diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 02:33:55 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 02:33:55 -0700 |
| commit | 7f3d60a5afe08411cf5a9e49eaa02f37499cb1ec (patch) | |
| tree | 7b20c6265434af5a3d0da096cab788117e149631 | |
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 27124-8.txt | 23084 | ||||
| -rw-r--r-- | 27124-8.zip | bin | 0 -> 422136 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 |
5 files changed, 23100 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/27124-8.txt b/27124-8.txt new file mode 100644 index 0000000..c112401 --- /dev/null +++ b/27124-8.txt @@ -0,0 +1,23084 @@ +The Project Gutenberg EBook of De Negerhut, by Harriet Beecher Stowe + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De Negerhut + +Author: Harriet Beecher Stowe + +Translator: C. M. Mensing + +Release Date: November 2, 2008 [EBook #27124] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE NEGERHUT *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + De + + Cohen-Editie + + Van de + + Beste Binnen- en Buitenlandsche Boeken + + Uitgave van + Gebroeders E. & M. Cohen, Amsterdam + 1918 + + + + + + + De Negerhut + + (Uncle Tom's Cabin) + + Een verhaal uit het slavenleven in Noord-Amerika + + Door + + Harriet Beecher Stowe + + Naar den 20sten Amerikaanschen druk uit het + Engelsch vertaald + + Door + + C. M. Mensing + + Geïllustreerd door Braakensiek en anderen + + + Uitgave van + Gebroeders E. & M. Cohen, Amsterdam + Heerengracht 326 + + + + + + + +VOORREDE. + + +De tooneelen van dit verhaal verplaatsen den lezer, gelijk de titel +reeds aanduidt, onder een menschenstam, waarvan de beschaafde +maatschappij tot nog toe hare aandacht heeft afgewend en liefst +niets heeft willen weten: een vreemd geslacht, welks voorouders, +onder de zon der keerkringen geboren, een karakter medebrachten en +aan hunne afstammelingen ten erfdeel gaven, zoo geheel ongelijk aan +dat van den harden en heerschenden Anglo-Saksischen stam, dat het +van dezen vele jaren lang niets anders dan misverstand en verachting +heeft kunnen verwerven. + +Doch wij zien het aanbreken van een anderen en beteren dag; +letterkunde, poëzie en kunsten brengen in onzen tijd haar invloed +meer en meer in overeenstemming met den voornamen grondtoon des +Christendoms: "In de menschen een welbehagen!" + +De dichter, de schilder en de schrijver zoeken thans de meer +gewone betrekkingen des levens en de zachtere aandoeningen van +het menschelijke hart op, pogen deze schooner en beminnelijker te +maken, en ademen, onder het lokkende der verdichting, een geest van +menschelijkheid en verteedering, welke de ontwikkeling der groote +beginselen van Christelijke broederschap moet bevorderen. + +De hand der menschenliefde is overal uitgestrekt, om naar misbruiken +te zoeken, om verongelijkingen te herstellen, om rampen te lenigen, +en de geringen, de verdrukten en de vergetenen voor de oogen der +wereld te plaatsen, en deze tot medelijden te bewegen. + +In deze algemeene beweging is men eindelijk gedachtig aan het +ongelukkige Afrika: Afrika, dat in den schemerachtigen dageraad van +den ouden tijd het eerst de loopbaan der beschaving intrad, maar dat +sedert eeuwen geboeid en bloedende voor de voeten der beschaafde en +Christelijke menschheid gelegen en vruchteloos om haar medelijden +gesmeekt heeft. + +Doch het hart van den heerschenden stam, het hart van hen, die +de overwinnaars en harde meesters der Afrikaansche menschheid zijn +geweest, is eindelijk tot barmhartigheid met haar bewogen, en men heeft +gezien hoeveel edeler het voor volken is de zwakken te beschermen, +dan hen te onderdrukken. God zij geloofd, de wereld heeft eindelijk +den slavenhandel overleefd. + +Het oogmerk dezer schetsen is, gevoel en medelijden voor het +Afrikaansche menschengeslacht, gelijk het onder ons Amerikanen leeft, +te doen ontwaken; het onrecht en de ellende te doen zien, die het lijdt +onder een stelsel, hetwelk zoo noodzakelijk wreed en onrechtvaardig +is, dat het de goede gevolgen verijdelt en vernietigt van alles, +wat onder dat stelsel door de beste vrienden dier ongelukkigen voor +hen kan beproefd worden. + +Dit doende kan de schrijfster oprechtelijk alle vijandelijk gevoel +verloochenen jegens diegenen die dikwijls zonder eigen schuld in +de bezwaren en moeilijkheden van de wettelijke aangelegenheden der +slavernij zijn betrokken. + +De ondervinding heeft haar bewezen, dat menschen met het helderste +hoofd en het edelste hart dikwijls in deze moeielijkheden zijn +gewikkeld, en niemand weet beter dan zij, dat alles wat men uit +schetsen gelijk deze van de ellende der slavernij kan leeren kennen, +nog niet de helft is van hetgeen men zou kunnen verhalen van het +onbeschrijfelijk geheel. + +In de noordelijke staten zullen deze tafereelen misschien overdreven +genoemd worden; in de zuidelijke staten zijn getuigen, die weten hoe +getrouw zij zijn. Welke persoonlijke kennis de schrijfster draagt +van werkelijke voorvallen, gelijk dezulke die hier verhaald zijn, +zal op zijnen tijd blijken. + +Het is een troost, te hopen dat, gelijk de wereld van eeuw tot eeuw +zooveel smart en onrecht heeft overleefd en achter zich gelaten, er +zoo een tijd zal komen, wanneer schetsen gelijk deze alleen belangrijk +zullen zijn als gedenkstukken van iets, dat al lang heeft opgehouden +te bestaan. + +Wanneer een verlichte en echt Christelijke maatschappij op de kusten +van Afrika zal gevestigd zijn, met eene aan ons ontleende wetgeving, +taal en letterkunde, mogen dan de tooneelen uit het diensthuis +voor hare leden wezen gelijk de geheugenissen van Egypte voor den +Israëliet--eene opwekking tot dankbaarheid aan Hem, die hen verlost +heeft! + + + + + +EERSTE HOOFDSTUK + +WAARIN DE LEZER EEN MENSCHLIEVEND MAN LEERT KENNEN. + + +Laat in den namiddag van een guren dag in Februari zaten twee heeren +alleen bij hunnen wijn, in een fraai gemeubileerd eetzaaltje, in de +stad P***, in Kentucky. Er waren geene bedienden aanwezig, en met +dicht bij elkander geschoven stoelen schenen de heeren met grooten +ernst over een belangrijk onderwerp te spreken. + +Heeren hebben wij zooeven gezegd. Een van de twee scheen echter, +als men hem oplettend aanzag, dien naam niet zeer te verdienen. Hij +was een kort, zwaarlijvig man, met grove, gemeene gelaatstrekken +en dat voorkomen van opgeblazen aanmatiging, dat een man van weinig +opvoeding kenmerkt, die zich in de wereld omhoog tracht te werken. Hij +was buitensporig zwierig gekleed, met een schitterend veelkleurig +vest, eene blauwe das met schreeuwend gele oogen bezaaid en met een +winderigen strik opgeknoopt, volkomen in overeenstemming met het +geheele voorkomen van den persoon. Zijne handen, groot en grof, waren +met ringen overladen; hij droeg een zwaren gouden horloge-ketting, +met een tros verbazende cachetten van allerlei kleuren daaraan, +welke hij gewoon was onder het spreken met blijkbaar welgevallen te +laten slingeren en rinkelen. Zijne taal was eene zeer vrijpostige +uittarting van al de regelen der spraakkunst, en hier en daar met +verschillende profane uitdrukkingen doorzaaid, welke wij zelfs niet +uit verlangen om ons verhaal levendiger te maken willen overnemen. + +De ander, Mr. Shelby, had inderdaad het voorkomen van een heer, een +_gentleman_, en de geheele inrichting van zijn huis en huishouden +scheen te doen blijken, dat hij een gegoed, ja zelfs een rijk man +moest wezen. Gelijk reeds gezegd is, waren deze twee midden in een +ernstig gesprek. + +"Dat is de manier, waarop ik de zaak wilde schikken", zeide Mr. Shelby. + +"Op die manier kan ik geen handel doen--stellig niet, Mijnheer +Shelby!" zeide de ander, en hield te gelijk een glas wijn tusschen +zijn oog en het licht. + +"Wel, ik zal u zeggen, Haley, Tom is een buitengewone kerel; hij is +die som zeker overal waardig--nuchter, eerlijk en bekwaam, houdt hij +mijne geheele hoeve in orde, alsof het een uurwerk was." + +"Gij meent eerlijk zoover als dat met negers gaat," zeide Haley, +zich nog een glas brandewijn inschenkende. + +"Neen, ik meen waarlijk dat Tom een brave, degelijke, godvreezende +kerel is. Vier jaren geleden heeft hij bij eene veldpredikatie +godsdienst geleerd, en ik geloof dat hij dien waarlijk geleerd +heeft. Ik heb hem sedert alles aanvertrouwd wat ik heb--geld, huis, +paarden--ik heb hem laten gaan en komen het geheele land door; en ik +heb hem altijd en in alles trouw en eerlijk bevonden." + +"Sommige menschen gelooven niet dat er vrome negers zijn, Shelby," +zeide Haley met de hand wuivende, alsof hij eens zeer billijk wilde +zijn; "maar ik geloof het wel. Ik had een kerel bij den laatsten troep, +dien ik naar Orleans bracht--het was inderdaad zoo goed als eene preek, +dien knaap te hooren praten; en hij was ook heel zacht en stil. Hij +heeft mij eene mooie som opgebracht, want ik had hem goedkoop van +iemand, die moest uitverkoopen, en zoo verdiende ik zeshonderd aan +hem. Ja, ik houd godsdienst voor iets heel goeds in een neger, als +het namelijk echte waar is." + +"Nu, Tom heeft de echte waar, als ooit iemand ze had," hervatte +de ander. "Wel, verleden najaar liet ik hem alleen naar Cincinnati +gaan, om zaken voor mij te doen en mij vijfhonderd dollars tehuis te +brengen. "Tom," zeide ik tegen hem, "ik vertrouw u, omdat ik denk +dat gij een Christen zijt. Ik weet dat gij mij niet zoudt willen +bedriegen." Tom kwam terug, zeker genoeg--dat wist ik wel. Eenige +gemeene kerels, heb ik gehoord, vroegen hem: "Tom, waarom zijt ge niet +naar Canada gedrost?"--"O, meester vertrouwde mij, ik kon niet." Zoo +heeft men het mij verteld. Het spijt mij Tom te moeten wegdoen, dat +moet ik zeggen. Gij moest hem voor het geheele restant der schuld +aannemen; en dat zoudt gij ook, Haley, als gij een geweten hadt." + +"Wel, ik heb juist zooveel geweten als iemand, die handel doet, er op +kan nahouden--zoo'n beetje, weet ge, om bij te zweren als het ware," +zeide de handelaar, [1] schertsend, "en ik ben ook gewillig om alles +in het redelijke te doen, om een vriend te verplichten; maar dit hier, +ziet ge, is een beetje te veel gevergd--een beetje te veel." + +De handelaar slaakte een peinzenden zucht en schoof zijn glas nog +eens bij. + +"Welnu, Haley, hoe wilt gij het dan schikken?" zeide Mr. Shelby na +eene tusschenpoos van drukkende stilte. + +"Wel, hebt ge geen jongen noch meid, dien ge op Tom kondt toegeven?" + +"Hm! Geen, dien ik wel missen kan. Om u de waarheid te zeggen, het +is alleen de harde noodzakelijkheid, die mij over het geheel wil doen +verkoopen. Ik doe niet gaarne een van mijne lieden weg; zoo is het." + +Hier werd de deur geopend en een kleine jongen, een quadron, +tusschen de vier en vijf jaren oud, kwam de kamer binnen. Hij had +iets zeer bevalligs en innemends in zijn voorkomen. Zijne zwarte +haren, zoo fijn als zijde, hingen in glanzige krullen om zijn rond, +vroolijk gezichtje, terwijl een paar groote donkere oogen, vol vuur +en zachtheid te gelijk, onder de lange wimpers kwamen uitkijken, toen +hij nieuwsgierig in het vertrek rondzag. Een rokje van rood en geel +geruite stof, dat hem zeer netjes paste, deed zijne donkere en welige +schoonheid nog gunstiger uitkomen; en zeker koddig zelfvertrouwen +met eenige bedeesdheid vermengd, toonde dat hij niet ongewoon was +door zijnen meester als een speelpopje behandeld te worden. + +"Holla, Jim Crow!" zeide Mr. Shelby, floot eens en wierp een trosje +rozijnen naar hem toe. "Raap dat eens op." + +Het kind liep zoo hard hij kon naar den buit, terwijl zijn meester +lachte. + +"Kom hier, Jim Crow!" zeide hij. + +Het kind kwam; de meester streelde zijn krulkopje en tikte hem onder +de kin. + +"Kom aan nu, Jim, laat mijnheer eens zien hoe ge dansen en zingen +kunt." + +Het knaapje begon met eene heldere stem een van die wilde dwaze liedjes +te zingen, die onder de negers in zwang zijn, en vergezelde zijn gezang +met vele koddige bewegingen van handen, voeten en het geheele lijf, +alles juist op de maat zijner muziek. + +"Bravo!" zeide Haley, hem een vierdepart van een sinaasappel +toewerpende. + +"Jim, loop nu eens zooals oude Oom Cudjoe, als hij de rheumatiek +heeft." + +Terstond namen de buigzame leden van het knaapje den schijn van +misvormig aan, en strompelde hij met een krommen rug en zijns meesters +stok in de hand door de kamer rond, met zijn kindergezichtje in +pijnlijk knorrige plooien getrokken, en rechts en links spuwende, +gelijk de oude man deed, dien hij nabootste. + +Beide heeren schaterden van lachen. + +"Jim," zeide zijn meester weder, "laat ons nu hooren en zien hoe +ouderling Robbins psalmen zingt." + +Het kind rekte zijn rond gezichtje tot eene verbazende lengte uit, +en begon door zijn neus eene psalmwijs te zingen, alles met den +grootsten ernst. + +"Bravo! Wat een jongen!" zeide Haley. "Dat kereltje is knap, dat beloof +ik u. Wil ik eens wat zeggen," en daarbij klopte hij Mr. Shelby op +den schouder; "geef dat kereltje er op toe, en ik houd de zaak voor +afgedaan--dat doe ik. Kom aan, is dat nu geen spijkers met koppen +slaan?" + +Op dit oogenblik werd de deur zachtjes opengeduwd, en kwam eene jonge +quadrone, van vijf-en-twintig jaren naar het scheen, de kamer binnen. + +Men behoefde slechts even van het kind naar haar te zien, om haar als +de moeder daarvan te herkennen. Zij had dezelfde donkere groote oogen +met lange wimpers, hetzelfde golvende zijdeachtige zwarte haar. Het +bruin harer kleur maakte voor een donkeren blos plaats, toen zij den +blik van den vreemden man met onverholen bewondering op haar gevestigd +zag. Hare kleeding paste zeer net en deed hare fraai gevormde gestalte +voordeelig uitkomen. Een fijne hand en nette voet waren bijzonderheden, +die het snelle oog des handelaars niet ontsnapten, wel gewoon om met +een enkelen blik de eigenschappen van vrouwelijke waar op te merken. + +"Wel, Eliza!" zeide haar meester, toen zij staan bleef en hem +aarzelend aanzag. + +"Verschooning, Mijnheer, ik zocht naar Harry," en het kind sprong +naar haar toe en liet haar zijn buit zien, dien hij in een slip van +zijn rokje had gedaan. + +"Neem hem dan maar mede," zeide Mr. Shelby, en zij ging haastig heen +met het kind op den arm. + +"Bij Jupiter, dat is goede waar!" zeide de handelaar, den ander +met opgetogenheid aanziende. "Aan die meid kunt gij in Orleans geld +verdienen, wanneer ge maar wilt. Ik heb wel eens over de duizend zien +betalen voor meiden die geen zier mooier waren." + +"Ik wil geen geld aan haar verdienen," zeide Shelby droogjes, en +om het gesprek eene andere wending te geven, trok hij eene versche +flesch wijn open en vroeg Haley wat hij daarvan dacht. + +"Heerlijk," antwoordde de handelaar kortaf, en toen, Shelby weder +familiaar op den schouder kloppende, vervolgde hij: "kom, laten wij +eens over die meid handelen. Wat zal ik voor haar bieden? Hoeveel +wilt gij voor haar nemen?" + +"Zij is niet te koop, Mijnheer Haley," zeide Shelby. "Mijne vrouw +zou haar niet willen missen voor haar gewicht aan goud." + +"Ja, ja, vrouwen zeggen zulke dingen altijd, omdat ze niet +rekenen. Laat ze maar eens zien, hoeveel horloges, pluimen en +snuisterijen men voor iemands gewicht in goud krijgen kan, en dan +verandert de zaak, zou ik denken." + +"Ik zeg u, Haley, hiervan moet niet gesproken worden. Ik zeg neen, +en ik meen neen," antwoordde Shelby beslissend. + +"Nu, gij zult mij den jongen toch wel laten?" hervatte de +handelaar. "Gij moet bekennen, dat ik tamelijk veel voor hem bied." + +"Wat op de wereld kunt gij met het kind willen doen?" zeide Shelby. + +"Wel, ik heb een vriend, die in dat vak gaat doen; hij wil mooie +jongens koopen, om voor de markt op te fokken. Liefhebberij-artikelen +om te verkoopen voor lijfknechts en zoo voort aan rijke heeren, die +mooi goed kunnen betalen. Dat maakt figuur in een groot huis--een +echt mooie jongen, om de deur open te doen en te bedienen. Zij halen +eene goede som, en die kleine drommel is zulk een koddig, muzikaal +ventje--hij is net de rechte soort." + +"Ik wilde hem liever niet verkoopen," zeide Shelby nadenkend. "Om +de waarheid te zeggen, Mijnheer, ik denk menschelijk en scheid niet +gaarne het kind van de moeder." + +"O zoo!--Ja wel, iets van dien aard. Ik begrijp het volkomen. Het is +somtijds heel lastig met die vrouwen terecht te komen. Ik heb altijd +een hekel aan zulk een huil- en schreeuwtijd. Het is machtig lastig +en onpleizierig; maar zooals ik de zaak overleg, Mijnheer, vermijd ik +die onaangenaamheid meestal. Als gij nu maar de meid voor een dag, of +eene week of zoo uit den weg zendt, dan wordt het stilletjes gedaan, +en alles is voorbij eer zij tehuis komt. Uwe vrouw kan haar een paar +oorringen geven, of eene nieuwe japon, of zulke nesterij, om het haar +te verzoeten." + +"Ik vrees van neen." + +"Och vriend, ja. Die schepsels zijn niet zooals de blanken, weet ge; +zij komen over alles heen, als men het maar goed aanlegt. Men zegt +wel eens," vervolgde Haley, een oprechten en vertrouwelijken toon +aannemende, "dat deze soort van handel het gevoel verhardt; maar +dat heb ik niet ondervonden. Het is de waarheid, dat ik nooit zoo +zou kunnen handelen, als sommige kerels doen. Ik heb er gekend, die +eene vrouw haar kind uit de armen zouden halen en het opzetten om te +verkoopen, terwijl zij al doorschreeuwt, als of zij dol was. Zeer +slecht overleg--beschadigt de waar--maakt ze somtijds geheel +onbruikbaar. Ik heb eens in Orleans eene echt mooie meid gezien, +die door deze manier van handelen gansch bedorven werd. De kerel, +die haar kocht, wilde haar kind niet, en zij was eene van de lastige +soort als haar bloed warm werd. Ik kan u zeggen, zij klemde haar kind +in hare armen, en babbelde, en roerde zich ijselijk. Ik word haast +nog koud, als ik er aan denk; en toen zij haar kind wegbrachten +en haar opsloten, werd zij heel en al razend en stierf binnen de +week. Dat was duizend dollars zoo maar weggegooid, Mijnheer, alleen +door gebrek aan overleg. Het is altijd best, menschelijk te wezen, +Mijnheer, dat is mijne ondervinding." + +De handelaar liet zich in zijn stoel zakken, sloeg zijne armen met +zekere onverschilligheid over elkander en scheen zichzelven voor een +tweeden Wilberforce te houden. + +Het scheen dat hij het onderwerp zeer belangrijk vond, want terwijl +Shelby peinzend een sinaasappel schilde, begon Haley opnieuw, wel met +eene zekere schroomvalligheid, maar alsof de kracht der waarheid hem +werkelijk dwong om nog iets te zeggen: + +"Het staat voor iemand niet mooi als hij zich zelven prijst, maar +ik zeg het alleen, omdat het de waarheid is. Ik geloof men houdt mij +voor den man die de mooiste troepen negers aanvoert, die er gebracht +worden, tenminste zoo heeft men mij gezegd; honderd zoo goed als een, +allen in goeden staat, vet en welgedaan, en ik verlies er zoo weinig +als iemand in het vak. En dat alles ligt aan mijne behandeling, +Mijnheer; en menschelijk, Mijnheer, dat mag ik wel zeggen, is de +groote steunpilaar van mijn handelen." + +Shelby wist niet wat te zeggen, en zeide dus: "inderdaad!" + +"Men heeft mij uitgelachen om mijne denkbeelden, Mijnheer, en men +heeft er mij over aangesproken. Zij zijn niet bemind, Mijnheer, en +zij zijn niet gewoon, maar ik blijf er bij: ik ben er bij gebleven +en heb er goed geld mede verdiend; ja, mijnheer, zij hebben hunne +vracht betaald, mag ik wel zeggen." + +En de handelaar lachte om zijne eigene aardigheid. + +Er was iets zoo origineels in deze redeneeringen over menschelijkheid, +dat Shelby niet kon nalaten met hem mede te lachen. Misschien lacht gij +ook waarde lezer, maar gij weet wel, de menschelijkheid vertoont zich +tegenwoordig in allerlei vreemde gedaanten en zegt en doet allerlei +wonderlijke dingen. + +Shelby's lachen bemoedigde den handelaar om voort te gaan. + +"Het is wel vreemd, maar ik heb het den menschen nooit in het hoofd +kunnen stampen. Daar was Tom Loker, mijn oude compagnon in Natchez; +hij was een knappe kerel, dat was Tom, maar een duivel voor de +negers--om reden was hij dat, ziet ge, want hij had zulk een goed +hart als iemand, die ooit brood gebroken heeft; het was zijn systeem, +Mijnheer. Ik placht wel met Tom te praten en te zeggen: "Wel, Tom, +als die meiden eens aangaan en huilen, wat baat het dan, ze een gat +in den kop te slaan en af te ranselen? Het is belachelijk," zeide ik, +"en het doet nooit goed. Ik voor mij zie geen kwaad in het huilen," +zeide ik; "dat is hare natuur, en als de natuur niet op de eene +manier er uit kan, dan neemt zij eene andere. Bovendien Tom," zei ik, +"gij bederft de meiden maar. Zij worden ziekelijk en neerslachtig, +en somtijds worden ze leelijk--vooral de gele meiden doen dat. Waarom +kunt gij ze niet een beetje flikflooien en mooie woorden geven? Ge kunt +er op aan, Tom, een beetje menschelijkheid nu en dan te pas gebracht, +helpt veel meer dan uw ranselen, en brengt meer geld op, geloof dat +vrij." Maar Tom kon er geen smaak in krijgen, en hij bedierf er nog +zooveel, dat ik van hem scheiden moest, hoewel hij een goedhartige +kerel was en anders wel verstand van den handel had." + +"En gij vindt dus uwe manier van doen voordeeliger dan die van +Tom?" zeide Shelby. + +"Ja, mijnheer, dat lijkt wel. Ziet ge, als ik eenigszins kan, ben ik +een beetje voorzichtig met onpleizierige dingen, zooals het jonge goed +te verkoopen en zoo meer--zend de meiden uit den weg--uit het oog uit +het hart, weet ge, en als het afgedaan en niet meer te veranderen is, +worden zij er vanzelf aan gewoon. Het is niet als met de blanken, +die geleerd hebben te verwachten, dat zij hunne vrouwen en kinderen +zullen houden. Negers, die behoorlijk zijn grootgebracht, hebben +zulke verwachtingen niet, en dus valt hun dat alles lichter." + +"Ik vrees dan, dat de mijne niet behoorlijk zijn grootgebracht," +zeide Shelby. + +"Dat denk ik ook wel. Gij, in Kentucky, bederft uwe negers. Gij meent +het goed met hen, maar het is toch geene ware goedheid. Voor een +neger, die door de wereld moet gesold en aan Tom en Dick en de hemel +weet wien verkocht worden, is het geene goedheid, als men hem andere +denkbeelden en verwachtingen geeft en hem al te goed opbrengt; want +dan valt het slingeren en sollen hem naderhand zooveel te harder. Ik +durf wel zeggen, uwe negers zouden lang niet in hun schik zijn op +eene plaats, waar de meeste plantage-negers zouden zingen en joelen +als bezetenen. Iedereen, weet ge, Mijnheer Shelby, denkt natuurlijk +goed over zijne eigene manieren, en ik geloof dat ik de negers omtrent +zoo goed behandel, als het ooit de moeite waard is ze te behandelen." + +"Het is gelukkig als men weltevreden is," zeide Shelby, even zijne +schouders ophalende, en blijkbaar met een gevoel van onaangenamen aard. + +"Wel, wat zegt ge?" zeide Haley, nadat beiden eene poos stilzwijgend +noten hadden geplozen. + +"Ik zal eens over de zaak denken en er met mijne vrouw over spreken," +antwoordde Shelby. "Ondertusschen, Haley, als gij de zaak op die +stille manier wilt uitvoeren, waarvan ge spreekt, deedt ge best niet +te laten bekend worden, wat ge hier in de buurt komt doen. Het zal +anders onder mijn volk ruchtbaar worden, en dan zal het niet heel +stil toegaan, een van hen weg te brengen; dat kan ik u zeggen." + +"O zeker, mondje dicht, natuurlijk. Maar ik moet u zeggen, ik heb +eene drommelsche haast, en wilde wel zoo spoedig mogelijk weten waar +ik op aan kan," zeide Haley terwijl hij opstond en zijn jas aantrok. + +"Welnu, kom van avond tusschen zes en zeven uur, dan zult ge mijn +antwoord krijgen," liet Shelby hierop volgen, en de handelaar ging +buigende heen. + +"Hoe gaarne was ik in staat geweest om dien onbeschaamden kerel de trap +af te schoppen," zeide Shelby bij zich zelven, toen hij alleen was; +"maar hij weet welk een voordeel hij op mij heeft. Als iemand mij ooit +gezegd had, dat ik Tom aan een van die schelmsche handelaars uit het +Zuiden zou verkoopen, zou ik gezegd hebben: "is uw dienstknecht een +hond, dat hij deze zaak zou doen?" en nu moet het er toch toe komen. En +Eliza's kind ook! Ik weet wel dat ik daarover onaangenaamheden met +mijne vrouw zal hebben; en over Tom ook al. Zoo gaat het als men +schulden heeft. O! die kerel ziet zijn voordeel en weet er gebruik +van te maken." + +Misschien is de zachtste vorm van het stelsel der slavernij in den +staat Kentucky te zien. De algemeenheid eener soort van landbouw, +waarbij de arbeid stil en bedaard zijn gang gaat, en die geene tijden +van overgroote haast en drukte medebrengt, gelijk de landbouw van +meer zuidelijke gewesten, maakt daar de taak van den neger gezonder en +redelijker; terwijl de meester, tevreden met langzamer geld te winnen, +die verzoekingen tot hardvochtigheid niet heeft, welke den zwakken +mensch altijd verlokken, wanneer het vooruitzicht op eene snelle en +plotselinge winst in eene weegschaal wordt gewogen, die geen ander +tegenwicht heeft dan de belangen van weerlooze ondergeschikten. + +Wie eenige landgoederen daar bezoekt en getuige is van de vriendelijke +toegeeflijkheid van sommige meesters en meesteressen, en de liefderijke +trouw van sommige slaven, zou in verzoeking kunnen komen, om van de zoo +dikwijls herhaalde dichterlijke fabel van een patriarchalen toestand te +gaan droomen; maar boven dat bekoorlijke tooneel hangt eene dreigende +schaduw--de schaduw der wet. Zoolang de wet al deze menschelijke +wezens, met kloppende harten en levende aandoeningen, slechts als +zoovele dingen beschouwt, die eenen meester toebehooren--zoolang +het ongeluk, de onvoorzichtigheid of de dood van een menschlievend +meester hen op eens een leven van geruste welvaart met een van +hopelooze ellende en zwaren arbeid kan doen verwisselen--zóólang is +het onmogelijk, aan het best geregelde stelsel van slavernij iets +schoons of begeerlijks te geven. + +Mr. Shelby was een man van de gewone goede soort, zachtaardig en +vriendelijk, en genegen om allen die hem omringden, met toegeeflijkheid +te behandelen, en hij had het nooit aan iets laten ontbreken, dat tot +het lichamelijk welzijn der negers op zijn goed kon bijdragen. Hij +had echter op eene groote schaal en onvoorzichtig gespeculeerd--had +zich diep in schulden gestoken, en wissels van een aanzienlijk bedrag +waren Haley in handen gekomen. Dit korte bericht is de sleutel van +het voorafgaande gesprek. + +Nu was het gebeurd dat Eliza, toen zij naar de deur kwam, genoeg van +dat gesprek had opgevangen om haar te doen begrijpen, dat de handelaar +iemand van haren meester wilde koopen. + +Gaarne had zij, toen zij heenging, bij de deur blijven staan +luisteren, maar dewijl hare meesteres haar toen juist riep, was haar +dit onmogelijk. + +Zij meende echter te hooren, dat de handelaar een bod deed naar +haar kind. Kon zij zich bedriegen? Haar hart klopte onstuimig, en +onwillekeurig drukte zij den kleine vast aan hare borst, dat hij haar +met verbazing aanzag. + +"Eliza, wat scheelt u vandaag?" zeide hare meesteres, toen Eliza de +waterkan had omgestooten, tegen het werktafeltje was aangeloopen, +en eindelijk in overmaat van verstrooiïng met een lange nachtjapon +aankwam, in plaats van met het zijden kleedje, dat zij uit de kleerkast +had moeten krijgen. + +Eliza schrikte. "O Mevrouw!" zeide zij, hare oogen opslaande, barstte +toen in tranen uit en wierp zich snikkende op een stoel. + +"Maar, Eliza, kind! Wat scheelt u toch?" zeide hare meesteres weder. + +"O Mevrouw, Mevrouw," antwoordde Eliza, "er zit een handelaar in de +voorkamer met den meester te spreken. Ik heb hem gehoord." + +"Welnu, onnoozel kind en wat zou dat?" + +"O Mevrouw, denkt gij dat de meester mijn Harry zou willen +verkoopen?" riep het arme schepsel snikkend uit. + +"Hem verkoopen? Wel neen, zottinnetje! Gij weet wel dat uw meester +zich nooit met die handelaars uit het Zuiden inlaat, en voornemens +is nimmer een van zijne bedienden te verkoopen, zoolang zij zich wèl +gedragen. En, onnoozel kind, wie denkt ge dat uw Harry zou willen +koopen? Denkt ge dat iedereen zoo op hem gesteld is als gij zijt, +gij gansje? Kom, wees weer vroolijk en maak mijn kleedje vast. Zoo, +maak nu mijn haar van achteren in die aardige vlecht, die gij pas +geleerd hebt, en sta niet meer aan de deuren te luisteren." + +"O Mevrouw, maar gij zoudt toch nimmer toestemmen, om--om...." + +"Dwaasheid kind! Wel zeker zou ik niet. Hoe praat gij zoo? Ik zou even +gaarne een van mijne eigene kinderen laten verkoopen. Maar waarlijk, +Eliza, gij wordt al te grootsch op dien kleinen jongen. Geen mensch +kan zijn neus meer binnen de deur steken, of gij denkt dat hij komen +moet om hem te koopen." + +Gerustgesteld door den toon harer meesteres, ging Eliza vlug en +handig met het toilet voort en lachte onder hare bezigheden om hare +eigene vrees. + +Mevrouw Shelby was eene vrouw, die in verstand en zedelijk gevoel +boven het gewone uitmuntte. Met die natuurlijke hooghartigheid en +edelmoedigheid, welke de vrouwen van Kentucky dikwijls kenmerken, +vereenigde zij een verheven godsdienstig en zedelijk gevoel, op vaste +grondbeginselen steunende, naar welke zij met evenveel standvastigheid +als overleg handelde. Haar man, die zelf geene aanspraak op bijzondere +godsdienstigheid maakte, eerbiedigde evenwel de hare en had misschien +wel eenig ontzag voor hare meeningen. Zeker was het, dat hij volle +vrijheid liet aan hare weldadige pogingen, die op het welzijn, het +onderwijs en de zedelijke verbetering harer dienstboden waren gericht, +hoewel hij zelf daaraan geen zeer werkdadig aandeel nam. Inderdaad +scheen hij, ofschoon hij wel niet aan de leer van de toerekening der +overtollige goede werken van heiligen geloofde, zich toch eenigszins +te verbeelden, dat zijne vrouw vroomheid en weldadigheid genoeg voor +twee bezat, en half te verwachten, dat hij door haren overvloed van die +eigenschappen, waarop hij zelf geene bijzondere aanspraak kon maken, +in den hemel zou komen. + +De zwaarste last op zijn gemoed, na zijn gesprek met den handelaar, +was de noodzakelijkheid om zijne vrouw van de voorgenomen schikking +kennis te geven, en den tegenstand te bekampen, dien hij met reden +moest verwachten. + +Daar Mevrouw Shelby geheel onbekend was met de ongelegenheden, waarin +haar Echtgenoot verkeerde en alleen de gewone menschlievendheid van +zijn karakter kende, was de ongeloovigheid, waarmede zij Eliza's +vermoedens had beantwoord, volkomen oprecht geweest. Zij zette zich +zelfs zonder verder nadenken de zaak uit het hoofd, en daar zij +zich haasten moest om zich voor eene avondvisite gereed te maken, +ontsnapte die korte woordenwisseling geheel aan haar geheugen. + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK + +DE MOEDER + + +Eliza was van hare meisjesjaren af door hare meesteres als eene +geliefkoosde en eenigszins verwende gunstelinge behandeld. + +De reiziger in het Zuiden moet dikwijls dien bijzonderen zweem van +beschaving, die zachtheid van stem en manieren hebben opgemerkt, +welke veelal eene eigenaardige gave der quadronen en mulattinnen +schijnt te wezen. Deze natuurlijke bevalligheid is bij de quadrone +dikwijls met eene schitterende schoonheid, bijna altijd ten minste +met een behagelijk en innemend voorkomen vereenigd. Eliza, gelijk +wij haar beschreven hebben, is geene schets naar onze verbeelding +geteekend, maar aan onze herinnering ontleend, gelijk wij haar jaren +geleden in Kentucky gezien hebben. Veilig onder de beschermende zorg +harer meesteres, had Eliza een rijpen leeftijd bereikt, verschoond +van die verzoekingen, welke de schoonheid van eene slavin tot zulk +een noodlottig erfgoed maken. Zij was met een knappen en talentvollen +jongen mulat getrouwd, die slaaf was op een naburig landgoed en den +naam van George Harris droeg. + +Deze jonkman was door zijnen meester verhuurd om in eene fabriek van +zeildoek te werken, waar zijne behendigheid en schranderheid hem voor +onmisbaar deden houden. Hij had eene machine om den hennep te zuiveren +uitgevonden, welke, indien men de opvoeding en omstandigheden des +uitvinders in aanmerking nam, evenveel genie voor de werktuigkunde +aan den dag legde als Whitney's spinmolen [2]. + +Hij had eene welgemaakte gestalte en innemende manieren, en was in +de fabriek een algemeene gunsteling. Evenwel, daar deze jonkman +in het oog der wet geen mensch maar een ding was, waren al deze +voortreffelijke hoedanigheden onderworpen aan het bedwang van een +gemeenen laaghartigen meester. Toen de heer van George's uitvinding +had gehoord, reed hij eens naar de fabriek, om te zien wat zijn +denkend stuk vee had uitgericht. Hij werd door den fabrikant met +groote voorkomendheid ontvangen, gefeliciteerd met het bezit van een +slaaf van zooveel waarde. + +Men leidde hem de geheele fabriek door, en liet hem de machine zien, +door George uitgevonden, die in zijne opgetogenheid zoo vlug sprak, +zich zoo rechtop hield, en er zoo beschaafd en mannelijk uitzag +dat zijn meester eene onaangename bewustheid van minderheid begon +te gevoelen. Wat behoefde zijn slaaf door het land rond te loopen, +machines uit te vinden en onder _gentlemen_ het hoofd op te steken? Hij +zou spoedig een eind daaraan maken. Hij zou hem terugnemen, aan het +graven en spitten zetten, en dan eens zien: "of hij nog zoo grootsch +zou loopen." Tot verbazing van den fabrikant en alle belanghebbenden +zeide hij dus eensklaps, dat hij nu maar het loon van George verlangde +en hem terug wilde nemen. + +"Maar, Mijnheer Harris," bracht de fabrikant hiertegen in: "is dat +toch niet wat haastig?" + +"En al was dat zoo?--Is de man niet van mij?" + +"Wij zouden gaarne meer vergoeding voor hem betalen, Mijnheer!" + +"Dat kan mij volstrekt niet schelen. Ik verhuur geen van mijne +arbeiders, of ik moet er lust toe hebben." + +"Maar, Mijnheer, hij schijnt voor dit vak bijzonder geschikt." + +"Misschien wel. Hij was nooit zeer geschikt voor iets waaraan ik hem +zette, dat kan ik zeggen." + +"Maar bedenk eens, dat hij deze machine heeft uitgevonden," viel een +der werklieden er tamelijk ongelukkig op in. + +"O, ja! eene machine om werk uit te halen, niet waar? Die wilde hij +wel uitvinden, dat geloof ik. Laat dat altijd maar aan een neger +over. Zij zijn zelven allen machines om werk uit te halen, de een +zoo goed als de ander. Neen, hij zal opstappen." + +George stond als versteend, toen hij zoo onverwachts zijn vonnis hoorde +uitspreken door eene macht, die hij wist dat onweerstaanbaar was. Hij +sloeg zijne armen over elkander en kneep zijne lippen dicht, maar eene +geheele vulkaan van bittere aandoeningen brandde in zijne borst en zond +stroomen vuurs door zijne aderen. Hij haalde kort en hijgend adem, +zijne donkere oogen gloeiden als kolen vuur, en hij zou misschien +in eene gevaarlijke drift zijn uitgebarsten, indien de welmeenende +fabrikant hem niet aan den arm had gestooten en zacht gezegd: + +"Geef toe, George; ga vooreerst maar met hem mede. Wij zullen u wel +zien te helpen." + +De dwingeland bemerkte dit gefluister, en gissende wat er gezegd +werd, hoewel hij het niet hooren kon, versterkte hij zich zelven +heimelijk in zijn besluit om de macht te behouden, die hij over zijn +slachtoffer bezat. + +George werd teruggebracht en aan het geringste en onaangenaamste werk +op de hoeve gezet. Hij was in staat geweest om elk oneerbiedig woord +te smoren: maar zijn flikkerend oog en zijn betrokken voorhoofd +waren een gedeelte der natuurlijke taal, die niet gesmoord kon +worden--ontwijfelbare teekenen, die maar al te duidelijk toonden dat +de mensch niet tot een ding kon gemaakt worden. + +Het was gedurende den gelukkigen tijd, toen hij in de fabriek werkzaam +was, dat George zijne vrouw had leeren kennen en met haar getrouwd +was. In dien tijd had hij, daar de fabrikant hem zeer begunstigde en +vertrouwde, volle vrijheid om naar believen uit te gaan. Het huwelijk +was zeer naar den zin van Mevrouw Shelby, die, met een weinigje van +de vrouwelijke liefhebberij voor het smeden van echtelijke banden, +hare schoone gunstelinge gaarne vereenigd zag met een man van +hare eigene klasse, die in alle opzichten zoo uitmuntend voor haar +geschikt scheen; zoo werden zij getrouwd in de groote voorkamer harer +meesteres, en versierde die meesteres zelve het fraaie haar der bruid +met oranjebloesems, en wierp den bruidssluier daarover heen, die haast +niet op bekoorlijker hoofd had kunnen rusten; en er was geen gebrek +aan witte handschoenen, koek en wijn, en aan bewonderende gasten, +om de schoonheid der bruid en de goedheid en mildheid der meesteres +te prijzen. Een paar jaren lang zag Eliza haar echtgenoot dikwijls, +en werd hun geluk door niets gestoord, behalve het verlies van twee +kleine kinderen, waaraan zij hartstochtelijk gehecht was, en die zij +met zulk eene diepe smart betreurde, dat zij daardoor eene zachte +vermaning van hare meesteres uitlokte, die met moederlijke bezorgdheid +haar hartstochtelijk gevoel binnen de perken van rede en godsdienst +poogde terug te brengen. + +Na de geboorte van den kleinen Harry was zij echter langzamerhand +bedaarder en rustiger geworden, en toen elke bloedende hartsader +weder met dat jeugdig leven was samengestrengeld, bleef Eliza eene +gelukkige vrouw, totdat haar man met ruwheid van zijnen vriendelijken +huurder werd afgerukt, en onder het ijzeren gezag van zijn wettigen +eigenaar gebracht. + +De fabrikant, getrouw aan zijn woord, bezocht Harris een paar weken, +nadat George van hem weggenomen was, hopende dat nu de drift bedaard +zou zijn, en beproefde alle mogelijke middelen om den knappen werkman +terug te bekomen. + +"Gij behoeft u geene moeite te geven om langer te praten," zeide +Harris stuursch. "Ik weet mijne eigene zaken wel, Mijnheer!" + +"Ik heb mij niet vermeten om mij daarmede te bemoeien, Mijnheer. Maar +ik dacht, dat ge het in uw belang zoudt kunnen achten, uw man op de +voorgestelde conditiën aan ons te laten." + +"O, ik begrijp de zaak goed genoeg. Ik heb u wel zien wenken en +fluisteren, toen ik hem uit de fabriek kwam halen; maar gij zult mij +zoo niet krijgen. Dit is een vrij land, Mijnheer; de man is mijn, +en ik doe met hem wat ik verkies--zoo is het." + +En zoo ontzonk George zijne laatste hoop. Hij zag niets vóór zich, +dan een leven van slaafschen arbeid, nog meer verbitterd door alle +kleine kwellingen en vernederingen, die de schranderheid van zijnen +dwingeland kon uitdenken. + +Een zeer menschlievend rechtsgeleerde zeide eens: "het +slechtste gebruik dat men van een mensch maken kan, is hem op te +hangen!" Neen! er kan nog een gebruik van een mensch gemaakt worden, +dat _erger_ is. + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +DE ECHTGENOOT EN VADER. + + +Mevrouw Shelby was uitgereden om hare visite te gaan brengen, en Eliza +stond eenigszins neerslachtig onder de veranda het rijtuig na te zien, +toen er een hand op haren schouder werd gelegd. Zij keerde zich om +en een heldere glimlach blonk op geheel haar gelaat, tot zelfs in +hare schoone oogen. + +"George, zijt gij het? Wat doet gij mij schrikken! O, ik ben zoo blij, +dat ge komt. Mevrouw blijft van avond uit. Kom dus naar mijn kamertje, +wij hebben den geheelen tijd voor ons." + +Met deze woorden trok zij hem naar een net vertrekje, dat op de +veranda uitkwam, waar zij gewoonlijk zat te naaien, binnen beroep +van hare meesteres. + +"Hoe blijde ben ik! Waarom lacht gij ook niet? En zie eens naar +Harry! Wat groeit hij!" + +Het knaapje stond zijn vader door zijne krullen heen schuins aan te +kijken, en hield zich aan den rok zijner moeder vast. + +"Is het niet een mooi kind?" zeide Eliza, de hangende krullen +opstrijkende, om haar lieveling een kus te geven. + +"Ik wenschte dat hij nooit geboren was," zeide George met +bitterheid. "Ik wenschte dat ik zelf nooit geboren was." + +Verrast en verschrikt, zette Eliza zich neer, liet haar hoofd op den +schouder van haren echtgenoot zinken en barstte in tranen uit. + +"O Eliza, het is al te erg van mij, dat ik u zoo deed schrikken," +zeide hij met teederheid--"al te erg! O, hoe wenschte ik, dat ge mij +nooit gezien hadt--dan hadt gij gelukkig kunnen zijn." + +"George! George! hoe kunt gij zoo spreken? Wat is er gebeurd of zal +er gebeuren, dat zoo schrikkelijk is? Wij zijn immers tot heden zoo +gelukkig geweest." + +"Dat zijn wij, lieve," zeide George. + +Daarna zijn kind op zijne knie nemende, zag hij het in de donkere +glansrijke oogen, en haalde zijne vingers door de krullende lokken. + +"Uw evenbeeld, Eliza; en gij zijt de schoonste vrouw die ik ooit gezien +heb, en de beste die ik ooit verlang te zien; maar o, ik wenschte, +dat ik u nooit gezien had, en gij mij niet!" + +"O George, hoe kunt gij zoo spreken?" + +"Ja, Eliza, het is alles jammer en ellende! Mijn leven is zoo bitter +als alsem; het leven zelf wordt mij uitgepijnigd. Ik ben een arme, +ellendige, moedelooze slover, en ik zal u maar even ellendig maken. Wat +baat het, dat wij ons inspannen om iets te doen, om iets te weten, +om iets te zijn? Wat baat ons het leven? Ik wenschte dat ik dood was." + +"Maar lieve George! dat is waarlijk goddeloos. Ik weet wel hoe het u +spijt, dat gij uwe plaats in de fabriek hebt verloren, en gij hebt +een harden meester; maar ik bid u, wees geduldig en misschien zal +er iets...." + +"Geduldig!" zeide hij, haar in de rede vallende. "Ben ik niet geduldig +geweest? Heb ik een woord gezegd, toen hij kwam en mij weghaalde, +zonder eenige redenen ter wereld, daar vandaan, waar iedereen goed +voor mij was? Ik heb hem trouw elken cent betaald dien ik verdiende, +en iedereen zegt, dat ik braaf gewerkt heb." + +"Ja, het is ijselijk," zeide Eliza, "maar hij is toch uw meester, +moet ge denken." + +"Mijn meester! En wie heeft hem mijn meester gemaakt? Dat is het wat ik +denk--welk recht heeft hij op mij? Ik ben een mensch zoo goed als hij; +ik ben beter en knapper dan hij is; ik weet meer van allerlei dingen +dan hij weet; ik heb beter overleg dan hij; ik kan beter lezen dan hij; +ik schrijf eene betere hand; en dat alles heb ik mij zelven geleerd, +zonder dat ik er hem voor behoef te danken--ik heb het geleerd ondanks +hem; en wat recht heeft hij nu om een karrepaard van mij te maken,--mij +af te nemen van het werk dat ik doen kan, beter doen kan dan hij, +en mij aan werk te zetten dat ieder paard kan doen? Hij heeft een +oogmerk; hij zegt, dat hij mij zal vernederen en onderdanig maken, +en hij zet mij opzettelijk aan het zwaarste, laagste en vuilste werk." + +"O, George, George! gij maakt mij angstig. Ik heb u nog nooit zoo +hooren spreken. Ik vrees, dat gij nog iets ijselijks doen zult. Het +verwondert mij geheel niet, dat gij dat zoo voelt; maar o, wees toch +voorzichtig--om mijnentwil--om Harry's wil!" + +"Ik ben voorzichtig geweest en ik ben geduldig geweest; maar het wordt +al erger en erger. Vleesch en bloed kan het niet langer dragen. Elke +gelegenheid die hij vinden kan om mij te beleedigen en te kwellen, +neemt hij waar. Ik dacht dat ik mijn werk wel zou kunnen afdoen en +mij stil gedragen, en dan buiten de werkuren wat tijd overhouden om +te lezen en te leeren; maar hoe meer hij ziet wat ik doen kan, des +te meer belast hij mij. En hij zegt dat hij, hoewel ik niet spreek, +toch zien kan dat ik den duivel in mij heb, en dat hij dien er uit +wil jagen; en op den een of anderen tijd zal hij er ook wel uitkomen +op eene manier die hem niet bevalt, of ik heb het mis." + +"Och, wat zullen wij doen?" zeide Eliza treurig. + +"Het was pas gisteren," hervatte George, "toen ik bezig was met +steenen in de kar te laden, dat Tom, de jongeheer, daar stond en +met zijne zweep klapte, zoo dicht bij het paard, dat het beest er +schichtig van werd. Ik vroeg hem op te houden, zoo vriendelijk als +ik kon, maar hij ging maar voort. Ik vroeg het hem nog eens, en toen +keerde hij zich om en begon mij te slaan. Ik hield zijne hand vast, +en toen begon hij te schreeuwen en te schoppen, en liep vervolgens +naar zijnen vader en zeide dat ik tegen hem vocht. Deze kwam woedend +aanloopen en zeide dat hij mij leeren zou wie mijn meester was; en +toen bond hij mij aan een boom, en sneed teentjes voor den jongen +meester en zeide hem dat hij mij slaan mocht tot hij er moe van werd, +en zoo deed hij ook. Als ik hem dat niet eens betaald zet!" + +Zijn gezicht betrok en in zijne oogen gloeide een vuur, dat zijne +jonge vrouw deed beven. + +"Wie heeft dien man tot mijn meester gemaakt--dat wil ik maar weten," +voegde hij er bij. + +"Och!" zeide Eliza droevig. "Ik heb altijd gedacht, dat ik mijn meester +en meesteres moest gehoorzamen, of dat ik geene Christin kon zijn." + +"Dat is misschien wel gezegd in uw geval. Zij hebben u als een eigen +kind grootgebracht--u gevoed, gekleed, zacht behandeld en onderwezen, +zoodat gij eene goede opvoeding hebt gehad--dat is wel eene reden, +waarom zij aanspraak op u kunnen maken. Maar ik ben geschopt, +gescholden en geslagen; op zijn best bemoeide men zich maar niet met +mij. Wat ben ik dan schuldig? Ik heb voor mijn onderhoud honderdvoudig +betaald. Ik wil het niet verdragen--neen, ik wil niet!" zeide hij, +en kneep met een donker gerimpeld voorhoofd zijn vuisten dicht. + +Eliza beefde en zweeg. Zij had haar man nog nooit in zulk eene stemming +gezien, en hare zachtzinnige zedenleer scheen voor de baren van zulk +een hartstocht als riet te zwichten. + +"Gij weet nog wel van dien armen kleinen Carlo, dien gij mij gegeven +hebt," hervatte George. "Dat beestje was omtrent al de troost dien ik +had. Het sliep des nachts bij mij en liep den geheelen dag met mij +mede, en keek mij aan alsof het begreep wat ik voelde. Wel, laatst, +toen ik hem eenige oude kliekjes gaf, die ik bij de keukendeur had +opgeraapt, en de meester aankwam, zeide deze dat ik hem op zijne +kosten voedde, en dat hij niet lijden kon dat elke neger zijn hond +hield, en beval mij om het diertje een steen om den hals te doen en +in den vijver te smijten." + +"O George! dat hebt gij toch niet gedaan!" + +"Gedaan?--Ik niet, maar zij. Meester en Tom smeten het arme +verdrinkende beest nog met steenen. De arme Carlo keek mij zoo droevig +aan, alsof hij zich verwonderde, waarom ik hem niet redde. Ik kreeg +met de zweep, omdat ik het niet zelf wilde doen. Maar het kon mij +niet schelen. Hij zal wel eens ondervinden dat de zweep iemand niet +temt. Mijn dag zal wel komen, als hij niet oppast." + +"Wat wilt gij gaan doen? O George, doe toch geene goddeloosheid. Als +gij maar op God vertrouwt en wel wilt handelen, zal Hij u verlossen." + +"Ik ben geen Christen gelijk gij, Eliza. Mijn hart is vol +bitterheid. Ik kan niet op God vertrouwen. Waarom laat Hij de dingen +zoo zijn?" + +"O George, wij moeten geloof hebben. Mevrouw zegt dat wij, als alles +verkeerd met ons gaat, toch moeten gelooven dat God het allerbeste +doet." + +"Dat is gemakkelijk te zeggen voor menschen die op hunne sofa's zitten +en in koetsen rijden; maar als ze eens waren waar ik ben, denk ik +dat het wat moeielijker zou zijn. Ik wenschte dat ik goed kon zijn, +maar mijn hart brandt, en ik kan er mij niet mede verzoenen. Gij +zoudt het niet kunnen in mijne plaats; gij kondt het nu niet, als ik +u alles zeggen zou wat ik te zeggen heb. Gij weet alles nog niet." + +"Wat kan er nu nog moeten komen?" + +"Wel, laatst heeft meester gezegd dat hij een gek was geweest, om mij +van de plaats te laten trouwen; dat hij mijnheer Shelby en al zijn +gedoe haat, omdat zij trotsch zijn en het hoofd boven hem opsteken, +en dat ik mijne trotsche denkbeelden van u gekregen had, en hij zegt +dat hij mij niet meer hier wil laten komen, en dat ik op zijne plaats +eene vrouw moet nemen en daar blijven. Eerst sprak hij daarvan maar +scheldende en brommende; maar gisteren zeide hij mij dat ik Mina tot +vrouw moest nemen en in eene hut met haar wonen, of dat hij mij de +rivier af zou verkoopen." + +"Maar gij zijt met mij getrouwd door den predikant, even goed alsof +gij een blanke waart geweest," zeide Eliza eenvoudig. + +"Weet gij dan niet dat een slaaf niet getrouwd kan zijn? Er is geene +wet in dit land daarvoor. Ik kan u niet tot vrouw houden, als hij +ons verkiest te scheiden. Dat is het waarom ik wensch dat ik u nooit +gezien had--waarom ik wensch dat ik nooit geboren was. Het zou beter +voor ons beiden zijn geweest--het zou beter voor dit arme kind zijn +geweest als het nooit geboren was. Dat alles kan hem ook nog gebeuren." + +"O, maar meester is zoo goed." + +"Ja, maar wie weet?--Deze kan sterven; en dan kan hij verkocht +worden aan niemand weet wie. Wat, verheugt het u, dat hij zoo schoon, +schrander en vroolijk is? Ik zeg u, Eliza, dat er een zwaard door uw +hart zal gaan voor iedere goede en lieve eigenschap van uw kind--dat +alles zal hem te veel waard maken om hem u te laten houden." + +Deze woorden vielen Eliza zwaar op het hart. De handelaar, dien zij +gezien had, kwam haar weder voor den geest; en alsof iemand haar +een doodelijken slag had toegebracht, verbleekte zij en snakte naar +adem. Zij keek met zenuwachtigen angst onder de veranda uit, waar het +knaapje, dat het ernstig gesprek verveelde, was heengeloopen, en waar +hij zegepralend op Mr. Shelby's wandelstok heen en weder reed. Zij +had haren man wel van hare vrees willen spreken, maar zij bedwong zich. + +"Neen, neen, hij heeft zelf al genoeg te dragen," dacht zij. "Neen, +ik wil het hem niet zeggen. En buitendien, het is ook niet waar: +Mevrouw bedriegt ons nooit." + +"Kom, Eliza, lieve vrouw," zeide George treurig, "houd u nu maar goed +en vaarwel. Ik ga heen." + +"Heen, George--waarheen?" + +"Naar Canada," antwoordde hij, zich recht oprichtende, "en als ik daar +ben, zal ik u koopen; dat is alle hoop, die ons overblijft. Gij hebt +een goeden meester, die niet weigeren zal u te verkoopen. Ik zal u +koopen en het kind--als God mij helpt, dat zal ik." + +"O schrikkelijk!--Als gij gevat mocht worden!" + +"Ik zal mij niet laten vatten, Eliza. Ik zal liever sterven. Ik wil +vrij zijn of sterven." + +"Gij zult toch u zelven niet ombrengen?" + +"Dat zal niet behoeven; zij zullen mij wel ombrengen; zij zullen mij +niet levend de rivier afkrijgen." + +"O George, om mijnentwil, wees toch voorzichtig. Doe geene +goddeloosheid; sla geene handen aan u zelven of iemand anders. Gij +wordt al te zwaar verzocht--al te zwaar; maar--gaan moet gij--maar +doe het voorzichtig en bid God om u te helpen." + +"Welnu, Eliza, hoor dan mijn plan. Meester heeft het in zijn hoofd +gekregen om mij hier vlak voorbij te zenden, met een briefje aan +Mijnheer Simmes, die eene mijl verder woont. Hij dacht, geloof ik, +dat ik wel hier zou komen om u te zeggen wat mij scheelt. Het zou +hem verheugen, als hij de Shelby's, zooals hij ze noemt, daarmede +verdriet kan doen. Ik ga nu heel stil naar huis, begrijpt ge, alsof +ik mij geheel onderwierp en alles afgedaan was. Ik heb nog eenige +toebereidselen te maken, en er zijn er wel die mij wel zullen helpen; +en na eene week of zoo zal ik onder de vermisten zijn. Bid voor mij, +Eliza; misschien zal onze lieve Heer u hooren." + +"O bid zelf, George, en ga in vertrouwen op Hem; dan zult gij niets +doen wat goddeloos is." + +"Welnu dan, vaarwel!" zeide George, Eliza bij de handen vattende en +haar in de oogen starende, zonder heen te gaan. Zij bleven zwijgend +staan; toen kwamen er nog laatste woorden en snikken en bittere +tranen--zulk een afscheid als zij nemen, wier hoop om elkander weder +te zien zoo broos als spinrag is; en man en vrouw hadden elkander +verlaten. + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +EEN AVOND IN DE HUT VAN OOM TOM. + + +De hut van Oom Tom was een gebouwtje van boomstammen en planken dicht +bij "het huis" gelijk de neger de woning van zijnen meester noemt. Voor +deze hut lag een tuintje, waar elken zomer aardbeziën, frambozen en +allerlei vruchten en groenten, zorgvuldig gekweekt, welig groeiden. De +geheele voorgevel was met eene groote roode bignonia en een wilden +rozestruik begroeid, die zich zoodanig door elkander strengelden, +dat er bijna niets van de ruwe houtsblokken te zien was. Hier vonden +in den zomer ook verschillende eenjarige bloemplanten een hoekje, +om hare pracht te laten schitteren, en waren de blijdschap en trots +van Tante Chloe's hart. + +Laten wij de woning binnentreden. In "het huis" is het avondmaal reeds +voorbij, en Tante Chloe, die als eerste keukenmeid het oppertoezicht +over de bereiding daarvan heeft gehad, heeft aan de mindere +keukenbedienden het wasschen en wegruimen van borden en schotels +overgelaten, en is naar hare eigene lieve woning gekomen, om wat voor +"haar ouden man" klaar te maken. Dus is zij het zonder twijfel, die gij +daar bij het vuur ziet, terwijl zij met oplettende belangstelling het +oog houdt op zekere sissende dingen in een braadpan, en somtijds met +ernstige bedachtzaamheid het deksel van een ketel oplicht, waaruit +een geurige damp opstijgt, die ontwijfelbaar iets bijzonder lekkers +aankondigt. Zij heeft een rond zwart gezicht, zoo glanzig, dat het +iemand op de gedachte brengt, of het ook met eiwit mocht bestreken +zijn, gelijk haar eigen theebanket. Geheel dat ronde gezicht straalt +van genoegen en tevredenheid onder haren welgesteven geruiten tulband, +maar vertoont ook, dit moeten wij bekennen, een zweempje van die +bewustheid van eigenwaarde, welke de beste keukenmeid van den geheelen +omtrek voegt, waarvoor Tante Chloe algemeen erkend wordt. + +Zij was zeker eene keukenmeid tot in het diepst van hare ziel. Geen +kuiken, kalkoen of eend was er op het pleintje bij de schuur of +hij keek ernstig en begon aan zijn einde te denken, als hij haar +zag naderen, en zeker speelden hare zinnen ook altijd zoozeer op +plukken, vullen en braden, dat haar gezicht een nadenkenden vogel +moest beangstigen. Hare koeken en koekjes van allerlei soort waren +een verheven mysterie voor alle minder ervarene baksters; en zij +lachte dat zij schudde, met een mengeling van spotterij en hoogmoed, +als zij vertelde van de vruchtelooze pogingen, die deze en gene harer +mededingsters hadden gedaan om hare hoogte te bereiken. + +De komst van gasten in huis en het beschikken van een diner of souper, +"in staatsie", deed al haar ijver en geestkracht ontwaken, en geen +gezicht was haar aangenamer dan een hoop reiskoffers onder de veranda +opgestapeld, want dit deed haar nieuwe drukte en nieuwe zegepralen +te gemoet zien. + +Juist op het oogenblik echter kijkt Tante Chloe in de braadpan, +en aan die streelende bezigheid zullen wij haar laten, tot wij onze +schilderij van hare woning hebben voltooid. + +In een hoek stond een bed, netjes met een sneeuwwitte sprei bedekt, +en daarnaast lag een stuk tapijt van aanmerkelijke grootte. Op dit +tapijt grondde Tante Chloe hare aanspraken op eene fatsoenlijke +manier van leven, daar het ontegenzeggelijk iets voornaams was; en +dit tapijt en het bed waarbij het lag, ja eigenlijk die geheele hoek +werden in zekere eere gehouden, en zooveel mogelijk beveiligd voor +strooptochten en aanvallen van het kleine goed. Die hoek was zooveel +als staatsiekamer van het huis. In een anderen hoek stond een bed, dat +er minder deftig uitzag en blijkbaar tot _gebruik_ bestemd was. De muur +tegenover den schoorsteen was met eenige zeer schitterende bijbelsche +prenten versierd, en ook met een portret van generaal Washington, +geteekend en gekleurd op een manier, waarover die heer zich zeker +zelf zou verbaasd hebben, als hij het ooit had kunnen zien. + +Op eene ruwe bank in dezen hoek zaten eenige jongens met wollige +kroeskoppen, glinsterende zwarte oogen en ronde blinkende wangen, +bezig met het opzicht over de eerste loopmanoeuvres van het kleinste +kind, die, gelijk doorgaans daarmede het geval is, bestonden in zich +even op te richten, een oogenblik op zijne voeten te balanceeren en +dan weder om te tuimelen--terwijl elke mislukking als een buitengemeen +kunststuk werd toegejuicht. + +Eene tafel, eenigszins wankelend op hare pooten, was voor het vuur +geschoven en met een tafellaken bedekt, waarop kopjes en schoteltjes +met schitterende kleuren en andere voorteekenen van een naderenden +maaltijd stonden. Aan deze tafel was Oom Tom gezeten, Mr. Shelby's +meest vertrouwde dienaar, wien wij, daar hij de held van ons verhaal +zal zijn, met de getrouwheid eener daguerreotype voor onze lezers +moeten afteekenen. Hij was een rijzig en forsch gebouwd man met eene +breede borst en een glanzig zwart gezicht, welks echt Afrikaansche +trekken gekenmerkt werden door eene uitdrukking van ernst en +degelijk gezond verstand, met veel goedhartigheid en zachtaardigheid +vereenigd. Geheel zijn voorkomen had iets deftigs, alsof het hem +niet aan gevoel van eigenwaarde ontbrak; maar deze deftigheid ging +met eene vertrouwelijke en nederige eenvoudigheid gepaard. + +Hij had op dat oogenblik al zijn aandacht gevestigd op eene lei, +die voor hem lag, waarop hij zorgvuldig en langzaam eenige letters +poogde na te trekken, in welke bezigheid hij geholpen werd door +jongeheer George, een vluggen, schranderen knaap van dertien jaren, +die de waardigheid zijner betrekking van onderwijzer ten volle scheen +te gevoelen. + +"Niet zoo, Oom Tom; niet naar dien kant," zeide hij driftig, toen Oom +Tom met stijve vingers den staart van eene _g_ naar den verkeerden +kant omhaalde. "Dat wordt eene _q_, ziet ge wel?" + +"O, zoo wordt het?" zeide Oom Tom, met eerbiedige bewondering +toekijkende, terwijl zijn jonge meester, tot zijne onderrichting, +vlug eene ontelbare rij van g's en q's krabbelde. Daarop nam hij +het grifje weder tusschen zijne groote grove vingers en hervatte met +geduld zijne taak. + +"Hoe gemakkelijk doen blanke menschen altijd iets!" zeide Tante Chloe, +even ophoudende, terwijl zij een rooster met een stukje spek aan eene +vork insmeerde, en haar jonge meester met zekere trotschheid aanziende. + +"Zooals hij schrijven kan! En lezen ook! En dan 's avonds hier te +komen en ons zijne lessen te leeren. Het is waarlijk om er pleizier +in te hebben." + +"Maar, Tante Chloe, ik krijg een geweldigen honger," zeide George. "Is +de koek in de ketel niet haast klaar?" + +"Haast, jongeheer George," antwoordde Tante Chloe, het deksel +oplichtende en eens kijkende. "Hij bruint al mooi--heerlijk +bruin. Vertrouw dat maar aan mij. Mevrouw liet Sally laatst eens +probeeren om een koek te maken, om haar te laten leeren, zeide zij. Och +loop heen, Mevrouw," zei ik. "Het gaat mij waarlijk aan het hart, +om dat goede eten zoo te zien bederven! De koek is alles aan één kant +gerezen--geen fatsoen aan, niet meer dan mijn schoen. Loop heen." + +Met deze laatste uitdrukking van minachting voor Sally's +onbedrevenheid, nam Chloe het deksel van den ketel en ontblootte zoo +een heerlijk gebakken koek, waarvoor geen stadspasteibakker zich had +behoeven te schamen. Daar deze koek blijkbaar de hoofdzaak van het +onthaal moest wezen, begon Tante Chloe nu met drukte de tafel gereed +te maken. + +"Hier gij, Mozes en Peter, uit den weg, gij, negers! Weg, Polly, +liefje, maatje zal haar kleintje zoo meteen wat geven. Nu, jongeheer +George, neem nu die boeken maar weg en ga bij mijn ouden man zitten, +dan zal ik de saucijzen opdoen, en zult ge in minder dan een oogenblik +het eerste baksel geroosterde koekjes op uw bord hebben." + +"Zij wilde hebben dat ik in huis zou eten," zeide George, "maar ik +wist mijn weetje te wel, om dat te doen, Tante Chloe!" + +"Ja, dat deedt ge zeker," zeide zij, hem eenige snikheete koekjes op +zijn bord schuivende. "Gij weet wel dat uwe oude tante het beste voor +u bewaart. Dat weet gij wel--loop heen!" + +Daarmede gaf zij George schertsende een duwtje met haar vinger en +keerde zich toen met vernieuwden ijver weder naar den rooster. + +"Nu aan den ketelkoek," zeide George, toen de geroosterde koekjes +nagenoeg op waren, en meteen zwaaide hij een groot mes over het +bedoelde gebak. + +"Halt, jongeheer George!" zeide Tante Chloe zeer ernstig en hield +tegelijk zijn arm vast. "Woudt ge hem met dat groote zware mes gaan +snijden? Gij zoudt hem geheel in elkaar drukken en al het mooi van +het rijzen bederven. Hier heb ik een oud dun mes, dat ik er met +opzet scherp voor houd. Daar, ziet ge, dat gaat er door, zoo licht +als een veertje. Eet nu maar,--ge zult niet licht iets krijgen dat +lekkerder is." + +"Tom Lincoln zegt," zeide George, met een vollen mond sprekende, +"dat hunne Jenny beter keukenmeid is dan gij." + +"Die Lincolns hebben niet veel te beduiden," zeide Tante Chloe +verachtelijk; "ik meen naast ons huis. De lieden zijn fatsoenlijk +genoeg, op eene soort van eenvoudige manier, maar om iets met staatsie +op te maken, daar hebben zij geen begrip van. Zet jongeheer Lincoln--nu +eens naast jongeheer Shelby--och och! En Mevrouw Lincoln--kan zij zoo +de kamer inkomen als mijne mevrouw--met zulk eene soort van staatsie, +weet ge? Och loop heen--praat me niet van de Lincolns." + +"Wel, ik heb u toch hooren zeggen," hervatte George, "dat Jenny eene +goede keukenmeid was." + +"Dat heb ik ook gezegd en dat mag ik zeggen. Een goeden, eenvoudigen +pot kan Jenny koken, en hare korenkoekjes zijn wel niet extra, +maar zij schikken,--zij schikken. Maar, och, kom eens hooger, en +wat kan zij dan? Zij kan taarten maken,--zeker dat doet zij; maar +wat voor soort van korst? Kan ze het echte brosse deeg maken, dat +zoo luchtig is als schuim en in den mond wegsmelt? Ik ben daar eens +naar toe geweest, toen Miss Mary zou gaan trouwen, en Jenny liet me de +bruiloftstaarten zien. Jenny en ik zijn goede vriendinnen, weet ge? Ik +zei niets; maar loop heen, jongeheer George! Wel ik zou er geene week +van kunnen slapen, als ik zulk een baksel taarten gemaakt had. Neen, +ze konden er volstrekt niet door." + +"En Jenny zal al gedacht hebben, dat ze heel lekker waren," zeide +George. + +"Of ze dat dacht? Zij was immers zoo onnoozel om ze nog te laten +zien. Gij ziet, daar ligt het aan; Jenny weet het niet. Och, de familie +beduidt niets; men kan niet verwachten dat zij het weet. Het is hare +schuld niet. O jongeheer George, gij kent nog niet half het voorrecht +van uwe familie en uwe opvoeding." En tante Chloe slaakte een zucht, +en liet van aandoening het wit harer oogen zien. + +"O zeker Tante Chloe, ik begrijp al mijne taart- en koek-voorrechten," +zeide George. "Vraag Tom Lincoln maar, of ik er hem niet mee plaag, +zoo dikwijls ik hem zie." + +Tante Chloe liet zich op haren stoel zakken, en lachte over deze +geestigheid van haren jongen meester tot haar de tranen over de +zwarte blinkende wangen rolden. Nu en dan hield zij even op, om George +schertsend een klap of stoot te geven, en hem te commandeeren om weg +te loopen, en te zeggen, dat hij zeker nog eens haar dood zou zijn: +tusschen welke akelige voorspellingen zij telkens weder in eene nieuwe +vlaag van lachen uitbarstte, elk harder en langer dan de vorige, totdat +George werkelijk begon te denken dat hij een gevaarlijk geestige jongen +was, en moest oppassen om niet zóó grappig te zijn als hij wel kon. + +"Ei zoo, hebt gij er Tom over gesproken? Och, wat doen die jongens +niet al. Wel heb ik ooit! Een paardenvlieg zou er om moeten lachen." + +"Ja," zeide George, "ik zei: Tom, gij moest Tante Chloe's taarten +eens zien; dat is rechte taart." + +"Jammer dat Tom het niet kon," zeide Tante Chloe, op wier menschlievend +hart de ongelukkige onkunde van Tom een diepen indruk scheen te +maken. "Gij moet hem hier eens ten eten vragen, jongeheer George," +vervolgde zij, "dat zou lief van u zijn. Gij weet wel, jongeheer +George, gij moogt u boven niemand verheffen op uwe voorrechten, +omdat al onze voorrechten ons gegeven zijn. Dat moeten wij altijd +onthouden," zeide Tante Chloe met een zeer ernstig gezicht. + +"Wel, ik zal Tom aanstaande week eens hier vragen," zeide George; +"en doe dan uw best, Tante Chloe, dan zullen wij hem eens laten +opkijken. He! zullen we hem niet zoo laten eten, dat hij het in geen +veertien dagen te boven komt?" + +"Ja, ja, zeker," zeide Tante Chloe opgetogen. "Gij zult eens +zien! O! als ik nog aan sommige van onze diners denk! Heugt u nog die +groote keukenpastei, die ik maakte, toen wij generaal Knox ten eten +hadden? Ik en mevrouw kregen toen haast ruzie over de korst. Wat +de dames somtijds in het hoofd krijgen weet ik niet; maar juist +als iemand het machtig druk en veel te verantwoorden heeft, nemen +zij den tijd waar om in den weg te loopen en overal tusschen te +willen komen. Nu wilde Mevrouw mij dit zóó laten doen en dat zóó, +en eindelijk werd ik vrijpostig en zeide: nu, Mevrouw, zie eens naar +die mooie witte handen van u met lange vingers, en overal schitterende +van ringen gelijk mijne witte leliën als de dauw er op ligt; en zie +dan naar mijne groote zwarte stomperige handen. Denkt ge nu niet dat +de Heer mij moet bedoeld hebben om taartenkorst te maken, en u om in +de voorkamer te blijven? Ja, zoo vrijpostig was ik, jongeheer George!" + +"En wat zei moeder toen?" vroeg George. + +"Wat zij zeide? Wel, zij lachte met hare oogen, die mooie groote oogen, +die zij heeft; en toen zeide ze: "Wel, Tante Chloe, ik denk dat gij +eenigszins gelijk hebt." Dat zei ze en ging naar de voorkamer. Zij had +mij een gat in het hoofd moeten slaan, omdat ik zoo onbeschaamd was; +maar zoo is het--met dames in de keuken kan ik niets uitrichten." + +"Nu, gij hebt het toch goed gemaakt met dat diner. Ik weet nog wel +dat iedereen dat zeide." + +"Heb ik niet? En was ik niet achter de deur van de eetzaal dienzelfden +dag; en zag ik den generaal niet driemaal zijn bord geven, om nog +meer van diezelfde taart; en zeide hij niet: "Gij moet eene ongemeene +keukenmeid hebben, Mevrouw Shelby?" O! ik dacht dat ik barsten zou!" + +"En de generaal weet wat koken is," vervolgde Tante Chloe, zich +trotsch oprichtende. "Heel fatsoenlijk man, die generaal! Hij komt van +eene der eerste familiën in Oud-Virginië! Hij heeft er verstand van, +zoo goed als ik--die generaal. Weet ge, elke taart heeft haar eisch, +jongeheer George; maar het is niet iedereen, die weet wat er de eisch +van is. Maar de generaal weet het; dat hoorde ik aan wat hij er van +zeide. Ja, hij weet er den eisch van." + +Thans was de jongeheer George zoover gekomen, als zelfs een jongen (in +buitengewone gevallen) komen kan, zoover namelijk, dat hij inderdaad +geen brok meer kon eten; en had dus den tijd om op den hoop wollige +kroeskoppen en glinsterende oogen te letten, die in den anderen hoek +zijn bedrijf hongerig gadesloegen. + +"Hier, gij, Mozes en Peter," zeide hij, milde stukken voor hen +afbrekende. "Gij lust ook wel wat, niet waar? Kom, Tante Chloe, +bak nog wat koekjes voor hen." + +George en Tom kozen nu een gemakkelijk plaatsje in het hoekje van den +haard, terwijl Tante Chloe, na een goeden stapel koekjes te hebben +gebakken, haar kleintje op haren schoot nam, en aan het werk ging om +beurtelings haar eigen mond en dien van het wichtje te vullen, en aan +hare twee jongens uit te deelen, die hunne portie liefst schenen op +te eten, terwijl zij onder de tafel over den grond rolden en elkander +krieuwelden of het schootkindje bij de beenen trokken. + +"O, loopt heen, zal je!" zeide de moeder, nu en dan in den blinde een +schop onder de tafel gevende, als de beweging al te erg werd. "Kunt ge +u niet ordentelijk houden als er blanke menschen bij ons komen? Houdt +op daarmee, zal je? Pas op, ik zal je een knoopsgat lager maken, +als de jongeheer George weg is." + +Wat dit verschrikkelijke dreigement eigenlijk beteekende, is moeielijk +te raden; maar de geduchte onduidelijkheid er van scheen toch zeer +weinig indruk op de aangesproken kleine zondaars te maken. + +"Och," zeide Oom Tom, "zij zijn zoo vol pret, dat zij zich niet goed +kunnen houden." + +Nu kwamen de jongens onder de tafel vandaan en begonnen met +welbestroopte gezichten, het kleine zusje te zoenen. + +"Loopt heen!" zeide de moeder, hunne kroeskoppen wegduwende. "Ge +zult allen aan elkander blijven plakken en nooit weer van elkaar +loskomen. Loopt naar de bron en gaat uw gezicht wasschen!" + +Zij bekrachtigde hare vermaning met een klap, die geducht klonk, +maar toch de jongens slechts des te harder scheen te doen lachen, +terwijl zij over elkander de deur uittuimelden, om hunne pret buiten +uit te gieren. + +"Hebt gij ooit zulke lastige jongens gezien?" zeide Tante Chloe, +maar met zeker welbehagen naar het scheen, nam vervolgens een ouden +handdoek, voor zulke dringende gevallen bewaard, schonk het water +uit den gebarsten trekpot daarop, en begon de stroop van het kleine +gezichtje af te wrijven. Nadat zij het kind gepoetst had tot het +blonk, zette zij het Tom op zijne knie, terwijl zij de tafel ging +opruimen. Het wichtje gebruikte dien tijd om Tom bij zijn neus te +trekken, in zijn gezicht te krabben, en de dikke handjes in zijn +wollig haar te verwarren, waarin het vooral vermaak scheen te hebben. + +"Is het niet een nest van een meid?" zeide Tom, haar op armslengte van +zich afhoudende, om haar eens geheel te overzien; en toen opstaande, +zette hij de kleine op zijn breeden schouder en begon met haar te +springen en te dansen, terwijl George met zijn zakdoek naar haar +sloeg, en Mozes en Peter, die teruggekomen waren, haar als beren +aanbromden, tot Tante Chloe verklaarde dat haar hoofd spleet van +het leven. Daar echter volgens haar eigen zeggen, hetzelfde ongeluk +dagelijks plaats had, deed deze verklaring de vroolijkheid niet +verminderen, totdat iedereen zich zelven tot bedaren had gedanst, +gesprongen en geschreeuwd. + +"Wel, nu hoop ik dat gij gedaan hebt," zeide Tante Chloe, die in eene +soort van pakkist, welke zij onder het bed weghaalde, nog een bed +had opgemaakt. "Komt aan, Mozes en Peter, maakt dat gij er in komt, +want er is eene meeting van avond." + +"O moeder, dat willen wij niet. Wij wilden liever opblijven. De +meeting is zoo aardig." + +"Och, Tante Chloe, schuif het weer weg en laat hen maar opblijven," +zeide George, de kist alreeds een duw gevende. + +Tante Chloe, aldus een schijn van ordelievendheid bewaard hebbende, +scheen blijde dat zij het ding weder weg kon schuiven en zeide, +terwijl zij dit deed: "Wel, misschien zal het hun nog wel goed doen." + +Men trad nu in ernstig overleg, om aanstalten voor de bijeenkomst +te maken. + +"Hoe wij het nu met stoelen zullen maken, verklaar ik niet te weten," +zeide Tante Chloe. + +Daar echter de bijeenkomst sedert onheuglijken tijd wekelijks bij +Oom Tom gehouden was, zonder dat men meer stoelen had gehad, scheen +men te mogen hopen, dat de zaak zich nu ook wel zou schikken. + +"Oude Oom Peter heeft verleden week twee pooten van dien ouden stoel +afgewrongen," merkte Mozes aan. + +"Loop heen! Ik geloof zeker, dat gij ze er afgebroken hebt," zeide +zijne moeder. + +"O, hij kan nog wel staan, als hij maar vlak tegen den muur wordt +gezet." + +"Dan moet Oom Peter er niet op gaan zitten, omdat hij altijd hobbelt +als hij aan het zingen komt," zeide Peter. "Laatst hobbelde hij bijna +de geheele kamer door." + +"Toe! laat hij er dan op zitten", viel Mozes er op in. "He! dan begint +hij: "Komt, heiligen en zondaars!" en dan tuimelt hij omver." + +Mozes bootste den neusklank des ouden mans zeer getrouw na en liet zich +op den grond vallen, om een voorbeeld van de verwachte grap te geven. + +"Kom, wees ordentelijk!" zeide Tante Chloe. "Schaamt gij u niet?" + +De jongeheer George lachte echter met den kleinen zwarten deugniet +mede, en verklaarde volmondig dat Mozes een "platje" was, zoodat de +moederlijke vermaning weinig baatte. + +"Wel, oude man," zeide Tante Chloe, "dan moeten wij de vaatjes maar +weer nemen." + +Er werden twee ledige vaten binnengerold, en nadat deze met steenen +waren vastgezet, legde men er planken dwars overheen. Met dezen +toestel, benevens het omkeeren van eenige tobben en emmers, en het +plaatsen der wrakke stoelen, waren de toebereidselen voltooid. + +"De jongeheer George is zulk een heerlijk lezer," zeide Tante Chloe +nu. "Zeker zal hij wel willen blijven om voor ons te lezen; dat zou +zooveel stichtelijker zijn." + +George gaf bereidwillig zijne toestemming, want een jongen is altijd +gereed voor iets dat hem tot een persoon van gewicht maakt. + +Weldra werd het vertrek gevuld met eene zeer gemengde vergadering van +den grijzen patriarch van tachtig jaren tot het jonge meisje en den +knaap van vijftien. Men had een onschuldig praatje over allerlei +onderwerpen, zooals: waar oude Tante Sally haar nieuwen rooden +hoofddoek had gekregen, en aan wie Mevrouw Lizzy haar mousselinen +japon zou geven, als zij haar nieuwe zijden had laten maken en hoe de +jongeheer Shelby een bruin veulen zou koopen, dat de staatsie van het +huishouden zou vergrooten. Eenige aanwezigen behoorden tot familiën in +de nabijheid en brachten eenige belangrijke berichten mede aangaande +het zeggen en doen in huis en op het goed, die even vaardig rondgingen +als dezelfde soort van kleine munt in hoogere kringen doet. + +Na een poosje begon het zingen, tot blijkbaar genoegen van alle +aanwezigen. Zelfs de leelijke gewoonte om door den neus te zingen, +kon den indruk der inderdaad fraaie stemmen en der tegelijk wilde +en levendige melodiën niet bederven. De woorden waren somtijds de +gewone welbekende liederen, die in de kerken in het rond gezongen +werden, maar hadden ook somtijds een meer dwependen toon en waren +bij veldpredicatiën gehoord en aangeleerd. + +Het koor van een dier liederen luidde als volgt en werd met bijzondere +kracht en stichting gezongen: + + + "Sterven op het slagveld, + Sterven op het slagveld, + Heerlijkheid in mijne ziel." + + +In een ander geliefkoosd lied werden dikwijls de woorden herhaald: + + + "'k Ga nu naar de heerlijkheid: + Gaat gij met mij mee? + Ziet gij d'engelen niet wenken + Naar de heilige stee? + Ziet gij niet de gouden muren, + Waar de dag zal duren?" + + +Er waren nog andere, waarin gedurig melding werd gemaakt van den +"oever des Jordaans", "de velden Kanaäns", en het "nieuwe Jeruzalem", +want het hartstochtelijke gemoed des negers schept vooral behagen +in levendige, schilderachtige voorstellingen en uitdrukkingen; en +terwijl zij zongen, begonnen sommigen te lachen, anderen te schreien, +en sommigen klapten in de handen, of drukten elkander met verrukking +de hand, als hadden zij de overzijde der rivier reeds bereikt. + +Verschillende vermaningen en verhalen van bevindingen volgden daarop, +telkens weder met zingen afgewisseld. Eene oude vrouw, die al lang +niet meer werken kon, maar als eene soort van kroniek van het verledene +werd geëerd, stond op, en op haar stok leunende zeide zij: + +"Wel, kinderen, wel, ik ben machtig blijde, u allen nog eens te zien +en te hooren, omdat ik niet weet wanneer ik naar de heerlijkheid zal +gegaan zijn; maar ik heb mij geheel klaargemaakt, kinderen; het is +alsof ik mijn pakje al gemaakt had en mijn hoed op, zoo wachtende +tot de postwagen langs komt en mij medeneemt naar huis. Somtijds in +den nacht, denk ik dat ik de wielen al hoor ratelen; en al dien tijd +zie ik uit. Weest ook maar gereed, want ik zeg u allen, kinderen," en +daarbij stampte zij met haar stok op den vloer, "dat die heerlijkheid +een machtig ding is! Het is een machtig ding, kinderen--gij weet er +nog niets van--het is wonderbaar!" + +En de oude vrouw zette zich weder neder, overstelpt van aandoening +en met een stroom van tranen, terwijl de geheele kring aanhief: + + + "O Kanaän, schoon Kanaän, + Ik ga naar 't land van Kanaän!" + + +De jongeheer George las daarna op verzoek de laatste hoofdstukken der +Openbaring, dikwijls gestoord door zulke uitroepingen als: "Dat zijn +de beloften nu!"--"Hoor dat nu eens!"--"Denk daar eens aan!"--"Zal +dat alles zeker komen?" + +George, die een schrandere jongen was, en door zijne moeder wel in +godsdienstige zaken onderwezen werd, voegde er, nu hij zich een +voorwerp van algemeene bewondering zag, van tijd tot tijd eenige +aanmerkingen tusschen, met een loffelijken ernst en eene deftigheid, +waarvoor hij door de jongen bewonderd en door de ouden gezegend +werd. Algemeen zeide men, "dat een dominee niet beter kon uitleggen +dan hij deed", en dat het "waarlijk verbazend was." + +Oom Tom werd in den omtrek voor een soort patriarch gehouden. Daar hij +zeer geregeld leefde en zijn geest zoowel krachtiger als meer beschaafd +was dan die zijner makkers, zag men met eerbied, als een leeraar en +voorganger, tot hem op: en het eenvoudige, hartelijke en oprechte +zijner vermaningen had zelfs menschen van betere opvoeding kunnen +stichten. Maar het was vooral in het bidden, dat hij uitmuntte. Niets +kon de treffende eenvoudigheid en den kinderlijken ernst overtreffen +van zijn gebed, in de taal der Heilige Schrift gekleed, welke hem +zoo eigen was geworden, dat zij hem van de lippen scheen te vloeien, +zonder dat hij zelf het wist. Zoo sterk werkte zijn gebed altijd op +het godsdienstig gevoel zijner hoorders, dat er dikwijls gevaar scheen +te bestaan, dat het geheel onhoorbaar zou worden door den overvloed +van uitroepingen, die overal om hem heen uitbarstten. + + + +Terwijl dit tooneel in de hut van den dienaar plaats had, had men in +de woning van zijn meester van een geheel ander getuige kunnen zijn. + +De handelaar en Mr. Shelby zaten bij elkander in de bovenvermelde +eetzaal, aan eene tafel met papieren en schrijfgereedschap. + +"Alles in orde," zeide de handelaar. "Nu nog maar deze teekenen." + +Shelby haalde haastig de koopbrieven naar zich toe en teekende ze, +als een man die spoedig eene onaangename zaak wil afdoen. Haley +haalde uit een versleten valies een perkament, dat hij, na het even +te hebben ingezien aan Shelby overgaf, die het met een gretigheid, +welke hij vruchteloos poogde te ontveinzen, aannam. + +"En nu is de zaak gedaan," zeide de handelaar opstaande. + +"Ja, gedaan!" zeide Shelby binnensmonds, en na diep adem te hebben +gehaald, zeide hij nog eens: "het is gedaan!" + +"Gij schijnt er niet zeer mee in uw schik te zijn, naar het mij +voorkomt," zeide de handelaar. + +"Haley," antwoordde Shelby, "gij zult hoop ik onthouden, dat gij op +uwe eer hebt beloofd dat gij Tom niet zult verkoopen, zonder te weten +in welke soort van handen hij komt." + +"Wel, dat hebt ge daar juist gedaan, Mijnheer," zeide de handelaar. + +"Omstandigheden, zooals gij weet, hebben mij gedwongen," antwoordde +Shelby trotsch. + +"Wel, gij weet, zij kunnen mij ook dwingen," zeide de +handelaar. "Evenwel, ik zal mijn best doen, zooveel ik kan, om Tom +eene goede plaats te bezorgen; en dat ik hem slecht zou behandelen, +daarvoor behoeft ge niet bang te zijn. Als er iets is waarvoor ik +onzen lieven Heer dank, is het dat ik nooit wreed ben." + +Na de uitweiding over zijne menschlievendheid, welke de handelaar +vroeger had gedaan, gevoelde Shelby zich door deze verklaring niet +zeer gerustgesteld; maar daar zij de beste troost was dien het geval +veroorloofde, liet hij Haley stilzwijgend vertrekken en bleef in +eenzaamheid zijne sigaar rooken. + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +WAT LEVENDE KOOPWAAR GEVOELT BIJ VERWISSELING VAN EIGENAAR. + + +Shelby en zijne vrouw hadden zich naar hun slaapvertrek begeven. Hij +zat nog in een grooten leuningstoel eenige brieven door te zien, +welke de namiddagpost had medegebracht, terwijl zij voor haren +spiegel stond en de kunstige vlecht losmaakte, waarin Eliza haar het +haar had gestrengeld; want op de bleeke wangen en holle oogen harer +kamenier lettende, had zij deze van die taak ontslagen en naar bed +gezonden. Hare bezigheid bracht haar, natuurlijk genoeg, haar gesprek +met Eliza in de gedachten, en zich naar haren echtgenoot keerende, +zeide zij losweg: + +"Apropos, wie was toch die ongemanierde kerel, dien gij vandaag bij +ons aan tafel hebt gebracht?" + +"Hij heet Haley," antwoordde Shelby, zich onrustig op zijnen stoel +verschuivende en de oogen strak op een brief gevestigd houdende. + +"Haley! Wie is dat, en wat kan hij hier te doen hebben?" + +"Och, hij is iemand met wien ik eenige zaken heb gedaan, toen ik +laatst naar Natchez was." + +"En dat maakte hem zoo vrijpostig om hier te komen eten en te doen +alsof hij thuis was?" + +"Wel, ik had hem gevraagd--ik had eene rekening met hem te sluiten," +zeide Shelby. + +"Is hij een slavenhandelaar?" zeide Mevrouw Shelby, nu op zekere +verlegenheid in het voorkomen van haren man lettende. + +"Maar, lieve, wat heeft dat in uw hoofd gebracht?" antwoordde Shelby +opziende. + +"Niets, behalve dat Eliza na het diner zeer ontsteld en schreiende hier +kwam, en zeide dat gij met een handelaar aan het spreken waart, en dat +zij hem een bod had hooren doen naar heur kind--dat onnoozele gansje!" + +"Zoo, zeide zij dat?" zeide Shelby, den brief weder opnemende, waarop +hij een poos al zijne aandacht scheen te vestigen, niet bemerkende +dat hij dien het onderste boven hield. + +"Het moet nu maar uitkomen," zeide hij bij zich zelven; "nu zoo goed +als ooit." + +"Ik zeide Eliza," hervatte Mevrouw Shelby, "dat zij een zottinnetje +was en dat gij nooit iets met zulke menschen te doen hadt. Ik wist +natuurlijk wel, dat gij nooit een van onze lieden zoudt willen +verkoopen, vooral niet aan zulk een kerel." + +"Ja, Emily, dat heb ik altijd gedacht en gezegd," antwoordde haar +echtgenoot; "maar de waarheid is, dat mijne zaken zoo gesteld zijn, +dat ik het niet laten kan. Ik zal eenigen van mijne lieden moeten +verkoopen." + +"Aan dat schepsel? Onmogelijk! Dat kunt gij niet ernstig meenen." + +"Het spijt mij het te moeten zeggen. Ik heb toegestemd om Tom te +verkoopen." + +"Wat, onzen Tom? Dien goeden, trouwen man--die van kind af uw trouwe +dienaar is geweest? O Shelby--en gij hebt hem nog zijne vrijheid +beloofd--gij en ik hebben hem er honderdmalen van gesproken. Wel, nu +kan ik alles gelooven; nu kan ik zelfs gelooven dat gij den kleinen +Harry zoudt verkoopen, arme Eliza's eenig kind!" zeide Mevrouw Shelby +op een toon tusschen smart en verontwaardiging. + +"Welnu,--daar gij alles weten moet--het is zoo. Ik heb toegestemd om +Tom en Harry beiden te verkoopen; en ik weet niet waarom ik aangezien +moet worden alsof ik een monster was, omdat ik doe wat iedereen alle +dagen doet." + +"Maar waarom die te kiezen uit al de anderen?" zeide Mevrouw +Shelby. "Waarom die te verkoopen van allen op het goed, als gij dan +verkoopen moet?" + +"Omdat zij van allen den hoogsten prijs zullen opbrengen--dat is +het waarom. Ik zou nog wel anders kunnen kiezen, als gij wilt. De +kerel heeft mij een hoog bod voor Eliza gedaan, als dat u beter +zou bevallen." + +"Die ellendeling!" riep Mevrouw Shelby met heftigheid uit. + +"Welnu, daar luisterde ik geen oogenblik naar. Om uw gevoel te sparen +wilde ik niet. Dank mij tenminste daarvoor." + +"Vergeef mij, lieve!" zeide Mevrouw Shelby zich bedenkende. "Ik +ben haastig geweest. Ik werd verrast en was geheel niet hierop +voorbereid. Maar gij wilt mij toch wel voor die arme schepsels laten +spreken. Tom is edelachtig en trouw, even ontwijfelbaar als hij +zwart is. Ik geloof waarlijk dat hij zijn leven voor u laten zou, +als het van hem gevergd werd." + +"Dat weet ik--dat zeg ik ook. Maar wat baat dat alles? Ik kan mij +anders niet helpen." + +"Waarom offert gij niet iets anders op? Ik ben gewillig om mijn +deel van ontbering te dragen. O Shelby, ik heb getracht--zoo getrouw +getracht als eene Christelijke vrouw behoort te doen--om mijn plicht +aan die arme, eenvoudige, afhankelijke schepsels te vervullen. Ik heb +mij hunner aangetrokken, hen onderwezen; over hen gewaakt, en jarenlang +al hunne kleine zorgen en genoegens gekend; en hoe kan ik ooit mijn +hoofd weder onder hen ophouden, als wij om eene nietige winst zulk een +trouw en vertrouwelijk dienaar als dien goeden Tom verkoopen, en hem in +een oogenblik losrukken van alles wat wij hem hebben leeren liefhebben +en waardeeren? Ik heb hem de plichten tusschen de leden eener familie, +tusschen ouders en kinderen, tusschen man en vrouw leeren kennen; +en hoe kan ik het nu aanzien, zoo openlijk te toonen dat wij ons om +geen band, geen plicht, geene betrekking bekommeren als het om geld +te doen is? Ik heb met Eliza over haar kind gesproken--over haren +plicht jegens hem als eene Christelijke moeder, om over hem te waken, +voor hem te bidden en hem Christelijk op te voeden, en wat kan ik +nu zeggen als gij hem wegrukt en hem verkoopt met lichaam en ziel +aan een slecht, goddeloos man, alleen om wat geld te besparen? Ik +heb haar gezegd dat ééne ziel meer waard is dan al het geld op de +wereld, en hoe zal zij mij gelooven, als zij ons ziet omkeeren en +haar kind verkoopen?--verkoopen misschien tot zeker verderf voor +lichaam en ziel!" + +"Het spijt mij dat gij het zoo voelt, Emily--waarlijk het spijt +mij!" zeide Shelby hierop, "en ik eerbiedig uw gevoel ook, hoewel +ik niet zeggen kan dat ik er ten volle in deel; maar ik zeg u nu +plechtig: het baat niet, ik kan mij anders niet helpen. Ik had u dit +niet willen zeggen, Emily, maar met ronde woorden: ik heb geen andere +keus dan tusschen deze twee te verkoopen en alles te verkoopen. Zij +moeten gaan of alles moet. Haley is in het bezit van eene hypoteek +gekomen die, als ik ze niet terstond afdoe, alles zal wegnemen. Ik +heb saamgeschraapt en geleend, bijna gebedeld--en de prijs van deze +twee was nog noodig voor het tekort. Ik moest hen afstaan. Haley had +zin in het kind, hij wilde de zaak zoo schikken en anders niet. Ik +was in zijne macht, ik moest het doen. Als het u zoo verdriet dat +zij verkocht worden, zou het dan beter zijn allen te verkoopen?" + +Mevrouw Shelby stond eene poos als versteend. Eindelijk zich omkeerende +naar hare toilettafel, verborg zij haar gezicht in hare handen en +slaakte een kermenden zucht. + +"Dat is Gods vloek op de slavernij!--een bitter, diep vervloekt +ding!--een vloek voor den meester en een vloek voor den slaaf! Het +was dwaas van mij te denken, dat ik iets goeds kon maken uit zulk een +doodelijk kwaad. Het is eene zonde een slaaf te hebben onder wetten +gelijk de onze. Ik heb altijd gevoeld dat het zoo was. Ik voelde het +reeds als een kind, en nog meer toen ik in de kerk was gekomen; maar +ik dacht dat ik het zou kunnen verbloemen en vergulden--ik dacht dat +ik door goedheid, zorg en onderwijs dan toestand van mijne slaven en +slavinnen beter zou kunnen maken dan de vrijheid! O hoe dwaas!" + +"Maar vrouw, gij wordt geheel een abolitionist." + +"Abolitionist! Als zij alles van de slavernij wisten wat ik weet, +dan zouden zij kunnen spreken! Zij behoeven er ons niets van te +zeggen. Gij weet wel dat ik nooit de slavernij voor rechtvaardig en +goed heb gehouden--nooit genegen was om slaven in eigendom te hebben." + +"Daarin verschilt gij dan van vele wijze en godvruchtige lieden," +zeide Shelby. "Gij herinnert u de preek van Mijnheer B*** nog wel, +verleden Zondag?" + +"Ik wil zulke preeken niet hooren. Ik hoop dien mijnheer B*** nooit +weder in onze kerk te hooren. Predikers kunnen misschien het kwaad niet +stuiten--kunnen het evenmin genezen als wij--maar het verdedigen!--dat +streed altijd tegen mijn gezond verstand. En ik denk dat gij ook niet +veel waarde aan die preek hebt gehecht." + +"Wel, ik moet zeggen," antwoordde Shelby, "dat die dominees de zaak +somtijds verder drijven, dan wij arme zondaren eigenlijk zouden +durven doen. Wij mannen van de wereld moeten voor sommige dingen de +oogen dichtknijpen, en gewennen ons aan veel wat eigenlijk niet naar +behooren is; maar het bevalt ons toch niet als vrouwen en dominees +zoo volmondig spreken, en in zaken van zedenleer of bescheidenheid +nog verder gaan dan wij. Maar nu, lieve, vertrouw ik dat gij de +noodzakelijkheid inziet, en begrijpt dat ik het beste gedaan heb wat +de omstandigheden veroorloofden." + +"O ja, ja," antwoordde Mevrouw Shelby haastig en futselde verstrooid +met haar gouden horloge. "Ik heb geene juweelen van eenige waarde," +vervolgde zij peinzend, "maar zou dit horloge niet iets kunnen +doen? Het was duur toen het gekocht werd. Als ik tenminste Eliza's +kind kon redden, zou ik alles willen opofferen wat ik heb." + +"Het spijt mij, het spijt mij zeer, Emily," zeide Shelby, dat gij u +dit zoo aantrekt; maar het kan niet baten. Om de waarheid te zeggen, +Emily, het is gedaan, de koopbrief is reeds geteekend en in Haley's +handen, en gij moet dankbaar zijn dat het niet erger is. De man had +het in zijn macht om ons geheel te ruïneeren, en nu is hij voorgoed +heen. Als gij den man zoo goed hadt gekend als ik, zoudt ge denken +dat wij er nog gelukkig van zijn afgekomen." + +"Is hij dan zoo hardvochtig?" + +"Wel, hij is eigenlijk niet barbaarsch, maar een man zonder +gevoel--een man, die om niets dan handel en voordeel denkt, zoo koud +en onbarmhartig als de dood en het graf. Hij zou zijne eigene moeder +verkoopen voor eene goede winst, en dat zonder de oude vrouw eigenlijk +kwaad te willen doen." + +"En die ellendeling is nu eigenaar van onzen goeden, trouwen Tom en +van Eliza's kind!" + +"Wel, lieve ik moet zeggen dat het mij zelf hard valt en ik er +niet gaarne aan denk. Haley wil haast maken en morgen bezit van hen +nemen. Ik zal vroeg mijn paard laten voorbrengen en uitrijden. Ik +kan Tom niet meer zien; het is niet anders. En gij moest liefst een +toertje gaan doen en Eliza medenemen. Laat het gedaan worden terwijl +zij buiten 't gezicht is." + +"Neen, neen," antwoordde Mevrouw Shelby. "Ik wil in geenerlei opzicht +medeplichtige of helpster bij deze wreedheid zijn. Ik zal den armen +Tom, God helpe hem, gaan bezoeken in zijn droefheid. Zij zullen +in allen gevalle zien dat hunne meesteres met hen en voor hen kan +gevoelen. En Eliza--daaraan durf ik niet denken. De Heer vergeve +ons! Wat hebben wij gedaan, dat deze wreede noodzakelijkheid ons +overkomen moet?" + +Dit gesprek werd door iemand beluisterd, zonder dat de sprekers iets +daarvan konden vermoeden. + +De kamer had eene groote kast, die met eene andere deur in de gang +uitkwam. Toen Mevrouw Shelby Eliza wegzond, had deze in haren +koortsachtigen angst om die kast gedacht. Daar verborgen en met +haar oor dicht voor eene reet in de deur, had zij geen woord van het +gesprokene gemist. + +Toen de stemmen zwegen, stond zij op en sloop stil heen. Bleek, +huiverend, met strakke trekken en dichtgeknepen lippen, scheen zij een +geheel ander wezen te zijn dan de zachtaardige, vreesachtige vrouw, +die zij tot nog toe geweest was. Zij ging voorzichtig de gang langs, +bleef een oogenblik staan voor de deur harer meesteres, hief in een +stil gebed hare handen ten hemel op, en sloop toen even zacht naar hare +eigene kamer. Deze was een stil, net vertrekje op dezelfde verdieping, +waar haar meesteres sliep. + +Het had een zonnig venster met een fraai uitzicht, waarvoor zij +dikwijls zingende zat te naaien; er stond een kastje met boeken en +eenige kleine snuisterijen daartusschen gerangschikt, geschenken op +Kerstdagen; daar had zij hare eenvoudige kleederen in de kast en de +latafel; daar, kortom, was ze tehuis, en daar was zij over het geheel +gelukkig geweest. Maar daar op het bed lag haar sluimerend kind, +met de lange krullen achteloos over de gesloten oogjes, het roode +mondje half geopend, de mollige handjes op het dek, en een glimlach +als een zonnestraal over het geheele gezichtje. + +"Arme jongen! Arm kind!" zeide Eliza. "Zij hebben u verkocht; maar +uwe moeder zal u nog redden." + +Geen traan viel op de peluw. In zulk eene benauwdheid heeft het hart +geene tranen; het laat alleen bloed droppelen en bloedt in stilte +ledig. Zij nam een stukje papier en schreef daarop haastig met potlood: + +"O, Mevrouw, lieve meesteres! houd mij niet voor ondankbaar--denk toch +niet hard over mij. Ik heb alles gehoord wat gij en de meester van +avond gezegd hebt. Ik ga beproeven of ik mijn kind kan redden--gij +zult mij daarom niet veroordeelen. God zegene en beloone u voor al +uwe goedheid." + +Haastig dit briefje gevouwen en geadresseerd hebbende, ging zij +naar de latafel en maakte een pakje kleederen voor haar kind, dat +zij met een zakdoek stevig om haar middel vastbond; en zoo teeder +is het geheugen eener moeder, dat zij zelfs in den angst van dat uur +niet vergat een paar geliefkoosde stukjes speelgoed in te pakken, en +een bont geschilderd papegaaitje te bewaren om hem te vermaken, als +zij hem zou moeten wekken. Het was eenigszins moeielijk den kleinen +slaper wakker te krijgen; maar ten laatste zat hij toch overeind en +speelde met zijn vogeltje, terwijl zijne moeder haar hoed opzette en +haar doek omsloeg. + +"Waar gaat gij naar toe, moeder?" zeide hij, toen zij met zijn rokje +en mutsje naar het bed kwam. + +Zijne moeder kwam nog nader en zag hem zoo ernstig in de oogen, dat +de kleine terstond begreep dat het om iets buitengewoons te doen was. + +"Stil!" zeide zij. "Harry moet niet hard spreken of zij zullen ons +hooren. Er zal een boos man komen, om den kleinen Harry van zijne +moeder af te nemen en ver weg te brengen; maar moeder wil hem dat +niet laten doen. Zij zal haar kindje aankleeden en met hem wegloopen, +zoodat de leelijke man hem niet krijgen kan." + +Met deze woorden had zij haar knaapje zijn eenvoudig kleedje reeds +aangetrokken. Zij nam hem op den arm, fluisterde hem nog eens toe dat +hij heel stil moest wezen, opende de deur van hare kamer, die op de +veranda uitkwam, en sloop zonder eenig gedruisch te maken naar buiten. + +Het was een heldere, vriezende nacht met sterrenlicht, en de moeder +wikkelde haar doek om het kind, dat zich stom van onbestemden angst +om haren hals vastklemde. + +De oude Bruno, een groote Newfoundlandsche hond, die aan het eind der +veranda sliep, stond brommend op, toen zij naderde. Zij sprak zacht +zijn naam uit, en het dier dat een oude lieveling en speelmakker van +haar was, begon te kwispelstaarten en volgde haar, hoewel hij met +zijnen eenvoudigen hondekop zeer ernstig scheen te overleggen wat +zulk eene ongewone nachtwandeling moest beduiden. Eenige onbepaalde +denkbeelden van het onvoorzichtige of onvoegzame daarvan schenen hem +tamelijk te verbijsteren; want dikwijls bleef hij stilstaan en keek, +terwijl Eliza voortsloop, twijfelend eerst naar haar en dan naar het +huis, totdat hij, alsof hij zich door nadenken had gerustgesteld, haar +weder natrippelde. Eenige minuten brachten beiden aan de woning van Oom +Tom, waar Eliza bleef stilstaan en zachtjes tegen het venster tikte. + +De bijeenkomst bij Oom Tom had, vooral door het liederen zingen tot +zeer laat geduurd, en daar Oom Tom naderhand nog eenige solo's had +gezongen, was het gevolg dat hij en zijne vrouw, hoewel het nu tusschen +twaalf en één uur was, wel te bed maar nog niet in slaap waren. + +"Lieve deugd! Wat is dat?" zeide Tante Chloe, overeind komende en +haastig het gordijn opschuivende. "Al mijn tijd, als het Lizzy niet +is! Kleed u aan, oude man, spoedig! En daar is de oude Bruno ook +en krabt aan de deur. Wat op de wereld--! Ik zal de deur maar gaan +opendoen." + +Toen zij deed wat zij zeide, bescheen het licht der kaars, die Tom +haastig had aangestoken, het bleeke, angstige gelaat en de verwilderde +oogen der vluchteling. + +"Heere zegen ons! Ik schrik als ik u aanzie, Lizzy! Zijt gij ziek, +of wat is u overkomen?" + +"Ik loop weg Oom Tom en Tante Chloe en ik neem mijn kind mede. Meester +heeft het verkocht." + +"Het verkocht?" herhaalden beiden, van ontzetting de handen opstekende. + +"Ja, het verkocht," antwoordde Eliza, op vasten toon. "Ik sloop +van avond in de kast naast de deur van Mevrouw en toen hoorde ik +meester haar vertellen, dat hij mijn Harry en u, Oom Tom, beiden aan +een handelaar had verkocht, en dat hij van morgen te paard uitreed, +en dat die man vandaag bezit van u zou nemen." + +Tom was onder deze gezegden met opgeheven handen en wijd starende oogen +blijven staan. Langzamerhand, toen hij begreep wat zij beteekenden, +zakte hij op zijn stoel neer, en zonk zijn hoofd op zijne knieën. + +"Onze lieve Heer zij ons genadig!" zeide Tante Chloe. "Maar o, het +klinkt alsof het niet waar was. Wat heeft hij gedaan, dat meester +hem verkoopen zou?" + +"Hij heeft niets gedaan--daar is het niet om. Meester wilde niet +verkoopen, en Mevrouw--zij is altijd goed. Ik hoorde haar voor ons +spreken en bidden; maar hij zeide haar dat het niet baten kon--dat +hij bij dien man in schuld was, en dat die man macht over hem had, +en dat hij, als hij hem niet geheel afbetaalde, eindelijk de geheele +plaats en al de lieden zou moeten verkoopen. Ja, ik hoorde hem zeggen +dat hij geene andere keus had dan tusschen deze twee te verkoopen of +allen--zoo hard drong hem die man. Meester zeide dat het hem speet; +maar Mevrouw--o, gij hadt haar moeten hooren! Als zij geene Christin +en geen engel is, dan is er nooit een geweest. Ik ben slecht dat ik +haar zoo verlaat; maar ik kan toch niet anders. Zij heeft zelve gezegd, +dat ééne ziel meer waard is dan de wereld; en dit kind heeft eene ziel, +en als ik hem laat wegbrengen, wie weet wat er dan van worden zal? Het +moet goed wezen; maar als het niet goed is, moge de Heer mij vergeven, +want ik kan het niet laten." + +"Wel oude man," zeide Tante Chloe, "waarom gaat gij ook niet? Wilt +ge wachten tot ge de rivier wordt afgebracht, waar zij de negers +vermoorden met zwaar werken en honger lijden? Ik zou altijd veel +liever willen sterven dan daarheen gaan. Gij hebt nog tijd. Ga met +Lizzy mee. Gij hebt een vrijpas om overal heen te gaan. Kom, maak u +klaar, en ik zal uw goed bijeenpakken." + +Tom beurde zijn hoofd op, zag treurig maar bedaard in 't rond, +en zeide: + +"Neen, neen, ik ga niet. Laat Eliza gaan. Voor haar is het goed. Ik wil +de man niet wezen, om neen daartegen te zeggen. Het is niet natuurlijk +voor haar dat zij blijven zou. Maar gij hoort wat zij zegt. Als ik +verkocht moet worden of alles hier op de plaats, laat ik dan verkocht +worden. Ik denk dat ik het dragen kan zoo goed als iemand anders," +vervolgde hij, terwijl iets tusschen een zucht en een snik zijne +breede borst stuipachtig deed zwoegen. "Meester heeft mij altijd +gereed gevonden--en dat zal hij altijd. Ik heb nooit vertrouwen +geschonden of mijn vrijpas tegen mijn woord gebruikt, en dat zal +ik nimmer. Het is beter dat ik alleen ga, dan dat de geheele plaats +opgebroken en alles verkocht wordt. Meester is niet te laken, Chloe, +en hij zal wel voor u zorgen, en voor de arme...." + +Hij zag naar het bed met de slapende kroeskoppen, en nu bezweek +hij. Over den rug van zijn stoel leunende, bedekte hij zijn gezicht +met zijne groote grove handen. Snikken, zwaar, schor en luid, deden +den stoel beven, en groote tranen vielen tusschen zijne vingers op +den grond--zulke tranen, Mijnheer, als gij hebt laten vallen op de +doodkist, waarin uw eerstgeboren zoon lag; zulke tranen, Mevrouw, +als gij geschreid hebt bij het benauwde krijten van uw stervend +kind. Want, Mijnheer, hij was een man, en gij zijt ook een man: en +Mevrouw, schoon in zijde en met juweelen gekleed, gij zijt maar eene +vrouw, en in het diepste leed des levens voelt gij maar dezelfde smart! + +"En nu", zeide Eliza, bij de deur staande, "ik heb mijn man pas van +middag gezien en wist toen weinig wat er komen zou. Zij hebben hem +tot het uiterste gedreven, en hij zeide mij vandaag dat hij zou +wegloopen. Beproef toch, als gij kunt, om hem eene boodschap te +bezorgen. Zeg hem hoe ik heenging en waarom ik heenging; en zeg hem +dat ik zal beproeven om Canada te vinden. Gij moet mijn liefderijken +groet aan hem doen en hem zeggen als ik hem nooit wederzie"--zij +keerde zich om, bleef een oogenblik met den rug naar hem toe staan, +en vervolgde toen met eene heesche stem: "zeg hem dat hij zoo goed +moet zijn als hij kan, en zijn best doen om mij in het koninkrijk +der hemelen weder te zien." + +"Roep Bruno hier binnen," zeide zij nog, "en doe de deur dicht. Hij +moet niet met mij meeloopen, het goede beest." + +Nog eenige laatste woorden en tranen, nog eenige eenvoudige zegenbeden, +en haar verbaasd en beangstigd kind in hare armen sluitende, sloop +zij stil heen. + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +DE ONTDEKKING. + + +Mr. Shelby en zijne vrouw konden, na het langgerekte gesprek van den +vorigen avond, niet spoedig tot rust komen, en het gevolg daarvan was, +dat zij den volgenden morgen wat langer dan gewoonlijk bleven slapen. + +"Het verwondert mij waarom Eliza niet komt," zeide Mevrouw Shelby, +nadat zij verscheidene malen vruchteloos aan hare schel had getrokken. + +Shelby stond voor zijnen spiegel, bezig met zijn scheermes aan te +zetten; en juist toen werd de deur geopend en kwam een zwarte jongen +binnen om zijn meester heet water te brengen. + +"Andy," zeide zijne meesteres, "ga eens naar Eliza's deur, en zeg +haar dat ik al driemaal om haar gescheld heb. Arme ziel!" voegde zij +er bij zich zelve zuchtend bij. + +Andy kwam spoedig terug met groote oogen van verbazing. + +"O Mevrouw! Lizzy's laden staan alle open, en al haar goed ligt overal +in het rond, en ik geloof dat zij de deur uit is." + +Op hetzelfde oogenblik begrepen Shelby en zijne vrouw beiden de +waarheid. + +"Dan heeft zij het vermoed en is weggeloopen," riep hij uit. + +"Dat geloof ik ook. God zij gedankt!" zeide Mevrouw Shelby. + +"Vrouw, gij spreekt als eene zottin. Het zal er inderdaad leelijk +voor mij uitzien als zij het gedaan heeft. Haley zag dat ik er tegen +had om dat kind te verkoopen, en zal nu denken dat ik oogluikend +heb toegelaten hem uit den weg te helpen. Dat raakt mijne eer!" En +daarmede snelde hij de kamer uit. + +Omtrent een kwartier lang hoorde men heen en weer loopen en eene +menigte van uitroepingen, afgewisseld met het openen en toeslaan +van deuren, en zag men gezichten van allerlei tinten van kleur +hier en daar te voorschijn komen. Één persoon echter, de eenige +die eenig licht over de zaak had kunnen verspreiden, hield zich +geheel stil. Tante Chloe namelijk, de eerste keukenmeid, wier eens +zoo vroolijk gezicht donker betrokken was, bleef zwijgend aan het +gereedmaken der ontbijtbeschuiten, als zag of hoorde zij niets van +het gewoel om zich heen. + +Zeer spoedig zaten een half dozijn, kleine zwarte jongens en meisjes, +als zooveel kraaien, op het hek der veranda, allen verlangende de +eerste te zijn, om den vreemden meester zijn ongeluk aan te kondigen. + +"Hij zal razend worden, dat geloof ik vast," zeide Andy. + +"Of hij ook vloeken zal!" zeide de kleine Jake. + +"Ja, want hij vloekt erg," liet een meisje, Mandy geheeten, hierop +volgen. "Ik heb het hem gisteren aan tafel hooren doen. Ik heb er toen +alles van gehoord, omdat ik in de kast was gekropen, waar Mevrouw de +groote kruiken bewaart; en ik hoorde ieder woord." + +En Mandy, die nog nooit in haar leven over een woord dat zij hoorde had +nagedacht, nam nu een voorkomen van bijzonder gewicht aan, en zeide +niet dat zij, hoewel zij werkelijk op den genoemden tijd tusschen de +kruiken had gelegen, al dien tijd vast had geslapen. + +Toen Haley eindelijk gelaarsd en gespoord aankwam, werd hij van alle +kanten met de slechte tijding begroet. De kleine kwelgeesten op het +hek werden niet teleurgesteld in de hoop van hem te hooren vloeken; +hij deed dit met eene vlugheid en kracht, die hen allen verbazend +vermaakte, terwijl zij herwaarts en derwaarts stoven, om buiten bereik +van zijne karwats te komen. Eindelijk liepen zij allen een eind weg, +rolden over het verdorde gras en gilden, met de hielen in de lucht +schoppende, hunne pret uit. + +"Als ik die kleine duivels maar had!" prevelde Haley tusschen zijne +tanden. + +"Maar gij hebt ze nog niet," zeide Andy zegevierend, toen hij buiten +gehoor was, en trok een geheele reeks van onbeschrijfelijke gezichten +achter den rug van den ongelukkigen handelaar. + +"Zeg eens, Shelby, dat is een vreemd geval hier!" zeide Haley, toen +hij vrijpostig de voorkamer binnentrad. "Het schijnt dat die meid +weggeloopen is met haar jong." + +"Mijnheer Haley, Mevrouw Shelby is hier," zeide Shelby. + +"Verschooning, Mevrouw," hervatte Haley, even buigende, maar nog met +een donker gezicht. "Maar ik zeg nog eens, gelijk ik zeide, dat is +een vreemd gerucht hier. Is het waar, Mijnheer?" + +"Mijnheer," antwoordde Shelby, "als gij mij verlangt te spreken, +moet gij eenigszins de manieren van een _gentleman_ in acht +nemen. Andy, ontlast Mijnheer Haley van zijn hoed en karwats. Ga +zitten, Mijnheer. Ja, Mijnheer; het spijt mij te moeten zeggen, dat +die jonge vrouw iets van de zaak moet afgeluisterd of op eene andere +manier vernomen hebben, en daardoor opgewonden in den nacht met haar +kind is weggeloopen." + +"Ik had een eerlijke manier van handelen verwacht, dat moet ik +bekennen," zeide Haley. + +"Mijnheer," antwoordde Shelby, zich driftig naar hem omkeerende, +"wat moet ik uit dat gezegde verstaan? Als iemand mijne eer in twijfel +trekt, heb ik maar een antwoord voor hem." + +De handelaar scheen hierdoor uit het veld geslagen, en zeide op een +wat lageren toon dat het toch verduiveld hard voor iemand was, als +hij een goeden koop gedaan had, dan zoo gefopt te worden. + +"Mijnheer Haley," antwoordde Shelby hierop, "als ik niet dacht dat +gij eenige reden tot verdrietelijkheid hadt, zou ik zulk een ruw en +vrijpostig binnenkomen in mijne kamer niet van u verdragen hebben. Ik +zeg nu echter, dewijl uwe houding reden daartoe geeft, dat ik mij +geene gezegden zal laten welgevallen, alsof het denkbaar was dat ik +mij met eenige oneerlijkheid in dit geval had ingelaten. Bovendien +zal ik mij verplicht achten om u, wat het gebruik van paarden, +bedienden enz. betreft, alle hulp te verleenen om uw eigendom terug te +bekomen. Dus kortom, Haley," vervolgde hij, eensklaps van zijnen koel +deftigen toon tot zijne gewone rondborstige vriendelijkheid overgaande, +"het beste wat gij doen kunt, is in een goed humeur te blijven, +en hier te ontbijten; dan zullen wij daarna zien wat er te doen is." + +Mevrouw Shelby stond nu op, en zeide dat hare bezigheden haar +verhinderden dien morgen bij het ontbijt te blijven; en nadat zij +eene zeer welgemanierde mulattin had belast de heeren van koffie te +bedienen, verliet zij de kamer. + +"De oude vrouw schijnt niet machtig op uwen onderdanigen dienaar +gesteld," zeide Haley, met een gedwongen poging om zeer familiaar +te zijn. + +"Ik ben niet gewoon op zulk een vrijen toon van mijne vrouw te hooren +spreken," antwoordde Shelby droogjes. + +"Verschooning! Natuurlijk maar een aardigheid, weet ge," zeide Haley, +gemaakt lachende. + +"Sommige aardigheden zijn minder aangenaam dan andere," zeide Shelby +hierop. + +"Duivels licht geraakt, nu ik die papieren geteekend heb!" mompelde +Haley. "Vervloekt grootsch geworden sedert gisteren." + +Nooit maakte de val van een eersten minister meer algemeenen indruk +aan een hof, dan het gerucht van het lot dat Tom te wachten stond +op het landgoed. Iedereen had er overal den mond vol van; en in het +huis en op het veld deed men niets anders dan over de waarschijnlijke +gevolgen van dat voorval spreken. Eliza's vlucht--eene voorbeeldelooze +gebeurtenis op het goed--bracht er ook niet weinig toe bij om de +algemeene spanning te vergrooten. + +Zwarte Sam, gelijk hij gewoonlijk genoemd werd, omdat hij een zweempje +zwarter was dan iemand anders op de plaats, overwoog de zaak in al +hare omstandigheden en gevolgen, met een scherpzinnigheid en eene +stipte aandacht voor zijn eigen belang, die een blank patriot te +Washington tot eer zouden zijn geweest. + +"Het is een slechte wind, die nergens heenwaait--zoo is het," +zeide hij spreukmatig en trok zijn broek op, om voor een afwezigen +bretelknoop een langen spijker in de plaats te steken; eene vinding, +waarmede hij zeer in zijn schik scheen te zijn. + +"Ja, het is een slechte wind, die nergens heenwaait," herhaalde +hij. "Daar is nu Tom naar omlaag--natuurlijk geeft dat ruimte voor +een anderen neger om omhoog te komen--en waarom deze neger niet?--dat +is de vraag. Tom het land doorrijden--met gepoetste laarzen--pas in +zijn zak! Waarom Sam nu niet? Dat zou ik willen weten." + +"Hallo, Sam! O Sam! Meester zegt dat ge Bill en Jerry moet vangen," +riep Andy, Sam's alleenspraak afbrekende. + +"Ho! Wat is er nu te doen, jongen?" + +"O, gij zult nog niet weten, dat Lizzy met haar jongen is weggeloopen." + +"Loop uwe grootmoeder een lesje geven," antwoordde Sam met diepe +minachting. "Dat heb ik veel eer geweten dan gij. Deze neger is zoo +dom niet." + +"Welnu, meester wil Bill en Jerry dadelijk opgetoomd hebben; en gij +en ik moeten met Mijnheer Haley mee om haar te zoeken." + +"Zoo! Goed! Zoo laat is het nu!" zeide Sam. "Het is nu Sam, +die geroepen wordt. Hij is nu de neger. Zie maar of ik haar niet +vang. Meester zal zien wat Sam doen kan." + +"Ja, maar, Sam," zeide Andy, "daar moogt ge u nog wel eens op bedenken; +want Mevrouw wil niet hebben dat zij gevangen wordt en zij zal het +u betaald zetten." + +"Ho!" zeide Sam met wijd starende oogen. "Hoe weet ge dat?" + +"Dat heb ik haar van morgen zelve hooren zeggen, toen ik meester +scheerwater bracht. Zij liet mij gaan zien waarom Lizzy haar niet kwam +kleeden; en toen ik haar kwam zeggen dat deze weg was, stond zij op en +zeide: "God zij gedankt!" en meester geleek half dol te worden en zei: +"vrouw! gij spreekt als een zottin." Maar zij zal hem wel ompraten. Ik +weet wel hoe dat gaat. Het is altijd best, het met Mevrouw te houden; +dat zeg ik u." + +Zwarte Sam krabde zijn kroeskop, die, als hij geene zeer diepe +wijsheid bevatte, toch genoeg van die bijzondere soort inhield, welke +onder staatkundigen van alle kleuren en landen zeer in trek is, en +gemeenlijk genoemd wordt: te weten aan welken kant het brood geboterd +is. Sam dacht dus ernstig na en trok daarbij zijn broek nog eens op, +zijne gewone manier om zich in diepzinnige overpeinzingen te helpen. + +"Men kan toch nooit iets zeggen,--nooit--van iets op deze wereld," +zeide hij eindelijk. + +Hij legde zulk een nadruk op het woord _deze_, alsof hij in +verschillende werelden ondervinding had opgedaan, en zoo na rijp +beraad tot zijn besluit gekomen was. + +"Ik zou zeker gedacht hebben dat Mevrouw de geheele wereld door naar +Lizzy zou laten zoeken," voegde hij er vervolgens bij. + +"Dat zou ze ook," zeide Andy hierop; "maar kunt gij niet door eene +ladder heen zien, gij, zwarte neger? Mevrouw wil niet dat die Mijnheer +Haley Lizzy's jongen krijgt; dat is het." + +"Ho!" zeide Sam, met die onbeschrijfelijke uitdrukking in den toon, +welke alleen zij zich kunnen voorstellen, die dezen uitroep van negers +gehoord hebben. + +"En ik zal u nog meer zeggen," vervolgde Andy. "Ik geloof, dat ge best +zoudt doen naar de paarden te gaan zoeken, en wat gauw ook; want ik heb +Mevrouw naar u hooren vragen. Gij hebt al lang genoeg staan talmen." + +Sam maakte nu ernst van de zaak, en kwam weldra in zegepraal naar huis +met Bill en Jerry in vollen galop. Zich behendig afwerpende, terwijl +de paarden nog in vollen ren waren, liet hij ze als een wervelwind +voorbij den paal stuiven, die daar geplaatst was om paarden aan te +binden. Haley's paard, een schichtig, jong veulen, sprong op zijde +en trok hard aan zijn halster. + +"Ha, ha! Schichtig? Zijt gij dat?" zeide Sam, en een zonderlinge glans +van boosaardig, spottend vermaak verlichtte zijn zwart gezicht. "O, +ik zal u wel mak maken." + +Een groote beukenboom overschaduwde de plek, en de scherpe, driehoekige +beukennootjes lagen in menigte op den grond. Met een van deze tusschen +zijne vingers naderde Sam het veulen, om het te streelen en schijnbaar +tot bedaren te brengen. Veinzende den zadel te willen recht leggen, +stak hij het scherp beukennootje behendig daaronder, zoodanig dat het +minste gewicht op den zadel het gevoelige dier onverdragelijk moest +prikken, zonder eene zichtbare wonde of schram te veroorzaken. + +"Daar," zeide Sam, en liet met een grijns van genoegen zijne oogen +rollen. "Nu heb ik hem klaar." + +Op dit oogenblik verscheen Mevrouw Shelby op het balkon en wenkte +hem. Sam naderde met zulk een goed voornemen om zijn hof te maken, +als ooit eenige sollicitant naar eene ledige plaats te Londen of +Washington. + +"Waarom hebt ge zoo getalmd, Sam? Ik heb Andy laten zeggen dat gij +u haasten moest." + +"God zegene u, Mevrouw", antwoordde Sam, "de paarden wilden zich zoo +gauw niet laten vangen. Zij waren heel naar de zuidweide geloopen en +de Heer weet waar." + +"Sam, hoe dikwijls moet ik u zeggen, om niet zoo lichtzinnig zulke +uitdrukkingen te gebruiken, als "God zegene u" en "de Heere weet", +en dergelijke? Dat is goddeloos." + +"O, God zegene me, Mevrouw! Ik vergat het. Ik zal nooit zoo iets +meer zeggen." + +"Wel, Sam, daar hebt gij het al weer gedaan." + +"Heb ik? O, Heere--ik wil zeggen; ik wilde het niet eens doen." + +"Gij moet attent wezen, Sam." + +"Laat mij maar even op adem komen, Mevrouw, dan zal ik wel beter +oppassen. Ik zal heel attent zijn." + +"Nu, Sam, gij moet met Mijnheer Haley mederijden om hem den weg te +wijzen en hem te helpen. Maar pas op de paarden, Sam. Gij weet wel dat +Jerry verleden week wat kreupel ging. Laat hem niet te hard loopen." + +Mevrouw Shelby zeide deze laatste woorden zacht, maar met bijzonderen +nadruk. + +"Laat dit kind daarvoor maar zorgen," antwoordde Sam, en liet zijne +oogen rollen op eene manier, die genoeg zeide. "De Heere weet! dat +meende ik daar niet," riep hij uit, naar adem snakkende, met eene +koddige beweging van schrik, die zijne meesteres tegen wil en dank +deed lachen. "Ja, Mevrouw, ik zal wel op de paarden passen." + +"Nu, Andy," zeide Sam, naar den beukeboom terugkeerende, "het zou mij +volstrekt niet verwonderen, dat het paard van dien heer schopte of +steigerde als hij wil opstijgen. Ge weet wel, Andy, die dieren doen dat +somtijds." En daarmede gaf hij Andy een veelbeteekenenden ribbestoot. + +"Ho!" zeide Andy, met oogenblikkelijk begrip. + +"Ja, ziet ge, Andy, mevrouw wil tijd winnen; dat kan de domste wel +zien. Ik zal eens een beetje voor haar winnen. Ge weet wel, Andy, als +die paarden eens dol rondliepen, om het huis heen en naar het bosch, +dan geloof ik niet dat die mijnheer zoo gauw onderweg zou zijn." + +Andy grinnikte. + +"Ge ziet wel, Andy, ge ziet wel, als het gebeuren mocht dat Mijnheer +Haley's paard baloorig mocht worden en ging steigeren, zouden gij +en ik de onze moeten loslaten om hem te helpen--en wij zouden hem +helpen, zekerlijk." + +Sam en Andy staken de hoofden bijeen en lachten zacht, maar +allersmakelijkst, terwijl zij van pret op den grond trappelden. + +Op dit oogenblik kwam Haley onder de veranda. Eenigszins verzacht +door eenige koppen zeer goede koffie, kwam hij lachende en pratende +naar buiten en scheen weder in een tamelijk goed humeur te zijn. Sam +en Andy tastten naar zekere bossen palmbladeren, die zij gewoon waren +voor hoeden te houden, en schoten toe om "mijnheer te helpen." Sams +zoogenaamde hoed was zoodanig versleten, dat de rand geheel was +losgeraakt en de strooken palmblad, waarvan hij eens gevlochten +was geweest, als een krans van pluimen naar alle kanten opstaken; +van Andy's hoed was de geheele rand af, maar hij duwde toch met een +handigen stomp den bol op zijn hoofd, met een gezicht alsof hij vragen +wilde: "wie zegt nu dat ik geen hoed op heb?" + +"Kom dan, jongens," zeide Haley. "Nu wat vlug. Wij moeten geen tijd +verliezen." + +"Geen korreltje er van, Mijnheer!" antwoordde Sam, gaf Haley de teugels +in de hand en hield zijn stijgbeugel voor hem, terwijl Andy de andere +paarden losmaakte. + +Op het oogenblik toen Haley zich in den zadel zette, deed zijn paard +zulk een onverwachten en geweldigen sprong, dat het zijn ruiter +eenige voeten ver op het zachte, droge gras neersmeet. Sam deed met +een dollen uitroep van schrik een greep naar de teugels; maar deed +eigenlijk niets anders dan met zijn bovengemeld hoofdsieraad van +palmbladeren het paard langs de oogen schrappen, hetgeen geenszins +bevorderlijk was om het dier te bedaren. Het deed nog een sprong, +die Sam omver smeet, brieschte een paar malen met toornige minachting +en rende toen heen, gevolgd door Bill en Jerry, die Andy volgens +afspraak op dit oogenblik losliet en eenige jammerkreten achterna +zond. Daarop volgde een tooneel van koddige verwarring. Sam en Andy +schreeuwden--honden blaften hier en daar--en een heele troep zwarte +en bruine jongens en meisjes klapte in de handen en gilde en joelde, +met luidruchtige dienstvaardigheid en onvermoeibaren ijver. + +Haley's paard, dat vlug en vurig was, scheen weldra smaak in het +gewoel te krijgen, en daar het tot renbaan een uitgestrekt grasperk +had, dat naar alle zijden naar een boschland afhelde, scheen het +vermaak te hebben om te beproeven, hoe nabij het zijne vervolgers +kon laten komen, om, als zij nog maar een handbreed van hem af waren, +met een gehinnik en een zijsprong weder voort te stuiven en eene laan +van het bosschage in te rennen. Niets was verder uit Sams gedachten +verwijderd dan om een der paarden te laten opvangen, vóórdat hij +dit goedvond, en heldhaftig waren de inspanningen die hij daartoe +van zich vergde. Gelijk het zwaard van Richard Leeuwenhart altijd in +het dichtste van den strijd flikkerde, zoo zag men ook de pluim van +palmbladeren van Sam overal, waar het minste gevaar was, dat een paard +zou gevangen worden. Daarheen kwam hij dan in volle vaart aanloopen, +schreeuwende: "nu er op aan! Pak hem, pak hem!" op eene manier, +die allen in een oogenblik uit elkander deed stuiven. + +Haley liep vloekend en stampvoetende op en neer. Shelby poogde +zich van het balkon vruchteloos te doen hooren om bevelen te geven, +en Mevrouw Shelby zat voor het venster harer kamer, beurtelings te +lachen en zich te verwonderen, niet zonder eenig vermoeden wat de +grond van die verwarring was. + +Eindelijk, tegen twaalf uren, kwam Sam zegepralend aan, op Jerry +gezeten en met het paard van Haley aan den teugel, dampende van +zweet, maar nog met flikkerende oogen en opgespalte neusgaten, die +aankondigden dat zijne wildheid nog niet geheel bedaard was. + +"Hij is gevangen!" riep Sam zegevierend. "Als ik er niet geweest +was, hadden zij zich allen te barsten kunnen loopen; maar ik heb +hem gevangen." + +"Gij," bromde Haley, in geene zachtzinnige luim. "Als gij er niet +geweest waart, zou het nooit gebeurd zijn." + +"God zegene ons, Mijnheer!" antwoordde Sam op een toon van diepe +spijt. "En ik heb geloopen en gedraafd, dat het zweet van mij +neerdruipt." + +"Zoo!" hervatte Haley. "Gij hebt mij drie uren doen verliezen met uwe +vervloekte gekheid. Laten wij nu voortmaken, zonder meer zotternij." + +"Wel, Mijnheer," zeide Sam zeer nederig, "ik geloof dat gij ons +allen om hals wilt helpen, paarden en al. Mijnheer zal er nu toch +niet aan denken om voor den eten af te rijden. Mijnheers paard moet +afgewreven worden, zie maar hoe het zich bespat heeft; en Jerry loopt +ook kreupel. Ik geloof nooit dat mevrouw van ons zal vergen om zoo heen +te rijden. Wij zullen de meid toch wel vangen, al wachten wij wat." + +"Lizzy is nooit eene groote loopster geweest." + +Mevrouw Shelby, die met groot genoegen dit gesprek beluisterd had, +besloot nu insgelijks hare rol te spelen. Zij kwam naar buiten, +gaf met beleefdheid haar leedwezen over Haley's ongeluk te kennen +en drong hem om ter maaltijd te blijven, zeggende, dat de keukenmeid +alle mogelijke haast zou maken. + +Alles overlegd hebbende, ging Haley, hoewel niet zeer goedschiks, +naar de voorkamer, terwijl Sam hem eene onuitsprekelijke beteekenis +in zijn rollende oogen nakeek, en vervolgens zeer stil de paarden +naar de stalwerf bracht. + +"Hebt gij hem gezien?" zeide Sam, toen zij veilig achter de schuur +gekomen waren en de paarden hadden vastgebonden. "O, was het niet +zoo pleizierig als psalmzingen, om hem daar te zien rondspringen en +op ons vloeken? Hebt gij hem niet gehoord? Vloek maar, oude knaap, +zeide ik bij mij zelven. Wilt gij uw paard nu terstond hebben, of +wachten tot ik het gevangen heb? O, mij dunkt ik zie hem nog zoo." + +Het gesprek werd gestaakt totdat beiden op hun gemak hadden +uitgelachen. + +"Gij hadt eens moeten zien hoe dol hij keek, toen ik met het paard +aankwam," hervatte Sam. "Hij had mij wel willen doodslaan, als hij +gedurfd had. En daar stond ik zoo onschuldig en zoo nederig." + +"O, ik zag het wel," zeide Andy. "Zijt gij niet een oude snaak, Sam?" + +"Dat denk ik wel haast," was het antwoord. "Hebt ge Mevrouw boven +voor het venster zien staan? Ik heb haar zien lachen." + +"Ik liep zoo hard, dat ik niemendal zag," zeide Andy. + +"Wel, ziet ge," hervatte Sam, terwijl hij het paard van Haley ging +poetsen, "ik heb gekregen wat men de gewoonte van bopservasie noemt, +en dat is eene heel voordeelige gewoonte, Andy, en ik raad u, om ze +aan te leeren, nu gij nog zoo jong zijt. Til den achterpoot eens op, +Andy. Ziet ge wel, Andy, het is de bopservasie, die al het verschil +maakt tusschen den eenen neger en den anderen. Zag ik niet wat Mevrouw +hebben wilde, al zeide ze het niet? Dat is bopservasie, Andy. Het is +een talent, zooals men dat noemt, en alle menschen hebben verschillende +talenten; maar aanwennen kan veel doen." + +"Ik geloof, als ik uwe bopservasie van morgen niet geholpen had, +zoudt ge niet zooveel gezien hebben," zeide Andy. + +"Andy," zeide Sam hierop, "ge zijt een veelbelovende jongen, daar is +niet aan te twijfelen. Ik houd veel van u, en schaam mij geheel niet +om een idee van u over te nemen. Wij moeten op niemand laag neerzien, +Andy, omdat de knapste van ons wel eens struikelen kan. En dus, +Andy, laten wij nu in huis gaan. Mevrouw zal ons zeker dezen keer +eens buitengemeen goed laten onthalen." + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +MOEDERANGST EN MOEDERKRACHT. + + +Het is onmogelijk zich een menschelijk wezen voor te stellen, meer +hulpeloos en verlaten dan Eliza, toen zij de hut van Oom Tom verliet. + +Het lijden en gevaar van haren echtgenoot en de nood van haar kind +vermengden zich in hare gedachten met een verbijsterend, bedwelmend +gevoel van hetgeen zij zelve waagde, door het eenige tehuis te +verlaten, dat zij ooit gekend had, en zich te onttrekken aan de +bescherming eener vriendin, die zij liefhad en eerbiedigde. Daarbij +kwam het scheiden van alles waaraan zij gewoon was--van de plaats +waar zij was opgegroeid, de boomen waaronder zij gespeeld had, de +bosschages waar zij in gelukkiger tijd menigen avond aan de zijde van +haren jeugdigen echtgenoot had gewandeld. Alles wat daar in het heldere +sterrenlicht voor haar lag, scheen haar verwijten toe te spreken, +en haar te vragen waarheen zij gaan kon van een tehuis gelijk dit. + +Doch sterker dan alles was de moederliefde, door een vreeselijk +dreigend gevaar tot eene aan het waanzinnige grenzende overspanning +gedreven. Haar knaapje was oud genoeg om naast haar te loopen, en +in een gewoon geval zou zij het slechts bij de hand hebben geleid; +maar nu deed de gedachte alleen om hem uit hare armen te laten +haar huiveren, en drukte zij hem, terwijl zij snel voortstapte, +met stuipachtige kracht aan hare borst. + +De bevroren grond kraakte onder hare voeten, en zij beefde bij dat +geluid. Elk trillend blaadje, elke wuivende schaduw dreef het bloed +naar heur hart terug en versnelde hare schreden. Zij verbaasde zich +zelve over de kracht die haar scheen gegeven te worden; want het +gewicht van haar kind was voor haar gevoel slechts een veertje, en +elke vlaag van angst scheen de bovennatuurlijke macht te versterken, +die haar als het ware droeg, terwijl aan hare bleeke lippen telkens +een uitroep ontsnapte, die een gebed was tot den Vriend daarboven: +"Heere help mij! Heere behoud mij!" + +Indien het uw Harry was, moeder, of _uw_ Willie, die u morgenochtend +door een barbaarschen slavenhandelaar zou ontrukt worden--indien +ge den man hadt gezien, en gehoord had dat de papieren geteekend +en overgegeven waren, en gij niet meer tijd hadt om te vluchten dan +van middernacht tot aan den ochtend--hoe snel zoudt gij dan kunnen +gaan? Hoevele mijlen zoudt gij dan kunnen afleggen in die weinige +uren, met den lieveling aan uwe borst--met het slapende hoofdje op +uwen schouder--met de zachte armpjes vertrouwelijk om uwen hals? + +Want het kind sliep. In het eerst hadden onrust en verwondering het +wakker gehouden; maar zijne moeder stuitte zoo haastig ieder woord +of geluid, en verzekerde hem zoo, dat zij hem zeker zou redden als +hij zich maar stil hield, dat hij zich ook stil om haren hals klemde +en toen hij voelde dat hij in slaap zou vallen, alleen maar vroeg: + +"Moeder, ik behoef niet wakker te blijven, niet waar?" + +"Neen, mijn lieveling; slaap maar als gij moet." + +"Maar moeder, als ik ga slapen, zult gij hem mij niet laten krijgen?" + +"Neen zoo helpe mij God!" antwoordde de moeder met bleeke wangen en +een helder licht in hare oogen. + +"Gij weet dat zeker, niet waar, moeder?" + +"Ja zeker!" antwoordde de moeder met eene stem waarvan zij zelve +schrikte, want zij scheen van een geest in haar binnenste te komen +die haar niet toebehoorde, en het knaapje liet zijn vermoeid hoofd +op haren schouder zakken en viel in slaap. Hoe scheen de aanraking +van die armpjes, hoe scheen de zachte ademhaling die haar in den +hals blies, vuur en kracht aan haar bewegingen te geven! Het was +met elke zachte aanraking en beweging van het slapend kind, alsof +electrische stroomen van kracht haar werden ingestort. Verheven is de +heerschappij van den geest over het lichaam, die voor een tijd het +vleesch onoverwinnelijk kan maken, en de spieren spannen als staal, +zoodat de zwakken zoo sterk worden. + +De zoomen van hoeve, bosch en plantsoen zweefden haar schemerend +voorbij; en steeds ging zij voort, het eene gemeenzame voorwerp na +het andere achter zich latende, en toefde niet en rustte niet, totdat +het aanbrekende daglicht haar ver van elk gemeenzaam voorwerp op den +open weg vond. + +Zij was dikwijls met hare meesteres op een bezoek bij betrekkingen in +het dorpje T*** aan de Ohio geweest, en kende den weg wel. Daarheen +te gaan en over de Ohio te komen, waren de eerste haastige trekken van +het plan harer vlucht geweest; verder kon zij alleen op God vertrouwen. + +Toen zich paarden en rijtuigen op den weg begonnen te vertoonen, +begreep zij met die levendigheid van bevatting, die aan een staat van +buitengemeene opgewondenheid eigen is en naar eene soort van ingeving +gelijkt, dat haar haastige tred en verwilderd voorkomen opmerkzaamheid +en achterdocht konden wekken. Zij zette dus haar kind op den grond, +bracht hare kleeding wat in orde, en stapte toen weder voort, zoo +snel als zij meende te kunnen doen zonder aandacht te trekken. In +haar pakje had zij een kleinen voorraad van koekjes en appelen, +welke zij gebruikte om haar kind meer spoed te doen maken. Dikwijls +liet zij een appel een eind vooruitrollen, en dan liep de kleine uit +alle macht om hem te krijgen. Deze list, dikwijls herhaald, bracht +hem menige halve mijl ver. + +Na een poos kwamen zij aan een dicht boschje, waardoor eene heldere +beek murmelde. Daar het kind over honger en dorst klaagde, klom zij er +mede over het staketsel; en zich achter eene groote rots neerzettende, +die hen voor voorbijgangers op den weg verborg, gaf zij hem een +ontbijt uit haar pakje. Het knaapje was verwonderd en bedroefd dat +zij niet eten kon, en toen hij, zijne armpjes om haren hals slaande, +haar een stuk van zijn koekje in den mond poogde te stoppen, was het +haar alsof keelkramp haar zou doen stikken. + +"Neen, Harry, moeder kan niet eten tot gij veilig zijt. Wij moeten +voort--voort tot wij aan de rivier komen." + +En zij snelde met hem naar den weg, en dwong zich daar weder om +bedaard en geregeld voort te stappen. + +Zij was mijlen ver elke plaats voorbij waar zij persoonlijk bekend +was. Als zij nog bij toeval iemand mocht ontmoeten die haar kende, +dacht zij dat de algemeen bekende goedheid der familie strekken +zou om alle achterdocht van haar af te wenden, daar het iedereen +onwaarschijnlijk moest voorkomen, dat zij gevlucht zou zijn. Daar +zij ook zoo blank was, dat men haar niet zonder haar opmerkzaam aan +te zien voor eene kleurlinge kon herkennen, en haar kind insgelijks, +was het des te gemakkelijker voor haar om onopgemerkt te blijven. + +Hierop vertrouwende, ging zij tegen den middag eene nette boerenwoning +binnen om te rusten, en eten voor zich zelve en haar kind te bekomen; +want daar het gevaar met den afstand kleiner werd, nam ook de +overmatige spanning harer zenuwen af, en voelde zij zoowel vermoeienis +als honger. + +De vrouw, die vriendelijk en spraakzaam was, scheen wel in haar schik +te zijn dat er iemand wat met haar kwam praten, en geloofde zonder +eenige navraag Eliza's opgaaf "dat zij een eind ver ging om eene week +bij vrienden door te brengen," hetgeen zij in haar hart wenschte dat +waarheid mocht zijn. + +Een uur voor het ondergaan der zon kwam zij aan het dorp T***, bij +de Ohio, vermoeid en met pijnlijke voeten, maar nog krachtig van +hart. Haar eerste blik was de rivier, die gelijk de Jordaan en het +Kanaän der vrijheid aan den overkant stroomde. + +Het was in het begin der lente, en de rivier was gezwollen en +onstuimig; groote brokken ijs dreven heen en weder op het troebele +water. Door den bijzonderen vorm van den oever aan de zijde van +Kentucky, waar het land met eene bocht ver in het water uitstak, +was het ijs daar in groote hoeveelheid opgehouden en vastgezet, +en het nauwe kanaal, dat om die bocht heenliep, was ingelijks vol +ijs, zoodat de op elkander gestapelde schotsen een slagboom vormden, +waartegen het afdrijvende ijs stuitte, dat als een groot golvend vlot +de geheele rivier vulde, en zich bijna van den eenen oever tot den +anderen uitstrekte. + +Eliza stond voor een oogenblik dezen ongunstigen staat van zaken aan +te zien, welke, zooals zij terstond begreep, eene gewone veerboot +het oversteken moest beletten, en keerde zich toen naar eene kleine +herberg op den oever om eenige navraag te doen. + +De waardin, die bij het vuur bezig was met koken en bakken, keerde +zich met eene vork in de hand om, toen Eliza's zachte, klagende stem +haar in haar werk stoorde. + +"Wat is er?" zeide zij. + +"Is er tegenwoordig geen veerschuit of boot om iemand naar F*** +over te zetten?" vroeg Eliza. + +"Wel neen," antwoordde de vrouw. "Al de booten hebben opgehouden +met varen." + +Eliza's blik van schrik en teleurstelling trof de vrouw, en zij +zeide vragend: + +"Misschien moest gij zelf over? Iemand ziek? Ge schijnt zoo angstig +te zijn." + +"Ik heb een kind dat heel gevaarlijk is," antwoordde Eliza. "Ik wist +er niets van voor gisteravond, en ben vandaag een heel eind gegaan, +in de hoop om nog aan het veer te komen." + +"Wel, dat is ongelukkig," zeide de vrouw, wier moederlijk gevoel +terstond ontwaakte. "Ik heb waarlijk met u te doen.--Salomon!" riep +zij uit het venster naar een achtergebouwtje. + +Een man met een lederen schootsvel en zeer morsige handen kwam aan +de deur. + +"Zeg eens, Sam," hervatte de vrouw, "gaat die man van avond die vaten +niet overbrengen?" + +"Hij zeide dat hij het beproeven zou, als het maar eenigszins te +wagen was," antwoordde de man. + +"Er is een man hier, die van avond met eenig goed over zou gaan, +als hij het durfde doen. Dat is een lieve kleine jongen," voegde de +vrouw er bij en bood hem een koekje aan. + +Maar het kind, geheel afgemat, schreide van vermoeienis. + +"Arme kleine! Hij is het loopen niet gewend, en ik heb hem zoo +gehaast," zeide Eliza. + +"Wel breng hem in deze kamer," zeide de vrouw, een kamertje openende +waarin een goed bed stond. + +Eliza legde het vermoeide kind daarop neer en hield zijne handjes in de +hare, totdat hij in slaap was. Voor haar was er geene rust. De gedachte +aan den vervolger joeg haar voort, en met verlangende oogen staarde +zij op den gezwollen stroom, die tusschen haar en de vrijheid golfde. + +Hier moeten wij voor een oogenblik afscheid van haar nemen om naar +hare vervolgers terug te keeren. + +Hoewel Mevrouw Shelby beloofd had dat er haast met den maaltijd zou +gemaakt worden, bleek het echter weldra, gelijk meermalen is gebleken, +dat haast niet altijd spoed is. Hoewel het gebod ten aanhoore van Haley +werd gegeven en door tenminste een half dozijn kleine boden naar de +keuken overgebracht, scheen Tante Chloe toch niet gezind om eenigen +spoed te maken. Zij bromde slechts wat, wierp haar hoofd in den nek +en ging met buitengewone omslachtigheid en langzaamheid haar gang. + +Eene of andere bijzondere reden scheen tot eene algemeene verbeelding +onder de bedienden aanleiding te hebben gegeven, dat Mevrouw zich +niet meer boos zou maken over eenig getalm; en het was verbazend +welk een getal van kleine ongelukken er samenliep om den maaltijd +te vertragen. Een lomperd stiet de sauspan om, en toen moest er met +zorgvuldigheid weder nieuwe saus gemaakt worden, die tante Chloe met +hardnekkige oplettendheid mengde en roerde, terwijl zij ieder die van +haast sprak, ten antwoord gaf "dat zij geene klonterige saus op de +tafel zou geven, om wien het ook wezen mocht te helpen vangen." Een +helper deed een val met het water en moest naar de bron gaan om meer +te halen; een ander smeet de boter als een hinderpaal in den loop der +gebeurtenissen om, en van tijd tot tijd werd er grinnikend bericht +in de keuken gebracht, dat "Mijnheer Haley machtig onrustig was, +en onmogelijk op zijn stoel kon blijven zitten, maar telkens naar de +vensters en de veranda wandelde." + +"Dat heeft hij er voor," zeide Tante Chloe met verontwaardiging. + +"Hij zal wel eens nog onrustiger worden als hij zijn leven niet +betert. Zijn meester zal hem laten halen, en dan zullen wij zien hoe +het hem gaan zal." + +"Hij zal naar de plaats der pijning gaan, zonder missen," zeide +kleine Jake. + +"Dat verdient hij," zeide Tante Chloe strak. "Hij heeft menig hart +gebroken. Ik zeg u allen," vervolgde zij, zich omkeerende, met eene +opgeheven vork in de hand, "het is zooals de jongeheer George in de +Openbaring las--zielen roepende onder het altaar,--roepende tot den +Heer om wraak over dezulken,--en eens zal de Heer hen hooren.