander leven is beter dan dit."
+
+"Neen," antwoordde Tom, even vast. "Neen. Nooit komt er goed uit
+goddeloosheid. Ik zou liever mijne rechterhand afhakken."
+
+"Dan zal _ik_ het doen," zeide Cassy, zich omkeerende.
+
+"O, miss Cassy," zeide Tom, zich voor haar neerwerpende, "om den
+wil van den lieven Heer, die voor u gestorven is, verkoop toch uwe
+kostbare ziel niet zoo aan den duivel! Niet dan kwaad zal er uit
+voortkomen. De Heere heeft ons niet tot wraak geroepen. Wij moeten
+lijden en Zijn tijd afwachten."
+
+"Wachten!" zeide Cassy. "Heb ik niet gewacht? Gewacht tot mijn hoofd
+duizelig en mijn hart flauw is? Wat heeft hij mij niet doen lijden? Wat
+heeft hij honderden van arme schepsels doen lijden? Zuigt hij ook
+u dan het hartebloed niet uit? Ik word er toe geroepen! Zij roepen
+mij! Zijn tijd is nu gekomen en ik zal en moet zijn bloed hebben!"
+
+"Neen, neen, neen!" zeide Tom, hare handen vasthoudende, die zij
+met stuipachtige kracht dichtkneep. "Neen, gij arme verdwaalde ziel,
+dat moet gij niet doen! De lieve, gezegende Heere heeft nooit bloed
+gestort, dan zijn eigen, en dat heeft Hij voor ons vergoten, toen
+wij Zijne vijanden waren. Heere, help ons uwe schreden te volgen en
+vijanden lief te hebben."
+
+"Liefhebben!" zeide Cassy met een woest flikkerenden blik. "_Zulke_
+vijanden liefhebben! Daartoe zijn vleesch en bloed niet in staat!"
+
+"Neen, die zijn het ook niet," antwoordde Tom omhoog ziende, "maar
+Hij geeft dat aan ons, en dat is de overwinning. Wanneer wij kunnen
+liefhebben en bidden voor allen en door alles, dan is de strijd
+voorbij en de overwinning gekomen--eere zij God!"
+
+En met oogen vol tranen, daar de stem hem begaf, zag de zwarte man
+naar den hemel op.
+
+En dit, o Afrika!--laatst geroepene van alle volken, geroepen tot
+de doornenkroon, de geeselroede, het bloedig zweet en het kruis van
+smarte--dit zal uwe overwinning zijn; hierdoor zult gij met Christus
+regeeren, wanneer Zijn koninkrijk op de aarde zal gekomen zijn!
+
+Het vurige van Toms gevoel, de zachtheid zijner stem en zijne tranen
+bedaarden het woest opgewonden gemoed der ongelukkige vrouw. Er kwam
+een nevel van zachtheid voor het flikkerende vuur van hare oogen;
+zij zag voor zich neer, en Tom voelde hare hand hem omklemmen, toen
+zij tot hem zeide:
+
+"Heb ik u niet gezegd, dat booze geesten mij volgden? O, vader Tom,
+ik kan niet bidden! Ik wenschte dat ik het kon. Ik heb nooit gebeden
+sedert mijne kinderen verkocht werden! Wat gij zegt moet wel zoo
+zijn--dat weet ik; maar als ik beproef te bidden, kan ik alleen haten
+en vloeken. Ik kan niet bidden."
+
+"Arme ziel," zeide Tom medelijdend. "De satan begeert u te hebben,
+om u te ziften als de tarwe. Ik bid den Heere voor u. O, Miss Cassy,
+keer u naar den lieven Heere Jezus. Hij kwam om te genezen die gebroken
+van harte zijn, en om alle treurenden te troosten."
+
+Cassy bleef stilstaan terwijl groote tranen uit hare neergeslagene
+oogen rolden.
+
+"Miss Cassy," zeide Tom met zekere aarzeling in zijnen toon, nadat
+hij haar een poos had aangezien; "als gij maar hier vandaan kondt
+komen--als dat maar mogelijk was--dan zou ik u en Emmeline raden om
+het te doen, dat is, als gij het zonder bloedschuld doen kunt--anders
+niet."
+
+"Zoudt gij het met ons beproeven, vader Tom?"
+
+"Neen," antwoordde Tom. "Er is een tijd geweest dat ik het zou gedaan
+hebben, maar de Heere heeft mij een werk onder deze arme menschenzielen
+hier gegeven, en ik zal bij hen blijven en mijn kruis met hen dragen
+tot aan het einde. Met u is het anders--het is een valstrik voor
+u--het is meer dan gij wederstaan kunt, en het is beter dat gij gaat,
+als gij kunt."
+
+"Ik weet geen weg dan door het graf," zeide Cassy. "Er is geen beest
+of vogel, of hij kan ergens schuilplaats vinden, zelfs de slangen
+en alligators hebben hunne plaatsen om te liggen en stil te zijn;
+maar voor ons is er geene plaats. In de diepste moerassen zullen
+hunne honden ons opjagen en vinden. Iedereen en alles is tegen ons,
+zelfs de beesten zijn tegen ons, waar willen wij dan henengaan?"
+
+Tom zweeg een poos, eindelijk zeide hij:
+
+"Hij, die Daniël in den leeuwenkuil bewaarde--die de jongelingen in den
+vurigen oven behield--Hij, die op de zee wandelde en de winden beval
+stil te zijn,--Hij leeft nog; en ik heb geloof om te hopen dat Hij u
+verlossen kan. Beproef het en ik zal met al mijne macht voor u bidden."
+
+Door welke eene vreemde werking van den geest is het, dat een
+denkbeeld lang voorbijgezien en als een nutteloozen steen onder den
+voet getreden, eensklaps in een nieuw licht schittert, als een dan
+eerst ontdekte diamant?
+
+Cassy had dikwijls uren lang over alle mogelijke plannen ter
+ontsnapping nagedacht en alle als hopeloos en onuitvoerbaar verworpen;
+maar op dat oogenblik kwam haar een plan voor den geest, zoo eenvoudig
+en uitvoerbaar in alle bijzonderheden, dat het haar terstond met hoop
+en moed vervulde.
+
+"Vader Tom, ik zal het beproeven," zeide zij eensklaps.
+
+"Amen!" zeide Tom. "De Heere helpe u!"
+
+
+
+
+
+NEGEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK
+
+KRIJGSLISTEN
+
+ "De weg der goddeloozen is als een donker,
+ zij weten niet waarover zij struikelen zullen."
+
+
+De vliering van het huis dat Legree bewoonde was, gelijk de meeste
+andere vlieringen, eene holle donkere ruimte, met spinnewebben
+behangen en met afgekeurd huisraad bezet. De rijke familie, die het
+huis in zijne dagen van glans had bewoond, had vele kostbare meubelen
+aangeschaft, waarvan een gedeelte door haar weder was medegenomen,
+terwijl het overige in onbewoonde kamers was blijven staan, of op
+die vliering was weggezet. Aan een kant stonden eenige gevaarlijk
+groote pakkisten, waarin die meubelen waren verzonden. Er was maar
+een venstertje, dat door de bestofte, ondoorzichtige ruiten slechts
+een flauw schemerend licht liet vallen op de hooge stoelen en oude
+tafels, die eens betere dagen hadden gekend. Over het geheel zag het
+er hier akelig en spookachtig uit; en zoo spookachtig als die vliering
+op zich zelve was, ontbrak het niet aan overleveringen om haar voor de
+bijgeloovige negers nog schrikkelijker te maken. Eenige jaren geleden
+was eene negerin, die zich Legree's ongenoegen had berokkend, daar
+verscheidene weken opgesloten. Wat er voorviel, zeggen we niet; de
+negers fluisterden er angstig over onder elkander; maar het was bekend
+dat het lijk der ongelukkige eens van daar afgedragen en begraven was,
+en sedert dien tijd zeide men dat men des nachts op die vliering een
+akelig gerucht hoorde: vloeken en slagen, met een wanhopig gillen en
+kermen gemengd. Eens toen Legree bij toeval iets van dien aard hoorde,
+stoof hij geweldig op en zwoer dat de eerste, die weder sprookjes van
+die vliering vertelde, eene gelegenheid zou hebben om te vernemen wat
+daar was, want dat hij hem voor eene week daar zou vastketenen. Dit
+was genoeg om het gebabbel te stuiten, hoewel het geloof aan het
+vertelde daardoor natuurlijk niet in het minste werd geschokt.
+
+Langzamerhand werd de trap, welke naar de vliering voerde en zelfs
+het eind gang naar die trap, door iedereen vermeden, en daar ieder
+bang was om er van te spreken, werd ook de legende half vergeten. Nu
+was het Cassy ingevallen, om van den bijgeloovigen angst, die bij
+Legree zoo licht werd opgewekt, tot bevrijding van zich zelve en hare
+lotgenoote gebruik te maken.
+
+De slaapkamer van Cassy was vlak onder die vliering. Eens liet zij,
+zonder Legree te raadplegen, op eigen gezag en met tamelijk veel
+ophef, al de meubelen uit die kamer naar eene andere ver daar vandaan
+brengen. De huisbedienden, die zij daarmede belast had, liepen juist
+met grooten ijver en drukte heen en weder, toen Legree eens van een
+rijtoertje terugkwam.
+
+"Hallo, Cassy," zeide hij, "wat is er nu gaande?"
+
+"Niets. Ik heb maar eene andere kamer gekozen," antwoordde Cassy
+stuursch.
+
+"En waarom dat?"
+
+"Omdat het mij zoo beviel."
+
+"En voor den duivel, waarom?"
+
+"Omdat ik gaarne nu en dan slaap."
+
+"En wie belet u te slapen?"
+
+"Dat zou ik wel kunnen zeggen, als gij het hooren woudt," antwoordde
+Cassy droogjes.
+
+"Spreek op maar," zeide Legree.
+
+"Och, het is niets. Ik geloof dat het u niet verontrusten zou. Het
+is maar een gekerm en een gestommel van menschen die vechten en op
+den vliering over den grond rollen, den halven nacht lang, van twaalf
+uur tot aan den ochtend."
+
+"Menschen op de vliering," zeide Legree onrustig, maar toch met een
+gedwongen lach. "En wie zijn dat dan?"
+
+Cassy sloeg hare scherpe zwarte oogen op en zag Legree aan met een
+blik, die hem door merg en been drong, en zeide:
+
+"Ja, wie zijn dat, Simon? Ik zou dat wel eens van u willen hooren. Gij
+weet het niet, zou ik denken?"
+
+Met een toornigen vloek deed Legree een slag naar haar met zijne
+karwats; maar zij schoof op zijde en de deur ingaande, zag zij nog
+eens om en zeide:
+
+"Als gij maar eens in de kamer wilt gaan slapen, zult gij er alles
+van weten. Misschien is het best, dat gij het eens beproeft." En
+daarmede sloot zij de deur en draaide die op het slot.
+
+Legree raasde en vloekte en dreigde de deur open te breken; maar hij
+bedacht zich naar het scheen, en ging zeer slecht op zijn gemak naar
+de huiskamer. Cassy bemerkte dat hare pijl getroffen had, en van dat
+oogenblik af verzuimde zij niets om den gemaakten indruk te versterken,
+hetgeen haar met hare schranderheid uitmuntend gelukte.
+
+In een gat in eene der planken van de vliering, waar een kwast uit
+het hout was gevallen, stak zij den hals eener gebroken flesch,
+zoodanig, dat bij den minsten luchtstroom een allerakeligst huilend
+geluid daardoor werd voortgebracht, dat, wanneer het hard waaide,
+tot een gillen steeg, hetwelk voor bijgeloovige ooren als het wanhopig
+gejammer eener menschenstem moest klinken.
+
+Dit geluid werd nu en dan door de bedienden gehoord en deed de
+herinnering der oude spookvertelling in volle kracht herleven. Eene
+huiveringwekkende akeligheid scheen het geheele huis te vervullen en
+hoewel niemand een woord daarvan tegen Legree durfde spreken, voelde
+hij er zich toch door omringd als door de lucht die hij inademde.
+
+Niemand is zoo door en door bijgeloovig als de goddelooze. Een christen
+wordt gesterkt door het geloof aan een wijzen, allesbesturenden
+Vader, wiens tegenwoordigheid de ijdele ruimte met licht en orde
+vervult; maar voor den mensch die God onttroond heeft, wordt de
+geestenwereld inderdaad gelijk de Hebreeuwsche dichter zegt: "een
+land van duisternis en schaduwe des doods," zonder eenige orde,
+waar het licht als donkerheid is. Het leven en de dood zijn beide
+spookgewesten voor hem, met nevelachtige schrikgedaanten vervuld.
+
+Het sluimerend zedelijk gevoel was bij Legree gewekt door zijne
+woordenwisselingen met Tom--slechts gewekt om weder door de hardnekkige
+kracht van het kwaad onderdrukt te worden; maar elk godsdienstig woord,
+gebed of gezang bracht toch eene onrust in zijn binnenste teweeg,
+die eene vermeerdering van bijgeloovige angstvalligheid naliet.
+
+De invloed, dien Cassy op hem uitoefende, was van een zonderlingen
+aard. Hij was haar eigenaar, haar tiran, haar beul. Zij was, en dit
+wist hij, geheel en al, zonder mogelijkheid van redding of tegenstand,
+in zijne macht; en toch bleek het ook bij hem, dat de ruwste man zich
+niet bestendig onder den invloed van een krachtigen vrouwelijken geest
+kan bevinden, zonder daardoor aanmerkelijk bedwongen te worden. Toen
+hij haar pas kocht, was zij, gelijk zij zeide, een teeder opgebrachte
+vrouw, en hij had haar zonder eenig bezwaar met voeten getreden. Maar
+toen de tijd en de wanhoop het vrouwelijk gevoel bij haar verdoofden,
+en het vuur van woestere hartstochten bij haar ontvlamde, was zij in
+zekere mate zijne meesteres geworden, zoodat hij haar thans beurtelings
+tiranniseerde en vreesde.
+
+Die invloed was nog sterker en voor hem drukkender geworden, sedert
+vlagen van halve krankzinnigheid al hare woorden en bedrijven iets
+vreemds, geheimzinnigs en akeligs hadden gegeven.
+
+Een paar avonden later nu zat Legree in de oude huiskamer bij een
+flikkerend houtvuur, dat het vertrek met een afwisselend schijnsel
+verlichtte; het was een stormachtige avond, zulk een avond, waarop men
+in een vervallen oud huis allerlei onbeschrijfelijke geluiden hoort. De
+vensters klapperden en de luiken bonsden, de wind bulderde en loeide in
+den schoorsteen, en blies nu en dan den rook en de asch door de kamer,
+alsof hij een legioen van geesten in zijn gevolg medebracht. Legree
+had eenige uren lang rekeningen zitten nazien en couranten lezen,
+terwijl Cassy in een hoek stroef in het vuur zat te staren. Eindelijk
+verveelde hem dit, en toen hij een oud boek op de tafel zag liggen,
+waarin Cassy in het begin van den avond had zitten lezen, nam hij het
+op en begon het door te bladeren. Het was een dier verzamelingen van
+moord- en spookhistoriën, welke iemand, als hij er eens aan begint,
+met eene vreemde tooverkracht boeien.
+
+Legree bromde nu en dan verachtelijk bij zich zelven, maar sloeg toch
+het eene blad na het andere om, tot hij eindelijk het boek met een
+vloek neersmeet.
+
+"Gij gelooft toch niet aan spoken, niet waar, Cassy?" zeide hij,
+de tang opnemende om het vuur bij te leggen. "Ik dacht wel dat gij
+te veel verstand hadt om u door geluiden te laten bang maken."
+
+"Het komt er niet op aan wat ik geloof," antwoordde Cassy stuursch.
+
+"Toen ik voorheen op zee was, wilden mijne kameraden mij met
+vertelseltjes bang maken," hervatte Legree. "Maar zij konden mij
+nooit zoo beetnemen. Ik ben veel te taai voor zulke oude wijvenpraat."
+
+Cassy zat hem in de schaduw van den hoek strak aan te staren. Zij had
+dien vreemden glans in hare oogen, die Legree altijd onrustig maakte.
+
+"Die geluiden waren niets dan de ratten en de wind," zeide
+Legree. "Ratten kunnen een duivelsch geweld maken. Ik heb ze dikwijls
+in het hol van het schip gehoord; en de wind--och, van den wind kan
+men zich alles verbeelden."
+
+Cassy wist zeer wel dat Legree onder haren blik onrustig werd en
+daarom gaf zij geen antwoord, maar bleef hem met dezelfde spookachtige
+strakheid aanstaren.
+
+"Kom aan, spreek op!" zeide Legree. "Denkt gij ook zoo niet?"
+
+"Kunnen ratten de trap afkomen en de gang doorstappen en eene deur
+opendoen, als gij die gesloten en een stoel er tegen gezet hebt,"
+zeide Cassy, "en recht naar uw bed komen, en de hand uitsteken, zoo?"
+
+Cassy hield onder het spreken hare glinsterende oogen op Legree
+gevestigd, en hij staarde haar aan, alsof hij de nachtmerrie had,
+en toen zij zweeg en hare hand, die ijskoud was, op de zijne legde,
+sprong hij met een vloek achteruit.
+
+"Wijf! Wat meent ge? Dat heeft niemand gedaan!'
+
+"Wel neen--natuurlijk niet--heb ik dat dan gezegd?" zeide Cassy met
+een kouden spottenden glimlach.
+
+"Maar hebt gij inderdaad gezien dat--kom aan, Cassy, wat is er
+dan? Spreek op."
+
+"Gij kunt zelf daar gaan slapen, als gij het weten wilt," antwoordde
+Cassy.
+
+"Kwam het van de vliering, Cassy?"
+
+"Het--wat?"
+
+"Daar gij van spreekt."
+
+"Ik heb u niets verteld," zeide Cassy met koppige stroefheid. Legree
+stapte onrustig de kamer op en neer.
+
+"Ik wil dat onderzocht hebben," zeide hij. "Ik zal er van avond nog
+naar gaan zien. Ik zal mijne pistolen medenemen, en...."
+
+"Doe dat," zeide Cassy. "Ga in de kamer slapen. Ik zou het wel eens
+van u willen zien. Schiet uwe pistolen af--dat ook!"
+
+Legree vloekte en stampvoette.
+
+"Vloek niet," zeide Cassy. "Niemand weet wie u hooren kan! Wat
+was dat?"
+
+De klok, die in een hoek der kamer stond, sloeg twaalf.
+
+Om eene of andere reden durfde Legree niet spreken of zich
+bewegen. Eene ijzing voor hij wist niet wat beving hem, terwijl Cassy
+hem met hare spottende, glinsterende oogen aanzag en de slagen telde.
+
+"Twaalf uur! Wel! nu zullen wij zien," zeide zij, naar de deur
+gaande die in de gang uitkwam. Zij opende die en bleef staan alsof
+zij luisterde.
+
+"Hoor? Wat is dat?" zeide zij, haar vinger opstekende.
+
+"De wind, anders niet," zeide Legree. "Hoort gij niet hoe vervloekt
+het waait?"
+
+"Simon, kom hier," zeide Cassy fluisterend, legde hare hand op zijnen
+arm en bracht hem onder aan de trap. "Weet gij wat dat is? Luister!"
+
+Een akelige gil klonk. Het geluid kwam van de vliering en weergalmde
+langs de geheele trap. Legree's knieën knikten en hij verbleekte
+van schrik.
+
+"Zoudt ge niet liever uwe pistolen krijgen?" zeide Cassy met een
+smalenden lach, die Legree deed ijzen. "Het is tijd dat hier naar
+gezien wordt, weet ge. Ik zou u gaarne eens naar boven hebben; _zij
+zijn aan den gang_."
+
+"Ik wil niet gaan," antwoordde Legree met een vloek.