--dat +zal Hij!" + +Tante Chloe, die in de keuken in groot aanzien stond, werd met open +monden aangehoord, en daar de maaltijd nu eindelijk was opgedischt, +had iedereen tijd om naar haar te luisteren en met haar te praten. + +"Zulke kerels zullen voor eeuwig branden, zullen ze niet?" zeide Andy. + +"Of ik blij zal zijn als ik het zie!" liet kleine Jake hierop volgen. + +"Kinderen!" riep eene stem, die allen deed schrikken. + +Het was Oom Tom, die binnen was gekomen, en bij de deur naar het +gesprek stond te luisteren. + +"Kinderen," herhaalde hij, "ik weet dat gij niet weet wat gij +zegt. Voor eeuwig is een schrikkend woord, kinderen; het is +ontzettend om er aan te denken. Gij moet dat nooit een menschelijk +wezen toewenschen." + +"Wij zouden het niemand dan de zielendrijvers," zeide Andy. "Niemand +kan het laten het hun toe te wenschen; zij zijn zoo ontzaglijk +goddeloos." + +"Roept de natuur zelve geen wraak over hen?" zeide Tante Chloe. "Rukken +zij niet den zuigeling van de moederborst, en verkoopen hem--en de +kleine kinderen, die zich schreiend aan hare kleeren vasthouden, +rukken zij ze niet los en verkoopen ze? Rukken zij niet man en vrouw +van elkander?" vervolgde zij, en begon te schreien, "al moest het +hun ook het leven kosten? En voelen zij iets van dat alles--drinken +en rooken zij niet, en nemen zij het niet heel licht op? O, als de +duivel hen niet krijgt, waar is hij dan goed voor?" + +En Tante Chloe bedekte haar gezicht met haar geruiten voorschoot, +en begon in goeden ernst te snikken. + +"Bidt voor degenen die u geweld aandoen, zegt het boek," zeide Oom Tom. + +"Voor hen bidden!" zeide Tante Chloe. "O, dat is al te hard. Ik kan +niet voor hen bidden." + +"Dat is de natuur, Chloe, en de natuur is sterk," antwoordde Tom, +"maar de genade des Heeren is sterker. Bovendien, gij moest bedenken +in welk een ontzettenden staat de ziel van een arm schepsel is, +dat zulke dingen doet--gij moest God danken, dat gij niet aan hem +gelijk zijt, Chloe. Ik ben zeker dat ik mij liever tien duizendmaal +zou laten verkoopen, dan dat alles te verantwoorden te hebben wat +dat arme schepsel heeft." + +"Ik ook veel liever," zeide Jake. "Gij ook niet Andy?" + +Andy haalde zijne schouders op. + +"Ik ben blij dat de meester van morgen niet is heengegaan, zooals hij +voornemens was," zeide Tom, "dat zou mij meer verdriet gedaan hebben +dan het verkoopen. Misschien zou het natuurlijk voor hem zijn geweest; +maar het zou bitter hard voor mij geweest zijn, die hem van kind af +gekend heb. Maar ik heb meester gezien en nu begin ik eenigszins met +den wil des Heeren verzoend te worden. Meester kon zich niet anders +helpen. Hij heeft wèl gedaan; maar ik vrees dat de zaken in de war +zullen loopen als ik wegga. Men kan niet verwachten dat meester overal +zal rondkijken, zooals ik deed, om alles in orde te houden. De jongens +willen wel, maar zij zijn machtig zorgeloos. Dat kwelt mij." + +Hier liet de schel zich hooren en werd Tom in de voorkamer geroepen. + +"Tom," zeide zijn meester vriendelijk, "ik wilde u kennis geven, +dat ik dezen heer eene schriftelijke belofte heb gegeven, om duizend +dollars te verbeuren als gij niet gereed zijt, wanneer hij u hebben +wil. Hij gaat vandaag naar zijne andere zaken zien, en gij kunt dezen +dag voor u zelven hebben. Ga nu waar gij wilt, mijn jongen." + +"Dank u meester," zeide Tom. + +"En pas op," zeide de handelaar nu, "en fop uw meester niet met uwe +negerstreken, want ik zal elken cent van hem halen als gij er niet +zijt. Als hij naar mij luisterde zou hij u niet vertrouwen. Ge zijt +zoo glad als alen." + +"Meester," zeide Tom, en richtte zich rechtop, "ik was juist acht +jaren oud, toen de oude mevrouw u in mijne armen legde, en gij waart +toen nog geen jaar oud. "Daar," zeide zij. "Tom, dat moet uw jonge +meester zijn; pas goed op hem," zeide zij. En nu vraag ik u, meester, +heb ik ooit mijn woord gebroken of iets tot uw nadeel gedaan, vooral +sedert ik een Christen ben geworden?" + +Mr. Shelby was diep getroffen, en de tranen kwamen hem in de oogen. + +"Mijn goede jongen," antwoordde hij, "de Heer weet dat gij niets +anders dan de waarheid zegt; en als ik in staat was om anders te doen, +zou de geheele wereld u niet van mij koopen." + +"En zoo zeker als ik eene christinne ben," zeide Mevrouw Shelby, +"zult gij losgemaakt worden, zoodra ik op eenerlei wijs de middelen +kan bijeenbrengen. Mijnheer," vervolgde zij tot Haley, "let wel op +aan wien gij hem verkoopt en laat het mij weten." + +"Och wel ja, wat dat aangaat," antwoordde de handelaar, "misschien +breng ik hem over een jaar terug, niet eens veel versleten, en +verhandel hem weer." + +"Dan zal ik met u handelen, en het tot uw voordeel maken," zeide +Mevrouw Shelby. + +"Het is mij natuurlijk hetzelfde," liet de handelaar hierop volgen. "Ik +breng ze even lief de rivier op als de rivier af, als ik maar goede +zaken maak. Al wat ik zoek is bestaan, weet ge, Mevrouw; en dat is +wat wij allen zoeken, denk ik." + +Mr. Shelby en zijne vrouw voelden zich beiden gekrenkt en vernederd +door de onbeschaamde gemeenzaamheid van den handelaar, maar +beiden begrepen ook de volstrekte noodzakelijkheid om hun gevoel +te bedwingen. Hoe langgeestiger en gevoelloozer hij zich toonde, +des te grooter werd Mevrouw Shelby's angst dat het hem gelukken +zou Eliza en haar kind te achterhalen, en des te grooter natuurlijk +haar verlangen om hem door allerlei vrouwelijke kunstgrepen op te +houden. Zij glimlachte dus vriendelijk, gaf hem zooveel mogelijk +gelijk, praatte gemeenzaam met hem en deed al wat zij kon om den tijd +ongemerkt te doen omgaan. + +Tegen twee uren brachten Sam en Andy de paarden voor, naar het scheen +slechts verfrischt en versterkt door het hollen van dien ochtend. + +Sam had door een goed maal insgelijks nieuwe krachten gekregen en was +geheel ijver en gedienstigheid. Toen Haley naderde, pochte hij tegen +Andy in een bloemrijken stijl op den ontwijfelbaar goeden uitslag +der onderneming, nu zij er maar eens toe kwamen. + +"Uw meester geloof ik, houdt geene honden," zeide Haley toen hij +gereed was om op te stijgen. + +"Bij troepen," antwoordde Sam zegepralende. "Daar is Bruno--dat is +een bullebak, en bovendien houdt bijna elke neger van ons een hond +van de eene of andere soort." + +"Poe!" zeide Haley; en hij zeide nog iets anders van die honden, +waarop Sam mompelde: + +"Ik zie niet in waar het toe dient, om ze zoo te vervloeken." + +"Maar uw meester houdt geene honden--ik weet haast wel zeker van +neen--om negers op te sporen." + +Sam wist zeer wel wat hij meende, maar bleef zeer ernstig en dom +onnoozel kijken. + +"Onze honden hebben allemaal een fijnen reuk. Ik denk, dat ze wel +van de soort zullen zijn, al zijn ze nooit gedresseerd. Zij loopen +haast naar alles waar men ze op afstuurt. Hier, Bruno," riep hij, +en floot te gelijk den loggen Newfoundlander, die met plompe sprongen +naar hem toekwam. + +"Laat ze hangen!" zeide Haley, opstijgende. "Kom aan, te paard maar." + +Sam sprong te paard, en terwijl hij dit deed trok hij een gezicht +tegen Andy, waarop deze in een luiden lach uitbarstte, tot groote +verontwaardiging van Haley, die een slag met zijn karwats naar +hem deed. + +"Ik ben verbaasd over u, Andy," zeide Sam met strakken ernst. "Het +is een ernstig werk, Andy. Gij moet er den gek niet mee steken. Dit +is de manier niet om Mijnheer te helpen." + +"Ik zal den rechten weg naar de rivier nemen," zeide Haley beslissend, +toen zij op de grenzen van het landgoed waren gekomen. "Ik ken +de manier van die wegloopers wel. Zij willen allen maar naar den +overkant." + +"Zeker," zeide Sam, "dat is het idee. Mijnheer Haley heeft den spijker +vlak op den kop geslagen. Maar er zijn twee wegen naar de rivier: +de landweg en de tolweg;--welken van die twee denkt Mijnheer te nemen?" + +Andy keek Sam onnoozel aan, zeer verwonderd over deze nieuwe +ontdekking, maar bevestigde toch dadelijk het gezegde door eene +nadrukkelijke herhaling. + +"Omdat," zeide Sam, "ik haast zou denken,dat Lizzy den landweg genomen +heeft, die het minst begaan en bereden wordt." + +Haley, hoewel slim genoeg om altijd streken te vermoeden, liet zich +toch door deze redeneering eenigszins tot hetzelfde gevoel bewegen. + +"Als gij maar zulke vervloekte leugenaars niet waart," zeide hij +twijfelende, na een oogenblik te hebben nagedacht. + +De peinzende toon, waarop dit gezegd werd, scheen Andy bijzonder te +vermaken; hij bleef wat achter en schudde zoo, dat hij gevaar liep +om van zijn paard te vallen, terwijl Sams gezicht onverzettelijk +ernstig bleef. + +"Natuurlijk," zeide Sam, "Mijnheer kan doen wat hij het liefst +wil en den tolweg nemen, als hij dat het beste vindt, het is ons +hetzelfde. Als ik er beter over denk, vind ik ook den tolweg het +beste." + +"Zij moest natuurlijk den eenzamen weg kiezen," zeide Haley, hardop +denkende, zonder op het gezegde van Sam te letten. + +"Daar is geen zeggen van," liet Sam hierop volgen. "Die meiden zijn +zoo wonderlijk. Zij doen nooit iets dat men denkt dat zij zullen doen, +maar meestal vlak contrarie. Meiden zijn natuurlijk contrarie, en +dus als gij denkt dat zij den eenen weg gegaan zijn, is het beter den +anderen te nemen en dan kunt gij er vast op aan dat gij ze vindt. Nu +is mijne gedachte dat Lizzy den landweg heeft genomen, en dus houd +ik het voor beter den tolweg te nemen." + +Deze diepzinnige bespiegeling over den aard der vrouwelijke sekse +scheen Haley niet bijzonder voor den tolweg in te nemen. Hij gaf zijn +stellig besluit te kennen om den anderen weg te kiezen, en vroeg Sam +wanneer zij daar aankwamen. + +"Een beetje verder," antwoordde Sam, en gaf tevens Andy een wenk met +het oog dat niet aan Haley's kant was. "Maar ik heb nu over de zaak +gedacht," vervolgde hij zeer ernstig, "en ben vast van meening dat +wij dien weg niet moeten gaan. Ik ben dien weg nooit geweest. Het +is er schrikkelijk eenzaam en wij zouden wel kunnen verdwalen. Onze +lieve Heer alleen weet waar wij zouden terecht komen." + +"Ik zal toch dien weg nemen," zeide Haley. + +"Nu ik er aan denk geloof ik, dat ik heb hooren zeggen dat die weg bij +de beek en verderop afgeheind en gesloten is. Is het zoo niet, Andy?" + +Andy was er niet zeker van; hij had maar alleen van dien weg hooren +spreken, maar was er nooit over geweest. Kortom, hij wilde zich niet +compromitteeren. + +Haley, gewoon om de waarschijnlijkheid te berekenen tusschen logens van +meerdere en mindere grootte, meende dat de landweg toch de voorkeur +verdiende. Het was onwillekeurig, gelijk hij meende opgemerkt te +hebben, dat Sam er het eerst van had gesproken; en zijne verwarde +poging tot afrading schreef hij aan een wanhopig liegen toe, toen de +neger zich bedacht had en ongenegen was om Eliza te helpen vatten. + +Toen Sam dus den bedoelden weg aanwees, sloeg Haley dien driftig in, +door de twee negers gevolgd. + +De weg nu was inderdaad een oude weg, die vroeger tot aan de rivier +had doorgeloopen, maar sedert het aanleggen van den nieuwen tolweg +verlaten was. Omtrent een uur rijdens ver was hij open, maar dan werd +hij door de schuttingen van verscheidene hoeven doorsneden. Sam wist +dit zeer wel; en de weg was reeds zoolang gesloten geweest, dat Andy +er nooit van had hooren spreken. Hij reed dus met een gezicht vol +ootmoedige onderdanigheid mede, en bromde slechts tusschenbeiden dat +de weg machtig ongelijk was en heel slecht voor Jerry's poot. + +"Ik zal u eens wat zeggen," zeide Haley. "Ik weet wel wat ge wilt, +maar ge zult mij met al dat geklaag niet van dezen weg afbrengen, +zwijg dus maar stil." + +Om zijn ijver te toonen, hield Sam zich alsof hij steeds scherp +uitkeek. Nu riep hij dat hij op eene hoogte in de verte een vrouwenhoed +zag; dan vroeg hij Andy of dat Lizzy niet was, daar beneden in de +diepte, en telkens deed hij die uitroepingen op eene ruwe en rotsige +plek van den weg, waar het versnellen van den draf gevaarlijk en +vermoeiend moest wezen, zoodat Haley in gedurige onrust bleef. + +Nadat zij omtrent een uur lang aldus hadden gereden, draafde de troep, +eensklaps in eene diepte afdalende, de werf eener groote boerderij +op. Er was niemand te zien, daar al de arbeiders op het veld waren, +maar eene schuur die dwars over den weg stond, deed duidelijk blijken +dat de tocht in deze richting hier voor goed gestuit werd. + +"Heb ik dat Mijnheer niet gezegd?" zeide Sam op een toon alsof hij +zeer verongelijkt was. "Hoe kan een vreemd heer denken, dat hij meer +van het land zal weten dan iemand die er geboren is?" + +"Gij, schelm!" zeide Haley, "dat hebt gij wel geweten." + +"Heb ik u niet gezegd dat ik het wist, toen gij mij niet woudt +gelooven? Ik heb Mijnheer gezegd dat de weg afgezet en gesloten was, +en dat ik niet dacht dat wij er door zouden kunnen. Andy heeft het +gehoord." + +Dit was al te waar om het tegen te spreken, en de ongelukkige Haley +moest zijne gramschap verkroppen zoo goed hij kon. Zij keerden terug +en sloegen den gewonen grooten weg in. + +Ten gevolge van al dat oponthoud, was het bijna een uur nadat Eliza +haar kind in de dorpsherberg te slapen had gelegd, toen de troep het +dorp kwam inrijden. Eliza stond voor het venster naar een andere kant +uit te zien, toen Sam met zijn scherpe oogen haar ontdekte. Haley en +Andy waren eenige schreden achter. Op dit oogenblik wist Sam zijn hoed +te laten afwaaien en deed daarbij een luiden, eigenaardigen uitroep, +die haar deed schrikken. Zij trad achteruit, en de geheele troep reed +het venster voorbij naar de voordeur. + +Duizendvoudige kracht scheen Eliza in dat eene oogenblik te +worden ingestort. Hare kamer kwam met eene zijdeur op de rivier +uit. Zij greep haar kind en vloog de trap af naar den waterkant. De +handelaar zag juist een zweem van haar, toen zij achter den hoogen kant +verdween. Oogenblikkelijk wierp hij zich van zijn paard, en Sam en Andy +te hulp roepende, zette hij haar na, gelijk een hond een stuk wild. In +dat bedwelmende oogenblik schenen hare voeten den grond nauwelijks te +raken; in een oogenblik was zij aan den waterkant. Vlak achter haar +kwamen zij aan, en met eene kracht begaafd, welke God alleen aan +wanhopigen geeft, deed zij met een wilden schreeuw een geweldigen +sprong, die haar over de opene strook water langs den oever op het +ijsvlot bracht. Het was een wanhopige sprong, niet mogelijk dan alleen +voor de razernij der wanhoop. Haley, Sam en Andy gaven onwillekeurig +een schreeuw en staken de handen op, toen zij het waagstuk zagen. + +De groote, groene ijsschots kantelde en kraakte, toen zij er +op neerkwam, maar zij toefde geen oogenblik. Met nog een wilder +schreeuw sprong zij op een andere, al verder en verder, struikelende, +springende, uitglijdende en weder opvliegende. Hare schoenen bleven +steken, hare kousen werden haar van de voeten gereten, haar bloed +teekende elken voetstap; maar zij zag niets, voelde niets, totdat zij +flauw, als in een droom, den grond van Ohio onderscheidde en een man +zag, die haar de hand reikte om haar op den oever te helpen. + +"Ge zijt een knappe meid, wie ge ook wezen moogt," zeide de man met +een vloek. + +Eliza herkende de stem en het gezicht van den eigenaar eener hoeve, +niet ver van hare oude woning. + +"O, Mijnheer Symmes, red mij--red mij toch--verberg mij!" riep zij uit. + +"Wat is dat?" zeide de man. "Waarachtig, als dat geene meid van +Shelby is!" + +"Mijn kind--dit jongetje--hij heeft hem verkocht! Daar is zijn +meester," zeide zij naar den overkant wijzende. "O Mijnheer Symmes, +gij hebt ook een jongetje!" + +"Dat heb ik," zeide de man, terwijl hij haar ruw maar vriendelijk +tegen den steilen kant optrok. "Bovendien, ge zijt eene meid die hart +heeft. Ik houd van courage, waar ik dien ook zie." + +Toen zij boven op den kant gekomen waren, bleef de man staan. + +"Ik zou gaarne iets voor u doen," zeide hij, "maar ik kan u nergens +brengen. Het beste wat ik doen kan, is u te zeggen, dat gij _daarheen_ +gaat," vervolgde hij, naar een groot wit huis wijzende, dat een eind +van het dorp op zich zelf stond. "Ga daar; dat zijn goede lieden. Er +is geene soort van gevaar of zij zullen u helpen--zij zijn aan dat +alles gewoon." + +"De Heere zegene u!" zeide Eliza ernstig. + +"Toch niet, toch niet,' antwoordde de man. "Wat ik gedaan heb, heeft +niets te beduiden." + +"En o, Mijnheer, gij zult het toch zeker niemand zeggen!" + +"Loop naar den donder, meid! Waar houdt gij iemand voor? Wel natuurlijk +niet," antwoordde de man. "Kom, ga nu heen als een knappe verstandige +meid, die gij zijt. Gij hebt uwe vrijheid verdiend, en wat mij betreft, +zult gij ze hebben." + +Zij sloot haar kind in hare armen en ging snel en met vaste schreden +heen. De man bleef haar staan nakijken. + +"Shelby zal dit misschien niet heel buurmanachtig gedaan vinden; maar +wat zal iemand doen? Als hij eene van mijne meiden in denzelfden nood +vindt, laat hij het dan vrij ook zoo maken. Ik ben nooit in staat +geweest om wat voor schepsel het ook wezen mocht te zien vluchten +voor zijn leven, hijgende en zwoegende, met de honden achteraan, en +het dan tegen te houden. Buitendien, ik zie geene enkele verplichting +voor mij om voor anderen jager en vanger te wezen." + +Zoo sprak de arme heidensche Kentuckiër, die niet in de +constitutioneele burgerplichten onderwezen was en zich dus liet +verlokken om eenigszins op eene christelijke manier te handelen, +hetgeen hij, als hij beter opgevoed en meer verlicht was geweest, +niet had mogen doen. + +Haley had met stomme verbazing naar dit tooneel staan staren, totdat +Eliza achter den hoogen kant verdween. Toen keerde hij zich naar Sam +en Andy met een verwonderd vragenden blik. + +"Dat was tamelijk knap gedaan," zeide Sam. + +"De meid heeft zeven duivels in het lijf, geloof ik," zeide Haley. "Zij +sprong als een wilde kat." + +"Wel," hervatte Sam, zijn hoofd krabbende, "ik hoop dat Mijnheer +het ons niet kwalijk nemen zal, als wij dien weg niet probeeren. Ik +geloof niet dat ik er courage genoeg toe heb." En Sam liet een schor +gelach hooren. + +"Lacht gij nog!" snauwde de handelaar. + +"God zegene u, meester, ik kon het niet laten," antwoordde Sam en +gaf zijne lang gesmoorde opgetogenheid lucht. "Zij maakte zulk eene +wonderlijke vertooning, daar wippende en springende over dat krakende +ijs. En het hooren er van! Plomp, krik, krak, plis, plas! He, wat ging +dat!" En Sam en Andy lachten, dat hun de tranen over de wangen rolden. + +"Ik zal u wel anders leeren lachen," zeide de handelaar en sloeg naar +hunne hoofden met zijne karwats. + +Beiden bukten, liepen schreeuwende en joelende den oever op, en waren +te paard eer hij hen bereikte. + +"Goeden avond, meester," zeide Sam zeer ernstig. "Ik geloof vast, +dat Mevrouw ongerust over Jerry zal wezen. + +"Mijnheer Haley zal ons nu wel niet langer willen ophouden. Mevrouw +zou er toch niet van willen hooren dat wij de paarden van avond over +Lizzy's brug brachten." + +En Andy een schertsenden ribbestoot gevende, reed hij voort, door +zijnen makker in vollen ren gevolgd, terwijl de wind nog lang hun +schaterend gelach overwoei. + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +ELIZA'S ONTSNAPPING. + + +Het was juist schemeravond, toen Eliza dien wanhopigen aftocht +over de rivier waagde. De grauwe avondnevel, die langzaam uit het +water oprees, omhulde haar toen zij den oever besteeg, en deed +haar spoedig geheel verdwijnen, terwijl de gezwollen stroom en de +drijvende ijsschotsen een onoverkomelijken slagboom tusschen haar en +haren vervolger plaatsten. Haley keerde dus langzaam en ontevreden +naar de herberg terug, om daar te overleggen wat verder te doen. De +vrouw opende voor hem de deur van een voorkamertje, met een karpet +op den grond en gemeubileerd met eene tafel, met blinkend wasdoek +bedekt, eenige stoelen met hooge pooten en leuningen, en eenige hard +gekleurde pleisterbeeldjes op den mantel van den schoorsteen, waarin +een smeulend vuur brandde. Bovendien stond bij den schoorsteen nog +eene lange houten bank, en daarop zette Haley zich neer om over de +onzekerheid van alle menschelijke hoop te peinzen. + +"Wat had ik ook met het kleine kreng noodig," zeide hij bij zich +zelven, "dat ik mij daarvoor zoo voor den gek moest laten houden?" + +Hij verlichtte zijn hart door eene niet zeer keurig uitgezochte litanie +van verwenschingen tegen zich zelven, die wij, hoewel er goede reden +zou zijn om ze voor zeer gepast te houden, om den smaak onzer lezers +niet te kwetsen, maar niet zullen herhalen. + +Hij werd gestoord door de luide, ruwe stem van een man die voor de +deur scheen af te stijgen, en haastte zich naar het venster. + +"Waarachtig, als dat nu niet het naaste bijkomt bij wat de menschen +voorzienigheid noemen!" zeide Haley bij zich zelven. "Ik geloof dat +Tom Loker daar is." + +Hij haastte zich naar buiten. Bij het buffet stond een grof gespierd +man, van volle zes voet lengte en breed naar evenredigheid. Hij had +een jas van buffelhuid aan, met het haar naar buiten, hetgeen aan +zijn voorkomen eene ruigheid en woestheid gaf, volkomen strookende +met de uitdrukking van zijn gezicht. Elke trek van dat gezicht en elke +vorming van het hoofd, die dierlijke woestheid kon aanduiden, was zoo +sterk mogelijk ontwikkeld. Wanneer onze lezers zich een bulhond konden +voorstellen, die tot eene manslengte was opgegroeid en met een hoed en +jas rondliep, zouden zij geen slecht denkbeeld hebben van het algemeene +voorkomen van dezen man. In zijn gezelschap had hij een reisgenoot, +die in vele opzichten een volmaakt contrast met hem aanbood. Deze +was kort en tenger, vlug en katachtig in zijne bewegingen, en had +iets turends en loerends in zijne scherpe zwarte oogen, waarmede al +de even scherpe trekken van zijn gelaat overeenstemden. Zijn lange, +smalle neus liep in zulk eene spitse punt uit, alsof hij in alles +wilde inboren; zijn dun, gladgestreken, zwart haar stak insgelijks met +spitse punten naar voren, en al zijne bewegingen en gebaren duidden +listige, voorzichtige slimheid aan. De groote, grove man schonk een +bierglas half vol brandewijn en goot het zonder een woord te spreken +in eens in zijn keel. De kleine, magere man verhief zich op de teenen, +stak het hoofd eerst naar den eenen en toen naar den anderen kant, +alsof hij aan de flesschen wilde ruiken, en bestelde eindelijk een +glaasje likeur, met eene schelle, pieperige stem en met een voorkomen +van voorzichtig overleg. Toen het hem gegeven werd, nam hij het op +en bekeek het met vergenoegde aandacht, gelijk iemand die denkt dat +hij iets juist van pas heeft gedaan, en ging het toen met korte, +bedachtzame teugjes uitdrinken. + +"Wel, wie zou zulk een geluk verwacht hebben! Hoe vaart gij, +Loker?" zeide Haley naderkomende, en reikte den groven man zijne hand. + +"Voor den duivel, Haley, hoe komt gij hier?" was het beleefde antwoord. + +De katachtige man, die den naam van Marks droeg, hield dadelijk op +met slurpen, stak zijn hoofd vooruit, en keek onzen nieuwen bekende +vragend aan. + +"Zeg eens, Tom," hervatte Haley, "het is gelukkig dat ik u zie. Ik +zit verduiveld in de klem en gij moet er mij eens uit helpen." + +"Hm! Wel te denken!" bromde zijn vriendelijke bekende. "Daar kan +iemand wel zeker van zijn, als ge blijde zijt hem te zien moet het +om een reden zijn. Wat is er nu aan de hand?" + +"Gij hebt daar een vriend?" zeide Haley, Marks twijfelachtig +aanziende. "Een compagnon misschien?" + +"Ja, zoowat. Hier, Marks, dat is de man met wien ik te Natchez ben +geweest." + +"Het zal mij pleizier doen kennis met hem te maken," zeide Marks, +eene lange, magere hand, gelijk een ravenklauw, uitstekende. "Mijnheer +Haley, geloof ik?" + +"Dezelfde, Mijnheer," antwoordde Haley. "En nu, Heeren, nu wij +elkander zoo gelukkig hebben ontmoet, dunkt mij, moest ik eens op een +kleinigheid trakteeren. Kom aan, oude," vervolgde hij tegen den man +aan het buffet, "geef heet water, suiker en sigaren, en eene goede +portie van "het echte goed," dan zullen wij de kennis eens hernieuwen." + +Ziedaar dan de kaarsen aangestoken, het vuur in den haard opgepookt, +en onze drie vrienden om eene tafel gezeten, wel voorzien met al het +noodige om kennis aan te knoopen en te hernieuwen. + +Haley begon een aandoenlijk verhaal van zijn ongeval. Loker kneep +zijn mond dicht en luisterde met norsche aandacht. Marks, die met +veel omslag een glas punch naar zijnen eigen bijzonderen smaak +gereed maakte, keek tusschenbeide eens op en stak dan zijn scherpen +neus bijna in Haley's gezicht. Hij luisterde ook oplettend naar het +geheele verhaal, en het slot scheen hem buitengemeen te vermaken; +want hij lachte dat hij schudde, hoewel zonder geluid te geven, +en kneep met een gezicht vol pret zijn lippen dicht. + +"Zoo zijt ge dan gefopt?" zeide hij eindelijk. "Nu, het is aardig +gedaan." + +"Dat jonge goed geeft veel last in den handel," zeide Haley droevig. + +"Als wij een ras van meiden konden maken dat niet om hare jongen gaf," +liet Marks hierop volgen, "dunkt mij, dat het nagenoeg de grootste +uitvinding van onzen tijd zou zijn." + +"Ja," zeide Haley hierop, "ik heb het nooit kunnen begrijpen. Jongen +zijn een grooten last voor de meiden, en men zou denken dat ze blij +moesten zijn, als zij er af raakten; maar dat zijn ze toch niet. En +hoe meer last een jong geeft, en hoe minder het eigenlijk deugt, +zooveel te meer zijn zij er aan gehecht." + +"Ja, Mijnheer Haley," zeide Marks.--"Och, geef mij eens het water +aan!--Ja, Mijnheer, gij zegt daar wat ik altijd gedacht heb. Eens +heb ik eene meid gekocht--eene knappe, frissche meid was zij, en +tamelijk mooi ook--en die had een jong dat ellendig ziekelijk was, +een krommen rug had of zoo iets; en ik gaf hem weg aan een man die +wilde probeeren of hij hem kon grootbrengen, als hij hem toch niets +kostte; en ik had nooit gedacht dat de meid het zich zou aantrekken; +maar o! o! gij had eens moeten zien hoe zij te werk ging. Zij scheen +waarlijk zooveel te meer van het kind te houden, omdat het ziekelijk +en lastig was en haar plaagde; en zij veinsde dat maar niet, neen +zij huilde en werd er mager van, alsof zij alles verloren had wat +zij had. Het was waarlijk koddig, als men het zoo bedacht. Maar de +grillen van vrouwen zijn onverklaarbaar." + +"Wel, zoo is het mij ook gegaan," hervatte Haley. "Verleden zomer werd +er aan de Roode Rivier eene meid aan mij verkocht, met een kind dat er +goed genoeg uitzag en oogen had, zoo helder als die van u; maar toen +ik beter keek, bevond ik dat het stekeblind was--stekeblind. Wel, +gij begrijpt, ik vond er geen kwaad in, om hem maar van de hand te +doen zonder er iets van te zeggen, en ik verkocht hem voor een vaatje +jenever; maar toen wij hem van de meid kwamen weghalen, geleek zij wel +eene tijgerin. Het was vóórdat wij van de rivier waren en ik had mijn +troep niet geboeid. Wat zou ze dus doen? Zij vliegt op eene katoenbaal, +grijpt een van het volk op het dek een mes uit de hand, en ik zeg u, +zij deed in het eerst iedereen voor haar loopen, tot zij zag dat het +toch niet baten zou; en toen keert zij zich om en springt, met jong +en al, plompverloren in de rivier, zinkt als een steen en komt nooit +weder boven." + +"Bah!" zeide Tom Loker, die met blijkbare minachting naar deze verhalen +had geluisterd. "Gij weet er beiden niet mede om te gaan. _Mijne_ +meiden zullen zich nooit zoo aanstellen, dat zeg ik u." + +"Zoo! Hoe voorkomt gij dat?" vroeg Marks snel. + +"Hoe ik het voorkom! Wel, als ik eene meid koop, die een jong heeft dat +verkocht kan worden, ga ik even naar haar toe en houd mijne vuist voor +haar gezicht, en zeg: "Kijk eens hier. Als gij mij één dwars woord +geeft, zal ik uw gezicht inbeuken. Ik wil geen woord hooren--geen +begin van een woord." En dan zeg ik verder: "Dat jong is van mij, +niet van u; gij hebt er niets mee te maken. Ik zal het bij de eerste +gelegenheid verkoopen. Pas op dat gij geen spektakel daarover maakt, +of ik zal u doen wenschen dat gij nooit geboren waart." Ik zeg u, +zij zien dan wel dat het geen gekheid is als ik begin. Het maakt haar +zoo stom als visschen; en als eene van haar begint en maar eens jankt, +wel...." En daarmede liet hij zijne vuist op de tafel vallen met een +bons, die zijn rede genoegzaam aanvulde. + +"Dat noem ik spreken!" zeide Marks glimlachend en gaf Haley een +stoot in de zijde. "Weet Tom het die meiden niet aan het verstand +te brengen, he? Ik geloof dat zij u wel begrijpen, Tom, al zijn +alle negerkoppen wollig. Zij zullen niet twijfelen aan uwe meening, +Tom. Als gij de duivel niet zijt, Tom, zijt gij zijn tweelingbroeder; +dat wil ik voor u getuigen." + +Tom nam dit compliment met voegzame bescheidenheid aan, en keek zoo +vriendelijk als hem mogelijk was. + +Haley, die vrij wat gedronken had, begon een bijzondere verheffing +van zedelijk gevoel te ontwaren--geen ongewoon verschijnsel bij heeren +van een ernstig en nadenkend karakter onder dergelijke omstandigheden. + +"Wel, Tom," zeide hij, "dat is waarlijk te erg, zooals ik u altijd +gezegd hebt. Gij weet wel, Tom, hoe ik over die dingen met u placht +te praten daar te Natchez, en u placht te bewijzen dat wij er +evenveel mee wonnen voor deze wereld, als wij hen goed behandelden, +en bovendien beter kans hielden om eindelijk in den hemel te komen, +als wij eens opraakten en toch anders niets meer konden krijgen. Weet +ge dat nog wel?" + +"Bah, of ik het weet!" antwoordde Tom. "Maak me niet misselijk met +dien kost. Mijne maag begint nu al te koken." En hij dronk een half +glas klaren brandewijn uit. + +"Ik zeg dit," hervatte Haley, achterover in zijn stoel leunende en met +nadrukkelijke gebaren, "ik zeg dit: ik heb altijd gemeend mijn handel +te drijven om er geld mede te winnen, _eerst en vooral zoo_ goed als +iemand; maar daarom is de handel toch niet alles en geld is niet alles, +want wij hebben allen toch eene ziel. Het kan mij niet schelen, wie +mij dat hoort zeggen--en ik denk er ver....d dikwijls aan, zoodat ik +het ook wel zeggen mag. Ik geloof aan den godsdienst, en eens, als ik +geld genoeg bij elkander heb, denk ik ook voor mijne ziel te zorgen, +en wat baat het dus meer goddeloosheid te doen dan werkelijk noodig +is? Mij komt het voor dat het lang niet voorzichtig is." + +"Voor uwe ziel te zorgen!" zeide Tom verachtelijk. "Men zou hard +moeten zoeken om eene ziel in u te vinden. Maak u daarover maar +niet ongerust. Al zift de duivel u door een koornzeef, hij zal geene +ziel vinden." + +"Wel, Tom, wat zijt gij barsch!" zeide Haley. "Waarom kunt gij het +niet vriendelijk opnemen, als iemand tot uw bestwil spreekt?" + +"Houd op met dat gemaal," antwoordde Tom, even grof. "Ik kan bijna +alle praatjes van u hooren, behalve die vrome praatjes--die zouden +mij ziek maken. En wat is dan eigenlijk het verschil tusschen u en +mij? Het is niet dat gij een zier beter zijt, of een zier meer gevoel +hebt--maar het is klinkklare hondsche laaghartigheid en lafheid, +dat gij den duivel wilt bedriegen en u zelven uit zijne klauwen +redden. Doorzie ik het niet? En uw "godsdienstig worden," zooals gij +zegt, is maar een gemeene streek. Ge laat uw leven lang uwe rekening +bij den duivel oploopen, en wilt dan uitvluchtjes zoeken als het tijd +van betalen wordt. Bah!" + +"Kom, kom, Heeren, dat zijn dingen, die nu niet te pas komen," zeide +Marks hierop. "Mijnheer Haley is een heel ordentelijk man, daar twijfel +ik niet aan, en heeft zijne eigene soort van geweten; en gij, Tom, +hebt ook uwe manier van denken, en die is ook heel goed; maar twisten +weet ge, baat niets. Laten wij tot de zaak komen. Wat is het nu, +Mijnheer Haley? Gij wilt dat wij u helpen om die meid te vangen?" + +"De meid gaat mij niet aan; zij is van Shelby. Het is mij maar om +den jongen te doen. Ik ben een gek geweest dat ik den aap gekocht heb." + +"Gij zijt doorgaans een gek," bromde Tom. + +"Stil toch, Loker," duwde Marks hem toe. "Mijnheer Haley wil ons +immers een goed karweitje aan de hand doen. Zeg eens, hoe ziet die +meid er uit, en wat is zij?" + +"Wel, blank en mooi, en goed opgebracht. Ik had Shelby achthonderd of +duizend voor haar willen geven, en zou nog goede winst hebben gemaakt." + +"Blank, mooi en goed opgebracht?" herhaalde Marks met levendige +begeerte in al zijne scherpe trekken. "Kijk eens aan, Loker, welk een +heerlijk kansje! Wij moeten de zaak voor eigen rekening ondernemen; +wij vangen ze; de jongen gaat natuurlijk naar Mijnheer Haley, en wij +brengen de meid op speculatie naar Orleans. Is dat niet heerlijk?" + +Tom, wiens breede grove mond onder het luisteren had opengestaan, sloot +hem nu op eens dicht, gelijk een bulhond naar een stuk vleesch hapt, en +scheen vervolgens op zijn gemak het smakelijke denkbeeld te verzwelgen. + +"Gij weet," zeide Marks tot Haley, onder de hand zijn glas punch +omroerende, "wij hebben rechters overal langs de kust, die klaar +staan om alle noodige kleinigheden in ons vak te doen. Tom moet voor +het vangen zorgen; en ik kom als een heer gekleed, met blinkende +laarzen, en dat alles als er gezworen moet worden. Gij moet eens +zien," vervolgde hij met trotsche zelfvoldoening, "hoe ik mij dan +houden kan. Den eenen dag ben ik Mr. Twickens van New-Orleans; +den anderen dag kom ik zoo van mijne plantage aan de Paarlrivier, +waar ik vijfhonderd negers heb; dan weder ben ik een verre neef van +Henry Clay, of een ander groot man. Ieder heeft zijn bijzonder talent, +weet ge. Tom is een kerel, als er gebulderd of gevochten moet worden, +maar voor het liegen deugt hij niet; dat gaat hem niet natuurlijk +af. Maar o, als er iemand in het land is, die beter op alles kan +zweren, en alle omstandigheden beter bij elkander brengen, en een +strakker gezicht daarbij kan zetten dan ik, dan zou ik hem wel eens +willen zien--meer zeg ik niet. Ik geloof dat ik het wel klaren zou, +al keken de rechters wat nauwer dan zij doen. Somtijds wenschte ik +haast dat zij wat nauwer keken; het zou veel aardiger en prettiger +zijn, als zij dat deden, weet ge!" + +Tom Loker die, gelijk reeds gebleken is, langzaam in zijn denken en +doen was, stoorde hier Marks door zijne zware vuist op de tafel te +laten vallen, zoodat er alles op rinkelde. + +"Ik doe het," zeide hij. + +"Gij behoeft de glazen daarom niet te breken," zeide Marks. "Bewaar +uwe vuist maar voor tijd van nood." + +"Maar, Heeren, zal ik dan ook geen aandeel hebben in de winst?" vroeg +Haley nu. + +"Is het niet genoeg, dat wij den jongen voor u vangen?" antwoordde +Loker. "Wat wilt gij anders?" + +"Wel," zeide Haley, "dat ik u het kansje aan de hand doe, is toch +iets waard. Zeg tien percent van de winst, na aftrek van de kosten." + +Loker barstte uit in een geduchten vloek en liet nog eens zijne vuist +op de tafel vallen. + +"Ken ik u niet, Daniël Haley?" zeide hij vervolgens. "Denk niet dat ge +mij zoo zult beetnemen. Gelooft gij dat Marks en ik het negervangen +bij de hand hebben genomen, alleen om zulke heeren als gij zijt van +dienst te wezen, en niets voor ons zelven te verdienen? Dat lijkt +er niet naar. Wij houden de meid geheel en al, en gij moogt u maar +stilhouden, of wij houden ze allebei. Wat zou het ons beletten? Hebt +gij ons het wild niet gewezen? Wij mogen het evengoed vangen als gij, +zou ik denken. Als gij of Shelby ons wilt vervolgen, ga dan maar eens +kijken waar de patrijzen van verleden jaar zijn. Als gij die of ons +vinden kunt, staat het u vrij." + +"Welnu, laat het dan maar zoo blijven," zeide Haley ontsteld. "Gij +vangt dus den jongen voor mij. Gij hebt mij altijd eerlijk behandeld +Tom, en uw woord gehouden." + +"Dat weet gij wel," antwoordde Tom. "Ik houd mij niet op met uw geteem; +maar valsch spel speel ik zelfs den duivel niet. Wat ik zeg dat ik +doen zal dat doe ik. Dat weet gij wel, Daniël Haley." + +"Ja wel, ja wel; dat zeide ik ook, Tom. En als gij mij maar beloven +wilt dat gij den jongen over een week voor mij gereed zult houden, +waar gij maar zelf verkiest, is het al wat ik eisch." + +"Maar nog lang niet al wat ik eisch," hervatte Tom. "Gij denkt toch +niet dat ik voor niet zaken met u gedaan heb te Natchez, Haley? Ik +heb geleerd een aal vast te houden als ik hem pak. Gij moet vijftig +dollars geven, maar vooruit, of ik verzet geen voet. Ik ken u wel." + +"Wat als ik u een kansje aan de hand heb gedaan, dat u duizend +of zestienhonderd zuivere winst kan opbrengen? Wel Tom, ge zijt +onredelijk." + +"Ja, en hebben wij geen werk aangenomen voor vijf weken achtereen, +zooveel als wij maar af kunnen? En als wij nu alles verzuimen, en +die jongen van u gaan naloopen en eindelijk misschien de meid niet +eens pakken--meiden zijn altijd duivels moeielijk te pakken--wat +dan? Zoudt gij ons dan een cent betalen? Mij dunkt, ik zie het u al +doen! Bah! Neen, tel ons uwe vijftig op de hand toe. Als de zaak +goed uitkomt, geven wij ze u terug, zoo niet dan is dat voor onze +moeite. Dat is billijk. Niet waar, Marks?" + +"Zekerlijk, zekerlijk," antwoordde Marks op een verzoenenden toon. "Het +is maar geld op de hand. Maar wij zullen de zaak wel in der minne +schikken, wees maar gerust. Tom zal u den jongen brengen waar gij +verkiest; niet waar, Tom?" + +"Als ik het jong vang, breng ik het naar Cincinnatie en laat het bij +grootmoeder Belcher," antwoordde Loker. + +Marks had eene smerige portefeuille uit zijn zak gehaald, en een +strook papier daaruit nemende, begon hij mompelende te lezen: + +"Barnes--Shelby County--jongen Jim, driehonderd dollars voor hem, dood +of levend, Edward--Dick en Lucy--man en vrouw, zeshonderd dollars; +meid Polly met twee kinderen, zeshonderd voor haar of haar hoofd. Ik +loop onze zaken eens even door, om te zien of wij dit nog kunnen +waarnemen.--Wij zullen Adams en Springer op deze moeten afzenden," +zeide hij na zich eene poos te hebben bedacht. "Zij staan al eenigen +tijd geboekt." + +"Zij zullen te veel rekenen," zeide Tom. + +"Dat zal ik wel schikken. Zij zijn zoo jong in het vak en zullen +wel begrijpen, dat zij goedkoop moeten werken," antwoordde Marks, +terwijl hij stil voortlas. "Drie er van zijn gemakkelijke karweien, +want al wat zij te doen hebben, is ze dood te schieten of te zweren +dat zij doodgeschoten zijn; en daar kunnen zij natuurlijk niet +veel voor rekenen. Die andere dingen kunnen nog wel wat uitgesteld +worden;"--daarmede vouwde hij het papier weder op. "Laten wij nu tot +de bijzonderheden overgaan. Gij hebt dus die meid aan land zien komen, +Mijnheer Haley?" + +"Zeker--zoo duidelijk als ik u zie." + +"En een man die haar den kant ophielp?" zeide Loker. + +"Zeker zag ik dat." + +"Waarschijnlijk is zij ergens ingenomen," zeide Marks nu. "Waar? Dat +is de vraag. Wat zegt gij Tom?" + +"Wij moeten van nacht nog de rivier over," zeide Tom. + +"Maar er ligt hier geene boot," liet Marks daarop volgen. "En het +ijs kruit geweldig. Zou het niet gevaarlijk zijn?" + +"Daar weet ik niet van, maar alleen dat het gedaan moet worden," +antwoordde Tom beslissend. + +"Maar toch," hervatte Marks onrustig. "Ik weet niet." Hij stond op +en ging naar het venster. "Het is pikdonker buiten, en...." + +"Het lange en het korte van de zaak is, dat ge bang zijt, Marks. Maar +dat kan ik niet helpen, ge moet toch mee. Zoudt ge misschien een paar +dagen willen wachten tot de meid langs den onderaardschen spoorweg +[3] naar Sandusky of zoo is gebracht?" + +"O neen, ik ben volstrekt niet bang," zeide Marks. "Maar--" + +"Maar wat?" + +"Wel, eene boot. Gij weet dat er geene boot is." + +"Ik heb de vrouw hooren zeggen dat er van avond eene kwam, en dat er +iemand mede overging. Gevaarlijk of niet, wij moeten met hem mede," +zeide Tom. + +"Ik onderstel dat gij goede honden hebt?" merkte Haley nu aan. + +"Allerbeste," antwoordde Marks. "Maar wat baat dat? Gij hebt toch +niets van haar, om aan te laten ruiken." + +"Ja, dat heb ik wel, zeide Haley zegepralende. "Hier is haar doek, +dien zij in haar haast op bed heeft laten liggen en haar hoed ook." + +"Dat is gelukkig," zeide Loker. "Geef maar hier." + +"Maar de honden zouden de meid kunnen beschadigen, als zij haar +onverwacht pakten," zeide Haley. + +"Dat is eene bedenking," zeide Marks. "Onze honden hebben daar in +Mobile eens een kerel half in stukken gescheurd eer wij hen konden +terug roepen." + +"Wel, ziet ge, voor deze soort, die voor haar mooi moet verkocht +worden, gaat dat niet aan," zeide Haley. + +"Dat begrijp ik," antwoordde Marks. "En bovendien, als zij ingenomen +is, gaat het ook niet. Honden helpen niet in deze staten, waar die +schepsels met rijtuig weggebracht worden; zij kunnen dan natuurlijk +geen spoor vinden. Zij helpen maar alleen in de plantages, waar de +negers als zij wegloopen zelf moeten loopen, en niet geholpen worden!" + +"Welnu," zeide Loker, die even de kamer uit was geweest om iets te +vragen; "zij zeggen dat de man met de boot gekomen is. Dus Marks...." + +Deze keek treurig rond in het aangename nachtverblijf, dat hij +verlaten moest, maar stond toch langzaam op. Na nog eenige afspraken +te hebben gemaakt, stelde Haley met zichtbaren tegenzin Tom de vijftig +dollars ter hand, en zoo scheidde het elkander waardige drietal voor +dien avond. + +Indien sommige van onze beschaafde en christelijke lezers iets +tegen het gezelschap hebben, waarin dit tooneel hen gebracht heeft, +laten wij hen dan mogen verzoeken om bijtijds hunne vooroordeelen te +overwinnen. Het negervangen, moeten wij hun herinneren, verheft zich +thans tot de waardigheid van een wettig en patriotsch beroep. Wanneer +het geheele breede land tusschen den Mississippi en de Stille Zuidzee +ééne groote markt voor lichamen en zielen wordt, en menschelijke +koopwaar de locomotieve neigingen dezer negentiende eeuw behoudt, +kunnen de handelaar en de negerjager nog wel eens tot onze aristocratie +gerekend worden. + + + +Terwijl dit in de herberg voorviel, reden Sam en Andy vol blijde +zelfvoldoening naar huis. + +Sam was zoo opgewonden als maar mogelijk was, en gaf zijne +overmaat van genot lucht door allerlei onnatuurlijke geluiden en +uitroepingen, en allerlei wonderlijke bewegingen en verwringingen van +zijn lichaam. Somtijds reed hij het achterste voor, met het gezicht +naar den staart van zijn paard; en zich dan met een zegekreet en een +luchtsprong weder recht plaatsende, zette hij een ernstig gezicht en +begon Andy op hoogdravenden toon eene vermaning te geven, dat hij +lachte en voor gek speelde. Dan weder sloeg hij zich met de handen +in de zijden en hief een schaterend gelach aan, zoodat het door de +oude bosschen weergalmde. Onder al die grimassen wist hij echter +zijn paard in vliegenden ren te houden, tot hij met zijn makker, +tusschen tien en elf uur, weder over het kiezelgruis langs de veranda +knerste. Mevrouw Shelby ijlde naar buiten. + +"Zijt gij dat, Sam? Waar zijn zij?" + +"Mijnheer Haley zit in de herberg uit te rusten. Hij is schrikkelijk +vermoeid, Mevrouw." + +"En Eliza, Sam?" + +"O, zij is den Jordaan over. In het land van Kanaän, zou iemand +mogen zeggen." + +"Wat meent gij toch, Sam?" zeide Mevrouw Shelby, bijna flauw vallende, +toen de mogelijke beteekenis dezer woorden haar te binnen kwam. + +"Wel, Mevrouw, de Heere bewaart die de Zijnen zijn. Lizzy is over de +rivier gekomen naar Ohio, zoo wonderlijk, alsof de Heere haar in een +vurigen wagen met twee paarden had overgebracht." + +Sams vroomheid was in de tegenwoordigheid zijner meesteres bijzonder +vurig, en hij bracht dan altijd zooveel schriftuurlijke uitdrukkingen +en beelden te pas als hij maar kon. + +"Kom hier, Sam," zeide Mr. Shelby, die insgelijks onder de veranda +was gekomen, "en zeg uwe meesteres wat zij verlangt te weten. Kom, +Emilia," vervolgde hij, zijn arm om haar heenslaande. "Gij staat te +beven. Gij geeft al te veel toe aan uw gevoel." + +"Te veel toe aan mijn gevoel! Ben ik geene vrouw--geene moeder? Zijn +wij niet bij God verantwoordelijk voor dat arme schepsel? O God, +reken ons deze zonden niet toe!" + +"Welke zonde, Emilia? Gij ziet immers zelve wel, dat wij alleen maar +gedaan hebben wat wij moesten doen." + +"Het geeft mij toch een ontzettend gevoel van schuld," antwoordde +Mevrouw Shelby. "Dat kan ik niet wegredeneeren." + +"Hier, Andy, gij neger, maak wat haast!" riep Sam. "Breng de paarden +naar den stal. Hoort gij niet dat de meester mij roept?" + +En weldra verscheen Sam, met zijn hoofdsieraad van palmbladeren in +de hand, voor de deur der voorkamer. + +"Zeg ons nu duidelijk, Sam, hoe de zaak is afgeloopen," zeide +Mr. Shelby. "Waar is Eliza, als gij dit weet?" + +"Wel, meester, ik zag haar met mijne eigene oogen op het drijvende ijs +overstappen. Zij kwam op eene buitengemeene manier aan den overkant; +het was niets minder dan een wonder. En ik zag een man aan den Ohiokant +haar ophelpen, en toen raakte zij in het donker uit mijne oogen." + +"Ik vind dat wonder eenigszins ongeloofelijk, Sam. Op drijvend ijs +overstappen gaat zoo gemakkelijk niet," zeide Mr. Shelby. + +"Gemakkelijk!" riep Sam. "Niemand kon het gedaan hebben, als de Heere +hem niet hielp. Ik zal het u zeggen, hoe het was. Mijnheer Haley +en ik en Andy, wij kwamen aan het herbergje aan de rivier, en ik +reed een beetje vooruit--ik had zulk een ijver om Lizzy te vangen, +dat ik mij niet kon inhouden--en toen ik voorbij het venster kwam, +daar stond zij zoo waar vlak in het gezicht en zij kwamen achter mij +aan. Wel, ik verlies mijn hoed, en schreeuw hard genoeg om de dooden +wakker te maken. Natuurlijk hoort Lizzy dat en zij stapt achteruit, +en Mijnheer Haley rijdt voorbij naar de deur. En toen liep zij de +achterdeur uit naar de rivier. En toen zag Mijnheer Haley haar en +schreeuwde, en hij en ik en Andy, wij liepen haar na. Zij komt aan de +rivier, en daar was de strooming langs den kant volle tien voet breed, +en aan de overzijde lag het ijs op en neer te wiegelen, alsof het +een groot eiland was. Wij kwamen recht achter haar aan en ik dacht +zeker dat hij haar al had--en toen gaf zij zulk een schreeuw als +ik nooit in mijn leven gehoord heb, en daar was zij op eens aan den +overkant van den stroom, op het ijs, en voort liep zij, al gillende +en springende--en het ijs ging krik, krak, plis, plas! en zij sprong +maar voort als een hert! Och, wat kan die meid springen!" + +Mevrouw Shelby was stil en bleek van aandoening blijven zitten, +terwijl Sam dit verhaalde. + +"God zij gedankt, zij is dan niet dood!" zeide zij eindelijk. "Maar +waar is het arme kind nu?" + +"De Heere zal voorzien," antwoordde Sam en liet met eene zonderlinge +vertooning van vroomheid zijne oogen rollen. "Zooals ik gezegd heb, +dat is de Voorzienigheid geweest en niets anders, gelijk Mevrouw +ons altijd heeft onderricht. Er komen altijd werktuigen op, om den +wil des Heeren te doen. Als ik er niet geweest was, zou zij vandaag +wel twaalf maal gevangen zijn. Was ik het niet die de paarden van +morgen liet hollen en ze bleef naloopen tot dicht bij etenstijd? En +bracht ik mijnheer Haley van avond niet vijf mijlen van zijn weg af, +anders zou hij Lizzy zoo gemakkelijk achterhaald hebben als een hond +een kip. Dat zijn alles proeven van de Voorzienigheid." + +"Het zijn eene soort van proeven, waar gij spaarzaam mede zult moeten +zijn, Sam. Ik duld zulke streken niet van mijne onderhoorigen," zeide +Mr. Shelby, met zooveel barschheid, als hij bij deze gelegenheid +veinzen kon. + +Nu baat het even weinig zich op een neger boos te willen houden als +op een kind; beiden zien door instinct den waren staat der zaken, +al veinst men het tegendeel; en Sam schrikte dus volstrekt niet van +deze bestraffing, hoewel hij een gezicht vol droevigen ernst zette, +en zeer boetvaardig de hoeken van zijn mond neertrok. + +"Meester heeft gelijk--volkomen gelijk. Het was leelijk van mij--dat +is niet anders. En natuurlijk willen meester en Mevrouw zulke dingen +niet goedkeuren. Dat gevoel ik wel, maar een arme neger zooals ik komt +somtijds in groote verzoeking om leelijke dingen te doen, als iemand +zoo te werk gaat als die Mijnheer Haley. Hij is geen _gentleman_, +gansch niet; iedereen die zoo is grootgebracht als ik, moet dat +wel zien." + +"Wel, Sam," zeide Mevrouw Shelby, "daar gij uw misstap schijnt te +begrijpen, kunt gij nu Tante Chloe gaan zeggen dat zij u wat van die +ham kan geven, die vandaag van het diner is overgebleven. Gij en Andy +moeten wel honger hebben." + +"Mevrouw is veel te goed voor ons," antwoordde Sam, maakte eene vlugge +buiging en ging heen. + +Men zal wel zien, gelijk reeds vroeger is aangemerkt, dat Sam een +aangeboren talent bezat, hetwelk hem in de politieke wereld zeker ver +had kunnen brengen--een talent om alles wat hem voor de voeten kwam tot +een kapitaal te maken, om tot eigen lof en eer te beleggen; en nadat +hij tot genoegen der voorkamer, gelijk hij vertrouwde, zijne vroomheid +en nederigheid had laten blinken, zette hij met zekeren lossen zwier +zijn hoofddeksel van palmbladeren op, en ging naar het gebied van +Tante Chloe met het voornemen om in de keuken eens recht te schitteren. + +"Ik zal die negers eens een redevoering laten hooren, nu ik er +gelegenheid toe heb," zeide hij bij zich zelven. "Ik zal maken dat +zij mij met open mond staan aan te kijken." + +Het moet hier aangemerkt worden, dat Sam er bijzonder vermaak in had, +met zijn meester naar allerlei politieke vergaderingen te rijden, +waar hij, op een hek of in een boom gezeten, met groote liefhebberij +naar de redenaren zat te luisteren, om dan, afgeklommen onder de +broeders van zijne eigene kleur, die insgelijks met hunne meesters +waren medegekomen, deze met de koddigste nabootsingen, die hij met +onverstoorbare deftigheid uitsprak, te stichten en te vermaken. Hoewel +zijne naaste toehoorders lieden van zijne eigene kleur waren, stonden +niet zelden in het rond eenigen van blanker tint, die lachende en +wenkende luisterden, waarop Sam dan niet weinig trotsch was. Kortom, +Sam was blijkbaar tot redenaar geroepen, en verzuimde geen gelegenheid +om die roeping te volgen. + +Nu had van oude tijden af tusschen Sam en Tante Chloe eene soort van +slepende vijandschap, of liever eene in het oog loopende koelheid +bestaan; maar daar hij thans het oog op een goeden maaltijd had, +besloot hij, om zijne vooruitzichten niet te bederven, ditmaal +buitengemeen verzoenlijk te zijn; want hij wist, dat hoewel de bevelen +van mevrouw zeker naar de letter zouden worden opgevolgd, het toch +een groot voordeel voor hem zou zijn, als de geest ook daarbij +medewerkte. Hij verscheen dus voor Tante Chloe met een bedeesd, +geduldig gezicht, gelijk iemand, die om een zijner ongelukkige +medemenschen te dienen, onmetelijk veel had uitgestaan, en weidde er +breed over uit dat mevrouw hem gezegd had naar Tante Chloe te gaan, +om vergoeding te krijgen voor wat hij aan eten en drinken te kort +gekomen was, waardoor hij onbewimpeld hare opperheerschappij in de +keuken en de aanhoorigheden daarvan erkende. + +Hij slaagde naar wensch. Geen onnoozele brave vergadering van +kiezers liet zich ooit gemakkelijker door de oplettendheden van een +geslepen candidaat om den tuin leiden, dan Tante Chloe zich door +Sams vriendelijkheid liet innemen; en al ware hij de verloren zoon +zelf geweest, zoo had hij niet met meer moederlijke mildheid kunnen +overladen worden. Weldra zat hij vergenoegd bij een grooten blikken +pan, die eene _olla podrida_ bevatte van alles wat er in de laatste +twee of drie dagen op de tafel was geweest. Smakelijke brokken +ham, goudkleurige maïskoek, stukken pudding van allerlei fatsoen, +hoenderbouten, vlerken en koppen, alles lag daar in schilderachtige +verwarring; en Sam zat daar, als koning van dat alles, met zijne +palmbladeren-kroon op een oor, en Andy als begunstigd lijftrawant +aan zijne rechterhand. + +De keuken was vol van zijne makkers, die haastig uit de verschillende +hutten waren komen aanloopen, om te hooren welken uitslag de avonturen +van den dag hadden gehad. Nu kon Sam schitteren. Hij herhaalde zijne +geschiedenis, met al de sieraden die noodig waren om het effect er +van te vergrooten, want Sam liet een verhaal nooit door zijne handen +gaan zonder het te verfraaien. Een schaterend gelach begeleidde zijne +vertelling, en werd opgevangen en voortgezet door het kleine goed, +dat in aantal op den vloer lag en in de hoeken zat. Onder al dat +rumoer en gelach bewaarde Sam echter eene onverzettelijke kalmte, +en liet slechts van tijd tot tijd zijne oogen rollen, of wierp zijnen +hoorders een onweerstaanbaar koddigen blik toe, zonder van de hoogte +zijner welsprekendheid af te dalen. + +"Gij ziet nu, landgenooten," zeide Sam, met nadruk een hoenderboutje +opstekende, "gij ziet nu, waartoe ik in staat ben om u allen te +verdedigen--ja u allen, zeg ik. Want hij die beproeft om één van +ons volk te vangen, is evengoed als die allen beproeft te vangen; +gij ziet, het beginsel is hetzelfde, dat is duidelijk. En ieder van +die drijvers, die naar een van ons volk komt zoeken, welnu, hij vindt +mij in zijnen weg; ik ben de man met wien hij te doen heeft--ik ben +de man bij wien gij allen maar komen moet, mijne broeders, ik zal voor +uwe rechten strijden--ik zal ze verdedigen tot den laatsten ademtocht." + +"Maar Sam," viel Andy hierop in, "gij hebt mij pas van morgen gezegd, +dat ge dien mijnheer woudt helpen om Lizzy te vangen. Het komt mij +voor dat uw praten niet goed samenhangt." + +"Ik zeg u nu, Andy," antwoordde Sam met geduchte meerderheid, "dat +gij niet praten moet over iets waar gij niets van weet. Jongens, +zooals gij, Andy, meenen het wel goed, maar zij kunnen nog geene +opinie hebben over de groote beginselen van gedrag." + +Andy scheen verslagen, vooral door het vreemde woord opinie, hetwelk +ook de meeste jeugdige leden der vergadering voor alles afdoende +schenen te houden. Sam vervolgde: + +"Dat was volgens mijn geweten, Andy. Toen ik Lizzy meende te vangen, +dacht ik werkelijk dat meester daarop gesteld was. Toen ik begreep, +dat mevrouw op het tegendeel gesteld was, was dat nog meer volgens mijn +geweten--omdat iemand altijd meer wint als hij zich op den kant van +mevrouw houdt. Zoo ziet ge, dat ik op allebeide manieren consequent +ben, en mijn geweten getrouw blijf en mij aan beginselen houd. Ja, +beginselen," vervolgde hij en pikte nadrukkelijk in een lekkeren brok; +"waar zouden beginselen goed voor zijn, als men niet consequent is, +dat zou ik wel eens willen weten. Daar, Andy, gij moogt dat beentje +hebben; het is nog niet schoon afgekloven." + +Daar Sams gehoor met open mond bleef luisteren, kon hij niet anders +doen dan voortgaan. + +"Dat stuk van de consequentie," hervatte hij, zeer diepzinnig kijkende, +"is iets wat de meeste menschen niet duidelijk begrijpen. Ziet ge +wel, als iemand eerst stijf en sterk volhoudt voor het eene, en +dan naderhand voor het tegendeel, dan zeggen de menschen (en dat +zeggen zij natuurlijk genoeg) hij is niet consequent. Maar laten +wij het eens beter bezien. Ik hoop dat de _gentlemen_ en de schoone +sekse mij zullen verschoonen, als ik eene alledaagsche vergelijking +gebruik. Hier wil ik boven op een hooiberg komen. Wel, ik zet mijne +ladder aan den eenen kant, maar daar gaat het niet. Omdat ik dan daar +niet meer probeer, maar mijne ladder aan den anderen kant zet, ben ik +daarom niet consequent? Ik ben consequent als ik er op wil komen, aan +wat voor kant mijne ladder ook staan mag. Ziet ge dat allemaal niet?" + +"Dat is het eenige, waarin gij ooit consequent zijt geweest, dat +weet de Heer," mompelde Tante Chloe, die ongeduldig begon te worden, +daar de vroolijkheid van den avond voor haar eenigszins was, zooals +de Schrift zegt, "gelijk edik op salpeter." + +"Ja, waarlijk," hervatte Sam, tevreden met zijn avondmaal en den +gemaakten indruk opstaande, "ja mijne medeburgers en dames van de +andere sekse in het algemeen, ik heb beginselen, ik ben trotsch +om ze te bekennen--zij zijn een roem voor dezen tijd en voor alle +tijden. Ik heb beginselen, en ik houd er mij aan vast met hand en +tand. Zoodra ik denk dat iets een beginsel is, pak ik het aan. Het +zou mij niet kunnen schelen, al wilden zij mij levend verbranden; +ik zou recht naar den brandstapel gaan, dat zou ik, en zeggen: hier +kom ik om mijn laatste bloed te storten voor mijne beginselen, voor +mijn vaderland en voor de algemeene belangen der maatschappij." + +"Wel," zeide Tante Chloe hierop, "een van uwe beginselen zal moeten +wezen, om op een of anderen tijd van den nacht naar bed te gaan, +en niet iedereen tot aan den ochtend op te houden. En nu, als gij, +jongens, geene klappen wilt hebben, maakt dat gij voorkomt, en wat +heel gauw!" + +"Negers, gij allen," sprak Sam, en zwaaide met deftige vriendelijkheid +zijn hoofdsieraad; "ik geef u mijn zegen. Gaat nu naar bed en weest +brave jongens." + +En met dit aandoenlijk afscheid ging de vergadering uiteen. + + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + +WAARIN HET BLIJKT DAT EEN SENATOR NIET MEER DAN EEN MENSCH IS. + + +Het licht van een vroolijk vuur bescheen het tapijt eener deftig +gemeubileerde voorkamer, en flikkerde op de theekopjes en den +blinkenden trekpot, toen senator Bird zijne laarzen uittrok om +zijne voeten in een paar fraaie pantoffels te steken, die zijne +vrouw voor hem gewerkt had, terwijl hij op zijne senatoriale reis uit +was. Mevrouw Bird was met een vergenoegd gezicht bezig met nog een en +ander op de tafel te schikken, en sprak tusschenbeiden een vermanend en +waarschuwend woordje tot eenige kinderen van verschillenden ouderdom, +die zich vermaakten met al die manieren van dartel kwaad doen, +welke sedert de dagen van den zondvloed de moeders hebben verbaasd +doen staan. + +"Tom, blijf van de deur af, als een zoete jongen. Mary, Mary, trek de +kat niet bij haar staart--arme poes! Neen, Jim, gij moogt niet op de +tafel klimmen. Gij weet niet, lieve, welk eene verrassing het voor ons +allen is u van avond nog tehuis te zien," voegde zij er eindelijk bij, +toen zij tijd vond om iets tegen haar man te zeggen. + +"Ja, ik dacht, ik moest eens komen overvliegen, en tehuis een +pleizierigen avond en wat rust hebben. Ik ben doodmoede en heb +hoofdpijn." + +Mevrouw Bird wierp een blik naar een fleschje met kamferdroppeltjes, +dat in eene half opene kast stond, en scheen er naar toe te willen +gaan; maar haar echtgenoot weerhield haar. + +"Neen, neen, Mary," zeide hij, "geen medicijn. Een kop sterke, heete +thee en wat van onzen goeden huiskost, is al wat ik noodig heb. Het +is een vervelend werk, dat wetten maken." + +En de senator glimlachte, alsof hij zich eenigszins streelde met het +denkbeeld, dat hij zich voor zijn vaderland opofferde. + +"Wel," zeide zijne vrouw, toen het aan de theetafel minder druk begon +toe te gaan: "en wat hebben zij in den senaat gedaan?" + +Nu was het iets zeer ongewoons bij het zachtzinnige Mevrouwtje Bird, +dat zij haar hoofd brak met hetgeen er in het Huis van den senaat +omging, zeer wijselijk denkende, dat zij genoeg met haar eigen huis +te stellen had. Mr. Bird sloeg dus een paar eenigszins verbaasde +oogen op, en antwoordde: + +"Niet veel van belang." + +"Maar is het waar, dat zij eene wet hebben aangenomen om de menschen +te verbieden eten en drinken te geven aan die arme kleurlingen, die +ergens langs komen? Ik heb gehoord, dat men van zulk eene wet sprak, +maar ik dacht niet, dat eene christelijke wetgeving ze zou aannemen." + +"Wel Mary, gij wordt op eens politiek." + +"Neen, toch niet! Ik stoor mij geen zier aan al uwe politiek over +het geheel, maar dit zou ik rechtuit voor wreed en onchristelijk +houden. Ik hoop toch lieve, dat er geene zulke wet is aangenomen?" + +"Er is eene wet aangenomen, om iedereen te verbieden de slaven voort +te helpen, die van Kentucky overkomen, lieve. Er is zooveel van dien +aard door die heethoofdige abolitionisten gedaan, dat onze broeders +in Kentucky zeer verstoord zijn, en het schijnt noodig en niet meer +dan menschlievend en christelijk, iets te doen om die opgewondenheid +te doen bedaren." + +"En wat zegt die wet? Zij verbiedt ons toch niet om die arme schepsels +een nacht te laten schuilen? En om ze wat hardsterkends te eten en +wat oude kleeren te geven, en weer stil te laten heengaan?" + +"Ja zeker, lieve, dat zou voorthelpen zijn." + +Mevrouw Bird was een blozend en zachtzinnig vrouwtje, omtrent vier +voet lang, met zachte blauwe oogen, eene heldere fijne kleur en het +zachtste, liefste stemmetje van de wereld. Wat haar moed betrof, +een kalkoensche haan van middelbare grootte kon haar op de vlucht +jagen, als hij maar eens kokkelde, en een huishond van de gewone +soort kon haar oogenblikkelijk tot onderwerping brengen, alleen door +zijne tanden te laten zien. Haar echtgenoot en hare kinderen waren +hare geheele wereld, en deze beheerschte zij meer door verzoek en +overreding, dan door bevel of redekaveling. Er was slechts één ding, +dat in staat was om haar vuur te doen vatten, en dit was iets, wat +juist den zachtsten kant van haar buitengemeen zacht en medelijdend +gemoed trof: alles wat naar wreedheid geleek was in staat om haar in +eene drift te brengen, des te meer ontrustend en onverklaarbaar, omdat +zij anders zoo zacht van karakter was. Doorgaans de inschikkelijkste +van alle moeders, hadden hare jongens nog eene eerbiedige herinnering +aan de geduchte kastijding die zij hun eens gegeven had, toen zij hen +met eenige ondeugende knapen uit de buurt samengespannen had gevonden, +om een weerloos katje te steenigen. + +"Ja, toen was ik verschrikt," placht kleine William te zeggen. "Moeder +kwam naar mij toe, zoodat ik dacht dat zij razend was geworden, en ik +kreeg een pak en werd zonder eten in bed gestopt, eer ik nog bekomen +was van de verwondering wat er met mij gebeurde; en daarna hoorde +ik moeder buiten de deur hardop snikken, en dat was nog erger dan al +het andere. Ik zeg u, wij hebben nooit weer eene kat gesteenigd." + +Bij deze gelegenheid stond Mevrouw Bird snel op, met zeer roode +wangen, die haar gezichtje lang niet leelijker maakten, kwam met eene +inderdaad vastberadene houding naar haren echtgenoot en zeide op een +even vastberaden toon: + +"Nu, John, wil ik weten of gij zulk eene wet voor recht en christelijk +houdt." + +"Gij zult mij toch niet doodschieten, Mary, als ik ja zeg?" + +"Dat had ik nooit van u gedacht, John. Gij hebt er toch niet vóór +gestemd?" + +"Juist zoo, mijne schoone politieke dame." + +"Gij moest u schamen, John. Arme schepsels die niet onder dak kunnen +komen! Het is eene schandelijke, goddelooze, verfoeielijke wet, en ik +zal haar breken, zoodra ik er maar gelegenheid toe heb; en ik hoop, +dat ik er gelegenheid toe krijgen zal, dat doe ik. Het is mooi met +de zaken gesteld, als eene vrouw geen maal eten en geen bed mag geven +aan menschen die gebrek en honger lijden, juist omdat zij slaven zijn +en al hun leven mishandeld en onderdrukt zijn--die ongelukkigen!" + +"Maar, Mary, luister eens. Uw gevoel is op zich zelf goed en ik heb +er u te liever om. Maar, lieve, wij moeten niet toelaten, dat ons +gevoel ons verstand overheerscht. Gij moet bedenken dat dit geene zaak +van iemands bijzonder gevoel is. Er zijn groote openbare belangen in +betrokken; er is zulk eene algemeene spanning ontstaan, dat wij ons +bijzonder gevoel ter zijde moeten zetten." + +"John, ik weet niets van politiek, maar ik kan mijn Bijbel lezen; +daar vind ik dat ik de hongerigen moet voeden, de naakten kleeden en +de bedroefden troosten, en dien Bijbel denk ik te volgen." + +"Maar in gevallen, dat men zoo doende een groot kwaad voor het algemeen +zou stichten...." + +"God gehoorzaam te zijn kan nooit geen kwaad voor het algemeen +stichten; dat weet ik. Het is in alle gevallen het veiligste, te doen +gelijk Hij ons beveelt." + +"Maar luister nu eens, Mary, ik kan u met eene zeer duidelijke +redeneering bewijzen...." + +"Neen, John! gij kunt den geheelen nacht praten, maar dat zou niet +gaan. Ik vraag het u, John, zoudt gij nu een arm, hongerig, verkleumd +mensch van uwe deur jagen, omdat hij een vluchteling was? Zoudt +ge dat?" + +Om nu de waarheid te zeggen, had onze senator het ongeluk van een +man te zijn, die een bijzonder week en medelijdend hart had; iemand +die in nood verkeerde van zijne deur te jagen, was nooit zijn fort +geweest, en wat bij deze gelegenheid nog erger voor hem was, zijne +vrouw wist dit, en richtte dus natuurlijk haar aanval op een punt +dat bijna onverdedigbaar was. Hij nam daarom de toevlucht tot de +gewone middelen om tijd te winnen, waarmede men zich in zulke gevallen +behelpt. Hij zeide "ahem" en kuchte eenige malen, haalde zijn zakdoek +uit en begon zijn bril af te vegen. Mevrouw Bird, ziende hoe zwak +het gebied des vijands verdedigd was, vond er geen bezwaar in om haar +voordeel te vervolgen. + +"Ik zou het u wel eens willen zien doen, John, dat zou ik waarlijk! Gij +zoudt, bijvoorbeeld, eene vrouw in een sneeuwstorm de deur uitjagen, +of misschien zoudt gij haar oppakken en in de gevangenis zetten, +zoudt ge niet! Ja, dat zou u goed afgaan." + +"Natuurlijk, het zou een zeer pijnlijke plicht wezen," begon Mr. Bird +op zeer gematigden toon. + +"Plicht, John? Gebruik dat woord toch niet. Gij weet wel dat het +geen plicht is. Het kan geen plicht wezen. Als de menschen willen +dat hunne slaven niet wegloopen, laten zij ze dan goed behandelen, +dat is mijne leer. Als ik slaven had--ik hoop dat ik ze nooit hebben +zal--zou ik het wel er op durven wagen of zij van mij zouden wegloopen, +en dat zoudt gij ook, John. Ik zeg u, menschen loopen niet weg als +zij het goed hebben; en als zij wegloopen, de arme schepsels, lijden +zij genoeg van honger en koude en angst, dat iedereen tegen hen is; +en hetzij wet of geene wet, dat zal ik nooit, zoo helpe mij God!" + +"Mary, Mary, lieve, laat mij toch met u redeneeren!" + +"Ik heb een hekel aan redeneeren, John, vooral aan het redeneeren +over zulke zaken. Gij politieke heeren hebt eene manier om over eene +zaak zooals zij eenvoudig is heen te redeneeren; en als het op de +practijk aankomt, gelooft gij er zelf niet aan. Ik ken u wel genoeg, +John. Gij gelooft evenmin dat zoo iets recht is als ik, en gij zoudt +het ook evenmin doen als ik." + +Op dit netelige oogenblik stak de oude Cudjoe, de zwarte huisknecht, +zijn hoofd binnen de deur en vroeg of Mevrouw eens in de keuken wilde +komen; en onze senator, tamelijk blijde hierover, keek zijn vrouwtje +met een zonderlinge mengeling van lachlust en ergernis na, zette zich +toen op zijn gemak in zijn leuningstoel en begon de couranten te lezen. + +Eene korte poos later hoorde hij de stem zijner vrouw voor de deur snel +en dringend zeggen: "John, John, ik wou dat ge eens even hier kwaamt." + +Hij legde zijne courant neer, ging naar de keuken en deinsde verschrikt +en verbaasd terug op het gezicht dat hij daar ontmoette.--Eene +jonge, tengere vrouw, met gescheurde kleederen, waaraan overal ijs +was vastgevroren, en met een gewonden, bloedenden voet, waarvan de +schoen verloren en de kous afgescheurd was, lag in eene flauwte, alsof +zij dood was, op twee stoelen. Zij had het teeken van het verachte +geslacht om haar gezicht, maar niemand kon ongetroffen blijven voor +de treurige aandoenlijke schoonheid daarvan, terwijl de scherpe, +de koude, doodsche strakheid der trekken ook hem als van koude deed +huiveren. Hij haalde kort adem en bleef zwijgend staan. Zijne vrouw +en hunne eenige gekleurde meid, oude Tante Dina, waren met bijhelpen +bezig; terwijl Cudjoe een knaapje op zijne knie had genomen, het +schoenen en kousen had uitgetrokken om zijn voetjes te warmen. + +"Zeker, als dat niet iets is om aan te zien!" zeide de oude Dina +medelijdend. "Denkelijk heeft de warmte haar doen flauw vallen. Zij +was tamelijk bijdehand, toen zij binnenkwam, en vroeg of zij zich hier +even mocht warmen; en ik wilde haar juist vragen waar zij vandaan kwam, +toen zij opeens flauw viel. Zij heeft nooit veel zwaar werk gedaan, +zou ik denken, aan hare handen te zien." + +"Ongelukkig schepsel!" zeide mevrouw Bird treurig, toen de jonge vrouw +hare groote donkere oogen opende en haar verbijsterd starende aanzag. + +Eensklaps kwam er een trek van zielsangst op haar gelaat en vloog +zij op, uitroepende: "O mijn Harry; hebben zij hem gekregen?" + +Het knaapje sprong hierop van Cudjoe's knie, liep naar haar toe en +stak zijne armpjes uit. + +"O, hier is hij! hier is hij!" riep zij uit. + +"Ach, Mevrouw!" vervolgde zij, zich met verbijsterenden angst naar +Mevrouw Bird keerende; "bescherm ons toch! Laten zij hem niet krijgen!" + +"Niemand zal u hier kwaad doen, arme vrouw," antwoordde Mevrouw Bird +bemoedigend. "Gij zijt veilig. Wees niet bevreesd." + +"God zegene u," zeide de vrouw, hield hare handen voor haar gezicht +en snikte; terwijl het knaapje, toen het haar zag schreien, op haren +schoot poogde te komen. + +Door vele teedere, vrouwelijke dienstbetooningen, die niemand +beter wist te bewijzen dan Mevrouw Bird, werd de arme vluchtelinge +langzamerhand tot meer kalmte gebracht. Er werd op eene rustbank +voor het vuur een bed voor haar gereedgemaakt, en na eene korte +poos viel zij in een zwaren slaap, terwijl het kind, dat niet minder +vermoeid scheen te zijn, gerust in haren arm sluimerde; want de moeder +wederstond met zenuwachtigen angst de vriendelijkste pogingen om het +van haar af te nemen, en zelfs in haren slaap hield zij het vast in +haren arm gekneld, alsof zij ook toen nog waakzaam bleef. + +Mr. Bird en zijne vrouw waren weder naar de voorkamer gegaan, waar, +hoe vreemd het ook schijne, door geen van beiden het vroegere gesprek +weder werd aangeroerd. Mevrouw Bird hield zich met haar breiwerk bezig, +terwijl haar man deed alsof hij de courant las. + +"Ik ben benieuwd wie en wat zij is," zeide Mr. Bird eindelijk, zijne +courant neerleggende. + +"Als zij wakker wordt en zich wat uitgerust gevoelt, zullen wij zien," +antwoordde Mevrouw. + +"Zeg eens vrouw!" zeide Mr. Bird weder, nadat hij eene poos stil had +zitten peinzen. + +"Wel, lieve?" + +"Zou zij niet eene van uwe japonnen kunnen aandoen, met wat uitleggen +of zoo iets? Zij schijnt wat grooter te zijn dan gij." + +Een zeer merkbare glimlach flikkerde over het gezicht van Mevrouw Bird, +toen zij antwoordde: "Wij zullen zien." + +"Zeg eens, vrouw!" + +"Wel, wat nu?" + +"Wel, dien ouden bombazijnen mantel, dien gij alleen bewaard hebt om +mij mee toe te dekken, als ik na den eten een dutje doe, dien mocht +gij haar ook wel geven. Zij heeft wel warme kleeren noodig." + +Op dit oogenblik kwam Dina zeggen, dat de vrouw wakker was en Mevrouw +verlangde te zien. + +De echtgenooten gingen te zamen naar de keuken, gevolgd door de +twee oudste jongens, daar het kleine goed in dien tijd naar bed +was gebracht. + +De vrouw zat nu op de rustbank bij het vuur. Ze staarde strak in de +vlam, met eene kalme treurigheid in haren blik, zeer verschillend +van haren vroegeren woesten angst. + +"Hebt gij naar mij gevraagd?" zeide Mevrouw Bird vriendelijk. "Ik +hoop dat gij u nu beter gevoelt, arme vrouw." + +Een diepe, angstige zucht was het eenige antwoord; maar zij sloeg +hare donkere oogen op, en zag Mevrouw Bird aan met zulk een jammerlijk +smeekenden blik, dat het goede vrouwtje zelve tranen in de oogen kreeg. + +"Gij behoeft voor niets bang te zijn. Wij zijn hier vrienden, +arme vrouw. Zeg mij, waar gij vandaan komt en wat gij hier zoekt," +zeide zij. + +"Ik ben uit Kentucky gekomen," was het antwoord. + +"Wanneer?" zeide Mr. Bird, het verhoor opvattende. + +"Dezen avond." + +"Hoe zijt gij dan gekomen?" + +"Ik ben over het ijs gegaan." + +"Over het ijs gegaan?" herhaalden al de aanwezigen. + +"Ja," zeide de vrouw langzaam. "Dat heb ik gedaan. Daar God mij hielp, +ben ik over het ijs gegaan; want zij waren achter mij--vlak achter +mij--en er was geen andere weg." + +"O, Mevrouw!" riep Cudjoe nu uit. "Het ijs is geheel aan schotsen +gebroken, en dobbert op en neer op het water." + +"Dat weet ik wel," hervatte zij met eenige woestheid. "Maar ik deed +het toch. Ik dacht niet, dat ik er over zou komen; maar daar gaf ik +niet om. Ik kon maar sterven, als het niet gelukte. De Heere hielp +mij. Niemand weet hoeveel de Heere helpen kan, eer hij het beproeft," +voegde zij er met flikkerende oogen bij. + +"Waart gij slavin?" zeide Mr. Bird. + +"Ja, Mijnheer; ik behoorde aan iemand in Kentucky." + +"Was hij hard voor u?" + +"Neen, Mijnheer! hij was een goed meester." + +"Was uwe meesteres dan hard voor u?" + +"Neen, Mijnheer! neen, mijne meesteres was altijd goed voor mij." + +"Wat kon u dan bewegen om een goed tehuis te verlaten en weg te loopen, +en u in zulk een gevaar te storten?" + +De vrouw zag Mevrouw Bird aan met een scherpen, uitvorschenden blik, +en het ontsnapte haar niet, dat zij in rouw gekleed was. + +"Mevrouw," zeide zij plotseling, "hebt gij ooit een kind verloren?" + +De vraag was onverwacht en trof eene versche wonde; want het was +pas eene maand geleden dat de lieveling der familie naar het graf +was gebracht. + +Mr. Bird keerde zich om en ging naar het venster, zijne vrouw barstte +in tranen uit, en toen zij hare stem terug had, zeide zij: + +"Waarom vraagt gij dat? Ik heb pas een kleintje verloren." + +"Dan zult gij gevoel voor mij hebben. Ik heb twee kinderen verloren, +het eene na het andere. Ik heb ze begraven gelaten waar ik vandaan +kwam, en ik had maar dit eene over. Ik sliep nooit een nacht zonder +hem; hij was al wat ik had. Hij was mijn troost en mijn trots, nacht en +dag; en, Mevrouw, zij wilden hem mij afnemen--hem verkoopen--hem naar +het Zuiden verkoopen, Mevrouw, om alleen daarheen te gaan--een klein +kind, dat zijn leven lang nooit van zijne moeder was geweest. Dat kon +ik niet afwachten, Mevrouw. Ik wist dat ik nooit meer tot iets deugen +zou als zij dat deden; en toen ik wist dat de papieren geteekend waren +en dat hij verkocht was, nam ik hem op en liep in den nacht weg. En zij +jaagden mij na--de man die hem gekocht had, en eenigen van het volk +van mijnen meester--en zij kwamen vlak achter mij aan en ik hoorde +hen. Ik sprong op het ijs, en hoe ik er over kwam weet ik niet. Het +eerste waar ik van wist, was een man die mij op den kant hielp." + +De vrouw schreide niet of snikte niet; zij verkeerde nog in een angst, +die geene tranen kent; maar allen om haar heen gaven, ieder op zijne +manier, blijken van het hartelijkste medelijden. + +De twee kleine jongens hadden, nadat zij wanhopig in hunne zakken +naar die zakdoeken hadden gezocht, welke moeders wel weten dat daar +nooit te vinden zijn, ieder eene slip van hun moeders rok gepakt, +en veegden daaraan al snikkende naar hartelust oogen en neuzen af; +Mevrouw Bird had haar gezicht geheel in haren zakdoek verborgen; +en de oude Dina, wie de tranen over de wangen rolden, riep gedurig +met evenveel kracht als bij eene veldpredikatie: "Heere, wees ons +genadig!" terwijl Cudjoe, zijne oogen met zijne mouw afwrijvende en +eene buitengewone verscheidenheid van scheeve gezichten trekkende, +dien uitroep tusschenbeide met hetzelfde vuur herhaalde. Onze +senator was een staatsman, van wien men natuurlijk niet verwachten +kon dat hij gelijk andere stervelingen zou schreien: hij keerde +dus het gezelschap zijn rug toe, keek uit het venster en scheen het +bijzonder druk te hebben met zijn keel te schrapen en zijn bril af te +vegen; tusschenbeide zijn neus snuitende op eene manier, welke zeker +achterdocht had moeten verwekken, indien iemand in staat was geweest +om op hem te letten. + +"Hoe hebt ge mij dan kunnen zeggen, dat gij een goed meester +had?" zeide hij eensklaps, met geweld iets dat hem in de keel scheen te +komen bedwingende, en keerde zich eenigszins driftig naar de vrouw om. + +"Omdat hij waarlijk een goed meester was--dat zal ik altijd van +hem zeggen; en mijne meesteres was ook goed; maar zij konden niet +anders. Zij waren geld schuldig, en er was iets dat ik niet zeggen kan, +waardoor die man hen dwingen kon, en zij waren genoodzaakt hem zijn zin +te geven. Ik luisterde en hoorde hem dat aan mijne meesteres zeggen, +en haar voor mij bidden en smeeken; hij zeide haar dat hij niet anders +meer kon en dat de papieren al geteekend waren; en toen nam ik hem +op en liep weg. Ik wist wel dat ik niet meer kon blijven leven als +zij dat deden; want het is mij alsof dat kind alles is wat ik heb." + +"Hebt gij geen man?" + +"Ja, maar hij behoort aan iemand anders. Zijn meester is waarlijk +hard voor hem en wil hem bijna nooit laten gaan om mij te zien; en +hij is al harder en harder voor ons geworden en dreigt hem naar het +Zuiden te verkoopen. Het is denkelijk, dat ik hem nooit zal weerzien." + +De kalme toon waarmede de vrouw dit zeide, had een oppervlakkig +opmerker kunnen doen denken, dat zij geheel onverschillig was; maar +er sprak eene stille, diepe zielesmart uit hare donkere oogen, die +geheel iets anders aanduidde. + +"En waar denkt gij nu heen te gaan, arme vrouw?" zeide Mevrouw Bird. + +"Naar Canada, als ik maar wist waar dat ligt. Het is heel veraf, +Canada, niet waar?" zeide zij, met hartelijk vertrouwen naar Mevrouw +Bird opziende. + +"Arme ziel!" zeide Mevrouw Bird onwillekeurig. + +"Het is heel ver weg, denk ik?" herhaalde de vrouw ernstig. + +"Veel verder dan gij denkt, arm kind," antwoordde Mevrouw Bird. "Maar +wij zullen ons best doen om te overleggen wat er voor u gedaan kan +worden. Dina, maak een bed voor haar in uwe eigene kamer, dan zal ik +morgen zien wat er voor haar te doen is. Wees ondertusschen niet bang, +arme vrouw. Stel uw vertrouwen op God. Hij zal u beschermen." + +Mevrouw Bird en haar echtgenoot gingen weder naar de voorkamer. Zij +zette zich op haar schommelstoeltje voor het vuur en liet zich peinzend +wiegen; terwijl Mr. Bird de kamer op en neer ging en bij zich zelven +bromde: "Hm, och! Drommels lastige historie!" Eindelijk kwam hij met +een paar groote stappen naar zijne vrouw en zeide: + +"Zeg eens, vrouw, zij moet dezen nacht nog hier vandaan. Die kerel zal +haar morgenochtend al op het spoor zijn. Als het de vrouw alleen was, +kon zij stil blijven schuilen tot hij weder was afgetrokken; maar dat +kind zal niet te houden zijn, vrees ik. Het zou zich verraden door +uit een raam te kijken of zoo. Het zou eene leelijke geschiedenis +voor mij zijn, als die twee nu juist hier betrapt werden. Neen, +zij moeten van nacht nog voort." + +"Van nacht! Hoe is dat mogelijk? Waarheen?" + +"Ik weet al zoo tamelijk wel waarheen," antwoordde de senator en begon +zijne laarzen aan te trekken; maar toen zijn eene been half in de laars +was, bleef hij met beide handen om zijne knie geslagen peinzend zitten. + +"Het is eene verduiveld leelijke, lastige historie; dat is maar zoo," +zeide hij eindelijk en begon weder aan de laars te trekken. + +Nadat de eene laars aan was, bleef de senator, met de andere in de +hand, naar de ruiten op het tapijt zitten staren. + +"Het zal toch moeten gedaan worden, zoover ik zien kan. Maar lastig +is het," zeide hij weder, trok de andere laars aan en keek eens uit +het venster. + +Nu was Mevrouw Bird een bescheiden en verstandig vrouwtje--een +vrouwtje, dat nooit zeide: "dat heb ik u wel gezegd," en hoewel zij +bij deze gelegenheid wel wist welken loop de gedachten van haren +echtgenoot namen, was zij voorzichtig genoeg om zich daarmede niet +te bemoeien en bleef maar stil zitten, zich gereed houdende om de +meeningen van haren heer en meester aan te hooren, wanneer het hem +goeddacht die te kennen te geven. + +"Gij weet wel," zeide hij eindelijk, "daar is mijn oude cliënt Van +Trompe, die uit Kentucky is overgekomen en al zijne slaven in vrijheid +heeft gesteld. Hij heeft een goed gekocht, hierachter in de bosschen, +zeven mijlen de kreek op, waar niemand ooit komt of het moet met opzet +wezen, en dan is de plaats nog niet gemakkelijk te vinden. Daar zal +zij veilig genoeg wezen; maar het lastige van de zaak is, dat niemand +haar daar van nacht met rijtuig naar toe kan brengen dan ik." + +"Waarom niet? Cudjoe rijdt heel goed." + +"Ja, ja, maar hier zit het in. Men moet tweemaal de kreek over, +en de tweede maal is het gevaarlijk, als iemand de plek niet zoo +goed kent als ik. Ik ben daar wel honderdmaal te paard over geweest, +en weet nauwkeurig welke draaien men moet nemen. Dus, ziet ge, is er +niets anders op. Cudjoe moet tegen twaalf uren zoo stil als hij kan +de paarden voorspannen, en ik zal haar brengen. Maar om de zaak een +kleurtje te geven, moet hij tot aan de naaste herberg met mij mee, +alsof hij mij op den postwagen naar Columbus bracht, die daar tegen +drie of vier uren voorbijkomt; zoo zal het schijnen, alsof ik het +rijtuig alleen daarvoor gebruikt had. Dan kan ik morgenochtend in de +vergadering zijn. Ik denk dat ik mij daar wel wat beklemd zal voelen, +na al wat er gezegd en gedaan is; maar verduiveld, ik kan het niet +helpen." + +"Uw hart is beter dan uw hoofd in dit geval, John!" zeide zijne vrouw, +haar handje op zijne hand leggende. "Had ik u ooit kunnen liefhebben, +als ik u niet beter gekend had dan gij u zelven kent!" + +En het vrouwtje zag er zoo bekoorlijk uit, met de tranen die in hare +oogen glinsterden, dat de senator dacht welk een knap man hij toch +wel moest wezen, om zulk een aardig wijfje zulk eene hartstochtelijke +bewondering voor zich in te boezemen. Wat kon hij dan anders doen, +dan stil heengaan om naar het rijtuig te zien! Bij de deur bleef hij +echter een oogenblik stilstaan, en toen terugkomende, zeide hij met +eenige aarzeling: + +"Mary, ik weet niet wat gij er van denkt, maar daar is nog de lade +vol goed van--van den lieven kleinen Henry." + +Daarmede keerde hij zich snel om en sloot de deur achter zich. + +Zijne vrouw opende een slaapkamertje naast hare kamer, zette daar +de kaars die zij had medegenomen op een bureau, nam vervolgens een +sleutel, stak dien peinzende in het slot eener lade en bleef toen +stilstaan, terwijl de twee knapen, die haar, zooals jongens doen, +op de hielen waren gevolgd, met veelbeteekenende blikken naar hunne +moeder keken. O, moeder, die dit leest, is er in uw huis nooit eene +lade of kast geweest, waarbij het u, als gij ze opendeedt, was alsof +er een kindergrafje geopend werd? O gelukkige moeder, die gij zijt, +als het nooit zoo geweest is! + +Mevrouw Bird opende langzaam de lade. Daar lagen kleertjes van +verschillenden vorm en stof, stapels schortjes en rijen kousjes; +zelfs een paar schoentjes met afgesleten neuzen kwamen uit de vouwen +van een papier kijken. Er lag ook eenig speelgoed--een paardje en +een wagentje, een tol en een bal--gedachtenissen met menigen traan +en menigen zucht opgezameld. Zij zette zich neer, en met haar hoofd +in hare handen schreide zij, tot de tranen door hare vingers in de +lade droppelden. Toen eensklaps haar hoofd opheffende, begon zij met +zenuwachtigen haast het eenvoudigste en sterkste van alles uit te +zoeken en maakte een pakje daarvan. + +"Mama," zeide een van de knapen, haar zacht aan den arm stootende, +"gaat gij dat goed weggeven?" + +"Lieve jongens," antwoordde zij met zachten ernst, "als onze dierbare, +lieve, kleine Henry uit den hemel neerzag, zou hij zich verheugen +dat wij dit doen. Ik zou het hart niet hebben om iets daarvan weg +te geven aan een gewoon mensch--aan iemand die gelukkig was; maar ik +geef het aan eene moeder, die nog droeviger is dan ik en ik hoop dat +God zijn zegen er bij zal zenden." + +Er zijn gezegende zielen op de wereld, wier smarten allen in vreugde +voor anderen overgaan; wier aardsche hoop, met vele tranen in het +graf gelegd, het zaad is waaruit genezende bloemen en balsem groeien +voor bedroefden en noodlijdenden. Onder deze behoorde die tengere +vrouw, die daar zat en langzaam tranen liet droppelen, terwijl zij +de gedachtenissen van haren eigen verloren lieveling voor dien der +arme zwervelinge gereed maakte. + +Na eene poos opende Mevrouw Bird eene kleerkast, en daaruit een paar +sterke japonnen nemende, zette zij zich bij haar werktafeltje en begon +met schaar, naald en draad aan het "uitleggen", dat haar echtgenoot had +aanbevolen. Zij bleef druk daarmede bezig, tot de klok twaalf sloeg, +en zij het zachte geratel van wielen hoorde. + +"Mary," zeide haar man, met zijn jas over den arm binnenkomende, +"gij moet haar nu wakker maken; wij moeten voort." + +Haastig pakte Mevrouw Bird al wat zij verzameld had in een koffertje, +verzocht haar echtgenoot om dit in het rijtuig te laten zetten en ging +de arme vrouw roepen. Spoedig met een mantel, hoed en doek gekleed, +die hare weldoenster hadden toebehoord, kwam deze met haar kind op den +arm de deur uit. Mr. Bird haastte haar om in het rijtuig te stappen, +zijn vrouw kwam buiten tot aan de trede. Eliza boog zich uit het +portier en stak hare hand uit, eene hand even schoon als die haar werd +toegereikt. Zij zag Mevrouw Bird aan met oogen vol ernstige beteekenis +en scheen te willen spreken. Zij beproefde dit een paar malen en bewoog +hare lippen, maar er kwam geen geluid, en naar boven wijzende met een +blik dien men nooit vergeten kon, zonk zij achterover op de bank en +bedekte haar gelaat. Het portier werd gesloten en de koets reed voort. + +Welk een toestand voor een patriotsch senator, die een geheele week +lang de wetgevende macht van den staat, waarin hij geboren was, +had aangespoord om strengere maatregelen te verordenen tegen de +vluchtelingen en medeplichtigen, die hen voorthielpen! + +Onze goede senator had zich in de staatsvergadering door geen +zijner broederen te Washington laten overtreffen in die soort van +welsprekendheid, welke deze heeren een onsterfelijken roem heeft +doen verwerven. Hoe statig had hij daar gezeten met zijne handen +in zijne zakken en gesmaald op de sentimenteele zwakheid van hen, +die het welzijn van eenige ellendige vluchtelingen boven de groote +belangen van den staat wilden stellen! + +Hij had zeer stout daarover gesproken en niet alleen zich zelven, +maar ook zijne hoorders overtuigd. Doch zijn denkbeeld van een +vluchteling was alleen het denkbeeld van de letters, waarmede dat +woord gespeld wordt, of ten hoogste van het courantenprentje, dat +een man met een stok en een bundeltje voorstelt en waaronder men +leest: "Weggeloopen van den ondergeteekende." De toovermacht van het +werkelijke gezicht, van het smeekende oog, van de sidderende hand, +van den hulpeloozen zielsangst had hij nog nooit ondervonden. Hij had +nooit bedacht, dat een vluchteling eene ongelukkige moeder kon zijn, +of een weerloos kind, gelijk dat, hetwelk nu het welbekende mutsje +van zijnen verloren lieveling droeg; en daar nu onze arme senator +niet van steen of ijzer was, daar hij een mensch was, en dat wel een +recht edelaardig mensch, bevond hij zich, gelijk iedereen zien moet, +met zijn patriotisme ellendig in het nauw. Gij behoeft niet over hem te +triomfeeren, goede broeder uit de Zuidelijke staten, want wij hebben +eenige reden om te vermoeden, dat het u in dergelijke omstandigheden +niet beter zou gaan. Wij hebben reden om te weten dat er in Kentucky, +zoowel als in Mississippi, goede en edele harten zijn, aan welke +niemand ooit vruchteloos zijn lijden heeft geklaagd. O goede broeder, +is het billijk van u, diensten van ons te verwachten, welke uw eigen +goed en edel hart u niet zou toelaten te bewijzen, als gij in onze +plaats waart? + +Dit zij gelijk het wil, indien onze senator een politiek zondaar +was, zoo was hij ook op den "goeden" weg om zijne zonde door den +nachtelijken tocht af te boeten. Er was een langdurige regentijd +geweest, en de weeke vette grond van Ohio is, gelijk iedereen weet, +uitmuntend geschikt om er modder van te maken, terwijl de weg een +Ohio'sche spoorweg uit den goeden ouden tijd was. + +"En welke soort van weg mag dat wezen?" zegt een Oostersche reiziger, +die gewoon is geene andere denkbeelden dan die van effenheid of spoed +met een spoorweg in verband te brengen. + +Weet dan, onnoozele Oostersche vriend, dat in de Westelijke streken, +waar de modder eene onpeilbare diepte heeft, wegen gemaakt worden +van ruwe, ronde boomstammen, overdwars naast elkander gelegd, en +met aarde, graszoden of wat het eerst bijdehand is overdekt; en +dan noemt de verheugde inboorling dit een weg en beproeft er over +te rijden. Na verloop van tijd spoelt de regen het gras en de aarde +weg en doet de boomstammen verzakken in allerlei schilderachtige +liggingen, hooger en lager en kruiselings, met holen en reten vol +zwarte modder daartusschen. + +Over zulk een weg hotste onze senator voort, zedekundige bespiegelingen +makende, zoo samenhangend als onder deze omstandigheden te verwachten +was. Om een voorbeeld van dit rijden te geven, verbeelde men zich +het gezelschap onder het horten en stooten op de twee banken van het +rijtuig gezeten. Op eens helt het overzijdsch en tuimelen senator, +vrouw en kind naar den laagsten kant. Het rijtuig blijft steken, +terwijl men Cudjoe buiten een geweldig leven onder de paarden hoort +maken. Na eenig vruchteloos trekken en sjorren, als de senator juist +op het punt is om alle geduld te verliezen, richt het rijtuig zich +met een schok weder op, maar te gelijk zinken de voorwielen in een +anderen afgrond, en tuimelen senator, vrouw en kind over elkander +op de voorbank. Des senators hoed is over zijnen neus en zijne oogen +gedrukt, zoodat hij niet zien kan, het kind schreeuwt, en Cudjoe houdt +buiten wederom eene aanspraak tegen de paarden, die nu eens schoppen en +steigeren, dan weder door herhaalde zweepslagen aangespoord, al hunne +krachten inspannen. Het rijtuig springt met een schok weder op, en nu +gaan de achterwielen naar beneden, en senator, vrouw en kind stuiven +naar de achterbank over; zijne ellebogen drukken haar hoed ineen, +die door den laatsten schok is afgevlogen, en hare voeten worden in +de zijnen beklemd. Een oogenblik later is men den "kuil" voorbij en +blijven de paarden hijgende staan; de senator zoekt zijn hoed weder op, +de vrouw poogt den haren weder in fatsoen te buigen en sust het kind, +en allen zetten zich opnieuw schrap voor hetgeen er nog komen moet. + +Een tijdlang hotst men tamelijk geregeld voort, slechts nu en dan wat +ter zijde overhellende, en zij beginnen zich te vleien, dat het ergste +voorbij is; maar op eens komt er een stampende stoot, die allen doet +opvliegen en even snel weder neervallen, het rijtuig blijft staan, en +na veel opschudding van buiten vertoont Cudjoe zich voor het portier. + +"Als het u belieft, Mijnheer, dat is eene erge plek hier. Ik weet +niet hoe wij er door zullen komen. Ik denk dat wij staken zullen +moeten leggen." + +De senator stapt wanhopig uit en voelt met de teenen naar iets, om +den voet op te zetten; daar zakt zijn eene voet in eene onmetelijke +diepte: hij beproeft hem op te trekken, verliest het evenwicht en +tuimelt in de modder omver en wordt in een jammerlijken toestand door +Cudjoe opgevischt. + +Doch uit medelijden met de beenderen onzer lezers houden wij +op. Westersche reizigers, die zich somtijds te middernacht hebben +moeten vermaken met staken uit een hek te breken, om hun rijtuig +uit een modderkuil te tillen, zullen wel gevoel hebben voor onzen +ongelukkigen held. Wij verzoeken hun een stillen traan te laten vallen +en gaan verder. + +Het was zeer laat in den nacht, toen het rijtuig druipende en overal +bemodderd de kreek uitkwam en voor de deur eener groote boerderij +bleef stilstaan. Er was niet weinig volharding noodig om de bewoners +wakker te maken; maar ten laatste kwam de eigenaar toch op en deed +de deur open. Het was een grove, ruige beer van een kerel, volle zes +voet en eenige duimen lang en gekleed in rood flanel. Een bos verward +zandkleurig haar en een baard van eenige dagen groei gaven den braven +man een voorkomen, dat, om het minste te zeggen, niet buitengemeen +innemend was. Hij bleef eene poos met zijne kaars omhoog staan, +en keek onze reizigers aan met eene bevreemding en verslagenheid, +die inderdaad koddig waren. Het kostte onzen senator eenige moeite +om hem de zaak ten volle te doen begrijpen; en terwijl hij daartoe +zijn best doet, willen wij hem onzen lezer wat nader bekend maken. + +De oude, brave John van Trompe was eens een aanzienlijk landeigenaar en +slavenhouder in den staat Kentucky geweest. Daar hij alleen voor het +uitwendige ruw en barsch was en door de natuur met een groot, edel en +gevoelig hart was begaafd, juist in evenredigheid met zijn reusachtig +lichaam, was hij eenige jaren lang met gesmoorde onrust getuige +geweest van de gevolgen van een stelsel, dat voor de onderdrukkers en +onderdrukten even slecht is. Eindelijk was eens het groote hart van +John te veel gezwollen om zich langer door banden te laten beklemmen; +en zoo nam hij zijne portefeuille uit zijnen lessenaar, ging naar Ohio, +kocht daar een plek goed vet land, teekende vrijbrieven voor al zijn +volk, mannen, vrouwen en kinderen, pakte allen op wagens en zond ze +heen om zich te vestigen; en toen begaf de brave John zich daar naar +de kreek en vestigde zich insgelijks op eene stille afgelegen hoeve, +met zijn geweten en zijne overdenkingen. + +"Zijt gij de man, die eene vrouw en haar kind voor de slavenjagers +wilt bergen?" vroeg de senator ronduit. + +"Dat zou ik nog al denken," antwoordde John met zekeren nadruk. + +"Ik dacht het ook wel," zeide de senator. + +"Als er iemand komt," hervatte de goede man, zijne forsche gestalte +oprichtende, "welnu, ik ben hier voor hem klaar, en ik heb zeven zonen, +ieder zes voet lang, die zullen ook voor hem klaar zijn. Doe hun mijn +compliment maar, en zeg dat het er niet op aankomt hoe spoedig zij +komen; dat maakt voor ons geen verschil." + +En daarmede haalde John zijne vingers door zijne verwarde haren en +lachte smakelijk. + +Flauw en afgemat kwam Eliza met slepende tred naar de deur, met haar +kind vast in slaap op haren arm. De ruwe man hield zijne kaars voor +haar gezicht, liet een zeker medelijdend geknor hooren, opende de deur +eener kleine slaapkamer naast de groote keuken, waarin hij de vreemden +eerst gelaten had, en wenkte haar om binnen te gaan. Hij stak nog eene +kaars aan, zette deze op tafel en richtte toen het woord tot Eliza. + +"Ik zeg u, meid, gij behoeft niet bang te zijn; laat hier maar komen +wie wil. Ik ben voor al die soort van dingen klaar," zeide hij, +naar een paar jachtgeweren voor den schoorsteenmantel wijzende: "en +de menschen die mij kennen, weten ook wel, dat het niet geraden zou +zijn in mijn huis te willen komen, als ik er tegen ben. Nu kunt gij +dus zoo gerust gaan slapen alsof uwe moeder u wiegde." En daarmede +sloot hij de deur. + +"Wel, dat is eene buitengemeen mooie meid," vervolgde hij tot den +senator. "Nu ja, de mooie hebben somtijds de grootste reden om weg te +loopen, als zij dat soort van gevoel hebben, dat ordentelijke vrouwen +moeten hebben. Ik weet dat alles wel." + +De senator verhaalde met weinige woorden Eliza's geschiedenis. + +"Ja, zoo gaat het--of ik het weet," zeide de goede man +medelijdend. "Gejaagd als een wild dier, dat arme schepsel, alleen +omdat zij natuurlijk gevoel heeft en doet wat geene moeder zou kunnen +laten. Ik moet u zeggen, zulke dingen brengen mij het dichtste bij +het vloeken van alles wat er op de wereld gebeurt." En daarmede +veegde de goede John zijne oogen af met den rug zijner groote bruine +hand. "Ik moet u zeggen, vreemdeling, het is jaren aan jaren geweest, +dat ik geen lid van de kerk wilde worden, omdat de dominees in onze +streek wilden preken dat de bijbel dat menschenjagen voorsprak. Ik +kon niet tegen hen aan met hun Grieksch en Hebreeuwsch, en zoo kreeg +ik een hekel aan hen, met Bijbel en al. Ik ben geen lid van de kerk +geworden, vóórdat ik een dominee vond, die tegen hen allen op kon in +het Grieksch en dat alles, en die vlak het tegendeel zeide;--en toen +beviel het mij en voegde ik mij bij de kerk--dat deed ik," zeide John, +onder het spreken eene flesch zeer krachtigen cider opentrekkende, +waaruit hij een paar glazen vulde. + +"Gij moest hier blijven tot het dag wordt," vervolgde hij +hartelijk. "Ik zal de oude vrouw oproepen en in een oogenblik een +bed voor u laten maken." + +"Wel bedankt, goede vriend," antwoordde de senator. "Maar ik moet +voort, om met de nachtpost van Columbus mee te gaan." + +"Welnu, als gij dan moet, zal ik een eind met u medegaan, en u een +dwarsweg wijzen, die beter is dan de weg dien gij gekomen zijt. Die +weg is al heel slecht." + +John maakte zich spoedig gereed, en weldra stapte hij met een lantaarn +in de hand vóór het rijtuig des senators uit naar een weg, die door +eene laagte achter zijne woning liep. Toen zij scheidden, stopte de +senator hem een briefje van tien dollars in de hand. + +"Het is voor haar," zeide hij kortaf. + +"Ja wel," antwoordde John even kort. + +Zij gaven elkander de hand en scheidden. + + + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + +DE GEKOCHTE WAAR WORDT WEGGEHAALD. + + +Grauw en regenachtig scheen de Februari-ochtend door het venster +der woning van Oom Tom binnen. Hij bescheen treurige gezichten, de +afspiegeling van bedroefde harten. Het tafeltje, nu met een strijkdeken +bedekt, stond voor het vuur; over de leuning van een stoel hingen +een paar grove, maar helder-schoone hemden, zoo pas gestreken, en +Tante Chloe had een ander vóór zich uitgespreid. Zorgvuldig streek +zij alle zoomen en naden plat, en hief nu en dan haar hand op om de +tranen af te vegen die over hare wangen rolden. + +Tom zat bij haar, met zijn Testament open op zijne knie en het hoofd +in de hand; maar geen van beiden spraken zij. Het was nog vroeg en +de kinderen lagen allen nog te slapen. + +Tom, die ten volle het zachte, voor huiselijk genoegen vatbare +hart had, dat ongelukkig voor hen, eene bijzondere eigenschap van +zijn beklagenswaardig geslacht is, stond op en ging stil naar zijne +kinderen zien. + +"Het is de laatste maal!" zeide hij. + +Tante Chloe gaf geen antwoord en streek maar voort over het grove hemd, +dat reeds zoo glad was als hare handen het konden maken; eindelijk +zette zij eenklaps met een wanhopigen slag haar strijkijzer neer, liet +zich bij de tafel op een stoel vallen en verhief hare stem en weende. + +"Wij moeten wel berustend zijn," zeide zij, "maar och, och, hoe +kan ik? Als ik maar wist waar gij heengaat en hoe zij u behandelen +zullen! Mevrouw zegt dat zij haar best zal doen om u over een jaar +of twee los te koopen; maar, och! niemand komt ooit hier terug, die +daar naar toegaat! Zij vermoorden hem! Ik heb wel hooren vertellen +hoe zij hen daar op de plantages laten werken!" + +"Er zal daar dezelfde God wezen, Chloe, die hier is." + +"Ja, dat zal wel zoo zijn," zeide Chloe; "maar de Heere laat somtijds +schrikkelijke dingen gebeuren. Op die manier kan ik ook al geen +troost vinden." + +"Ik ben in de hand des Heeren," zeide Tom: "niets kan verder gaan dan +Hij het toelaat; en er is een ding waarvoor ik Hem danken kan. Dat is +dat _ik_ het ben, die verkocht is en daarheen ga, en niet gij of de +kinderen. Hier zijt gij veilig: wat er ook gebeuren moet, zal alleen +met mij gebeuren; en de Heere--Hij zal mij helpen--ik weet dat Hij +dat zal." + +O, dapper, mannelijk hart, dat uw eigen leed smoort, om uwe beminden +te troosten! Tom sprak met eene heesche stem en met een beklemd gevoel +in de keel--maar hij sprak toch dapper en stout. + +"Laten wij om Zijne genade denken!" voegde hij er bij met eene +bevende stem, alsof hij gevoelde, dat het wel noodig voor hem was, +daaraan te denken. + +"Genade!" zeide Chloe. "Ik zie er geene genade in! Het is niet goed, +het is niet goed, dat het zoo gaat! Meester had het nooit zoo moeten +maken, dat gij voor zijne schuld _kondt_ genomen worden. Gij hebt al +wat hij voor u krijgt dubbel voor hem verdiend. Hij was u uwe vrijheid +schuldig, en had u die al jaren geleden moeten geven. Misschien kan +hij nu niet anders; maar ik voel dat het verkeerd is. Niets is in +staat om mij dat uit het hoofd te zetten. Zulk een trouw dienaar +als gij geweest zijt, die altijd zijn belang boven uw eigen hebt +gesteld, en meer voor hem gezorgd hebt dan voor uwe eigene vrouw en +kinderen! Zij, die harteliefde en hartebloed verkoopen, om uit hun +eigen nood te geraken, de Heere zal hen bezoeken!" + +"Chloe, als ge mij nu liefhebt, moet ge zoo niet spreken, nu het +misschien de laatste maal is, dat wij bij elkander zullen zijn. En +ik zeg u, Chloe, het gaat mij aan het hart een woord tegen meester te +hooren. Werd hij niet als een klein kind in mijne armen gelegd? Het is +natuurlijk dat ik veel om hem denk; maar het was niet te verwachten +dat hij zooveel om den armen Tom zou denken. Meesters zijn gewoon, +dat al die dingen voor hen gedaan worden, en natuurlijk denken zij +zooveel niet daaraan. Dat kan men niet van hen verwachten. Zet hem +eens naast andere meesters! Wie heeft zulk een leven gehad als ik +gehad heb! En hij had mij dit nooit laten overkomen, als hij het +vooruit had kunnen zien. Ik weet dat hij het niet zou gedaan hebben." + +"Nu, er is toch _ergens_ iets onrechtvaardigs," zeide Chloe, bij wie +een streng gevoel voor recht een heerschende karaktertrek was. "Ik +kan niet goed uitmaken, waar het is; maar dat er ergens onrecht is, +dat zie ik duidelijk." + +"Gij moest tot den Heere daarboven opzien; Hij is boven allen--er +valt geen muschje op aarde zonder Zijnen wil." + +"Dat troost mij toch niet, al moest het dat doen," zeide Chloe +weder. "Maar het helpt niet er over te spreken. Ik zal maar voor den +koek gaan zorgen en een goed ontbijt voor u maken, want niemand weet +wanneer gij er weder een krijgen zult." + +Om het leed der negers die naar het Zuiden verkocht worden geheel +te begrijpen, moet men bedenken, dat al de instinctmatige neigingen +van dien menschenstam bijzonder sterk zijn. Hunne gehechtheid aan +eene plaats is zeer duurzaam. Zij zijn niet ondernemend en waagziek +van aard, maar op huiselijkheid gesteld en aan hunne gewoonten en +bekenden verkleefd. Men voege hierbij het verschrikkelijke, waarmede +de onkunde het onbekende bekleedt, en bovenal, dat naar het Zuiden +verkocht te worden den neger van zijne kindsheid af als de strengste +straf wordt voorgehouden. Het dreigement dat meer schrik aanjaagt dan +dat van geeseling of eenige andere pijniging, is het dreigement om de +rivier afgezonden te worden. Wij hebben hen zelve dat gevoel hooren +uitdrukken en het ongeveinsde afgrijzen gezien, waarmede zij, als zij +bij elkander zitten te praten, de akeligste histories vertellen van +dat "de rivier af", dat voor hen gelijkstaat met "het onontdekte land, +van welks grenspaal geen reiziger ooit terugkomt." + +Een zendeling onder de vluchtelingen in Canada verhaalde ons, dat +velen van hen bekenden van meesters te zijn weggeloopen, die bij +anderen vergeleken goede meesters waren, maar dat zij bewogen waren +om al de gevaren eener vlucht te tarten door den wanhopigen angst, +waarmede dat "naar het Zuiden verkocht worden" hen vervulde--een lot, +dat hun zelven of hunne vrouwen of kinderen boven het hoofd hing.--Die +angst boezemt den Afrikaan, anders geduldig, schroomvallig en niet +ondernemend, een heldhaftigen moed in en verhardt hem tegen honger, +koude, de gevaren der wildernis en het nog veel geduchter gevaar om +weder gevat te worden. + +De eenvoudige ochtendmaaltijd stond nu op de tafel te dampen, want +Mevrouw Shelby had Chloe dien morgen van haren gewonen arbeid in +"het huis" ontslagen. De arme ziel had voor het afscheidsmaal haar +uiterste best gedaan, had haar vetste kuiken geslacht en gebraden, +haar koornkoek met de uiterste zorg, juist naar den smaak van +haren man, gereedgemaakt, en uit zekere geheimzinnige potten op den +schoorsteenmantel de ingemaakte vruchten opgezet, die alleen bij zeer +groote gelegenheden te voorschijn kwamen. + +"Wel, Peter!" zeide Mozes met opgetogenheid, "hebben we niet een +heerlijk ontbijt van ochtend?" en tastte te gelijk naar een brok van +het kuiken. + +Tante Chloe gaf hem een onverwachten klap om de ooren, met de woorden: +"Daar! zijt ge blij met het laatste ontbijt, dat uw arme vader ooit +tehuis zal hebben?" + +"O Chloe!" zeide Tom zacht. + +"Wie kan het helpen?" zeide Chloe en hield haar voorschoot voor haar +gezicht. "Ik ben zoo in de war, dat ik "leelijk" doe." + +De jongens bleven stilstaan en keken beurtelings op naar vader +en moeder, terwijl het kleinste kind zijn best deed om tegen hare +kleederen op te klauteren en dwingend begon te schreeuwen. + +"Daar," zeide Chloe, terwijl zij hare oogen afveegde, en de ongeduldige +kleine opnam, "nu is het gedaan, hoop ik. Eet nu wat. Dat is mijn +lekkerste kuiken. Daar, jongens, gij zult ook wat hebben, arme +kinderen! Moeder is te driftig geweest." + +De knapen behoefden niet tweemaal genoodigd te worden, en gingen +met grooten ijver aan het eten: en het was in zeker opzicht gelukkig +dat zij dit deden, dewijl anders aan het ontbijt zeer weinig eer zou +zijn bewezen. + +"Nu moet ik uwe kleeren gaan inpakken," zeide Tante Chloe, +spoedig weder opstaande. "Het is heel wel mogelijk dat hij u alles +zal afnemen. Ik ken hunne manieren wel--zij zijn er gemeen genoeg +toe. Zie, uwe flanellen borstrokken liggen hier in den hoek; pas er +wel op, want er zal daar niemand wezen om anderen voor u te maken. En +daar zijn de oude hemden en hier de nieuwe. Ik heb gisterenavond uwe +kousen nog nagezien en den bal er bij gedaan om ze te stoppen. Maar, +och, och! wie zal ze voor u stoppen?" En wederom overstelpt door +haar gevoel, liet zij haar hoofd op den kant van den koffer zinken +en snikte: "als ik daaraan denk! Niemand om u te helpen, ziek of +gezond! Ik weet waarlijk niet, hoe ik mij nog goed kan houden." + +Toen de jongens zooveel gegeten hadden als zij konden, begonnen +zij eenigszins te denken om hetgeen er ophanden was; en daar zij +hunne moeder zagen schreien en hun vader een zeer droevig gezicht +zetten, begonnen zij ook te huilen en hunne knuisten in hunne oogen +te duwen. Tom had het jongste kind op zijne knie en liet het zich +vermaken zooveel het maar wilde. Het krabde hem in het gezicht, +trok hem bij de haren, en kraaide tusschenbeide van pret. + +"Ja, kraai nu maar, arm schepseltje!" zeide tante Chloe. "Het zal +u ook wel eens overkomen. Gij zult het ook nog beleven dat uw man +verkocht wordt, of gij zelve. En de jongens, zij zullen ook wel +verkocht worden, denk ik--waarom niet?--als zij tot iets beginnen te +deugen. Negers behoeven immers niets te houden." + +Juist nu riep een van de jongens: "Daar komt de meesteres aan!" + +"Zij kan toch geen goed doen. Waar komt zij voor?" zeide Tante +Chloe. Mevrouw Shelby trad binnen. Tante Chloe zette een stoel voor +haar, maar met zichtbare norschheid en wreveligheid. Mevrouw Shelby +scheen hierop niet te letten; haar gezicht was bleek en betrokken. + +"Tom," zeide zij, "ik kom om...." + +Zij zweeg eensklaps, zag in het rond naar de zwijgende groep, zette +zich op den stoel neer, hield haar zakdoek voor haar gezicht en begon +te snikken. + +"O God, Mevrouw, dat niet--dat niet!" riep tante Chloe nu, insgelijks +uitbarstende, en eene poos lang schreiden allen met elkander; en in +die tranen die zij te zamen schreiden, de aanzienlijke en de geringen, +smelt al de wrevel der onderdrukten weg. O gij, die de bedroefden +bezoekt, weet gij wel dat alles wat uw geld kan koopen, met een koud +en afgewend gezicht gegeven, geen enkelen oprechten traan waardig is, +uit medelijden geschreid? + +"Goede man," zeide Mevrouw Shelby, "ik kan u niets geven, dat u +eenig goed kan doen. Als ik u geld geef, zal het u maar afgenomen +worden. Maar ik zeg u plechtig en voor God, dat ik u in het oog zal +houden en u terug laten komen, zoo spoedig als ik het geld daarvoor +kan krijgen; en tot zoolang--vertrouw op God!" + +Hier riepen de jongens dat Mr. Haley aankwam, en kort daarna deed een +schop de deur openvliegen. Daar stond Haley in een zeer slecht humeur, +dewijl hij in den nacht hard had moeten rijden en vooral niet beter +gestemd was door den slechten afloop van zijnen tocht om zijne prooi +te achterhalen. + +"Komaan, gij neger," zeide hij: "zijt gij gereed?--Uw dienaar, +Mevrouw," vervolgde hij, zijn hoed afnemende toen hij Mevrouw +Shelby zag. + +Tante Chloe sloot den koffer, bond er een touw omheen, en toen +opstaande zag zij den handelaar aan, terwijl hare tranen in vurige +vonken schenen te veranderen. + +Tom stond gedwee op om zijn nieuwen meester te volgen, en tilde zijne +zware kist op zijnen schouder. Zijne vrouw nam het kleinste kind op +den arm, om met hem naar den wagen te gaan, en de anderen kwamen nog +schreiende achteraan. + +Mevrouw Shelby ging naar den handelaar en hield hem nog eenige +oogenblikken op, terwijl zij ernstig met hem sprak; en ondertusschen +ging de geheele familie naar den wagen, die reeds ingespannen voor +de deur stond. Een troep oude en jonge negers en negerinnen stond +daaromheen, wachtende om hunnen ouden makker vaarwel te zeggen. Tom was +bij allen op de plaats, als opzichter en ook als Christelijk leeraar, +in hooge achting geweest, en thans was er veel oprechte droefheid +over hem, vooral onder de vrouwen. + +"Wel, Chloe, gij draagt het beter dan wij doen," zeide eene der +schreiende vrouwen, toen zij de sombere kalmte opmerkte waarmede +Chloe bij den wagen stond. + +"_Mijne_ tranen zijn gedaan!" antwoordde zij met een grammen blik +naar den handelaar, die nu aankwam. "Ik wil niet schreien voor dien +ouden duivel, om nog zooveel niet." + +"Stap in!" zeide Haley tegen Tom, door een troep Negers gaande, +die hem met dreigende blikken aanzagen. + +Tom stapte in den wagen, en daarop nam Haley van onder de bank een +paar zware boeien en bevestigde die om zijne enkels. + +Een gesmoord gemompel van verontwaardiging liep door den geheelen +kring, en Mevrouw Shelby sprak van de veranda: + +"Mijnheer Haley, ik verzeker u dat die voorzorg geheel onnoodig is." + +"Dat weet ik niet, mevrouw, ik heb al vijfhonderd dollars hier +verloren, en kan er niet meer aan wagen." + +"Wat kon zij anders van hem verwachten?" zeide Tante Chloe met +verontwaardiging, terwijl de twee jongens, die nu eerst recht schenen +te begrijpen wat er met hunnen vader zou gebeuren, zich snikkende +aan haren rok vasthielden. + +"Het spijt mij," zeide Tom, "dat jongeheer George juist van huis +moest wezen." + +George moest een paar dagen bij een makker op een naburig landgoed gaan +doorbrengen; en daar hij des morgens vroeg vertrokken was, eer nog het +ongeluk van Tom openbaar was geworden, had hij niets daarvan vernomen. + +"Doe mijn liefderijken groet aan jongeheer George," zeide hij ernstig. + +Haley gaf zijn paard de zweep; en een strakken, ernstigen blik op +zijn oude woonplaats gevestigd houdende, werd Tom weggereden. + +Mr. Shelby was op dien tijd niet tehuis. Hij had Tom uit nood verkocht, +om uit de macht te komen van een man voor wien hij bevreesd was, +en zijn eerste gevoel na het sluiten van den koop was verlichting +geweest. De klachten zijner vrouw hadden echter zijn halfsluimerend +naberouw wakker gemaakt, en de belangelooze bereidwilligheid van +Tom vergrootte nog het onaangename zijner aandoeningen. Het was +vruchteloos zich zelven te zeggen dat hij recht had om dit te doen, +dat iedereen het deed, en sommigen het zelfs deden zonder zich met de +noodzakelijkheid te kunnen verontschuldigen. Hij kon zich daarmede niet +bevredigen, en om geene getuige te zijn van onaangename tooneelen bij +de uitvoering van den maatregel, was hij uitgereden op een tochtje +om eenige zaken te doen, hopende dat alles voorbij zou zijn als +hij terugkwam. + +Tom en Haley ratelden over den stoffigen weg en reden alle bekende +plekken voorbij, tot zij buiten de grenzen van het landgoed en op +den open tolweg waren. Nadat zij omtrent eene mijl gereden hadden, +hield Haley eensklaps op voor een smidswinkel, en een paar handboeien +medenemende, stapte hij uit om iets daaraan te laten veranderen. + +"Die zijn een beetje te klein voor hem," zeide Haley, de boeien +toonende en naar Tom wijzende. + +"O, als dat niet Shelby's Tom is!" zeide de smid. "Hij heeft hem toch +niet verkocht?' + +"Ja, dat heeft hij," zeide Haley. + +"Wel waarlijk, wie zou dat ooit gedacht hebben?" hervatte de +smid. "Maar gij behoeft hem zoo niet te boeien. Hij is de beste +en trouwste...." + +"Ja, ja," zeide Haley, "die brave jongens zijn juist de kerels om te +willen wegloopen. De botteriken, wien het niet schelen kan waar zij +gaan, en de dronkaards die om niets meer geven, die blijven wel, en +het bevalt hun zelfs, naar het schijnt, als zij wat rondgesold worden; +maar die knappe kerels haten het als de pest. Er zit niets anders op +dan ze te boeien; zij hebben beenen en zullen ze ook gebruiken--als +ik mij niet vergis." + +"Nu ja," zeide de smid, naar zijn gereedschap zoekende, "die plantages +daar ginds zijn juist de plaats niet, waar negers uit Kentucky gaarne +naar toe willen. Zij sterven daar tamelijk gauw, niet waar?" + +"Ja, het sterven gaat daar nog al gauw. Met het acclimatiseeren en +het een en ander sterven er zooveel weg, dat zij de markt tamelijk +levendig houden," antwoordde Haley. + +"Welnu, iemand kan toch niet nalaten het jammer te vinden, dat een +knappe, bedaarde, ordentelijke kerel, zooals Tom is, op eene van die +suikerplantages moet afgewerkt worden." + +"O, hij heeft eene goede kans. Ik heb beloofd dat ik mijn best voor +hem zou doen. Ik zal hem als huisknecht in een oude goede familie +verkoopen, en als hij dan tegen de koorts en het klimaat kan, zal +hij zulk eene goede plaats hebben, als een neger behoeft te verlangen." + +"Hij laat vrouw en kinderen hier, zoude ik denken?" + +"Ja, maar hij zal daar wel eene andere krijgen. Och, er zijn overal +vrouwen genoeg." + +Tom zat onder dit gesprek treurig buiten den winkel. Eensklaps hoorde +hij het trappelen van paardenhoeven achter zich; en eer hij zich van +zijne verrassing kon herstellen, sprong George, zijn gewezen jonge +meester, op den wagen, sloeg onstuimig de armen om zijnen hals, +en gaf al snikkende lucht aan zijne gramschap en verontwaardiging. + +"Ik zeg, het is eene laagheid," riep hij. "Het kan mij niet schelen wat +zij er van zeggen, maar het is waarlijk gemeen; het is schande! Als ik +maar een man was, zouden zij het niet doen--neen, dat zouden zij niet!" + +"O, jongeheer George, dat doet mij goed," zeide Tom. "Ik kon het niet +dragen, dat ik vertrok zonder u te zien. Het doet mij waarlijk goed, +meer dan ik u zeggen kan." + +Hier maakte Tom eene beweging met zijne voeten, en nu vielen George +de kluisters in het oog. + +"Welk een schande!" riep hij. "Ik zal dien ouden kerel een gat in +den kop slaan--dat zal ik." + +"Neen, dat zult gij niet, jongeheer George; en gij moet zoo hard niet +spreken. Het zou mij niet helpen als hij kwaad werd gemaakt." + +"Welnu, ik zal dan niet om uwentwil. Maar als ik er aan denk--is het +geene schande? Zij hebben mij niet laten weten; zonder Tom Lincoln +zou ik er geen woord van gehoord hebben. Ik kan het u zeggen, ik heb +wat een leven gemaakt tegen allemaal tehuis." + +"Dat was niet wel gedaan, vrees ik, jongeheer George." + +"Dat kan ik niet helpen. Ik zeg dat het schande is. Ziehier, Oom Tom," +zeide hij zacht, terwijl hij zorg droeg om zich met zijnen rug naar +den winkel te keeren, "_hier breng ik u mijn dollar_." + +"O, ik zou er niet aan kunnen denken om dien aan te nemen," zeide +Tom ontroerd. "Dat nooit." + +"Maar gij moet hem aannemen," hervatte George, "Ziehier. Ik heb Tante +Chloe gezegd dat ik het doen zou, en zij raadde mij aan er een gaatje +in te maken en er een koordje door te doen, zoodat hij om uwen hals +kon hangen en uit het oog blijven; anders zou die gemeene schavuit +hem u afnemen. Ik moet zeggen, Tom, ik zou hem gaarne de huid vol +schelden. Dat zou mij goed doen." + +"Neen, doe dat niet, jongeheer George; want het zou mij geen goed +doen." + +"Welnu, dan zal ik het niet, om uwentwil," zeide George, en deed Tom +haastig het koordje met den dollar om den hals. "Daar, knoop uw buis +er nu over dicht, en bewaar hem, en bedenk telkens als gij hem ziet, +dat ik u eens zal komen terughalen. Tante Chloe en ik hebben daarover +gesproken. Ik zeide haar dat zij niet bang moest wezen. Ik zal er +voor zorgen, en mijn vader doodplagen als hij het niet doet." + +"O, jongeheer George, gij moet zoo niet van uwen vader spreken." + +"Nu, ik meen geen kwaad, Tom." + +"Maar, jongeheer George," hervatte Tom, "gij moet een brave goede +jongen zijn, en bedenken hoeveel harten aan u gehecht zijn. Houd altijd +uwe moeder in waarde. Leer de dwaze manieren niet van de jongens, die +denken dat zij te groot worden om zich aan hunne moeder te storen. Ik +zal u wat zeggen, jongeheer George. De Heere geeft vele goede dingen +tweemaal over; maar uwe moeder geeft Hij u maar eens. Gij zult geene +andere zoodanige vrouw vinden, jongeheer George, al wordt gij honderd +jaar oud. Houd u dus aan haar vast en groei op om haar tot troost te +zijn. Dat zult gij immers, niet waar?" + +"Ja, dat zal ik, dat wil ik, Oom Tom," antwoordde George ernstig. + +"En wees voorzichtig in uw spreken, jongeheer George. Jongelieden, +als zij op uwe jaren komen, zijn somtijds driftig en eigenzinnig--dat +is natuurlijk. Maar echte _gentlemen_, zooals ik hoop dat gij er een +worden zult, laten zich nooit een woord ontvallen dat niet eerbiedig +voor hunne ouders is. Gij wordt toch niet boos, dat ik dit zeg, +jongeheer George." + +"Neen, waarlijk niet, Oom Tom. Gij hebt mij altijd goeden raad +gegeven." + +"Ik ben ouder, weet ge," zeide Oom Tom, zijne groote grove hand over de +krullende lokken van den knaap strijkende, met eene stem, zoo zacht als +die eener vrouw, "en ik zie hoeveel er van u verwacht kan worden. O, +jongeheer George, gij hebt alles--kundigheden, voorrechten, lezen en +schrijven--en gij zult opgroeien tot een groot man; en allen op de +plaats en uwe moeder zullen trotsch op u zijn. Wees een goed meester, +gelijk uw vader, en wees een christen, zooals uwe moeder. Gedenk aan +uwen Schepper in de dagen uwer jeugd, jongeheer George." + +"Ik wil _waarlijk_ goed worden, Oom Tom, dat zeg ik u," antwoordde +George. "Ik zal waarlijk mijn best doen. En wordt gij maar niet +moedeloos. Ik zal u nog wel terughalen, zooals ik Tante Chloe van +morgen heb gezegd. Ik zal een nieuw huis voor u bouwen, en gij zult +eene voorkamer hebben met een tapijt op den vloer, als ik groot ben. O, +gij zult nog eens een goeden tijd krijgen." + +Haley kwam weder aan de deur met de boeien in de hand. + +"Luister eens, Mijnheer," zeide George, van den wagen stappende, +met een toon van meerderheid, "ik zal vader en moeder eens zeggen +hoe gij Oom Tom behandelt." + +"Dat staat u vrij," antwoordde de handelaar. + +"Ik zou denken dat gij u schamen moest, al uw leven te slijten met +menschen te koopen en als honden aan kettingen te sluiten. Ik zou +denken dat gij u laag moest voelen," zeide George. + +"Zoolang gij, groote lui, menschen wilt koopen, ben ik evengoed als +gij," antwoordde Haley, "het verkoopen is niet lager dan het koopen." + +"Ik zal geen van beiden doen als ik eens een man ben," liet +George hierop volgen. "Ik schaam mij vandaag dat ik een Kentuckiër +ben. Voorheen ben ik daar altoos trotsch op geweest." + +En met deze woorden zette hij zich recht op zijn paard en keek rond, +alsof hij dacht dat de geheele staat ontzag zou hebben voor zijn +gevoelen. + +"Nu, goeden dag, Oom Tom, houd maar moed!" zeide hij eindelijk. + +"Goeden dag, jongeheer George," antwoordde Tom, hem met ingenomenheid +en bewondering aanziende, "God almachtig zegene u! Ach, Kentucky heeft +er niet veel zooals gij!" zeide hij uit de volheid van zijn hart, +toen het openhartige, jeugdige gezicht uit zijne oogen verdween. Hij +bleef nog staren tot hij de hoefslagen niet meer hoorde, het laatste +geluid, dat hem aan zijne oude woning herinnerde. Maar boven zijn +hart scheen een warme plek te blijven, waar die jeugdige handen dien +kostbaren dollar hadden geplaatst. Tom hief zijne hand op en drukte +hem vast tegen zijne borst. + +"Nu zal ik u eens wat zeggen," zeide Haley, toen hij bij den wagen kwam +en de handboeien daarin wierp. "Ik meen redelijk met u te beginnen, +zooals ik doorgaans met mijne negers doe; en ik zeg u om te beginnen, +als gij mij redelijk behandelt, zal ik u ook redelijk behandelen. Ik +ben nooit hard voor mijne negers en meen mijn best voor u te doen. Gij +ziet, het is het beste dat gij stil blijft zitten en geene streken +beproeft; want ik ben aan alle negerstreken gewoon en die baten bij +mij niet. Als een neger zich stilhoudt en niet beproeft weg te loopen, +heeft hij een goeden tijd bij mij; zoo niet, dan is het zijne schuld +en niet de mijne." + +Tom verzekerde Haley dat hij niet van voornemen was om weg te +loopen. Over het geheel scheen de vermaning overbodig bij iemand, +die een paar boeien aan de beenen had, maar Haley had de gewoonte +aangenomen om zijn betrekking met zijn menschelijk vee met zulke korte +opwekkingen te beginnen, waardoor hij dacht gerustheid en vertrouwen +in te boezemen en onaangename tooneelen te verhoeden. + +En nu nemen wij vooreerst afscheid van Tom, om de lotgevallen der +andere personen van ons verhaal te vervolgen. + + + + + +ELFDE HOOFDSTUK. + +WAARIN EEN SLAAF VOORKOMT DIE GEEN SLAAF MEER IS. + + +Het was laat op een regenachtigen namiddag, toen een reiziger voor +de deur van eene landelijke herberg in het dorp N*** in Kentucky +afstapte. In de buffetkamer vond hij een zeer gemengd gezelschap van +lieden, die daar voor het weder eene schuilplaats hadden gezocht en +het gewone tooneel van zulk eene samenkomst aanboden. Zware, lange, +grof gebouwde Kentuckiërs in jachtkleedij, die achteloos uitgestrekt, +met hunne lompe leden eene aanzienlijke plaats besloegen--jachtroeren +in een hoek bijeengezet--weitasschen, kogelzakken, jachthonden en +kleine negers bij elkaar in de andere hoeken, waren de eigenaardige +trekken van het tafereel. Aan iedere zijde van den haard zat een +heer met lange beenen, met achterover gewipten stoel, den hoed op +het hoofd, en de hielen zijner bemodderde laarzen te pronk op den +schoorsteenmantel--eene houding, welke men in Westersche herbergen +zeer dikwijls door reizigers ziet aannemen. + +De kastelein, die achter de toonbank aan het buffet stond, was gelijk +de meeste zijner landgenooten, goedaardig, groot van gestalte en +lang van leden, met een vervaarlijken ruigen bos haar op het hoofd, +en een hoogen hoed daar bovenop. + +Iedereen in de kamer droeg met echt republikeinschen vrijheidszin +dat teeken der mannelijke oppermacht op het hoofd, hetzij van vilt +of palmbladeren, oud en smerig of glimmend-nieuw. De hoed scheen +zelfs het karakteristiek onderscheidingsteeken van elken persoon te +zijn. Sommigen droegen hem luchtig op een oor, en dit waren ook de +luchtige, vroolijke lieden, luimig en ongegeneerd; anderen hadden hem +diep op den neus gedrukt, en dit waren de harde karakters, mannen van +stavast, die als zij een hoed op hadden, wilden laten zien dat zij +hem op hadden en voor niemand afnamen; nog anderen hadden den hoed ver +achterover gezet, en dit waren lieden, die bijzonder bijdehand waren +en een onbelemmerd uitzicht wilden hebben; terwijl onverschillige, +zorgelooze lieden, wien het niet schelen kon hoe hun hoed stond, +dien ook blijkbaar hadden opgezet, gelijk het toeval wilde. Men had +van die hoeden eene geheele studie kunnen maken. + +Verscheidene negers, met zeer wijde broeken maar niet overmatig van +hemden voorzien, liepen heen en weer, zonder veel meer te doen, dan +hunne bereidwilligheid te toonen om voor de gasten alles overhoop +te halen. Men voege bij dit tafereel nog een vroolijk vlammend en +knetterend vuur, dat hoog in een wijden schoorsteen opslaat--terwijl +de buitendeur en vensters wijd openstaan, en de katoenen gordijnen +in den vochtigen guren wind die met tamelijk veel kracht waait, heen +en weder zwieren--en men heeft een denkbeeld van de aangenaamheden +eener landelijke herberg in Kentucky. + +De Kentuckiër van den tegenwoordigen tijd is een goed bewijs voor de +leer van het erfelijke van eigenaardige gewoonten en neigingen. Zijne +vaderen waren groote jagers--menschen, die in de bosschen leefden en +onder den blooten hemel sliepen, met de sterren om hun te lichten; +en hun afstammeling doet nog altijd alsof hij het huis voor het +open veld hield--heeft altijd zijn hoed op, smijt zich neer zoo +lang als hij is en legt zijne voeten op de leuning van een stoel +of op den schoorsteenmantel, evenals zijn vader op het groene gras +ging liggen, met zijne voeten op een boomstam--laat winter en zomer +deur en venster open om lucht genoeg te krijgen voor zijne groote +longen--noemt iedereen met luchthartige vriendelijkheid "vreemdeling," +en is over het geheel het rondborstigste, vroolijkste, ongegeneerdste +schepsel op de wereld. + +Onder een gezelschap van zulke ongegeneerde lieden trad onze reiziger +nu binnen. Hij was een kort, zwaarlijvig man, zorgvuldig gekleed, +met een rond, goedhartig gezicht en eene eenigszins zonderlinge +drukte in zijne manieren. Hij was zeer bezorgd voor zijn valies en +parapluie, bracht deze met eigen handen binnen en wees hardnekkig de +aanbiedingen der bedienden af om hem daarvan te ontslaan. Hij keek met +zekere angstigheid in de kamer rond, en zich met zijne kostbaarheden +naar den warmsten hoek begevende, schikte hij ze onder een stoel, +zette zich daarop neer en bleef eenigszins vreesachtig zitten turen +naar den heer, wiens hielen dat einde van den schoorsteen versierden, +en die rechts en links spuwde met eene kracht, welke iemand, die zwak +van zenuwen en net op zijne kleeren was, wel mocht verontrusten. + +"Zeg eens, vreemdeling, hoe vaart gij?" zeide de bovenbedoelde heer, +een saluutschot van tabakssap naar den nieuw-aangekomene richtende. + +"Zoo tamelijk wel," was het antwoord van den ander, die met schroom +het dreigende eerbewijs ontweek. + +"Iets nieuws?" vroeg de eerste weder en haalde een stuk pruimtabak +en een groot mes uit zijn zak. + +"Niets, dat ik weet," was het antwoord. + +"Pruimen?" zeide de eerste weder, en bood den ouden heer een stuk tabak +aan met eene gulheid, die inderdaad broederlijk mocht genoemd worden. + +"Neen, wel bedankt; dat bekomt mij niet goed," antwoordde het manneke +zich afwendende. + +"Niet? Zoo!" zeide de ander en stak het stuk in zijn eigen mond, +waarna hij weder aan het kauwen en spuwen ging. + +De oude heer maakte telkens eene kleine beweging van schrik, wanneer +zijn lange broeder in zijne richting vuurde; en toen deze dit opmerkte, +was hij goedhartig genoeg om zijne artillerie naar den anderen kant +te keeren en spuwde in het vuur. + +"Wat is dat?" zeide de oude heer, toen hij opmerkte dat eenigen van +het gezelschap eene groep vormden voor een groot gedrukt biljet. + +"Een neger geadverteerd," antwoordde een van de groep kortaf. + +Mr. Wilson, want zoo heette de oude heer, stond op, en nadat hij zijn +valies en parapluie te recht had gelegd, haalde hij zeer bedaard zijn +bril uit en zette dien op zijn neus. Dit verricht hebbende las hij +het volgende: + +"Weggeloopen van den ondergeteekende mijn mulat George. Gezegde George +zes voet lang, zeer lichte mulat, met bruin krullend haar, is zeer +schrander, spreekt goed, kan lezen en schrijven; zal waarschijnlijk +beproeven voor een blanke door te gaan, heeft diepe litteekens op +rug en schouder, is in zijne rechterhand gebrand met de letter H. + +"Ik wil vierhonderd dollars levend voor hem geven, en dezelfde som +voor voldoend bewijs dat hij doodgeschoten is." + +De oude heer las deze advertentie van het begin tot het einde +binnensmonds, alsof hij ze van buiten leerde. + +De langgebeende man, die in het vuur had zitten spuwen, nam nu zijne +hielen van den schoorsteenmantel, richtte zijne lange leden op, +kwam naar het biljet en bespoot het zeer bedaard met een groote +klad tabakssap. + +"Dat is mijn gevoelen daarover!" zeide hij kortaf en ging weder zitten. + +"Wel, vreemdeling, waarom doet gij dat?" zeide de kastelein. + +"Ik zou den schrijver van dat papier hetzelfde doen als hij hier was," +antwoordde de lange man en sneed koelbloedig weder een pruim. "Iemand +die zulk een jongen heeft en geene betere manier weet om hem te +behandelen, verdient hem te verliezen. Zulke papieren als dat zijn +eene schande voor Kentucky; dat is mijn gevoelen ronduit, als iemand +het verlangt te weten." + +"Wel zoo, dat schrijf ik maar op," zeide de kastelein en schreef ook +iets in zijn boek. + +"Ik heb een troep jongens, mijnheer," zeide de lange man, weder in +het vuur spuwende, "en ik zeg hun eenvoudig: "Jongens, loop maar weg +als gij wilt. Ik zal nooit iemand komen zoeken." Dat is de manier, +waarop ik de mijnen houd. Laten zij weten dat het hun vrijstaat +om weg te loopen, dan hebben zij er geen lust meer toe. Meer nog: +ik heb vrijbrieven voor hen allen laten opmaken, ingeval mij eens +iets overkomen mocht, en ik zeg u, vreemdeling, er is niemand in +onze streken die meer van zijne negers gedaan krijgt dan ik. Wel, +mijne jongens zijn naar Cincinnati geweest met vijfhonderd dollars +waarde aan veulens, en zijn met het geld regelrecht weer naar huis +gekomen. Het spreekt vanzelf dat zij dit deden. Behandel ze als honden +en gij zult hondenwerk en hondenbedrijf van hen hebben. Behandel ze +als menschen en gij zult menschenwerk hebben." + +En in zijner ijver spuwde de brave paardenkooper nog eens zoo forsch +in het vuur. + +"Ik geloof dat gij volkomen gelijk hebt, vriend," zeide Mr. Wilson; +"en de jongen die hier beschreven wordt, is een knappe kerel--dat +is zeker. Hij heeft zes jaren in mijne fabriek gewerkt en hij was +mijn beste arbeider, Mijnheer. Hij is een vernuftige kerel ook. Hij +heeft eene machine uitgevonden om hennep te zuiveren--inderdaad een +kostbaar ding. Zij is in verscheidene fabrieken in gebruik gekomen +en zijn meester heeft het patent daarvan." + +"Daar maakt hij geld van," zeide de paardenkooper, "en dan keert +hij zich om en brandmerkt den jongen in zijne rechterhand. Als ik +gelegenheid had, denk ik, zou ik hem eens merken, dat hij een poosje +geteekend zou blijven." + +"Die knappe jongens zijn altijd weerspannig en brutaal," zeide een +grove gemeene kerel aan den anderen kant van het vertrek, "daarom +worden zij geslagen en gebrand. Als zij zich onderdanig hielden zou +dat niet gebeuren." + +"Dat is te zeggen, de Heere maakte hen menschen en het is moeielijk +hen tot beesten te verlagen," merkte de paardenkooper droogjes aan. + +"Schrandere negers brengen hunne meesters nooit voordeel aan," hervatte +de ander, tegen de verachting van zijnen tegenstander achter zijne +grove stompzinnigheid verschanst. "Wat baten iemands talenten en zulke +dingen, als gij ze zelfs niet gebruiken kunt. Het eenige gebruik dat +zij er van maken, is maar om u te bedriegen. Ik heb eens een paar van +die snaken gehad, maar ik heb ze de rivier af verkocht. Ik wist toch +wel dat ik ze vroeg of laat verliezen zou." + +"Zend liever eene boodschap aan den Heere, om een troep voor u te +maken en hunne ziel geheel weg te laten," zeide de paardenkooper. + +Hier werd het gesprek gestoord door het stilhouden van een rijtuigje +met een paard voor de herberg. Het zag er zeer fatsoenlijk uit, en +op de bank zat een welgekleed persoon, die geheel het voorkomen van +een _gentleman_ had, terwijl een zwarte knecht het paard mende. + +Het geheele gezelschap monsterde den nieuw-aangekomene met de +nieuwsgierigheid van menschen, die zich op een regenachtigen dag +zitten te vervelen. Hij was zeer rijzig, had een donkere Spaansche +tint, fraaie zwarte oogen en glanzig krullend haar van de zelfde +kleur. Zijn welgevormde kromme neus, zijn strakke dunne lippen en +de geheele bouw zijner ranke leden brachten het gezelschap terstond +op de gedachte, dat hij een buitengemeen persoon moest wezen. Hij +stapte met vrijmoedige ongedwongenheid onder het gezelschap, wees +den knecht met een wenk waar zijn koffer moest geplaatst worden, +ging met zijnen hoed in de hand op zijn gemak naar de toonbank en +gaf den kastelein zijn naam op, als Henry Butler van Oakland in het +graafschap Shelby. Zich toen onverschillig omkeerende, ging hij naar +de advertentie en las die hardop. + +"Jim," zeide hij tot zijnen knecht, "het komt mij voor dat wij zulk +een jongen daar bij Bernan hebben ontmoet. Is het niet zoo?" + +"Ja, meester," was het antwoord; "maar van de hand ben ik niet zeker." + +"Daar heb ik natuurlijk ook niet naar gezien," zeide de vreemdeling +onverschillig. Vervolgens naar den kastelein gaande, verzocht hij +dezen hem een afzonderlijk vertrek te verschaffen, daar hij terstond +iets te schrijven had. + +De kastelein was geheel gedienstigheid en weldra zag men een troep +van zes of zeven negers, oud en jong, man en vrouw, groot en klein, +gelijk een vlucht patrijzen rondfladderen, en elkander op de hielen +trappen en omverloopen in hunnen ijver om de kamer voor den vreemdeling +klaar te maken, terwijl deze zich op zijn gemak midden in het vertrek +neerzette en in gesprek trad met iemand die naast hem zat. + +De fabrikant Wilson had den vreemdeling van dat hij binnenkwam af met +zekere onrustige en pijnlijke nieuwsgierigheid aangezien. Het kwam hem +voor dat hij dezen ergens gekend had, maar hij kon zich niet herinneren +waar. Telkens wanneer die persoon zich bewoog, sprak of glimlachte, +vestigde hij met eene kleine beweging van schrik zijne oogen op hem, +maar sloeg ze schielijk weder neer voor den helderen blik, die met +koelbloedige onverschilligheid den zijnen ontmoette. Eindelijk scheen +eene plotselinge herinnering bij hem op te komen, want nu staarde hij +den vreemdeling met zulke in het oogloopende verbazing aan, dat deze +naar hem toekwam. + +"Mijnheer Wilson, geloof ik," zeide hij op een toon van +vriendschappelijke herkenning, hem zijne hand toestekende. "Ik verzoek +u verschooning, dat ik u niet vroeger herkende. Ik zie dat gij u mij +herinnert--Mr. Butler van Oakland in het graafschap Shelby." + +"Ja wel--ja wel, Mijnheer," antwoordde Mr. Wilson, gelijk iemand die +in een droom spreekt. + +Juist kwam een negerjongen binnen, om te zeggen dat Mijnheers kamer +gereed was. + +"Jim, zorg voor de koffers," zeide de vreemdeling achteloosweg; en +zich toen weder tot Wilson keerende, vervolgde hij: "Ik zou u gaarne +eens in mijne kamer over zaken spreken, als het u belieft." + +Mr. Wilson volgde hem, als iemand, die in zijnen slaap wandelt, en +zoo gingen zij naar eene groote bovenkamer, waar een pas aangelegd +vuur knetterde en de dienstboden nog ronddwarrelden om hier en daar +eene laatste hand aan te leggen. + +Toen alles gedaan was en de bedienden heengegaan waren, sloot de +jonkman bedaard de deur, stak den sleutel in zijnen zak, keerde +zich daarna om, sloeg zijne armen kruiselings over de borst en zag +Mr. Wilson strak in het gezicht. + +"George," zeide Mr. Wilson. + +"Ja, George," antwoordde de jonkman. + +"Ik kon het haast niet denken." + +"Ik ben tamelijk wel vermomd, verbeeld ik mij," zeide de jonkman +met een glimlach. "Een weinigje notenschors heeft mijn gele huid +een fatsoenlijk bruin gegeven, en ik heb mijn haar zwart gekleurd; +dus ziet ge dat ik volstrekt niet aan de advertentie beantwoord." + +"O, George, het is een gevaarlijk spel dat gij speelt. Ik zou het u +nooit geraden hebben?." + +"Ik kan het op mijne eigen verantwoording doen," antwoordde George +met een trotschen glimlach. + +Wij moeten terloops aanmerken, dat George van vaders zijde van blanke +afkomst was. Zijne moeder was eene dier ongelukkigen van haar geslacht, +welke door hare schoonheid tot slavin der hartstochten van haren +bezitter worden bestemd en moeders van kinderen worden, die nooit een +vader mogen kennen. Van eene der aanzienlijkste familiën in Kentucky +had hij zijne fraaie Europeesche trekken en zijn hoogvliegenden, +ontembaren geest geërfd. Van zijne moeder had hij alleen eene geringe +tint van mulattenkleur ontvangen, rijkelijk vergoed door de daarmede +gepaard gaande gloeiende zwarte oogen. Eene geringe wijziging in +de kleur van zijne huid en het verven van zijn haar hadden hem dat +Spaansche voorkomen gegeven dat hij nu had; en daar sierlijkheid van +bewegingen en fatsoenlijke manieren hem altijd eigen waren geweest, +had hij geene moeite om de vermetele rol te spelen welke hij nu had +aangenomen, de rol van een _gentleman_ die met zijne bediende op +reis was. + +Mr. Wilson, een zeer goedhartig, maar buitengewoon voorzichtig en +schrikachtig oud heer, trippelde onrustig de kamer op en neer. Zijn +gemoed was verdeeld tusschen zijnen wensch om George te helpen en een +verward denkbeeld van den plicht om wet en orde te handhaven. Terwijl +hij zoo rondscharrelde sprak hij nu en dan: + +"Wel, wel, George--ik vermoed dat gij weggeloopen zijt--uw wettigen +meester verlaten, George--het verwondert mij wel niet--maar het +spijt mij toch ook, George--ja, zeker, mij dunkt ik moet u dat +zeggen. George--het is mijn plicht--om u dat te zeggen." + +"Wat spijt u, Mijnheer?" vroeg George bedaard. + +"Wel, u als het ware te zien opstaan tegen de wetten van uw land." + +"Mijn land!" zeide George met bitteren nadruk. "Welk land zal ik ooit +hebben behalve het graf, en gave God dat ik daarin lag!" + +"Neen, neen, George, zoo niet! Zulke manier van spreken is goddeloos, +is tegen den bijbel. George, gij hebt een hard meester--eigenlijk is +hij--nu ja, hij gedraagt zich berispelijk--ik wil zijne verdediging +niet op mij nemen. Maar gij weet wel hoe de engel Hagar beval om naar +hare meesteres terug te keeren en zich te vernederen onder hare hand; +en hoe de apostel Onesimus aan diens meester terugzond." + +"Doe geene aanhalingen uit den bijbel op die manier, Mijnheer Wilson," +zeide George met schitterende oogen; "doe dat niet, want mijne vrouw is +Christin, en ik meen het ook te worden, als ik ooit kom waar ik heen +wil; maar voor iemand in mijne omstandigheden zulke aanhalingen uit +den bijbel te doen, is genoeg om hem dien geheel te doen verwerpen. Ik +beroep mij op God almachtig, ik ben bereid om mijne zaak voor Hem te +brengen en Hem te vragen of ik kwaad doe als ik mijne vrijheid zoek." + +"Dat gevoel is heel natuurlijk, George," zeide de goedhartige man, +zijn neus snuitende. "Ga, het is natuurlijk, maar ik mag er u niet +in aanmoedigen. Ja, mijn jongen, het spijt mij voor u; het is een +hard geval--zeer hard; maar de apostel zegt: "Laat iedereen blijven +in den staat waarin hij geroepen is." Wij moeten ons allen aan de +beschikkingen der Voorzienigheid onderwerpen, George--ziet gij dat +niet in?" + +George stond met het hoofd trotsch opgericht en zijne armen over +zijne breede borst gekruist, terwijl een bittere glimlach zijne lippen +deed krullen. + +"Ik zou wel eens willen weten, Mijnheer Wilson, als de Indianen eens +kwamen en u als gevangene medenamen van uwe vrouw en kinderen af, +en u al uw leven voor hen lieten spitten en schoffelen, of gij het +dan uw plicht zoudt achten, om in den staat te blijven waarin gij +geroepen waart! Ik geloof veeleer dat gij het eerste losse paard +dat gij vinden kondt voor eene beschikking der Voorzienigheid zoudt +houden. Zoudt gij niet?" + +Het oude heertje keek verbaasd op bij deze toelichting der zaak; maar +hoewel hij niet sterk in het redeneeren was, had hij toch zooveel +gezond verstand--en dit hebben sommigen die over dit onderwerp het +woord voeren niet eens--om niets te zeggen waar niets gezegd kan +worden. Hij hervatte dus maar zijne algemeene waarschuwingen: + +"Gij ziet wel, George, gij weet wel, ik ben altijd uw vriend geweest +en wat ik gezegd heb, heb ik tot uw bestwil gezegd. Nu komt het mij +voor dat gij u aan een schrikkelijk gevaar blootstelt. Gij kunt niet +hopen er door te komen. Als gij gevat wordt, zal het erger dan ooit +met u afloopen; men zal u half dood slaan en de rivier af verkoopen." + +"Mijnheer Wilson, ik weet dat alles wel," antwoordde George. "Ik +loop gevaar, maar," met deze woorden sloeg hij zijn overjas open +en liet een paar pistolen en een mes zien, "gij ziet, ik ben er op +bedacht. Naar het Zuiden zal ik nooit gaan. Neen, als het zoover komt, +kan ik mij ten minste zes voet vrijen grond verschaffen--den eersten +en den laatsten die ooit in Kentucky mijn eigen zal zijn." + +"Maar, George, dat zijn schrikkelijke voornemens. Dat is waarlijk een +wanhopig opzet, George. Het doet mij leed van u. Gij wilt in opstand +komen tegen de wetten van uw land." + +"Mijn land, nog eens! Mijnheer Wilson, _gij_ hebt een land; maar +wat land heb _ik_, of iemand die zooals ik van eene slavenmoeder +geboren is? Welke wetten zijn er voor ons? Wij maken ze niet--wij +stemmen er niet in toe--wij hebben er niets mede te doen. Alles wat +zij voor ons doen, is ons verdrukken en onder bedwang houden. Heb ik +uwe vierde Juli-redevoering niet gehoord? Zegt gij ons niet eens in +het jaar, dat de regeering hare rechtvaardige macht verkrijgt door +de toestemming van hen die geregeerd worden? Kan iemand die zulke +dingen hoort niet denken? Kan hij het eene niet met het andere in +verband brengen en zien wat daaruit voortvloeit?" + +Mr. Wilsons geest was een van die, welke men niet ongepast bij eene +baal katoen zou kunnen vergelijken--donzig zacht en verward. Hij +had inderdaad hartelijk medelijden met George, had ook een flauw en +beneveld begrip van den aard der aandoeningen die dezen vervulden; +maar hij achtte het toch zijn plicht om hem met onuitputtelijke +volharding "het goede" voor te houden. + +"George, dat deugt zoo niet. Ik moet u als vriend zeggen dat gij beter +zoudt doen u niet met zulke denkbeelden op te houden. Zij zijn slecht, +zeer slecht, George, voor menschen in uwe omstandigheden." + +En daarna zette Mr. Wilson zich bij eene tafel neer en kneep zich +zenuwachtig in de vingers. + +"Zie eens hier, Mijnheer Wilson," zeide George, zich koelbloedig op +een stoel tegen hem over plaatsende: "zie mij nu eens aan. Zit ik daar +niet vóór u in alle opzichten evengoed een mensch als gij zijt? Zie +naar mijn gezicht--naar mijne handen--naar mijne houding," en daarmede +richtte de jonkman zich trotsch op. "Waarom ben ik niet een mensch zoo +goed als iemand? Welnu, Mijnheer Wilson, luister naar wat ik u zeggen +zal. Ik heb een vader gehad--een van uwe heeren uit Kentucky--die mij +niet goed genoeg achtte om te zorgen, dat ik niet met zijne paarden of +honden voor zijne schulden verkocht werd toen hij stierf. Ik zag mijne +moeder publiek verkoopen met hare zeven kinderen. Zij werden voor hare +oogen verkocht een voor een aan verschillende meesters, en ik was het +jongste. Zij knielde voor mijnen meester neer en bad hem om haar ook +te koopen, opdat er ten minste één kind bij haar zou blijven; maar hij +schopte haar van zich af met zijne zware laars. Ik zag hem dat doen; +en het laatste wat ik hoorde, was haar kermen en gillen, toen ik aan +zijn paard werd gebonden om naar zijn goed gebracht te worden." + +"En toen?" + +"Mijn meester kocht daarna mijn oudste zuster nog van iemand +anders. Zij was een vroom, goed meisje--lid van de baptistenkerk--en +even bevallig als mijne arme moeder geweest was. Zij was welopgevoed +en had goede manieren. Eerst was ik blijde dat zij gekocht werd, want +nu had ik eene vriendin bij mij. Spoedig speet het mij, Mijnheer; +ik heb bij de deur gestaan en haar hooren gegeeseld worden terwijl +het was alsof elke slag in mijn hart sneed; en ik kon toch niets doen +om haar te helpen.--En zij werd gegeeseld, Mijnheer, omdat zij een +eerlijk Christenleven wilde leiden, en eindelijk zag ik haar geketend +onder een troep, die naar de markt te Orleans werd gezonden,--om +niet anders dan dat--en dat is het laatste wat ik van haar weet. Nu, +ik groeide op--lang waren de jaren--zonder vader, moeder of zuster, +zonder iemand, die meer om mij gaf dan om een hond; niets dan slagen, +kwade woorden en honger lijden. Mijnheer, ik heb zulk een honger +geleden, dat ik blij was met de beenderen die men den honden toewierp; +en toch, toen ik nog een kleine jongen was en geheele nachten wakker +lag en schreide, was het niet van den honger of om de slagen. Neen, +Mijnheer, het was om mijn moeder en zuster; het was omdat ik niemand +op de wereld had om mij lief te hebben. Ik had nooit geweten wat +gerustheid of genoegen was; nooit had iemand mij vriendelijk woord +toegesproken, tot ik in uw fabriek kwam werken. Mijnheer Wilson, gij +hebt mij goed behandeld; gij hebt mij aangemoedigd om mijn best te +doen, om te leeren lezen en schrijven, om te beproeven iets van mij +zelven te maken; en God weet hoe dankbaar ik u daarvoor ben. Toen, +Mijnheer, vond ik mijne vrouw. Gij hebt haar gezien--gij weet hoe +schoon zij is. Toen ik vond dat zij mij liefhad, toen ik met haar +getrouwd was, kon ik nauwelijks gelooven dat ik leefde, zoo gelukkig +was ik; en o, Mijnheer, zij is even goed als schoon. Maar wat nu? Wel, +nu komt mijn meester, neemt mij weg van mijn werk, van mijne vrienden, +van alles waar ik aan gehecht ben, en zet mij aan den zwaarsten, +geringsten arbeid. En waarom? Omdat ik, zegt hij, vergat wie ik was; +om mij te leeren, zegt hij, dat ik maar een neger ben. En eindelijk +komt hij tusschen mij en mijne vrouw en zegt dat ik van haar moet +afzien en met eene andere vrouw leven. En tot dat alles geven uwe +wetten hem macht, in spijt van God en menschen. Zie dat eens aan, +Mijnheer Wilson. Er is niets van al die dingen, die mijne moeder en +mijne zuster, mijne vrouw en mij zelven het hart hebben gebroken, +of uwe wetten veroorloven het en geven ieder man in Kentucky macht +om het te doen, zonder dat iemand het hem kan beletten! Noemt gij +die wetten de wetten van _mijn_ land? Mijnheer, ik heb evenmin een +land als ik een vader heb. Maar ik zal er nu een krijgen. Ik wil +niets van _uw_ land, behalve dat het mij met rust laat, dat het mij +vreedzaam laat heengaan, en als ik in Canada kom, waar de wetten mij +zullen erkennen en beschermen, zal dat mijn land zijn, en ik zal daar +de wetten gehoorzamen. Maar als iemand mij wil tegenhouden, laat hij +zich hoeden, want ik ben wanhopig. Ik zal voor mijne vrijheid vechten +tot mijnen laatsten ademtocht. Gij zegt dat uwe vaderen dit gedaan +hebben; als zij wél hebben gedaan, doe ik ook wél." + +Deze rede, gedeeltelijk zittende, gedeeltelijk op en neer stappende +uitgesproken, met tranen, flikkerende oogen en wanhopige gebaren was +te veel voor het goedhartige, oude manneke, tot wien zij gericht werd +en die een grooten gelen zijden zakdoek had uitgehaald waarmede hij +ijverig zijn gezicht afveegde. + +"Dat de donder hen allen sla!" barstte hij eensklaps uit. "Heb ik +dat niet gezegd--die helsche schavuiten! Ik hoop toch dat ik niet +vloek. Wel, ga uw gang, George; ga uw gang. Maar wees voorzichtig, +mijn jongen. Schiet niemand dood, George, of--maar gij zoudt beter +doen niet te schieten, ten minste ik zou toch niemand raken, weet +ge. Waar is uwe vrouw, George?" voegde hij er eindelijk bij, met +zenuwachtige onrust opstaande. + +"Heengegaan, Mijnheer, heengegaan met haar kind op den arm. De Heere +alleen weet waarheen. Zij is de noordster gaan zoeken, en wanneer +wij elkander zullen wederzien, en of wij elkander ooit op de wereld +zullen wederzien, kan geen schepsel zeggen." + +"Verbazend! Is het mogelijk! Van zulk eene goede familie!" + +"Goede familiën raken in schulden, en de wetten van ons land +veroorloven haar het kind van de moederborst te verkoopen om de +schulden van den meester te betalen," zeide George met bitterheid. + +"Wel, wel," zeide de brave oude man, in zijnen zak zoekende. "Ik +vrees haast dat ik niet met overleg handel--loop heen, ik _wil_ niet +met overleg handelen!" vervolgde hij eensklaps. "Daar dan, George!" + +En een rolletje bankbriefjes uit zijne portefeuille nemende, bood +hij dit George aan. + +"Neen, mijn goede heer!" zeide George. "Gij hebt al veel voor mij +gedaan, en dit zou u in moeite kunnen brengen. Ik heb geld genoeg +hoop ik, om mij zoover te brengen als noodig is." + +"Neen, neen. Gij moet, George. Geld is een groote hulp overal; gij +kunt er niet te veel van hebben, als gij het eerlijk krijgt. Neem +het--kom aan, neem het, mijn jongen," + +"Onder beding, Mijnheer, dat ik het eens mag teruggeven, neem ik het +dan aan," zeide George. + +"En nu, George, hoelang zult gij op deze manier reizen? Niet lang +of ver, hoop ik. Gij voert het uitmuntend uit; maar het is al te +stout. En die zwarte kerel, wie is hij?" + +"Een trouwe kerel, die langer dan een jaar geleden naar Canada is +gegaan. Hij hoorde, toen hij daar was, dat zijn meester zoo kwaad +was over zijn wegloopen, dat hij zijne arme moeder liet geeselen: +en hij is dien geheelen weg teruggekomen om haar te troosten en eene +gelegenheid te zoeken om haar weg te krijgen." + +"Heeft hij haar gekregen?" + +"Nog niet. Hij heeft om de plaats rond gezworven, maar nog geen +kans gevonden. Ondertusschen gaat hij met mij mede tot in Ohio, +om mij daar onder de vrienden te brengen die hem geholpen hebben, +en dan zal hij om haar terugkomen." + +"Gevaarlijk! zeer gevaarlijk!" zeide de oude man. + +George richtte zich trotsch op met een glimlach van minachting. + +De oude heer bekeek hem van het hoofd tot de voeten met zekere +onnoozele verwondering. + +"George, er is iets dat u verbazend veranderd heeft," zeide hij. "Gij +houdt nu het hoofd op en spreekt alsof gij een ander mensch waart +geworden." + +"Omdat ik nu een _vrij man_ ben, Mijnheer," zeide George met +trotschheid. "Ja, Mijnheer, ik heb voor de laatste maal "meester" +tegen iemand gezegd. Ik ben vrij." + +"Pas op. Gij zijt nog niet veilig. Gij kunt weder gevat worden." + +"Alle menschen zijn vrij en gelijk in het graf, Mijnheer Wilson, +als het zoover komt," zeide George. + +"Ik sta geheel verstomd over uwe vermetelheid," hervatte Wilson. "Hier +zoo recht naar de naaste herberg te komen." + +"Mijnheer Wilson, het is _zoo_ vermetel en de herberg is zoo nabij, dat +zij er nooit aan zullen denken. Zij zullen mij veel verder opzoeken, +en gijzelf zoudt mij niet gekend hebben. De meester van Jim woont +niet in dit graafschap, hij is in deze streken onbekend. Bovendien, +hij is opgegeven, niemand zoekt meer naar hem, en mij zal men op de +advertentie niet aanhouden." + +"Maar het merk in uwe hand?" + +George trok zijn handschoen uit en liet een versch litteeken in zijne +hand zien. + +"Dat is een aandenken van Mijnheer Harris," zeide hij: "veertien +dagen geleden kreeg hij in het hoofd om mij dat te geven, omdat +hij geloofde, zeide hij, "dat ik wel eens zou beproeven om weg te +loopen." Het ziet er aardig uit, niet waar?" voegde hij er bij, +zijn handschoen weder aantrekkende. + +"Ik verklaar u, het bloed stolt mij als ik er aan denk--uwe +omstandigheden en uw gevaar!" zeide Mr. Wilson. + +"Het mijne is al jarenlang gestold geweest, maar nu is het kokend +heet," antwoordde George. + +"Wel, mijn goede heer," vervolgde hij na een poos van stilte, "ik zag +dat gij mij herkend hadt en ik meende dat ik eens even met u spreken +moest, opdat uw verwonderd gezicht mij niet zou doen ontdekken. Ik +vertrek morgenochtend vóór den dageraad; en morgennacht hoop ik veilig +in Ohio te slapen. Ik zal bij daglicht reizen, in de beste hôtels +gaan en mij met de heeren des lands aan tafel zetten. Vaarwel dus, +Mijnheer. Als gij hoort dat ik gevat ben, kunt gij ook weten, dat ik +dood ben." + +George stond daar als eene rots en stak met de houding van een vorst +zijne hand uit. Het vriendelijke, oude heertje drukte die hartelijk, en +na eenige vermaningen tot voorzichtigheid trippelde hij de kamer uit. + +George staarde peinzend naar de deur toen zij gesloten werd. Eensklaps +scheen hem iets in te vallen. Hij deed een paar schreden, opende de +deur weder en zeide: + +"Mijnheer Wilson, nog een woordje." + +De oude heer kwam weder binnen. George sloot de deur gelijk te voren +en bleef toen een oogenblik besluitloos staan. Eindelijk zeide hij, +als met inspanning: + +"Mijnheer Wilson, gij hebt u door uwe manier van handelen met mij een +christen getoond--ik wilde een laatste daad van christelijke liefde +van u vragen." + +"Wel, George?" + +"Wel, Mijnheer, wat gij zegt is de waarheid. Ik loop een +verschrikkelijk gevaar. Er is op aarde geene levende ziel, die +zich om mij bekommert;" hij haalde nu zwaar adem en sprak slechts +met groote moeite voort: "Ik zal als een hond weggeschopt en als +een hond begraven worden, en een dag later zal niemand meer om mij +denken--behalve mijne arme vrouw. Arme ziel! Zij alleen zal om mij +treuren. Als gij een middel kondt vinden, Mijnheer Wilson, om haar dit +speldje te doen toekomen. Zij gaf het mij eens als een kerstpresentje, +het goede kind. Geef het haar, en zeg dat ik haar tot het laatste +toe heb liefgehad. Wilt gij? Zult gij?" + +"Ja zeker, arme man," antwoordde Wilson met eene van aandoening +bevende stem, en nam met tranen in de oogen de speld aan. + +"Zeg haar nog dit eene," hervatte George, "het is mijn laatste wensch, +dat zij, als zij naar Canada kan komen, daarheen moet gaan. Hoe +goed hare meesteres ook wezen mag--hoeveel zij van hare woonplaats +mag houden, laat zij niet terugkeeren--want slavernij eindigt in +ellende. Zeg haar dat zij haar kind als een vrij man moet opvoeden, +en dat hij dan niet lijden zal zooals ik heb geleden. Zeg haar dat, +Mijnheer Wilson; wilt gij?" + +"Ja, George, ik zal het haar zeggen: maar ik vertrouw dat gij niet +sterven zult. Vat moed; gij zijt immers een moedig man. Vertrouw op +den Heere. Ik wenschte met al mijn hart dat gij er veilig doorheen +waart, hoewel--maar ik wenschte het toch." + +"Is er een God om op te vertrouwen?" zeide George op zulk een toon +van bittere wanhoop, dat de oude heer er van versteld stond. + +"O, ik heb in mijn leven dingen gezien, die mij deden denken dat +er geen God kon zijn. Maar christenen weten niet hoe die dingen ons +voorkomen. Er is een God voor u, maar is er een voor ons?" + +"O, neen, neen, spreek zoo niet mijn jongen," zeide de oude man bijna +snikkende: "denk zoo niet. Er is een God! Rondom Hem zijn wolken en +duisternis, maar waarheid en gerechtigheid zijn de grondvesten van +Zijnen troon. Er is een God, George--geloof dat, vertrouw op Hem, +en ik ben zeker dat Hij u helpen zal. Alles zal terechtkomen--zoo +niet in dit leven, dan in een ander." + +De echte godsvrucht en menschlievendheid van den eenvoudigen ouden +man bekleedden hem, toen hij zoo sprak, voor een oogenblik met gezag +en waardigheid. George, die in groote gemoedsbeweging de kamer op en +neer stapte, bleef een oogenblik peinzend staan en zeide toen zacht: + +"Ik dank u dat gij dit gezegd hebt, mijn goede vriend. Ik zal er +aan denken." + + + + + +TWAALFDE HOOFDSTUK. + +EEN PROEFJE VAN WAT ER IN DEN WETTIGEN HANDEL VOORKOMT. + + Eene stem is gehoord in Rama, + geklag, geween, en groot gekerm; + Rachel beweent hare kinderen en + wil niet vertroost wezen, omdat zij + niet meer zijn. + + +Mr. Haley en Tom hotsten op den wagen voort, ieder voor eene poos in +zijne eigene gedachten verdiept. Nu is het met de gedachten van twee +menschen die naast elkander zitten, zonderling gesteld. Terwijl zij op +dezelfde bank gezeten zijn, dezelfde oogen, ooren, handen en allerlei +andere organen hebben, is het verwonderlijk welk een verschil wij in +hunne gedachten zullen vinden. + +Wat Haley bij voorbeeld betreft, hij dacht het eerst aan Toms lengte, +breedte en sterkte, en voor hoeveel deze verkocht zou kunnen worden, +als hij vet en in goeden staat gehouden werd tot hij aan de markt +kwam. Hij dacht hoe hij een troep bijeen zou brengen, hij dacht aan +de waarde van zekere mannen, vrouwen en kinderen, waaruit die troep +bestaan zou, en andere handelszaken. Daarna dacht hij aan zich zelven +en hoe menschelijk hij was, daar, terwijl anderen hunne negers aan +handen en voeten boeiden, hij Tom alleen boeien aan de beenen deed en +zijne handen vrij liet zoolang hij zich wel gedroeg; en dan zuchtte +hij bij de gedachte hoe ondankbaar de menschen waren, zoodat het zelfs +twijfelachtig was of Tom zijne barmhartigheid wel waardeerde. Hij was +zoo dikwijls beetgenomen door negers, die hij gunsten had bewezen, +dat hij zich verwonderde hoe hij nog zoo goedhartig was gebleven. + +Wat Tom aangaat, hij dacht aan eenige woorden uit een oud boek, +dat tegenwoordig niet meer in de mode is, maar die hem gedurig in +het hoofd kwamen. Zij waren de volgende: "Wij hebben hier geene +blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende. Daarom schaamt zich +God hunner niet om hun God genaamd te worden, want Hij heeft hun +eene stad bereid." Deze woorden uit een oud boek, voornamelijk door +"onkundige en ongeleerde mannen" geschreven, hebben door alle tijden +heen eene zonderlinge macht uitgeoefend over het gemoed van arme, +eenvoudige lieden zooals Tom. Zij brengen hunne ziel tot in hare +diepste diepte in beweging en wekken, als met trompetgeschal, moed, +kracht en geestdrift op, waar te voren niets anders dan wanhoop was. + +Haley haalde eenige couranten uit zijn zak en begon met aandacht +de advertentiën na te zien. Hij was geen zeer vlot lezer en had dus +de gewoonte om in eene soort van recitatief half-overluid te lezen, +als wilde hij zijne ooren laten oordeelen of zijne oogen het recht +begrepen. Op dezen toon las hij het volgende: + + + "Verkoop bij executie.--Negers.--Volgens machtiging van het Hof + zullen op Dinsdag 20 Februari, voor de deur van het Raadhuis, + in de stad Washington, Kentucky, verkocht worden de volgende + negers: Hagar, oud 60; John, oud 30; Ben, oud 21; Saul, + oud 15; Albert, oud 14. Te verkoopen ten voordeele van de + crediteuren en erfgenamen in den boedel van Jesse Blutchford. + + Samuel Morris en Tomas Flint, executeuren." + + +"Daar moet ik naar kijken," zeide Haley tegen Tom, uit gebrek aan +iemand anders om tegen te spreken. "Ge moet weten, ik zal een mooien +troep bijeenbrengen om met u mee te nemen, Tom; dat zal het gezellig +en plezierig maken, zulk goed gezelschap, he? Wij moeten eerst recht +naar Washington; daar zal ik u dan in de gevangenis plakken, terwijl +ik zaken ga doen." + +Tom hoorde deze aangename kennisgeving met zachtzinnige gedweeheid +aan, en verwonderde zich eenvoudig bij zich zelven, hoeveel van +die ongelukkige mannen vrouwen en kinderen zouden hebben, en of +zij ook hetzelfde zouden gevoelen als hij, wanneer zij die moesten +verlaten. Het moet ook gezegd worden, dat het naïeve bericht dat +hij in de gevangenis zou gezet worden, geen zeer aangenamen indruk +teweegbracht bij een armen kerel, die altijd eenigszins trotsch was +op zijn eerlijkheid, daar hij niet veel anders had om trotsch op +te wezen. Als hij tot sommige hoogere klassen der maatschappij had +behoord, zou hij misschien geen gevaar hebben geloopen om tot zulk +eene trotschheid te komen. Maar hoe dit zij, die dag verliep, en de +avond zag Haley en Tom te Washington bezorgd, den een in de herberg, +den ander in de gevangenis. + +Tegen elf uren van den volgenden dag verzamelde zich een gemengde +troep menschen bij de stoep van het raadhuis, rookende, pruimende, +spuwende, vloekende en pratende, volgens ieders smaak en neiging, +en wachtende tot de verkooping beginnen zou. De mannen en vrouwen, +die verkocht zouden worden, zaten afzonderlijk in eene groep en spraken +zacht met elkander. De vrouw, die in de advertentie Hagar was genoemd, +was eene echt Afrikaansche van gezicht en gestalte. Zij kon zestig +jaar wezen, maar scheen door zwaar werken en ziekelijkheid veel ouder; +zij was half blind en half kreupel van rheumatiek. Naast haar stond +haar eenige overgebleven zoon Albert, een jongen van veertien jaren, +met een schrander uitzicht. De knaap was alleen nog over van eene +talrijke familie, die stuk voor stuk naar de Zuidelijke markt was +verkocht. De moeder hield hem met beide handen vast, en beefde van +angst als er iemand aankwam om hem te bezichtigen. + +"Wees maar niet bang, tante Hagar," zeide de oudste der mannen. "Ik +heb er met meester Thomas over gesproken, en hij dacht dat hij het +wel schikken kon om u te zamen te verkoopen." + +"Zij behoeven mij nog niet versleten te noemen," zeide zij daarop, +hare bevende handen opheffende. "Ik kan nog koken, schrobben en +schuren. Ik ben het koopen nog wel waard, als ik goedkoop ga. Zeg +hun dat--zeg hun dat toch," voegde zij er met aandrang bij. + +Haley kwam naar de groep en bezichtigde het eerst een ouden man, deed +zijn mond open en keek erin, bevoelde zijne tanden, liet hem opstaan, +zich uitrekken, zijn rug buigen en verschillende bewegingen maken, +om zijne spieren te laten zien. Daarna ging hij naar den volgenden en +nam dezelfde proeven. Eindelijk kwam hij bij den knaap, betastte zijne +armen, kneep zijne handen, bekeek zijne vingers en liet hem springen, +om zijne vlugheid te toonen. + +"Hij wordt niet zonder mij verkocht," zeide de oude vrouw met +hartstochtelijke drift. "Hij en ik gaan samen in één koop. Ik ben +nog heel sterk, meester, en kan nog een boel werk doen--een boel +werk, meester." + +"Op eene plantage?" zeide Haley met een blik van minachting. "Dat +gelijkt er wel naar." + +En voldaan met zijn onderzoek, kuierde hij op, en bleef met zijne +handen in zijne zakken en een sigaar in zijnen mond heen en weder +drentelen. + +"Wat dunkt u er van?" zeide een man, die Haley's onderzoek had +gadegeslagen, alsof hij zelf daarop wilde afgaan. + +"Wel," antwoordde Haley, eens spuwende: "ik zal op een paar van de +jongsten en op dien knaap bieden." + +"Zij willen den knaap en de oude vrouw samen verkoopen," hervatte +de man. + +"Dat zullen zij vrij moeielijk vinden. Zij is immers een oude zak +met knokken, die haar zout niet waard is." + +"Gij zoudt haar dan niet willen hebben?" + +"Het zou een gek zijn die dat wilde. Zij is half blind, krom van de +rheumatiek, en nog simpel ook er bij." + +"Er zijn menschen die dat oude goed koopen, en zeggen dat er nog veel +meer mee te doen is dan men denken zou," zeide de man peinzend. + +"Ik zou haar niet present willen hebben," antwoordde Haley. "Ik heb +haar gezien." + +"Wel, het zou jammer zijn haar niet met haren zoon te koopen; +zij schijnt er haar hart zoo op gesteld te hebben. Als zij haar nu +goedkoop op hem toegeven?" + +"Voor iemand die op die manier geld heeft weg te gooien, is het goed +en wel," antwoordde Haley. "Ik zal op den jongen bieden voor een +plantage arbeider. Maar met haar wil ik niet belast wezen, al gaven +zij er haar op toe." + +"Zij zal razend te werk gaan," zeide de man. + +"Natuurlijk zal zij dat," antwoordde de handelaar koeltjes. + +Hier werd het gesprek gestoord door een algemeen gemompel, en de +afslager, een kort en dik manneke, drong met veel drukte en groote +deftigheid door de menigte heen. De oude vrouw haalde diep adem en +greep onwillekeurig haar zoon vast. + +"Blijf dicht bij mij, Albert--dicht bij mij--zij zullen ons te zamen +opzetten," zeide zij. + +"Och, moeder, ik vrees, dat zij toch niet zullen," antwoordde de knaap. + +"Zij moeten, kind. Anders kan ik niet blijven leven," riep zij +heftig uit. + +De forsche stem van den afslager, roepende om ruimte te maken, +kondigde nu aan dat de verkooping beginnen zou. Men schikte zich in +een kring, en het bieden begon. De mannen, die op de lijst stonden, +werden spoedig toegeslagen tot prijzen, die bewezen dat er tamelijk +veel vraag aan de markt was. Twee van hen vielen Haley ten deel. + +"Kom aan nu, jongen," zeide de afslager en gaf den knaap een stootje +met zijnen hamer. "Op, en laat zien hoe ge springen kunt." + +"Zet ons samen op,--samen, als het u belieft, meester," riep de oude +vrouw, zich aan haren zoon vasthoudende. + +"Uit den weg," zeide de afslager, haar ruw terugduwende. "Gij komt +het laatst. Kom aan, zwarte, spring!" + +En met deze woorden duwde hij den knaap naar het blok, terwijl achter +hem een zware zucht werd geslaakt. De jongen bedacht zich nog en +keek om, maar er werd hem geen tijd gelaten. Hij veegde de tranen +uit zijne heldere oogen en was in een oogenblik omhoog. + +Zijn welgemaakte leden, forsche lichaamsbouw en schrander uitzicht +wekten aanstonds kooplust op en wel zes stemmen deden tegelijk een +bod. Angstig keek de knaap van den een naar den ander, terwijl het +opbieden voortging en nu hier, dan daar een hoogere som werd geroepen, +tot eindelijk de hamer viel. Haley had hem gekregen. Hij werd van het +blok naar zijnen nieuwen meester geduwd, maar bleef nog een oogenblik +staan en keek om, terwijl zijne arme, oude moeder, over al hare leden +bevende, hare sidderende handen naar hem uitstak. + +"Koop mij ook, meester. Om onzen lieven Heerswil, koop mij. Ik zal +sterven als gij het niet doet." + +"Gij moogt sterven als ik het doe," antwoordde Haley. "Neen, zeg +ik." En daarmede keerde hij zich om. + +Voor de arme, oude sloof, werd maar één bod gedaan. De man, die met +Haley gesproken had en niet van medelijden ontbloot scheen te zijn, +kocht haar voor eene kleinigheid en daarna begonnen de toeschouwers +uiteen te gaan. + +De arme slachtoffers der verkooping, die jarenlang met elkander op +dezelfde plaats hadden gewoond, verzamelden zich om de wanhopige oude +moeder, wier zielesmart jammerlijk was om aan te zien. + +"Konden zij er mij niet één laten? Meester heeft altijd gezegd dat +ik er één houden zou--altijd heeft hij dat gezegd," herhaalde zij +gedurig op een hartbrekenden toon. + +"Vertrouw maar op den Heere, Tante Hagar," zeide een der mannen +droevig. + +"Wat zal mij dat baten?" antwoordde zij, hartstochtelijk snikkende. + +"Moeder, moeder, spreek zoo niet," riep de knaap. "Zij zeggen dat +gij een goeden meester hebt gekregen." + +"Dat kan mij niet schelen--dat kan mij niet schelen. O, Albert, o, +mijn jongen--mijn laatste kind! O Heere, hoe kan ik?" + +"Kom, maakt haar liever los," zeide Haley droogjes. "Het doet haar +immers geen goed dat zij zoo te werk gaat." + +De oudsten van den troep dwongen de oude vrouw, half door overreding, +half met geweld, haar zoon eindelijk los te laten, en poogden haar te +troosten, terwijl zij haar naar den wagen van haren nieuwen meester +brachten. + +"Kom aan!" zeide Haley, zijne drie koopjes bij elkander duwende. Daarop +haalde hij een bos handboeien uit, deed ze hun om de polsen, maakte +allen aan een langen ketting vast en dreef hen zoo ver voor zich uit +naar de gevangenis. + +Eenige dagen later was Haley met zijn eigendom op eene der stoombooten, +die gedurig den Ohio bevaren. Deze nieuwe koopjes waren nog maar een +begin van zijnen troep, dien hij, naarmate de boot verder de rivier +afvoer, zou vermeerderen met andere koopwaar van denzelfden aard, +welke hij hier en daar langs den oever in bewaring had gelaten. + +_La Belle Riviére_--zulk eene fraaie boot als ooit de rivier had +bevaren, naar welke zij genoemd was--dreef vroolijk de rivier af, onder +eene heldere lucht, met de strepen en sterren van het vrije Amerika +aan den mast, en het dek vol welgekleede heeren en dames, die heen en +weder wandelden en zich in het heerlijkste weder verlustigden. Alles +was vol leven en vroolijkheid; alles, behalve de troep van Haley, +die met de andere vracht op het benedendek was verborgen, en waarvan +niemand eenige reden tot blijdschap scheen te gevoelen. + +"Kom aan jongens," zeide Haley, luchtig naar hen toekomende. "Ik +hoop dat gij vroolijk blijft. Geen druilen, hoort ge. Houdt u goed, +en ik zal mij ook goed houden." + +De aangesprokenen antwoordden met het onveranderlijk "Ja meester," +dat sedert eeuwen de leus van het arme Afrika is; maar het moet gezegd +worden dat zij toch niet bijzonder opgeruimd keken. Zij hadden hunne +verschillende kleine voordeelen ten gunste van vrouwen, kinderen, +moeders en zusters, die zij voor de laatste maal hadden gezien, +en hoewel hunne verdrukkers vroolijkheid van hen eischten, was deze +niet zoo aanstonds gereed. + +"Ik heb eene vrouw," sprak het artikel op de lijst als "John, +oud dertig" aangeduid, en legde zijne geboeide hand op Toms knie, +"en zij weet geen woord hiervan, de arme ziel!" + +"Waar woont zij?" zeide Tom. + +"In eene herberg, een eind weegs hier de rivier af," antwoordde +John. "Ik wenschte dat ik haar nog maar eens in de wereld zien kon." + +Arme John! Zijn wensch was wel eenigszins natuurlijk; en de tranen, +die onder het spreken over zijne wangen rolden, zagen er zoo natuurlijk +uit, als ware hij een blanke geweest. Tom haalde met een beklemd hart +diep adem en poogde hem op zijne eenvoudige manier te troosten. + +En boven hun hoofd, in de kajuit, zaten vaders en moeders, mannen en +vrouwen; en vroolijk huppelende kinderen fladderden als vlindertjes +om hen heen, en allen waren vroolijk en wel te moede. + +"O, Mama," zeide een knaapje dat juist van het dek was gekomen, +"er is een negerhandelaar aan boord en hij heeft vier of vijf slaven +daar beneden." + +"Arme schepsels!" zeide de moeder, op een toon tusschen beklag en +verontwaardiging. + +"Wat is er?" zeide eene andere dame. + +"Eenige arme slaven beneden," antwoordde de moeder. + +"En zij hebben kettingen aan," zeide het knaapje. + +"Welk eene schande voor ons land," zeide eene andere dame, "dat men +zoo iets ziet." + +"O, er is aan beide kanten veel van de zaak te zeggen," zeide nu een +zwierige dame, die bij de deur van haar salon zat te naaien, terwijl +een jongetje en een meisje bij haar speelden. "Ik ben in het Zuiden +geweest, en ik moet zeggen, ik denk dat de negers het beter hebben +dan het geval zou zijn als zij vrij waren." + +"In sommige opzichten hebben sommigen van hen het goed, dat geef +ik toe," zeide de dame, wier gezegde zij had beantwoord. "Het +schrikkelijkste der slavernij, naar mijne gedachten, is het geweld dat +zij de natuur en het gevoel aandoet, bij het scheiden van huisgezinnen +bij voorbeeld." + +"Dat is zeker een kwaad," zeide de andere dame, met aandacht de +belegsels bekijkende van het kinderjurkje dat zij naaide. "Maar ik +verbeeld mij dat het niet dikwijls gebeurt." + +"O ja, zeker," zeide de eerste dame haastig. "Ik heb jarenlang zoowel +in Kentucky als in Virginië gewoond en genoeg gezien om iemand het +hart te doen wegkrimpen. Verbeeld u eens, Mevrouw, dat uwe twee +kinderen van u afgenomen en verkocht werden." + +"Wij kunnen ons gevoel niet met dat van die soort van lieden +vergelijken," antwoordde de andere dame, nog altijd bezig met het +jurkje. + +"Inderdaad, Mevrouw, als gij zoo spreekt, moet gij niets van hen +weten," zeide de eerste dame met warmte. "Ik ben onder hen geboren en +grootgebracht. Ik weet dat zij gevoel hebben--een even fijn gevoel--nog +fijner misschien dan wij." + +"Inderdaad?" zeide de andere dame en keek geeuwende uit een +venstertje. Ten slotte herhaalde zij, om alles af te doen, nog eens +het gezegde, waarmede zij begonnen was: "Ik denk toch dat zij het +beter hebben, dan wanneer zij vrij waren." + +"Het is ontwijfelbaar de bedoeling der Voorzienigheid, dat het +Afrikaansche ras dienstbaar zal zijn en in onderwerping gehouden +worden," zeide een deftig heer in het zwart, een geestelijke, die +bij de deur der kajuit zat. "Vervloekt zij Kanaän; een knecht der +knechten zal hij zijn, zegt de Schrift." + +"Zeg eens, vreemdeling, is het dat wel wat die tekst beteekent?" zeide +een lang man, die er bij stond. + +"Zonder twijfel. Het heeft der Voorzienigheid om ondoorgrondelijke +redenen behaagd, dat geslacht eeuwen geleden tot slavernij te +veroordeelen; en onze eigene meeningen moeten daartegen niet +aandruischen." + +"Wel zoo, dan gaan wij onzen gang maar en koopen negers, als de +Voorzienigheid het toch zoo hebben wil," zeide de lange man. "Niet +waar, heerschap?" vervolgde hij, zich naar Haley keerende, die met de +handen in de zakken bij de kachel stond en oplettend naar het gesprek +had geluisterd. "Wel ja," vervolgde hij, "wij moeten ons immers naar +de besluiten der Voorzienigheid voegen. Negers moeten verkocht en +versleept en onder bedwang gehouden worden; dat is het, waarvoor +zij geschapen zijn. Zulke begrippen schijnen heel verkwikkelijk, +niet waar, vreemdeling?" en daarmede keerde hij zich weder naar Haley. + +"Ik heb daarover nooit gedacht," antwoordde Haley, "ik wist dat niet +eens, want ik ben niet geleerd. Ik heb den handel maar opgevat om +fortuin te maken, en als ik niet wèl deed, dacht ik wel bijtijds +berouw te zullen hebben, weet ge?" + +"En nu zult gij u die moeite maar sparen, niet waar?" hervatte de +lange man. "Zie eens hoe goed het is de Schrift te kennen. Als gij +uw Bijbel maar hadt gelezen, gelijk die brave man, dan hadt gij dit +te voren kunnen weten en dus niet ongerust behoeven te zijn. Hij had +maar even kunnen zeggen: "Vervloekt zij"--hoe heet het ook weer?--en +alles zou in orde zijn geweest." + +Daarmede zette de vreemdeling, die niemand anders was dan de eerlijke +paardenkooper, met wien onze lezers in de herberg in Kentucky kennis +hebben gemaakt, zich weder neer en begon te rooken, met een zeer +zonderlingen glimlach op zijn lang en strak gezicht. + +Een rijzig tenger jonkman, wiens uitzicht verstand en gevoel aanduidde, +nam nu het woord en zeide: "Alles wat gij wilt dat de menschen +u zouden doen, doet gij hun ook alzoo. Ik meen," vervolgde hij, +"dat dit evengoed in de Schrift staat als: 'vervloekt zij Kanaän.'" + +"Zeker, vreemdeling, die tekst schijnt even duidelijk voor arme lieden, +zooals wij," zeide John en rookte als een vulkaan. + +De jonkman bedacht zich alsof hij voornemens was nog meer te zeggen, +toen eensklaps de boot bleef stil liggen en het gezelschap volgens +gewoonte naar het dek snelde, om te zien waar men aanlegde. + +"Zijn die twee allebei dominees?" zeide John tegen iemand, toen zij +naar buiten gingen. + +De man knikte. + +Toen de boot stillag, kwam eene zwarte vrouw als razend over de plank +stormen, drong door alles heen, vloog naar de plaats, waar de troep +slaven zat, sloeg hare armen om het stuk koopwaar, bekend als "John oud +dertig" en jammerde met tranen en snikken over hem--haren echtgenoot. + +Maar wat behoeven wij eene geschiedenis te verhalen, die maar al te +dikwerf--die dagelijks herhaald wordt--hoe harten gebroken worden, +en hoe de zwakke wordt vertrapt ten voordeele van den sterke! + +Dit behoeft niet meer herhaald te worden;--elke dag verhaalt het, +verhaalt het voor de Ooren van Eenen die niet doof is, hoewel Hij +lang stilzwijgt. + +De jonkman, die vroeger voor de zaak der menschelijkheid en van God +gesproken had, stond dit tooneel met over elkander geslagen armen +aan te zien. Hij keerde zich om, en Haley stond naast hem. + +"Mijn vriend," zeide hij met eene gesmoorde stem, "hoe kunt gij, hoe +durft gij zulk een beroep drijven? Zie die arme schepselen aan! Hier +ben ik, mij verheugende in mijn hart dat ik naar huis ga, naar mijne +vrouw en mijn kind; en dezelfde klok, die het teeken geeft om mij +naar hen toe te brengen, zal dezen armen man en zijne vrouw voor +altijd scheiden. Wees er zeker van, God zal daarvoor met u in het +gerecht treden." + +De handelaar keerde zich zwijgend om. + +"Zeg eens," zeide de paardenkooper, hem aan zijnen elleboog stootende, +"dat is een verschil in dominees, niet waar? "Vervloekt zij Kanaän" +schijnt bij dezen niet af te doen, he?" + +Haley, blijkbaar zeer slecht op zijn gemak, bromde iets binnensmonds. + +"En dat is het ergste nog niet," hervatte John. "Misschien zal het +ook bij den Heere niet baten, als gij eens met Hem afrekent, gelijk +wij allen toch moeten, geloof ik." + +Haley wandelde peinzend naar het andere einde der boot. + +"Als ik met dezen en nog een of twee troepen goede winst maak," dacht +hij, "denk ik er toch maar van af te stappen. Het wordt inderdaad +gevaarlijk." + +Daarmede haalde hij zijne portefeuille uit en begon zijne +waarschijnlijke winst te berekenen, eene tijdkorting, welke nog vele +andere heeren, behalve Haley, een specifiek middel voor een ongerust +geweten hebben bevonden. + +De boot stak weder af en alles was even vroolijk als te voren. De +mannen praatten, kuierden, lazen en rookten; de vrouwen naaiden, +de kinderen speelden, en de tocht ging van dag tot dag zoo voort. + +Op een dag, toen de boot voor eene poos bij een stadje in Kentucky +bleef stilliggen, ging Haley van boord om zaken te doen. + +Tom, wiens boeien hem niet verhinderden eene matige wandeling te +doen, ging naar voren en stond daar verstrooid naar den oever te +kijken. Na verloop van eenigen tijd zag hij den handelaar met vluggen +tred terugkomen in gezelschap van eene gekleurde vrouw, die een klein +kind op den arm had. Zij was zeer fatsoenlijk gekleed en werd gevolgd +door een kleurling die haar koffertje droeg; en zoo kwam zij de plank +over en op de boot. De klok luidde, de stoom siste, de machine stampte +en hijgde, en de boot voer weder af. + +De vrouw ging naar het voordek tusschen de koffers en de balen, +zette zich daar neer en begon zachtjes voor haar kind te zingen. + +Haley wandelde de boot een paar malen op en neer, en toen naar haar +toekomende, zette hij zich naast haar neer en zeide iets op een +zachten, onverschilligen toon. + +Tom zag dat het gezicht van de vrouw terstond betrok, en dat zij snel +en driftig antwoord gaf. + +"Ik geloof het niet, ik wil het niet gelooven," zeide zij, "steek +den gek maar met mij." + +"Als gij niet gelooven wilt, zie dan hier," zeide Haley, een papier +toonende. "Dat is de koopbrief en daar staat uws meesters naam onder, +en ik heb hem duur genoeg betaald, dat kan ik u zeggen--dus!" + +"Ik geloof niet dat meester mij zoo bedriegen zou; het kan niet waar +zijn," zeide de vrouw met toenemende ontroering. + +"Gij kunt een van die lieden hier vragen, die schrift kunnen +lezen. Hier," zeide Haley tot iemand die voorbijkwam, "lees dit eens +even, als gij wilt. De meid wil mij niet gelooven als ik haar zeg +wat het is." + +"Wel, het is een koopbrief, geteekend door John Fosdick," antwoordde +de man, "waarmede u de meid Lucy en haar kind worden overgedaan. Het +is alles in orde, zoover ik zien kan." + +De hartstochtelijke uitroepingen der vrouw verzamelden weldra eene +groep om haar heen, en de handelaar zeide met korte woorden wat de +reden van hare aandoening was. + +"Hij heeft mij gezegd dat ik naar Louisville ging, om als keukenmeid +verhuurd te worden in dezelfde herberg waar mijn man werkt; dat is +het wat de meester zelf mij gezegd heeft, en ik kan niet gelooven +dat hij mij voorliegen zou," zeide de vrouw. + +"Maar hij heeft u toch verkocht, arme vrouw, daaraan is niet te +twijfelen," zeide een man met een goedhartig uitzicht, die de papieren +had nagezien. "Hij heeft het gedaan; dat is niet anders." + +"Dan helpt er geen praten," zeide de vrouw eensklaps bedarende, sloot +haar kind vaster in hare armen, zette zich op hare kist neder, keerde +zich met den rug naar de groep en staarde verstrooid naar de rivier. + +"Zij zal het toch nogal licht opnemen," zeide de handelaar. "Het kan +haar niet veel schelen, zie ik." + +Terwijl de boot voortvoer, bleef de vrouw bedaard zitten; en +het zachte zomerkoeltje zweefde als een medelijdende geest over +haar hoofd--dat zachte koeltje, dat nooit vraagt of het voorhoofd +dat het streelt zwart of blank is. Zij zag den zonneschijn op het +kabbelende water flikkeren en hoorde vroolijke stemmen in het rond, +maar haar hart was zoo beklemd, als ware haar een zware steen op +de borst gevallen. Haar kindje klauterde tegen haar op en streelde +hare wangen met zijne handjes, en scheen haar door zijn kraaien en +dartelen te willen opwekken. Zij klemde het eensklaps nog vaster +in hare armen, en langzaam viel de eene traan na den anderen op het +onnoozele verwonderde gezichtje; maar zij scheen langzamerhand weder +tot kalmte te komen en streelde en koesterde het wicht. + +Het kind, een jongetje van tien maanden, was buitengemeen groot +en sterk voor zijn ouderdom, en zeer vlug en krachtig in zijne +bewegingen. Het hield zich geen oogenblik stil en gaf zijne moeder +gedurig werk, om op te passen dat het haar niet van den schoot sprong. + +"Dat is een frisch kind," zeide een man die met de handen in de zakken +voor haar bleef staan. "Hoe oud is hij?" + +"Tien en een halve maand," antwoordde de moeder. + +De man floot eens en hield den kleine een klontje suiker voor, dat +deze gretig pakte en terstond in zijnen mond stak. + +"Slimme jongen!" zeide de man. "Hij weet zijn weetje al!" En daarmede +wandelde hij fluitend heen. + +Toen hij aan de andere zijde der boot gekomen was, trof hij Haley aan, +die op een stapel kisten zat te rooken. + +De man stak ook eene sigaar aan, en dit gedaan hebbende, zeide hij: +"Een knappe meid die gij daar hebt, vreemdeling." + +"Ja, zij ziet er tamelijk wel uit," antwoordde Haley, een rookwolk +uitblazende. + +"Brengt gij haar naar het Zuiden?" zeide de man. + +Haley knikte slechts. + +"Voor eene plantage?" was wederom de vraag. + +"Ja," zeide Haley, "ik moet eene bestelling voor eene plantage +bijeenbrengen, en ik denk dat ik er haar bij zal doen. Zij zeiden dat +zij eene goede keukenmeid was; zij kunnen haar dus daarvoor gebruiken +of aan het katoenpluizen zetten. Zij heeft de rechte vingers daarvoor; +kijk er maar naar. Zij is op beide manieren haar geld waard." + +"Maar zij zullen op eene plantage dat jong niet willen hebben," +zeide de man. + +"Ik zal het ook verkoopen zoodra ik maar gelegenheid heb," antwoordde +Haley en stak eene andere sigaar aan. + +"Gij zult hem zeker tamelijk goedkoop geven," zeide de vreemdeling +en klom insgelijks op den hoop kisten, waarna hij zich op zijn gemak +neerzette. + +"Dat weet ik nog niet," antwoordde Haley. "Het is een ferme jongen, +welgemaakt, sterk en vet, met vleesch zoo hard als een spijker." + +"Dat is waar. Maar de kosten en de last van het grootbrengen." + +"Gekheid," zeide Haley. "Zij zijn even gemakkelijk groot te brengen +als andere beesten; zij geven niet meer last dan jonge honden. De +kleine snaak zal over een maand overal heenloopen." + +"Ik heb een goede gelegenheid om klein goed groot te brengen, en zou +nog wel wat voorraad willen opdoen," zeide de man. "De eene keukenmeid +heeft verleden week een jong verloren--in de waschtobbe verdronken, +terwijl zij het goed te drogen hing--en het zou niet kwaad zijn haar +dit te geven om groot te brengen." + +Haley en de vreemdeling bleven een poos zitten rooken, daar geen +van beiden genegen scheen om ter zake te komen. Eindelijk zeide +de vreemdeling: + +"Gij zoudt wel niet meer dan tien dollars voor dat snaakje willen +hebben, daar gij hem toch van de hand moet doen?" + +Haley schudde zijn hoofd en spuwde met bijzonderen nadruk. + +"Wel neen," zeide hij en begon weder te rooken. + +"Wel vreemdeling, wat wilt ge dan nemen?" + +"Wel," antwoordde Haley, "ik kan hem zelf grootbrengen of laten +grootbrengen. Hij is buitengewoon gezond en frisch. Over zes maanden +zou hij honderd en over een paar jaren tweehonderd dollars halen, +als ik hem aan de rechte markt bracht; en dus wil ik nu geen cent +minder dan vijftig voor hem nemen." + +"O, vreemdeling, dat is al te gek om van te spreken." + +"Het is toch zoo," zeide Haley met nadruk. + +"Welnu, ik zal u veertig dollars geven." + +"Ik zal u eens wat zeggen," zeide Haley, wederom krachtig spuwende. "Ik +wil het verschil deelen en vijf en veertig zeggen; dat is het uiterste +wat ik doen wil." + +"Welnu, toegeslagen," zeide de man na een poos bedenkens. + +"Gedaan dus," zeide Haley. "Waar gaat gij aan land?" + +"Te Louisville." + +"Te Louisville. Heel goed. Daar komen wij tegen schemeravond. Het +kind zal slapen--zooveel te beter--gij kunt hem stil meepakken, +zonder schreeuwen of huilen--dat komt heel mooi uit--ik doe gaarne +alles met zachtheid--ik heb een hekel aan rumoer en opschudding." En +nadat eenige banknoten uit de portefeuille des vreemdelings in die +des handelaars waren overgegaan, nam deze zijne sigaar weder. + +Het was een heldere stille avond, toen de boot aan de werf te +Louisville aanlegde. De vrouw zat met haar kind in de armen, dat nu +gerust sliep. Toen zij den naam der stad hoorde noemen, legde zij +het kind in een wiegje, dat in eene holte tusschen de koffers stond, +nadat zij eerst zorgvuldig haar omslagdoek over het wicht had gespreid, +en ging toen naar het boord, in de hoop, dat zij onder de knechts uit +de herbergen die op de werf stonden, misschien haar man zou zien. In +deze hoop bukte zij over de leuning heen en tuurde naar het gewoel op +den oever, terwijl een troep menschen tusschen haar en haar kind drong. + +"Nu is het uw tijd," zeide Haley, het slapende kind opnemende en aan +den vreemdeling overgevende. "Maak hem niet wakker en laat hem niet +schreeuwen; anders hebben wij den drommel maar last met de meid." + +De man nam het pakje zorgvuldig aan, en verdween spoedig onder den +hoop menschen die naar de werf gingen. + +Toen de boot weder voortvoer, keerde de vrouw terug naar de plaats +waar zij gezeten had. Daar zat de handelaar--het kind was er niet meer. + +"Wat--waar?" begon zij verbijsterd van verrassing. + +"Lucy," zeide Haley, "uw kind is weg. Het is evengoed dat gij dit nu +hoort als later. Gij begrijpt wel dat ik het niet kon meenemen naar het +Zuiden, en ik had gelegenheid om het te verkoopen aan eene familie van +den eersten rang, die het beter zal grootbrengen dan gij kunt doen." + +De handelaar was tot dien trap van christelijke en politieke +volmaaktheid gekomen, die sedert eenigen tijd door sommige predikers +en staatkundigen in het Noorden wordt aanbevolen, en had dus alle +menschelijke zwakheden en vooroordeelen overwonnen. Zijn hart was +zoover, Mijnheer, als het uwe en het mijne met behoorlijke moeite +en oefening ook gebracht zouden kunnen worden. De woeste blik van +angst en wanhoop, waarmede de vrouw hem aanzag, had iemand die minder +geoefend was, kunnen verontrusten; maar hij was er aan gewoon. Hij had +denzelfden blik honderden malen gezien. Gij kunt ook aan zulke dingen +gewoon worden, mijn vriend, en het is het groote doel der onlangs +aangewende pogingen om, tot roem der Unie, onze geheele Noordelijke +maatschappij daaraan gewoon te maken. De handelaar beschouwde dus den +doodelijken angst, waardoor hij die trekken zag verwrongen worden, +die dichtgeknepen handen en die benauwde ademhaling slechts als kleine +bijzaken van zijn beroep, en berekende alleen of zij zou gaan gillen +en opschudding veroorzaken; want, gelijk andere voorstanders van onze +eigenaardige instellingen, had hij bepaalden afkeer van alle gerucht. + +De vrouw gilde echter niet. Het schot was haar te onverwacht recht +door het hart gegaan om te kunnen schreien of geluid geven. Duizelig +ging zij zitten. Hare slappe handen vielen als levenloos bij haar +neer. Zij staarde recht voor zich, maar zag niets. Het gerucht op +de boot en dat der machinerie klonk haar in de ooren alsof het in +een droom was; het arme, getroffen hart had kreet noch traan om zijn +jammer te uiten. Zij bleef geheel kalm. + +De handelaar die voor zijn doen bijna even menschlievend was als +sommigen onzer staatslieden, scheen zich geroepen te gevoelen om die +soort van troost toe te dienen, die het geval toeliet. + +"Ik weet wel, dat u dit in het begin een beetje hard moet vallen, +Lucy," zeide hij; "maar zulk een knappe en schrandere meid als gij +zijt, zal zich dat toch wel niet willen aantrekken. Gij begrijpt het +wel, het was noodzakelijk en niet te veranderen." + +"O houd op, meester, houd op!" zeide de vrouw met eene stem, alsof +ze op het punt was om te stikken. + +Maar Haley bleef aanhouden. + +"Gij zijt eene knappe meid, Lucy," zeide hij, "en ik meen het goed +met u te maken en u eene beste plaats daar aan de rivier te bezorgen, +en gij zult gauw een anderen man krijgen, zulk een frissche meid als +gij zijt...." + +"O meester, spreek nu maar niet tegen mij," zeide de vrouw op een +toon zoo vol zielesmart, dat de handelaar begreep, dat er in dit +geval iets was waarvoor zijn troost te kort schoot. Hij stond op, +en de vrouw keerde zich om en verborg haar gezicht in haren omslagdoek. + +De handelaar wandelde eene poos op en neer, en bleef nu en dan staan +om naar haar te kijken. + +"Zij neemt het wel wat zwaar op," was zijne alleenspraak; "maar +toch stil. Laat ze maar een poosje huilen; zij zal straks wel weer +bijkomen." + +Tom had dit geheele voorval van het begin tot het einde gadegeslagen +en begreep volkomen wat de afloop zou zijn. Voor hem was het iets +onuitsprekelijk wreeds en gruwelijks, omdat hij, arme, onkundige, +zwarte ziel niet geleerd had zich op een hooger standpunt te verheffen +en de zaken in het algemeen en met ruimen blik te beschouwen. Als +hij slechts door zekere Christelijke leeraren onderwezen was geweest, +zou hij er misschien beter over gedacht hebben voor een dagelijksch +voorval in een wettigen handel; een handel, die de steun is eener +instelling, welke, gelijk een Amerikaansch godgeleerde [4] ons zegt, +"_geen kwaad heeft, dan wat van alle andere betrekkingen in het +gezellige en huiselijke leven onafscheidbaar is_." Daar Tom echter, +gelijk wij zien, een arm, onkundig man was, wiens lectuur geheel +tot het Nieuwe Testament beperkt was gebleven, kon hij zich niet +met zulke begrippen troosten en opbeuren. Zijn hart bloedde over +hetgeen hij hield voor het _kwaad_, dat de arme vrouw werd aangedaan, +die daar als een vertrapt wegwerpsel op de koffers lag; voor dat +gevoelende, levende, bloedende en toch onsterfelijke ding, dat de +Amerikaansche wetten van staat koelbloedig onder pakken, balen en +kisten rangschikten, waartusschen het lag. + +Tom naderde en poogde iets te zeggen: maar zij antwoordde slechts met +tranen en zuchten. Met oprechten ijver en terwijl de tranen over zijne +wangen rolden, sprak hij van een hart vol liefde in den hemel; van +een medelijdenden Jezus en een eeuwig vaderland; maar het oor was doof +van zieleleed, en het doodelijk getroffen hart kon niets meer voelen. + +De nacht kwam,--die stille, plechtige, heerlijke nacht, en zag met +zijne ontelbare glinsterende oogen op haar neer, alsof het oogen van +engelen waren; doch er kwam geene spraak of taal, geene medelijdende +stem, geene helpende hand uit den verwijderden hemel. Langzamerhand +werd het stiller en stiller, eindelijk sliep alles op de boot en hoorde +men alleen het kabbelen van het water voor den boeg. Tom strekte zich +op een kist uit, en terwijl hij daar lag, hoorde hij nog telkens een +gesmoorden snik of uitroep van de bedroefde vrouw. + +"O, wat zal ik doen? O, Heere, o, goede Heere, help mij!" en zoo al +gedurig voort, totdat ook dit gemompel ophield. + +In het midden van den nacht werd Tom eensklaps met schrik wakker. Iets +zwarts snelde hem voorbij naar het boord en daarop hoorde hij een +plomp in het water. Niemand anders zag of hoorde iets. Hij hief +het hoofd op--de plaats der vrouw was ledig. Hij stond op en zocht +vruchteloos om zich heen. Het arme bloedende hart was eindelijk stil, +en de rivier kabbelde even helder alsof zij hare golfjes niet daarboven +gesloten had. + +Geduld, geduld, gij wier hart zwelt van verontwaardiging over onrecht +gelijk dit. Geen zucht, geen traan der verdrukten wordt vergeten +door den Man van Smarten, door den Heer der Heerlijkheid. In +zijne geduldige, menschlievende borst draagt Hij het leed eener +wereld. Draagt gij, gelijk Hij, met geduld en arbeidt in de liefde; +want zoo zeker als Hij God is, "zal het jaar zijner verlosten komen." + +De handelaar werd vroeg en frisch wakker en kwam buiten om naar +zijne levende waar te zien. Het was nu zijne beurt om verbijsterd +rond te kijken. + +"Waar drommel is die meid?" zeide hij tegen Tom. + +Tom, die de wijsheid van het stilzwijgen had geleerd, achtte het niet +noodig van zijne opmerkingen en vermoedens te spreken, maar zeide +dat hij het niet wist. + +"Zij zal toch van nacht niet aan eene van de ladingsplaatsen zijn +weggeloopen, want ik was wakker en op de wacht, telkens als de boot +stillag. Ik vertrouw die dingen nooit aan anderen." + +Dit werd Tom op een vertrouwelijken toon toegevoegd, als iets dat +bijzonder belangrijk voor hem zou zijn. Tom gaf geen antwoord. + +De handelaar zocht over het dek van het eene einde tot het andere, +tusschen de balen, kisten en vaten, om de machinerie en bij de +schoorsteenen, maar tevergeefs. + +"Zeg nu eens, Tom, wees nu eens oprecht," zeide hij, toen hij na +zijn vruchteloos zoeken weder bij Tom gekomen was. "Gij weet er +iets van. Maak mij maar niets wijs--ik weet het beter. Ik heb de +meid hier zien liggen tegen tien uren, en wederom tegen twaalf, +en wederom tusschen een en twee; en tegen vier uren was zij weg, +en gij laagt hier al den tijd gerust te slapen. Gij moet dus iets +weten--dat kan niet anders." + +"Wel, meester," antwoordde Tom, "tegen den ochtend schoof mij iets +voorbij en toen werd ik zoo wat half wakker; en toen hoorde ik een +grooten plomp, en toen werd ik geheel wakker, en de vrouw was weg. Dat +is al wat ik er van weet." + +De handelaar was niet ontzet of verbaasd, daar hij, gelijk wij +vroeger gezegd hebben, aan vele dingen gewoon was, waaraan gij +niet gewoon zijt. Zelfs de geduchte tegenwoordigheid van den dood +boezemde hem geene plechtige huivering in. Hij had den dood dikwijls +gezien--was hem in zijn beroep dikwijls tegengekomen en had kennis +met hem gemaakt--hij vond in hem dus slechts een lastigen buurman, +die hem in zijne speculatiën met koopwaren op eene zeer onbillijke +manier dwarsboomde; en zoo zeide hij slechts met een vloek dat de +meid een karonje was, en dat hij duivels ongelukkig was, en dat hij, +als het zoo voortging geen cent met zijne reis verdienen kon. Kortom, +hij scheen zich voor werkelijk verongelijkt te houden; maar er was +niets aan te doen, want de vrouw was ontsnapt naar een staat, die +nooit een vreemdeling wil uitleveren, zelfs niet op den eisch der +roemrijke Unie. De handelaar ging dus onvergenoegd zitten, haalde +zijn notitieboekje uit en schreef het vermiste lichaam met de ziel +op de rekening van verliezen. + +Een hatelijk mensch, die handelaar, niet waar? zoo ongevoelig! Is +het inderdaad niet schrikkelijk? + +O ja, maar men telt die handelaars ook niet. Zij worden algemeen +veracht--nooit in een fatsoenlijk gezelschap toegelaten. + +Maar wie, Mijnheer, is de oorzaak dat er handelaars zijn? Wie is +het meest te laken? De beschaafde, verstandige, verlichte man, die +een stelsel in stand houdt, waarvan de handelaar een onvermijdelijk +gevolg is, of de ongelukkige handelaar zelf? Gij zijt een bestanddeel +van die publieke meening, die zijn beroep in wezen houdt, die hem +zoodanig verblindt en zedelijk verlaagt, dat hij er zich niet meer +voor schaamt: in welk opzicht zijt gij dus beter dan hij? + +Gij zijt wél-onderwezen en hij onkundig, gij zijt aanzienlijk en hij +gering, gij zijt beschaafd en hij gemeen, gij zijt helder van oordeel +en hij dom, niet waar? + +Op den dag van een toekomstig oordeel zullen juist deze tegenstellingen +het misschien voor hem dragelijker maken dan voor u. + +Aan het slot van dit proefje uit hetgeen er in den wettigen handel +voorkomt, moeten wij de wereld verzoeken om niet te denken, dat onze +Amerikaansche wetgevers geheel van menschelijkheid ontbloot zijn, +gelijk misschien ten onrechte zou kunnen worden afgeleid uit de +moeite die zij zich geven, om deze soort van handel te beschermen en +in stand te houden. + +Wie weet niet hoe onze groote mannen zich zelven overtreffen in het +declameeren tegen den _vreemden_ slavenhandel? Er is in dit opzicht +een schaar van Clarke's en Wilberforce's onder ons opgestaan, die +allerstichtelijkst is om te zien en te hooren. De negerhandel uit +Afrika, lieve lezers, is toch zoo afschuwelijk! Daaraan is niet te +denken. Maar de negerhandel uit Kentucky--dat is geheel iets anders! + + + + + +DERTIENDE HOOFDSTUK. + +DE KWAKERS. + + +We hebben nu een stil tooneeltje voor ons. Eene ruime, zindelijke, +net geschilderde keuken, met een effen en glanzig gelen vloer, +zonder een enkel stofje er op; eene nette, zorgvuldig zwart gehouden +kookkachel; rijen van blinkend tinnegoed, die aan allerlei lekker eten +doen denken; glanzige stoelen van gewoon hout, oud maar sterk; een +kleinen schommelstoel met een kussen er in, waarvan het overtrek aardig +uit kleine lapjes van verschillende wollen stoffen is saamgesteld, +en een grooten armstoel, aartsvaderlijk oud, welks wijde armen een +gastvrije uitnoodiging schijnen te geven, die door de veeren kussens +wordt ondersteund--een waarlijk uitlokkende, bruikbare, oude stoel, +voor echt gemak meer waard dan een dozijn nieuwe salonmeubelen.--En +in dien stoel, zachtjes voor- en achterover wiegende, zit onze oude +vriendin Eliza. [5] Ja, daar zit zij, bleeker en magerder dan tehuis in +Kentucky, en stille smart schuilt onder de schaduw harer lange wimpers +en kenmerkt de trekken om den vriendelijken mond. Het was duidelijk te +zien, hoe oud en vast haar jeugdig hart in de leerschool der smart was +geworden; en wanneer zij hare donkere oogen opsloeg, om de huppelende +sprongen van den kleinen Harry te volgen, die als een vlindertje heen +en weder dartelde, lag er in dien blik eene vastberadenheid en kracht, +welke voorheen in gelukkiger dagen nooit daarin te lezen was. + +Naast haar zat eene vrouw met eene blikken pan op den schoot, waarin +zij bezig was gedroogde perziken uit te zoeken. Zij kon vijf en +vijftig of zestig jaren oud wezen; maar zij had een van die gezichten, +waaraan de tijd niets anders schijnt te kunnen doen dan ze verhelderen +en verfraaien. De sneeuwwitte muts, naar het stijve kwaker-patroon +opgemaakt, de effen neteldoeksche halsdoek, met strakke plooien +over hare borst gevouwen, de donkergrijze omslagdoek en japon van +dezelfde kleur toonden aanstonds tot welke gezindte zij behoorde. Haar +gezicht was rond en blozend, met eene gezonde, donzige zachtheid, +die aan eene rijpe perzik deed denken. Heur haren, door de jaren +gedeeltelijk verzilverd, waren glad van het hooge, effen voorhoofd +weggestreken, waarop de tijd niets anders geschreven had dan vrede +en welwillendheid; en daaronder straalden een paar groote, heldere, +oprechte, vriendelijke, bruine oogen. Men behoefde slechts recht +daarin te zien, om te weten, dat men tot op den bodem van een hart zag, +zoo goed en trouw als ooit in eene vrouwelijke borst had geklopt. Men +heeft zooveel van de schoonheid van jonge meisjes gezegd en gezongen; +waarom bezingt niet eens iemand de schoonheid der oude vrouwen? Als +iemand in dit opzicht verlangt geïnspireerd te worden, verwijzen wij +hem naar onze goede vriendin Rachel Halliday, gelijk zij daar in haar +schommelstoeltje zit. Dat stoeltje was aan zeker kraken en piepen +onderhevig, en terwijl zij zacht heen en weder wiegde, maakte haar +zetel een geluid, als van elken anderen stoel onuitstaanbaar zou zijn +geweest, maar de oude Simeon Halliday beweerde dikwijls, dat het zoo +goed als muziek voor hem was, en de kinderen zeiden dat zij voor niets +op de wereld het piepen van moeders stoel zouden willen missen. En +waarom dat? Twintig jaren lang, of nog langer, waren er niets dan +vriendelijke woorden en zachte zedenlessen en moederlijke liefdeblijken +van dien stoel gekomen--ontelbare hoofdpijnen en hartepijnen waren daar +genezen--geestelijke en tijdelijke bezwaren waren daar opgeheven--alles +door ééne, goede, liefelijke vrouw. God zegene haar! + +"En zoo denkt gij nog naar Canada te gaan, Eliza?" zeide zij, +voortgaande met hare perziken te bekijken. + +"Ja, juffrouw!" antwoordde Eliza met vastheid. "Ik moet verder. Ik +kan hier niet blijven." + +"En wat zult gij doen als gij daar komt? Daar moet gij ook aan denken, +mijne dochter." + +Dat "mijne dochter!" kwam zoo natuurlijk van Rachels lippen; want zij +had juist een voorkomen en uitzicht, dat het zoo natuurlijk maakte om +"moeder" tegen haar te zeggen. + +Eliza's handen beefden en eenige tranen vielen op het fijne naaiwerk, +waaraan zij bezig was; maar haar toon bleef toch vast, toen zij +antwoordde: + +"Ik zal--alles doen wat ik te doen kan vinden. Ik hoop dat ik iets +vinden zal." + +"Gij weet wel, gij kunt hier blijven zoolang het u behaagt," zeide +Rachel. + +"O! ik dank u," zeide Eliza; "maar," vervolgde zij, naar Harry +wijzende, "ik kan des nachts niet slapen; ik kan niet rusten. Verleden +nacht droomde ik dat ik een man de werf zag opkomen," voegde zij er +huiverend bij. + +"Arm kind!" zeide Rachel, hare oogen afvegende. "Maar gij moet niet +zoo angstig zijn. De Heere heeft het zoo besteld, dat nog nooit een +vluchteling uit ons dorp gestolen is. Ik vertrouw dat gij niet de +eerste zult wezen." + +Hier werd de deur geopend en kwam eene andere vrouw binnen, kort en zoo +rond als een speldenkussen, met een vroolijk blozend gezicht, gelijk +een rijpen appel. Zij was evenals Rachel stemmig in het grijs gekleed, +met een neteldoekschen doek over hare zwellende borst geplooid. + +"Ruth Stedman," zeide Rachel, met blijdschap naar haar toekomende. "Hoe +is het met u, Ruth?" En daarmede vatte zij deze bij de handen. + +"Welletjes," antwoordde Ruth, zette haar grijzen hoed af en ontblootte +zoo een rond hoofdje, waarop de kwakerinnenmuts tamelijk zwierig stond, +hoewel zij haar best deed om die met hare mollige handjes glad te +strijken. Ook eenige verdwaalde lokken en krullend haar waren hier +en daar ontsnapt en moesten weggestopt worden; en daarna keerde de +nieuw-gekomene, die vijf en twintig jaren oud mocht wezen, zich van +het spiegeltje af, waarvoor zij deze beschikkingen had gemaakt en +scheen zeer wel met haar voorkomen tevreden te zijn--gelijk de meeste +menschen die haar aanzagen ook wel konden geweest zijn; want zij was +zulk een gezond, frisch en vroolijk vrouwtje, als ooit het hart van +een man verheugde. + +"Ruth, deze vriendin is Eliza Harris, en dit is het jongetje, waarvan +ik u gesproken heb." + +"Ik ben blijde u te zien, Eliza, zeer blijde," zeide Ruth en gaf Eliza +zoo hartelijk de hand, als ware zij eene oude vriendin die zij lang +verwacht had; "en dat is uw lieve jongen. Ik heb een koekje voor hem +medegebracht," en daarmede hield zij het koekje den kleinen Harry +voor, die het, door zijne krullen naar haar opkijkende, met zekere +sluwheid aannam. + +"Waar is uw kleintje, Ruth?" vroeg Rachel. + +"O! hij komt; maar uwe Mary pakte hem op toen ik inkwam, en liep met +hem naar de schuur, om hem aan de kinderen te laten zien." + +Op dit oogenblik ging de deur weder open en kwam Mary, een frisch +blozend meisje, met groote bruine oogen, gelijk hare moeder, met het +kind binnen. + +"Ha, ha!" zeide Rachel, het gezonde, mollige wicht op den arm nemende, +"wat ziet hij er goed uit, en wat groeit hij!" + +"Zeker doet hij dat," zeide de levendige Ruth, nam spoedig het +kind over en ontdeed het van een blauw zijden manteltje en andere +bovenkleeren, waarin het gewikkeld was, vertrok en verschoof hier en +daar iets om het op te knappen, gaf het een hartelijken kus en zette +het naast zich op den grond neer om zich zelf te amuseeren en zoet te +houden. Het wicht scheen aan zulk eene handelwijze volkomen gewoon te +zijn, want het stak terstond een duim in den mond en scheen weldra in +een genoeglijk gepeins te verzinken, terwijl de moeder zich neerzette, +eene opgezette kous uithaalde en ijverig begon te breien. + +"Mary, gij moogt den ketel wel eens vullen, zoudt ge niet?" zeide de +moeder, zacht vermanende. + +Mary nam den ketel mede naar den waterput, en spoedig terugkomende +plaatste zij hem op de kachel, waar hij spoedig stond te borrelen en te +dampen als een wierookvat in den tempel der gastvrijheid. Weldra werden +ook de perziken, op eenige zacht gefluisterde woorden van Rachel, +door dezelfde hand in eene aarden pan gedaan en op het vuur gezet. + +Vervolgens nam Rachel eene sneeuwwitte kneedplank van den wand en +ging eenvoudig wat beschuiten kneden; maar eerst zeide zij tegen hare +dochter: "Mary, zoudt ge John niet eens gaan zeggen om het hoentje +te gaan halen?" waarop Mary weder verdween. + +"Wel, hoe is het met Abigaël Peters?" zeide Rachel onder het kneden. + +"O! zij is beter," antwoordde Ruth. "Ik ben daar van morgen geweest +en heb het bed opgemaakt en het huis gedaan. Lea Hills is van middag +gegaan en heeft brood en koek gebakken voor eenige dagen, en ik heb +beloofd er van avond weder heen te gaan." + +"Ik zal morgen gaan en schoonmaken wat noodig is, en naar het +verstelwerk zien," zeide Rachel. + +"Zoo, dat is goed," antwoordde Ruth. "Ik heb gehoord," vervolgde zij, +"dat Hanna Stanwood ziek is. John is er gisteravond geweest--ik moet +morgen daarnaar toe." + +"John kan hier komen eten, als het noodig is dat gij den geheelen +dag blijft," zeide Ruth hierop. + +"Dank u, Rachel! we zullen morgen zien. Maar daar komt Simeon." + +Simeon Halliday, een rijzig, recht welgespierd man, met een bruingrijze +jas en broek en een breedgeranden hoed kwam nu binnen. + +"Hoe is het met u, Ruth?" zeide hij met warmte, terwijl hij zijn +breede palm openspreidde, om haar mollig handje er in te leggen. "En +hoe is het met John?" + +"O! John is wel, en al de anderen ook," antwoordde Ruth blijmoedig. + +"Wat nieuws, vader?" vroeg Rachel, terwijl zij hare beschuiten in +den oven stak. + +"Steven Stebbins heeft mij gezegd dat zij van nacht uit moesten met +_paarden_," zeide Simeon met bijzonderen nadruk op het laatste woord, +terwijl hij over een zindelijken gootsteen in een achterkeukentje +zijn handen wiesch. + +"Ei!" zeide Rachel, peinzend en met een blik naar Eliza. + +"Hebt gij niet gezegd, dat uw naam Harris was?" zeide Simeon tot Eliza, +weder binnenkomende. + +Rachel wierp snel een blik naar haren man, terwijl Eliza met bevende +lippen "ja" antwoordde, daar zij vreesde, dat er misschien een prijs +voor haar was uitgeloofd. + +"Moeder," zeide Simeon, Rachel roepende, terwijl hij weder naar het +achterkeukentje ging. + +"Wat wilt gij hebben, vader?" antwoordde Rachel, hem volgende. + +"De man van dat kind is in het dorp en zal van avond hier komen," +zeide Simeon. + +"O! dat zegt ge toch maar niet zoo, vader?" riep Rachel uit, met een +gezicht als het ware stralende van blijdschap. + +"Het is werkelijk waar. Peter was gisteren met den wagen naar de +andere plaats, en daar vond hij eene oude vrouw en twee mannen, +en een van hen zeide dat hij George Harris heette, en uit hetgeen +hij van zijne geschiedenis vertelde, weet ik zeker wie hij is. Hij +is een knap, schrander man.--Zullen wij het haar nu zeggen?" voegde +hij er na een oogenblik stilzwijgens bij. + +"Laten wij het Ruth zeggen," antwoordde Rachel. "Ruth, kom eens hier." + +Ruth legde haar breiwerk neer en was in een oogenblik in het +achterkeukentje. + +"Ruth, wat dunkt u?" zeide Rachel. "Vader zegt dat Eliza's man bij +het laatste gezelschap is en van avond hier zal komen." + +Een blijde uitroep van het levendige kwakerinnetje viel de spreekster +in de rede. Ruth klapte in de handen en deed zulk een sprong, dat er +weder een paar krullen onder hare muts uitschoten en over haar witten +halsdoek zwierden. + +"Stil toch, lieve," zeide Rachel zachtzinnig. "Stil, Ruth, zeg ons, +zullen wij het haar nu zeggen?" + +"Nu? Wel zeker, op het oogenblik. Denk eens als het mijn John was, +wat zou ik dan voelen? Zeg het haar toch maar terstond." + +"Gij denkt aan u zelven, alleen om te leeren uwe naasten lief te +hebben, Ruth," zeide Simeon, haar met welgevallen aanziende. + +"Wel zeker," zeide Ruth. "Is het dat niet, waartoe wij geschapen +zijn? Als ik John en mijn kindje niet liefhad, zou ik zooveel gevoel +niet voor haar kunnen hebben.--Kom nu, zeg het haar toch!" vervolgde +zij, Rachel dringend bij den arm vattende. "Neem haar in uwe +slaapkamer, daar, en laat ik het hoentje braden, terwijl gij het +haar zegt." + +Rachel ging weder naar de keuken, waar Eliza zat te naaien en de +deur van een slaapkamertje openende, zeide zij vriendelijk: "kom hier +binnen met mij, mijne dochter. Ik heb u iets nieuws te zeggen." + +Het bloed steeg Eliza naar de bleeke wangen; zij stond op, bevende +van zenuwachtigen angst, en zag naar haar kind om. + +"Neen, neen!" zeide Ruth, naar haar toeschietende en haar bij beide +handen vattende. "Wees maar niet bang. Het is goed nieuws, Eliza. Ga +binnen, ga binnen." + +Zij duwde haar zachtjes de deur in en sloot die achter haar, en toen +zich omkeerende, nam zij den kleinen Harry in hare armen en begon +hem hartelijk te kussen. + +"Gij zult uw vader zien, kleine jongen. Weet gij het al? Uw vader +komt," zeide zij nogmaals, en nogmaals, terwijl het kind haar met +verbazing aanzag. + +Intusschen had binnen de deur een ander tooneel plaats. Rachel nam +Eliza bij de hand, trok haar dicht naar zich toe en zeide: + +"De Heer heeft barmhartigheid met u gehad, mijne dochter. Uw man is +ontkomen uit het huis der dienstbaarheid." + +Het plotseling opstijgende bloed deed Eliza's wangen gloeien en +stroomde toen even snel naar het hart terug. Bleek flauw zette zij +zich neer. + +"Houd moed, kind," zeide Rachel, haar de hand op het hoofd +leggende. "Hij is onder vrienden, die hem van avond hier zullen +brengen." + +"Van avond!" herhaalde Eliza. "Van avond!" + +De woorden hadden hunne beteekenis voor haar verloren. Haar hoofd +was verward; alles was voor een oogenblik in een nevel gehuld. + +Toen zij ontwaakte lag zij te bed, warm in een deken gestopt, +terwijl Ruth hare handen met kamfer wreef. Zij opende hare oogen in +een toestand van droomerige, streelende kwijning, als iemand die lang +een zwaren last gedragen heeft en nu voelt dat die hem is afgenomen en +hij nu rusten mag. De spanning harer zenuwen, die sedert het eerste +uur harer vlucht geen oogenblik had opgehouden, was nu geweken, +en een vreemd gevoel van veiligheid bekroop haar. Terwijl zij daar +met open oogen lag, volgde zij als in een droom de bewegingen van hen +die haar omringden. Zij zag door de open deur in de andere kamer; zij +zag de tafel met een sneeuwwit tafellaken voor het avondmaal gedekt; +zij hoorde het slaperige zingen van den theeketel, en zag Ruth heen +en weder trippelen met borden en schotels, en nu en dan stilstaan om +Harry een koekje in de hand te stoppen, of zijn hoofd te streelen of +zijne lange krullen om hare witte vingers te winden. Zij zag de breede +moederlijke gestalte van Rachel, die telkens naar het bed kwam, en hier +en daar iets verschikte of het dek instopte, alleen om haar goeden +wil te toonen; en was bewust van eene soort van zonneschijn, welke +haar uit hare oogen bestraalde. Zij zag den man van Ruth binnenkomen; +zij zag deze naar hem toevliegen en zeer ernstig tegen hem fluisteren, +en nu en dan met haar vingertje naar de slaapkamer wijzen. Zij zag +haar zich met haar kindje op den arm aan de theetafel zetten; zij zag +hen allen om de tafel en den kleinen Harry op een hoogen stoel naast +de zorgvuldige Rachel. Zij hoorde een zacht praten en een even zacht +rinkelen van theelepeltjes, kopjes en schoteltjes, dat zich alles +met dien verrukkelijken droom van rust vermengde; en toen viel zij in +slaap, en sliep gelijk zij nog niet geslapen had sedert dat geduchte +middernachtsuur toen zij haar kind had opgenomen om te vluchten. + +Zij droomde van een schoon land--een land van rust kwam het haar +voor--met groene kusten, vermakelijke eilandjes en glinsterend water; +en daar in een huis, waar vriendelijke stemmen haar zeiden dat zij +tehuis was, zag zij haar knaapje spelen als een vrij en gelukkig +kind. Zij hoorde de voetstappen van haren man; zij voelde hem nader +komen; zijne armen werden om haar heengeslagen; zijne tranen droppelden +op haar gezicht, en zij ontwaakte. Het was geen droom. Het daglicht +was lang verdwenen; haar kind lag gerust naast haar te slapen, eene +kaars op een tafeltje verspreidde een flauw licht, en haar man zat +snikkend bij haar bed. + + + +Vroolijk was de volgende morgen in het huis van den Kwaker. "Moeder" +was vroeg op en omringd door drukbezige jongens en meisjes, allen +gehoorzaam aan Rachels zachtzinnige "gij moest eens," of het nog +zachtere "zoudt ge niet eens," terwijl men doende was om het ontbijt +gereed te maken; want een ontbijt in de welige valleien van Indiana is +een ding van veel omslag en vereischt meer handen dan die der huisvrouw +alleen. Terwijl dus John naar de bron liep, om frisch water te halen, +en Simeon het jonge meel ziftte voor de koornkoekjes en Mary koffie +maalde, was Rachel stil bezig met beschuiten gereed te maken, een +hoen te snijden, en over alles wat er over het geheel gedaan werd +een oog te laten gaan, dat den invloed van zonneschijn had. Als er +eenig gevaar van wrijving of botsing ontstond uit den ongeregelden +ijver van zoovele jeugdige medewerkers, was haar zacht "kom, kom!" of +"dat zou ik maar niet," voldoende om het bezwaar uit den weg te ruimen. + +Onder al die andere toebereidselen stond Simeon de oude in een hoek +voor het spiegeltje, bezig met de antipatriarchale werkzaamheid van +het scheren. Alles ging in de ruime keuken zoo gezellig en vroolijk +toe, iedereen scheen zulk een vermaak te hebben in hetgeen hij deed, +er heerschte zulk een blijkbare geest van vertrouwen en wederzijdsche +welwillendheid--zelfs de messen en vorken hadden iets gezelligs in het +gerammel waarmede zij op de tafel werden gelegd, en het hoentje en de +ham in de pan sisten, alsof het hun beviel dat zij gebraden werden--en +toen George, Eliza en de kleine Harry uit de slaapkamer kwamen, +werden zij met zulk een hartelijk welkom begroet, dat het niet te +verwonderen was indien het geheele tooneel hun als een droom voorkwam. + +Eindelijk zaten allen aan het ontbijt, terwijl Mary nog bij de kachel +maïskoekjes stond te roosteren, die, wanneer zij juist volmaakt de +echte goudbruine kleur hadden gekregen, handig op de tafel werden +gezet. + +Rachel zag er nooit zoo echt genoegelijk en vriendelijk uit als aan +het hoofd harer tafel. Er was zulk eene moederlijkheid en gulheid +zelfs in de manier waarop zij een bord met koekjes toeschoof of een +kop koffie schonk, dat zij iets van haren geest scheen mede te deelen +aan het eten en drinken dat zij aanbood. + +Het was de eerste maal, dat George op den voet van gelijke aan de tafel +van een blanke zat, en hij voelde in het eerst zekere verlegenheid +en gedwongenheid; maar deze aandoening vervloog als een ochtendnevel +voor de stralen dier eenvoudige, natuurlijke goedhartigheid. + +Hier was hij waarlijk tehuis;--tehuis, eene uitdrukking waarvan hij +nog nooit de beteekenis had gekend; en het geloof aan God en het +vertrouwen op Zijne voorzienigheid begonnen zijn hart te verhelderen; +terwijl de donkere wolken van menschenhatende en godverloochenende +twijfelingen verdreven werden door het licht van een levend evangelie, +afgestraald van levende menschengezichten, en gepredikt door duizend +bijna onwillekeurige daden van liefde en welwillendheid, die, gelijk +de beker koud water in den naam eens discipels gegeven, haar loon +nimmer zullen verliezen. + +"Vader, als gij nu weder ontdekt mocht worden?" zeide Simeon de tweede, +onder het boteren van een geroosterd koekje. + +"Dan zou ik mijne boete betalen," antwoordde de oude Simeon koeltjes. + +"Maar als zij u in de gevangenis zetten?" + +"Zoudt gij en moeder de hoeve niet kunnen waarnemen?" antwoordde +Simeon met een glimlach. + +"Moeder kan haast alles doen!" zeide de knaap. "Maar is het geene +schande zulke wetten te maken?" + +"Gij moet geen kwaad spreken van uwe overheden, Simeon," antwoordde +zijn vader ernstig. "De Heere geeft ons onze aardsche goederen alleen +opdat wij gerechtigheid en barmhartigheid zouden doen; als onze +overheden een prijs daarvoor van ons eischen, moeten wij dien geven." + +"Nu, ik haat toch die oude slavenhouders," zeide de knaap, met zulk een +onchristelijk gevoel als eenig nieuwerwetsch _reformer_ kan koesteren. + +"Ik ben verwonderd over u, mijn zoon," zeide Simeon. "Uwe moeder heeft +u nooit zoo geleerd. Ik zou hetzelfde doen voor den slavenhouder als +voor den slaaf, indien de Heere hem in nood aan mijne deur deed komen." + +Simeon de tweede kreeg een blos als vuur; maar zijne moeder glimlachte +slechts en zeide: "Simeon is mijn goede jongen. Hij zal wel gauw +ouder worden en dan zal hij naar zijnen vader gelijken." + +"Ik hoop, mijn goede heer," zeide George bekommerd, "dat gij om +mijnentwil aan geene moeielijkheden zijt blootgesteld." + +"Wees niet bevreesd, George; want daartoe zijn wij in de wereld +gezonden. Als wij voor eene goede zaak geene onaangenaamheden willen +afwachten, zijn wij onzen naam niet waardig." + +"Maar voor _mij_," zeide George. "Dat zou ik niet kunnen dragen." + +"Wees dan niet bevreesd, vriend George. Het is niet voor u, maar +voor God en de menschen, dat wij het doen," antwoordde Simeon. "En +nu moet gij u hier vandaag schuilhouden, en van avond tegen tien uur +zal Phineas Fletcher u verder brengen naar de naaste rustplaats--u +en de overigen van uw gezelschap. De vervolgers zijn dicht achter u; +wij moeten niet dralen." + +"Als dat zoo is, waarom dan tot van avond wachten?" + +"Over dag zijt gij hier veilig, want iedereen in het dorp is een vriend +en allen zijn wakende. Bovendien is het veiliger bij nacht te reizen." + + + + + +VEERTIENDE HOOFDSTUK. + +EVANGELINE. + + +De Mississippi! Hoe zijn als door een tooverstaf de tooneelen langs +dien stroom veranderd, sedert Chateaubriand zijne dichterlijke +beschrijving gaf van de rivier, voortrollende in een trotsche, +onafgebroken eenzaamheid, tusschen onbekende wonderen der planten- +en dierenwereld! + +Doch als in een uur is deze rivier van romaneske droomen in +eene nauwelijks minder romaneske en grootsche werkelijkheid +herschapen. Welke andere rivier van de wereld voert op hare golven +de schatten en voortbrengselen van nog zulk een land naar den +oceaan--van een land waar de natuur alles voortbrengt wat tusschen +de keerkringen en de polen te vinden is? Die troebele golven, die +bruisend en schuimend voortsnellen, zijn een gepast zinnebeeld van +dat voorthollende handelsgetij, over die wateren voortgedreven door +een menschengeslacht, driftiger dan de oude wereld er ooit een gezien +heeft! Ach, droegen zij maar ook niet eene akelige, schrikkelijke +vracht--de tranen der onderdrukten, de zuchten der hulpeloozen, +de bittere gebeden der arme, onkundige harten tot een onbekenden +God--onbekend, ongezien en zwijgend, maar die toch eens "zal komen +om al de armen der aarde te redden." + +De schuinsche stralen der ondergaande zon flikkeren over de breede +watervlakte der rivier; het trillende riet en de hooge donkere +cypressen, met kransen van nog donkerder mos behangen, gloeien in +het gouden licht, terwijl de zwaar beladen stoomboot voortvaart. + +Met stapels katoenbalen van menige plantage op het dek bevracht, +tot zij in de verte op een vierkanten, grijzen klomp gelijkt, drijft +zij log voorwaarts naar de naderende markt. Wij moeten eenigen tijd +op het volgepropte dek zoeken, eer wij onzen nederigen vriend Tom +wedervinden. Hoog op het bovendek, in een hoekje tusschen de alles +overstelpende katoenbalen treffen wij hem eindelijk aan. + +Gedeeltelijk door de aanbeveling van Mr. Shelby, gedeeltelijk door +zijn eigen, stil en onderworpen gedrag, had Tom in zekere mate zelfs +het vertrouwen van zulk een man als Haley gewonnen. + +In het eerst had deze hem over dag zorgvuldig in het oog gehouden +en des nachts nooit ongeboeid laten slapen; maar het geduld en +de schijnbare tevredenheid van Tom deden hem langzamerhand deze +voorzorgen nalaten, en sedert eenigen tijd was Tom als het ware een +gevangene op parool en mocht op de boot gaan waar hij wilde. + +Altijd stil en gedwee, en dan gewillig om de werklieden beneden +wanneer het noodig was te helpen, had hij de goede meening van al +het bootsvolk verworven, en sleet menig uur onder hen, medehelpende +aan hun werk met zulk eene hartelijke goedwilligheid, als waarmede +hij ooit in Kentucky op het veld had gearbeid. + +Als er niets voor hem te doen scheen te zijn, klom hij naar een hoekje +tusschen de katoenbalen op het bovendek, en hield zich bezig met in +zijnen Bijbel te lezen. Daar is het dan ook, dat wij hem nu vinden. + +Honderd of meer mijlen ver boven Nieuw-Orleans is de rivier hooger +dan het omliggende land en stuwt zij hare ontzaglijke watermassa +tusschen zware dijken van twintig voet hoogte voort. De reiziger op +het dek eener stoomboot overziet, als van den trans van een drijvend +kasteel, het geheele land mijlen ver in het rond. Tom zag dus in de +elkander opvolgende plantages een tafereel van het leven voor zich +dat hem wachtte. + +Hij zag de slaven aan hunnen arbeid; hij zag in de verte hunne dorpen +van hutten in lange rijen tusschen het plantsoen blinken, afgezonderd +van het statige huis en den tuin des meesters; en terwijl dit bewegende +schilderij hem voorbijschoof, keerde zijn kinderlijk hart terug naar +de hoeve in Kentucky met hare oude schaduwrijke beuken, naar het +huis van den meester met zijne ruime, koele zalen, en naar de hut +dicht daarbij met multiflora en bignonia begroeid. Daar scheen hij +de bekende gezichten zijner makkers te zien, die van hunne kindsheid +af met hem waren opgegroeid; hij zag zijne werkzame vrouw, bezig met +zijn avondmaaltijd gereed te maken, hij hoorde het vroolijk lachen +zijner jongens onder hun spel, en het kraaien van het wichtje op zijne +knie, en toen was met een gevoel van schrik alles verdwenen, en zag +hij weder de moerassen en cypressen van voorbijglijdende plantages, +en hoorde hij weder het knarsen en kraken der machinerie, hem maar +al te duidelijk zeggende dat zijn vroeger leven geheel voorbij was. + +In zulk een geval schrijft gij aan uwe vrouw en zendt gij boodschappen +aan uwe kinderen; maar Tom kon niet schrijven, de brievenpost had +voor hem geen reden van bestaan, en over de kloof der scheiding lag +geene brug, zelfs niet van een vriendelijk woord of teeken. + +Is het dan vreemd dat er eenige tranen op zijnen Bijbel vallen, +terwijl hij dien op de katoenbaal openslaat en met geduldigen vinger +langzaam van woord tot woord zijn weg zoekende, de bijbelsche beloften +naspoort? Daar hij laat had leeren lezen, las Tom zeer langzaam en +kwam slechts ten koste van moeite en tijd van vers tot vers. Gelukkig +was het voor hem dat het boek, hetwelk hij voor zich had, er een +is, waaraan langzaam lezen geen kwaad kan doen--integendeel, een +boek waarvan de woorden, gelijk goudstaven, dikwijls afzonderlijk +schijnen te moeten gewogen worden, eer het gemoed hunne waarde +recht kan vatten. Laten wij hem een oogenblik volgen, terwijl hij, +van woord tot woord wijzende en ieder woord halfluid uitsprekende, + +leest: + +"Uw--hart--worde--niet--ontroerd. +In--het--huis--mijns--Vaders--zijn--vele--woningen. Ik--ga--heen--om--u +plaats te--bereiden." + +Toen Cicero zijne lieveling, zijn eenige dochter begroef, had hij een +hart even vol van oprechte smart als dat van den armen Tom--misschien +niet voller, want beiden waren slechts menschen; maar Cicero kon +geene zulke plechtige woorden van hoop lezen, kon naar geene zulke +toekomstige hereeniging uitzien, en indien hij ze gelezen had, +zou het tien tegen een zijn geweest, dat hij ze niet had geloofd; +hij had zich eerst het hoofd moeten breken over de echtheid van het +geschrift en de nauwkeurigheid der vertaling. Maar voor den armen Tom +waren die woorden, gelijk hij ze daar las, juist wat hij noodig had, +zoo blijkbaar waar en goddelijk, dat zelfs de mogelijkheid van eene +twijfeling nooit in zijn eenvoudig hoofd opkwam. Zij moesten waar zijn; +want waren zij niet waar, hoe kon hij dan leven? + +Wat Toms Bijbel aangaat, hoewel deze geene aanteekeningen van geleerde +uitleggers op den kant had, was hij toch versierd met zekere merken en +aanwijzingen van Tom zelven, die hem meer hielpen dan de geleerdste +verklaringen zouden gedaan hebben. Het was zijne gewoonte geweest, +zich den Bijbel door de kinderen van zijnen meester te laten voorlezen, +inzonderheid door den jongeheer George; en terwijl zij lazen, teekende +hij met inktstrepen en figuren de plaatsen aan, die vooral zijne +ooren streelden of zijn hart troffen. Zijn Bijbel was zoo van het +begin tot het einde met allerlei teekens gemerkt, zoodat hij in een +oogenblik zijne geliefkoosde plaatsen kon vinden, zonder de moeite +van alles te spellen wat daartusschen stond; en terwijl het boek +daar voor hem lag met die aangeteekende plaatsen, die hem alle een +vroeger huiselijk tooneel of gelukkig oogenblik herinnerden, scheen +zijn Bijbel alles te zijn wat hem van dit leven was overgebleven, +zoowel als de belofte van een toekomstig leven. + +Onder de passagiers op de boot was een jong heer van vermogen en +aanzienlijke familie, die te Nieuw-Orleans woonde en den naam van +St.-Clare voerde. Hij had een dochtertje bij zich, tusschen de vijf en +zes jaren oud, en eene dame die op beiden betrekking scheen te hebben, +en de kleine bijzonder onder haar opzicht had. + +Tom had dit kleine meisje dikwijls even gezien, want het was een +van die levendige schepseltjes, die men evenmin op eene plaats kan +vasthouden als een zonnestraal of een zomerkoeltje, en ook was zij +een kind, dat men, als men haar eens had gezien, niet licht weder +vergeten kon. + +Hare gestalte was het volmaakte van kinderlijke schoonheid, zonder de +gewone plompheid van vormen. Zij had eene luchtigheid en liefelijkheid +zooals men zich een mythisch of allegorisch wezen zou voorstellen. + +Haar gezichtje was minder opmerkelijk door de volmaakte schoonheid der +trekken, dan door eene zonderlinge uitdrukking van peinzenden ernst, +welke iemand, die dieper doordacht, bijna deed schrikken als hij haar +aanzag, en zelfs op de botsten en minst nadenkenden indruk maakte, +zonder dat zij recht wisten waarom. De vorm van haar hoofd en de +houding van haren hals was bijzonder edel, en de lange bruine lokken, +die als eene wolk daaromheen zweefden, en de schrandere ernstigheid +harer donkerblauwe oogen--alles onderscheidde haar van andere kinderen, +en deed iedereen omkijken en haar aanzien als zij op de boot heen +en weder zweefde. Evenwel was de kleine niet wat men een ernstig +of zwaarmoedig kind had kunnen noemen. Integendeel, eene vroolijke +onschuldige dartelheid scheen, als de schaduw van zomergebladerte over +het kinderlijke gezichtje en om geheel hare gestalte te flikkeren. Zij +was altijd in beweging, altijd met een halven glimlach op de roode +lipjes, heen en weder huppelende met een luchtigen, zwevenden tred +bij zich zelve zingende, als in een genoegelijken droom. Haar vader +en hare bewaakster moesten haar gedurig naloopen; maar als zij haar +hadden opgevangen, verdween zij weder als een zomerwolkje, en daar +geen woord van berisping of streng verbod haar ooit in de ooren klonk +wat zij ook verkoos te doen, zwierf zij naar willekeur over de geheele +boot. Altijd in het wit gekleed, dwaalde zij op allerlei plaatsen rond, +zonder zich ooit vuil te maken; en er was geen hoekje boven of beneden, +waar dat romaneske hoofdje met gouden lokken en donkerblauwe oogen +zich niet liet zien. + +Wanneer de stoker van zijnen heeten arbeid opkeek, zag hij die oogen +somtijds met verbazing in de gloeiende diepte van het fornuis turen, +en dan met angst en medelijden naar hem omzien, alsof zij dacht dat +hij in vreeselijk gevaar verkeerde. Dan weder glimlachte de stuurman +aan het rad, als dat schilderachtige hoofdje op eens voor hem kwam en +in een oogenblik weder verdwenen was. Duizendmaal op een dag riepen +ruwe stemmen haar een vriendelijken zegenwensch toe, en gleed een +glimlach van ongewone zachtheid over stroeve gezichten; en wanneer +zij onbevreesd over gevaarlijke plaatsen trippelde, werden grove, +zwartberookte handen onwillekeurig uitgestoken om haar te redden of +een weg te banen. + +Tom, die de zachte, meewarige inborst van zijn goedaardig geslacht +had, dat zich altijd aan het onnoozele en kinderlijke hecht, sloeg dit +kleine meisje met dagelijks toenemende belangstelling gade. In zijne +oogen was zij bijna iets goddelijks; en wanneer haar gouden hoofdje met +de donkerblauwe oogen van achter eene grauwe katoenbaal te voorschijn +kwam, of over den rand van een stapel pakken op hem neerzag, geloofde +hij bijna dat hem een der engelen uit zijn Nieuw Testament verscheen. + +Dikwijls wandelde zij treurig om de plek rond, waar Haley's geboeide +troep van slaven en slavinnen zat. Somtijds sloop zij tusschen +hen in en zag hen met zekere bevreemding en treurigen ernst aan; +somtijds tilde zij met hare kleine handjes hunne ketenen op, en +zuchtte dan droevig, als zij weder heensloop. Verscheidene malen +stapte zij onverwachts tusschen hen met de handen vol kandijklontjes, +noten en sinaasappelen, die zij met blijdschap onder hen uitdeelde, +om dan weder heen te snellen. + +Tom sloeg dit dametje langen tijd gade, eer hij het waagde een stap +tot nadere kennismaking te doen. Hij wist eenvoudige middelen genoeg om +de gunst van kinderen te winnen en hen tot zich te lokken, en besloot +nu met voorzichtig overleg te werk te gaan. Hij kon aardige mandjes +van kersepitten snijden, groteske gezichten van noten, en koddige, +springende popjes van vlierpit vervaardigen; en hij was een Pan in +het maken van fluitjes van allerlei soort en grootte. Hij had zijne +zakken nog vol aardige kleinigheden, die hij in vroeger tijd voor de +kinderen van zijnen meester had opgezameld en thans met voorzichtige +spaarzaamheid een voor een te voorschijn haalde en als lokmiddelen +tot kennismaking en vriendschap aanwendde. + +In weerwil van al hare levendige belangstelling in hetgeen er om haar +heen voorviel, was het meisje schuw en niet gemakkelijk te temmen. Een +tijdlang bleef zij als een vogeltje op eene kist of baal dicht bij +Tom zitten, en nam van hem zoo, met zekere schroomvalligheid en +beschaamdheid de kleinigheden aan die hij haar aanbood. Eindelijk +kwamen zij echter op een zeer vertrouwelijken voet met elkander. + +"Hoe heet het kleine juffertje," vroeg Tom toen hij meende ver genoeg +te zijn gekomen om zulk eene vraag te doen. + +"Evangeline St.-Clare," antwoordde de kleine, "hoewel papa en iedereen +mij Eva noemen. En hoe heet gij nu?" + +"Mijn naam is Tom, en de kleine kinderen, daar heel ver in Kentucky, +plachten mij Oom Tom te noemen." + +"Dan wil ik u ook Oom Tom noemen, omdat ik van u houd, weet ge," +zeide Eva. "Dus Oom Tom waar gaat gij naar toe?" + +"Dat weet ik niet, jongejuffrouw Eva." + +"Weet gij dat niet?" + +"Neen. Ik zal aan iemand verkocht worden en ik weet niet aan wien." + +"Mijn papa kon u wel koopen," zeide Eva snel; "en als hij u koopt, +zult gij goede dagen hebben. Ik zal het hem vragen, vandaag nog." + +De boot bleef nu stilliggen om hout in te nemen, en toen Eva de stem +van hare vader hoorde, huppelde zij heen. Tom ging naar voren, om zijn +dienst aan te bieden bij het hout inladen en was spoedig daarbij aan +het werk. + +Eva en haar vader stonden bij het dek om de boot te zien afsteken, +en het rad had een paar malen omgedraaid, toen door eene onverwachte +beweging de kleine Eva het evenwicht verloor en over den kant in het +water stortte. Haar vader, nauwelijks wetende wat hij deed, wilde +haar terstond naspringen, maar werd door de lieden, die achter hem +stonden en zagen dat het kind reeds betere hulp kreeg, vastgehouden. + +Tom stond vlak onder haar op het benedendek [6] toen zij viel. Hij zag +haar in het water plompen en zinken en sprong haar oogenblikkelijk +achterna. Het kostte den forsch gespierden zwemmer geene de minste +moeite, een korte poos te blijven drijven, tot het kind weder +bovenkwam; toen greep hij de kleine, zwom naar de boot, en reikte haar +druipende aan de honderden handen toe, die, alsof zij aan één persoon +behoorden, werden uitgestoken om haar aan te nemen. Nog eene korte +poos en haar vader droeg haar bewusteloos naar de dameskajuit, waar, +gelijk in zulke omstandigheden meestal het geval is, een welmeenende +wedstrijd ontstond, wie het meest zou doen om noodelooze opschudding +te maken, en het herstel der kleine drenkelinge op alle mogelijke +manieren te verhinderen. + +Des anderen daags, met zoel en benauwd weder, naderde de stoomboot +Nieuw-Orleans. Een algemeen gewoel van toebereidselen om te landen +heerschte op de boot. In de kajuit was deze en gene bezig met reeds +zijn goed bijeen te zoeken; en de hofmeester en de kamermeid waren +met nog anderen aan het schoonmaken, boenen en poetsen, opdat de +prachtige boot in volle staatsie zou aankomen. + +Op het benedendek zat onze vriend Tom met zijne armen over elkander, +en keek van tijd tot tijd angstig naar een groep aan den anderen kant +van de boot. + +Daar stond de bevallige Evangeline, een weinig bleeker dan den vorigen +dag, maar anders zonder eenig spoor van het ongeluk dat haar getroffen +had. Een welgemaakt en welgekleed jongman stond naast haar, met den +elleboog leunende op een katoenbaal, waarop eene portefeuille was +nedergelegd. Het was met een enkelen blik duidelijk te zien, dat +die heer Eva's vader was. Hij had denzelfden edelen gelaatsvorm, +dezelfde blauwe oogen, hetzelfde goudachtig bruine haar, maar de +uitdrukking was toch geheel verschillend. In de heldere blauwe +oogen ontbrak, hoewel teekening en kleur volkomen overeenstemden, +die peinzende, mijmerende uitdrukking: alles was licht en helder, +maar het was een licht geheel van deze wereld; de fraai besneden +mond had eene trotsche, eenigszins spottende uitdrukking, terwijl +zeker gevoel van meerderheid, ongedwongen aan den dag gelegd, in +al zijne bewegingen doorstraalde. Hij luisterde met onverschillige +vriendelijkheid, waarin zekere schertsende minachting doorstraalde, +naar Haley, die met groote woordenrijkheid uitweidde over de goede +hoedanigheden van een artikel dat hij te koop had. + +"Alle zedelijke en christelijke deugden compleet, in zwart marokijn +gebonden," zeide hij, toen Haley eindelijk zweeg. "En nu, goede +man, kortaf, wat moet dat ding nu kosten? Voor hoeveel zult gij mij +beetnemen? Spreek maar op!" + +"Wel," antwoordde Haley, "als ik dertienhonderd dollars voor dien kerel +zeide, zou ik maar juist geene schade hebben, dat zou ik waarlijk." + +"Arme man," zeide de ander, zijne scherpe, spottende oogen op hem +vestigende. "Maar ik geloof dat ge mij hem daarvoor toch geven zoudt, +uit bijzondere achting voor mij?" + +"Wel, de jongejuffrouw schijnt op hem gesteld te zijn, dat is +natuurlijk genoeg." + +"O, zeker, dat is een beroep op uwe welwillendheid mijn vriend. Zeg +nu eens uit christelijke menschlievendheid hoe goedkoop zoudt ge hem +kunnen geven om eene jonge juffrouw pleizier te doen, die bijzonder +op hem gesteld is?" + +"Wel, denk er eens over," zeide de handelaar. "Kijk eens naar die +beenen--en wat een breede borst, zoo sterk als een paard. Zie eens naar +dat hoofd; die hooge voorhoofden teekenen altijd schrandere negers, +van wien men alles gedaan kan krijgen. Dat heb ik opgemerkt. Nu +is een neger van zulke makelij al een goede som waard, alleen, mag +men wel zeggen, voor zijn lichaam, al is hij dom; maar als men nu +zijne verstandelijke vermogens er bij rekent--en ik kan bewijzen, +dat die buitengemeen zijn--dan moet hij natuurlijk hooger komen. Ik +kan u zeggen, die kerel heeft de geheele hoeve van zijn meester +bestuurd. Hij heeft een overleg zooals men weinig vindt." + +"Dat is erg, heel erg. Dan weet hij veel te veel," zeide St.-Clare met +denzelfden spottenden glimlach. "Die knappe kerels loopen gedurig weg +en stelen paarden, en spelen over het geheel den drommel. Mij dunkt, +gij moest er een paar honderd afnemen, omdat hij knap is." + +"Wel, daar zoudt ge wel eenigszins gelijk in kunnen hebben, als het +niet om zijn karakter was; maar ik kan u recommandatiën van zijnen +meester en anderen laten zien, om te bewijzen dat hij een van de +vromen is--zoo nederig en vroom als gij er ooit een gezien hebt. Men +noemde hem zelfs een prediker in die streek waar hij vandaan komt." + +"Dan zou ik hem misschien voor huiskapelaan kunnen gebruiken," zeide +St.-Clare droogjes. "Geen kwade inval. De godsdienst is bij ons in +huis eene bijzonder schaarsche waar." + +"Nu steekt gij er den gek mede." + +"Hoe weet gij dat? Hebt gij mij niet verzekerd dat hij een prediker +was? Is hij door een synode of concilie geëxamineerd? Kom, laat uwe +papieren maar eens zien." + +Als de handelaar niet door zekere flikkering in de groote blauwe +oogen verzekerd was geworden, dat al dat schertsen eindelijk toch +op een koop zou uitloopen, zou hij misschien wel wat ongeduldig zijn +geworden; maar thans legde hij zijn portefeuille op een baal katoen +en zocht met ijver eenige papieren daaruit op terwijl de ander met +een onverschillig spottend gezicht bleef staan toekijken. + +"O, Papa, koop hem toch! Het komt er immers niet opaan wat gij +betaalt," fluisterde Eva, nadat zij op een pak was geklommen en haar +arm om heur vaders hals had geslagen. "Gij hebt geld genoeg, dat weet +ik wel; en ik wou hem hebben." + +"Waarom, poesje? Zult ge hem als hobbelpaard gebruiken, of wat wilt +ge met hem doen?" + +"Ik wil hem gelukkig maken." + +"Dat is zeker eene origineele reden." + +Nu gaf de handelaar een certificaat over, met den naam van Shelby +onderteekend, hetwelk St.-Clare met de toppen zijner lange vingers +aannam en onverschillig doorkeek. + +"Eene fatsoenlijke hand," zeide hij, "en goed gespeld ook. Maar van +zijne godsdienstigheid ben ik toch nog niet zeker," vervolgde hij, +terwijl het spotachtige flikkeren in zijn oog terugkwam. "Het land +wordt bijna geruïneerd door de vrome blanken. Bij de verkiezingen voor +kerk en staat ziet men zooveel vroomheid, dat iemand niet weet wie hem +nog het meest zal foppen. Dan weet ik ook niet of de godsdienstigheid +nu wel hoog aan de markt is. Ik heb in lang niet in de courant gezien +hoeveel zij geldt. Hoeveel honderd dollars hebt gij er wel voor zijne +godsdienstigheid opgelegd?" + +"Gij steekt er den gek nu maar mee," antwoordde de handelaar; "maar +gij hebt toch wel eenigszins gelijk. Ik weet wel dat er verschil in +godsdienstigheid is. Sommige soorten zijn ellendig; men heeft vroomheid +die in praten, zingen en bulderen bestaat, en die tel ik niet bij +blanken of bij negers. Maar dit is de echte soort; en die heb ik even +dikwijls bij negers gezien als bij iemand anders, die stille, eerlijke, +oprechte, gestadige godsdienstigheid van zulke vromen, die de geheele +wereld niet zou kunnen verleiden om iets te doen dat zij voor kwaad +hielden; en gij ziet in dien brief wat Toms oude meester van hem zegt." + +"Welnu," zeide St.-Clare ernstiger, "als gij mij verzekeren kunt +dat ik deze soort van vroomheid werkelijk kan koopen en dat zij in +het boek daar boven op mijne rekening zal worden gezet, als iets +dat mij toebehoort, wil ik er niet op zien om er iets extra voor te +betalen. Wat zegt gij?" + +"Ja, dat kan ik werkelijk niet doen," antwoordde Haley. "Ik denk dat +daar ginder ieder op zijn eigen wieken zal moeten drijven." + +"Het is wel hard voor iemand, die voor godsdienstigheid extra +betaalt, dat hij ze niet kan laten gelden in het land waar hij ze +meest zou noodig hebben, vindt ge niet?" hervatte St.-Clare, en +zocht al sprekende eenige banknoten uit. "Daar, tel uw geld maar, +oude jongen," vervolgde hij, de banknoten aan Haley overgevende. + +"In orde," zeide Haley met een gezicht dat van blijdschap straalde; +hij haalde daarop een inktkoker uit en ging een koopbrief invullen, +dien hij vervolgers aan St.-Clare overgaf. + +"Het zou mij benieuwen," zeide deze, "als ik eens verdeeld en +geïnventariseerd werd, hoeveel ik wel zou opbrengen. Zeg zooveel voor +den vorm van mijn gezicht, zooveel voor een hoog voorhoofd, zooveel +voor armen, handen en beenen; zooveel voor beschaving, kundigheden, +talenten en godsdienst. Och, dat laatste artikel zou weinig uitmaken, +denk ik. Maar kom, Eva," vervolgde hij, nam zijn dochtertje bij de +hand en stapte met haar de boot over. + +"Kijk eens op, Tom," zeide hij vriendelijk en tikte Tom even met den +vinger onder de kin; "en zie hoe uw nieuwe meester u bevalt." + +Tom zag op. Het was onmogelijk dat vroolijke, jeugdige, wel besneden +gezicht zonder welgevallen aan te zien, en Tom voelde de tranen in +zijne oogen komen toen hij hartelijk zeide: + +"God zegene u, meester." + +"Wel, ik hoop dat Hij het doen zal. Misschien zal Hij het op uw +vragen nog eer doen dan op het mijne, naar al wat ik hoor. Kunt ge +rijden, Tom?" + +"Ik ben altijd met paarden gewend geweest," antwoordde Tom. "Mijnheer +Shelby fokte er veel aan." + +"Welnu, ik geloof dat ik u op eene koets zal zetten, Tom, onder +voorwaarde dat ge niet meer dan eens in de week dronken zijt, behalve +in geval van groote noodzakelijkheid." + +Tom keek verwonderd en eenigszins beleedigd op en antwoordde: +"Ik drink nooit, meester." + +"Dat heb ik meer hooren zeggen, Tom: maar wij zullen zien. Het zal +een bijzonder gemak wezen voor allen wie het aangaat, als het waar +is. Trek het u maar niet aan, jongen," vervolgde hij vriendelijk, +toen hij zag dat Tom nog ernstig keek: "ik twijfel er niet aan of +gij meent het goed." + +"Zeker doe ik dat, meester," zeide Tom. + +"En gij zult goede dagen hebben," zeide Eva nu. "Papa is heel goed +voor alle menschen, maar hij wil ze maar altijd uitlachen." + +"Papa is u zeer verplicht voor uwe recommandatie," zeide St.-Clare +lachende, keerde zich om en ging heen. + + + + + +VIJFTIENDE HOOFDSTUK. + +OVER TOMS NIEUWEN MEESTER EN VERSCHEIDENE ANDERE DINGEN. + + +Daar de levensdraad van onzen nederigen held thans met dien van hoogere +personen wordt samengestrengeld, is het noodig den lezer eenigszins +met hen te doen kennis maken. + +Augustine St.-Clare was de zoon van een rijken planter in +Louisiana. De familie was uit Canada afkomstig. Van twee broeders, +weinig verschillende in karakter en temperament, had de eene zich +op eene vruchtbare hoeve in Vermont nedergezet, de andere was een +welgesteld planter in Louisiana geworden. De moeder van Augustine +was eene protestantsche Fransche dame, wier familie in vroeger tijd +naar Louisiana was verhuisd. Augustine en zijn broeder waren de +eenige kinderen hunner ouders. Daar hij van zijne moeder eene zwakke +gezondheid had geërfd, werd hij op dringenden raad van geneesheeren in +zijne kindsheid voor vele jaren naar zijnen oom in Vermont gezonden, +opdat zijn gestel door een kouder klimaat versterkt zou worden. + +In zijne kindsheid onderscheidde hij zich door eene buitengemeene +gevoeligheid, meer grenzende aan de zachtheid der vrouw, dan aan de +gewone hardheid van zijn eigen geslacht. De tijd deed echter deze +zachtheid met eene ruwe schors overgroeien, en weinigen wisten hoe +levendig en frisch zij nog daaronder lag. Zijne talenten waren van +den eersten rang, hoewel hij steeds eene voorkeur voor het ideale +en de schoone kunsten aan den dag legde, en dien tegenzin voor de +bezigheden van het werkelijke leven koesterde, die een gewoon gevolg +van zulk eene gemoedsgesteldheid is. Kort nadat hij zijne studiën had +volbracht, werd zijne geheele ziel door een romanesken hartstocht in +vlam gezet. Zijn uur kwam--het uur dat maar eenmaal komt; zijne ster +rees aan den horizon--die ster, die zoo dikwijls vruchteloos opgaat, +om naderhand slechts de herinnering van een droom te zijn; en voor hem +ging zij vruchteloos op. Om onverbloemd te spreken, hij zag in een der +Noordelijke staten een schoon en edelaardig meisje, won hare liefde en +zij werden verloofd. Hij keerde naar het Zuiden terug om beschikkingen +voor hun huwelijk te maken, toen geheel onverwachts zijne brieven hem +werden teruggezonden, met een kort briefje van haren voogd, dat eer +dit hem bereikte de dame de vrouw van een ander zou zijn. Razend van +spijt, hoopte hij vruchteloos, gelijk zoo menig ander gedaan heeft, de +geheele zaak met eene wanhopige inspanning van zich af te werpen. Te +trotsch om opheldering te vragen, stortte hij zich terstond in de +draaikolk der modewereld; veertien dagen na het ontvangen van dien +noodlottigen brief was hij de verklaarde minnaar der heerschende +_belle_ van het seizoen, en zoodra de noodige schikkingen konden +gemaakt worden, werd hij de echtgenoot van een sierlijk figuurtje, +een paar fraaie zwarte oogen en honderdduizend dollars. Natuurlijk +hield iedereen hem voor een gelukkig man. + +Het jonge paar was nog in de wittebroodsweken en onthaalde op hunne +prachtige villa bij het meer Pontchartrain een schitterenden kring +van vrienden, toen hem een brief werd gebracht van die welbekende +hand. Hij ontving dit geschrift te midden van een vroolijk gesprek, in +eene zaal vol gezelschap. Zoodra hij de hand herkende verbleekte hij, +maar hij bleef toch bedaard en zette een schertsenden woordenstrijd +voort met eene dame, die tegen over hem zat. Eene korte poos later +miste men hem uit den kring. In zijne kamer alleen zijnde opende en +las hij den brief, nu erger dan nutteloos. Hij kwam van haar en gaf +hem een wijdloopig verslag van de kunstgrepen, die de familie van +haren voogd had gebezigd om haar tot een huwelijk met zijnen zoon +te bewegen. Zij verhaalde hoe zij in langen tijd geene brieven meer +van hem had ontvangen, hoe zij verscheidene malen geschreven had tot +zij dit moede werd en aan hem begon te twijfelen, hoe hare gezondheid +onder hare bekommeringen was bezweken, en hoe zij eindelijk het geheele +bedrog had ontdekt dat men tegen hen beiden had gepleegd. De brief +eindigde met uitdrukkingen van hoop en dankbaarheid en betuigingen +van eeuwige liefde, die thans voor den ongelukkigen man bitterder +dan de dood waren. Hij schreef haar onmiddellijk: + +"Ik heb den uwe ontvangen, maar te laat. Ik geloofde alles +wat ik hoorde. Ik was wanhopig. _Ik ben getrouwd_ en alles is +voorbij. Vergeten--dit is het eenige wat ons beiden overblijft." + +En zoo eindigde al het romaneske in het leven van Augustine +St. Clare. Doch het werkelijke bleef over--het werkelijke, gelijk +het slijk dat op den oever blijft liggen, wanneer de heldere golven, +met haar gezelschap van snelle booten en wit gevleugelde schepen, +met de muziek van roeislagen en kabbelend water is afgeloopen--en +lag daar koud, afzichtelijk en akelig voor hem. + +Het spreekt vanzelf, in een roman breekt iemand dan het hart, hij +sterft en daarmede is het gedaan, en in een verhaal is dat zeer +gemakkelijk. Maar in het werkelijke leven sterft iemand nog niet, +wanneer alles wat het leven dierbaar maakte voor hem gestorven is. Hij +heeft dan nog een drukken en gewichtigen kringloop over van eten, +drinken, kleeden, wandelen, visites doen, koopen, verkoopen, praten, +lezen en alles wat te zamen datgene uitmaakt, wat men gewoonlijk +_leven_ noemt; en dit bleef ook voor Augustine nog over. Indien +zijne vrouw eene echte vrouw geweest was, had zij nog iets kunnen +doen--gelijk vrouwen dat kunnen--om de gebroken levensdraden weder aan +te knoopen en met de hare tot een schoon geheel samen te weven. Doch +Marie St.-Clare kon niet eens zien dat zij gebroken waren. Gelijk +vroeger gezegd is, bestond zij uit een sierlijk figuurtje, een +paar fraaie oogen en honderdduizend dollars, en geen van die drie +bestanddeelen waren juist geschikt om een krank gemoed te genezen. + +Toen men Augustine, doodsbleek en eene plotselinge hoofdpijn als +reden zijner ongesteldheid voorwendende, op de sofa vond liggen, +raadde zij hem aan om hertshoorn te ruiken; en toen de bleekheid +en de hoofdpijn week op week aanhielden, zeide zij slechts dat zij +nooit gedacht had dat Mr. St.-Clare ziekelijk was, maar dat hij zeer +aan hoofdpijn onderhevig scheen te zijn en dat dit een ongelukkig +ding voor haar was, dewijl hij dan geen vermaak had om met haar naar +gezelschappen te gaan, en het raar voor haar stond zooveel alleen +uit te gaan, nu zij zoo pas getrouwd waren. Augustine was heimelijk +blijde dat hij eene zoo weinig scherpziende vrouw had getrouwd; maar +toen het vernis der wittebroodsweken was afgesleten, ontdekte hij, +dat eene schoone jonge vrouw, die al haar leven gewoon was gevleid en +gediend te worden, in het huiselijk leven wel eens een harde meesteres +kon blijken te zijn. Marie had nooit veel vatbaarheid voor liefde +of teergevoeligheid bezeten, en het weinige dat zij daarvan had, +was in eene uitsluitende en onwillekeurige eigenliefde overgegaan, +eene eigenliefde des te hopeloozer, omdat zij zoo geheel blind was +en geene andere rechten kon gewaar worden dan hare eigene. Van hare +kindsheid af was zij door dienstboden omringd geweest, die alleen +leefden om op hare grillen te letten; het denkbeeld dat ook zij gevoel +of rechten hadden, was haar nooit zelfs maar in de verte voor den geest +gekomen. Haar vader, wiens eenig kind zij geweest was, had haar nooit +iets geweigerd dat binnen het bereik der mogelijkheid lag; en toen +zij als een schoon en rijk meisje de wereld intrad, kwamen natuurlijk +alle mannen, die haar voor een goede partij hielden, aan haar voeten +zuchten, en twijfelde zij niet of Augustine moest zich zeer gelukkig +achten dat hij hare hand verwierf. Het is eene groote vergissing dat +eene vrouw zonder vatbaarheid voor liefde, daarom minder gehechtheid +van een minnaar of echtgenoot zal eischen. Niemand op aarde dwingt +met minder barmhartigheid de liefde van anderen af, dan eene door +en door eigenlievende vrouw; en hoe beminnelijker zij wordt, des te +strenger en ijverzuchtiger wil zij de liefde, waarop zij recht meent +te hebben, tot den laatsten penning toe invorderen. Toen dus St.-Clare +die galanterieën en kleine oplettendheden begon te verzuimen, waarvan +hij als minnaar de gewoonte had aangenomen, vond hij zijne sultane +geenszins gewillig om van haren slaaf afstand te doen, en er kwamen +tranen, kwade buien, kleine onweders, verdrietelijkheden en verwijten +in overvloed. St.-Clare was goedhartig en vredelievend, en poogde zich +met presentjes en vleierijen los te koopen; en toen Marie moeder van +eene schoone dochter werd, voelde hij inderdaad voor eene poos iets +dat naar teederheid geleek ontwaken. + +St.-Clare's moeder was eene vrouw geweest van buitengewoon verstand en +reinheid van wandel, en hij gaf dit kind den naam zijner moeder, zich +vleiende met de hoop dat het geheel haar evenbeeld zou worden. Dit +werd door zijne vrouw met wrevelige jaloezie opgemerkt, en zij +sloeg de teedere liefde van hare echtgenoot, voor zijne dochter +met wangunst en achterdocht gade; alles wat de kleine werd gegeven, +scheen haar zelve te worden ontnomen. Na de geboorte van het kind +verzwakte hare gezondheid langzamerhand. Een leven van volslagen +werkeloosheid naar het lichaam en den geest--het uitputtende van +gedurige verveling en ontevredenheid, vereenigd met de verzwakking, +welke het kraambed naliet--dat alles veranderde in den loop van +weinige jaren de bloeiende, jonge schoone in eene gele, verwelkte, +ziekelijke vrouw, die haar tijd tusschen de zorgen voor eene menigte +ingebeelde kwalen verdeelde, en zich zelve in alle opzichten voor de +ongelukkigste en meest verwaarloosde lijderes op de wereld hield. + +Er kwam geen eind aan haar klagen; maar de kwaal, waarvan zij het +meeste werk maakte, scheen eene stompe hoofdpijn te zijn, welke +haar drie dagen van de zes in hare kamer hield. Daar natuurlijk +alle huiselijke beschikkingen en bezigheden aan dienstboden +werden overgelaten, vond St.-Clare zijn huishouden alles behalve +plezierig. Zijne eenige dochter was zeer teeder van gestel en hij +vreesde dat, zonder iemand om voor haar te zorgen en haar op te passen, +hare gezondheid en zelfs haar leven zou gevaar loopen, dewijl hare +moeder zich zoo weinig aan haar liet gelegen liggen. Hij had haar +medegenomen op een reisje naar Vermont, en zijne nicht Miss Ophelia +St.-Clare overgehaald om met hem naar zijne woonplaats in het Zuiden +terug te keeren. Zoo kwamen zij te zamen op de boot waarop wij hen +aan onze lezers hebben voorgesteld. + +Terwijl de koepels en de torens van Nieuw-Orleans in de verte voor +ons oprijzen, hebben wij nog tijd om Miss Ophelia te introduceeren. + +Wie in Nieuw-Engeland heeft gereisd, zal zich wel in een of ander +de groote hoeve herinneren met de zindelijke werf, beschaduwd door +het dichte gebladerte van suikermastboomen, en zich daarbij nog wel +kunnen voorstellen welk een geest van orde en kalmte, van duurzaamheid +en onverstoorbare rust de geheele plaats scheen te ademen. Niets +verwaarloosd, niets ongeregeld, geene lat los in de schutting, +geen het minste vuil op de begraasde werf met hare seringenboschjes +die onder de vensters opgroeien. In het huis zal hij zich de ruime, +zindelijke kamers herinneren, waar nooit iets schijnt gedaan te worden +of te zullen gedaan worden, waar alles voor altijd stijf op zijne +plaats staat, en alle huiselijke bezigheden met de regelmatigheid der +oude klok in den hoek afloopen. In de grootste kamer zal hij zich +de deftige boekenkast met glazen deuren herinneren, waarin Rollins +Geschiedenis, Miltons Paradijs Verloren, Bunyans Christens Reize, +Scotts Huisbijbel en andere deftige boeken geregeld naast elkander +staan. Er zijn geene dienstboden in huis; maar de huisvrouw, met hare +sneeuwwitte muts en haar bril op, die daar elken namiddag onder hare +dochters zit te naaien, alsof er niets gedaan was--zij heeft met deze +meisjes in den lang vergeten vroegen ochtend "den boel beredderd," +en voor het overige van den tijd, waarschijnlijk op alle mogelijke +uren dat gij kunt inkomen, is hij "aan kant." De keukenvloer schijnt +nooit een vlek te krijgen, de stoelen, ja zelfs de potten en pannen, +schijnen nooit van hunne plaats te komen, hoewel daar drie en somtijds +vier maaltijden daags gereedgemaakt worden, hoewel al het linnen daar +gewasschen en gestreken wordt, en hoewel tal van ponden boter en kaas +daar op zekere stille, geheime manier tot aanzijn worden gebracht. + +Op zulk eene hoeve, in zulk een huis en zulk gezin, had Miss Ophelia +een rustig leven van omtrent vijf en veertig jaren gesleten, toen haar +neef haar verzocht om met hem mede te komen naar zijne woonplaats in +het Zuiden. Hoewel de oudste van een talrijke familie, werd zij door +haren vader en hare moeder nog als een van de kinderen beschouwd, en +het voorstel dat zij naar Orleans zou gaan, was voor den huiselijken +kring van groot gewicht. Haar grijze vader nam den atlas van Morse +uit de boekenkast om nauwkeurig de ligging na te zien, en las Flints +Reizen in het Zuiden en Westen nog eens na, om over den aard van het +land te oordeelen. + +De goede moeder vroeg angstig of Orleans niet "eene ontzettend +goddelooze plaats" was en zeide, dat het haar voorkwam bijna gelijk +te staan met naar de Sandwich-eilanden of ergens anders onder de +heidenen te gaan. + +Het werd bij den dominee, bij den dokter en bij Miss Peabody, de +wollenaaister, bekend, dat Ophelia St.-Clare er over praatte, om met +haren neef naar Orleans te gaan, en natuurlijk kon het geheele dorp +niet minder doen dan er mede over helpen praten. De dominee, die tot +de abolitionistische begrippen overhelde, twijfelde of zulk een stap +de Zuiderlingen niet eenigszins in het stelsel der slavernij zou +kunnen steunen; terwijl de dokter, die een ijverig colonisationist +was, tot het gevoelen overhelde dat Miss Ophelia behoorde te gaan, +om de lieden van Orleans te toonen dat zij toch zoo slecht niet over +hen dachten. Toen het echter volkomen zeker was dat zij gaan zou, +werd zij veertien dagen achtereen door alle vriendinnen en geburinnen +op de thee gevraagd, en bij die gelegenheid werden hare plannen en +vooruitzichten naar behooren onderzocht en besproken. Miss Mosely, +die aan huis kwam om te helpen naaien, kon dagelijks nieuwe berichten +geven aangaande den voorraad van onder- en bovengoed dien Miss Ophelia +zou medenemen. Men vernam aldus, dat de oude Sinclare, gelijk zijn +naam gewoonlijk werd samengetrokken, zijne dochter vijftig dollars +had gegeven, met vrijheid daarvoor te koopen wat zij noodig achtte, +en dat men twee nieuwe zijden japonnen en een hoed van Boston had +laten komen. Over het voegzame van zulke buitengewone onkosten waren +de stemmen van het publiek verdeeld; sommigen zeiden dat men, alles +in aanmerking genomen, voor eene enkele maal zoo iets wel doen mocht; +en anderen beweerden dat men het geld liever aan de zendelingen had +moeten geven; maar allen kwamen daarin overeen, dat men nog nooit +zulk een parasol had gezien als er uit Nieuw-York was gekomen, en +dat de eene zijden japon heel wel in staat was om alleen op zich +zelven te staan, wat men ook in dit opzicht van de eigenares mocht +zeggen. Er liepen ook geloofwaardige geruchten van gestikte zakdoeken; +en men wilde zelfs zeggen dat Miss Ophelia één zakdoek had, rondom +met kant bezet--sommigen voegden er ook bij met geborduurde hoeken; +maar dit laatste punt werd nooit geheel uitgemaakt en blijft tot +heden toe onbeslist. + +Miss Ophelia, gelijk gij haar nu ziet, staat voor u in een reisgewaad +van blinkend bruin linnen, rijzig, beenderig en hoekig van figuur. Haar +gezicht was mager en had tamelijk scherpe trekken; de lippen waren +dichtgeknepen, gelijk van iemand die gewoon is over alle voorkomende +dingen terstond eene beslissende meening op te vatten, terwijl hare +donkere oogen een bijzonder bedachtzaam zoekenden blik hadden, en +over alles heen en weder gingen, alsof zij naar iets zochten waarop +gelet en gepast moest worden. + +Al hare bewegingen waren snel, vast en krachtig, en hoewel zij nooit +veel sprak, waren, wanneer zij dit deed, hare woorden altijd bijzonder +puntig en bondig. + +In hare gewoonten en manieren was zij de orde, regelmatigheid en +nauwkeurigheid in eigen persoon. Zij paste op haren tijd met de +juistheid van eene klok en de onverbiddelijkheid van een spoortrein, +en voor alles wat zich niet aan zulk een regel hield, koesterde zij +evenveel minachting als afkeer. + +De allergrootste zonde in hare oogen--de som van alle kwaad--werd +aangeduid door eene veel gebezigde en zeer gewichtige uitdrukking +in haar woordenboek;--"onbeholpenheid." Haar ultimatum van afkeuring +bestond in het nadrukkelijk uitspreken van het woord "onbeholpen;" en +daarmede bestempelde zij alle bedrijven en manieren van handelen die +niet duidelijk en rechtstreeks op een bepaald doel afgingen. Menschen, +die niets deden of niet recht wisten wat zij deden, of niet den +kortsten weg namen om uit te voeren wat zij begonnen, waren voorwerpen +van hare diepe verachting, eene verachting, welke zij doorgaans minder +toonde door iets dat zij zeide, dan wel door zekere steenachtige +norschheid van uitzicht, alsof zij het beneden zich achtte iets van +de zaak te zeggen. + +Wat hare verstandsontwikkeling betrof, zoo had zij een helder en +krachtig oordeel, was welbelezen in de geschiedenis en de oudere +Engelsche klassieke schrijvers, en redeneerde zeer juist binnen zekere +beperkte grenzen. Haar godgeleerde stellingen waren alle in den meest +bepaalden en duidelijken vorm gebracht, en werden zoo bewaard gelijk +de pakjes garen in haar naaikistje: er waren juist zooveel en er +moest nooit eene meer zijn. Zoo was het ook gelegen met hare meeste +denkbeelden over wereldsche zaken, bij voorbeeld over het huishouden +in al zijne takken, en de politieke aangelegenheden van het dorp harer +geboorte. Doch onder dat alles, dieper, breeder en hooger dan iets +anders, lag het krachtigste beginsel van haar gemoed--nauwgezetheid +van geweten. Nergens heerscht het geweten zoo geheel en boven alles, +als bij de vrouwen van Nieuw-Engeland. Het is de granietformatie +welke het diepste ligt, en toch zelfs tot aan de toppen der hoogste +bergen oprijst. + +Miss Ophelia was de slavin van het "moeten." Wanneer het haar eens +duidelijk bleek, "dat de baan van haren plicht," gelijk zij het +gewoonlijk uitdrukte, in zekere richting lag, konden vuur en water +haar niet daarvan doen afwijken. Zij zou recht op een afgrond of op +de tromp van een geladen kanon zijn afgegaan, indien zij maar zeker +was geweest dat de baan van haren plicht daarheen voerde. Haar regel +van recht en plicht was zoo verheven, zoo alles omvattend, ging tot +in zulke kleine bijzonderheden en kende zoo weinig oogluiking voor +menschelijke zwakheden, dat zij, hoewel zij met heldhaftigen ijver +naar haar eigen ideaal streefde, dien toch nooit bereiken kon, en +daardoor natuurlijk steeds een kwellend gevoel van hare tekortkomingen +met zich omdroeg. Dit gaf hare godsdienstige stemming eene strenge +en eenigszins sombere kleur. + +Maar hoe in de wereld kan Miss Ophelia met Augustine St.-Clare te +recht komen--een vroolijk, onbezorgd, lichtzinnig, vergeetachtig, +ongodsdienstig jongmensch, die met onbeschaamde vrijpostigheid tegen +al hare geliefkoosde meeningen en gewoonten aanloopt? + +Om dan de waarheid te zeggen, Miss Ophelia had hem lief. Toen hij nog +een kind was, was zij het die hem zijnen catechismus moest leeren, +zijne kleeren verstellen, zijne haren kammen, en over het geheel hem +onder opzicht en bedwang houden; en daar haar hart ook een warmen kant +had, was het Augustine gelukt zich een groot gedeelte daarvan toe te +eigenen, en zoo was het hem niet moeielijk geweest haar te overreden, +dat "de baan van haren plicht" in de richting van Nieuw-Orleans lag, +en dat zij met hem mede moest gaan om op Eva te passen, en te zorgen +dat niet alles door de bestendige ziekelijkheid zijner vrouw in de war +liep en hij eindelijk geruïneerd werd. Het denkbeeld van een huishouden +zonder iemand om er op te passen, ging haar aan het hart; dan had zij +ook de innemende Eva lief gekregen, gelijk weinige menschen konden +laten; en hoewel zij Augustine voor een halven heiden hield, had zij +hem toch lief, lachte over zijne grappen, en verdroeg zijne gebreken +zelfs in eene mate, welke diegenen die hem kenden geheel ongelooflijk +voorkwam. Doch wat er meer of anders van Miss Ophelia geweten moet +worden, zal de lezer wel door persoonlijke kennismaking ontdekken. + +Daar zit zij nu op de stoomboot in haar kamertje, omringd door een +aantal groote en kleine reiszakken, doozen en manden, die alle iets +bevatten waarvoor zij verantwoordelijk is, met een zeer ernstig +gezicht vast te binden, toe te sluiten en bijeen te pakken. + +"Wel, Eva, hebt gij nu uw goed nageteld? Neen, zeker niet--kinderen +denken daar nooit om. Daar is de geruite reiszak en de blauwe doos +met uwen besten hoed--dat is twee; dan dat geverniste zakje, dat +is drie; en mijn garendoosje is vier; en mijn lintendoosje is vijf; +en mijne kragendoos is zes; en dat koffertje is zeven. Waar hebt ge +uw parasol gelaten? Geef haar mij hier, dan zal ik er een papier om +doen en haar met mijne parapluie en parasol bijeenbinden. Daar nu." + +"Maar, Tante, wij gaan maar naar huis. Waartoe hoeft dat zoo?" + +"Om alles netjes te houden, kind. Iemand moet op zijn goed passen, +als hij het bewaren wil. Hebt gij uw vingerhoed nu geborgen, Eva?" + +"Waarlijk, Tante, ik weet het niet." + +"Nu, dat doet er niet toe; ik zal uw doosje wel eens +nazien. Vingerhoed, stukje was, twee lepeltjes, schaar, mesje, +rijgpen--alles is er. Zet het nu daar maar neer. Hoe hebt gij het +toch gemaakt, kind, toen ge met uwen papa alleen op reis waart? Ik +zou denken dat gij al wat gij hadt moest verloren hebben." + +"Wel, Tante, ik verloor ook veel; maar als we dan ergens stilhielden, +kocht papa weder nieuw daarvoor." + +"Wel lieve deugd, kind, welk eene manier van doen!" + +"O, het was eene heel gemakkelijke manier, Tante," zeide Eva. + +"Maar hoe roekeloos!" zeide tante. + +"Maar, tante, hoe zult ge het nu maken?" hervatte Eva. "Die koffer +is te vol om dicht te kunnen." + +"Hij _moet_ dicht," zeide tante op een toon van een commandeerend +generaal en stapte boven op het deksel; maar hoe het goed ook werd +samengeperst, de koffer bleef nog een weinig gapen. + +"Ga hier eens op zitten, Eva," zeide Miss Ophelia onverschrokken. "Wat +eens gegaan heeft kan ook weer gaan. Die koffer moet gesloten worden; +dat mag niet anders." + +En waarschijnlijk door deze vastberadenheid beangstigd, zwichtte +de koffer. De kram knipte in het gat, en Miss Ophelia draaide den +sleutel om en stak dien zegepralend in haren zak. + +"Nu zijn wij klaar. Waar is uw papa? Ik acht het tijd dat zijne bagage +uitgezet wordt. Ga toch eens kijken, Eva, waar uw papa is." + +"Hij is in de heerenkajuit," antwoordde Eva. + +"Hij weet zeker niet hoe dichtbij wij al komen," zeide tante. "Zoudt +gij niet eens naar hem toe gaan en hem waarschuwen?" + +"Papa haast zich nooit met iets," antwoordde Eva; "en wij zijn nog +niet aan land. Kom eens kijken, Tante. Zie, daar staat ons huis, +daar in die straat." + +De boot begon nu, steunende als een afgemat monsterdier, zich door +de menigte van andere stoombooten langs de kade heen te werken. Eva +wees met blijdschap naar den toren, koepels en andere voorwerpen, +waaraan zij hare geboorteplaats herkende. + +"Ja, ja, lieve, alles is heel mooi," zeide Miss Ophelia. "Maar lieve +hemel, daar ligt de boot al stil en waar is uw vader?" + +Nu kwam de gewone drukte van het landen--knechts wilden naar twintig +kanten te gelijk heenloopen--mannen sleepten met koffers, doozen en +reiszakken--vrouwen riepen angstig om hare kinderen, en allen drongen +dicht op elkander naar de loopplank. + +Miss Ophelia zette zich op den laatst overmeesterden koffer, en +nadat zij eene verschansing van hare andere goederen had gebouwd, +scheen zij zich gereed te houden om die tot het uiterste te verdedigen. + +"Zal ik uw koffer dragen, Juffrouw?"--"Zal ik uwe bagage +opladen?"--"Laat mij maar voor uw goed zorgen."--"Zal ik u helpen, +Juffrouw?" regende het om haar heen, zonder dat zij er op lette. Zij +bleef, haar bundel van parapluies en parasols vasthoudende, stokstijf +zitten, en keek zoo zuur, dat zelfs een huurkoetsier er bang voor +moest worden, tusschenbeide Eva aansprekende om te betuigen dat zij +niet begreep waar haar papa bleef. + +"Hij kan toch niet overboord gevallen zijn; maar er moet zeker iets +gebeurd wezen." + +Juist toen zij zich inderdaad angstig begon te maken, kwam St.-Clare +met zijne gewone onverschilligheid aankuieren, en nadat hij Eva een +vierdepartje van een sinaasappel had gegeven, dien hij nog bezig was +te eten, zeide hij: + +"Wel, Nicht Vermont, ik geloof haast dat ge klaar zult zijn?" + +"Ik heb al haast een uur zitten wachten," antwoordde Ophelia. "Ik +begon waarlijk ongerust over u te worden." + +"Welnu," zeide hij, "het rijtuig staat te wachten en het gedrang is +over, zoodat men nu op eene fatsoenlijke manier aan land kan gaan, +zonder geduwd en gestooten te worden. Hier," vervolgde hij tot een +koetsier die achter hem stond, "neem die dingen eens op." + +"O, ik zal ze zelve wel dragen en bergen," zeide Ophelia. + +"Kom, kom, Nicht, waartoe dat?" + +"Nu, in allen gevalle wil ik dit, en dit, en dit, zelve dragen," +zeide Ophelia, drie doozen en een reiszakje uitzoekende. + +"Maar lieve Miss Vermont, gij moet hier niet doen alsof gij in de +Groene Bergen waart. Gij moet ten minste iets van onze zuidelijke +manieren overnemen en u zelve niet zoo bevrachten. Men zou u voor +een kamenier houden. Geef die dingen maar aan dien man; hij zal er +zoo voorzichtig mee omgaan alsof het eieren waren." + +Miss Ophelia liet zich met een wanhopig gezicht al hare schatten +afnemen, en was zeer blijde toen zij er behouden mede in het rijtuig +zat. + +"Waar is Tom?" zeide Eva. + +"Hij zit achterop, poesje. Ik zal hem aan mama geven tot een presentje +om vrede te maken en haar dien dronken kerel te doen vergeten, die +de kast heeft omgesmeten." + +"O, Tom zal zeker een uitmuntend koetsier zijn," zeide Eva. "Hij zal +zich nooit dronken drinken." + +Het rijtuig hield stil voor een oud huis, hetwelk die zonderlinge +mengeling van den Spaanschen en Franschen bouwtrant vertoonde, +waarvan men in sommige gedeelten van Nieuw-Orleans nog voorbeelden +ziet. Het was een vierkant gebouw, dat een binnenplein omsloot, +hetwelk men door eene gewelfde koetspoort opreed. Dit binnenplein was +blijkbaar ingericht om aan een schilderachtigen en weelderigen smaak +te voldoen. Om al de vier zijden liepen breede galerijen, met bogen, +ranke pilaren en arabesken versierd, die den geest als in een droom +naar den romanesken tijd van de heerschappij der Oosterlingen in +Spanje terugvoerden. In het midden wierp eene fontein haar zilveren +waterstraal, die als regen in een marmeren bekken neerviel met een +breeden rand van geurige bloemen omzoomd. Het water in dat bekken, +zoo helder als kristal, wemelde van goud- en zilvervischjes, die +als zoovele levende juweelen flikkerend heen en weder schoten. Om +de fontein liep een pad met een mozaïek van keitjes bevloerd, in +allerlei grillige figuren geschikt; en dit werd wederom omgeven door +een grasperk, zoo effen als groen fluweel, terwijl een breed rijpad het +geheel omsloot. Twee groote oranjeboomen, thans met geurige bloesems +beladen, gaven eene verkwikkelijke schaduw; en in een kring op het gras +stonden fraai gebeeldhouwde marmeren vazen, met de keurigst bloeiende +heesters der keerkringslanden. De galerijen om dit plein waren met +gordijnen van gebloemde stof gedrapeerd, die naar welgevallen konden +neergelaten worden om de zonnestralen af te weren. Het voorkomen van +het geheel was bij uitstek weelderig en romanesk. Toen men de poort +inreed, geleek Eva, in hare woeste blijdschap, naar een vogeltje dat +uit zijne kooi wil breken. + +"O, is het hier niet mooi, niet heerlijk?" zeide zij tegen Miss +Ophelia. "Hoe vindt gij mijn huis? Is het niet allerliefst?" + +"Het is heel aardig," antwoordde Ophelia afstappende, "hoewel het +mij wel wat ouderwetsch en heidensch voorkomt." + +Tom stapte van het rijtuig en zag met stil maar innig genot om +zich heen. De neger, moet men bedenken, is uit het heerlijkste der +wereld afkomstig en heeft eene hartstochtelijke zucht voor alles wat +prachtig, rijk en veelkleurig is, eene zucht, welke hem, wanneer hij +haar met zijnen onbeschaafden smaak involgt, aan den spot der koelere, +juister oordeelende blanken blootstelt. + +St.-Clare, die in zijn hart een poëtisch wellusteling was, glimlachte +bij Ophelia's oordeel over zijne woning, en zich naar Tom wendende, +die nog met een glans van bewondering op zijn zwart gezicht stond +rond te zien, zeide hij: + +"Wel, Tom, mijn jongen, dat schijnt u te bevallen?" + +"Ja, meester," antwoordde Tom, "dat lijkt haast het rechte ding +te wezen." + +Dit alles gebeurde in een oogenblik, terwijl de koffers werden +afgeladen, de huurkoetsier betaald werd, en een troep mannen, +vrouwen en kinderen door de galerijen boven en beneden kwam aanloopen +om meester te zien komen. Vooraan plaatste zich een jonge mulat, +blijkbaar een gedistingueerd persoon, die overdreven zwierig en naar +de mode gekleed was, en sierlijk met een geparfumeerden zakdoek stond +te wuiven. + +Deze persoon joeg met grooten ijver den geheelen troep van bedienden +terug. + +"Ik schaam mij over u," zeide hij op een toon van gezag. "Zoudt gij u +bij meesters huiselijke betrekkingen willen indringen, in het eerste +uur zijner terugkomst?" + +Allen stonden verslagen over deze fraaie bestraffing, die met +niet weinig air werd uitgesproken, en bleven op een afstand, met +uitzondering van twee sterke negers, die nader kwamen en de bagage +begonnen weg te dragen. + +Mr. Adolf had het zoo aangelegd, dat er, toen St.-Clare den +huurkoetsier had betaald en zich omkeerde, niemand in het gezicht +was, behalve Mr. Adolf zelf, die door zijn satijnen vest, gouden +horlogeketting en wit linnengoed genoeg in het oog liep en met +onbeschrijfelijke gratie en vriendelijkheid stond te buigen. + +"Ha, Adolf! zijt gij daar?" zeide zijn meester hem de hand +toereikende. "Hoe gaat het mijn jongen?" En daarop bracht Adolf met +groote vlugheid eene aanspraak voor den dag, welke hij sedert veertien +dagen zorgvuldig had bedacht en van buiten geleerd. + +"Goed, goed," zeide St.-Clare, met zijne gewone spottende +onverschilligheid voortstappende; "dat is alles heel mooi bijeengelapt, +Adolf. Zorg eens dat de bagage goed geborgen wordt. Ik zal zoo meteen +bij het volk komen." En met deze woorden bracht hij Miss Ophelia naar +eene kamer die op de galerij uitkwam. + +Terwijl dit voorviel was Eva als een vogeltje naar een klein boudoir +gevlogen, dat insgelijks op de galerij uitkwam. + +Eene rijzige, geelbleeke vrouw met donkere oogen richtte zich half +op van de sofa waarop zij lag. + +"Mama!" riep Eva in eene verrukking van blijdschap, sloeg hare armpjes +om haren hals en kuste haar nogmaals en nogmaals. + +"Dat is genoeg--pas op, kind--maak niet dat ik hoofdpijn krijg," +zeide de Moeder, na haar flauw een kus te hebben gegeven. + +Nu kwam St.-Clare binnen, gaf zijn vrouw een echt orthodoxen, +echtelijken kus en presenteerde haar daarna zijne nicht. Marie sloeg +met zekeren zweem van nieuwsgierigheid hare groote oogen naar Ophelia +op en ontving haar met kwijnende beleefdheid. Een troep bedienden +verdrong elkander om den ingang; de voorste daaronder was eene mulattin +van middelbare jaren en een fatsoenlijk voorkomen, die van vroolijk +ongeduld scheen te beven. + +"O, daar is Mammy!" riep Eva, vloog de kamer door, wierp zich in hare +armen en kuste haar verscheidene malen. + +Deze vrouw sprak niet van hoofdpijn, maar liefkoosde haar en lachte en +schreide, tot men er aan twijfelen kon of zij wel bij haar verstand +was, en toen zij haar losliet, vloog Eva van den een naar den ander, +handen gevende en kussende, op eene manier waarvan Miss Ophelia +naderhand zeide dat zij inderdaad misselijk was geworden. + +"Nu," zeide zij, "uwe kinderen in het Zuiden kunnen iets doen, dat _ik_ +niet zou kunnen doen." + +"Wat is dat?" zeide St.-Clare. + +"Wel, ik wil wel tegen iedereen vriendelijk zijn en zou niemand willen +kwaad doen; maar negers...." + +"Zoenen te geven," zeide St.-Clare, "daartoe zijt gij niet in staat, +niet waar?" + +"Ja, dat is het. Hoe kan zij het doen?" + +St. Clare lachte en stapte de gang in. + +"Holla daar, waar blijft gij nu? Hier, allemaal--Mammy, Jimmy, +Polty, Suckey--blij dat ge meester weerziet?" zeide hij en gaf allen +achtereen de hand. "Pas op de kinderen," vervolgde hij, toen hij +over een pikzwarten kabouter struikelde, die op handen en voeten +kroop. "Als ik er op een trap, laat hij het dan maar zeggen." + +Gelach en zegewenschen in overvloed beloonden den meester, toen hij +kleingeld onder hen uitdeelde. + +"En maak nu dat gij wegkomt, als goede jongens en meiden," zeide hij +en de geheele vergadering, zwart en bruin, stoof de deur uit naar +de galerij, gevolgd door Eva, die een grooten zak medenam, welken +zij op de geheele reis naar huis met appelen, noten, kandijklontjes, +eindjes lint en kant en allerlei speelgoed had gevuld. + +Toen St. Clare zich omkeerde om heen te gaan, viel hem Tom in het oog, +die onrustig nu op den eenen dan op den anderen voet stond te wiegelen, +terwijl Adolf, tegen een pilaar leunende, hem door een lorgnet bekeek, +met een _air_ dat een modeheertje tot eer zou hebben gestrekt. + +"Gij, aap!" zeide zijn meester en sloeg hem het lorgnet uit de hand: +"is dat de manier om uw gezelschap te behandelen? Mij dunkt, Dolf," +vervolgde hij, met zijnen vinger naar het gebloemd satijnen vest +wijzende waarmede Adolf pronkte, "mij dunkt dat is _mijn_ vest." + +"O, meester, dat vest was overal met wijn bemorst. Natuurlijk kon een +_gentleman_ van meesters fatsoen zulk een vest nooit meer dragen. Ik +dacht dat ik het wel hebben mocht. Voor een armen neger zooals ik, +is het nog goed." + +Adolf wierp zijn hoofd in den nek en streek zijne vingers sierlijk +door zijne geparfumeerde haren. + +"Zoo, is dat het geval?" zeide St.-Clare onverschillig. "Nu, ik zal Tom +aan zijne meesteres laten zien, en neem hem dan mede naar de keuken, +en pas op dat gij u niet weer zulke _airs_ tegen hem geeft. Hij is +meer waard dan twee zulke apen als gij." + +"Meester wil altijd gekscheren," zeide Adolf lachende. "Ik ben blij +dat ik meester weer zoo vroolijk zie." + +"Hier, Tom!" zeide St.-Clare hem wenkende. + +Tom trad de kamer binnen. Hij zag de tapijten en de voorbeeldelooze +pracht der spiegels, schilderijen, standbeelden en gordijnen, en, +gelijk de koningin van Scheba voor Salomo, er was geen geest meer in +hem. Hij scheen zelfs bevreesd om zijn voet neer te zetten. + +"Zie eens hier, Marie," zeide St.-Clare tot zijne vrouw, "nu heb ik +eindelijk een koetsier voor u gekocht zooals ge hebben woudt. Hij is +zoo zwart en deftig als eene geheele lijkstaatsie en zal u ook even +deftig rijden als gij wilt. Doe uwe oogen nu eens open en zie hem +aan. Zeg nu niet meer dat ik nooit om u denk als ik uit ben." + +Marie opende hare oogen en keek naar Tom, maar zonder zich op te +richten. + +"Ik weet toch wel dat hij ook drinken zal," zeide zij nu. + +"Neen, men heeft er voor ingestaan dat hij vroom en nuchter is." + +"Nu, ik hoop dat het met hem schikken zal," zeide de dame; "maar het +is meer dan ik verwacht." + +"Dolf!" zeide St.-Clare, "wijs Tom den weg naar de keuken. En pas op," +voegde hij er bij, "onthoud wat ik u gezegd heb." + +Adolf trippelde sierlijk heen. Tom volgde met zware schreden. + +"Hij gelijkt wel een olifant," zeide Marie. + +"Komaan, Marie," zeide St.-Clare, zich bij de sofa op een stoel +zettende, "wees nu eens vriendelijk en zeg iemand iets aardigs." + +"Gij zijt veertien dagen over den tijd uitgebleven," zeide de dame +pruilende. + +"Maar gij weet wel, ik heb u de reden geschreven." + +"Zulk een korten, koelen brief." + +"Maar mijn hemel, de post zou vertrekken, ik moest kort schrijven of +geheel niet." + +"Zoo is het altijd," zeide de dame; "altijd is er iets om uwe reizen +lang en uwe brieven kort te maken." + +"Zie nu eens hier," hervatte hij, een elegant fluweelen doosje uit +zijnen zak halende en openende, "hier is een presentje, dat ik u uit +Nieuw-York heb medegebracht." + +Het was eene daguerreotype, zoo duidelijk en fraai als eene gravure, +van Eva en haar vader, hand aan hand naast elkander zittende. + +Marie bekeek die portretjes met een onvergenoegd gezicht. + +"Waarom moest gij in zulk een stijve houding zitten?" + +"Nu, over de houding mag verschil van meening zijn; maar wat vindt +gij van die gelijkenis?" + +"Als gij u aan mijne meening in dit opzicht niet stoort, zult gij het +ook wel in het andere niet doen," antwoordde zij, het doosje sluitende. + +"Welk een onaangenaam wijf!" dacht St.-Clare bij zich zelven; +maar overluid zeide hij: "Komaan nu, Marie, wat dunkt u van de +gelijkenis? Wees nu niet dwaas." + +"Het is al zeer ongevoelig van u, St.-Clare," antwoordde de dame, +"dat gij mij dwingt om nu naar allerlei dingen te kijken en er over +te spreken. Gij weet wel dat ik den geheelen dag met hoofdpijn heb +gelegen, en sedert gij tehuis gekomen zijt, is er zulk een geweld +gemaakt, dat ik halfdood ben." + +"Zijt gij zoo aan hoofdpijn onderhevig, Mevrouw?" zeide Miss Ophelia, +uit de diepte van een kussenstoel oprijzende, waarin zij stil was +blijven zitten, bij zich zelve een inventaris van de meubelen makende +en berekenende wat zij moesten gekost hebben. + +"Ja, ik ben eene martelares daarvan," antwoordde de dame. + +"Jeneverbessen-thee is heel goed voor hoofdpijn," zeide Ophelia, +"tenminste Augusta, de vrouw van den ouden Abraham Perry, placht zoo +te zeggen, en zij had veel ondervinding." + +"Ik zal de eerste jeneverbessen, die in onzen tuin bij het meer +rijp worden, opzettelijk daarvoor laten komen," zeide St.-Clare +zeer ernstig en trok te gelijk aan de schel. "Ondertusschen, Nicht, +zult gij wel gaarne naar uwe kamer willen gaan, om u na de reis wat +te verfrisschen. Dolf," vervolgde hij, "laat Mammy terstond eens +hier komen." + +De mulattin, welke Eva met zooveel verrukking had geliefkoosd, trad +spoedig binnen. Zij was zeer net gekleed en had een rooden en gelen +tulband op, dien Eva haar nu pas had medegebracht, en welken het +meisje zelf om haar hoofd had gewonden. + +"Mammy," zeide St.-Clare, "ik stel deze dame onder uwe zorg. Zij is +moede en heeft rust noodig. Breng haar naar heur kamer en zorg er +voor dat zij alle gemak heeft." + +Daarop verdween Ophelia, door Mammy voorgegaan. + + + + + +ZESTIENDE HOOFDSTUK. + +TOMS NIEUWE MEESTERES EN HARE GEVOELENS. + + +"En nu, Marie," zeide St.-Clare, "zullen er gouden dagen voor +u aankomen. Hier is nu onze knappe huishoudelijke nicht uit +Nieuw-Engeland, die den geheelen last van zorgen van uwe schouders +zal nemen, en u tijd laten om u op te frisschen om weder jong en +mooi te worden. Gij moest nu maar terstond tot de ceremonie van het +overgeven der sleutels komen." + +Dit zeide hij aan de ontbijttafel, eenige ochtenden nadat hij met +Ophelia was aangekomen. + +"O, zij is welkom," zeide Marie en liet kwijnend haar hoofd op hare +handen rusten. "Ik denk dat zij wel iets ondervinden zal, namelijk, +dat wij meesteressen hier eigenlijk de slavinnen zijn." + +"O zeker, dat zal zij wel ontdekken, en nog een aantal heilzame +waarheden bovendien," zeide St.-Clare. + +"Men praat van slaven houden, alsof wij het voor ons gemak deden," +hervatte Marie. "Zeker, als wij daarom dachten, zouden wij hen allen +terstond laten gaan." + +Evangeline zag hare moeder ernstig aan, alsof er iets gezegd was dat +haar verbijsterde, en vroeg toen eenvoudig: + +"Waarom houdt gij ze dan, Mama?" + +"Dat weet ik zelf niet, of het moest tot eene plaag wezen; zij zijn +de plaag van mijn leven. Ik geloof dat zij meer de schuld van mijne +ziekelijkheid zijn dan iets anders; en de onze, dat weet gij wel, +zijn de ergsten waarmede ooit iemand geplaagd was." + +"Och kom, Marie, ge zijt van morgen melancholiek," zeide +St.-Clare. "Gij weet wel dat het zoo niet is. Daar is Mammy--die +is immers de beste meid van de wereld. Hoe zoudt gij het zonder +haar maken?" + +"Mammy is de beste die ik ooit gekend heb," zeide Marie hierop; +"en Mammy is toch zoo eigenlievend--schrikkelijk eigenlievend; dat +is het gebrek van het geheele ras." + +"Eigenliefde is inderdaad een akelig gebrek," zeide St.-Clare ernstig. + +"Nu, daar is dan die Mammy," hervatte Marie. "Mij dunkt, het is zeer +eigenlievend van haar, des nachts zoo vast te slapen. Zij weet wel +dat ik gedurig kleine diensten noodig heb, als ik mijne ergste vlagen +krijg, en toch is zij zoo moeielijk te wekken, dat ik van morgen +stellig erger was door de inspanning, die ik van nacht van mij had +moeten vergen om haar wakker te krijgen." + +"Maar is zij niet al verscheidene nachten bij u opgebleven, +Mama?" zeide Eva. + +"Hoe weet gij daarvan?" zeide Marie scherp. "Zij zal er denkelijk +over geklaagd hebben." + +"Zij heeft niet geklaagd. Zij zeide mij maar welke slechte nachten +zij gehad hadt, zooveel achtereen." + +"Waarom neemt gij Jane of Rosa niet voor een paar nachten in hare +plaats, en laat haar uitslapen?" zeide St.-Clare. + +"Hoe kunt ge mij zoo iets voorstellen?" antwoordde Marie. "Gij zijt +waarlijk ongevoelig, St.