+
+"Waarom niet? Er zijn toch immers geene spoken. Kom!" En Cassy wipte
+de wenteltrap op, lachend naar hem omziende. "Kom voort!"
+
+"Ik geloof dat gij de duivel zijt!" zeide Legree. "Kom terug, gij
+heks--kom terug, Cassy. Gij zult niet gaan!"
+
+Maar met een wilden lach ijlde Cassy voort. Hij hoorde haar de deur
+van de gang openen, die naar de vliering leidde. Eene windvlaag kwam de
+trap af en woei de kaars uit die hij in de hand had, en tegelijk klonk
+een allerakeligst, onnatuurlijk gegil, alsof het vlak aan zijn oor was.
+
+Legree vlood als razend naar de kamer terug, waarheen Cassy hem eene
+korte poos later volgde, bleek, koud en kalm als een engel der wraak,
+en met denzelfden schrikkelijken glans in hare oogen.
+
+"Ik hoop dat gij tevreden zijt," zeide zij.
+
+"Wees verdoemd," antwoordde Legree.
+
+"Waarom?" zeide Cassy. "Ik ben maar naar boven gegaan en heb de
+deuren gesloten. Wat zou er toch op die vliering zitten, denkt gij
+wel, Simon?"
+
+"Dat raakt u niet," antwoordde Legree.
+
+"Zoo, niet?" hervatte Cassy. "Welnu, ik ben in allen gevalle blij,
+dat ik niet meer onder de vliering slaap."
+
+Daar Cassy verwacht had dat de wind dien avond zou opsteken, had zij
+het vlieringvenster opengezet. Natuurlijk was toen, zoodra de deur
+ook geopend werd, de kaars door den tocht uitgewaaid.
+
+Dit moge dienen tot een proefje van het spel, dat Cassy met Legree
+speelde, totdat hij liever zijn hoofd in een leeuwenmuil zou hebben
+gestoken, dan die vliering te gaan onderzoeken. Intusschen had Cassy
+des nachts, wanneer al de anderen sliepen, daar langzamerhand een
+voorraad van levensmiddelen bijeengebracht, voldoende om eenigen
+tijd te strekken, en ook stuk voor stuk een groot gedeelte van haar
+eigen kleedervoorraad en dien van Emmeline daar verborgen. Toen alles
+beschikt was, wachtte zij slechts naar eene gunstige gelegenheid om
+het plan ten uitvoer te brengen.
+
+Door Legree eenige goede woorden te geven, toen hij eens in een
+redelijke luim was, had Cassy hem overgehaald om haar naar eene
+naburige stad mede te nemen, die vlak aan de Roode rivier lag. Met een
+geheugen dat tot bijna bovennatuurlijke helderheid was verscherpt,
+had zij op elke bocht van den weg gelet en den tijd berekend, dien
+men noodig had om hem af te leggen.
+
+Nu alles rijp was om te handelen, zouden onze lezers zeker wel gaarne
+eens achter de schermen willen zien, en getuigen wezen van den laatsten
+_coup d'état_.
+
+Het was bijna avond. Legree was afwezig op een rijtoertje naar eene
+naburige hoeve. Vele dagen lang was Cassy bijzonder vriendelijk
+geluimd geweest, en alles scheen tusschen haar en Legree te zijn
+bijgelegd. Thans zien wij haar en Emmeline in de kamer der laatste,
+bezig met twee pakjes te maken.
+
+"Daar, die zullen groot genoeg zijn," zeide Cassy. "Zet nu uw hoed op,
+en laten wij gaan. Het is nu zoo wat de beste tijd."
+
+"Maar zij kunnen ons zien," zeide Emmeline.
+
+"Ik wil ook dat wij gezien worden," antwoordde Cassy koelbloedig. "Weet
+gij niet dat zij ons toch zullen nazetten? Wij zullen het juist op
+deze manier aanleggen. Wij zullen de achterdeur uitgaan en bij het
+kwartier langs loopen. Sambo en Quimbo zullen ons zeker zien. Zij
+zullen ons najagen en wij loopen het moeras in. Dan kunnen zij ons
+niet verder volgen vóórdat zij alarm gemaakt hebben, en de honden op
+het spoor gebracht en al zoo meer, en terwijl zij aan het haspelen
+zijn en elkaar in den weg loopen, zooals zij altijd doen, sluipen wij
+naar de kreek die achter het huis omloopt, en waden door het water,
+tot wij vlak over de achterdeur komen. Dat zal de honden geheel van het
+spoor afbrengen; want op het water blijft de reuk niet liggen. Iedereen
+zal het huis ontloopen, om naar ons te zoeken, en dan wippen wij de
+achterdeur weder in en naar de vliering, waar ik een goed bed heb
+opgemaakt in eene van de groote kisten. Wij moeten eene goede poos
+op de vliering blijven, want ik zeg u, hij zal hemel en aarde in
+beweging brengen om ons terug te krijgen. Hij zal een aantal van die
+oude opzichters bijeenhalen en eene groote jacht houden; zij zullen
+geen voet gronds van het moeras ondoorzocht laten. Hij snoeft er op,
+dat er nog nooit iemand van hem is weggekomen. Laat hij dus nu eens
+jagen naar hartelust."
+
+"O, Cassy, hoe goed hebt gij dat overlegd!" zeide Emmeline. "Wie
+anders dan gij zou ooit daaraan gedacht hebben?"
+
+Er sprak noch blijdschap, noch eigenwaan uit Cassy's oogen--niets
+anders dan wanhopige vastberadenheid.
+
+"Kom!" zeide zij en gaf Emmeline de hand.
+
+De twee vluchtelingen slopen stil het huis uit en in de snel vallende
+avondschemering het kwartier voorbij. De maan, welker smalle sikkel
+in het Westen onderging, vertraagde de duisternis van den nacht nog
+een poos. Gelijk Cassy verwacht had, werden zij, toen zij den zoom
+der moerasbosschen naderden, die de plantage omringden, aangeroepen om
+stil te staan. Het was echter Sambo niet, maar Legree, die met toornig
+vloeken achter haar aankwam. Dit hoorende bezweek de zwakkere geest
+van Emmeline bijna, en hare gezellin bij den arm grijpende, zeide zij:
+"O, Cassy, ik zal flauw vallen."
+
+"Als gij dat doet, steek ik u dood!" zeide Cassy, een kleine,
+glinsterende ponjaard uithalende, die zij voor de oogen van het meisje
+liet flikkeren.
+
+Deze afleiding bereikte haar doel. Emmeline viel niet flauw; maar
+stortte zich met Cassy in een gedeelte van het moeras, zoo donker en
+dicht begroeid, dat Legree er niet aan denken kon om haar zonder hulp
+te volgen.
+
+"Welnu," zeide hij met een ruwen lach, "zij zijn nu toch in de val
+geloopen--die karonjes. Zij zitten daar goed vooreerst en zij zullen
+er voor zweeten."
+
+"Hallo, daar! Sambo! Quimbo! Allemaal!" riep Legree, toen hij het
+kwartier bereikte, waar de mannen en vrouwen juist van het werk
+terugkwamen. "Er zitten twee wegloopsters in het moeras. Ik geef vijf
+dollars aan den neger die ze vangt! Laat de honden los!"
+
+De indruk, die dit bericht maakte, was niet gering. Velen der mannen
+kwamen driftig aan, om hunne diensten aan te bieden, hetzij uit hoop
+op belooning, of alleen door die kruipende onderdanigheid, die een van
+de noodlottigste gevolgen der slavernij is. Sommigen liepen naar den
+eenen, sommigen naar den anderen kant heen. Eenigen gingen flambouwen
+van dennentakken halen, anderen maakten de honden los, wier schor,
+kwaadaardig geblaf het rumoer niet weinig vergrootte.
+
+"Meester, moeten wij ze doodschieten, als wij ze niet kunnen
+vangen?" zeide Sambo, aan wien Legree een jachtroer had gegeven.
+
+"Op Cassy moogt ge schieten, als ge lust hebt; het is tijd dat zij naar
+den duivel komt, waar zij behoort; maar op de meid niet," antwoordde
+Legree. "En nu, jongens, weest vlug en ijverig. Vijf dollars voor
+wie ze krijgt, en altijd een glas brandewijn voor iedereen."
+
+Daarop trok de geheele troep, onder een geweldig geschreeuw en
+geblaf naar het moeras, op eenigen afstand door al de huisbedienden
+gevolgd. Het huis was dus geheel verlaten, toen Emmeline en Cassy de
+achterdeur binnenslopen. Het schreeuwen en roepen harer vervolgers
+klonk nog door de lucht; door de vensters der huiskamer uitkijkende
+konden Cassy en Emmeline den troep zien, die zich met flambouwen
+langs den zoom van het moeras verspreidde.
+
+"Ziedaar!" zeide Emmeline, Cassy daarheen wijzende. "De jacht is
+begonnen. Zie die lichten eens ronddansen! En door die honden! Hoort
+ge niet? Als wij daar nog waren, zou onze kans geen cent waard zijn. O,
+om 's hemels wil, laten wij ons verschuilen. Schielijk!"
+
+"Wij hebben geen haast," antwoordde Cassy koel. "Zij zijn allen op de
+jacht uit--dat is het vermaak van den avond. Wij zullen straks naar
+boven gaan. Ondertusschen," zeide zij, bedaard een sleutel halende
+uit een zak van de jas, die Legree in zijne haast had neergesmeten,
+"ondertusschen zal ik wat reisgeld voor ons nemen."
+
+Zij opende den lessenaar en nam een rolletje bankbriefjes er uit,
+die zij natelde.
+
+"O, laten wij dat niet doen!" zeide Emmeline.
+
+"Waarom niet?" zeide Cassy. "Zoudt gij liever hebben dat wij in de
+moerassen dood hongerden, of dat wij geen geld hadden om de reis naar
+de vrije Staten te betalen? Geld doet alles, meisje." En daarmede
+stak zij de bankbriefjes in hare borst.
+
+"Maar dat zou stelen zijn," zeide Emmeline, treurig en angstig
+fluisterende.
+
+"Stelen!" herhaalde Cassy met een smadelijken glimlach. "Zij die
+zielen en lichamen stelen behoeven niets daarvan te zeggen. Ieder
+van die briefjes is gestolen--gestolen van arme, uitgehongerde,
+afgewerkte schepsels, die eindelijk voor zijn voordeel naar den duivel
+moeten. Laat _hij_ maar van stelen praten! Maar kom, wij moesten nu
+maar naar de vliering gaan. Ik heb daar een voorraad van kaarsen en
+eenige boeken om den tijd te korten. Gij kunt tamelijk zeker zijn,
+dat zij daar niet zullen komen zoeken. En als zij het doen, zal ik
+wel spookje voor hen spelen."
+
+Toen Emmeline op de vliering kwam, vond zij een groote kist,
+waarin eens eenige zware stukken huisraad waren verzonden, zoodanig
+omgewenteld, dat de opening naar den muur of eigenlijk naar het schuin
+opgaande dak Was gekeerd; Cassy stak een lampje aan, en langs den
+muur kruipende, kwamen zij in de kist. Op den grond waren twee kleine
+matrassen en eenige kussens gelegd, een koffer dichtbij bevatte een
+voorraad van kaarsen en eetwaren, benevens al de kleederen die zij
+op reis konden noodig hebben, welke Cassy tot pakjes van verbazend
+kleinen omvang had weten te maken.
+
+"Daar," zeide Cassy, terwijl zij een lampje aan een haak hing, die
+zij daartoe in een wand der kist had geslagen, "dat moet vooreerst
+onze woning zijn. Hoe bevalt zij u?"
+
+"Zijt ge wel zeker, dat zij niet hier zullen komen zoeken?" zeide
+Emmeline.
+
+"Ik zou Simon Legree dat wel eens willen zien doen," antwoordde
+Cassy. "Neen waarlijk niet; hij is maar al te blij dat hij hier
+vandaan kan blijven. En wat de bedienden betreft, zij zouden zich
+liever allen dood schieten dan hier komen."
+
+Eenigszins gerustgesteld, zette Emmeline zich op hare kussens.
+
+"Wat hebt gij toch gemeend, Cassy, met te zeggen dat ge mij zoudt
+doodsteken?" vroeg zij met alle eenvoudigheid.
+
+"Ik wilde u maar beletten om flauw te vallen," antwoordde Cassy,
+"anders niet. En ik zeg u nu, Emmeline, gij moet u vast voornemen
+om niet flauw te vallen, wat er ook gebeuren mag. Dit dient nergens
+toe. Als ik u niet had doen schrikken, zou die ellendeling u nu
+misschien in zijne macht hebben."
+
+Emmeline huiverde.
+
+Beiden zwegen een poos. Cassy hield zich met een Fransch boek bezig;
+Emmeline door vermoeienis overstelpt, viel in slaap. Zij werd gewekt
+door een luid geschreeuw, met paardengetrappel en hondengeblaf
+gemengd. Met een flauwen gil sprong zij op.
+
+"Het is maar de jacht die terugkomt," zeide Cassy koeltjes. "Wees maar
+niet bang. Kijk eens uit door die reet. Ziet gij hen daar niet allen
+beneden? Simon moet het voor van nacht opgeven. Zie hoe bemodderd
+zijn paard is van het rondtrappelen in het moeras; en de honden zien
+er ook tamelijk druilig uit. O, goede man, gij zult nog dikwijls op
+de jacht moeten gaan--het wild zit daar niet."
+
+"O, spreek toch niet!" zeide Emmeline. "Als zij u eens hoorden!"
+
+"Als zij iets hooren, zal het hen nog zorgvuldiger hier vandaan doen
+blijven!" antwoordde Cassy. "Geen gevaar! Wij mogen zooveel leven
+maken als wij willen, dat zal den schrik onderhouden."
+
+Eindelijk werd het stil in en om het huis, en tegen middernacht
+begaf Legree zich naar bed, vloekende over zijnen tegenspoed en wraak
+zwerende tegen den volgenden ochtend.
+
+
+
+
+
+VEERTIGSTE HOOFDSTUK
+
+DE MARTELAAR
+
+ "Denk niet dat de rechtvaardige door den hemel
+ vergeten is! Schoon het leven hem zijne meest
+ gewone gaven onthoude, en hoewel hij met een
+ verscheurd en bloedend hart, door de menschen
+ versmaad, ter dood ga! Want God heeft elken
+ droevigen dag aangeteekend, en elken bitteren
+ traan geteld, en des hemels lange jaren van
+ zaligheid zullen alles vergoeden wat zijne
+ kinderen hier lijden."
+
+ Bryran.
+
+
+De langste weg moet een einde hebben--op den donkersten nacht moet
+een morgen volgen. Een onverbiddelijk verloop van oogenblikken doet
+den dag der boozen voortsnellen naar den eeuwigen nacht, en den
+nacht der rechtvaardigen naar den eeuwigen dag. Wij hebben met onzen
+nederigen vriend tot dusverre door het dal der slavernij gewandeld;
+eerst door de bebloemde velden van lichamelijk welzijn en gemak; toen
+door de hartverscheurende scheiding van alles wat de mensch dierbaar
+acht. Daarna hebben wij hem vergezeld op een zonnig eiland, waar
+edelmoedige handen zijne ketenen met bloemen omwonden; en eindelijk
+hebben wij hem gevolgd, waar de laatste straal van aardsche hoop in
+den nacht verdween, en gezien hoe in de zwarte aardsche duisternis
+het firmament van het bovenzinnelijke met sterren van nieuwen en nog
+meer heerlijkheid voorspellenden luister schitterde.
+
+De morgenster staat nu boven de toppen der bergen, en ruischende
+koeltjes, die niet van deze aarde zijn, verkondigen dat de poorten
+van den dag zich openen.
+
+De vlucht van Cassy en Emmeline had Legree ten uiterste vergramd
+en verbitterd, en zijne woede trof, gelijk men wel verwachten kon,
+het weerlooze hoofd van Tom. Toen hij het nieuws aan zijne slaven
+bekend maakte, had zich in Toms oogen eene plotselinge flikkering
+vertoond, die Legree evenmin ontsnapte, als het onwillekeurig vouwen
+en opheffen zijner handen. Hij zag ook dat hij zich niet bij den troep
+der vervolgers voegde. Hij dacht er wel aan om hem daartoe te dwingen,
+maar daar hij reeds proef had gehad van zijne onverzettelijkheid,
+wanneer hem iets onmenschelijks werd bevolen, wilde hij zich in zijne
+haast niet met hem ophouden.
+
+Tom bleef dus achter met de weinigen, die van hem hadden leeren bidden,
+en bad met hen voor de redding der vluchtelingen.
+
+Toen Legree teleurgesteld terugkwam, begon de wrok, dien hij reeds
+lang tegen zijnen slaaf had gekoesterd, den aard van een blinden,
+doodelijken haat aan te nemen. Had die man hem niet uitgetart, gedurig,
+onverzettelijk uitgetart--zoolang hij zijn eigendom was geweest? Was
+er geen geest in hem, die, hoewel zwijgende, hem eene innerlijke
+hitte deed gevoelen, alsof het eeuwig vuur hem reeds brandde?
+
+"Ik haat hem," zeide Legree, toen hij dien nacht overeind in zijn bed
+zat. "Ik haat hem! En is hij mijn eigendom niet? Kan ik niet met hem
+doen wat ik wil? Wie zal het mij beletten?"
+
+En Legree kneep zijne vuisten dicht en schudde ze, alsof hij iets in
+de handen had dat hij in stukken kon scheuren.
+
+Doch Tom was een trouwe, kostbare dienaar, en hoewel Legree hem
+daarom des te meer haatte, hield deze bedenking hem toch eenigszins
+in bedwang.
+
+Den volgenden morgen besloot hij om vooralsnog niets te zeggen,
+maar een troep helpers van de naburige plantage te verzamelen, met
+honden. Bereikte hij dan zijn oogmerk, dan was het wel; zoo niet, dan
+zou hij Tom vóór zich laten komen--daarbij klemde hij zijne tanden op
+elkander en begon zijn bloed te koken--_dan_ zou hij dien kerel klein
+krijgen, of--er werd in zijn binnenste iets gruwelijks gefluisterd,
+waarin zijne ziel toestemde.
+
+Gij zegt dat het eigenbelang van den meester een genoegzame waarborg
+voor de veiligheid van den slaaf is. In de woede zijner dolle drift
+zal de mensch, met volle wetenschap en open oogen, zijne eigene ziel
+aan den duivel verkoopen; zal hij dan meer bezorgd zijn voor het
+lichaam van zijnen naaste?
+
+"Zoo," zeide Cassy den volgenden dag op de vliering, toen zij door
+de reet uitkeek, "de jacht zal vandaag weder beginnen."
+
+Drie of vier ruiters lieten hunne paarden voor het huis rondtrappelen
+en eenige koppels vreemde honden worstelden met de negers die hen
+vasthielden, en blaften en bromden tegen elkander.
+
+Van deze mannen waren twee opzichters van naburige plantages, de
+anderen waren eenige lieden, met wie Legree in de herberg eener
+naburige stad kennis had gemaakt, en die uit liefhebberij voor de
+jacht gekomen waren. Moeielijk zou men zich een troep kerels van
+ongunstiger uitzicht kunnen voorstellen. Legree deelde brandewijn in
+overvloed onder hen uit, alsmede onder de negers, die van verschillende
+plantages waren afgezonden om hem te helpen, want het was doelmatig,
+een dienst van dezen aard zooveel mogelijk voor de negers tot een
+feestdag te maken.
+
+Cassy hield haar oor voor de reet, en daar de wind vlak naar het
+huis woei, kon zij veel van het gesprek verstaan. Een zweem van
+toornigen spot vloog over den strakken ernst harer trekken, terwijl zij
+luisterde, en hoorde hoe zij den grond verdeelden, over de wedijverende
+verdiensten hunner honden spraken, en orders gaven aangaande het
+vuren en de behandeling der vluchtelingen wanneer zij gevat werden.