-Clare. Zoo zenuwachtig als ik ben, brengt +het minste mij van streek, en eene vreemde helpster bij mij zou mij +haast razend maken. Als Mammy zooveel om mij gaf als zij doen moest, +zou zij gemakkelijker wakker worden--natuurlijk zou zij dat. Ik heb +wel van menschen gehoord die zulke trouwe dienstboden hadden; maar +ik ben nooit zoo gelukkig geweest." En Marie slaakte een zucht. + +Miss Ophelia had met een gezicht vol scherpe, ernstige oplettendheid +naar dit gesprek geluisterd en kneep nu hare lippen nog vaster +dicht, alsof zij zich voornam eerst met volle zekerheid waar te +nemen welke menschen zij hier voor zich had, eer zij zich eenigszins +compromitteerde. + +"Mammy heeft wel zekere soort van goedhartigheid," hervatte Marie; +"zij is vriendelijk en gedienstig; maar eigenlijk is zij toch zeer +eigenlievend. Zoo wil zij maar nooit ophouden over dien man van haar +te kniezen en te malen. Gij begrijpt wel, toen ik getrouwd was en +hier kwam wonen, moest ik haar natuurlijk medenemen, en haar man kon +mijn vader niet missen. Hij was een smid en daar zeer noodzakelijk; en +ik dacht en zeide toen, dat Mammy en hij liever van elkander moesten +afzien, daar zij waarschijnlijk toch nooit weder met elkander zouden +kunnen leven. Ik wenschte nu wel dat ik dat had doorgezet en Mammy met +iemand anders getrouwd; maar ik was dwaas en al te inschikkelijk en +wilde het niet doorzetten. Ik zeide Mammy toen, dat zij niet denken +moest hem meer dan nog een paar maal in haar leven weer te zien, +want dat de lucht van de streek, waar mijn vader woonde, niet goed +voor mijne gezondheid is, en ik daar dus zeer zelden weder komen zou, +en ik raadde haar om met iemand anders te leven; maar neen--zij wilde +niet. Mammy heeft zekere koppigheid in enkele opzichten, die iedereen +niet zoo waarneemt als ik doe." + +"Heeft zij kinderen?" vroeg Ophelia. + +"Ja, zij heeft er twee." + +"Het zal haar denkelijk wel spijten dat zij daarvan gescheiden is." + +"O, natuurlijk kon ik die niet meenemen. Het waren nog kleine morsige +dingen, die ik niet onder mijne oogen velen kon; en bovendien namen +zij te veel van haren tijd weg; maar ik geloof toch dat Mammy daarover +altijd eenigszins is blijven wrokken. Zij wil met niemand anders +trouwen, en ik geloof zeker dat zij, hoewel zij weet hoe ik haar +noodig heb en hoe zwak mijne gezondheid is, morgen weder naar haren +man zou gaan, als zij maar kon. Ja zeker; en zoo eigenlievend zijn +de besten van die wezens." + +"Het is treurig om aan te denken," zeide St.-Clare droogjes. + +Ophelia zag hem scherp aan, en bemerkte den blos van ergenis en de +spottend krullende lip, waarmede hij dit zeide. + +"Nu is Mammy toch altijd eene soort van troetelkindje van mij geweest," +zeide Marie. "Ik wenschte dat uwe vrije dienstboden uit het Noorden +hare kasten met kleeren eens konden zien. Zijden en mousselinen +japonnen, en eene van echt kamerdoek heeft zij daarin hangen, en ik +heb somtijds een heelen middag gewerkt om hare mutsen op te maken en +haar voor een partijtje op te schikken. Wat mishandelen betreft, zij +weet niet eens wat dat is. Zij heeft niet meer dan eens of tweemaal in +haar geheele leven de zweep gehad. Zij heeft alle dagen haar koffie of +thee met witte suiker. Dat is wel overdadig; maar St.-Clare wil dat +zij in de keuken ook op een grooten voet leven, en ieder doet daar +dus wat hem bevalt. Om de waarheid te zeggen, onze bedienden hebben +het al te goed. Ik geloof dat het gedeeltelijk onze eigen schuld is, +dat zij zoo eigenlievend zijn en doen als bedorven kinderen. Maar ik +heb gepraat dat ik er moede van ben." + +"En ik ook," zeide St.-Clare. + +Eva had naar hare moeder staan luisteren met dien blik vol +geheimzinnigen ernst, die haar bijzonder eigen was. Nu kwam zij naar +hare moeder toe en sloeg haar arm om haren hals. + +"Wel, Eva, wat nu?" zeide Marie. + +"Mama, zou ik u niet voor een nacht kunnen oppassen--maar één? Ik +zou u zeker niet zenuwachtig maken, en ik zou ook niet slapen. Ik +lig toch dikwijls des nachts wakker te denken...." + +"Och, dwaasheid kind," antwoordde Marie. "Welk een wonderlijk kind +zijt ge toch!" + +"Maar mag ik, Mama? Ik denk," zeide zij schroomvallig, "dat Mammy +niet wel is. Zij heeft mij gezegd, dat zij tegenwoordig aanhoudend +hoofdpijn heeft." + +"Dat is weer eene van hare kuren. Mammy is als al de rest--allen +maken zij zulk een beweging van wat pijn hier of daar; maar daar geef +ik nooit aan toe--nooit. Dat is een grondregel van mij," vervolgde +zij, zich naar Ophelia keerende, "en gij zult zelve ondervinden hoe +noodzakelijk die is. Als men bedienden toelaat om zich aan ieder +onaangenaam gevoel te storen en over elke kleine onpasselijkheid te +klagen, heeft men er nooit rust van. Ik zelve klaag nooit--niemand +weet wat ik lijd. Ik acht het mijn plicht om dat stil te dragen, +en dat doe ik ook." + +Ophelia's oogen gaven hare ongeveinsde verbazing over dit besluit der +redevoering te kennen, hetwelk St.-Clare zoo overmatig koddig vond, +dat hij in een luiden lach uitbarstte. + +"St.-Clare lacht altijd, als ik het minste woord van mijne +ziekelijkheid zeg," zeide Marie op den toon van eene geduldige +martelares. "Ik hoop maar dat er niet eens een dag zal komen, dat +hij daaraan denken zal." En daarmede hield zij haar zakdoek voor +hare oogen. + +Natuurlijk volgde er nu eene eenigszins lastige stilte. Eindelijk +keek St.-Clare op zijn horloge, zeide dat hij uit moest, stond op en +ging heen. Eva trippelde hem na, en zoo bleven nu Marie en Ophelia +met elkander alleen. + +"Zoo maakt St.-Clare het altijd," zeide de eerste, en nam met een +tamelijk driftigen zwaai haar zakdoek van haar gezicht, toen de +misdadiger, wiens hart zij wilde roeren, buiten de deur was. "Hij +verbeeldt zich nooit, hij kan en zal zich nooit verbeelden wat ik +jarenlang geleden heb en nog lijd. Als ik veel van klagen hield, +of ooit eenige beweging over mijne kwalen maakte, zou hij gelijk +hebben. Natuurlijk worden de mannen eene vrouw moede, die altijd +klaagt. Maar ik heb alles voor mij zelve gehouden en gedragen, doch +St.-Clare denkt dat ik alles dragen kan." + +Ophelia wist niet recht wat zij hierop moest antwoorden. + +Terwijl zij zich nog bedacht wat zij zeggen zou, veegde Marie hare +tranen af, streek als het ware hare veeren glad, gelijk een duif na +eene regenbui haar toilet maakt, en begon een huishoudelijk praatje +over hare kasten met aardewerk, glas en tafelgoed, hare provisiekamers +en andere dingen, waarover de nicht het beheer zou aanvaarden, en +gaf zoovele regelen, waarschuwingen en aanwijzingen, dat een minder +koel en helder hoofd dan dat van Ophelia er geheel door verbijsterd +zou zijn geworden. + +"En nu," zeide Marie, "geloof ik dat ik u alles gezegd heb, zoodat gij, +als ik weder eene vlaag van mijne kwaal krijg, wel geheel zult voort +kunnen, zonder mij ergens naar te vragen. Maar nu nog over Eva--het +is noodig dat er op haar gelet wordt." + +"Zij schijnt een heel zoet kind te zijn," zeide Ophelia. "Ik heb +nooit zoeter kind gezien." + +"Eva is een vreemd kind, een zeer vreemd," zeide de moeder. "Zij heeft +dingen over zich die heel wonderlijk zijn: zij gelijkt volstrekt niet +naar mij." En Marie zuchtte, alsof dit eene droevige gedachte was. + +Ophelia zeide in haar hart: "Ik hoop wel van neen," maar zij was +voorzichtig genoeg om dit te verzwijgen. + +"Eva is altijd liefst bij de bedienden geweest, en dat houd ik voor +sommige kinderen voor heel goed. Ik heb altijd met de kleine negers +van mijnen vader gespeeld, en dat heeft mij nooit kwaad gedaan; +maar Eva schijnt zich altijd met ieder die haar nabijkomt gelijk te +willen stellen. Het is iets vreemds in dat kind. Ik heb haar dat nooit +kunnen afwennen. St.-Clare, geloof ik, helpt haar daarin voort. Om de +waarheid te zeggen: St.-Clare is er op uit om iedereen te believen, +behalve zijne vrouw." + +Wederom bewaarde Ophelia een bot stilzwijgen. + +"Men kan met bedienden niet te recht komen," zeide Marie, "of men moet +hen onder zich brengen en onder zich houden. Dat is mij van kindsbeen +af altijd eigen geweest. Eva is in staat om een geheel huisvol te +bederven. Hoe zij het maken zal als zij zelve eens moet huishouden, +betuig ik niet te weten. Ik ben gaarne _goed_ voor bedienden, en +dat ben ik ook; maar men moet zorgen dat zij op een afstand blijven +en weten wat zij zijn. Dat doet Eva nooit; men kan het kind geen +zweem van een denkbeeld in het hoofd krijgen, wat een bediende is +en op welken afstand hij behoort te blijven. Gij hebt wel gehoord, +hoe zij des nachts bij mij wilde waken om Mammy te laten slapen. Dat +is nu een staaltje van de manier waarop het kind altijd handelen zou, +als men haar liet begaan." + +"Wel," zeide Ophelia zonder omwegen, "ik meen dat gij toch ook denken +zult dat uwe bedienden menschelijke wezens zijn, en rust behooren te +hebben als zij moe zijn." + +"Wel zeker--natuurlijk. Ik ben er bijzonder op gesteld om hen alles te +laten hebben wat mij maar eenigszins gelegen komt, alles wat mij maar +niet geheel van mijn streek brengt. Mammy kan haar slaap op een of +anderen tijd inhalen; daar is geen bezwaar in. Zij is het slaperigste +stuk vleesch dat ik ooit gezien heb; naaiende, zittende of staande, +overal valt dat schepsel in slaap. Men behoeft niet bang te zijn dat +Mammy geen slaap genoeg krijgt. Maar de bedienden zoo te behandelen, +alsof zij uitheemsche bloemen of porseleinen vazen waren, is inderdaad +belachelijk," zeide Marie, terwijl zij zich in de diepte eener donzige +sofa liet zinken, en een fraai geslepen reukfleschje opnam. + +"Gij merkt wel," vervolgde zij met eene flauwe, echt damesachtige +stem, gelijk de stervende ademtocht van eene Arabische jasmijn, of +iets even kwijnends en aetherisch, "gij merkt wel, Nicht Ophelia, ik +spreek niet dikwijls van mij zelve. Dat is mijne gewoonte niet. Om +de waarheid te zeggen, ik heb er de kracht niet toe; maar er zijn +punten waarover St.-Clare en ik altijd verschillen. St.-Clare +heeft mij nooit gewaardeerd. Dat geloof ik is de grond van al mijne +ziekelijkheid. St.-Clare meent het goed, dat ben ik verplicht te +gelooven; maar de mannen zijn eigenlievend van aard en hebben geen +gevoel voor eene vrouw. Zoo denk ik ten minste." + +Ophelia, die geen gering aandeel van de echte Nieuw-Engelsche +voorzichtigheid bezat en zeer ongaarne in huiselijke geschillen +betrokken werd, begon nu te zien dat haar iets van dien aard bedreigde; +zij zette dus haar gezicht in de plooien eener stroeve neutraliteit, +haalde een begonnen kous uit haren zak, die zij daar bewaarde als een +specifiek middel tegen datgene wat volgens Dr. Watts eene gewoonte +van Satan is, als de menschen ledige handen hebben, en begon met +ijver te breien, tegelijk hare lippen dichtknijpende op eene manier +die duidelijk zeide: "Gij behoeft niet te probeeren om mij te doen +spreken; ik wil niets met uwe zaken te doen hebben;"--kortom zij +keek nagenoeg zoo medelijdend als een steenen leeuw. Marie stoorde +zich echter niet daaraan. Zij had iemand om tegen te praten en dat +was genoeg. Nadat zij nog eens aan haar flacon had geroken, om hare +krachten te herstellen, vervolgde zij: + +"Gij moet weten, ik heb mijn vermogen en mijne bedienden in eigendom +gehouden toen ik met St. Clare trouwde, en heb een wettig recht om er +op mijne eigene manier mede te handelen. St. Clare heeft zijn vermogen +en zijne bedienden, en ik heb er volstrekt niet tegen dat hij daarmede +naar zijnen eigen zin handelt; maar St. Clare wil zich altijd met het +mijne bemoeien. Hij heeft wonderlijk buitensporige denkbeelden over +allerlei dingen, vooral over de behandeling van bedienden. Hij doet +waarlijk alsof hij zijne bedienden boven mij stelde en boven zich +zelven ook: want hij laat zich allerlei last door hen veroorzaken en +licht nooit een vinger op. Nu is St. Clare, wat sommige dingen betreft, +schrikkelijk ongemakkelijk--zoodat hij mij bang maakt, hoe goedaardig +hij er ook uitziet. Zoo heeft hij zich in het hoofd gezet dat er, wat +er ook gebeuren mag, geen slag in huis mag gegeven worden, behalve +door mij of door hem; en dat drijft hij door op eene manier, dat ik +er mij waarlijk niet overheen durf zetten. Nu zult gij wel zien waar +dat op uitloopt, want St. Clare zou de hand niet oplichten al liepen +zij allen over hem heen, en ik--gij begrijpt wel hoe barbaarsch het +zou zijn van mij te vergen om mij zoo te vermoeien. En toch, gij weet +wel, die bedienden zijn niet anders dan volwassen kinderen." + +"Daar weet ik niets van en ik dank den Heere dat ik er niets van weet," +antwoordde Ophelia nu kortaf. + +"O, gij zult het wel leeren en dat ten uwen koste, als gij hier +blijft. Gij weet nog niet welke onverdragelijke, domme, loszinnige, +onredelijke, kinderachtige, ondankbare ellendelingen zij zijn." + +Marie scheen altijd eene verwonderlijke kracht te bekomen, als zij +aan dit onderwerp begon. Zij hield nu hare oogen open en scheen hare +kwijnende zwakheid geheel te vergeten. + +"Gij weet nog niet," vervolgde zij, "en kunt nog niet weten, hoe eene +huishoudster altijd en overal door hen geplaagd wordt. Maar het baat +niet bij St. Clare daarover te klagen. Hij heeft dan de wonderlijkste +redeneeringen. Hij zegt: wij hebben hen gemaakt wat zij zijn en moeten +hen verdragen. Hij zegt dat al hunne gebreken aan ons te wijten zijn, +en dat het wreed zou zijn eerst de schuld te veroorzaken en dan te +straffen. Hij zegt dat wij in hunne plaats niet beter zouden doen; +alsof er tusschen hen en ons vergelijkingen konden gemaakt worden." + +"Gelooft gij niet dat de Heere hen uit één bloed met ons geschapen +heeft?" zeide Ophelia weder kortaf. + +"Wel waarlijk niet! Dat zou wat moois zijn. Ze zijn een vernederd +geslacht." + +"Denkt gij niet dat zij onsterfelijke zielen hebben?" zeide Ophelia, +met toenemende verontwaardiging. + +"O, natuurlijk, daar twijfelt niemand aan," antwoordde Marie +geeuwende. "Maar hen op gelijken rang te plaatsen, alsof wij met +elkander te vergelijken waren, dat is immers onmogelijk! En nu heeft +St. Clare inderdaad wel met mij gesproken alsof het 't zelfde was, +dat Mammy van haar man werd afgehouden, als het zijn zou als ik van +den mijnen werd gehouden. Zóó kan men geene vergelijkingen maken. Mammy +kan zulk een gevoel niet hebben als ik hebben zou. Het is geheel iets +anders--dat spreekt vanzelf; en toch houdt St. Clare zich alsof hij +dat niet begreep, en praat alsof Mammy hare zwarte smerige kinderen +even lief zou hebben als ik Eva heb. Ja, eens heeft St. Clare mij +werkelijk en ernstig willen overreden, dat het mijn plicht was, met +mijne zwakke gezondheid en al wat ik lijd, Mammy terug te zenden en +iemand anders in hare plaats te nemen. Dat was een weinigje te veel, +zelfs voor mij om te dragen. Ik toon niet dikwijls mijn gevoel. Ik +maak er een regel van om alles in stilte te verduren, dat is het +harde lot eener vrouw. Maar toen barstte ik toch uit, zoodat hij +nooit weder daarover gesproken heeft. Maar uit zijn gezicht en uit +kleinigheden die hij zegt, kan ik wel opmaken dat hij nog eveneens +denkt; en dat is immers iemand tergen." + +Ophelia keek, alsof zij zeer bang was dat zij tegen wil en dank iets +zeggen zou; maar liet slechts hare breinaalden ratelen op eene manier, +die zooveel zeide als men in een geheel boekdeel zou kunnen schrijven; +indien Marie het maar had kunnen verstaan. + +"Gij begrijpt dus," vervolgde deze, "wat gij hier te stellen zult +hebben. Een huishouden zonder eenigen regel, waar de bedienden allen +hun eigen zin volgen, doen wat hun aanstaat en nemen wat hun aanstaat, +behalve in zooverre, als ik met mijne zwakke gezondheid eenige orde +heb gehandhaafd. Ik houd mijne zweep bij mij en sla er somtijds mee +toe; maar het vermoeit mij al te veel. Als St. Clare dat maar wilde +laten doen zooals anderen het doen." + +"En hoe is dat?" + +"Wel, hen naar den _calaboose_ of een van de andere plaatsen zenden om +gestraft te worden. Dat is de eenige manier, als ik niet zoo zwak en +ziekelijk was, geloof ik dat ik hen met tweemaal zooveel geestkracht +naar mijne hand zou zetten als St. Clare doet." + +"En hoe zet hij hen dan naar zijne hand?" zeide Ophelia. "Gij zegt +dat hij nooit slaat." + +"Wel, mannen hebben een forscher toon; voor hen is dat gemakkelijk; +en bovendien, als gij hem ooit vlak in de oogen hebt gezien--zij hebben +iets bijzonders, die oogen--en als hij ernstig spreekt, is er een soort +van flikkering in. Ik ben zelve bang daarvoor en de bedienden weten +dan wel dat zij oppassen moeten. Ik zou zooveel niet kunnen doen met +leven en kijven, als St. Clare door een enkelen blik van zijn oog, als +hij het ernstig meent. St. Clare behoeft zich geene moeite te geven, +en dat is de reden dat hij geen gevoel voor mij heeft. Maar gij zult +ondervinden, als gij in het huishouden komt, dat men zonder strengheid +niet voort kan--zoo slecht, zoo logenachtig en zoo lui zijn zij." + +"Het oude liedje," zeide St. Clare, op zijn gemak binnenkomende. "Welk +eene geduchte verantwoording zullen die slechte schepsels eindelijk +eens hebben, vooral voor die luiheid! Gij ziet wel, Nicht," +vervolgde hij, zich zoo lang als hij was op eene sofa tegenover +Marie uitstrekkende, "die luiheid is geheel onverschoonlijk in hen, +bij het voorbeeld dat Marie en ik hun geven." + +"O, St. Clare, nu maakt gij het al te erg!" zeide Marie. + +"Doe ik! Wel, ik dacht dat ik voor mijn doen al bijzonder goed +sprak. Ik poog altijd kracht aan uwe gezegden bij te zetten, Marie." + +"Gij weet wel dat ik het zoo niet gemeend heb, St. Clare." + +"O, dan moet ik mij vergist hebben. Dank, lieve, dat ge mij te +recht helpt." + +"Gij probeert mij waarlijk boos te maken," zeide Marie. + +"Och kom, Marie, het wordt een warme dag vandaag, en ik heb juist +eene lange woordenwisseling met Dolf gehad, die mij geweldig vermoeid +heeft. Eilieve, wees dus vriendelijk, en laat iemand eens in het +licht van uwen glimlach rusten." + +"Wat is er met Dolf?" zeide Marie. "De onbeschaamdheid van dien knaap +begint tot eene hoogte te komen, die mij werkelijk onuitstaanbaar +wordt. Ik wenschte maar dat ik een poosje naar mijnen zin met hem +doen kon; ik zou hem wel klein krijgen." + +"Wat ge daar zegt, lieve," antwoordde St. Clare, "is weder een blijk +van uwe gewone scherpzinnigheid. Wat Dolf betreft, de zaak is deze, dat +hij zich zoolang moeite heeft gegeven om al mijne goede eigenschappen +na te bootsen, dat hij eindelijk inderdaad met zich zelven en zijnen +meester in de war geraakt en den een voor den ander houdt. Ik ben +dus verplicht geweest hem zijne vergissing eens aan het verstand +te brengen." + +"Hoe zoo?" zeide Marie. + +"Wel, ik was verplicht hem duidelijk te doen verstaan, dat ik eenige +van mijne kleeren liever voor mijn eigen gebruik wilde houden; ik heb +zijne excellentie ook op een rantsoen van eau-de-cologne gesteld, en +ben inderdaad zoo wreed geweest om hem tot een dozijn van kamerdoeksche +zakdoeken te beperken. Dolf was daarover bijzonder geraakt, en ik +moest hem vaderlijk aanspreken om hem tot berusting te brengen." + +"O, St. Clare, wanneer zult gij eens leeren hoe men zijne bedienden +behandelen moet? Het is ijselijk, zooals gij alles toelaat," zeide +Marie. + +"Maar wel bezien, wat kwaad steekt er eigenlijk in, dat de arme +jakhals naar zijnen meester wil gelijken? En als ik hem niet beter +heb opgebracht, dan om hem zijn hoogste goed in eau-de-cologne en +kamerdoeksche zakdoeken te doen vinden, waarom zou ik ze hem dan +niet geven?" + +"En waarom hebt gij hem niet beter opgebracht," zeide Ophelia botweg. + +"Te veel moeite; luiheid, Nicht, luiheid, die meer zielen bederft +dan waarover gij knorren kunt. Als het niet door mijne luiheid was, +zou ik zelf een volmaakte engel zijn. + +Ik begin haast te gelooven dat luiheid, zooals die dominee in Vermont +zeide, nog meer dan de gierigheid de wortel van alle kwaad is; en +dat is zeker eene gedachte om iemand onrustig te maken." + +"Ik denk dat gij, slavenhouders, eene geduchte verantwoordelijkheid +hebt," zeide Ophelia. "Ik zou die voor geene duizend werelden willen +hebben. Gij behoort uwe slaven op te voeden en hen te behandelen als +redelijke wezens, als onsterfelijke wezens, waarmede gij voor Gods +rechterstoel zult moeten komen. Zoo denk ik er over!" zeide de goede +oudste vrijster, en liet aldus eensklaps al den ijver uitbarsten, +dien zij den geheelen morgen in haar gemoed had opgekropt. + +"Och kom, kom," zeide St. Clare snel opstaande, "wat weet gij van ons?" + +Hij zette zich voor de piano en begon een levendig stuk te +spelen. St. Clare had veel aanleg voor muziek en was een goed, ja +zelfs verbazend vlug en schitterend pianist. Zijne vingers vlogen +over de toetsen, terwijl hij het eene stuk na het andere afspeelde, +gelijk iemand die zich zelven in een goed humeur wil spelen. Daarna +schoof hij de muziek weg, stond op en zeide vroolijk: + +"Welnu, Nicht, gij hebt ons eene goede les gegeven en uw plicht gedaan; +en over het geheel acht ik u er te meer om. Ik twijfel niet of gij +hebt mij een echten diamant van waarheid naar het hoofd gegooid, +hoewel hij mij zoo vlak in het gezicht raakte, dat hij in het eerst +niet naar waarde erkend werd." + +"Wat mij betreft, ik zie niet dat zulk praten ergens toe dient," +zeide Marie. "Als iemand meer voor bedienden doet dan wij doen, zou ik +wel eens willen weten wie; en het doet hun toch geen goed, geen zier; +zij worden al erger en erger. Wat praten of zoo iets betreft, ik heb +tegen hen gepraat tot ik er moe en schor van was, en hen hun plicht +voorgehouden en dat alles; en zij kunnen naar de kerk gaan wanneer zij +willen, hoewel zij toch even weinig van de preek verstaan als zooveel +varkens zouden doen, zoodat het hun toch niet veel baat of zij gaan, +zou ik denken. Maar zij gaan toch en hebben dus alle gelegenheid; +maar zooals ik reeds gezegd heb, zij zijn een vernederd geslacht +en zullen dat altijd zijn, en er is niets aan hen te doen; gij kunt +niets van hen maken, al doet gij nog zoo uw best. Gij begrijpt wel, +nicht Ophelia, ik heb het geprobeerd en gij nog niet; ik ben onder +hen geboren en opgegroeid en ik weet het wel." + +Ophelia meende genoeg gezegd te hebben en zweeg dus. St. Clare floot +een wijsje. + +"St. Clare, laat ik u mogen verzoeken om niet te fluiten," zeide Marie, +"dat maakt mijn hoofd veel erger." + +"Dan zal ik het laten," antwoordde St. Clare. "Is er ook nog iets +dat ge mij woudt verzoeken om niet te doen?" + +"Ik wenschte dat gij _wel_ eenige meedoogendheid had met hetgeen ik +uitsta; gij hebt nooit gevoel voor mij." + +"Dierbare, beschuldigende engel!" zeide St. Clare hierop. + +"Als gij zoo tegen mij spreekt, moet ik immers denken dat het is om +mij te plagen." + +"Hoe wilt ge dan dat ik tegen u spreken zal? Ik wil spreken zooals +ge het maar verlangt, om u maar te voldoen." + +Een vroolijk gelach klonk van het binnenplein door de zijden gordijnen +der galerij. St. Clare lichtte de gordijn op en begon insgelijks +te lachen. + +"Wat is het?" vroeg Ophelia, naar de deur komende. + +Daar zat Tom op eene bank, met jasmijnen in al zijne knoopsgaten +gestoken, terwijl Eva, vroolijk lachende, hem nog een krans van rozen +om den hals hing, en toen nog lachende op zijne knie sprong. + +"O Tom, nu ziet gij er zoo grappig uit." + +Tom zag haar met een stillen, welwillenden glimlach aan, en scheen +zich op zijne bedaarde manier evenzeer met de grap te vermaken als +zijne kleine meesteres. Toen hij zijn meester zag, sloeg hij smeekend +de oogen naar hem op, alsof hij verschooning wilde vragen. + +"Hoe kunt gij haar dat toelaten?" zeide Ophelia. + +"Waarom niet?" vroeg St. Clare. + +"Wel, ik weet het niet, maar het komt mij zoo akelig voor." + +"Gij zoudt er geen kwaad in vinden als het kind een grooten hond +liefkoosde, al was hij zwart; maar voor een schepsel dat kan denken, +redeneeren en gevoelen, huivert gij: beken het maar, Nicht. Ik +weet wel hoe dat bij u in het Noorden gesteld is. Niet dat het eene +deugd is dat wij anders zijn; maar de gewoonte doet bij ons wat het +christendom behoorde te doen--zij neemt het gevoel van persoonlijk +vooroordeel weg. Ik heb op mijne reizen in het Noorden opgemerkt, +hoeveel sterker dat gevoel bij u is dan bij ons. Gij zijt vies van +hen als van eene slang of padde, en toch verontwaardigt gij u over het +onrecht dat zij lijden. Gij zoudt hen niet willen laten mishandelen, +maar gij wilt toch zelven niets met hen te maken hebben. Gij zoudt +hen naar Afrika willen zenden, buiten uw gezicht en uwen reuk, en hun +dan een paar zendelingen willen sturen om al de zelfverloochening, die +noodig is om hen te verbeteren, in eens af te doen. Is het dat niet?" + +"Wel, Neef," antwoordde Ophelia nadenkend, "dat kan wel eenigszins +de waarheid zijn." + +"Wat zouden de armen en geringen doen zonder kinderen?" hervatte +St. Clare, terwijl hij Eva nazag, die met Tom aan de hand +heenhuppelde. "Een kind is de eenige echte democraat. Die Tom is +een held voor Eva: zijne vertellingen zijn wonderen voor haar; zijne +liedjes en methodistische gezangen zijn pleizieriger dan eene opera; +de snuisterijen in zijnen zak zijn eene mijn van juweelen, en hij +zelf is de verwonderlijkste Tom, die ooit eene zwarte huid had. Dit +is eene der rozen van het Eden, welke de Heere opzettelijk voor de +armen en geringen heeft gestrooid, die er weinig genoeg van andere +soort krijgen." + +"Het is vreemd, Neef," zeide Ophelia hierop. "Als men u zoo hoort +spreken, zou men haast denken dat gij een "belijder" waart." + +"Een belijder?" herhaalde St. Clare. + +"Ja, een belijder van den godsdienst." + +"Lang niet. Ik ben geen "belijder", zooals men dat bij u noemt; +en wat erger is: ik vrees dat ik ook geen "beoefenaar" ben." + +"Hoe komt het dan dat gij zoo spreekt?" + +"Niets is gemakkelijker dan het praten," antwoordde St. Clare. "Het +is Shakespeare, geloof ik, die iemand laat zeggen: "ik zou u eerder +twintig dingen kunnen toonen die goed waren om te doen, dan een van +de twintig zijn om mijne eigene aanwijzing te volgen." Niets gaat +boven verdeeling van arbeid. Mijn _fort_ ligt in het praten, het uwe +in het doen." + + + +Tom had nu in zijne uitwendige omstandigheden, gelijk de wereld zegt, +niets om over te klagen. De kinderlijke genegenheid die de kleine Eva +voor hem had opgevat--de instinctmatige dankbaarheid van een edel +hart--had haar heur vader doen verzoeken om hem haar tot bijzonder +geleider te geven, als zij op hare wandelingen of rijtoertjes een +bediende noodig had; en Tom had een algemeenen last ontvangen om alle +andere dingen te laten staan en Eva te vergezellen, wanneer zij hem +daarom vroeg--een last die hem, gelijk men wel denken kan, verre van +onaangenaam was. Hij was altijd welgekleed, want St. Clare was op dit +punt zeer keurig. Zijn staldienst was eene sinecure, en bestond slechts +in een dagelijksch toezicht of de mindere bedienden hun plicht deden; +want Marie St. Clare zeide dat hij geene paardenlucht moest medebrengen +als hij bij haar kwam, en nooit iets doen moest dat hem voor haar +onaangenaam kon maken, dewijl haar zenuwgestel zoo iets niet velen kon; +eene onaangename lucht zou, volgens haar zeggen, genoeg zijn om op eens +een einde aan al hare aardsche onaangenaamheden te maken. Tom zag er +dus met zijn welgeborsteld lakensch pak, zijnen glanzigen hoed, zijne +blinkende laarzen, onberispelijk linnengoed en ernstig en goedhartig +zwart gezicht, deftig genoeg uit, om bisschop van Carthago te zijn, +gelijk lieden van zijne kleur in vroegere eeuwen waren. + +Dan had hij ook eene heerlijke woonplaats, iets waarvoor zijn licht +getroffen geslacht nooit onverschillig is, en hij verheugde zich met +stil genot in de vogelen, de bloemen, de fontein, het licht en al +de andere schoonheden van het binnenplein, en de zijden behangsels, +schilderijen, kroonkandelaars, het beeld- en verguldwerk, waardoor +de vertrekken tot zalen van een tooverpaleis voor hem gemaakt werden. + +Indien Afrika ooit de zetel wordt van een beschaafd +menschengeslacht--en op een of anderen tijd moet het toch aan de beurt +komen, om in het groote drama van den vooruitgang der menschheid zijne +rol te spelen--dan zal het leven daar ontwaken met een glans en eene +pracht, waarvan onze koude Westersche menschenstammen slechts een +flauw begrip hebben. In dat afgelegen land van goud en juweelen, +specerijen en wuivende palmboomen, wonderbare bloemen en even +wonderbare vruchtbaarheid zullen nieuwe kunstvormen, nieuwe soorten +van weelde ontwaken; en het negergeslacht, niet langer veracht en +vertreden, zal misschien eene der laatste en heerlijkste openbaringen +van den menschelijken geest vertoonen. Zeker zullen de negers met hunne +zachtmoedigheid, met hunne nederigheid van hart, met hunne neiging +om meer verheven geesten te vertrouwen en zich op hoogere macht +te verlaten, met hunne kinderlijke eenvoudigheid, liefderijkheid en +vergevensgezindheid, den hoogsten vorm van het eigenaardig _christelijk +leven_ aanbieden, en misschien, daar God kastijdt wien Hij liefheeft, +heeft Hij het arme Afrika, thans zoo diep vernederd, uitverkoren +om het te maken tot het hoogste en edelste in dat koninkrijk, dat +opgericht zal worden wanneer alle andere koninkrijken zijn gewogen +en te licht bevonden; want de eersten zullen de laatsten zijn en de +laatsten de eersten. + +Was het dit waaraan Marie St. Clare dacht, toen zij op een +Zondagochtend prachtig gekleed onder de galerij stond, en een +juweelen armband om hare tengere arm vastmaakte? Waarschijnlijk +wel. Of indien zij daaraan niet dacht, was het aan iets anders; +want Marie hield van het goede en ging nu in volle pracht,--met +diamanten, zijde, kanten en alles--naar eene _fashionable_ kerk, +om eens zeer godsdienstig te zijn. Marie maakte er een regel van +om zich op Zondag vroom te toonen. Daar stond zij dus, zoo tenger, +zoo elegant, zoo sierlijk in al hare bewegingen, met de kanten voile, +die haar als een nevel omhulde. Zij zag er bekoorlijk uit en voelde dat +zij zeer goed was--en zeer elegant. Miss Ophelia stond naast haar als +haar volmaakt contrast. Zij had, wel is waar, eene even fraaie zijden +japon en een even fijnen zakdoek, doch zekere onbeschrijfelijke, maar +duidelijke stijfheid en houterigheid lagen evenzeer over geheel haar +voorkomen verspreid, als zekere gratie over dat harer elegante nicht. + +"Waar is Eva?" zeide Marie. + +"Het kind is op de trap blijven staan om iets tegen Mammy te zeggen." + +En wat zeide Eva tegen Mammy op de trap? Luister, lezer! en gij zult +het hooren, ofschoon Marie het niet hoort. + +"Lieve Mammy, ik zie wel dat gij schrikkelijke hoofdpijn hebt." + +"God zegene u, Miss Eva, ik heb tegenwoordig altijd hoofdpijn. Gij +behoeft u daarover niet te kwellen." + +"Nu, ik ben blij dat gij nu ook uitgaat; en hier, Mammy," en daarmede +sloeg het meisje hare armen om haar heen, "gij moet mijn flacon +ook medenemen." + +"Wat? Dat mooie gouden ding van u, met diamanten? Wel, Jongejuffrouw, +dat zou geheel niet voegen." + +"Waarom niet? Gij hebt het noodig en ik niet. Mama gebruikt het +altijd tegen hoofdpijn, en dan zult gij ook beter worden. Kom nu, +neem maar aan, om mij pleizier te doen." + +"Hoor dat lieve kind eens!" zeide Mammy bij zich zelve, toen Eva den +flacon in hare borst stopte, haar een kus gaf en vervolgens de trap +af hare moeder naliep. + +"Waarom hebt gij u opgehouden?" + +"Ik hield mij maar even op, Mama, om Mammy mijn flacon te geven, +om mede naar de kerk te nemen." + +"Uw gouden flacon aan Mammy!" zeide Marie, ongeduldig met haren voet +stampende. "Wanneer zult gij toch eens manieren leeren, kind? Ga dien +terstond terugvragen." + +Eva keek bedroefd voor zich en keerde zich langzaam om. + +"Och, Marie, laat het kind begaan; zij mag doen wat zij verkiest," +zeide St. Clare. + +"Maar, St. Clare, hoe zal zij ooit door de wereld komen?" zeide Marie. + +"Dat weet de Heere," antwoordde St. Clare; "maar zij zal beter naar +den hemel komen dan gij of ik." + +"O, Papa, spreek zoo niet," zeide Eva, hem zacht aan den arm stootende, +"dat maakt moeder verdrietig." + +"Wel, Neef! zijt gij ook gereed om naar de _meeting_ te gaan?" zeide +Ophelia, zich vlak voor St. Clare plaatsende. + +"Wèl verplicht; ik ga niet." + +"Ik wenschte zoo dat St. Clare maar eens naar de kerk wilde gaan," +zeide Marie; "maar hij geeft niets om den godsdienst. Het is inderdaad +niet fatsoenlijk." + +"Dat weet ik wel," zeide St. Clare hierop. "Gij, dames, gaat naar de +kerk, om te leeren hoe door de wereld te komen, naar ik meen, en uwe +vroomheid deelt ons fatsoen mede. Als ik al ging, zou ik gaan waar +Mammy gaat; daar is tenminste nog iets om iemand wakker te houden." + +"Wat, naar die schreeuwende methodisten?" zeide Mary. "Afschuwelijk!" + +"Alles liever dan de doode zee van uwe fatsoenlijke kerken, Marie. Dat +is waarlijk te veel van iemand gevergd. Eva, gaat gij wel gaarne +mede? Kom blijf tehuis en speel met mij." + +"Dank u, Papa, maar ik wilde liever naar de kerk gaan." + +"Is dat dan niet schrikkelijk vervelend?" zeide St. Clare. + +"Ik vind het wel wat vervelend," antwoordde Eva: "en ik ben ook wel +slaperig, maar ik doe mijn best om wakker te blijven." + +"Waarom gaat gij dan?" + +"Wel, gij weet, Papa," antwoordde zij fluisterend, "nicht heeft mij +gezegd dat God dit van ons hebben wil; en Hij geeft ons alles, weet +ge; en het is niet veel om dat te doen, als Hij het hebben wil. Het +is toch zoo heel vervelend niet." + +"Ge zijt een lief gewillig kind," zeide St. Clare--en kuste haar. "Ga +maar als een goed meisje en bid voor mij." + +"Zeker, dat doe ik altijd," antwoordde Eva, en zij sprong hare moeder +na in de koets. + +St. Clare bleef op de stoep staan en wierp haar een handkus na toen +de koets wegreed. Er waren groote tranen in zijne oogen. + +"O Evangeline! Wel moogt gij uw naam dragen," zeide hij. "Heeft God +u niet tot een evangelie voor mij gemaakt?" + +Zoo dacht en voelde hij voor een oogenblik; toen ging hij eene +sigaar rooken en een onderhoudend boek lezen, en vergat zijn klein +evangelie. Verschilde hij wel veel van anderen? + +"Gij begrijpt wel, Evangeline," zeide hare moeder, "het is wel +behoorlijk de bedienden altijd goed te behandelen, maar het is niet +voegzaam hen eveneens te behandelen als wij onze bloedverwanten of +menschen van onze eigene klasse zouden doen. Als Mammy nu eens ziek +was, zoudt gij haar dan in uw eigen bed willen leggen?" + +"Dat zou ik wel gaarne, Mama," antwoordde Eva, "omdat het dan veel +gemakkelijker zou zijn haar op te passen, en ook omdat mijn bed beter +is dan het hare." + +Marie werd wanhopig over het gebrek aan zedelijk begrip, dat dit +antwoord aanduidde. + +"Wat kan ik doen om mij door dit kind te doen verstaan?" zeide zij. + +"Niets," antwoordde Ophelia met nadruk. + +Eva keek voor een oogenblik droevig en verslagen; maar bij kinderen +blijft een indruk gelukkig niet lang bestaan, en weldra lachte zij +weder vroolijk over allerhande dingen, die zij in het voorbijrijden +zag. + + + +"Wel, dames," zeide St. Clare, toen zij aan het diner zaten: "wat +heeft men u vandaag in de kerk opgedischt?" + +"O, Dr. G.-- heeft vandaag een heerlijke preek gehouden," zeide +Marie. "Het was juist zulk een preek als gij hadt moeten hooren. Hij +heeft alles gezegd wat ik dikwijls denk." + +"Dat zal zeer stichtelijk geweest zijn," zeide St. Clare, "en het +onderwerp moet ook uitgebreid geweest zijn.' + +"Wel, ik meen wat ik over de maatschappij en zulke dingen denk," +zeide Marie. "De tekst was: "Hij heeft ieder ding schoon gemaakt +in zijnen tijd," en hij bewees: hoe alle rangen en onderscheidingen +in de maatschappij van God kwamen; en dat het zoo gepast en schoon +was dat sommigen hoog en sommigen gering waren; dat sommigen geboren +werden om te gebieden en anderen om te dienen, en alzoo meer, weet ge; +en hij paste dat zoo wèl toe op de belachelijke opschudding die over +de slavernij gemaakt wordt, en hij bewees duidelijk dat de Bijbel op +onzen kant was en al onze instellingen bevestigde. Ik wenschte maar +dat gij hem gehoord hadt." + +"Och, ik had dat niet noodig," antwoordde St. Clare; "ik kan dat +zelfde wel in andere boeken lezen, en dan nog eene sigaar er bij +rooken, wat ik in eene kerk niet doen kan." + +"Gelooft gij dus niet aan zulke stellingen?" zeide Ophelia. + +"Wie--ik? Ik moet bekennen dat ik lichtzinnig genoeg ben niet +veel stichting te vinden in godsdienstige redeneeringen over zulke +dingen. Als ik iets over die quaestie van de slavernij moest zeggen, +zou ik ronduit bekennen: Wij zitten er nu mee. Wij hebben ze en willen +ze houden. Het is voor ons gemak en voordeel. Dat is toch het lange en +het korte er van, en dat is het ook waar die schijnheilige praatjes +eigenlijk op neer komen; en ik denk, dat zou voor iedereen en overal +verstaanbaar zijn." + +"Ik vind dat gij al heel oneerbiedig zijt, Augustine," zeide Marie. "Ik +vind het ijselijk u zoo te hooren spreken." + +"IJselijk! Het is de waarheid. Dat godsdienstig gebabbel over zulke +dingen--waarom drijven zij het niet nog wat verder en bewijzen hoe +schoon het is, als iemand op zijnen tijd een glas te veel drinkt, +of wat te laat bij de kaarten blijft zitten, kortom, het schoone van +al die beschikkingen der Voorzienigheid, die onder ons, jongelieden, +tamelijk dikwijls voorkomen? Wij zouden gaarne willen hooren dat al +die dingen ook goed en goddelijk zijn." + +"Maar," zeide Ophelia, "houdt gij nu de slavernij voor recht of +onrecht?" + +"Gij moet mij niet op die akelige Nieuw-Engelsche manier met zulke +rechtstreeksche vragen komen bestoken, Nicht," zeide St. Clare +schertsend. "Als ik die eene vraag beantwoord, weet ik dat ge mij nog +met een half dozijn meer op het lijf valt, de eene al lastiger dan +de andere, en dat wil ik niet afwachten. Ik ben een van die soort, +die wel met steenen willen smijten naar de glazen huizen van anderen, +maar nooit zelf een glazen huis willen bouwen om hen met steenen te +laten gooien." + +"Dat is de manier waarop hij altijd praat," zeide Marie. "Men kan +nooit bepaalde antwoorden van hem krijgen. Ik geloof dat het is omdat +hij niet van den godsdienst houdt, dat hij er altijd zoo omheen praat." + +"Godsdienst!" zeide St. Clare, op een toon die beide dames naar hem +deed opzien. "Godsdienst! Is dat, wat gij daar in de kerk hoort, +godsdienst? Is dat, wat men zoo kan buigen en wringen, om in al de +kronkelingen van eene eigenlievende, aardschgezinde maatschappij +te passen, godsdienst? Is dat godsdienst wat minder billijk, +minder edelmoedig, minder rechtvaardig, minder meedoogend voor den +mensch is dan mijn eigen ongodsdienstig, aardschgezind, verblind +gemoed? Neen! Als ik naar godsdienst zoek, dan moet ik zoeken naar +iets dat boven mij is, niet naar iets dat beneden mij is." + +"Dus gelooft gij niet dat de Bijbel de slavernij rechtvaardigt?" zeide +Ophelia. + +"De Bijbel was mijn moeders boek," antwoordde St. Clare. "Daarmede +heeft zij geleefd en is zij gestorven, en het zou mij zeer spijten +als ik denken moest dat hij dat deed. Ik zou mij even gaarne zien +bewijzen dat mijne moeder brandewijn dronk, en tabak pruimde, en +vloekte, om mij zoo gerust te stellen dat ik recht had om hetzelfde +te doen. Dat zou mij met die dingen voor mij zelven geheel niet +beter tevreden maken en het zou mij den troost ontnemen van haar te +eerbiedigen; en het is waarlijk een troost, in deze wereld iets te +hebben dat men eerbiedigen kan. Kortom," vervolgde hij, eensklaps zijn +schertsende toon hernemende, "al wat ik verlang is, dat verschillende +dingen in verschillende doozen bewaard worden. Het geheele samenstel +der maatschappij, zoowel in Amerika als in Europa, is van allerlei +dingen gemaakt, die niet voor de proef eener maar eenigszins strenge +zedelijkheid bestand zijn. Men is het tamelijk algemeen eens, dat de +menschen niet naar het absolute recht streven, maar alleen omtrent +zoo goed willen zijn als anderen. Als nu iemand opstaat en spreekt als +een man, en zegt dat de slavernij noodig voor ons is, dat wij er niet +buiten kunnen, dat wij doodarm zouden worden als wij er van afzagen, +en dat wij ze natuurlijk denken te behouden--dan is dat krachtige, +duidelijke, bondige taal, die het achtenswaardige der oprechtheid +heeft; en als wij op het doorgaande gebruik kunnen afgaan, zal de +meerderheid der wereld ons daarin gelijk geven. Maar als hij een +lang gezicht wil zetten, temende preeken houden en de Schrift er bij +aanhalen, dan begin ik te denken dat hij niet van de beste soort is." + +"Gij oordeelt zeer liefdeloos," zeide Marie. + +"Wel," hervatte St. Clare, "onderstel eens dat iets den prijs van +het katoen voor altijd zoodanig deed dalen, dat slaven geene waarde +meer hadden; zoudt ge dan niet denken dat wij spoedig eene andere +uitlegging van de Schrift zouden krijgen? Welk een vloed van licht +zou dan op eens in de kerk stroomen en oogenblikkelijk doen ontdekken +dat de Bijbel geheel het tegendeel leerde!" + +"Nu," zeide Marie, zich op de sofa uitstrekkende, "ik ben in allen +gevalle blijde, dat ik ergens geboren ben waar de slavernij bestaat; +en ik geloof dat zij rechtmatig is--ik voel dat zij dit wezen moet; +en in allen gevalle, ik zou er niet buiten kunnen." + +"Zeg eens, wat denkt gij, poesje?" zeide St. Clare tot Eva, die juist +met eene bloem in de hand binnenkwam. + +"Waarover, Papa?" + +"Wel, wat bevalt u het beste, zoo te leven als bij uwen oom in Vermont, +of een huis vol bedienden te hebben zooals wij?" + +"O natuurlijk, onze manier is veel pleizieriger," zeide Eva. + +"Waarom?" zeide St. Clare, haar over het hoofd streelende. + +"Wel, dan heeft men er zooveel meer om zich heen om lief te hebben," +antwoordde Eva hem ernstig aanziende. + +"Dat is weder zoo wonderlijk gesproken als gij altijd doet, Eva," +zeide Marie. + +"Is dat zoo wonderlijk gesproken, Papa?" fluisterde Eva, toen zij op +zijne knie was geklommen. + +"Een beetje wonderlijk, poesje, bij hetgeen de wereld gewoonlijk +zegt," antwoordde St. Clare. "Maar waar is mijne kleine Eva onder +het diner geweest?" + +"Ik ben bij Tom geweest op zijne kamer, ik heb hem hooren zingen, +en tante Dina heeft mij eten gegeven." + +"Zoo! Hebt gij Tom hooren zingen!" + +"Ja. Hij zingt zulke mooie dingen van Nieuw-Jeruzalem, en de heerlijke +engelen en het land van Kanaän." + +"Dat is nog veel mooier dan in de opera, niet waar?" + +"Ja, en hij zal ze mij leeren." + +"Zanglessen? Zoo, gij begint te vorderen." + +"Ja, hij zingt voor mij, en ik lees voor hem in mijnen Bijbel; en +hij verklaart wat het beduidt, weet ge!" + +"Nu, dat zal kluchtig zijn," zeide Marie. + +"Tom is zoo kwaad niet om de Schrift uit te leggen," zeide +St. Clare. "Hij heeft een natuurlijk talent voor den godsdienst. Ik +wilde van morgen vroeg de paarden hebben en ging dus naar Tom's +kamertje boven den stal, en daar hoorde ik hem in zijne eenigheid +eene _meeting_ houden; en waarlijk, ik heb in langen tijd niets zoo +hartelijks gehoord als het gebed van Tom. Hij bad voor mij met een +ijver die waarlijk apostolisch was." + +"Misschien kon hij raden dat gij stondt te luisteren. Ik heb wel meer +van die streken gehoord." + +"Als hij dat deed, was het niet zeer politiek; want hij zeide den Heere +tamelijk vrijpostig zijne meening over mij. Tom scheen te denken dat +er nog vrij wat aan mij te verbeteren viel, en het ernstig met mijne +bekeering te meenen." + +"Ik hoop dat gij het ter harte zult nemen," zeide Ophelia. + +"Het schijnt dus dat gij zoo wat van dezelfde meening zijt," antwoordde +St. Clare. "Wij zullen zien--niet waar, Eva?" + + + + + +ZEVENTIENDE HOOFDSTUK. + +EEN VRIJ MAN, DIE ZIJNE VRIJHEID VERDEDIGT. + + +Er heerschte zekere stille drukte in het huis van den kwaker, toen +de dag ten avond neigde. Rachel Halliday ging bedaard heen en weder, +en bracht van haren huiselijken voorraad een aantal benoodigdheden +bijeen, welke in eene kleine ruimte konden gepakt worden, voor de +zwervelingen die in den nacht zouden vertrekken. De avondschaduwen +strekten zich oostwaarts, en de ronde, roode zon toefde als het ware +peinzend bij den gezichteinder, terwijl hare gele stralen zacht in +het slaapkamertje schenen, waar George en zijne vrouw bij elkander +zaten. Hij had zijn kind op zijne knie en de hand zijner vrouw in de +zijne. Beider gezicht stond nadenkend en ernstig, en er waren sporen +van tranen op hunne wangen. + +"Ja, Eliza," zeide George. "Ik weet dat al wat gij zegt waar is. Gij +zijt een goed kind--veel beter dan ik; en ik zal trachten te doen +gelijk gij zegt. Ik zal trachten te handelen gelijk een vrij man +betaamt. Ik zal trachten het gevoel van een christen te koesteren. God +almachtig weet dat ik wèl heb willen doen--dat ik mij ingespannen +heb om wèl te doen--toen alles tegen mij was, en nu wil ik al het +verledene vergeten, en harde en bittere aandoeningen smoren en mijn +Bijbel lezen en een goed man leeren worden." + +"En als wij in Canada komen," zeide Eliza, "kan ik u helpen. Ik kan +heel goed dameskleeren maken, en fijn goed wasschen en strijken en +met ons beiden zullen wij wel genoeg verdienen om van te leven." + +"Ja, Eliza, zoolang wij maar elkander en ons kind liefhebben. O, +Eliza, als die menschen maar eens wisten welk een zegen het voor een +man is, dat zijne vrouw en zijne kinderen _hem_ toebehooren! Ik heb +mij dikwijls verwonderd dat een man, die zijne vrouw en kinderen _zijn +eigen_ kon noemen, zich nog over iets anders kwelde. Ik voel mij nu +rijk en sterk, hoewel wij niets hebben dan onze bloote handen. Het +is mij, alsof ik God nauwelijks om iets meer zou durven vragen. Ja, +hoewel ik alle dagen zwaar gewerkt heb tot ik nu vijf en twintig jaren +oud ben, en geen cent geld bezit, en geen dak om mij te dekken, en +geen plekje grond dat ik mijn eigendom kan noemen; toch, als zij mij +nu maar met vrede willen laten, zal ik tevreden zijn, dankbaar zijn, +zal ik werken, en het geld voor u en mijn kind terugzenden. Wat mijn +ouden meester betreft, ik heb hem vijfvoudig alles betaald, wat ik +hem ooit gekost heb. Hem ben ik niets schuldig." + +"Maar wij zijn nog niet geheel buiten gevaar," zeide Eliza. "Wij zijn +nog niet in Canada." + +"Dat is waar," antwoordde George: "maar het is als rook ik reeds de +vrije lucht, en dat maakt mij zoo sterk." + +Op dit oogenblik werden er in de groote kamer stemmen gehoord, die een +ernstig gesprek hielden, en weldra werd er aan de deur geklopt. Eliza +opende haar schielijk. + +Simeon Halliday was daar met een van zijne geloofsgenooten, dien hij +als Phineas Fletcher binnenleidde. Phineas was lang en mager; hij +had rood haar en een gezicht, waarvan de uitdrukking schranderheid +en sluwheid aanduidde. Hij had lang niet het stille, kalme, voor de +wereld onverschillige voorkomen van Simeon; maar integendeel een +bijzonder scherp en wakker uitzicht, als iemand die er eenigszins +grootsch op is dat hij weet wat hij doet en goed voor zich ziet; +eigenaardigheden, die vrij zonderling bij zijne stijve kleeding en +manier van spreken afstaken. + +"George, onze vriend Phineas heeft iets van belang ontdekt voor u en +uw gezelschap," zeide Simeon; "het zou goed voor u zijn dat te hooren." + +"Dat heb ik," zeide Phineas, "en het bewijst hoe nuttig het is dat +een man op zekere plaatsen altijd met één oor open slaapt, gelijk +ik altijd gezegd heb. Den vorigen nacht vertoefde ik in eene kleine +eenzame herberg aan den weg achterwaarts. Gij weet de plaats nog wel, +Simeon, waar wij verleden jaar appelen verkocht hebben aan die dikke +vrouw met groote oorringen. Nu, ik was moede van het harde rijden en +na mijn avondmaal legde ik mij op een hoop zakken in een hoek neer, +en dekte mij met een buffelhuid, om te wachten tot mijn bed gereed was, +en wat doe ik anders dan vast in slaap vallen." + +"Met één oor open, Phineas?" zeide Simeon koeltjes. + +"Neen, ik sliep met beide ooren en al een paar uren lang, want ik was +tamelijk moede; maar toen ik tot mij zelven kwam, bevond ik dat er +eenige mannen in de kamer waren, die aan de tafel zaten te drinken +en te praten; en ik dacht dat ik, eer ik veel beweging maakte, even +moest zien waar zij aan bezig waren, vooral daar ik hen iets over +de kwakers hoorde zeggen. "Dus zijn zij zeker in het kwakersdorp," +zeide er een. Toen luisterde ik met beide ooren, en bevond dat +zij juist over ditzelfde gezelschap spraken. Dus bleef ik liggen +en hoorde hen al hunne plannen overleggen. Deze jonge man, zeiden +zij, zou weder naar Kentucky gezonden worden, naar zijnen meester, +die een voorbeeld aan hem zou stellen, om alle negers het wegloopen +af te leeren; en zijne vrouw zouden twee van hen naar Nieuw-Orleans +brengen om te verkoopen, en zij rekenden zestien- of achttienhonderd +dollars voor haar te krijgen; en het kind, zeiden zij, moest naar +een handelaar, die het gekocht had; en dan waren er de jongen Jim en +zijne moeder, zij zouden weder naar hunne meesters in Kentucky. Zij +zeiden dat er twee constabels waren in een stadje, een weinig verder +op, die met hen zouden gaan om hen te vatten; en de jonge vrouw zou +voor een rechter gebracht worden; en een van die lieden, die klein +en welbespraakt is, zou zweren dat zij zijn eigendom was en haar aan +hem laten overleveren. Zij hebben een recht begrip van den weg dien +wij van nacht willen nemen; en zij willen ons nazetten, zes of acht +man sterk. Dus, wat is er nu te doen?" + +De groep, die na deze mededeeling in verschillende houdingen staan +bleef, was een schilder waardig. Rachel Halliday, die het kneden +van een baksel beschuit had laten staan om het nieuws te hooren, +stond daar nu met opgeheven, bemeelde handen en een zeer verslagen +gezicht. Simeon stond ernstig te peinzen; Eliza had hare armen om haren +man geslagen en zag naar hem op. George stond daar met dichtgeknepen +vuisten en gloeiende oogen; zijn blik was gelijk die van ieder ander +man zou mogen wezen, als zijne vrouw bij opbod verkocht en zijn zoon +aan een handelaar overgeleverd zou worden, alles onder het schild +der wetten van een christelijk volk. + +"Wat zullen wij doen, George?" zeide Eliza flauw. + +"Ik weet wel wat _ik_ doen zal," antwoordde George en ging het kamertje +weder binnen, om zijne pistolen na te zien. + +"Ja, ja," zeide Phineas, Simeon toeknikkende: "gij ziet wel wat er +op volgen moet." + +"Ik zie het," zeide Simeon met een zucht; "maar ik bid dat het zoover +niet komen zal." + +"Ik wil niemand met mij of voor mij in gevaar brengen," zeide George +nu. "Als gij mij uwe kar wilt leenen en den weg beduiden, zal ik +alleen naar de volgende schuilplaats rijden. Jim heeft reuzenkracht +en is zoo dapper als de dood en de wanhoop; en ik insgelijks." + +"Dat is wel, vriend," zeide Phineas; "maar gij zult toch een voerman +noodig hebben. Al het vechten zal met genoegen voor u worden gelaten; +maar ik weet een paar dingen van den weg, die gij niet weet." + +"Maar ik wil niemand in ongelegenheid brengen," zeide George. + +"In ongelegenheid?" herhaalde Phineas met een zonderlingen +glimlach. "Als gij mij in ongelegenheid brengt, wees dan zoo +vriendelijk om het mij te laten weten." + +"Phineas is een wijs en bekwaam man," zeide Simeon. "Gij doet wel, +George, met u naar zijn oordeel te voegen, en," vervolgde hij, zijne +hand vriendelijk op George's schouder leggende en naar de pistolen +wijzende, "wees niet al te haastig met de--jong bloed is heet." + +"Ik zal niemand aanvallen," antwoordde George. "Al wat ik van dit land +vraag, is dat men mij met vrede laat, en ik zal vreedzaam heengaan; +maar," hij zweeg een oogenblik en zijn gezicht werd donker--"er is +eene zuster van mij op de markt van dat Nieuw-Orleans verkocht. Ik +weet waartoe men haar verkocht; en ik zal het aanzien dat zij mijne +vrouw nemen en haar verkoopen, terwijl God mij een paar sterke armen +gegeven heeft om haar te verdedigen! Neen, zoo helpe mij God! Ik zal +tot den laatsten ademtocht vechten, eer zij mijne vrouw en mijn zoon +krijgen. Kunt gij mij laken?" + +"Geen sterfelijk mensch kan u laken, George. Vleesch en bloed kunnen +niets anders doen," zeide Simeon. "Wee over de wereld vanwege de +ergernis; maar wee over hen, door wie de ergernis komt." + +"Zoudt gij in mijne plaats niet hetzelfde doen, Mijnheer?" + +"Ik bid dat ik niet beproefd worde," antwoordde Simeon. "Het vleesch +is zwak." + +"Ik denk dat mijn vleesch in zulk een geval tamelijk sterk zou zijn," +zeide Phineas, een paar armen uitstekende, die naar de wieken van een +windmolen geleken. "Ik ben niet zeker, vriend George, of ik niet wel +een kerel voor u zou vasthouden als gij eene rekening met hem had af +te doen." + +"Indien de mensch ooit het kwaad behoort te wederstaan," zeide +Simeon, "dan moet George de vrijheid gevoelen om dit nu te doen; +maar de leidslieden van ons volk hebben ons een meer uitmuntenden +weg geleerd; want de toorn des mans wekt Gods gerechtigheid niet; +maar deze strijd bitterlijk tegen den bedorven wil des menschen en +niemand kan haar ontvangen dan zij aan wie zij gegeven wordt. Laten +wij den Heere bidden dat wij niet verzocht worden." + +"Dat doe ik ook," zeide Phineas; "maar als wij al te zeer verzocht +worden--welnu, laten zij voor zich zien, dat is alles." + +"Het is duidelijk dat gij geen Vriend geboren zijt," zeide Simeon +met een glimlach. "De oude natuur blijft nog tamelijk sterk in u." + +Om de waarheid te zeggen, Phineas was een forsche, hardhandige boschman +geweest, een geweldig jager en scherpschutter; maar verliefd op eene +bevallige kwakerin, was hij door de macht harer bekoorlijkheden +bewogen om zich bij het gezelschap in deze streek te voegen; en +hoewel hij een eerlijk, nuchter en nuttig lid der gemeente was, +en er niets bijzonders op zijn gedrag was te zeggen, konden toch de +meer geestelijkgezinden niet nalaten een bijzonder gebrek aan heilige +zachtmoedigheid bij hem op te merken. + +"Vriend Phineas zal altijd zijne eigene manieren hebben," zeide Rachel +glimlachende; "maar wij allen denken toch dat zijn hart op de rechte +plaats zit." + +"Welnu," zeide George; "is het niet best dat wij onze vlucht +verhaasten?" + +"Ik ben te vier uren opgestaan en heb allen spoed gemaakt, twee of drie +uren voor hen, als zij vertrekken op den tijd dien zij afspraken. Het +is in allen gevalle niet veilig te vertrekken eer het donker is; want +er zijn eenige booze menschen in de dorpen verder op, die genegen +konden zijn om zich met ons te bemoeien als zij onzen wagen zagen, +en dat zou ons meer ophouden dan het wachten; maar over twee uren +denk ik dat wij het kunnen wagen. Ik zal naar Michael Cross gaan, +en hem vragen om op zijnen harddraver achter ons aan te komen, +en onderweg scherp uit te zien, en ons te waarschuwen als er een +gezelschap aankomt. Michael heeft een paard, dat de meeste andere +paarden spoedig kan vooruitloopen; en hij zou vooruit kunnen rijden, +en het ons doen weten als er eenig gevaar was. Ik ga nu Jim en de oude +vrouw waarschuwen om zich gereed te houden en naar de paarden zien. Wij +zijn een goed eind vooruit en hebben dus kans om in veiligheid te +komen eer zij ons inhalen. Heb dus goeden moed, vriend George; dat +is niet de eerste maal, dat ik met uw volk leelijk in het nauw ben +geweest," zeide Phineas, terwijl hij de deur sloot. + +"Phineas is schrander," zeide Simeon. "Hij zal ook het beste doen +dat voor u gedaan kan worden, George." + +"Werkelijk, gij brengt u voor ons in ongelegenheid," zeide George. + +"Gij zult ons zeer verplichten, vriend George, met daarvan niets meer +te zeggen. Wat wij doen, zijn wij volgens ons geweten verplicht om +te doen; wij kunnen niet anders. En nu, moeder," zeide hij, zich naar +Rachel keerende, "spoed u met uwe toebereidselen voor deze vrienden, +want wij moeten hen niet vastende heenzenden." + +Terwijl Rachel en hare kinderen bezig waren met koornkoek te bakken, +ham en hoenders te braden en andere toebereidselen voor het avondmaal +te maken, zaten George en Eliza in hun kamertje met de armen om +elkander heengeslagen en in zulke gesprekken verdiept, als man en +vrouw met elkander moeten hebben, wanneer zij weten dat zij over +weinige uren voor altijd van elkander gescheiden kunnen worden. + +"Eliza," zeide George, "menschen die vrienden, huizen, land en geld +en dat alles hebben, kunnen elkander niet zoo liefhebben als wij, +die niets hebben dan elkander. Vóórdat ik u kende, Eliza, had niemand +mij ooit liefgehad, behalve mijne ongelukkige moeder en zuster. Ik zag +de arme Emily nog op den ochtend toen de handelaar haar medenam. Zij +kwam naar den hoek waar ik lag te slapen, en zeide: "Arme George, uw +laatste vriendin gaat heen. Wat zal er van u worden, arme jongen?" En +ik stond op en sloeg mijne armen om haar heen, en schreide en snikte +en zij schreide ook; en dat waren de laatste vriendelijke woorden die +ik in tien lange jaren gehoord heb; en mijn hart verdroogde geheel +en al, tot ik u ontmoette. En toen gij mij liefhadt--wel, het was +bijna alsof iemand uit den dood werd opgewekt. Ik ben sedert dien tijd +een nieuw mensch geweest. En nu, Eliza, zal ik mijn laatsten droppel +bloed geven, maar zij zullen u niet van mij afnemen. Wie u krijgt, +zal over mijn lijk moeten stappen." + +"O Heere, wees barmhartig!" zeide Eliza snikkende. "Als Hij ons maar +te zamen uit dit land wil laten komen, dat is al wat wij vragen." + +"Is God dan op hunne zijde?" zeide George, minder tot zijne vrouw +sprekende dan zijne eigene bittere gedachten uitstortende. "Ziet Hij al +wat zij doen? Waarom laat Hij zulke dingen gebeuren? En men zegt dat +de Bijbel op hunne zijde is; zeker is alle macht op hunne zijde. Zij +zijn rijk, gezond en welvarend; zij zijn leden van de kerk en denken +in den hemel te komen; het gaat hun goed in de wereld en zij hebben +in alles hun zin; en arme, oprechte, getrouwe christenen--christenen +zoo goed of beter dan zij--liggen in het stof onder hunne voeten. Zij +koopen en verkoopen hen, en drijven handel met hun hartebloed, hunne +zuchten en tranen, en God laat hun dat toe." + +"Vriend George," zeide Simeon uit de keuken, "luister eens naar dezen +psalm; hij zal u misschien goed doen." + +George schoof zijn stoel naar de deur, en Eliza, hare tranen +afdrogende, kwam ook nader om te luisteren, terwijl Simeon las: + +"Maar mij aangaande, mijne voeten waren bijna uitgeweken, mijne +treden waren bijkans uitgeschoten. Want ik was nijdig op de dwazen, +ziende der goddeloozen vrede. Want er zijn geen banden, tot hunnen +dood toe, en hunne kracht is frisch. Zij zijn niet in moeite als +andere menschen, en worden met andere menschen niet geplaagd. Daarom +omringt hen de hoovaardij als een keten, het geweld bedekt hen als +een gewaad. Hunne oogen puilen uit van vet; zij gaan de verbeeldingen +des harten te boven. Zij mergelen de lieden uit, en spreken boozelijk +van verdrukking; zij spreken uit de hoogte. Daarom keert zijn volk +zich hiertoe, als hun wateren eens vollen bekers worden uitgedrukt, +dat zij zeggen: Hoe zou God het weten, en zou er wetenschap zijn bij +den Allerhoogste?" "Is het nu zoo niet, dat gij denkt, George?" + +"Zoo is het waarlijk," antwoordde George. "Zoo goed alsof ik het zelf +geschreven had." + +"Hoor dan," zeide Simeon. "Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen +verstaan, maar het was moeite in mijne oogen; totdat ik in Gods +heiligdommen inging en op hun einde merkte. Immers zet Gij hen op +gladde plaatsen en doet hen vallen in verwoestingen. Als Gij opwaakt, +O Heer, dan zult Gij hun beeld verachten. Ik zal dan geduriglijk bij +U zijn: Gij hebt mijne rechterhand gevat. Gij zult mij leiden door +uwen raad, en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen. Het is +mij goed nabij God te wezen; ik zet mijn betrouwen op den Heere." + +Deze woorden van heilig vertrouwen, door den vriendelijken ouden +man uitgesproken, waren als hemelmuziek om den ontrusten geest van +George te stillen, en toen het lezen ophield, droegen zijne trekken +eene uitdrukking van kalmte en onderwerping. + +"Indien deze wereld alles was, George," zeide Simeon, "dan mochten +wij wel vragen: Waar is de Heere? Maar het zijn dikwijls diegenen, +die het minste in dit leven hebben, welke Hij voor zijn koninkrijk +uitkiest. Stel uw vertrouwen op Hem, en wat u hier ook overkome, +Hij zal hier namaals wèl maken." + +Indien deze woorden door een vermaner van de gewone soort waren +gesproken, in wiens mond zij slechts vrome, redekunstige spreekwijzen +zouden geweest zijn, zouden zij misschien niet veel indruk hebben +gemaakt; maar uit den mond van iemand, die zich voor de zaak van God en +den mensch dagelijks koelbloedig aan boeten en gevangenis blootstelde, +hadden zij een gewicht dat men niet kon nalaten te gevoelen, en beide +ongelukkige vluchtelingen bevonden dat hun daardoor kalmte en kracht +werden ingeboezemd. + +Nu nam Rachel Eliza vriendelijk bij de hand en bracht haar naar de +tafel, waarop het avondmaal gereed stond. Toen zij zaten, werd er +zachtjes aan de deur geklopt en daarop trad Ruth binnen. + +"Ik kom eens even aanloopen," zeide zij, "met deze kousjes voor den +kleinen jongen--drie paar van lekker warme wol. Het zal zoo koud zijn, +weet ge, daar in Canada. Houdt ge wel goeden moed, Eliza?" vervolgde +zij, kwam de tafel om naar haar toe, en drukte haar hartelijk de hand, +terwijl zij tegelijk Harry een kruidkoekje toestopte. "Ik heb een +pakje daarvan voor hem medegebracht," zeide zij, trekkende om het +bedoelde pakje uit haren zak te krijgen. "Kinderen, weet ge wel, +willen toch altijd eten." + +"O, ik dank u; gij zijt al te goed," zeide Eliza. + +"Kom, Ruth, ga mede aanzitten," zeide Rachel. + +"Ik kan onmogelijk. Ik heb John bij het kleintje gelaten, en ik heb +beschuit in den oven; en ik kan geen oogenblik blijven, of John zal +de beschuit laten verbranden en het kind al de suiker in zijne pap +geven. Dat is zijne manier zoo," zeide het kwakerinnetje. "Goeden dag, +Eliza, goeden dag, George; de Heere geve u eene veilige reis." En +daarmede trippelde Ruth weder de deur uit. + +Een poosje na het avondeten kwam er een groote overdekte wagen voor +de deur. Het was een heldere sterrennacht en Phineas sprong vlug van +zijn bankje, om zijne passagiers te schikken. George kwam de deur uit +met zijn kind op den eenen arm en zijne vrouw aan den anderen. Zijn +tred was vast, zijn gezicht ernstig, maar kalm. Rachel en Simeon +kwamen ook buiten. + +"Stapt eens even uit,' zeide Phineas tegen hen, die reeds in den +wagen zaten, "en laat ik het achterste van den wagen klaarmaken voor +de vrouwen en het kind." + +"Hier zijn de twee buffelhuiden," zeide Rachel. "Maak de plaatsen maar +zoo zacht als gij kunt, want het is toch hard genoeg, den geheelen +nacht te rijden." + +Jim stapte het eerst af en hielp toen voorzichtig zijne oude moeder, +die zich aan zijnen arm vastklemde en angstig rondzag, alsof zij +ieder oogenblik een vervolger verwachtte. + +"Jim, zijn uwe pistolen in orde?" zeide George, met eene zachte maar +vaste stem. + +"Ja, wel zeker," antwoordde Jim. + +"En gij zult u niet bedenken wat te doen zal komen?" + +"Ik geloof haast van neen," antwoordde Jim, zoo diep ademhalende, +dat zijne breede borst opzwol. "Denkt gij dat ik moeder weder zal +laten krijgen?" + +Onder dit korte gesprek had Eliza van hare liefderijke vriendin Rachel +afscheid genomen. Zij werd nu door Simeon in den wagen geholpen, +en met haar kind naar het achtereinde kruipende, zette zij zich op +de buffelhuiden neer. + +De oude vrouw werd vervolgens in den wagen geholpen en naast haar +geplaatst; George en Jim zetten zich op de harde bank in het midden +en Phineas klom voorop. + +"Vaartwel, mijne vrienden," riep Simeon van buiten. + +"God zegene u!" was het antwoord van binnen. + +En de wagen reed voort, ratelende en hotsende over den bevroren +weg. Door het stooten en gedruisch dat de wielen maakten, was het niet +mogelijk een gesprek te voeren. Men hotste dus uur op uur maar voort en +voort, door lange donkere streken boschland, over uitgestrekte barre +vlakten, tegen heuvelen op en in dalen af. Het kind viel spoedig in +slaap en lag zwaar op den schoot zijner moeder. De arme vrouw vergat +eindelijk haar angst, en zelfs Eliza bevond, toen het later in den +nacht werd, dat al hare bekommeringen niet in staat waren om hare +oogen het dichtvallen te beletten. Phineas scheen over het algemeen +de levendigste van het gezelschap, en kortte zich den tijd van den +langen tocht door het fluiten van zeer onkwakerachtige deuntjes. + +Tegen drie uren ving George's gehoor het gekletter op van snelle +hoefslagen die achter hen aankwamen, en stiet hij Phineas aan den +elleboog. Phineas hield stil en luisterde. + +"Dat moet Michael zijn," zeide hij, "ik meen het geluid van zijnen +galop te kennen." + +Hij stond op en keek oplettend den weg langs. + +Nu kon men op den top van een heuvel een man te paard onderscheiden, +die haastig aankwam. + +"Daar is hij, geloof ik," zeide Phineas. + +George en Jim sprongen beiden van den wagen, eer zij recht wisten +wat zij deden. Allen tuurden doodstil naar den verwachten bode. Hij +naderde. Nu daalde hij in eene vallei af, waar zij hem niet zien +konden; maar zij hoorden toch de snelle hoefslagen al dichter en +dichter bij komen; eindelijk zagen zij hem op den top eener hoogte, +binnen beroep. + +"Ja, dat is Michael," zeide Phineas, en zijne stem hoog verheffende, +riep hij: "Holla daar, Michael!" + +"Phineas, zijt gij dat?" + +"Ja! Wat nieuws? Komen zij?" + +"Vlak achter mij. Met hun achten of tienen. Dol van brandewijn, +vloekende en schuimbekkende als wolven." + +En terwijl hij dit zeide, voerde de wind den flauwen klank van +galoppeerende ruiters aan. + +"Stapt weer op, jongens," zeide Phineas. "Als gij vechten moet, +wacht dan tot gij een eind verder zijt." + +Beiden sprongen weder in den wagen, en Phineas bracht de paarden door +zweepslagen in een ren, terwijl de ruiter naast hen bleef. Hotsend +en stootend vloog de wagen bijna over den bevroren grond; maar al +duidelijker en duidelijker werd het geluid der achteraankomende +ruiters. De vrouwen hoorden dit ook, en uitkijkende zagen zij, ver +achterwaarts, op den kam van een heuvel, een troep mannen tegen +het roode schijnsel van den dageraad afstekende. Nog een heuvel, +en de vervolgers hadden blijkbaar den wagen in het oog gekregen, +daar de witte kap dezen in de verte deed onderscheiden, en een woeste +zegekreet werd door den wind overgevoerd. Met een gevoel alsof ze +flauw zou vallen, drukte Eliza haar kind vaster aan hare borst; +de oude vrouw kermde en bad; George en Jim grepen met de kracht der +wanhoop hunne pistolen. De vervolgers wonnen nu snel. De weg nam een +draai en bracht den wagen vlak bij eenige steile rotsen die bijna +loodrecht oprezen, op eene plek die in het rond geheel effen was. Deze +groep of keten van rotsen, die zwart tegen de reeds helder wordende +lucht afstak, scheen eene schuilplaats, waar men zich veiligheid kon +beloven. Zij waren Phineas wel bekend, daar hij, in vroeger tijd op +de jacht zijnde, dikwijls in deze streek was geweest, en het was om +deze plek te bereiken, dat hij de paarden zoo had voortgejaagd. + +"Nu komt het er op aan," zeide hij, zijne paarden eensklaps inhoudende; +en terstond op den grond springende, vervolgde hij: "Dadelijk er uit, +allemaal, en met mij de rotsen op. Michael, bind uw paard aan den wagen +en rijd door naar Amariah, en laat hij met zijne jongens terugkomen, +om met die kerels te spreken." + +In een oogenblik waren allen uit den wagen. + +"Komt," zeide Phineas, Harry opnemende, "neemt ieder een van de +vrouwen, en loopt dan zooals gij nog nooit in uw leven geloopen hebt." + +Zij hadden geene aansporing noodig. Sneller dan wij het zeggen kunnen, +waren allen over het staketsel langs den weg en haastten zij zich +naar de rotsen, terwijl Michael van zijn paard sprong, het aan den +wagen vastbond, voorop klom en zoo hard hij kon voortreed. + +"Komt verder," zeide Phineas, toen zij de rotsen bereikten, en in het +flauwe licht van den dageraad de sporen van een ruw maar duidelijk +aangewezen voetpad zagen. "Dat is een van onze oude jagersholen. Komt +op!" + +Phineas ging vooruit en sprong als eene geit de rotsen op, met +het kind in zijne armen. Jim, die zijne oude moeder over zijnen +schouder droeg, was de tweede; George en Eliza kwamen achteraan. De +ruiters kwamen ingelijks aan het staketsel, en stegen schreeuwende +en vloekende af om hen te volgen. Eene korte poos klauterens bracht +de vluchtelingen op den top der eerste steilte; vervolgens liep het +pad door eene enge kloof, waardoor zij slechts een voor een konden +heengaan, tot zij plotseling gestuit werden door eene diepe kloof van +meer dan eene el breedte en over de dertig voet diepte, met wanden zoo +steil en effen als een muur. Phineas sprong vlug over de spleet heen, +en zette het kind op het witte veerkrachtige mos neer, dat den effen +top der rots bedekte. + +"Komt er over!" riep hij. "Doet nu eens een sprong voor uw leven!" + +Weldra waren allen aan den overkant. + +Een aantal losse steenen lag daar, zoodanig opgestapeld, dat zij +eene soort van borstwering vormden, zoodat men, daarachter zijnde, +niet van beneden kon gezien worden. + +"Zoo, daar zijn wij allen," zeide Phineas, over de borstwering +kijkende naar de vervolgers, die gedeeltelijk de rots opklauterden, +gedeeltelijk beneden bleven staan. "Laten zij ons maar krijgen als zij +kunnen. Die hier komen, moeten een voor een tusschen de rotsen door, +onder bereik van uwe pistolen; ziet ge wel, jongens?" + +"Ik zie het," antwoordde George; "en daar de zaak ons alleen aangaat, +zoo laat ons het gevaar op ons nemen en alleen vechten." + +"Ik gun u het vechten wel alleen, George," zeide Phineas, eenige +bessenbladeren kauwende, onder het spreken, "maar ik zal toch wel de +aardigheid mogen hebben van toe te kijken, zou ik denken. Maar zie, +die kerels staan daar beneden te overleggen, en kijken naar omhoog, +gelijk kippen als zij naar hare slaapplaats opvliegen. Zou het +niet beter zijn een woordje van goeden raad te geven eer zij komen, +om hun eerlijk te waarschuwen dat er op hen geschoten zal worden, +als zij dat doen?" + +De troep beneden, thans in het licht van den aanbrekenden dag +duidelijk zichtbaar, bestond uit onze oude bekenden, Tom Loker en +Marks met twee constabels, en eenige kerels die zich in de laatste +herberg door wat brandewijn hadden laten bewegen om vermaakshalve +mede op de jacht te gaan. + +"Wel, Tom, het wild is in de val," zeide een van hen. + +"Ja, ik zag ze recht hierop gaan," antwoordde Tom, "en daar is een +pad. Ik ben er voor om terstond op hen af te gaan. Zij kunnen toch +niet in eens naar beneden springen, en het zal niet lang duren of +wij vinden ze." + +"Maar Tom, zij kunnen wel achter de rotsen op ons vuren," zeide Marks, +"en dat zou leelijk zijn." + +"Ba!" zeide Tom smalend. "Gij wilt altijd uw huid sparen, Marks. Maar +geen gevaar! Negers zijn veel te laf." + +"Ik weet niet waarom ik mijne huid niet zou sparen," antwoordde +Marks. "Het is het beste wat ik heb, en negers vechten somtijds +als duivels." + +Op dit oogenblik verscheen George op den top der rots boven hen en +zeide met eene heldere en vaste stem: + +"Heeren, wie zijt gij daar beneden en wat zoekt gij hier?" + +"Wij zoeken een troep weggeloopen negers," antwoordde Tom +Loker. "Zekeren George Harris en Eliza Harris en hun zoon, en Jim +Selden en eene oude vrouw. Wij hebben de officieren hier en eene +volmacht om hen te vatten; en wij zullen hen krijgen ook. Hoort gij +wel? Zijt gij George Harris niet, die aan Mr. Harris van Kentucky +behoort?" + +"Ik ben George Harris. Zekere Mr. Harris van Kentucky noemde mij eens +zijn eigendom. Maar nu ben ik een vrij man en sta op Gods vrijen grond, +en mijne vrouw en mijn kind behooren mij toe. Jim en zijne moeder zijn +hier. Wij hebben wapenen om ons te verdedigen en dat zullen wij ook +doen. Gij kunt naar boven komen als gij wilt; maar de eerste van u, +die binnen bereik van onze kogels komt, is een lijk, en de volgende +ook, en zoo voort tot den laatsten toe." + +"Och, kom, kom!" zeide een kort, zwaarlijvig manneke, naar voren +komende, en terwijl hij dit deed zijn neus snuitende: "Jonkman, dat +is eene taal die u geheel niet past. Gij ziet, wij zijn officieren +van justitie. Wij hebben de wet op onze zijde, en de macht en zoo +voort. Gij zult dus best doen met u vreedzaam over te geven, ziet ge, +want gij moet het toch eindelijk zeker opgeven." + +"Ik weet zeer wel, dat gij de wetten de macht op uwe zijde hebt," +antwoordde George met bitterheid. "Gij meent mijne vrouw te +Nieuw-Orleans te gaan verkoopen, en mijn kind als een kalf in het +hok van een handelaar op te sluiten, en Jims oude moeder weer naar +dien beestachtigen kerel te brengen, die haar te voren mishandeld +heeft omdat hij haar zoon niet mishandelen kon. Gij wilt Jim en mij +terugbrengen, om gemarteld en getrapt te worden onder de voeten +van hen die zich onze meesters noemen, en uwe wetten zullen dat +goedkeuren--des te meer schande voor u en uwe wetten. Maar gij hebt +ons nog niet. We erkennen uwe wetten niet, wij erkennen uw land niet, +wij staan hier onder Gods hemel als vrije lieden, gelijk gij zijt; +en bij den grooten God die ons geschapen heeft, wij zullen voor onze +vrijheid vechten tot wij sterven." + +George stond in het volle gezicht zijner vijanden boven op de rots, +toen hij deze verklaring van onafhankelijkheid aflegde; de gloed +van den dageraad leende een blos aan zijne gebruinde wangen, en +verontwaardiging en wanhoop gaven vuur aan zijne donkere oogen; en +alsof hij zich van de menschen op de rechtvaardigheid Gods beriep, +hief hij onder het spreken zijne hand ten hemel op. + +Als hij nu maar een jeugdig Hongaar geweest was, die in eene +bergvesting den aftocht der vluchtelingen beveiligde, welke uit hun +vaderland in Amerika eene wijkplaats wilden zoeken, dan zou dit eene +verhevene heldhaftigheid zijn geweest; maar nu hij een jonkman van +Afrikaansche afkomst was, die vluchtelingen uit Amerika naar Canada +verdedigde, zijn wij natuurlijk te wel onderwezen en te patriotsch, +om daarin eene heldhaftigheid te zien; en indien iemand van onze +lezers dit doet, moet hij het op zijne eigene verantwoordelijkheid +doen. Indien wanhopige Hongaarsche vluchtelingen, tegen het gezag, +ondanks de nasporingen hunner wettige regeering naar Amerika +ontsnappen, weergalmen de drukpers en het politieke kabinet van +toejuichingen en welkomstgroeten. Indien wanhopige Afrikaansche +vluchtelingen hetzelfde doen--dan is het--wat is het dan? + +Dat zij gelijk het wil, zeker is het dat de houding, de oogen en de +stem van den spreker den troep beneden voor een oogenblik tot stilte +brachten. Vastberadene stoutmoedigheid heeft iets dat zelfs het ruwste +gemoed voor eene poos ontzag inboezemt. Marks was de eenige die geheel +ongetroffen bleef. Hij spande bedaard den haan van zijn pistool, en +in het oogenblik van stilte, dat op de toespraak van George volgde, +gaf hij vuur op hem. + +"Gij begrijpt wel, gij krijgt dood of levend evenveel voor hem in +Kentucky," zeide hij koeltjes, en veegde zijn pistool op zijne mouw af. + +George sprong achteruit--Eliza gaf een gil--de kogel was bijna door +zijne haren en dicht langs de wang zijner vrouw gegaan. + +"Het is niets, Eliza," zeide George snel. + +"Gij moest liever uit het gezicht blijven, als gij aanspraken houdt," +zeide Phineas. "Zij zijn gemeene schurken." + +"Zie nu of uwe pistolen in orde zijn, Jim," zeide George, "en pas +met mij op de engte. Op den eerste die zich vertoont geef ik vuur; +gij neemt den tweede en zoo verder. Het zou niet gaan, weet ge, +twee schoten kruit aan één te verspillen." + +"Maar als gij niet raakt?" + +"Ik zal raken," antwoordde George koelbloedig. + +"Goed zoo! Dat is een jongen die hart heeft," prevelde Phineas +binnensmonds. + +De troep beneden bleef, toen Marks gevuurd had, voor eene poos +eenigszins besluiteloos staan. + +"Ik ben er voor om recht op hen af te gaan," zeide Tom. "Ik ben nooit +bang voor negers geweest, en dat wil ik nu ook niet worden. Wie volgt +mij?" riep hij en sprong tegen de rots op. + +George hoorde deze woorden duidelijk. Hij haalde een pistool te +voorschijn, bezichtigde die nog eens en richtte haar naar dat punt +der engte, waar de eerste man zich vertoonen moest. + +Een der dapperste van den troep volgde Tom en toen aldus het voorbeeld +gegeven was, begonnen allen tegen de rotsen op te klauteren, terwijl +de achtersten de voorsten sneller voortduwden, dan zij uit zich zelven +wel zouden gestapt hebben. Zoo kwamen zij aan, en een oogenblik later +vertoonde zich de breede gestalte van Tom bijna aan den rand der kloof. + +George gaf vuur--de kogel trof Tom in de zijde, doch hoewel gekwetst, +wilde hij niet terugdeinzen, maar met een brullenden kreet als van +een razenden stier deed hij een sprong, die hem over de kloof onder +de vluchtelingen zou gebracht hebben. + +"Vriend," zeide Phineas, eensklaps vooruitkomende en hem met zijne +lange armen een duw gevende, "gij zijt hier niet noodig." + +Tom stortte in de kloof en tuimelde tusschen de krakende takken van +boomen en struiken door, tot hij, dertig voet diep, op de afgebrokkelde +steenen bleef liggen. Deze val zou hem het leven hebben gekost als +hij niet daardoor gebroken was, dat zijne kleeren aan de takken van +een grooten boom bleven haken; hij kwam echter nog met tamelijk veel +kracht neer--met meer kracht dan hem eenigszins aangenaam was. + +"Heere help ons! Zij zijn baarlijke duivels!" zeide Marks en +stoof vooruit de rots weder af, veel gewilliger dan hij mede was +opgeklommen. Al de anderen volgden hem met even grooten spoed, die +den dikken constabel inzonderheid deed blazen en hijgen. + +"Hoort eens, jongens," zeide Marks. "Ge moest omloopen en Tom opnemen, +terwijl ik naar mijn paard ga en terugrijd om hulp te halen." + +En zonder zich aan de smaadwoorden en het uitjouwen zijner makkers +te storen, deed Marks wat hij gezegd had en reed weldra in galop heen. + +"Heb ik ooit zulk een laffen schobbejak gezien?" zeide een van den +troep. "Wij komen hier voor zijne zaken, en hij loopt weg en laat +ons hier in den steek." + +"Nu, wij moeten zijn kameraad toch gaan opzoeken," zeide een ander; +"maar ik mag verd..d zijn, als het mij veel schelen kan of hij levend +of dood is." + +Op het geluid afgaande, klauterden en kropen zij door struiken, +stronken en steenen heen, tot zij aan de plek kwamen waar onze held +beurtelings lag te vloeken en te kermen. + +"Gij laat u tamelijk hard hooren, Tom," zeide er een. "Zijt ge erg +bezeerd?" + +"Dat weet ik niet. Neemt mij maar op als gij kunt. De duivel haal +dien helschen kwaker. Was hij er niet geweest, dan zou ik een van +den troep hier naar hebben gesmeten, om te zien hoe dat hun aanstond." + +Met veel moeite en gekerm werd de gevallen held opgeholpen, en hem +onder de armen vasthoudende, brachten zij hem tot bij de paarden. + +"Als ge mij maar naar die herberg terug kunt brengen. Geeft mij een +zakdoek of zoo iets om hier in te stoppen en dat duivelsch bloeden +te stuiten." + +George keek over de rotsen heen en zag hen beproeven om den loggen +Tom op een paard te tillen. Na een paar vruchtelooze pogingen zwaaide +hij duizelend om en viel met een slag op den grond. + +"O, ik hoop maar dat hij niet dood is," zeide Eliza, die nu met al +de anderen stond toe te zien. + +"Waarom?" zeide Phineas. "Het zou niet meer dan zijn loon zijn." + +"Omdat na den dood het oordeel komt," antwoordde Eliza. + +"Ja," zeide de oude vrouw, die onder al het voorgevallene op hare +methodisten-manier had zitten kermen en bidden, "dat zou ontzaglijk +wezen voor de ziel van dat arme schepsel." + +"Op mijn woord, zij laten hem liggen, geloof ik," zeide Phineas. + +Dit was de waarheid, want na eenig beraad stegen al de anderen te +paard en reden heen. Toen zij uit het gezicht waren, achtte Phineas +het raadzaam ook niet langer te toeven. + +"Wij moeten afklimmen en een eind te voet gaan," zeide hij. "Ik heb +Michael gezegd dat hij moest doorrijden en hulp halen en hij zal +spoedig met den wagen terug zijn, maar wij zullen hem een eind wegs +te gemoet dienen te gaan. De Heere geve dat hij spoedig kome! Het +is nog vroeg op den dag, en er zullen nog niet veel voetgangers op +den weg zijn. Wij zijn niet veel verder dan een paar mijlen van onze +rustplaats af. Als de weg verleden nacht niet zoo heel slecht was +geweest, zouden wij hun geheel zijn ontkomen." + +Toen de vluchtelingen het hek langs den weg naderden, zagen zij +in de verte hun eigen wagen weder aankomen, door eenige mannen te +paard vergezeld. + +"Zoo, daar is Michael en Stephen en Amariah," riep Phineas met +blijdschap uit. "Nu zijn we behouden--zoo goed alsof wij daar al +waren." + +"Maar blijf dan nog even," zeide Eliza, "en doet iets voor dien armen +man. Hij kermt zoo akelig." + +"Het zou niet meer dan christelijk wezen," zeide George. "Laten wij +hem maar optillen en medenemen" + +"En hem onder de kwakers genezen!" zeide Phineas. "Dat zou wel aardig +zijn. Nu, ik heb er niets tegen. Maar laten wij eerst eens naar hem +gaan kijken." + +En Phineas, die in zijn jagersleven eenige ondervinding in de chirurgie +had opgedaan, knielde bij den gekwetste neer en begon zorgvuldig zijn +toestand te onderzoeken. + +"Marks," zeide Tom met eene flauwe stem, "zijt gij dat Marks?" + +"Neen, dat is niet te denken, vriend," antwoordde Phineas. "Hoeveel +Marks van u houdt, hij houdt toch meer van zijne eigene huid. Hij is +al lang voort." + +"Ik geloof dat het met mij gedaan is," zeide Tom. "Die lafhartige +rekel, om mij hier alleen te laten sterven! Mijne goede oude moeder +heeft mij altijd gezegd dat het zoo gaan zou." + +"Och Heere, hoor dat arme schepsel eens! Hij heeft nog eene moeder," +zeide de oude negerin. "Ik kan het niet nalaten om medelijden met +hem te hebben." + +"Zachtjes, zachtjes; zoo kleinzeerig en driftig niet, vriend," zeide +Phineas, toen Tom ineenkromp en zijn hand wegstiet. "Gij hebt geene +kans meer, als ik het bloeden niet stuit." En Phineas improviseerde +haastig een verband van zijn eigen zakdoek en van die, welke hij bij +het gezelschap nog kon bekomen. + +"Gij hebt mij daar afgestooten," zeide Tom met eene flauwe stem. + +"Wel, als ik dat niet gedaan had, zoudt gij er ons hebben afgestooten," +antwoordde Phineas, bukkende om het verband aan te leggen. "Kom, +laat ik u helpen. Wij meenen het wel met u; wij willen u geen kwaad +doen. Gij zult naar een huis gebracht worden, waar men u uitmuntend +zal oppassen--zoogoed als uwe eigene moeder zou kunnen doen." + +Tom kermde slechts en sloot zijn oogen. Bij menschen van zijne klasse +zijn kracht en moed iets geheel lichamelijks, en vervliegen met +het wegvloeien van hun bloed; de reusachtige kerel zag er in zijne +hulpeloosheid inderdaad jammerlijk uit. + +De andere troep kwam nu aan. Men nam de banken uit den wagen, legde de +buffelhuiden, in vieren gevouwen, geheel langs eene zijde, en daarop +tilden vier mannen met groote moeite den loggen Tom er in. Eer men +hem neerlegde was hij geheel flauw. De oude negerin ging, in haren +overvloed van medelijden, op den grond zitten, en nam zijn hoofd in +haren schoot. + +"Wat denkt gij van hem?" zeide George, die naast Phineas voorop zat. + +"Wel, het is maar eene tamelijk diepe vleeschwonde; maar dat kneuzen en +krabben bij zijnen val heeft hem geen goed gedaan. Hij heeft tamelijk +sterk gebloed; hij is haast leeggeloopen, met courage en al; maar +hij zal het wel te boven komen en er misschien iets door leeren." + +"Ik ben blijde, dat ik dit van u hoor," zeide George, "het zou +altijd eene drukkende gedachte voor mij geweest zijn, als ik zijn +dood veroorzaakt had, zelfs in eene rechtvaardige zaak." + +"Ja," zeide Phineas, "het dooden is een leelijk ding, hoe men het ook +neemt--mensch of beest. Ik ben in mijnen tijd een groot jager geweest +en ik zeg u, ik heb dikwijls gezien dat een reebok, die geschoten was +en stierf, iemand zoo aankeek, dat hij haast een gevoel had alsof hij +eene goddeloosheid had gedaan; en met menschelijke wezens is het nog +ernstiger, omdat, zooals uwe vrouw gezegd heeft, voor hen na den dood +het oordeel komt. Ik weet niet of de begrippen van ons volk over die +dingen wel te nauw zijn; en als men bedenkt hoe ik ben groot geworden, +heb ik ze tamelijk wel overgenomen." + +"Wat zullen wij nu met dien armen kerel doen?" zeide George. + +"O, hem naar Amariah brengen. Daar is oude grootmoeder Stephens--Dorcas +noemen zij haar--zij kan verbazend goed oppassen. Dat is haar +natuurlijk vak, en zij is nooit beter in haren schik dan wanneer zij +een zieke heeft te verzorgen. Wij kunnen hem wel veertien dagen of +zoo bij haar laten." + +Na omtrent een uur rijdens kwam men aan eene nette boerenwoning, +waar de vermoeide reizigers terstond op een goed ontbijt werden +onthaald. Tom Loker werd spoedig met behoedzaamheid op een veel +zindelijker en zachter bed gelegd, dan waarin hij ooit gewoon was +geweest te slapen. Zijne wonde werd zorgvuldig gezuiverd en verbonden, +en toen bleef hij stilliggen als een vermoeid kind, kwijnend zijne +oogen sluitende en dan weder openende, om naar de witte gordijnen der +kamer en de zacht voorbijglijdende gedaanten te turen. En hiermede +nemen wij voor het tegenwoordige van dit gezelschap afscheid. + + + + + +ACHTTIENDE HOOFDSTUK. + +MISS OPHELIA AANVAARDT HARE TAAK. + + +Onze vriend Tom vergeleek, in zijn eenvoudig gepeins, zijn eigen +gelukkig lot in zijne dienstbaarheid met dat van Jozef in Egypte; +en naarmate zijn karakter zich voor het oog van zijnen meester meer +en meer ontwikkelde, werd die vergelijking al juister en juister. + +St. Clare was traag en onverschillig voor geld. Tot nog toe was het +inkoopen van allerlei benoodigdheden voornamelijk door Adolf bezorgd, +die even onbedacht en spilziek was als zijn meester; en met hun +beiden ging het verkwisten met vervaarlijke snelheid voort. Jarenlang +gewoon zijns meesters eigendom als een aan hem toevertrouwd goed te +beschouwen, zag Tom met eene onrust, die hij bijna niet smoren kon, +de verkwisting in dit huishouden; en op de zachte, zijdelingsche +manier, die menschen van zijnen stand dikwijls aannemen, gaf hij +somtijds wenken en raad. + +In het begin gebruikte St. Clare hem nu en dan; maar Weldra overtuigd +van zijn gezond oordeel en zijne bedrevenheid in dit opzicht, +vertrouwde hij hem al meer en meer, totdat eindelijk alle inkoopen +op de markt en elders aan hem werden opgedragen. + +"Neen, neen, Adolf," zeide hij eens, toen deze zich beklaagde over +de vermindering van zijne macht, "laat Tom maar begaan. Gij weet +alleen wat er noodig is--Tom weet wat het kost en waar het gekocht +moet worden; en er zou welhaast een einde aan het geld komen, als +wij niet iemand daarop lieten passen." + +Zoo onbeperkt vertrouwd door een zorgeloozen meester, die hem eene +banknoot gaf zonder er naar te zien, en het geld aannam zonder +het te tellen, had Tom velerlei gelegenheden en verzoekingen tot +oneerlijkheid, en niets dan zijne eenvoudige rechtschapenheid, door +zijn christelijk geloof versterkt, kon hem daarvan terughouden. Voor +hem was juist het onbeperkte vertrouwen, dat men in hem stelde, +eene drangreden en heilige verplichting tot de striktste nauwgezetheid. + +Met Adolf was het geheel anders geweest. Onnadenkend begeerig en niet +gedwongen door vrees voor een meester, die het 't gemakkelijkst vond +alles maar te laten loopen gelijk het wilde, was hij ten opzichte van +dien meester tot zulk eene volkomen verwarring van het _mijn_ en _dijn_ +geraakt, dat zelfs St. Clare somtijds onrustig daarover werd. Zijn +eigen gezond verstand zeide hem dat het verkeerd en gevaarlijk was, +zijne bedienden zoodanige gewoonten te laten aannemen. Hij gevoelde +altijd zekere knaging daarover, hoewel deze niet sterk genoeg was om +hem eene beslissende verandering in zijne handelwijs te doen maken; en +juist deze knaging bewoog hem tot verdere toegeeflijkheid. Hij zag de +zwaarste fouten licht over het hoofd, omdat hij zich zelven zeide dat +zonder zijn toedoen zijne bedienden niet daartoe zouden vervallen zijn. + +Tom beschouwde zijn vroolijken, luchthartigen, innemenden jongen +meester met een zonderlinge mengeling van welgevallen, eerbied en +vaderlijke bekommering. Dat hij nooit in den Bijbel las en nooit +naar de kerk ging, dat hij spotte met alles waarmede hij verkoos +zijn vernuft te laten spelen, dat hij zijne Zondagavonden in de +opera sleet; dat hij meer dan hem wel dienstig was naar de clubs +en avondgezelschappen ging, waar veel gedronken werd--waren dingen, +welke Tom even duidelijk zien kon als iemand anders, en die hem tot de +overtuiging brachten dat "meester geen christen was;" eene overtuiging +evenwel, die hij zeer bezwaarlijk aan iemand anders zou bekend hebben, +maar die hem in zijn slaapkamertje op zijne eenvoudige manier menig +gebed deed uitstorten. Bij gelegenheid zeide hij ook wel eens zijne +gedachten, met iets van dien tact die aan zijne klasse eigen is. Bij +voorbeeld: daags na den vroeger beschreven Zondag was St. Clare op +eene gezellige partij van vroolijke snaken genoodigd, en werd hij +tusschen één en twee uur in den nacht tehuis gebracht in een toestand, +welke weinig van smoordronken verschilde. Tom en Adolf hielpen hem in +bed. De laatste was zeer vroolijk, hield de zaak blijkbaar voor een +aardigheid en lachte hartelijk over de onnoozele ontzetting van Tom, +die inderdaad eenvoudig genoeg was om het grootste gedeelte van den +nacht te blijven wakker liggen en voor zijnen jongen meester te bidden. + +"Wel, Tom, waar wacht gij naar?" zeide St. Clare den volgenden dag, +toen hij in zijne kamerjapon in zijn bibliotheek zat, en Tom juist +verschillende boodschappen en eenig geld had gegeven. "Is het niet +alles in orde?" vervolgde hij, toen Tom nog staan bleef. + +"Ik vrees van neen, meester," antwoordde Tom met een ernstig gezicht. + +St. Clare legde zijne courant neder en zag Tom aan. + +"Wel, Tom, wat scheelt er aan? Gij kijkt zoo plechtig als eene +doodkist." + +"Ik ben heel benauwd, meester. Ik heb altijd gedacht, dat meester +voor alle menschen goed zou zijn." + +"Wel, Tom, ben ik dat dan niet geweest? Komaan, wat woudt ge +hebben? Gij wilt om iets vragen, denk ik, en dit is de inleiding." + +"Meester is altijd goed voor mij geweest. Ik heb in dat opzicht niets +te klagen. Maar er is iemand, voor wien meester niet goed is." + +"Wel, Tom, hoe is u dat in het hoofd gekomen? Spreek op, wat meent +gij?" + +"Verleden nacht tusschen één en twee uur dacht ik zoo. Ik heb toen +de zaak overlegd. Meester is niet goed voor zich zelven." + +Toen Tom dit zeide, keerde hij zich om en tastte naar de kruk van +de deur. St. Clare voelde zijn gezicht bloedrood worden, maar hij +lachte toch. + +"O, is dat alles?" zeide hij luchtig. + +"Alles!" zeide Tom, zich eensklaps weder omkeerende en op de knieën +vallende. "O, mijn lieve jonge meester, ik vrees dat dit het verlies +van alles zal zijn--van alles--lichaam en ziel. Het goede boek zegt: +Hij zal bijten als eene slang en steken als eene adder, lieve meester." + +Zijne stem bleef steken en de tranen rolden over zijne wangen. + +"Welnu, ik zal niet meer naar die verwenschte gezelschappen gaan, Tom," +zeide St. Clare, "op mijn eer, ik zal niet. Ik weet niet waarom ik er +al niet lang van weggebleven ben. Ik heb die ruwheid altijd veracht, +en mij zelven ook omdat ik er aan mededeed. Veeg dus nu uwe oogen maar +af, Tom, en ga uwe boodschappen doen. Neen," vervolgde hij, "geene +zegenbeden! Ik ben zoo verbazend goed nog niet." En dit zeggende, +duwde hij Tom zachtjes naar de deur. "Daar, Tom, ik verpand u mijne +eer, dat ge mij nooit weder zoo zien zult." + +Tom veegde zijne oogen af en ging zeer vergenoegd heen. + +"En ik zal ook mijn woord aan hem houden," zeide St. Clare, de deur +sluitende. + +Hij deed dit werkelijk; want grof zinnelijk genot, van welken aard ook, +was geene groote verzoeking voor hem. + +Doch wie zal de menigvuldige verdrietelijkheden van onze vriendin +Ophelia beschrijven, die in zulk een Zuidelijk huishouden de taak +van huishoudster aanvaardde? + +Tusschen de bedienden in Zuidelijke huisgezinnen bestaat zooveel +verschil als maar mogelijk is, volgens het karakter en de bekwaamheid +der meesteressen, die hen hebben opgebracht. In het Zuiden, +zoowel als in het Noorden zijn vrouwen, die een buitengewonen +aanleg hebben om heerschappij te voeren en een bijzondere tact van +opvoeding bezitten. Dezulken zijn in staat om met schijnbaar gemak +en zonder gestrengheid de leden van een talrijk gezin aan haren wil +te onderwerpen en in geregelde orde te doen samenwerken, terwijl zij +ieders eigenaardigheden zoodanig aanmoedigen, en wat den een ontbreekt +zoodanig door hetgeen de ander in overmaat bezit weten te vergoeden, +dat daardoor een goed geheel ontstaat. + +Zulk eene huishoudster was Mevrouw Shelby, welke wij reeds beschreven +hebben en onze lezers zich misschien nog herinneren. Indien zij in +het Zuiden niet talrijk zijn, is het omdat zij dit op de geheele +wereld niet zijn. Zij zijn daar evengoed te vinden als ergens elders, +en zij vinden daar in den bijzonderen toestand der maatschappij eene +schitterende gelegenheid om hare huiselijke talenten aan den dag +te leggen. + +Zulk eene huishoudster was Mevrouw St. Clare niet, evenmin als hare +moeder vóór haar. Traag, kinderachtig, onnadenkend en zelve aan +geenen regel gewend, was het niet te verwachten, dat de bedienden +onder haar bestuur anders zouden zijn, en zij had Ophelia den staat +van verwarring, waarin zij het huishouden zou vinden, naar waarheid +beschreven, hoewel zij dien niet aan de rechte oorzaak had geweten. + +Op den eersten morgen van haar regentschap stond Ophelia te vier +uren op, en nadat zij hare eigene kamer had opgeredderd, gelijk zij, +tot groote verbazing der kamermeid, sedert hare aankomst altijd gedaan +had, ging zij een krachtigen aanval doen op de kasten en bergplaatsen, +waarvan zij de sleutels had. + +De provisiekamer, de linnenkasten, de porseleinkast, de keuken en de +kelder moesten dien dag eene geduchte inspectie doorstaan. Verborgen +dingen der duisternis werden voor het licht gebracht met zoo weinig +verschooning, dat de gezagvoersters in de keuken en elders er van +versteld stonden, en er niet weinig over "die Noordsche dame" werd +gepraat en gemompeld. + +De oude Dina, de opperkeukenmeid en de eerste in gezag in dat gedeelte +van het huis, was niet weinig vergramd over de vermeende schennis +harer privilegiën. Geen baron in den tijd der Magna Charta kon meer +verbitterd zijn over de aanmatigingen der kroon. + +Dina was op hare manier een origineel, en wij zouden hare nagedachtenis +onrecht aandoen, als wij den lezer niet eenig denkbeeld van haar +gaven. Zij was eene geboren keukenmeid, evenzeer als Tante Chloe, +want het koken is een aangeboren talent van den Afrikaanschen stam; +maar Chloe was eene geregelde wel-afgerichte keukenmeid, die hare +zaken met orde en overleg verrichtte, terwijl Dina een ongeregeld +genie en, gelijk genieën in het algemeen, ten uiterste eigenzinnig +en onhandelbaar was. + +Gelijk zekere klasse van nieuwe philosofen, verachtte Dina alles wat +naar rede en regel geleek, en beriep zich steeds op eene ingeschapen +kennis. Daarmede gewapend, was zij onaantastbaar; geen gezag, +overreding of opheldering kon haar ooit doen gelooven, dat eenige +andere manier beter kon zijn dan de hare, of dat de handelwijs, waaraan +zij gewoon was, in het geringste kon gewijzigd worden. Dit was iets +waaraan hare oude meesteres, de moeder van Marie, en deze zelve na haar +huwelijk hadden toegegeven, daar dit veel gemakkelijker was dan het te +bekampen, en zoo had Dina altijd haar eigen zin gedaan. Dit was haar +des te eer gelukt, daar zij volmaakt meesteres was in die diplomatische +kunst, welke de grootste onderdanigheid van manieren met de grootste +hardnekkigheid wat de zaak zelve betreft weet te vereenigen. + +Dina was meesteres in de geheele kunst van verontschuldigingen maken +in al hare takken. Het was bij haar een stelregel dat eene keukenmeid +geen kwaad kan doen; en in eene Zuidelijke keuken vindt de oppervoogdes +altijd hoofden en schouders genoeg om alle zonden en zwakheden op +te laden, zoodat zij hare onfeilbaarheid ongedeerd houdt. Als een of +ander gedeelte van een diner mislukte, waren daarvoor altijd vijftig +ontegenzeggelijk goede redenen; het was onloochenbaar de schuld van +vijftig andere lieden; welke Dina met onbarmhartigen ijver bekeef. + +Doch het was zelden dat er iets mislukt kon heeten van hetgeen door +Dina naar de tafel werd gezonden. Schoon de manier waarop zij alles +deed, bijzonder omslachtig en langdradig was, en tijd of plaats daarbij +in geene aanmerking kwam--schoon hare keuken er doorgaans uitzag +alsof alles daar gerangschikt was door een orkaan, die er doorheen had +gewaaid, en zij voor elk stuk kookgereedschap omtrent zoovele plaatsen +had als er dagen in het jaar waren, kwam toch, als men maar geduld had +om haar tijd af te wachten, de maaltijd in volmaakte orde op de tafel, +zoo keurig toebereid dat geen epicurist er iets op kon aanmerken. + +Het was nu de tijd voor de allereerste toebereidselen voor den +maaltijd. Dina, die lange tusschenpoozen van rust en nadenken noodig +had, en bij alles zooveel mogelijk gemak zocht, zat op den vloer een +kort stompje pijp te rooken, waarvan zij veel hield, en dat zij altijd +bij wijze van wierookvat liet branden, als zij voor haren arbeid +eenige inspiratie noodig had. Dit was hare manier om de huiselijke +muzen aan te roepen. + +Om haar heen zaten verscheidene leden van dat opkomende geslacht, dat +in een Zuidelijk huishouden zoo talrijk is, bezig met erwten te doppen, +aardappelen te schillen, vogels te plukken en andere voorloopige +werkzaamheden, terwijl Dina telkens uit haar gepeins opkeek, om met +een rolstok, die naast haar lag, een harer jonge helpsters een stomp +of een tik op het hoofd te geven. Dina beheerschte inderdaad de jonge +leden van het dienstbare gezin als met eene ijzeren roede. Dit was +de geest van het stelsel waaronder zij zelve was opgegroeid, en dat +zij ook ten volle had aangenomen. + +Nadat Ophelia haar hervormingstocht door andere gewesten van haar +gebied had volbracht, kwam zij ook in de keuken. Dina had van +verschillende kanten gehoord wat er gaande was; en bij zich zelve +besloten eene geheel conservatieve en defensieve houding te bewaren, +geene nieuwigheden aan te nemen of te laten invoeren, maar toch tot +geene werkelijke en zichtbare tegenkanting te komen. + +De keuken was een ruim vertrek met een vloer van gebakken tegels, +en een grooten ouderwetschen schoorsteen, die aan ééne zijde den +geheelen muur besloeg; eene inrichting, welke St.-Clare vruchteloos +gepoogd had door eene nieuwerwetsche kookkachel te doen vervangen. Hij +had het onmogelijk bevonden Dina zoover te brengen. Hoe meer kastjes +en laden er waren, des te meer schuilhoeken kon Dina vinden, om oude +doeken, kammen, schoenen, linten, weggeworpen kunstbloemen en andere +fraaiïgheden weg te stoppen, waarvoor zij een bijzonderen smaak had. + +Toen Ophelia de keuken binnentrad, stond Dina niet op, maar bleef +met statige kalmte zitten rooken, nu en dan in de schuinte naar haar +kijkende, maar schijnbaar op niets anders lettende dan op het werk +om haar heen. + +Ophelia begon hare inspectie met een kastje met laden. + +"Waar zijn die laden voor, Dina?" zeide zij. + +"Die zijn handig voor bijna alle dingen, Juffrouw," was het antwoord. + +Zoo bleek het ook te zijn. Uit eene lade haalde Ophelia vooreerst +een fijn damasten tafellaken met bloed bevlekt en blijkbaar gediend +hebbende om rauw vleesch in te wikkelen. + +"Wat is dat, Dina? Gij zult toch de beste tafellakens van uwe meesteres +niet om het vleesch heenslaan?" + +"O, wel neen, Juffrouw. De handdoeken waren eens allemaal weg--en +toen deed ik het maar. Ik heb het daar gelegd, om het te laten +wasschen--daarom ligt het daar maar." + +"Hoe roekeloos!" zeide Ophelia bij zich zelve, haalde de laden verder +uit en vond een muskaatrasp met muskaatnoten, een methodistisch +gezangboek, een paar vuile bonte zakdoeken, eenig breiwerk en wat +garen, een papiertje met tabak en een kort pijpje, eenige zwermen, +een paar porseleinen schoteltjes met pommade, een paar oude schoenen, +een stuk flanel, zorgvuldig dichtgespeld en daarin eenige witte uien, +verscheidene damasten servetten, eenige grove handdoeken, wat bindgaren +en eenige stopnaalden, en verscheidene papiertjes met gaten, waaruit +specerijen door de geheele lade waren gestrooid. + +"Waar bewaart gij uwe muskaatnoten, Dina?" zeide Ophelia, met een +gezicht, alsof zij bij zich zelve om geduld bad. + +"Bijna overal, Juffrouw. Er zijn er wat in dien gebarsten trekpot +daar boven op, en er zijn er nog wat in die kast daar." + +"Er zijn er ook hier in de rasp," zeide Ophelia. + +"Och ja, ik heb ze daar van morgen ingedaan. Ik heb mijne dingen gaarne +bijdehand," zeide Dina. "Gij, Jake, waarom werkt gij niet voort? Ik +zal u raken. Pas op!" vervolgde zij, en deed een stomp met den stok +naar de schuldige. + +"Wat is dat?" zeide Ophelia, een der schoteltjes met pommade +ophoudende. + +"Och, dat is vet voor mijn haar. Ik heb het daar gezet om het bijdehand +te hebben." + +"En gebruikt gij de beste schoteltjes van uwe meesteres daarvoor?" + +"Och, dat was maar, omdat ik eens haast had; ik zou ze vandaag +verwisseld hebben." + +"Hier zijn twee damasten servetten." + +"Die heb ik daar gelegd om ze te laten wasschen." + +"Hebt gij dan geene vaste plaats voor het goed dat gewasschen moet +worden?" + +"Ja, meester heeft die kist daarvoor gegeven, zegt hij, maar ik kneed +mijne beschuit wel eens daarop en zet er goed op, en dan is het zoo'n +omslag om het deksel op te lichten." + +"Waarom kneedt gij de beschuit niet daar op de tafel?" + +"Och, Juffrouw, die staat altijd zoo vol schotels en allerlei dingen, +dat er nooit plaats op is." + +"Maar gij moest uwe schotels wasschen en wegzetten." + +"Mijne schotels wasschen?" zeide Dina op hoogen toon, daar thans hare +gramschap sterker werd dan haar ontzag. "Wat de dames van het werk +weten, dat zou ik wel eens willen weten. Wanneer zou meester ooit +zijn eten krijgen, als ik mijn tijd moest verslijten met schotels +wasschen en wegzetten? Miss Marie," zoo noemde zij hare meesteres nog, +gelijk zij gewoon was haar vóór haar huwelijk te noemen, "heeft mij +nooit iets daarvan gezegd." + +"Zoo! En hier zijn die uien." + +"Och, ja," zeide Dina. "Daar heb ik ze geborgen. Ik kon het mij niet +bezinnen. De uien had ik juist voor dezen ragout bewaard. Ik had +vergeten dat ze in dien ouden lap waren." + +Nu nam Ophelia de papiertjes met specerijen op. + +"Ik wou dat de juffrouw daar niet aan wilde komen," zeide Dina +tamelijk stout. "Ik houd mijne dingen gaarne waar ik weet waar ik ze +vinden kan." + +"Maar ge hebt toch geene gaten in de papieren noodig." + +"Dat is handig om uit te strooien," zeide Dina. + +"Maar gij ziet wel, dat het door de geheele lade morst." + +"Nu ja, als de juffrouw alles zoo overhoop wil halen, dan doet het +dat. De juffrouw heeft al een heelen boel gemorst," zeide Dina, +onrustig naar de lade komende. "Als de juffrouw maar naar boven wil +gaan tot de opruimtijd komt, dan zal ik alles in orde hebben; maar ik +kan niets doen, als er dames om mij heen zijn en mij hinderen. Gij, +Sam, geef dat kind den suikerpot niet. Ik zal je een tik geven, +als ge niet oppast." + +"Ik zal de keuken rondgaan, Dina, en alles voor eens in orde brengen; +en dan verwacht ik dat gij het zoo houden zult." + +"Wel, Juffrouw Phelia, dat is geene manier voor dames om te doen. Ik +heb nooit dames zoo iets zien doen, mijne oude meesteres en Miss +Marie hebben het nooit gedaan en ik zie ook niet in dat het noodig is." + +Dina bleef met verontwaardiging op een afstand, terwijl Ophelia +schotels en borden sorteerde; een dozijn hier en daar verspreide +suikerpotten in één pot ledigde; servetten, tafellakens en +handdoeken bij elkander zocht om te laten wasschen, en eigenhandig +alles schoonmaakte en wegzette met een spoed, waarover Dina geheel +verbaasd stond. + +"Nu, als dat de manier is waarop de Noordsche dames doen, dan zijn zij +geene dames," zeide zij tot eenige harer satellieten, toen zij gerust +was dat niemand anders het hooren zou. "Ik heb alles zoo goed in orde +als iemand, als mijn opruimtijd komt; maar ik wil geene dames om mij +heen hebben, die mij in den weg loopen en al mijne dingen zetten waar +ik ze niet vinden kan." + +Om Dina recht te doen moeten wij zeggen, dat zij op geregelde tijden +vlagen van zindelijkheid en orde had, die zij hare "opruimtijden" +noemde. Dan ging zij met grooten ijver aan het werk, haalde alle +kasten en laden op den vloer en de tafels uit, en maakte de gewone +verwarring nog zevenmaal erger; vervolgens stak zij haar pijpje aan, +ging op haar gemak den boel aanzien en bedenken en overleggen hoe alles +moest geschikt worden; liet hare helpsters alles boenen en schuren, +hield alles eenige uren lang in de grootst mogelijke opschudding en +verklaarde deze drukte aan allen, die naar de reden vroegen, door te +zeggen dat zij "opruimde."--"Zij kon den boel niet zoo laten loopen als +het ging, en zou dat jonge goed beter orde leeren houden," want Dina +streelde zich met den waan, dat zij zelve de orde in eigen persoon +was en het slechts aan "het jonge goed en anderen" was te wijten, +dat in dit opzicht de keuken beneden de volmaaktheid bleef. Wanneer +al het kopergoed blinkend was geschuurd en de tafels sneeuwwit waren +geboend, en alles wat aanstootelijk kon zijn, in hoeken en gaten was +gestopt, kleedde Dina zich netjes aan, met een schoon voorschoot en +zwierigen bonten tulband, en zeide het stroopende jonge goed dat het +uit de keuken moest blijven, want dat alles nu in orde moest gehouden +worden. Deze tijdperken waren zelfs een ongemak voor het geheele +huisgezin; want Dina kreeg dan zulk eene overdreven gehechtheid aan +haar blinkend keukengereedschap, dat zij het tot niets hoegenaamd +weder wilde laten gebruiken, ten minste totdat het vuur van den +"opruimtijd" weder verflauwd was. + +Ophelia had na weinige dagen alles in huis op een geregelden voet +gebracht; maar in die opzichten, waarin het gevolg harer bemoeiïngen +van de medewerking der bedienden afhing, geleek haar arbeid naar +dien van Sisyphus of der Danaïden. Eens deed zij wanhopig haar beklag +bij St.-Clare. + +"Het is niet mogelijk," zeide zij, "iets wat naar orde en regel +gelijkt in dit huishouden te brengen." + +"Dat is het ook niet," antwoordde St.-Clare. + +"Zulk een roekeloosheid, zulk een vermorsen van allerlei dingen, +zulk een ongeregeldheid heb ik nog nooit gezien." + +"Dat zult ge zeker wel niet." + +"Gij zoudt dat niet zoo koel opnemen als gij eene huishoudster waart." + +"Lieve Nicht, gij moogt wel voor eens en altijd hooren dat wij +meesters in twee klassen zijn verdeeld: de onderdrukkers en de +onderdrukten. Wij, die goedaardig zijn en een afkeer van gestrengheid +hebben, moeten vrij wat onaangenaams voor lief nemen. Als wij tot ons +gerief een troep domme, loszinnige, onbedreven dienaren willen houden, +dan moeten wij ook de gevolgen daarvan dragen. Ik heb eenige zeldzame +voorbeelden gezien van menschen, die door een bijzonder talent, zonder +gestrengheid orde kunnen houden; maar ik behoor daar niet onder, en ik +heb dus reeds lang geleden het besluit genomen om het maar te laten +loopen gelijk het kan. Ik wil de arme duivels niet laten ranselen en +dat weten zij; en daardoor hebben zij natuurlijk het heft in handen." + +"Maar geen tijd, geene plaats, geen regel te hebben, alles maar zoo +in de war te laten loopen...." + +"Lieve Nicht, gij goede lieden, die bij de Noordpool woont, hecht +eene buitensporige waarde aan den tijd. Wat op de wereld heeft de +tijd te beduiden voor iemand, die er tweemaal zooveel van heeft als +hij er iets mede weet uit te richten? Wat orde en regel betreft, als +men niets anders te doen heeft dan op de sofa te luieren en wat te +lezen, is het niet van groot belang of men een uur vroeger of later +ontbijt en dineert. Nu bezorgt Dina toch een heerlijk diner--soep, +ragout, gebraad, dessert, roomijs en alles--en dat schept zij uit +een chaos daar in de keuken. Ik vind hare manier van doen inderdaad +subliem. Maar, lieve hemel, als wij nu naar beneden gaan en haar onder +den vuilen verwarden boel met haar stompje pijp op den grond zien +zitten, moeten wij maar nooit meer eten. Absolveer u zelve daarvan, +lieve Nicht. Het is erger dan een Roomsche penetentie en van even +weinig nut. Gij zult maar uit uw humeur raken en Dina geheel in de +war brengen. Laat haar maar haar eigen gang gaan." + +"Maar, Augustine, gij weet niet hoe ik alles gevonden heb." + +"Weet ik het niet? Weet ik niet dat de rolstok onder haar bed ligt, +en het muskaatraspje bij hare tabak in haren zak zit--dat er vijf en +zestig verschillende suikerpotten zijn in alle hoeken en gaten van +het huis--dat zij de schotels den eenen dag met een servet wascht, +en den anderen dag met een lap van een ouden rok? Maar het einde +van alles is dat zij uitmuntende diners op tafel brengt en heerlijke +koffie zet; en gij moet haar beoordeelen gelijk men veldoversten en +staatslieden beoordeelt, naar den uitslag." + +"Maar de verspilling--de onkosten!" + +"Och ja. Sluit alles weg wat gij kunt wegsluiten. Geef bij kleine +porties uit en vraag nooit naar overschotjes--dat is het beste." + +"Maar er is iets dat mij onrustig maakt, Augustine. Ik kan niet +nalaten te denken dat die bedienden niet eerlijk zijn. Zijt gij wel +zeker dat men hen vertrouwen kan?" + +Augustine lachte schaterend over het ernstige en benauwde gezicht, +waarmede Ophelia deze vraag deed. + +"O, Nicht, dat is al te koddig. Eerlijk!--alsof men zoo iets verwachten +kon. Eerlijk!--Wel zeker zijn ze dat niet. Waarom zouden zij dat +wezen? En wat op de wereld zou het hen maken?" + +"Waarom leert gij hun dan niet beter?" + +"Leeren! Kom, kom, gekheid. Hoe zou ik hun iets kunnen leeren, denkt +gij? Daar ben ik wel de man naar. Wat Marie betreft, zij is zeker +driftig genoeg om eene geheele plantage dood te slaan als men haar +begaan liet; maar het bedriegen zou zij hun toch niet afwennen." + +"Zijn er dan geene eerlijke?" + +"Nu en dan wel eens een, wien de natuur zoo onhandelbaar, onnoozel, +braaf en trouw heeft gemaakt, dat de slechtste voorbeelden hem +niet bederven kunnen. Maar ziet ge, van de moederborst af leert het +gekleurde kind dat hem geene andere dan slinksche wegen openstaan. Hij +kan anders met zijne ouders, zijne meesters en zijne kleine meestertjes +en meesteresjes, die tegelijk zijne speelkameraden zijn, volstrekt +niet voort. List en bedrog worden hem tot noodzakelijke, onmisbare +gewoonten. Het is niet billijk iets anders van hen te verwachten. Zij +behooren er niet voor gestraft te worden. Wat eerlijkheid betreft, +de slaaf wordt in zulk een afhankelijken, halfkinderlijken staat +gehouden, dat men hem geen denkbeeld van het recht van eigendom kan +geven, en niet kan doen voelen dat het goed van zijnen meester hem +niet toebehoort, als hij het zich kan toeëigenen. Wat zoo iemand als +dien Tom aangaat--hij is een zedelijk mirakel." + +"En wat wordt er dan van hunne zielen?" zeide Ophelia. + +"Dat is mijne zaak niet, zoover ik weet," antwoordde St.-Clare. "Ik +heb alleen met de zaken van het tegenwoordige leven te doen; en om de +waarheid te zeggen, men denkt vrij algemeen dat zij in deze wereld +ten onzen voordeele aan den duivel zijn overgegeven, hoe het dan in +de andere met hen mag afloopen." + +"Maar dat is afschuwelijk," zeide Miss Ophelia. "Gij moest u schamen." + +"Dat weet ik nog niet. Wij staan zoo tamelijk met anderen gelijk, +zooals de menschen over het geheel zijn," zeide St-Clare. "Zie maar +naar grooten en geringen over de geheele wereld en het is overal +eveneens; de lagere klassen met lichaam en ziel ten voordeele der +hoogere gebruikt en versleten; zoo is het in Engeland, zoo is het +overal; en toch staat het geheele christendom versteld en gloeit van +edele verontwaardiging, omdat wij dezelfde dingen in een eenigszins +anderen vorm doen dan zij." + +"In Vermont is het zoo niet." + +"Nu ja, in Nieuw-Engeland en de vrije Staten zijt gij ons vooruit; +dit geef ik toe. Maar daar hoor ik de klok; laten wij dus voor eene +poos onze geschillen en vooroordeelen aan kant zetten, lieve Nicht, +en gaan dineeren." + +Toen Ophelia laat in den namiddag weder in de keuken was, riepen +eenige van de zwarte kinderen: "O, daar komt Prue aan, brommende en +knorrende, zooals zij altijd doet." + +Eene lange, beenderige, gekleurde vrouw, kwam met eene mand vol +beschuitjes en warme broodjes op het hoofd, de keuken binnen. + +"Zoo, Prue, zijt gij daar?" zeide Dina. + +Prue's gezicht had eene bijzonder kwaadaardige uitdrukking en hare stem +een norschen, brommenden toon. Zij zette hare mand op den grond en zich +zelve daarbij op de hurken, met de ellebogen op de knieën, en zeide: + +"Och! ik wou dat ik maar dood was!!" + +"Waarom wenscht gij om maar dood te zijn?" zeide Ophelia. + +"Dan zou ik uit mijne ellende wezen," antwoordde de vrouw stuursch +en zonder hare oogen op te slaan. + +"Wat behoeft gij u ook dronken te drinken en altijd slaag te krijgen, +Prue?" zeide een opgeschikt kamermeisje, eene quadrone, en liet onder +het spreken hare koralen oorbellen bengelen. + +De vrouw zag haar met een stuurschen blik aan. + +"Misschien zult gij er ook wel eens toe komen," zeide zij. "Ik zou +blijde zijn als ik het zag, dat zou ik. Dan zoudt gij ook verlangen, +zooals ik, naar een droppel om uwe ellende te vergeten." + +"Kom, Prue," zeide Dina. "Laat uwe beschuitjes zien. De juffrouw zal +ze betalen." + +Ophelia nam er een paar dozijn van. + +"Daar zijn nog eenige loodjes in de gebarsten kan op de bovenste +plank," zeide Dina. "Klim eens op een stoel en geef ze haar aan." + +"Loodjes--waar zijn die voor?" zeide Ophelia. + +"Wij koopen loodjes van haren meester en zij geeft ons brood daarvoor." + +"En zij tellen mijn geld en mijne loodjes als ik tehuis kom, en als +het niet uitkomt slaan ze mij halfdood." + +"Dat is uw verdiende loon," zeide Jane, het snibbige kamermeisje, +"als gij hun geld besteedt om u dronken te drinken; en dat doet zij, +Juffrouw." + +"En dat _wil_ ik doen; ik kan anders niet leven; ik moet drinken en +mijne ellende vergeten." + +"Het is zeer slecht en dwaas van u," zeide Ophelia, "dat gij uw +meesters goed steelt, om u zelve tot een redeloos dier te maken." + +"Dat mag wel zoo zijn, Juffrouw; maar ik wil het toch doen--ja, +ik wil. Och, ik wou dat ik maar dood was, dat doe ik. Ik wou dat ik +maar dood was en uit mijne ellende." + +Zij stond stijf en langzaam op en zette hare mand weder op haar hoofd, +maar eer zij heenging keerde zij zich naar het kamermeisje, dat nog +met hare oorbellen stond te spelen. + +"Gij denkt," zeide zij, "dat gij machtig mooi daarmee zijt, en vrij +uw hoofd in den nek kunt werpen en op iedereen neerzien. Nu, dat komt +er niet op aan--gij kunt nog wel een oud, afgebeuld schepsel worden, +zooals ik. Ik hoop dat de Heere dat doen zal; en zie dan of gij niet +drinken zult--drinken--drinken--u zelve naar de hel drinken; en dat +zal uw verdiende loon zijn--oe!" En met een kwaadaardig geluid ging +zij heen. + +"Dat misselijke oude beest!" zeide Adolf, die in de keuken was gekomen +om scheerwater voor zijnen meester te halen. "Als ik haar meester was, +zou ik haar nog erger laten afzweepen." + +"Dat zoudt ge niet eens kunnen," zeide Dina. "Haar vel kan nooit +meer genezen." + +"Ik vind dat men zulke gemeene schepsels niet bij fatsoenlijke +huishoudens moest laten rondgaan," zeide Jane. "Wat denkt gij daarvan, +Mijnheer St.-Clare?" vervolgde zij, coquet haar hoofdje naar Adolf +omdraaiende. + +Onder de dingen, welke Adolf zich van zijnen meester had toegeëigend, +behoorde ook zijn naam, en in de gekleurde kringen van Nieuw-Orleans +was hij algemeen als Mr. St.-Clare bekend, + +"Zekerlijk ben ik van uw gevoelen, Juffrouw Benoir," antwoordde Adolf. + +Benoir was de naam der familie van Marie St.Clare, en Jane behoorde +onder hare lijfbedienden. + +"Lieve Juffrouw Benoir, mag ik vragen of die oorbellen voor het bal +van morgenavond bestemd zijn? Zij zijn waarlijk betooverend." + +"En ik ben waarlijk benieuwd, Mijnheer St.-Clare, hoever gij heeren +de vrijpostigheid drijven zult," en zij schudde haar hoofdje dat hare +oorbellen wederom bengelden. "Ik zal den geheelen avond niet met u +dansen, als gij mij nog zoo iets vraagt." + +"O, zoo wreed zult ge toch niet zijn. Ik was juist zoo verlangend om +te weten of gij uw rose kleedje zoudt aan hebben," zeide Adolf. + +"Wat is er?" zeide Rosa, eene kleine, pikante quadrone, die juist de +trap kwam aanwippen. + +"Wel, die mijnheer St.-Clare is zoo onbeschaamd." + +"Op mijne eer," zeide Adolf, "ik wil het juffrouw Rosa laten +beslissen." + +"Ik weet wel dat hij een ondeugend schepsel is," zeide Rosa, zich op +een harer nette voetjes wiegende en Adolf schalkachtig aankijkende. + +"Hij maakt mij altijd kwaad op hem." + +"O Dames, Dames, gij zult met u beiden mijn hart nog breken," zeide +Adolf. "Ik zal eens op een ochtend dood in mijn bed worden gevonden +en dat zult gij te verantwoorden hebben." + +"Hoor dien ondeugd eens aan!" riepen beide dames en schaterden van +het lachen. + +"Kom, maakt maar dat gij voortkomt," zeide Dina nu. "Ik kan dat +gebabbel in de keuken niet velen. Gij loopt mij maar in den weg met +uwe zotternij." + +"Tante Dina is knorrig, omdat zij niet mede naar het bal kan gaan," +zeide Rosa. + +"Ik wil niet met uw lichtkleurige bals te maken hebben," antwoordde +Dina. "Gij wilt u verbeelden dat gij blanken zijt, en gij zijt toch +maar negers, zoo goed als ik." + +"Tante Dina smeert zich het haar wel alle dagen met vet om het glad +te doen worden," zeide Jane. + +"En het blijft toch maar wol," voegde Rosa er bij, en schudde spottend +hare lange zijden krullen. + +"Welnu, is wol niet evengoed als haar in de oogen des Heeren?" zeide +Dina. "Ik zou van mevrouw wel eens willen hooren wie het meeste waard +is--een paar zooals gij, of ééne zooals ik. Maakt nu maar dat gij +wegkomt; ik wil u niet om mij heen hebben." + +Hier werd het gesprek van twee kanten gestoord. Men hoorde boven aan +de trap de stem van St. Clare, die Adolf vroeg of hij den geheelen +avond met het water dacht uit te blijven; en tegelijk kwam Ophelia +er weder aan en zeide: + +"Jane en Rosa, waarom staat gij daar uw tijd te verbeuzelen? Gaat +aan uw naaiwerk." + +Onze vriend Tom, die onder het gesprek met de oude Prue in de keuken +was geweest, was haar de straat op gevolgd. Hij zag haar langzaam +voortstrompelen, en hoorde haar telkens bij zich zelve brommen en +zuchten. Eindelijk zette zij hare mand op eene stoep neer en begon den +ouden verschoten doek, die over hare schouders hing, te verschikken. + +"Ik zal uwe mand wel een eind ver dragen," zeide Tom medelijdend. + +"Waarom zoudt ge?" zeide de oude vrouw. "Ik heb geene hulp noodig." + +"Gij schijnt ziek, of droevig, of zoo iets te wezen," zeide Tom. + +"Ik ben niet ziek," antwoordde de vrouw kortaf. + +"Ik wenschte," zeide Tom, haar ernstig aanziende, "ik wenschte dat +ik u kon overhalen om het drinken te laten. Weet gij niet dat het uw +verderf zal zijn, naar ziel en lichaam?" + +"Ik weet wel dat ik naar de hel ga," zeide de oude vrouw norsch. "Gij +behoeft mij dat niet te zeggen. Ik ben slecht, ik ben goddeloos--ik +ga recht naar de hel. Och, ik wou dat ik er al was." + +Tom huiverde bij die schrikkelijke woorden, die met stroeven, +onverschilligen ernst werden uitgesproken. + +"O, de Heere zij u genadig, arm schepsel! Hebt gij nooit van Jezus +Christus gehoord?" + +"Jezus Christus, wie is dat?" + +"Wel hij is _de Heere_," zeide Tom. + +"Ik heb wel gehoord van den Heere en het oordeel en de hel. Daar heb +ik wel van gehoord." + +"Maar heeft niemand u ooit van den Heere Jezus gesproken, en gezegd +dat Hij onze arme zondaren liefhad en voor ons gestorven is?" + +"Daar weet ik niets van," antwoordde zij. "Niemand heeft mij ooit +liefgehad sedert mijn oude man dood is." + +"Waar zijt gij opgebracht?" vroeg Tom. + +"Daar hooger op in Kentucky. Een man hield mij om kinderen voor de +markt van mij te krijgen, en verkocht ze zoo gauw ze groot genoeg +waren. Eindelijk verkocht hij mij aan een handelaar, en mijn meester +kreeg mij van hem." + +"Maar wat heeft u aan die slechte gewoonte van drinken gebracht?" + +"Om maar uit mijne ellende te komen. Ik kreeg nog een kind nadat ik +hier kwam, en toen dacht ik dat ik er een hebben zou om groot te +brengen, omdat mijn meester geen koopman was; en mijne meesteres +scheen er eerst veel werk van te maken; het schreeuwde nooit en +was gezond en vet. Maar mijne meesteres werd ziek en ik paste haar +op; toen kreeg ik ook de koorts en ging al mijn zog weg; mijn kind +teerde uit tot vel en been en mijne meesteres wilde er geene melk +voor koopen. Zij wilde niet naar mij luisteren, als ik zeide dat +ik geen zog had. Zij zeide dat ik het wel voeden kon met hetzelfde +dat andere lieden aten; en het kind verkwijnde, schreeuwde nacht en +dag, en was niets meer dan vel en been; en mijne meesteres kreeg er +een hekel aan en zeide dat het niets anders dan stoutigheid was. Zij +wenschte dat het dood was, zeide zij, en zij wilde het des nachts niet +bij mij laten, omdat het mij wakker hield, zeide zij, en maakte dat +ik over dag nergens toe deugde. Ik moest bij haar in de kamer slapen; +en ik moest het kind wegzetten op een soort van zoldertje, en eens op +een nacht schreeuwde het zich dood. Dat deed het, en toen ging ik aan +het drinken om zijn schreeuwen uit mijne ooren te houden. Dat deed +ik, en ik wil drinken. Ik wil, en ik wil, al ga ik er naar de hel +voor. Meester zegt dat ik naar de hel zal gaan en gepijnigd worden; +maar ik zeg dat ik nu toch al gepijnigd word." + +"O, gij arm schepsel!" zeide Tom nu. "Heeft dan niemand u ooit gezegd +hoe de Heere Jezus u liefhad en dat Hij voor u gestorven is? Hebben +zij u niet gezegd dat Hij u ook helpen wil, en dat gij in den hemel +kunt komen, en daar eindelijk rust hebben?" + +"Ik zie er wel naar uit om in den hemel te komen," antwoordde de +vrouw. "Is het daar niet waar de blanken naar toe gaan? Misschien +zouden zij mij daar wel willen hebben. Ik ga liever naar de hel, +als ik maar van mijnen meester en mijne meesteres afkom--veel liever." + +En met haar gewoon brommen en zuchten nam zij hare mand weder op en +ging heen. + + + + + +NEGENTIENDE HOOFDSTUK. + +GESCHIEDENIS VAN ST.-CLARE. + + +Tom keerde zich om en ging treurig naar huis terug. Op het binnenplein +ontmoette hij de kleine Eva met een bloemenkransje op het hoofd en +oogen die van blijdschap straalden. + +"O, Tom, zijt gij daar? Ik ben blij dat ik u vind. Papa zegt dat gij +de hitjes moogt laten inspannen en mij in een nieuw wagentje laten +rijden," zeide zij, hem bij de hand nemende. "Maar wat scheelt u, +Tom? Gij ziet zoo ernstig." + +"Ik ben geschrikt, Jongejuffrouw Eva," antwoordde Tom droevig. + +"Maar zeg mij toch, Tom, wat scheelt er aan? Ik heb u met die brommende +oude Prue zien spreken." + +Tom verhaalde met ernstige, eenvoudige bewoordingen de geschiedenis +dezer vrouw. Eva deed geene uitroeping en schreide ook niet, gelijk +andere kinderen zouden gedaan hebben. Hare wangen verbleekten; en +haar blik werd donker en strak. Zij legde beide handen op hare borst +en slaakte een zwaren zucht. + +"Tom, gij behoeft de paarden niet te laten inspannen. Ik wil niet +gaan rijden," zeide zij toen. + +"Waarom niet, Jongejuffrouw Eva?" + +"Die dingen zinken mij in het hart, Tom," antwoordde zij. "Zij +zinken mij in het hart," herhaalde zij nog ernstiger. "Ik heb geen +lust meer om te gaan rijden." En daarmede keerde zij zich om en ging +weder in huis. + +Eenige dagen later kwam eene andere vrouw, in plaats van de oude Prue, +de beschuitjes brengen. Ophelia was juist in de keuken. + +"Wel!" zeide Dina. "Wat scheelt er aan met Prue?" + +"Prue komt niet meer," antwoordde de andere vrouw geheimzinnig. + +"Waarom niet?" zeide Dina. "Zij is niet dood, is ze?" + +"Dat weten wij niet recht. Zij is in den kelder," antwoordde de vrouw +met een blik naar Ophelia, + +Nadat Ophelia beschuitjes had genomen, ging Dina met de vrouw mede +naar de deur. + +"Wat is er toch met Prue?" zeide zij. + +De vrouw scheen verlangend en toch bevreesd om te spreken en antwoordde +op een zachten, geheimzinnigen toon: + +"Wel, gij moet het niemand vertellen. Prue is weder dronken geweest--en +zij brachten haar in een kelder--en lieten haar daar den geheelen dag; +ik hoorde zeggen dat _de vliegen haar hadden beetgekregen_--en nu is +zij dood!" + +Dina stak hare handen op, en toen zij zich omkeerde, zag zij vlak +achter haar de kleine Eva staan, met afgrijzen in hare wijd starende +oogen en zonder eenig spoor van kleur op hare wangen. + +"De hemel bewaar ons! Jongejuffrouw Eva zal nog flauw vallen. Waarom +hebben wij haar zulke dingen laten hooren! Haar papa zal razend wezen!" + +"Ik zal niet flauw vallen, Dina," antwoordde het kind op vasten +toon. "En waarom zou ik dat niet hooren? Het is voor mij zooveel niet +om het te hooren als voor de arme Prue om het te lijden." + +"Och, och, zulke teere, zachte juffertjes als gij moesten zulke +histories niet hooren. Het is genoeg om ze den dood te doen." + +Eva zuchtte wederom en ging langzaam en treurig naar boven. + +Ophelia vroeg nu met zekere angstige nieuwsgierigheid wat de +vrouw gezegd had. Dina gaf haar een zeer woordenrijk verslag van +het gebeurde, waarbij Tom de bijzonderheden voegde, welke hij dien +ochtend had vernomen. + +"Dat is nu toch iets verschrikkelijks--iets verfoeielijks!" riep +Ophelia uit, toen zij de kamer binnentrad waar St.-Clare zijne courant +zat te lezen. + +"Wel, welke verfoeielijkheid weet gij nu weder?" zeide hij. + +"Wat ik weet? Wel, dat volk heeft Prue dood gegeeseld," antwoordde +Ophelia, en deelde toen met veel ophef het voorgevallene mede, over +welks akelige bijzonderheden zij met verontwaardiging uitweidde. + +"Ik dacht wel, dat het eens daartoe komen zou," zeide St.-Clare, +zijne courant weder inkijkende. + +"Dacht gij dat wel? En zult gij er nu niets meer aan doen?" hervatte +Ophelia. "Hebt gij hier geene "hoofdlieden", of iemand om zulke dingen +te onderzoeken en zich aan te trekken?" + +"Men denkt gewoonlijk dat het eigenbelang in zulke gevallen een +voldoende waarborg is. Wanneer iemand verkiest zijne eigene bezittingen +te vernielen, weet ik niet wat er aan te doen is. Het schijnt dat die +arme vrouw eene dievegge en aan den drank was, en dus kan men niet +hopen dat men iemand zal kunnen bewegen om zich aan haar te laten +gelegen liggen." + +"Het is ontzettend--het is afschuwelijk, Augustine! Het zal zeker +eens een oordeel over u brengen." + +"Lieve Nicht, ik heb het niet gedaan en ik kan het niet verhelpen; +ik zou wel willen, als ik maar kon. Als gemeene, ruwe kerels naar +hunnen aard willen handelen, wat zal ik er dan aan doen? Zij hebben +onbeperkte macht; zij zijn onverantwoordelijke despoten. Het zou niet +baten zich met hen te willen bemoeien; er is geene wet, die in zulk +een geval van wezenlijke hulp is. Het beste dat wij kunnen doen is: +oogen en ooren sluiten en het maar zoo laten. Dat is het eenige wat +ons overschiet." + +"Hoe kunt gij oogen en ooren sluiten? Hoe kunt gij zulke dingen zoo +maar laten?" + +"Maar wat zoudt gij dan willen, lieve Nicht? Hier is eene geheele +klasse--verdierlijkt, onkundig, traag, koppig, onhandelbaar--zonder +eenige beperkingen of bedingen onder de macht gesteld van menschen +gelijk de meeste menschen in de wereld zijn, menschen zonder nadenken +of zelfbeheersching, die zelfs hun eigen welbegrepen belang niet in +het oog houden--want zoo is het met de grootste helft van 't menschdom +gesteld. Wat kan nu in zulk eene maatschappij een man van menschelijk +gevoel anders doen, dan zooveel hij kan zijne oogen sluiten en zijn +hart verharden? Ik kan alle mishandelde ellendelingen niet koopen. Ik +kan geen dolend ridder worden en ondernemen om ieder onrecht in zulk +eene stad als deze te herstellen. Het eenige dat ik doen kan is: +beproeven om er mij zelven vrij van te houden." + +St.-Clare's gezicht bleef voor eene poos betrokken; maar eensklaps +zijn vroolijken glimlach hernemende, zeide hij: + +"Kom, kom, Nicht, blijf daar niet staan als eene dreigende +ongeluksprofetes. Gij hebt nog maar even een hoekje der gordijn +opgelicht--nog maar even een proefje er van gezien, hoe het op eene of +andere manier door de geheele wereld toegaat. Als wij alle akeligheden +van het leven willen opzoeken en beloeren, zullen wij nergens lust +meer in hebben. Dat zou hetzelfde zijn alsof men al te nauwlettend +de details van Dina's keuken wou bekijken." En St.-Clare strekte zich +weder op de sofa uit en ging tevens voort met lezen. + +Ophelia zette zich neer, haalde haar breiwerk tevoorschijn en bleef +met een gezicht vol barsche verontwaardiging zitten breien; maar +terwijl zij breide en peinsde, brandde het vuur in haar binnenste +voort en eindelijk barstte zij uit: + +"Ik zeg u Augustine, ik kan mij niet over zulke dingen heenzetten, +indien gij dat al doen kunt. Het is verfoeilijk van u, zulk een +stelsel te verdedigen--zoo denk ik er over." + +"Wat nu?" zeide St.-Clare opkijkende. "Begint gij er nog eens over?" + +"Ik zeg dat het verfoeielijk van u is, zulk een stelsel te verdedigen," +herhaalde Ophelia met toenemende warmte. + +"_Ik_ het verdedigen, lieve Juffrouw? Wie heeft ooit gezegd dat ik +het verdedigde?" zeide St.-Clare. + +"Wel zeker verdedigt gij het--dat doet gij allen--al gij +Zuidlanders. Waarom houdt gij slaven, als gij dat niet doet?" + +"Zijt gij dan zoo dood-onnoozel, dat gij nog denkt dat iemand op de +wereld ooit iets doet dan wat hij voor recht houdt? Doet gij nooit +iets, of hebt gij nooit iets gedaan, dat gij niet voor geheel recht +houdt?" + +"Als ik dat doe heb ik er berouw van, hoop ik," antwoordde Ophelia +en liet vinnig hare breinaalden ratelen. + +"Ik ook," zeide St.-Clare, onder het schillen van een sinaasappel. "Ik +heb er op den duur berouw van." + +"Waarom gaat gij er dan mede voort?" + +"Zijt gij nooit voortgegaan met kwaad doen, nadat gij er al berouw +van hadt, goede Nicht?" + +"Welnu, ja, maar alleen als ik in zware verzoeking was," antwoordde +Ophelia. + +"Welnu, ik ben in zware verzoeking," hervatte St.-Clare. "Dat is +juist de moeielijkheid." + +"Maar ik neem mij dan altijd voor om het niet meer te doen en beproef +ook het te laten." + +"Welnu, ik heb mij al tien jaren lang voorgenomen het niet meer te +doen," zeide St.-Clare; "maar ik heb mij er toch, hoe dan ook, niet van +af kunnen houden. Zijt gij van al uwe zonden afgekomen, lieve Nicht?" + +"Neef Augustine," antwoordde Ophelia en legde haar breiwerk neer. "Ik +zal het zeker wel verdienen dat gij mijne tekortkomingen bestraft. Ik +weet dat het maar al te waar is wat gij zegt, niemand kan dat dieper +gevoelen dan ik; maar het komt mij toch voor dat er eenig verschil is +tusschen u en mij. Ik geloof dat ik liever mijne rechterhand zou willen +afhouwen, dan dag aan dag voortgaan met te doen wat ik voor kwaad +hield. Maar niettemin is mijn gedrag zoo weinig overeenkomstig met +mijne belijdenis, dat het mij niet verwondert dat gij mij bestraft." + +"Och kom, Nicht," zeide Augustine, zich voor haar op den grond zettende +en zijn hoofd in haren schoot leggende, "neem het niet zoo geducht +ernstig op! Gij weet wel welk een deugniet van een jongen ik altijd +geweest ben. Ik heb er liefhebberij in om u te plagen en uw toorn +gaande te maken--anders is het niet. Ik weet wel dat gij wanhopig, +ontzettend braaf zijt; ik word er bang van als ik er aan denk." + +"Maar dat is een ernstig onderwerp, Auguste, mijn jongen," zeide +Ophelia, hare hand op zijn voorhoofd leggende. + +"Akelig ernstig," zeide St.-Clare, "en ik--maar ik praat niet gaarne +ernstig bij warm weder. Met de muskieten en al die dingen gelukt +het iemand toch niet eene heel hooge zedelijke vlucht te nemen; en ik +geloof--daar vind ik eene theorie," zeide hij, eensklaps opstaande. "Ik +begrijp nu de reden, waarom gij Noordelijke natiën altijd deugdzamer +zijt dan wij Zuidelijke, ik begrijp nu de geheele zaak." + +"O, Augustine, ge zijt toch een ongelukkig loshoofd." + +"Ben ik? Nu ja, het zal wel waar zijn; maar voor eene enkele maal +wil ik toch eens ernstig wezen, als ge mij eerst dat mandje met +sinaasappelen eens aangeeft; want ik moet mij tusschenbeide eens +kunnen verfrisschen, als ik mij zoo zal inspannen. Nu begin ik," +vervolgde hij, het mandje naar zich toehalende. "Als het in den loop +der wereldsche zaken voor iemand noodig wordt, twee of drie dozijn +van zijne mede-aardwormen in gevangenschap te houden, vereischt een +voegzaam ontzag voor de gevoelens der maatschappij...." + +"Ik zie niet dat gij ernstiger wordt," viel Ophelia hierop in. + +"Wacht maar--ik kom er toe--gij zult hooren. Om kort te gaan, Nicht," +zeide hij, terwijl zijn gezicht eensklaps strak en ernstig werd, +"over de slavernij, in het afgetrokkene beschouwd, kan, naar ik +meen, slechts één gevoelen bestaan, planters, die er geld mede +moeten winnen--geestelijken, die planters naar den mond moeten +praten--staatkundigen, die er gezag door willen voeren--mogen de taal +en de zedenleer verdraaien en verwringen, zoodat de wereld verbaasd +staat over hunne schranderheid; zij kunnen de natuur en den Bijbel, +en wat weet ik al meer, in hunnen dienst pressen; maar na dat alles +gelooven zij en de wereld toch geen aasje meer er aan. Het komt van +den duivel, kortaf gezegd, en naar mijn begrip is het een goed proefje +van hetgeen hij in zijn vak doen kan." + +Ophelia hield op met breien en zag hem verwonderd aan; St.-Clare, +die zich met hare verbazing zeer scheen te vermaken, vervolgde: + +"Gij schijnt u te verwonderen; maar als gij mij wilt laten uitspreken, +zal ik ronduit zeggen wat ik denk. Die vervloekte zaak, vervloekt +door God en menschen, wat is zij? Ontruk haar alle optooisel, zoek +naar hare kern en haren wortel, en wat is zij dan? Wel, omdat mijn +broeder Quashy onkundig en zwak en ik schrander en sterk ben--omdat +ik weet hoe ik dat kan doen en de macht heb--daarom mag ik alles +stelen wat hij heeft, het behouden, en hem alleen zooveel geven als +mij belieft. Al wat te zwaar, te vuil en te onaangenaam voor mij +is, mag ik Quashy laten doen. Omdat ik niet gaarne werk, zal Quashy +werken. Omdat de zon mij zengt, zal Quashy in de zon staan. Quashy +zal het geld verdienen, en ik zal het verteren. Quashy zal zich in +een modderpoel leggen, opdat ik er droogvoets kan overstappen. Quashy +zal mijn wil doen en niet den zijnen, al de dagen van zijn leven op +aarde, en eindelijk alleen zooveel kans op den hemel hebben, als +mij gelegen komt. Dit houd ik ten naastebij voor wat de slavernij +_is_. Ik tart iedereen uit om ons slavenwetboek te lezen, gelijk het +in onze wetten staat, en er iets anders van te maken. Men praat van +_misbruiken_ der slavernij. Draaierij! De zaak zelve is een gruwelijk +misbruik. En de eenige reden waarom het land er niet onder verzinkt, +gelijk Sodom en Gomorra, is omdat zij oneindig beter wordt _gebruikt_ +dan zij is. Uit barmhartigheid, uit schaamte, omdat wij menschen zijn, +uit vrouwen geboren, en geene wilde dieren, willen velen van ons niet, +durven velen van ons niet--achten wij ons te goed, om de volle macht +te gebruiken die onze gruwelijke wet in onze handen stelt. En hij +die het verste gaat en het ergste doet, gebruikt nog maar met mate +de macht, die de wet hem geeft." + +St.-Clare was opgestaan en ging met haastige schreden op en +neer. Zijn gelaat gloeide door het vurige van zijn gevoel, zijne +blauwe oogen flikkerden, en zonder het zelf te weten maakte hij +heftige gebaren. Ophelia had hem nog nooit in zulk eene stemming +gezien en bleef roerloos zitten, zonder een woord te spreken. + +"Ik verklaar u," vervolgde hij, eensklaps voor zijne nicht staan +blijvende--"het baat wel niet wat men over de zaak denkt of zegt, maar +ik verklaar u toch, er zijn oogenblikken geweest waarop ik dacht dat +als het geheele land maar verzonk, en al dat onrecht en die ellende +voor het licht verborg, ik gaarne mede wilde verzinken. Als ik met +onze stoombooten of door het land heen en weder reisde, om slaven op +te koopen, en bedacht dat elken laaghartigen, verdierlijkten kerel, +dien ik zag, door onze wetten werd veroorloofd om de absolute despoot +te worden van zoovele mannen, vrouwen en kinderen als hij voor zijn +met stelen, bedriegen of spelen gewonnen geld kon koopen--als ik +zulke kerels werkelijk eigenaars zag van weerlooze kinderen, van +jonge meisjes en vrouwen--dan was ik op het punt om mijn land, om +het geheele menschdom te vervloeken." + +"Augustine! Augustine!" riep Ophelia uit; "nu hebt gij toch zeker +genoeg gezegd. Nog nooit in mijn leven heb ik zoo iets gehoord, +zelfs niet in het Noorden." + +"In het Noorden?" herhaalde St.-Clare, terwijl de uitdrukking van +zijn gelaat eensklaps veranderde en hij een zweem van zijn gewonen +onverschilligen toon hernam. "Ba! Gij Noordlanders zijt koud van bloed; +gij zijt koel in alles. Gij kunt niet zoo hartelijk vervloeken als wij, +wanneer wij er eens toe komen." + +"Nu, maar de vraag is...." begon Ophelia. + +"O ja, zeker," viel St.-Clare er op in, "de vraag is, en eene +lastige vraag is het: Hoe zijt _gij_ in dien staat van zonde en +ellende gekomen? Wel, ik zal u antwoorden met de goede oude woorden, +die gij mij op Zondagen placht te leeren. Ik ben zoo geworden door +de gewone voortplanting des geslachts. Mijne bedienden waren die van +mijnen vader, en wat nog meer is, van mijne moeder, en nu zijn zij de +mijne, zij en hun nakroost, dat al vrij aanzienlijk is. Mijn vader, +gelijk gij weet, kwam uit Nieuw-Engeland; en hij was juist een man +als uw vader--een echte oud-Romein, rechtschapen, vurig, edeldenkend +en met een ijzeren wil. Uw vader vestigde zich in Nieuw-Engeland, om +over rotsen en steenen te heerschen en de natuur zijn onderhoud af te +dwingen; de mijne vestigde zich in Louisiana, om over mannen en vrouwen +te heerschen en hun zijn onderhoud af te dwingen. Mijne moeder," +vervolgde St.-Clare opstaande en naar een portret gaande, waarnaar hij +met een blik vol teederheid en eerbied opzag: "Zij was goddelijk. Zie +mij maar zoo niet aan: ik weet wel wat gij meent. Waarschijnlijk was +zij van sterfelijke geboorte; maar zooveel ik ooit heb kunnen opmerken, +had zij geen spoor van menschelijke zwakheid of dwaling; en allen die +zich haar nog herinneren, hetzij slaven of vrijen, dienaren, bekenden, +en bloedverwanten, allen zeggen hetzelfde. Welnu, Nicht, die moeder is +alles geweest, wat jarenlang tusschen mij en een volslagen ongeloof +stond. Zij was een aanschouwelijk bewijs van het Nieuwe Testament +voor mij, een levend verschijnsel dat verklaard moest worden, en +dat op geene andere wijs verklaard kon worden dan door de waarheid +dier leer. O moeder, moeder!" riep St.