+
+Cassy trad terug en met gevouwen handen omhoog ziende, zeide zij:
+"O, groote almachtige God, wij allen zijn zondaren; maar wat hebben
+wij meer dan alle anderen gedaan, dat wij zoo behandeld zouden worden?"
+
+Vreeselijk was de ernst in haren blik en hare stem, toen zij zoo sprak.
+
+"Als het niet om u was, kind," zeide zij, Emmeline aanziende, "zou ik
+onder hen uitgaan, en dien man onder hen dankbaar zijn, die mij in eens
+doodschoot; want waartoe zal de vrijheid mij baten? Kan zij mij mijne
+kinderen teruggeven, of mij weder maken tot hetgeen ik geweest ben?"
+
+Emmeline was in hare kinderlijke eenvoudigheid eenigszins bevreesd
+voor Cassy's sombere vlagen. Zij zag haar verbijsterd aan, maar
+gaf geen antwoord. Zij vatte slechts hare hand, met een streelend
+liefkoozende beweging.
+
+"Doe dat niet!" zeide Cassy, met eene poging om zich los te
+trekken. "Gij zult nog maken dat ik u liefkrijg, en ik wil nooit
+weder iets liefhebben."
+
+"Arme Cassy, denk zoo niet!" zeide Emmeline. "Als de Heere ons de
+vrijheid geeft, geeft Hij u misschien uwe dochter terug, en in allen
+gevalle zal ik als eene dochter voor u zijn. Ik weet wel dat ik mijne
+arme oude moeder nooit zal weerzien! Ik zal u liefhebben, Cassy,
+hetzij gij mij lief hebt of niet!"
+
+De zachte geest overwon. Cassy zette zich bij het meisje neer, sloeg
+haar arm om haren hals, streelde hare zachte bruine lokken, en toen
+verwonderde Emmeline zich over de schoonheid harer heerlijke oogen,
+thans door tranen beneveld.
+
+"O, Emmy!" zeide Cassy, "ik heb naar mijne kinderen gehongerd en naar
+hen gedorst en mijne oogen schemeren van verlangen naar hen. Hier,
+hier," vervolgde zij op hare borst slaande, "is alles woest, alles
+ledig! Als God mij mijne kinderen teruggaf, dan zou ik kunnen bidden."
+
+"Gij moet op Hem vertrouwen, Cassy," zeide Emmeline. "Hij is onze
+Vader."
+
+"Zijn toorn is op ons," antwoordde Cassy. "Hij heeft zich in gramschap
+van ons afgekeerd."
+
+"Neen, Cassy, Hij zal goed voor ons zijn! Laten wij op Hem hopen,"
+zeide Emmeline. "Ik heb altijd hoop gehad."
+
+
+
+De jacht duurde lang, en het geheele moeras werd nauwkeurig doorzocht,
+maar zonder eenig gevolg; en met zekere ernstige, spottende blijdschap
+zag Cassy op Legree neer, toen hij moede en verdrietig van zijn
+paard stapte.
+
+"En nu, Quimbo," zeide Legree, terwijl hij zich in de huiskamer op
+zijn gemak zette, "ga nu dien Tom eens hier halen, dadelijk! Die oude
+vervloekte rekel is dat aanlegger van het geheele geval, en ik zal
+het uit zijne zwarte huid halen of ik zal het hem betaald zetten."
+
+Hoewel Sambo en Quimbo elkander haatten, stemden zij toch overeen
+in een niet minder levendigen haat tegen Tom. Legree had hen in het
+begin gezegd, dat hij hem gekocht had om een algemeenen opzichter
+van hem te maken; en dit had reeds een wrok tegen hem gezet, die bij
+menschen van zulk een lage, slaafsche gezindheid nog was toegenomen,
+toen zij het ongenoegen van hunnen meester over hem zagen komen. Quimbo
+liep dus met blijdschap heen, om het bevel ten uitvoer te brengen.
+
+Tom hoorde deze boodschap met een waarschuwend voorgevoel, want hij
+was met het geheele plan der vluchtelingen en hare tegenwoordige
+schuilplaats bekend. Hij kende ook het gevaarlijke karakter van den
+man die hem liet roepen, en zijne despotische macht; maar met God
+voelde hij zich sterk genoeg om den dood tegemoet te gaan, liever
+dan de hulpeloozen te verraden.
+
+Hij zette zijne mand neer, en de oogen opslaande, zeide hij: "In
+Uwe handen beveel ik mijnen geest! Gij hebt mij verlost, o Heere,
+God van waarheid!" en toen liet hij zich gewillig door de ruwe hand
+van Quimbo aangrijpen en medesleepen.
+
+"Ja, ja," zeide de reusachtige zwarte, Tom voorttrekkende. "Nu zult gij
+er van lusten. Meester is dol van kwaadheid, dat kan ik je zeggen! Nu
+is er geen afkomen meer aan! Nu zult gij er van hebben! Wacht nu maar
+hoe het je bekomt, dat ge meesters slaven helpt wegloopen! Wacht nu
+maar wat je daarvoor krijgt."
+
+Geen van die dreigende woorden bereikten zijn oor, hij hoorde eene
+andere stem hem toeroepen: "Vrees niet voor degenen die het lichaam
+dooden, en daarna niet meer kunnen doen." Het geheele lichaam
+van dien armen man trilde bij deze woorden, alsof Gods vinger hem
+had aangeraakt, en hij voelde in zijne ziel de kracht van duizend
+zielen. Terwijl hij voortstapte schenen de boomen en struiken, de
+hutten zijner dienstbaarheid, het geheele tooneel zijner vernedering
+hem voorbij te vliegen, gelijk een landschap voorbij een voortrollende
+wagen. Zijn hart klopte sneller, zijn vaderland was in het gezicht--en
+het uur der verlossing scheen op handen.
+
+"Wel, Tom," zeide Legree, die naar hem toekwam en hem ruw bij zijnen
+schouder vatte, vol opgekropte woede door zijne tanden sissende,
+"weet je wel dat ik mij heb voorgenomen om je te vermoorden?"
+
+"Dat is wel waarschijnlijk, meester," antwoordde Tom met kalmte.
+
+"Ja, dat heb ik," hervatte Legree met dreigende bedaardheid; "dat
+heb ik, Tom, als ge mij niet alles zegt wat ge van die meiden weet."
+
+Tom zweeg.
+
+"Hoort ge niet?" bulderde Legree, nu uitbarstende. "Spreek!"
+
+"Ik heb niets te zeggen meester," antwoordde Tom, langzaam en bedaard.
+
+"Durft gij mij zeggen, gij oude en zwarte Christen, dat gij het niet
+weet?" zeide Legree.
+
+Tom zweeg weder.
+
+"Spreek!" schreeuwde Legree, hem woedend een slag gevende. "Weet
+gij iets?"
+
+"Ik weet iets, meester! maar ik kan niets zeggen. _Ik kan sterven._"
+
+Legree haalde diep adem, en zijne gramschap bedwingende, vatte hij
+Tom bij den arm en zeide, met zijn gezicht bijna vlak voor dat van
+zijn slachtoffer komende, met eene schrikkelijke stem:
+
+"Luister eens, Tom, gij denkt, omdat ik je voorheen heb losgelaten, dat
+ik nu niet meen wat ik zeg; maar deze maal heb ik mijn besluit genomen
+en de kosten berekend. Gij hebt het altijd tegen mij uitgehouden--maar
+nu zal ik je klein krijgen of vermoorden; het een of ander. Ik zal
+elken droppel bloeds tellen, dien gij in het lijf hebt, en ze een
+voor een aftappen, tot gij het opgeeft."
+
+Tom zag naar zijn meester op en antwoordde:
+
+"Meester, als gij ziek waart, of in ongeluk, of stervende, zou ik u
+mijn hartebloed geven; en als het aftappen van elken droppel bloeds
+uit dit ellendige lichaam uwe kostbare ziel kon behouden, zou ik het
+alles zoo geduldig geven, als de Heere het Zijne voor mij gegeven
+heeft. O, meester, breng die groote zonde niet op uwe ziel! Doe het
+ergste wat gij kunt, mijn leed zal spoedig voorbij zijn, maar als
+gij u niet bekeert, zal het uwe _nooit_ eindigen!"
+
+Gelijk een galm van hemelmuziek onverwachts in de tusschenpoos van
+een storm gehoord, veroorzaakte deze ontboezeming een oogenblik
+van doffe verbazing. Legree stond versteld en zag Tom aan; het was
+zoo stil, dat men duidelijk het tikken der klok kon hooren, die met
+haren slinger de laatste oogenblikken van genade en beproeving voor
+dat verstokte hart aftelde.
+
+Het was slechts een oogenblik--een kort oogenblik van aarzelend dralen,
+van besluiteloosheid, van opwellend berouw; en toen kwam de booze geest
+met zevenvoudig geweld terug en gaf Legree, schuimbekkende van woede,
+zijnen slaaf een vuistslag, die hem deed neerstorten.
+
+
+
+Tooneelen van bloedige wreedheid zijn stuitend voor de ooren en het
+hart. Wat de mensch in staat is te doen, is de mensch niet in staat
+om te hooren. Wat de medemensch en medechristen moet lijden, kan ons
+niet verhaald worden, zelfs niet in onze binnenkamer, zoo verscheurt
+het de ziel. En toch, o mijn vaderland, worden deze dingen onder
+de schaduw uwer wetten gedaan! O, Christus, uwe kerk ziet ze aan,
+bijna met stilzwijgen!
+
+Maar oudtijds was er Een, wiens lijden een werktuig van marteling,
+vernedering en schande in een zinnebeeld van heerlijkheid, eer en
+onsterfelijk leven veranderde; en waar Zijn geest is, daar kunnen
+slagen, bloed en smaadwoorden den laatsten worstelstrijd eens christens
+niet minder dan heerlijk maken.
+
+Was hij alleen in dien langen nacht, hij, wiens krachtige, liefderijke
+geest in die oude schuur tegen barbaarsche vuist- en geeselslagen
+standhield?
+
+Neen, er stond Een bij hem, alleen door hem gezien, "gelijk aan den
+Zoon van God!"
+
+Ook de verzoeker stond bij hem, verblind door woedende drift, en drong
+hem ieder oogenblik om die marteling te ontgaan, door de onschuldigen
+te verraden. Maar het dappere, trouwe hart bleef standvastig. Gelijk
+zijn meester, was het hem bekend, dat hij, als hij anderen wilde
+redden, zich zelven niet redden kon; en de uiterste mate van pijn kon
+hem geen andere woorden afpersen, dan van gebed en heilig vertrouwen.
+
+"Hij is al haast weg, meester," zeide Sambo, zijns ondanks getroffen
+door het geduld van het slachtoffer.
+
+"Sla maar toe, tot hij het opgeeft! Sla maar toe!" schreeuwde
+Legree. "Ik zal hem zijn laatsten droppel bloed uitknijpen, als hij
+niet bekent!"
+
+Tom opende zijne oogen en zag zijn meester aan.
+
+"Gij, arm, ellendig schepsel," zeide hij, "gij kunt niet meer
+doen. Ik vergeef u met geheel mijne ziel!" en met deze woorden viel
+hij in zwijm.
+
+"Ik geloof waarachtig dat hij al geheel zijn bekomst heeft," zeide
+Legree, nader komende om naar hem te zien. "Ja, zoo is het. Nu,
+dan is zijn mond toch eindelijk gesloten--dat is één goed ding!"
+
+Ja Legree, maar wie zal die stem in uwe ziel smoren--die ziel, waarvoor
+het gedaan is met berouw, gebed en hoop, waarin het vuur reeds brandt,
+dat nooit zal worden uitgebluscht?
+
+Het was echter nog niet geheel voorbij met Tom. Zijne verbazende
+woorden en vrome gebeden hadden het hart getroffen der verdierlijkte
+zwarten, die zwarten, die zich tot werktuigen der aan hem gepleegde
+wreedheid hadden geleend; en toen Legree zich verwijderd had, namen
+zij hem dadelijk af, en poogden hem in hunne onkunde tot het leven
+terug te brengen--alsof dat eene weldaad voor hem was.
+
+"Zeker, wij hebben eene geduchte goddeloosheid gedaan," zeide
+Sambo. "Ik hoop dat meester het zal te verantwoorden hebben en
+wij niet."
+
+Zij wieschen zijne wonden, legden hem op een ruw bed van afgekeurd
+katoen; en toen ging een van hen naar huis, en vroeg Legree om wat
+brandewijn, onder voorwendsel dat hij moede was en er zelf behoefte
+aan had. Hij bracht den brandewijn mede en goot dien Tom in de keel.
+
+"O, Tom," zeide Quimbo. "Wij zijn geducht goddeloos geweest, dat wij
+zoo met u gehandeld hebben."
+
+"Ik vergeef het u met geheel mijn hart," zeide Tom flauw.
+
+"O Tom, zeg ons, wie is die Jezus toch?" zeide Sambo. "Jezus, die u
+dezen ganschen nacht zoo heeft bijgestaan? Wie is hij?"
+
+Deze woorden wekten den bezwijmenden geest op. Hij ontboezemde een
+kort maar krachtig getuigenis van dien wonderbaren Helper--van Zijn
+leven, Zijnen dood, Zijne eeuwige alomtegenwoordigheid en Zijne macht
+om te redden.
+
+Zij schreiden, die twee barbaarsche negers.
+
+"Waarom heb ik dat nooit vroeger gehoord!" zeide Sambo. "Maar ik
+geloof het! Ik kan het niet laten! Heere Jezus, wees ons genadig!"
+
+"Arme schepselen!" zeide Tom. "Ik zou gewillig zijn om dat alles nog
+eens te dragen, als het u maar tot Christus mocht brengen. O, Heere,
+ik bid U, geef mij nog twee zielen!"
+
+Dat gebed werd verhoord.
+
+
+
+
+
+EEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK
+
+DE JONGE MEESTER
+
+
+Twee dagen later kwam een jonkman in een lichten wagen de laan van
+oranjeboomen oprijden, wierp de teugels haastig uit de hand, sprong
+af en vroeg naar den eigenaar van het goed.
+
+Het was George Shelby, en om te doen begrijpen hoe hij daar kwam,
+moeten wij een eind in het verhaal teruggaan.
+
+De brief van Miss Ophelia aan Mevrouw Shelby was door een ongelukkig
+toeval een paar maanden aan een afgelegen postkantoor opgehouden,
+eer hij zijne bestemming bereikte; en natuurlijk was Tom vóór dien
+tijd reeds tusschen de afgelegen moerassen aan de Roode rivier uit
+het oog verloren.
+
+Mevrouw Shelby las dit bericht met het diepste leedwezen, maar
+dientengevolge terstond iets te doen was eene onmogelijkheid. Zij
+zat toen bij het ziekbed van haren echtgenoot, die ijlende in de
+crisis eener koortsziekte lag. Jongeheer George Shelby, die in dien
+tusschentijd van een knaap tot een rijzig jonkman was veranderd,
+was haar getrouwe helper en haar eenige steun in het beheer der zaken
+van zijnen vader. Miss Ophelia was bedachtzaam genoeg geweest om den
+naam van den procureur te melden, die de zaken van de St. Clare's
+behandelde; en het eenige, wat onder deze omstandigheden kon gedaan
+worden, was hem een brief te schrijven om nadere inlichtingen te
+verzoeken. Het overlijden van Mr. Shelby, eenige dagen later, deed
+natuurlijk alle belangen, uitgezonderd die van den dringendsten aard
+waren, vergeten.
+
+Mr. Shelby had zijn vertrouwen op de bekwaamheden zijner vrouw getoond
+door haar tot executrice in zijne nalatenschap te benoemen, daardoor
+werd zij terstond met eene menigte van bezigheden overladen.
+
+Met hare eigenaardige geestkracht aanvaardde Mevrouw Shelby de taak
+om den ingewikkelden staat der zaken te ontwarren, en hield zich,
+door George geholpen, eenigen tijd bezig met rekeningen na te zien,
+bezittingen te verkoopen en schulden af te doen; want zij had zich
+voorgenomen alle zaken thans op een effen voet te brengen, wat ook de
+gevolgen daarvan mochten zijn. Intusschen ontvingen zij een brief van
+den rechtsgeleerde, naar wien Ophelia hen verwezen had, waarin deze
+meldde dat hij niets van de zaak wist; dat de man op eene publieke
+verkooping verkocht was, en hij niets anders zeggen kon, dan dat hij
+het geld had ontvangen.
+
+Mevrouw Shelby en haar zoon konden zich echter hiermede niet
+geruststellen, en toen George, ongeveer zes maanden later, voor de
+zaken zijner moeder eene reis de rivier af moest doen, besloot hij
+New-Orleans te bezoeken en in persoon navraag te doen, in de hoop
+van aldus te ontdekken waar Tom gebleven was.
+
+Na eenige maanden van vruchtelooze nasporingen, ontmoette George
+door een bloot toeval, te New-Orleans iemand, die hem de gewenschte
+inlichtingen kon geven; en daarna voer hij, van geld voorzien, met
+de stoomboot de Roode rivier op, met het besluit om zijn ouden vriend
+op te zoeken en terug te koopen.
+
+Legree kwam buiten en ontving den vreemdeling met zekere barsche
+gastvrijheid.
+
+"Ik verneem," zeide de jonkman, "dat gij te New-Orleans een jongen
+gekocht hebt, Tom geheeten. Hij placht op mijns vaders plaats te wezen,
+en ik kwam zien of ik hem niet kon terugkoopen."
+
+Legree's gezicht betrok, en hij antwoordde, driftig uitvallende: "Ja,
+ik heb zulk een kerel gekocht, en een duivels slechten koop heb ik
+aan hem gedaan. Zulk een weerspannige, onbeschaamde kerel! Hij heeft
+mijne negers opgestookt om weg te loopen en twee meiden voortgeholpen,
+die achthonderd of duizend dollars het stuk waard waren. Dat bekende
+hij, en toen ik hem beval te zeggen waar zij waren zeide hij dat hij
+het wel wist, maar het niet zeggen wilde; en daar bleef hij bij,
+hoewel ik hem de ergste geeseling gaf die ik nog ooit een neger
+gegeven heb. Ik geloof dat hij zijn best doet om dood te gaan, maar
+ik weet niet of het hem gelukken zal."
+
+"Waar is hij?" zeide George ongeduldig. "Laat mij hem zien."
+
+Het gezicht des jonkmans was bloedrood geworden, en zijne oogen
+schoten vonken; maar hij achtte het voorzichtig om nog niets te zeggen.
+
+"Hij is daar in die schuur," zeide eene kleine jongen, die het paard
+van George vasthield.
+
+Legree gaf den jongen vloekende een schop; maar George ging, zonder
+een woord te spreken, naar de aangeduide plaats.
+
+Tom had daar sedert dien noodlottigen nacht twee dagen gelegen,
+niet lijdende, want alle gevoel en vatbaarheid voor lijden was
+verdoofd. Hij lag meestal stil, in een halve bezwijming; want zijn
+gezond en sterk gestel wilde niet zoo terstond bezwijken en den
+gekerkerden geest vrijlaten. Tersluiks was hij daar in de duisternis
+van den nacht bezocht door eenige arme schepselen, die hunne karige
+uren van rust verkortten, om hem eenige dier liefdediensten terug te
+geven, waarin hij altijd zoo overvloedig was geweest. Het is waar,
+die arme discipelen hadden weinig te geven, alleen een beker koud
+water; maar die werd met volle harten gegeven.
+
+Tranen waren op dat goedige, gevoellooze gezicht gedroppeld--tranen van
+berouw, door die arme onwetende heidenen geschreid, die zijn geduld
+en zijne stervende liefde tot berouw hadden opgewekt, en bittere
+gebeden waren over hem uitgezucht tot een laat gevonden Verlosser,
+van wien zij nauwelijks meer wisten dan den naam, maar wien het
+smachtende hart van den onwetenden mensch nooit tevergeefs aanroept.