-Clare uit, als in verrukking +zijne gevouwen handen opheffende; en toen zich eensklaps bedwingende, +kwam hij terug, zette zich op de sofa en vervolgde: + +"Mijn broeder en ik waren tweelingen; en men zegt, gelijk gij weet, +dat tweelingen op elkander gelijken moeten, maar wij waren in alle +opzichten elkanders contrasten. Hij had zwarte vurige oogen, koolzwart +haar, sterk sprekende Romeinsche trekken en eene bruinachtige kleur; +ik had blauwe oogen, lichtbruin haar, Grieksch profiel en een blanke +kleur. Hij was vriendelijk en edelmoedig voor zijne vrienden en +gelijken; maar trotsch, heerschzuchtig en hard voor zijne minderen, +en geheel onbarmhartig voor alles wat zich tegen hem verzette. Oprecht +waren wij beiden, hij uit trotschheid en onversaagdheid, ik uit zekere +ideale waarheidsliefde. Wij hielden veel van elkander en hadden +toch nu en dan ongenoegen, gelijk het met jongens gewoonlijk gaat; +hij was de lieveling van mijnen vader en ik die van moeder. + +"Ik had eene ziekelijke gevoeligheid ten aanzien van vele dingen, +waarvan hij en mijn vader niets begrepen, zoodat zij daarin onmogelijk +met mijn gevoel konden overeenstemmen. Mijne moeder kon dit echter +wel, en wanneer ik dus met Alfred twist had of mijn vader mij barsch +aankeek, placht ik naar mijne moeders kamer te gaan en bij haar te +gaan zitten. Ik herinner mij nog zeer wel hoe zij er altijd uitzag +met hare bleeke wangen, hare zachte, ernstige oogen, en haar wit +kleed--zij droeg altijd wit--en ik placht altijd aan haar te denken +als ik in de Openbaring las van de heiligen, die in fijn linnen, +helder wit, gekleed waren. Zij had veel smaak en talent, inzonderheid +voor de muziek, en zij was gewoon op het orgel de statige muziek der +Katholieke kerk te spelen, en daarbij te zingen met eene stem, welke +meer naar die van een engel dan van eene sterfelijke vrouw geleek; +en dan legde ik dikwijls mijn hoofd in haren schoot, en schreide en +droomde en voelde dingen, waartoe het mij aan woorden ontbrak om ze +te zeggen. + +"In die dagen had men de zaak der slavernij nog nooit zoo onderzocht +als nu, niemand droomde dat er eenig kwaad in stak. + +"Mijn vader was een geboren aristocraat. Ik denk dat hij in een +vroegeren staat tot de hoogere kringen van geesten moet behoord hebben +en al zijn adeltrots had medegebracht; want die zat hem in het bloed, +hoewel hij van eene arme en volstrekt niet edele familie was. Mijn +broeder was in dit opzicht zijn evenbeeld. + +"Nu heeft een aristocraat, gelijk gij weet, de geheele wereld over, +geen menschelijk gevoel voor iets dat buiten zekere maatschappelijke +grenslijn ligt. In Engeland is die grenslijn op zekere plaats +getrokken, in Birma op eene andere en in Amerika weder op eene andere; +maar de aristocraat van al die landen stapt nooit daarover heen. Wat +in zijne eigene klasse eene hardheid, een onrecht of een ongeluk +zou zijn geweest, was in eene andere slechts iets onverschilligs, +dat vanzelf sprak. Mijn vaders grenslijn was die der kleur; _onder +zijns gelijken_ was nooit iemand billijker en edelmoediger; maar +hij beschouwde den neger door alle kleurschakeeringen heen als een +schakel tusschen den mensch en de dieren, en mat al zijne denkbeelden +van recht en billijkheid naar deze onderstelling af. Ik denk wel, als +iemand hem ruiterlijk had gevraagd of zij menschelijke, onsterfelijke +zielen hadden, dat hij dan wel, na wat kuchen en keelschrapen, "ja" +zou gezegd hebben. Maar mijn vader was geen man, die veel last van +nadenken had, en godsdienstig gevoel had hij in het geheel niet, +behalve zekeren eerbied voor God, daar deze toch stellig aan het +hoofd der hoogere klassen stond. + +"Welnu, mijn vader had ongeveer vijfhonderd negers aan het werk; +hij was een onbuigzaam, voortvarend, scherp oplettend man van zaken; +alles moest naar een vasten regel gaan, die met onfeilbare stiptheid +in acht genomen moest worden. Als gij nu in aanmerking neemt, dat +er naar zulk een regel gewerkt moest worden door een troep luie, +babbelzieke, onhandige arbeiders, die hun leven lang geen lust, +en ook geene reden hadden gehad om iets anders te leeren dan +"dagdieven," dan zult gij begrijpen dat er op zijne plantage vele +dingen moesten gebeuren, die een gevoelig kind, zooals ik, droevig +en akelig moesten voorkomen. Buitendien had hij een opzichter, een +lange, grove kerel, met zware, forsche vuisten, die eene regelmatige +leerschool van hardheid en ruwheid had doorgegaan en meester in dat +vak was geworden. Mijne moeder kon hem nooit uitstaan, en ik ook +niet; maar mijn vader had hij geheel voor zich ingenomen, en deze +man heerschte dus op het goed als absoluut despoot. + +"Ik was toen een kleine jongen, maar ik had reeds dezelfde liefhebberij +voor alle soorten van menschelijke wezens, die ik nu heb--eene soort +van hartstocht om met de menschheid, welke gedaante zij ook dragen +mocht, kennis te maken. Ik was veel in de hutten en onder de arbeiders +op het veld, en was dus natuurlijk een groot gunsteling. Allerlei +grieven en klachten werden mij in het oor gefluisterd en ik vertelde +ze mijne moeder, en wij met ons beiden vormden een soort van commissie +tot herstel van grieven. Wij voorkwamen en verhinderden veel wreedheid, +en streelden ons met de gedachte dat wij veel goeds deden, totdat ik, +gelijk dikwijls gebeurde, in mijnen ijver te veel deed. Stubbs klaagde +aan mijnen vader dat hij het volk niet meer regeeren kon en zijne +betrekking moest neerleggen. Mijn vader was een teeder, inschikkelijk +echtgenoot; maar hij was ook iemand die nooit terugdeinsde voor +iets dat hij noodig achtte; en aldus zette hij zijn voet als een +rots tusschen ons en de veldarbeiders. Hij zeide mijne moeder in +bewoordingen, die zeer minzaam en verschoonend, maar tevens zeer +beslissend waren, dat zij volkomen meesteres over de huisbedienden +zou zijn, maar dat hij geene bemoeiing met de veldarbeiders kon +veroorloven. Hij achtte en beminde haar boven alle levende wezens; +maar hij zou hetzelfde tegen de Maagd Maria hebben gezegd, als zij +zijn regel in den weg gekomen was. + +"Ik hoorde mijne moeder wel eens over sommige gevallen met hem +redeneeren en haar best doen om zijn mededoogen op te wekken. Hij +luisterde met de ootmoedigste beleefdheid en kalmte naar de +aandoenlijkste toespraak en antwoordde dan: "Het komt alles +daarop neer: moet ik Stubbs laten gaan of hem houden? Stubbs is de +nauwkeurigheid, de eerlijkheid en de bekwaamheid in eigen persoon, +een man door en door met mijne zaak bekend en zoo menschelijk als de +menschen over het algemeen zijn. Volmaaktheid kan men niet bekomen; +en als ik hem behoud, moet ik zijne administratie als een _geheel_ +goedkeuren, al gebeurt er nu en dan iets waarop aanmerking zou +kunnen gemaakt worden. Alle regeering brengt eenige noodzakelijke +hardheid mede. Algemeene regels moeten wel in sommige bijzondere +gevallen hard zijn." Dezen laatsten stelregel scheen mijn vader bij +de meeste omstandigheden, waarin over wreedheid werd geklaagd, voor +alles afdoende te houden. Als hij dit gezegd had, trok hij meestal +zijne voeten op de sofa, gelijk iemand die met zijn werk gedaan heeft, +en schikte zich tot een dutje of tot het lezen van de courant, naar +het te pas kwam. + +"De waarheid is dat mijn vader juist die soort van talent bezat, +die een staatsman noodig heeft. Hij had Polen kunnen verdeelen, +even gemakkelijk als men een sinaasappel doorsnijdt; of Ierland +kunnen vertrappen, even bedaard en stelselmatig als iemand op de +wereld. Eindelijk zag mijne moeder wanhopig van alle tusschenkomst +af. Men zal het nooit weten, voordat de laatste verantwoording wordt +afgelegd, wat vele edele en teedere harten gelijk het hare gevoeld +hebben, zoo geheel weerloos geworpen in hetgeen zij een afgrond +van onrecht en wreedheid achten, en wat niemand anders om hen heen +daarvoor houdt. Het leven is een tijd van gedurig lijden geweest +voor zulke harten, in zulk een duivelachtige wereld als de onze. Wat +schoot haar anders over dan hare kinderen in hare eigene begrippen +en gevoelens op te voeden? Nu, met al wat men van de opvoeding zegt, +groeien kinderen toch zelfstandig op tot hetgeen zij van nature reeds +zijn en tot niets anders. Van de wieg af was Alfred een aristocraat; +toen hij opgroeide, namen al zijne neigingen en zijne geheele +denkwijs die richting, en al de vermaningen mijner moeder waren +woorden in den wind. Wat mij betreft, zij maakten een diepen indruk op +mij. Zij sprak nooit uitdrukkelijk iets tegen dat mijn vader zeide, +en scheen nooit ernstig van hem te verschillen; maar zij prentte het +mij met al de kracht van haar edel en vurig gemoed in, zij brandde +het mij in de ziel, dat het laagste menschelijke wezen nog adel en +waarde had. Dikwijls heb ik met plechtig ontzag naar haar opgezien, +als zij des avonds naar de sterren wees en zeide: "Ziedaar, Auguste, +de geringste, verachtste menschelijke ziel op ons goed zal nog leven, +wanneer al die sterren vergaan zijn--zal leven, zoolang als God leeft!" + +"Zij had eenige fraaie oude schilderijen, inzonderheid eene van Jezus: +den blinde genezende. Het waren schoone stukken en zij plachten een +diepen indruk op mij te maken. "Ziedaar, Auguste," zeide zij dan wel, +"de blinde was een bedelaar, arm en walgelijk, en daarom wilde Hij +hem niet _uit de verte_ genezen! Hij riep hem naar zich toe en _legde +zijne handen op hem_. Onthoud dit, mijn jongen!" Als ik onder hare zorg +was blijven opgroeien, zou zij mij tot ik weet niet welk enthousiasme +hebben opgewonden. Ik had misschien een heilige, een hervormer, een +martelaar kunnen worden--maar helaas, helaas! Ik moest van haar af +toen ik pas dertien jaar oud was, en ik heb haar nooit weder gezien." + +St. Clare liet zijn hoofd in zijne handen zinken en zweeg eene +poos. Eindelijk zag hij weder op en vervolgde: + +"Hoe armoedig, laag en ellendig is toch die geheele menschelijke +deugd! Een gevolg grootendeels van geographische lengte, breedte +en ligging, in verband met een natuurlijk temperament! Uw vader, +bij voorbeeld, vestigt zich in Vermont, in eene stad waar allen +inderdaad vrij en gelijk zijn; wordt een deftig lid van de kerk en +ouderling; voegt zich in den loop van den tijd bij het genootschap der +abolitionisten en houdt ons allen voor weinig beter dan heidenen. En +toch is hij duidelijk in karakter en denkwijze een duplicaat +van mijnen vader. Ik zie dat op vijftig verschillende manieren +doorstralen--duidelijk zie ik denzelfden krachtigen, heerschzuchtigen, +aanmatigenden geest. Gij weet wel hoe onmogelijk het is, sommigen +der lieden van uw dorp te doen gelooven dat Mr. Sinclair zich niet +boven hen verheven acht. De waarheid is: dat hij, schoon hij in een +democratischen tijd leeft en eene democratische theorie heeft omhelsd, +in zijn hart een aristocraat is, evengoed als mijn vader, die over +vijf- of zeshonderd slaven gebood." + +Ophelia voelde zich wel eenigszins genegen om bedenkingen hiertegen +te maken en legde haar breiwerk neder om te beginnen, maar St. Clare +stuitte haar. + +"Ik weet alles wat gij zeggen wilt. Ik weet wel dat zij niet werkelijk +aan elkander gelijk waren. De een kwam in een toestand waarin alles +zijne natuurlijke neigingen tegenwerkte, en de ander in omstandigheden +waarin alles die sterker deed ontwikkelen; en zoo werd de eerste een +tamelijk eigenzinnige, onverbiddelijke, aanmatigende, oude democraat, +de ander een eigenzinnige, onverbiddelijke, oude despoot. Als beiden +nu plantages in Louisiana hadden gehad, zouden zij naar elkander +geleken hebben als twee kogels, in een en denzelfden vorm gegoten." + +"Welk een oneerbiedig kind zijt gij toch!" zeide Ophelia. + +"Ik meen het niet beleedigend voor hen," zeide St. Clare; "maar gij +weet wel dat eerbiedigheid mijn _fort_ niet is. Maar om weder op +mijne geschiedenis te komen: + +"Toen mijn vader stierf, liet hij zijn vermogen na aan ons, zijne +tweelingzonen, om te verdeelen, gelijk wij zelven met elkander zouden +overeenkomen. Er ademt op Gods aarde geen edeler, grootmoediger +mensch dan Alfred, wanneer hij met zijne gelijken te doen heeft, +en wij schikten die verdeeling van eigendom uitmuntend, zonder een +enkel onbroederlijk woord of gewaarwording. Wij namen ons voor, de +plantage te zamen te laten bewerken, en Alfred, wiens gestel tweemaal +zoo sterk was als het mijne, en die veel meer aanleg voor landbouw +en handelszaken bezat, werd met hart en ziel een planter. + +"Wat mij betreft, een proeftijd van twee jaren overtuigde mij dat ik +in die zaak geen deelgenoot kon blijven. Een troep van zevenhonderd +slaven, die ik niet persoonlijk kon kennen en in wie ik geen +persoonlijk belang kon stellen, als zoovele ossen te laten opkoopen, +voortjagen, stallen, voeden en werken,--terwijl de vraag: hoe weinig +van de meest gewone genietingen des levens voldoende waren om hen tot +werken in staat te houden, gedurig opnieuw moest overlegd worden; en de +noodzakelijkheid van opzichters en drijvers, met hunne eeuwige zweep, +de eerste en de laatste, de eenige reden voor alles was--dat geheele +ding was mij onuitstaanbaar verdrietig en walgelijk;--en als ik dacht +aan de waarde die mijn goede moeder aan eene enkele menschelijke ziel +had toegekend, werd het zelfs schrikkelijk voor mij. + +"Het is onzin, naar mijn begrip, te willen zeggen dat slaven met dat +alles weltevreden zijn. Ik heb nooit de wartaal kunnen uitstaan, die +sommigen van uwe Noordlanders, onze vrienden, hebben bijeengelapt om +onze zonden te verschoonen. Wij weten het allen wel beter. Zeg mij dat +er iemand op de wereld is, die al de dagen van zijn leven, van den +dageraad tot den avond, onder het scherpziende oog van een meester +verlangt te werken, zonder in eenig opzicht zijn eigen wil te mogen +doen, altijd aan denzelfden vervelenden, eentonigen arbeid, en dat +alles voor twee broeken en twee paar schoenen in het jaar, met juist +genoeg voedsel en huisvesting om hem tot werken in staat te houden; +iemand die denkt dat menschelijke wezens op die manier nagenoeg even +weltevreden kunnen zijn als op eenige andere--ik wenschte dat hij het +eens beproefde! Ik zou den hond koopen en hem met een gerust geweten +als slaaf gebruiken." + +"Ik heb altijd gemeend," zeide Ophelia, "dat gij allen met die dingen +tevreden waart en ze voor recht hieldt--volgens de Schrift." + +"Praatjes! Zoover zijn wij nog niet heen. Alfred, die zulk een +onverbiddelijke despoot is als er nog ooit leefde, wil zich niet met +zulk eene verdediging behelpen. Neen, hij beroept zich trotsch en +stout op dat oude eerwaardige recht, het recht van den sterkste; en +hij zegt--en ik geloof met reden--dat de Amerikaansche planter alleen +maar datgene in een anderen vorm doet, wat de Engelsche aristocraten +en kapitalisten met de lagere klassen doen; en dat is naar ik meen: ze +zich toeëigenen met lichaam en ziel, om ze tot hun voordeel en genoegen +te gebruiken. Hij verdedigt beiden--en mij dunkt dat hij daarin ten +minste consequent is. Hij zegt dat er geen trap van beschaving kan +bestaan, zonder dat de massa's, hetzij uitdrukkelijk en in naam, +hetzij toch inderdaad, slaven zijn. Er moet, zegt hij, eene lagere +klasse wezen, die aan lichamelijken arbeid gebonden is en slechts eene +dierlijke natuur heeft: en eene hoogere, die daardoor middelen en tijd +bekomt om haar verstand te ontwikkelen en hare talenten te volmaken, +waarmede zij tevens de ziel en beheerscheres der lagere wordt. Zoo +redeneert hij, omdat hij, gelijk ik zeide, een geboren aristocraat is; +en ik geloof het dus niet, omdat ik een democraat geboren ben." + +"Hoe in de wereld kunnen die twee dingen met elkander vergeleken +worden?" zeide Ophelia. "De Engelsche arbeider wordt immers niet +verkocht en verhandeld, niet van zijne familie gescheiden, niet +gegeeseld?" + +"Hij hangt evenzeer van den wil zijns meesters af, alsof deze hem +gekocht had. De slavenhouder kan zijn weerspannigen slaaf laten dood +geeselen--de kapitalist kan hem laten dood hongeren. Wat de familie +betreft, is het moeielijk te zeggen wat erger is: zijne kinderen te +zien verkoopen, of hen tehuis te zien honger lijden." + +"Maar het is geene rechtvaardiging der slavernij, te bewijzen dat +zij niet erger is dan een ander kwaad." + +"Ik heb haar ook niet willen rechtvaardigen; ja ik zeg bovendien dat +onze schennis van de rechten der menschheid stouter en openlijker +is. Een mensch werkelijk te koopen gelijk een paard--zijne tanden te +bekijken, zijne gewrichten te laten knappen, hem te laten toonen hoe +hij loopt en zich beweegt, en dan zijn prijs te betalen--speculanten, +opfokkers, handelaars en makelaars in menschelijke lichamen en zielen +te hebben--dat stelt de zaak in eene meer tastbare gedaante voor de +oogen der beschaafde wereld, schoon het andere dat men doet in zijnen +aard eigenlijk hetzelfde is, namelijk het toeëigenen en gebruiken van +de eene klasse van menschen tot voordeel en genoegen eener andere, +zonder op hare eigene belangen acht te geven." + +"Ik heb de zaak nog nooit in dat licht bezien," zeide Ophelia. + +"Wel, ik heb in Engeland gereisd en heb tamelijk veel over den toestand +der lagere klassen aldaar gelezen, en ik denk waarlijk dat men Alfred +niet kan tegenspreken, als hij zegt dat zijne slaven er beter aan +toe zijn dan een groot gedeelte der bevolking van Engeland. Gij moet +echter uit hetgeen ik gezegd heb niet opmaken, dat Alfred is wat men +een hard meester noemt; want dat is hij niet. Hij is despotiek en +ongenadig in geval van weerspannigheid; hij zou een kerel die hem +tegenweer bood, met even weinig gewetensknaging doodschieten als +een bok; maar over het geheel stelt hij er eene soort van trots in, +dat zijne slaven goed gevoed en verzorgd worden. + +"Toen ik bij hem was, drong ik er op aan dat hij iets voor hun +onderricht zou doen, en om mij te behagen nam hij een kapelaan aan en +liet hem des Zondags catechiseeren, hoewel ik geloof dat hij wel bij +zich zelven dacht, dat het omtrent evenveel goed zou doen alsof hij +een kapelaan bij zijne paarden en honden zette. En het is ook waar, +dat er met iemand, die van zijne geboorte af door allerlei schadelijke +omstandigheden verstompt en verdierlijkt is, en die zijne werkdagen +geheel moet slijten met een arbeid, welke hem geen tijd tot een +oogenblik nadenkens laat, in eenige uren op Zondag niet veel kan gedaan +worden. De onderwijzers in de zondagsscholen onder de fabrieksbevolking +van Engeland en onder de plantage-arbeiders in Amerika zullen misschien +_hier_ en _daar_ hetzelfde kunnen getuigen. Maar onder ons bestaan +toch eenige treffende uitzonderingen, daar het blijkt dat de neger van +nature meer vatbaarheid heeft voor godsdienstig gevoel dan de blanke." + +"Maar hoe zijt gij er eindelijk toe gekomen om van de plantage af te +zien?" zeide Ophelia. + +"Wel, wij tobden eenigen tijd met elkander voort, tot Alfred +duidelijk zag dat ik geen planter was. Hij vond het ongerijmd dat +ik nog ontevreden was, nadat hij, om zich naar mijne begrippen te +voegen, allerlei veranderingen en verbeteringen gemaakt had. Het was +dan ook eigenlijk de zaak zelve die ik haatte--het gebruiken van die +mannen en vrouwen als onze werkdieren, het onderhouden van onkunde, +ruwheid en ondeugd--alleen om geld voor mij te winnen! + +"Bovendien was ik daar wezenlijk in den weg. Daar ik zelf een der +luiste stervelingen was, had ik veel te veel sympathie voor luiaards; +en als dus arme onhandige rekels steenen in hunne katoenmanden legden, +om ze zwaarder te doen wegen; of hunne zakken met vuilnis vulden, +met wat katoen bovenop, kwam mij dit zoo volkomen hetzelfde voor als +wat ik in hunne plaats zou gedaan hebben, dat ik er hen niet voor +kon of wilde laten geeselen. Daardoor was er natuurlijk geen orde +of tucht op de plantage te houden, en Alfred en ik kwamen omtrent +evenver met elkander, als jaren geleden mijn vader met mij gekomen +was. Hij zeide mij dus dat ik een verwijfd sentimentalist was en nooit +deugen zou om zaken te doen; raadde mij om de bankactiën en het huis +te Nieuw-Orleans te nemen, daar verzen te gaan schrijven en hem de +plantage over te laten. Zoo scheidden wij ook en ik kwam hier wonen." + +"Maar waarom hebt gij uwe slaven niet vrijgelaten?" + +"Zoover had ik het nog niet gebracht. Hen houden als gereedschap +om geld te winnen, dat kon ik niet; maar hen te houden om mijn geld +te helpen verteren, kwam mij zoo kwaad niet voor. Sommigen van hen +waren oude huisbedienden, aan wie ik gehecht was, en de jongeren +waren de kinderen van de ouden. Allen waren weltevreden als zij +mochten blijven." + +Hij zweeg en wandelde peinzend de kamer op en neer. + +"Er was een tijd in mijn leven," vervolgde hij, "toen ik plan en +hoop had om meer in de wereld te doen, dan zoo met den stroom af te +drijven. Ik had een onbestemd, nevelachtig verlangen om een soort +van emancipator te worden--om mijn vader van die schandvlek te +bevrijden. Alle jongelieden, geloof ik, hebben zulke koortsachtige +vlagen--maar dan...." + +"Waarom deedt gij dat niet?" zeide Ophelia. "Gij moest uwe hand niet +aan den ploeg slaan en dan achterwaarts zien." + +"Och, het ging niet met mij zooals ik verwacht had, en toen kreeg ik +hetzelfde verdriet in het leven dat Salomo kreeg. Ik denk dat zal voor +ons beiden noodzakelijk geweest zijn om wijs te worden. Maar hoe dan +ook, in plaats van de maatschappij te verbeteren en te hervormen, +werd ik een stuk drijfhout en heb mij sedert dien tijd maar laten +rondslingeren. Alfred bekijkt mij telkens als wij elkander zien en +heeft iets op mij vooruit, dat moet ik bekennen. Zijn leven is een +logisch gevolg van zijne denkwijs, het mijne is eene verachtelijke +inconsequentie." + +"Lieve Neef, hoe kunt gij tevreden zijn met zulk eene manier om uw +proeftijd te besteden?" + +"Tevreden? Heb ik u niet zooeven gezegd dat ik mijn gedrag +verachtte? Maar om weder ter zake te komen--wij waren aan het vrijlaten +van slaven. Ik geloof dat mijne manier van doen niet ongemeen is. Ik +vind vele menschen, die heimelijk eveneens over de slavernij denken +als ik. Het land zucht er onder; en zoo erg als zij voor den slaaf is, +zij is, zoo mogelijk, nog erger voor den meester. Men heeft geen bril +noodig, om te zien dat eene talrijke klasse van zorgelooze, ondeugende, +zedelijk verbasterde menschen onder ons een kwaad is, voor ons zoowel +als voor hen. De kapitalisten en aristocraten van Engeland kunnen dat +zoo niet doen als wij, omdat zij met de klasse die zij verdrukken niet +zoo in aanraking komen als wij doen. De slaven zijn in onze huizen; +zij zijn het gezelschap van onze kinderen en hebben meer invloed op +hun gemoed dan wij, omdat zij tot eene soort van menschen behooren +waaraan kinderen zich altijd hechten. Als Eva niet meer een engel was +dan gewoonlijk, zou zij geheel bedorven worden. Wij mochten evengoed +de kinderpokken onder hen laten heerschen en denken dat onze kinderen +niet besmet worden, als hen ondeugend laten en denken dat dit onzen +kinderen geen kwaad zal doen. En toch verbieden onze wetten stellig +alle krachtige maatregelen van opvoeding, en dat doen zij met reden; +want begin maar eens en geef één geslacht van negers eene goede +opvoeding, en het geheele ding vliegt in de lucht. Als wij hun hunne +vrijheid niet gaven zouden zij ze nemen." + +"En wat denkt gij dat hiervan het einde zal zijn?" zeide Ophelia. + +"Ik weet het niet. Eén ding is zeker--over de geheele wereld vereenigen +zich de massa's en komen in beweging; en vroeger of later komt er een +_dies irae_ [7]. Hetzelfde werkt in Engeland, in geheel Europa en in +dit land. Mijne moeder placht mij te spreken van een duizendjarig rijk, +dat eens komen zou, wanneer Christus zou heerschen en alle menschen +vrij en gelukkig zouden zijn. En toen ik een kind was leerde zij mij +bidden: "Uw Koninkrijk kome." Somtijds denk ik dat al dat zuchten en +kermen, en die beweging onder de dorre beenderen, datgene voorspelt, +wat zij mij placht te zeggen dat komen zou. Maar wie zal den dag +zijner toekomst zien?" + +"Augustine, somtijds denk ik dat gij niet ver van het Koninkrijk +zijt," zeide Ophelia, terwijl zij haar breiwerk neerlegde en haar +neef oplettend en met zekere bezorgdheid aanzag. + +"Ik dank u voor uwe goede meening; maar het gaat op en neer met mij--op +tot aan de poort des hemels, in theorie, neer in het stof der aarde, +in practijk. Daar hoor ik de schel om thee te drinken. Laten wij gaan, +en zeg nu niet dat ik niet voor eene enkele maal in mijn leven ernstig +met u gesproken heb." + +Aan de theetafel sprak Marie over het voorgevallene met Prue. + +"Gij zult nu wel denken, Nicht," zeide zij, "dat wij allen barbaren +zijn." + +"Ik denk dat dit iets barbaarsch is," antwoordde Ophelia; "maar ik +houd u allen nog niet voor barbaren." + +"Och," hervatte Marie, "ik weet zelve wel dat het onmogelijk is met +sommigen van die schepsels te recht te komen. Zij zijn zoo slecht, +dat zij het leven niet waard zijn. Ik voel geen greintje medelijden +in zulke gevallen. Als zij zich maar wel gedroegen, zou het niet +gebeuren." + +"Maar, Mama," zeide Eva, "het arme schepsel was ongelukkig; dat hielp +haar aan den drank." + +"Och, gekheid! Alsof dat eene verontschuldiging was! Ik ben ook +dikwijls ongelukkig. Ik geloof," zeide Marie peinzend, "dat ik grooter +verdriet heb gehad dan zij ooit gehad heeft. Het is maar dat zij +zoo slecht van aard zijn. Er zijn sommigen die men met de grootste +gestrengheid niet dwingen kan. Ik herinner mij dat mijn vader een +man had, die zoo lui was dat hij wegliep, alleen maar om van het +werken af te komen, en in de moerassen school en stal en allerlei +afschuwelijkheden deed. Die man werd gevangen en gegeeseld, nog eens en +nog eens, maar nooit hielp het hem; eindelijk kroop hij weder weg, want +hij kon haast niet loopen, en stierf in het moeras. Er was geenerlei +reden voor, want mijns vaders volk werd altijd goed behandeld." + +"Ik heb eens een kerel getemd," zeide St. Clare, "aan wien al de +opzichters en meesters vruchteloos hunne krachten beproefd hadden." + +"Gij!" zeide Marie. "Nu, ik zou wel willen weten wanneer gij iets +van dien aard gedaan hebt." + +"Wel, hij was een sterke reusachtige kerel, een geboren Afrikaan, en +hij scheen in een buitengemeenen trap het ruwe instinct van vrijheid +in zich te hebben. Hij was een echte Afrikaansche leeuw. Men noemde +hem Scipio. Niemand kon iets met hem uitrichten; hij werd van den een +aan den ander overgedaan, tot eindelijk Alfred hem kocht, daar hij +dacht hem wel te kunnen regeeren. Maar eens gaf Scipio een opzichter +een slag zoodat deze neerviel, en liep toen naar de moerassen. Ik +was juist op Alfreds plantage te logeeren, want het was nadat wij de +compagnieschap ontbonden hadden. Alfred was geweldig verbolgen, maar +ik zeide hem dat het zijn eigen schuld was; ik wilde met hem wedden, +voor zooveel hij verkoos, dat ik den neger kon temmen; en eindelijk +werd er afgesproken, dat als ik hem ving, ik hem zou hebben om de proef +te nemen. Zij verzamelden zich dus in een troep van zes of zeven, met +honden en geweren voor de jacht. Men kan, zooals gij weet, evenveel +liefhebberij krijgen in het menschenjagen als in het hertenjagen, als +men er zich maar aan gewent; om de waarheid te zeggen, ik kwam zelfs +een weinig in vuur, hoewel ik slechts was medegegaan om eenigermate +tot onderhandelaar te dienen, ingeval hij gevangen werd. + +"Nu, de honden blaften en huilden en wij reden door dik en dun: +eindelijk joegen wij hem op. Hij liep en sprong als een reebok en +liet ons eerst ver achter, maar eindelijk raakte hij beklemd in een +ondoordringbaar rietbosch; toen keerde hij zich om en hield stand, en +ik kan u zeggen dat hij als een held tegen de honden vocht. Hij smeet +ze rechts en links van zich af en hielp er werkelijk drie van kant, +alleen met zijne bloote vuisten, tot een geweerschot hem weerloos +maakte en hij bloedend bijna voor mijne voeten neerviel. De arme +kerel zag naar mij op, met mannenmoed en wanhoop in zijne oogen. Ik +hield de honden en de troep van hem af, toen de anderen aankwamen, +en eischte hem op als mijn gevangene. Ik had moeite genoeg, om te +beletten, dat zij hem in het eerste gevoel van triomf doodschoten; maar +ik bleef op mijn recht staan en Alfred verkocht hem aan mij. Welnu, +toen nam ik hem onderhanden, en in veertien dagen had ik hem zoo tam +en gedwee gemaakt als men maar verlangen kon." + +"Wat in de wereld hebt gij dan met hem gedaan?" zeide Marie. + +"Wel, het was eene zeer eenvoudige manier van doen. Ik nam hem in +mijne eigene kamer, liet een goed bed voor hem maken, verbond zijne +wonden en paste hem zelf op tot hij weder op de been kwam. En na +verloop van tijd liet ik een vrijbrief voor hem opmaken en zeide hem +dat hij gaan kon waar hij wilde." + +"En ging hij?" vroeg Ophelia. + +"Neen. De malle kerel scheurde het papier in tweeën en weigerde ronduit +mij te verlaten. Ik heb nooit een braver en beter knecht gehad--zoo +handelbaar als staal. Hij omhelsde naderhand het christendom en +werd zoo zachtzinnig als een kind. Hij placht het opzicht te houden +over mijne plaats en hij deed dat uitmuntend. Ik verloor hem in den +eersten choleratijd of eigenlijk offerde hij zijn leven voor mij op; +want ik werd ziek, bijna doodziek, en toen de blinde angst iedereen +de vlucht deed nemen, werkte Scipio voor mij met reuzenkrachten en +hield hij mij inderdaad in het leven. Maar, arme kerel! hij werd +terstond daarop aangetast en hij was niet te redden. Ik heb nooit +iemands verlies zwaarder gevoeld." + +Eva was langzamerhand al dichter en dichter bij haren vader gekomen, +terwijl hij dit verhaalde, en staarde hem met geopende lippen en +strakke ernstige oogen aan. + +Toen hij zweeg sloeg zij eensklaps hare armen om zijnen hals en +barstte in een hartstochtelijk snikken en schreien uit. + +"Eva, kindlief, wat scheelt u?" zeide St. Clare, toen hij de teedere +leden van het meisje door hare heftige aandoening voelde schokken en +beven. "Zij moest nooit van zoo iets hooren," voegde hij er bij. "Zij +is zenuwachtig." + +"Neen, Papa, ik ben niet zenuwachtig," zeide Eva, zich plotseling +bedwingende met eene kracht van wil, die bij zulk een kind +verwonderlijk was. "Ik ben niet zenuwachtig, maar die dingen zinken +mij in het hart." + +"Wat meent gij daarmede, Eva?" + +"Dat kan ik u niet zeggen, Papa. Ik heb veel in mijne +gedachten. Misschien zal ik het u wel eens zeggen." + +"Wel, denk maar voort, liefje; als gij maar niet schreit en uw papa +ongerust maakt," zeide St. Clare. "Kijk eens hier, zie welk een mooie +perzik ik voor u heb." + +Eva nam de perzik en glimlachte, hoewel zich om haar mondje nog een +zenuwachtig trekken vertoonde. + +"Kom, laten wij eens naar de goudvischjes gaan zien," zeide St. Clare, +haar bij de hand nemende en naar het binnenplein gaande. Eenige +oogenblikken nog, en men hoorde een vroolijk gelach door de zijden +gordijnen, terwijl Eva en haar vader elkander met rozen gooiden en +langs de paden van het binnenplein naliepen. + + + +Er is gevaar, dat onze nederige vriend Tom onder de aangelegenheden +van hooger geborenen verwaarloosd zal worden, maar als de lezer ons +naar zijn woninkje boven den stal wil vergezellen, zal hij misschien +ook wel iets van zijne zaken vernemen. Het is een knappe kamer, met +een bed, een stoel en een tafeltje, waarop Toms Bijbel en gezangboek +liggen; en daar zit hij nu, met een lei voor zich, bezig met iets +dat hem veel inspanning en nadenken schijnt te kosten. + +De zaak was, dat Toms verlangen naar zijne achtergelaten betrekkingen +zoo sterk was geworden, dat hij Eva om een blad schrijfpapier had +gevraagd; en thans den geheelen kleinen voorraad van letterkennis +bijeenzamelende, dien hij door het onderwijs van Jongeheer George +verworven had, vatte hij het stoute voornemen op, om een brief te +gaan schrijven, en was hij nu bezig met op zijne lei het eerste +ontwerp daarvan te maken. Tom was in vrij groote verlegenheid, want +de fatsoenen van sommige letters had hij geheel vergeten, en van die +hij nog onthouden had, wist hij niet recht welke hij gebruiken moest; +en terwijl hij zoo werkte en door zijnen ijver zwaar ademhaalde, +wipte Eva als een vogeltje achter hem op de leuning van zijnen stoel +en bleef over zijnen schouder zitten kijken. + +"O, Oom Tom, welke grappige dingetjes maakt ge daar!" + +"Ik doe mijn best om aan mijne arme goede vrouw en mijne kleine +kindertjes te schrijven, Jongejuffrouw Eva," zeide Tom, met den rug +zijner hand zijne oogen afvegende; "maar ik vrees dat het toch niet +lukken zal." + +"Ik wou dat ik u helpen kon, Tom. Ik heb een beetje leeren +schrijven. Verleden jaar kon ik al de letters maken; maar ik vrees +dat ik het meest vergeten ben!" + +Zoo duwde Eva haar krulkopje dicht naast zijn hoofd en de twee begonnen +ernstig te beraadslagen, beiden even ijverig en omtrent even onkundig; +doch met veel overleggen en beraden van ieder woord begon het opstel +eigenlijk toch wezenlijk naar schrift te gelijken. + +"Ja, Oom Tom, nu begint het er waarlijk mooi uit te zien," zeide Eva, +er met verrukking naar turende. "Wat zal uwe vrouw blij zijn en uwe +arme kleine kinderen! O, het is schande dat gij ooit van hen vandaan +moest. Ik denk papa eens te vragen om u weder terug te laten gaan." + +"Mevrouw heeft gezegd dat zij het geld voor mij zal zenden, zoodra +zij het kan bijeenkrijgen," zeide Tom, "en ik verwacht ook dat zij +het doen zal. Jongeheer George heeft mij gezegd dat hij om mij komen +zou en hij heeft mij dezen dollar tot een teeken daarvan gegeven." + +En Tom vertoonde den kostbaren dollar. + +"O, dan zal hij zeker komen," zeide Eva. "Wat ben ik blij." + +"En ik wilde een brief zenden, weet ge, om haar te laten weten waar +ik ben, en de arme Chloe te zeggen, dat ik het goed heb, omdat zij +zoo schrikkelijk angstig was, arme ziel!" + +"Zeg eens, Tom," zeide de stem van St. Clare, die op dit oogenblik +de deur inkwam. + +Tom en Eva zagen beiden nu met zekeren schrik op. + +"Wat is dat hier?" zeide St. Clare naderkomende en de lei bekijkende. + +"O, dat is Tom zijn brief," zeide Eva. "Ik help hem daaraan +schrijven. Is het al niet mooi?" + +"Ik wil u geen van beiden den moed benemen," zeide St. Clare, "maar +ik geloof toch haast, Tom, het zou beter zijn als ge mij een brief +voor u liet schrijven. Ik wil het wel doen als ik van mijn rijtoertje +tehuis kom." + +"Het is van groot belang dat hij schrijft," zeide Eva, "want zijne +meesteres zal geld zenden om hem los te koopen, weet ge, Papa. Hij +heeft mij gezegd dat zij hem dit gezegd had." + +St. Clare hield dit bij zich zelven voor een van die dingen, welke +goedhartige eigenaars hunnen slaven zeggen om hun schrik voor het +verkocht worden te verminderen, zonder dat zij voornemens zijn om de +aldus opgewekte hoop te verwezenlijken. Hij zeide dit echter niet en +beval Tom slechts de paarden te laten voorbrengen om een rijtoertje +te doen. + +Dien avond werd er een behoorlijke brief voor Tom geschreven en op +de post bezorgd. + +Ophelia volhardde nog in haren arbeid als huishoudster; en in +het geheele huishouden, van Dina af tot den kleinsten jongen toe, +stemden allen daarin overeen, dat Juffrouw Ophelia "raar" was, eene +uitdrukking, waarmede de dienstboden in het Zuiden gewoon zijn aan +te duiden dat hunne meerderen hun niet recht naar den zin zijn. + +In den hoogsten huiselijken kring, die uit Adolf, Jane en Rosa bestond, +was men het eens dat zij geene _lady_ was--want _ladies_ werkten nooit +zooals zij deed--en dat zij volstrekt geen _air_ had, weshalve men zich +zeer verwonderde dat zij van de familie der St. Clares zou zijn. Zelfs +Marie verklaarde dat het wezenlijk vermoeiend was nicht Ophelia altijd +zoo druk bezig te zien, en inderdaad was Ophelia's vlijt zoo groot, +dat zij wel eenige reden gaf tot zulk een klacht. Zij naaide en stikte +voort, van den dageraad tot aan de avondschemering, met den ijver van +iemand die door eene dringende noodzakelijkheid wordt aangespoord, en +als dan het licht haar te flauw werd en het naaiwerk opgevouwen was, +kwam het altijd gereede breiwerk te voorschijn, en ging zij weder +haar gang met zooveel ijver als ooit. Het was werkelijk vermoeiend +haar te zien. + + + + + +TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + +TOPSY. + + +Op een ochtend, toen Ophelia druk aan hare huiselijke bezigheden was, +hoorde zij beneden aan de trap de stem van St. Clare die haar riep: + +"Kom eens hier beneden, Nicht! Ik heb u iets te laten zien." + +"Wat is het?" zeide Ophelia, met haar werk in de hand afkomende. + +"Ik heb iets voor u gekocht--kijk eens," zeide St. Clare, en met deze +woorden duwde hij een negermeisje van acht of negen jaren naar voren. + +Zij behoorde onder de zwartsten van haren stam, en hare ronde oogen, +die als glazen kralen glinsterden zwierven met snelle rustelooze +blikken over alles in den omtrek rond. Haar mond, half open van +verbazing over de wonderen in de woning van haren nieuwen meester, liet +twee rijen schitterend witte tanden zien. Haar gekroesd haar was in een +aantal korte staartjes gevlochten, die naar alle kanten uitstaken. De +uitdrukking van haar gezicht was eene zonderlinge mengeling van +schranderheid en loosheid, waarover op eene allervreemdste manier +als het ware een sluier van droevigen ernst en ootmoedigheid lag +gespreid. Zij had niets anders aan dan eene soort van hemd, van +paklinnen gemaakt en zeer vuil en gescheurd, en stond daar stijf en +stil, met gevouwen handen. Over het geheel was er iets zoo wonderlijks +en kabouterachtigs in haar voorkomen--iets zoo "heidensch" gelijk +Ophelia naderhand zeide, dat deze goede juffrouw er van schrikte, +en zich naar St. Clare keerende zeide zij: + +"Maar, Augustine, waarvoor in de wereld hebt gij dat schepsel toch +hier gebracht?" + +"Wel voor u, om het op te voeden en wat goeds van haar te maken. Ik +vond haar een tamelijk koddig staaltje van het negerras. Hier, +Topsy!" vervolgde hij, fluitende alsof hij een hond wilde waarschuwen +om op te passen, "laat ons een liedje van u hooren en uw dansen +eens zien." + +De zwarte oogen glinsterden op eene manier, die tegelijk iets koddigs +en iets akeligs had. Het kleine meisje hief met eene heldere, schelle +stem een koddig negerliedje aan, bracht op de maat daarvan handen +en voeten in beweging, draaide als een tol in het rond, klapte in +de handen, liet de knieën tegen elkander slaan, en perste al die +wonderlijke keelklanken uit haren gorgel, die de muziek van haar +geslacht onderscheiden; eindelijk deed zij een paar luchtsprongen, +en met een lang aangehouden slottoon, zoo onnatuurlijk schel als een +stoomfluitje, kwam ze met een bons op den vloer neer en bleef staan +met gevouwen handen en een gezicht, dat eene schijnheilige ernstigheid +en ootmoedigheid vertoonde, gelogenstraft door de looze blikken, +die zijwaarts uit hare half dichtgeknepen oogen schoten. + +Ophelia stond sprakeloos en verstijfd van verbazing. + +St. Clare, ondeugend als hij was, scheen zich met hare verbijstering +zeer te vermaken, en het kind wederom aansprekende, zeide hij: + +"Topsy, dit is uwe meesteres. Ik geef u nu aan haar over. Pas op, +dat gij u nu wel gedraagt." + +"Ja, meester," antwoordde Topsy met gehuichelden ernst, terwijl hare +ondeugend spotachtige oogen flikkerden. + +"Gij moet nu braaf oppassen; verstaat gij wel, Topsy?" + +"O ja, meester," antwoordde Topsy wederom met dien flikkerenden blik, +terwijl zij hare handen nog ootmoedig gevouwen hield. + +"Maar, Augustine, waar op de wereld moet dat nu voor dienen?" zeide +Ophelia. "Uw huis is al zoo vol van die kleine plaaggeesten, dat men +geen voet kan verzetten zonder op een te trappen. Als ik des morgens +opsta, vind ik er een achter de deur, een ander komt met zijn zwart +gezicht onder de tafel uitkijken en een derde ligt op de mat. Zij +maken kuren en grimassen tusschen de leuning van de trap, en rollen +in de keuken over elkander op den vloer; waartoe op de wereld brengt +gij er nu nog een mede?" + +"Voor u om op te voeden--heb ik u dat niet gezegd? Gij houdt gedurig +predikatiën over de opvoeding. Ik dacht u daarom eens een nog geheel +onopgevoed negerinnetje te moeten geven, om u uwe kunst te laten +beproeven en haar op te brengen gelijk het behoort." + +"Ik voor mij wil haar niet hebben. Ik heb al veel meer met negers te +doen, dan ik zou wenschen." + +"Zoo zijt gij, christenen! Gij wilt wel een genootschap oprichten en +een armen zendeling huren om zijn geheele leven onder zulke heidenen +te slijten; maar laat mij eens iemand van u zien, die er een in +zijn huis wil nemen en zelf den last en de moeite hebben van hem te +bekeeren. Neen, als het zoover komen zal, zijn zij te morsig en te +afzichtelijk; het is te veel zorg en zoo voort." + +"Augustine, gij weet wel dat ik het niet van dien kant heb beschouwd," +zeide Ophelia, blijkbaar zachter wordende. "Nu ja, het zou wel +wezenlijk een zendelingswerk kunnen zijn." En dit zeggende zag zij +het kind aan met een blik, die eenigszins gunstiger was. + +St. Clare had de rechte snaar geraakt. Ophelia's geweten was altijd +terstond wakker. "Maar," vervolgde zij evenwel, "ik begrijp toch +waarlijk niet dat het noodig was deze nog te koopen. Er zijn er al +genoeg in huis om zooveel tijd en bekwaamheid aan te besteden als ik +maar heb." + +"Welnu dan, Nicht," antwoordde St. Clare, haar ter zijde nemende, +"ik moet u eerst verschooning verzoeken voor mijne ondeugende +plagerijen. Gij zijt waarlijk zoo goed en braaf, dat zij volstrekt +niet te pas komen. De zaak is dan, dat dit slavinnetje aan een paar +dronken schepsels behoorde, die eene gemeene herberg houden, waar +ik dagelijks voorbij moet, en dat het mij verveelde haar te hooren +gillen als zij haar afrosten. Zij zag er ook schrander en geestig +uit, alsof er wel iets van haar gemaakt zou kunnen worden, en zoo +kocht ik haar en geef haar nu aan u. Beproef haar nu eens eene goede +orthodoxe Nieuw-Engelsche opvoeding te geven en zie wat gij zoo van +haar maken zult. Gij weet wel, ik heb voor zoo iets geen talent, +maar ik zou het u gaarne eens zien probeeren." + +"Welnu, ik zal doen wat ik kan," zeide Ophelia, en daarop naderde +zij haar nieuw pleegkind, ongeveer gelijk men zich verbeelden kan dat +iemand eens eene zwarte spin zou naderen, waarmede hij een welwillend +oogmerk had. + +"Zij is schrikkelijk morsig en half naakt," zeide zij. + +"Welnu, breng haar naar beneden en laten zij haar daar schoonmaken +en aankleeden." + +Ophelia bracht haar dus naar de keuken. + +"Ik begrijp niet waarom meester nog meer negers noodig heeft," zeide +Dina, het nieuwkoopje lang niet vriendelijk aanziende. "Ik wil haar +niet in den weg hebben; dat weet ik wel." + +"En laat zij mij ook maar uit den weg blijven," zeiden Jane en Rosa +met diepe minachting. "Om wat reden in de wereld meester nog meer +van die gemeene negers noodig heeft, kan ik niet zien." + +"Loopt heen! Niet meer negers dan gij zelven zijt, Miss Rosa," zeide +Dina hierop, die in dit laatste gezegde iets beleedigends voor haar +zelve vond. "Gij twee schijnt u zelven voor blanken te houden. Gij zijt +niemendal, niet zwart en niet blank. Ik ben liever een van beiden." + +Ophelia zag wel dat er niemand was die voor het reinigen en kleeden van +het nieuwkoopje zou willen zorgen; zij was dus genoodzaakt dit zelve +te doen, met eenige zeer onwillige en onvriendelijke hulp van Jane. + +Het zou niet voegen, beschaafde ooren de bijzonderheden van het +eerste toilet der mishandelde en verwaarloosde kleine te laten +hooren. Duizenden van menschelijke wezens moeten in deze wereld leven +en sterven in een staat, waarvan de beschrijving alleen de zenuwen +hunner medestervelingen te grooten schok zou geven. Miss Ophelia +bezat eene goede portie bruikbare zelfverloochening, en verrichtte +al het walgelijke harer taak met heldhaftige zorgvuldigheid, hoewel, +dit moet men ook zeggen, met geene groote vriendelijkheid--want +lijdzame volharding was het uiterste, waartoe haar plichtbesef haar +brengen kon. Toen zij echter op den rug van het kind groote striemen en +vereelte plekken zag, onuitwischbare teekenen van het stelsel waaronder +het tot dusverre was opgegroeid, werd haar hart week in haar binnenste. + +"Ziedaar!" zeide Jane, naar die litteekens wijzende. "Ziet men daaraan +al niet welk een kataas zij is! Wij zullen wat met haar te stellen +hebben, dat begrijp ik al. Ik heb een hekel aan zulke misselijke +"negerjongen!" Ik weet niet waarom meester dit gekocht heeft." + +Het bedoelde "negerjong" hoorde deze regelen aan met het treurig +ootmoedige gezicht, dat haar tot eene gewoonte scheen te zijn geworden, +en keek slechts nu en dan tersluiks met hare flikkerende oogen naar de +sieraden, die Jane in hare ooren droeg. Toen zij eindelijk voegzaam +was gekleed en hare haren kort afgeknipt waren, zeide Ophelia met +zekere tevredenheid, dat zij er nu wat christelijker uitzag, en begon +terstond te denken over de beste manier om haar te onderrichten. + +Zich voor het kind nederzettende, begon zij het te ondervragen. + +"Hoe oud zijt ge, Topsy?' + +"Weet niet, Juffrouw," antwoordde de kleine, met een grijns die al +hare tanden liet zien. + +"Weet ge niet hoe oud ge zijt? Heeft niemand u dat ooit gezegd? Wie +was uwe moeder?" + +"Nooit eene gehad," antwoordde het kind wederom grijnzende. + +"Nooit eene moeder gehad! Wat meent ge daarmede? Waar zijt ge dan +geboren?" + +"Ben nooit geboren," antwoordde Topsy nu met zulk een akeligen, +spookachtigen grijns, dat Ophelia, indien zij bijgeloovig en +zenuwachtig was geweest, zich wel had kunnen verbeelden dat zij een +zwart kabouterkind uit een andere wereld voor zich had; doch Ophelia +was noch bijgeloovig, noch zenuwachtig, maar wel voortvarend en +tamelijk kort van stof, en zeide dus eenigszins barsch: + +"Gij moet mij zoo geen antwoord geven, kind. Ik steek er den gek niet +mee. Zeg mij waar gij geboren zijt, en wie uw vader en moeder waren." + +"Ben nooit geboren," herhaalde het kind met nadruk, "heb nooit een +vader of moeder of iets gehad. Ik ben grootgebracht door een speculant, +met een troep anderen. Oude Tante Sue placht op ons te passen." + +Het kind sprak blijkbaar oprecht, en Jane zeide nu met een schamperen +lach: + +"Och Juffrouw, zoo zijn er hoopen. Speculanten koopen ze goedkoop +als ze klein zijn, en brengen ze groot voor de markt." + +"Hoelang zijt ge bij uwen laatsten meester geweest?" + +"Weet niet, Juffrouw." + +"Is het een jaar, of langer of korter?" + +"Weet niet, Juffrouw." + +"Och, Juffrouw, die gemeene negers kunnen dat niet zeggen, zij weten +van geen tijd," zeide Jane nu weder. "Zij weten niet wat een jaar is, +of hoe oud zij zijn." + +"Hebt gij nooit iets van God gehoord, Topsy?" + +Het kind keek verbijsterd, maar grijnsde volgens gewoonte. + +"Weet gij niet wie uw maker is?" + +"Niemand, zooveel ik weet," antwoordde het meisje met een lach. + +Zij scheen dien inval tamelijk grappig te vinden, want hare oogen +flikkerden, en zij vervolgde: + +"Ik denk dat ik gegroeid ben. Ik denk niet dat iemand mij gemaakt +heeft." + +"Kunt gij naaien?" zeide Ophelia nu, meenende dat het best zou zijn +hare vragen tot meer tastbare onderwerpen te beperken. + +"Neen, Juffrouw." + +"Wat kunt gij dan doen? Wat hebt gij voor uwen meester gedaan?" + +"Water gehaald, borden gewasschen, messen geslepen en de menschen +bediend." + +"Waren uw meester en uw meesteres goed voor u?" + +"Denk wel van ja," antwoordde het kind, Ophelia wantrouwig aanziende. + +Ophelia liet het gesprek steken en stond op. St. Clare was achter +haar gekomen. + +"Gij zult daar maagdelijken grond vinden, Nicht, om uwe denkbeelden +in te planten--gij zult er niet veel vinden die gij behoeft uit te +roeien," zeide hij. + +Ophelia's denkbeelden over de opvoeding waren, evenals al hare andere +denkbeelden, zeer bepaald en stellig. Over het geheel strookten zij met +die, welke honderd jaren geleden in Nieuw-Engeland in zwang waren en op +sommige afgelegen, onbedorven plekken, waar geene spoorwegen zijn, nog +bewaard worden. In zooverre zij onder woorden te brengen waren, kon dit +met weinige woorden geschieden: de meisjes te leeren opletten als haar +iets gezegd werd; ze den catechismus, naaien en lezen te leeren, en ze +de roede te geven als zij jokten; en hoewel men natuurlijk, bij den +vloed van licht die tegenwoordig de opvoedkunde beschijnt, thans ver +daar bovenuit is, kan men toch niet ontkennen, dat onze grootmoeders +onder dit _régime_ eenige tamelijk knappe mannen en vrouwen hebben +grootgebracht. Hoe dit ook zij, Miss Ophelia wist van niets anders, +en nam dus haar heidinnetje op die manier met allen ijver onderhanden. + +Het kind werd in het huishouden als hare meid beschouwd, en daar +het in de keuken met geene gunstige oogen werd aangezien, besloot +Ophelia haar kring van werkzaamheden en onderricht hoofdzakelijk +tot hare eigene kamer te beperken. Met eene zelfopoffering, welke +sommigen onzer lezeressen zullen weten te waardeeren, besloot zij, in +plaats van gerust haar eigen bed op te maken en hare eigene kamer te +stoffen--gelijk zij tot nog toe, met afwijzing van alle aangeboden +hulp der kamermeid van het huis, had gedaan--zich zelve tot het +martelaarschap te veroordeelen om Topsy in deze werkzaamheden te +onderrichten. Ontzettend besluit! Heeft iemand van onze lezeressen ooit +hetzelfde gedaan, dan zal zij de mate van Ophelia's zelfverloochening +wel kunnen beseffen. + +Miss Ophelia begon met Topsy op den eersten morgen naar hare kamer mede +te nemen, en deftig eene eerste les in de kunst van het bed-opmaken +te geven. + +Ziedaar dan Topsy, gewasschen en van al die gevlochten staartjes +beroofd, waarop zij zoo grootsch was, in eene schoone jurk gekleed +en met een welgesteven schortje voor, eerbiedig voor hare meesteres +staande, met een gezicht zoo ernstig alsof zij te begraven zou gaan. + +"Nu, Topsy, zal ik u wijzen hoe mijn bed wordt opgemaakt. Ik ben +zeer keurig op mijn bed en gij moet precies leeren hoe het gedaan +moet worden." + +"Ja, Juffrouw!" antwoordde Topsy nu, met een zwaren zucht en een +jammerlijk doch zeer ernstig gezicht. + +"Zie dan, Topsy, dat is de zoom van het laken--dit is de rechte kant +van het laken, en dit is de verkeerde. Zult gij dat onthouden?" + +"Ja, Juffrouw!" antwoordde Topsy met nog een zucht. + +"Welnu, het onderlaken moet gij over de peluw leggen--zóó, en glad +onder de matras steken--zóó. Ziet ge wel?" + +"Ja, Juffrouw!" antwoordde Topsy met ingespannen aandacht. + +"Maar het bovenlaken," vervolgde Ophelia, "moet zóó worden gelegd, +en glad en vast aan het voeteneinde worden ingestopt--zóó--de smalle +zoom aan het voeteneinde." + +"Ja, Juffrouw," antwoordde Topsy, evenals te voren; maar wij moeten +er bijvoegen dat Miss Ophelia niet zag, dat, terwijl de meesteres zich +omkeerde, de jeugdige leerling een paar handschoenen en een eind lint +had weggekaapt en behendig in hare mouwen gestopt, waarna zij weder +met ootmoedig gevouwen handen bleef staan. + +"Komaan dan, Topsy, laat ik het u nu eens zien doen," zeide Ophelia, +trok de lakens weder van het bed en zette zich neer. + +Met grooten ijver en even groote behendigheid maakte Topsy de +exercitie, tot Ophelia's volkomen tevredenheid; zij legde de lakens +behoorlijk te recht, streek elk rimpeltje glad, vertoonde bij dat alles +eene ernstigheid, waardoor hare onderwijzeres zeer gesticht werd. Maar +juist toen zij haast gedaan had, kwam door eene ongelukkige beweging +een eindje van het lint uit hare mouw kijken en viel Ophelia in het +oog. Dadelijk schoot zij er op toe. + +"Wat is dat?" zeide zij. "Gij ondeugend, goddeloos kind, dat hebt +gij gestolen!" + +Het lint werd uit Topsy's mouw gehaald en toch werd de kleine niet +het minste verlegen. Zij keek het aan met een gezicht vol onschuldige +verbazing. + +"Wel! Dat is een lint van Juffrouw Phelia--is het niet? Hoe kan dat +in mijne mouw komen?" + +"Jok maar niet, gij ondeugende meid. Gij hebt het gestolen." + +"O, Juffrouw, ik wil zweren van neen. Ik heb het nooit gezien dan nu +op het oogenblik." + +"Topsy," zeide Ophelia, "weet gij niet dat het liegen goddeloos is?" + +"Ik lieg nooit, Juffrouw Phelia," antwoordde Topsy met den ernst +der onschuld. "Het is zuivere waarheid wat ik u gezegd heb en niets +anders." + +"Topsy, ik zal de roe moeten krijgen als gij zoo liegt." + +"O Juffrouw, al woudt ge mij den heelen dag slaan, ik kan toch niet +anders zeggen," antwoordde Topsy, nu huilende. "Ik heb het daar nooit +gezien; het moet vanzelf in mijne mouw zijn gekomen. Juffrouw Phelia +zal het op het bed hebben gelaten, en zoo is het in de lakens gekomen, +en zoo in mijne mouw geraakt." + +Ophelia was zoo verontwaardigd over dit onbeschaamde liegen, dat zij +het kind bij de schouders greep en heftig schudde. + +"Zeg mij dat niet nog eens!" + +Het schudden deed de handschoenen uit de andere mouw op den grond +vallen. + +"Daar, gij--!" zeide Ophelia. "Zult ge mij nu nog zeggen dat gij het +lint niet gestolen hebt?" + +Topsy bekende zich nu schuldig aan de handschoenen maar wilde nog +niets van het lint weten. + +"Als gij nu maar alles bekent, Topsy," zeide Ophelia, "dan zult gij +voor dezen keer geen slaag krijgen." + +Aldus toegesproken, beleed Topsy het stelen van het lint en de +handschoenen, met jammerende betuigingen van boetvaardig berouw. + +"En zeg mij nog meer. Ik begrijp wel, dat gij nog andere dingen moet +weggenomen hebben, sedert gij in huis zijt, want ik heb u gisteren +den geheelen dag laten rondloopen." + +"Och, Juffrouw, ik heb dat roode dingetje van Jongejuffrouw Eva, +dat zij om haar hals heeft." + +"Hebt gij dat gedaan, ondeugend kind! Nu, en wat meer?" + +"Ik heb Rosa's oorbellen genomen--die roode." + +"Ga terstond alles hier halen." + +"Och, lieve Juffrouw, ik kan niet--het is verbrand." + +"Verbrand! Welk een verzinsel!--Breng alles hier, of ge zult slaag +hebben." + +Met luide betuigingen, tranen en zuchten verklaarde Topsy dat zij +dit niet doen kon. "Alles was verbrand--dat was het." + +"En waarom hebt gij dat goed verbrand?" zeide Ophelia. + +Juist op dat oogenblik kwam Eva zonder van iets te weten de kamer in, +met het koralen kettinkje om den hals. + +"Wel, Eva, hoe hebt gij dit kettinkje weergekregen?" zeide Ophelia. + +"Weergekregen?" zeide Eva. "Ik heb het den geheelen nacht omgehad. Ik +vergat het af te doen, toen ik naar bed ging." + +Ophelia keek geheel en al verbijsterd, des te meer daar Rosa een +oogenblik later binnenkwam, met een mandje pas gestreken goed in +balans op haar hoofd en de bewuste bellen in hare ooren. + +"Ik begrijp volstrekt niet meer hoe ik met dit kind aanmoet," zeide +zij wanhopig. "Waarom hebt gij mij gezegd, dat gij die dingen hadt +weggenomen, Topsy?" + +"Wel, Juffrouw," antwoordde Topsy, "omdat ik bekennen moest, en ik +kon niets anders bedenken om te bekennen." + +"Maar ik wilde natuurlijk niet dat gij die dingen bekennen zoudt, +die gij niet gedaan hadt," zeide Ophelia; "dat is evengoed liegen +als het andere." + +"Och, er is geen waarheid uit die meid te krijgen," zeide Rosa, +haar met verontwaardiging aanziende. "Als ik Mijnheer St. Clare was, +zou ik haar laten geeselen tot het bloed er bij neerliep. Ik zou haar +in eens genoeg geven." + +"Neen, neen, Rosa," zeide Eva hierop, met de gebiedende houding, +welke het kind somtijds kon aannemen. "Gij moet zoo niet spreken. Dat +kan ik niet hooren." + +"Och, Jongejuffrouw Eva, gij zijt al te goed; gij weet niet hoe men +met negers moet omgaan. Er zit niets op dan ze goed af te zweepen, +dat zeg ik u." + +"Stil, Rosa; laat mij geen woord meer zoo hooren," zeide Eva, met +flikkerende oogen en een hoogere kleur op de wangen. + +Rosa was terstond uit het veld geslagen. + +"Zij heeft het echte bloed der St. Clare's, dat is duidelijk. Zij +kan eveneens spreken als haar papa," prevelde zij, de kamer uitgaande. + +Eva bleef Topsy aanzien. + +Daar stonden de twee kinderen, die de uitersten der maatschappij +vertegenwoordigden. Het blanke, beschaafde, welopgevoede kind, +met hare gouden lokken, haar zielvolle oogen, haar edel voorhoofd +en vorstelijke houding, en hare zwarte, doortrapte, kruipende, maar +toch schandere geburin. Daar stonden zij, elk als vertegenwoordigster +van haren stam; de Sakser, uit eeuwen van beschaving, heerschappij, +opvoeding, lichamelijke en zedelijke meerderheid gesproten; de +Afrikaan, uit eeuwen van onderdrukking, slavernij, onkunde, arbeid +en ondeugd geboren. + +Dergelijke gedachten vlogen Eva misschien door het hoofd. Maar +de gedachten van een kind zijn veeleer flauwe, onduidelijke +gewaarwordingen, en in Eva's edel gemoed lagen vele van dien aard +verscholen, waaraan zij geene woorden kon geven. Toen Ophelia over +Topsy's slechtheid en goddeloosheid uitweidde, keek Eva verbijsterd +en droevig, en eindelijk zeide zij vriendelijk: + +"Arme Topsy, wat behoeft gij te stelen? Er zal nu goed voor u gezorgd +worden, en ik wil u liever alles van mij geven dan dat gij het van +mij steelt." + +Dit waren de eerste vriendelijke woorden, die het negerkind ooit in +haar leven had gehoord; de zachte toon maakte een vreemden indruk op +het wilde, ruwe hart, en iets dat naar een traan geleek blonk in de +ronde, glinsterende oogen, maar werd terstond door een korten lach +en den gewonen grijns gevolgd. Het oor, dat nooit iets anders dan +scheldwoorden heeft gehoord, is verbazend ongeloovig voor iets dat +zoo hemelsch is als vriendelijke goedheid; en Topsy vond Eva's gezegde +alleen iets grappigs en onverklaarbaars, maar zij geloofde er niet aan. + +Doch wat moest er met Topsy gedaan worden? Ophelia vond de zaak +bedenkelijk; hare regelen van opvoeding schenen hier van geene +toepassing te kunnen zijn. Zij wilde tijd nemen om er over te denken, +en om tijd te winnen, en tevens met zeker vertrouwen op de zedelijke +kracht, welke men aan donkere kasten toeschrijft, sloot zij Topsy +in zulk een donkere kast op, tot zij het met zich zelve eens zou +zijn geworden. + +"Ik begrijp niet," zeide zij tot St. Clare, "hoe ik met dat kind zal +te recht komen zonder haar slaag te geven." + +"Wel, geef haar dan slaag naar hartelust. Ik laat u de volle macht +om te doen wat gij wilt." + +"Kinderen moeten altijd slaag hebben," hervatte Ophelia. "Ik heb +nooit gehoord dat iemand er een zonder slaag had grootgebracht." + +"Doe wat u het best voorkomt," antwoordde St. Clare, "maar laat ik +ééne aanmerking mogen maken. Ik heb dit kind zien slaag geven met +pook, tang of aschschop, wat maar het eerst ter hand kwam, en daar +zij aan die manier van doen gewoon is, zal uw "slaag geven" tamelijk +krachtig moeten zijn, om veel indruk te maken." + +"Wat is er dan aan te doen?" vroeg Ophelia. + +"Daar hebt gij een ernstige vraag opgeworpen, die ik wel wenschte +door u beantwoord te zien," antwoordde St. Clare. "Wat is er te doen +met een menschelijk wezen, dat alleen door de zweep kan geregeerd +worden, wanneer de zweep niet meer baat?--een zeer gewone staat van +zaken hier." + +"Ik moet zeggen dat ik het niet weet, en dat ik nog nooit zulk een +kind gezien heb." + +"Zulke kinderen zijn zeer gewoon bij ons, en zulke mannen en vrouwen +ook. Hoe moeten zij geregeerd worden?" zeide St. Clare. + +"Het is waarlijk meer dan ik zeggen kan," antwoordde Ophelia. + +"Ik weet het ook niet," hervatte St. Clare. "De afschuwelijke +wreedheden, die nu en dan in de couranten komen--gelijk dat geval +van Prue bij voorbeeld--waaruit ontstaan zij? In vele gevallen uit +eene langzame verharding aan beide zijden, daar de meester hoe langer +hoe wreeder wordt, naarmate de slaaf harder wordt. Slagen en kwade +woorden gelijken naar opium; men moet de dosis vergrooten, naarmate het +gevoel afslijt. Ik zag dit zeer spoedig, toen ik slaveneigenaar was +geworden, en ik nam mij voor om nooit te beginnen, omdat ik dan niet +wist, waar ik zou moeten ophouden; ik besloot ten minste mijn eigen +zedelijk karakter te beschermen. Het gevolg is, dat mijne bedienden +zich gedragen als bedorven kinderen; maar ik acht dit beter dan dat +wij beiden gebrutaliseerd worden. Gij hebt veel gesproken, Nicht, +over onze verantwoordelijkheid om onze slaven op te voeden, en ik +wenschte inderdaad dat gij het eens woudt beproeven met één kind, +dat een staaltje is van duizenden onder ons." + +"Het is uw stelsel, dat zulke kinderen maakt," zeide Ophelia. + +"Dat weet ik wel; maar zij zijn nu gemaakt--zij bestaan, en wat is +er nu met hen te doen?" + +"Wel, ik kan niet zeggen dat ik u dankbaar ben voor die +proefneming. Maar daar het een plicht schijnt te zijn, zal ik volharden +en mijn best doen," zeide Ophelia, en deed ook verder haar best +met hoogst loffelijken ijver, en stipte nauwgezetheid. Zij bepaalde +geregelde uren van onderricht en werken voor Topsy, en ondernam ook +haar te leeren lezen en naaien. + +In de eerste kunst vorderde het meisje vlug genoeg. Zij leerde de +letters als door tooverij en was spoedig in staat om een eenvoudig +boek te lezen; maar met het naaien was de zaak moeielijker. Het +schepseltje was zoo vlug als eene kat, en het stilzitten was haar +allerhatelijkst. Zij brak dus telkens hare naalden, wierp ze stil het +venster uit of in een donkeren hoek; en zij maakte haar garen vuil, +of maakte behendig een geheele streng weg. Hare bewegingen waren +zoo snel, als die van een goochelaar, en zij kon haar gezicht ook +evengoed in bedwang houden, zoodat Ophelia, hoewel zij niet nalaten +kon te vermoeden, dat zoovele ongelukken achtereen niet bij toeval +konden gebeuren, haar toch niet betrappen kon, of zij had tot eene +waakzaamheid moeten besluiten, die haar tot niets anders tijd zou +hebben gelaten. + +In huis was Topsy spoedig een gewichtig persoontje. Haar talent +voor allerlei soorten van potsen, grimassen en kuren--voor het +dansen, buitelen, klauteren, zingen, fluiten en nabootsen van +allerlei geluiden--scheen onuitputtelijk te zijn. In hare speeluren +had zij altijd al de andere kinderen van het huis om zich heen, +die haar met verbazing en bewondering aangaapten, zelfs de kleine +Eva niet uitgezonderd, die door hare wilde kuren scheen te worden +aangelokt, gelijk eene duif somtijds door eene glinsterende slang +wordt bekoord. Ophelia maakte er zich ongerust over, dat Eva zooveel +behagen had in Topsy's gezelschap, en drong er bij St. Clare op aan +om zijn dochtertje dit te verbieden. + +"Och, laat het kind maar begaan," zeide St. Clare. "Topsy's gezelschap +zal haar goeddoen." + +"Maar zulk een ondeugend kind! Zijt ge niet bang dat zij haar kwaad +zal leeren?" + +"Zij kan haar geen kwaad leeren. Andere kinderen mag zij het kunnen +doen, maar het kwaad loopt langs Eva's gemoed af, gelijk de dauw van +een koolblad--geen droppel trekt er in." + +"Wees maar niet al te gerust," zeide Ophelia. "Ik weet wel dat ik +nooit een kind van mij met Topsy zou laten spelen." + +"Wel, uwe kinderen behoeven dit niet," antwoordde St. Clare, "maar +het mijne mag wel. Als Eva bedorven had kunnen worden, zou het al +voor jaren gebeurd zijn." + +Topsy werd door de hoogere bedienden eerst veracht en gesmaad; maar +weldra vonden zij reden om van meening te veranderen. Men ontdekte +zeer spoedig dat wie Topsy eenige minachting toonde, zeker was kort +daarop door eene of andere onaangenaamheid te worden getroffen--een of +ander geliefkoosd sieraad werd vermist, of een voorwerp van kleeding +geheel bedorven gevonden, of de schuldige struikelde ongelukkig over +een emmer heet water, of een stortbui van gootwater overstelpte hem +op eene onverklaarbare manier, als hij juist in staatsie gekleed was; +en als men bij zulke gelegenheden onderzoek deed, kon de oorzaak van +het gebeurde nooit ontdekt worden. Topsy werd er voor gehouden, en +dikwijls voor alle gezagvoerende personen ter verantwoording geroepen, +maar altijd stond zij haar verhoor met stichtelijke onnoozelheid +door. Niemand twijfelde er aan wie al dat kattekwaad uitrichtte, +maar geen schijn van bewijs kon ooit gevonden worden ter bevestiging +van het vermoeden, en Ophelia was te rechtvaardig om zonder bewijs +te willen straffen. + +Daarbij kwam dat de tijd voor dat kattekwaad altijd zoo gekozen was, +dat de schuldige daardoor nog meer werd beschermd. Zoo werd om op +Rosa en Jane, de twee kamermeiden, wraak te nemen, altijd een tijd +gekozen, wanneer zij, gelijk niet zelden gebeurde, bij hare meesteres +in ongenade waren, en dan vonden hare klachten natuurlijk geen +gehoor. Kortom, Topsy deed het huishouden spoedig begrijpen, dat het +raadzaam was haar met vrede te laten, en men liet haar dus met vrede. + +Topsy was handig in alles wat met handen kon gedaan worden, en leerde +alles wat men haar voordeed met verbazende vlugheid. In weinige +lessen had zij Ophelia's kamer in orde leeren brengen op eene manier, +waarop zelfs deze keurige dame niets kon aanmerken. Niemand kon beter +het bed opmaken, de kamer stoffen, en alles ordelijker opruimen dan +Topsy, wanneer zij dit verkoos--maar zeer dikwijls verkoos zij het +niet. Wanneer Ophelia, na drie of vier dagen achtereen alles zorgvuldig +te hebben nagezien, zich verbeeldde dat Topsy zich eindelijk hare +manieren had aangewend en nu zonder toezicht haar gang kon gaan, zoodat +zij in dien tijd iets anders kon gaan doen, hield Topsy een of twee +uren lang een carnaval op hare eigene manier. In plaats van het bed op +te maken, trok zij de kussensloopen er af, en liep met haar kroeskop +storm op de kussens, tot zij somtijds overal met veeren was versierd, +die haar in het haar waren blijven zitten; zij klom tegen de stijlen +van het ledikant op en liet zich met het hoofd omlaag van den hemel +afhangen; zij spreidde lakens en dekens over den vloer uit, kleedde +de peluw in Miss Ophelia's nachtgoed en speelde daarmede eene soort +comedie, zingende, fluitende en in den spiegel grimassen makende; zij +maakte kortom, gelijk Ophelia het uitdrukte, een beestachtigen boel. + +Eens vond zij Topsy met haar beste krippen sjaaltje als een tulband +om het hoofd gewonden en zoo voor den spiegel repetitie houdende, +daar Ophelia, met eene bij haar voorbeeldelooze onbedachtzaamheid, +den sleutel op eene lade had laten steken. + +"Topsy," zeide zij dan wel eens, als haar geduld ten einde was, +"waarom doet gij dit toch?" + +"Weet niet, Juffrouw--ik denk omdat ik zoo ondeugend ben." + +"Ik weet geheel niet meer wat ik met u doen zal, Topsy." + +"Och, Juffrouw, gij moet me slaag geven. Mijne oude meesteres gaf mij +altijd slaag. Ik ben niet gewoon te werken als ik geen slaag krijg." + +"Maar ik wil geen slaag geven, Topsy. Gij kunt heel goed uw werk doen, +als gij maar wilt. Waarom wilt gij dan niet?" + +"Och, Juffrouw, ik ben gewoon aan slaag. Ik geloof dat het goed voor +mij is." + +Ophelia beproefde het recept, en Topsy maakte altijd eene geweldige +opschudding, gillende, kermende en jammerende; hoewel zij een half uur +later, als zij onder "het jonge goed" zat, met de ontvangen kastijding +den gek stak. + +"Och, Miss Phelia slaag geven! Haar slaan zou geen vlieg doodslaan. Zij +had eens moeten zien, hoe mijne oude meesteres er de lappen deed +afvliegen; die kon anders slaag geven!" + +Topsy roemde altijd op hare zonden en misdrijven, en hield deze +blijkbaar voor iets, dat haar eene bijzondere onderscheiding verleende. + +"Gij negers," zeide zij wel eens tot hare toehoorders, "weet gij wel +dat gij allen zondaars zijt? Ja, dat zijt gij, allemaal, een voor +een. En de blanken zijn ook zondaars--dat zegt Miss Phelia; maar ik +geloof dat negers toch de grootste zijn--en, och, gij allemaal haalt +nog niet bij mij. Ik ben zoo geducht ondeugend, dat niemand iets met +mij kan uitrichten. Ik placht mijne oude meesteres den halven dag op +mij aan het vloeken te houden. Ik denk wel dat ik het ondeugendste +schepsel op de wereld ben." + +En dan maakte zij een luchtsprong en klauterde nog hooger op een hek +of boom, blijkbaar grootsch op hare onderscheiding. + +Ophelia maakte er des Zondags ernstig werk van om Topsy den catechismus +te laten leeren. Topsy had een buitengemeen goed geheugen voor woorden, +en leerde met eene vlugheid van buiten, waardoor hare onderwijzeres +zeer werd aangemoedigd. + +"Welk goed denkt gij toch dat dit haar doen zal?" zeide St. Clare eens. + +"Wel, het heeft kinderen altijd goed gedaan. Het is iets dat kinderen +behooren te leeren," antwoordde Ophelia. + +"Of zij het verstaan of niet?" zeide St. Clare. + +"O, kinderen verstaan het nooit op dien tijd; maar als zij groot +worden, leeren zij er waarde aan hechten." + +"Ik heb dat nog niet geleerd," zeide St. Clare, "hoewel ik getuigen +kan, dat gij mij dat alles trouw hebt ingeprent, toen ik een kleine +jongen was." + +"Ja, gij hebt altijd goed geleerd, Augustine. Ik placht groote hoop +van u te hebben," zeide Ophelia. + +"En hebt gij die nu niet meer?" + +"Ik wenschte dat gij nog waart wat gij als kind geweest zijt, +Augustine." + +"Dat wenschte ik waarlijk ook, Nicht," zeide St. Clare. "Nu, ga maar +voort en leer Topsy den catechismus. Misschien zult gij nog iets van +haar maken." + +Topsy, die onder dit gesprek met ootmoedig gevouwen handen als +een zwart standbeeld was blijven staan vervolgde nu op een wenk +van Ophelia: + +"Onze eerste ouders, overgelaten zijnde aan de vrijheid van hunnen +eigen wil, vielen uit den staat waarin zij geschapen waren." + +Topsy's oogen flikkerden en zij zag Ophelia vragend aan. + +"Wat is er?" zeide deze. + +"Als je blieft, Juffrouw, was dat de staat Kentucky?" + +"Welke staat, Topsy?" + +"Die staat waaruit zij vielen. Ik placht meester te hooren zeggen, +dat wij uit Kentucky gekomen waren." + +St. Clare lachte. + +"Gij zult haar eene meening moeten geven, of zij zal er eene maken," +zeide hij. "Er schijnt hier van eene theorie van volksverhuizing +gesproken te worden." + +"O, Augustine, zwijg toch!" zeide Ophelia. "Hoe kan ik iets doen als +gij er om lacht." + +"Welnu, ik zal uwe lessen niet meer storen, dat beloof ik u," +zeide St. Clare en ging met zijne courant naar het venster, waar +hij bleef zitten tot Topsy hare lessen had opgezegd. Dit ging alles +zeer wel, behalve dat zij nu en dan eenige gewichtige woorden op +eene wonderlijke manier verplaatste en bij die verkeerde lezingen +bleef, in spijt van alle pogingen om haar beter te leeren. Ondanks +zijne belofte, kon St. Clare niet nalaten in deze vergissingen een +ondeugend vermaak te stellen, en somtijds Topsy bij zich te roepen, +om haar, in spijt van Ophelia's tegenstribbelen, de aanstootelijkste +plaatsen nog eens te laten herhalen. + +"Hoe denkt gij, dat ik iets met het kind doen kan, als gij zoo wilt +voortgaan, Augustine?" zeide zij dan. + +"Ja, het is te erg, ik zal het niet weer doen. Maar ik hoor zoo graag +zulk een koddig klein ding over die groote woorden struikelen." + +"Maar gij bevestigt haar dan in de verkeerde manier." + +"En wat verscheelt dat? Het eene woord is voor haar evengoed als +het andere." + +"Gij wilt, dat ik haar goed zal opbrengen; en gij behoort te bedenken, +dat zij een redelijk wezen is, en tevens toe te zien welken invloed +gij op haar uitoefent." + +"Akelige ernstigheid! Dat behoorde ik ook. Maar gelijk Topsy zelve +zegt: 'Ik ben zoo ondeugend.'" + +Ongeveer op dezelfde wijs werd Topsy's opvoeding een paar jaren +voortgezet. Ophelia liet zich dagelijks door haar kwellen, als door +eene soort van slepende kwaal, aan welker overlast zij door den +tijd gewoon werd, evenals menschen somtijds aan hoofdpijn of iets +anders gewoon worden. St. Clare had in het kind dezelfde soort van +vermaak, als een ander somtijds in potsen van een hond of papegaai +heeft. Wanneer Topsy door hare zonden elders in ongenade viel, +nam zij altijd de wijk achter zijnen stoel en dan maakte St. Clare +op een of andere manier vrede voor haar. Van hem kreeg zij dikwijls +wat klein geld, dat zij aan noten en kandijklontjes besteedde, welke +zij met zorgelooze mildheid aan al de kinderen in huis uitdeelde, +want Topsy, om haar recht te doen, was goedhartig en vrijgevig, en +alleen uit zelfverdediging boosaardig. Zij is nu voorgoed onder ons +_corps de ballet_ opgenomen en zal van tijd tot tijd op hare beurt +onder de anderen vertooners figureeren. + + + + + +EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + +KENTUCKY. + + +Onze lezers zullen wel niet ongenegen zijn om nog eens voor een korten +tijd de woning van Oom Tom op het landgoed in Kentucky te bezoeken, +en te zien wat er is omgegaan onder hen, die hij heeft achtergelaten. + +Het was laat in den zomernamiddag, en de deuren en venters der +ruime voorkamer stonden alle open, om ieder zwervend koeltje, dat +zoo goed mocht willen zijn om binnen te komen, den vrijen toegang +te laten. Mr. Shelby zat in het ruime voorhuis, dat aan de kamer +grensde, en dat verder door het geheele huis doorloopende aan beide +einden op een balkon uitkwam. Op zijn gemak achterover op een stoel +leunende met de voeten op een anderen, rookte hij na den maaltijd +een sigaar. Mevrouw Shelby zat in de deur, bezig met fijn naaiwerk; +en haar gezicht stond als dat van iemand, die iets op het gemoed +heeft en gelegenheid zoekt om daarvan te spreken. + +"Weet ge al," zeide zij eindelijk, "dat Chloe een brief van Tom +heeft gekregen?" + +"Zoo, heeft zij dat? Tom heeft daar een vriend gekregen, naar het +schijnt. Hoe gaat het nu met hem?" + +"Hij is in eene zeer aanzienlijke familie gekomen, zou ik denken, +wordt goed behandeld en heeft niet veel te doen." + +"Wel zoo, daar ben ik blij om, zeer blij," zeide Shelby hartelijk. "Tom +zal, denk ik, nu wel met het Zuiden verzoend zijn, en niet eens +verlangen om weer hier te komen." + +"Integendeel," antwoordde Mevrouw Shelby, "hij vraagt dringend wanneer +er geld zal zijn om hem terug te koopen." + +"Ik moet zeggen, ik weet het niet," zeide Shelby. "Als eens iemands +zaken verkeerd gaan loopen, schijnt er geen veranderen meer aan te +zijn. Het is alsof men door een moeras gaande, van den eenen plas +in den anderen springt; van den een leenen om den ander te betalen, +en dan weer van den ander leenen om den eerste te betalen en dan +die verduivelde wissels! die vervallen eer men tijd heeft om er +aan te denken--en maanbrieven en maanboodschappen--altijd gejaagd +en verlegen!" + +"Het komt mij toch voor, lieve, dat er iets zou kunnen gedaan worden, +om de zaken in het effen te brengen. Als wij eens al de paarden en +eene van de hoeven verkochten, en alle schulden afdeden." + +"O, belachelijk! Emily, gij zijt de knapste vrouw in Kentucky, maar +gij hebt toch geen verstand genoeg om te weten dat ge geen begrip +van zaken hebt; dat hebben vrouwen nooit en kunnen zij nooit." + +"Maar kondt ge mij ten minste niet eenig inzicht in de uwe +geven?" hervatte Mevrouw Shelby;--"eene lijst van al uwe schulden +ten minste, en van al wat men u schuldig is, en mij laten beproeven +of ik u niet kan helpen bezuinigen?" + +"Och, plaag mij niet, Emily. Ik kan dat zoo niet recht zeggen. Ik weet +wel nagenoeg hoe het waarschijnlijk loopen zal; maar ik kan mijne +zaken niet zoo netjes afpassen, als Chloe hare taartkorst. Gij weet +niet van handelszaken af, zeg ik u." + +En niet wetende hoe anders nadruk aan zijne woorden te geven, verhief +Shelby zijne stem--een zeer gemakkelijk overtuigend bewijsmiddel, +als iemand met zijne vrouw over geldzaken spreekt. + +Met iets dat naar een zucht geleek, staakte Mevrouw Shelby het +gesprek. De zaak was, dat zij, hoewel zij gelijk haar man gezegd +had een vrouw was, toch in helderheid van verstand en doorzicht, en +in kracht van karakter haren man ver te boven ging, zoodat het niet +zoo ongerijmd zou zijn geweest, als Mr. Shelby meende, indien men +haar in staat had geacht om over handelszaken mede te spreken. Haar +hart was er op gezet om hare belofte aan Tom en Chloe te vervullen, +en zij zuchtte dewijl het uitzicht daarop gedurig flauwer werd. + +"Maar denkt gij niet, dat wij op eene of andere manier het geld konden +opbrengen? Die arme Tante Chloe! Zij heeft er haar hart zoo op gezet." + +"Het spijt mij als het zoo is. Ik denk dat ik met die belofte wat +haastig ben geweest. Ik twijfel er nu aan, of het niet best is dat +maar aan Chloe te zeggen, zoodat zij er zich naar voegen kan. Tom +zal over een jaar of twee wel eene andere vrouw hebben, en zij zou +best doen, ook maar iemand anders te nemen." + +"Mijnheer Shelby! ik heb mijn onderhoorigen geleerd, dat het huwelijk +voor hen even heilig is als voor ons. Ik zou er nooit aan kunnen +denken om Chloe zulk een raad te geven." + +"Het is jammer vrouw, dat gij hen met eene moraliteit boven hunnen +staat en hunne vooruitzichten hebt bezwaard. Dat heb ik altijd +gevonden." + +"Het is niets anders dan de moraliteit van den Bijbel." + +"Och kom, Emily, ik wil uwe godsdienstige begrippen niet aantasten, +maar zij komen mij alleen voor menschen in dien staat zeer ongeschikt +voor." + +"Dat zijn zij ook inderdaad," zeide Mevrouw Shelby, "en daarom is +het, dat ik de geheele slavernij van ganscher harte haat. Ik zeg u, +lieve man, ik kan mij zelve niet vrijspreken van de belofte, die ik +aan die arme menschen gegeven heb. Als ik het geld op geene andere +manier kan bekomen, zal ik muzieklessen aannemen. Ik weet dat ik er +genoeg zou kunnen krijgen en zoo zelve het geld verdienen." + +"Gij zoudt u toch zoo niet willen vernederen, Emily? Daarin zou ik +nooit kunnen toestemmen." + +"Vernederen! Zou het mij meer vernederen dan mijn woord aan die arme +lieden te breken? Neen, waarlijk niet." + +"Nu ja, gij zijt altijd heroïsch," zeide Shelby; "maar mij dunkt, gij +moest toch liever nog eens nadenken, eer gij zulk eene Donquichoterie +onderneemt." + +Hier werd het gesprek gestoord door de verschijning van Tante Chloe +aan het eind der veranda. + +"Wel Chloe, wat is het?" zeide hare meesteres, opstaande en haar +tegemoet gaande. + +"Ik wou vragen of Mevrouw eens naar de kippen wou komen zien." + +Mevrouw Shelby glimlachte toen zij zag met welk een ernstig gezicht +Chloe haar eenige geslachte hoenders wees. + +"Ik had gedacht of Mevrouw een hoenderpastei daarvan wou gemaakt +hebben." + +"Inderdaad, Tante Chloe; het kan mij niet veel schelen. Maak ze maar +klaar zooals gij zelve wilt." + +Chloe bleef de hoenders verstrooid bekijken en betasten; het was +duidelijk, dat zij niet aan dat gevogelte dacht. Eindelijk zeide +zij, met dien korten lach, welken lieden van haren stand dikwijls +tot inleiding van een voorstel bezigen, aan welks goede opname zij +twijfelen: + +"Och, Mevrouw, wat zouden meester en mevrouw zich kwellen over het +geld, en niet gebruiken wat zij zoo goed als in de handen hebben?" En +Chloe lachte weder. + +"Ik begrijp u niet, Chloe," zeide Mevrouw Shelby, niet twijfelende of +de negerin had het geheele gesprek tusschen haar en haren echtgenoot +gehoord. + +"Wel, och, Mevrouw," zeide Chloe, alweder lachende, "andere menschen +verhuren hunne negers en trekken daar geld van. Zij houden zulk een +troep niet om hun de ooren van het hoofd te eten." + +"Wel, Chloe, wien denkt gij dan dat wij moesten verhuren?" + +"O, ik denk niets, maar Sam zeide dat er te Louisville een banketbakker +was, die zeide dat hij iemand noodig had, die knap was voor koek- +en pasteiwerk, en zeide dat hij vier dollars in de week voor zoo +iemand zou willen geven--dat deed hij." + +"Welnu dan, Chloe." + +"Wel, Mevrouw, ik had gedacht dat het haast tijd werd om Sally hier aan +het werk te zetten. Sally is nu al een heelen tijd onder mij geweest, +en het meeste doet zij haast evengoed als ik; en als Mevrouw mij dan +wilde laten gaan, zou ik helpen om het geld op te brengen. Ik ben +niet bang om mijne koeken en pasteien naast die van een banketbakker +te zetten." + +"Maar, Chloe, zoudt gij dan uwe kinderen willen verlaten?" + +"Och, Mevrouw, de jongens zijn groot genoeg om dagwerk te doen, met +hen zal het wel schikken en Sally zal op het kleintje passen--het is +zulk een schrander kind, dat men er haast niet naar behoeft te zien." + +"Louisville is tamelijk ver weg." + +"O, Mevrouw, wie is daar bang voor? Het is de rivier af, dichter +bij mijn man misschien?" zeide Chloe vragenderwijs en daarbij hare +meesteres aanziende. + +"Neen, Chloe, het is nog vele honderden mijlen van hem af." + +Chloe's gezicht betrok. + +"Maar laat dat u niet spijten. Dat gij daarheen gaat, zal u toch +dichter bij hem brengen. Ja, gij kunt gaan, en uw loon zal tot den +laatsten cent toe worden weggelegd, om uw man los te koopen." + +Evenals wanneer een heldere zonnestraal eene donkere wolk verzilvert, +zoo helderde Chloe's gezicht dadelijk op; het blonk inderdaad. + +"O, als Mevrouw niet haast al te goed is! Dat was het juist, waaraan +ik dacht; omdat ik dan geene kleeren of schoenen of iets zou noodig +hebben. Ik zou elken cent kunnen bewaren. Hoeveel weken zijn er in +het jaar, Mevrouw?" + +"Twee en vijftig." + +"Wel, zijn er zooveel? En vier dollars in elke week. Hoeveel zou dat +wel wezen?" + +"Tweehonderd en acht dollars." + +"He!" zeide Chloe op een toon van verbazing en blijdschap. "En hoelang +zou ik werk hebben om alles te verdienen, Mevrouw?" + +"Tusschen de vier en vijf jaren, Chloe. Maar gij behoeft alles niet +alleen te doen; ik zal er ook wat bijleggen." + +"Neen, ik zou er niet van willen hooren, dat Mevrouw lessen gaf of +zoo iets. Meester heeft daarin groot gelijk, dat zou geheel niet +aangaan. Ik hoop dat niemand van de familie zoover komen zal, terwijl +ik nog handen aan het lijf heb." + +"Wees maar niet bang, Chloe. Ik zal wel voor de eer der familie +zorgen," antwoordde Mevrouw Shelby met een glimlach. "Maar wanneer +zoudt gij denken te gaan?" + +"Wel, ik had niets gedacht; maar Sam gaat met eenige veulens naar +de rivier en hij zeide dat ik met hem mee kon gaan, en zoo heb +ik mijn goed maar bijeen gepakt. Als Mevrouw het goedvond, zou ik +morgenochtend met Sam gaan, als Mevrouw een pas en recommandatie voor +mij wilde schrijven." + +"Wel, Chloe, ik zal er om denken, als Mr. Shelby er niet tegen +heeft. Ik moet er eerst met hem over spreken." + +Mevrouw Shelby ging naar boven, en Chloe liep vol blijdschap naar +hare woning, om verdere toebereidselen te maken. + +"Wel, Jongeheer George, weet gij dan niet dat ik morgen naar Louisville +ga?" zeide zij, toen George de hut binnenkwam en haar met de kleertjes +van haar jongste kind bezig vond. "Ik moest dat goedje toch nog wat +nazien. Maar ik ga, Jongeheer George, en ik zal vier dollars in de +week krijgen, en Mevrouw zal alles bewaren, om mijn goeden man terug +te koopen." + +"Hoezee!" riep George uit. "Dat is goed overlegd! En wanneer gaat gij?" + +"Morgen, met Sam. En nu, Jongeheer George, zult ge toch wel eens +willen gaan zitten en een brief aan mijn goeden man schrijven en hem +alles zeggen--wilt ge niet?" + +"Wel zeker," antwoordde George. "Oom Tom zal wel blij zijn, dat +hij eens van ons hoort. Ik loop even naar huis om papier en inkt; +en dan weet ge, Tante Chloe, kan ik hem meteen van de veulens en +alles vertellen." + +"Zeker, zeker, jongeheer George. Loop nu maar heen; ik zal u +ondertusschen een hoenderboutje of zoo wat klaar zetten; gij zult +van uwe arme oude tante niet veel meer krijgen." + + + + + +TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + +HET GRAS VERDORT--DE BLOEM VERWELKT. + + +Het leven verloopt voor ons allen bij dagen, een voor een; en zoo +verliep het ook voor onzen vriend Tom, totdat twee jaren voorbij +waren. Hoewel gescheiden van alles wat zijne ziel dierbaar was, en +hoewel dikwijls smachtende naar hetgeen buiten zijn bereik lag, voelde +hij zich toch nooit geheel ongelukkig; want zoo rijk is de harp van +het menschelijk gevoel besnaard, dat alleen een slag, die al de snaren +doet springen, de harmonie kan bederven; en wanneer men terugziet +op de dagen, die in het geheugen dagen van ontbering en beproeving +schijnen te zijn, kan men zich herinneren dat ieder uur, terwijl het +voorbijvlood, eenige verlichting en afleiding medebracht; zoodat wij, +schoon niet geheel gelukkig, toch ook niet geheel ongelukkig waren. + +Tom las in zijn eenig leesboek van iemand, "die geleerd had vergenoegd +te zijn in hetgeen hij was." Dit kwam hem eene goede en verstandige +les voor, en strookte zeer wel met de kalme gemoedsstemming, welke +hem door het lezen van hetzelfde boek eigen was geworden. + +Zijn brief naar huis werd, gelijk in het vorige hoofdstuk reeds +is aangeduid, weldra beantwoord door een van Jongeheer George, met +een ronde schooljongenshand geschreven, die men, gelijk Tom zeide, +"haast aan het einde van de kamer kon lezen." Dit geschrift bevatte +onderscheidene heugelijke berichten, waarmede onze lezer reeds +bekend is. Het vermeldde hoe Tante Chloe aan een banketbakker te +Louisville was verhuurd, waar zij, door hare bekwaamheid in het +maken van pasteien, verbazende sommen gelds verdiende, die, gelijk +Tom mede vernam, bewaard zouden worden om hem los te koopen. Mozes +en Peter waren welvarend, en het kleintje liep het geheele huis door, +onder de hoede van Sally en al de anderen in het algemeen. + +Toms hut was voor het oogenblik gesloten, maar George weidde breed +uit over de vergrootingen en versieringen, die er aan gemaakt zouden +worden als Tom terugkwam. + +De overige inhoud van den brief gaf een lijst van George's schoolwerk, +vermeldde ook de namen van vier nieuwe veulens, die men sedert Toms +vertrek had gehad, en voegde in denzelfden volzin daarbij, dat vader +en moeder welvoeren. De stijl van dien brief was kort en krachtig; +maar Tom hield hem voor een meesterstuk van schrijfkunst. Hij werd +het lezen, herlezen en bekijken niet moede, en hield er zelfs met +Eva raad over, of het niet goed zou zijn hem in een lijst te zetten +en op zijn kamertje op te hangen. Alleen de moeielijkheid om het zoo +te schikken, dat men beide zijden van het blad tegelijk kon zien, +verhinderde de uitvoering van dit voornemen. + +De vriendschap tusschen Tom en Eva groeide met het kind. Het zou +moeielijk te zeggen zijn, welke plaats zij in het weeke, liefderijke +hart van haren getrouwen dienaar bekleedde. Hij had haar lief als een +broos, stoffelijk schepseltje, en vereerde haar toch bijna als iets +hemelsch en goddelijks. Hij beschouwde haar, gelijk de Italiaansche +matroos het afbeeldsel van het Christuskind beschouwt, met eene +mengeling van eerbied en teederheid; en aan hare innemend bevallige +grilletjes te voldoen en die duizend eenvoudige behoeften te vervullen, +welke de kindsheid gelijk een veelkleurigen regenboog omgeven, was +Toms grootste vermaak. Op de markt des morgens had hij altijd het oog +op de bloemenkraampjes, om mooie ruikertjes voor haar uit te zoeken, +en de fraaiste perzik of sinaasappel stak hij in zijnen zak, om aan +haar te geven als hij terugkwam; want het gezicht, dat hem het meest +behaagde, was haar bevallig kopje, dat aan het hek in de verte naar +hem uitkeek, en niets hoorde hij zoo gaarne als hare kinderlijke vraag: +"Wel, Oom Tom, wat hebt ge vandaag voor mij?" + +Niet minder ijverig was Eva op hare beurt in het bewijzen van +vriendelijke diensten. Hoewel maar een kind, kon zij uitmuntend +lezen; haar muzikaal gehoor, hare vlugge verbeeldingskracht en haar +instinctmatig gevoel voor al wat grootsch en edel was, maakte haar tot +zulk eene voorlezeres van den Bijbel, als Tom nog nooit gehoord had. In +het begin las zij om haren nederigen vriend te behagen, maar spoedig +hechtte haar eigen ernstig gemoed zich aan het verhevene boek, en kreeg +zij dit lief, omdat het een vreemd, krachtig verlangen, en donkere +maar diepe gewaarwordingen bij haar opwekte, waaraan kinderen van een +teergevoelig en tevens hartstochtelijk karakter zich gaarne overgeven. + +De gedeelten, die haar het meest behaagden, waren de Openbaring en de +Profeten--gedeelten, welker duistere, vreemde beeldspraak en vurige +taal een des te dieperen indruk op haar maakten, omdat zij vruchteloos +naar de beteekenis daarvan vroeg. Zij en haar eenvoudige vriend, het +jonge kind en het oude, stonden in dit opzicht met elkander gelijk. Al +wat zij wisten was, dat er gesproken werd van eene heerlijkheid die +geopenbaard zou worden--iets wonderbaars, dat nog komen moest, en +waarin hunne ziel zich verheugde, zonder dat zij wisten waarom. En +schoon het in de natuurkundige wetenschappen zoo niet wezen mag, in +de zedelijke wetenschap is datgene wat men niet begrijpt niet altijd +nutteloos, want de ziel ontwaakt als een schroomvallig vreemdeling +tusschen twee duistere eeuwigheden--het eeuwige verledene en de +eeuwige toekomst. Het licht beschijnt slechts eene kleine ruimte om +haar heen: zij moet dus naar het onbekende verlangen, en de stemmen +en schaduwachtige gedaanten, die uit de wolk-kolom der inspiratie tot +haar komen, vinden in haar eigen hopende verwachtingen een weerklank +en een antwoord. De geheimzinnige beelden zijn zoovele juweelen, +als talismans met onbekende hiëroglyphen beschreven; zij verbergt ze +in haren boezem en verwacht ze eens te zullen lezen, als zij achter +den sluier zal gekomen zijn. + +Op dezen tijd van ons verhaal was het geheele huishouden van St.-Clare +naar de villa aan het meer Pontchartrain verhuisd. De zomerhitte had +allen die in staat waren, om de benauwde, ongezonde stad te verlaten, +daaruit verdreven, om de oevers van het meer en den koelen zeewind +te gaan opzoeken. + +De villa van St.-Clare was een gebouw in den Oostindischen trant, door +lichte veranda's van bamboes omgeven, en aan alle kanten op tuinen en +plantsoenen uitziende. De gewone huiskamer kwam op een tuin uit, vol +van geurige en sierlijke planten en bloemen der keerkringsgewesten, +tusschen welke slingerende paden tot aan den oever van het meer +voortliepen, welks zilveren waterspiegel, in den zonneschijn rijzende +of dalende, een tafereel aanbiedt, dat nooit een uur lang hetzelfde +blijft en met ieder uur schooner schijnt te worden. + +De zon ging nu onder, met dien vurigen gouden glans, welke den hemel +tot eene enkele glorie en het water tot een anderen hemel maakt. Het +geheele meer was met rozeroode en gouden strepen gekleurd, behalve +waar witgevleugelde scheepjes als zoovele geesten heen en weder gleden, +en kleine fonkelende sterren door den glans heenflikkerden. + +Tom en Eva zaten op eene met mos begroeide bank, in een priëeltje aan +het eind van den tuin. Het was Zondagavond, en Eva's Bijbel lag open +op hare knieën. Zij las: "En ik zag een glazen zee, met vuur gemengd." + +"Tom," zeide Eva, eensklaps ophoudende en naar het meer wijzende, +"daar is het." + +"Wat, Miss Eva?" + +"Ziet gij niet?--Daar!" antwoordde het kind naar het heldere water +wijzende, waarin de gouden gloed der lucht zich afspiegelde. "Daar +is eene glazen zee met vuur gemengd." + +"Dat is wel waar, Miss Eva," zeide Tom, en zong daarop: + + + "O, had ik maar de vleuglen van den morgen; + Dan vloog ik heen naar Kanaäns schoone kust, + Dan zouden heerlijke engelen mij dragen + Naar 't Nieuw-Jeruzalem der heilige rust." + + +"Waar denkt gij dat het Nieuw-Jeruzalem is, Oom Tom?" vroeg Eva. + +"O, daarboven in de wolken, Miss Eva." + +"Dan denk ik dat ik het zie," zeide Eva. "Zie, daar in de wolken! Zij +gelijken naar groote poorten van paarlen; en gij kunt er doorheen +zien--ver, heel ver is alles goud. Tom, zing nog eens van de zalige +geestenschaar." + +En Tom zong nu uit een welbekend Methodistenlied: + + + "Ik hoor een zaalge geestenschaar + Die blijde zegeliedren galmen; + Zij zijn in vlekloos wit gekleed + En dragen overwinningspalmen." + + +Tom twijfelde aan dit alles niet, en het verwonderde hem ook niet +het minste; als Eva hem gezegd had dat zij in den hemel was geweest, +zou hij het zeer waarschijnlijk hebben gevonden. + +"Zij komen somtijds bij mij in mijnen slaap, die geesten," zeide Eva, +en zong toen zacht bij zich zelve, terwijl hare oogen eene vreemde +droomerige uitdrukking aannamen: + + + "Zij zijn in vlekloos wit gekleed + En dragen overwinningspalmen." + + +"Oom Tom, ik ga daarnaar toe," zeide zij vervolgens. + +"Waar naar toe, Miss Eva?" + +Het kind stond op en wees met haar handje naar den Hemel. Het +gloeiende avondrood verleende haar gouden lokken en blozende wangen +een bovenaardschen glans, en hare oogen staarden ernstig naar boven. + +"Ik ga daarheen," zeide zij, "naar de zalige geesten, Tom. _Ik ga +binnenkort._" + +Het oude trouwe hart voelde eensklaps eene stekende pijn. Tom bedacht +zich, hoe dikwijls hij er in de laatste zes maanden op had gelet, +dat Eva's handjes smaller geleken, en hare kleur nog helderder en +haar adem korter scheen te worden; en dat zij, als zij in den tuin +liep en speelde, gelijk zij voorheen urenlang doen kon, spoedig moede +werd. Hij had Miss Ophelia dikwijls van een kuch hooren spreken, die +al hare huismiddelen niet konden wegnemen; en zelfs op dit oogenblik +gloeiden de wangen en de hand van het kind als van koortshitte; en +toch was de gedachte, welke Eva's woorden opwekten, hem nog nooit +ingevallen dan op dit oogenblik. + +Is er ooit zulk een kind geweest als Eva? Ja, zeker zijn er zoo +geweest; maar hunne namen staan alle op de grafsteenen, en hunne +lieve lachjes, hunne hemelsche oogen en hunne vreemde manieren +en uitdrukkingen zijn onder de begraven schatten van smachtende +harten. In hoevele familiën hoort men de legende, dat al de goedheid +en bevalligheid der nog levenden niets beteekenen bij de buitengemeene +gaven van een of eene, die _niet meer is_. Het is alsof de hemel eene +uitgelezen schaar van engelen had, wier post het was voor een korten +tijd hier te vertoeven, en het eigenlievend menschelijk hart te lokken +en te winnen, om het met zich opwaarts te voeren bij hunne vlucht +hemelwaarts. Als gij dat hemelsche licht in kinderoogen ziet--als +het zieltje zich openbaart in woorden, liefelijker en wijzer dan +de gewone woorden van kinderen--hoop dan niet dat kind te behouden; +want het draagt het zegel des hemels, en wat het uit de oogen straalt, +is het licht der onsterfelijkheid. + +Zoo is het met u, beminde Eva, vreugde van uw huis. Gij gaat heen, +en zij die u het teerste liefhebben weten het niet. + +Het gesprek tusschen Tom en Eva werd gestoord door een haastig roepen +van Miss Ophelia. + +"Eva--Eva!--Maar kind, er valt zulk een dauw; gij moet niet buiten +blijven." + +Eva en Tom haastten zich naar binnen. + +Ophelia was reeds jaren en wel bedreven in de kunst van kinderen +verzorgen. Zij was uit Nieuw-Engeland, en kende maar al te wel de +eerste voetstappen dier stille, verraderlijke kwaal, die zoovelen +van de schoonsten en beminnelijksten wegsleept, en haar slachtoffer +onherroepelijk aan den dood wijdt, vóórdat er nog eene enkele +levensdraad gebroken schijnt. + +Zij had acht gegeven op het droge kuchje en de dagelijks helderder +wordende kleur der wangen; de glans der oogen en de opgewonden +vroolijkheid, die een gevolg der koorts was, konden haar niet +bedriegen. + +Zij poogde hare bekommering aan St. Clare mede te deelen; maar hij +beantwoordde hare vrees met een wrevelig ongeduld, zeer ongelijk aan +zijne gewone onverschillige goedaardigheid. + +"Laat mij toch geen ravengekras hooren, Nicht. Dat kan ik niet +uitstaan," zeide hij eens. "Ziet gij niet dat het kind maar +groeit? Kinderen worden altijd wat zwak, als zij sterk groeien." + +"Maar zij heeft die kuch toch." + +"Och, maal niet over die kuch. Die heeft niets te beduiden. Zij zal +misschien wat koude gevat hebben." + +"Nu, het was juist op die manier dat het met Eliza Jane begon, en +met Helena Sanders." + +"Houd toch op met die spookachtige bakersprookjes. Gij oude dames, +wordt zoo wijs, dat een kind niet meer kan hoesten of niezen, of +gij ziet den dood vooruit. Pas maar op het kind, houd haar buiten de +avondlucht, laat zij zich niet te moe maken met spelen, en het zal +wel schikken." + +Zoo sprak St. Clare, maar hij was toch onrustig geworden. Hij +bespiedde Eva dag en nacht met zekeren koortsachtigen angst, +gelijk men kon opmaken uit zijne dikwijls herhaalde aanmerkingen, +"dat het kind volmaakt wel was--dat die kuch niets beteekende--dat +het haar een weinigje in de keel scheelde, gelijk zoo dikwijls bij +kinderen gebeurde." Maar hij bleef meer bij haar dan gewoonlijk, +hij liet haar meer met zich mederijden, en bracht telkens recepten +mede naar huis van versterkende middelen, "niet," zeide hij, "omdat +het kind zoo iets noodig had, maar het zou haar toch geen kwaad doen." + +Wat hem het meest beangstigde, was de dagelijks toenemende rijpheid +van Eva's gedachten en gemoed. Terwijl zij nog al de onnoozele +aanvalligheid der kindsheid behield, liet zij zich toch dikwijls, als +ware het onwillekeurig, woorden ontvallen van zulk een diepzinnige +beteekenis, van zulk eene vreemde, bovenaardsche wijsheid, dat zij +naar eene ingeving geleken. Wanneer dit gebeurde, voelde St. Clare +een plotselingen schrik en sloot hij haar in zijne armen, alsof die +teedere omarming haar kon redden; en dan rees er in zijn hart een +woest oproerig besluit op om haar vast te houden en nooit los te laten. + +De geheele ziel van het kind scheen zich thans in werken van liefde en +goedheid te verdiepen. Altijd was zij vriendelijk en weldadig geweest; +maar thans had zij eene aandoenlijke, vrouwelijke bedachtzaamheid +over zich, die iedereen opmerkte. Zij speelde nog gaarne met Topsy en +andere slavenkinderen, maar scheen thans veeleer eene toeschouwster +dan eene deelgenoote van hun spel. Zij kon wel een half uur lang om +de grappige kuren van Topsy zitten lachen; en dan scheen er eene +schaduw over haar gezichtje te komen, werden hare oogen beneveld, +en zwierven hare gedachten ver weg. + +"Mama," zeide zij eens plotseling tegen hare moeder, "waarom leeren +wij onzen bedienden niet lezen?" + +"Welk eene vraag, kind! Dat doet men nooit." + +"Waarom doet men dat niet?" zeide Eva. + +"Omdat het lezen hun tot niets dient. Het leert hun niet beter werken +en zij behoeven niets anders te doen." + +"Maar zij behoorden toch den Bijbel te lezen, Mama, om Gods wil +te leeren." + +"O, alles wat zij daarvan noodig hebben, wordt hun wel voorgelezen." + +"Ik zou denken, Mama, dat de Bijbel voor iedereen is, om zelf te +lezen. Zij hebben dat heel dikwijls noodig, als er niemand is om hun +voor te lezen." + +"Eva, ge zijt een wonderlijk kind," zeide hare moeder. + +"Nicht Ophelia heeft Topsy leeren lezen," vervolgde Eva. + +"Ja, en gij ziet hoeveel goed het haar doet. Topsy is de ergste die +ik ooit gezien heb." + +"En daar is Mammy. Zij houdt zooveel van den Bijbel en wenschte +wel dat zij lezen kon. En wat zal zij doen, als ik haar niet meer +kan voorlezen?" + +Marie was juist bezig met in eene lade te zoeken, toen zij antwoordde: + +"Wel natuurlijk, Eva, door den tijd zult gij aan andere dingen +te denken hebben, dan om den Bijbel aan al de bedienden voor te +lezen. Niet dat dit ook niet heel goed is; ik heb het zelve wel +gedaan toen ik nog gezond was. Maar als gij u moet kleeden en naar +gezelschappen gaan, zult gij er geen tijd meer voor hebben. Zie hier, +deze juweelen zal ik u geven als gij naar een bal gaat. Ik heb ze +zelve gedragen op mijn eerste bal; en ik kan u zeggen, Eva, ik heb +sensatie gemaakt." + +Eva bezichtigde het juweelendoosje en nam er een diamanten halsketting +uit. Hare groote peinzende oogen bleven op dit sieraad gevestigd, +maar hare gedachten waren elders. + +"Wat kijkt gij ernstig, kind!" zeide Marie. + +"Dat is wel veel geld waard, Mama?" + +"Zeker is het dat. Vader had het uit Frankrijk laten komen. Het is +een klein fortuin waard." + +"Ik wenschte dat ik het had," zeide Eva, "en er mee doen mocht wat +ik wilde." + +"Wat zoudt gij er dan mee doen?" + +"Het verkoopen, en eene plaats koopen in de vrije staten, en al ons +volk daarheen brengen, en meesters betalen om ze te leeren lezen +en schrijven." + +"Dus eene soort van kostschool opzetten? Zoudt gij hun ook niet leeren +piano spelen en op fluweel schilderen?" + +"Ik zou hun leeren hun eigen Bijbel te lezen en hunne eigen brieven +te schrijven, en de brieven te lezen die aan hen geschreven werden," +antwoordde Eva zeer bedaard. "Ik weet, Mama, dat het hun zeer hard +valt, dat zij dit niet kunnen doen. Tom voelt het, en Mammy en vele +anderen; en ik houd het voor verkeerd." + +"Kom, kom, Eva, ge zijt nog maar een kind. Gij weet nog lang niets +van al die dingen," zeide Marie; "en bovendien, uw praten doet mij +hoofdpijn krijgen." + +Marie had altijd hoofdpijn bijdehand voor een gesprek, dat haar niet +zeer beviel. Eva sloop heen, maar van dien tijd af gaf zij Mammy +geregeld les in het lezen. + + + + + +DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + +HENRIQUE. + + +Tegen dezen tijd kwam St. Clare's broeder Alfred, met zijnen oudsten +zoon, een knaap van twaalf jaren, eenige dagen bij de familie aan +het meer doorbrengen. + +Niets kon vreemder en schooner zijn dan het gezicht dezer +tweelingbroeders. De natuur had in plaats van een volkomen gelijkenis +tusschen hen te bedoelen, hen in bijna alle opzichten contrasten +gemaakt, en toch scheen een geheimzinnige band hen in nauwere +vriendschap dan gewoonlijk te verbinden. + +Zij plachten arm in arm de paden en lanen van den tuin op en neer te +wandelen.--Augustine met zijne blauwe oogen en goudblonde lokken, +zijne tengere, buigzame gestalte en levendige trekken; Alfred, +met zijn donker uitzicht, zijn trotschen Romeinschen gelaatsvorm, +zijne forsch gebouwde leden en deftige houding. Zij hekelden altijd +elkanders gevoelens en gedrag, en toch waren zij daarom niet minder +op elkanders gezelschap gesteld; juist hunne tegenstrijdigheid scheen +hen te vereenigen. + +Henrique, de oudste zoon van Alfred, was een frissche, gezonde knaap, +vol geest en leven, die van het eerste oogenblik der kennismaking +af geheel door de teedere aanvalligheid van zijn nichtje Evangeline +betooverd scheen. + +Eva had een spierwit hitje, haar lieveling, zoo gemakkelijk van +beweging als eene wieg, en zoo zachtaardig als zijne jonge meesteres, +en dit hitje werd nu door Tom voor de achter-veranda gebracht, terwijl +een kleine mulat van ongeveer dertien jaren met een Arabisch paardje +aankwam, dat kort geleden zeer duur voor Henrique was gekocht. + +Henrique was op dit nieuwe eigendom zoo trotsch als een knaap maar +wezen kan; en toen hij zijnen kleinen rijknecht de teugels uit de +hand had genomen, bezichtigde hij zijn paardje nog eens zorgvuldig +en daarbij betrok zijn gezicht. + +"Wat is dat, Dodo, gij luie rekel? Gij hebt mijn paard van morgen +niet gepoetst." + +"Ja wel, meester," antwoordde Dodo onderdanig. "Hij heeft dat stof +zoo pas gekregen." + +"Houd den bek, rekel," zeide Henrique, driftig zijne karwats +opheffende. "Hoe durft ge nog een woord spreken?" + +De knaap was een fraaie mulat, van dezelfde grootte als Henrique, met +heldere oogen en krullend haar, dat om een hoog en trotsch voorhoofd +zwierde. Hij had blank bloed in de aderen, gelijk men zien kon aan +den snel opkomenden blos, waarmede hij haastig het woord wilde nemen. + +"Meester Henrique," begon hij. + +Henrique gaf hem met de karwats een slag in het gezicht, greep hem +bij een arm, duwde hem zoo op de knieën en sloeg hem, tot hij zelf +buiten adem was. + +"Daar onbeschaamde rekel. Nu zult gij wel leeren niet tegen te spreken +als ik iets zeg. Breng het paard terug en maak het schoon. Ik zal u +wel manieren leeren." + +"Jongeheer," zeide Tom nu, "ik geloof dat hij voornemens was te zeggen +dat het paard met geweld wilde gaan rollen, toen hij het uit den stal +haalde; het is zoo vol vuur--en zoo heeft het dat vuil gekregen. Ik +heb gezien dat het schoongemaakt werd." + +"Houd den mond tot men u vraagt om te spreken," antwoordde Henrique, +zich omkeerende en de stoep opgaande naar Eva, die in haar rijkleedje +stond te wachten. + +"Lieve Nicht, het spijt mij dat die domme jongen u noodzaakt om te +wachten," zeide hij. "Laten wij hier op deze bank gaan zitten tot +mijn paard komt. Wat scheelt u, Nichtje? Ge ziet zoo ernstig." + +"Hoe kondt ge zoo wreed en slecht wezen voor dien armen Dodo?" zeide +Eva. + +"Wreed en slecht?" herhaalde de knaap met ongeveinsde +verwondering. "Wat meent gij toch, lieve Eva?" + +"Ik wil niet dat ge mij lieve Eva noemt, als gij zoo doet," zeide Eva. + +"Lieve Nicht, gij kent Dodo nog niet. Dat is de eenige manier om met +hem te recht te komen, zoo vol leugens en uitvluchten is hij. De eenige +manier is: hem terstond te stuiten--hem geen mond te laten opendoen; +en dat is ook de manier van papa." + +"Maar Oom Tom zeide dat het een ongeluk was, en hij zegt nooit iets +dat niet waar is." + +"Hij is dan wel een ongewone neger," antwoordde Henrique. "Dodo liegt +zoo hard als hij maar spreken kan." + +"Gij dwingt hem door angst om u te bedriegen, als gij hem zoo +behandelt." + +"Maar, Eva gij hebt waarlijk zooveel zin in Dodo, dat ik jaloersch +zal worden." + +"Gij hebt hem geslagen, en dat verdiende hij niet." + +"Welnu, dan kan dat doorgaan voor een keer dat hij slaag verdient en +niet krijgt. Eenige meppen zijn op Dodo nooit verloren. Hij verdient +altijd wat, dat kan ik u zeggen. Maar ik zal hem niet weder slaan +waar gij bij zijt, als u dat onaangenaam is." + +Eva was niet tevreden, maar achtte het vruchteloos haren neef haar +gevoel te willen doen begrijpen. + +Dodo kwam spoedig met het paard terug. + +"Zoo, Dodo, nu hebt gij het tamelijk wel gemaakt," zeide zijn jonge +meester, met wat meer vriendelijkheid dan gewoonlijk. "Kom, houd nu +het paard van Miss Eva, terwijl ik haar in den zadel help." + +Dodo plaatste zich nu bij Eva's hitje. Zijn gezicht was betrokken en +zijne oogen zagen er uit alsof hij geschreid had. + +Henrique, die reeds grootsch was op zijne bedrevenheid in alle punten +van galanterie, hielp zijn nichtje vlug in den zadel, nam de teugels +over en gaf ze haar in de hand. Eva echter boog zich naar den anderen +kant van het paard, waar Dodo stond, en toen hij de teugels losliet, +zeide zij: "Zoo, Dodo, goede jongen, nu bedank ik u." + +Dodo keek met verbazing op naar het lieve jeugdige gezichtje; het +bloed steeg hem naar de wangen en de tranen kwamen hem in de oogen. + +"Hier, Dodo!" zeide Henrique gebiedend. + +Dodo sprong toe en hield het paard, terwijl zijn meester opsteeg. + +"Daar hebt gij wat om klontjes voor te koopen, Dodo," zeide +Henrique. "Ga nu maar heen." + +Henrique reed naast Eva de laan af en Dodo bleef de twee kinderen staan +nazien. Een had hem geld gegeven, en een had hem gegeven wat hij veel +liever had--een vriendelijk woord, vriendelijk gesproken. Dodo was +nog maar eenige maanden van zijne moeder geweest. Zijn meester had +hem in een slavenmagazijn gekocht, om met zijn mooi gezicht bij het +mooie paardje te passen: en hij werd nu door zijnen jongen meester +getemd en afgericht. + +Dit geheele tooneel was door de broeders St. Clare uit een ander +gedeelte van den tuin aangezien. + +Toen Henrique den kleinen mulat sloeg, kreeg Augustine eene +hoogere kleur, maar hij zeide slechts met zijne gewone, spottende +onverschilligheid: "Dit zullen wij zeker eene republikeinsche opvoeding +moeten noemen, niet waar, Alfred?" + +"Henrique is een duivel van een jongen, als zijn bloed heet wordt," +antwoordde Alfred even onverschillig. + +"Gij zult dit zeker eene leerrijke oefening voor hem achten?" hervatte +Augustine droogjes. + +"Al deed ik dat niet, dan kon ik dat toch niet veranderen. Henrique +is ontembaar als hij driftig wordt. Zijne moeder en ik hebben er al +lang van afgezien om hem hierin tegen te gaan. Maar Dodo kan het wel +velen--slagen zullen hem niet deren." + +"En dit is zeker de manier om Henrique het begin van den +republikeinschen catechismus te leeren: "Alle menschen worden vrij +en gelijk geboren?" + +"Och," zeide Alfred, "dat is een van Tom Jeffersons staaltjes van +Fransche kwakzalverij. Het is belachelijk, dat zulke dingen nog +tegenwoordig onder ons rondloopen." + +"Dat vind ik ook," zeide Augustine met veel nadruk. + +"Omdat," vervolgde Alfred, "iedereen duidelijk genoeg zien kan, dat +alle menschen _niet_ vrij en _niet_ gelijk geboren worden. Wat mij +betreft, ik houd van dat republikeinsche gezwets de grootste helft voor +klinkklaren onzin. Het zijn de kundigen, de beschaafden, de gegoeden, +die gelijke rechten behooren te hebben, en niet het _canaille_." + +"Als gij het _canaille_ maar in die meening kunt houden," zeide +Augustine. "Eens in Frankrijk heeft het zijne beurt genomen." + +"Natuurlijk, het moet ten onder gehouden worden, stelselmatig +en standvastig zooals ik doen zou," antwoordde Alfred, zijn voet +vastplantende, alsof hij op iemand trapte. + +"Het is een leelijk geval, als het er eens bovenop komt," zeide +Augustine, "zooals op St. Domingo, bij voorbeeld." + +"O!" antwoordde Alfred, "daarop zullen wij hier wel passen. Wij moeten +maar al dat gepraat over opvoeding en zedenverbetering tegengaan, +dat tegenwoordig in zwang komt; de lagere klasse moet geene opvoeding +hebben." + +"Daar is geen bidden meer tegen," antwoordde Augustine; "opgevoed +zullen de negers worden en wij hebben alleen te zeggen hoe. Ons +stelsel is hen in barbaarschheid en verdierlijking op te voeden. Wij +breken alle banden die hen aan de menschelijkheid hechten en maken +hen tot wilde dieren; als zij eens de overhand krijgen, zullen wij +dat ondervinden." + +"Zij zullen nimmer de overhand krijgen," zeide Alfred. + +"Goed zoo," antwoordde Augustine. "Maak maar stoom, schroef de +veiligheidsklep dicht, ga er op zitten, en zie waar gij belanden zult." + +"Welnu," zeide Alfred, "dat _zullen_ wij zien. Ik ben niet bang +om op de veiligheidsklep te zitten, als de ketels maar sterk zijn, +en de machinerie goed werkt." + +"De adellijke heeren in den tijd van Lodewijk XIV dachten eveneens, en +Pius IX denkt tegenwoordig nog zoo, en op een fraaien ochtend zult gij +allen in de lucht tegen elkander zien vliegen, als de ketels springen." + +"De tijd zal het leeren," zeide Alfred lachende. + +"Ik zeg u," hervatte Augustine, "als er iets is dat zich in onzen +tijd met de kracht eener goddelijke wet openbaart, dan is het, dat de +massa's zich zullen verheffen en de laagste klassen de hoogste worden." + +"Dat is weer van uw rood republikeinschen bombast, Augustine! Waarom +zijt ge geen reizend volksredenaar geworden? Daar zoudt gij heerlijk +voor zijn. Nu, ik hoop dat ik dood zal wezen, eer dat duizendjarige +rijk van uwe smerige massa's begint." + +"Smerig of niet smerig, zij zullen u overheerschen, als haar tijd komt; +en zij zullen juist zulke heerschers zijn als gij ze maakt. De Fransche +edelen verkozen het volk _sans culotte_ te hebben, en zij hebben _sans +culotte_-heerschers gehad naar hartelust. De bevolking van Haïti..." + +"Och kom, Augustine! alsof wij al niet genoeg hadden gehad van dat +verachtelijke en verfoeielijke Haïti! De Franschen van Haïti waren +geene Anglo-Saksers; waren zij dat geweest, dan zou het anders zijn +gegaan. De Anglo-Saksers zijn de heerschende stam op de wereld en +zullen dat blijven." + +"Welnu, er zit tegenwoordig al vrij wat Anglo-Saksisch bloed in onze +slaven," hervatte Augustine. "Er zijn er velen onder, die maar juist +genoeg van het Afrikaansche hebben, om zekere tropische warmte en +drift aan onze bedachtzame standvastigheid te geven. Als hier ooit het +San-Domingo-uur slaat, zal het Anglo-Saksisch bloed voorgaan. Zonen van +blanke vaders, wien al ons trotsch gevoel van eigenwaarde in de aderen +brandt, zullen zich niet altijd laten verkoopen en verhandelen. Zij +zullen oprijzen, en het geslacht hunner moeder met hen doen oprijzen." + +"Dwaasheid!--Onzin!" + +"Er is een oud boek," hervatte Augustine, "dat zegt: 'Gelijk het +geschied is in de dagen van Noach, alzoo zal het ook zijn: zij aten +en dronken, zij plantten en bouwden en wisten het niet, totdat de +zondvloed kwam en hen allen wegnam.'" + +"Over het geheel, Augustine, denk ik inderdaad dat gij talenten +genoeg hebt voor een volksredenaar," zeide Alfred lachende. "Wees +voor ons maar niet bang. Zalig zijn de bezitters. Wij hebben de +macht. Dit onderworpen ras," vervolgde hij, met den voet stampende, +"is onder en zal onder blijven. Wij zijn wel mans genoeg om met ons +eigen buskruit om te gaan." + +"Zonen, opgevoed gelijk uwen Henrique, zullen de beste bewaarders van +uwe kruitmagazijnen wezen," zeide Augustine, "zoo koel en beraden als +zij zijn. Het spreekwoord zegt: 'Die zich zelven niet kan regeeren, +kan geene anderen regeeren.'" + +"Dat is wel iets bedenkelijks," zeide Alfred peinzende. "Het is niet +te ontkennen, dat het onder ons stelsel zeer moeielijk is kinderen +op te leiden. Het geeft hunne hartstochten, die in ons klimaat vurig +genoeg zijn, veel te veel vrijheid. Ik heb moeite met Henrique. De +knaap is goedhartig en edelmoedig; maar als hij driftig wordt, is hij +onhandelbaar. Ik geloof dat ik hem voor zijne verdere opvoeding naar +het Noorden zal zenden, waar de gehoorzaamheid nog meer in de mode is, +en hij meer met gelijken en minder met onderhoorigen zal omgaan." + +"Daar de opleiding van kinderen eene hoofdzaak voor het geheele +menschdom is," zeide Augustine, "zou ik het wel van eenig gewicht +achten, dat ons stelsel in dit opzicht niet deugt." + +"In sommige opzichten niet," antwoordde Alfred, "maar in andere wederom +wel. Het maakt de jongens manhaftig en dapper; en de ondeugden van +het vernederde geslacht strekken juist om hen in de tegenovergestelde +deugden te bevestigen. Ik geloof, bij voorbeeld, dat Henrique een +fijner gevoel voor het schoone der waarheidsliefde heeft, omdat hij +ziet dat logen en bedrog de algemeene kenteekenen der slavernij zijn." + +"Zeker een christelijk begrip van de zaak," zeide Augustine. + +"Christelijk of niet, het is waar," antwoordde Alfred, "en het is +omtrent even christelijk als de meeste andere dingen in de wereld." + +"Wel mogelijk," zeide Augustine. + +"Och, het praten helpt niet, Augustine. Ik geloof dat wij dat alles +wel vijfhonderd malen met elkander zijn rond geweest. Wat zegt ge +van een spelletje triktrak?" + +De twee broeders gingen de stoep op en zaten weldra aan een tafeltje +met het bord tusschen hen in. Terwijl zij de schijven schikten, zeide +Alfred: "Ik moet u toch nog zeggen, Augustine, wanneer ik dacht zooals +gij, zou ik iets doen." + +"Dat geloof ik wel--gij zijt van de soort die iets doet--maar wat?" + +"Wel, uw eigen bedienden wat beter opvoeden, tot een proefje," zeide +Alfred met een half spottende glimlach. + +"Gij zoudt evengoed den berg Etna plat op hen kunnen neerzetten en hun +gelasten om daaronder op te staan, als mij zeggen mijne bedienden tot +iets beters op te voeden, terwijl de geheele massa der maatschappij +hen neerdrukt. Een enkel man kan niets doen tegen den invloed eener +maatschappij. De opvoeding, zal zij iets beteekenen, moet de zaak +van den staat zijn; of er moeten zich ten minste genoeg vereenigen +om ze tot eene gemeenschappelijke zaak te maken." + +"Gij speelt het eerst," zeide Alfred, en weldra waren de broeders in +hun spel verdiept en spraken over niets anders, totdat men dichtbij +weder hoefslagen hoorde. + +"Daar komen de kinderen aan," zeide Augustine, opstaande. "Zie eens, +Alfred, hebt gij ooit iets schooners gezien?" + +En waarlijk, het was een schoon tafereeltje. Henrique met zijn vroolijk +gezicht, zijne donkere glanzige krullen en gloeiende wangen, boog +zich onder het rijden lachende naar zijn nichtje over. Eva droeg een +blauw rijkleedje en een mutsje van dezelfde kleur. De beweging had +hare wangen een hoogen blos gegeven, die hare buitengemeen heldere +blankheid nog meer deed uitkomen. + +"Waarlijk, eene schitterende kleine schoone!" zeide Alfred. "Ik +voorzeg u, Augustine, dat zij eens harten zal breken." + +"Dat zal zij!--Maar al te waar!--God weet het, ik vrees er voor!" zeide +Augustine, met plotseling opwellende bitterheid, en snelde toe om +haar van het paard te helpen. + +"Eva, mijn liefje, zijt gij niet al te moe geworden?" zeide hij, +haar in zijne armen sluitende. + +"Neen, Papa," antwoordde het kind; maar hare korte hijgende ademhaling +maakte hem toch ongerust. + +"Waarom hebt ge zoo hard gereden, liefje? Gij weet toch dat het niet +goed voor u is." + +"Ik voelde mij zoo wel, Papa, en vond het zóó pleizierig, dat ik +dat vergat." + +St. Clare droeg haar in zijne armen naar de voorkamer en legde haar +op de sofa. + +"Henrique, gij moet met Eva zeer voorzichtig zijn," zeide hij: +"gij moet niet zoo hard met haar rijden." + +"Ik zal op haar passen," antwoordde Henrique, zette zich bij de sofa +neer en nam zijn nichtje bij de hand. + +Eva bevond zich spoedig veel beter. Haar vader en oom gingen hun spel +vervolgen en de twee kinderen bleven alleen. + +"Weet gij wel, Eva," zeide Henrique, "het spijt mij zoo, dat papa +nog maar twee dagen hier blijft, en ik u dan niet meer zien zal voor +ik weet niet hoelang. Als ik bij u bleef, zou ik mijn best doen om +goed te zijn en niet hard voor Dodo, en dat alles. Ik wil Dodo niet +kwaad behandelen; maar weet ge, ik ben zoo driftig. En toch ben ik +eigenlijk niet kwaad voor hem. Ik geef hem dikwijls een fooitje, +en gij ziet dat hij goed gekleed is. Ik denk dat Dodo het over het +geheel tamelijk wel heeft." + +"Zoudt gij denken dat gij het tamelijk wel hadt, als er geen schepsel +bij u was om u lief te hebben?" + +"Ik! Wel natuurlijk niet!" + +"En gij hebt Dodo afgenomen van al de vrienden die hij ooit had, +en nu is er geen schepsel om hem lief te hebben. Op die manier kan +niemand goed zijn." + +"Ja, dat kan ik toch niet helpen of veranderen, zoover ik weet. Ik +kan zijne moeder niet koopen, en ik kan hem toch zelf niet gaan +liefhebben." + +"Waarom kunt gij dat niet?" zeide Eva. + +"Dodo liefhebben! Maar, Eva, dat kunt gij toch niet van mij willen. Ik +mag van hem houden; maar liefhebben doet men zijne bedienden niet." + +"Ik wel--waarlijk." + +"Dat is raar." + +"Zegt de Bijbel niet dat wij alle menschen moeten liefhebben?" + +"O, de Bijbel! Zeker, die zegt veel zulke dingen; maar niemand denkt +er toch ooit aan om ze te doen. Gij weet wel, Eva, niemand doet dat." + +Eva sprak niet; hare oogen bleven een poos strak en peinzend. + +"Hoe dat zij, lieve Neef," zeide zij eindelijk, "heb dien armen Dodo +toch lief en wees goed voor hem, om mijnentwil." + +"Ik zou om uwentwil alles kunnen liefhebben, lief Nichtje; want ik +houd u waarlijk voor het liefste meisje dat ik ooit gezien heb." + +Henrique sprak met een ernst, die een blos op zijne wangen bracht; en +Eva ontving die betuiging met volmaakte eenvoudigheid, zonder dat haar +gezichtje een spoor van eenige aandoening verried, en zeide slechts: +"O, ik ben blij, dat gij nu zoo denkt, lieve Henrique. Ik hoop dat +gij het altijd onthouden zult." + +De schel van het diner maakte een einde aan het gesprek. + + + + + +VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + +VOORTEEKENEN. + + +Twee dagen later namen Alfred en Augustine St. Clare afscheid +van elkander; daarna begon Eva, die door het gezelschap van haar +neefje tot inspanningen boven hare krachten was aangespoord, snel te +vervallen. St. Clare werd eindelijk geneigd om geneeskundigen raad in +te roepen, waarvoor hij tot nog toe had gehuiverd, daar dit te doen de +bekentenis van een onwelkome waarheid was. Thans was Eva twee dagen +lang zoo ongesteld geweest, dat zij geheel in huis moest blijven, +en nu werd de dokter geroepen. + +Marie St. Clare had volstrekt geen acht gegeven op de langzame +vermindering van Eva's gezondheid en krachten, daar zij geheel verdiept +was in het bestudeeren van twee of drie nieuwe kwalen, waarvan zij +zelve het slachtoffer meende te zijn. Het was bij Marie een voornaam +punt van geloof, dat niemand ooit zulk eene groote lijderes was +geweest of wezen kon als zij zelve, en dus verwierp zij altijd met +zekere verontwaardiging de gedachte, dat iemand van hare onderhoorigen +ziek zou zijn. Zij hield zich in zulk een geval altijd verzekerd, dat +het niets dan luiheid of gebrek aan geduld was en dat iemand, als hij +eens lijden moest wat zij leed, spoedig het verschil zou gewaar worden. + +Ophelia poogde verscheidene malen hare moederlijke bekommering over +Eva te doen ontwaken, maar vruchteloos. + +"Ik zie niet dat het kind iets scheelt," zeide zij dan. "Zij loopt +rond en speelt." + +"Maar zij heeft een hoest." + +"Een hoest! O, gij behoeft niet van een hoest te spreken; ik heb al +mijn leven een hoest gehad. Toen ik zoo oud was als Eva, dacht men dat +ik de tering had. Nacht op nacht moest Mammy bij mij opzitten. Och, +Eva's hoest heeft zeker wel niets te beduiden." + +"Maar zij wordt zoo zwak en kortademig." + +"O, dat heb ik al jarenlang gehad. Dat is maar zenuwachtigheid." + +"En des nachts zweet zij zoo." + +"Wel, dat heb ik jarenlang gedaan. Dikwijls zijn des nachts mijne +kleeren zoo nat, dat men ze wel kan uitwringen. Dan is er geen droge +draad aan mijn nachtgoed, en zijn de lakens zoo nat, dat Mammy ze +moet te drogen hangen. Zoo zweet Eva toch niet." + +Ophelia zweeg. Maar nu Eva zoo zichtbaar verminderde en er een dokter +geroepen werd, sloeg Marie eensklaps een geheel anderen toon aan. + +Zij wist het wel, zeide zij, en had het altijd gevoeld, dat zij bestemd +was om de rampzaligste aller moeders te zijn. Zij zelve kwijnde weg +met eene verwoeste gezondheid, en hare lieveling zou voor hare oogen +ten grave dalen; en deze nieuwe jammer verschafte Marie weder eene +nieuwe reden om Mammy des nachts telkens wakker te roepen en over +dag veel erger dan ooit te bekijven en uit te schelden. + +"Maar, lieve Marie, spreek toch zoo niet," zeide St. Clare. "Gij moet +niet zoo terstond het ergste denken." + +"Gij hebt het gevoel eener moeder niet, St. Clare. Gij hebt mij nooit +kunnen verstaan, en dat doet gij nu ook niet." + +"Maar spreek toch niet alsof het een wanhopig geval was." + +"Gij moogt het zoo onverschillig opnemen als gij kunt, St. Clare. Zoo +gij er geen gevoel van hebt, als uw kind in zulk een toestand is, +ik wel. Het is een slag die te zwaar voor mij is, met al wat ik te +voren al droeg." + +"Het is waar," zeide St. Clare, "dat Eva teer van gestel is, _dat_ +heb ik altijd geweten, en dat haar snelle groei hare krachten heeft +uitgeput, en dat haar toestand bedenkelijk is. Maar nu is zij toch +maar zoo verzwakt door de warmte van het weder en de vermoeienis en +opgewondenheid, waartoe het bezoek van haren neef aanleiding gaf; +de dokter zegt dat er nog reden is om te hopen." + +"O, natuurlijk; als gij de zaak van den besten kant kunt bezien, +doe het dan. Het is een geluk als iemand in deze wereld zulk een +teer gevoel niet heeft. Ik wenschte dat ik het ook maar niet had. Het +maakt mij maar geheel rampzalig. Ik wenschte dat ik zoo gerust _kon_ +wezen als gij en anderen." + +En die "anderen" hadden maar al te veel reden om denzelfden wensch te +uiten; want Marie gebruikte haar nieuwen jammer tot een voorwendsel +om allen die haar genaakten, te kwellen. Ieder woord, dat door iemand +gesproken, al wat er gedaan of niet gedaan werd, was een nieuw bewijs +dat zij omringd was door hardvochtige gevoellooze wezens, die zich +niet om hare smart bekommerden. De arme Eva hoorde eenige van die +gezegden, en schreide van medelijden met hare mama, en van spijt dat +zij haar zooveel droefheid veroorzaakte. + +In een paar weken werden de verschijnselen veel gunstiger; het was +eene dier bedriegelijke tusschenpoozen van schijnbare verbetering, +door welke hare onverbiddelijke kwaal zoo dikwijls zelfs nog op den +rand van het graf, het angstige hart misleidt. Men zag Eva weder +op de balkons en in den tuin; zij speelde en lachte weder, en haar +vader zeide met verrukking dat zij spoedig zoo frisch en gezond zou +zijn als iemand. Ophelia en de dokter werden door dezen bedriegelijke +wapenstilstand niet gerustgesteld. Er was nog een hart, dat dezelfde +zekerheid van den eindelijken afloop gevoelde, en dat was het hartje +van Eva. Wat is het, dat de ziel somtijds zoo kalm en zoo duidelijk +zegt dat haar tijd op aarde kort zal zijn? Is het een geheim instinct +der stervende natuur, of eene geheimzinnige bewustheid van den geest, +dat de onsterfelijkheid nadert? Wat het wezen moge, het woonde in +het hart van Eva, als een kalme, streelende zekerheid, dat de hemel +nabij was; en daarmede was haar hartje voldaan, en werd alleen nog +ontrust door het leedwezen met hen, die haar zoo hartelijk liefhadden. + +Want het kind, hoewel zoo teeder verzorgd, en schoon het leven zich +voor haar opende met al de helderheid, welke liefde en overvloed +aan het uitzicht konden geven, had voor zich zelve geen tegenzin in +het sterven. + +In dat boek, waarin zij en haar eenvoudige oude vriend zooveel te zamen +gelezen hadden, had zij het beeld gevonden van Een, die de kinderkens +liefhad; en terwijl zij staarde en peinsde, had dat beeld opgehouden +een schilderij uit het lang verleden te zijn, en was eene levende, +alomtegenwoordige werkelijkheid geworden. Zijne liefde omving het +kinderlijke hart met meer dan sterfelijke teederheid; en het was naar +Hem en naar Zijn huis, zeide zij, dat zij heenging. + +Maar haar hart bleef toch met treurige teederheid gehecht aan allen +die zij zou achterlaten--het meest aan haren vader; want hoewel zij dit +nooit duidelijk dacht, voelde Eva er toch eene onwillekeurige zekerheid +van, dat zij meer in zijn hart woonde dan in eenig ander. Zij had +hare moeder lief, omdat zij zoo vol liefde was; en al de zelfzucht, +welke zij in deze zag, bedroefde en verbijsterde haar slechts, want +zij koesterde het blinde vertrouwen van een kind, dat hare moeder geen +kwaad kan doen. Er was iets in de moeder, waarvan Eva geen begrip +kon krijgen, en zij bewimpelde dit voor zich zelve door te denken +dat deze toch hare mama was, en had haar toch waarlijk en innig lief. + +Zij was ook gehecht aan die trouwe bedienden, voor wie zij als +daglicht en zonneschijn was. Kinderen bekommeren zich doorgaans niet om +algemeene belangen; maar Eva was een ongewoon vroeg ontwikkeld kind, +en wat zij gezien had van het kwaad, dat het stelsel waaronder zij +leefde medebracht, was al dieper en dieper in haar peinzend hartje +gedaald. Zij had een onbestemd verlangen om iets voor hen te doen, om +hen niet alleen, maar allen in hunnen staat, te redden en gelukkig te +maken--een verlangen, dat een droevig contrast vormde met de zwakheid +harer krachten. + +"Och Tom," zeide zij eens, toen zij voor haren vriend las, "nu kan +ik begrijpen waarom Jezus voor ons wilde sterven." + +"Waarom, Miss Eva?" + +"Omdat ik dat ook gevoeld heb." + +"Wat is dat, Miss Eva?--Dat begrijp ik niet." + +"Ik kan het u niet zeggen. Maar toen ik die arme schepsels op de boot +zag, weet ge, toen wij hiernaar toe kwamen, sommigen die hunne moeder, +en sommigen die hare mannen hadden verloren, en sommige moeders die om +hare kinderen schreiden; en toen ik dat van de arme Prue hoorde--was +dat niet schrikkelijk?--en nog heel dikwijls op andere tijden, heb +ik gevoeld, dat ik gaarne zou willen sterven, als mijn sterven een +einde aan al die ellende kon maken. Ik zou voor hen willen sterven, +Tom, als ik kon," zeide het kind ernstig, haar uitgeteerde handje op +zijne hand leggende. + +Tom zag haar nu met zekere eerbiedige ontzetting aan; en toen zij, +de stem van haren vader hoorende, heentrippelde, veegde hij terwijl +hij haar nazag verscheidene malen zijne oogen af. + +"Het baat niet of wij Miss Eva hier willen houden," zeide hij tegen +Mammy, die hij een oogenblik later ontmoette. "Zij heeft het teeken +des Heeren op haar voorhoofd." + +"Och, ja, ja," antwoordde Mammy hare handen opheffende. "Dat heb +ik altijd gezegd. Zij geleek nooit naar een kind dat moest blijven +leven--er was altijd iets dieps in hare oogen. Ik heb het mevrouw zoo +dikwijls gezegd--en nu komt het uit--dat zien wij nu--allen--dat lieve, +kleine, gezegende lam!" + +Eva kwam de stoep op naar haren vader toe. Het was laat in den +namiddag, en de zonnestralen vormden eene soort van glorie achter haar, +toen zij aankwam in haar wit kleedje, met haar goudblonde lokken, +gloeiende wangen en onnatuurlijk heldere oogen, schitterende door de +koorts, die in hare aderen brandde. + +St. Clare had haar geroepen om haar een beeldje te laten zien, dat +hij voor haar gekocht had; maar haar voorkomen, toen zij naderde, +maakte een plotselingen en pijnlijken indruk op hem. Er is eene soort +van schoonheid, zoo bekoorlijk, en tevens zoo broos, dat wij die niet +kunnen aanzien. Haar vader sloot haar in zijne armen en vergat bijna +wat hij haar wilde zeggen. + +"Eva, liefje, ge zijt toch beter tegenwoordig, zijt ge niet?" + +"Papa," antwoordde Eva met eene ongewone vastheid van toon, "er zijn al +lang dingen geweest, die ik u zeggen wilde, en ik wil ze u nu zeggen, +eer ik zwakker word." + +St. Clare beefde, terwijl Eva zich op zijne knie plaatste. + +Zij leide haar hoofdje tegen zijne borst en vervolgde: + +"Het baat niet, Papa, of ik het langer voor mij zelve wil houden. De +tijd komt dat ik u verlaten zal. Ik ga heen en kom dan nooit terug." En +Eva snikte. + +"O kom, mijne lieve kleine Eva," zeide St. Clare, bevende terwijl +hij sprak, maar zich tot een opgeruimden toon dwingende: "gij +zijt zenuwachtig en droefgeestig geworden. Gij moet niet aan zulke +zwaarmoedige gedachten toegeven. Zie eens hier, ik heb een beeldje +voor u gekocht." + +"Neen, Papa," zeide Eva, het zacht wegduwende: "bedrieg u zelven +niet. Ik ben niet beter--dat weet ik heel wel; en ik ga heen +binnenkort. Ik ben niet zenuwachtig--ik ben niet zwaarmoedig. Als +het niet om u en mijne vrienden was, Papa, zou ik blijde zijn. Ik +wil gaarne gaan--ik verlang om te gaan." + +"Maar, lief kind, wat heeft uw hartje zoo treurig gemaakt? Gij hebt +alles gehad wat u maar gegeven kon worden om u gelukkig te maken." + +"Ik zou toch liever in den hemel willen zijn--alleen om mijne vrienden +zou ik nog gaarne blijven leven. Er zijn vele dingen hier, die mij +droevig maken, die mij schrikkelijk voorkomen. Ik zou liever daar +willen zijn--maar ik zou u toch niet willen verlaten--het breekt mij +het hart bijna." + +"Wat maakt u zoo droevig, wat komt u zoo schrikkelijk voor, Eva?" + +"Ach, dingen die er gedaan zijn en nog gedurig gedaan worden. Ik ben +bedroefd over onze arme slaven; zij hebben mij lief en zijn goed en +vriendelijk voor mij. Ik wenschte, Papa, dat zij allen vrij waren." + +"Maar, Eva, kind, denkt gij dan niet dat zij het tegenwoordig goed +genoeg hebben?" + +"Maar o, Papa, als u iets gebeuren mocht, wat zou er dan van hen +worden? Er zijn heel weinig menschen, die u gelijken, Papa. Oom +Alfred gelijkt niet naar u, en mama ook niet; en denk dan eens aan +de eigenaars van die arme oude Prue! Welke schrikkelijke dingen doet +men en kan men doen?" En Eva huiverde. + +"Lief kind, gij zijt al te gevoelig. Het spijt mij dat ik u ooit +zulke histories heb laten hooren." + +"Ach, Papa, dat is het wat mij ontrust. Gij wilt dat ik gelukkig +zal zijn, en nooit eenige pijn hebben, en nooit iets lijden, zelfs +niets akeligs hooren, terwijl andere arme menschen hun leven lang +niets dan pijn en droefheid hebben; dat schijnt zoo eigenlievend. Ik +behoor zulke dingen te weten--ik behoor er gevoel voor te hebben. Zulke +dingen zinken mij altijd in het hart, diep in het hart. Ik heb er over +gedacht en weder gedacht. Papa, is er geen middel om alle slaven vrij +te maken?" + +"Dat is eene moeielijke vraag, liefje. Er is geen twijfel aan of deze +staat van zaken is zeer slecht, en vele menschen denken er zoo over, +ik zelf insgelijks. Ik zou hartelijk wenschen, dat er geen slaaf in +het land was, maar ik weet toch niet wat er aan te doen." + +"Papa, gij zijt zulk een goed man, zoo edeldenkend en menschlievend, +en gij weet alles op zulk eene innemende manier te zeggen; zoudt gij +niet kunnen rondgaan en beproeven de menschen te overreden om hierin +te doen wat recht is? Als ik dood ben, Papa, dan zult gij aan mij +denken en het om mijnentwil doen. Ik zou het doen als ik kon." + +"Als gij dood zijt, Eva?" zeide St. Clare met aandoening. "O, kind, +spreek toch zoo niet. Gij zijt al wat ik op de wereld heb." + +"Het kind van die arme oude Prue was ook al wat zij had, en toch +moest zij het hooren schreeuwen en kon het niet helpen. Papa, die +arme schepsels hebben hunne kinderen even lief, als gij mij hebt. O, +doe toch iets voor hen. Daar is de arme Mammy, die hare kinderen +zoo liefheeft; ik heb haar zien schreien als zij er van sprak. En +Tom heeft zijne kinderen ook zoo lief. O, het is schrikkelijk, Papa, +dat zulke dingen gedurig gebeuren." + +"Kom, kom, lieveling," zeide St. Clare troostend; "maak u maar niet +bedroefd en spreek maar niet van sterven, en ik wil alles doen wat +gij maar verlangt." + +"Beloof mij dan, lieve vader, dat Tom zijne vrijheid zal hebben +zoodra...." zij bleef hier steken en voegde er aarzelend bij: +"zoodra ik hier vandaan ben." + +"Ja, liefje, ik wil alles doen--al wat gij maar vragen kunt." + +"Lieve Papa," zeide Eva, hare gloeiende wangen tegen de zijne leggende, +"hoe wenschte ik dat wij te zamen konden gaan!" + +"Waarheen liefje?" + +"Naar het Huis van onzen Zaligmaker. Het is daar zoo zoet en +vreedzaam--allen hebben elkander daar zoo lief." Het kind sprak +onwillekeurig als van eene plaats waar zij dikwijls geweest +was. "Verlangt gij ook niet te gaan, Papa?" zeide zij. + +St. Clare drukte haar vaster aan zijne borst, maar zweeg. + +"Gij zult eens bij mij komen," zeide het kind op den toon van geruste +zekerheid sprekende, dien zij dikwijls onwillekeurig aannam. + +"Ik zal u nakomen. Ik zal u niet vergeten," zeide haar vader. + +De plechtige avondschemering werd al donkerder en donkerder, terwijl +St. Clare daar nog zat met zijne lieveling in de armen. Hij zag de +zielvolle oogen niet meer, maar de stem klonk hem als eene geestenstem +in de ooren: en als in een visioen rees in een oogenblik geheel zijn +leven voor hem op--de gebeden en gezangen zijner moeder--zijne eigene +kinderlijke zucht en streven naar het goede--en tusschen die dagen +en dit uur jaren van aardschgezindheid en twijfelzucht, en wat men +een onberispelijk leven noemt. Men kan in een oogenblik veel, zeer +veel denken. St. Clare zag en gevoelde veel, maar hij sprak niet; en +toen het donkerder werd, bracht hij zijn kind naar haar slaapkamertje; +en toen zij te bed was geholpen, zond hij de bedienden weg, en hield +haar in zijnen arm en zong voor haar tot zij sliep. + + + + + +VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + +DE KLEINE EVANGELIST. + + +Het was Zondag-namiddag; St. Clare lag op eene van riet gevlochten +bank onder de veranda en rookte eene sigaar. Marie lag op eene sofa, +tegenover het venster dat onder de veranda uitkwam, door eene gordijn +van doorzichtig gaas tegen den overlast der muskieten beschermd, en +met een fraai gebonden gebedenboekje lusteloos in de hand. Zij had +dit bij zich omdat het Zondag was, en verbeeldde zich dat zij er in +gelezen had, hoewel zij slechts met het boekje in de hand eene reeks +van dutjes had gedaan. + +Ophelia, die na eenig zoeken een kleine _meeting_ van methodisten +in de nabijheid had ontdekt, was met Tom als koetsier en met Eva tot +gezelschap daarheen gereden. + +"Zeg eens, Augustine," zeide Marie, na nog een dutje: "Ik moet mijn +ouden dokter Posey uit de stad laten komen. Ik ben zeker dat ik eene +hartkwaal heb." + +"Maar wat behoeft gij hem te laten komen? De dokter die over Eva +praktizeert, schijnt zeer bekwaam te zijn." + +"Ik zou hem in een kritiek geval niet vertrouwen," antwoordde Marie; +"en ik meen wel te mogen zeggen dat het mijne dat wordt. Ik heb er +al twee nachten over liggen denken. Ik heb zulk eene akelige pijn en +zulk een vreemd gevoel." + +"Och, Marie, ge zijt hypochondrisch. Ik geloof het niet dat het eene +hartkwaal is." + +"Dat gij het niet gelooft kan ik wel denken, en had ik ook wel +verwacht," antwoordde Marie. "Gij kunt u ongerust genoeg maken als Eva +maar kucht of haar het minste scheelt, maar om mij denkt gij nooit." + +"Als het u bijzonder pleizier doet eene hartkwaal te hebben, welnu, +doe dan uw best maar om te bewijzen dat gij er eene hebt," zeide +St. Clare. "Ik had het niet gedacht." + +"Wel, ik hoop maar dat het u niet spijten zal als het te laat is," +zeide Marie, "maar geloof of geloof het niet, mijne droefheid over Eva +en de vermoeienissen, die ik voor dat lieve kind van mij heb gevergd, +hebben datgene doen ontwikkelen, wat ik reeds lang vermoed had." + +Welke vermoeienissen het waren, die Marie bedoelde, zou niet +gemakkelijk te zeggen zijn geweest. St. Clare maakte bij zich zelven +die aanmerking en bleef toen gevoelloos liggen rooken, tot er een +rijtuig voor de veranda stilhield en Eva en hare tante daaruit stapten. + +Miss Ophelia ging altijd naar hare kamer om haar hoed en sjaal te +gaan bergen, gelijk hare vaste gewoonte was, eer zij nog een woord +over iets sprak; terwijl Eva, door haar vader geroepen, op zijne knie +kwam zitten en hem een verslag van de preek gaf. + +Weldra hoorde men in de kamer van Ophelia, die insgelijks op de veranda +uitkwam, eenige luide uitroepingen en daarop eene scherpe bestraffing, +tot den een of ander gericht. + +"Welk nieuw kattekwaad zou Topsy weer aangericht hebben?" zeide +St. Clare. "Die opschudding is haar bedrijf, daar wil ik op wedden." + +Een oogenblik later kwam Ophelia aan, ten hoogste verbolgen en de +schuldige met zich medetrekkende. + +"Kom hier buiten," zeide zij. "Nu wil ik het uwen meester zeggen." + +"Wat is de zaak?" zeide Augustine. + +"De zaak is dat ik met dit kind niet langer wil geplaagd wezen. Het is +niet te verdragen; vleesch en bloed kunnen het niet uitstaan. Daar had +ik haar nu opgesloten en een gezang gegeven om van buiten te leeren; +en wat heeft zij nu gedaan;--afgeloerd waar ik mijne sleutels berg, +mijn bureau opengedaan, er voering van een hoed uitgehaald en die +geheel aan stukjes geknipt, om poppejakjes te maken. Ik heb nooit in +mijn leven zoo iets gezien." + +"Ik heb u wel gezegd, Nicht," zeide Marie, "dat ge wel ondervinden +zoudt dat die schepsels niet zonder strengheid kunnen opgebracht +worden. Als ik mijn zin nu deed," vervolgde zij, St. Clare verwijtend +aanziende, "zou ik die meid eens goed laten geeselen; ik zou haar +laten geeselen, dat ze niet meer staan kon." + +"Daar twijfel ik niet aan," zeide St. Clare. "Spreek me maar van de +zachte heerschappij der vrouw. Ik heb nooit meer dan een half dozijn +vrouwen gekend, die niet in staat zouden zijn, om een paar meiden of +een meid dood te laten slaan, als zij haar eigen zin mochten doen." + +"Ik weet niet hoe gij u nog langer bedenken kunt, St. Clare," hervatte +Marie. "Nicht is eene verstandige vrouw en zij ziet het nu evengoed +als ik.' + +Ophelia was wel in staat om zich zoo boos te maken als eene goede +huishoudster behoort te kunnen doen, en zij had zich over de listigheid +en baldadigheid van het kind zoo boos gemaakt als zij maar worden kon; +maar wat Marie voorsloeg was haar toch al te grof en zij voelde zich +dadelijk veel minder warm. + +"Ik zou het kind voor de geheele wereld zoo niet willen behandelen," +zeide zij; "maar het is toch zoo, Augustine, ik weet niet meer wat +te doen. Ik heb haar geleerd en geleerd; ik heb gepraat tot ik er moe +van werd, ik heb haar gestraft op alle manieren die ik bedenken kon, +en zij is nog juist hetzelfde wat zij in het begin was." + +"Kom hier, Topsy, gij kleine meerkat!" zeide St. Clare, het kind +roepende. + +Topsy kwam. In hare ronde oogen flikkerde een mengeling van vrees en +hare gewone koddige dartelheid. + +"Waarom gedraagt gij u zoo?" zeide St. Clare, die bijna niet nalaten +kon om de uitdrukking van het zwarte gezichtje te lachen. + +"Ik geloof dat het aan mijn goddeloos hart ligt," antwoordde Topsy +zeer stemmig. "Miss Phelia zegt dit." + +"Begrijpt gij dan niet hoeveel Miss Ophelia voor u gedaan heeft? Zij +zegt dat zij alles gedaan heeft wat zij bedenken kon." + +"Och meester, mijne oude meesteres placht dit ook te zeggen. Zij +sloeg mij veel harder, en trok mij bij de haren en beukte mij met +mijn hoofd tegen de deur; maar het deed mij toch geen goed. Ik geloof +al trokken zij ieder haartje uit mijn hoofd, het zou mij nog geen +goed doen.--Zoo goddeloos ben ik. Och! Ik ben niets anders dan een +neger--anders niets." + +"Nu, ik zal van haar moeten afzien," zeide Ophelia. "Ik kan dien last +niet langer hebben." + +"Ik zou u toch wel ééne vraag willen doen," zeide St. Clare. + +"Welke vraag?" + +"Wel, als uw Evangelie geen kracht genoeg heeft om één heidensch kind +te redden, dat gij geheel onder uwe macht tehuis bij u hebt, wat +baat het dan om daarmede een paar arme zendelingen te zenden onder +duizenden van zulke schepselen? Ik meen toch dat dit kind nagenoeg +een staaltje zal wezen van wat duizenden heidenen zijn." + +Ophelia gaf niet dadelijk antwoord; en Eva, die dit tooneel tot +nog toe stil had aangezien, gaf Topsy zwijgend een teeken om haar +te volgen. Op den hoek der veranda was een afgeschoten kamertje van +glasramen, waarin St. Clare dikwijls zat te lezen, en het was in dit +vertrekje dat Eva met Topsy verdween. + +"Wat gaat Eva nu beginnen?" zeide St. Clare. "Dat moet ik toch zien." + +Hij sloop op de teenen nader en lichtte de gordijnen op, die voor +de glazen deur hingen. Een oogenblik later gaf hij, met den vinger +op de lippen, Ophelia een wenk om ook te komen zien. Daar zaten de +twee kinderen op den grond, zoodat hunne gezichtjes juist op zijde +konden gezien worden--Topsy met hare gewone, koddige, halfspottende +onverschilligheid; maar tegenover haar Eva, met vurige aandoening in +al hare trekken en tranen in de oogen. + +"Waarom maakt gij het zoo slecht, Topsy? Waarom wilt gij uw best niet +doen om goed te zijn? Is er niemand dien gij liefhebt, niemand van +wien gij houdt, Topsy?" + +"Van liefhebben weet ik niet af; en ik houd van klontjes en zoo, +anders niet," antwoordde Topsy. + +"Maar hebt ge dan uw vader en uwe moeder niet lief?" + +"Nooit gehad, weet ge wel. Dat heb ik u gezegd, Miss Eva." + +"O ja, dat weet ik," zeide Eva treurig. "Maar hebt gij dan geen +broeder of zuster gehad, of tante, of...." + +"Neen, niets van dat--heb nooit iemand of iets gehad." + +"Maar, Topsy, als ge maar uw best woudt doen om goed te zijn, dan +zoudt ge...." + +"Ik zou toch nooit iets anders dan een neger kunnen wezen, al was ik +nog zoo goed," zeide Topsy. "Als ik gevild kon worden en blank worden, +dan zou ik mijn best doen." + +"Maar men kan u toch wel liefhebben, al zijt gij zwart, Topsy. Miss +Ophelia zou u liefhebben, als gij maar goed waart." + +Topsy liet den korten schamperen lach hooren, waarmede zij gewoon +was ongeloof aan te duiden. + +"Denkt gij dat niet," zeide Eva. + +"Neen, zij kan mij niet uitstaan, omdat ik eene negerin ben! Zij zou +even lief hebben dat eene padde haar aanraakte. Niemand kan negers +liefhebben, en negers kunnen niets doen. Maar het kan mij niet +schelen." En Topsy begon te fluiten. + +"O, Topsy, arm kind, ik heb u lief!" zeide Eva met eene plotselinge +uitbarsting van aandoening, en haar wit uitgeteerd handje op Topsy's +schouder leggende. "Ik heb u lief, omdat gij nooit vader, moeder of +vrienden hebt gehad, omdat gij een arm mishandeld kind zijt geweest. Ik +heb u zeer lief, en ik wenschte dat gij al goed waart. Ik ben heel +ziek, Topsy, en ik denk dat ik niet lang leven zal; en het spijt mij +waarlijk u zoo ondeugend te zien. Ik wenschte dat gij om mijnentwil +uw best deedt om goed te zijn, Topsy: het is nog maar een korte poos +dat ik bij u zal wezen." + +De ronde flikkerende oogen van het zwarte kind werden door tranen +beneveld; groote, heldere droppels rolden een voor een over hare +wangen en vielen op het blanke handje. Ja, op dat oogenblik had een +straal van waar geloof, een straal van hemelsche liefde de duisternis +harer heidensche ziel doordrongen! Zij liet haar hoofd tusschen hare +knieën zinken en schreide en snikte, terwijl het schoone meisje, +over haar heengebogen, op het beeld van een heerlijken engel geleek, +afdalende om een zondaar te redden. + +"Arme Topsy!" zeide Eva, "weet gij niet dat Jezus allen eveneens +liefheeft? Hij is even gewillig om u lief te hebben als mij. Hij heeft +u even lief als ik, nog meer, omdat Hij beter is. Hij zal u helpen +om goed te zijn. En gij kunt eindelijk naar den hemel gaan en voor +eeuwig een engel worden, evengoed alsof gij blank waart. Bedenk dat +eens, Topsy! Gij kunt een van die zalige geesten worden, waar Oom +Tom van zingt." + +"O, lieve Miss Eva, lieve Miss Eva," zeide het kind. "Ik wil mijn +best doen. Ik wil mijn best doen. Voorheen heeft het mij nooit kunnen +schelen." + +Op dit oogenblik liet St. Clare de gordijn vallen. + +"Dat herinnert mij aan moeder," zeide hij tegen Ophelia. "Het is +waar wat zij mij zeide: "Als wij de blinden het gezicht willen geven, +moeten wij willen doen wat Christus deed--hen tot ons roepen en _onze +handen op hen leggen_." + +"Ik heb altijd een vooroordeel tegen negers gehad," zeide Ophelia, +"en het is waar, ik heb nooit kunnen velen, dat dat kind mij aanraakte; +maar ik dacht dat zij het niet wist." + +"Wees er maar zeker van, dat ieder kind zoo iets ontdekt," zeide +St. Clare. "Dat is niet voor hen te verbergen. Maar ik geloof dat +alle pogingen om een kind wel te doen, en alle wezenlijke gunsten, +die men het bewijzen kan, nooit eenige opwelling van dankbaarheid +kunnen teweegbrengen, zoolang dat gevoel van tegenzin in het hart +blijft; het mag zonderling zijn, maar het is zoo." + +"Ik weet niet hoe ik het veranderen kan," antwoordde Ophelia. "Zij +_zijn_ mij onaangenaam, en dit kind in het bijzonder. Hoe kan ik dat +gevoel bedwingen?" + +"Eva doet het toch, naar het schijnt." + +"Maar zij is ook zoo liefhebbend!" zeide Ophelia. "Evenwel, zij is +toch niet meer dan christelijk. Ik wenschte dat ik op haar geleek. Zij +zou mij nog wel eene les kunnen geven." + +"Het zou de eerste maal niet zijn, dat een klein kind gebruikt was +om een ouden discipel te onderwijzen," zeide St.-Clare. + + + + + +ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + +DOOD. + + "Ween niet om hen, wie de sluier des grafs + In 's levens morgenstond heeft voor ons oog verborgen." + + +Eva's slaapkamer was een ruim vertrek, dat, gelijk al de andere kamers +van het huis, op de breede veranda uitkwam. Aan de eene zijde grensde +het aan de kamer van haren vader en moeder, aan de andere aan die, +welke Miss Ophelia in gebruik had. St.-Clare had zijn eigen smaak +gevolgd in het meubileeren van dit vertrek in een trant, welke volkomen +met het karakter van haar voor wie het bestemd was strookte. De +vensters waren met gordijnen van rozerood en wit neteldoek behangen; +de vloer was bedekt met eene mat, die men van Parijs had laten komen, +naar een patroon van zijne eigene teekening, dat in het rond een rand +van rozeknoppen en bladeren, en in het midden een perk geheel ontloken +rozen had. Het ledikant, de stoelen en de sofa's waren van bamboes in +bijzonder sierlijke patronen gevlochten. Aan het hoofdeinde van het +ledikant was eene albasten console, waarop een schoon gebeeldhouwde +engel, met saamgevouwen vleugelen stond, die een mirtekrans ophield; +van dien krans hingen de lichte gordijnen van rooskleurig met +zilver gestreept gaas af, welke die beschutting gaven, welke in dat +klimaat een onmisbaar vereischte voor elke slaapplaats is. Op de +sierlijke sofa's van bamboes lagen kussens van rooskleurig damast, en +daaroverheen hingen, door beelden opgehouden, dergelijke gordijnen als +die van het ledikant. Eene fraaie, insgelijks van bamboes gevlochten +tafel stond midden in het vertrek, en daarop een wit marmeren vaas, +in den vorm eener lelie met knoppen, altijd met bloemen gevuld. Op +deze tafel lagen Eva's boeken en snuisterijen, en stond ook een +sierlijke albasten inktkoker, dien haar vader haar had gegeven, +toen hij zag dat zij moeite deed om te leeren schrijven. Er was eene +stookplaats in het vertrek, en op den schoorsteenmantel stond eene +uitmuntend gebeeldhouwde kleine groep, Jezus de kinderen zegenende, +tusschen twee marmeren vazen, welke Tom zorgde elken morgen van versche +bloemruikers te voorzien. Eenige uitmuntende schilderijen van kinderen, +in verschillende houdingen, verfraaiden de wanden. Kortom, het oog kon +zich nergens heenwenden, zonder de beelden van kindsheid, schoonheid +en zielevrede te ontmoeten. Die twee oogjes openden zich nooit voor +het morgenlicht, zonder iets te zien dat het hartje streelde en het +veredelende gedachten moest inboezemen. + +De bedriegelijke kracht, welke Eva eene poos had ondersteund, verdween +spoedig weder; al zeldzamer en zeldzamer hoorde men haar lichten tred +onder de veranda, en als men haar zocht, vond men haar gewoonlijk op +eene sofa voor het open venster liggen, met de oogen op de kabbelende +golfjes van het meer gevestigd. + +Het was eens op een namiddag, terwijl zij zoo lag--met haren Bijbel +half open bij haar, en de dunne doorschijnende vingertjes lusteloos +tusschen de bladen--dat zij de stem harer moeder, schel en driftig +onder de veranda hoorde. + +"O, gij ondeugend nest, wat hebt gij nu weer uitgevoerd? Bloemen +geplukt, he?" En Eva hoorde den klank van een harden klap. + +"Och, Mevrouw, zij zijn voor Miss Eva," hoorde zij eene stem zeggen, +welke zij voor die van Topsy herkende. + +"Voor Miss Eva? Een mooi verzinsel! Denkt gij dat zij bloemen van u +noodig heeft, gij logenachtig ding? Maak dat gij weg komt." + +In een oogenblik was Eva op en naar de veranda. + +"O, neen, Mama, ik zou de bloemen gaarne hebben. Geef ze mij toch. Ik +verlang er naar." + +"Maar, Eva, uwe kamer is vol." + +"Ik kan er nooit te veel hebben," antwoordde Eva. "Topsy, breng ze +mij hier." + +Topsy, die met een hangend hoofd druilend was blijven staan, kwam nu +en bood hare bloemen aan. Zij deed dit met eene schroomvalligheid +en bedeesdheid, zeer verschillende van de zonderlinge koddige +onbeschaamdheid en levendigheid, die haar anders eigen waren. + +"Het is een mooi bouquetje!" zeide Eva, het beziende. + +Het was zeker buitengemeen genoeg--een enkele schitterende roode +geranium en eene enkele witte japonica, met hare glanzige bladeren. Het +was blijkbaar zoo gekozen door een oog dat gevoel had voor het contrast +van kleuren, en elk blaadje was met zorg geschikt. + +Topsy scheen zeer in haren schik toen Eva zeide: "Topsy, gij kunt heel +aardig bloemen schikken. Hier in dit vaasje heb ik er nog geen. Ik +wou dat gij er alle dagen een ruikertje voor kondt maken." + +"Welk een wonderlijke inval!" zeide Marie. "Wat in de wereld wilt ge +toch daarmede doen?" + +"Och niets, Mama; maar gij wilt immers wel hebben dat Topsy dit doet, +niet waar?" + +"Natuurlijk, alles wat u genoegen kan geven, liefje. Topsy, gij hoort +wat uwe jonge meesteres zegt; pas op dat gij er voor zorgt." + +Topsy neeg even en keek voor zich neer; en toen zij zich omkeerde, +zag Eva een traan over hare zwarte wang rollen. + +"Ziet ge, Mama, ik wist wel dat die arme Topsy iets voor mij wilde +doen," zeide Eva tegen hare moeder. + +"Och kom, gekheid! Het is maar alleen omdat zij gaarne kwaad doet. Zij +weet dat zij geen bloemen mag plukken, en daarom doet zij het--anders +is het niet. Maar als gij er pleizier in hebt dat zij ze plukt, +laat het dan zoo zijn. + +"Mama, ik geloof dat Topsy anders is dan zij placht te wezen. Zij +wil nu haar best doen om een goed meisje te worden." + +"Zij zal lang haar best moeten doen eer haar dat gelukt," zeide Marie +met een onverschilligen lach. + +"Maar gij weet ook wel, Mama, die arme Topsy heeft altijd alles tegen +zich gehad." + +"Toch zeker niet sedert zij hier is. Men heeft haar onderricht en +voor haar gepreekt, en alles gedaan wat iemand op de wereld doen kon; +en zij is even ondeugend en zal dat altijd blijven; van dat schepsel +kunt gij nooit iets maken." + +"Maar, Mama, het maakt zulk een groot verschil, of iemand opgebracht +is zooals ik geworden ben, met zooveel vrienden en zooveel dingen +om mij tevreden en goed te maken, of opgebracht te worden zooals zij +altijd geworden is tot zij hier kwam." + +"Dat zal wel waar zijn," antwoordde Marie. "He, wat is het +warm!" "Mama, gij gelooft toch wel, doet gij niet, dat Topsy een engel +zou kunnen worden, zoowel als een van ons, als zij christen werd?" + +"Topsy! Welk een gekke inval! Niemand dan gij zou ooit daaraan gedacht +hebben. Maar ik denk toch dat het zou kunnen zijn." + +"Maar, Mama, is dan God haar Vader niet, evengoed als de onze? Is +Jezus haar Zaligmaker niet?" + +"Nu ja, dat zal wel wezen. Ik geloof ook dat God alle menschen +geschapen heeft," zeide Marie. "Waar is mijn flacon?" + +"Het is zoo jammer--o zoo jammer!" zeide Eva, naar het meer in de +verte turende en half bij zich zelve sprekende. + +"Wat is jammer?" zeide Marie. + +"Wel, dat iemand die een heerlijke engel zou kunnen zijn, en met +engelen leven, in het verderf zou zinken, en niemand die ongelukkige +helpen zou?" + +"Ja, dat kunnen wij toch niet helpen, en het gaat niet zich daarover +te kwellen, Eva. Ik weet niet wat er aan te doen is. Wij moeten maar +dankbaar zijn voor onze eigene voorrechten." + +"Dat kan ik haast niet wezen," antwoordde Eva, "zoo bedroefd word ik, +als ik aan die arme menschen denk die er geene hebben." + +"Dat is toch vreemd," zeide Marie; "ik weet wel dat mijn godsdienst +mij dankbaar maakt voor mijne voorrechten." + +"Mama," zeide Eva op eens, "ik wou wat van mijn haar hebben +afgeknipt--veel afgeknipt." + +"Waarom?" vroeg Marie. + +"Ik wou het aan mijne vrienden geven, Mama, terwijl ik nog in staat +ben om het zelve te geven. Wilt gij tante niet vragen om eens hier +te komen en het voor mij af te knippen?" + +Marie verhief hare stem en riep Ophelia uit de andere kamer. + +Toen deze binnenkwam, rees Eva half overeind, schudde hare lange +krullen los, en zeide bijna schertsende: "Kom, Tante, scheer het +schaapje!" + +"Wat is dat?" zeide St.-Clare, die juist binnenkwam met eenige +vruchten, die hij voor haar was gaan halen. + +"Papa, ik wilde tante wat van mijn haar laten afsnijden. Ik heb te +veel, en het maakt mijn hoofd heet. En bovendien wilde ik er wat +van weggeven." + +Ophelia kwam met eene schaar. + +"Pas op dat gij het niet ontsiert," zeide St.-Clare. "Knip van onderen +weg, waar het niet te zien zal zijn. Ik ben grootsch op Eva's krullen." + +"O, Papa!" zeide Eva treurig. + +"Ja zeker, en ik wil ze mooi hebben gehouden, tegen den tijd dat ik u +medeneem naar de plantage van uwen oom, om neef Henrique te bezoeken," +zeide St.-Clare op een vroolijken toon. + +"Ik zal nooit daarheen gaan; ik ga naar een beter land. O, geloof +mij toch! Ziet ge niet, Papa, dat ik elken dag zwakker word?" + +"Waarom dringt gij mij zoo om iets te gelooven, dat mij zoo verdrietig +zou zijn, Eva?" zeide haar vader. + +"Alleen omdat het waar is, Papa; en als gij het nu gelooven wilt, +zult gij er misschien even kalm onder worden als ik." + +St.-Clare kneep zijne lippen dicht en bleef somber staan toezien, +terwijl de fraaie lange krullen van het hoofd zijner dochter werden +afgeknipt, en een voor een in haren schoot gelegd. Zij nam ze op, zag +ze ernstig aan, wond ze om hare dunne vingertjes, en keek tusschenbeide +met angstige treurigheid naar haar vader op. + +"Dat is het juist, waarvan ik een voorgevoel heb gehad," zeide +Marie. "Dat is het, wat van dag tot dag aan mijne gezondheid heeft +geknaagd en mij naar het graf brengt, hoewel niemand er op let. Ik +heb dit al lang voorzien, en spoedig, St.-Clare, zult gij zien dat +ik gelijk had." + +"En dat zal u zeker een grooten troost geven," zeide St.-Clare droog +en bitter. + +Marie liet zich achterover op eene sofa zakken en bedekte haar gelaat +met haren zakdoek. + +Eva's helderblauwe oogen keerden zich ernstig starende van den een +naar den ander. Het was de kalme, heldere blik eener ziel, reeds +half van hare aardsche banden ontslagen; het was duidelijk dat zij +verschil tusschen die twee zag en gevoelde. + +Zij wenkte haar vader met haar handje. Hij kwam en zette zich bij +haar neer. + +"Papa, mijne kracht vermindert van dag tot dag, en ik weet dat ik +moet heengaan. Er zijn nog eenige dingen, die ik zeggen en doen wilde +en die ik niet verzuimen mag; en gij zijt zoo bang om mij een woord +daarover te laten spreken. Maar het moet toch gebeuren, het kan niet +uitgesteld worden. Wees toch gewillig dat ik nu spreek." + +"Ik ben gewillig, mijn kind," zeide St.-Clare, met de eene hand zijne +oogen bedekkende en met de andere Eva's handje vasthoudende. + +"Dan wilde ik al onze lieden bij elkander zien. Er zijn eenige dingen +die ik hun moet zeggen." + +"Welnu dan," antwoordde St.-Clare, op een toon van doffe berusting. + +Ophelia zond iemand heen, en weldra waren al de bedienden in de kamer +bij elkander. + +Eva zat in de kussens, rustende op de sofa; hare overgeblevene lokken +zwierden los om haar gezichtje; hare gloeiende wangen vormden een +pijnlijk contrast met de bleeke blankheid harer kleur en de magerheid +harer trekken en leden; en hare groote, zielvolle oogen zagen iedereen +ernstig aan. + +Eene plotselinge ontroering beving al de bedienden. Dat gezichtje van +bovenaardsche schoonheid, de lange afgeknipte haarlokken, het afgewende +gelaat van den vader, het snikken der moeder, dat alles maakte een +diepen indruk op het gevoel van zulke licht aandoenlijke menschen; +en toen zij binnenkwamen zagen zij elkander aan, zuchtten en schudden +het hoofd. Er volgde eene diepe stilte, gelijk bij eene begrafenis. + +Eva beurde zich op en zag eene poos ernstig in het rond. Alle gezichten +stonden droevig; vele der vrouwen verborgen het gezicht achter haar +voorschoot. + +"Ik heb u allen laten roepen, mijne vrienden," zeide Eva, "omdat +ik u liefheb. Ik heb u allen lief, en ik heb iets te zeggen, dat +ik wensch dat gij altijd onthouden zult. Ik ga u verlaten. Over nog +eenige weken zult gij mij niet meer zien..." + +Hier werd zij in de rede gevallen door eene uitbarsting van kermende +zuchten, snikken en jammerklachten, die hare zwakke stem geheel +verdoofden. Zij wachtte een oogenblik, en toen zeide zij op een toon +die alles tot stilte bracht: + +"Als ge mij liefhebt, moet ge mij zoo niet storen. Luistert naar +wat ik zeg. Ik wilde over uwe zielen spreken. Vele van u, vrees ik, +zijn zeer zorgeloos. Gij denkt alleen aan deze wereld. Ik wilde u doen +bedenken en onthouden dat er een schoone wereld is, waar Jezus is. Ik +ga daarheen, en gij kunt ook daarheen gaan; die wereld is voor u, +zoowel als voor mij. Maar als gij daarheen wilt gaan, moet gij niet +los, zorgeloos en gedachteloos leven; dan moet gij christenen zijn. Gij +moet altijd onthouden, dat gij allen, een voor een, engelen kunt +worden en voor eeuwig engelen zijn.--Als gij christenen wilt worden, +zal Jezus u helpen. Gij moet tot Hem bidden; gij moet lezen...." + +Hier bedacht zij zich, zag hen medelijdend aan en zeide treurig: "Ach, +gij kunt niet lezen! Arme zielen!" En toen verborg zij haar gezichtje +in de kussens en schreide, totdat de gesmoorde zuchten van hen, wie +zij had aangesproken en die nu om haar heen op den grond knielden, +haar opwekten. + +"Dat is niets," zeide zij, zich weder oprichtende en door hare tranen +heen helder glimlachende: "ik heb voor u gebeden, en ik weet dat +Jezus u helpen zal, al kunt gij niet lezen. Doet allen uw best maar, +bidt elken dag; vraagt Hem om u te helpen, en laat u uit den Bijbel +voorlezen, zoo dikwijls gij kunt, dan denk ik dat ik u allen in den +hemel zal zien." + +"Amen!" was het antwoord, dat nu door Tom en Mammy en eenige anderen +der oudsten, die tot de methodistische kerk behoorden, gepreveld +werd. De jongeren en andere loszinnigen, thans geheel vermurwd, +lagen met gebogen hoofd op de knieën te snikken. + +"Ik weet," zeide Eva, "dat gij mij allen zeer liefhebt." + +"Ja, o ja! Waarlijk doen wij dat! God zegene haar!" was het algemeene +onwillekeurige antwoord. + +"Ja, dat weet ik. Er is niemand onder u, die niet altijd heel goed voor +mij geweest is; en ik wilde u iets geven, dat ge mij altijd gedenken +moogt, als ge het ziet. Ik zal u ieder eene krul van mijn haar geven; +en als ge die aanziet, denk dan dat ik u liefhad en naar den hemel +ben gegaan, en dat ik zoo verlang u allen daar te zien." + +Het is onmogelijk het tooneel te beschrijven dat nu volgde, terwijl +allen zich met tranen en snikken om het kind verzamelden en uit hare +hand het laatste teeken harer liefde ontvingen. Zij vielen op hunne +knieën, zij snikten, baden en kusten den zoom van haar kleed; terwijl +de oudsten een vloed van teedere benamingen uitstortten, met gebeden en +zegenwenschen gemengd, op de wijze van hunnen hartstochtelijken stam. + +Ophelia, beducht voor den invloed van al deze aandoeningen op de +kleine lijderes, wenkte ieder die hare gift ontvangen had om uit de +kamer te gaan. + +Eindelijk waren allen vertrokken, behalve Tom en Mammy. + +"Hier, Oom Tom," zeide Eva, "hier is een mooie voor u. O, ik ben +zoo blij, Oom Tom, als ik denk dat ik u in den hemel zien zal, want +dat zal ik zeker; en Mammy--lieve, goede, vriendelijke Mammy," zeide +zij, teeder hare armpjes om hare oude oppasster slaande, "ik weet, +dat gij daar ook wel zult zijn." + +"O, Miss Eva, ik weet niet hoe ik zonder u leven zal!" riep de +getrouwe oppasster uit. "Het is alsof alles op eens uit het huis wordt +weggenomen," en Mammy gaf zich over aan hare hartstochtelijke smart. + +Ophelia duwde haar en Tom zachtjes de kamer uit en dacht nu dat allen +weg waren, maar toen zij zich omkeerde, stond Topsy daar nog. + +"Waar zijt gij vandaan gekomen?" zeide zij bevreemd. + +"Ik was nog hier," antwoordde Topsy, zich de tranen uit de oogen +vegende. "O, Miss Eva, ik ben een slecht meisje geweest; maar wilt +gij er mij niet ook eene geven?" + +"Ja, arme Topsy, zeker wil ik. Daar--telkens als gij dat aanziet, +denk dan dat ik u liefhad en wenschte dat gij een goed meisje waart." + +"O, Miss Eva, ik doe mijn best," zeide Topsy ernstig; "maar och, +het is zoo moeilijk om goed te zijn. Het lijkt dat ik er mij maar +geheel niet aan gewennen kan." + +"Jezus weet dat wel, Topsy. Hij heeft medelijden met u en Hij zal +u helpen." + +Topsy liet zich met haar voorschoot voor haar oogen, stil door Miss +Ophelia de kamer uitbrengen, maar onder het heengaan verborg zij de +kostbare krul aan hare borst. + +Toen allen weg waren sloot Ophelia de deur. De brave vrouw had onder +dit tooneel veel eigen tranen afgewischt, maar bekommering voor de +gevolgen van zooveel aandoening voor de kleine lijderes had toch de +overhand in haar gemoed. + +St. Clare had al dien tijd met de hand voor de oogen gezeten, en toen +allen heen waren bleef hij nog zitten. + +"Papa!" zeide Eva, hare hand op de zijne leggende. + +Hij maakte eene beweging van schrik en huiverde, maar gaf geen +antwoord. + +"Lieve Papa!" zeide Eva. + +"Ik kan, ik kan het niet doorstaan!" zeide St. Clare opstaande. "De +Almachtige heeft bitter, zeer bitter met mij gehandeld!" En bitter +was waarlijk de nadruk, waarmede hij deze woorden uitsprak. + +"Augustine, heeft God het recht niet om met Zijn eigendom te doen +wat Hij wil?" zeide Ophelia. + +"Misschien; maar dat maakt het niet lichter om te dragen," antwoordde +St. Clare op een harden, drogen toon en zonder tranen, terwijl hij +zich omkeerde. + +"O, Papa, gij breekt mij het hart!" riep Eva uit en wierp zich +opstaande in zijne armen. "Gij moet zoo niet denken, zoo niet +voelen." En zij schreide en snikte met eene heftigheid, die allen +zeer ongerust maakte en aan de gedachten van haren vader terstond +eene andere richting gaf. + +"Stil, Eva; stil, liefje! Ik heb verkeerd gedaan. Ik heb slecht +gesproken. Ik wil alles denken--alles doen. Bedroef u maar zoo niet, +snik maar zoo niet. Ik zal gelaten zijn; ik zal berusten. Ik beken +mijne schuld met zoo te spreken." + +Eva lag weldra afgemat maar rustig in de armen van haren vader, die +haar troostte met alle teedere woordjes, welke hij maar bedenken kon. + +Marie stond op en snelde naar hare eigene kamer, waar zij het hevig +op de zenuwen kreeg. + +"Gij hebt mij geene krul gegeven, Eva," zeide haar vader met een +treurigen glimlach. + +"Zij zijn allen voor u, Papa," antwoordde zij lachende, "voor u +en mama; en gij moet er mijn lieve tante zooveel van geven als zij +wil. Ik heb ze maar zelve aan onze arme lieden gegeven; omdat het, +weet ge, Papa, zou kunnen vergeten worden, als ik er niet meer ben, +en omdat ik hoopte dat het hun zou helpen onthouden.... Gij zijt een +christen, niet waar, Papa?" zeide zij twijfelachtig. + +"Waarom vraagt ge mij dat?" + +"Ik weet het niet. Gij zijt zoo goed, dat ik niet zie hoe gij het +niet zoudt wezen." + +"Wat is het, Eva, een christen te zijn?" + +"Christus boven alles lief te hebben," antwoordde Eva. + +"Doet gij dat, Eva?" + +"Zeker, dat doe ik." + +"Gij hebt Hem toch nooit gezien." zeide St. Clare. + +"Dat maakt geen verschil," antwoordde Eva. "Ik geloof in Hem, en +over weinige dagen zal ik Hem zien." En haar gezichtje straalde +van blijdschap. + +St. Clare zei niets meer. Het was een gevoel, dat hij ook vroeger bij +zijne moeder had ontwaard; maar in zijn binnenste was geene snaar, +die daarmede in overeenstemming trilde. + +Na dien tijd verminderde Eva snel. Er was geen twijfel meer aan +den afloop; de teederste hoop kon zich niet meer verblinden. Hare +fraaie kamer werd nu geheel en al een ziekenvertrek, en Ophelia +nam nacht en dag den post van oppasster waar. Nooit hadden hare +vrienden hare begaafdheden hooger gewaardeerd dan thans. Met zulke +welgeoefende oogen en handen, zulk een bedrevenheid in alle zorgen +en kunstgrepen, om zindelijkheid en gemak te bevorderen en alle +onaangename omstandigheden eener ziekenkamer uit het oog te houden--met +zulk een stipte oplettendheid voor den tijd, met zulk een helder, +nooit verbijsterd hoofd, met zulk een getrouw geheugen voor alle +voorschriften van den dokter--was zij thans alles voor hen. Zij, +die de schouders hadden opgehaald over hare kleine zonderlingheden +en stiptheid in beuzelingen, zoo strijdig met de achtelooze vrijheid +der manieren van het Zuiden, erkenden thans dat zij juist diegene +was die men noodig had. + +Tom was veel in Eva's kamer. Het kind leed veel aan zenuwachtige +rusteloosheid, en het verlichtte haar als zij gedragen werd. Het was +Toms grootste blijdschap de tengere lijderes in zijne armen op een +kussen te mogen dragen; nu de kamer op en neer, dan buiten onder de +veranda; en des morgens, wanneer de frissche zeewind over het meer +woei, wandelde hij somtijds met haar onder de oranjeboomen in den +tuin, of zette hij zich op eene der oude bekende banken neer en zong +hij voor haar hunne oude geliefde gezangen. + +Haar vader deed dikwijls hetzelfde; maar hij was niet zoo forsch +gespierd, en wanneer hij moede werd, zeide Eva meestal: + +"O, Papa, laat Tom mij overnemen. De arme Tom heeft er zulk een +genoegen in. Het is al wat hij nu doen kan, en hij doet zoo gaarne +iets." + +"Ik ook, Eva," zeide haar vader. + +"O, Papa, gij kunt alles doen, en gij zijt alles voor mij. Gij leest +voor mij--gij zit des nachts bij mij op--en Tom heeft alleen dit +eene en zijn zingen; en gij weet wel, hij doet het gemakkelijker dan +gij. Hij draagt mij zoo stevig!" + +Het verlangen om iets te doen, was niet tot Tom beperkt. Alle bedienden +in huis koesterden denzelfden wensch en deden op hunne manier wat +zij konden. + +Het hart der arme Mammy smachtte dikwijls naar hare lieveling; maar +zij vond nacht of dag bijna geene gelegenheid, daar Marie verklaarde, +dat zij in haren gemoedstoestand geen oogenblik rust kon vinden, en +het natuurlijke gevolg daarvan was, dat zij niemand een oogenblik rust +wilde laten. Twintigmaal in één nacht werd Mammy wakker geroepen, om +hare voeten te wrijven, om haar hoofd te verkoelen, om haar zakdoek +op te zoeken, om te zien welk gerucht er in Eva's kamer was, om +het gordijn neer te laten dewijl het te licht, of op te halen omdat +het te donker was; en over dag, wanneer zij verlangde eenig deel te +kunnen nemen aan de oppassing harer lieveling, scheen Marie al hare +schranderheid in te spannen, om haar elders in huis werk te geven en +bezig te houden, zoodat zij slechts tersluiks en voor een oogenblik +bij Eva kon zijn. + +"Ik acht het mijn plicht tegenwoordig bijzonder op mij zelve te +passen," zeide Marie, "zoo zwak als ik ben en met de geheele zorg +voor dat lieve kind beladen." + +"Inderdaad, lieve," antwoordde St. Clare. "Ik dacht dat onze nicht +u daarvan onthief." + +"Gij praat als een man, St. Clare--alsof eene moeder van de zorg +voor een kind in dien staat kon ontheven worden; maar het is alles +'t zelfde--niemand weet ooit wat ik gevoel. Ik kan die dingen zoo +niet van mij afgooien, als gij doet." + +St. Clare glimlachte. Gij moet hem verontschuldigen, hij kon het niet +laten--en St. Clare kon nog glimlachen. Want zoo helder en vreedzaam +was de afscheidsreis van dien kinderlijken geest--door zulke geurige, +verkwikkelijke koeltjes werd het barkje naar de hemelsche kusten +gevoerd--dat het bijna onmogelijk was zich te verbeelden, dat het de +dood was die naderde. Het kind voelde geen pijn--alleen een kwijnende, +stille zwakheid, die dagelijks maar bijna onmerkbaar toenam; en zij +was zoo schoon, zoo liefderijk, zoo vertrouwelijk, zoo vergenoegd, +dat men onmogelijk den streelenden invloed kon wederstaan van die +atmosfeer van onschuld en vrede, die haar scheen te omringen. St. Clare +vond zich door een vreemde kalmte bekropen. Het was geene hoop, deze +was onmogelijk; het was geene onderwerping; het was slechts een kalm +berusten in het tegenwoordige, hetwelk zoo schoon was, dat hij aan +geene toekomst wilde denken. Het was gelijk die kalmte van den geest, +die wij in de statig schoone herfstbosschen gevoelen, wanneer het +geboomte een helderen koortsblos vertoont, en de laatste bloemen nog +beneden bij de dijk staan, en wij ons des te meer daarin verheugen, +omdat wij weten dat het alles spoedig zal voorbijgaan. + +De vriend, die het meest van Eva's eigen gedachten en voorgevoelens +wist, was haar getrouwe drager Tom. Tegen hem zeide zij alles, +waarmede zij haar vader niet wilde verontrusten. Aan hem deelde +zij die geheimzinnige waarschuwingen mede, welke de ziel ontvangt, +wanneer de banden, die haar aan het stof boeien beginnen los te worden. + +Tom wilde eindelijk niet meer in zijn slaapkamertje slapen, maar lag +onder de veranda, om gereed te zijn zoo dikwijls hij geroepen werd. + +"Oom Tom, hoe komt gij er bij, om zoo overal te gaan liggen slapen, +evenals een hond?" zeide Ophelia. "Ik dacht dat gij een van de +ordelijke soort waart en gaarne op eene christelijke manier in +bed laagt." + +"Dat doe ik ook, Miss Phelia. Dat doe ik ook, maar nu..." + +"Wel, wat nu?" + +"Wij moeten niet hard spreken; Mijnheer St. Clare wil er niet van +hooren; Miss Phelia gij weet, er moet iemand waken voor den bruidegom." + +"Wat meent gij, Tom?" + +"Gij weet wel, de Schrift zegt: "Te middernacht geschiedde een geroep: +Ziet de bruidegom komt." Dat is het nu wat ik elken nacht verwacht, +Miss Phelia; want als dat gezegende kind in het koninkrijk binnengaat, +zullen zij de poort zoo wijd opendoen, dat wij er allen kunnen inzien +naar de heerlijkheid, Miss Phelia." + +"Heeft Eva dan gezegd, dat zij zich van avond minder voelde dan +anders?" + +"Neen, maar zij zeide mij van morgen, dat Hij naderkwam; er zijn er, +die dat aan het kind zeggen, Miss Phelia. Dat zijn de engelen--dat +is het bazuingeschal voor den dageraad," zeide Tom, eenige woorden +uit een zijner geliefde gezangen aanhalende. + +Dit gesprek tusschen Miss Ophelia en Tom had tusschen tien en elf +uur in den avond plaats, toen zij, nadat zij al hare beschikkingen +voor den nacht gemaakt had, de buitendeur ging sluiten en Tom onder +de veranda vond liggen. + +Zij was niet zenuwachtig of lichtgeloovig; maar zijn tegelijk +plechtige en hartelijke toon ontroerde haar toch. Eva was dien namiddag +buitengewoon wel en opgeruimd geweest; zij had overeind in haar bed +gezeten, en al hare kleine kostbaarheden nagezien, en gezegd aan wie +zij wenschte dat zij gegeven werden; en haar uitzicht was levendiger +en hare stem natuurlijker geweest, dan men in verscheidene weken +had opgemerkt. + +Maar te middernacht--dat vreemde, geheimzinnige uur, wanneer de sluier +tusschen het broze tegenwoordige en de eeuwige toekomst dunner wordt, +toen kwam de bode! + +Er werd geluid in de kamer gehoord, eerst van iemand die snel heen en +weder stapte. Het was Ophelia, die voorgenomen had den geheelen nacht +op te blijven, en nu tegen middernacht had waargenomen wat ervaren +ziekenoppassters "verandering" noemen. De buitendeur werd haastig +geopend, en Tom, die waakte, was terstond op. "Ga den dokter halen, +Tom. Verlies geen oogenblik," zeide Ophelia, en toen de kamer weder +doorgaande, klopte zij aan de deur van St. Clare. "Neef," zeide zij, +"ik wou dat gij eens kwaamt." + +Die woorden vielen hem op het hart, gelijk aardkluiten op eene +doodkist. Waarom deden zij dat? Hij was in een oogenblik op en in de +kamer, en boog zich over Eva die nog sliep. + +Wat zag hij, dat zijn hart bijna deed stilstaan? Waarom werd er geen +woord tusschen die twee gesproken? Gij kunt het zeggen, die dezelfde +uitdrukkingen hebt gezien op het gezicht dat u het dierbaarste was--die +verandering, onbeschrijfelijk, hopeloos, onmiskenbaar, die schijnt +aan te duiden, dat wat u zoo dierbaar is u niet langer toebehoort. + +Geen akelige trek vertoonde zich echter in dat kinderlijke +gezichtje--niets anders dan iets verhevens, iets goddelijks bijna--de +afschaduwing der tegenwoordigheid van geestelijke wezens--de dageraad +van het onsterfelijke leven in de kinderlijke ziel. + +Zoo stonden zij haar aan te staren, zoo stil, dat zelfs het tikken +van het horloge te hard scheen te zijn. Weldra kwam Tom terug met +den dokter. Deze trad binnen, wierp een enkelen blik op het kind en +bleef toen even stilstaan als de anderen. + +"Wanneer heeft die verandering plaats gehad?" vroeg hij Ophelia +fluisterend. + +"Tegen middernacht," was het antwoord. + +Marie, door de komst van den dokter opmerkzaam geworden, kwam haastig +de kamer binnen. + +"Augustine!--Nicht!--O!--Wat!" begon zij. + +"St!" zeide St. Clare met een heesche stem. "Zij is stervende." + +Mammy hoorde deze woorden en vloog heen om de bedienden te +wekken. Weldra was het geheele huis in beweging--men zag lichten, +hoorde voetstappen, angstige en betraande gezichten keken uit de +veranda door de glasdeur in de kamer; maar St. Clare zag en hoorde +niets--hij zag alleen die uitdrukking op het gezicht der kleine +slaapster. + +"O, als zij nog maar eens ontwaakte, nog maar eens sprak!" zeide hij, +en over haar heen bukkende, sprak hij in haar oor: "Eva, liefje." + +De groote, blauwe oogen openden zich--een glimlach vloog over haar +gezichtje; zij poogde haar hoofd op te beuren en te spreken. + +"Kent gij mij, Eva?" + +"Lieve Papa," zeide het kind en sloeg met een laatste inspanning hare +armpjes om zijnen hals. + +Een oogenblik later zonken zij weder neer; en toen St. Clare zijn +hoofd ophief, zag hij een doodsstuip over het gezichtje trekken--zij +snakte naar adem en stak de handjes uit. + +"O God, dat is schrikkelijk!" zeide hij zich omkeerende, en in zijne +zielesmart nauwelijks wetende wat hij deed, klemde hij de hand van +Tom in de zijne. "O, Tom, mijn jongen, het doet mij den dood!" + +Tom hield de hand van zijnen meester vast, en terwijl de tranen over +zijne zwarte wangen rolden, zag hij om hulp waarheen hij steeds gewoon +was op te zien. + +"Bid dat dit kort mag duren!" zeide St. Clare. "Het is eene marteling +voor mijn hart." + +"O, gezegend zij de Heere! Het is over--het is over, lieve meester," +zeide Tom. "Zie haar maar aan." + +Het kind lag hijgende op het kussen geheel afgemat, maar met de +groote heldere oogen strak omhooggeslagen. En wat las men in die +oogen, waarin altijd zooveel van dien hemel te zien was? De aarde was +voorbij en alle aardsche smart; maar zoo plechtig, zoo geheimzinnig +was de zegevierende blijdschap, die op dat gezichtje lag verspreid, +dat zelfs de zuchten der droefheid daardoor bedwongen werden. De +aanwezigen bleven stil voor zich uit staren. + +"Eva," zeide St. Clare zacht. + +Zij hoorde niet. + +"O, Eva, zeg ons wat gij ziet! wat is het?" zeide haar vader. + +Een heldere, heerlijke glimlach zweefde over haar gezichtje en zij +antwoordde afgebroken: "O, liefde--blijdschap--vrede!" slaakte een +enkelen zucht en ging uit den dood in in het leven over. + +Vaarwel, dierbaar kind! De eeuwige poort is achter u gesloten; wij +zullen uw lief gezichtje niet meer zien. Ach, wee hunner, die uw +ingaan in den hemel hebben aanschouwd, als zij ontwaken en alleen +de koude grauwe lucht van het dagelijksche leven vinden, en gij voor +altijd heen zijt! + + + + + +ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK + +"DIT IS HET LAATSTE VAN DE AARDE", JOHN Q. ADAMS + + +De beeldjes en schilderijen in Eva's kamer waren met witte doeken +bedekt; men hoorde daar slechts gesmoord ademhalen en met zachte +voorzichtige schreden gaan, en het licht, door de neergelaten +valgordijnen schijnende, verspreidde eene plechtige schemering. + +Het bed was met eene sprei bedekt; en daar, onder de zwevende +engelengedaante, lag de kleine slaapster--die sliep om nooit weder +te ontwaken. + +Daar lag zij, in een van die eenvoudige witte jurkjes gekleed, die +zij placht te dragen toen zij leefde; het rozekleurige licht door +de gordijnen wierp een warmen gloed over het ijskoude des doods. De +zware wimpers lagen zacht op de reine wangen; het hoofd was een +weinigje op zijde gekeerd, gelijk in een natuurlijken slaap, maar +elke trek van het gezichtje deelde in die hemelsche uitdrukking, +die mengeling van verrukking en ernst, welke bewees dat het geen +aardsche, kortstondige slaap was, maar de lange, heilige rust, die +"Hij aan zijne beminden geeft." + +Er is geen dood voor dezulken als gij, lieve Eva! geene duisternis +of schaduw des doods; niet anders dan zulk een helder verbleeken, +gelijk wanneer de morgenster in den gouden dageraad verdwijnt. Voor +hen is het een zege zonder strijd--een kroon zonder kamp. + +Zoo dacht St. Clare, terwijl hij daar met de armen over elkander stond +te staren. Maar wie zal zeggen wat hij dacht? want van het oogenblik, +toen de stemmen in dat sterfvertrek hadden gezegd: "Het is voorbij," +was alles om hem heen een dichte nevel geweest, had hij niets gevoeld +dan zijne bedwelmende zielesmart. Hij had stemmen gehoord; er waren +hem vragen gedaan, en hij had geantwoord; men had hem gevraagd, wanneer +de begrafenis moest plaats hebben, en waar zij begraven moest worden, +en hij had ongeduldig geantwoord, dat het hem niet schelen kon. + +Adolf en Rosa hadden de kamer geschikt. Zoo lichtzinnig, wispelturig +en kinderachtig als zij doorgaans waren, hadden zij toch een zacht hart +en warm gevoel: en terwijl Ophelia over het geheel het opzicht hield en +zorgde dat alles net en ordelijk was, waren het hunne handen, welke die +kleine, poëtische versierselen aanbrachten, die het sterfvertrek dat +akelige en sombere ontnamen, hetwelk eene begrafenis in Nieuw-Engeland +maar al te zeer kenmerkt. + +Er waren nog bloemen hier en daar--alle wit, teeder en geurig, +met sierlijk hangende bladeren. Op Eva's tafeltje, met een wit kleed +bedekt, stond hare geliefde vaas, thans met eene enkele witte mos-roos +er in. De plooien van draperiën en gordijnen waren door Adolf en Rosa +geschikt en herschikt, met die juistheid van oog, die aan hun geslacht +eigen is; en ook nu nog, terwijl St. Clare daar stond te peinzen, +kwam Rosa de kamer binnentrippelen met een mandje witte bloemen. Zij +trad terug toen zij haar meester zag en bleef eerbiedig staan; maar +ziende dat hij haar niet opmerkte, kwam zij nader om ze op het bed +te strooien. St. Clare zag haar als in een droom, terwijl zij een +Kaapsche jasmijn in de witte handjes plaatste, en de overige bloemen +met keurigen smaak hier en daar verdeelde. + +De deur werd wederom geopend en Topsy kwam, met oogen gezwollen van +het schreien en iets onder haar voorschoot houdende. Rosa wenkte haar +snel om terug te blijven, maar zij trad toch binnen. + +"Gij moet heengaan," zei Rosa, driftig en gebiedend fluisterende, +"gij hebt hier niets te maken." + +"O laat mij toch! Ik heb eene bloem gebracht--zoo mooi!" zeide Topsy, +eene half ontloken theeroos vertoonende. "Laat ik die toch maar even +daar leggen." + +"Maak je weg," zeide Rosa nog scherper. + +"Laat haar blijven!" zeide St. Clare eensklaps en stampte met zijnen +voet. "Zij mag komen." + +Rosa droop spoedig af en Topsy kwam nader en legde haar offer aan den +voet van het lijkje. Toen wierp zij zich plotseling, met een woesten +en bitteren kreet, bij het bed op den grond en bleef daar luid liggen +schreien en kermen. + +Ophelia kwam haastig de kamer binnen en poogde haar te doen opstaan +en zwijgen, maar vruchteloos. + +"O, Miss Eva! O, Miss Eva! Ik wenschte dat ik dood was,--dat doe ik!" + +Toen zij dat met woeste droefheid uitriep, kwam er weder een blos +op St. Clare's marmerwitte wangen, en sprongen de eerste tranen, +die hij sedert Eva's dood had geschreid, uit zijne oogen. + +"Sta op, kind," zeide Ophelia met meer zachtheid in hare stem. "Huil +zoo niet. Miss Eva is naar den hemel gegaan. Zij is nu een engel!" + +"Maar ik kan haar niet meer zien, en ik zal haar nooit meer zien," +zeide Topsy en begon weder te snikken. + +Allen zwegen een poos. + +"Zij zeide dat zij mij liefhad," begon Topsy weder, "dat deed zij! En +och! nu is er niemand over--niemand!" + +"Dat is maar al te waar," zeide St. Clare. "Maar zie toch of gij dat +arme schepsel niet troosten kunt," vervolgde hij tegen Ophelia. + +"Ik wenschte dat ik nooit geboren was," zei Topsy. "Ik behoefde geheel +niet geboren te worden. Ik zie niet waarvoor het goed is." + +Miss Ophelia nam haar nu met zachten dwang van den grond op en bracht +haar de kamer uit; maar terwijl zij dit deed, rolden er tranen over +hare wangen. + +"Topsy, gij arm kind," zeide zij, toen zij het meisje naar hare eigene +kamer had gebracht, "verlies nu den moed niet. Ik kan u liefhebben, +al ben ik niet gelijk aan dat lieve kleine kind. Ik hoop dat ik +toch iets van de liefde van Christus van haar geleerd heb. Ik kan +u liefhebben. Dat doe ik al, en ik zal beproeven u te helpen om een +goed christelijk meisje te worden." + +Ophelia's stem zeide meer dan hare woorden, en nog meer zeiden de +oprechte, medelijdende tranen, die over hare wangen rolden. Van dat +uur af verkreeg zij een invloed op het gemoed van dat arme kind, +dien zij nooit weder verloor. + +"O, mijne Eva, wier korte tijd op aarde zooveel goed deed," dacht +St. Clare, "welke verantwoording heb ik voor mijne lange jaren +te geven!" + +Eene poos hoorde men nog gefluister en zachte voetstappen in de +kamer, terwijl de een na den ander binnensloop om den doode te zien; +en toen kwam de kleine doodkist, en toen volgde de begrafenis, +en koetsen hielden voor de deur op, en vreemdelingen gingen daarin +zitten; en men zag witte strikken en zwarte strooken krip, en dragers +geheel in het zwart; en er werden woorden uit den Bijbel gelezen, en +gebeden gedaan; en St. Clare leefde en ging en deed gelijk iemand, +die zijne laatste tranen geschreid had. Tot het laatst toe zag hij +slechts dat eene--het hoofdje met gouden lokken in de doodkist. Maar +toen zag hij den doek daarover leggen en het deksel op de kist doen; +en toen hij naast anderen geplaatst was, ging hij voort naar eene +plek in den tuin, en daar, bij de met mos begroeide bank, waarop zij +en Tom zoo dikwijls hadden zitten praten, zingen en lezen, daar was +het grafje. St. Clare stond er bij en zag er verstrooid in neder, +hij zag de kleine kist afdalen, hoorde flauw de plechtige woorden: +"Ik ben de opstanding en het leven; die in mij gelooft, zal leven al +ware hij ook gestorven," en toen de aarde in het grafje werd geworpen, +kon hij zich niet voorstellen, dat het zijne Eva was, die men zoo +voor zijne oogen verborg. + +En het was ook Eva niet--maar alleen de zwakke kiem van die heerlijke, +onsterfelijke gedaante, die eens te voorschijn zal treden op den dag +van den Heere Jezus! + +En toen verstrooiden zich allen, en de rouwdragers gingen weder naar de +plaats die haar niet meer kennen zou; en de kamer van Marie was donker +gemaakt, en zij lag te bed, snikkende en zuchtende in onbedwingbare +smart, en telkens om de hulp harer bedienden vragende. Zij hadden +natuurlijk geen tijd om te schreien--wat behoefden zij ook? Het leed +was _haar_ leed, en zij was ten volle overtuigd, dat niemand het zoo +op de wereld kon en zou gevoelen als zij. + +"St. Clare schreide geen enkele traan," zeide zij. "Hij had geen het +minste medelijden met haar. Het was inderdaad verbazend als men dacht +hoe hardvochtig en ongevoelig hij was, daar hij toch wel weten moest +wat zij leed." + +Zoozeer zijn de menschen de slaven hunner oogen en ooren, dat velen +der bedienden inderdaad geloofden, dat hunne meesteres het meest onder +het gebeurde leed, vooral toen Marie zenuwtoevallen begon te krijgen, +en den dokter liet komen, en eindelijk verklaarde dat zij stervende +was; en het loopen en draven, het brengen van warme kruiken, het heet +maken van wollen lappen, het wrijven en al het gedoe dat daarop volgde, +gaf werkelijk eene afleiding. + +Tom evenwel had een gevoel in zijn hart, dat hem naar zijnen meester +trok. Hij volgde dezen oplettend en treurig, waar hij ook ging, +en toen hij hem zoo bleek en stil in Eva's kamer zag zitten, met +haar Bijbeltje open voor zich, schoon hij geen woord of letter zag +van hetgeen er in stond, was er voor Tom meer smart in die strakke, +tranenlooze oogen, dan in al het kermen en klagen zijner meesteres. + +Eenige dagen later ging de familie weder naar de stad terug, daar +St. Clare, met de rusteloosheid der smart, naar verandering van +plaats verlangde, om den loop zijner gedachten eene andere richting +te geven. Zij verlieten dus het huis en den tuin, met zijn grafje, +en kwamen te Nieuw-Orleans terug; St. Clare zwierf veel langs de +straten, en poogde het ledige in zijn hart met gewoel en drukte te +vervullen; en zij die hem op straat of in het koffiehuis zagen, +wisten van zijn verlies alleen door den rouwband om zijnen hoed; +want daar was hij pratende en lachende, de couranten lezende, en zich +met politiek en handelszaken bemoeiende; en wie kon het zien dat die +uitwendige vroolijkheid slechts een holle schel was over een hart, +dat een stil en donker graf was. + +"St. Clare is een zonderling man," zeide Marie eens op een klagenden +toon tegen Ophelia. "Ik placht te denken, als er iets op de wereld was +dat hij liefhad, dat het dan onze kleine Eva was; maar hij schijnt +haar zeer gemakkelijk te vergeten. Ik kan hem er nooit toe krijgen +om over haar te spreken. Ik had waarlijk gedacht dat hij meer gevoel +zou toonen." + +"Stille waters hebben diepe gronden, placht men mij te zeggen," +antwoordde Ophelia op den toon van een orakel. + +"Och, ik geloof aan zulke dingen niet. Dat zijn maar praatjes. Als +iemand gevoel heeft toont hij het ook; dat kan hij niet laten. Maar +toch is het een groot ongeluk als men gevoel heeft. Ik zou liever +naar St. Clare willen gelijken. Mijn gevoel ondermijnt mij." + +"Maar zeker, Mevrouw, Mijnheer St. Clare wordt zoo bleek en mager als +een schim, en ik hoor dat hij haast niet meer eet," zeide Mammy. "Ik +weet wel, dat hij Miss Eva niet vergeet; en dat zou ook niemand +kunnen doen, dat lieve, kleine schaap," voegde zij er bij en veegde +hare oogen af. + +"Nu, in allen gevalle, hij denkt geheel niet om mij," zeide Marie. "Hij +heeft geen woord van troost tegen mij gesproken, en hij moet toch +wel weten hoeveel meer eene moeder voelt dan een man ooit doen kan." + +"Het hart kent zijne eigene bitterheid," zeide Ophelia ernstig. + +"Dat is het juist wat ik denk. Ik weet wat ik gevoel--niemand anders +schijnt dat te weten. Eva placht dat te doen; maar ze is weg!" En Marie +liet zich achterover op de sofa zinken en begon jammerlijk te snikken. + +Marie was eene van die ongelukkige stervelingen, in wier oogen al wat +zij verloren hebben eene waarde verkrijgt, die het nooit had terwijl +zij het bezaten. Wat zij had, scheen zij slechts te beschouwen om er +gebreken aan te vinden; maar wanneer zij het eens voorgoed kwijt was, +hield zij niet op het te prijzen. + +Terwijl dit gesprek in de voorkamer plaats had, werd er een ander in +de bibliotheek gevoerd. + +Tom, die zijn meester onrustig overal volgde, had hem eenige uren +geleden daar zien binnengaan, en na vruchtloos gewacht te hebben dat +hij er weder uit zou komen, besloot hij eindelijk er eenige bezigheid +te zoeken. Hij trad zacht binnen. St. Clare zat in een leuningstoel aan +het einde van het vertrek. Zijn gezicht was in zijne handen verborgen, +en Eva's Bijbeltje lag op eenigen afstand open op de tafel. + +Tom kwam nader en bleef aarzelend bij hem staan. Eensklaps richtte +St. Clare zich op. Toms eerlijk gezicht, zoo vol droefheid en met +zulk een smeekende uitdrukking van liefde en medelijden, trof zijn +meester. Hij legde zijne hand op die van Tom, en liet zijn voorhoofd +daarop zinken. + +"O Tom, mijn jongen, de geheele wereld is zoo ledig als een +eierschaal." + +"Dat weet ik, meester, dat weet ik," antwoordde Tom. "Maar o, als +meester kon opzien, waar onze lieve Miss Eva is--naar den lieven +Heere Jezus!" + +"Och, Tom, ik zie op. Maar het ergste is, ik zie toch niets als ik +het doe. Ik wenschte dat ik kon." + +Tom slaakte een zwaren zucht. + +"Het schijnt aan de kinderen en arme oprechte lieden, zooals gij, +gegeven te zijn, om te zien wat wij niet kunnen zien," zeide St. Clare +nu. "Hoe komt dat?" + +"Gij hebt ze voor de wijzen en verstandigen verborgen, en ze den +kinderkens geopenbaard," prevelde Tom. "Ja, Vader, want alzoo is +geweest het welbehagen voor U." + +"Tom, ik geloof niet--ik kan niet gelooven; ik heb de gewoonte van +twijfelen aangenomen," zeide St. Clare. "Ik wil dezen Bijbel gelooven, +en ik kan niet." + +"Lieve meester, bid tot den goeden Heere: 'Heere, ik geloof, kom +mijne ongeloovigheid te hulp.'" + +"Wie weet iets van niets?" zeide St. Clare bij zichzelven, terwijl +zijne oogen peinzend rondzwierven. "Was al die heerlijke liefde, was al +dat schoone geloof slechts een der altijd afwisselende verschijnselen +van het menschelijk gevoel, dat niets wezenlijks tot grondslag had en +met den laatsten ademtocht werd uitgeblazen? Er is geen Eva meer--geen +hemel--geen Christus--niets!" + +"O, lieve meester, Hij is er! Dat weet ik; daarvan ben ik zeker," zeide +Tom, op zijne knieën vallende. "O, lieve meester, geloof het toch!" + +"Hoe weet gij dat er een Christus is, Tom? Gij hebt den Heere nooit +gezien." + +"Ik heb Hem in mijne ziel gevoeld, meester--ik voel Hem nu! O, +meester, toen ik verkocht werd en van mijne vrouw en kinderen af +moest, toen was het haast gedaan met mij. Het was mij alsof ik niets +meer over had, en toen kwam de goede Heere mij te hulp en zeide: +"Wees niet bevreesd, Tom!" en Hij brengt licht en vreugd in de ziel +van een armen neger, en maakt alles vrede; en ik ben zoo gelukkig, +en heb alle menschen lief, en voel mij gewillig om des Heeren te +zijn, en des Heeren wil te laten geschieden, en overal te zijn waar +de Heere mij brengen wil. Ik weet dat dit niet van mij kan komen, +omdat ik een arm zondig schepsel ben; het komt van den Heere, en ik +weet dat Hij gewillig is om dit ook voor meester te doen." + +Tom sprak met eene gesmoorde stem, terwijl de tranen hem over de +wangen rolden. St. Clare liet het hoofd op zijnen schouder zinken, +en drukte de harde, trouwe zwarte hand. + +"Tom, gij hebt mij lief," zeide hij. + +"Ik ben gewillig om mijn leven af te leggen, nog dezen gezegenden dag, +om meester een christen te zien." + +"Arme, dwaze jongen," zeide St. Clare zich half oprichtende. "Ik ben +de liefde van een goed, eerlijk hart, zooals het uwe, niet waardig." + +"O, meester, er zijn er meer dan ik die u liefhebben--de gezegende +Heere Jezus heeft u lief." + +"Hoe weet ge dat, Tom?" + +"Ik voel het in mijne ziel. O, meester, "de liefde van Christus, +die steeds alle verstand te boven gaat!"" + +"Vreemd!" zeide St. Clare, "dat de geschiedenis van een man, die +achttienhonderd jaren geleden geleefd en gestorven is, iemand zoodanig +kan aandoen. Maar hij was ook geen mensch," vervolgde hij snel. "Geen +mensch heeft ooit zulk een lange en levende macht gehad. O, dat ik +gelooven kon wat mijne moeder mij leerde, en bidden kon gelijk ik +deed toen ik een kind was!" + +"Als het meester belieft," zeide Tom; "Miss Eva placht dat zoo schoon +te lezen. Ik wenschte dat meester zoo goed was om het te lezen. Ik +hoor haast niet meer lezen, nu Miss Eva weg is." + +Het hoofdstuk was het elfde van Johannes--het treffende verhaal +der opwekking van Lazarus. St. Clare las het overluid. Dikwijls +ophoudende, om de aandoeningen te bekampen, die door het aandoenlijke +der geschiedenis werden opgewekt. Tom knielde voor hem met gevouwen +handen, en met eene uitdrukking van liefde, vertrouwen en eerbied in +zijne kalme trekken. + +"Tom, is dat alles waarheid voor u?" zeide zijn meester. + +"Ik kan het zoo voor mij zien, meester," antwoordde Tom. + +"Ik wenschte dat ik uwe oogen had, Tom." + +"Ik wenschte van onzen Lieven Heer dat meester ze had." + +"Maar, Tom, gij weet wel, dat ik veel kundiger ben dan gij. Als ik +u nu zeide dat ik dien Bijbel niet geloof?" + +"O, meester!" zeide Tom, smeekend de handen opheffende. + +"Zou dat uw geloof toch niet eenigszins schokken, Tom?" + +"Geheel niet," antwoordde Tom. + +"Wel, Tom, gij moet toch weten dat ik het meeste weet." + +"O, meester, hebt gij niet zoo pas gelezen, dat Hij het voor de wijzen +en verstandigen verborgen houdt, en aan de kinderkens openbaart? Maar +meester sprak niet in ernst, zeker niet?" zeide Tom angstig. + +"Neen, Tom, dat deed ik niet. Ik ben niet ongeloovig, en ik denk +dat er reden is om te gelooven; en toch doe ik het niet. Dat is een +lastige gewoonte, die ik aangenomen heb, Tom!" + +"Als meester maar wilde bidden." + +"Hoe weet gij dat ik dat niet doe, Tom?" + +"Doet meester het?" + +"Ik zou het doen, Tom, als er iemand vóór mij was, wanneer ik bid; +maar het is alles in de lucht gesproken, als ik het doe. Maar kom aan, +Tom, bidt gij en leer mij het te doen." + +Toms hart was vol, en hij stortte het nu geheel uit in zijn gebed. Eén +ding was duidelijk: Tom dacht wel dat er iemand was om hem te hooren, +hetzij er iemand was of niet. St. Clare voelde zich dan ook werkelijk +door den stroom van zijne liefde en zijn geloof tot bijna voor de +poorten van den hemel gevoerd, dien hij zich zoo levendig scheen voor +te stellen. Hij scheen daardoor nader bij Eva gebracht te worden. + +"Dank, mijn jongen," zeide St. Clare, toen Tom opstond. "Ik hoor u +gaarne, Tom; maar ga nu heen en laat mij alleen. Op een anderen tijd +zal ik meer met u spreken." + +Tom verliet stilzwijgend het vertrek. + + + + + +ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK + +HEREENIGING. + + +Week op week verliep in de woning van St. Clare, en de golven des +levens effenden zich weder tot haar gewonen vloed, waar die kleine +bark gezonken was. Want hoe heerschzuchtig, hoe onverschillig voor +iemands gevoel, stroomt die koude, gewone loop der dagelijksche zaken +voort! Nog moeten wij eten, drinken, slapen en weder ontwaken--nog +moeten wij koopen, verkoopen, vragen en antwoorden--kortom duizend +schaduwen naloopen, hoewel alle belangstelling daarin voorbij is; +de koude werktuigelijke gewoonte des levens blijft nog, wanneer alles +wat waarde voor ons geeft is verdwenen. + +Alle hoop en uitzicht van St. Clare's leven had zich, zonder dat hij +zelf het wist, met zijn kind samengestrengeld. Het was voor Eva, dat +hij zijn vermogen bewaarde; het was voor Eva, dat hij het besteden van +zijnen tijd overleide; en dit en dat nu en dan voor Eva te doen--iets +voor haar te koopen, te veranderen of te beschikken--was zoolang +zijne gewoonte geweest, dat er, nu zij er niet meer was, om niets +meer scheen gedacht, niets meer scheen gedaan te moeten worden. + +Het is waar, er was een ander leven--een leven dat, als men er +eens aan gelooft, als een ernstig, veelbeteekenend cijfer vóór de +andere waardelooze nullen van den tijd staat, en die in eene reeks +van geheimzinnige, onberekenbare waarde doet veranderen. St. Clare +wist dit wel; en dikwijls had hij in een moedeloos uur die zachte +kinderstem naar boven hooren roepen, dat handje hem den weg van dat +ware leven zien aanwijzen; maar de doffe slaperigheid der smart +benevelde hem--hij kon niet opstaan. Zijn geest behoorde onder +diegenen, die zich, naar hunne eigene aandoeningen en neigingen, een +beter en duidelijker begrip van godsdienstige zaken kunnen vormen, dan +menig welonderwezen en geoefend christen kan. De gaaf om de fijnste +onderscheidingen en betrekkingen van zedelijke dingen te gevoelen en +te beoordeelen, schijnt dikwijls eene eigenschap te zijn van hen, wier +geheele leven eene onverschillige minachting daarvoor toont. Vandaar +dat Moore, Byron en Goethe dikwijls woorden zeggen, waarin het ware +godsdienstige gevoel beter beschreven wordt, dan in die van iemand, +wiens geheele leven daardoor bestuurd wordt. In zulke gemoederen is +minachting voor den godsdienst een des te schrikkelijker verraad--eene +te doodelijker zonde. + +St. Clare had zich nooit willen laten doorgaan voor iemand, die zich +door godsdienstige verplichtingen liet besturen, en zekere fijnheid van +zedelijk gevoel gaf hem zulk een verheven denkbeeld van de uitgebreide +eischen des christendoms, dat hij reeds bij voorbaat terugdeinsde +voor hetgeen hij gevoelde dat zijn geweten van hem vorderen zou, +wanneer hij ooit besloot om zich aan die eischen te onderwerpen. Want +zulke tegenstrijdigheden bevat het menschelijk gemoed, dat het beter +schijnt iets geheel niet te ondernemen, dan het te ondernemen en te +kort te schieten. + +Evenwel was St. Clare in vele opzichten een ander mensch geworden. + +Hij las ernstig en met oprechte begeerte in den Bijbel zijner kleine +Eva; hij dacht meer bepaald en opzettelijk na over zijne betrekkingen +tot zijne bedienden--genoeg om hem buitengemeen ontevreden te maken, +zoowel met zijne tegenwoordige als zijne vroegere handelwijs. Eén +ding deed hij dan ook, kort na zijne terugkomst te Nieuw-Orleans; hij +maakte namelijk een aanvang met de noodige wettige maatregelen om Tom +vrij te verklaren, hetgeen zoo spoedig geschieden zou, als hij door de +vereischte formaliteiten kon heenkomen. Ondertusschen hechtte hij zich +dagelijks meer aan Tom. In de geheele wijde wereld was er niets dat +hem zoozeer aan Eva scheen te herinneren; hij hield hem dus bestendig +bij zich, en zoo huiverig als hij anders was om zijn dieper gevoel +aan iemand te ontdekken, voor Tom dacht hij bijna overluid. Niemand, +die gezien had met welk een gezicht vol dienstvaardige genegenheid Tom +zijn meester gedurig volgde, zou zich ook daarover verwonderd hebben. + +"Wel, Tom," zeide St. Clare, daags nadat hij een aanvang had gemaakt +met de wettige formaliteiten voor zijne vrijverklaring, "ik zal een +vrij man van u maken. Pak uw koffer dus maar, en houd u gereed om +naar Kentucky te vertrekken." + +De glans van blijdschap, die Toms gezicht eensklaps verhelderde, +terwijl hij zijne handen naar den hemel ophief en een nadrukkelijk "de +Heere zij gezegend!" ontboezemde, maakte op St. Clare een eenigszins +onaangenamen indruk; het beviel hem niet, dat Tom zoo bereidwillig +was om hem te verlaten. + +"Gij hebt hier zulk een slechten tijd niet gehad, dat ge zoo verrukt +behoeft te wezen, Tom," zeide hij droogjes. + +"Neen, neen, meester, dat is het niet. Het is dat ik een vrij man +zal wezen. Dat is het waarover ik zoo blij ben." + +"Maar, Tom, denkt gij niet, dat gij het, wat u aangaat, hier beter +hebt, dan gij het als vrij man zult hebben?" + +"Neen, waarlijk niet, Mijnheer St. Clare," antwoordde Tom, met eene +opwelling van fierheid. "Neen, waarlijk niet." + +"Wel, Tom, gij zoudt toch met werken onmogelijk zulke kleeren en zulk +een kost kunnen verdiend hebben, als ik u gegeven heb." + +"Dat weet ik alles wel, meester St. Clare. Meester is al te goed +geweest; maar ik zou toch liever armoedige kleeren, een armoedig +huis, alles even armoedig willen hebben, als het maar het mijne was, +dan het beste als het van een ander is. Dat zou ik, meester; en ik +geloof dat het natuurlijk is." + +"Dat denk ik ook, Tom, en dus zult ge over eene maand of zoo vertrekken +en mij verlaten," zeide St. Clare eenigszins onvergenoegd. "Evenwel, +geen mensch zou kunnen zeggen waarom gij het niet doen zoudt," voegde +hij er op vroolijker toon bij, en begon op en neer te wandelen. + +"Niet, zoolang meester in droefheid is," zeide Tom. "Ik zal bij +meester blijven, zoolang hij mij noodig heeft--als ik maar van eenig +nut kan zijn." + +"Niet, zoolang ik in droefheid ben, Tom?" zeide St. Clare, treurig +uit het venster ziende. "En wanneer zal mijn droefheid ten einde zijn?" + +"Als meester een christen is," antwoordde Tom. + +"En meent gij werkelijk bij mij te blijven tot die dag komt?" zeide +St. Clare, zich met een halven glimlach van het venster afkeerende. "O, +Tom, gij onnoozele jongen," vervolgde hij, zijne hand op Toms schouder +leggende, "ik wil u niet tot dien dag laten wachten. Ga naar huis, +naar uwe vrouw en kinderen, en wees gelukkig met hen." + +"Mijn geloof zegt mij te gelooven dat die dag wel komen zal," zeide +Tom ernstig en tevens met tranen in de oogen. "De Heere heeft een +werk voor meester." + +"Een werk!" herhaalde St. Clare. "Wel zoo! Zeg mij eens wat voor een +werk dat wezen zou, naar uw begrip. Laat hooren Tom." + +"Wel, zelfs zulk een arm man als ik, heeft een werk van den Heere; +en meester St. Clare, die geleerdheid, geld en vrienden heeft--hoeveel +meer zou hij voor den Heer kunnen doen!" + +"Gij schijnt dus te denken, Tom, dat de Heere noodig heeft, dat er +veel voor hem gedaan wordt," zeide St. Clare glimlachende. + +"Wij doen voor den Heere wat wij voor Zijne schepselen doen," +antwoordde Tom. + +"Dat is goede godgeleerdheid, Tom; beter dan die Dr. C*** preekt; +dat durf ik beweren," zeide St. Clare. + +Hier werd het gesprek door het aandienen van bezoek gestoord. + +Marie St. Clare gevoelde het verlies van Eva zoo diep, als zij +iets gevoelen kon; en daar zij iemand was, bijzonder in staat, om +wanneer zij zich ongelukkig gevoelde, hetzelfde gevoel aan allen +om haar heen mede te deden, hadden hare lijfbedienden nog grooter +reden om het verlies hunner meesteres te beklagen, wier innemende +manieren en lieftallige tusschenkomst hun zoo dikwijls tot een +schild hadden gestrekt tegen de eigenlievende dwingelandij harer +moeder. De arme Mammy vooral, wier hart, van alle natuurlijke banden +losgerukt, zich met dat ééne beminnelijke wezen had getroost, verging +bijna van rouw. Zij schreide nacht en dag, en was, door de groote +overmaat van droefheid, minder vlug en behendig in hare diensten +bij hare meesteres, waardoor zij zich gedurig een storm van smaad- +en scheldwoorden berokkende. + +Miss Ophelia gevoelde het verlies insgelijks; maar in haar goed +en oprecht hart droeg het vruchten ten eeuwigen leven. Zij was +zachter en vriendelijker; en schoon even ijverig in hare plichten, +was het met meer bedaardheid en kalmte, waaruit bleek dat zij niet +vruchteloos haar eigen hart had doorzocht. Zij was vlijtiger in +het onderwijzen van Topsy--onderrichtte haar hoofdzakelijk uit +den Bijbel--en was niet langer huiverig om haar aan te raken--zij +liet geene kwalijk ontveinsde viesheid meer blijken, omdat zij die +niet langer gevoelde. Zij beschouwde haar nu als het ware door het +verhelderde glas, dat Eva's handje haar het eerst voor de oogen +had gehouden, en zag in haar slechts een onsterfelijk schepsel, +dat God gezonden had, om door haar tot de deugd en de eeuwige +heerlijkheid geleid te worden. Topsy werd niet op eens een heilige, +maar het leven en de dood van Eva bewerkten toch eene opmerkelijke +verandering in haar. De verharde onverschilligheid was verdwenen; +deze was vervangen door gevoel, hoop, verlangen en een streven naar +het goede--een streven dat ongeregeld was en dikwijls afgebroken werd, +maar toch telkens werd hervat. + +Eens, toen Topsy bij Ophelia was geroepen, stak zij, aankomende, +haastig iets in hare borst weg. + +"Wat doet gij daar, ondeugend nest? Gij hebt zeker weer iets gestolen," +zeide de heerschzuchtige, kleine Rosa, die gezonden was om haar te +roepen, en greep haar tevens onzacht bij den arm. + +"Och, loop heen, Miss Rosa," zeide Topsy, met eene poging om zich +los te trekken. "Dat is iets dat je niet aangaat." + +"Wees maar zoo onbeschaamd niet," hervatte Rosa. "Ik heb je daar +wat zien wegstoppen. Ik ken je streken wel," en daarmede poogde Rosa +hare hand in Topsy's borst te steken, terwijl het meisje woedend van +zich af schopte en dapper vocht voor wat zij hare rechten achtte. Het +rumoer van dit gevecht deed Ophelia en St. Clare beiden toeschieten. + +"Zij heeft gestolen," zeide Rosa. + +"Dat heb ik niet," schreeuwde Topsy, huilende van kwaadheid. + +"Geef het mij, wat het ook wezen mag," gebood Ophelia. + +Topsy aarzelde; maar op een tweede bevel haalde zij een pakje uit +hare borst, in den voet van eene harer oude kousen gewikkeld. + +Toen Ophelia het opendeed, vond zij een boekje, dat Eva eens aan Topsy +geschonken had, een almanak met een tekst uit den Bijbel voor elken +dag van het jaar, en in een papiertje de haarlok, welke zij het kind +op den gedenkwaardigen dag van haar afscheid had gegeven. + +St. Clare werd zeer aangedaan door dit gezicht. Het boekje was in +eene strook zwarte krip gewikkeld. + +"Waarom hebt ge _dit_ om het boekje gedaan?" zeide St. Clare, het +krip vertoonende. + +"Omdat--omdat het van Miss Eva was. O, neem het mij niet af," +antwoordde Topsy, zette zich toen plat op den grond neer, sloeg haar +voorschoot over haar hoofd en begon heftig te schreien. + +Het was een zonderling mengsel van aandoenlijkheid en +belachelijkheid--dat stuk van eene kous, het zwarte krip, het +tekstenboekje, de haarlok en Topsy's matelooze droefheid. + +St. Clare glimlachte, maar er stonden toch tranen in zijne oogen, +toen hij zeide: + +"Kom, kom, schrei maar niet; gij moogt het wel hebben." En alles weder +bijeendoende wierp hij het Topsy in den schoot, en trok Ophelia mede +naar de voorkamer. + +"Ik geloof inderdaad dat gij nog iets van dat ding zult kunnen maken," +zeide hij met zijnen duim over zijnen schouder wijzende. "Een gemoed, +dat voor ware droefheid vatbaar is, is ook voor het goede vatbaar. Gij +moet uw best maar met haar doen." + +"Het kind is veel verbeterd," antwoordde Ophelia, "en ik heb groote +hoop van haar. Maar Augustine," vervolgde zij, hare hand op zijnen arm +leggende, "ik moet u nog iets vragen. Van wien zal dit kind wezen? Van +u of van mij?" + +"Wel, ik heb haar immers aan u gegeven," antwoordde St. Clare. + +"Maar niet wettig. Ik zou willen dat zij wettig de mijne was," +zeide Ophelia. + +"Wel, Nicht, wat zal het abolitie-genootschap daarvan denken?" zeide +St. Clare. "Zij zullen een vastendag uitschrijven voor zulk een afval, +dat gij eene slavenhoudster wordt." + +"Dat is maar gekheid. Ik zou willen dat zij de mijne was, om het recht +te hebben haar naar de vrije staten te brengen en haar heur vrijheid +te geven, opdat al wat ik beproef te doen niet weer verijdeld worde." + +"O, Nicht, welk een ontzettend, 'kwaaddoen opdat er goed uit +voortkome.' Daartoe kan ik niet behulpzaam zijn." + +"Ik zou u liever hooren redeneeren dan schertsen," zeide Ophelia. "Het +baat niet of ik mijn best doe om dit kind tot een christenkind te +maken, als ik haar niet bewaar voor alles, waaraan de slavernij +haar later blootstelt, en als gij inderdaad gezind zijt om haar aan +mij te geven, verlang ik dat ge mij een giftbrief of ander wettig +bewijs geeft." + +"Welnu, dat zal ik," zeide St. Clare, zette zich neer en nam de +courant op om te gaan lezen. + +"Maar ik zou dat nu willen gedaan hebben," hervatte Ophelia. + +"Hoe hebt ge zoo'n haast?" + +"Omdat het nu gedaan moet, als het ooit gedaan zal worden," antwoordde +Ophelia. "Kom, daar is papier, pen en inkt; schrijf nu even zoo iets." + +St. Clare had, gelijk de meeste menschen van zijnen stempel, een +hartelijken afkeer van den tegenwoordigen tijd, van het bedrijvend +werkwoord, en werd dus eenigszins verstoord over Ophelia's +voortvarendheid. + +"Wat scheelt u toch?" zeide hij. "Kunt gij mijn woord niet +aannemen? Men zou denken dat ge bij de joden les had genomen, om +iemand zoo aan te pakken." + +"Ik wil er zeker van zijn," antwoordde Ophelia. "Gij kunt sterven of +in ongelegenheid raken, en dan zou Topsy verkocht worden, zonder dat +ik er iets tegen doen kon." + +"Inderdaad, ge zijt zeer voorzichtig. Maar nu ik zie dat ik in de +handen van een Yankee ben, is er niets anders op dan maar toe te +geven," zeide St. Clare en schreef snel een giftbrief, hetgeen hij, +daar hij met alle wettige vormen bekend was, zeer gemakkelijk doen kon, +en teekende zijn naam met groote wilde letters, met een geduchte krul +er onder. + +"Daar, is dat nu zwart op wit, Miss Vermont?" zeide hij, haar het +papier overgevende. + +"Goede jongen!" zeide Ophelia nu hierop. "Maar moet het ook niet door +een getuige onderteekend worden?" + +"Och ja, dat is ook waar. Hier, Marie!" vervolgde St. Clare tot zijne +vrouw, de deur harer kamer openende. "Nicht wilde uw handteekening +bewaren. Zet eens even uw naam hieronder." + +"Wat is dat?" zeide Marie het geschrift doorloopende. "Wel, +dat is grappig! Ik dacht dat nicht veel te vroom was voor +zulke afschuwelijkheden," vervolgde zij, onverschillig haar naam +schrijvende. "Maar als zij dat ding verlangt te hebben, is het haar +hartelijk gegund." + +"Daar, nu is zij de uwe met lichaam en ziel," zeide St. Clare, het +papier teruggevende. + +"Niet meer de mijne dan zij te voren was," zeide Ophelia. "Niemand +dan God heeft het recht om haar aan mij te geven; maar ik kan haar +nu beschermen." + +"Welnu, zij is dan nu de uwe door eene fictie der wet," zeide +St. Clare, naar de voorkamer en zijne courant terugkeerende. + +Ophelia, die Marie zelden veel gezelschap bleef houden, volgde hem +naar de voorkamer, nadat zij het papier zorgvuldig geborgen had. + +"Augustine," zeide zij eensklaps terwijl zij zat te breien, "hebt gij +eenige bestelling voor uw bedienden gemaakt, in geval van overlijden?" + +"Neen," antwoordde St. Clare en las weder voort. + +"Dan kan al uwe goedheid voor hen wel eens eene groote wreedheid +blijken te zijn." + +St. Clare had bij zich zelven dikwijls eveneens gedacht, maar +antwoordde nu toch achteloos: "Nu, ik denk ook zulk eene bestelling +te maken." + +"Wanneer?" zeide Ophelia. + +"Eerstdaags." + +"En als gij dan nog eerder kwaamt te sterven?" + +"Wat scheelt u toch, Nicht?" zeide St. Clare, zijne courant +neerleggende en haar aanziende. "Denkt gij dat ik eenige voorteekenen +van de gele koorts of de cholera heb, dat gij zoo ijverig voor mijn +testament zorgt?" + +"Te midden van het leven zijn wij in den dood," antwoordde Ophelia. + +St. Clare stond op en ging naar de deur die op de veranda uitkwam, +om zoo een eind te maken aan een gesprek, dat hem onaangenaam +was. Onwillekeurig herhaalde hij het laatste woord "_dood_!"--en +terwijl hij tegen het hek leunde, en naar de springende fontein en +het water in de kom tuurde, en daarin als in een nevel de bloemen en +boomen van het binnenplein zag spiegelen, herhaalde hij nog eens het +geheimzinnige woord, dat iedereen zoo dikwijls in den mond neemt, +en dat toch zulk een geduchte kracht heeft--"_dood_!" + +"Vreemd, dat er zulk een woord en zulk een ding is," zeide hij bij +zich zelven, "en wij het ooit vergeten, dat iemand den eenen dag +leeft vol hoop, begeerten en behoeften, en den volgenden dag weg is, +geheel weg en voor altijd." + +Het was een warme, heldere avond, en toen hij naar het andere einde +der veranda ging, zag hij Tom in zijnen Bijbel zitten lezen, daarbij +met zijnen vinger van woord tot woord wijzende en ernstig fluisterende. + +"Wilt ge mij voor u laten lezen, Tom?" zeide St. Clare, zich achteloos +naast hem nederzettende. + +"Als het meester belieft," antwoordde Tom. "Meester maakt het zooveel +duidelijker." + +St. Clare nam het boek en begon te lezen bij eene van de plaatsen, die +Tom met dikke strepen in het rond had gemerkt. Die plaats luidde aldus: + +"En wanneer de Zoon des menschen komen zal in Zijne heerlijkheid, +en al de engelen met Hem, dan zal Hij zitten op den troon Zijner +heerlijkheid. En voor Hem zullen al de volken vergaderd worden, en +Hij zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de +bokken scheidt." + +St. Clare las met eene heldere stem voort, totdat hij aan de laatste +verzen kwam. + +"Dan zal Hij zeggen tot degenen die ter linkerhand zijn: Gaat weg +van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel +en zijnen engelen bereid is. Want Ik ben hongerig geweest, en gij +hebt Mij niet te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest, en gij hebt +Mij niet te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling, en gij hebt Mij +niet geherbergd; naakt, en gij hebt Mij niet gekleed; krank en in +de gevangenis, en gij hebt Mij niet bezocht. Dan zullen ook deze Hem +antwoorden en zeggen: "Heere, wanneer hebben wij U hongerig gezien, of +dorstig, of een vreemdeling, of naakt, of krank, of in de gevangenis, +en hebben U niet gediend?" Dan zal Hij hun antwoorden en zeggen: +Voorwaar ik zeg u: voor zooveel gij dit eene van deze minsten niet +gedaan hebt, zoo hebt gij het ook Mij niet gedaan." + +Deze laatste woorden schenen St. Clare te treffen, want hij las ze +tweemaal over; de tweede maal langzaam, alsof hij bij zich zelven er +over nadacht. + +"Tom," zeide hij daarop, "die lieden die zulk een hard vonnis krijgen, +schijnen juist gedaan te hebben wat ik doe--goed en fatsoenlijk op +hun gemak geleefd te hebben, zonder zich te kwellen met te vragen: +hoevelen van hunne broederen hongerig, of dorstig, ziek of in de +gevangenis waren." + +Tom gaf geen antwoord. + +St. Clare stond op en wandelde peinzend onder de veranda op en +neer, naar het scheen alles vergetende, behalve zijne eigene +gedachten. Zoozeer was hij daarin verdiept, dat Tom hem tweemaal +moest herinneren dat de schel voor het theedrinken geluid was, eer +hij gehoor kreeg. + +Onder het theedrinken was St. Clare verstrooid en nadenkend; en na +de thee zette hij zich met Ophelia en Marie, allen bijna even stil, +in de voorkamer. + +Marie nam op eene sofa onder een zijden muskieten gordijn haar gemak +en was spoedig gerust in slaap. Ophelia zat stil te breien, St. Clare +zette zich voor de piano en begon een zachte melodie te spelen, met +accompagnement van seraphine. Hij scheen in diep gepeins verzonken +en als het ware eene alleenspraak in muziek te houden. Na eenigen +tijd trok hij eene der laden open, nam daaruit een oud muziekboek, +welks bladen geel van ouderdom waren, en zag het door. + +"Dit was een boek van mijne moeder," zeide hij tot Ophelia, "en hier +is haar schrift. Kom eens zien. Dit heeft zij zelve gearrangeerd uit +Mozarts Requiem." + +Ophelia kwam bij hem. + +"Dit was iets dat zij dikwijls placht te zingen," zeide St. Clare. "Mij +dunkt, ik hoor haar nog." + +Hij sloeg eenige statige accoorden aan, en begon toen het oude verheven +kerklied: de _Dies Irae_, te zingen. + +Tom, die onder de veranda stond te luisteren, werd door deze muziek +naar de deur der kamer gelokt. De woorden van het Latijnsche lied +verstond hij natuurlijk niet, maar de muziek en de manier waarop die +gezongen werd, scheen hem zeer aan te doen, vooral wanneer St. Clare +de roerendste gedeelten zong. Nog veel dieper zou zijn gemoed zijn +bewogen, als hij de beteekenis had verstaan der treffende woorden: + + + "Recordare, Jesu pie, + Quod sum causa tuae viae, + Ne me perdas illa die; + Quaerens me sedisti lassus, + Redimisti crucem passus, + Tantus labor non sit cassus." [8] + + +St. Clare gaf eene diep roerende uitdrukking aan deze woorden; want +de nevelachtige sluier der jaren scheen te worden opgelicht, en het +was hem alsof hij de stem zijner moeder met de zijne hoorde medezingen. + +Toen het lied uitgezongen was, bleef St. Clare nog eene poos met het +hoofd in de hand zitten; stond toen op en begon in de kamer op en +neer te wandelen. + +"Welk eene verhevene voorstelling van het laatste oordeel!" zeide +hij. "Al het onrecht van eeuwen hersteld!--alle zedelijke raadselen +opgelost, door eene onbedriegelijke wijsheid. Het is waarlijk een +grootsch tafereel." + +"Maar geducht voor ons," zeide Ophelia. + +"Dat moest het voor mij wezen, zou ik denken," zeide St. Clare, +peinzend stilstaande. "Ik las van middag voor Tom dat hoofdstuk van +Mattheus, dat eene beschrijving daarvan geeft, en ik ben er waarlijk +door getroffen. Men zou verwacht hebben, dat aan diegenen die van +den hemel worden uitgesloten, gruwelijke euveldaden te last zouden +worden gelegd, als reden daarvoor, maar neen--zij worden uitgesloten +omdat zij geen positief goed hebben gedaan, alsof dat alle mogelijk +kwaad insloot." + +"Misschien," zeide Ophelia, "is het onmogelijk, dat iemand die geen +goed doet, geen kwaad doet." + +"En wat," zeide St. Clare redeneerende, maar toch met diep gevoel +sprekende, "wat zal er dan gezegd worden van iemand, die door +zijn eigen hart, zijne opvoeding en de behoeften der maatschappij +vruchteloos tot een edel doel geroepen werd; die als een droomerig, +onzijdig toeschouwer van den strijd den angst en het lijden der +menschheid heeft laten voortbestaan, terwijl hij werkzaam had kunnen +en moeten zijn?" + +"Ik zou zeggen," antwoordde Ophelia, "dat hij berouw moest hebben en +nu beginnen." + +"Altijd practisch en op den man af!" zeide St. Clare, terwijl zich +een glimlach op zijn gezicht begon te vertoonen. "Gij laat mij nooit +tijd tot algemeene bespiegelingen, Nicht; gij brengt mij altijd vlak +voor het werkelijk tegenwoordige; gij hebt eene soort van eeuwig nu, +dat u altijd voor den geest is." + +"Nu is al de tijd, waarmede ik iets te doen heb," antwoordde Ophelia. + +"Lieve, kleine Eva--arm kind!" zeide St. Clare, "zij had haar eenvoudig +hartje gezet op een goed werk voor mij." + +Het was de eerste maal sedert Eva's dood, dat men hem zoovele woorden +over haar had hooren spreken, en hij had nu blijkbaar veel moeite om +zijn gevoel te bedwingen. + +"Ik heb van het Christendom zulk een begrip," vervolgde hij, "dat +ik geloof, dat niemand het kan belijden, of hij moet om consequent +te blijven, zich met alle macht tegen het gedrochtelijk stelsel +van ongerechtigheid verzetten, dat den grondslag van geheel onze +maatschappij uitmaakt, en zoo het noodig is, zichzelven in dien strijd +opofferen. Dat is, ik meen dat ik op geene andere wijs een Christen +zou kunnen zijn, schoon ik zeker omgang heb gehad met vele verlichte, +Christelijke menschen, die zoo niet deden; en ik beken dat de lauwheid +van godsdienstige menschen in dit opzicht, hun gebrek aan een gevoel +bij een onrecht dat mij deed ijzen, mij meer dan iets anders tot +twijfelzucht heeft gebracht." + +"Indien gij dat alles wist," zeide Ophelia, "waarom hebt gij het +niet gedaan?" + +"Och, omdat ik alleen die soort menschlievendheid heb, die daarin +bestaat, dat men op de sofa liggende, de kerk en de geestelijken +verwenscht, omdat zij geene belijders en martelaren zijn. Men kan zeer +gemakkelijk zien, weet ge, dat anderen martelaren behoorden te wezen." + +"En zult ge nu anders gaan doen?" zeide Ophelia. + +"God alleen kent de toekomst," antwoordde St. Clare. "Ik ben dapperder +dan ik was, omdat ik alles verloren heb; en wie niets te verliezen +heeft, kan alles wagen." + +"En wat zult ge nu gaan doen?" + +"Mijn plicht, hoop ik, jegens armen en geringen, zoodra ik dien maar +duidelijk zie," antwoordde St. Clare; "beginnende bij mijne eigen +bedienden, voor wie ik nog niets gedaan heb; en misschien zal het +eens blijken, dat ik iets voor de geheele klasse kan doen; iets om +mijn land te ontheffen van de schande, welke het thans voor alle +beschaafde natiën bedekt." + +"Acht gij het mogelijk, dat een volk ooit vrijwillig tot de emancipatie +zal komen?" zeide Ophelia. + +"Ik weet het niet," antwoordde St. Clare. "Dit is een dag van groote +daden. Heldhaftigheid en belangeloosheid rijzen hier en daar als uit +den grond. De Hongaarsche edelen hebben met een ontzaglijk financieel +verlies millioenen van lijfeigenen vrijverklaard, en misschien zullen +er onder ons grootmoedigen worden gevonden, die eer en recht niet +naar dollars en centen waardeeren." + +"Ik denk het haast niet," zeide Ophelia. + +"Maar onderstel dat wij morgen zouden opstaan en emancipeeren, +wie zou dan deze millioenen opvoeden en hen hunne vrijheid leeren +gebruiken? Zij zouden onder ons nooit veel goeds worden. De waarheid +is, dat wij zelven te lui en te flauwhartig zijn, om hun een denkbeeld +te geven van die geestkracht en vlijt, die vereischt wordt om hen tot +menschen te vormen. Zij zullen naar het Noorden moeten gaan, waar het +arbeiden de mode--het algemeen gebruik is; en zeg mij nu, is er genoeg +christelijke menschenliefde in uwe Noordelijke staten om het bezwaar +van hunne opvoeding en beschaving te dragen? Gij geeft duizenden van +dollars aan zendelingen in vreemde landen; maar kunt gij het velen, dat +de heiden in uwe steden en dorpen gezonden wordt, en kunt gij uw tijd, +uwe gedachten en uw geld geven, om hem tot den christelijken standaard +te verheffen? Dat zou ik willen weten. Als wij emancipeeren, zijt gij +dan bereid om op te voeden? Hoevele huisgezinnen in uwe stad zouden +dan een neger en negerin willen opnemen, hen onderrichten, geduld met +hen hebben en hen tot christenen maken? Hoevele kooplieden zouden Adolf +willen nemen, als ik hem als klerk bij hen wilde plaatsen, of hoevele +handwerkslieden, als ik hem een ambacht wilde laten leeren? Als ik +Jane en Rosa school wilde leggen, hoevele scholen zijn er dan in de +Noordelijke staten, die haar zouden opnemen? Hoevele familiën die haar +zouden willen hebben? En toch zijn zij zoo blank als menige vrouw in +het Zuiden en Noorden. Gij ziet, Nicht, ik wil dat ons recht gedaan +worde. Wij zijn in eene slechte positie. Wij zijn de _meer openbare_ +onderdrukkers van den neger; maar het onchristelijk vooroordeel van +het Noorden is een bijna even hard onderdrukker." + +"Ja, Neef, ik weet dat het zoo is," antwoordde Ophelia. "Ik weet dat +het zoo met mij was, tot ik zag dat het mijn plicht was dat vooroordeel +te overwinnen, en ik weet dat er vele brave menschen in het Noorden +zijn, die in dit opzicht alleen behoeven te leeren wat hun plicht +is, om het te doen. Het zou zeker eene grooter zelfverloochening +vereischen, om heidenen onder ons te ontvangen, dan om hun zendelingen +te zenden; maar ik denk dat wij het doen zouden." + +"Gij zoudt het doen, dat weet ik," zeide St. Clare. "Ik zou wel +eens willen zien wat gij niet doen zoudt, als gij het voor uwen +plicht hieldt." + +"Och, ik ben zoo buitengemeen niet," zeide Ophelia daarop. "Anderen +zouden hetzelfde doen, als zij de dingen zoo zagen als ik. Ik denk +Topsy mede naar huis te nemen als ik ga. Ik denk dat de menschen bij +ons zich eerst wel erg zullen verwonderen; maar ik geloof dat zij +zich wel tot mijn begrip zullen laten brengen. Bovendien weet ik dat +er velen in het Noorden zijn, die juist zoo doen als gij gezegd hebt." + +"Ja, maar zij zijn de minderheid, en als wij wat veel begonnen te +emancipeeren, zouden wij van uwen kant spoedig wat anders hooren." + +Ophelia gaf hierop geen antwoord. Er volgde eene poos van stilte, +en St. Clare's gezicht nam eene treurige mijmerende uitdrukking aan. + +"Ik weet niet wat mij van avond zooveel aan mijne moeder doet denken," +zeide hij. "Ik heb een zonderling gevoel, alsof zij dicht bij mij +was. Ik denk gedurig aan dingen die zij placht te zeggen. Het is +vreemd. Wat is het toch, dat ons dat lang verledene somtijds zoo +levendig herinnert?" + +Hij wandelde nog een poos de kamer op en neer en zeide toen: "Mij +dunkt, ik zal eens even de straat opgaan en hooren wat nieuws er van +avond is." + +Hij nam zijn hoed en ging. + +Tom volgde hem het binnenplein over en vroeg of hij zou medegaan. + +"Neen, mijn jongen," antwoordde St. Clare; "ik zal binnen een uur +terug zijn." + +Tom zette zich onder de veranda. Het was helder maneschijn, hij zat +daar naar het springen der fontein te turen en ook naar het geklater te +luisteren. Tom dacht aan zijn huis en dat hij spoedig een vrij man zou +zijn en in staat om daarheen terug te keeren wanneer hij verkoos. Hij +dacht hoe hij werken zou om zijne vrouw en kinderen te koopen. Hij +betastte met zekere blijdschap de spieren zijner forsche armen en +dacht hoe spoedig zij hem zelven zouden toebehooren, en hoeveel zij +zouden werken om de vrijheid zijner familie te verdienen. En toen +dacht hij aan zijnen edelaardigen jongen meester, en op die gedachte +volgde het gewone gebed, dat hij altijd voor hem had opgezonden, +en toen zwierven zijne gedachten naar de lieve kleine Eva, welke +hij zich onder de engelen voorstelde: en hij bleef zoo peinzen, +tot hij zich bijna verbeeldde dat haar helder gezichtje hem uit de +spattende droppels der fontein aanzag. En zoo peinzende viel hij +in slaap en droomde dat hij haar naar zich toe zag komen huppelen, +juist gelijk zij placht te doen, met een krans van jasmijn in het +haar, met blozende wangen en oogen die van blijdschap straalden; +maar toen hij wel toezag, scheen zij van den grond op te rijzen; +hare wangen hadden een bleeke kleur, hare oogen een meer hemelschen +glans, en eene gouden glorie scheen haar hoofd te omringen, en zoo +verdween zij uit zijn gezicht; Tom ontwaakte door een luid kloppen +en het roepen van verscheidene stemmen aan de voorpoort. + +Hij haastte zich om die te openen: en met zware schreden, onder enkele +woorden, met gesmoorde stem gesproken, kwamen eenige mannen binnen, +een mensch dragende, die in een mantel gewikkeld op een vensterluik +lag. Het licht der lantaren bescheen het gezicht; en Tom gaf een +woesten kreet van ontzetting en wanhoop, die door de galerijen klonk, +terwijl de mannen met hunnen last de open deur der voorkamer naderden, +waar Ophelia zat te breien. + +St. Clare was een koffiehuis binnengegaan, om een avondblad in te +zien. Terwijl hij dit las, werden twee heeren in de zaal, die beiden +door drank beneveld waren, met elkander handgemeen, St. Clare en +een paar anderen poogden hen te scheiden, en St. Clare kreeg een +noodlottigen steek in de zijde met een ponjaard-mes, dat hij een der +vechtenden wilde ontwringen. + +Terstond was het huis vol gegil, geschreeuw en gejammer; de bedienden +trokken zich als razend de haren uit, en wierpen zich wanhopig op den +grond, of liepen verbijsterd heen en weder. Tom en Miss Ophelia alleen +schenen nog eenige tegenwoordigheid van geest te bezitten; want Marie +lag in een heftig zenuwtoeval. Op Ophelia's beschikking werd eene der +sofa's in de voorkamer haastig gereedgemaakt en de gekwetste daarop +nedergelegd. St. Clare was van pijn en bloedverlies flauw gevallen; +maar toen Ophelia opwekkende middelen aanwendde, kwam hij weder bij, +opende de oogen, staarde strak voor zich, zocht ernstig in de kamer +rond, en liet zijn blik over alle voorwerpen dwalen, tot deze eindelijk +op het portret zijner moeder bleef rusten. + +De dokter kwam nu en onderzocht zijn toestand. Men kon uit zijn gezicht +opmaken, dat er geene hoop meer was; maar hij maakte toch aanstalten +om de wond te verbinden; en hij, Miss Ophelia en Tom verrichtten dit +werk met alle bedaardheid, onder het jammeren, snikken en kermen der +verschrikte en angstige bedienden, die elkander bij de deur verdrongen. + +"Wij moeten al dat volk wegjagen," zeide de dokter. "Alles hangt er +van af, dat hij stilgehouden wordt." + +St. Clare opende de oogen en staarde strak naar de bedroefden, +welke Ophelia en de dokter uit de kamer poogden te verwijderen. "Arme +schepsels!" zeide hij, en eene uitdrukking van bitter zelfverwijt vloog +over zijn gezicht. Adolf was onmogelijk te verdrijven. Ontzetting +had hem bijna van zijne zinnen beroofd; hij wierp zich zoo lang hij +was op den grond, en niets kon hem bewegen om op te staan. De anderen +luisterden naar Ophelia's dringende vermaningen, toen zij zeide dat het +behoud van hunnen meester van hunne stilte en gehoorzaamheid afhing. + +St. Clare kon maar weinig spreken. Hij lag met gesloten oogen, maar +het was duidelijk te zien dat hij met bittere gedachten worstelde. Na +eene poos leide hij zijne hand op die van Tom, die naast hem knielde +en zeide: "Tom, arme man!" + +"Wat, meester?" zeide Tom ernstig. + +"Ik ben stervende," zeide St. Clare en drukte hem de hand. "Bid!" + +"Als gij een geestelijke mocht verlangen," begon de dokter. + +St. Clare schudde zijn hoofd en zeide nog eens en met meer ernst tot +Tom: "Bid!" + +En Tom bad, met alle kracht en geheel zijn hart, voor de ziel die +scheiden zou--de ziel, welke zoo ernstig uit die blauwe oogen scheen +te staren. Het was letterlijk een goed gebed, "met sterke roeping in +tranen geofferd." + +Toen Tom zweeg, vatte St. Clare hem nogmaals bij de hand, maar zeide +niets. Hij sloot zijne oogen, maar bleef die hand vasthouden; want +voor de poort der eeuwigheid drukken de zwarte hand en de blanke +elkander als gelijken. Afgebroken en bij tusschenpoozen prevelde hij +bij zichzelven: + + + "Recordare, Jesu pie-- + * * * + Ne me perdas illa die, + Quaerens me sedisti lassus." + + +Blijkbaar kwamen dus de woorden, welke hij dien avond gezongen had, +hem weder voor den geest--woorden van smeeking, tot de oneindige +Barmhartigheid gericht. Nu en dan ontvloden enkele afgebroken regels +van het lied zijne lippen. + +"Hij ijlt," zeide de dokter. + +"Neen, ik kom eindelijk tot mij zelven," zeide St. Clare met +nadruk. "Eindelijk, eindelijk!" + +Het spreken had zijne krachten geheel uitgeput. De bleekheid des doods +spreidde zich over zijne trekken, maar vergezeld van eene uitdrukking +van vreedzame kalmte, gelijk die van een vermoeid kind dat in slaap +valt. Het was als ware een engel tot hem afgedaald, om hem te troosten. + +Zoo lag hij een korte poos. Zij zagen dat de hand des doods op hem +was. Slechts nog even, juist vóórdat hij den geest gaf, opende hij +zijne oogen, waaruit een plotselinge glans als van blijde herkenning +straalde, en zeide: "Moeder!" en toen was hij gestorven. + + + + + +NEGEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK + +DE NALATENSCHAP + + +Men hoort dikwijls van de droefheid der negerslaven over het verlies +van een goeden meester; en maar al te veel reden hebben zij om bedroefd +daarover te zijn, want geen schepsel op Gods aarde kan ongelukkiger +en hulpeloozer achterblijven dan een slaaf in zulke omstandigheden. + +Het kind, dat zijn vader heeft verloren, heeft nog de bescherming van +nabestaanden of die der wet; het is iets en kan iets doen--het heeft +eene positie en erkende rechten; de slaaf heeft niets daarvan. De wet +houdt hem in alle opzichten voor zoo geheel zonder eigen rechten als +eene baal koopwaren. De eenig mogelijke erkenning der verlangens en +behoeften van een menschelijk en onsterfelijk wezen, die hem ten deel +valt, heeft hij aan de oppermachtige willekeur van zijnen meester +te danken. Dit weet iedereen en de slaaf het best van allen, en hij +gevoelt dus, dat hij tien kansen heeft, om een grillig en tiranniek +meester te vinden, tegen eene om een goedaardig en menschlievend heer +te bekomen. Daarom is het, dat de rouwklacht over een goed meester +zoo luid en lang is, en wezen mag. + +Toen St. Clare den adem uitblies, werden al zijne onderhoorigen door +verbijsterden schrik overstelpt. Hij was zoo in een oogenblik in den +bloei en de kracht zijner jeugd neergeveld! Elke kamer en galerij +van het huis weergalmde van het snikken en gillen der wanhoop. + +Marie, wier zenuwgestel door hare weekelijke levenswijs geheel was +ondermijnd, had niets om haar bij dien schok te ondersteunen. Toen +haar echtgenoot den laatsten snik gaf, kreeg zij flauwte op flauwte, +en hij, met wien zij door den heiligen huwelijksband was verbonden, +was voor altijd van haar gescheiden, zonder dat het zelfs mogelijk +was geweest een afscheidswoord te spreken. + +Ophelia was met haar eigenaardige geestkracht en zelfbeheersching tot +het laatste toe bij haren neef gebleven--geheel oog, geheel oor, geheel +oplettendheid om het weinige te doen, dat er nog gedaan kon worden,--en +had met geheel haar hart ingestemd in het teedere en vurige gebed, +dat door den armen slaaf voor de ziel van zijnen stervenden meester +werd opgezonden. + +Toen men hem schikte voor zijne laatste rust, vond men op zijne borst +een eenvoudig medaillon, dat met eene veer opensprong. Daarin was +het miniatuur-portretje eener vrouw van edele schoonheid, en aan de +achterzijde onder glas een lok donker haar. Zij plaatsten het weder +op de levenlooze borst--stof bij stof--die treurige overblijfselen +van vroegere droomen, die het nu koude hart eens zoo warm hadden +doen kloppen. + +Toms geheele ziel was met gedachten aan de eeuwigheid vervuld, +en terwijl hij aan dat levenlooze stof de laatste diensten bewees, +dacht hij niet eens aan den plotselingen slag, die hem in hopelooze +slavernij had gelaten. Hij voelde zich gerust over zijnen meester; +want in dat uur, toen hij zijn gebed in den boezem van zijnen Vader +had uitgestort, had hij in zich zelven een antwoord voelen opwellen, +dat zijn gemoed bevredigde. In de diepte van zijn eigen liefderijk +hart had hij iets van de volheid der goddelijke liefde kunnen bevatten, +want een oud orakel had aldus geschreven: "Hij die in de liefde blijft, +blijft in God en God in hem." Tom hoopte en vertrouwde, en was gerust. + +De begrafenis liep af met al haar praal van zwart en krip, van gebeden +en strakke gezichten; en de koude, troebele golven van het dagelijksch +leven rolden weder voort, en toen kwam de altijd weder opnieuw gehoorde +vraag op: "Wat moet er nu gedaan worden?" + +Deze vraag kwam bij Marie op toen zij, in een los ochtendgewaad +gekleed, en door angstige bedienden omringd, in een grooten +leuningstoel opzat, en stalen en rouwgoed bezichtigde. Zij kwam ook bij +Ophelia op, die aan haar tehuis in het Noorden begon te denken. Zij +kwam ook met stille ontzetting bij de slaven op, die maar al te wel +het gevoellooze grillige karakter van hunne meesteres kenden, in wier +handen zij gelaten waren. Allen wisten zeer wel, dat de zachtheid, +waarmede zij behandeld waren, niet van hunne meesteres, maar van +hunnen meester afkomstig was; en dat er, nu hij niet meer leefde, +niets meer was om hen te beschermen tegen alle tirannieke kwellingen, +die een gemoed dat door verdriet verbitterd was zou kunnen uitdenken. + +Het was omtrent veertien dagen na de begrafenis, toen Ophelia, in +hare kamer bezig, zacht aan hare deur hoorde kloppen. Zij opende die +en daar stond Rosa, de fraaie jonge quadrone, van wie wij vroeger +meermalen gesproken hebben, met loshangende haren en oogen, gezwollen +van het schreien. + +"O, Miss Phelia!" zeide zij, op hare knieën vallende en den zoom van +haar kleed vattende, "ga toch voor mij naar Miss Marie! Spreek toch +voor mij! Zij wil mij zenden om gegeeseld te worden--zie hier!" En +zij gaf Ophelia een papier over. + +Het was eene order, met Maries fijne Italiaansche hand geschreven, +aan den meester van het "geesel-etablissement", om aan de brengster +vijftien zweepslagen te geven. + +"Wat hebt gij dan gedaan?" zeide Ophelia. + +"Gij weet wel, Miss Phelia, ik heb zulk een driftig humeur, en dat is +heel slecht van mij. Ik paste Miss Marie een kleedje, en zij gaf mij +een klap in het gezicht, en toen sprak ik vóór ik dacht en was brutaal; +en zij zeide dat zij mij wel klein zou krijgen, en mij voor eens en +altijd leeren dat ik niet meer zooveel verbeelding moest hebben als +voorheen; en toen schreef zij dit en zei dat ik het brengen moet. Ik +had liever dat zij mij ineens doodsloeg." + +Ophelia stond zich met het papier in de hand te bedenken. + +"Gij ziet het wel, Miss Phelia," hervatte Rosa, "ik zou niet zooveel +om het slaan geven, als Miss Marie of gij het deedt; maar, naar een +man gezonden te worden--en zulk een afschuwelijk man--en de schande +daarvan, Miss Phelia!" + +Ophelia wist wel dat het een algemeen gebruik was, vrouwen en +meisjes naar de geeselhuizen te zenden, onder de handen der gemeenste +kerels--laaghartig genoeg om zoo iets tot hun beroep te maken--om daar +eene schandelijke ontblooting en tuchtiging te ondergaan. Zij had +dit vroeger wel geweten, maar het zich nog nooit recht voorgesteld, +vóórdat zij de tengere gestalte van Rosa stuipachtig zag rillen van +angst. Al haar edel vrouwelijk bloed, het krachtige, vrije bloed +van Nieuw-Engeland, steeg haar naar de wangen en klopte onstuimig +in haar verontwaardigd hart; maar met hare gewone voorzichtigheid +en zelfbeheersching bedwong zij zich, en het papier in hare hand +samenknijpende, zeide zij tegen Rosa slechts: "Ga hier zitten, kind, +terwijl ik naar uwe meesteres ga." + +"Schandelijk! barbaarsch! verfoeielijk!" zeide zij bij zich zelve, +terwijl zij naar de voorkamer ging. + +Zij vond Marie in haren leuningstoel zitten. Mammy was bezig met haar +het haar te kammen en Jane, die vóór haar op den grond zat met hare +voeten te wrijven. + +"Hoe bevindt ge u vandaag?" zeide Ophelia. + +Een zware zucht met dichtgeknepen oogen was het eerste antwoord, +en daarop zeide Marie: "Och, ik weet het niet, Nicht. Ik denk haast +dat ik zoo wel ben, als ik ooit wezen zal." En zij veegde hare oogen +af met een zakdoek, die een zwarten rand had van een duim breed. + +"Ik kwam," zeide Ophelia met een droog kuchje, gelijk meestal tot +inleiding van een netelig onderwerp moet dienen, "ik kwam om eens +met u over die arme Rosa te spreken." + +Marie opende nu hare oogen wijd genoeg, en er kwam een blos op hare +vale wangen, toen zij met scherpheid antwoordde: + +"Wel, wat is er met haar?" + +"Zij heeft veel spijt over hare fout." + +"Zoo, heeft zij dat? Zij zal nog wel meer spijt hebben, eer ik met +haar heb afgedaan. Ik heb de onbeschaamdheid van dat kind lang genoeg +verdragen, en nu zal ik haar vernederen--ik zal haar in het stof +doen kruipen." + +"Maar zoudt gij haar niet op eene andere manier kunnen straffen, +die minder schandelijk was?" + +"Ik bedoelde haar schande aan te doen; dat is juist wat ik wil. Zij +is altijd grootsch geweest op hare mooiheid en fijnheid en hare +damesachtige manieren, tot zij vergeten heeft wat zij is; en ik zal +haar eene les geven, die haar wel van hare verbeelding genezen zal, +naar ik denk." + +"Maar, Nicht, bedenk dat als gij de kieschheid en schaamte bij een jong +meisje verdooft, zij spoedig tot alle slechtheid in staat moet worden." + +"Kieschheid!" zeide Marie, met eenen schamperen lach; "een mooi woord +voor zulken als zij! Ik zal haar leeren dat zij met al hare airs niet +beter is dan de vuilste slet die langs de straat loopt. Zij zal zich +bij mij geene airs geven." + +"Gij zult bij God verantwoordelijk zijn voor zulk eene wreedheid," +zeide Ophelia. + +"Wreedheid! Ik zou wel eens willen weten, waar gij die wreedheid +vindt. Ik heb eene order geschreven voor maar vijftien slagen, en +hem nog gezegd om ze licht te geven. Ik denk toch dat daarin geene +wreedheid steekt." + +"Geene wreedheid!" zeide Ophelia. "Ik ben zeker, dat ieder meisje +veel liever in eens dood zou willen zijn." + +"Zoo zou het iemand met uw gevoel kunnen voorkomen; maar al die +schepsels worden er aan gewoon, en het is de eenige manier waarop er +orde onder kan worden gehouden. Als zij eens denken dat zij airs van +kieschheid en dat alles kunnen geven, nemen zij een loopje met u, +gelijk mijne bedienden altijd gedaan hebben. Ik ben nu begonnen met +hun anders te leeren, en ik zal hun spoedig allen doen begrijpen, dat +ik den een evengoed zal zenden om gegeeseld te worden als den ander, +als zij niet oppassen," zeide Marie, gebiedend om zich heenziende. + +Jane liet haar hoofd hangen en kromp ineen toen zij dit hoorde, want +zij voelde dat het bijzonder op haar gemunt was. Miss Ophelia bleef +een oogenblik zitten, alsof zij een of ander ontploffend mengsel had +ingenomen en op het punt was om te bersten. Toen bedenkende hoe geheel +nutteloos een woordenstrijd met iemand van zulk een karakter was, +kneep zij hare lippen vaster dicht, stond op en ging de kamer uit. + +Het was hard, weder naar Rosa te moeten gaan om haar te zeggen, dat zij +toch niets voor haar doen kon. Kort daarop kwam een der slaven zeggen +dat zijne meesteres hem gelast had, Rosa naar het geeselhuis te brengen +en in weerwil van haar smeeken en schreien, werd zij daarheen gesleept. + +Eenige dagen later stond Tom peinzend onder eene der galerijen, +toen Adolf bij hem kwam, die sedert den dood van zijnen meester zeer +mismoedig en bedrukt geweest was. Adolf wist wel dat zijne meesteres +altijd een hekel aan hem had gehad, maar zoolang zijn meester leefde, +had hij zich daar weinig om bekommerd. Nu deze gestorven was, was +hij geen dag zonder angst geweest, daar hij niet wist wat hem den +volgenden kon overkomen. Marie had reeds verscheidene malen haar +procureur geraadpleegd, en na overleg met St. Clare's broeder had men +besloten om het huis en al de bedienden te verkoopen, behalve die +haar persoonlijk eigendom waren. Deze laatsten wilde zij medenemen +en zich weder naar de plantage van haren vader begeven. + +"Weet gij wel, Tom, dat wij allen verkocht zullen worden?" zeide Adolf. + +"Hoe hebt gij dat gehoord?" zeide Tom. + +"Ik had mij achter de gordijnen verscholen, toen mevrouw met den +procureur sprak. Over eenige dagen zullen wij allen naar de publieke +verkooping gezonden worden." + +"De wil des Heeren geschiede!" zeide Tom met een zwaren zucht, zijne +armen over elkander heenslaande. + +"Wij zullen nooit weder zulk een meester krijgen," zeide Adolf +benauwd. "Maar ik wil liever verkocht worden, dan afwachten hoe het +onder mevrouw met mij gaan zal." + +Tom keerde zich om. Zijn hart was vol. De hoop op vrijheid, de +gedachte aan zijne vrouw en kinderen rezen op voor zijn geduldige +ziel, gelijk voor den zeeman, die bijna in de haven schipbreuk lijdt, +eene verschijning oprijst van den kerktoren en de bekende daken van +het dorp zijner geboorte, die hij over de toppen der donkere golven +slechts even ontwaart, om ze een laatst vaarwel toe te roepen. Hij +klemde zijne armen vast over zijne borst, bedwong zijne tranen en +poogde te bidden. De arme, onnoozele man had zulk een zonderling +onverklaarbaar vooroordeel ten gunste der vrijheid, dat het bidden +hem zeer moeilijk viel; en hoe meer hij zeide: "Uw wil geschiede!" des +te oproeriger werd het in zijn gemoed. + +Hij zocht Miss Ophelia op, die hem sedert Eva's dood altijd met +bijzondere achting en vriendelijkheid had behandeld. + +"Miss Phelia," zeide hij, "Mijnheer St. Clare had mij mijne vrijheid +beloofd. Hij zeide mij dat hij begonnen was met de papieren gereed +te maken; en als nu Miss Phelia zoo goed wilde zijn om er met mevrouw +over te spreken, zou zij er misschien wel mede willen laten voortgaan, +daar het toch Mijnheer St. Clare's verlangen was." + +"Ik zal voor u spreken, Tom, en mijn best doen," zeide Ophelia, +"maar als het van Mevrouw St. Clare afhangt, kan ik niet veel voor +u hopen. Evenwel, ik zal het beproeven." + +Dit gebeurde eenige dagen na het voorgevallene met Rosa, terwijl Miss +Ophelia reeds bezig was met toebereidselen, om naar het Noorden terug +te keeren. + +Ernstig bij zich zelven nadenkende, begreep zij dat zij misschien bij +haar vorig gesprek met Marie te haastig was geweest en met te veel +warmte gesproken had, en besloot zij thans haar ijver te matigen en zoo +geduldig te zijn als haar maar mogelijk was. Zoo nam dus de goede ziel +haar breiwerk mede en ging naar de kamer van Marie, met het voornemen +om zich zoo aangenaam te maken als zij maar kon, en tevens over de +zaak van Tom te onderhandelen met al de diplomatische behendigheid, +die haar ten dienste stond. + +Zij vond Marie zoo lang als zij was op eene sofa liggen, met een +elleboog op de kussens leunende, terwijl Jane, die voor haar naar +eenige winkels was geweest, haar stalen van dunne zwarte stoffen +vertoonde. + +"Dat zou goed zijn," zeide Marie, er een uitkiezende, "maar ik weet +niet zeker of het wel eigenlijk voor rouw kan dienen." + +"O ja, Mevrouw," zeide Jane. "Mevrouw Derbennon heeft hetzelfde +gedragen, toen de generaal verleden zomer gestorven was, en het +kleedt overheerlijk." + +"Wat denkt gij er van?" zeide Marie tot Ophelia. + +"Dat zal van het gebruik afhangen, denk ik," antwoordde Ophelia, +"en daarover kunt gij zeker beter oordeelen dan ik." + +"De zaak is," zeide Marie, "dat ik geene enkele japon in de wereld +heb die ik dragen kan; en daar ik aanstaande week het huishouden +opbreek en vertrek, moet ik tot het een of ander besluiten." + +"Gaat gij spoedig?" + +"Ja, St. Clare's broeder heeft geschreven, en hij en de procureur +denken dat het best zal zijn, de bedienden en de meubelen publiek +te laten verkoopen, en het huis en het landgoed in handen van onzen +procureur te laten." + +"Dan is er nog iets, waarover ik u spreken wilde," zeide +Ophelia. "St. Clare had Tom zijne vrijheid beloofd, en was begonnen +met de vereischte wettige formaliteiten. Ik hoop dat gij uw invloed +zult aanwenden, om die zaak te doen in orde brengen." + +"Dat ben ik volstrekt niet voornemens," antwoordde Marie scherp. "Tom +is een van de kostbaarste bedienden, en dat zou dus eene aanmerkelijke +schade voor de nalatenschap zijn. Bovendien, wat heeft hij met vrijheid +noodig? Hij heeft het veel beter zooals hij nu is." + +"Maar hij verlangt er zeer naar, en zijn meester had ze hem beloofd," +zeide Ophelia. + +"Ik wil wel gelooven dat hij ze verlangt," zeide Marie. "Dat +doen zij allen, alleen omdat zij altijd onvergenoegd zijn en alles +verlangen wat zij niet hebben. Ik ben _par principe_ altijd tegen het +emancipeeren. Houd een neger onder het opzicht van een meester en hij +maakt het wel genoeg en gedraagt zich ordelijk; maar laat hen vrij, en +zij worden lui en willen niet werken, raken aan den drank, en worden +allen gemeene deugnieten. Ik heb dat honderden malen gezien. Het is +niet eens eene gunst voor hen, hen vrij te laten." + +"Maar Tom is zoo bedaard, vlijtig en godsdienstig." + +"O, daar behoeft gij mij niet van te spreken. Ik heb er honderden +gezien, evenals hij. Hij zal zich heel wel gedragen zoolang hij onder +opzicht is, dat is alles." + +"Maar bedenk dan ook," zeide Ophelia, "als gij hem te koop laat zetten, +is er kans dat hij een slecht meester krijgt." + +"O, dat is alles maar gekheid!" zeide Marie. "Het gebeurt niet eens +in de honderd maal dat een goed kerel een slecht meester krijgt. De +meeste meesters zijn goed, hoeveel er ook mag gepraat worden. Ik +ben hier in het Zuiden groot geworden, en heb nog nooit een meester +gekend, die zijne bedienden niet goed behandelde, zoo goed als het +maar behoeft. In dat opzicht ben ik volstrekt niet bang." + +"Welnu," zeide Ophelia met nadruk, "ik weet dat het een der laatste +wenschen van uwen man was, dat Tom zijne vrijheid zou hebben; het +was eene van de beloften, die hij de kleine Eva op haar sterfbed gaf, +en ik zou niet denken dat gij over zoo iets zoudt willen heenstappen." + +Onder deze toespraak bedekte Marie haar gezicht met hare zakdoek en +begon zij met heftigheid te snikken en haar flacon te gebruiken. + +"Iedereen maakt het mij moeilijk," zeide zij nu. "Iedereen is even +ongevoelig! Ik zou niet verwacht hebben, dat gij mij mijne rampen +weder in het geheugen zoudt brengen. Maar niemand denkt ooit om mijn +gevoel--en dat bij mijne buitengemeene bezoekingen! Het valt mij zoo +hard, nu ik maar eene eenige dochter had, dat zij mij moest ontnomen +worden--en daar ik een man had die mij juist beviel--en het is zoo +zelden dat mij iets bevalt--dat hij mij ook moest ontnomen worden! Gij +schijnt zoo weinig gevoel voor mij te hebben, en brengt het mij zoo +onbedacht voor den geest--terwijl gij weet hoe het mij overstelpt. Ik +wil gelooven dat gij het wèl meent; maar het is zoo onbedacht!" + +En Marie snikte en hijgde naar adem, en riep Mammy om het venster +open te zetten en haar het kamferfleschje te geven, om haar hoofd +daarmede te bevochtigen, en haar kleed los te maken, en in de algemeene +opschudding die daarop volgde, nam Ophelia de wijk naar hare kamer. + +Zij begreep terstond dat het niet baten kon iets meer te zeggen, want +Marie had altijd zenuwtoevallen bij de hand; en wanneer vervolgens +iemand een woord over de laatste wenschen van haren echtgenoot of van +Eva ten opzichte der bedienden begon te spreken, achtte zij het beste +er terstond een te laten aanrukken. Ophelia deed derhalve het beste, +dat zij in deze omstandigheden voor Tom doen kon; zij schreef voor +hem een brief aan Mevrouw Shelby, waarin zij zijn ongeval vermeldde +en aandrong om hem te hulp te komen. + +Den volgenden dag werden Tom en Adolf, met nog een half dozijn anderen, +naar het slavenmagazijn gebracht, om daar te wachten tot de handelaar, +die eene publieke verkooping zoude houden, een troep bijeen had. + + + + + +DERTIGSTE HOOFDSTUK + +HET SLAVENMAGAZIJN + + +Een slavenmagazijn! Misschien maken sommigen mijner lezers zich eene +allerakeligste voorstelling van zulk eene plaats. Zij verbeelden zich +een vuil donker hol, een schrikkelijken Tartarus, "_informis ingens, +cui lumen adeptus_." Maar neen, onnoozele vriend, in deze dagen heeft +men de kunst geleerd om met overleg en fatsoen te zondigen, zoodat men +de oogen en het gevoel eener beschaafde maatschappij niet beleedigt. De +menschelijke koopwaar is hoog in prijs aan de markt, en wordt daarom +wel gevoed en wel schoongehouden, opgepast en verzorgd, opdat zij vet, +krachtig en in goeden staat ten verkoop kome. Een slavenmagazijn te +Nieuw-Orleans is een huis, voor het uiterlijke niet veel verschillende +van andere huizen, dat net onderhouden wordt, en waar gij dagelijks +buiten de deur onder een soort van afdak, eene rij mannen en vrouwen +kunt zien staan, als stalen van de waar die binnen te koop is. + +Dan zult gij beleefd verzocht worden, om binnen te komen en +te examineeren, en dit doende zult gij een overvloed vinden van +echtgenooten en vrouwen, broeders en zusters, vaders, moeders en kleine +kinderen, "te koop afzonderlijk of bij partijen, gelijk gegadigden +zullen verlangen," en die onsterfelijke zielen, eens door den Zoon +Gods met bloed en angst gekocht, toen de aarde beefde en de rotsen +scheurden en de graven geopend werden, kunnen verkocht, verpand en +voor specerijen of droge waren verruild worden, naarmate het zoo in +den handel te pas, of den kooper gelegen komt. + +Het was een paar dagen na het gesprek tusschen Marie en Ophelia, dat +Tom, Adolf en nog een half dozijn anderen uit de nalatenschap van +St. Clare aan de zorgen van Mr. Skeggs, houder van het depôt in de +straat, werden overgegeven, om de verkooping van den volgenden dag +daar af te wachten. + +Tom had een vrij grooten koffer vol kleeren bij zich, gelijk de meeste +anderen insgelijks hadden. Zij werden voor den nacht in een lang +vertrek gebracht, waar nog vele andere mannen van allerlei ouderdom, +grootte en tinten van kleur verzameld waren en waar men het schaterende +gelach eener gedachtenlooze vroolijkheid hoorde. + +"Ha, ha, ha, dat is goed! Toe maar, jongens, toe maar," zeide +Mr. Skeggs, de magazijnhouder. "Mijn volk is altijd zoo vroolijk! Sambo +is aan den gang, zie ik," voegde hij er bij, goedkeurend het woord +richtende tot een zwaarlijvigen neger, die de ruwe potsen maakte, +welke het gelach veroorzaakten dat Tom gehoord had. + +Tom was, gelijk men wel denken kan, niet gestemd om in het vermaak te +deelen. Hij zette dus zijn koffer zoover mogelijk van de luidruchtige +groep, ging er op zitten en liet zijn hoofd tegen den muur leunen. De +handelaren in menschelijke koopwaar maken er opzettelijk hun werk van +om eene luidruchtige vroolijkheid onder hunne negers te bevorderen, +als een middel om het nadenken te smoren en hen voor hunnen toestand +ongevoelig te maken. De geheele behandeling welke den neger ten deel +valt, van dat hij op de markt in het Noorden wordt verkocht totdat +hij in het Zuiden komt, wordt er stelselmatig op aangelegd om hem +te verharden, gedachteloos te doen worden en te verdierlijken. De +slavenhandelaar verzamelt zijn troep in Virginia of Kentucky, en +brengt dien dan naar eene geschikte, gezonde plaats, om zijne negers +te mesten. Hier worden zij dagelijks volop gevoed; en daar sommigen +wel tot kniezen geneigd zijn, wordt er gewoonlijk eene viool op na +gehouden, en laat men hen alle dagen dansen; en hij die niet vroolijk +wil zijn--in wiens ziel de gedachten aan vrouw of kinderen te sterk +zijn om hem te doen lachen en springen--wordt voor een kwaardaardigen +en gevaarlijken kerel gehouden, en is blootgesteld aan al het kwaad, +dat het ongenoegen van een gevoelloos mensch, die aan niemand +verantwoordelijk is, hem kan aandoen. Levendigheid, vlugheid en +vroolijkheid van uitzicht, vooral in het bijzijn van toeschouwers, +worden hun gedurig opgedrongen, zoowel door de hoop om daardoor een +goed meester te krijgen, als door de vrees voor alles wat de handelaar +hun kan aandoen, wanneer zij onverkoopbaar blijken te zijn. + +"Wat voert die neger daar uit?" zeide Sambo, naar Tom toekomende, nadat +Mr. Skeggs was heengegaan. Sambo was een echte zwarte, van reusachtige +grootte, zeer levendig en vlug van tong, en vol streken en kuren. + +"Wat doet gij daar?" zeide Sambo, Tom schertsend een stoot in de +zijde gevende. "Aan het mediteeren, he?" + +"Ik moet morgen op de verkooping verkocht worden," gaf Tom zeer +bedaard ten antwoord. + +"Op de verkooping verkocht? Ha, ha! Jongens, is dat geen pret? Ik wou +dat ik ook dien weg op moest! Zegt, zou ik ze niet laten lachen? Maar +hoe is dat? Moet die heele troep morgen gaan?" zeide Sambo, en leide +zijne hand vrijpostig op Adolfs schouder. + +"Wees zoo goed om van me af te blijven," zeide Adolf barsch en richtte +zich met groote minachting rechtop. + +"Kijkt, jongens, dat is een van die blanke negers, eene soort van +roomkleurtje, en geparfumeerd!" zeide Sambo, nog dichter bij Adolf +komende en zijn neus ophalende. "Hij zou goed voor een tabakswinkel +zijn. Men kon hem gebruiken om de snuif te parfumeeren. Hij zou den +winkel aan eene goede klandizie helpen--zou hij niet?" + +"Blijf van mij af, zeg ik!" riep Adolf woedend uit. + +"Och, wat zijn wij kleinzeerig, wij blanke negers! Kijkt ons nu +eens aan." En Sambo bootste op eene koddige manier Adolfs houding en +manieren na. "Wat een air en gratie! Wij zijn in goede familie geweest, +zou ik denken." + +"Ja," antwoordde Adolf, "ik had een meester, die u allen had kunnen +koopen voor oude lorren." + +"Denk eens aan," zeide Sambo. "Zulke _gentlemen_ als wij zijn!" + +"Ik behoorde aan de familie St. Clare," zeide Adolf trotsch. + +"Wel, wel, deedt ge dat? Ik laat mij hangen, als zij niet gelukkig zijn +dat zij u eens te zien krijgen. Ik denk dat zij u met een partijtje +gebarsten trekpotten en zulke dingen zullen verkoopen," zeide Sambo, +met een tergende grijns. + +Adolf, woedend over dien schimp, vloog als razend op zijnen vijand +aan, en sloeg vloekende naar alle kanten om zich heen, terwijl de +anderen lachten en joelden, en het rumoer deed daardoor den oppasser +binnenkomen. + +"Wat nu, jongens! Orde, orde!" riep hij en zwaaide met een lange +zweep. Allen namen naar verschillende kanten de vlucht, behalve Sambo, +die op de gunst, welke Mr. Skeggs hem als bevoorrecht grappenmaker +bewees, vertrouwende, staan bleef, en slechts met een koddige grijns +dook, als de meester een slag naar hem deed. + +"O, meester, wij zijn het niet.--Wij zijn altijd ordentelijk.--Het +zijn de nieuwelingen.--Zij maken het lastig; het is alsof zij gedurig +ruzie met ons zoeken." + +Daarop keerde Mr. Skeggs zich naar Tom en Adolf, deelde, zonder veel +te vragen, eenige schoppen en trappen uit; gaf een algemeen bevel om +goede jongens te zijn en te gaan slapen, en ging weder heen. + +Terwijl dit in de slaapzaal der mannen plaats had, is de lezer +misschien wel nieuwsgierig geweest, om eens in het aangrenzende +vertrek te kijken, dat voor de vrouwen was bestemd. + +In allerlei houdingen op de vloer uitgestrekt, kon hij daar eene +menigte gedaanten zien, van alle tinten van kleur, van het zuiverste +zwart af tot geheel blank, en van alle jaren, van de kindsheid tot den +grijzen ouderdom, die nu liggen te slapen. Hier is een bevallig meisje +van tien jaren, wier moeder gisteren werd verkocht en dat zich nu in +slaap heeft geschreid, zonder dat iemand er op lette. Daar eene oude +afgewerkte negerin, wier magere armen en vereelte vingers van harden +arbeid spreken, wachtende om morgen, als afgekeurde waar, verkocht te +worden voor wat zij nog gelden kan. Veertig of vijftig anderen, met het +hoofd op allerlei manieren in dekens of kleederen gewikkeld, liggen +om deze heen. Maar in een hoek, van de anderen afgezonderd, zitten +twee vrouwen, wier voorkomen meer dan gewoonlijk de aandacht trekt. + +Eene van deze is een fatsoenlijk gekleede mulattin, van tusschen de +veertig en vijftig jaren, met zachte oogen en innemende trekken. Zij +heeft een hoogen tulband op het hoofd, van een rooden madrassen doek +van de eerste kwaliteit gemaakt en hare kleeding past haar zeer net +en is van goede stof, aanduidende dat zij door zorgvuldige handen +zoo is uitgerust. Naast haar, dicht tegen haar aangedrongen zit een +meisje van vijftien jaren, hare dochter. Zij is eene quadrone, gelijk +men aan hare blanke kleur kan zien, hoewel hare gelijkenis met hare +moeder toch zeer duidelijk is. Zij heeft dezelfde donkere oogen met +lange wimpers, en haar krullend haar is fraai bruin van kleur. Zij +is ook zeer net gekleed, en hare witte, fijne handjes verraden weinig +gemeenzaamheid met slaafschen arbeid. Deze twee moeten morgen verkocht +worden, tegelijk met de bedienden van St. Clare, en de heer, aan wien +zij toebehooren en aan wien het geld dat zij opbrengen, moet worden +overgezonden, is lid eener Christelijke kerk te New-York, die het +geld zal aannemen, en daarna het sacrament van zijnen en haren Heer +ontvangen, zonder er meer aan te denken. + +Deze twee, die wij Suze en Emmeline zullen noemen, waren lijfbedienden +van een zachtaardige en godvruchtige dame te Nieuw-Orleans geweest, +door wie zij zorgvuldig onderwezen en godsdienstig opgeleid waren. Zij +hadden leeren lezen en schrijven, waren geoefend in de godsdienstige +waarheden van het Christendom, en haar lot was zoo gelukkig geweest, +als het in haren staat wezen kon. Doch de eenige zoon harer eigenares +had het beheer over het vermogen zijner moeder, en door zijne +zorgeloosheid en buitensporigheid had hij dit met schulden bezwaard +en daarna bankroet gemaakt. Een der voornaamste crediteuren was de +zeer geachte B. en Comp. te New-York, B. en Comp. schreven aan hunnen +procureur te New-Orleans, die den boedel had aangeslagen, (waarvan +deze twee slavinnen en een troepje plantage-arbeiders het kostbaarste +gedeelte uitmaakten) en die dit naar New-York had bericht. Daar broeder +B., gelijk wij zeiden, een Christelijk man en burger van een vrijen +staat was, voelde hij in deze omstandigheden eenige ongerustheid. Hij +dreef niet gaarne handel in slaven en menschelijke zielen--natuurlijk +niet; maar het was om dertig duizend dollars te doen, en dit was toch +wat te veel geld, om voor zijne beginselen op te offeren; na zich +dus wel bedacht te hebben, en raad te hebben gevraagd aan lieden, +die hij wist dat hem een raad naar zijnen zin zouden geven, schreef +broeder B. aan zijnen procureur, dat hij de zaak moest behandelen +gelijk hem het beste voorkwam, en hem het bedrag maar overmaken. + +Daags nadat die brief te New-Orleans aankwam, werden Suze en Emmeline +in beslag genomen en naar het depôt gebracht, om daar de algemeene +verkooping af te wachten. Terwijl zij nu in het maanlicht, dat door +het getraliede venster sluipt, schemerachtig zichtbaar zijn, kunnen +wij naar haar gesprek luisteren. Beiden schreiden, maar stil, opdat +de eene het niet van de andere hooren zal. + +"Moeder, leg uw hoofd nu in mijnen schoot en zie of gij niet wat +slapen kunt," zeide het meisje, haar best doende om kalm te schijnen. + +"Ik heb geen lust om te slapen, Em. Ik zou niet kunnen. Het is +misschien de laatste nacht, dat wij bij elkander zijn." + +"O, moeder, spreek zoo niet. Misschien zullen wij te zamen verkocht +worden, wie weet het?" + +"Als het iemand anders zaak was, zou ik ook zoo spreken, Em," +antwoordde de moeder; "maar ik ben zoo bang om u te verliezen, dat +ik niets anders zie dan het gevaar." + +"Waarom, moeder? De man zeide, dat wij er beide knap uitzagen." Suze +herinnerde zich nu de woorden en de blikken van dien man; en werd +bijna flauw van angst, toen zij bedacht hoe hij Emmeline's handen had +bekeken en hare krullende lokken opgelicht, en gezegd dat zij "puike +waar" was. Suze was christelijk opgebracht, gewoon om dagelijks in +den Bijbel te lezen, en gruwde er evenzeer van, dat haar kind tot een +leven van schande zou verkocht worden, als eenige andere christelijke +moeder had kunnen doen; maar zij had geene hoop, geene bescherming. + +"Moeder, ik denk dat het wel goed zou voldoen, als gij eene plaats +als keukenmeid kondt krijgen en ik als kamermeid of naaister bij eene +familie. Ik geloof dat zeker. Laten wij er beiden maar zoo frisch en +vroolijk uitzien als wij kunnen, en alles zeggen wat wij kunnen doen, +dan zal dat misschien wel gaan," zeide Emmeline. + +"Gij moet morgen al uw haar achterwaarts kammen, gladweg," zeide Suze. + +"Waarom moeder? Ik zie er dan lang zoo goed niet uit." + +"Ja, maar gij zult dan beter verkocht worden." + +"Ik begrijp niet waarom," zeide het meisje. + +"Fatsoenlijke familiën zullen u liever willen koopen, als gij eenvoudig +en stemmig zijt, dan als gij uw best doet om u mooi te maken. Ik ken +de manieren van die menschen beter dan gij," zeide Suze. + +"Welnu, moeder, dan zal ik het zoo doen." + +"En Emmeline, als wij elkander na den dag van morgen nooit mochten +wederzien--als ik ergens op eene plantage word verkocht, en gij dan +ergens anders--onthoud dan altijd hoe gij zijt opgebracht en alles +wat mevrouw u gezegd heeft. Neem uw Bijbel mede en uw gezangboek, +en als gij den Heere getrouw zijt, zal Hij u getrouw zijn." + +Zoo spreekt de arme ziel, in angstige bekommering; want zij weet +dat morgen ieder man, hoe laag en verdierlijkt, hoe goddeloos en +onbarmhartig ook, als hij maar genoeg geld voor haar te betalen +heeft, de eigenaar harer dochter kan worden, met lichaam en ziel; +en hoe zal het kind dan getrouw blijven? Zij denkt aan dat alles, +terwijl zij hare dochter in hare armen sluit, en wenscht dat zij niet +zoo welgemaakt en bevallig was. Het schijnt bijna een verzwaring van +haar lot, als zij bedenkt hoe rein en godvruchtig, hoe ver boven den +gewonen staat zij is opgebracht. Zij heeft geene andere toevlucht +dan het gebed; en vele zulke gebeden aan God zijn uit die nette, +ordelijke en hoogst fatsoenlijke slavengevangenissen opgegaan--gebeden, +die God niet vergeten heeft, gelijk een dag der toekomst toonen zal, +want er staat geschreven: "Zoo wie een van deze kleinen ergert, het +waar hem beter, dat een molensteen om zijnen hals gehangen en hij in +de diepte der zee geworpen ware." + +De zachte, ernstige, stille maneschijn ziet strak naar binnen +en teekent de bouten der getraliede vensters op de slapende +gedaanten. Moeder en dochter zingen te zamen een wild en droevig +treurlied, onder de slaven als lijkzang in gebruik: + + + "O, waar is schreiende Mary? + O, waar is schreiende Mary? + Gegaan naar 't schoone land, + Zij is dood en naar den hemel; + Zij is dood en naar den hemel; + Gegaan naar 't schoone land." + + +Deze woorden, door liefelijke en treurige stemmen gezongen, naar eene +melodie, welke het zuchten der aardsche wanhoop naar de hemelsche +hoop scheen uit te drukken, klonken met aandoenlijke galmen door de +gevangenis, terwijl het eene vers het andere volgde. + + + O, waar zijn Paul en Silas? + O, waar zijn Paul en Silas? + Gegaan naar 't schoone land. + Dood zijn ze en in den hemel; + Dood zijn ze en in den hemel; + Gegaan naar 't schoone land. + + +Zingt maar voort, arme zielen! De nacht is kort en de morgen zal u +voor altijd scheiden. + +Maar nu is het morgen en iedereen is in beweging; en de brave +Mr. Skeggs heeft het zeer druk, want eene partij goederen moet voor de +verkooping worden gereedgemaakt. Het toilet wordt oplettend nagezien; +er wordt algemeen bevel gegeven, dat iedereen zijn beste gezicht moet +voordoen en vlug en vroolijk zijn; en nu staan allen in een kring +voor de laatste inspectie, eer zij naar de "Bourse" afmarcheeren. + +Mr. Skeggs met zijne hoed van palmbladeren op het hoofd en eene sigaar +in den mond, gaat rond, om de laatste hand aan zijne waren te leggen. + +"Wat is dat," zeide hij, voor Suze en Emmeline staan blijvende. "Waar +zijn uwe krullen, meid?" + +Het meisje zag beschroomd hare moeder aan, die met de gevatheid harer +klasse antwoordde: + +"Ik zeide haar gisteren, dat zij heur haren netjes en glad moest +opmaken en ze niet zoo in krullen laten rondzwieren; dat staat +fatsoenlijk." + +"Larie!" zeide de man kortaf, en zich naar het meisje keerende, +vervolgde hij: "Loop terstond heen, en maak uw haar in krullen--maar +mooi!" En daarmede zwaaide hij met zijn rotting. "En maak dat ge +gauw terug zijt ook. Ga gij haar maar helpen," voegde hij er bij, +zich weder naar de moeder keerende. "Die krullen kunnen wel honderd +dollars verschil in haren prijs uitmaken." + + + +Onder een prachtigen koepel wandelden mannen van alle natiën heen en +weder over den marmeren vloer. In het rond van den ruimen kring waren +kleine tribunes, ten gebruike van sprekers en verkoopinghouders. Op +twee daarvan, tegenover elkander, stonden thans welsprekende heeren, +die in een mengeling van Engelsch en Fransch hunne verschillende +waren opvijzelden, om bieders uit te lokken. Een derde tribune, er +tusschen-in, was nog onbezet en omringd door eene groep, die stond +te wachten tot de verkooping begon. Hier kunnen wij Tom, Adolf +en andere bedienden van St. Clare herkennen; en hier wachten ook +Suze en Emmeline angstig op hare beurt. Verschillende toeschouwers, +met of zonder voornemen om te koopen, verzamelden zich om de groep, +bekeken, betastten en bepraatten de verschillende eigenschappen en +het voorkomen der tentoongestelden, met dezelfde vrijheid als een +troep jockeys over een paard spreekt. + +"Holla daar, Alf, hoe komt gij hier," zeide een jong, pronkerig +gekleed heertje, een ander van dienzelfden stempel, die Adolf door +een lorgnet stond te bekijken, op den schouder kloppende. + +"Wel, ik had een lijfknecht noodig. En daar ik hoorde dat de troep +van St. Clare verkocht zou worden, dacht ik..." + +"Ik ben wel wijzer dan om iets van St. Clare te koopen. Allemaal +verwende negers. Zoo onbeschaamd als de duivel," zeide de ander. + +"Daar ben ik niet bang voor," hernam de eerste. "Als ik ze maar heb, +zal ik ze hunne airs spoedig afleeren; ze zullen gauw ondervinden +dat zij met eene andere soort van meester te doen hebben, dan met +Monsieur St. Clare. Op mijn woord, ik zal dien kerel koopen. Ik heb +zin in zijn voorkomen." + +"Gij zult ondervinden dat het u geld zal kosten, hem zoo te houden. Hij +is verduiveld extravagant." + +"Ja, maar mylord zal ondervinden, dat hij bij mij niet extravagant +kan zijn. Laat hij maar eenige malen naar de _calabooze_ zijn geweest, +en goed van laken gehad hebben. Ik sta er u voor in, dat hij bij mij +wel tot andere gedachten zal komen. Ik zal hem bekeeren, geheel en al, +dat zult ge zien. Ik koop hem, daar blijf ik bij." + +Tom had onder de menigte personen die hem omringden angstig uitgezien +naar een, wien hij zijn meester zou willen noemen; en als gij, +Mijnheer, ooit in de noodzakelijkheid mocht komen, om onder tweehonderd +mannen er een uit te zoeken, die uw eigenaar en willekeurig beschikker +van uw lot moest worden, zoudt gij u misschien kunnen verbeelden, +evenals Tom toen deed, hoe weinig er zouden zijn, aan wie gij u +maar eenigszins gerust zoudt overgeven. Tom zag een overvloed van +mannen:--groote, zwaarlijvige, grove mannen--kleine, pieperige, +uitgedroogde mannen; en allerlei soort van botte, alledaagsche mannen, +die hun medemensch oprapen, gelijk men papiersnippers opraapt, en +even onverschillig in het vuur of in eene mand werpen, naarmate het +hun gelegen komt; maar hij zag hier geen enkelen St. Clare. + +Kort vóórdat de verkooping begon, zag hij een kort, breed, grof +gespierd man, met een geruit hemd, dat op de borst ver openhing, +en met eene beslijkte versleten broek, zich met de ellebogen door +het gedrang werken, gelijk iemand, die niemand ontziet die hem in +den weg is. Zoo kwam hij naar de groep en begon deze systematisch +te examineeren. Zoodra Tom dien man zag aankomen, voelde hij een +onwillekeurig angstig afgrijzen voor hem, dat nog toenam toen hij +dichterbij kwam. Hoewel kort, was hij blijkbaar van reusachtige +lichaamskracht. Zijn rond, kogelvormig hoofd, zijne groote, lichtgrijze +oogen met hunne ruige, vlaskleurige wenkbrauwen, en geheel zijn stroef, +gerimpeld, door de zon verbrand gezicht waren zeker niet innemend; +zijn groote, grove mond werd zichtbaar uitgerekt door eene groote +pruim tabak, waarvan hij het sap nu en dan met buitengemeene kracht +en ongegeneerdheid uitspoot; zijne handen waren onevenredig groot, +behaard, bruin gebrand door de zon, zeer morsig en met lange nagels, +in een zeer vuilen toestand, voorzien. Deze man examineerde den +troep met bijzondere vrijpostigheid. Hij greep Tom bij de kin en +trok zijn mond open, om zijne tanden te bezichtigen; liet hem zijne +mouw opstroopen, om zijne spieren te toonen; liet hem zich omkeeren, +stappen en springen, om te zien of er niets aan zijne beenen scheelde. + +"Waar zijt ge opgebracht?" vroeg hij na dit onderzoek kortaf. + +"In Kentucky, meester," antwoordde Tom, rondziende als ware het +naar verlossing. + +"Wat hebt gij daar gedaan?" + +"Ik had het opzicht over mijns meesters hoeve," antwoordde Tom. + +"Nog al waarschijnlijk," zeide de andere kortaf en ging verder. + +Voor Adolf bleef hij slechts een oogenblik staan, spuwde een klad +tabakssap over zijne glimmend gepoetste laarzen en keerde zich met +een verachtelijk "Hm!" van hem af. Voor Suze en Emmeline bleef hij +wederom staan. Hij stak zijne grove vuile hand uit en trok het meisje +naar zich toe; streek die hand over haren hals en borst, betastte hare +armen, bekeek hare tanden en stiet haar toen weder naar hare moeder, +wier geduldig gezicht echter toonde, wat zij bij elke beweging van +den afschuwelijken vreemdeling uitstond. + +Het meisje was verschrikt en begon te schreien. + +"Houd op daarmede, gij heks," zeide de verkooper; "geen gebalk hier; +de verkooping zal beginnen." + +En de verkooping begon. + +Adolf werd voor eene aanzienlijke som toegeslagen aan den jongen heer, +die te voren zijn voornemen had te kennen gegeven om hem te koopen. De +andere bedienden vielen verschillende bieders ten deel. + +"Kom op nu, jongen, hoort ge niet?" zeide de verkooper tegen Tom. + +Tom stapte op het blok en zag angstig om zich heen. Alles scheen +ondereengemengd tot een verward, onduidelijk rumoer; het gekakel van +den verkooper, die in het Engelsch en Fransch zijne hoedanigheden +opvijzelde, en het snelle kruisvuur der bieders, insgelijks in het +Fransch en Engelsch, en bijna in een oogenblik, naar het hem voorkwam, +viel de hamerslag bij de laatste lettergreep van het woord dollars, +toen de verkooper zijn prijs noemde. Tom was toegeslagen. Hij had +een meester. + +Hij werd van het blok geduwd. De korte man met het ronde hoofd greep +hem ruw bij den schouder, duwde hem aan een kant en zeide met een +grove, gebiedende stem: "Blijf daar staan." + +Tom hoorde en zag bijna niets meer; doch het bieden ging maar +voort--ratelende en klaterende, nu in het Fransch dan in het +Engelsch. Wederom valt de hamer. Suze is verkocht. Zij stapt van +het blok, blijft staan, ziet angstig verlangend om; hare dochter +strekt de handen naar haar uit. Zij ziet vol zielsangst den man aan +die haar gekocht heeft--een fatsoenlijk man van middelbare jaren, +met een goedaardig gezicht. + +"O meester, wees toch zoo goed en koop mijne dochter ook." + +"Ik zou wel willen, maar ik vrees dat zij te hoog zal gaan," +antwoordde hij met een blik van smartelijke belangstelling naar het +jeugdige meisje, dat nu op het blok staat en verschrikt en angstig +om zich heenziet. + +Het bloed stijgt gloeiend in hare anders bleeke wangen, hare oogen +hebben een koortsigen glans, en hare moeder slaakt een kermenden +zucht, daar zij ziet dat zij schooner is, dan zij haar nog ooit gezien +heeft. De verkooper neemt zijn voordeel waar, houdt eene woordenrijke +lofrede in het Fransch en Engelsch, en het bieden begint nu met +buitengemeene drift. + +"Ik wil alles doen wat maar redelijk is," zegt de heer met het +goedaardige gezicht en biedt mede; maar weldra loopt de prijs te hoog +voor zijne beurs. Hij zwijgt; de verkooper wordt warmer; maar het +bieden verflauwt toch langzamerhand. Het blijft nu nog maar aan den +gang tusschen een oud aristocratisch burger en onzen kennis met het +ronde hoofd. De burger biedt nog eenige malen en ziet zijn mededinger +daarbij verachtelijk aan; maar de man met het ronde hoofd wint het +van hem in hardnekkigheid en geheime zwaarte van beurs; en de strijd +duurt nog maar een oogenblik; de hamer valt--hij heeft het meisje +met lichaam en ziel, als God haar niet bijstaat. + +Haar meester is Mr. Legree, eigenaar eener katoenplantage aan de +Roode rivier. Zij wordt naar de plek geduwd, waar Tom en nog twee +andere mannen staan, en wordt schreiende weggebracht. + +De goedaardige heer vindt het erg, maar het is iets dat alle dagen +gebeurt. Men ziet meisjes en moeders bij die verkoopingen altijd +schreien. Er is niets aan te doen, enz., en hij gaat met zijn +nieuw-koopje naar een anderen kant heen. + +Twee dagen later zond de procureur der christelijke firma B. en +Comp. te New-York deze het geld over. Op den rug van den wissel, +dien deze heeren ontvingen, mochten zij wel deze woorden schrijven +van den grooten Betaalmeester, met wien zij eens hunne rekening zullen +moeten sluiten: "_Hij vergeet het geroep der ellendigen niet._" + + + + + +EEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK + +DE OVERTOCHT + + Gij zijt te rein van oogen dan dat Gij het kwaad + zoudt zien, en de kwelling kunt Gij niet + aanschouwen; waarom zoudt Gij aanschouwen die + trouweloos handelen? Waarom zoudt Gij zwijgen + als de goddelooze dien verslindt, die + rechtvaardiger is dan hij? + Hab. 1:13 + + +Op het benedendek van eene kleine, slechte stoomboot op de Roode +rivier zat Tom--met ketenen aan de handen, ketenen aan de voeten, +en eene grootere zwaarte dan van ketenen op het hart. Alles was uit +den hemel verdwenen, de maan en de sterren; alles was hem voorbij +gevlogen, gelijk de oevers en het geboomte hem nu voorbijvlogen, +om nooit weder terug te komen. Zijn tehuis in Kentucky, met vrouw en +kinderen, en de menschlievende eigenaars; zijn tehuis bij St. Clare, +met al de weelde en pracht daarvan; Eva met haar gouden lokken en +haar oogen als die eener heilige; de trotsche vroolijke, innemende, +schijnbaar onverschillige en toch altijd goede en vriendelijke +St. Clare; zijne uren van gemak en vrijen tijd--alles weg!