+
+Cassy, die uit hare schuilplaats was geslopen en door luisteren
+vernomen had welk een offer er voor haar en Emmeline was gebracht, was
+daar den vorigen nacht geweest, alle gevaar van ontdekking tartende;
+en bewogen door eenige laatste woorden, die de liefderijke ziel nog
+met inspanning van alle krachten kon fluisteren, was het hart der
+ongelukkige verzacht, en had de wanhopige vrouw geweend en gebeden.
+
+Toen George de schuur binnentrad, voelde hij zich duizelig en flauw
+worden.
+
+"Is het mogelijk? Is het mogelijk?" zeide hij, bij hem
+nederknielende. "Oom Tom! Mijn arme, arme vriend!"
+
+De stem had iets, dat in het oor van den stervende doordrong. Hij
+bewoog even het hoofd, glimlachte en zeide met de woorden van een
+methodistisch lied:
+
+
+ "Jezus kan door Zijn gena
+ 't Sterfbed tot een donzen peluw maken."
+
+
+Tranen, die zijn mannelijk hart eer aandeden, rolden den jongeling
+over de wangen, terwijl hij zich over zijnen armen vriend heenboog.
+
+"O, beste Oom Tom! Ontwaak toch--spreek toch nog eens! Zie op! Hier
+is George--uw kleine meester George.--Kent ge mij niet?"
+
+"Jongeheer George!" zeide Tom, zijn oogen openende, met eene uiterst
+flauwe stem. "Jongeheer George!" en zag hem verbijsterd aan.
+
+Langzaam scheen het denkbeeld zijne ziel te vervullen; de zwervende
+blik werd vast en helder, het geheele gezicht verlevendigde zich;
+de handen werden saamgevouwen en de tranen rolden over zijne wangen.
+
+"Gezegend zij de Heere! Dat is--dat is al wat ik verlangde! Zij hebben
+mij niet vergeten! Dat verwarmt mijne ziel, dat doet mijn oud hart
+goed! Nu zal ik tevreden sterven! Loof den Heere; o mijne ziel!"
+
+"Gij zult niet sterven, gij moet niet sterven! Denk er niet aan! Ik
+ben gekomen om u te koopen en weder naar huis te brengen," zeide
+George met hartstochtelijke aandoening.
+
+"O, meester George, gij komt te laat. De Heere heeft mij gekocht
+en zal mij naar huis brengen--en ik verlang om te gaan. De hemel is
+beter dan Kentucky."
+
+"O, sterf toch niet. Dat zou mij den dood doen. Het zal mij het hart
+breken te denken wat gij geleden hebt, en dat gij hier zoo in die
+oude schuur ligt! Arme, ongelukkige man!"
+
+"Noem mij geen arm, ongelukkig man," zeide Tom met plechtigen
+ernst. "Ik ben arm en ongelukkig geweest; maar dat is alles nu
+voorbij. Ik ben nu vlak aan de deur, ingaande tot de heerlijkheid! O,
+meester George, de hemel is gekomen! Ik heb de overwinning behaald! De
+Heere Jezus heeft mij die gegeven. Geprezen zij Zijn naam!"
+
+George was ontzet over de kracht en de levendigheid, waarmede deze
+afgebroken gezegden werden geuit. Hij bleef stil zitten staren.
+
+Tom vatte zijne hand en vervolgde: "Gij moet niet aan Chloe zeggen,
+die arme ziel, hoe gij mij gevonden hebt, dat zou zoo schrikkelijk
+voor haar wezen. Zeg haar maar, dat gij mij vondt, ingaande in de
+heerlijkheid en dat ik naar niemand wachten kon. En zeg dat de Heere
+mij altijd en overal heeft bijgestaan en mij alles licht en gemakkelijk
+heeft gemaakt. En o, de arme kinderen--mijn oud hart is bijna om
+hen gebroken, al zoolang. Zeg hun allen dat zij mij volgen--mij
+volgen. Geef mijn liefdegroet aan meester en de lieve meesteres,
+en iedereen op de plaats. O, gij weet het niet! Het is alsof ik hen
+allen even lief heb! Ik heb alle schepselen lief, overal--het is niets
+dan liefde! O, meester George, wat is het toch een christen te zijn!"
+
+Op dit oogenblik kwam Legree naar de deur kuieren, keek met een norsch
+gezicht en geveinsde onverschilligheid binnen en keerde zich weder om.
+
+"Die oude satan!" zeide George in zijne verontwaardiging. "Het is
+een troost, te denken dat de duivel hem eens hiervoor betalen zal."
+
+"O neen--zoo niet!" zeide Tom, zijne hand drukkende. "Hij is een
+arm, ellendig schepsel. Het is ontzettend om er aan te denken. O,
+als hij maar berouw wilde hebben, zou de Heere hem nog vergeven;
+maar ik vrees dat hij het nooit zal doen."
+
+"Ik hoop van neen," zeide George. "Ik zou hem nooit in den hemel
+willen zien."
+
+"Stil, meester George. Dat kwelt mij. Denk zoo niet. Hij heeft mij
+geen wezenlijk kwaad gedaan--hij heeft maar de poort van het koninkrijk
+voor mij geopend, anders niet."
+
+Op dit oogenblik was de kracht uitgeput, waarmede de blijdschap over
+het wederzien van zijn jongen meester den stervende plotseling had
+begaafd. Eensklaps begaf hem die opgewektheid weder; hij sloot de
+oogen, en die geheimzinnige verandering vertoonde zich op zijn gelaat,
+welke de nadering der andere wereld aankondigt.
+
+Hij begon dieper en zwaarder adem te halen; zijn breede borst zwoegde
+heftig op en neer. De uitdrukking van zijn gelaat was die van een
+overwinnaar.
+
+"Wie--wie--wie zal ons scheiden van de liefde van Christus?" zeide
+hij met eene stem, die met zijne doodelijke zwakheid streed; en met
+een glimlach viel hij in slaap.
+
+George bleef met eerbiedig ontzag stilzitten; het was hem alsof die
+plaats heilig was; en toen hij eindelijk de gebroken oogen sloot en
+van den doode opstond, vervulde hem slechts eene gedachte--die welke
+zijn eenvoudige vriend had uitgedrukt met de woorden: "Wat is het
+toch een christen te zijn!"
+
+Hij keerde zich om. Legree stond met een norsch gezicht achter hem.
+
+Het gezicht van zulk een stervende had het natuurlijk vuur van jeugdige
+hartstochtelijkheid gedempt. De tegenwoordigheid van dien man was
+voor George enkel walgelijk, en hij verlangde niets anders, dan zich
+maar met zoo weinig woorden als mogelijk was van hem te verwijderen.
+
+Zijne donkere sprekende oogen op Legree vestigende, zeide hij slechts:
+
+"Gij hebt alles gekregen wat gij ooit van hem hebben kunt. Wat zal ik u
+voor het lijk betalen? Ik wil het wegnemen en het behoorlijk begraven."
+
+"Ik verkoop geen doode negers," antwoordde Legree
+stuursch. "Mijnentwege moogt gij hem begraven waar en wanneer gij
+wilt."
+
+"Jongens," zeide George op een toon van gezag tot eenige negers, die
+er bij stonden, "helpt mij hem opnemen en naar mijnen wagen dragen,
+en haalt mij eene spa."
+
+Een van hen liep heen om eene spa; twee anderen hielpen George om
+het lijk naar den wagen te dragen.
+
+George zag niet eens om naar Legree, die zijne bevelen niet tegensprak,
+maar met gedwongen onverschilligheid stond te fluiten. Hij volgde
+hen met een strak gezicht naar de plaats, waar de wagen stond.
+
+George spreidde zijn mantel in den wagen, en liet het lijk behoedzaam
+daarin leggen, de bank opschuivende om ruimte daarvoor te maken. Toen
+keerde hij zich om, keek Legree strak aan en zeide met gedwongen
+bedaardheid:
+
+"Ik heb u nog niet gezegd wat ik over dit gruwelijk geval denk;
+dit is noch de tijd, noch de plaats. Maar, Mijnheer, dit onschuldig
+bloed zal recht hebben. Ik zal dezen moord bekend maken. Ik zal naar
+den eersten rechter gaan dien ik vind, en u aangeven."
+
+"Doe dat," antwoordde Legree, hoonend met zijne vingers knippende. "Ik
+zal het u zelfs gaarne zien doen. Waar zult gij getuigen krijgen? Hoe
+zult gij het bewijzen? Kom maar op."
+
+George begreep terstond hoe veilig Legree hem kon uitdagen. Er was
+geen blanke op de plantage, en in alle Zuidelijke gerechtshoven wordt
+de getuigenis van het gekleurde bloed voor niets geacht. Het was hem
+op dit oogenblik alsof de kreet om recht, dien zijn hart opzond,
+den hemel zelven moest binnendringen; maar het was vruchteloos,
+gerechtigheid op aarde te zoeken.
+
+"Wat een gedoe, zou ik zeggen, om een dooden neger!" zeide Legree.
+
+Dit woord was als de vonk in een kruitmagazijn. Voorzichtigheid is
+nooit de eerste deugd van een Kentuckisch jonkman geweest. George
+keerde zich om en gaf in zijne verontwaardiging Legree een vuistslag,
+die hem plat op zijn gezicht deed vallen; en terwijl hij daar bij
+hem stond gloeiende van gramschap en edelen trots, had hij geene
+slechte voorstelling kunnen geven van zijnen grooten naamgenoot,
+op het oogenblik zijner zegepraal over den draak.
+
+Voor sommige menschen is het echter werkelijk nuttig als zij eens
+door een vuistslag op den grond gesmakt worden. Wanneer men hen maar
+eens plat in het stof legt, schijnen zij terstond eerbied voor iemand
+te krijgen, en Legree behoorde tot deze soort. Toen hij opstond en
+zich het stof van de kleeren sloeg, keek hij den wegrijdenden wagen
+met zekere onderdanigheid na en opende zijn mond niet vóórdat George
+geheel uit het gezicht was.
+
+Buiten de grenzen der plantage had George een zandige hoogte opgemerkt,
+door eenige boomen beschaduwd. Daar maakten zij het graf.
+
+"Zullen wij den mantel afdoen, meester?" zeide een van de negers,
+toen het graf gereed was.
+
+"Neen, neen, begraaft hem daarmede. Het is alles wat ik u nu geven kan,
+arme Tom, en gij zult het hebben."
+
+Zij legden het lijk in het graf, vulden het zwijgend weder met aarde,
+hoopten die tot een heuveltje op, en bedekten dat met groene zoden.
+
+"Gij kunt gaan, jongens," zeide George en stopte ieder een halven
+dollar in de hand. Zij bleven echter dralen.
+
+"Als meester zoo goed wou zijn om ons te koopen," zeide er een.
+
+"Wij zouden hem zoo trouw dienen," zeide de ander.
+
+"Het is hier heel erg, meester," hernam de eerste. "Och koop ons toch!"
+
+"Ik kan niet--ik kan niet," antwoordde George met innig leedwezen,
+en wenkte hen om heen te gaan. "Het is onmogelijk."
+
+De arme lieden gingen stil en treurig heen.
+
+"Getuig, o eeuwig God," zeide George, op het graf van zijn armen
+vriend knielende, "getuig, dat ik van dit uur af doen zal wat één
+man kan doen, om dezen vloek der slavernij uit mijn land te drijven."
+
+Geen gedenkteeken kenmerkt de laatste rustplaats van onzen vriend. Hij
+behoeft er geen. Zijn Heere weet waar hij ligt en zal hem opwekken
+tot onsterfelijkheid, om met Hem te verschijnen wanneer Hij in Zijnen
+heerlijkheid verschijnen zal.
+
+Beklaag hem niet! Zulk een leven en zulk een dood vereischen geen
+beklag. Niet in den rijkdom der almacht is de grootste heerlijkheid
+Gods gelegen, maar in zelfverloochenende, lijdende liefde. En gezegend
+zijn de menschen, die Hij tot gemeenschap met Hem roept, om Hem het
+kruis met geduld na te dragen. Van dezulken staat het geschreven:
+
+"Zalig zijn die treuren, want zij zullen vertroost worden."
+
+
+
+
+
+TWEE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK
+
+EENE AUTHENTIEKE SPOOKHISTORIE
+
+
+Er bestond eene merkwaardige reden, waarom juist in dien tijd onder
+de bedienden op het goed van Legree buitengemeen veel spookhistoriën
+omliepen.
+
+Men vertelde elkander fluisterend, dat men in het holste van den
+nacht voetstappen de vlieringtrap had hooren afkomen en door het huis
+ronddwalen. Vruchteloos had men de deuren van de bovengang gesloten;
+het spook had òf een tweeden sleutel in den zak, òf bediende zich
+van het onheugelijke privilege der spoken, om door het sleutelgat
+te kruipen, en wandelde evenals anderen rond, met eene vrijheid,
+die inderdaad onrustbarend was.
+
+De stemmen waren eenigszins verdeeld, wanneer het op de beschrijving
+der uitwendige gedaante van den geest aankwam, hetgeen te
+wijten was aan een onder de negers--en zoover wij weten onder de
+blanken--heerschend gebruik, om bij zulke gelegenheden de oogen te
+sluiten, en het hoofd onder de dekens, of waaronder men anders kan,
+weg te stoppen. Natuurlijk worden, gelijk ieder bekend is, wanneer de
+lichamelijke oogen buiten werking zijn gesteld, de geestelijke oogen
+bijzonder scherpziend; en zoo had men toch een aantal portretten
+van het spook, die alle konden beëedigd worden; maar, gelijk met
+portretten meermalen het geval is, in geen enkel opzicht naar elkander
+geleken, behalve in dezen eigenaardigen familietrek van het geslacht
+der spoken--dat het een _wit laken_ droeg. De arme negers waren niet
+in de oude geschiedenis bedreven, en wisten niet dat Shakespeare dit
+kostuum voor het echte had verklaard, door te zeggen dat "de dooden
+in hunne _lijklakens_ gillend en mommelend door de straten van Rome
+rondwaarden." Het is dus een zeer opmerkelijk spookkundig verschijnsel,
+dat zij in dit opzicht allen overeenstemden.
+
+Hoe het hiermede mag gelegen zijn, wij hebben bijzondere redenen om te
+weten, dat in de voor vast aangenomen spookuren eene rijzige gedaante
+in een wit laken door het huis van Legree ronddwaalde--de deuren
+uit en om het huis heenzweefde--nu verdween, dan weder verscheen, en
+eindelijk de steile trap weder opging naar die noodlottige vliering;
+en dat men des morgens alle deuren even vast gesloten vond als ooit.
+
+Legree kon niet nalaten dit gefluister te bemerken; en het was des
+te meer hinderlijk voor hem door de moeite, die men deed om het
+voor hem te verbergen. Hij dronk meer brandewijn dan gewoonlijk;
+hield over dag trotsch het hoofd op en vloekte nog harder dan anders;
+maar des nachts had hij kwade droomen en gedachten die alles behalve
+aangenaam waren. Des avonds nadat het lijk van Tom was weggevoerd,
+reed hij naar de naaste stad om zich wat vroolijk te maken en dit
+deed hij terdege. Hij kwam laat en vermoeid tehuis, sloot zijne deur,
+nam den sleutel er uit en ging naar bed.
+
+Doch laat iemand doen wat hij wil om haar te smoren, eene menschelijke
+ziel is een akelige, spookachtige, onrustbarende bezitting voor een
+slecht mensch. Wie kent hare grenzen en perken? Wie kent al hare
+geduchte "misschiens"--die bevende en sidderende raadselvragen, die
+zij zich evenmin kan afwennen als zij hare eigene eeuwigheid kan
+overleven? Welk een dwaas is hij, die zijne deur sluit om geesten
+buiten te houden, terwijl hij in zijne eigene borst een geest heeft,
+dien hij niet _alleen_ durft ontmoeten--wiens stem gesmoord onder
+bergen van aardschgezindheid, toch als de waarschuwende bazuin des
+oordeels blijft klinken!
+
+Doch Legree sloot zijne deur en zette een stoel daartegen; hij plaatste
+een nachtlicht bij het hoofdeinde van zijn bed en legde zijne pistolen
+daarbij. Hij bezichtigde de sluitingen der vensters, zwoer toen met
+een vloek, "dat hij niet om den duivel en al zijne engelen gaf!" en
+ging slapen.
+
+Hij sliep, want hij was moede--hij sliep gerust. Maar eindelijk kwam
+er over zijn slaap een schaduw van iets ontzettends, iets vreeselijks,
+dat over hem heenging. Het was het lijklaken zijner moeder, dacht hij,
+maar het was Cassy, die het ophield en hem vertoonde. Hij hoorde
+een verward gerucht van gillen en kermen; en met dat al wist hij
+dat hij sliep en worstelde hij om wakker te worden. Hij was half
+wakker. Hij wist zeker dat er iets de kamer binnenkwam. Hij wist dat
+de deur geopend werd, maar hij kon hand noch voet bewegen. Eindelijk
+keerde hij zich met eene geweldige inspanning om. De deur was open,
+hij zag eene hand die zijn licht uitdeed.
+
+Het was eene bewolkte schemerachtige maneschijn en daar zag hij
+het!--iets wits, dat zwevende naderde! Hij hoorde het zachte geritsel
+van het spookgewaad. Het stond bij zijn bed stil; eene koude hand
+raakte de zijne aan; eene stem zeide driemaal zacht, ijzingwekkend
+fluisterende: "Kom! kom! kom!" En terwijl hij daar van angst lag te
+zweeten, was het, hij wist niet hoe of wanneer, verdwenen. Hij sprong
+uit zijn bed en trok aan de deur. Zij was vast gesloten, en hij viel
+op den grond in zwijm.
+
+Daarna werd Legree een sterker drinker dan te voren. Hij dronk niet
+meer voorzichtig en met bedachtzaamheid, maar onvoorzichtig en met
+woeste roekeloosheid.
+
+Kort daarna verspreidde zich in den omtrek het gerucht, dat hij
+ziek was en sterven zou. Door zijne uitspattingen had hij zich die
+vreeselijke ziekte berokkend, welke de dreigende schaduwen eener
+toekomstige vergelding over het tegenwoordige leven schijnt te
+werpen. Niemand kon het in die akelige ziekenkamer uithouden, wanneer
+hij raaskalde en gilde, en van verschijnselen sprak, welke hun,
+die hem hoorden, bijna het bloed deden stollen. Bij zijn sterfbed
+stond eene onverbiddelijk dreigende, witte gedaante en fluisterde:
+"Kom, kom, kom!"
+
+Door een zonderlingen loop van omstandigheden werd des ochtends na
+den nacht, toen deze gedaante Legree voor het eerst verscheen, de
+huisdeur open gevonden en hadden eenige negers twee witte schimmen
+de laan zien langs zweven, die naar de groote weg leidde.
+
+De zon zou haast opgaan, toen Cassy en Emmeline voor een oogenblik
+bleven stilstaan onder een groepje boomen, dicht bij de stad.
+
+Cassy was op de wijze der Creoolsche Spaansche dames gekleed,
+geheel in het zwart. Eene zwarte voile, zeer dicht geborduurd, die
+aan haar zwarten hoed was vastgemaakt, verborg haar gezicht. Het
+was afgesproken, dat zij op de vlucht de rol eener Creoolsche dame,
+en Emmeline die van haar kamenier zou spelen.
+
+Van hare kindsheid af aan den omgang in de hoogste kringen gewoon,
+was Cassy door hare spraak en manieren volkomen geschikt voor deze
+rol en zij had nog genoeg van hare eens prachtige garderobe en hare
+juweelen over, om zich behoorlijk daarvoor te kleeden.