--en wat +schoot hem in plaats daarvan over? + +Het is eene der grootste bitterheden van het slavenlot, dat de +neger, zoo vatbaar voor streelende indrukken, wanneer hij in eene +beschaafde familie den smaak en het gevoel heeft aangenomen, die +als ware het de atmosfeer van zulk een verblijf uitmaken, er niet te +minder aan blootstaat om de slaaf van den gemeensten, ruwsten meester +te worden--evenals eene stoel of tafel, die eens een prachtig salon +versierde, eindelijk geschonden en geschaafd in de gelagkamer eener +gemeene herberg of in een schuilhoek van schandelijke ontucht komt. Het +groote verschil is hierin gelegen, dat de tafel of stoel niet voelen +kan, en de _mensch_ wel; want zelfs de wettelijke bepaling--dat hij +"als persoonlijk eigendom en roerend goed zal geacht, geoordeeld en +toegewezen worden," kan zijne ziel niet uitdelgen, met hare eigen +kleine wereld van herinneringen en verlangens, van hoop, vrees +en liefde. + +Mr. Simon Legree, Toms meester, had op verschillende plaatsen te +New-Orleans slaven gekocht, te zamen acht in getal, en hen paar aan +paar geboeid naar de stoomboot de Zeeroover gedreven, die aan het +hoofd lag, gereed om de rivier op te varen. + +"Sta op!" + +Tom stond op. + +"Doe die das af!" en toen Tom door zijne kluisters belemmerd, dit +begon te doen, hielp hij hem, door hem de das met geene zachte hand +van den hals te trekken, en stak die vervolgens in zijnen zak. + +Nu keerde Legree zich naar Toms kist, die hij te voren reeds had +doorzocht, haalde een oude broek en een versleten rok, die Tom gewoon +was voor het stalwerk aan te doen, voor den dag en zeide, nadat hij +Toms handen van de boeien had ontdaan, naar een hoek tusschen de +kisten wijzende: + +"Ga daar, en trek die aan." + +Tom gehoorzaamde en kwam weldra terug. + +"Trek uwe laarzen uit," zeide Legree. + +Tom deed dit. + +"Daar," vervolgde Legree, hem een paar lompe, sterke schoenen +toewerpende, gelijk door slaven gedragen werden, "trek die aan." + +Tom had bij zijne verwisseling van kleederen niet vergeten zijn +beminden Bijbel in zijnen zak te steken; en het was gelukkig voor +hem dat hij dat gedaan had, want toen Legree hem de handboeien +weder had aangedaan, begon hij op zijn gemak de zakken der afgelegde +kleederen te doorzoeken. Hij haalde er een zijden zakdoek uit en stak +dien in zijnen zak. Verscheidene kleinigheden, die Tom had bewaard, +voornamelijk omdat hij er Eva eens mede vermaakt had, bekeek hij met +een verachtelijk gebrom en smeet ze over zijnen schouder in de rivier. + +Daarna vond hij Toms methodistisch gezangboek, dat deze in zijne +haast had vergeten, en bladerde het door. + +"Hm, vroom, nog al! Dus gij--hoe heet gij ook weer--gij behoort tot +de kerk, he?" + +"Ja, meester," antwoordde Tom op vasten toon. + +"Welnu, dat zal ik u spoedig afleeren; ik wil niet van die galmende, +zingende, biddende negers op mijne plaats hebben; onthoud dat. Pas op +nu," zeide hij, met zijnen voet stampende en Tom een dreigenden blik +toewerpende, "ik ben uwe kerk nu, verstaat ge; gij moet nu wezen wat +ik zeg." + +Iets in het binnenste van den zwarten man antwoordde: "Neen!" en +alsof de stem van een onzichtbaar wezen sprak, hoorde hij de woorden +van een ouden profeet, welke Eva hem zoo dikwijls voorgelezen had: +"Vrees niet, want Ik heb u verlost; Ik heb u bij uwen naam geroepen, +gij zijt de _mijne_." + +Doch Simon Legree hoorde geen stem. Die stem is eene, welke hij +nooit zal hooren. Hij gluurde Tom, die met neergeslagen oogen voor +hem stond, slechts even aan en ging heen. Hij bracht Tom's koffer, +die een overvloedigen en netten voorraad van kleederen bevatte, naar +voren, waar hij spoedig door het bootsvolk werd omringd. Met veel +gelach over de negers, die _gentlemen_ wilden zijn, werd het goed, +stuk voor stuk, aan den een en ander overgedaan, en eindelijk de +koffer bij opbod verkocht. Het was een aardige grap, dachten allen, +vooral, als men zag hoe Tom zijn goed nakeek, terwijl het hier en daar +heenging; en dan de auctie van den koffer, die was nog grappiger en +veroorzaakte een overvloed van geestigheden. + +Toen dit gedaan was, kwam Simon Legree weder naar zijn eigendom +kuieren. + +"Nu, Tom, zijt ge van alle bagage bevrijd, ziet ge. Pas goed op die +kleeren; het zal lang genoeg duren eer gij andere krijgt. Ik versta +de kunst om negers zorgvuldig te maken; een pak moet bij mij een +jaar duren." + +Legree ging vervolgens naar de plaats waar Emmeline zat, aan eene +andere vrouw vastgekluisterd. + +"Wel, liefje," zeide hij, haar onder de kin strijkende, "houd maar +courage." + +De onwillekeurige blik van schrik en afgrijzen, waarmede het meisje +hem aanzag, ontsnapte hem niet. Hij fronste dreigend zijne wenkbrauwen. + +"Geene kuren, meid. Gij zult een pleizierig gezicht zetten als ik +u aanspreek--hoort gij. En gij, oude gele maneschijn," zeide hij, +de mulattin aan wie Emmeline was vastgekluisterd een duw gevende, +"zet ook zulk een gezicht niet. Ik zal u wel vriendelijker leeren +kijken, dat zeg ik u." + +"En ik zeg u allen," zeide hij, een paar schreden achterwaarts doende; +"ziet mij aan--ziet mij aan--ziet mij vlak in de oogen--vlak in de +oogen, zeg ik." En bij elke pauze stampte hij met zijnen voet. + +Als door tooverij werden aller oogen op de groenachtige grijze oogen +van Legree gericht. + +"Nu," zeide hij, zijne groote, zware vuist vertoonende, die aan een +smidshamer deed denken. "Ziet ge die vuist? voel eens!" vervolgde hij, +en liet haar op Toms hand vallen. "Ziet die knokkels! Welnu, ik zeg +u, die vuist is zoo hard als ijzer geworden _van het neerbeuken van +negers_. Ik heb nog nooit een neger gezien, dien ik niet met een krak +kon neerslaan," en daarmede duwde hij zijne vuist zoo dicht bij Toms +gezicht, dat deze met zijne oogen knipte en terugdeinsde. "Ik houd +geen van die vervloekte opzichters, ik ben mijn eigen opzichter en ik +zeg u dat er naar de dingen gezien wordt. Laat dus iedereen oppassen +en klaar staan; schielijk--zoodra ik maar spreek. Dat is de manier om +vrede met mij te houden. Gij zult geen zacht plekje aan mij vinden, +nergens. Past op dus; want ik bewijs geene genade." + +De vrouwen hielden onwillekeurig den adem in, en de geheele troep +zette zich met benauwde gezichten neer. Ondertusschen draaide Legree +zich op zijn hiel om, en ging naar het buffet van de boot, om een +borrel te nemen. + +"Dat is de manier, waarop ik met mijne negers begin," zeide hij tegen +een man van een fatsoenlijk voorkomen, die naar zijne aanspraak had +staan luisteren. "Ik maak er een regel van met kracht te beginnen en +hun te laten weten wat zij te wachten hebben." + +"Inderdaad!" zeide de vreemdeling, hem aanziende met de +nieuwsgierigheid, waarmede een naturalist een zonderling dier +beschouwt. + +"Ja, inderdaad. Ik ben geen van die heerenplanters met zachte, witte +vingers, om maar rond te kuieren en mij door een ouden schavuit van +een opzichter te laten bedriegen. Voel mijne knokkels maar eens; +zie mijne vuist. Ik zeg u, Mijnheer, het vleesch daarop is als een +steen geworden, van het beuken op negers. Voel maar." + +De vreemdeling raakte het bedoelde gereedschap met zijnen vinger aan +en zeide eenvoudig: + +"Het is hard genoeg en ik zou denken, dat uw hart daarmede even hard +geworden is." + +"Ja, dat moogt ge wel zeggen," antwoordde Legree, met een hartelijken +lach. "Ik denk dat er nu zoo weinig zachts in mij is als in iemand die +op twee beenen loopt. Ik zeg u, niemand kan mij ooit bedotten. Negers +krijgen mij nooit gaar, noch met schreeuwen, noch met zoete broodjes +bakken--dat is de waarheid." + +"Gij hebt een mooien troep daar." + +"Ja," antwoordde Legree. "Daar is die Tom; zij zeiden mij dat hij +wat ongemeens was. Ik heb wel wat hoog voor hem betaald, daar ik een +drijver en opzichter van hem denk te maken: als ik die denkbeelden +maar uit hem krijg, die hij geleerd heeft door zoo behandeld te worden +als negers nooit moesten worden, zal hij kostelijk zijn. Met de gele +vrouw ben ik gefopt. Ik geloof haast dat zij ziekelijk is; maar ik +zal haar wel behandelen naar wat zij waard is; zij zal wel een paar +jaren duren. Ik ben niet voor het sparen van negers. Opgebruiken en +anderen koopen is mijne manier; dat geeft minder last, en ik ben +zeker dat het op het eind goedkooper uitkomt," en Legree nam een +teugje uit zijn glas. + +"En hoe lang duren zij gewoonlijk?" vroeg de vreemdeling. + +"Och, dat weet ik zoo niet; naardat zij een gestel hebben. Sterke +kerels duren zes of zeven jaar; lammelingen worden in twee of drie +afgewerkt. Ik placht, toen ik pas begon, mij veel moeite te geven om +ze wat langer te doen uithouden--met hun medicijnen te geven als ze +ziek waren en kleeren en dekens, en wat niet al, om hen zooals men +zegt fatsoenlijk en comfortabel te houden: maar, och het baatte niet; +ik legde er geld bij toe en had nog een boel moeite bovendien. Nu, +ziet ge, zet ik ze maar aan, ziek of gezond. Als de eene neger dood is, +koop ik een anderen; en ik vind dat dit in alle opzichten goedkooper +en gemakkelijker uitkomt." + +De vreemdeling keerde zich om en zette zich naast een jong heer, +die met een gesmoord ongenoegen naar dit gesprek had geluisterd. + +"Gij moet dien kerel niet voor een staaltje van de zuidelijke planters +houden," zeide hij. + +"Ik zou hopen van neen," antwoordde de jongeheer met nadruk. + +"Hij is een gemeene, laaghartige, verdierlijkte kerel!" zeide de +eerste. + +"En toch veroorloven uwe wetten hem een aantal menschelijke wezens +in eigendom te hebben, onderworpen aan zijne volstrekte willekeur, +zonder zelfs een zweem van bescherming; en zoo gemeen als hij is, +kunt gij toch wel niet zeggen dat er velen zoo zijn." + +"Maar," zeide de ander, "er zijn toch ook vele weldenkende, +menschlievende mannen onder de planters." + +"Toegestemd," zeide de jonkman; "maar naar mijn gevoelen zijn het uwe +weldenkende, menschlievende mannen, die verantwoordelijk zijn voor +al de gruwelen, die deze ellendigen plegen; omdat zonder hun invloed +het geheele stelsel geen uur langer in stand kon blijven. Als er geene +andere planters waren dan zooals hij," vervolgde hij, met zijnen vinger +naar Legree wijzende, die met den rug naar hem toestond, "zou het +geheele ding zinken als een molensteen. Het zijn uwe fatsoenlijkheid +en menschlievendheid, die zijne brutaliteit beschermen." + +"Gij hebt zeker hooge gedachten van mijn goed humeur," zeide de +planter glimlachende; "maar ik raad u om niet zoo hard te spreken, +daar er lieden op de boot zijn, die misschien niet zoo verdraagzaam +zouden wezen als ik ben. Wacht liever tot gij op mijn plantage zijt; +daar kunt gij dan ons allen op uw gemak over den hekel halen." + +De jongeheer bloosde en glimlachte, en de twee zaten spoedig aan een +spel triktrak. Ondertusschen had er op het lagere gedeelte der boot +een ander gesprek plaats tusschen Emmeline en de mulattin, aan wie +zij was vastgekluisterd. Gelijk natuurlijk was, deelden zij elkander +eenige omstandigheden van hare geschiedenis mede. + +"Aan wien hebt gij toebehoord?" zeide Emmeline. + +"Mijn meester was Mr. Ellis, en wij woonden in de +Hoofdstraat. Misschien hebt gij het huis wel gezien." + +"Was hij goed voor u?" + +"Meestal, totdat hij ziek werd. Hij is langer dan zes maanden af +en toe ziek geweest, en schrikkelijk onrustig. Het scheen, dat hij +niemand nacht noch dag rust wilde laten, en hij werd zoo wonderlijk +dat niemand iets naar zijnen zin kon doen. Hij werd met elken dag +ongemakkelijker; hield mij 's nachts op, tot ik geheel af was en +ik niet langer wakker kon blijven; en omdat ik eens op een nacht in +slaap viel, o, toen sprak hij zoo schrikkelijk tegen mij. Hij zeide, +dat hij mij verkoopen zou aan den hardsten meester, dien hij vinden +kon; en hij had mij toch mijne vrijheid beloofd als hij stierf." + +"Hadt gij geene betrekkingen?" zeide Emmeline. + +"Ja, mijn man--hij is hoefsmid. Meester huurde hem doorgaans uit. Zij +brachten mij zoo heel gauw weg, dat ik niet eens tijd had om hem +te zien, en ik had vier kinderen gekregen. Och!" zeide de vrouw en +bedekte haar gezicht met hare handen. + +Het is eene natuurlijke neiging bij iedereen, die een verhaal van +jammer hoort, iets tot troost te willen zeggen. Emmeline wilde gaarne +iets zeggen, maar zij kon niets bedenken. Wat was hier te zeggen? Als +hadden zij het afgesproken, vermeden beiden, met vrees en angst, +alle melding van den afschuwelijken man, die nu haar meester was. + +Het is waar, er is godsdienstige troost zelfs voor het donkerste +uur. De mulattin, die lid der methodistische kerk was, bezat, +hoewel haar verstand weinig ontwikkeld was, een echten geest van +godsvrucht. Emmeline was veel beter opgevoed--zij had leeren lezen en +schrijven, en was door eene vrome meesteres zorgvuldig in den Bijbel +onderwezen; maar zou het toch niet het geloof van den standvastigsten +christen beproeven, zich zoo, schijnbaar door God verlaten, in de +macht van het onmeedoogende geweld te bevinden? Hoeveel meer moest +dan het geloof geschokt worden dier arme kleinen van Christus, zwak +in kennis en teeder in jaren. + +De boot voer voort--met hare lading van jammer bevracht--den modderigen +stroom op, door de kronkelende bochten der Roode rivier; en droevige +oogen staarden vermoeid op de steile oevers van roode klei, die met +akelige eentonigheid voorbijgleden. Eindelijk leide de boot aan bij +eene kleine stad, en hier ging Legree met zijn troep van boord. + + + + + +TWEE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK + +DUISTERE PLAATSEN + + "De duistere plaatsen des lands + zijn vol woningen van geweld." + + +Vermoeid, achter een ruwen wagen over een ongebaanden weg aankomende, +stapten Tom en zijne makkers voort. + +In den wagen zat Simon Legree; en de twee vrouwen, _nog_ aan elkander +gekluisterd, waren, met eenige bagage achterin gestopt. De geheele +troep was op weg naar de tamelijk verwijderde plantage van Legree. + +Het was een wilde, eenzame weg: nu eens door zandige pijnbosschen +slingerende, dan over paden van boomstammen door uitgestrekte +cypressenmoerassen, waar die sombere boomen, met kransen van zwart +mos behangen, uit den modderigen, sponsachtigen grond opstaken, en +men nu en dan eene afzichtelijke slang door de afgebroken stompen +zag glijden, die in het water lagen te rotten. + +Het is akelig genoeg, dit gewest, voor den vreemdeling die het met +eene welgevulde beurs en een goed paard moet doortrekken, als zijne +zaken hem daarheen voeren; maar nog woester en akeliger is het voor +den armen slaaf, wien elke slepende stap verder verwijdert van alles +wat de mensch liefheeft en waarom hij bidt. + +Zoo had ieder moeten denken, die de neerslachtige uitdrukking dier +donkere gezichten zag; de geduldige verveling, waarmede die treurige +oogen het eene voorwerp na het andere aanstaarden, dat zij op die +treurige reis voorbijkwamen. + +Legree reed echter naar het scheen zeer welgemoed voort, en nam nu +en dan een slok uit de brandewijnflesch, die hij in zijnen zak had. + +"Zegt eens, gij," zeide hij, toen hij omkeek en de neerslachtige +gezichten achter zich zag. "Zingt eens een liedje, jongens--komaan!" + +Zijne slaven zagen elkander aan, het "komaan!" werd herhaald en +tegelijk klapte de zweep, die Legree in de hand had. Tom begon een +methodistisch lied: + + + "Jeruzalem, mijn vaderland, + Hoe dierbaar zijt ge mij!" + + +"Houd op, zwarte kerel," bulderde Legree. "Denkt gij dat ik dit +vervloekt methodistisch gegalm wil hooren? Zing wat vroolijks, +zeg ik--gauw!" + +Een der anderen hief een van die zinlooze liedjes aan, die onder de +slaven in zwang zijn. + + + "Mas'r reed me cotch a coon, + High, boys, high! + He laughed to split--d'ye see the moon? + Ho! ho! ho! boys, ho! + Ho! yo! hi!--e! oh!" [9] + + +De zanger scheen zijn lied voor de vuist te maken, doorgaans het +rijm treffende, zonder veel moeite te doen om er zin aan te geven; +en de geheele troep stemde nu en dan in met het refrein: + + + "Ho! ho! ho! boys, ho! + Ho! yo! hi--hi! oh!" + + +Het gezang was luidruchtig genoeg en toonde een geweldige poging +om vroolijk te zijn; maar geen wanhopige jammerkreten, geen vurig +smeekgebed had zulk eene diepte van zieleleed kunnen bevatten, als +de woeste klanken van dat koor. Het was alsof het arme, bedreigde, +tot stomheid veroordeelde hart de toevlucht nam tot die woordelooze +vrijplaats der muziek, en daar eene taal vond om zijn gebed tot God +uit te zuchten. Het was een gebed in eene taal, die Legree niet kon +verstaan. Hij hoorde zijne slaven slechts luidruchtig zingen en was +wel in zijnen schik; hij "hield hen vroolijk." + +"Wel, mijn liefje," zeide hij, zich naar Emmeline omkeerende en zijne +hand op haren schouder leggende, "nu zijn wij haast tehuis." + +Wanneer Legree vloekte en schold, was Emmeline verschrikt; maar +wanneer hij haar aanraakte en sprak gelijk nu, dacht zij, dat zij +liever wilde, dat hij haar geslagen had. De uitdrukking zijner oogen +deed haar walgen en huiveren tegelijk. Onwillekeurig drong zij dichter +bij de mulattin naast haar, alsof deze hare moeder was. + +"Hebt gij nooit oorringen gedragen?" zeide hij, haar fijn oortje +tusschen zijne grove vingers pakkende. + +"Neen, meester," antwoordde Emmeline bevend voor zich ziende. + +"Wel, ik zal u een paar geven als wij tehuis komen, als ge een goed +meisje zijt. Ge behoeft zoo bang niet te zijn; ik heb plan u niet +heel hard te laten werken. Gij zult een pleizierigen tijd bij mij +hebben en als eene dame leven--alleen, wees maar een goed meisje." + +Legree had nu zooveel gedronken, dat hij genegen was om bijzonder +goedertieren te zijn; en thans kreeg men juist zijne plantage in +het gezicht. Het goed had voorheen aan een heer van vermogen en smaak +toebehoord, die zich op het verfraaien daarvan had toegelegd. Nadat hij +insolvent was gestorven, was het voor een prijsje door Legree gekocht, +die het gelijk alle andere dingen, alleen gebruikte als een werktuig +om geld te winnen. De plaats had nu dat woeste, havelooze voorkomen, +waaruit blijkt, dat de zorg van een vroegeren eigenaar later geheel +verwaarloosd is. + +Wat eens voor het huis een effen grasperk was, hier en daar met fraaie +heesters beplant, was nu eene wildernis van slecht gras, hier en daar +met een paal om paarden aan vast te binden, waaromheen de zoden waren +weggetrapt, en de grond met gebroken emmers, maïsstengels en ander +ontuig was bestrooid. Hier en daar hing eene geknakte jasmijn of +kamperfoelie haveloos aan een sierlijk hek of paalwerk, dat op zijde +was getrokken, daar men het insgelijks had gebruikt om er paarden +aan vast te binden. De plek, die eens een tuin was geweest, was nu +geheel met onkruid begroeid, waartusschen hier en daar eene enkele +uitheemsche bloemplant eenzaam het hoofd ophief. Het gebouw, dat eens +de broeikas was geweest, had geene ramen meer, en op de vermolmde +planken stonden eenige verdroogde bloempotten, met stokjes er in, +waarvan de dorre bladeren toonden dat zij eens planten geweest waren. + +De wagen reed een met onkruid begroeid kiezelpad op, onder eene +statige laan van oranjeboomen, welker sierlijke kronen en zich +steeds verjongend gebladerte het eenige scheen te zijn, dat door +geene verwaarloozing kon bedorven of onderdrukt worden--gelijk edele +geesten, zoo diep in het goede geworteld, dat zij onder tegenspoed +en minachting des te sterker groeien en bloeien. + +Het huis was eens groot en fraai geweest. Het was in den gewonen +trant van het Zuiden gebouwd; om alle deelen van het huis heen liep +een breede veranda van twee verdiepingen, waarop al de buitendeuren +uitkwamen; de benedenste dezer galerijen hadden gemetselde steenen +pilaren. + +Het gebouw zag er zeer vervallen en verlaten uit; sommige vensters +waren met planken dichtgespijkerd, andere hadden gebroken ruiten of +luiken, die slechts aan het hengsel hingen--alles kondigde de grootste +verwaarloozing aan. + +Stukken van planken en hoopen stroo bedekten overal den grond, en +drie of vier groote honden, die er zeer kwaadaardig uitzagen, kwamen +op het gerucht van den aankomenden wagen uitschieten, en konden door +de met vodden bedekte slaven, die hen naliepen, slechts met moeite +weerhouden worden van Tom en zijne makkers aan te pakken. + +"Gij ziet wat gij krijgen zoudt," zeide Legree, de honden met +barsche tevredenheid liefkoozende en zich daarop naar Tom en zijne +makkers keerende. "Gij ziet wat gij krijgen zoudt, als ge beproeven +mocht om weg te loopen. De honden zijn gedresseerd om negers op te +sporen, en zij zouden er even gaarne een opslokken als hun gewoon +avondmaal. Past dus op. Wel, Sambo," zeide hij tot een haveloozen +kerel, zonder rand aan zijnen hoed, die zich zeer gedienstig toonde: +"hoe zijn de zaken gegaan?" + +"Opperbest, meester." + +"Quimbo," zeide Legree tot een ander, die ijverige pogingen deed om +zijne aandacht te trekken, "gij hebt onthouden wat ik u gezegd had?" + +"Dat zou ik nog al denken, meester." + +Deze twee kleurlingen waren de voornaamste arbeiders op de +plantage. Legree had hen even stelselachtig op woestheid en +kwaardaardigheid afgericht als zijne bulhonden, en door lange oefening +in gevoelloosheid en wreedheid had hij hunne geheele natuur omtrent +aan die dezer dieren gelijk gemaakt. Het is eene gewone opmerking +en eene die men voor een groot bezwaar tegen den stam houdt, dat +de negeropzichter altijd veel heerschzuchtiger en wreeder is dan de +blanke. Het is echter in dit opzicht met zijn geslacht niet anders +gesteld, dan met ieder verdrukt geslacht op de wereld. De slaaf is +altijd een tiran, wanneer hij gelegenheid heeft om dit te zijn. + +Sambo en Quimbo haatten elkander hartelijk, al de arbeiders op de +plantage haatten hen; en door den een tegen den ander te gebruiken, +was Legree tamelijk zeker van eene dezer drie partijen alles te +vernemen wat er op zijne plantage omging. + +Niemand kan geheel zonder gezelligen omgang leven; en Legree had +dus zijne twee zwarte satellieten zekere ruwe gemeenschap met hem +veroorloofd--eene gemeenschap evenwel, die telkens dreigde den een +of ander in ongelegenheid te brengen; want op den minsten wenk was +een van beiden altijd gereed om het werktuig des meesters wraak op +den ander te zijn. + +Gelijk zij daar bij Legree stonden, schenen zij het bewijs te kunnen +leveren van de bewering, dat verdierlijkte menschen lager kunnen +zinken dan de dieren zelven. Hunne grove, donkere, logge trekken; hunne +groote oogen, die elkander wangunstig begluurden; hunne barbaarsche, +gorgelende, half naar dierlijke geluiden zweemende spraak; hunne +gescheurde, in den wind fladderende kleeren--alles strookte met het +bedorven, ongezonde voorkomen van alles, over de geheele plaats. + +"Hier gij, Sambo," zeide Legree, "breng die jongens naar het +kwartier. En hier is eene meid, die ik voor u heb gekocht," vervolgde +hij, terwijl hij de mulattin van Emmeline afscheidde en naar hem +toeduwde, "gij weet wel, ik heb u beloofd u er eene mee te brengen." + +De vrouw deinsde van schrik terug, en zeide snel: "O meester, ik heb +mijn man te New-Orleans gelaten." + +"Wat raakt dat--zult gij er hier geen noodig hebben?--nu geene woorden +meer--maakt dat gij voortkomt!" zeide Legree en lichtte zijn zweep op. + +"Kom, Juffertje," zeide hij tegen Emmeline, "gij gaat met mij hier +binnen." + +Een donker, wild gezicht vertoonde zich voor een oogenblik voor een +der vensters van het huis; en toen Legree de deur opende, zeide eene +vrouwenstem iets op een driftigen, gebiedenden toon. Tom, die met +angstige belangstelling Emmeline nazag, toen zij binnenging, lette +hierop, en hoorde Legree toornig antwoorden: "Gij moogt uw mond +houden. Ik zal doen wat ik verkies of het u aanstaat of niet." + +Tom hoorde niets meer, want hij moest Sambo naar het kwartier +volgen. Dit kwartier was een soort van straatje van ruwe hutten, +op een rij geplaatst, in een gedeelte der plantage, dat ver van het +huis verwijderd was. Zij zagen er zeer vervallen en verwaarloosd +uit. Tom voelde zich het hart beklemd, toen hij ze zag. Hij had zich +getroost met de gedachte aan een hutje, wel ruw, maar dat hij knap +en net kon maken, waar hij eene plank voor zijnen Bijbel kon hebben, +en eene plaats, waar hij buiten zijne werkuren alleen kon zijn. Hij +keek in verscheidene binnen; het waren slechts donkere holen, zonder +eenig huisraad, behalve een hoop stroo vol vuiligheid, ordeloos op den +vloer gesmeten die uit de bloote aarde bestond, welke door ontelbare +voetstappen was vastgetrapt. + +"Welke van die zal de mijne zijn?" zeide hij onderworpen tot Sambo. + +"Weet niet! Kunt hier wel ingaan, denk ik," zeide Sambo. "Daar zal +nog wel plaats voor één wezen. Er is al een goede hoop negers in +ieder. Ik weet niet wat ik met nog meer moet doen." + + + +Het was laat in den avond, toen de vermoeide bewoners der hutten bij +troepen naar huis kwamen--mannen en vrouwen, in vuile gescheurde +kleeren, knorrig en wrevelig en in geene stemming om nieuwe +medebewoners vriendelijk aan te zien. Het dorpje weergalmde van geene +streelende klanken; schorre stemmen twistten bij de handmolens, waar +allen hunne portie hard koren nog tot meel moesten malen, eer de koek +er van gebakken kon worden, die hun eenig avondmaal uitmaakte. Van den +dageraad af waren zij in het veld geweest, gedwongen tot werken door +de drijvende zweep der opzichters; want het was nu in het heetste +en drukste van het seizoen en geene middelen werden er gespaard om +ieder voort te jagen, zooveel hij maar kon uithouden. "Wel zeker," +zegt de zorgelooze leeglooper, "het katoenplukken is geen zwaar +werk, niet waar?" En het is ook zulk een groot ongemak niet, dat +u een droppel water op het hoofd valt, en toch wordt de ergste +pijniging der inquisitie voortgebracht, door droppel op droppel, +oogenblik op oogenblik, op dezelfde plek te laten vallen; een werk, +dat op zich zelf niet zwaar is, wordt dit, wanneer men uren achtereen +wordt voortgejaagd, altijd met dezelfde onverbiddelijke gestrengheid +en eentonigheid, zonder dat zelfs de bewustheid van vrijwilligheid, +het vervelende er van vermindert. Tom zocht onder dezen troep die hem +voorbijstroomde, vruchteloos naar een gezicht dat hem tot gezelligheid +uitlokte. Hij zag alleen norsche, woeste, verdierlijkte mannen, en +zwakke, moedelooze vrouwen, of vrouwen die geene vrouwen meer konden +heeten--de sterken de zwakken verdringende--de grove, onbedwongen, +dierlijke zelfzucht van menschelijke wezens, van welke niets goeds +verwacht of verlangd kon worden, en die in alle opzichten als beesten +behandeld, ook zoo nabij den rang van beesten waren gedaald als +voor menschelijke wezens slechts mogelijk was. Tot laat in den nacht +duurde het geluid van het malen, want de molens waren weinig in getal, +met de malers vergeleken, en de vermoeiden en zwakken werden door de +sterkeren weggejaagd en kwamen het laatste aan de beurt. + +"Ho, gij," zeide Sambo, naar de mulattin komende, en een zak met +koren voor haar neersmijtende. "Hoe duivel is uw naam?" + +"Lucy," antwoordde de vrouw. + +"Wel, Lucy, gij mijne vrouw nu. Gij maalt dit koren en bakt mijn +avondeten, hoort ge?" + +"Ik ben uwe vrouw niet en wil het niet wezen,"--zeide Lucy, met den +plotseling ontvlammenden moed der wanhoop. "Loop heen!" + +"Dan zal ik je schoppen," zeide Sambo dreigend zijnen voet oplichtende. + +"Gij moogt mij doodslaan als gij wilt--hoe eer hoe beter. Ik wenschte +dat ik dood was," zeide zij. + +"Zeg eens, Sambo, als gij iemand van het volk voor het werk bederft, +zal ik het meester zeggen," zeide Quimbo, die aan den molen bezig +was, vanwaar hij uit kwaardaardigheid eenige vrouwen had weggejaagd, +die nu stonden te wachten. + +"En ik zal hem zeggen dat gij de vrouwen niet bij de molens wilt laten +komen, gij oude neger," antwoordde Sambo. "Pas maar voor u zelven op." + +Tom was vermoeid van den tocht en bijna flauw van gebrek aan voedsel. + +"Daar gij," zeide Quimbo, een zak met koren voor hem +neerwerpende. "Daar, neger, pak aan, en pas er op; want gij zult voor +deze week niets meer krijgen." + +Tom wachtte tot zeer laat om eene plaats aan de molens te bekomen, +en toen medelijden hebbende met de afmatting van twee vrouwen, die +hij zag beproeven om hare portie te malen, maalde hij die voor haar, +legde de halfverbrande houten bij elkander van een vuur, waarbij +reeds velen hunne koeken hadden gebakken, en ging toen eerst zijn +eigen avondmaal bezorgen. Dit was eene geheel nieuwe manier van +handelen daar, en dit bewijs van beleefdheid, zoo gering als het +was, deed toch eene overeenstemmende snaar in de harten dier vrouwen +trillen--eene uitdrukking van vrouwelijke zachtheid kwam op hunne +strakke gezichten. Zij besloegen zijn koek voor hem en pasten voor hem + +op het bakken; en Tom zette zich bij het vuur neer en haalde zijn +Bijbel uit--want hij had troost noodig. + +"Wat is dat?" zeide een van de vrouwen. + +"Een Bijbel," antwoordde Tom. + +"O! ik heb er geen gezien, sedert ik in Kentucky was." + +"Zijt ge dan in Kentucky opgebracht?" vroeg Tom met belangstelling. + +"Ja, en wèl-opgebracht ook. Ik had nooit gedacht dat ik hiertoe komen +zou," antwoordde de vrouw met een zucht. + +"Wat is toch dat boek daar," zeide de andere vrouw. + +"Wel, de Bijbel." + +"Wel, wat is dat?" + +"Wat zegt ge--hebt gij daar nooit van gehoord?" zeide de eerste vrouw. + +"Ik placht er somtijds mijne meesteres wel in te hooren lezen, daar +in Kentucky. Maar, och! hier hooren wij niets dan vloeken en het +klappen van de zweep." + +"Lees toch eens wat," zeide de andere vrouw nieuwsgierig, daar zij +zag hoe aandachtig Tom in het boek tuurde. + +Tom las: "Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, +en Ik zal u rust geven." + +"Die woorden zijn goed genoeg," zeide de vrouw. "Wie zegt ze?" + +"De Heere," antwoordde Tom. + +"Ik wenschte dat ik wist, waar ik Hem vinden kon," hervatte de vrouw; +"dan zou ik naar Hem toegaan, want het schijnt wel dat ik nooit meer +rust zal krijgen. Ik heb overal pijn en beef over al mijne leden, +elken dag, en Sambo slaat altijd naar mij, omdat ik niet gauwer pluk; +en het is meestal middernacht eer ik eten kan, en dan schijnt het dat +ik mijne oogen nog niet gesloten heb, of ik hoor den hoorn al weder +blazen om op te staan, en moet er des morgens weer aan. Als ik maar +wist waar de Heere was, zou ik Hem dat zeggen." + +"Hij is hier, Hij is overal," zeide Tom. + +"O, dat wilt ge me toch niet wijsmaken? Ik weet dat de Heere hier +niet is," zeide de vrouw. "Maar praten helpt ook al niet. Ik ga liever +slapen terwijl ik kan." + +De vrouwen gingen heen naar hare hutten. Tom bleef alleen bij het +smeulende vuur zitten. + +De heldere, zilveren maan steeg op in de donkere lucht, en zag kalm en +stil van omhoog; gelijk God op een tooneel van ellende en onderdrukking +nederziet--zoo bescheen zij den eenzamen zwarten man, terwijl hij +daar zat, met de armen over elkander en zijn Bijbel op zijn knie. + +"Is God _hier_?" O, hoe is het mogelijk voor het onkundige hart, +zijn geloof vast te houden onder het aanzien van grove, tastbare, +ongestrafte onrechtvaardigheid! In dat eenvoudige hart werd een +zware strijd gevoerd tegen het kwellende gevoel van onrecht, het +vooruitzicht op een geheel leven van ellende, de verwoesting van +alle vroegere hoop. O, was het _hier_ gemakkelijk te gelooven en +vast te houden aan de groote kenspreuk van het christelijk geloof, +dat "God is een _belooner_ dergenen die Hem zoeken?" + +Tom stond treurig op en strompelde naar de hut, die hem was +toegewezen. De grond was reeds met vermoeide slapers bedekt, en de +vuile lucht dreef hem bijna terug, maar de zware nachtdauw was kil, +zijn leden waren pijnlijk van vermoeienis, en de gescheurde deken +over zich heen halende, die al zijn beddegoed uitmaakte, strekte hij +zich op het stroo uit en viel in slaap. + +In zijne droom klonk hem een zachte stem in de ooren. Hij zat op de +bemoste bank in den tuin bij het meer Pontchartrain, en Eva, met +hare ernstige oogen omlaaggeslagen, las hem uit den Bijbel voor, +en hij hoorde haar lezen: + +"Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn; en door +de rivieren, zij zullen u niet overstroomen; wanneer gij door +het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u +niet aansteken. Want Ik ben de Heere, uw God, De Heilige Israels, +uw Heiland." + +Langzamerhand schenen die woorden als weg te smelten in eene hemelsche +muziek; het kind sloeg hare oogen op en vestigde die liefdevol op +hem, en stralen van warmte en troost schenen daaruit in zijn hart +te dalen, en als werd zij door die muziek gedragen, scheen zij op +blinkende vleugelen op te stijgen, waarvan vlokken en spranken gouds +als sterren afvielen, en zoo verdween zij. + +Tom ontwaakte. Was het een droom? Laat het voor een droom gehouden +worden. Maar wie zal zeggen dat het dien liefderijken jeugdigen geest, +die in het aardsche leven zoozeer verlangde om bedroefden te troosten, +niet door God werd veroorloofd om na den dood deze dienstbetooning +op zich te nemen? Het is een schoon en zeer streelend geloof, dat de +geesten der dooden op engelenvleugelen om ons henen zweven. + + + + + +DRIE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK + +CASSY + + "En ziet, er waren de tranen der verdrukten, + en dergenen die geenen trooster hadden, en van + de zijde hunner verdrukkers was macht; zij + daarentegen hadden geenen trooster. + + Pred. 4:1 + + +Tom had slechts weinig tijd noodig om zich bekend te maken met alles +wat hij in zijn nieuwen toestand te hopen en te vreezen had. Hij +was een bekwaam arbeider, en zoowel uit gewoonte als beginselen +ijverig en getrouw in al wat hij deed. Stil en vreedzaam van aard, +hoopte hij dat hij door onvermoeide vlijt ten minste een gedeelte der +onaangenaamheden van zijn tegenwoordig lot zou kunnen afwenden. Hij +zag genoeg mishandeling en ellende, om zijn hart met verontwaardiging +en weedom te vervullen; maar hij besloot met godsdienstig geduld voort +te zwoegen, zich bevelende aan Hem die rechtvaardig oordeelt; en niet +zonder hoop, dat hem nog een weg tot uitkomst zou worden geopend. + +Legree lette stilzwijgend op Toms bruikbare eigenschappen. Hij hield +hem voor een arbeider van den eersten rang, en toch voelde hij een +geheimen wrok tegen hem--de natuurlijke antipathie der boozen tegen +de goeden. Hij zag duidelijk dat wanneer, gelijk dikwijls gebeurde, +zijn geweld en dwingelandij weerlooze onschuldigen troffen, Tom daarop +lette; want zoo fijn is de werking der opinie, dat zij zich zonder +woorden doet gevoelen, en zelfs de opinie van een slaaf een meester kan +hinderen. Tom openbaarde op verschillende wijzen een teederheid van +gevoel, een medelijden met zijne lotgenooten, dat voor Legree nieuw +en vreemd was, en door dezen met wangunstige oogen werd bespied. Hij +had Tom gekocht met het oogmerk om hem tot eene soort van opzichter +te maken, wien hij zijne zaken kon toevertrouwen, wanneer hij zelf +nu en dan afwezig moest zijn; en naar zijn begrip was hardheid het +eerste, tweede en derde vereischte voor zulk een post. Daar Tom hem +niet hard genoeg was, nam Legree zich voor om hem spoedig te harden; +en eenige weken nadat Tom op de plantage was gekomen, besloot hij +daarmede een begin te maken. + +Op een ochtend, toen het volk gemonsterd werd om naar het veld te gaan, +zag Tom met verwondering een nieuweling onder hen, wier voorkomen +zijne aandacht trok. Zij was eene vrouw, rijzig en rank van gestalte, +met bijzonder fijne handen en kleine voeten, net en fatsoenlijk +gekleed. Naar haar gezicht te oordeelen kon zij tusschen de vijf +en dertig en veertig jaren wezen; en zij had een gezicht, dat men, +als men het eens gezien had, nooit weder vergeten kon--een van die +gezichten, welke ons met eenen enkelen blik een denkbeeld van een +wilde, smartelijke en romaneske geschiedenis schijnen te geven. Haar +voorhoofd was hoog en hare wenkbrauwen waren met sierlijke scherpheid +geteekend. Haar rechte, welgevormde neus, haar fijn besneden mond, +de geheele sierlijke omtrek van hoofd en hals toonden dat zij eens +zeer schoon moest geweest zijn; maar haar gezicht was diep gegroefd +door trekken van bitter zielelijden en van trotsche verharding +daartegen. Hare kleur was vaal en ongezond, hare wangen waren hol, +hare trekken scherp en geheel hare gestalte was vermagerd. Hare oogen +kwamen echter het meest van alles uit--zoo groot, zoo gitzwart, +met lange even zwarte wimpers beschaduwd en vol woeste, treurige +wanhoop. Wilde, uitdagende trots sprak uit al hare trekken, uit al +hare bewegingen; maar in hare oogen zag men eene nachtelijke donkere +diepte van zielesmart, eene uitdrukking zoo hopeloos en onveranderlijk, +dat zij een akelig contrast vormden met den fieren trots, dien geheel +haar voorkomen aanduidde. + +Waar zij vandaan kwam of wie zij was, wist Tom niet. Hij zag haar +nu voor het eerst, nu zij in de grauwe schemering van den dageraad, +trotsch opgericht, naast hem stapte. Aan den troep was zij echter +bekend; want er werd veel omgekeken, en eene gesmoorde, maar toch +duidelijk blijkbare boosaardige blijdschap heerschte onder de +havelooze, half verhongerde ellendelingen, die haar omringden. + +"Eindelijk er toe gekomen--blij om," zeide er een. + +"Hi, hi, hi!" zeide een ander; "gij zult ondervinden hoe pleizierig +het is, Juffrouw." + +"Wij zullen haar nu eens zien werken." + +"Benieuwd of zij van avond een pak zal krijgen evenals wij." + +"Ik zou haar graag eens zien geeselen, dat weet ik," zeide nog +een ander. + +De vrouw gaf geen acht op deze smaadredenen, maar stapte voort met +hetzelfde gezicht vol toornige minachting, alsof zij niets gehoord +had. Tom had altijd onder beschaafde, welopgevoede lieden verkeerd, +en voelde onwillekeurig dat zij tot die klasse behoorde; maar hoe zij +in dien vernederden toestand kon gekomen zijn begreep hij niet. De +vrouw sprak niet tegen hem en zag hem niet eens aan, hoewel zij op +den geheelen weg naar het veld dicht naast hem bleef. + +Tom was spoedig aan zijn werk, maar daar de vrouw niet ver van hem +af was, keek hij dikwijls naar haar om, hoe zij het maakte. Hij zag +terstond dat eene aangeboren handigheid en vlugheid de taak voor haar +veel gemakkelijker maakte, dan zij voor velen bleek te zijn. Zij +plukte zeer snel en zeer zindelijk, met een zoo trotsch gezicht, +alsof zij zoowel het werk als de vernedering van haren tegenwoordigen +toestand verachtte. + +In den loop van den dag werkte Tom ook dicht bij de mulattin, die +tegelijk met hem gekocht was. Blijkbaar was zij zeer zwak en vol pijn; +dikwijls hoorde Tom haar bidden, en scheen zij, wankelende en bevende, +op het punt om neer te vallen. Toen Tom bij haar kwam, stak hij +stilzwijgend eenige handen vol katoen uit zijn eigen zak in de hare. + +"O, doe dat niet, doe dat niet," zeide de vrouw, verwonderd +opziende. "Gij zult u zelven maar in moeite brengen." + +Juist toen kwam Sambo aan. Hij scheen een bijzonderen wrok tegen deze +vrouw te hebben, en eene zweep zwaaiende, zeide hij met zijne grove, +schorre stem: "Wat is dat, Lucy--gekheid maken?" en zonder een woord +verder gaf hij de vrouw een schop met zijnen zwaren schoen, en Tom +een slag met de zweep dwars over het gezicht. + +Tom hervatte stilzwijgend zijne taak; maar de vrouw, reeds geheel +uitgeput, viel in een flauwte. + +"Ik zal haar wel bijhelpen," zeide de drijver met een woesten, +grijnzenden lach. "Ik zal haar wat beters geven dan kamfer." En eene +speld van zijne mouw nemende, stak hij die tot aan den kop in haar +vleesch. De vrouw kermde en richtte zich eenigszins op. + +"Sta op, gij beest en werk, of ik zal je nog een kunstje leeren." + +De vrouw scheen voor een korte poos tot bovennatuurlijke kracht +aangeprikkeld en werkte met wanhopigen ijver voort. + +"Pas op dat gij er aan blijft," zeide Sambo, "of gij zult van avond +wenschen dat gij maar dood waart, zou ik denken." + +"Dat doe ik nu al," hoorde Tom haar zeggen. En kort daarop zeide zij +weder: "O Heere, hoelang? O Heere, waarom helpt Gij ons niet?" + +Alles tartende waaraan hij zich kon blootstellen, kwam Tom nog eens +naar haar toe, en stak al het katoen uit zijnen zak in de hare. + +"O, dat moet gij niet doen. Gij weet niet wat zij u doen zullen," +zeide de vrouw. + +"Ik kan het dragen, beter dan gij," zeide Tom en was terstond weder +op zijne plaats. + +Plotseling sloeg de vreemde vrouw, die onder het werk dicht bij genoeg +gekomen was om Toms laatste woorden te hooren, hare zwarte oogen op +en zag hem strak aan. Daarop nam zij een hoop katoen uit haren mand +en stak dien in zijnen zak. + +"Gij weet niets van deze plaats," zeide zij, "of gij zoudt dat niet +gedaan hebben. Als gij een maand hier geweest zijt, zult gij het wel +laten om iemand te helpen; gij zult het moeilijk genoeg vinden op uw +eigen huid te passen." + +"Dat verhoede de Heere, _Missis_," zeide Tom, onwillekeurig zijne +medearbeidster op het veld met dezelfde benaming aansprekende, welke de +beschaafde vrouwen, met wie hij vroeger gewoon was te spreken, toekwam. + +"De Heere komt nooit hier," zeide de vrouw met bitterheid, en ging +vlug weder voort met haar werk, terwijl een hoonende glimlach hare +lippen deed krullen. + +Het bedrijf der vrouw was echter door den drijver in de verte gezien, +en zijne zweep zwaaiende, kwam hij naar haar toe. + +"Wat, wat?" zeide hij op een zegepralenden toon: "_gij_ aan het +gekheid maken? Ge zijt nu onder mij. Pas op, of ge zult krijgen." + +Een bliksemstraal scheen uit die donkere oogen te schieten, en zich +met bevende lippen en opgetrokken neusgaten omkeerende, richtte zij +zich rechtop, en vestigde een blik, waaruit een gloed van woede en +verachting straalde op den drijver. + +"Hond," zeide zij, "raak mij eens aan, als ge durft! Ik heb nog +macht genoeg, om u door de honden te laten verscheuren of levend te +verbranden, of duim voor duim te laten klein snijden. Ik heb het maar +te zeggen!" + +"Waar duivel zijt gij dan voor hier?" zeide Sambo blijkbaar uit +het veld geslagen, en deed met een norsch gezicht een paar stappen +achteruit. "Ik meende geen kwaad, Miss Cassy!" + +"Blijf dan van mij vandaan," zeide de vrouw. En Sambo scheen het +raadzaam te vinden om naar iets aan de andere zijde van het veld te +gaan zien, en liep op een draf heen. + +De vrouw keerde zich weder om en werkte voort met een spoed, die Tom +geheel en al verbaasde. Het scheen wel tooverij te zijn. Vóór het einde +van den dag was hare mand gevuld, neergedrukt en opgehoopt, en had +zij verscheidene malen nog ruimschoots in den zak van Tom gedaan. Lang +na het vallen der duisternis trok de geheele vermoeide trein, met de +manden en zakken op het hoofd, naar het gebouw waar de katoen gewogen +en opgepakt werd. Legree stond daar en sprak met de twee drijvers. + +"Die Tom zal wel een boel moeite geven," zeide Sambo. "Hij bleef maar +aldoor in Lucy's mand stoppen. Hij is een van die kerels, die al de +negers zal doen denken, dat zij het te kwaad hebben, als meester niet +op hem past." + +"Zoo, zoo! Die vervloekte zwartkop!" zeide Legree. "Hij zal gedrild +moeten worden, he, jongens?" + +Beide negers antwoordden met een afschuwelijke grijns. + +"Ja, ja," zeide Quimbo, "meester Legree kan wel drillen. Daarin zou +de duivel zelf hem niet kunnen verbeteren." + +"Wel, jongens, de beste manier is hem het geeselen te laten verrichten, +tot die grillen uit zijnen kop zijn. Dat zal hem drillen." + +"Meester zal veel moeite hebben om ze uit zijnen kop te brengen." + +"Zij zullen er toch uit moeten," zeide Legree, en kauwde op zijne +pruim. + +"En daar is dan die Lucy, die leelijkste, onwilligste meid van de +plaats," zeide Sambo. + +"Pas op, Sam, ik zal haast gaan denken wat de reden is, dat gij zulk +een pik op Lucy hebt." + +"Wel, meester weet zelf dat ze zich tegen meester heeft verzet, +en mij niet hebben wilde, toen hij haar dat zeide." + +"Ik zou haar wel zoolang gegeeseld hebben tot zij wilde," zeide Legree +spuwende; "maar het werk dringt zoo, dat ik haar nu niet gaarne van +de hand wilde brengen; zij is teer, maar die teere meiden laten zich +halfdood slaan om haar zin te hebben." + +"Wel, Lucy was zoo lui en onwillig als zij maar kon; zij wilde niets +doen--Tom, die nam het voor haar op." + +"Zoo, deed hij dat? Wel, dan zal Tom het pleizier hebben van haar te +geeselen. Dat zal eene goede oefening voor hem zijn, en hij zal de +meid ook zoo hard niet slaan, als gij, duivels." + +"Ho, ho, ho! ha, ha, ha!" lachten de twee ellendelingen; en die +helsche klanken schenen inderdaad geene ongepaste uitdrukking te zijn +van den duivelachtigen aard, dien Legree hun toeschreef. + +"Maar, meester, Tom en Miss Cassy hebben met hun beiden Lucy's mand +gevuld. Ik geloof wel dat het gewicht er haast zijn zal." + +"_Ik weeg_," zeide Legree met nadruk. + +Beide drijvers lieten wederom hun duivelachtig gelach hooren. + +"En dus heeft Miss Cassy haar dagwerk gedaan?" zeide Legree. + +"Zij plukt als de duivel en al zijne engelen." + +"Zij heeft ze allen in het lijf geloof ik," zeide Legree; en een +woesten vloek uitbrakende, ging hij naar de weegkamer. + +Langzaam kwamen de afgematte slaven en slavinnen de kamer in, en +kruipende, maar met blijkbaren tegenzin, brachten zij hunne manden +om gewogen te worden. + +Legree teekende het gewicht aan op eene lei, waarop aan den kant eene +lijst der namen was geplakt. + +De mand van Tom werd gewogen en goedgekeurd, en hij bleef angstig +staan kijken, hoe het zou gaan met de vrouw die hij geholpen had. + +Waggelende van zwakheid kwam zij aan en zette haar mand neer. Deze +had het volle gewicht, gelijk Legree nu wel zag; maar zich vergramd +veinzende, zeide hij: + +"Wat, gij lui beest, alweer te kort? Ga daar op zijde, gij zult +spoedig wat krijgen." + +De vrouw zette zich kermende van wanhoop op den grond neer. + +Zij, die Miss Cassy genoemd was, kwam nu voorwaarts en gaf met trotsche +achteloosheid haar mand over. Toen zij dit deed, zag Legree haar met +een hoonenden, maar toch onrustig uitvorschenden blik in de oogen. + +Zij zag hem met hare zwarte oogen strak aan, bewoog even hare lippen +en zeide iets in het Fransch. Wat het was verstond niemand; maar +Legree's gezicht nam terstond eene duivelachtige uitdrukking aan, en +hij hief de hand half op, als om haar een slag te geven--een gebaar +dat zij met een blik van fiere minachting beantwoordde, waarna zij +zich omkeerde en heenging. + +"En nu, gij Tom, kom hier," zeide Legree. "Ik heb u al gezegd, dat ik +een kerel als gij niet voor het gewone werk had gekocht. Ik heb plan +u te bevorderen en een drijver van u te maken, en van avond moogt gij +wel eens beginnen om er den slag van te krijgen. Neem die meid mede +en geesel haar, gij hebt het dikwijls genoeg gezien, om te weten hoe." + +"Ik verzoek meester verschooning," antwoordde Tom, "Ik hoop dat +meester mij daar niet aan zal zetten. Dat is iets waaraan ik niet +gewoon ben--ik heb het nog nooit gedaan--en ik kan het ook niet doen, +het is mij onmogelijk." + +"Gij hebt kans om nog een aantal dingen te moeten leeren, waarvan gij +nog nooit geweten hebt, eer ik met u gedaan heb," zei Legree, en een +lederen zweep opnemende, gaf hij Tom een fellen striem over de wang, +gevolgd door een hagelbui van slagen, waar hij maar kon raken. + +"Daar," zeide hij, ophoudende om te rusten, "zult ge mij nu nog zeggen +dat gij het niet doen kunt?" + +"Ja, meester," antwoordde Tom, het bloed afvegende, dat langs zijn +gezicht droop. "Ik ben gewillig om te werken, nacht en dag en zoolang +er leven en adem in mij is; maar dit kan ik niet denken dat goed is +om te doen; en, meester, ik zal het nooit doen--_nooit_." + +Tom had eene bijzonder zachte stem en eerbiedige manieren, waardoor +Legree het denkbeeld had opgevat, dat hij lafhartig en gemakkelijk te +dwingen zou zijn. Toen hij deze woorden sprak, liep er een schok van +verbazing in het rond; de arme vrouw sloeg hare handen samen en zeide: +"O Heere!" en allen zagen onwillekeurig elkander aan en hielden den +adem in, als om zich schrap te zetten tegen den storm die nu moest +uitbarsten. + +Legree keek eerst verbijsterd en versuft, maar daarop barstte hij los. + +"Wat, gij vervloekt zwart beest, zegt gij mij dat gij het niet _goed_ +acht, te doen wat ik zeg? Wat behoeft gij, vervloekt vee, er over +te denken wat goed is? Daar zal ik een eind aan maken. Wat denkt ge +wel dat gij zijt? Misschien houdt gij u zelven voor een _gentleman_, +meester Tom, om uwen meester te zeggen wat goed is en wat niet. Gij +wilt dus zeggen dat het verkeerd is die meid te geeselen?" + +"Zoo denk ik, meester," antwoordde Tom. "Het arme schepsel is ziek +en zwak; het zou ronduit wreedheid zijn; en dat is iets dat ik nooit +doen zal of aan beginnen wil. Meester, als gij mij wilt doodslaan, +doe het; maar mijne hand op te heffen tegen iemand hier, dat zal ik +nooit; ik wil liever sterven." + +Tom sprak met eene zachte stem; maar met eene vastberadenheid, +waarin men zich niet vergissen kon. Legree beefde van woede; zijne +groenachtige oogen fonkelden, en zelfs zijne bakkebaarden schenen +van woede te krullen; maar gelijk een tijger, die een poos met zijn +slachtoffer speelt eer hij het verscheurt, bedwong hij zijne neiging +tot dadelijk geweld, en overlaadde hij zijn weerspannigen slaaf met +bitteren spot. + +"Wel zoo, hier is een vrome hond onder ons zondaren afgedaald! een +heilige, een _gentleman_ en niets minder, om ons zondaren over onze +zonden te onderhouden! Een machtig heilig schepsel moet hij zijn! Hier, +gij schavuit, die u zoo vroom wilt houden--hebt gij dan nooit uit uwen +Bijbel gehoord: "Dienstknechten, zijt uwen heeren gehoorzaam"? Ben +ik uw meester niet? Heb ik niet twaalfhonderd dollars klinkende munt +betaald voor alles wat er in uw oud vervloekt zwart vel steekt? Zijt +gij de mijne niet met lichaam en ziel? Zeg mij dat!" zoo besloot hij, +Tom een geweldigen schop met zijne zware laars gevende. + +Zelfs in de diepte van zijn lichamelijk lijden, door woest dierlijk +geweld onderdrukt, wekte deze vraag een gevoel van zegevierende +blijdschap in het gemoed van Tom. Hij richtte zich eensklaps op, en +ernstig naar den hemel ziende, terwijl tranen en bloed ondereengemengd +over zijn gezicht vloeiden, riep hij uit: + +"Neen, neen, mijne ziel is uw eigendom niet, meester. Die hebt gij +niet gekocht--die kunt gij niet koopen. Die is gekocht en ook betaald, +door Eenen--Eenen--die in staat is om haar te bewaren. Doe dus wat +gij wilt, gij kunt mij niet schaden." + +"Niet?" zeide Legree smalende. "Dat zullen wij eens zien. Hier, gij +Sambo en Quimbo, geef dien hond zulk een pak, dat hij in geene maand +te boven is." + +De twee reusachtige negers grepen, met eene valsche duivelachtige +blijdschap in hun gezicht, den armen Tom aan. De arme vrouw gilde +van angst, en allen stonden onwillekeurig op, toen hij, zonder zelfs +eenigen tegenstand te bieden, werd weggesleept. + + + + + +VIER EN DERTIGSTE HOOFDSTUK + +GESCHIEDENIS DER QUADRONE + + En ziet, er waren de tranen der verdrukten, + en dergenen, die geenen trooster hadden; en + aan de zijde hunner verdrukkers was macht. + Dies prees ik de dooden die alreeds gestorven + waren, boven de levenden die tot nog toe + levend zijn. + Pred. 4:1 en 2 + + +Het was laat in den nacht, en Tom lag kermende en bloedende alleen in +eene verlaten kamer van het machinehuis, tusschen gebroken stukken +machinerie, hoopen bedorven katoen en andere onbruikbare dingen die +daar verzameld waren. + +De nacht was koel en vochtig, en de dompige lucht wemelde van +muskieten, die de rustelooze marteling zijner wonden nog vergrootten, +terwijl een brandende dorst--eene kwelling boven al het andere--de +maat van zijn lichaamslijden ten uiterste toe vulde. + +"O goede Heere, zie toch neder! Geef mij de overwinning--geef mij de +overwinning over alles!" bad de arme Tom in zijne ellende. + +Een voetstap trad achter hem binnen en het licht eener lantaren scheen +hem in de oogen. + +"Wie is daar! O, om 's Heeren wil en uit barmhartigheid, geef mij +toch wat water!" + +Cassy--want zij was het--zette de lantaren neer, schonk water uit eene +flesch, beurde zijn hoofd op en gaf hem te drinken. Nog een beker en +nog een ledigde hij met koortsige gretigheid. + +"Drink zooveel gij lust," zeide zij. "Ik wist wel hoe het wezen +zou. Het is de eerste maal niet, dat ik des nachts uit ben, om zulken +als gij water te brengen." + +"Dank, _Missis_," zeide Tom, toen hij genoeg gedronken had. + +"Noem mij niet _Missis_. Ik ben eene ellendige slavin, evenals gij--nog +lager dan gij ooit worden kunt," zeide zij met bitterheid. "Maar +nu," vervolgde zij, naar de deur gaande en eene kleine stroomatras +binnensleepende, waarover zij linnen doeken, met koud water bevochtigd, +had gelegd, "beproef nu om u hierop te rollen, arme man." + +Stijf van wonden en kneuzingen, had Tom lang werk om deze beweging +ten uitvoer te brengen; maar toen hij dit gedaan had, voelde hij eene +groote verlichting, door het koele linnen tegen zijne wonden. + +De vrouw, die door langen omgang met de slachtoffers van woeste +wreedheid met velerlei middelen tot verzachting en genezing bekend +was geworden, leide vervolgens op de wonden nog andere toebereidselen, +waardoor de pijn weldra nog meer werd verminderd. + +"En dat is nu het beste wat ik voor u doen kan," zeide de vrouw, +toen zij zijn hoofd op eene rol bedorven katoen had gelegd, om hem +tot kussen te dienen. + +Tom dankte haar nogmaals. En de vrouw zette zich vóór hem op den grond, +trok hare knieën op, sloeg hare armen daar om heen, en bleef hem zoo +met een gezicht vol bitter verdriet zitten aanzien. Haar hoed was +achterovergeschoven en hare lange, golvende lokken zwierden om haar +vreemd en treurig gelaat. + +"Het baat niet, arme man!" barstte zij eindelijk uit, "het baat tot +niets, wat gij hebt willen doen. Gij zijt braaf en dapper geweest--gij +hadt het recht op uwe zijde, maar het is alles nutteloos; gij kunt +er niet tegen worstelen. Gij zijt in des duivels handen; hij is de +sterkste en gij moet het opgeven." + +"Opgeven!" Hadden menschelijke zwakheid en lichaamspijn hem dit niet +reeds vroeger toegefluisterd? Tom maakte eene beweging van schrik; +want die verbitterde vrouw, met hare wilde oogen en treurige stem, kwam +hem voor als de vreeselijke verzoeking, waartegen hij geworsteld had. + +"O Heere, Heere!" kermde hij. "Hoe kan ik het opgeven?" + +"Het baat niet of gij den Heere aanroept--Hij hoort nooit," zeide de +vrouw koud en stroef. "Er is geen God, geloof ik, of als er een is, +is Hij tegen ons. Alles is tegen ons, hemel en aarde. Alles drijft +ons naar de hel. Waarom zouden wij niet gaan!" + +Tom sloot zijne oogen en beefde van die verschrikkelijke woorden. + +"Gij ziet wel," hervatte de vrouw, "_gij_ weet er niets van--_ik_ +weet het. Ik ben hier vijf jaren geweest, met lichaam en ziel onder +den voet van dien man, en ik haat hem, gelijk ik den duivel haat. Hier +zijt gij op eene eenzame plantage, tien mijlen van elke andere, in de +moerassen; geen blanke is hier die het zou kunnen getuigen, als gij +levend verbrand werd, of gevild, of bij duimen in stukken gekapt, of +voor de honden geworpen, of opgehangen of dood gegeeseld. Er is geene +wet hier van God of menschen, die u of iemand van ons het minste goed +kan doen; en die man, er is niets op de wereld, waartoe hij te goed +is. Ik zou iemand de haren te berge kunnen doen rijzen en de tanden +klapperen, als ik maar vertelde wat ik hier gezien en geweten heb; +en tegenstand baat niet. Was het mijn zin om met hem te leven? Was +ik geene beschaafd opgevoede vrouw? En hij--God in den hemel! wat +was hij en is hij? En toch heb ik deze vijf jaren met hem geleefd, +en elk oogenblik van mijn leven vervloekt--nacht en dag! En nu heeft +hij een nieuwe gekregen--een jong ding, nog maar vijftien jaren; en +zij is vroom opgebracht, zegt zij. Hare goede meesteres heeft haar in +den Bijbel leeren lezen, en zij heeft haar Bijbel meegebracht--hier +naar de hel!" En de vrouw lachte met een woesten, akeligen lach, +die vreemd en bovennatuurlijk door het vervallen gebouw klonk. + +Tom vouwde zijne handen; alles was duisternis en afgrijzen. + +"O, Jezus, Heere Jezus, hebt Gij ons arme schepselen geheel +vergeten?" barstte hij eindelijk uit. "Help Heere, ik verga!" + +De vrouw vervolgde op stroeven toon: + +"En wat zijn die ellendige, gemeene honden met wie gij werkt, dat +gij om hunnentwil lijden zoudt? Een voor een zullen zij zich tegen u +keeren, zoodra zij maar gelegenheid hebben. Zij zijn allen zoo slecht +en wreed voor elkander, als zij maar zijn kunnen; en het baat niet +dat gij nog meer lijdt, omdat gij hen niet wilt aanraken." + +"Arme schepsels!" zeide Tom. "Wat heeft hen zoo wreed gemaakt? en +als ik toegeef, zal ik er aan gewend raken en langzamerhand eveneens +worden als zij. Neen, neen, _Missis_, ik heb alles verloren, vrouw en +kinderen en mijn tehuis en een goeden meester, die mij zou vrijgelaten +hebben, als hij nog maar eene week langer geleefd had. Ik heb alles +in deze wereld verloren, en het is weg voor altijd en nu kan ik den +hemel er niet nog bij verliezen. Neen, ik kan nu niet goddeloos gaan +worden boven dat alles." + +"Maar het kan niet wezen, dat de Heere ons de zonde zal toerekenen," +zeide de vrouw. "Hij zal er ons niet mede bezwaren, als wij er +toe gedwongen worden; Hij zal er hen mede bezwaren, die er ons toe +gedreven hebben." + +"Ja," antwoordde Tom, "maar dat zal ons niet beletten goddeloos +te worden; als ik even hard van hart wordt als die Sambo en even +goddeloos, zal het niet veel verschil maken hoe ik zoo word. Het is +_zoo_ te _wezen_--dat is het--waar ik angstig voor ben." + +De vrouw zag Tom aan met een woesten verschrikten blik, alsof eene +nieuwe gedachte haar getroffen had. En toen zeide zij met een zwaren, +kermenden zucht: + +"O God van genade, gij spreekt de waarheid! O--o--o!" En zoo kermende, +viel zij op den grond, als verpletterd en krimpend onder eene overmaat +van zielesmart. + +Er heerschte eene poos stilte, terwijl men de ademhaling van beiden +kon hooren. Toen zeide Tom met eene flauwe stem: "Och, _Missis_." + +De vrouw rees schielijk op, haar gezicht was weder strak en had de +gewone uitdrukking van trotsche treurigheid hernomen. + +"Och, _Missis_, ik heb hen mijn rok daar in den hoek zien gooien, +en in den zak is mijn Bijbel--als gij dien voor mij krijgen woudt." + +Cassy voldeed aan dit verlangen. Tom opende den Bijbel terstond +bij eene met zware strepen gemerkte, zeer versleten plaats, in het +levenseinde van Hem, door wiens striemen hij genezen was. + +"Als _Missis_ nu eens zoo goed wilde zijn om dat daar te lezen, +dat is nog beter dan water." + +Cassy nam het boek met eene koele, trotsche houding en zag de +plaats door. Daarop las zij overluid, met eene zachte stem en +eene eigenaardige schoonheid van toon, dat treffende verhaal van +lijden en heerlijkheid. Dikwijls haperde hare stem onder het lezen, +en somtijds bleef die geheel steken, maar dan hield zij, eene koude +bedaardheid veinzende, op, tot zij zich bedwongen had. Toen zij aan de +treffende woorden kwam: "Vader, vergeef het hun, want zij weten niet +wat zij doen," wierp zij het boek neder; en haar gezicht onder hare +zware krullende haarlokken verbergende, begon zij met stuipachtige +heftigheid te snikken. + +Tom schreide insgelijks, maar sprak tusschenbeiden eenige woorden +met eene gesmoorde stem. + +"Als wij daar maar bij konden blijven," zeide hij. "Het scheen van Hem +zoo natuurlijk te komen, en wij moeten er zoo hard voor strijden. O +Heere help ons! O gezegende Heer Jezus, kom ons toch te hulp!" + +"_Missis_," zeide Tom na eene poos, "ik kan wel zien, dat gij in alles +boven mij zijt; maar er is toch een ding dat gij zelfs van den armen +Tom zoudt kunnen leeren. Gij hebt gezegd, dat de Heere tegen ons was, +omdat Hij ons liet mishandelen en kwaad doen; maar zie, wat Zijn +eigen Zoon overkomen is--den gezegenden Koning der Heerlijkheid. Was +Hij niet altijd arm? En zijn wij een van allen nog zoover gekomen? De +Heere heeft ons niet vergeten--daarvan ben ik zeker. Als wij met Hem +lijden, zullen wij ook met Hem heerschen, zegt de Schrift; maar als +wij Hem verloochenen, zal Hij ons ook verloochenen. Hebben zij niet +alles geleden--de Heere en al de zijnen? Daar staat hoe zij gesteenigd +en geslagen werden, en rondgingen in schapenvellen en geitenvellen, +en gebrek leden, bedroefd waren en gepijnigd werden. Het lijden is +geene reden om ons te doen denken dat de Heere tegen ons is; maar +juist het tegendeel, als wij ons maar aan Hem vasthouden en ons niet +aan de zonde overgeven." + +"Maar waarom brengt Hij ons, waar wij niet kunnen nalaten te +zondigen?" zeide de vrouw. + +"Ik denk dat wij het _wel_ kunnen laten," antwoordde Tom. + +"Gij zult zien," zeide Cassy. "Wat zult gij doen? Morgen zullen zij +weer met u beginnen. Ik ken hen; ik heb al hun bedrijf gezien. Ik kan +er niet aan denken wat zij u zullen doen--en zij zullen u eindelijk +dwingen om toe te geven!" + +"Heere Jezus," zeide Tom. "Gij kunt mijne ziel behoeden! O Heere, +laat mij toch niet toegeven!" + +"Och," zeide Cassy, "ik heb al dat roepen en bidden wel meer gehoord, +en toch zijn zij ten onder gebracht en bezweken. Daar is Emmeline nu, +zij doet haar best om standvastig te blijven, en gij ook--maar wat baat +het? Gij moet het opgeven, of gij zult langzaam doodgemarteld worden." + +"Welnu, ik _wil_ sterven," zeide Tom. "Laten zij het rekken, zoolang +zij kunnen, zij kunnen toch niet beletten dat ik eens sterf--en daarna +kunnen zij niets meer doen; ik ben nu gerust. Ik _weet_ dat de Heere +mij helpen zal en er doorbrengen." + +De vrouw gaf geen antwoord, en staarde met hare zwarte oogen strak +voor zich. + +"Misschien is dat de weg," prevelde zij bij zich zelve; "maar voor +hen die het _hebben_ opgegeven, voor hen is toch geene hoop! Wij +leven in de onreinheid, en worden walgelijk tot wij van ons zelven +walgen. Wij verlangen om te sterven en durven toch niet sterven. Geene +hoop--geene hoop--geene hoop! Dit meisje nu, juist zoo oud als ik +was! Gij ziet mij nu," zeide zij, zich tot Tom richtende en zeer snel +sprekende. "Zie wat ik ben. Welnu, ik werd in weelde opgebracht. Het +eerste dat ik mij herinner is, dat ik, toen ik een kind was, in een +prachtig salon speelde. Toen werd ik opgekleed als eene pop, en het +gezelschap placht mij te prijzen. Er was een tuin, waarop de vensters +van het salon uitkwamen, en daar placht ik schuilhoekje te spelen +onder de oranjeboomen, met mijne broertjes en zusjes. Ik ging naar een +klooster, en daar leerde ik Fransch, muziek, borduren en wat al meer; +en toen ik veertien jaar oud was, kwam ik er uit voor de begrafenis +van mijnen vader. Hij stierf zeer onverwacht, en toen de nalatenschap +werd geregeld, bevond men dat er nauwelijks genoeg was om de schulden +te dekken; en toen de crediteuren een inventaris van de eigendommen +maakten, werd ik daarbij opgeschreven. Mijne moeder was eene slavin, +en mijn vader had altijd plan gehad mij vrij te verklaren; maar hij +had het niet gedaan, en zoo werd ik op de lijst gezet. Ik had altijd +geweten wie ik was, maar er nooit veel om gedacht. Niemand denkt, +dat een sterk, gezond man spoedig zal sterven. Mijn vader was nog +gezond vier uur voordat hij stierf; hij was een van de eersten, die +te New-Orleans aan de cholera stierven. Daags na de begrafenis nam +mijn vaders vrouw hare kinderen en ging naar de plantage van haren +vader. Ik vond wel dat zij mij vreemd behandelden, maar ik begreep +het niet. Er was een jong rechtsgeleerde, dien zij de zaken lieten +in orde brengen; hij kwam elken dag, deed alsof hij tehuis was en +sprak zeer beleefd met mij. Hij bracht eens een jongmensch mede, +dien ik voor den schoonsten man hield, welken ik ooit gezien had. Ik +zal dien avond nooit vergeten; ik wandelde met hem in den tuin. Ik +gevoelde mij zoo eenzaam en bedroefd, en hij was zoo vriendelijk; +en hij zeide mij dat hij mij voorheen gezien had, eer ik naar het +klooster ging, en dat hij mij al lang had liefgehad, en mijn vriend +en beschermer wilde zijn. Kortom, hoewel hij niet zeide dat hij +twee duizend dollars voor mij betaald had en ik zijn eigendom was, +werd ik gewillig de zijne; want ik beminde hem. O, hoe heb ik dien +man bemind! Hoe bemin ik hem nog en zal hem altijd beminnen, zoolang +ik ademhaal! Hij was zoo schoon, zoo goed, zoo edel! Hij bracht mij +in een fraai huis, met bedienden, paarden, rijtuigen en meubelen, +alles even kostbaar. Al wat maar voor geld te koop was gaf hij mij; +maar ik hechtte geene waarde daaraan; ik gaf om niets anders dan om +hem. Ik had hem meer lief dan mijn God + +en mijne eigene ziel, en al wilde ik, ik kon toch niets anders doen +dan hij van mij verlangde. + +"Slechts één ding wenschte ik nog--ik wenschte dat hij mij trouwde. Ik +dacht: als hij mij zoo liefhad als hij mij zeide, en ik was waarvoor +hij mij scheen te houden, dat hij dan gewillig moest zijn om mij +vrij te verklaren en te trouwen. Maar hij overtuigde mij dat dit +onmogelijk zou zijn, en hij zeide mij dat het, als wij elkander +maar getrouw bleven, een huwelijk voor God was. Als dat waar is, +was ik dan niet de vrouw van dien man? Was ik hem niet getrouw? Heb +ik niet zeven jaren lang op al zijne blikken en bewegingen gelet, en +alleen geleefd en geademd om hem te behagen? Hij kreeg de gele koorts +en twintig dagen en nachten waakte ik bij hem--ik alleen, en gaf hem +zijne medicijnen en deed alles voor hem; en toen noemde hij mij zijn +beschermengel en zeide dat ik zijn leven had gered. Wij hadden twee +schoone kinderen. Het eerste was een jongen en wij noemden hem Henry; +hij was het beeld van zijnen vader--hij had even zulke fraaie oogen, +zulk een voorhoofd, en zijn haar hing in krullen daaromheen--en hij had +ook geheel den geest en de talenten van zijnen vader. Kleine Eliza, +zeide hij, geleek naar mij. Hij placht mij dikwijls te zeggen dat ik +de schoonste vrouw in Louisiana was, zoo trotsch was hij op mij en de +kinderen. Hij had gaarne dat ik ze fraai kleedde, en nam hen en mij +dikwijls mede in een open rijtuig, om te hooren wat de menschen van +ons zeiden, en dan vulde hij mij de ooren gedurig met al het moois dat +tot lof van mij en de kinderen gezegd werd. O, dat waren gelukkige +dagen! Ik dacht dat ik zoo gelukkig was als iemand wezen kon; maar +toen kwamen er booze tijden. Hij had een neef, die naar New-Orleans +kwam en zijn bijzondere vriend was. Hij maakte heel veel werk van hem; +maar van de eerste maal dat ik hem zag, ik kon niet zeggen waarom, +was ik bang voor hem; want ik voelde mij er zeker van dat hij ellende +over mij zou brengen. Hij bracht Henry er toe om met hem uit te gaan, +en dikwijls kwam hij des nachts niet vóór twee of drie uur tehuis. Ik +durfde er geen woord van zeggen; want Henry was zoo opvliegend, dat +ik daarvoor schrikte. Hij bracht hem naar speelhuizen, en hij was een +van die soort, die als zij eens daaraan zijn, niet meer zijn terug +te houden. En toen bracht hij hem in kennis met een dame, en ik zag +spoedig dat zijn hart van mij vervreemd werd. Hij zeide het mij nooit; +maar ik zag en voelde het dag aan dag. En toen bood die ellendeling +aan om mij en mijne kinderen van hem te koopen, om zijne schulden te +voldoen, die hem verhinderden om naar zijnen zin te trouwen--en hij +verkocht ons. Hij zeide mij eens dat hij om zaken uit moest en twee +of drie weken zou uitblijven. Hij sprak vriendelijker dan gewoonlijk; +en zeide dat hij zou terugkomen, maar dat bedroog mij niet; ik wist +dat de tijd gekomen was. Ik was als in steen veranderd; ik kon niet +spreken en ook niet schreien. Hij kuste mij, en hij kuste de kinderen +verscheidene malen en ging. Ik zag hem te paard stijgen, en keek hem +na tot hij uit mijn oogen was, en toen viel ik flauw. + +"Toen kwam hij, die vervloekte ellendeling! toen kwam hij bezit van +ons nemen. Hij zeide dat hij mij en de kinderen had gekocht en liet +mij de papieren zien. Ik vloekte hem voor God, en zeide dat ik liever +wilde sterven dan met hem leven. + +"Juist zooals het u belieft," zeide hij, "maar als gij u niet +verstandig gedraagt, zal ik de kinderen verkoopen en gij zult ze +nooit wederzien." Hij zeide mij dat hij mij terstond had willen +hebben, zoodra hij mij gezien had; en dat hij Henry had gelokt en +in schulden geholpen, met opzet om hem te bewegen mij te verkoopen; +en dat hij hem op eene andere vrouw verliefd had doen worden, en dat +ik maar weten moest dat hij niet van mij zou afzien om wat kuurtjes +en tranen, en zulke dingen. + +"Ik gaf mij over, want mijne handen waren gebonden. Hij had mijne +kinderen. Wanneer ik hem in iets wilde tegen zijn, sprak hij er telkens +van om die te verkoopen en zoo maakte hij mij zoo onderdanig als hij +begeerde. O, welk een leven was dat! Te blijven leven, hoewel ik mijn +hart voelde breken, te blijven liefhebben, hoewel dit niets anders +dan ellende was, en met lichaam en ziel gebonden te zijn aan iemand +dien ik haatte! Ik placht gaarne voor Henry te lezen, te spelen en +te zingen; maar alles wat ik voor deze deed was eene kwelling voor +mij, en toch was ik bang om hem iets te weigeren. Hij was zeer hard +en streng voor de kinderen. Eliza was een vreesachtig dingetje; maar +Henry was even stoutmoedig en opvliegend als zijn vader, en had nooit +door iemand bedwongen kunnen worden. Hij had dagelijks aanmerkingen +op hem en ongenoegen met hem, en zoo had ik altijd ongenoegen, vrees +en angst. Ik poogde het kind onderdaniger te maken--ik poogde hen van +elkander af te houden, want ik was aan die kinderen gehecht als aan +mijn leven; maar het baatte niet. Hij verkocht beide kinderen. Hij +nam mij eens met zich uit rijden, en toen ik tehuis kwam, waren zij +nergens te vinden. Hij zeide mij, dat hij hen verkocht had. Hij liet +mij het geld zien, den prijs van hun bloed. Toen was het alsof alles +mij begaf. Ik raasde en vloekte--ik vloekte God en de menschen; en voor +een tijd geloof ik dat hij werkelijk bevreesd voor mij was. Maar hij +gaf het zoo niet op. Hij zeide mij dat mijne kinderen wel verkocht +waren, maar dat het van mij zou afhangen of ik hen ooit wederzag, +en dat, als ik niet stil en onderdanig was, zij er voor lijden +zouden. Nu, gij kunt alles met eene vrouw doen als gij hare kinderen +hebt. Hij bracht mij tot onderwerping; hij deed mij vreedzaam zijn; +hij vleide mij met de hoop, dat hij ze misschien zou terugkoopen, +en zoo ging het een paar weken. Eens was ik uit wandelen en kwam de +_calaboose_ voorbij. Ik zag een troep volk bij de deur en hoorde eene +kinderstem--en eensklaps rukte mijn Henry zich los van een paar mannen, +die hem vasthielden en kwam gillende naar mij toeloopen en vatte mij +bij mijn kleed. Zij kwamen naar hem toe, schrikkelijk vloekende, en +een man, wiens gezicht ik nooit vergeten zal, zeide hem dat hij er +zoo niet zou afkomen; dat hij naar de _calaboose_ moest en eene les +zou krijgen, die hij nooit vergeten zou. Ik wilde bidden en smeeken, +maar zij lachten mij uit. De arme jongen gilde en zag mij aan en +hield mij vast, totdat zij, om hem mede te krijgen, de helft van mijn +kleed afscheurden; en zoo sleepten zij hem voort, terwijl hij gilde: +"Moeder, moeder!" Een man, die daar stond, scheen medelijden met mij te +hebben. Ik bood hem al het geld aan dat ik had, als hij tusschen beide +wilde komen. Maar hij schudde zijn hoofd en zeide, de man had gezegd +dat de jongen gedurig brutaal en ongehoorzaam was geweest, zoolang +hij hem gehad had, en dat hij hem nu eens voorgoed zou afstraffen. Ik +keerde mij om, liep heen, en met elken stap langs den geheelen weg +dacht ik dat ik hem hoorde gillen. Ik kwam in huis en liep buiten +adem naar de woonkamer, waar ik Butler vond. Ik zeide het hem en bad +hem om er heen te gaan en tusschenbeide te komen. Hij lachte maar, en +zeide dat de jongen kreeg wat hij verdiende. Hij moest gedrild worden, +zeide hij, hoe eer hoe beter. En toen vroeg hij "wat ik verwachtte?" + +"Het scheen dat er op dat oogenblik iets in mijn hoofd aan stukken +sprong. Ik werd duizelig en woedend. Ik herinner mij dat ik een groot +scherp mes op de tafel zag, ik herinner er mij iets van dat ik het +greep en op hem aanvloog; en toen werd alles donker en wist ik niets +meer--vele dagen lang. + +"Toen ik tot mij zelve kwam, was ik in een knappe kamer, maar niet +in de mijne. Een oude zwarte vrouw paste mij op; een dokter kwam naar +mij zien en er werd goed voor mij gezorgd. Na eenigen tijd hoorde ik +dat hij weggegaan was, en mij in dat huis had gelaten om verkocht te +worden; en daarom zorgde men zoo voor mij. + +"Ik dacht niet weer beter te worden en hoopte het ook niet; maar tot +mijne spijt liep de koorts af en werd ik weder gezond. Toen dwongen zij +mij alle dagen om mij aan te kleeden; en heeren plachten mij te komen +zien, en hunne sigaar bij mij te staan rooken, en mij te bekijken en +vragen te doen en over mijnen prijs te spreken. Ik was zoo somber en +stil, dat geen van allen mij wilde hebben. Zij dreigden mij dat ik zou +gegeeseld worden, als ik niet vroolijker was en mij aangenaam poogde te +maken. Eindelijk kwam er eens een heer die Stuart heette. Hij scheen +eenig gevoel voor mij te hebben. Hij zag dat ik iets schrikkelijks +op het hart had, en kwam mij verscheidene malen alleen zien, en +overreedde mij eindelijk om het hem te zeggen. Hij kocht mij ten +laatste, en beloofde mij alles te doen wat hij kon om mijne kinderen +terug te brengen. Hij ging naar het hotel, waar mijn Henry was; men +zeide hem dat hij aan een planter aan de Paarl-rivier was verkocht; +en dat was het laatste dat ik ooit van hem hoorde. Toen vroeg hij waar +mijne dochter was; eene oude vrouw had haar bij zich. Hij bood eene +ontzaglijke som voor haar, maar men wilde haar niet verkoopen. Butler +ontdekte dat het voor mij was, dat hij haar hebben wilde, en zond +mij eene boodschap dat ik haar nooit krijgen zou. Kapitein Stuart +was zeer goed voor mij. Hij had een heerlijke plantage en bracht mij +daarheen. In den loop van dat jaar kreeg ik een zoon. O, dat kind--hoe +lief had ik het! Hoe volmaakt geleek dat wichtje naar mijnen armen +Henry! Maar ik had mijn besluit genomen, ja,--dat had ik. Ik wilde +nooit weder een kind laten opgroeien. Ik nam het wichtje in mijne +armen, toen het twee weken oud was, en kuste het en schreide er over; +en toen gaf ik het opium, en hield het vast aan mijne borst, terwijl +het den doodsslaap insliep. Hoe treurde en jammerde ik er over! En +wie dacht ooit anders of het was eene vergissing, dat ik het opium had +gegeven? Maar dat is een van die weinige dingen, waarover ik nu blijde +ben. Het spijt mij niet tot op dezen dag; hij is ten minste buiten +leed. Wat beters dan de dood kon ik hem geven, het arme kind? Na eene +poos kwam de cholera en kapitein Stuart stierf, en iedereen stierf +die wenschte te blijven leven, en ik--hoewel ik op den rand van het +graf kwam--ik bleef leven! Toen werd ik verkocht en ging van hand tot +hand, tot ik verouderd en gerimpeld was en eene koortsziekte kreeg; +en toen kocht mij die ellendeling en bracht mij hier--en hier ben ik!" + +De vrouw zweeg. Zij had met woeste drift voortgesproken, somtijds alsof +zij tot Tom het woord richtte, somtijds alsof zij eene alleenspraak +hield. Zoo heftig en medesleepend was de kracht, waarmede zij sprak, +dat Tom zelfs de pijn zijner wonden vergat, en zich op zijnen elleboog +opbeurende, naar haar bleef staren, terwijl zij rusteloos op en neder +stapte, zoodat hare lange zwarte lokken haar nazwierden. + +"Gij zegt mij," zeide zij na eene korte poos van stilte, "dat er een +God is--een God die alle dingen ziet. Misschien is het zoo. De zusters +in het klooster plachten mij van een dag des oordeels te spreken, +wanneer alles aan het licht zou komen. Of er dan ook wraak zou zijn? + +"Zij denken dat het niets is wat wij lijden--niets wat onze kinderen +lijden! Het is alles eene beuzeling. Maar ik heb toch langs de straten +gegaan, terwijl het mij was, alsof ik jammer genoeg in het hart had +om de geheele stad te doen zinken. Ik heb gewenscht dat de huizen +op mij zouden vallen, en de grond zich onder mij zou openen. Ja, en +op den dag des oordeels, dan zal ik voor God opstaan als een getuige +tegen hen, die mij in het verderf gestort hebben met lichaam en ziel! + +"Toen ik een kind was, dacht ik dat ik godsdienstig was; ik placht God +lief te hebben en te bidden. Nu ben ik eene verloren ziel, vervolgd +door duivelen die mij nacht en dag plagen. Zij drijven mij er gedurig +toe aan, en op een of anderen tijd zal ik het doen!" zeide zij, +hare vuist dichtknijpende, terwijl hare oogen flikkerden met een +glans die aan krankzinnigheid deed denken. "Ik zal hem heenzenden +waar hij behoort--en een korten weg ook--op een of anderen nacht, +al zouden zij mij er levend om verbranden!" + +Een woest geschater klonk door het eenzame gebouw en eindigde in een +stuipachtig snikken. Zij wierp zich op den vloer en bleef daar liggen +in een toestand, alsof zij eene vlaag van vallende ziekte had. + +Doch weldra scheen die razernij te bedaren; zij stond op en scheen +zich te bedenken. + +"Kan ik nog iets voor u doen, arme man?" zeide zij, de plaats naderende +waar Tom lag. "Zal ik u nog wat water geven?" + +Er was toen zij dit zeide eene innemende, medelijdende zachtheid in +hare stem en geheel haar voorkomen, die zonderling bij hare vroegere +woestheid afstak. + +Tom dronk het water en zag haar ernstig en beklagelijk aan. + +"O, _Missis_, ik wenschte dat gij naar Hem woudt gaan, die u levend +water kan geven." + +"Naar Hem gaan! Waar is Hij? Wie is Hij?" zeide Cassy. + +"Hij, van wien gij voor mij gelezen hebt--de Heere." + +"Ik heb wel een schilderij van Hem gezien boven het altaar, toen ik +nog een meisje was," zeide Cassy, terwijl hare donkere oogen eene +treurig peinzende uitdrukking aannamen; "maar Hij is hier niet. Hier +is niets dan zonde en eindeloos lange wanhoop! O!" + +Zij legde hare hand op hare borst en haalde diep adem, alsof een +zwaar gewicht daarop drukte. + +Tom zag haar aan, alsof hij nog eens wilde spreken, maar zij sloot +hem den mond met een gebiedenden wenk. + +"Spreek maar niet meer, arme man. Ga slapen als gij kunt." + +En nadat zij het water binnen zijn bereik had geplaatst en nog eenige +beschikkingen voor zijn gemak gemaakt had, ging Cassy heen. + + + + + +VIJF EN DERTIGSTE HOOFDSTUK + +DE GEDACHTENISSEN + + "Gering kunnen somtijds de dingen zijn die het + hart het gewicht weder opladen, dat het voor + altijd zou willen afwerpen, het kan een geluid + zijn of eene bloem, de wind of de oceaan, die + de wonde vernieuwt--de electrieke keten + aanrakende, waarmede wij geheimzinnig + gebonden zijn." + + Childe Harolds Pilgrimage. Canto 4 + + +De huiskamer in de woning van Legree was een groot, hol vertrek, +met een wijden en hoogen schoorsteen. Eens was het met fraai +en kostbaar papier behangen, dat nu verschoten, verscheurd en +half vergaan aan den muur hing. De plaats had dien eigenaardigen, +walgelijken en ongezonden reuk, door eene vereeniging van vochtigheid +en vervuiling voortgebracht, dien men dikwijls in verwaarloosde oude +huizen opmerkt. Het behangselpapier was hier en daar met bier- en +wijnvlekken bespat en op andere plaatsen bedekt met lange opgetelde +sommen, met krijt geschreven, alsof iemand zich zoo in het rekenen had +willen oefenen. Onder den schoorsteen stond een komfoor vol brandende +houtskolen; want hoewel het weder niet koud was, waren de avonden in +die kille kamer altijd vochtig en huiverig, en bovendien had Legree +iets noodig om zijne sigaar aan te steken en water voor punch te +verhitten. De roode gloed van het kolenvuur maakte de afzichtelijke +verwarring zichtbaar, die hier heerschte; zadels, toomen en allerlei +wapentuig, karwatsen, overjassen en andere stukken kleeding lagen +ordeloos hier en daar verspreid, en de honden waarvan wij vroeger +gesproken hebben, hadden zich naar hun eigen zin en wil daartusschen +gelegerd. + +Legree maakte juist een glas punch voor zich gereed, en terwijl hij +uit een gebarsten kan water opschonk, bromde hij bij zich zelven: + +"Die duivelsche Sambo om zulk een haspelarij te maken tusschen mij +en het nieuwe volk! Die kerel zal nu in geene week in staat zijn om +te werken--en dat juist in het drukste van den tijd." + +"Ja, dat is juist uwe manier," zeide eene stem achter zijnen stoel. + +Het was Cassy, die onder zijne alleenspraak stil was aangekomen. + +"Zoo, gij duivelin, zijt gij daar terug?" + +"Ja, daar ben ik," zeide zij koel; "en ik kom ook om mijn eigen zin +te hebben!" + +"Dat liegt gij, slet! Ik zal mijn woord houden. Doe wat ik wil, +of blijf in het kwartier en eet en werk met de anderen." + +"Ik wil tienduizendmaal liever in het modderigste hol in het kwartier +wezen," antwoordde de vrouw, "dan onder uwen paardepoot." + +"Maar gij zijt toch onder mijnen paardepoot," zeide hij, zich met een +woesten, grijnzenden lach naar haar omkeerende; "dat is een troost. Kom +dus maar hier op mijne knie zitten, liefje, en luister naar rede," +zeide hij, en vatte haar bij den arm. + +"Pas op, Simon Legree!" zeide de vrouw met eene flikkering in +haar oogen, zoo vol dreigende razernij, dat zij hem schrik moest +aanjagen. "Gij zijt bang voor mij, Simon," vervolgde zij bedaard, +"en gij hebt reden om dat te zijn. Maar pas op, want ik heb den duivel +in mij." + +Deze laatste woorden fluisterde zij sissend, vlak aan zijn oor. + +"Blijf van mij af! Ik geloof het waarachtig ook!" zeide Legree, haar +wegduwende en ongerust aanziende. "Maar toch, Cassy," vervolgde hij, +"waarom kunt gij geene goede vrienden met mij wezen zooals ge placht +te zijn?" + +"Placht te zijn?" herhaalde zij bitter en bleef steken. De verstikkende +aandoeningen, die in haar hart oprezen, deden haar zwijgen. + +Cassy had altijd op Legree dien invloed bezeten, dien eene vrouw van +een hartstochtelijk en krachtig karakter steeds over den ruwsten man +kan uitoefenen; maar sedert eenigen tijd was zij onder het afschuwelijk +juk harer dienstbaarheid steeds wreveliger en onrustiger geworden, +en somtijds barstte hare opgepropte gramschap in eene vlaag van +razende krankzinnigheid uit, en deze kwaal maakte haar in zekere +mate geducht voor Legree, die voor krankzinnigen dat bijgeloovige +afgrijzen koesterde, dat ruwen onkundigen menschen eigen is. Toen +Legree Emmeline in huis bracht, waren al de vonken van Cassy's +verstorven hart weder in vlam geschoten, en had zij voor het meisje +partij getrokken. Daarop was een heftige twist tusschen haar en Legree +gevolgd. Legree had in woede gezworen dat zij aan het veldwerk zou +gezet worden, als zij zich niet stilhield. Cassy had daarop met +trotsche minachting verklaard dat zij naar het veld wilde gaan; +en nu had zij, gelijk wij beschreven hebben, een dag daar gewerkt, +om te toonen hoe volkomen zij die bedreiging verachtte. + +Legree was dien geheelen dag heimelijk ongerust geweest, want Cassy +bezat een invloed op hem, waarvan hij zich niet kon bevrijden. Toen zij +met hare mand naar de schaal kwam, had hij op eene inwilliging gehoopt, +en haar op een halfverzoenenden, halfhoonenden toon aangesproken; +en zij had met de bitterste verachting geantwoord. + +De gruwelijke behandeling van den armen Tom had haar nog meer +opgewonden, en zij was Legree naar het huis gevolgd, zonder eenig +ander bepaald voornemen dan om hem zijne barbaarschheid te verwijten. + +"Ik wensch alleen maar, Cassy," zeide Legree, "dat gij u ordelijk +gedraagt." + +"Gij moogt wel spreken van ordelijk gedragen. Wat hebt gij gedaan? Gij, +die geen verstand genoeg hebt om u te weerhouden van een der beste +arbeiders te bederven, midden in den druksten tijd, alleen om uw +duivelachtige humeur." + +"Ik ben zot geweest, dat is zoo, om tot zulk eene haspelarij aanleiding +te geven," zeide Legree, "maar toen die kerel zijn wil tegen den +mijnen zette, moest ik hem toch klein krijgen." + +"Ik denk niet dat gij hem zult klein krijgen." + +"Niet?" zeide Legree driftig opstaande. "Dat zou ik wel eens willen +zien. Hij zou de eerste neger wezen die het ooit tegen mij uithield. Al +zou ik al de beenderen in zijn lijf aan stuk moeten slaan, hij zal +het opgeven!" + +Juist op dat oogenblik werd de deur geopend en kwam Sambo binnen. Hij +naderde al buigende en met een papier in de hand. + +"Wat is dat, gij rekel?" zeide Legree. + +"Het is een tooverding, meester." + +"Wat?" + +"Zoo iets dat de negers van de tooverheksen krijgen. Dat maakt dat +zij niet voelen als zij gegeeseld worden. Hij had het om zijnen hals +gebonden met een zwart bandje." + +Legree was, gelijk de meeste goddelooze en wreede menschen, +bijgeloovig. Hij nam het papier aan en opende het met ongerustheid. + +Er viel een zilveren dollar uit, en eene lange glanzige krul blond +haar kronkelde zich, alsof zij een levend wezen was, om zijne vingers. + +"Verdoemenis!" gilde hij, eensklaps opstuivende, stampte met zijne +voeten op den grond, en trok woedend aan het haar, alsof het hem +brandde. "Waar is dat vandaan gekomen? Neem het mij af! Verbrand +het!" Gillende en schreeuwende rukte hij het zich van de vingers en +wierp het in het komfoor. + +"Waarom hebt gij mij dat gebracht?" + +Sambo stond met een wijd geopenden mond, stom van verbazing; en +Cassy, die het vertrek had willen verlaten, bleef staan en zag hem +met bevreemding aan. + +"Breng mij nooit meer van die duivelsche dingen," zeide Legree, +Sambo, die haastig naar de deur week, met zijne vuist dreigende; en +vervolgens raapte hij den dollar op en wierp hem door eene vensterruit +naar buiten in de duisternis. + +Sambo was blijde dat hij zoo weg kwam. Toen hij de deur uit was scheen +Legree zich eenigszins over zijne ontsteltenis te schamen. Hij zette +zich stuursch weder neer en begon met een barsch gezicht zijne punch +te slurpen. + +Cassy maakte zich gereed om onopgemerkt heen te gaan, en sloop weldra +de deur uit, om den armen Tom te gaan bezoeken, gelijk wij reeds +verhaald hebben. + +En wat scheelde Legree? Wat was er in die eenvoudige haarlok, om dien +barbaar, gemeenzaam met alles wat wreedheid kon heeten, zoodanig te +doen ontstellen? Om deze vraag te beantwoorden, moeten wij den lezer +iets van zijne vroegere geschiedenis verhalen. Hoe hard en verstokt +de goddelooze man thans wezen mocht--er was toch een tijd geweest, +toen hij aan de borst eener moeder werd gesust--met gebeden en vrome +gezangen in zijne wieg werd gelegd--toen zijn thans met het teeken der +zonde gebrandmerkt voorhoofd met het water van den heiligen doop werd +besproeid. In zijne vroegste kindsheid had eene vrouw met blonde haren +hem bij het gelui der sabbatklokken medegenomen, om God te loven en +te bidden. Ver in Nieuw-Engeland heeft die moeder haar eenigen zoon +opgevoed, met onvermoeide liefde en aanhoudende gebeden. Het kind van +een hardvochtigen vader, aan wien die zachtzinnige vrouw een schat +van onopgemerkte liefde had verkwist, had Legree de voetstappen van +dien vader gevolgd. Woest, onhandelbaar en eigenzinnig, had hij al +haar raad veracht en zich aan hare berispingen onttrokken; reeds vroeg +had hij zich van haar losgerukt, om op zee fortuin te gaan zoeken. Na +dien tijd was hij slechts een enkele maal tehuis gekomen, en toen had +zijne moeder met het smachtende verlangen van een hart, dat iets moest +liefhebben en niets anders had om lief te hebben, zich aan hem gehecht, +en met vurige gebeden en smeekingen gepoogd hem van een leven van +zonde af te trekken en om het eeuwige heil zijner ziel te doen denken. + +Dat was voor Legree de dag der genade geweest. Toen hadden goede +engelen hem geroepen. Toen had hij zich bijna laten overreden. Zijn +hart werd innerlijk vermurwd--er ontstond een strijd in zijn +binnenste--maar de zonde behaalde de overwinning, en met al de kracht +van zijn ruw karakter smoorde hij de overtuiging van zijn geweten. Hij +dronk en vloekte weder, werd woester en losbandiger dan ooit, en op +een avond toen zijne moeder in den doodelijken angst harer wanhoop +voor zijne voeten knielde, stiet hij haar van zich af, liet haar +bewusteloos op den grond liggen, en vlood met woeste vloeken naar +zijn schip. Toen Legree weder iets van zijne moeder vernam, was het +op een avond terwijl hij met zijne woeste makkers zat te drinken. Een +brief werd hem overgegeven. Hij opende dien en eene lok lang krullend +haar viel er uit en kronkelde zich om zijne vingers. De brief zeide +hem dat zijne moeder dood was, en dat zij hem stervende had vergeven +en gezegend. + +In het kwaad schuilt het geduchte vermogen eener gruwelijke +tooverkunst, die de liefelijkste en heiligste dingen in +schrikaanjagende spooksels doet veranderen. Die bleeke, liefderijke +moeder--hare stervende gebeden en vergevende liefde--waren voor dat +zondige hart slechts een vonnis van verdoemenis, dat eene vreeselijke +verwachting van het oordeel medebracht. Legree verbrandde zoowel +den brief als het haar, en toen hij beide in de vlam zag sissen en +knetteren, deed de gedachte aan het eeuwige vuur hem sidderen. Hij +beproefde die herinnering met drinken en woeste buitensporigheden +te verdrijven; maar dikwijls in den nacht, welks plechtige stilte de +schuldige ziel tot een gedwongen omgang met zichzelven veroordeelt, +had hij die bleeke moeder voor zijn bed zien oprijzen, en het zachte +klemmen van dat haar om zijne vingers gevoeld, tot het koude zweet +hem van het gezicht droop en hij van angst uit zijn bed sprong. Gij, +die u verwonderd hebt in hetzelfde Evangelie te hooren, dat God liefde +is en dat God een verterend vuur is; ziet gij niet hoe, voor de aan +het kwaad overgegeven ziel, de volmaakste liefde de verschrikkelijkste +pijniging is, het vonnis en zegel der akeligste wanhoop? + +"Voor den duivel!" zeide Legree bij zich zelven, terwijl hij zijn +punch slurpte. "Waar heeft hij dat gekregen? Als het niet volmaakt +geleek naar--ba! Ik dacht het vergeten te hebben. Het is verdoemd, +alsof men nooit iets vergeten kan. Ik ben hier te eenzaam. Ik zal Em +roepen. Zij haat mij--die meerkat. Maar dat kan mij niet schelen--ik +zal haar toch laten komen." + +Legree ging naar een ruim voorhuis, waarin de trap uitkwam, die eens +een prachtige wenteltrap was geweest; maar thans was alles vervallen +van vuil en overal stonden oude kisten en andere afzichtelijke dingen +in den weg. De trap scheen in de duisternis op te stijgen--men kon niet +weten waarheen. Het bleeke maanlicht scheen door de gebroken ruiten +boven de deur; de lucht was hier kil en ongezond, als in een gewelf. + +Legree bleef onder aan de trap staan en hoorde eene stem zingen. Dat +gezang kwam hem in het akelige huis vreemd en spookachtig voor, +misschien omdat zijn zenuwgestel reeds geschokt was. Luister, wat +is het? + +Een roerende stem zingt een lied, gewoon onder de slaven: + + + "Jammer, jammer zal er wezen + Voor den rechterstoel van Christus, + Jammer, jammer voor d'eeuwigheid." + + +"Die verwenschte meid!" zeide Legree; "ik zou haar wel willen +worgen. Em! Em!" riep hij met zijne grove stem; maar alleen de +spotachtige weergalm der muren gaf hem antwoord. + +De aandoenlijke stem zong voort: + + + "Ouders en kinderen zullen daar scheiden! + Ouders en kinderen zullen daar scheiden. + Scheiden, scheiden voor d'eeuwigheid." + + +En luid en helder klonk door het ledige huis het refrein: + + + "Jammer, jammer zal er wezen + Voor den rechterstoel van Christus, + Jammer, jammer voor d'eeuwigheid." + + +Legree bleef staan. Hij zou zich geschaamd hebben om het iemand te +zeggen; maar groote droppels zweet parelden op zijn voorhoofd en +zijn hart klopte hoorbaar van angst. Hij dacht zelfs dat hij in eene +kamer voor zich iets schemerend wits zag oprijzen, en sidderde bij +de gedachte wat het zijn zou, als de gedaante zijner doode moeder +eensklaps voor hem verscheen. + +"Dat weet ik wel," zeide hij bij zich zelven, terwijl hij strompelend +weder naar de huiskamer ging, "ik zal dien kerel voortaan met +vrede laten. Wat had ik met zijn vervloekt papier noodig? Ik geloof +waarachtig dat ik betooverd ben. Ik huiver en zweet tegelijk sedert +dien tijd. Waar heeft hij dat haar vandaan gekregen? Het kan _dat_ +toch niet geweest zijn. _Dat_ heb ik verbrand, dat weet ik. 't Zou +wel grappig zijn, als haar uit den dood kon opstaan." + +Ja, Legree, die goudblonde lok was betooverd; ieder haartje daarin +had de kracht om u schrik en wroeging aan te jagen en werd door een +hoogere macht gebruikt om u de wreede handen te binden en te beletten +den hulpelooze het uiterste van uwe boosheid te doen gevoelen. + +"Hoort dan!" zeide Legree, met zijne voeten stampende en zijne +honden fluitende; "wordt wakker en houdt mij gezelschap!" Maar de +honden openden slechts even hunne slaperige oogen en lieten ze weder +dichtvallen. + +"Ik zal Sambo en Quimbo hier laten komen om te zingen en hunne +helsche dansen te dansen, en die akelige gedachten weg te jagen," +zeide Legree, zette zijn hoed op, ging naar de veranda en blies op +een hoorn, waarmede hij gewoon was zijne zwarte opzichters te roepen. + +Als hij in een goed humeur was, liet Legree deze twee heeren dikwijls +in de huiskamer komen, en vermaakte zich, nadat hij hen met sterken +drank had opgewonden, met hen te laten zingen, dansen of vechten, +naarmate hij lust had. + +Het was tusschen één en twee uren in den nacht, toen Cassy van haar +liefderijk bezoek bij Tom terugkwam, en uit de huiskamer klonk haar +een woest gezang, gegil en gejoel tegemoet, vermengd met het blaffen +van honden en andere teekenen eener groote opschudding. + +Zij ging naar het venster onder de veranda, en keek naar binnen. Legree +en de twee drijvers, alle drie smoordronken, waren aan het zingen, +schreeuwen en dansen, smeten de stoelen omver en maakten allerlei +belachelijke en afschuwelijke grimassen tegen elkander. + +Zij liet hare hand op de vensterbank rusten en beschouwde dit +tooneel met strakke blikken. Er sprak eene geheele wereld van +bittere zielesmart en verachting uit hare zwarte oogen, terwijl zij +zoo staarde. + +"Zou het zonde zijn, de wereld van zulk een ellendeling te +bevrijden?" zeide zij bij zich zelve. + +Zij keerde zich haastig om, ging eene achterdeur in, sloop naar boven +en klopte aan Emmeline's kamer. + + + + + +ZES EN DERTIGSTE HOOFDSTUK + +EMMELINE EN CASSY + + +Cassy trad de kamer binnen en vond Emmeline, bleek van angst, in den +versten hoek zitten. Toen zij binnenkwam sprong het meisje met schrik +op; maar zoodra zij zag wie het was, snelde zij toe, en haar bij den +arm vattende, zeide zij: + +"O, Cassy, zijt gij het? Ik ben zoo blij dat gij komt. Ik was bang +dat .... O, gij weet niet welk een schrikkelijk leven er den geheelen +avond beneden is geweest." + +"Dat zal ik toch wel kunnen weten," zeide Cassy droogjes. "Ik heb +het dikwijls genoeg gehoord." + +"O, Cassy, zeg mij toch! Zouden wij hier niet vandaan kunnen komen? Het +kan mij niet schelen waarheen--in het moeras bij de slangen, ergens +maar. _Kunnen_ wij niet _ergens_ hier vandaan komen?" + +"Nergens dan in het graf," antwoordde Cassy. + +"Hebt gij het ooit beproefd?" + +"Ik heb het genoeg zien beproeven, en genoeg gezien wat daarvan komt," +zeide Cassy. + +"Ik zou wel in het moeras willen leven en bast van de boomen knagen. Ik +ben niet bang voor slangen. Ik zou liever eene slang bij mij willen +hebben dan hem," zeide Emmeline met drift. + +"Er zijn al velen hier van uw gevoelen geweest," antwoordde +Cassy. "Maar gij zoudt niet in het moeras kunnen blijven. Gij +zoudt door de honden opgespoord en teruggebracht kunnen worden--en +dan--dan...." + +"Wat zou hij dan doen?" zeide het meisje, haar strak aanziende. + +"Gij moest liever vragen wat hij dan _niet_ zoude doen," antwoordde +Cassy. "Hij is lang genoeg bij de zeeroovers in de West-Indiën in de +leer geweest. Gij zoudt niet veel meer slapen, als ik u de dingen +vertelde, die ik gezien heb--dingen, die hij somtijds als grappen +vertelt. Ik heb gillen gehoord, die ik weken lang niet uit mijne +ooren kon krijgen. Er is eene plek, daar bij het kwartier, waar gij +een zwart geblakerden boom kunt zien, en de grond nog geheel met +asch bedekt; vraag maar wat daar gedaan is en zie of iemand het u +zal willen zeggen." + +"O, wat meent ge toch?" + +"Ik wil het u niet zeggen. Ik heb een hekel om er aan te denken. En +ik zeg u, de Heere alleen weet wat wij morgen zullen zien, als die +arme man volhoudt zooals hij begonnen is." + +"IJselijk!" zeide Emmeline, terwijl alle spoor van kleur hare wangen +ontvlood. "O, Cassy, zeg mij toch wat ik doen zal." + +"Wat ik gedaan heb. Doe het beste wat gij kunt, doe wat gij moet en +haal dan uw hart op met haten en vloeken." + +"Hij wilde mij brandewijn doen drinken," zeide Emmeline, "en ik heb +daar zulk een afkeer van..." + +"Drink maar liever," zeide Cassy. "Ik had er ook een afkeer van; en +nu kan ik er niet buiten. Iemand moet iets hebben; men vindt alles +zoo akelig niet meer, als men dat neemt." + +"Moeder zeide mij altijd dat ik nooit zoo iets mocht proeven," +zeide Emmeline. + +"Moeder zeide u!" herhaalde Cassy, met bitteren nadruk op het woord +moeder. "Waartoe dient het, dat moeders iets zeggen? Gij moet toch +allen gekocht en betaald worden, en uwe ziel behoort aan wie u +krijgt. Zoo gaat het. Ik zeg: drink brandewijn, en drink zooveel gij +kunt; dat maakt de dingen lichter." + +"O, Cassy, heb toch medelijden met mij!" + +"Medelijden met u? Heb ik dat niet? Heb ik geene dochter? De hemel +weet waar zij nu is, en van wien zij is. Zij zal den weg opgaan, +denk ik, dien hare moeder voor haar gegaan is, en dien hare kinderen +na haar op moeten. Er is geen einde aan den vloek, in eeuwigheid niet!" + +"Ik wenschte dat ik nooit geboren was," zeide Emmeline, hare handen +wringende. + +"Dat is al een oude wensch bij mij," zeide Cassy. "Ik ben er aan gewoon +om dat te wenschen. Ik zou sterven, als ik maar durfde," voegde zij +er bij, in de duisternis uitziende met die stille, strakke wanhoop, +welke de gewone uitdrukking van haar gelaat was, wanneer hare trekken +door geene hartstochten in beweging werden gebracht. + +"Het zou goddeloos zijn zich zelve om het leven te brengen," zeide +Emmeline. + +"Ik weet niet waarom. Niet goddeloozer dan de dingen, die wij dag +aan dag doen, terwijl wij leven. Maar de zusters hebben mij dingen +verteld, terwijl ik in het klooster was, die mij bang maken om te +sterven. Als het dan maar ten einde met ons was, dan...." + +Emmeline keerde zich om en verborg haar gezicht in hare handen. + +Terwijl dit gesprek boven plaats had, was Legree beneden door den +drank geheel bedwelmd, in slaap gevallen. Legree was niet gewoon zich +dronken te drinken. Zijn grof en sterk gestel kon wel eene gedurige +prikkeling verdragen, waaronder een zwakker spoedig zou zijn bezweken, +en zijn trek daartoe was groot genoeg; maar voorzichtigheid weerhield +hem meestal van zich in zulke mate aan dien trek over te geven, +dat hij zijne bezinning geheel verloor. + +Dezen avond echter had hij, zich koortsachtig inspannende om de +beginselen van angst en wroeging, die bij hem waren ontwaakt, te +verdooven, meer dan gewoonlijk gedronken; zoodat hij, toen hij zijne +zwarte makkers had laten gaan, log op eene rustbank neerviel en weldra +in slaap viel. + +O, hoe durft de schuldige ziel de schimmenwereld van den slaap +binnentreden?--dat land, welks schemerende grenzen zoo vreeselijk +dicht bij het geheimzinnige tooneel der vergelding liggen! Legree +droomde. In zijnen zwaren, koortsigen slaap stond er eene gesluierde +gedaante naast hem, en lag een koude en zachte hand op hem. Hij dacht +dat hij wel wist wie dat was; en eene huivering van ontzetting kroop +door zijn gebeente, hoewel het gelaat gesluierd bleef. Toen dacht hij +dat hij _dat haar_ om zijne vingers voelde kronkelen; en toen, dat +dat om zijnen hals werd geslingerd, en al dichter en dichter klemde, +tot hij geen adem meer kon halen--en toen dacht hij dat stemmen hem +toefluisterden--een gefluister dat hem van angst deed verstijven. Toen +verbeeldde hij zich, dat hij op den kant van een donkeren afgrond +stond, zich vasthoudende en in doodsangst worstelende, terwijl donkere +handen zich uitstrekten en hem over den rand trokken en Cassy kwam +lachende achter hem en duwde hem voort. En toen rees die plechtige +gesluierde gedaante weder op en schoof den sluier weg. Het was zijne +moeder, en zij keerde zich van hem af, en hij viel al dieper en dieper, +onder een verward gerucht van gillen en weeklachten en uitbarstingen +van een duivelachtig gelach--en Legree ontwaakte. + +De roode schemering van den dageraad vervulde het vertrek. De +morgenster zag uit de heldere lucht, met haar plechtig, heilig oog +van licht, op den man der zonde neder. O, welk een frischheid, welk +eene statigheid en schoonheid heeft elke nieuwgeboren dag, alsof hij +de gevoellooze en verstandlooze menschen toeriep: "Ziet, gij hebt +nog weder een kans! Streeft naar de eeuwige heerlijkheid!" Er is geen +spraak of taal, waarin die stem niet gehoord wordt; maar de verharde +booswicht hoorde haar niet. Hij ontwaakte met een vloek en eene +verwensching. Wat was voor hem het goud en purper, het dagelijksche +wonderwerk van den morgen! Wat was voor hem de plechtige schoonheid +van die ster, welke de Zoon Gods als zijn eigen zinnebeeld heeft +geheiligd! Gelijk een redeloos dier zag hij haar, zonder haar op te +merken; en strompelend opstaande, schonk hij zich een glas brandewijn +in en dronk het half ledig. + +"Ik heb een helschen nacht gehad," zeide hij tegen Cassy, die juist +de deur inkwam. + +"Gij zult er nog wel in overvloed krijgen van dezelfde soort," +antwoordde zij droogjes. + +"Wat meent ge daarmee, karonje?" + +"Dat zult ge wel eens ondervinden," antwoordde Cassy even droog. "En +nu, Simon heb ik u een raad te geven." + +"Wat duivel zal die zijn?" + +"Mijn raad is," zeide Cassy, terwijl zij bedaard begon het een en +ander in de kamer in orde te zetten, "dat gij Tom met vrede laat." + +"Wat gaat u dat aan?" + +"Wat het mij aangaat? Ja, dat weet ik zeker niet. Als gij twaalfhonderd +dollars voor een man wilt geven en hem onbruikbaar maken in het +drukste van den tijd, alleen om uwe kwaadaardigheid te voldoen, is +het zeker iets dat mij niet raakt. Ik heb voor hem gedaan wat ik kon." + +"Zoo hebt gij dat? Wat hebt gij u met mijne zaken te bemoeien?" + +"O geheel niet, dat is zeker. Ik heb u nu en dan eenige duizenden +dollars bespaard, door op uwe arbeiders te passen--en dat is al de +dank dien ik krijg. Als uw oogst lichter aan de markt komt dan een van +anderen, zult gij uwe weddenschap niet verliezen, denk ik? Tompkins +zal u niet uitlachen, denk ik, en gij zult maar zoetsappig uw geld +betalen, niet waar? Mij dunkt ik zie het u al doen." + +Legree had, gelijk vele andere planters, slechts eene eerzucht, om +namelijk den zwaarsten oogst van het seizoen te hebben; en hij had +juist op dit seizoen verscheidene weddenschappen gedaan, die in de +naaste stad beslist moesten worden. Cassy had dus, met vrouwelijken +tact, de eenige snaar geraakt die nog trillen kon. + +"Welnu, ik zal het laten bij wat hij gekregen heeft," zeide Legree; +"maar hij moet mij vergiffenis vragen en betere manieren beloven." + +"Dat zal hij niet willen doen," zeide Cassy. + +"Niet willen?" + +"Neen." + +"Ik zou wel eens willen weten waarom, Juffertje," zeide Legree met +diepe minachting. + +"Omdat hij wèl gedaan heeft en dat weet, en dus niet zal zeggen dat +hij kwaad gedaan heeft." + +"Wie duivel geeft er iets om wat hij weet? De neger zal zeggen wat +ik verkies, of...." + +"Of gij zult uwe weddenschap op den katoenoogst verliezen door hem +juist in het dringendste van zijn werk uit het veld te houden." + +"Maar hij zal het opgeven; hij moet wel. Weet ik niet wat negers +zijn? Hij zal van morgen kruipen als een hond." + +"Dat zal hij niet, Simon. Gij kent deze soort nog niet. Gij kunt +hem doodmartelen; maar gij zult niet het eerste woord van eene +schuldbekentenis uit hem krijgen." + +"Dat zullen wij zien. Waar is hij?" zeide Legree naar buiten gaande. + +"In het berghol van het machinehuis," hernam Cassy. + +Hoewel Legree zoo stout sprak, voelde hij toch, terwijl hij naar +de aangeduide plaats ging, zekeren schroom, die iets ongewoons bij +hem was. Zijne akelige droomen van den vorigen nacht, met Cassy's +voorzichtigen raad vereenigd, hadden een niet onbeduidenden indruk +op hem gemaakt. Hij wilde dat niemand getuige zou zijn van zijne +eerste ontmoeting met Tom, en nam zich voor, indien hij dezen niet +door dreigementen tot onderwerping kon brengen, zijne wraak tot een +meer gelegen tijd uit te stellen. + +Het plechtige licht van den dageraad en de engelenglans der morgenster +hadden ook door het venster geschenen van de ruwe schuur, waar Tom nog +lag, en als op de stralen der ster nederdalende, waren hem de woorden +toegezonden: "Ik ben de wortel van het geslacht Davids, de blinkende +morgenster." De geheimzinnige waarschuwingen en welmeenende bedreiging +van Cassy, wel verre van zijne ziel te ontmoedigen, hadden haar als +met eene hemelsche roepstem opgewekt. Hij wist niet beter of het was +de dag van zijnen dood, die daar aan den hemel begon te gloren, en +zijn hart klopte van ernstige vreugde en verlangen, toen hij dacht dat +al het wonderbare, waarover hij zoo dikwijls had gepeinsd--de groote +witte troon met zijnen altijd schitterenden regenboog, de menigte met +witte kleederen, en stemmen als vele wateren, de kronen, de palmen, +de harpen--alles misschien voor zijne oogen geopenbaard zou worden, +eer die zon weder onderging; en daarom hoorde hij zonder vreezen of +beven de stem van zijnen vervolger, toen deze naderde. + +"Wel, mijn jongen," zeide Legree met een verachtelijken schop, +"hoe gaat het nu? Heb ik niet gezegd dat ik je een paar dingen zou +leeren? Hoe bevalt je dat? Hoe is dat pak je bekomen, Tom? Niet geheel +zoo spraakzaam meer als gisteravond? Ge zoudt nu een armen zondaar +niet meer op een stukje preek kunnen onthalen, zoudt ge wel?" + +Tom antwoordde niets. + +"Sta op, gij beest!" zeide Legree, hem weder een schop gevende. + +Dit was moeielijk voor iemand, die zoo gekneusd en flauw was, +en terwijl Tom pogingen deed om te gehoorzamen, hief Legree een +barbaarsch geschater aan. + +"Wat maakt je zoo vlug van morgen, Tom? Misschien kou gevat verleden +avond?" + +Tom was nu overeind gekomen en stond rechtop en zonder het hoofd te +buigen voor zijnen meester. + +"Verduiveld, gij kunt het toch!" zeide Legree. "Ik geloof dat gij +nog niet genoeg gehad hebt. Komaan nu, Tom, op uwe knieën en vraag +mij vergiffenis voor uw brutaliteit van gisteravond." + +Tom bewoog zich niet. + +"Kniel, hond!" zeide Legree, hem een slag met zijne karwats gevende. + +"Meester Legree," zeide Tom, "dat kan ik niet doen. Ik heb maar gedaan +wat ik voor recht hield. Ik zal juist hetzelfde doen, als dat ooit +weer wezen moet. Ik wil geen wreedheid doen, wat er ook gebeuren mag." + +"Ja, maar gij weet niet wat er gebeuren kan, meester Tom. Gij denkt dat +gij al iets gehad hebt. Ik zeg u, het is nog niets--nog niemendal. Hoe +zou het u bevallen aan een boom te worden gebonden, met een langzaam +vuurtje om u heen? Zou dat niet pleizierig wezen, zeg Tom?" + +"Meester," antwoordde Tom, "Ik weet dat gij schrikkelijke dingen doen +kunt; maar," en hierbij richtte hij zich nog meer op en vouwde zijne +handen, "maar nadat gij het lichaam gedood hebt, kunt gij niets meer +doen; o, er komt eene geheele _eeuwigheid_ naderhand!" + +_Eeuwigheid_--dat woord deed de ziel van den zwarten man beven van +blijdschap, terwijl hij het uitsprak--het deed ook de ziel des zondaars +beven, alsof hem een schorpioen had gestoken. Legree knarste op zijne +tanden, maar zijne woede hield hem stom; en Tom sprak als een vrij man, +met een heldere en vroolijke stem: + +"Meester Legree, daar gij mij gekocht heb, zal ik een trouw en +gehoorzaam dienaar voor u zijn. Ik zal u al het werk mijner handen, +al mijn tijd en al mijne kracht geven; maar mijne ziel wil ik aan geen +sterfelijk mensch overgeven. Ik wil mij aan de Heere vasthouden en +zijne geboden boven alles stellen, hetzij ik leve of sterve, daarvan +kunt gij zeker zijn. Meester Legree, ik ben geen zier bevreesd om te +sterven. Ik zou zelfs liever sterven. Gij moogt mij geeselen, mij +uithongeren, mij verbranden--dat zal mij maar te spoediger brengen +waar ik verlang te zijn." + +"Ik zal u toch wel doen buigen, eer ik met u gedaan heb," zeide +Legree woedend. + +"Dat zult gij nooit doen. Ik zal hulp krijgen," antwoordde Tom. + +"Wie duivel zal u dan helpen?" zeide Legree met smalende minachting. + +"De Heere, de Almachtige!" antwoordde Tom. + +"Daar dan, verdoemde kerel!" schreeuwde Legree, met een vuistslag, +die Tom op den grond deed storten. + +Een koude zachte hand werd op dit oogenblik op die + +van Legree gelegd. Hij zag om--het was Cassy; maar die koude, +zachte aanraking herinnerde hem zijn droom van den vorigen nacht, +en deed tevens de tafereelen van vroegere, akelige nachtwaken voor +hem oprijzen, met een gedeelte van den angst dien hij toen had gevoeld. + +"Wilt gij dan een zot wezen?" zeide Cassy in het Fransch. "Laat hem met +rust. Laat mij begaan om hem weer tot werken in staat te krijgen. Is +het niet juist zooals ik u gezegd heb?" + +Men zegt dat de aligator en de rhinoceros, hoewel in een kogelvormig +harnas gekleed, zelfs ieder een plek hebben, waar zij kwetsbaar zijn; +en woeste, roekelooze ongeloovigen en booswichten hebben doorgaans +dit kwetsbare punt in eene bijgeloovige vrees. + +Legree keerde zich om, en besloot de zaak vooreerst te laten rusten. + +"Welnu, doe uw zin," zeide hij norsch tot Cassy. + +"Hoor eens," vervolgde hij tot Tom, "ik zal het er nu bij laten, +omdat het werk dringt en ik al mijne handen noodig heb; maar ik +vergeet het nooit. Ik zal het u op rekening stellen, en mij op een +of anderen tijd betaling verschaffen uit uwe zwarte huid; onthoud dat." + +Daarmede ging Legree heen. + +"Ga maar," zeide Cassy, hem dreigend aanziende. "Uwe rekening zal +ook wel komen. Hoe gaat het u, arme man?" + +"De Heere heeft zijn engel gezonden en voor ditmaal den muil van den +leeuw gesloten," antwoordde Tom. + +"Voor ditmaal zeker wel," zeide Cassy; "maar nu hebt gij zijn haat +op u, die u dag aan dag volgen zal, u als een hond aan de keel zal +hangen en uw bloed drop voor drop afzuigen. Ik ken den man!" + + + + + +ZEVEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK + +VRIJHEID + + "Onverschillig met welke plechtigheden hij op het + altaar der slavernij mag gewijd zijn, op het + oogenblik dat hij den heiligen Britschen grond + aanraakt, zinken het altaar en de god te zamen + in het stof, en hij staat daar verlost, herboren, + ontslaafd, door den onweerstaanbaren geest der + algemeene emancipatie." + + Curran. + + +Wij moeten Tom voor een tijd in de handen van zijnen barbaarschen +meester laten, terwijl wij de lotgevallen van George en zijne vrouw +nagaan, die wij in eene hoeve aan den weg in handen van vrienden +hebben gelaten. + +Tom Loker lieten wij kermende en woelende in een voorbeeldig zindelijk +kwaker-bed, onder de moederlijke zorgen van Tante Dorcas, die in hem +zulk een handelbaar patiënt vond als een zieke bison zou wezen. + +Verbeeld u eene rijzige, deftige vrouw, met een schrander uitzicht, +wier helderwitte neteldoeksche muts de lokken van zilvergrijs haar +beschaduwt, die glad langs een breed, effen voorhoofd zijn gestreken, +dat zich boven een paar peinzende oogen welft; een sneeuwwitte halsdoek +is met keurige netheid over hare borst geplooid; hare glanzige bruine +zijden japon ritselt vreedzaam, terwijl zij in de kamer op en neer +trippelt. + +"De duivel!" zegt Tom Loker, en werpt met een grooten smak het dek +van zich af. + +"Ik moet u verzoeken, Thomas, om niet zulke taal te gebruiken," zegt +Tante Dorcas, terwijl zij bedaard het dek weder terecht gaat leggen. + +"Welnu, ik zal niet, grootje, als ik het laten kan," zegt Tom, "maar +het is wel genoeg om iemand te doen vloeken, zoo verwenscht heet!" + +Dorcas nam eene deken van het bed, legde het overige dek weder glad +en stopte het in, tot Tom eenigszins naar een bakerkindje geleek. Dit +gedaan hebbende, zeide zij: + +"Ik wenschte, vriend, dat gij dat vloeken en zweren woudt nalaten en +over uw levensgedrag eens denken." + +"Voor wat duivel, zou ik daaraan denken," antwoordde Tom; "dat is wel +het laatste, waar ik ooit lust heb om aan te denken--ik geef er den +brui van!" En daarmede wentelde Tom zich om en bracht het dek weder +in eene wanorde, die schrikkelijk was om aan te zien. + +"Die kerel en die meid zullen wel hier wezen, denk ik?" zeide hij, +na eene poos van stilte, op norschen toon. + +"Dat zijn zij," zeide Dorcas. + +"Zij mogen wel maken dat zij op het meer komen," zeide Tom. "Hoe +gauwer hoe beter." + +"Waarschijnlijk zullen zij dat doen," antwoordde Tante Dorcas, +vreedzaam breiende. + +"En hoor eens," zeide Tom, "wij hebben correspondenten te Sandusky, +die voor ons op de booten passen. Het kan mij nu niet schelen of ik +het zeg. Ik hoop dat zij zullen wegkomen, alleen tot spijt van Marks, +dien vervloekten lafbek, die verdoemd mag zijn." + +"Thomas, Thomas!" zeide Dorcas. + +"Ik zeg u, grootje, als ge iemand al te vast dichtkurkt, moet hij +barsten," zeide Tom. "Maar nu over die meid--zeg hun dat zij haar op +eene of andere wijs moeten verkleeden, zoodat zij niet meer te kennen +is. Haar signalement is naar Sandusky gezonden." + +"Wij zullen op die zaak letten," zeide Dorcas met eigenaardige +bedaardheid. + +Daar wij hier van Tom Loker afscheid nemen, mogen wij nog wel vermelden +dat hij, na drie weken in het kwakerhuis te hebben ziek gelegen aan +eene rheumatische koorts, die hij zich met zijne andere onheilen op +den hals had gehaald, als een eenigszins stiller en wijzer mensch van +zijn bed opstond; en in plaats van weder aan het slaven-jagen te gaan, +zich naar de nieuwe volksplantingen begaf, waar hij zijne talenten +op eene betere wijs gebruikte tot het vangen van beren, wolven en +andere boschbewoners, waardoor hij zich zelfs een grooten naam in +het land maakte. Tom sprak altijd met veel achting van de kwakers. + +"Aardige lui," placht hij te zeggen. "Zij wilden mij bekeeren, maar +dat konden zij toch niet recht gedaan krijgen. Maar ik zal u wat +zeggen, vreemdeling, om eene zieke op te lappen zijn ze knap. Zij +maken bouillon en liflafjes van de allerbeste soort." + +Daar Tom gewaarschuwd had dat er te Sandusky op de vluchtelingen zou +gepast worden, achtte men het best hen te verdeelen. Jim en zijne +oude moeder werden afzonderlijk voortgeholpen; en een paar, nachten +later werden George en Eliza met hun kind naar Sandusky gereden en +onder een gastvrij dak geherbergd, waar zij zich gereed zouden maken +om hun laatsten tocht over het meer te doen. + +Hun nacht was nu ver verloopen, en de morgenster der vrijheid rees +voor hen op. Vrijheid! Electriseerend woord! Wat is zij? Is zij iets +meer dan een naam, eene oratorische spreekwijs? Waarom, gij mannen en +vrouwen van Amerika, klopt het hart u hooger bij dat woord, waarvoor +uwe vaderen hun bloed hebben gestort, en uwe moeders, nog heldhaftiger, +gewillig waren, dat hunne besten en edelsten zouden sterven? + +Is er iets in dat woord heerlijk en dierbaar voor een volk, dat ook +niet heerlijk en dierbaar voor een mensch zou zijn? Wat is de vrijheid +van een volk anders, dan de vrijheid der personen die het uitmaken? Wat +is de vrijheid voor den jonkman, die daar met zijne armen over zijne +breede borst gekruist zit, met die tint van Afrikaansch bloed op zijne +wangen, en dat donkere vuur in zijne oogen--wat is de vrijheid voor +George Harris? Voor uwe vaderen was de vrijheid het recht van een +volk om een volk te zijn. Voor hem is zij het recht van een man om +een mensch en geen beest te zijn; het recht om de vrouw van zijn hart +zijne vrouw te noemen en haar tegen losbandig geweld te beschermen; +het recht om zijn kind te beschermen en op te voeden, het recht om +een eigen huis, een eigen godsdienst, eene eigene ziel te hebben, +niet onderworpen aan den wil van een ander. Al deze gedachten woelden +in George's borst, terwijl hij peinzend zijn hoofd op zijne hand liet +rusten, en naar zijne vrouw zag, terwijl zij bezig was hare ranke +gestalte in de mannenkleederen te vermommen, waarin men had gemeend +dat zij het veiligste zou kunnen vluchten. + +"Nu moeten zij er aan," zeide zij, terwijl zij zich voor den spiegel +plaatste en haren overvloed van zwarte, glanzige krullen losschudde. + +"Zeg eens, het is haast jammer, George, niet waar?" vervolgde zij, +schertsend een gedeelte van die lokken ophoudende. "Is het niet jammer +dat alles er af moet?" + +George glimlachte treurig en gaf geen antwoord. + +Eliza keerde zich naar den spiegel en flikkerend knipte de schaar, +terwijl de eene lange lok na de andere van haar hoofd viel. + +"Daar, nu zal het goed zijn," zeide zij, "een haarborstel +opnemende. "Nu nog maar eens wat opstrijken." + +"Daar, ben ik nu geen lieve jongen?" zeide zij zich lachend en blozend +tegelijk naar haren man omkeerende. + +"Gij zult altijd lief zijn, wat gij ook doen moogt," antwoordde George. + +"Wat maakt u zoo ernstig?" zeide zij, voor hem op eene knie zinkende +en hare hand op de zijne leggende. "Wij zijn nog maar vier en twintig +uren van Canada, zegt men. Maar één dag en nacht op het meer, en +dan--o dan!" + +"O, Eliza!" zeide George, haar dichter bij zich trekkende; "dat is +het! Nu moet mijn lot bijna in een oogenblik beslist wezen. Zoo +dichtbij gekomen, bijna in het gezicht, en dan nog alles te +verliezen! Dat zou ik niet overleven, Eliza!" + +"Vrees niet," zeide zijne vrouw met hopend vertrouwen. "De goede God +zou ons niet zoover gebracht hebben, als Hij ons er niet doorheen +wilde brengen. Het is alsof ik Hem bij ons voel, George." + +"Gij zijt eene gezegende vrouw, Eliza," zeide George, met zekere +woestheid zijn arm om haar heenslaande. "Maar o, zeg mij! kan die +groote genade voor ons bestemd zijn? Zullen die jaren van ellende +ten einde komen? Zullen wij vrij worden?" + +"Ik ben er zeker van, George," antwoordde Eliza, met tranen van hoop en +geestvervoering in hare donkere oogen naar boven ziende. "Ik gevoel het +in mij, dat God ons nog dezen dag uit de dienstbaarheid zal brengen." + +"Ik wil u gelooven, Eliza," zeide George driftig opstaande. "Ik +wil u gelooven. Kom, laten wij gaan. Wel waarlijk," vervolgde hij, +haar op armslengte van zich afhoudende en met bewondering aanziende, +"gij zijt een lieve, aardige, kleine jongen. Die korte krullen staan u +zeer goed. Zet uwe muts op. Zoo--wat op zijde. Ik heb er u nog nooit +zóó aardig zien uitzien. Maar het is haast tijd voor de koets. Ik +ben benieuwd of Juffrouw Smith Harry al gekleed heeft." + +De deur werd geopend en eene fatsoenlijke vrouw van middelbare jaren +trad binnen, met kleine Harry in meisjeskleeren aan de hand. + +"Welk een lief meisje is hij!" zeide Eliza, hem om- en +omdraaiende. "Wij willen hem Harriet noemen. Komt die naam niet juist +van pas?" + +Het kind stond zijne moeder in hare vreemde kleeding ernstig aan +te zien, zweeg bot stil, maar slaakte nu en dan een zwaren zucht, +en wierp dan tegelijk een schuinen blik naar haar. + +"Kent Harry mama niet?" zeide Eliza, de handen naar hem uitstrekkende. + +Het kind hield zich schichtig aan zijne geleidster vast. + +"Kom nu, Eliza, wat wilt gij hem lokken, terwijl gij weet dat hij +van u vandaan gehouden moet worden?" + +"Ik weet dat het dwaas van mij is," antwoordde Eliza, "en toch kan +ik het niet uitstaan, dat hij zich van mij afkeert. Maar kom--waar +is mijn mantel? Hoe doet een man zijn mantel om, George?" + +"Gij moet hem zóó dragen," antwoordde George, den mantel over zijne +eigene schouders werpende. + +"Zoo dan," zeide Eliza, zijne bewegingen nabootsende, "en ik moet +stampen, en groote stappen nemen, en mijn best doen om brutaal +te kijken." + +"Geef u maar geen moeite," zeide George. "Er is nu en dan wel eens +een bedeesd jonkman, en ik geloof dat het gemakkelijker voor u zal +zijn die rol te spelen." + +"En die handschoenen! Kijk eens," zeide Eliza, "ik verlies mijne +handen er in." + +"Ik raad u toch om ze zorgvuldig aan te houden," zeide George; "uw +fijn smal pootje zou ons allen in gevaar kunnen brengen. Nu, Juffrouw +Smith, reist gij in ons geleide en zijt onze tante--onthoud dat wel." + +"Ik heb gehoord," zeide Juffrouw Smith, "dat er menschen zijn gekomen, +die alle stoombootkapiteins hebben gewaarschuwd tegen een man en +vrouw met eenen kleinen jongen." + +"Zoo?" zeide George. "Welnu, als wij zulke lieden zien, kunnen wij +het hun zeggen." + +Een huurkoets kwam nu voor de deur, en de vriendelijke familie drong +om hen heen om afscheid te nemen. + +De vermommingen welke het gezelschap had aangenomen, waren volgens +de wenken van Tom Loker gekozen; Juffrouw Smith, eene fatsoenlijke +vrouw uit het etablissement in Canada, waarheen zij vloden, die +gelukkig het meer wilde oversteken om daarheen terug te keeren, +had bewilligd om zich als tante van den kleinen Harry voor te doen; +en om deze aan haar te hechten, was hij de laatste twee dagen geheel +bij haar gelaten, in welken tijd een overvloed van liefkoozingen, +bij een onbeperkte toelaag van kruidkoekjes en kandijklontjes gevoegd, +reeds eene zeer nauwe gehechtheid bij den jongeheer had doen ontstaan. + +De koets reed naar de werf. De twee jongelieden--gelijk zij +schenen--stapten de plank over en de boot op. Daar gaf Eliza galant +den arm aan Juffrouw Smith, terwijl George nu voor de bagage zorgde. + +George stond bij het kantoortje van een kapitein, om daar voor zijn +gezelschap te betalen, toen hij twee mannen, die naast hem stonden, +met elkander hoorde spreken. + +"Ik heb op iedereen gelet, die aan boord kwam," zeide de een, "en ik +weet wel dat zij niet op deze boot zijn." + +Het was de stem van den klerk der boot. De andere, wien hij aansprak, +was onze vroegere vriend Marks, die in zijn lofwaardigen ijver naar +Sandusky was gekomen, zoekende wien hij zou mogen verslinden. + +"Men zou de vrouw haast niet van eene blanke onderscheiden," zeide +Marks. "De man is een lichte mulat. Hij heeft een brandmerk in eene +van zijne handen." + +De hand, waarmede George de plaatsbriefjes aannam, beefde eenigszins; +maar hij keerde zich koelbloedig om, zag den spreker onverschillig +in het gezicht, en ging op zijn gemak naar den anderen kant der boot, +waar Eliza naar hem stond te wachten. + +Juffrouw Smith had met kleine Harry de afzondering der dameskajuit +opgezocht, waar de donkere schoonheid van het vermeende meisje vele +vleiende aanmerkingen uitlokte. + +Toen de klok geluid werd om van de Amerikaansche kust afscheid te +nemen, had George het genoegen van Marks over de plank naar den wal +te zien stappen, en hij verlichtte zijn hart met een langen zucht, +toen de afstand tusschen hen het terugkeeren onmogelijk had gemaakt. + +Het was een heerlijke dag. De blauwe golven van het meer Erie dansten +flikkerend en vroolijk in het zonnelicht. Wie dacht er, toen George met +zijnen schuwen makker aan de zijde, zoo kalm het dek der stoomboot op +en neer wandelde, aan alles wat in zijnen boezem gloeide? Het geluk, +dat hem scheen te naderen, kwam hem al te groot en schoon voor, om +ooit werkelijkheid te worden, en ieder oogenblik van dien dag kwelde +hem een heimelijke angst, dat er zich nog iets zou opdoen om het hem +te ontrukken. + +Doch de boot voer voort, de uren vlogen om, en eindelijk kwam de +gezegende Engelsche kust duidelijk in het gezicht--de kust, welke +door eene machtige tooverspreuk gewijd, met eene enkele aanraking +elke helsche bezwering van slavernij vernietigt, onverschillig in +welke taal zij is uitgesproken, of door welke nationale macht zij +is bekrachtigd. George en zijne vrouw stonden gearmd naast elkander, +toen de boot het stadje Amhertsberg in Canada naderde. Zijne ademhaling +werd kort en zwaar, er kwam een nevel voor zijne oogen, stilzwijgend +drukte hij het handje, dat bevend op zijnen arm lag. De klok luidde--de +boot werd gestopt. Nauwelijks ziende wat hij deed, zocht George zijne +bagage uit en verzamelde hij zijn klein gezelschap. Hij werd met de +zijnen aan land gezet. Zij bleven stilstaan, tot de boot weder was +afgevaren; en toen knielden man en vrouw met hun verwonderd kind in +de armen, op den oever neder, en verhieven het hart tot God. + +"Het was," gelijk een dichter zegt: "iets, dat geleek naar den overstap +uit den dood in het leven, uit de windselen des grafs in het gewaad des +hemels, uit de heerschappij der zonden en den strijd der hartstochten +in de reine vrijheid eener gezaligde ziel, waar alle banden van dood en +hel verbroken worden, en het sterfelijke de onsterfelijkheid aandoet, +wanneer de genade de gouden poort heeft geopend en hare stem heeft +gesproken: "Juich, uwe ziel is vrij!" + +Het gezelschap werd door Juffrouw Smith naar de gastvrije woning van +een braven zendeling gebracht, die door de christelijke liefde aldaar +geplaatst was geworden tot een herder voor de zwervende ballingen, +die gedurig op deze kust een vrijplaats komen zoeken. + +Wie kan de zaligheid van dien eersten dag van vrijheid beschrijven? Is +het _gevoel der vrijheid_ edeler en fijner, dan eenig ander dat de +zinnen kan aandoen? Onbespied en zonder gevaar te spreken en te ademen, +uit en in te gaan! Wie kan het gezegende beschrijven van die rust, +welke op de peluw van den vrijen man nederdaalt, onder de wetten, +die hem de rechten verzekeren, welke God den mensch gegeven heeft? Hoe +schoon en lief was voor die moeder dat slapende kindergezichtje, haar +nog dierbaarder gemaakt door de herinnering aan duizend gevaren! Hoe +onmogelijk was het te slapen in het bezit van zulk een overmatig +geluk! En toch bezaten deze twee geen voet gronds, geen dak dat zij het +hunne konden noemen, en hadden zij alles verteerd tot hunnen laatsten +dollar. Zij hadden niets meer dan de vogelen der lucht of de bloemen +des velds--en toch konden zij niet slapen van blijdschap. O gij, +die den mensch de vrijheid ontneemt, met welke woorden zult gij dat +voor God verantwoorden? + + + + + +ACHT EN DERTIGSTE HOOFDSTUK + +DE OVERWINNING. + + "Gode zij dank, die ons de overwinning geeft." + + +Hebben niet velen van ons wel eens op den vermoeienden levensweg +gevoeld, hoeveel lichter het zijn zou te sterven dan te leven? + +De martelaar, wanneer hij een dood van lichamelijke folteringen voor +oogen ziet, vindt juist in het schrikkelijke van zijn lot een krachtig +middel tot opwekking en versterking. Hij gevoelt eene opgewondenheid, +een ijver, eene hoop, die hem het lijdensuur helpen doorstaan, dat +het geboorte-uur der eeuwige rust en heerlijkheid zal wezen. + +Maar voort te leven, dag aan dag te slijten in een lage, verachte, +bittere, kwellende dienstbaarheid, waaronder elke zenuw verslapt en +ontstemt, elk gevoelsvermogen langzamerhand verdoofd wordt--dat lange, +verterende martelaarschap van het hart, dat langzame, dagelijksche +wegbloeden van het innerlijke leven, droppel voor droppel en uur op +uur--dit is de ware, doorzoekende proef van wat een mensch, hetzij +man of vrouw, in zijn binnenste bezit. + +Toen Tom tegenover zijnen woedenden meester stond en zijne dreigementen +hoorde, en bij zich zelven dacht dat zijn uur gekomen was, klopte +zijn hart hooger en moediger, en dacht hij dat hij martelingen, +brandstapel, dat hij alles zou kunnen doorstaan, met het uitzicht op +den hemel, die nog maar ééne schrede van hem verwijderd was; maar +toen die woedende meester was heengegaan, en zijne opgewondenheid +daalde, kwam de pijn in zijne gekneusde leden terug, kwam het gevoel +van zijnen vernederden, verlaten, hopeloozen toestand terug; en hij +sleet den dag treurig genoeg. + +Lang voordat zijne wonden genezen waren, zette Legree hem weder aan +het gewone veldwerk; en toen kwamen dag aan dag pijn en vermoeienis, +verergerd door alle verongelijkingen en kwellingen, die de hatelijkheid +van een laaghartig, boosaardig mensch kon uitdenken. Wie in _onze_ +omstandigheden eene proef van pijn heeft gehad, zelfs met die +verlichtingen, welke ons meestal ten deel vallen, moet wel weten, welk +een wrevelig ongeduld daaruit gewoonlijk ontstaat. Tom verwonderde +zich nu niet meer over de doorgaande norschheid zijner makkers; ja, +hij vond zelfs de vreedzame, blijmoedige gemoedsgesteldheid, welke de +gewoonte van zijn leven geweest was, zeer bemoeielijkt en gestoord +door dezelfde kwellingen, die hen zoo onverdragelijk voor anderen +maakten. Hij had zich met vrijen tijd gevleid om zijn Bijbel te lezen, +maar hier was niets dat naar vrijen tijd geleek. In de drukte van het +seizoen aarzelde Legree niet, om zijne arbeiders op Zondag eveneens +te laten werken als door de week. Waarom zou hij niet? Hij kreeg dan +meer katoen en won zijne weddenschap, en als hij er eenige arbeiders +meer door versleet, kon hij andere koopen. In het eerst placht Tom bij +het flikkeren van het vuur, een paar verzen in zijnen Bijbel te lezen, +als hij van zijn dagwerk terug kwam; maar na de wreede behandeling, +die hij ondergaan had, kwam hij doorgaans zoo afgemat naar huis toe, +dat zijn hoofd duizelde en zijne oogen schemerden wanneer hij beproefde +te lezen, en hij blijde was, als hij gelijk de anderen zijne pijnlijke +leden op den grond kon uitstrekken. + +Het is niet vreemd, dat het godsdienstige vertrouwen en de gemoedsrust, +die hem tot nog toe hadden ondersteund, voor het slingeren zijner +ziel bezweken. Het donkerste raadsel van dit raadselachtig leven +stond gedurig voor zijnen geest: zielen met geweld verdorven, het +kwaad zegepralende, en God zwijgende. Het duurde weken en maanden +dat Tom in zijne ziel zoo in smart en duisternis worstelde. Hij dacht +aan Miss Ophelia's brief, aan zijne vrienden in Kentucky, en bad God +ernstig om hem redding te zenden; en dan zag hij dag aan dag uit, +in de flauwe hoop dat hij iemand zien zou die gezonden was om hem los +te koopen; en als er niemand kwam, deed hij weder moeite om in zijne +ziel de bittere gedachte te smoren--dat het ijdel was God te dienen, +en dat God hem vergeten had. Somtijds sprak hij Cassy; en somtijds, +wanneer hij naar het huis werd geroepen, kon hij even de neerslachtige +Emmeline zien, maar hij had weinig omgang met eene van beiden, en +hij had ook eigenlijk geen tijd om met iemand om te gaan. + +Op een avond zat hij geheel uitgeput en ternedergeslagen bij eenige +half verbrande houten, waarop zijn onsmakelijk avondmaal braadde. Hij +legde eenige droge rijsjes op het vuur, om zoo vast wat licht te +krijgen, en haalde zijn Bijbel uit zijn zak. Daar waren al de gemerkte +plaatsen, die zijne ziel zoo dikwijls verrukt hadden--woorden van +aartsvaders en zieners, van dichters en wijzen, die van den vroegsten +tijd af den mensch moed hadden ingesproken--stemmen uit die groote wolk +van getuigen, welke ons op de levensbaan altijd omringt. Had het woord +zijne kracht verloren, of waren het schemerende oog en het vermoeide +gevoel niet meer vatbaar voor den troost der heilige bladen? Met een +zwaren zucht stak hij het boek weder in zijnen zak. Een woeste lach +wekte hem uit zijne dofheid. Hij zag op, Legree stond voor hem. + +"Wel, oude jongen," zeide hij, "gij vindt dat uw godsdienst niet +meer werkt, naar het schijnt. Ik dacht wel dat ik dat eindelijk in +uw wolligen kroeskop zou krijgen." + +Die wreede spot was erger dan honger, koude en naaktheid; Tom zweeg. + +"Ge zijt een zot geweest," hernam Legree, "want ik had het goed met u +voor, toen ik u kocht. Ge hadt het beter kunnen hebben dan Sambo of +Quimbo, en een gemakkelijk leven; en in plaats van elke paar dagen +geranseld te worden, hadt ge vrijheid kunnen hebben om den heer te +spelen en de andere negers te ranselen; en ge hadt nu en dan eene goede +verwarming van punch kunnen krijgen. Kom aan, denkt gij nu niet dat +het beter is verstandig te worden? Smijt dat pak gewawel in het vuur, +en kom tot mijne kerk over." + +"Dat verhoede de Heere!" zeide Tom met vurigen ernst. + +"Gij ziet wel dat de Heere u niet helpen zal. Als Hij dat gewild had, +zou Hij wel gemaakt hebben dat ik u niet kreeg. Die godsdienst van u +is alles een hoop leugenachtige bombast, Tom. Gij deedt beter u aan +mij te houden. Ik ben iemand en kan iets doen." + +"Neen, meester," antwoordde Tom, "ik blijf er bij. De Heere mag mij +helpen of niet helpen; maar ik houd mij aan Hem vast en geloof Hem +tot het laatste." + +Wanneer een zware last de ziel zoo diep neerdrukt, als zij met +mogelijkheid kan verduren, volgt er eene plotselinge, wanhopige +inspanning van alle lichamelijke en zedelijke krachten om dien +last af te werpen, en daarom is de zwaarste zielsangst dikwijls de +voorbode van een terugkeer van moed en blijdschap. Zoo was het nu +met Tom. De goddelooze smaad- en spotwoorden van zijnen meester +drukten zijne reeds moedelooze ziel in de laagste diepte neder; +en hoewel de hand des geloofs de eeuwige rots nog vasthield, was +het alleen met de kracht der verstijfde wanhoop. Tom zat daar als +geheel bedwelmd en versuft bij het vuur. Eensklaps scheen alles om +hem heen te verdwijnen; eene verschijning rees voor hem op van Eenen +met doornen gekroond en met bloedige geeselstriemen. Tom staarde met +verbazing en ontzag op het verheven geduld van het gelaat; de oogen +vol lijden en hemelsch medelijden straalden tot in zijn hart; zijne +ziel ontwaakte, terwijl hij overstelpt van aandoening, de handen +uitstrekte en op de knieën zonk; toen veranderde langzamerhand de +verschijning: de scherpe doornen werden tot stralen eener glorie; +met onuitsprekelijken luister zag hij datzelfde gelaat medelijdend +naar hem nederbuigen, en hoorde hij eene stem zeggen: "Die overwint, +Ik zal hem geven met Mij te zitten in mijnen troon, gelijk als Ik +overwonnen heb en ben gezeten met mijnen Vader in Zijnen troon." + +Hoelang Tom daar lag, wist hij niet. Toen hij tot zich zelven kwam, +was het vuur uitgegaan en waren zijne kleederen doornat van den kouden +dauw; maar de schrikkelijke benauwdheid zijner ziel was voorbij, en in +de vreugde, die hem vervulde, gevoelde hij geen honger, geen koude, +geen vernedering, teleurstelling of ellende meer. Uit het diepste +zijner ziel verzaakte hij in dat uur alle hoop in het tegenwoordige +leven, en offerde hij zijn eigen wil als een onherroepelijk offer aan +den Oneindige op. Tom zag op naar de stille, altijd levende sterren, +zinnebeelden dier engelenscharen, die altijd op den mensch neerzien, +en in de eenzaamheid van den nacht klonken de zegepralende woorden +van een lied, dat hij in gelukkiger dagen dikwijls had gezongen, +maar nooit met zulk een gevoel als thans: + + + "Deze aarde zal als sneeuw vergaan, + De zon geen licht meer geven; + Maar bij den God, die mij hier riep, + Zal ik dan eeuwig leven. + + "Als 't aardsche leven mij ontzinkt, + De zinnen mij begeven, + Dan wacht mij in het hemelhof + Het eeuwig, zalig leven. + + "En als ons daar tienduizend jaar + Reeds tienmaal is gegeven, + Dan wacht ons nog geen dag te min + Van 't eeuwig, zalig leven." + + +Zij, die met de godsdienstige geschiedenis der slavenbevolking bekend +zijn, weten dat verhalen van zulke verschijningen en gezichten zeer +dikwijls voorkomen. Wij hebben eenige zulke verhalen van treffend +aandoenlijken aard uit den eigen mond van hen gehoord, die aldus +gesterkt en getroost waren. Zielkundigen spreken van een toestand, +waarin de aandoeningen en voorstellingen van het gemoed zulk eene +kracht en levendigheid bekomen, dat zij de uiterlijke zinnen aan zich +dienstbaar maken en deze eene tastbare gedaante aan die innerlijke +voorstellingen doen geven. Wie zal het bepalen, waartoe een alles +doordringende Geest deze vatbaarheid van ons stoffelijk hulsel zal +aanwenden, of door welke middelen Hij eene in wanhoop verzonkene +ziel zal bemoedigen? Indien de arme, vergeten slaaf gelooft dat +Jezus hem verschenen is en tot hem gesproken heeft, wie zal hem +tegenspreken? Heeft Hij niet gezegd dat Hij door alle eeuwen heen +gezonden was, om hen die gebroken zijn van harte te genezen en de +verslagenen heen te zenden in vrijheid? + +Toen de grauwe schemering van den dageraad de sluimerenden wekte +om weder naar het veld te gaan, was er een onder die huiverende, +met lompen bedekte ellendelingen, die met fieren tred voortstapte; +want vaster dan de grond dien hij betrad was zijn krachtig geloof +in eene almachtige eeuwige liefde. Ha, Legree, beproef al uw +vermogen! Lichaamspijn en zieleleed, gebrek en mishandeling zullen +slechts den overstap verhaasten, waardoor hij een koning en priester +voor God zal worden. + +Van dien tijd af omringde een onschendbaar gebied van vrede het +nederige hart van den verdrukte; een altijd tegenwoordige Zaligmaker +heiligde het tot een tempel. Voorbij was nu het bloeden van aardsche +wonden--voorbij was het sidderen van hoop, vrees en verlangen--de +menschelijke wil, lang bloedend worstelende, was nu geheel in +den Goddelijken versmolten. Zoo kort scheen nu de nog overige +levensreis--zoo nabij, zoo duidelijk zichtbaar scheen de eeuwige +zaligheid--dat het zwaarste leed des levens op hem afstuitte, zonder +hem te deren. + +Iedereen merkte de verandering in zijn voorkomen op. Hij scheen zijne +opgeruimdheid en vlugheid terug te krijgen, en eene kalmte te bezitten, +die door geene beleediging of mishandeling kon gestoord worden. + +"Wat duivel zit er in Tom?" zeide Legree tot Sambo. "Eene maand geleden +was hij geheel melancholiek, en nu is hij zoo vroolijk als een krekel." + +"Weet niet, meester. Misschien wil hij wegloopen." + +"Dat zou ik hem wel eens willen zien probeeren," zeide Legree met +een woesten grijnzenden lach. "Zouden we niet, Sambo?" + +"Denk nog al, ha, ha!" antwoordde de zwarte pluimstrijker, gedienstig +lachende. "He, wat een pret! Hem in de modder te zien steken, +en door de struiken rennen, met de honden op het lijf. Ik dacht te +barsten van lachen, toen we Molly vingen. Ik dacht dat zij haar geheel +opengescheurd zouden hebben, eer we bij haar konden komen. Zij heeft +nog de teekens van die grap." + +"En die zal ze wel houden tot in haar graf, denk ik," zeide +Legree. "Maar let nu goed op, Sambo, als de neger iets van dien aard +voornemens is, laat hem dan in de val loopen." + +"Laat mij maar begaan, meester," antwoordde Sambo, "ik zal hem wel +beetnemen, ho, ho, ho!" + +Dit werd gezegd toen Legree te paard stapte, om naar eene naburige +stad te rijden. Toen hij dien avond terugkwam, viel het hem in om +eens naar het kwartier te rijden en te zien of alles veilig was. + +Het was helder maneschijn, de schaduwen van het geboomte teekenden zich +met scherpe omtrekken op het gras, en er was eene stilte in de lucht, +waarvan het storen bijna heiligschennis scheen te zijn. Legree was +nog op eenigen afstand van het kwartier, toen hij eene stem hoorde +zingen. Dit was daar iets zeer ongewoons, en hij bleef staan om te +luisteren. Eene welluidende tenorstem zong: + + + "Ben ik van mijn plaats maar zeker, + In de woning van mijn Heer, + 'k Vrees dan voor geen lijdensbeker, + 'k Ween dan geene tranen meer. + + "Mag de wereld mij bestrijden, + Helsche boosheid wonden slaan, + Ik kan kampen, dulden, lijden, + Satans woede wederstaan. + + "Laten rampen me overstroomen, + 'k Sta voor storm en golven pal, + Als ik veilig maar mag komen + Bij mijn God, mijn heil, mijn al." + + +"Zoo, zoo, denkt hij zoo?" zeide Legree bij zichzelven. "Die vervloekte +methodisten-zangen! Hier, gij neger!" riep hij, plotseling op Tom +toeschietende en met zijne karwats dreigende, "Hoe durft gij zoo'n +geweld hier maken, als gij in bed moest wezen. Houd je zwarten smoel, +en maak dat je wegkomt!" + +"Ja, meester," antwoordde Tom, met vlugge bereidwilligheid opstaande +om heen te gaan. + +Legree werd woedend over Toms onverstoorbare kalmte, en op hem +toerijdende, sloeg hij zoo hard hij kon op zijn hoofd en schouders los. + +"Daar gij hond!" zeide hij. "Zie of ge nu nog zoo weltevreden zijt." + +Maar de slagen vielen slechts op den uitwendigen mensch, en niet +gelijk te voren op het hart. Tom bleef onderdanig staan, en toch +kon Legree het niet voor zich zelven verbergen, dat hij zijne macht +over zijnen gekochten slaaf, hoe dan ook, verloren had; en toen Tom +in zijne hut verdween, en hij zijn paard wendde om heen te rijden, +schoot er eensklaps eene van die flikkeringen door zijne ziel, die +dikwijls den bliksem des gewetens in een donkeren, goddeloozen geest +zenden. Hij begreep ten volle dat het God was die tusschen hem en zijn +slachtoffer stond, en hij lasterde Hem. Die zwijgende, onderdanige +man, die geene smaadwoorden, dreigementen of slagen konden ontrusten, +welke eene stem in zijn binnenste, gelijk in vroegeren tijd zijn +meester in de door den duivel bezeten ziel had gewekt, zeggende: +"Wij, Jezus van Nazareth, wat hebben wij met U te doen? Zijt gij +gekomen om ons te pijnigen vóór den tijd?" + +Toms hart vloeide over van liefderijk medelijden met de rampzaligen die +hem omringden. Het was alsof voor hem nu alle leed des levens voorbij +was, en hij uit de schatkamer van vrede en vreugde, waarmede hij boven +hen begiftigd was, iets verlangde mede te deelen tot verzachting hunner +ellende. Het is waar, de gelegenheden daartoe waren zeldzaam; maar op +weg naar het veld en terug en gedurende de werkuren, had hij toch nu en +dan eene kans om vermoeiden, neerslachtigen en moedeloozen een helpende +hand te reiken. De arme, afgetobde, verdierlijkte schepselen konden +dit in het eerst nauwelijks begrijpen; maar toen dit week op week, en +maand op maand aanhield, begon het eindelijk een lang verstorven gevoel +in hunne verdoofde harten op te wekken. Langzamerhand en onbemerkt +begon die vreemde, geduldige, stille man, die zoo gereed was om ieders +last te dragen en zelf bij niemand hulp zocht--die voor allen week, +het laatste kwam en het geringste nam, en toch de eerste was, om +het weinige dat hij had te deelen met hen die gebrek leden--de man, +die in koude nachten zijne gescheurde dekens afstond, om een vrouw +te verwarmen die van koorts rilde,--en die in het veld de manden der +zwakken vulde, op het schrikkelijke gevaar af om zelf in gewicht te +kort te komen--en die, hoewel hij door den algemeenen dwingeland met +onverbiddelijke wreedheid werd vervolgd, nooit mededeed om een woord +van smaad of vloek tegen hen uit te spreken--eindelijk begon die +man eene vreemde macht over hen te bekomen; en toen het drukste van +het seizoen voorbij was, en zij de Zondagen weder tot eigen gebruik +kregen, verzamelden zich velen, om door hem van Jezus te hooren. Gaarne +zouden zij geregeld bijeengekomen zijn om te hooren, te bidden en te +zingen; maar Legree wilde dit niet toelaten, en meer dan eens stoorde +hij zulke vergaderingen met vloeken en verwenschingen, zoodat het +gezegende nieuws bij enkelen van mond tot mond moest gaan. Wie kan +echter de eenvoudige blijdschap beschrijven, waarmede sommigen van die +arme verworpelingen, voor wie het leven eene vreugdelooze reis naar +eene onbekende duisternis was, van een medelijdenden Verlosser en +een hemelsch vaderland hoorden? De zendelingen verklaren dat, onder +al de geslachten der aarde geen het Evangelie met zulk eene gretige +leerzaamheid ontvangen heeft als het Afrikaansche. Het beginsel van +vertrouwen en onvoorwaardelijk geloof, dat den grondslag daarvan +uitmaakt, is meer een natuurlijk element voor dit geslacht, dan +voor eenig ander; en dikwijls heeft men onder negers bevonden dat +een verdwaald zaadje waarheid, door den wind van het toeval in de +onkundige harten gevoerd, opgegroeid is en vruchten heeft gedragen, +welker overvloed die van meer zorgvuldige kweeking beschaamde. + +De arme mulattin, wier eenvoudig geloof bijna verpletterd en begraven +was door den berg van wreedheid en onrecht, die haar overstelpt had, +voelde hare ziel opgebeurd door de gezangen en Bijbelplaatsen, die +deze nederige zendeling haar nu en dan in het oor fluisterde, wanneer +zij naar het werk ging of terugkwam; en zelfs het half krankzinnige, +ongeregeld zwervende gemoed van Cassy werd door zijnen stillen zich +nooit opdringenden invloed verzacht en bedaard. + +Tot razernij en wanhoop gedreven door de opeengehoopte zielesmarten +van haar leven, had Cassy dikwijls bij zich zelve besloten, dat er eens +een uur van vergelding zou komen, wanneer hare hand op haren verdrukker +wraak zou oefenen over al de wreedheid en onrechtvaardigheid, waarvan +zij getuige was geweest of die zelve geleden had. + +In een nacht, toen allen in Toms hut lagen te slapen, werd hij +eensklaps gewekt, en zag hij haar gezicht voor het gat dat tot venster +diende; zij wenkte hem stilzwijgend om buiten te komen. + +Tom kwam voor de deur. Het was tusschen één en twee uren in den nacht, +en de maan scheen helder. Tom zag, toen het maanlicht Cassy in de +oogen scheen, dat die groote zwarte oogen een wilden, eigenaardigen +glans hadden, geheel verschillend van hare gewone strakke blik. + +"Kom hier, vader Tom," zeide zij, hare hand op zijnen arm leggende, +en hem voorttrekkende met eene kracht alsof dat smalle handje van +staal was. "Kom hier--ik heb nieuws voor u." + +"Wat is het, Miss Cassy?" zeide Tom, met vurige oplettendheid. + +"Tom, zoudt ge niet gaarne uwe vrijheid willen hebben?" + +"Die zal ik hebben, _missis_, als het Gods tijd is," antwoordde Tom. + +"Ja, maar gij kunt haar dezen nacht nog krijgen," zeide Cassy met +drift. "Kom maar mede." + +Tom aarzelde. + +"Kom," zeide zij fluisterend en hem strak aanziende. "Kom voort! Hij +slaapt--gerust! Ik heb genoeg in zijn brandewijn gedaan, om hem te +doen slapen. Ik wenschte dat ik meer had gehad; dan zou ik u niet +noodig gehad hebben. Maar kom, de achterdeur is open en daar ligt +eene bijl. Zijne kamer is ook open. Ik zal u den weg wijzen. Ik zou +het zelve wel gedaan hebben, maar mijne armen zijn zoo zwak. Kom!" + +"Voor geen tien duizend werelden, _missis_," zeide Tom op vasten toon, +stilstaande en haar terughoudende, terwijl zij hem wilde voorttrekken. + +"Maar denk eens aan al die arme schepsels," zeide Cassy. "Wij zouden +hen allen kunnen vrijlaten en ergens in de moerassen gaan en een +eilandje opzoeken en daar verborgen leven. Ik heb gehoord dat zoo +iets meer gedaan is. Alle ander leven is beter dan dit." + +"Neen," antwoordde Tom, even vast. "Neen. Nooit komt er goed uit +goddeloosheid. Ik zou liever mijne rechterhand afhakken." + +"Dan zal _ik_ het doen," zeide Cassy, zich omkeerende. + +"O, miss Cassy," zeide Tom, zich voor haar neerwerpende, "om den +wil van den lieven Heer, die voor u gestorven is, verkoop toch uwe +kostbare ziel niet zoo aan den duivel! Niet dan kwaad zal er uit +voortkomen. De Heere heeft ons niet tot wraak geroepen. Wij moeten +lijden en Zijn tijd afwachten." + +"Wachten!" zeide Cassy. "Heb ik niet gewacht? Gewacht tot mijn hoofd +duizelig en mijn hart flauw is? Wat heeft hij mij niet doen lijden? Wat +heeft hij honderden van arme schepsels doen lijden? Zuigt hij ook +u dan het hartebloed niet uit? Ik word er toe geroepen! Zij roepen +mij! Zijn tijd is nu gekomen en ik zal en moet zijn bloed hebben!" + +"Neen, neen, neen!" zeide Tom, hare handen vasthoudende, die zij +met stuipachtige kracht dichtkneep. "Neen, gij arme verdwaalde ziel, +dat moet gij niet doen! De lieve, gezegende Heere heeft nooit bloed +gestort, dan zijn eigen, en dat heeft Hij voor ons vergoten, toen +wij Zijne vijanden waren. Heere, help ons uwe schreden te volgen en +vijanden lief te hebben." + +"Liefhebben!" zeide Cassy met een woest flikkerenden blik. "_Zulke_ +vijanden liefhebben! Daartoe zijn vleesch en bloed niet in staat!" + +"Neen, die zijn het ook niet," antwoordde Tom omhoog ziende, "maar +Hij geeft dat aan ons, en dat is de overwinning. Wanneer wij kunnen +liefhebben en bidden voor allen en door alles, dan is de strijd +voorbij en de overwinning gekomen--eere zij God!" + +En met oogen vol tranen, daar de stem hem begaf, zag de zwarte man +naar den hemel op. + +En dit, o Afrika!