+
+In eene buitenwijk der stad, waar zij opgemerkt had dat koffers te
+koop stonden, kocht zij een fraaien koffer. Zij verzocht den winkelier
+om dien koffer met haar mede te zenden. En aldus vergezeld door een
+jongen, die hare zware bagage kruide, en Emmeline, die eenige kleine
+pakjes droeg, kwam zij als eene voorname dame in de kleine herberg aan.
+
+De eerste, die haar daar in het oog viel was George Shelby, daar
+gekomen om op de stoomboot te wachten.
+
+Cassy had den jonkman van de vliering bespied, hem het lijk van Tom
+zien medenemen en zich heimelijk verheugd over de manier waarop hij
+Legree zijne verontwaardiging had doen gevoelen. Vervolgens had zij
+uit de gesprekken onder de negers, die zij beluisterd had, wanneer
+zij na het vallen van den nacht als spook rondzwierf, opgemaakt wie
+hij was en in welke betrekking hij tot Tom stond. Zij voelde dus
+terstond hare gerustheid sterker worden, toen zij bevond, dat hij
+evenals zij op de volgende boot wachtte.
+
+Cassy's voorkomen en manieren, met hare blijkbare ruimte van geld
+vereenigd, voorkwamen alle neiging tot achterdocht in de herberg. Men
+is nooit zeer achterdochtig ten opzichte van menschen, die in de
+hoofdzaak van goed betalen den toets kunnen doorstaan--iets waarop
+Cassy had gerekend, toen zij zich van geld voorzag.
+
+Tegen den avond kwam de boot aan, en George bood haar met die
+beleefdheid, welke een Kentuckiër eigen is, de hand om haar aan boord
+te helpen, waarna hij nog verder moeite deed om haar eene goede hut
+te bezorgen.
+
+Cassy bleef, onder voorwendsel van ongesteldheid, in hare hut en te
+bed, zoolang men op de Roode Rivier was, en werd door hare gezellin
+met gedienstige zorgvuldigheid opgepast.
+
+Toen zij aan de Mississippi kwamen, deed George, die vernomen had dat
+de vreemde dame, evenals hij, hoogerop moest, het voorstel om eene
+plaats voor haar op dezelfde boot te nemen waarop hij gaan wilde,
+daar hij uit goedhartigheid en medelijden met hare ongesteldheid,
+haar gaarne zooveel mogelijk van dienst wilde zijn.
+
+Ziedaar dan het geheele gezelschap veilig overgebracht op de goede
+stoomboot te Cincinnatie, die met al de kracht harer raderen de
+rivier opvaart.
+
+Cassy's gezondheid was veel beter. Zij zat op het dek, kwam aan tafel
+en trok op de boot de aandacht als eene dame die eens zeer schoon
+moest geweest zijn.
+
+Van het oogenblik af dat George haar gezicht voor de eerste maal
+zag, werd hij gekweld door eene dier onbepaalde herinneringen van
+gelijkenis, waardoor bijna ieder nu en dan verbijsterd wordt. Hij kon
+het niet nalaten haar gedurig aan te zien. Aan de tafel, of als zij
+in de deur van hare hut zat, vond zij steeds de oogen des jonkmans
+op haar gevestigd, hoewel zij beleefd werden afgewend wanneer het
+bleek dat zij daarop lette.
+
+Cassy werd ongerust. Zij begon te denken dat hij iets vermoedde en
+besloot eindelijk zich geheel op zijne edelmoedigheid te verlaten en
+hem hare geschiedenis toe te vertrouwen.
+
+George was hartelijk genegen om zijne belangstelling te toonen voor
+iedereen, die van de plantage van Legree was ontkomen, eene plaats
+waarvan hij niet met bedaardheid kon spreken; en met die dappere
+onverschilligheid voor alle gevolgen, welke eene eigenschap van zijne
+jaren en zijn karakter was, verzekerde hij haar dat hij alles zou doen
+wat in zijn vermogen was, om de twee vluchtelingen te beschermen en
+voort te helpen.
+
+De hut naast die van Cassy was door eene Fransche dame bezet, welke
+den naam van De Thoux droeg, en haar dochtertje, een bevallig meisje
+van twaalf jaren, bij zich had.
+
+Toen deze dame uit eenige gezegden van George had opgemaakt dat hij
+van Kentucky was, scheen zij bijzonder genegen om kennis met hem
+te maken, in welk oogmerk zij werd bijgestaan door de aanvalligheid
+van haar dochtertje, dat zulk een aardig speelpopje was, als ooit de
+verveling eener veertiendaagsche reis met eene stoomboot verminderde.
+
+Dikwijls stond George's stoel bij de deur harer hut, en dan kon Cassy,
+als zij hare deur openliet, het gesprek hooren.
+
+Madame De Thoux deed zeer omstandig navraag naar Kentucky, waar zij
+zeide dat zij vroeger had gewoond. Tot zijne verwondering ontdekte
+George dat hare vroegere woonplaats in zijne nabijheid moest geweest
+zijn, en hare vragen legden eene gemeenzaamheid met de menschen en
+dingen in die streek aan den dag, welke hem zeer verraste.
+
+"Kent gij ook in uwe buurt iemand, die Harris heet?" vroeg Madame De
+Thoux eens.
+
+"Er is een oude kerel van dien naam, die niet ver van mijns vaders
+goed woont," antwoordde George, "maar wij hebben nooit veel omgang
+met hem gehad."
+
+"Hij is een groot slavenhouder, geloof ik," zeide Madame De Thoux op
+eene manier die meer belangstelling scheen te verraden dan zij wel
+wilde laten blijken.
+
+"Dat is hij," zeide George eenigszins verwonderd over haren toon.
+
+"Hebt gij er nooit van gehoord--misschien hebt gij er wel van gehoord,
+dat hij een mulat had die George heette?"
+
+"O zeker--George Harris--ik ken hem wel; hij is met eene meid van
+mijne moeder getrouwd; maar hij is nu naar Canada ontsnapt."
+
+"Is hij dat?" zeide Madame De Thoux snel. "Goddank!"
+
+George zag haar bevreemd aan, maar zeide niets.
+
+Madame De Thoux liet haar hoofd in hare handen zinken en barstte in
+tranen uit.
+
+"Hij is mijn broeder!" zeide zij.
+
+"Madame!" zeide George, op den toon der hoogste verbazing.
+
+"Ja," zeide Madame De Thoux, trotsch het hoofd opheffende en hare
+tranen afwisschende. "Ja, Mijnheer Shelby, George Harris is mijn
+broeder."
+
+"Ik ben geheel verbaasd," zeide George, zijn stoel een eind
+terugschuivende en Madame De Thoux aanziende.
+
+"Ik werd naar het Zuiden verkocht, toen hij nog een kind was,"
+zeide zij. "Ik werd gekocht door een braaf, edelmoedig man. Hij nam
+mij mede naar de West-Indiën, liet mij vrij en trouwde mij. Het is
+nog maar kort geleden dat hij stierf, en ik kwam nu naar Kentucky,
+om te zien of ik mijn broeder kon vinden en vrijkoopen."
+
+"Ik heb hem van eene zuster Emily hooren spreken, die naar het Zuiden
+verkocht was," zeide George.
+
+"Ja, die ben ik," zeide Madame De Thoux. "Maar zeg mij wat voor
+een...."
+
+"Een zeer knap jonkman," zeide George, "in weerwil van den vloek der
+slavernij, die op hem lag. Hij verdiende algemeene achting, zoowel
+om zijne schranderheid als om zijne braafheid. Dat weet ik, ziet ge,"
+vervolgde hij, "omdat hij in onze familie getrouwd was."
+
+"Wat voor een meisje?" zeide Madame De Thoux snel.
+
+"Een juweel," antwoordde George. "Een schoon, verstandig, beminnelijk
+meisje en zeer godsdienstig. Mijne moeder had haar grootgebracht
+en bijna zoo zorgvuldig opgevoed als eene dochter. Zij kon lezen en
+schrijven, naaien en borduren, alles uitmuntend en was eene heerlijke
+zangeres."
+
+"Was zij in uw huis geboren?" vroeg Madame De Thoux.
+
+"Neen. Mijn vader kocht haar eens, toen hij te New-Orleans was, en
+bracht haar mede als een presentje voor mijne moeder. Zij was toen
+omtrent acht of negen jaar oud. Vader wilde moeder nooit zeggen wat
+hij voor haar gaf; maar toen ik laatst zijne oude papieren nazag,
+vond ik den koopbrief. Hij had inderdaad eene buitensporige som voor
+haar betaald, waarschijnlijk om hare ongemeene schoonheid."
+
+George zat met zijnen rug naar Cassy en lette niet op de vurige
+belangstelling, die haar gelaat uitdrukte, toen hij deze bijzonderheden
+vermeldde.
+
+Nu stiet zij hem aan den arm en zeide bleek van aandoening en angstige
+spanning: "Weet gij ook van wien hij haar kocht?"
+
+"Een man die Simmons heette, was geloof ik de principaal bij den
+verkoop, tenminste dat was, als ik mij wel bedenk, de naam die onder
+den koopbrief stond."
+
+"O, mijn God!" zeide Cassy en zonk bewusteloos op het dek.
+
+George sprong op en Madame De Thoux insgelijks. Hoewel zij geen van
+beiden konden gissen wat de oorzaak van Cassy's flauwvallen was,
+maakten zij toch al de opschudding, die bij zulke gelegenheden
+behoort. George gooide in het vuur zijner menschlievendheid de
+lampetkan om en brak twee glazen; en de dames in de kajuit, hoorende
+dat er iemand flauw gevallen was, verdrongen elkander bij de deur
+der hut en sloten de lucht zooveel mogelijk af, zoodat er over het
+geheel alles gedaan werd, wat men kon verwachten.
+
+Arme Cassy! Toen zij weder bijkwam, keerde zij haar gezicht naar den
+wand en schreide en snikte als een kind. Misschien moeder, kunt gij
+zeggen waaraan zij dacht. Misschien kunt gij het niet. Maar in dat
+uur voelde zij zich zoo zeker dat God barmhartigheid met haar had
+gehad, en dat zij hare dochter zou wederzien, als toen zij maanden
+later--maar wij loopen te veel vooruit.
+
+
+
+
+
+DRIE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK
+
+DE AFLOOP
+
+
+Het overige onzer geschiedenis is spoedig verhaald. George Shelby,
+wiens belangstelling, (gelijk bij een jonkman niet anders wezen
+kon) niet minder door het romaneske van het gebeurde, dan door
+zijn menschlievend gevoel werd gewekt, moest de moeite doen van
+Cassy den koopbrief van Eliza over te zenden, en daar naam en datum
+overeenstemden met hetgeen zij zelve van de zaak wist, bleef er voor
+haar geen twijfel over, of deze Eliza was haar eigen kind. Thans was
+het haar eenige gedachte de vluchtelingen op te sporen.
+
+Madame De Thoux en zij, door dezen zonderlingen samenloop van
+omstandigheden aan elkander gehecht, begaven zich terstond naar Canada
+en deden een reis, om navraag te doen op al de stations, waar de
+talrijke vluchtelingen uit de slavernij zich ophouden, te Amhertsberg
+vonden zij den zendeling bij wien George en Eliza bij hunne aankomst in
+Canada het eerst een schuilplaats hadden gevonden, en door hem werden
+zij in staat gesteld om het spoor der familie naar Montreal te volgen.
+
+George en Eliza waren nu vijf jaren vrij geweest. George had bestendige
+bezigheden gevonden in de werkplaats van een braven machinist, waar
+hij genoeg verdiende tot onderhoud van zijn gezin, dat intusschen
+met eene dochter was vermeerderd.
+
+Kleine Harry, thans een frisch opgegroeide, schrandere knaap, was
+op een goede school besteld, waar hij snelle vorderingen in allerlei
+kundigheden maakte.
+
+De brave leeraar van het station te Amhertsberg, waar George het eerst
+was aangekomen, stelde zooveel belang in het verhaal van Madame De
+Thoux en Cassy, dat hij aan het verlangen der eerste gehoor gaf, om
+haar naar Montreal te vergezellen en haar in hare nasporingen aldaar
+behulpzaam te zijn, terwijl zij al de kosten der reis zou dragen.
+
+Het tooneel wordt nu verplaatst naar eene kleine nette woning in
+eene buitenwijk van Montreal, en de tijd is avond. Een vroolijk vuur
+brandt aan den haard, eene theetafel met een sneeuwwit kleed bedekt,
+staat gereed voor den avondmaaltijd. In een hoek van het vertrek staat
+een tafel met een groen kleed, en daarop een schrijflessenaartje met
+pennen en papier, en aan den wand is een plank met welgekozen boeken.
+
+Die hoek was George's studeerkamer. Dezelfde zucht naar kennis,
+die hem ter sluiks de veelgewenschte lees- en schrijfkunst had doen
+leeren, onder al den arbeid en de tegenheden van zijn vroeger leven,
+spoorde hem nu aan om al zijn ledigen tijd aan de vermeerdering zijner
+kundigheden te wijden.
+
+Op het oogenblik zit hij aan tafel en maakt aanteekeningen uit een
+boek dat hij gelezen heeft.
+
+"Kom, George," zegt Eliza, "ge zijt den geheelen dag uit geweest. Leg
+nu dat boek toch neer, en laten wij wat praten terwijl ik thee zet,
+kom!"
+
+En de kleine Eliza helpt haar door naar haren vader te waggelen en
+eene poging te doen om hem het boek uit de hand te trekken en zich
+zelve in plaats daarvan op zijne knie te zetten.
+
+"O, gij kleine heks," zegt George toegevende, gelijk een man in zulke
+omstandigheden altijd doen moet.
+
+"Goed zoo," roept Eliza, terwijl zij het brood begint te snijden.
+
+Zij ziet er een weinigje ouder uit, hare gestalte is wat meer gezet,
+heur haren zijn wat stemmiger opgemaakt dan voorheen, maar blijkbaar
+is zij zoo gelukkig en tevreden als eene vrouw maar behoeft te zijn.
+
+"Wel Harry, mijn jongen, hoe zijt ge vandaag met die som
+klaargekomen?" zegt George, terwijl hij zijne hand op het hoofd van
+zijn zoontje legt.
+
+Harry heeft zijne lange krullen verloren; maar hij kan nooit die
+oogen verliezen, en dat hooge edele voorhoofd, waarnaar een blos van
+zegevierende blijdschap opstijgt, terwijl hij antwoordde: "Ik heb
+haar gemaakt, heel en al zelf vader; _niemand_ heeft mij geholpen."
+
+"Goed zoo!" zegt zijn vader. "Help u zelven maar, jongen. Gij hebt
+beter kans dan uwe vader ooit gehad heeft."
+
+Op dit oogenblik wordt er aan de deur geklopt en Eliza gaat
+opendoen. Haar verheugd: "Wel heden--zijt gij daar?" roept haar man;
+en de goede zendeling van Amhertsberg wordt verwelkomd. Hij heeft
+twee vrouwen bij zich en Eliza verzoekt dezen om te gaan zitten.
+
+Om nu de waarheid te zeggen, had de goede zendeling een klein
+programma vastgesteld, volgens hetwelk de zaak zich moest ontwikkelen;
+en onderweg had hij allen zeer ernstig en bedachtzaam vermaand,
+om niets te laten blijken behalve volgens vroegere afspraak.
+
+Hoe stond de goede man dus versteld, toen, juist nadat hij de dames
+gewenkt had om plaats te nemen, en terwijl hij zijn zakdoek uithaalde
+om zijn mond af te vegen, opdat hij naar behooren zijne inleidingsrede
+zou kunnen voordragen, Madame De Thoux het geheele plan in duigen
+wierp, door hare armen om George's hals te slaan en alles in eens
+uit te brengen, met den uitroep: "O, George, kent ge mij niet? Ik
+ben uwe zuster Emily!"
+
+Cassy was met meer bedaardheid gaan zitten, en zou hare rol zeer goed
+gespeeld hebben, zoo niet de kleine Eliza eensklaps voor haar was
+verschenen in dezelfde gedaante, zelfs met de volmaakste gelijkenis
+in elke krul, die hare dochter had, toen zij deze voor het laatst
+had gezien. Het kleine ding keek naar haar op; en Cassy sloot haar
+in hare armen, drukte haar aan hare borst, en zeide wat zij op het
+oogenblik inderdaad geloofde: "Lieveling, ik ben uwe moeder!"
+
+Het was inderdaad eene moeilijke zaak om in behoorlijke orde af
+te doen; maar eindelijk gelukte het den goeden zendeling toch om
+iedereen stil te krijgen en de redevoering uit te spreken, waarmede
+hij voornemens was te beginnen en waarmede hij nu toch zooveel indruk
+maakte, dat geheel zijn gehoor zat te snikken op eene manier, die
+elken redenaar, uit ouden of nieuwen tijd, moest tevreden stellen.
+
+Zij knielden te zamen, en de goede man bad--want er zijn sommige
+aandoeningen, zoo woelig en onstuimig, dat zij alleen rust kunnen
+vinden door in den boezem van de Almachtige Liefde te worden
+uitgestort; en toen opstaande, omhelsden de pas gevonden betrekkingen
+elkander met een heilig vertrouwen op Hem, die hen door zulke angsten
+en gevaren, langs zulke zonderlinge wegen, bij elkander had gebracht.
+
+Het aanteekenboekje van een zendeling onder de vluchtelingen in
+Canada bevat waarheid, veel vreemder dan verdichting. Hoe kan het
+anders wezen, waar een stelsel heerscht; dat familiën rondslingert en
+hare leden verstrooit, gelijk de wind de herfstbladeren rondslingert
+en verstrooit? Die kusten van toevlucht vereenigen dikwijls weder,
+gelijk de kusten van de eeuwigheid, in blijde gemeenschap, harten,
+die elkander jarenlang als verloren betreurd hebben en aandoenlijk
+boven alle beschrijving is het ernstige verlangen, waarmede elk nieuw
+aankomende onder hen ontvangen wordt, of hij misschien ook tijding
+medebrengt van moeder, zuster, vrouw of kind, nog in den nacht der
+slavernij voor het gezicht verborgen.
+
+Heldendaden worden hier verricht, stouter dan in romans voorkomen,
+wanneer de vluchteling, gevaar en dood tartende, zich weder tusschen
+de verschrikkingen en gevaren van dat donkere land begeeft, om eene
+zuster, moeder of vrouw daaruit te verlossen.
+
+Een jonkman, van wien een zendeling ons verhaald heeft,
+tweemaal opgevangen en tweemaal met schandelijke slagen voor zijne
+heldhaftigheid gestraft, was wederom ontsnapt; en in eenen brief, dien
+wij hoorden voorlezen, zegt hij zijnen vrienden dat hij voor de derde
+maal teruggaat, om eindelijk als het mogelijk is zijne zuster mede te
+brengen. Mijn goede heer, is deze man een held of een misdadiger? Zoudt
+gij niet evenveel voor uwe zuster doen? En gij kunt hem laken?
+
+Doch om weder tot onze vrienden terug te keeren, die toen wij
+hen verlieten bezig waren met zich de oogen af te vegen en zich te
+herstellen van eene al te groote en plotselinge blijdschap--zij zijn
+nu om de gezellige tafel gezeten, en schijnen reeds lang met elkander
+eigen te zijn; behalve dat Cassy, die de kleine Eliza op haren schoot
+heeft, haar nu en dan vastklemt op eene manier welke het kind verbaast,
+en hardnekkig weigert zich den mond zoo vol koek te laten stoppen als
+de kleine verlangt, zeggende hetgeen het meisje tamelijk bevreemdt,
+dat zij wat beters heeft dan koek en geen eten noodig heeft.
+
+En inderdaad, in twee of drie dagen had er zulk een verandering
+met Cassy plaats gehad, dat onze lezers haar nauwelijks zouden
+herkennen. De wanhopige, akelige uitdrukking harer trekken had voor
+eene geheel andere plaats gemaakt, die niets dan zoet vertrouwen
+aanduidde. Zij scheen op eens geheel eigen in de familie te worden,
+en de kleinen in haar hart op te nemen, als iets waarnaar zij lang
+had gewacht. Haar liefde scheen zelfs rijkelijker en natuurlijker
+voor de kleine Eliza op te wellen, dan voor hare eigene dochter,
+want het meisje was het volmaakte beeld van het kind dat zij eens
+verloren had. De kleine was een bloemenband tusschen moeder en dochter,
+waardoor kennismaking en genegenheid werden aangeknoopt. Eliza's kalme,
+onwankelbare godsvrucht, door de gedurige lezing van het heilige
+woord bestuurd, maakte haar tot eene geschikte leidsvrouw voor den
+geslingerden en vermoeiden geest harer moeder. Cassy zwichtte terstond
+en met geheel hare ziel voor allen goeden invloed, en werd eene vrome
+en liefderijke christinne.
+
+Na een paar dagen sprak Madame De Thoux met haren broeder meer in
+het bijzonder over hare aangelegenheden. De dood van haren echtgenoot
+had haar in het bezit van een aanzienlijk vermogen gelaten, dat zij
+grootmoedig aanbood met haren broeder te deelen. Toen zij George
+vroeg op welke wijze zij haar geld het best voor hem besteden kon,
+antwoordde hij:
+
+"Geef mij eene opvoeding Emily. Dat is altijd het verlangen van mijn
+hart geweest. Dan kan ik al het overige doen."
+
+Na rijp beraad werd er besloten, dat de geheele familie zich voor
+eenige jaren naar Frankrijk zou begeven, en daarheen vertrokken zij
+dan ook, Emmeline met zich nemende.
+
+De bevalligheid van dit meisje wekte de genegenheid van den eersten
+stuurman op het schip, waarmede zij de reis deden, en kort nadat zij
+in de haven kwamen werd zij zijne vrouw.
+
+George bleef vier jaren aan eene Fransche universiteit, en daar hij
+met onvermoeiden ijver arbeidde, was hij na verloop van dien tijd
+meester van even grondige als uitgebreide kundigheden.
+
+De staatkundige onlusten in Frankrijk bewogen de familie om wederom
+eene schuilplaats in Amerika te zoeken.
+
+George's begrippen en inzichten, na het volbrengen zijner studiën,
+zullen het best kunnen worden opgemaakt uit een brief aan een zijner
+vrienden.
+
+
+ "Ik ben eenigszins besluiteloos wat mijne toekomstige
+ loopbaan betreft. Het is waar, gelijk gij mij gezegd hebt,
+ ik zou in de kringen der blanken in dit land kunnen verkeeren;
+ mijne tint van kleur is zoo gering, en die van mijne vrouw en
+ kinderen nauwelijks merkbaar. Nu ja, ik zou misschien geduld
+ worden. Maar om u de waarheid te zeggen, ik verlang dit niet.
+
+ "Ik gevoel mij niet aan het geslacht van mijnen vader, maar
+ aan dat mijner moeder gehecht. Voor hem was ik niet meer dan
+ een geliefkoosde hond of een fraai paard; voor mijne arme,
+ ongelukkige moeder was ik een kind, en hoewel ik haar na de
+ wreede verkooping die ons scheidde nooit heb wedergezien tot
+ zij stierf, weet ik toch dat zij mij altijd teeder liefhad. Ik
+ weet dat aan mijn eigen hart. Wanneer ik aan haar lijden denk,
+ aan wat ik zelf vroeger geleden heb, aan wat mijne heldhaftige
+ vrouw heeft doorstaan en doorworsteld, aan mijne zuster die
+ te New-Orleans op de slavenmarkt werd verkocht--hoewel ik
+ geen onchristelijk gevoel hoop te koesteren, zal het wel bij
+ mij te verschoonen zijn, als ik zeg dat ik niet verlang voor
+ een Amerikaan door te gaan, of mij met hen gelijk te stellen.
+
+ "Het is met den verdrukten Afrikaan, dat ik mij verbroederen
+ wil; en als ik iets wenschte, zou het zijn dat ik twee tinten
+ donkerder was, in plaats van eene tint lichter.
+
+ "Het smachtende verlangen mijner ziel is eene Afrikaansche
+ nationaliteit. Ik wensch een volk, dat een zichtbaar
+ afzonderlijk eigen bestaan heeft; en waar zal ik dat
+ zoeken? Niet op Haïti; want op Haïti had men niets om mede te
+ beginnen. Een stroom kan niet boven zijne bron rijzen. Het
+ geslacht, dat het karakter der Haïtianen vormde, was een
+ versleten en verwijfd geslacht, en natuurlijk zal het eeuwen
+ lang duren, eer het eens daaraan onderworpen geslacht zich
+ tot iets verheft.
+
+ "Waar zal ik dan zoeken? Op de kusten van Afrika zie ik eene
+ republiek, eene republiek gevormd uit uitgelezen mannen, die
+ zich veelal door geestkracht en eigen ontwikkeling persoonlijk
+ boven den staat van slavernij hebben verheven. Nadat zij een
+ voorbereidenden toestand van zwakheid heeft doorleefd, is
+ deze republiek eindelijk eene erkende natie op het aangezicht
+ des aardrijks geworden--door Engeland en Frankrijk beide
+ erkend. Daar verlang ik heen te gaan en een vaderland te
+ vinden.
+
+ "Ik weet wel dat ik u allen tegen mij zal hebben, maar eer
+ gij vonnis velt, hoor mij aan. Gedurende mijn verblijf in
+ Frankrijk heb ik met vurige belangstelling de geschiedenis
+ van mijn volk in Amerika nagegaan. Ik heb op de worsteling
+ tusschen abolitionisten en colonisationisten gelet, en als
+ verwijderd toeschouwer ben ik op gedachten gekomen die mij
+ als deelnemer aan dien kamp nooit hadden kunnen invallen.
+
+ "Ik geef toe dat dit Liberia tot allerlei oogmerken
+ gebruikt mag zijn en door de list onzer onderdrukkers
+ tegen ons is aangewend. Zonder twijfel kan het plan, op eene
+ onverschoonlijke manier, gebezigd zijn als een middel om onze
+ emancipatie te verdagen. Maar voor mij is de vraag: is er niet
+ een God boven alle menschelijke plannen en aanslagen? Kan
+ Hij hunne oogmerken niet hebben verijdeld en daardoor een
+ volk voor ons hebben gesticht?
+
+ "In dezen tijd wordt een volk in éénen dag geboren. Een volk,
+ dat thans ontstaat, heeft de oplossing van al de groote
+ vraagstukken, die met republikeinsche staatsinstelling
+ en beschaving in verband staan, uitgewerkt vóór zich; het
+ behoeft niet te ontdekken, maar alleen toe te passen. Laten
+ wij dan met al onze macht handen aan het werk slaan en zien
+ wat wij met deze nieuwe onderneming kunnen doen, en het
+ geheele, heerlijke vasteland van Afrika ligt voor ons en
+ onze kinderen open. Ons volk zal den stroom der beschaving
+ en des Christendoms langs zijne kusten voortstuwen en daar
+ machtige republieken vestigen, die met de snelheid van den
+ tropischen plantengroei vastwortelende, voor alle eeuwen
+ zullen blijven bestaan.
+
+ "Zegt gij dat ik mijne ongelukkige broederen, die nog in
+ slavernij verkeeren, verlaat? Ik geloof van neen. Als ik
+ hen een uur, een oogenblik van mijn leven vergeet, zoo moge
+ God mij vergeten! Maar wat kan ik hier voor hen doen? Kan ik
+ hunne ketenen verbreken? Neen, als individu kan ik dat niet;
+ maar laat ik heengaan en een deel worden van een volk, dat
+ eene stem zal hebben in den raad der volken, en dan kunnen wij
+ spreken. Een volk bezit het recht om zich te doen hooren en
+ de zaak van zijnen stam te vertegenwoordigen, dat een enkel
+ persoon niet bezit.
+
+ "Indien Europa ooit een groote raad van vrije volken wordt,
+ gelijk ik van God vertrouw dat het worden zal--indien
+ de lijfeigenschap en alle onrechtvaardige en drukkende
+ maatschappelijke ongelijkheden afgeschaft worden, en
+ indien zij, gelijk Frankrijk en Engeland gedaan hebben, ons
+ volksbestaan erkennen--dan zullen wij ons op het groote congres
+ der volken beroepen en daarin de zaak van onzen verdrukten
+ stam vertegenwoordigen; en het kan niet anders of het vrije,
+ verlichte Amerika zal dan verlangen om de vlek van zijn
+ wapenschild uit te delgen, welke het voor de volken onteert
+ en zoowel voor de verdrukkers als de verdrukten een vloek is.
+
+ "Doch gij zult mij zeggen, dat onze stam evenveel recht heeft
+ om zich met de Amerikaansche republiek te vereenzelvigen als
+ de Ier, de Duitscher, de Zweed. Toegestemd, dat heeft hij. Wij
+ behoorden vrijheid te hebben om ons met anderen gelijk te
+ stellen en te vermengen--om ons door persoonlijke waarde
+ hooger te verheffen, zonder eenig aanzien van stam en kleur;
+ en zij, die ons dat recht ontzeggen, verzaken de beginselen
+ van menschelijke gelijkheid die zij belijden. Wij behoorden
+ in het bijzonder dit hier te mogen doen. Wij hebben meer
+ recht dan gewone menschen--wij hebben als verongelijkte stam
+ aanspraak op vergoeding. Maar ik verlang dit niet; ik verlang
+ een eigen vaderland en volk. Ik denk dat de Afrikaansche stam
+ eigenaardigheden bezit, die nog in het licht der beschaving
+ en des Christendoms ontwikkeld moeten worden, en welke, indien
+ zij niet naar de eigenaardigheden der Anglo-Saksers gelijken,
+ misschien kunnen blijken van nog hoogeren zedelijken rang
+ te zijn.
+
+ "Aan den Anglo-Saksischen stam is de bestemming der wereld
+ toevertrouwd gedurende haar aanvankelijk tijdperk van
+ worsteling en strijd. Voor die roeping waren de stugge,
+ onbuigzame, krachtige eigenschappen van dien stam uitmuntend
+ geschikt; maar als christen verwacht ik de komst van een ander
+ tijdperk. Ik vertrouw dat wij op de grens daarvan staan;
+ en de woelingen, die tegenwoordig de volken beroeren, zijn
+ naar ik hoop slechts de voorboden van een tijd van algemeenen
+ vrede en broederschap.
+
+ "Ik vertrouw dat de ontwikkeling van Afrika wezenlijk eene
+ christelijke zal zijn. Indien geen heerschende en gebiedende
+ stam, zijn de negers ten minste een liefderijke, grootmoedige,
+ vergevensgezinde stam. Zij worden geroepen, terwijl zij zich
+ in den vurigen oven van onrecht en onderdrukking bevinden,
+ zij moeten dus wel hunne harten te vaster hechten aan die
+ verheven leer van liefde en vergevensgezindheid, waardoor zij
+ alleen kunnen overwinnen, en welke het hunne roeping is over
+ het vasteland van Afrika te verbreiden.
+
+ "Op mij zelven, beken ik, ben ik zwak daartoe; de helft van
+ het bloed in mijne aderen is het heete en haastige Saksische;
+ maar ik heb eene welsprekende predikster van het Evangelie
+ altijd bij mij, in mijne beminnelijke vrouw. Wanneer ik
+ afdwaal, wijst haar zachtere geest mij terecht en houdt mij
+ de christelijke roeping en bestemming van onzen stam voor
+ oogen. Als een christelijk patriot, als een leeraar des
+ Christendoms, ga ik naar mijn vaderland--mijn uitverkoren,
+ mijn heerlijk Afrika--en daarop pas ik in mijn hart somtijds
+ de heilrijke woorden toe der profetie:
+
+ "In plaats dat gij verlaten en gehaat zijt geweest, zoodat
+ niemand door u henenging, zoo zal ik u stellen tot eene eeuwige
+ heerlijkheid, tot eene vreugde van geslachte tot geslachte!"
+
+ "Gij zult mij een enthousiast noemen; gij zult mij zeggen
+ dat ik niet wel overwogen heb wat ik onderneem. Maar ik heb
+ het overwogen en de kosten berekend. Ik ga naar Liberia, niet
+ als naar een romantisch Elysium, maar als naar een veld van
+ arbeid. Ik ben van plan met geest en lichaam te werken--zwaar
+ te werken; te werken tegen allerlei moeielijkheden en
+ ontmoedigende bezwaren in; en te werken tot ik sterf. Dat
+ is het waarom ik er heenga, en daarin ben ik volkomen zeker,
+ dat ik niet teleurgesteld zal worden. "Wat gij ook van mijn
+ besluit denken moogt, verban mij niet uit uw vertrouwen,
+ en denk dat ik in al wat ik doe, handel met een hart, dat
+ geheel aan mijn volk is toegewijd.
+
+ "George Harris."
+
+
+Eenige weken later scheepte George zich met zijne vrouw en kinderen,
+zuster en moeder naar Afrika in. Indien wij ons niet bedriegen,
+zal de wereld nog daar van hem hooren.
+
+Van de andere personen in ons verhaal hebben wij niets bijzonders te
+melden, behalve een enkel woord, aangaande Miss Ophelia en Topsy en
+een afscheids-hoofdstuk dat wij aan George Shelby zullen wijden.
+
+Miss Ophelia nam Topsy mede naar Vermont, tot groote verwondering van
+die deftige beraadslagende macht, die een Nieuw-Engelschman onder den
+naam van "our folks" erkent. Our folks meenden in het eerst, dat dit
+eene zeer zonderlinge en onnoodige vermeerdering van het stille en
+geregelde huishouden was; maar Ophelia was zoo standvastig in hare
+gemoedelijke pogingen om haar plicht jegens hare élève te vervullen,
+dat het kind spoedig bij de familie en de buurt in de gunst kwam. Toen
+zij bijna volwassen was, werd Topsy op haar eigen verzoek gedoopt en
+lid der christelijke kerk in hare woonplaats; en zij toonde zooveel
+verstand, werkzaamheid, ijver en verlangen om in de wereld goed te
+doen, dat zij eindelijk werd aanbevolen en aangenomen als zendelinge
+naar een der stations in Afrika, en wij hebben gehoord dat dezelfde
+rusteloosheid en schranderheid, die haar als kind zoo onuitputtelijk
+in kuren maakten, thans heilzaam worden aangewend tot het onderwijs
+van kinderen in haar eigen land.
+
+P.S.--Het zal sommige moeders genoegen doen nog te vernemen, dat de
+nasporingen door Madame De Thoux bewerkstelligd, onlangs zijn bekroond
+met de ontdekking van Cassy's zoon. Reeds als jongeling krachtig van
+karakter en ondernemend van aard, was hij eenige jaren vóór zijne
+moeder ontsnapt en door de vrienden der onderdrukten in het Noorden
+opgenomen en opgevoed. Hij zal spoedig zijn familie naar Afrika volgen.
+
+
+
+
+
+VIER EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK
+
+DE BEVRIJDER
+
+
+George Shelby had zijne moeder slechts met een enkelen regel den dag
+gemeld, waarop zij hem tehuis kon verwachten. Hij had het hart niet
+om over het sterven van zijnen ouden vriend te schrijven. Hij had dit
+verscheidene malen beproefd, en telkens had hij, bijna stikkende van
+aandoening, het papier verscheurd, zijne oogen afgeveegd en de vrije
+lucht gezocht om tot bedaren te komen.
+
+Er heerschte eene vroolijke drukte in de woning der Shelby's op den
+dag, dat men de aankomst van den jongen meester verwachtte.
+
+Mevrouw Shelby zat in de nette voorkamer, waaruit een vroolijk houtvuur
+de kilheid van den herfstavond verdreef. Er stond eene tafel met
+zilverwerk en geslepen glas bedekt, hetwelk onze oude vriendin Chloe
+nog bezig was te schikken.
+
+In nieuw glanzig sits gekleed, met een schoon wit voorschoot, en een
+hoogen, welgesteven tulband, terwijl haar blinkend zwart gezicht van
+genoegen gloeide, bleef zij, met noodelooze oplettendheid, nog het
+een en ander op de tafel verschikken, alleen om een voorwendsel te
+hebben om nog wat met hare meesteres te praten.
+
+"O, of hem dat ook bevallen zal!" zeide zij. "Daar--ik zet zijn bord
+net waar hij het zoo graag heeft--naast het vuur. Meester George houdt
+altijd van een warm plaatsje. Och, loop heen! Waarom heeft Sally den
+besten trekpot niet uitgezet--den kleinen nieuwen, dien meester George
+met Kerstmis voor mevrouw heeft gekocht? Ik zal hem nog krijgen. En
+mevrouw heeft van meester George gehoord?" voegde zij er vragend bij.
+
+"Ja, Chloe; maar een enkelen regel alleen om te zeggen, dat hij van
+avond tehuis zou zijn als hij kon--anders niet."
+
+"Hij heeft niets van mijnen goeden man gezegd, zou ik denken?" zeide
+Chloe, nog met theegoed futselende.
+
+"Neen, dat heeft hij niet. Hij heeft van niets geschreven, Chloe,
+dan alleen dat hij alles verhalen zou als hij tehuis kwam."
+
+"Geheel en al meester George! Hij is er altijd zoo op gesteld om
+alles zelf te vertellen. Daar heb ik bij meester George altijd op
+gelet. Ik voor mij begrijp het ook niet, hoe blanke menschen zooveel
+kunnen schrijven als zij gewoonlijk doen; het schrijven is zulk een
+langzaam ongemakkelijk werk."
+
+Mevrouw Shelby glimlachte.
+
+"Ik denk haast dat mijn goede man de jongens en de kleine meid niet
+meer zal kennen. Och, zij is nu al een groote meid, en goed is zij ook
+en schrander, dat is Polly. Zij is nu naar huis en past op den koek. Ik
+heb hetzelfde fatsoen gemaakt, waar mijn goede man zooveel van hield,
+en dat ik hem nog gaf op den ochtend toen hij weg moest. Och, och,
+wat was ik dien ochtend van streek!"
+
+Mevrouw Shelby zuchtte op dit gezegde en voelde zich het hart
+beklemd. Sedert het ontvangen van George's brief was zij aanhoudend
+ongerust geweest dat er achter den sluier van stilzwijgen, dien hij
+niet had willen oplichten, iets verborgen mocht zijn.
+
+"Mevrouw heeft immers die briefjes wel?" zeide Chloe met zekere
+bezorgdheid.
+
+"Ja, Chloe."
+
+"Omdat ik mijn goeden man zoo graag de eigenste briefjes wilde laten
+zien, die de banketbakker mij gegeven heeft.--"En Chloe," zeide hij,
+"ik wou dat ge nog langer kondt blijven."--"Dank je, meester," zeide
+ik: "dat zou ik wel, maar mijn goede man komt naar huis, en mevrouw
+kan het niet langer zonder mij stellen." Dat is net wat ik hem gezegd
+heb. Een heel aardig man was die Mijnheer Jones."
+
+Chloe had er stijfhoofdig op aangedrongen, dat dezelfde banknoten,
+waarmede haar loon betaald was, bewaard zouden worden, om ze haren
+man als bewijzen van knapheid te laten zien, en Mevrouw Shelby had
+zich gewillig naar den inval geschikt.
+
+"Hij zal Polly niet kennen--dat zal mijn goede man niet. Och, het is
+vijf jaren geleden, dat zij hem weggehaald hebben. Zij was toen nog
+zoo klein--zij kon pas even staan. Ik weet nog wel hoe hij placht te
+lachen, als zij zoo omrolde als zij wilde loopen. Och, och!"
+
+Nu hoorde men het geratel van wielen.
+
+"Meester George!" zeide Tante Chloe, zich naar het venster haastende.
+
+Mevrouw Shelby ging naar de voordeur en werd door haren zoon in de
+armen gesloten; Chloe stond met angstig verlangen in de duisternis
+te turen.
+
+"Och, arme Tante Chloe!" zeide George medelijdend naar haar toekomende,
+en hare zwarte hand tusschen beide de zijne vattende. "Ik had geheel
+mijn vermogen willen geven om hem mede te brengen; maar hij is naar
+een beter land gegaan."
+
+Mevrouw Shelby liet eene hartstochtelijke uitroep hooren, maar Chloe
+zeide niets.
+
+Men ging naar de kamer. Het geld waarop Chloe zoo trotsch was geweest,
+lag nog op tafel.
+
+"Daar," zeide zij, het opnemende en met eene bevende hand aan
+hare meesteres toereikende; "ik wil het nooit weer zien of er van
+hooren. Het is net zooals ik dacht dat het wezen zou: verkocht en
+vermoord op die oude plantages."
+
+Chloe keerde zich om en ging trotsch de kamer uit. Mevrouw Shelby
+volgde haar stil, nam haar bij de hand, trok haar zacht weder terug
+en zette haar naast zich op een stoel.
+
+"Mijn arme, goede Chloe!" zeide zij.
+
+Chloe liet haar hoofd op den schouder harer meesteres zinken en snikte:
+
+"O, Mevrouw, verschoon mij. Mijn hart is gebroken--dat is het al."
+
+"Dat weet ik," zeide Mevrouw Shelby met tranen op de wangen, "en
+ik kan het niet genezen; maar dat kan Jezus doen. Hij geneest de
+gebrokenen van hart en verbindt hunne wonden."
+
+Een tijdlang heerschte er stilte en schreiden allen met
+elkander. Eindelijk zette George zich naast de treurende vrouw,
+nam haar bij de hand en verhaalde met aandoenlijke eenvoudigheid
+het zegevierende sterven van haren man en de laatste boodschappen,
+die zijne liefde hem had opgedragen.
+
+
+
+Omtrent een maand later werden al de bedienden en arbeiders op het goed
+bijeengeroepen in de groote voorzaal, die het geheele huis doorliep,
+om iets aan te hooren, dat hun jonge meester hun te zeggen had.
+
+Tot aller verwondering kwam hij met een bundel papieren in de
+hand--vrijbrieven voor allen die op het goed waren, welke hij een voor
+een voorlas, en onder het schreien, het snikken en de vreugdekreten
+der aanwezigen overgaf.
+
+Velen echter drongen zich om hem heen en baden hem ernstig om hen niet
+weg te zenden, terwijl zij met angstige gezichten hunne vrijbrieven
+wilden teruggeven.
+
+"Wij willen niet vrijer wezen dan wij zijn. Wij hebben al wat wij
+verlangen, wij willen de oude plaats niet verlaten; wij willen niet
+van meester en mevrouw en de anderen af."
+
+"Goede vrienden," zeide George, zoodra hij stilte kon bekomen, "het
+is niet noodig dat ge mij verlaat. Het goed heeft evenveel handen
+noodig om het te bewerken, als te voren. In huis hebben wij evenveel
+bedienden noodig als vroeger. Maar nu zijt gij vrije mannen en vrije
+vrouwen. _Ik_ zal u loon voor uw werk betalen, gelijk wij zullen
+overeenkomen. Het goede hiervan is, dat gij, als ik mocht sterven,
+of in schulden geraken--dat gebeurlijke dingen zijn--nu niet kunt
+aangeslagen en verkocht worden. Ik denk het goed aan te houden en u
+te leeren--waartoe gij misschien eenigen tijd zult noodig hebben--hoe
+gij de rechten, die ik u als vrije mannen en vrouwen gegeven heb,
+moet gebruiken. Ik verwacht dat gij braaf zult zijn en gewillig om te
+leeren, en ik hoop in God, dat ik getrouw zal zijn en gewillig om u
+te onderrichten. En nu, mijne vrienden, ziet omhoog en dank God voor
+den zegen der vrijheid!"
+
+Een hoogbejaard negerpatriarch, die op het goed grijs en blind
+geworden was, hief nu zijne bevende hand op en zeide: "Laten wij den
+Heere onzen dank brengen!" Allen knielden, en een treffender Te Deum
+steeg nooit ten hemel, schoon het niet door orgelklank, klokgelui en
+geschutgebulder werd vergezeld, dan thans uit dat oude oprechte hart
+werd opgezonden.
+
+Toen zij opgestaan waren, hief een ander een Methodistisch lied aan,
+waarvan het refrein was:
+
+
+ "'t Jubeljaar is nu gekomen,--
+ Losgekochten, gaat naar huis."
+
+
+"Nog iets," zeide George, toen dit lied gezongen was. "Gij allen
+herinnert u onzen goeden Oom Tom wel?"
+
+Daarop liet hij een kort verhaal van zijn sterven volgen, en nadat
+hij zijn liefderijken afscheidsgroet aan allen had overgebracht,
+besloot hij:
+
+"Het was op zijn graf, mijne vrienden, dat ik mij voor God voornam,
+dat ik nooit weder een slaaf in eigendom wilde houden, als het mogelijk
+was hem vrij te maken; dat niemand door mij ooit gevaar zou loopen
+om van huis en vrienden gescheiden te worden, en op eene eenzame
+plantage te sterven, gelijk hij gestorven is. Denkt dus, als gij u
+in uwe vrijheid verheugt, dat gij alles aan dien goeden, ouden man
+te danken hebt, en vergeldt het met goedheid en vriendelijkheid voor
+zijne vrouw en kinderen. Denkt aan uwe vrijheid, zoo dikwijls gij de
+hut van Oom Tom ziet; en laat die Negerhut een gedenkteeken zijn,
+dat u allen moet herinneren om zijne voetstappen te volgen, en zoo
+eerlijk, zoo getrouw en zoo Christelijk te zijn als hij geweest is."
+
+
+
+
+
+VIJF EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK
+
+NASCHRIFT
+
+
+De schrijfster is dikwijls door correspondenten uit verschillende
+gedeelten des lands gevraagd of dit verhaal waarheid bevatte; en op
+deze vraag wil zij een algemeen antwoord geven.
+
+De verschillende voorvallen, waaruit dit verhaal is samengesteld, zijn
+grootendeels werkelijk zoo gebeurd, en vele daarvan zijn door haar
+of hare vrienden persoonlijk bijgewoond. Zij en hare vrienden hebben
+karakters waargenomen, welke het evenbeeld waren van bijna allen die
+hier zijn ingevoerd; en vele der gezegden zijn woordelijk opgeteekend,
+gelijk zij zelve die gehoord of voor waarheid vernomen had.
+
+Het voorkomen van Eliza en het aan haar toegeschreven karakter zijn
+naar het leven geteekende schetsen. Van de onwankelbare trouw,
+godsvrucht en eerlijkheid van Oom Tom is meer dan één voorbeeld
+persoonlijk tot hare kennis gekomen. Eenige der aandoenlijkste
+en meest romaneske, alsmede eenige der schrikkelijkste tooneelen,
+zijn insgelijks uit de werkelijkheid overgenomen. De anecdote dat
+eene moeder de Ohio op het ijs overging, is een welbekend feit. De
+geschiedenis der "oude Prue" was een voorval dat persoonlijk door
+een broeder der schrijfster, toen commissie-reiziger voor een groot
+koopmanskantoor te Nieuw-Orleans, werd bijgewoond. Uit dezelfde bron
+is het karakter van den planter Legree ontleend. Van hem schreef haar
+broeder, na het bezoeken zijner plantage op eene commissie-reis, aldus:
+"Hij liet mij werkelijk zijne vuist voelen, die naar een smidshamer
+of een klomp ijzer geleek, en zeide mij dat die vereelt was door
+het neerbeuken van negers." Toen ik de plantage verliet, haalde ik
+diep adem, met een gevoel alsof ik uit het hol van een menschen-eter
+was ontkomen."
+
+Dat het droevig lot van Tom ook dikwijls in werkelijkheid een
+voorbeeld heeft gehad, kunnen levende getuigen door het geheele
+land bevestigen. Men bedenke dat het in alle Zuidelijke staten een
+rechtsbeginsel is, dat geen persoon van gekleurden stam in een proces
+tegen een blanke kan getuigen, en men zal licht begrijpen dat er zulke
+gevallen kunnen voorkomen, waar aan den eenen kant een man staat wiens
+driften zijn eigenbelang te sterk zijn; en aan den anderen kant een
+slaaf, manhaftig of rechtschapen genoeg om zijn wil te wederstaan. Er
+is werkelijk niets dat het leven van een slaaf beveiligt, dan het
+karakter van zijnen meester. Gebeurtenissen, te gruwelijk om er
+bij stil te staan, komen nu en dan ter oore van het publiek; en de
+aanmerking die men dikwijls daarover hoort maken, is nog gruwelijker
+dan de zaak zelve. Men zegt: "Het is zeer waarschijnlijk dat zulke
+dingen nu en dan gebeuren, maar zij zijn geene proeven van het algemeen
+gebruik." Indien de wetten van Nieuw-Engeland zoo gesteld waren,
+dat een meester nu en dan een leerknaap kon doodmartelen, zonder
+dat het mogelijk was hem voor het gerecht te brengen, zou dit dan
+met evenveel bedaardheid worden opgenomen? Zou men dan zeggen: "Die
+gevallen zijn zeldzaam en geene proeven van het algemeen gebruik?" Deze
+onrechtvaardigheid is onafscheidelijk van het stelsel der slavernij:
+het eene kan niet zonder het andere bestaan.
+
+Het openbare en schaamtelooze verkoopen van bruine en bijna blanke
+meisjes (mulatten en quadronen) is door de voorvallen, die op het
+aanhouden van "de Parel" gevolgd zijn, vooral ruchtbaar geworden. Wij
+deelen het volgende uittreksel mede uit de rede van Mr. Horace Mann,
+een der advocaten van de verweerders in dat proces. Hij zegt:
+"In dat gezelschap van zes en zeventig personen, die in 1848
+uit het district Columbia met den schoener "de Parel" poogden
+te ontvluchten, welker officieren ik in hunne verdediging bijsta,
+bevonden zich verscheidene jonge en gezonde meisjes, wier gestalte en
+gelaatstrekken die bijzondere aantrekkelijkheden bezaten, die kenners
+op zoo hoogen prijs stellen. Elizabeth Russell was eene van deze. Zij
+viel terstond in de klauwen van den slavenhandelaar en werd tot de
+markt van New-Orleans gedoemd. De harten van die haar zagen werden
+door medelijden met haar lot getroffen. Zij boden achttienhonderd
+dollars om haar los te koopen; en sommigen waren er die zooveel
+aanboden, dat zij na die gift niet veel zouden hebben overgehouden;
+maar de duivelachtige slavenhandelaar was onverbiddelijk. Zij werd
+naar New-Orleans gezonden; maar toen zij halfweg daarheen was, had God
+barmhartigheid met haar, en schonk haar een plotselingen dood. Er waren
+twee meisjes, Edmundson geheeten, in hetzelfde gezelschap. Toen zij
+naar dezelfde markt gezonden werden, ging een andere zuster naar de
+"vleeschhal", om den ellendeling, wiens eigendom zij waren, om Gods
+wil te bidden zijne slachtoffers te sparen. Hij kortswijlde met haar,
+zeggende, welke fraaie kleederen en meubelen zij zouden hebben. "Ja,"
+zeide zij, "dat mag goed zijn in dit leven, maar wat zal er in het
+volgende van haar worden?" Zij werden ook naar New-Orleans gezonden;
+maar zij werden naderhand voor een ontzaglijk rantsoen losgekocht
+en teruggebracht." Is het hieruit niet duidelijk dat er van de
+geschiedenis van Emmeline en Cassy vele voorbeelden bestaan?
+
+De rechtvaardigheid verplicht de schrijfster ook te zeggen dat de
+rechtschapenheid en edelmoedigheid aan St. Clare toegeschreven niet
+zonder voorbeeld zijn, gelijk de volgende anecdote zal bewijzen. Eenige
+jaren geleden kwam te Cincinnati een jong heer uit het Zuiden met
+een begunstigden slaaf, die van knaap af zijn lijfbediende geweest
+was. De slaaf greep deze gelegenheid aan om zich zijne vrijheid te
+verschaffen, en nam zijn toevlucht onder de bescherming van een kwaker,
+die zich in zaken van dien aard zeer bekend had gemaakt. De eigenaar
+was ten hoogste verontwaardigd. Hij had den slaaf altijd met zooveel
+toegeeflijkheid behandeld, en zijn vertrouwen op diens gehechtheid was
+zoo groot, dat hij geloofde dat deze door kunstgrepen verleid moest
+zijn geworden om tegen hem op te staan. Hij ging in blakende gramschap
+naar den kwaker, maar was zoo billijk en rechtschapen van denkwijs,
+dat hij zich door de redenen van dezen man spoedig tot bedaren liet
+brengen. Hij zag nu eene zijde van de zaak, waarvan hij nog nooit
+gehoord, waaraan hij nog nooit gedacht had, en hij zeide den kwaker
+terstond, dat hij, als zijn slaaf in zijn gezicht wilde zeggen dat
+hij verlangde vrij te zijn, hem ook zou vrijlaten. De bijeenkomst had
+dadelijk plaats, en Nathan werd door zijnen jongen meester gevraagd,
+of hij ooit reden had gehad om in eenig opzicht over zijne behandeling
+te klagen.
+
+"Neen meester," zeide Nathan, "gij zijt altijd goed voor mij geweest."
+
+"Welnu, waarom wilt ge mij dan verlaten?"
+
+"Meester kan sterven, en wie zal mij dan krijgen? Ik wilde liever
+een vrij man zijn."
+
+Na eenig overleg antwoordde de jonge meester: "Nathan, in uwe plaats
+geloof ik dat ik eveneens zoo zou denken. Gij zijt vrij."
+
+Hij liet dadelijk een vrijbrief voor hem opmaken, stelde den kwaker
+eene som gelds ter hand, ten einde met oordeel gebruikt te worden om
+den jonkman aan een bestaan te helpen, en liet nog een verstandigen
+en vriendelijken brief met raadgevingen voor hem achter. Dien brief
+heeft de schrijfster een tijdlang in handen gehad.
+
+De schrijfster hoopt recht gedaan te hebben aan die edelaardigheid,
+grootmoedigheid en menschelijkheid, welke vele personen in het Zuiden
+onderscheiden. Zulke voorbeelden hebben haar voor geheele wanhoop aan
+het menschdom bewaard. Maar zij vraagt iedereen, die de wereld kent,
+of zulke karakters ergens _gewoon_ zijn.
+
+Gedurende vele jaren van haar leven heeft de schrijfster vermeden iets
+over het onderwerp der slavernij te lezen of eenig gesprek daarover
+te houden, daar zij het te pijnlijk achtte om het te behandelen, en
+hoopte dat de uitbreiding van beschaving en verlichting het vanzelf
+zou doen vervallen. Maar sedert de wet van 1850, toen zij met groote
+verbazing en verslagenheid hoorde, hoe christelijk en menschelijk
+denkende lieden het uitleveren van ontvluchte slaven aanbevolen als
+een voor goede burgers verbindende plicht, toen zij aan alle kanten,
+bij goedhartige, medelijdende en achtenswaardige menschen in de vrije
+Staten van het Noorden redeneeringen en beraadslagingen hoorde, over
+hetgeen in dit opzicht de plicht eens Christens wezen kon, toen kon
+zij niet anders denken dan: deze menschen en christenen kunnen niet
+weten wat de slavernij is; als zij dit deden, zou zulk een vraag nooit
+een onderwerp van beraadslaging kunnen zijn. En daaruit ontstond een
+verlangen om in eene _levende dramatische werkelijkheid_ te doen zien
+wat de slavernij is. Zij heeft gepoogd om dit onpartijdig te doen zien,
+van de beste en ergste zijde. Wat de beste zijde betreft, heeft zij
+misschien alles doen zien wat mogelijk was; maar o, wie zal zeggen
+wat er nog onvermeld is gebleven in die vallei der schaduw des doods,
+die aan de andere zijde ligt?
+
+Op u, grootmoedige en edelaardige mannen en vrouwen van het Zuiden--op
+u, wier deugd, grootheid van ziel en reinheid van gemoed des te
+krachtiger zijn geworden door de zwaardere beproevingen die zij hebben
+doorstaan--op u beroept zij zich. Hebt gij niet wel in het binnenste
+uwer ziel en in uwe geheime gesprekken bekend, dat er ellenden en
+snoodheden in dat gevloekte stelsel zijn, veel grooter dan hier zijn
+afgeschetst of kunnen afgeschetst worden? Kan het anders zijn? Is de
+mensch ooit een schepsel, waaraan eene geheele onverantwoordelijke
+macht kan worden toevertrouwd? En maakt niet het slavenstelsel, door
+den slaaf alle wettig recht van getuigenis te ontzeggen, van elken
+slaveneigenaar een onverantwoordelijk despoot? Kan iemand buiten staat
+zijn te berekenen wat daarvan het werkelijke gevolg moest wezen? Indien
+er, gelijk wij toestemmen, eene publieke opinie bestaat onder u,
+mannen van eer, rechtvaardigheid en menschelijkheid, is er ook niet
+eene andere soort van publieke opinie onder de snooden, barbaarschen
+en verdierlijkten? En kan niet de barbaarsche, verdierlijkte snoodaard
+volgens de slavenwet evenveel slaven in eigendom hebben als de beste
+en edelste? Maken de rechtvaardigen, de grootmoedigen en barmhartigen
+ergens op deze wereld de meerderheid uit?
+
+De slavenhandel wordt thans volgens de Amerikaansche wet als zeeroof
+beschouwd. Maar een slavenhandel even stelselmatig, als ooit met
+de kust van Afrika werd gedreven, is een onvermijdelijk gevolg der
+Amerikaansche slavernij. De hartverscheurende ijselijkheden daarvan,
+_kunnen_ zij verhaald worden?
+
+De schrijfster heeft slechts een flauwe afschaduwing, eene
+ontoereikende schets gegeven van de wanhopige zielesmart, die op dit
+oogenblik duizenden harten verscheurt en een hulpeloos en teergevoelig
+menschengeslacht tot razernij en vertwijfeling drijft. Er leven
+menschen, die de moeders weten te noemen, welke door dien gevloekten
+handel gedreven zijn om hare eigene kinderen te vermoorden, en zelve
+in den dood uitkomst te zoeken voor jammeren, meer gevreesd dan den
+dood. Geen treurspel kan er geschreven, kan er opgevoerd, kan er
+bedacht worden, dat de schrikkelijke werkelijkheid evenaart van de
+tooneelen, die iederen dag en elk uur op onze kusten worden gespeeld,
+onder de schaduw der Amerikaansche vlag en onder de schaduw van het
+kruis van Christus.
+
+En nu, mannen en vrouwen van Amerika, is dit iets om mede te
+talmen, om te verontschuldigen, om er stilzwijgend de oogen voor
+te sluiten? Landlieden van Massachusetts, van New-Hampshire,
+van Vermont, van Connecticut, die dit boek leest bij de vlam
+van uw winteravondvuur--stoutmoedige en edelaardige zeelieden en
+scheepsreeders van Maine, is dit iets dat gij kunt verdedigen en
+bevorderen? Brave, edeldenkende mannen van New-York, landlieden aan de
+rijke en vroolijke Ohio, en gij, die de uitgebreide Prairiën bewoont,
+antwoordt: is dit iets, dat gij kunt beschermen en goedkeuren? En
+gij, moeders van Amerika, die bij de wieg van eigen kinderen gevoel
+en liefde voor alle menschen hebt geleerd--bij de heilige liefde
+die gij uwe kinderen toedraagt, bij uwe blijdschap in die schoone,
+onbevlekte kindsheid, bij de moederlijke teederheid en meedoogendheid
+waarmede gij de opgroeiende jeugd geleidt, bij de zorgen der opvoeding,
+bij de gebeden die gij voor het zieleheil van uw kroost ontboezemt,
+smeek ik u, hebt medelijden met de moeder, die evenveel liefde voelt
+als gij, en geen enkel wettig recht bezit om het kind van haar hart
+te beschermen, te leiden en op te voeden. Bij het ziekbed van uw
+kind, bij die stervende oogen, die gij nooit vergeten kunt, bij die
+laatste kreten, die u het hart doorboorden, toen gij helpen noch
+redden kondt, bij de akeligheid van die ledige wieg, van die stille
+kinderkamer, smeek ik u, hebt medelijden met die moeders die door den
+Amerikaanschen slavenhandel gedurig kinderloos worden gemaakt. En zegt,
+moeders van Amerika, is dat iets om te verdedigen, om goed te keuren,
+om er stilzwijgend de oogen voor te sluiten?
+
+Zegt gij dat de bevolking der vrije Staten niets daarmede te maken
+heeft, en niets daaraan doen kan? Gave God, dat dit de waarheid
+ware. Maar het is de waarheid niet. De bevolking der vrije Staten
+heeft verdedigd, aangemoedigd, deelgenomen en is dáárin schuldiger
+voor God, dan het Zuiden, dat zij zich niet met opvoeding en geboorte
+kan verschoonen.
+
+Indien de moeders der vrije Staten in vroeger tijd dat gevoel hadden
+gekoesterd, dat zij behoord hadden te koesteren, zouden de zonen der
+vrije Staten geene eigenaars van slaven zijn geweest, en niet door
+het spreekwoord de hardste meesters genoemd zijn; zouden de zonen der
+vrije Staten de uitbreiding der slavernij in ons staatslichaam niet
+geduld hebben; zouden de zonen der vrije Staten geen handel drijven,
+gelijk zij doen, in menschelijke zielen en lichamen, als een equivalent
+voor geld bij betalingen. Eene menigte van slaven wordt tijdelijk het
+eigendom en wederom verkocht door kooplieden in de Noordelijke steden,
+en zal dan de geheele schuld en schande der slavernij alleen op het
+Zuiden vallen?
+
+De mannen, moeders en christenen in het Noorden hebben iets meer te
+doen, dan hunne broeders in het Zuiden aan te klagen; zij hebben naar
+het kwaad onder zich zelven te zien.
+
+Maar wat kan een enkel persoon doen? Daarover kan ieder voor zich
+zelven oordeelen. Iets is er dat ieder afzonderlijk persoon doen kan,
+hij kan toezien dat hij zelf het rechte gevoel koestert. Een atmosfeer
+van sympathetischen invloed omringt ieder menschelijk wezen; en hij
+die een krachtig, gezond en waar gevoel voor de groote belangen der
+menschheid koestert, is een bestendig weldoener van het menschelijk
+geslacht. Zie dan toe, welk gevoel gij in dat opzicht aankweekt. Is
+dat gevoel in overeenstemming met het gevoel van Christus, of wordt
+het geslingerd en gewijzigd door de spitsvondigheden van aardschgezinde
+overleggingen?
+
+Christelijke mannen en vrouwen in het Noorden, nog meer. Gij hebt nog
+een ander vermogen, gij kunt bidden. Gelooft gij aan het gebed? Of is
+het eene onduidelijke apostolische overlevering geworden? Gij bidt
+voor de heidenen buitenlands, bidt ook voor de heidenen tehuis. En
+bidt voor die verdrukte christenen, wier geheele kans op godsdienstige
+voorrechten van de toevalligheden van handel en verkoop afhangt--voor
+wie het getrouw blijven aan de zedenleer des Christendoms veeltijds
+eene onmogelijkheid is, tenzij hun van boven moed gegeven worde,
+om het martelaarschap te verwachten.
+
+Maar nog meer. Op de kusten onzer vrije Staten komen gedurig
+verstrooide overblijfselen van familiën aan, mannen en vrouwen, die
+met wonderbare hulp der Voorzienigheid de slavernij zijn ontvlucht,
+zwak in kennis, veeltijds ook zwak in zedelijke beginselen, tengevolge
+van een stelsel, dat alle beginselen van zedelijkheid en Christendom
+verwart en verdonkert. Zij komen een schuilplaats onder u zoeken;
+zij komen opleiding, kennis, Christendom zoeken.
+
+Wat zijt gij aan die ongelukkigen verschuldigd, o christenen? Is
+niet ieder Amerikaansche christen aan den Amerikaanschen stam eene
+poging verschuldigd om het kwaad te herstellen, dat het Amerikaansche
+volk daarover gebracht heeft? Zullen de deuren van kerken en scholen
+voor hen gesloten zijn? Zullen de Staten opstaan en hen van zich
+afschudden? Zal de kerk van Christus stilzwijgend den smaad hooren,
+die op haar geworpen wordt, en zich terugtrekken van de hulpbehoevende
+handen die zij uitstrekken, en door haar stilzwijgen de wreedheid
+aanmoedigen, die hen van onze grenzen wil verjagen?
+
+Als het zóó wezen moet, zal het een droevig schouwspel zijn. Als het
+zóó wezen moet, zal het land reden hebben om te beven, wanneer het
+bedenkt dat het lot der volken in de handen is van Eenen, die zeer
+barmhartig is en vol teeder mededoogen.
+
+Zegt gij: "Wij hebben hen hier niet noodig; laten zij naar Afrika
+gaan?"
+
+Dat Gods voorzienigheid een toevluchtsoord in Afrika heeft bereid,
+is inderdaad een groot opmerkenswaardig feit, maar het is geene
+reden, waarom de kerk van Christus die verantwoordelijkheid voor dat
+geslacht van ballingen van zich af zou werpen, welke hare belijdenis
+haar oplegt.
+
+Liberia te vullen met een onkundig, onervaren, half barbaarsch
+geslacht, pas aan de boeien der slavernij ontkomen, zou niet anders
+zijn dan dat tijdperk van strijd en worsteling, dat het begin van
+nieuwe ondernemingen vergezelt, voor eeuwen te verlengen. Laat de
+kerk van Christus in het Noorden die arme lijders in den geest
+van Christus ontvangen, hun deel geven aan de voorrechten eener
+christelijke maatschappij, hen in de scholen onderwijzen, tot zij
+eenigszins tot zedelijke en verstandelijke rijpheid zijn gekomen, en
+hen dan helpen om naar die kusten over te steken, waar zij de lessen,
+die zij in Amerika ontvangen hebben, in praktijk kunnen brengen.
+
+Er bestaat in het Noorden eene vereeniging van menschen, bij
+vergelijking gering in getal, die dit gedaan hebben; en als een
+gevolg daarvan heeft men er reeds voorbeelden van gezien dat personen,
+die vroeger slaven waren, in korten tijd vermogen, een geachten naam
+en kundigheden verwierven. Er hebben zich talenten ontwikkeld, die,
+de omstandigheden in aanmerking nemende, voorzeker opmerkenswaardig
+zijn; en door trekken van eerlijkheid, goedhartigheid, teederheid van
+gevoel, door heldhaftige pogingen en proeven van zelfverloochening,
+verduurd ter verlossing van nog in slavernij verkeerende broeders en
+vrienden, hebben zij zich onderscheiden op eene wijze, die, indien
+men den invloed waaronder zij geboren werden overweegt, inderdaad
+verbazend mag genoemd worden.
+
+De schrijfster heeft vele jaren lang op de grenslinie der slavenstaten
+gewoond, en heeft veel gelegenheid tot waarnemingen gehad onder hen,
+die vroeger slaven waren. Zij zijn als dienstboden in hare familie
+geweest; en bij gebrek aan eene andere school om hen op te nemen,
+heeft zij hen veelal in een huishoudelijke school met hare kinderen
+onderwezen. Zij heeft ook het getuigenis der zendelingen onder de
+vluchtelingen in Canada, die met hare eigene ondervinding overeenstemt;
+en de gevolgtrekkingen ten aanzien der vatbaarheid van dezen stam,
+welke zij daaruit kan afleiden, zijn ten hoogste bemoedigend.
+
+Het eerste verlangen der geëmancipeerde slaven is gewoonlijk
+opvoeding. Er is niets dat zij niet gewillig zijn te geven of te doen,
+om hunne kinderen onderwezen te hebben; en in zooverre de schrijfster
+zelve heeft waargenomen en het getuigenis van leermeesters onder
+hen heeft ingewonnen, zijn zij bijzonder schrander en vlug in het
+leeren. De ondervinding in de scholen, door weldadige personen te
+Cincinnatie voor hen gesticht, bevestigt dit ten volle.
+
+De schrijfster deelt op het gezag van professor C. E. Stowe, toenmaals
+van het Lane Seminary in Ohio, het volgende verslag mede ten aanzien
+van geëmancipeerde slaven, thans te Cincinnatie woonachtig, waaruit
+blijken kan welke vatbaarheden deze stam aan den dag legt, zelfs
+zonder eenige bijzondere hulp of aanmoediging.
+
+Alleen de voorletters der namen worden opgegeven. Zij zijn allen te
+Cincinnatie woonachtig.
+
+
+ "B.--Meubelmaker; twintig jaren in deze stad; bezit een
+ vermogen van twintig duizend dollars, alles door eigen arbeid
+ gewonnen; Baptist.
+
+ C.--Geheel zwart, uit Afrika gestolen, te New-Orleans verkocht;
+ vijftien jaren vrij geweest, betaalde voor zich zelven zes
+ honderd dollars; landman, eigenaar van verscheidene hoeven
+ in Indiania; Presbyteriaan; waarschijnlijk een vermogen van
+ vijftien tot twintig duizend dollars; alles door hem zelven
+ gewonnen.
+
+ K.--Geheel zwart, koopman, vermogen dertig duizend dollars;
+ ongeveer veertig jaren oud, zes jaren vrij; betaalde
+ achttienhonderd dollars voor zijne familie; Baptist;
+ ontving een legaat van zijn meester, dat hij goed beheerd en
+ vermeerderd heeft.
+
+ "G.--Geheel zwart, kolenkooper, omtrent dertig jaren oud;
+ vermogen achttien duizend dollars, betaalde tweemaal
+ voor zich zelven, daar hij eens voor eene som van zestien
+ honderd dollars werd opgelicht; won al zijn geld door eigene
+ inspanning--gedeeltelijk terwijl hij slaaf was, daar hij
+ zijn tijd van zijn meester huurde en voor zich zelven zaken
+ deed. Een knap fatsoenlijk man.
+
+ "W.--Drie vierde zwart, barbier en oppasser uit Kentucky;
+ negentien jaren vrij; betaalde voor zich zelven en zijne
+ familie over de drie duizend dollars, vermogen twintig duizend
+ dollars, alles eigen verdienste; ouderling in de Baptistenkerk.
+
+ "C.D.--Drie vierde zwart, stukadoor, uit Kentucky; negen jaren
+ vrij; betaalde vijftienhonderd dollars voor zich zelven en
+ zijne familie; onlangs gestorven, zestig jaren oud; vermogen
+ zes duizend dollars."
+
+
+Professor Stowe zegt: "Met deze allen, G. uitgezonderd, ben ik eenige
+jaren persoonlijk bekend geweest, en mijne opgaven zijn op eigene
+waarneming gegrond.
+
+De schrijfster herinnert zich zeer wel eene bejaarde gekleurde vrouw
+die als waschvrouw in de familie van haren vader werd gebezigd. De
+dochter dezer vrouw trouwde met een slaaf. Zij was eene bijzondere
+vlijtige en handige, jonge vrouw, en door hare naarstigheid
+en zuinigheid en de standvastige zelfverloochening, bracht zij
+negenhonderd dollars voor de vrijheid van haren man bijeen, die zij,
+naarmate zij het geld bekwam, aan zijnen meester betaalde. Zij kwam
+nog honderd dollars voor den prijs te kort, toen hij stierf. Zij
+kreeg nooit iets van het geld terug.
+
+Dit zijn slechts eenige voorbeelden uit eene menigte die aangevoerd
+konden worden, ten bewijze van de zelfverloochening, geestkracht,
+volharding en eerlijkheid, welke de slaaf in den staat van vrijheid
+heeft betoond.
+
+Men bedenke bovendien dat het den gemelden personen gelukt is tot een
+betrekkelijken rijkdom en eene maatschappelijke positie te verheffen,
+in weerwil van allerlei ontmoedigende bezwaren. De kleurling mag,
+volgens de wet van Ohio, geen stemrecht hebben, en tot voor weinige
+jaren was hem zelfs het getuigenisgeven in rechtszaken tegen een blanke
+ontzegd. Ook zijn deze voorbeelden niet tot den Staat Ohio beperkt. In
+alle Staten der Unie ziet men menschen, die pas gisteren de boeien
+der slavernij verbroken hebben, zich door eigene krachtsinspanning,
+die men niet te zeer bewonderen kan, tot hoogst achtenswaardige
+betrekkingen in de maatschappij verheffen. Jennington, onder de
+geestelijken, Douglas en Ward onder de uitgevers van letterkundige
+werken, zijn welbekende voorbeelden.
+
+Indien de leden van dezen vervolgden stam, tegen allerlei ontmoedigende
+bezwaren in, zooveel gedaan hebben, hoeveel zouden zij dan kunnen
+doen, indien de christelijke kerk hen in den geest van haren Heere
+wilde behandelen!
+
+Dit is eene eeuw, waarin de volken beroerd en geschokt worden. Er
+heerscht een machtige invloed, die de wereld als door een aardbeving
+doet golven en zwoegen. En is Amerika veilig? Elke natie, welke in
+haren boezem eene groote, onherstelde onrechtvaardigheid omdraagt,
+staat voor zulke stuiptrekkingen bloot.
+
+Want wat is die machtige invloed, die aan natiën en tongen dat kermen
+om de vrijheid en gelijkheid van de menschen afperst, dat zich niet
+anders uiten kan?
+
+O, kerk van Christus, lees de teekenen der tijden. Is die macht niet
+de geest van Hem, Wiens koninkrijk nog komen moet en Wiens wil op
+aarde moet geschieden gelijk in den hemel?
+
+Maar wie zal den dag zijner toekomst verdragen! "Want die dag zal
+brandende zijn als een oven, en Hij zal een snel getuige zijn tegen
+hen, die het loon des daglooners met geweld inhouden, die de weduwe,
+en de wees, en den _vreemdeling_ het recht verkeeren; en Hij zal de
+onderdrukkers verbreken."
+
+Zijn dit geene geduchte woorden voor een volk dat zulk een ontzettend
+onrecht in den boezem draagt? Christenen, wanneer gij bidt dat het
+koninkrijk van Christus komen moge, kunt gij dan die profetie vergeten,
+welke den _dag der wraak_ in een geducht verband brengt met het jaar
+zijner verlosten?
+
+Eén dag van genade wordt ons nog aangeboden. Beide, het Noorden en
+het Zuiden, zijn schuldig voor God, en de christelijke kerk heeft een
+zware verantwoording te doen. Niet door samen te spannen om onrecht en
+wreedheid te beschermen en een gemeenschappelijk kapitaal van zonde te
+maken, kan deze Unie gered worden,--maar door berouw, rechtvaardigheid
+en barmhartigheid; want niet vaster is de eeuwige wet, volgens welke
+een molensteen in de zee verzinkt, dan die nog sterkere wet, volgens
+welke onrecht en wreedheid den toorn des Almachtigen over de volken
+zullen brengen!
+
+
+ EINDE
+
+
+
+
+
+
+
+
+INHOUD
+
+
+ Waarin de lezer een menschlievend man leert kennen
+ De moeder
+ De echtgenoot en vader
+ Een avond in de hut van Oom Tom
+ Wat levende koopwaar gevoelt bij verwisseling van eigenaar
+ De ontdekking
+ Moederangst en moederkracht
+ Eliza's ontsnapping
+ Waarin het blijkt dat een senator niet meer dan een
+ mensch is
+ De gekochte waar wordt weggehaald
+ Waarin een slaaf voorkomt die geen slaaf meer is
+ Een proefje van wat er in den wettigen handel voorkomt
+ De kwakers
+ Evangeline
+ Over Toms nieuwen meester en andere dingen
+ Toms nieuwe meesteres en hare gevoelens
+ Een vrij man, die zijne vrijheid verdedigt
+ Miss Ophelia aanvaardt hare taak
+ Geschiedenis van St. Clare
+ Topsy
+ Kentucky
+ Het gras verdort--de bloem verwelkt
+ Henrique
+ Voorteekenen
+ De kleine Evangelist
+ Dood
+ "Dit is het laatste van de aarde", John Q. Adams
+ Hereeniging
+ De Nalatenschap
+ Het slavenmagazijn
+ De overtocht
+ Duistere plaatsen
+ Cassy
+ Geschiedenis der Quadrone
+ De gedachtenissen
+ Emmeline en Cassy
+ Vrijheid
+ De overwinning
+ Krijgslisten
+ De Martelaar
+ De jonge Meester
+ Eene authentieke spookhistorie
+ De afloop
+ De bevrijders
+ Naschrift
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Kortheidshalve zeggen de Amerikanen _trade_ en _trader_ voor
+_slave-trade_ en _slave-trader_; deze uitdrukkingen schijnen de
+zaak tevens eenigszins te moeten verzachten en bewimpelen. Om beide
+redenen gebruiken wij hier ook handel en handelaar voor slavenhandel
+en slavenhandelaar.
+
+[2] Een werktuig van dien aard was inderdaad de uitvinding van een
+jongen kleurling in Kentucky.
+
+[3] Van de slavenstaten tot in Canada wonen hier en daar vijanden
+van den slavenhandel, meestal van de gezindheid der Kwakers, die
+samenwerken om gevluchte slaven voort te helpen en in veiligheid
+te brengen. Deze vereeniging heeft door hare snelle en verborgene
+werkzaamheid den naam van onderaardschen spoorweg (underground line)
+verworven. Vertaler.
+
+[4] Dr. Joël Parker, van Philadelphia.
+
+[5] De schommelstoelen (_rocking-chairs_) zijn hier zoo weinig
+bekend, dat wel mag opgemerkt worden, dat zij niets anders zijn
+dan leunstoelen op een onderstel, als eene wieg, bevestigd, zoodat
+men daarop zittende, zich zachtjes voor- en achterover kan laten
+schommelen. In Noord-Amerika houdt men deze beweging voor gezond,
+en zijn zulke stoelen in algemeen gebruik. Vertaler.
+
+[6] Men denke hier en elders aan de inrichting van de Amerikaansche
+rivierstoombooten, die over het geheele dek een op palen rustende
+galerij of bovendek hebben, dat vooral tot wandelplaats dient.
+ Vertaler.
+
+[7] Dag van toorn.--De Latijnsche woorden zijn gekozen als toespeling
+op het begin van een oud kerklied, dat den dag van het laatste oordeel
+ten onderwerp heeft.
+
+[8] Gedenk, o goddelijke Jezus, dat ik de oorzaak ben van Uwen weg,
+(dat Gij ook voor mij zijt gekomen), opdat Gij mij niet laat verloren
+gaan op dien dag; mij zoekende hebt Gij vermoeid nedergezeten. Gij
+hebt mij verlost door het lijden des kruises; laat zooveel arbeid
+niet vruchteloos zijn geweest.
+
+[9] De zin van dit liedje, in zooverre het zin heeft, is:
+
+ Meester zag mij een bever vangen. Hij lachte om te bersten,
+ Ziet gij de maan?
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of De Negerhut, by Harriet Beecher Stowe
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE NEGERHUT ***
+
+***** This file should be named 27124-8.txt or 27124-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/2/7/1/2/27124/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/27124-8.zip b/27124-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..e0b869f
--- /dev/null
+++ b/27124-8.zip
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..b5ca389
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #27124 (https://www.gutenberg.org/ebooks/27124)