--laatst geroepene van alle volken, geroepen tot +de doornenkroon, de geeselroede, het bloedig zweet en het kruis van +smarte--dit zal uwe overwinning zijn; hierdoor zult gij met Christus +regeeren, wanneer Zijn koninkrijk op de aarde zal gekomen zijn! + +Het vurige van Toms gevoel, de zachtheid zijner stem en zijne tranen +bedaarden het woest opgewonden gemoed der ongelukkige vrouw. Er kwam +een nevel van zachtheid voor het flikkerende vuur van hare oogen; +zij zag voor zich neer, en Tom voelde hare hand hem omklemmen, toen +zij tot hem zeide: + +"Heb ik u niet gezegd, dat booze geesten mij volgden? O, vader Tom, +ik kan niet bidden! Ik wenschte dat ik het kon. Ik heb nooit gebeden +sedert mijne kinderen verkocht werden! Wat gij zegt moet wel zoo +zijn--dat weet ik; maar als ik beproef te bidden, kan ik alleen haten +en vloeken. Ik kan niet bidden." + +"Arme ziel," zeide Tom medelijdend. "De satan begeert u te hebben, +om u te ziften als de tarwe. Ik bid den Heere voor u. O, Miss Cassy, +keer u naar den lieven Heere Jezus. Hij kwam om te genezen die gebroken +van harte zijn, en om alle treurenden te troosten." + +Cassy bleef stilstaan terwijl groote tranen uit hare neergeslagene +oogen rolden. + +"Miss Cassy," zeide Tom met zekere aarzeling in zijnen toon, nadat +hij haar een poos had aangezien; "als gij maar hier vandaan kondt +komen--als dat maar mogelijk was--dan zou ik u en Emmeline raden om +het te doen, dat is, als gij het zonder bloedschuld doen kunt--anders +niet." + +"Zoudt gij het met ons beproeven, vader Tom?" + +"Neen," antwoordde Tom. "Er is een tijd geweest dat ik het zou gedaan +hebben, maar de Heere heeft mij een werk onder deze arme menschenzielen +hier gegeven, en ik zal bij hen blijven en mijn kruis met hen dragen +tot aan het einde. Met u is het anders--het is een valstrik voor +u--het is meer dan gij wederstaan kunt, en het is beter dat gij gaat, +als gij kunt." + +"Ik weet geen weg dan door het graf," zeide Cassy. "Er is geen beest +of vogel, of hij kan ergens schuilplaats vinden, zelfs de slangen +en alligators hebben hunne plaatsen om te liggen en stil te zijn; +maar voor ons is er geene plaats. In de diepste moerassen zullen +hunne honden ons opjagen en vinden. Iedereen en alles is tegen ons, +zelfs de beesten zijn tegen ons, waar willen wij dan henengaan?" + +Tom zweeg een poos, eindelijk zeide hij: + +"Hij, die Daniël in den leeuwenkuil bewaarde--die de jongelingen in den +vurigen oven behield--Hij, die op de zee wandelde en de winden beval +stil te zijn,--Hij leeft nog; en ik heb geloof om te hopen dat Hij u +verlossen kan. Beproef het en ik zal met al mijne macht voor u bidden." + +Door welke eene vreemde werking van den geest is het, dat een +denkbeeld lang voorbijgezien en als een nutteloozen steen onder den +voet getreden, eensklaps in een nieuw licht schittert, als een dan +eerst ontdekte diamant? + +Cassy had dikwijls uren lang over alle mogelijke plannen ter +ontsnapping nagedacht en alle als hopeloos en onuitvoerbaar verworpen; +maar op dat oogenblik kwam haar een plan voor den geest, zoo eenvoudig +en uitvoerbaar in alle bijzonderheden, dat het haar terstond met hoop +en moed vervulde. + +"Vader Tom, ik zal het beproeven," zeide zij eensklaps. + +"Amen!" zeide Tom. "De Heere helpe u!" + + + + + +NEGEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK + +KRIJGSLISTEN + + "De weg der goddeloozen is als een donker, + zij weten niet waarover zij struikelen zullen." + + +De vliering van het huis dat Legree bewoonde was, gelijk de meeste +andere vlieringen, eene holle donkere ruimte, met spinnewebben +behangen en met afgekeurd huisraad bezet. De rijke familie, die het +huis in zijne dagen van glans had bewoond, had vele kostbare meubelen +aangeschaft, waarvan een gedeelte door haar weder was medegenomen, +terwijl het overige in onbewoonde kamers was blijven staan, of op +die vliering was weggezet. Aan een kant stonden eenige gevaarlijk +groote pakkisten, waarin die meubelen waren verzonden. Er was maar +een venstertje, dat door de bestofte, ondoorzichtige ruiten slechts +een flauw schemerend licht liet vallen op de hooge stoelen en oude +tafels, die eens betere dagen hadden gekend. Over het geheel zag het +er hier akelig en spookachtig uit; en zoo spookachtig als die vliering +op zich zelve was, ontbrak het niet aan overleveringen om haar voor de +bijgeloovige negers nog schrikkelijker te maken. Eenige jaren geleden +was eene negerin, die zich Legree's ongenoegen had berokkend, daar +verscheidene weken opgesloten. Wat er voorviel, zeggen we niet; de +negers fluisterden er angstig over onder elkander; maar het was bekend +dat het lijk der ongelukkige eens van daar afgedragen en begraven was, +en sedert dien tijd zeide men dat men des nachts op die vliering een +akelig gerucht hoorde: vloeken en slagen, met een wanhopig gillen en +kermen gemengd. Eens toen Legree bij toeval iets van dien aard hoorde, +stoof hij geweldig op en zwoer dat de eerste, die weder sprookjes van +die vliering vertelde, eene gelegenheid zou hebben om te vernemen wat +daar was, want dat hij hem voor eene week daar zou vastketenen. Dit +was genoeg om het gebabbel te stuiten, hoewel het geloof aan het +vertelde daardoor natuurlijk niet in het minste werd geschokt. + +Langzamerhand werd de trap, welke naar de vliering voerde en zelfs +het eind gang naar die trap, door iedereen vermeden, en daar ieder +bang was om er van te spreken, werd ook de legende half vergeten. Nu +was het Cassy ingevallen, om van den bijgeloovigen angst, die bij +Legree zoo licht werd opgewekt, tot bevrijding van zich zelve en hare +lotgenoote gebruik te maken. + +De slaapkamer van Cassy was vlak onder die vliering. Eens liet zij, +zonder Legree te raadplegen, op eigen gezag en met tamelijk veel +ophef, al de meubelen uit die kamer naar eene andere ver daar vandaan +brengen. De huisbedienden, die zij daarmede belast had, liepen juist +met grooten ijver en drukte heen en weder, toen Legree eens van een +rijtoertje terugkwam. + +"Hallo, Cassy," zeide hij, "wat is er nu gaande?" + +"Niets. Ik heb maar eene andere kamer gekozen," antwoordde Cassy +stuursch. + +"En waarom dat?" + +"Omdat het mij zoo beviel." + +"En voor den duivel, waarom?" + +"Omdat ik gaarne nu en dan slaap." + +"En wie belet u te slapen?" + +"Dat zou ik wel kunnen zeggen, als gij het hooren woudt," antwoordde +Cassy droogjes. + +"Spreek op maar," zeide Legree. + +"Och, het is niets. Ik geloof dat het u niet verontrusten zou. Het +is maar een gekerm en een gestommel van menschen die vechten en op +den vliering over den grond rollen, den halven nacht lang, van twaalf +uur tot aan den ochtend." + +"Menschen op de vliering," zeide Legree onrustig, maar toch met een +gedwongen lach. "En wie zijn dat dan?" + +Cassy sloeg hare scherpe zwarte oogen op en zag Legree aan met een +blik, die hem door merg en been drong, en zeide: + +"Ja, wie zijn dat, Simon? Ik zou dat wel eens van u willen hooren. Gij +weet het niet, zou ik denken?" + +Met een toornigen vloek deed Legree een slag naar haar met zijne +karwats; maar zij schoof op zijde en de deur ingaande, zag zij nog +eens om en zeide: + +"Als gij maar eens in de kamer wilt gaan slapen, zult gij er alles +van weten. Misschien is het best, dat gij het eens beproeft." En +daarmede sloot zij de deur en draaide die op het slot. + +Legree raasde en vloekte en dreigde de deur open te breken; maar hij +bedacht zich naar het scheen, en ging zeer slecht op zijn gemak naar +de huiskamer. Cassy bemerkte dat hare pijl getroffen had, en van dat +oogenblik af verzuimde zij niets om den gemaakten indruk te versterken, +hetgeen haar met hare schranderheid uitmuntend gelukte. + +In een gat in eene der planken van de vliering, waar een kwast uit +het hout was gevallen, stak zij den hals eener gebroken flesch, +zoodanig, dat bij den minsten luchtstroom een allerakeligst huilend +geluid daardoor werd voortgebracht, dat, wanneer het hard waaide, +tot een gillen steeg, hetwelk voor bijgeloovige ooren als het wanhopig +gejammer eener menschenstem moest klinken. + +Dit geluid werd nu en dan door de bedienden gehoord en deed de +herinnering der oude spookvertelling in volle kracht herleven. Eene +huiveringwekkende akeligheid scheen het geheele huis te vervullen en +hoewel niemand een woord daarvan tegen Legree durfde spreken, voelde +hij er zich toch door omringd als door de lucht die hij inademde. + +Niemand is zoo door en door bijgeloovig als de goddelooze. Een christen +wordt gesterkt door het geloof aan een wijzen, allesbesturenden +Vader, wiens tegenwoordigheid de ijdele ruimte met licht en orde +vervult; maar voor den mensch die God onttroond heeft, wordt de +geestenwereld inderdaad gelijk de Hebreeuwsche dichter zegt: "een +land van duisternis en schaduwe des doods," zonder eenige orde, +waar het licht als donkerheid is. Het leven en de dood zijn beide +spookgewesten voor hem, met nevelachtige schrikgedaanten vervuld. + +Het sluimerend zedelijk gevoel was bij Legree gewekt door zijne +woordenwisselingen met Tom--slechts gewekt om weder door de hardnekkige +kracht van het kwaad onderdrukt te worden; maar elk godsdienstig woord, +gebed of gezang bracht toch eene onrust in zijn binnenste teweeg, +die eene vermeerdering van bijgeloovige angstvalligheid naliet. + +De invloed, dien Cassy op hem uitoefende, was van een zonderlingen +aard. Hij was haar eigenaar, haar tiran, haar beul. Zij was, en dit +wist hij, geheel en al, zonder mogelijkheid van redding of tegenstand, +in zijne macht; en toch bleek het ook bij hem, dat de ruwste man zich +niet bestendig onder den invloed van een krachtigen vrouwelijken geest +kan bevinden, zonder daardoor aanmerkelijk bedwongen te worden. Toen +hij haar pas kocht, was zij, gelijk zij zeide, een teeder opgebrachte +vrouw, en hij had haar zonder eenig bezwaar met voeten getreden. Maar +toen de tijd en de wanhoop het vrouwelijk gevoel bij haar verdoofden, +en het vuur van woestere hartstochten bij haar ontvlamde, was zij in +zekere mate zijne meesteres geworden, zoodat hij haar thans beurtelings +tiranniseerde en vreesde. + +Die invloed was nog sterker en voor hem drukkender geworden, sedert +vlagen van halve krankzinnigheid al hare woorden en bedrijven iets +vreemds, geheimzinnigs en akeligs hadden gegeven. + +Een paar avonden later nu zat Legree in de oude huiskamer bij een +flikkerend houtvuur, dat het vertrek met een afwisselend schijnsel +verlichtte; het was een stormachtige avond, zulk een avond, waarop men +in een vervallen oud huis allerlei onbeschrijfelijke geluiden hoort. De +vensters klapperden en de luiken bonsden, de wind bulderde en loeide in +den schoorsteen, en blies nu en dan den rook en de asch door de kamer, +alsof hij een legioen van geesten in zijn gevolg medebracht. Legree +had eenige uren lang rekeningen zitten nazien en couranten lezen, +terwijl Cassy in een hoek stroef in het vuur zat te staren. Eindelijk +verveelde hem dit, en toen hij een oud boek op de tafel zag liggen, +waarin Cassy in het begin van den avond had zitten lezen, nam hij het +op en begon het door te bladeren. Het was een dier verzamelingen van +moord- en spookhistoriën, welke iemand, als hij er eens aan begint, +met eene vreemde tooverkracht boeien. + +Legree bromde nu en dan verachtelijk bij zich zelven, maar sloeg toch +het eene blad na het andere om, tot hij eindelijk het boek met een +vloek neersmeet. + +"Gij gelooft toch niet aan spoken, niet waar, Cassy?" zeide hij, +de tang opnemende om het vuur bij te leggen. "Ik dacht wel dat gij +te veel verstand hadt om u door geluiden te laten bang maken." + +"Het komt er niet op aan wat ik geloof," antwoordde Cassy stuursch. + +"Toen ik voorheen op zee was, wilden mijne kameraden mij met +vertelseltjes bang maken," hervatte Legree. "Maar zij konden mij +nooit zoo beetnemen. Ik ben veel te taai voor zulke oude wijvenpraat." + +Cassy zat hem in de schaduw van den hoek strak aan te staren. Zij had +dien vreemden glans in hare oogen, die Legree altijd onrustig maakte. + +"Die geluiden waren niets dan de ratten en de wind," zeide +Legree. "Ratten kunnen een duivelsch geweld maken. Ik heb ze dikwijls +in het hol van het schip gehoord; en de wind--och, van den wind kan +men zich alles verbeelden." + +Cassy wist zeer wel dat Legree onder haren blik onrustig werd en +daarom gaf zij geen antwoord, maar bleef hem met dezelfde spookachtige +strakheid aanstaren. + +"Kom aan, spreek op!" zeide Legree. "Denkt gij ook zoo niet?" + +"Kunnen ratten de trap afkomen en de gang doorstappen en eene deur +opendoen, als gij die gesloten en een stoel er tegen gezet hebt," +zeide Cassy, "en recht naar uw bed komen, en de hand uitsteken, zoo?" + +Cassy hield onder het spreken hare glinsterende oogen op Legree +gevestigd, en hij staarde haar aan, alsof hij de nachtmerrie had, +en toen zij zweeg en hare hand, die ijskoud was, op de zijne legde, +sprong hij met een vloek achteruit. + +"Wijf! Wat meent ge? Dat heeft niemand gedaan!' + +"Wel neen--natuurlijk niet--heb ik dat dan gezegd?" zeide Cassy met +een kouden spottenden glimlach. + +"Maar hebt gij inderdaad gezien dat--kom aan, Cassy, wat is er +dan? Spreek op." + +"Gij kunt zelf daar gaan slapen, als gij het weten wilt," antwoordde +Cassy. + +"Kwam het van de vliering, Cassy?" + +"Het--wat?" + +"Daar gij van spreekt." + +"Ik heb u niets verteld," zeide Cassy met koppige stroefheid. Legree +stapte onrustig de kamer op en neer. + +"Ik wil dat onderzocht hebben," zeide hij. "Ik zal er van avond nog +naar gaan zien. Ik zal mijne pistolen medenemen, en...." + +"Doe dat," zeide Cassy. "Ga in de kamer slapen. Ik zou het wel eens +van u willen zien. Schiet uwe pistolen af--dat ook!" + +Legree vloekte en stampvoette. + +"Vloek niet," zeide Cassy. "Niemand weet wie u hooren kan! Wat +was dat?" + +De klok, die in een hoek der kamer stond, sloeg twaalf. + +Om eene of andere reden durfde Legree niet spreken of zich +bewegen. Eene ijzing voor hij wist niet wat beving hem, terwijl Cassy +hem met hare spottende, glinsterende oogen aanzag en de slagen telde. + +"Twaalf uur! Wel! nu zullen wij zien," zeide zij, naar de deur +gaande die in de gang uitkwam. Zij opende die en bleef staan alsof +zij luisterde. + +"Hoor? Wat is dat?" zeide zij, haar vinger opstekende. + +"De wind, anders niet," zeide Legree. "Hoort gij niet hoe vervloekt +het waait?" + +"Simon, kom hier," zeide Cassy fluisterend, legde hare hand op zijnen +arm en bracht hem onder aan de trap. "Weet gij wat dat is? Luister!" + +Een akelige gil klonk. Het geluid kwam van de vliering en weergalmde +langs de geheele trap. Legree's knieën knikten en hij verbleekte +van schrik. + +"Zoudt ge niet liever uwe pistolen krijgen?" zeide Cassy met een +smalenden lach, die Legree deed ijzen. "Het is tijd dat hier naar +gezien wordt, weet ge. Ik zou u gaarne eens naar boven hebben; _zij +zijn aan den gang_." + +"Ik wil niet gaan," antwoordde Legree met een vloek. + +"Waarom niet? Er zijn toch immers geene spoken. Kom!" En Cassy wipte +de wenteltrap op, lachend naar hem omziende. "Kom voort!" + +"Ik geloof dat gij de duivel zijt!" zeide Legree. "Kom terug, gij +heks--kom terug, Cassy. Gij zult niet gaan!" + +Maar met een wilden lach ijlde Cassy voort. Hij hoorde haar de deur +van de gang openen, die naar de vliering leidde. Eene windvlaag kwam de +trap af en woei de kaars uit die hij in de hand had, en tegelijk klonk +een allerakeligst, onnatuurlijk gegil, alsof het vlak aan zijn oor was. + +Legree vlood als razend naar de kamer terug, waarheen Cassy hem eene +korte poos later volgde, bleek, koud en kalm als een engel der wraak, +en met denzelfden schrikkelijken glans in hare oogen. + +"Ik hoop dat gij tevreden zijt," zeide zij. + +"Wees verdoemd," antwoordde Legree. + +"Waarom?" zeide Cassy. "Ik ben maar naar boven gegaan en heb de +deuren gesloten. Wat zou er toch op die vliering zitten, denkt gij +wel, Simon?" + +"Dat raakt u niet," antwoordde Legree. + +"Zoo, niet?" hervatte Cassy. "Welnu, ik ben in allen gevalle blij, +dat ik niet meer onder de vliering slaap." + +Daar Cassy verwacht had dat de wind dien avond zou opsteken, had zij +het vlieringvenster opengezet. Natuurlijk was toen, zoodra de deur +ook geopend werd, de kaars door den tocht uitgewaaid. + +Dit moge dienen tot een proefje van het spel, dat Cassy met Legree +speelde, totdat hij liever zijn hoofd in een leeuwenmuil zou hebben +gestoken, dan die vliering te gaan onderzoeken. Intusschen had Cassy +des nachts, wanneer al de anderen sliepen, daar langzamerhand een +voorraad van levensmiddelen bijeengebracht, voldoende om eenigen +tijd te strekken, en ook stuk voor stuk een groot gedeelte van haar +eigen kleedervoorraad en dien van Emmeline daar verborgen. Toen alles +beschikt was, wachtte zij slechts naar eene gunstige gelegenheid om +het plan ten uitvoer te brengen. + +Door Legree eenige goede woorden te geven, toen hij eens in een +redelijke luim was, had Cassy hem overgehaald om haar naar eene +naburige stad mede te nemen, die vlak aan de Roode rivier lag. Met een +geheugen dat tot bijna bovennatuurlijke helderheid was verscherpt, +had zij op elke bocht van den weg gelet en den tijd berekend, dien +men noodig had om hem af te leggen. + +Nu alles rijp was om te handelen, zouden onze lezers zeker wel gaarne +eens achter de schermen willen zien, en getuigen wezen van den laatsten +_coup d'état_. + +Het was bijna avond. Legree was afwezig op een rijtoertje naar eene +naburige hoeve. Vele dagen lang was Cassy bijzonder vriendelijk +geluimd geweest, en alles scheen tusschen haar en Legree te zijn +bijgelegd. Thans zien wij haar en Emmeline in de kamer der laatste, +bezig met twee pakjes te maken. + +"Daar, die zullen groot genoeg zijn," zeide Cassy. "Zet nu uw hoed op, +en laten wij gaan. Het is nu zoo wat de beste tijd." + +"Maar zij kunnen ons zien," zeide Emmeline. + +"Ik wil ook dat wij gezien worden," antwoordde Cassy koelbloedig. "Weet +gij niet dat zij ons toch zullen nazetten? Wij zullen het juist op +deze manier aanleggen. Wij zullen de achterdeur uitgaan en bij het +kwartier langs loopen. Sambo en Quimbo zullen ons zeker zien. Zij +zullen ons najagen en wij loopen het moeras in. Dan kunnen zij ons +niet verder volgen vóórdat zij alarm gemaakt hebben, en de honden op +het spoor gebracht en al zoo meer, en terwijl zij aan het haspelen +zijn en elkaar in den weg loopen, zooals zij altijd doen, sluipen wij +naar de kreek die achter het huis omloopt, en waden door het water, +tot wij vlak over de achterdeur komen. Dat zal de honden geheel van het +spoor afbrengen; want op het water blijft de reuk niet liggen. Iedereen +zal het huis ontloopen, om naar ons te zoeken, en dan wippen wij de +achterdeur weder in en naar de vliering, waar ik een goed bed heb +opgemaakt in eene van de groote kisten. Wij moeten eene goede poos +op de vliering blijven, want ik zeg u, hij zal hemel en aarde in +beweging brengen om ons terug te krijgen. Hij zal een aantal van die +oude opzichters bijeenhalen en eene groote jacht houden; zij zullen +geen voet gronds van het moeras ondoorzocht laten. Hij snoeft er op, +dat er nog nooit iemand van hem is weggekomen. Laat hij dus nu eens +jagen naar hartelust." + +"O, Cassy, hoe goed hebt gij dat overlegd!" zeide Emmeline. "Wie +anders dan gij zou ooit daaraan gedacht hebben?" + +Er sprak noch blijdschap, noch eigenwaan uit Cassy's oogen--niets +anders dan wanhopige vastberadenheid. + +"Kom!" zeide zij en gaf Emmeline de hand. + +De twee vluchtelingen slopen stil het huis uit en in de snel vallende +avondschemering het kwartier voorbij. De maan, welker smalle sikkel +in het Westen onderging, vertraagde de duisternis van den nacht nog +een poos. Gelijk Cassy verwacht had, werden zij, toen zij den zoom +der moerasbosschen naderden, die de plantage omringden, aangeroepen om +stil te staan. Het was echter Sambo niet, maar Legree, die met toornig +vloeken achter haar aankwam. Dit hoorende bezweek de zwakkere geest +van Emmeline bijna, en hare gezellin bij den arm grijpende, zeide zij: +"O, Cassy, ik zal flauw vallen." + +"Als gij dat doet, steek ik u dood!" zeide Cassy, een kleine, +glinsterende ponjaard uithalende, die zij voor de oogen van het meisje +liet flikkeren. + +Deze afleiding bereikte haar doel. Emmeline viel niet flauw; maar +stortte zich met Cassy in een gedeelte van het moeras, zoo donker en +dicht begroeid, dat Legree er niet aan denken kon om haar zonder hulp +te volgen. + +"Welnu," zeide hij met een ruwen lach, "zij zijn nu toch in de val +geloopen--die karonjes. Zij zitten daar goed vooreerst en zij zullen +er voor zweeten." + +"Hallo, daar! Sambo! Quimbo! Allemaal!" riep Legree, toen hij het +kwartier bereikte, waar de mannen en vrouwen juist van het werk +terugkwamen. "Er zitten twee wegloopsters in het moeras. Ik geef vijf +dollars aan den neger die ze vangt! Laat de honden los!" + +De indruk, die dit bericht maakte, was niet gering. Velen der mannen +kwamen driftig aan, om hunne diensten aan te bieden, hetzij uit hoop +op belooning, of alleen door die kruipende onderdanigheid, die een van +de noodlottigste gevolgen der slavernij is. Sommigen liepen naar den +eenen, sommigen naar den anderen kant heen. Eenigen gingen flambouwen +van dennentakken halen, anderen maakten de honden los, wier schor, +kwaadaardig geblaf het rumoer niet weinig vergrootte. + +"Meester, moeten wij ze doodschieten, als wij ze niet kunnen +vangen?" zeide Sambo, aan wien Legree een jachtroer had gegeven. + +"Op Cassy moogt ge schieten, als ge lust hebt; het is tijd dat zij naar +den duivel komt, waar zij behoort; maar op de meid niet," antwoordde +Legree. "En nu, jongens, weest vlug en ijverig. Vijf dollars voor +wie ze krijgt, en altijd een glas brandewijn voor iedereen." + +Daarop trok de geheele troep, onder een geweldig geschreeuw en +geblaf naar het moeras, op eenigen afstand door al de huisbedienden +gevolgd. Het huis was dus geheel verlaten, toen Emmeline en Cassy de +achterdeur binnenslopen. Het schreeuwen en roepen harer vervolgers +klonk nog door de lucht; door de vensters der huiskamer uitkijkende +konden Cassy en Emmeline den troep zien, die zich met flambouwen +langs den zoom van het moeras verspreidde. + +"Ziedaar!" zeide Emmeline, Cassy daarheen wijzende. "De jacht is +begonnen. Zie die lichten eens ronddansen! En door die honden! Hoort +ge niet? Als wij daar nog waren, zou onze kans geen cent waard zijn. O, +om 's hemels wil, laten wij ons verschuilen. Schielijk!" + +"Wij hebben geen haast," antwoordde Cassy koel. "Zij zijn allen op de +jacht uit--dat is het vermaak van den avond. Wij zullen straks naar +boven gaan. Ondertusschen," zeide zij, bedaard een sleutel halende +uit een zak van de jas, die Legree in zijne haast had neergesmeten, +"ondertusschen zal ik wat reisgeld voor ons nemen." + +Zij opende den lessenaar en nam een rolletje bankbriefjes er uit, +die zij natelde. + +"O, laten wij dat niet doen!" zeide Emmeline. + +"Waarom niet?" zeide Cassy. "Zoudt gij liever hebben dat wij in de +moerassen dood hongerden, of dat wij geen geld hadden om de reis naar +de vrije Staten te betalen? Geld doet alles, meisje." En daarmede +stak zij de bankbriefjes in hare borst. + +"Maar dat zou stelen zijn," zeide Emmeline, treurig en angstig +fluisterende. + +"Stelen!" herhaalde Cassy met een smadelijken glimlach. "Zij die +zielen en lichamen stelen behoeven niets daarvan te zeggen. Ieder +van die briefjes is gestolen--gestolen van arme, uitgehongerde, +afgewerkte schepsels, die eindelijk voor zijn voordeel naar den duivel +moeten. Laat _hij_ maar van stelen praten! Maar kom, wij moesten nu +maar naar de vliering gaan. Ik heb daar een voorraad van kaarsen en +eenige boeken om den tijd te korten. Gij kunt tamelijk zeker zijn, +dat zij daar niet zullen komen zoeken. En als zij het doen, zal ik +wel spookje voor hen spelen." + +Toen Emmeline op de vliering kwam, vond zij een groote kist, +waarin eens eenige zware stukken huisraad waren verzonden, zoodanig +omgewenteld, dat de opening naar den muur of eigenlijk naar het schuin +opgaande dak Was gekeerd; Cassy stak een lampje aan, en langs den +muur kruipende, kwamen zij in de kist. Op den grond waren twee kleine +matrassen en eenige kussens gelegd, een koffer dichtbij bevatte een +voorraad van kaarsen en eetwaren, benevens al de kleederen die zij +op reis konden noodig hebben, welke Cassy tot pakjes van verbazend +kleinen omvang had weten te maken. + +"Daar," zeide Cassy, terwijl zij een lampje aan een haak hing, die +zij daartoe in een wand der kist had geslagen, "dat moet vooreerst +onze woning zijn. Hoe bevalt zij u?" + +"Zijt ge wel zeker, dat zij niet hier zullen komen zoeken?" zeide +Emmeline. + +"Ik zou Simon Legree dat wel eens willen zien doen," antwoordde +Cassy. "Neen waarlijk niet; hij is maar al te blij dat hij hier +vandaan kan blijven. En wat de bedienden betreft, zij zouden zich +liever allen dood schieten dan hier komen." + +Eenigszins gerustgesteld, zette Emmeline zich op hare kussens. + +"Wat hebt gij toch gemeend, Cassy, met te zeggen dat ge mij zoudt +doodsteken?" vroeg zij met alle eenvoudigheid. + +"Ik wilde u maar beletten om flauw te vallen," antwoordde Cassy, +"anders niet. En ik zeg u nu, Emmeline, gij moet u vast voornemen +om niet flauw te vallen, wat er ook gebeuren mag. Dit dient nergens +toe. Als ik u niet had doen schrikken, zou die ellendeling u nu +misschien in zijne macht hebben." + +Emmeline huiverde. + +Beiden zwegen een poos. Cassy hield zich met een Fransch boek bezig; +Emmeline door vermoeienis overstelpt, viel in slaap. Zij werd gewekt +door een luid geschreeuw, met paardengetrappel en hondengeblaf +gemengd. Met een flauwen gil sprong zij op. + +"Het is maar de jacht die terugkomt," zeide Cassy koeltjes. "Wees maar +niet bang. Kijk eens uit door die reet. Ziet gij hen daar niet allen +beneden? Simon moet het voor van nacht opgeven. Zie hoe bemodderd +zijn paard is van het rondtrappelen in het moeras; en de honden zien +er ook tamelijk druilig uit. O, goede man, gij zult nog dikwijls op +de jacht moeten gaan--het wild zit daar niet." + +"O, spreek toch niet!" zeide Emmeline. "Als zij u eens hoorden!" + +"Als zij iets hooren, zal het hen nog zorgvuldiger hier vandaan doen +blijven!" antwoordde Cassy. "Geen gevaar! Wij mogen zooveel leven +maken als wij willen, dat zal den schrik onderhouden." + +Eindelijk werd het stil in en om het huis, en tegen middernacht +begaf Legree zich naar bed, vloekende over zijnen tegenspoed en wraak +zwerende tegen den volgenden ochtend. + + + + + +VEERTIGSTE HOOFDSTUK + +DE MARTELAAR + + "Denk niet dat de rechtvaardige door den hemel + vergeten is! Schoon het leven hem zijne meest + gewone gaven onthoude, en hoewel hij met een + verscheurd en bloedend hart, door de menschen + versmaad, ter dood ga! Want God heeft elken + droevigen dag aangeteekend, en elken bitteren + traan geteld, en des hemels lange jaren van + zaligheid zullen alles vergoeden wat zijne + kinderen hier lijden." + + Bryran. + + +De langste weg moet een einde hebben--op den donkersten nacht moet +een morgen volgen. Een onverbiddelijk verloop van oogenblikken doet +den dag der boozen voortsnellen naar den eeuwigen nacht, en den +nacht der rechtvaardigen naar den eeuwigen dag. Wij hebben met onzen +nederigen vriend tot dusverre door het dal der slavernij gewandeld; +eerst door de bebloemde velden van lichamelijk welzijn en gemak; toen +door de hartverscheurende scheiding van alles wat de mensch dierbaar +acht. Daarna hebben wij hem vergezeld op een zonnig eiland, waar +edelmoedige handen zijne ketenen met bloemen omwonden; en eindelijk +hebben wij hem gevolgd, waar de laatste straal van aardsche hoop in +den nacht verdween, en gezien hoe in de zwarte aardsche duisternis +het firmament van het bovenzinnelijke met sterren van nieuwen en nog +meer heerlijkheid voorspellenden luister schitterde. + +De morgenster staat nu boven de toppen der bergen, en ruischende +koeltjes, die niet van deze aarde zijn, verkondigen dat de poorten +van den dag zich openen. + +De vlucht van Cassy en Emmeline had Legree ten uiterste vergramd +en verbitterd, en zijne woede trof, gelijk men wel verwachten kon, +het weerlooze hoofd van Tom. Toen hij het nieuws aan zijne slaven +bekend maakte, had zich in Toms oogen eene plotselinge flikkering +vertoond, die Legree evenmin ontsnapte, als het onwillekeurig vouwen +en opheffen zijner handen. Hij zag ook dat hij zich niet bij den troep +der vervolgers voegde. Hij dacht er wel aan om hem daartoe te dwingen, +maar daar hij reeds proef had gehad van zijne onverzettelijkheid, +wanneer hem iets onmenschelijks werd bevolen, wilde hij zich in zijne +haast niet met hem ophouden. + +Tom bleef dus achter met de weinigen, die van hem hadden leeren bidden, +en bad met hen voor de redding der vluchtelingen. + +Toen Legree teleurgesteld terugkwam, begon de wrok, dien hij reeds +lang tegen zijnen slaaf had gekoesterd, den aard van een blinden, +doodelijken haat aan te nemen. Had die man hem niet uitgetart, gedurig, +onverzettelijk uitgetart--zoolang hij zijn eigendom was geweest? Was +er geen geest in hem, die, hoewel zwijgende, hem eene innerlijke +hitte deed gevoelen, alsof het eeuwig vuur hem reeds brandde? + +"Ik haat hem," zeide Legree, toen hij dien nacht overeind in zijn bed +zat. "Ik haat hem! En is hij mijn eigendom niet? Kan ik niet met hem +doen wat ik wil? Wie zal het mij beletten?" + +En Legree kneep zijne vuisten dicht en schudde ze, alsof hij iets in +de handen had dat hij in stukken kon scheuren. + +Doch Tom was een trouwe, kostbare dienaar, en hoewel Legree hem +daarom des te meer haatte, hield deze bedenking hem toch eenigszins +in bedwang. + +Den volgenden morgen besloot hij om vooralsnog niets te zeggen, +maar een troep helpers van de naburige plantage te verzamelen, met +honden. Bereikte hij dan zijn oogmerk, dan was het wel; zoo niet, dan +zou hij Tom vóór zich laten komen--daarbij klemde hij zijne tanden op +elkander en begon zijn bloed te koken--_dan_ zou hij dien kerel klein +krijgen, of--er werd in zijn binnenste iets gruwelijks gefluisterd, +waarin zijne ziel toestemde. + +Gij zegt dat het eigenbelang van den meester een genoegzame waarborg +voor de veiligheid van den slaaf is. In de woede zijner dolle drift +zal de mensch, met volle wetenschap en open oogen, zijne eigene ziel +aan den duivel verkoopen; zal hij dan meer bezorgd zijn voor het +lichaam van zijnen naaste? + +"Zoo," zeide Cassy den volgenden dag op de vliering, toen zij door +de reet uitkeek, "de jacht zal vandaag weder beginnen." + +Drie of vier ruiters lieten hunne paarden voor het huis rondtrappelen +en eenige koppels vreemde honden worstelden met de negers die hen +vasthielden, en blaften en bromden tegen elkander. + +Van deze mannen waren twee opzichters van naburige plantages, de +anderen waren eenige lieden, met wie Legree in de herberg eener +naburige stad kennis had gemaakt, en die uit liefhebberij voor de +jacht gekomen waren. Moeielijk zou men zich een troep kerels van +ongunstiger uitzicht kunnen voorstellen. Legree deelde brandewijn in +overvloed onder hen uit, alsmede onder de negers, die van verschillende +plantages waren afgezonden om hem te helpen, want het was doelmatig, +een dienst van dezen aard zooveel mogelijk voor de negers tot een +feestdag te maken. + +Cassy hield haar oor voor de reet, en daar de wind vlak naar het +huis woei, kon zij veel van het gesprek verstaan. Een zweem van +toornigen spot vloog over den strakken ernst harer trekken, terwijl zij +luisterde, en hoorde hoe zij den grond verdeelden, over de wedijverende +verdiensten hunner honden spraken, en orders gaven aangaande het +vuren en de behandeling der vluchtelingen wanneer zij gevat werden. + +Cassy trad terug en met gevouwen handen omhoog ziende, zeide zij: +"O, groote almachtige God, wij allen zijn zondaren; maar wat hebben +wij meer dan alle anderen gedaan, dat wij zoo behandeld zouden worden?" + +Vreeselijk was de ernst in haren blik en hare stem, toen zij zoo sprak. + +"Als het niet om u was, kind," zeide zij, Emmeline aanziende, "zou ik +onder hen uitgaan, en dien man onder hen dankbaar zijn, die mij in eens +doodschoot; want waartoe zal de vrijheid mij baten? Kan zij mij mijne +kinderen teruggeven, of mij weder maken tot hetgeen ik geweest ben?" + +Emmeline was in hare kinderlijke eenvoudigheid eenigszins bevreesd +voor Cassy's sombere vlagen. Zij zag haar verbijsterd aan, maar +gaf geen antwoord. Zij vatte slechts hare hand, met een streelend +liefkoozende beweging. + +"Doe dat niet!" zeide Cassy, met eene poging om zich los te +trekken. "Gij zult nog maken dat ik u liefkrijg, en ik wil nooit +weder iets liefhebben." + +"Arme Cassy, denk zoo niet!" zeide Emmeline. "Als de Heere ons de +vrijheid geeft, geeft Hij u misschien uwe dochter terug, en in allen +gevalle zal ik als eene dochter voor u zijn. Ik weet wel dat ik mijne +arme oude moeder nooit zal weerzien! Ik zal u liefhebben, Cassy, +hetzij gij mij lief hebt of niet!" + +De zachte geest overwon. Cassy zette zich bij het meisje neer, sloeg +haar arm om haren hals, streelde hare zachte bruine lokken, en toen +verwonderde Emmeline zich over de schoonheid harer heerlijke oogen, +thans door tranen beneveld. + +"O, Emmy!" zeide Cassy, "ik heb naar mijne kinderen gehongerd en naar +hen gedorst en mijne oogen schemeren van verlangen naar hen. Hier, +hier," vervolgde zij op hare borst slaande, "is alles woest, alles +ledig! Als God mij mijne kinderen teruggaf, dan zou ik kunnen bidden." + +"Gij moet op Hem vertrouwen, Cassy," zeide Emmeline. "Hij is onze +Vader." + +"Zijn toorn is op ons," antwoordde Cassy. "Hij heeft zich in gramschap +van ons afgekeerd." + +"Neen, Cassy, Hij zal goed voor ons zijn! Laten wij op Hem hopen," +zeide Emmeline. "Ik heb altijd hoop gehad." + + + +De jacht duurde lang, en het geheele moeras werd nauwkeurig doorzocht, +maar zonder eenig gevolg; en met zekere ernstige, spottende blijdschap +zag Cassy op Legree neer, toen hij moede en verdrietig van zijn +paard stapte. + +"En nu, Quimbo," zeide Legree, terwijl hij zich in de huiskamer op +zijn gemak zette, "ga nu dien Tom eens hier halen, dadelijk! Die oude +vervloekte rekel is dat aanlegger van het geheele geval, en ik zal +het uit zijne zwarte huid halen of ik zal het hem betaald zetten." + +Hoewel Sambo en Quimbo elkander haatten, stemden zij toch overeen +in een niet minder levendigen haat tegen Tom. Legree had hen in het +begin gezegd, dat hij hem gekocht had om een algemeenen opzichter +van hem te maken; en dit had reeds een wrok tegen hem gezet, die bij +menschen van zulk een lage, slaafsche gezindheid nog was toegenomen, +toen zij het ongenoegen van hunnen meester over hem zagen komen. Quimbo +liep dus met blijdschap heen, om het bevel ten uitvoer te brengen. + +Tom hoorde deze boodschap met een waarschuwend voorgevoel, want hij +was met het geheele plan der vluchtelingen en hare tegenwoordige +schuilplaats bekend. Hij kende ook het gevaarlijke karakter van den +man die hem liet roepen, en zijne despotische macht; maar met God +voelde hij zich sterk genoeg om den dood tegemoet te gaan, liever +dan de hulpeloozen te verraden. + +Hij zette zijne mand neer, en de oogen opslaande, zeide hij: "In +Uwe handen beveel ik mijnen geest! Gij hebt mij verlost, o Heere, +God van waarheid!" en toen liet hij zich gewillig door de ruwe hand +van Quimbo aangrijpen en medesleepen. + +"Ja, ja," zeide de reusachtige zwarte, Tom voorttrekkende. "Nu zult gij +er van lusten. Meester is dol van kwaadheid, dat kan ik je zeggen! Nu +is er geen afkomen meer aan! Nu zult gij er van hebben! Wacht nu maar +hoe het je bekomt, dat ge meesters slaven helpt wegloopen! Wacht nu +maar wat je daarvoor krijgt." + +Geen van die dreigende woorden bereikten zijn oor, hij hoorde eene +andere stem hem toeroepen: "Vrees niet voor degenen die het lichaam +dooden, en daarna niet meer kunnen doen." Het geheele lichaam +van dien armen man trilde bij deze woorden, alsof Gods vinger hem +had aangeraakt, en hij voelde in zijne ziel de kracht van duizend +zielen. Terwijl hij voortstapte schenen de boomen en struiken, de +hutten zijner dienstbaarheid, het geheele tooneel zijner vernedering +hem voorbij te vliegen, gelijk een landschap voorbij een voortrollende +wagen. Zijn hart klopte sneller, zijn vaderland was in het gezicht--en +het uur der verlossing scheen op handen. + +"Wel, Tom," zeide Legree, die naar hem toekwam en hem ruw bij zijnen +schouder vatte, vol opgekropte woede door zijne tanden sissende, +"weet je wel dat ik mij heb voorgenomen om je te vermoorden?" + +"Dat is wel waarschijnlijk, meester," antwoordde Tom met kalmte. + +"Ja, dat heb ik," hervatte Legree met dreigende bedaardheid; "dat +heb ik, Tom, als ge mij niet alles zegt wat ge van die meiden weet." + +Tom zweeg. + +"Hoort ge niet?" bulderde Legree, nu uitbarstende. "Spreek!" + +"Ik heb niets te zeggen meester," antwoordde Tom, langzaam en bedaard. + +"Durft gij mij zeggen, gij oude en zwarte Christen, dat gij het niet +weet?" zeide Legree. + +Tom zweeg weder. + +"Spreek!" schreeuwde Legree, hem woedend een slag gevende. "Weet +gij iets?" + +"Ik weet iets, meester! maar ik kan niets zeggen. _Ik kan sterven._" + +Legree haalde diep adem, en zijne gramschap bedwingende, vatte hij +Tom bij den arm en zeide, met zijn gezicht bijna vlak voor dat van +zijn slachtoffer komende, met eene schrikkelijke stem: + +"Luister eens, Tom, gij denkt, omdat ik je voorheen heb losgelaten, dat +ik nu niet meen wat ik zeg; maar deze maal heb ik mijn besluit genomen +en de kosten berekend. Gij hebt het altijd tegen mij uitgehouden--maar +nu zal ik je klein krijgen of vermoorden; het een of ander. Ik zal +elken droppel bloeds tellen, dien gij in het lijf hebt, en ze een +voor een aftappen, tot gij het opgeeft." + +Tom zag naar zijn meester op en antwoordde: + +"Meester, als gij ziek waart, of in ongeluk, of stervende, zou ik u +mijn hartebloed geven; en als het aftappen van elken droppel bloeds +uit dit ellendige lichaam uwe kostbare ziel kon behouden, zou ik het +alles zoo geduldig geven, als de Heere het Zijne voor mij gegeven +heeft. O, meester, breng die groote zonde niet op uwe ziel! Doe het +ergste wat gij kunt, mijn leed zal spoedig voorbij zijn, maar als +gij u niet bekeert, zal het uwe _nooit_ eindigen!" + +Gelijk een galm van hemelmuziek onverwachts in de tusschenpoos van +een storm gehoord, veroorzaakte deze ontboezeming een oogenblik +van doffe verbazing. Legree stond versteld en zag Tom aan; het was +zoo stil, dat men duidelijk het tikken der klok kon hooren, die met +haren slinger de laatste oogenblikken van genade en beproeving voor +dat verstokte hart aftelde. + +Het was slechts een oogenblik--een kort oogenblik van aarzelend dralen, +van besluiteloosheid, van opwellend berouw; en toen kwam de booze geest +met zevenvoudig geweld terug en gaf Legree, schuimbekkende van woede, +zijnen slaaf een vuistslag, die hem deed neerstorten. + + + +Tooneelen van bloedige wreedheid zijn stuitend voor de ooren en het +hart. Wat de mensch in staat is te doen, is de mensch niet in staat +om te hooren. Wat de medemensch en medechristen moet lijden, kan ons +niet verhaald worden, zelfs niet in onze binnenkamer, zoo verscheurt +het de ziel. En toch, o mijn vaderland, worden deze dingen onder +de schaduw uwer wetten gedaan! O, Christus, uwe kerk ziet ze aan, +bijna met stilzwijgen! + +Maar oudtijds was er Een, wiens lijden een werktuig van marteling, +vernedering en schande in een zinnebeeld van heerlijkheid, eer en +onsterfelijk leven veranderde; en waar Zijn geest is, daar kunnen +slagen, bloed en smaadwoorden den laatsten worstelstrijd eens christens +niet minder dan heerlijk maken. + +Was hij alleen in dien langen nacht, hij, wiens krachtige, liefderijke +geest in die oude schuur tegen barbaarsche vuist- en geeselslagen +standhield? + +Neen, er stond Een bij hem, alleen door hem gezien, "gelijk aan den +Zoon van God!" + +Ook de verzoeker stond bij hem, verblind door woedende drift, en drong +hem ieder oogenblik om die marteling te ontgaan, door de onschuldigen +te verraden. Maar het dappere, trouwe hart bleef standvastig. Gelijk +zijn meester, was het hem bekend, dat hij, als hij anderen wilde +redden, zich zelven niet redden kon; en de uiterste mate van pijn kon +hem geen andere woorden afpersen, dan van gebed en heilig vertrouwen. + +"Hij is al haast weg, meester," zeide Sambo, zijns ondanks getroffen +door het geduld van het slachtoffer. + +"Sla maar toe, tot hij het opgeeft! Sla maar toe!" schreeuwde +Legree. "Ik zal hem zijn laatsten droppel bloed uitknijpen, als hij +niet bekent!" + +Tom opende zijne oogen en zag zijn meester aan. + +"Gij, arm, ellendig schepsel," zeide hij, "gij kunt niet meer +doen. Ik vergeef u met geheel mijne ziel!" en met deze woorden viel +hij in zwijm. + +"Ik geloof waarachtig dat hij al geheel zijn bekomst heeft," zeide +Legree, nader komende om naar hem te zien. "Ja, zoo is het. Nu, +dan is zijn mond toch eindelijk gesloten--dat is één goed ding!" + +Ja Legree, maar wie zal die stem in uwe ziel smoren--die ziel, waarvoor +het gedaan is met berouw, gebed en hoop, waarin het vuur reeds brandt, +dat nooit zal worden uitgebluscht? + +Het was echter nog niet geheel voorbij met Tom. Zijne verbazende +woorden en vrome gebeden hadden het hart getroffen der verdierlijkte +zwarten, die zwarten, die zich tot werktuigen der aan hem gepleegde +wreedheid hadden geleend; en toen Legree zich verwijderd had, namen +zij hem dadelijk af, en poogden hem in hunne onkunde tot het leven +terug te brengen--alsof dat eene weldaad voor hem was. + +"Zeker, wij hebben eene geduchte goddeloosheid gedaan," zeide +Sambo. "Ik hoop dat meester het zal te verantwoorden hebben en +wij niet." + +Zij wieschen zijne wonden, legden hem op een ruw bed van afgekeurd +katoen; en toen ging een van hen naar huis, en vroeg Legree om wat +brandewijn, onder voorwendsel dat hij moede was en er zelf behoefte +aan had. Hij bracht den brandewijn mede en goot dien Tom in de keel. + +"O, Tom," zeide Quimbo. "Wij zijn geducht goddeloos geweest, dat wij +zoo met u gehandeld hebben." + +"Ik vergeef het u met geheel mijn hart," zeide Tom flauw. + +"O Tom, zeg ons, wie is die Jezus toch?" zeide Sambo. "Jezus, die u +dezen ganschen nacht zoo heeft bijgestaan? Wie is hij?" + +Deze woorden wekten den bezwijmenden geest op. Hij ontboezemde een +kort maar krachtig getuigenis van dien wonderbaren Helper--van Zijn +leven, Zijnen dood, Zijne eeuwige alomtegenwoordigheid en Zijne macht +om te redden. + +Zij schreiden, die twee barbaarsche negers. + +"Waarom heb ik dat nooit vroeger gehoord!" zeide Sambo. "Maar ik +geloof het! Ik kan het niet laten! Heere Jezus, wees ons genadig!" + +"Arme schepselen!" zeide Tom. "Ik zou gewillig zijn om dat alles nog +eens te dragen, als het u maar tot Christus mocht brengen. O, Heere, +ik bid U, geef mij nog twee zielen!" + +Dat gebed werd verhoord. + + + + + +EEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK + +DE JONGE MEESTER + + +Twee dagen later kwam een jonkman in een lichten wagen de laan van +oranjeboomen oprijden, wierp de teugels haastig uit de hand, sprong +af en vroeg naar den eigenaar van het goed. + +Het was George Shelby, en om te doen begrijpen hoe hij daar kwam, +moeten wij een eind in het verhaal teruggaan. + +De brief van Miss Ophelia aan Mevrouw Shelby was door een ongelukkig +toeval een paar maanden aan een afgelegen postkantoor opgehouden, +eer hij zijne bestemming bereikte; en natuurlijk was Tom vóór dien +tijd reeds tusschen de afgelegen moerassen aan de Roode rivier uit +het oog verloren. + +Mevrouw Shelby las dit bericht met het diepste leedwezen, maar +dientengevolge terstond iets te doen was eene onmogelijkheid. Zij +zat toen bij het ziekbed van haren echtgenoot, die ijlende in de +crisis eener koortsziekte lag. Jongeheer George Shelby, die in dien +tusschentijd van een knaap tot een rijzig jonkman was veranderd, +was haar getrouwe helper en haar eenige steun in het beheer der zaken +van zijnen vader. Miss Ophelia was bedachtzaam genoeg geweest om den +naam van den procureur te melden, die de zaken van de St. Clare's +behandelde; en het eenige, wat onder deze omstandigheden kon gedaan +worden, was hem een brief te schrijven om nadere inlichtingen te +verzoeken. Het overlijden van Mr. Shelby, eenige dagen later, deed +natuurlijk alle belangen, uitgezonderd die van den dringendsten aard +waren, vergeten. + +Mr. Shelby had zijn vertrouwen op de bekwaamheden zijner vrouw getoond +door haar tot executrice in zijne nalatenschap te benoemen, daardoor +werd zij terstond met eene menigte van bezigheden overladen. + +Met hare eigenaardige geestkracht aanvaardde Mevrouw Shelby de taak +om den ingewikkelden staat der zaken te ontwarren, en hield zich, +door George geholpen, eenigen tijd bezig met rekeningen na te zien, +bezittingen te verkoopen en schulden af te doen; want zij had zich +voorgenomen alle zaken thans op een effen voet te brengen, wat ook de +gevolgen daarvan mochten zijn. Intusschen ontvingen zij een brief van +den rechtsgeleerde, naar wien Ophelia hen verwezen had, waarin deze +meldde dat hij niets van de zaak wist; dat de man op eene publieke +verkooping verkocht was, en hij niets anders zeggen kon, dan dat hij +het geld had ontvangen. + +Mevrouw Shelby en haar zoon konden zich echter hiermede niet +geruststellen, en toen George, ongeveer zes maanden later, voor de +zaken zijner moeder eene reis de rivier af moest doen, besloot hij +New-Orleans te bezoeken en in persoon navraag te doen, in de hoop +van aldus te ontdekken waar Tom gebleven was. + +Na eenige maanden van vruchtelooze nasporingen, ontmoette George +door een bloot toeval, te New-Orleans iemand, die hem de gewenschte +inlichtingen kon geven; en daarna voer hij, van geld voorzien, met +de stoomboot de Roode rivier op, met het besluit om zijn ouden vriend +op te zoeken en terug te koopen. + +Legree kwam buiten en ontving den vreemdeling met zekere barsche +gastvrijheid. + +"Ik verneem," zeide de jonkman, "dat gij te New-Orleans een jongen +gekocht hebt, Tom geheeten. Hij placht op mijns vaders plaats te wezen, +en ik kwam zien of ik hem niet kon terugkoopen." + +Legree's gezicht betrok, en hij antwoordde, driftig uitvallende: "Ja, +ik heb zulk een kerel gekocht, en een duivels slechten koop heb ik +aan hem gedaan. Zulk een weerspannige, onbeschaamde kerel! Hij heeft +mijne negers opgestookt om weg te loopen en twee meiden voortgeholpen, +die achthonderd of duizend dollars het stuk waard waren. Dat bekende +hij, en toen ik hem beval te zeggen waar zij waren zeide hij dat hij +het wel wist, maar het niet zeggen wilde; en daar bleef hij bij, +hoewel ik hem de ergste geeseling gaf die ik nog ooit een neger +gegeven heb. Ik geloof dat hij zijn best doet om dood te gaan, maar +ik weet niet of het hem gelukken zal." + +"Waar is hij?" zeide George ongeduldig. "Laat mij hem zien." + +Het gezicht des jonkmans was bloedrood geworden, en zijne oogen +schoten vonken; maar hij achtte het voorzichtig om nog niets te zeggen. + +"Hij is daar in die schuur," zeide eene kleine jongen, die het paard +van George vasthield. + +Legree gaf den jongen vloekende een schop; maar George ging, zonder +een woord te spreken, naar de aangeduide plaats. + +Tom had daar sedert dien noodlottigen nacht twee dagen gelegen, +niet lijdende, want alle gevoel en vatbaarheid voor lijden was +verdoofd. Hij lag meestal stil, in een halve bezwijming; want zijn +gezond en sterk gestel wilde niet zoo terstond bezwijken en den +gekerkerden geest vrijlaten. Tersluiks was hij daar in de duisternis +van den nacht bezocht door eenige arme schepselen, die hunne karige +uren van rust verkortten, om hem eenige dier liefdediensten terug te +geven, waarin hij altijd zoo overvloedig was geweest. Het is waar, +die arme discipelen hadden weinig te geven, alleen een beker koud +water; maar die werd met volle harten gegeven. + +Tranen waren op dat goedige, gevoellooze gezicht gedroppeld--tranen van +berouw, door die arme onwetende heidenen geschreid, die zijn geduld +en zijne stervende liefde tot berouw hadden opgewekt, en bittere +gebeden waren over hem uitgezucht tot een laat gevonden Verlosser, +van wien zij nauwelijks meer wisten dan den naam, maar wien het +smachtende hart van den onwetenden mensch nooit tevergeefs aanroept. + +Cassy, die uit hare schuilplaats was geslopen en door luisteren +vernomen had welk een offer er voor haar en Emmeline was gebracht, was +daar den vorigen nacht geweest, alle gevaar van ontdekking tartende; +en bewogen door eenige laatste woorden, die de liefderijke ziel nog +met inspanning van alle krachten kon fluisteren, was het hart der +ongelukkige verzacht, en had de wanhopige vrouw geweend en gebeden. + +Toen George de schuur binnentrad, voelde hij zich duizelig en flauw +worden. + +"Is het mogelijk? Is het mogelijk?" zeide hij, bij hem +nederknielende. "Oom Tom! Mijn arme, arme vriend!" + +De stem had iets, dat in het oor van den stervende doordrong. Hij +bewoog even het hoofd, glimlachte en zeide met de woorden van een +methodistisch lied: + + + "Jezus kan door Zijn gena + 't Sterfbed tot een donzen peluw maken." + + +Tranen, die zijn mannelijk hart eer aandeden, rolden den jongeling +over de wangen, terwijl hij zich over zijnen armen vriend heenboog. + +"O, beste Oom Tom! Ontwaak toch--spreek toch nog eens! Zie op! Hier +is George--uw kleine meester George.--Kent ge mij niet?" + +"Jongeheer George!" zeide Tom, zijn oogen openende, met eene uiterst +flauwe stem. "Jongeheer George!" en zag hem verbijsterd aan. + +Langzaam scheen het denkbeeld zijne ziel te vervullen; de zwervende +blik werd vast en helder, het geheele gezicht verlevendigde zich; +de handen werden saamgevouwen en de tranen rolden over zijne wangen. + +"Gezegend zij de Heere! Dat is--dat is al wat ik verlangde! Zij hebben +mij niet vergeten! Dat verwarmt mijne ziel, dat doet mijn oud hart +goed! Nu zal ik tevreden sterven! Loof den Heere; o mijne ziel!" + +"Gij zult niet sterven, gij moet niet sterven! Denk er niet aan! Ik +ben gekomen om u te koopen en weder naar huis te brengen," zeide +George met hartstochtelijke aandoening. + +"O, meester George, gij komt te laat. De Heere heeft mij gekocht +en zal mij naar huis brengen--en ik verlang om te gaan. De hemel is +beter dan Kentucky." + +"O, sterf toch niet. Dat zou mij den dood doen. Het zal mij het hart +breken te denken wat gij geleden hebt, en dat gij hier zoo in die +oude schuur ligt! Arme, ongelukkige man!" + +"Noem mij geen arm, ongelukkig man," zeide Tom met plechtigen +ernst. "Ik ben arm en ongelukkig geweest; maar dat is alles nu +voorbij. Ik ben nu vlak aan de deur, ingaande tot de heerlijkheid! O, +meester George, de hemel is gekomen! Ik heb de overwinning behaald! De +Heere Jezus heeft mij die gegeven. Geprezen zij Zijn naam!" + +George was ontzet over de kracht en de levendigheid, waarmede deze +afgebroken gezegden werden geuit. Hij bleef stil zitten staren. + +Tom vatte zijne hand en vervolgde: "Gij moet niet aan Chloe zeggen, +die arme ziel, hoe gij mij gevonden hebt, dat zou zoo schrikkelijk +voor haar wezen. Zeg haar maar, dat gij mij vondt, ingaande in de +heerlijkheid en dat ik naar niemand wachten kon. En zeg dat de Heere +mij altijd en overal heeft bijgestaan en mij alles licht en gemakkelijk +heeft gemaakt. En o, de arme kinderen--mijn oud hart is bijna om +hen gebroken, al zoolang. Zeg hun allen dat zij mij volgen--mij +volgen. Geef mijn liefdegroet aan meester en de lieve meesteres, +en iedereen op de plaats. O, gij weet het niet! Het is alsof ik hen +allen even lief heb! Ik heb alle schepselen lief, overal--het is niets +dan liefde! O, meester George, wat is het toch een christen te zijn!" + +Op dit oogenblik kwam Legree naar de deur kuieren, keek met een norsch +gezicht en geveinsde onverschilligheid binnen en keerde zich weder om. + +"Die oude satan!" zeide George in zijne verontwaardiging. "Het is +een troost, te denken dat de duivel hem eens hiervoor betalen zal." + +"O neen--zoo niet!" zeide Tom, zijne hand drukkende. "Hij is een +arm, ellendig schepsel. Het is ontzettend om er aan te denken. O, +als hij maar berouw wilde hebben, zou de Heere hem nog vergeven; +maar ik vrees dat hij het nooit zal doen." + +"Ik hoop van neen," zeide George. "Ik zou hem nooit in den hemel +willen zien." + +"Stil, meester George. Dat kwelt mij. Denk zoo niet. Hij heeft mij +geen wezenlijk kwaad gedaan--hij heeft maar de poort van het koninkrijk +voor mij geopend, anders niet." + +Op dit oogenblik was de kracht uitgeput, waarmede de blijdschap over +het wederzien van zijn jongen meester den stervende plotseling had +begaafd. Eensklaps begaf hem die opgewektheid weder; hij sloot de +oogen, en die geheimzinnige verandering vertoonde zich op zijn gelaat, +welke de nadering der andere wereld aankondigt. + +Hij begon dieper en zwaarder adem te halen; zijn breede borst zwoegde +heftig op en neer. De uitdrukking van zijn gelaat was die van een +overwinnaar. + +"Wie--wie--wie zal ons scheiden van de liefde van Christus?" zeide +hij met eene stem, die met zijne doodelijke zwakheid streed; en met +een glimlach viel hij in slaap. + +George bleef met eerbiedig ontzag stilzitten; het was hem alsof die +plaats heilig was; en toen hij eindelijk de gebroken oogen sloot en +van den doode opstond, vervulde hem slechts eene gedachte--die welke +zijn eenvoudige vriend had uitgedrukt met de woorden: "Wat is het +toch een christen te zijn!" + +Hij keerde zich om. Legree stond met een norsch gezicht achter hem. + +Het gezicht van zulk een stervende had het natuurlijk vuur van jeugdige +hartstochtelijkheid gedempt. De tegenwoordigheid van dien man was +voor George enkel walgelijk, en hij verlangde niets anders, dan zich +maar met zoo weinig woorden als mogelijk was van hem te verwijderen. + +Zijne donkere sprekende oogen op Legree vestigende, zeide hij slechts: + +"Gij hebt alles gekregen wat gij ooit van hem hebben kunt. Wat zal ik u +voor het lijk betalen? Ik wil het wegnemen en het behoorlijk begraven." + +"Ik verkoop geen doode negers," antwoordde Legree +stuursch. "Mijnentwege moogt gij hem begraven waar en wanneer gij +wilt." + +"Jongens," zeide George op een toon van gezag tot eenige negers, die +er bij stonden, "helpt mij hem opnemen en naar mijnen wagen dragen, +en haalt mij eene spa." + +Een van hen liep heen om eene spa; twee anderen hielpen George om +het lijk naar den wagen te dragen. + +George zag niet eens om naar Legree, die zijne bevelen niet tegensprak, +maar met gedwongen onverschilligheid stond te fluiten. Hij volgde +hen met een strak gezicht naar de plaats, waar de wagen stond. + +George spreidde zijn mantel in den wagen, en liet het lijk behoedzaam +daarin leggen, de bank opschuivende om ruimte daarvoor te maken. Toen +keerde hij zich om, keek Legree strak aan en zeide met gedwongen +bedaardheid: + +"Ik heb u nog niet gezegd wat ik over dit gruwelijk geval denk; +dit is noch de tijd, noch de plaats. Maar, Mijnheer, dit onschuldig +bloed zal recht hebben. Ik zal dezen moord bekend maken. Ik zal naar +den eersten rechter gaan dien ik vind, en u aangeven." + +"Doe dat," antwoordde Legree, hoonend met zijne vingers knippende. "Ik +zal het u zelfs gaarne zien doen. Waar zult gij getuigen krijgen? Hoe +zult gij het bewijzen? Kom maar op." + +George begreep terstond hoe veilig Legree hem kon uitdagen. Er was +geen blanke op de plantage, en in alle Zuidelijke gerechtshoven wordt +de getuigenis van het gekleurde bloed voor niets geacht. Het was hem +op dit oogenblik alsof de kreet om recht, dien zijn hart opzond, +den hemel zelven moest binnendringen; maar het was vruchteloos, +gerechtigheid op aarde te zoeken. + +"Wat een gedoe, zou ik zeggen, om een dooden neger!" zeide Legree. + +Dit woord was als de vonk in een kruitmagazijn. Voorzichtigheid is +nooit de eerste deugd van een Kentuckisch jonkman geweest. George +keerde zich om en gaf in zijne verontwaardiging Legree een vuistslag, +die hem plat op zijn gezicht deed vallen; en terwijl hij daar bij +hem stond gloeiende van gramschap en edelen trots, had hij geene +slechte voorstelling kunnen geven van zijnen grooten naamgenoot, +op het oogenblik zijner zegepraal over den draak. + +Voor sommige menschen is het echter werkelijk nuttig als zij eens +door een vuistslag op den grond gesmakt worden. Wanneer men hen maar +eens plat in het stof legt, schijnen zij terstond eerbied voor iemand +te krijgen, en Legree behoorde tot deze soort. Toen hij opstond en +zich het stof van de kleeren sloeg, keek hij den wegrijdenden wagen +met zekere onderdanigheid na en opende zijn mond niet vóórdat George +geheel uit het gezicht was. + +Buiten de grenzen der plantage had George een zandige hoogte opgemerkt, +door eenige boomen beschaduwd. Daar maakten zij het graf. + +"Zullen wij den mantel afdoen, meester?" zeide een van de negers, +toen het graf gereed was. + +"Neen, neen, begraaft hem daarmede. Het is alles wat ik u nu geven kan, +arme Tom, en gij zult het hebben." + +Zij legden het lijk in het graf, vulden het zwijgend weder met aarde, +hoopten die tot een heuveltje op, en bedekten dat met groene zoden. + +"Gij kunt gaan, jongens," zeide George en stopte ieder een halven +dollar in de hand. Zij bleven echter dralen. + +"Als meester zoo goed wou zijn om ons te koopen," zeide er een. + +"Wij zouden hem zoo trouw dienen," zeide de ander. + +"Het is hier heel erg, meester," hernam de eerste. "Och koop ons toch!" + +"Ik kan niet--ik kan niet," antwoordde George met innig leedwezen, +en wenkte hen om heen te gaan. "Het is onmogelijk." + +De arme lieden gingen stil en treurig heen. + +"Getuig, o eeuwig God," zeide George, op het graf van zijn armen +vriend knielende, "getuig, dat ik van dit uur af doen zal wat één +man kan doen, om dezen vloek der slavernij uit mijn land te drijven." + +Geen gedenkteeken kenmerkt de laatste rustplaats van onzen vriend. Hij +behoeft er geen. Zijn Heere weet waar hij ligt en zal hem opwekken +tot onsterfelijkheid, om met Hem te verschijnen wanneer Hij in Zijnen +heerlijkheid verschijnen zal. + +Beklaag hem niet! Zulk een leven en zulk een dood vereischen geen +beklag. Niet in den rijkdom der almacht is de grootste heerlijkheid +Gods gelegen, maar in zelfverloochenende, lijdende liefde. En gezegend +zijn de menschen, die Hij tot gemeenschap met Hem roept, om Hem het +kruis met geduld na te dragen. Van dezulken staat het geschreven: + +"Zalig zijn die treuren, want zij zullen vertroost worden." + + + + + +TWEE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK + +EENE AUTHENTIEKE SPOOKHISTORIE + + +Er bestond eene merkwaardige reden, waarom juist in dien tijd onder +de bedienden op het goed van Legree buitengemeen veel spookhistoriën +omliepen. + +Men vertelde elkander fluisterend, dat men in het holste van den +nacht voetstappen de vlieringtrap had hooren afkomen en door het huis +ronddwalen. Vruchteloos had men de deuren van de bovengang gesloten; +het spook had òf een tweeden sleutel in den zak, òf bediende zich +van het onheugelijke privilege der spoken, om door het sleutelgat +te kruipen, en wandelde evenals anderen rond, met eene vrijheid, +die inderdaad onrustbarend was. + +De stemmen waren eenigszins verdeeld, wanneer het op de beschrijving +der uitwendige gedaante van den geest aankwam, hetgeen te +wijten was aan een onder de negers--en zoover wij weten onder de +blanken--heerschend gebruik, om bij zulke gelegenheden de oogen te +sluiten, en het hoofd onder de dekens, of waaronder men anders kan, +weg te stoppen. Natuurlijk worden, gelijk ieder bekend is, wanneer de +lichamelijke oogen buiten werking zijn gesteld, de geestelijke oogen +bijzonder scherpziend; en zoo had men toch een aantal portretten +van het spook, die alle konden beëedigd worden; maar, gelijk met +portretten meermalen het geval is, in geen enkel opzicht naar elkander +geleken, behalve in dezen eigenaardigen familietrek van het geslacht +der spoken--dat het een _wit laken_ droeg. De arme negers waren niet +in de oude geschiedenis bedreven, en wisten niet dat Shakespeare dit +kostuum voor het echte had verklaard, door te zeggen dat "de dooden +in hunne _lijklakens_ gillend en mommelend door de straten van Rome +rondwaarden." Het is dus een zeer opmerkelijk spookkundig verschijnsel, +dat zij in dit opzicht allen overeenstemden. + +Hoe het hiermede mag gelegen zijn, wij hebben bijzondere redenen om te +weten, dat in de voor vast aangenomen spookuren eene rijzige gedaante +in een wit laken door het huis van Legree ronddwaalde--de deuren +uit en om het huis heenzweefde--nu verdween, dan weder verscheen, en +eindelijk de steile trap weder opging naar die noodlottige vliering; +en dat men des morgens alle deuren even vast gesloten vond als ooit. + +Legree kon niet nalaten dit gefluister te bemerken; en het was des +te meer hinderlijk voor hem door de moeite, die men deed om het +voor hem te verbergen. Hij dronk meer brandewijn dan gewoonlijk; +hield over dag trotsch het hoofd op en vloekte nog harder dan anders; +maar des nachts had hij kwade droomen en gedachten die alles behalve +aangenaam waren. Des avonds nadat het lijk van Tom was weggevoerd, +reed hij naar de naaste stad om zich wat vroolijk te maken en dit +deed hij terdege. Hij kwam laat en vermoeid tehuis, sloot zijne deur, +nam den sleutel er uit en ging naar bed. + +Doch laat iemand doen wat hij wil om haar te smoren, eene menschelijke +ziel is een akelige, spookachtige, onrustbarende bezitting voor een +slecht mensch. Wie kent hare grenzen en perken? Wie kent al hare +geduchte "misschiens"--die bevende en sidderende raadselvragen, die +zij zich evenmin kan afwennen als zij hare eigene eeuwigheid kan +overleven? Welk een dwaas is hij, die zijne deur sluit om geesten +buiten te houden, terwijl hij in zijne eigene borst een geest heeft, +dien hij niet _alleen_ durft ontmoeten--wiens stem gesmoord onder +bergen van aardschgezindheid, toch als de waarschuwende bazuin des +oordeels blijft klinken! + +Doch Legree sloot zijne deur en zette een stoel daartegen; hij plaatste +een nachtlicht bij het hoofdeinde van zijn bed en legde zijne pistolen +daarbij. Hij bezichtigde de sluitingen der vensters, zwoer toen met +een vloek, "dat hij niet om den duivel en al zijne engelen gaf!" en +ging slapen. + +Hij sliep, want hij was moede--hij sliep gerust. Maar eindelijk kwam +er over zijn slaap een schaduw van iets ontzettends, iets vreeselijks, +dat over hem heenging. Het was het lijklaken zijner moeder, dacht hij, +maar het was Cassy, die het ophield en hem vertoonde. Hij hoorde +een verward gerucht van gillen en kermen; en met dat al wist hij +dat hij sliep en worstelde hij om wakker te worden. Hij was half +wakker. Hij wist zeker dat er iets de kamer binnenkwam. Hij wist dat +de deur geopend werd, maar hij kon hand noch voet bewegen. Eindelijk +keerde hij zich met eene geweldige inspanning om. De deur was open, +hij zag eene hand die zijn licht uitdeed. + +Het was eene bewolkte schemerachtige maneschijn en daar zag hij +het!--iets wits, dat zwevende naderde! Hij hoorde het zachte geritsel +van het spookgewaad. Het stond bij zijn bed stil; eene koude hand +raakte de zijne aan; eene stem zeide driemaal zacht, ijzingwekkend +fluisterende: "Kom! kom! kom!" En terwijl hij daar van angst lag te +zweeten, was het, hij wist niet hoe of wanneer, verdwenen. Hij sprong +uit zijn bed en trok aan de deur. Zij was vast gesloten, en hij viel +op den grond in zwijm. + +Daarna werd Legree een sterker drinker dan te voren. Hij dronk niet +meer voorzichtig en met bedachtzaamheid, maar onvoorzichtig en met +woeste roekeloosheid. + +Kort daarna verspreidde zich in den omtrek het gerucht, dat hij +ziek was en sterven zou. Door zijne uitspattingen had hij zich die +vreeselijke ziekte berokkend, welke de dreigende schaduwen eener +toekomstige vergelding over het tegenwoordige leven schijnt te +werpen. Niemand kon het in die akelige ziekenkamer uithouden, wanneer +hij raaskalde en gilde, en van verschijnselen sprak, welke hun, +die hem hoorden, bijna het bloed deden stollen. Bij zijn sterfbed +stond eene onverbiddelijk dreigende, witte gedaante en fluisterde: +"Kom, kom, kom!" + +Door een zonderlingen loop van omstandigheden werd des ochtends na +den nacht, toen deze gedaante Legree voor het eerst verscheen, de +huisdeur open gevonden en hadden eenige negers twee witte schimmen +de laan zien langs zweven, die naar de groote weg leidde. + +De zon zou haast opgaan, toen Cassy en Emmeline voor een oogenblik +bleven stilstaan onder een groepje boomen, dicht bij de stad. + +Cassy was op de wijze der Creoolsche Spaansche dames gekleed, +geheel in het zwart. Eene zwarte voile, zeer dicht geborduurd, die +aan haar zwarten hoed was vastgemaakt, verborg haar gezicht. Het +was afgesproken, dat zij op de vlucht de rol eener Creoolsche dame, +en Emmeline die van haar kamenier zou spelen. + +Van hare kindsheid af aan den omgang in de hoogste kringen gewoon, +was Cassy door hare spraak en manieren volkomen geschikt voor deze +rol en zij had nog genoeg van hare eens prachtige garderobe en hare +juweelen over, om zich behoorlijk daarvoor te kleeden. + +In eene buitenwijk der stad, waar zij opgemerkt had dat koffers te +koop stonden, kocht zij een fraaien koffer. Zij verzocht den winkelier +om dien koffer met haar mede te zenden. En aldus vergezeld door een +jongen, die hare zware bagage kruide, en Emmeline, die eenige kleine +pakjes droeg, kwam zij als eene voorname dame in de kleine herberg aan. + +De eerste, die haar daar in het oog viel was George Shelby, daar +gekomen om op de stoomboot te wachten. + +Cassy had den jonkman van de vliering bespied, hem het lijk van Tom +zien medenemen en zich heimelijk verheugd over de manier waarop hij +Legree zijne verontwaardiging had doen gevoelen. Vervolgens had zij +uit de gesprekken onder de negers, die zij beluisterd had, wanneer +zij na het vallen van den nacht als spook rondzwierf, opgemaakt wie +hij was en in welke betrekking hij tot Tom stond. Zij voelde dus +terstond hare gerustheid sterker worden, toen zij bevond, dat hij +evenals zij op de volgende boot wachtte. + +Cassy's voorkomen en manieren, met hare blijkbare ruimte van geld +vereenigd, voorkwamen alle neiging tot achterdocht in de herberg. Men +is nooit zeer achterdochtig ten opzichte van menschen, die in de +hoofdzaak van goed betalen den toets kunnen doorstaan--iets waarop +Cassy had gerekend, toen zij zich van geld voorzag. + +Tegen den avond kwam de boot aan, en George bood haar met die +beleefdheid, welke een Kentuckiër eigen is, de hand om haar aan boord +te helpen, waarna hij nog verder moeite deed om haar eene goede hut +te bezorgen. + +Cassy bleef, onder voorwendsel van ongesteldheid, in hare hut en te +bed, zoolang men op de Roode Rivier was, en werd door hare gezellin +met gedienstige zorgvuldigheid opgepast. + +Toen zij aan de Mississippi kwamen, deed George, die vernomen had dat +de vreemde dame, evenals hij, hoogerop moest, het voorstel om eene +plaats voor haar op dezelfde boot te nemen waarop hij gaan wilde, +daar hij uit goedhartigheid en medelijden met hare ongesteldheid, +haar gaarne zooveel mogelijk van dienst wilde zijn. + +Ziedaar dan het geheele gezelschap veilig overgebracht op de goede +stoomboot te Cincinnatie, die met al de kracht harer raderen de +rivier opvaart. + +Cassy's gezondheid was veel beter. Zij zat op het dek, kwam aan tafel +en trok op de boot de aandacht als eene dame die eens zeer schoon +moest geweest zijn. + +Van het oogenblik af dat George haar gezicht voor de eerste maal +zag, werd hij gekweld door eene dier onbepaalde herinneringen van +gelijkenis, waardoor bijna ieder nu en dan verbijsterd wordt. Hij kon +het niet nalaten haar gedurig aan te zien. Aan de tafel, of als zij +in de deur van hare hut zat, vond zij steeds de oogen des jonkmans +op haar gevestigd, hoewel zij beleefd werden afgewend wanneer het +bleek dat zij daarop lette. + +Cassy werd ongerust. Zij begon te denken dat hij iets vermoedde en +besloot eindelijk zich geheel op zijne edelmoedigheid te verlaten en +hem hare geschiedenis toe te vertrouwen. + +George was hartelijk genegen om zijne belangstelling te toonen voor +iedereen, die van de plantage van Legree was ontkomen, eene plaats +waarvan hij niet met bedaardheid kon spreken; en met die dappere +onverschilligheid voor alle gevolgen, welke eene eigenschap van zijne +jaren en zijn karakter was, verzekerde hij haar dat hij alles zou doen +wat in zijn vermogen was, om de twee vluchtelingen te beschermen en +voort te helpen. + +De hut naast die van Cassy was door eene Fransche dame bezet, welke +den naam van De Thoux droeg, en haar dochtertje, een bevallig meisje +van twaalf jaren, bij zich had. + +Toen deze dame uit eenige gezegden van George had opgemaakt dat hij +van Kentucky was, scheen zij bijzonder genegen om kennis met hem +te maken, in welk oogmerk zij werd bijgestaan door de aanvalligheid +van haar dochtertje, dat zulk een aardig speelpopje was, als ooit de +verveling eener veertiendaagsche reis met eene stoomboot verminderde. + +Dikwijls stond George's stoel bij de deur harer hut, en dan kon Cassy, +als zij hare deur openliet, het gesprek hooren. + +Madame De Thoux deed zeer omstandig navraag naar Kentucky, waar zij +zeide dat zij vroeger had gewoond. Tot zijne verwondering ontdekte +George dat hare vroegere woonplaats in zijne nabijheid moest geweest +zijn, en hare vragen legden eene gemeenzaamheid met de menschen en +dingen in die streek aan den dag, welke hem zeer verraste. + +"Kent gij ook in uwe buurt iemand, die Harris heet?" vroeg Madame De +Thoux eens. + +"Er is een oude kerel van dien naam, die niet ver van mijns vaders +goed woont," antwoordde George, "maar wij hebben nooit veel omgang +met hem gehad." + +"Hij is een groot slavenhouder, geloof ik," zeide Madame De Thoux op +eene manier die meer belangstelling scheen te verraden dan zij wel +wilde laten blijken. + +"Dat is hij," zeide George eenigszins verwonderd over haren toon. + +"Hebt gij er nooit van gehoord--misschien hebt gij er wel van gehoord, +dat hij een mulat had die George heette?" + +"O zeker--George Harris--ik ken hem wel; hij is met eene meid van +mijne moeder getrouwd; maar hij is nu naar Canada ontsnapt." + +"Is hij dat?" zeide Madame De Thoux snel. "Goddank!" + +George zag haar bevreemd aan, maar zeide niets. + +Madame De Thoux liet haar hoofd in hare handen zinken en barstte in +tranen uit. + +"Hij is mijn broeder!" zeide zij. + +"Madame!" zeide George, op den toon der hoogste verbazing. + +"Ja," zeide Madame De Thoux, trotsch het hoofd opheffende en hare +tranen afwisschende. "Ja, Mijnheer Shelby, George Harris is mijn +broeder." + +"Ik ben geheel verbaasd," zeide George, zijn stoel een eind +terugschuivende en Madame De Thoux aanziende. + +"Ik werd naar het Zuiden verkocht, toen hij nog een kind was," +zeide zij. "Ik werd gekocht door een braaf, edelmoedig man. Hij nam +mij mede naar de West-Indiën, liet mij vrij en trouwde mij. Het is +nog maar kort geleden dat hij stierf, en ik kwam nu naar Kentucky, +om te zien of ik mijn broeder kon vinden en vrijkoopen." + +"Ik heb hem van eene zuster Emily hooren spreken, die naar het Zuiden +verkocht was," zeide George. + +"Ja, die ben ik," zeide Madame De Thoux. "Maar zeg mij wat voor +een...." + +"Een zeer knap jonkman," zeide George, "in weerwil van den vloek der +slavernij, die op hem lag. Hij verdiende algemeene achting, zoowel +om zijne schranderheid als om zijne braafheid. Dat weet ik, ziet ge," +vervolgde hij, "omdat hij in onze familie getrouwd was." + +"Wat voor een meisje?" zeide Madame De Thoux snel. + +"Een juweel," antwoordde George. "Een schoon, verstandig, beminnelijk +meisje en zeer godsdienstig. Mijne moeder had haar grootgebracht +en bijna zoo zorgvuldig opgevoed als eene dochter. Zij kon lezen en +schrijven, naaien en borduren, alles uitmuntend en was eene heerlijke +zangeres." + +"Was zij in uw huis geboren?" vroeg Madame De Thoux. + +"Neen. Mijn vader kocht haar eens, toen hij te New-Orleans was, en +bracht haar mede als een presentje voor mijne moeder. Zij was toen +omtrent acht of negen jaar oud. Vader wilde moeder nooit zeggen wat +hij voor haar gaf; maar toen ik laatst zijne oude papieren nazag, +vond ik den koopbrief. Hij had inderdaad eene buitensporige som voor +haar betaald, waarschijnlijk om hare ongemeene schoonheid." + +George zat met zijnen rug naar Cassy en lette niet op de vurige +belangstelling, die haar gelaat uitdrukte, toen hij deze bijzonderheden +vermeldde. + +Nu stiet zij hem aan den arm en zeide bleek van aandoening en angstige +spanning: "Weet gij ook van wien hij haar kocht?" + +"Een man die Simmons heette, was geloof ik de principaal bij den +verkoop, tenminste dat was, als ik mij wel bedenk, de naam die onder +den koopbrief stond." + +"O, mijn God!" zeide Cassy en zonk bewusteloos op het dek. + +George sprong op en Madame De Thoux insgelijks. Hoewel zij geen van +beiden konden gissen wat de oorzaak van Cassy's flauwvallen was, +maakten zij toch al de opschudding, die bij zulke gelegenheden +behoort. George gooide in het vuur zijner menschlievendheid de +lampetkan om en brak twee glazen; en de dames in de kajuit, hoorende +dat er iemand flauw gevallen was, verdrongen elkander bij de deur +der hut en sloten de lucht zooveel mogelijk af, zoodat er over het +geheel alles gedaan werd, wat men kon verwachten. + +Arme Cassy! Toen zij weder bijkwam, keerde zij haar gezicht naar den +wand en schreide en snikte als een kind. Misschien moeder, kunt gij +zeggen waaraan zij dacht. Misschien kunt gij het niet. Maar in dat +uur voelde zij zich zoo zeker dat God barmhartigheid met haar had +gehad, en dat zij hare dochter zou wederzien, als toen zij maanden +later--maar wij loopen te veel vooruit. + + + + + +DRIE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK + +DE AFLOOP + + +Het overige onzer geschiedenis is spoedig verhaald. George Shelby, +wiens belangstelling, (gelijk bij een jonkman niet anders wezen +kon) niet minder door het romaneske van het gebeurde, dan door +zijn menschlievend gevoel werd gewekt, moest de moeite doen van +Cassy den koopbrief van Eliza over te zenden, en daar naam en datum +overeenstemden met hetgeen zij zelve van de zaak wist, bleef er voor +haar geen twijfel over, of deze Eliza was haar eigen kind. Thans was +het haar eenige gedachte de vluchtelingen op te sporen. + +Madame De Thoux en zij, door dezen zonderlingen samenloop van +omstandigheden aan elkander gehecht, begaven zich terstond naar Canada +en deden een reis, om navraag te doen op al de stations, waar de +talrijke vluchtelingen uit de slavernij zich ophouden, te Amhertsberg +vonden zij den zendeling bij wien George en Eliza bij hunne aankomst in +Canada het eerst een schuilplaats hadden gevonden, en door hem werden +zij in staat gesteld om het spoor der familie naar Montreal te volgen. + +George en Eliza waren nu vijf jaren vrij geweest. George had bestendige +bezigheden gevonden in de werkplaats van een braven machinist, waar +hij genoeg verdiende tot onderhoud van zijn gezin, dat intusschen +met eene dochter was vermeerderd. + +Kleine Harry, thans een frisch opgegroeide, schrandere knaap, was +op een goede school besteld, waar hij snelle vorderingen in allerlei +kundigheden maakte. + +De brave leeraar van het station te Amhertsberg, waar George het eerst +was aangekomen, stelde zooveel belang in het verhaal van Madame De +Thoux en Cassy, dat hij aan het verlangen der eerste gehoor gaf, om +haar naar Montreal te vergezellen en haar in hare nasporingen aldaar +behulpzaam te zijn, terwijl zij al de kosten der reis zou dragen. + +Het tooneel wordt nu verplaatst naar eene kleine nette woning in +eene buitenwijk van Montreal, en de tijd is avond. Een vroolijk vuur +brandt aan den haard, eene theetafel met een sneeuwwit kleed bedekt, +staat gereed voor den avondmaaltijd. In een hoek van het vertrek staat +een tafel met een groen kleed, en daarop een schrijflessenaartje met +pennen en papier, en aan den wand is een plank met welgekozen boeken. + +Die hoek was George's studeerkamer. Dezelfde zucht naar kennis, +die hem ter sluiks de veelgewenschte lees- en schrijfkunst had doen +leeren, onder al den arbeid en de tegenheden van zijn vroeger leven, +spoorde hem nu aan om al zijn ledigen tijd aan de vermeerdering zijner +kundigheden te wijden. + +Op het oogenblik zit hij aan tafel en maakt aanteekeningen uit een +boek dat hij gelezen heeft. + +"Kom, George," zegt Eliza, "ge zijt den geheelen dag uit geweest. Leg +nu dat boek toch neer, en laten wij wat praten terwijl ik thee zet, +kom!" + +En de kleine Eliza helpt haar door naar haren vader te waggelen en +eene poging te doen om hem het boek uit de hand te trekken en zich +zelve in plaats daarvan op zijne knie te zetten. + +"O, gij kleine heks," zegt George toegevende, gelijk een man in zulke +omstandigheden altijd doen moet. + +"Goed zoo," roept Eliza, terwijl zij het brood begint te snijden. + +Zij ziet er een weinigje ouder uit, hare gestalte is wat meer gezet, +heur haren zijn wat stemmiger opgemaakt dan voorheen, maar blijkbaar +is zij zoo gelukkig en tevreden als eene vrouw maar behoeft te zijn. + +"Wel Harry, mijn jongen, hoe zijt ge vandaag met die som +klaargekomen?" zegt George, terwijl hij zijne hand op het hoofd van +zijn zoontje legt. + +Harry heeft zijne lange krullen verloren; maar hij kan nooit die +oogen verliezen, en dat hooge edele voorhoofd, waarnaar een blos van +zegevierende blijdschap opstijgt, terwijl hij antwoordde: "Ik heb +haar gemaakt, heel en al zelf vader; _niemand_ heeft mij geholpen." + +"Goed zoo!" zegt zijn vader. "Help u zelven maar, jongen. Gij hebt +beter kans dan uwe vader ooit gehad heeft." + +Op dit oogenblik wordt er aan de deur geklopt en Eliza gaat +opendoen. Haar verheugd: "Wel heden--zijt gij daar?" roept haar man; +en de goede zendeling van Amhertsberg wordt verwelkomd. Hij heeft +twee vrouwen bij zich en Eliza verzoekt dezen om te gaan zitten. + +Om nu de waarheid te zeggen, had de goede zendeling een klein +programma vastgesteld, volgens hetwelk de zaak zich moest ontwikkelen; +en onderweg had hij allen zeer ernstig en bedachtzaam vermaand, +om niets te laten blijken behalve volgens vroegere afspraak. + +Hoe stond de goede man dus versteld, toen, juist nadat hij de dames +gewenkt had om plaats te nemen, en terwijl hij zijn zakdoek uithaalde +om zijn mond af te vegen, opdat hij naar behooren zijne inleidingsrede +zou kunnen voordragen, Madame De Thoux het geheele plan in duigen +wierp, door hare armen om George's hals te slaan en alles in eens +uit te brengen, met den uitroep: "O, George, kent ge mij niet? Ik +ben uwe zuster Emily!" + +Cassy was met meer bedaardheid gaan zitten, en zou hare rol zeer goed +gespeeld hebben, zoo niet de kleine Eliza eensklaps voor haar was +verschenen in dezelfde gedaante, zelfs met de volmaakste gelijkenis +in elke krul, die hare dochter had, toen zij deze voor het laatst +had gezien. Het kleine ding keek naar haar op; en Cassy sloot haar +in hare armen, drukte haar aan hare borst, en zeide wat zij op het +oogenblik inderdaad geloofde: "Lieveling, ik ben uwe moeder!" + +Het was inderdaad eene moeilijke zaak om in behoorlijke orde af +te doen; maar eindelijk gelukte het den goeden zendeling toch om +iedereen stil te krijgen en de redevoering uit te spreken, waarmede +hij voornemens was te beginnen en waarmede hij nu toch zooveel indruk +maakte, dat geheel zijn gehoor zat te snikken op eene manier, die +elken redenaar, uit ouden of nieuwen tijd, moest tevreden stellen. + +Zij knielden te zamen, en de goede man bad--want er zijn sommige +aandoeningen, zoo woelig en onstuimig, dat zij alleen rust kunnen +vinden door in den boezem van de Almachtige Liefde te worden +uitgestort; en toen opstaande, omhelsden de pas gevonden betrekkingen +elkander met een heilig vertrouwen op Hem, die hen door zulke angsten +en gevaren, langs zulke zonderlinge wegen, bij elkander had gebracht. + +Het aanteekenboekje van een zendeling onder de vluchtelingen in +Canada bevat waarheid, veel vreemder dan verdichting. Hoe kan het +anders wezen, waar een stelsel heerscht; dat familiën rondslingert en +hare leden verstrooit, gelijk de wind de herfstbladeren rondslingert +en verstrooit? Die kusten van toevlucht vereenigen dikwijls weder, +gelijk de kusten van de eeuwigheid, in blijde gemeenschap, harten, +die elkander jarenlang als verloren betreurd hebben en aandoenlijk +boven alle beschrijving is het ernstige verlangen, waarmede elk nieuw +aankomende onder hen ontvangen wordt, of hij misschien ook tijding +medebrengt van moeder, zuster, vrouw of kind, nog in den nacht der +slavernij voor het gezicht verborgen. + +Heldendaden worden hier verricht, stouter dan in romans voorkomen, +wanneer de vluchteling, gevaar en dood tartende, zich weder tusschen +de verschrikkingen en gevaren van dat donkere land begeeft, om eene +zuster, moeder of vrouw daaruit te verlossen. + +Een jonkman, van wien een zendeling ons verhaald heeft, +tweemaal opgevangen en tweemaal met schandelijke slagen voor zijne +heldhaftigheid gestraft, was wederom ontsnapt; en in eenen brief, dien +wij hoorden voorlezen, zegt hij zijnen vrienden dat hij voor de derde +maal teruggaat, om eindelijk als het mogelijk is zijne zuster mede te +brengen. Mijn goede heer, is deze man een held of een misdadiger? Zoudt +gij niet evenveel voor uwe zuster doen? En gij kunt hem laken? + +Doch om weder tot onze vrienden terug te keeren, die toen wij +hen verlieten bezig waren met zich de oogen af te vegen en zich te +herstellen van eene al te groote en plotselinge blijdschap--zij zijn +nu om de gezellige tafel gezeten, en schijnen reeds lang met elkander +eigen te zijn; behalve dat Cassy, die de kleine Eliza op haren schoot +heeft, haar nu en dan vastklemt op eene manier welke het kind verbaast, +en hardnekkig weigert zich den mond zoo vol koek te laten stoppen als +de kleine verlangt, zeggende hetgeen het meisje tamelijk bevreemdt, +dat zij wat beters heeft dan koek en geen eten noodig heeft. + +En inderdaad, in twee of drie dagen had er zulk een verandering +met Cassy plaats gehad, dat onze lezers haar nauwelijks zouden +herkennen. De wanhopige, akelige uitdrukking harer trekken had voor +eene geheel andere plaats gemaakt, die niets dan zoet vertrouwen +aanduidde. Zij scheen op eens geheel eigen in de familie te worden, +en de kleinen in haar hart op te nemen, als iets waarnaar zij lang +had gewacht. Haar liefde scheen zelfs rijkelijker en natuurlijker +voor de kleine Eliza op te wellen, dan voor hare eigene dochter, +want het meisje was het volmaakte beeld van het kind dat zij eens +verloren had. De kleine was een bloemenband tusschen moeder en dochter, +waardoor kennismaking en genegenheid werden aangeknoopt. Eliza's kalme, +onwankelbare godsvrucht, door de gedurige lezing van het heilige +woord bestuurd, maakte haar tot eene geschikte leidsvrouw voor den +geslingerden en vermoeiden geest harer moeder. Cassy zwichtte terstond +en met geheel hare ziel voor allen goeden invloed, en werd eene vrome +en liefderijke christinne. + +Na een paar dagen sprak Madame De Thoux met haren broeder meer in +het bijzonder over hare aangelegenheden. De dood van haren echtgenoot +had haar in het bezit van een aanzienlijk vermogen gelaten, dat zij +grootmoedig aanbood met haren broeder te deelen. Toen zij George +vroeg op welke wijze zij haar geld het best voor hem besteden kon, +antwoordde hij: + +"Geef mij eene opvoeding Emily. Dat is altijd het verlangen van mijn +hart geweest. Dan kan ik al het overige doen." + +Na rijp beraad werd er besloten, dat de geheele familie zich voor +eenige jaren naar Frankrijk zou begeven, en daarheen vertrokken zij +dan ook, Emmeline met zich nemende. + +De bevalligheid van dit meisje wekte de genegenheid van den eersten +stuurman op het schip, waarmede zij de reis deden, en kort nadat zij +in de haven kwamen werd zij zijne vrouw. + +George bleef vier jaren aan eene Fransche universiteit, en daar hij +met onvermoeiden ijver arbeidde, was hij na verloop van dien tijd +meester van even grondige als uitgebreide kundigheden. + +De staatkundige onlusten in Frankrijk bewogen de familie om wederom +eene schuilplaats in Amerika te zoeken. + +George's begrippen en inzichten, na het volbrengen zijner studiën, +zullen het best kunnen worden opgemaakt uit een brief aan een zijner +vrienden. + + + "Ik ben eenigszins besluiteloos wat mijne toekomstige + loopbaan betreft. Het is waar, gelijk gij mij gezegd hebt, + ik zou in de kringen der blanken in dit land kunnen verkeeren; + mijne tint van kleur is zoo gering, en die van mijne vrouw en + kinderen nauwelijks merkbaar. Nu ja, ik zou misschien geduld + worden. Maar om u de waarheid te zeggen, ik verlang dit niet. + + "Ik gevoel mij niet aan het geslacht van mijnen vader, maar + aan dat mijner moeder gehecht. Voor hem was ik niet meer dan + een geliefkoosde hond of een fraai paard; voor mijne arme, + ongelukkige moeder was ik een kind, en hoewel ik haar na de + wreede verkooping die ons scheidde nooit heb wedergezien tot + zij stierf, weet ik toch dat zij mij altijd teeder liefhad. Ik + weet dat aan mijn eigen hart. Wanneer ik aan haar lijden denk, + aan wat ik zelf vroeger geleden heb, aan wat mijne heldhaftige + vrouw heeft doorstaan en doorworsteld, aan mijne zuster die + te New-Orleans op de slavenmarkt werd verkocht--hoewel ik + geen onchristelijk gevoel hoop te koesteren, zal het wel bij + mij te verschoonen zijn, als ik zeg dat ik niet verlang voor + een Amerikaan door te gaan, of mij met hen gelijk te stellen. + + "Het is met den verdrukten Afrikaan, dat ik mij verbroederen + wil; en als ik iets wenschte, zou het zijn dat ik twee tinten + donkerder was, in plaats van eene tint lichter. + + "Het smachtende verlangen mijner ziel is eene Afrikaansche + nationaliteit. Ik wensch een volk, dat een zichtbaar + afzonderlijk eigen bestaan heeft; en waar zal ik dat + zoeken? Niet op Haïti; want op Haïti had men niets om mede te + beginnen. Een stroom kan niet boven zijne bron rijzen. Het + geslacht, dat het karakter der Haïtianen vormde, was een + versleten en verwijfd geslacht, en natuurlijk zal het eeuwen + lang duren, eer het eens daaraan onderworpen geslacht zich + tot iets verheft. + + "Waar zal ik dan zoeken? Op de kusten van Afrika zie ik eene + republiek, eene republiek gevormd uit uitgelezen mannen, die + zich veelal door geestkracht en eigen ontwikkeling persoonlijk + boven den staat van slavernij hebben verheven. Nadat zij een + voorbereidenden toestand van zwakheid heeft doorleefd, is + deze republiek eindelijk eene erkende natie op het aangezicht + des aardrijks geworden--door Engeland en Frankrijk beide + erkend. Daar verlang ik heen te gaan en een vaderland te + vinden. + + "Ik weet wel dat ik u allen tegen mij zal hebben, maar eer + gij vonnis velt, hoor mij aan. Gedurende mijn verblijf in + Frankrijk heb ik met vurige belangstelling de geschiedenis + van mijn volk in Amerika nagegaan. Ik heb op de worsteling + tusschen abolitionisten en colonisationisten gelet, en als + verwijderd toeschouwer ben ik op gedachten gekomen die mij + als deelnemer aan dien kamp nooit hadden kunnen invallen. + + "Ik geef toe dat dit Liberia tot allerlei oogmerken + gebruikt mag zijn en door de list onzer onderdrukkers + tegen ons is aangewend. Zonder twijfel kan het plan, op eene + onverschoonlijke manier, gebezigd zijn als een middel om onze + emancipatie te verdagen. Maar voor mij is de vraag: is er niet + een God boven alle menschelijke plannen en aanslagen? Kan + Hij hunne oogmerken niet hebben verijdeld en daardoor een + volk voor ons hebben gesticht? + + "In dezen tijd wordt een volk in éénen dag geboren. Een volk, + dat thans ontstaat, heeft de oplossing van al de groote + vraagstukken, die met republikeinsche staatsinstelling + en beschaving in verband staan, uitgewerkt vóór zich; het + behoeft niet te ontdekken, maar alleen toe te passen. Laten + wij dan met al onze macht handen aan het werk slaan en zien + wat wij met deze nieuwe onderneming kunnen doen, en het + geheele, heerlijke vasteland van Afrika ligt voor ons en + onze kinderen open. Ons volk zal den stroom der beschaving + en des Christendoms langs zijne kusten voortstuwen en daar + machtige republieken vestigen, die met de snelheid van den + tropischen plantengroei vastwortelende, voor alle eeuwen + zullen blijven bestaan. + + "Zegt gij dat ik mijne ongelukkige broederen, die nog in + slavernij verkeeren, verlaat? Ik geloof van neen. Als ik + hen een uur, een oogenblik van mijn leven vergeet, zoo moge + God mij vergeten! Maar wat kan ik hier voor hen doen? Kan ik + hunne ketenen verbreken? Neen, als individu kan ik dat niet; + maar laat ik heengaan en een deel worden van een volk, dat + eene stem zal hebben in den raad der volken, en dan kunnen wij + spreken. Een volk bezit het recht om zich te doen hooren en + de zaak van zijnen stam te vertegenwoordigen, dat een enkel + persoon niet bezit. + + "Indien Europa ooit een groote raad van vrije volken wordt, + gelijk ik van God vertrouw dat het worden zal--indien + de lijfeigenschap en alle onrechtvaardige en drukkende + maatschappelijke ongelijkheden afgeschaft worden, en + indien zij, gelijk Frankrijk en Engeland gedaan hebben, ons + volksbestaan erkennen--dan zullen wij ons op het groote congres + der volken beroepen en daarin de zaak van onzen verdrukten + stam vertegenwoordigen; en het kan niet anders of het vrije, + verlichte Amerika zal dan verlangen om de vlek van zijn + wapenschild uit te delgen, welke het voor de volken onteert + en zoowel voor de verdrukkers als de verdrukten een vloek is. + + "Doch gij zult mij zeggen, dat onze stam evenveel recht heeft + om zich met de Amerikaansche republiek te vereenzelvigen als + de Ier, de Duitscher, de Zweed. Toegestemd, dat heeft hij. Wij + behoorden vrijheid te hebben om ons met anderen gelijk te + stellen en te vermengen--om ons door persoonlijke waarde + hooger te verheffen, zonder eenig aanzien van stam en kleur; + en zij, die ons dat recht ontzeggen, verzaken de beginselen + van menschelijke gelijkheid die zij belijden. Wij behoorden + in het bijzonder dit hier te mogen doen. Wij hebben meer + recht dan gewone menschen--wij hebben als verongelijkte stam + aanspraak op vergoeding. Maar ik verlang dit niet; ik verlang + een eigen vaderland en volk. Ik denk dat de Afrikaansche stam + eigenaardigheden bezit, die nog in het licht der beschaving + en des Christendoms ontwikkeld moeten worden, en welke, indien + zij niet naar de eigenaardigheden der Anglo-Saksers gelijken, + misschien kunnen blijken van nog hoogeren zedelijken rang + te zijn. + + "Aan den Anglo-Saksischen stam is de bestemming der wereld + toevertrouwd gedurende haar aanvankelijk tijdperk van + worsteling en strijd. Voor die roeping waren de stugge, + onbuigzame, krachtige eigenschappen van dien stam uitmuntend + geschikt; maar als christen verwacht ik de komst van een ander + tijdperk. Ik vertrouw dat wij op de grens daarvan staan; + en de woelingen, die tegenwoordig de volken beroeren, zijn + naar ik hoop slechts de voorboden van een tijd van algemeenen + vrede en broederschap. + + "Ik vertrouw dat de ontwikkeling van Afrika wezenlijk eene + christelijke zal zijn. Indien geen heerschende en gebiedende + stam, zijn de negers ten minste een liefderijke, grootmoedige, + vergevensgezinde stam. Zij worden geroepen, terwijl zij zich + in den vurigen oven van onrecht en onderdrukking bevinden, + zij moeten dus wel hunne harten te vaster hechten aan die + verheven leer van liefde en vergevensgezindheid, waardoor zij + alleen kunnen overwinnen, en welke het hunne roeping is over + het vasteland van Afrika te verbreiden. + + "Op mij zelven, beken ik, ben ik zwak daartoe; de helft van + het bloed in mijne aderen is het heete en haastige Saksische; + maar ik heb eene welsprekende predikster van het Evangelie + altijd bij mij, in mijne beminnelijke vrouw. Wanneer ik + afdwaal, wijst haar zachtere geest mij terecht en houdt mij + de christelijke roeping en bestemming van onzen stam voor + oogen. Als een christelijk patriot, als een leeraar des + Christendoms, ga ik naar mijn vaderland--mijn uitverkoren, + mijn heerlijk Afrika--en daarop pas ik in mijn hart somtijds + de heilrijke woorden toe der profetie: + + "In plaats dat gij verlaten en gehaat zijt geweest, zoodat + niemand door u henenging, zoo zal ik u stellen tot eene eeuwige + heerlijkheid, tot eene vreugde van geslachte tot geslachte!" + + "Gij zult mij een enthousiast noemen; gij zult mij zeggen + dat ik niet wel overwogen heb wat ik onderneem. Maar ik heb + het overwogen en de kosten berekend. Ik ga naar Liberia, niet + als naar een romantisch Elysium, maar als naar een veld van + arbeid. Ik ben van plan met geest en lichaam te werken--zwaar + te werken; te werken tegen allerlei moeielijkheden en + ontmoedigende bezwaren in; en te werken tot ik sterf. Dat + is het waarom ik er heenga, en daarin ben ik volkomen zeker, + dat ik niet teleurgesteld zal worden. "Wat gij ook van mijn + besluit denken moogt, verban mij niet uit uw vertrouwen, + en denk dat ik in al wat ik doe, handel met een hart, dat + geheel aan mijn volk is toegewijd. + + "George Harris." + + +Eenige weken later scheepte George zich met zijne vrouw en kinderen, +zuster en moeder naar Afrika in. Indien wij ons niet bedriegen, +zal de wereld nog daar van hem hooren. + +Van de andere personen in ons verhaal hebben wij niets bijzonders te +melden, behalve een enkel woord, aangaande Miss Ophelia en Topsy en +een afscheids-hoofdstuk dat wij aan George Shelby zullen wijden. + +Miss Ophelia nam Topsy mede naar Vermont, tot groote verwondering van +die deftige beraadslagende macht, die een Nieuw-Engelschman onder den +naam van "our folks" erkent. Our folks meenden in het eerst, dat dit +eene zeer zonderlinge en onnoodige vermeerdering van het stille en +geregelde huishouden was; maar Ophelia was zoo standvastig in hare +gemoedelijke pogingen om haar plicht jegens hare élève te vervullen, +dat het kind spoedig bij de familie en de buurt in de gunst kwam. Toen +zij bijna volwassen was, werd Topsy op haar eigen verzoek gedoopt en +lid der christelijke kerk in hare woonplaats; en zij toonde zooveel +verstand, werkzaamheid, ijver en verlangen om in de wereld goed te +doen, dat zij eindelijk werd aanbevolen en aangenomen als zendelinge +naar een der stations in Afrika, en wij hebben gehoord dat dezelfde +rusteloosheid en schranderheid, die haar als kind zoo onuitputtelijk +in kuren maakten, thans heilzaam worden aangewend tot het onderwijs +van kinderen in haar eigen land. + +P.S.--Het zal sommige moeders genoegen doen nog te vernemen, dat de +nasporingen door Madame De Thoux bewerkstelligd, onlangs zijn bekroond +met de ontdekking van Cassy's zoon. Reeds als jongeling krachtig van +karakter en ondernemend van aard, was hij eenige jaren vóór zijne +moeder ontsnapt en door de vrienden der onderdrukten in het Noorden +opgenomen en opgevoed. Hij zal spoedig zijn familie naar Afrika volgen. + + + + + +VIER EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK + +DE BEVRIJDER + + +George Shelby had zijne moeder slechts met een enkelen regel den dag +gemeld, waarop zij hem tehuis kon verwachten. Hij had het hart niet +om over het sterven van zijnen ouden vriend te schrijven. Hij had dit +verscheidene malen beproefd, en telkens had hij, bijna stikkende van +aandoening, het papier verscheurd, zijne oogen afgeveegd en de vrije +lucht gezocht om tot bedaren te komen. + +Er heerschte eene vroolijke drukte in de woning der Shelby's op den +dag, dat men de aankomst van den jongen meester verwachtte. + +Mevrouw Shelby zat in de nette voorkamer, waaruit een vroolijk houtvuur +de kilheid van den herfstavond verdreef. Er stond eene tafel met +zilverwerk en geslepen glas bedekt, hetwelk onze oude vriendin Chloe +nog bezig was te schikken. + +In nieuw glanzig sits gekleed, met een schoon wit voorschoot, en een +hoogen, welgesteven tulband, terwijl haar blinkend zwart gezicht van +genoegen gloeide, bleef zij, met noodelooze oplettendheid, nog het +een en ander op de tafel verschikken, alleen om een voorwendsel te +hebben om nog wat met hare meesteres te praten. + +"O, of hem dat ook bevallen zal!" zeide zij. "Daar--ik zet zijn bord +net waar hij het zoo graag heeft--naast het vuur. Meester George houdt +altijd van een warm plaatsje. Och, loop heen! Waarom heeft Sally den +besten trekpot niet uitgezet--den kleinen nieuwen, dien meester George +met Kerstmis voor mevrouw heeft gekocht? Ik zal hem nog krijgen. En +mevrouw heeft van meester George gehoord?" voegde zij er vragend bij. + +"Ja, Chloe; maar een enkelen regel alleen om te zeggen, dat hij van +avond tehuis zou zijn als hij kon--anders niet." + +"Hij heeft niets van mijnen goeden man gezegd, zou ik denken?" zeide +Chloe, nog met theegoed futselende. + +"Neen, dat heeft hij niet. Hij heeft van niets geschreven, Chloe, +dan alleen dat hij alles verhalen zou als hij tehuis kwam." + +"Geheel en al meester George! Hij is er altijd zoo op gesteld om +alles zelf te vertellen. Daar heb ik bij meester George altijd op +gelet. Ik voor mij begrijp het ook niet, hoe blanke menschen zooveel +kunnen schrijven als zij gewoonlijk doen; het schrijven is zulk een +langzaam ongemakkelijk werk." + +Mevrouw Shelby glimlachte. + +"Ik denk haast dat mijn goede man de jongens en de kleine meid niet +meer zal kennen. Och, zij is nu al een groote meid, en goed is zij ook +en schrander, dat is Polly. Zij is nu naar huis en past op den koek. Ik +heb hetzelfde fatsoen gemaakt, waar mijn goede man zooveel van hield, +en dat ik hem nog gaf op den ochtend toen hij weg moest. Och, och, +wat was ik dien ochtend van streek!" + +Mevrouw Shelby zuchtte op dit gezegde en voelde zich het hart +beklemd. Sedert het ontvangen van George's brief was zij aanhoudend +ongerust geweest dat er achter den sluier van stilzwijgen, dien hij +niet had willen oplichten, iets verborgen mocht zijn. + +"Mevrouw heeft immers die briefjes wel?" zeide Chloe met zekere +bezorgdheid. + +"Ja, Chloe." + +"Omdat ik mijn goeden man zoo graag de eigenste briefjes wilde laten +zien, die de banketbakker mij gegeven heeft.--"En Chloe," zeide hij, +"ik wou dat ge nog langer kondt blijven."--"Dank je, meester," zeide +ik: "dat zou ik wel, maar mijn goede man komt naar huis, en mevrouw +kan het niet langer zonder mij stellen." Dat is net wat ik hem gezegd +heb. Een heel aardig man was die Mijnheer Jones." + +Chloe had er stijfhoofdig op aangedrongen, dat dezelfde banknoten, +waarmede haar loon betaald was, bewaard zouden worden, om ze haren +man als bewijzen van knapheid te laten zien, en Mevrouw Shelby had +zich gewillig naar den inval geschikt. + +"Hij zal Polly niet kennen--dat zal mijn goede man niet. Och, het is +vijf jaren geleden, dat zij hem weggehaald hebben. Zij was toen nog +zoo klein--zij kon pas even staan. Ik weet nog wel hoe hij placht te +lachen, als zij zoo omrolde als zij wilde loopen. Och, och!" + +Nu hoorde men het geratel van wielen. + +"Meester George!" zeide Tante Chloe, zich naar het venster haastende. + +Mevrouw Shelby ging naar de voordeur en werd door haren zoon in de +armen gesloten; Chloe stond met angstig verlangen in de duisternis +te turen. + +"Och, arme Tante Chloe!" zeide George medelijdend naar haar toekomende, +en hare zwarte hand tusschen beide de zijne vattende. "Ik had geheel +mijn vermogen willen geven om hem mede te brengen; maar hij is naar +een beter land gegaan." + +Mevrouw Shelby liet eene hartstochtelijke uitroep hooren, maar Chloe +zeide niets. + +Men ging naar de kamer. Het geld waarop Chloe zoo trotsch was geweest, +lag nog op tafel. + +"Daar," zeide zij, het opnemende en met eene bevende hand aan +hare meesteres toereikende; "ik wil het nooit weer zien of er van +hooren. Het is net zooals ik dacht dat het wezen zou: verkocht en +vermoord op die oude plantages." + +Chloe keerde zich om en ging trotsch de kamer uit. Mevrouw Shelby +volgde haar stil, nam haar bij de hand, trok haar zacht weder terug +en zette haar naast zich op een stoel. + +"Mijn arme, goede Chloe!" zeide zij. + +Chloe liet haar hoofd op den schouder harer meesteres zinken en snikte: + +"O, Mevrouw, verschoon mij. Mijn hart is gebroken--dat is het al." + +"Dat weet ik," zeide Mevrouw Shelby met tranen op de wangen, "en +ik kan het niet genezen; maar dat kan Jezus doen. Hij geneest de +gebrokenen van hart en verbindt hunne wonden." + +Een tijdlang heerschte er stilte en schreiden allen met +elkander. Eindelijk zette George zich naast de treurende vrouw, +nam haar bij de hand en verhaalde met aandoenlijke eenvoudigheid +het zegevierende sterven van haren man en de laatste boodschappen, +die zijne liefde hem had opgedragen. + + + +Omtrent een maand later werden al de bedienden en arbeiders op het goed +bijeengeroepen in de groote voorzaal, die het geheele huis doorliep, +om iets aan te hooren, dat hun jonge meester hun te zeggen had. + +Tot aller verwondering kwam hij met een bundel papieren in de +hand--vrijbrieven voor allen die op het goed waren, welke hij een voor +een voorlas, en onder het schreien, het snikken en de vreugdekreten +der aanwezigen overgaf. + +Velen echter drongen zich om hem heen en baden hem ernstig om hen niet +weg te zenden, terwijl zij met angstige gezichten hunne vrijbrieven +wilden teruggeven. + +"Wij willen niet vrijer wezen dan wij zijn. Wij hebben al wat wij +verlangen, wij willen de oude plaats niet verlaten; wij willen niet +van meester en mevrouw en de anderen af." + +"Goede vrienden," zeide George, zoodra hij stilte kon bekomen, "het +is niet noodig dat ge mij verlaat. Het goed heeft evenveel handen +noodig om het te bewerken, als te voren. In huis hebben wij evenveel +bedienden noodig als vroeger. Maar nu zijt gij vrije mannen en vrije +vrouwen. _Ik_ zal u loon voor uw werk betalen, gelijk wij zullen +overeenkomen. Het goede hiervan is, dat gij, als ik mocht sterven, +of in schulden geraken--dat gebeurlijke dingen zijn--nu niet kunt +aangeslagen en verkocht worden. Ik denk het goed aan te houden en u +te leeren--waartoe gij misschien eenigen tijd zult noodig hebben--hoe +gij de rechten, die ik u als vrije mannen en vrouwen gegeven heb, +moet gebruiken. Ik verwacht dat gij braaf zult zijn en gewillig om te +leeren, en ik hoop in God, dat ik getrouw zal zijn en gewillig om u +te onderrichten. En nu, mijne vrienden, ziet omhoog en dank God voor +den zegen der vrijheid!" + +Een hoogbejaard negerpatriarch, die op het goed grijs en blind +geworden was, hief nu zijne bevende hand op en zeide: "Laten wij den +Heere onzen dank brengen!" Allen knielden, en een treffender Te Deum +steeg nooit ten hemel, schoon het niet door orgelklank, klokgelui en +geschutgebulder werd vergezeld, dan thans uit dat oude oprechte hart +werd opgezonden. + +Toen zij opgestaan waren, hief een ander een Methodistisch lied aan, +waarvan het refrein was: + + + "'t Jubeljaar is nu gekomen,-- + Losgekochten, gaat naar huis." + + +"Nog iets," zeide George, toen dit lied gezongen was. "Gij allen +herinnert u onzen goeden Oom Tom wel?" + +Daarop liet hij een kort verhaal van zijn sterven volgen, en nadat +hij zijn liefderijken afscheidsgroet aan allen had overgebracht, +besloot hij: + +"Het was op zijn graf, mijne vrienden, dat ik mij voor God voornam, +dat ik nooit weder een slaaf in eigendom wilde houden, als het mogelijk +was hem vrij te maken; dat niemand door mij ooit gevaar zou loopen +om van huis en vrienden gescheiden te worden, en op eene eenzame +plantage te sterven, gelijk hij gestorven is. Denkt dus, als gij u +in uwe vrijheid verheugt, dat gij alles aan dien goeden, ouden man +te danken hebt, en vergeldt het met goedheid en vriendelijkheid voor +zijne vrouw en kinderen. Denkt aan uwe vrijheid, zoo dikwijls gij de +hut van Oom Tom ziet; en laat die Negerhut een gedenkteeken zijn, +dat u allen moet herinneren om zijne voetstappen te volgen, en zoo +eerlijk, zoo getrouw en zoo Christelijk te zijn als hij geweest is." + + + + + +VIJF EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK + +NASCHRIFT + + +De schrijfster is dikwijls door correspondenten uit verschillende +gedeelten des lands gevraagd of dit verhaal waarheid bevatte; en op +deze vraag wil zij een algemeen antwoord geven. + +De verschillende voorvallen, waaruit dit verhaal is samengesteld, zijn +grootendeels werkelijk zoo gebeurd, en vele daarvan zijn door haar +of hare vrienden persoonlijk bijgewoond. Zij en hare vrienden hebben +karakters waargenomen, welke het evenbeeld waren van bijna allen die +hier zijn ingevoerd; en vele der gezegden zijn woordelijk opgeteekend, +gelijk zij zelve die gehoord of voor waarheid vernomen had. + +Het voorkomen van Eliza en het aan haar toegeschreven karakter zijn +naar het leven geteekende schetsen. Van de onwankelbare trouw, +godsvrucht en eerlijkheid van Oom Tom is meer dan één voorbeeld +persoonlijk tot hare kennis gekomen. Eenige der aandoenlijkste +en meest romaneske, alsmede eenige der schrikkelijkste tooneelen, +zijn insgelijks uit de werkelijkheid overgenomen. De anecdote dat +eene moeder de Ohio op het ijs overging, is een welbekend feit. De +geschiedenis der "oude Prue" was een voorval dat persoonlijk door +een broeder der schrijfster, toen commissie-reiziger voor een groot +koopmanskantoor te Nieuw-Orleans, werd bijgewoond. Uit dezelfde bron +is het karakter van den planter Legree ontleend. Van hem schreef haar +broeder, na het bezoeken zijner plantage op eene commissie-reis, aldus: +"Hij liet mij werkelijk zijne vuist voelen, die naar een smidshamer +of een klomp ijzer geleek, en zeide mij dat die vereelt was door +het neerbeuken van negers." Toen ik de plantage verliet, haalde ik +diep adem, met een gevoel alsof ik uit het hol van een menschen-eter +was ontkomen." + +Dat het droevig lot van Tom ook dikwijls in werkelijkheid een +voorbeeld heeft gehad, kunnen levende getuigen door het geheele +land bevestigen. Men bedenke dat het in alle Zuidelijke staten een +rechtsbeginsel is, dat geen persoon van gekleurden stam in een proces +tegen een blanke kan getuigen, en men zal licht begrijpen dat er zulke +gevallen kunnen voorkomen, waar aan den eenen kant een man staat wiens +driften zijn eigenbelang te sterk zijn; en aan den anderen kant een +slaaf, manhaftig of rechtschapen genoeg om zijn wil te wederstaan. Er +is werkelijk niets dat het leven van een slaaf beveiligt, dan het +karakter van zijnen meester. Gebeurtenissen, te gruwelijk om er +bij stil te staan, komen nu en dan ter oore van het publiek; en de +aanmerking die men dikwijls daarover hoort maken, is nog gruwelijker +dan de zaak zelve. Men zegt: "Het is zeer waarschijnlijk dat zulke +dingen nu en dan gebeuren, maar zij zijn geene proeven van het algemeen +gebruik." Indien de wetten van Nieuw-Engeland zoo gesteld waren, +dat een meester nu en dan een leerknaap kon doodmartelen, zonder +dat het mogelijk was hem voor het gerecht te brengen, zou dit dan +met evenveel bedaardheid worden opgenomen? Zou men dan zeggen: "Die +gevallen zijn zeldzaam en geene proeven van het algemeen gebruik?" Deze +onrechtvaardigheid is onafscheidelijk van het stelsel der slavernij: +het eene kan niet zonder het andere bestaan. + +Het openbare en schaamtelooze verkoopen van bruine en bijna blanke +meisjes (mulatten en quadronen) is door de voorvallen, die op het +aanhouden van "de Parel" gevolgd zijn, vooral ruchtbaar geworden. Wij +deelen het volgende uittreksel mede uit de rede van Mr. Horace Mann, +een der advocaten van de verweerders in dat proces. Hij zegt: +"In dat gezelschap van zes en zeventig personen, die in 1848 +uit het district Columbia met den schoener "de Parel" poogden +te ontvluchten, welker officieren ik in hunne verdediging bijsta, +bevonden zich verscheidene jonge en gezonde meisjes, wier gestalte en +gelaatstrekken die bijzondere aantrekkelijkheden bezaten, die kenners +op zoo hoogen prijs stellen. Elizabeth Russell was eene van deze. Zij +viel terstond in de klauwen van den slavenhandelaar en werd tot de +markt van New-Orleans gedoemd. De harten van die haar zagen werden +door medelijden met haar lot getroffen. Zij boden achttienhonderd +dollars om haar los te koopen; en sommigen waren er die zooveel +aanboden, dat zij na die gift niet veel zouden hebben overgehouden; +maar de duivelachtige slavenhandelaar was onverbiddelijk. Zij werd +naar New-Orleans gezonden; maar toen zij halfweg daarheen was, had God +barmhartigheid met haar, en schonk haar een plotselingen dood. Er waren +twee meisjes, Edmundson geheeten, in hetzelfde gezelschap. Toen zij +naar dezelfde markt gezonden werden, ging een andere zuster naar de +"vleeschhal", om den ellendeling, wiens eigendom zij waren, om Gods +wil te bidden zijne slachtoffers te sparen. Hij kortswijlde met haar, +zeggende, welke fraaie kleederen en meubelen zij zouden hebben. "Ja," +zeide zij, "dat mag goed zijn in dit leven, maar wat zal er in het +volgende van haar worden?" Zij werden ook naar New-Orleans gezonden; +maar zij werden naderhand voor een ontzaglijk rantsoen losgekocht +en teruggebracht." Is het hieruit niet duidelijk dat er van de +geschiedenis van Emmeline en Cassy vele voorbeelden bestaan? + +De rechtvaardigheid verplicht de schrijfster ook te zeggen dat de +rechtschapenheid en edelmoedigheid aan St. Clare toegeschreven niet +zonder voorbeeld zijn, gelijk de volgende anecdote zal bewijzen. Eenige +jaren geleden kwam te Cincinnati een jong heer uit het Zuiden met +een begunstigden slaaf, die van knaap af zijn lijfbediende geweest +was. De slaaf greep deze gelegenheid aan om zich zijne vrijheid te +verschaffen, en nam zijn toevlucht onder de bescherming van een kwaker, +die zich in zaken van dien aard zeer bekend had gemaakt. De eigenaar +was ten hoogste verontwaardigd. Hij had den slaaf altijd met zooveel +toegeeflijkheid behandeld, en zijn vertrouwen op diens gehechtheid was +zoo groot, dat hij geloofde dat deze door kunstgrepen verleid moest +zijn geworden om tegen hem op te staan. Hij ging in blakende gramschap +naar den kwaker, maar was zoo billijk en rechtschapen van denkwijs, +dat hij zich door de redenen van dezen man spoedig tot bedaren liet +brengen. Hij zag nu eene zijde van de zaak, waarvan hij nog nooit +gehoord, waaraan hij nog nooit gedacht had, en hij zeide den kwaker +terstond, dat hij, als zijn slaaf in zijn gezicht wilde zeggen dat +hij verlangde vrij te zijn, hem ook zou vrijlaten. De bijeenkomst had +dadelijk plaats, en Nathan werd door zijnen jongen meester gevraagd, +of hij ooit reden had gehad om in eenig opzicht over zijne behandeling +te klagen. + +"Neen meester," zeide Nathan, "gij zijt altijd goed voor mij geweest." + +"Welnu, waarom wilt ge mij dan verlaten?" + +"Meester kan sterven, en wie zal mij dan krijgen? Ik wilde liever +een vrij man zijn." + +Na eenig overleg antwoordde de jonge meester: "Nathan, in uwe plaats +geloof ik dat ik eveneens zoo zou denken. Gij zijt vrij." + +Hij liet dadelijk een vrijbrief voor hem opmaken, stelde den kwaker +eene som gelds ter hand, ten einde met oordeel gebruikt te worden om +den jonkman aan een bestaan te helpen, en liet nog een verstandigen +en vriendelijken brief met raadgevingen voor hem achter. Dien brief +heeft de schrijfster een tijdlang in handen gehad. + +De schrijfster hoopt recht gedaan te hebben aan die edelaardigheid, +grootmoedigheid en menschelijkheid, welke vele personen in het Zuiden +onderscheiden. Zulke voorbeelden hebben haar voor geheele wanhoop aan +het menschdom bewaard. Maar zij vraagt iedereen, die de wereld kent, +of zulke karakters ergens _gewoon_ zijn. + +Gedurende vele jaren van haar leven heeft de schrijfster vermeden iets +over het onderwerp der slavernij te lezen of eenig gesprek daarover +te houden, daar zij het te pijnlijk achtte om het te behandelen, en +hoopte dat de uitbreiding van beschaving en verlichting het vanzelf +zou doen vervallen. Maar sedert de wet van 1850, toen zij met groote +verbazing en verslagenheid hoorde, hoe christelijk en menschelijk +denkende lieden het uitleveren van ontvluchte slaven aanbevolen als +een voor goede burgers verbindende plicht, toen zij aan alle kanten, +bij goedhartige, medelijdende en achtenswaardige menschen in de vrije +Staten van het Noorden redeneeringen en beraadslagingen hoorde, over +hetgeen in dit opzicht de plicht eens Christens wezen kon, toen kon +zij niet anders denken dan: deze menschen en christenen kunnen niet +weten wat de slavernij is; als zij dit deden, zou zulk een vraag nooit +een onderwerp van beraadslaging kunnen zijn. En daaruit ontstond een +verlangen om in eene _levende dramatische werkelijkheid_ te doen zien +wat de slavernij is. Zij heeft gepoogd om dit onpartijdig te doen zien, +van de beste en ergste zijde. Wat de beste zijde betreft, heeft zij +misschien alles doen zien wat mogelijk was; maar o, wie zal zeggen +wat er nog onvermeld is gebleven in die vallei der schaduw des doods, +die aan de andere zijde ligt? + +Op u, grootmoedige en edelaardige mannen en vrouwen van het Zuiden--op +u, wier deugd, grootheid van ziel en reinheid van gemoed des te +krachtiger zijn geworden door de zwaardere beproevingen die zij hebben +doorstaan--op u beroept zij zich. Hebt gij niet wel in het binnenste +uwer ziel en in uwe geheime gesprekken bekend, dat er ellenden en +snoodheden in dat gevloekte stelsel zijn, veel grooter dan hier zijn +afgeschetst of kunnen afgeschetst worden? Kan het anders zijn? Is de +mensch ooit een schepsel, waaraan eene geheele onverantwoordelijke +macht kan worden toevertrouwd? En maakt niet het slavenstelsel, door +den slaaf alle wettig recht van getuigenis te ontzeggen, van elken +slaveneigenaar een onverantwoordelijk despoot? Kan iemand buiten staat +zijn te berekenen wat daarvan het werkelijke gevolg moest wezen? Indien +er, gelijk wij toestemmen, eene publieke opinie bestaat onder u, +mannen van eer, rechtvaardigheid en menschelijkheid, is er ook niet +eene andere soort van publieke opinie onder de snooden, barbaarschen +en verdierlijkten? En kan niet de barbaarsche, verdierlijkte snoodaard +volgens de slavenwet evenveel slaven in eigendom hebben als de beste +en edelste? Maken de rechtvaardigen, de grootmoedigen en barmhartigen +ergens op deze wereld de meerderheid uit? + +De slavenhandel wordt thans volgens de Amerikaansche wet als zeeroof +beschouwd. Maar een slavenhandel even stelselmatig, als ooit met +de kust van Afrika werd gedreven, is een onvermijdelijk gevolg der +Amerikaansche slavernij. De hartverscheurende ijselijkheden daarvan, +_kunnen_ zij verhaald worden? + +De schrijfster heeft slechts een flauwe afschaduwing, eene +ontoereikende schets gegeven van de wanhopige zielesmart, die op dit +oogenblik duizenden harten verscheurt en een hulpeloos en teergevoelig +menschengeslacht tot razernij en vertwijfeling drijft. Er leven +menschen, die de moeders weten te noemen, welke door dien gevloekten +handel gedreven zijn om hare eigene kinderen te vermoorden, en zelve +in den dood uitkomst te zoeken voor jammeren, meer gevreesd dan den +dood. Geen treurspel kan er geschreven, kan er opgevoerd, kan er +bedacht worden, dat de schrikkelijke werkelijkheid evenaart van de +tooneelen, die iederen dag en elk uur op onze kusten worden gespeeld, +onder de schaduw der Amerikaansche vlag en onder de schaduw van het +kruis van Christus. + +En nu, mannen en vrouwen van Amerika, is dit iets om mede te +talmen, om te verontschuldigen, om er stilzwijgend de oogen voor +te sluiten? Landlieden van Massachusetts, van New-Hampshire, +van Vermont, van Connecticut, die dit boek leest bij de vlam +van uw winteravondvuur--stoutmoedige en edelaardige zeelieden en +scheepsreeders van Maine, is dit iets dat gij kunt verdedigen en +bevorderen? Brave, edeldenkende mannen van New-York, landlieden aan de +rijke en vroolijke Ohio, en gij, die de uitgebreide Prairiën bewoont, +antwoordt: is dit iets, dat gij kunt beschermen en goedkeuren? En +gij, moeders van Amerika, die bij de wieg van eigen kinderen gevoel +en liefde voor alle menschen hebt geleerd--bij de heilige liefde +die gij uwe kinderen toedraagt, bij uwe blijdschap in die schoone, +onbevlekte kindsheid, bij de moederlijke teederheid en meedoogendheid +waarmede gij de opgroeiende jeugd geleidt, bij de zorgen der opvoeding, +bij de gebeden die gij voor het zieleheil van uw kroost ontboezemt, +smeek ik u, hebt medelijden met de moeder, die evenveel liefde voelt +als gij, en geen enkel wettig recht bezit om het kind van haar hart +te beschermen, te leiden en op te voeden. Bij het ziekbed van uw +kind, bij die stervende oogen, die gij nooit vergeten kunt, bij die +laatste kreten, die u het hart doorboorden, toen gij helpen noch +redden kondt, bij de akeligheid van die ledige wieg, van die stille +kinderkamer, smeek ik u, hebt medelijden met die moeders die door den +Amerikaanschen slavenhandel gedurig kinderloos worden gemaakt. En zegt, +moeders van Amerika, is dat iets om te verdedigen, om goed te keuren, +om er stilzwijgend de oogen voor te sluiten? + +Zegt gij dat de bevolking der vrije Staten niets daarmede te maken +heeft, en niets daaraan doen kan? Gave God, dat dit de waarheid +ware. Maar het is de waarheid niet. De bevolking der vrije Staten +heeft verdedigd, aangemoedigd, deelgenomen en is dáárin schuldiger +voor God, dan het Zuiden, dat zij zich niet met opvoeding en geboorte +kan verschoonen. + +Indien de moeders der vrije Staten in vroeger tijd dat gevoel hadden +gekoesterd, dat zij behoord hadden te koesteren, zouden de zonen der +vrije Staten geene eigenaars van slaven zijn geweest, en niet door +het spreekwoord de hardste meesters genoemd zijn; zouden de zonen der +vrije Staten de uitbreiding der slavernij in ons staatslichaam niet +geduld hebben; zouden de zonen der vrije Staten geen handel drijven, +gelijk zij doen, in menschelijke zielen en lichamen, als een equivalent +voor geld bij betalingen. Eene menigte van slaven wordt tijdelijk het +eigendom en wederom verkocht door kooplieden in de Noordelijke steden, +en zal dan de geheele schuld en schande der slavernij alleen op het +Zuiden vallen? + +De mannen, moeders en christenen in het Noorden hebben iets meer te +doen, dan hunne broeders in het Zuiden aan te klagen; zij hebben naar +het kwaad onder zich zelven te zien. + +Maar wat kan een enkel persoon doen? Daarover kan ieder voor zich +zelven oordeelen. Iets is er dat ieder afzonderlijk persoon doen kan, +hij kan toezien dat hij zelf het rechte gevoel koestert. Een atmosfeer +van sympathetischen invloed omringt ieder menschelijk wezen; en hij +die een krachtig, gezond en waar gevoel voor de groote belangen der +menschheid koestert, is een bestendig weldoener van het menschelijk +geslacht. Zie dan toe, welk gevoel gij in dat opzicht aankweekt. Is +dat gevoel in overeenstemming met het gevoel van Christus, of wordt +het geslingerd en gewijzigd door de spitsvondigheden van aardschgezinde +overleggingen? + +Christelijke mannen en vrouwen in het Noorden, nog meer. Gij hebt nog +een ander vermogen, gij kunt bidden. Gelooft gij aan het gebed? Of is +het eene onduidelijke apostolische overlevering geworden? Gij bidt +voor de heidenen buitenlands, bidt ook voor de heidenen tehuis. En +bidt voor die verdrukte christenen, wier geheele kans op godsdienstige +voorrechten van de toevalligheden van handel en verkoop afhangt--voor +wie het getrouw blijven aan de zedenleer des Christendoms veeltijds +eene onmogelijkheid is, tenzij hun van boven moed gegeven worde, +om het martelaarschap te verwachten. + +Maar nog meer. Op de kusten onzer vrije Staten komen gedurig +verstrooide overblijfselen van familiën aan, mannen en vrouwen, die +met wonderbare hulp der Voorzienigheid de slavernij zijn ontvlucht, +zwak in kennis, veeltijds ook zwak in zedelijke beginselen, tengevolge +van een stelsel, dat alle beginselen van zedelijkheid en Christendom +verwart en verdonkert. Zij komen een schuilplaats onder u zoeken; +zij komen opleiding, kennis, Christendom zoeken. + +Wat zijt gij aan die ongelukkigen verschuldigd, o christenen? Is +niet ieder Amerikaansche christen aan den Amerikaanschen stam eene +poging verschuldigd om het kwaad te herstellen, dat het Amerikaansche +volk daarover gebracht heeft? Zullen de deuren van kerken en scholen +voor hen gesloten zijn? Zullen de Staten opstaan en hen van zich +afschudden? Zal de kerk van Christus stilzwijgend den smaad hooren, +die op haar geworpen wordt, en zich terugtrekken van de hulpbehoevende +handen die zij uitstrekken, en door haar stilzwijgen de wreedheid +aanmoedigen, die hen van onze grenzen wil verjagen? + +Als het zóó wezen moet, zal het een droevig schouwspel zijn. Als het +zóó wezen moet, zal het land reden hebben om te beven, wanneer het +bedenkt dat het lot der volken in de handen is van Eenen, die zeer +barmhartig is en vol teeder mededoogen. + +Zegt gij: "Wij hebben hen hier niet noodig; laten zij naar Afrika +gaan?" + +Dat Gods voorzienigheid een toevluchtsoord in Afrika heeft bereid, +is inderdaad een groot opmerkenswaardig feit, maar het is geene +reden, waarom de kerk van Christus die verantwoordelijkheid voor dat +geslacht van ballingen van zich af zou werpen, welke hare belijdenis +haar oplegt. + +Liberia te vullen met een onkundig, onervaren, half barbaarsch +geslacht, pas aan de boeien der slavernij ontkomen, zou niet anders +zijn dan dat tijdperk van strijd en worsteling, dat het begin van +nieuwe ondernemingen vergezelt, voor eeuwen te verlengen. Laat de +kerk van Christus in het Noorden die arme lijders in den geest +van Christus ontvangen, hun deel geven aan de voorrechten eener +christelijke maatschappij, hen in de scholen onderwijzen, tot zij +eenigszins tot zedelijke en verstandelijke rijpheid zijn gekomen, en +hen dan helpen om naar die kusten over te steken, waar zij de lessen, +die zij in Amerika ontvangen hebben, in praktijk kunnen brengen. + +Er bestaat in het Noorden eene vereeniging van menschen, bij +vergelijking gering in getal, die dit gedaan hebben; en als een +gevolg daarvan heeft men er reeds voorbeelden van gezien dat personen, +die vroeger slaven waren, in korten tijd vermogen, een geachten naam +en kundigheden verwierven. Er hebben zich talenten ontwikkeld, die, +de omstandigheden in aanmerking nemende, voorzeker opmerkenswaardig +zijn; en door trekken van eerlijkheid, goedhartigheid, teederheid van +gevoel, door heldhaftige pogingen en proeven van zelfverloochening, +verduurd ter verlossing van nog in slavernij verkeerende broeders en +vrienden, hebben zij zich onderscheiden op eene wijze, die, indien +men den invloed waaronder zij geboren werden overweegt, inderdaad +verbazend mag genoemd worden. + +De schrijfster heeft vele jaren lang op de grenslinie der slavenstaten +gewoond, en heeft veel gelegenheid tot waarnemingen gehad onder hen, +die vroeger slaven waren. Zij zijn als dienstboden in hare familie +geweest; en bij gebrek aan eene andere school om hen op te nemen, +heeft zij hen veelal in een huishoudelijke school met hare kinderen +onderwezen. Zij heeft ook het getuigenis der zendelingen onder de +vluchtelingen in Canada, die met hare eigene ondervinding overeenstemt; +en de gevolgtrekkingen ten aanzien der vatbaarheid van dezen stam, +welke zij daaruit kan afleiden, zijn ten hoogste bemoedigend. + +Het eerste verlangen der geëmancipeerde slaven is gewoonlijk +opvoeding. Er is niets dat zij niet gewillig zijn te geven of te doen, +om hunne kinderen onderwezen te hebben; en in zooverre de schrijfster +zelve heeft waargenomen en het getuigenis van leermeesters onder +hen heeft ingewonnen, zijn zij bijzonder schrander en vlug in het +leeren. De ondervinding in de scholen, door weldadige personen te +Cincinnatie voor hen gesticht, bevestigt dit ten volle. + +De schrijfster deelt op het gezag van professor C. E. Stowe, toenmaals +van het Lane Seminary in Ohio, het volgende verslag mede ten aanzien +van geëmancipeerde slaven, thans te Cincinnatie woonachtig, waaruit +blijken kan welke vatbaarheden deze stam aan den dag legt, zelfs +zonder eenige bijzondere hulp of aanmoediging. + +Alleen de voorletters der namen worden opgegeven. Zij zijn allen te +Cincinnatie woonachtig. + + + "B.--Meubelmaker; twintig jaren in deze stad; bezit een + vermogen van twintig duizend dollars, alles door eigen arbeid + gewonnen; Baptist. + + C.--Geheel zwart, uit Afrika gestolen, te New-Orleans verkocht; + vijftien jaren vrij geweest, betaalde voor zich zelven zes + honderd dollars; landman, eigenaar van verscheidene hoeven + in Indiania; Presbyteriaan; waarschijnlijk een vermogen van + vijftien tot twintig duizend dollars; alles door hem zelven + gewonnen. + + K.--Geheel zwart, koopman, vermogen dertig duizend dollars; + ongeveer veertig jaren oud, zes jaren vrij; betaalde + achttienhonderd dollars voor zijne familie; Baptist; + ontving een legaat van zijn meester, dat hij goed beheerd en + vermeerderd heeft. + + "G.--Geheel zwart, kolenkooper, omtrent dertig jaren oud; + vermogen achttien duizend dollars, betaalde tweemaal + voor zich zelven, daar hij eens voor eene som van zestien + honderd dollars werd opgelicht; won al zijn geld door eigene + inspanning--gedeeltelijk terwijl hij slaaf was, daar hij + zijn tijd van zijn meester huurde en voor zich zelven zaken + deed. Een knap fatsoenlijk man. + + "W.--Drie vierde zwart, barbier en oppasser uit Kentucky; + negentien jaren vrij; betaalde voor zich zelven en zijne + familie over de drie duizend dollars, vermogen twintig duizend + dollars, alles eigen verdienste; ouderling in de Baptistenkerk. + + "C.D.--Drie vierde zwart, stukadoor, uit Kentucky; negen jaren + vrij; betaalde vijftienhonderd dollars voor zich zelven en + zijne familie; onlangs gestorven, zestig jaren oud; vermogen + zes duizend dollars." + + +Professor Stowe zegt: "Met deze allen, G. uitgezonderd, ben ik eenige +jaren persoonlijk bekend geweest, en mijne opgaven zijn op eigene +waarneming gegrond. + +De schrijfster herinnert zich zeer wel eene bejaarde gekleurde vrouw +die als waschvrouw in de familie van haren vader werd gebezigd. De +dochter dezer vrouw trouwde met een slaaf. Zij was eene bijzondere +vlijtige en handige, jonge vrouw, en door hare naarstigheid +en zuinigheid en de standvastige zelfverloochening, bracht zij +negenhonderd dollars voor de vrijheid van haren man bijeen, die zij, +naarmate zij het geld bekwam, aan zijnen meester betaalde. Zij kwam +nog honderd dollars voor den prijs te kort, toen hij stierf. Zij +kreeg nooit iets van het geld terug. + +Dit zijn slechts eenige voorbeelden uit eene menigte die aangevoerd +konden worden, ten bewijze van de zelfverloochening, geestkracht, +volharding en eerlijkheid, welke de slaaf in den staat van vrijheid +heeft betoond. + +Men bedenke bovendien dat het den gemelden personen gelukt is tot een +betrekkelijken rijkdom en eene maatschappelijke positie te verheffen, +in weerwil van allerlei ontmoedigende bezwaren. De kleurling mag, +volgens de wet van Ohio, geen stemrecht hebben, en tot voor weinige +jaren was hem zelfs het getuigenisgeven in rechtszaken tegen een blanke +ontzegd. Ook zijn deze voorbeelden niet tot den Staat Ohio beperkt. In +alle Staten der Unie ziet men menschen, die pas gisteren de boeien +der slavernij verbroken hebben, zich door eigene krachtsinspanning, +die men niet te zeer bewonderen kan, tot hoogst achtenswaardige +betrekkingen in de maatschappij verheffen. Jennington, onder de +geestelijken, Douglas en Ward onder de uitgevers van letterkundige +werken, zijn welbekende voorbeelden. + +Indien de leden van dezen vervolgden stam, tegen allerlei ontmoedigende +bezwaren in, zooveel gedaan hebben, hoeveel zouden zij dan kunnen +doen, indien de christelijke kerk hen in den geest van haren Heere +wilde behandelen! + +Dit is eene eeuw, waarin de volken beroerd en geschokt worden. Er +heerscht een machtige invloed, die de wereld als door een aardbeving +doet golven en zwoegen. En is Amerika veilig? Elke natie, welke in +haren boezem eene groote, onherstelde onrechtvaardigheid omdraagt, +staat voor zulke stuiptrekkingen bloot. + +Want wat is die machtige invloed, die aan natiën en tongen dat kermen +om de vrijheid en gelijkheid van de menschen afperst, dat zich niet +anders uiten kan? + +O, kerk van Christus, lees de teekenen der tijden. Is die macht niet +de geest van Hem, Wiens koninkrijk nog komen moet en Wiens wil op +aarde moet geschieden gelijk in den hemel? + +Maar wie zal den dag zijner toekomst verdragen! "Want die dag zal +brandende zijn als een oven, en Hij zal een snel getuige zijn tegen +hen, die het loon des daglooners met geweld inhouden, die de weduwe, +en de wees, en den _vreemdeling_ het recht verkeeren; en Hij zal de +onderdrukkers verbreken." + +Zijn dit geene geduchte woorden voor een volk dat zulk een ontzettend +onrecht in den boezem draagt? Christenen, wanneer gij bidt dat het +koninkrijk van Christus komen moge, kunt gij dan die profetie vergeten, +welke den _dag der wraak_ in een geducht verband brengt met het jaar +zijner verlosten? + +Eén dag van genade wordt ons nog aangeboden. Beide, het Noorden en +het Zuiden, zijn schuldig voor God, en de christelijke kerk heeft een +zware verantwoording te doen. Niet door samen te spannen om onrecht en +wreedheid te beschermen en een gemeenschappelijk kapitaal van zonde te +maken, kan deze Unie gered worden,--maar door berouw, rechtvaardigheid +en barmhartigheid; want niet vaster is de eeuwige wet, volgens welke +een molensteen in de zee verzinkt, dan die nog sterkere wet, volgens +welke onrecht en wreedheid den toorn des Almachtigen over de volken +zullen brengen! + + + EINDE + + + + + + + + +INHOUD + + + Waarin de lezer een menschlievend man leert kennen + De moeder + De echtgenoot en vader + Een avond in de hut van Oom Tom + Wat levende koopwaar gevoelt bij verwisseling van eigenaar + De ontdekking + Moederangst en moederkracht + Eliza's ontsnapping + Waarin het blijkt dat een senator niet meer dan een + mensch is + De gekochte waar wordt weggehaald + Waarin een slaaf voorkomt die geen slaaf meer is + Een proefje van wat er in den wettigen handel voorkomt + De kwakers + Evangeline + Over Toms nieuwen meester en andere dingen + Toms nieuwe meesteres en hare gevoelens + Een vrij man, die zijne vrijheid verdedigt + Miss Ophelia aanvaardt hare taak + Geschiedenis van St. Clare + Topsy + Kentucky + Het gras verdort--de bloem verwelkt + Henrique + Voorteekenen + De kleine Evangelist + Dood + "Dit is het laatste van de aarde", John Q. Adams + Hereeniging + De Nalatenschap + Het slavenmagazijn + De overtocht + Duistere plaatsen + Cassy + Geschiedenis der Quadrone + De gedachtenissen + Emmeline en Cassy + Vrijheid + De overwinning + Krijgslisten + De Martelaar + De jonge Meester + Eene authentieke spookhistorie + De afloop + De bevrijders + Naschrift + + + + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Kortheidshalve zeggen de Amerikanen _trade_ en _trader_ voor +_slave-trade_ en _slave-trader_; deze uitdrukkingen schijnen de +zaak tevens eenigszins te moeten verzachten en bewimpelen. Om beide +redenen gebruiken wij hier ook handel en handelaar voor slavenhandel +en slavenhandelaar. + +[2] Een werktuig van dien aard was inderdaad de uitvinding van een +jongen kleurling in Kentucky. + +[3] Van de slavenstaten tot in Canada wonen hier en daar vijanden +van den slavenhandel, meestal van de gezindheid der Kwakers, die +samenwerken om gevluchte slaven voort te helpen en in veiligheid +te brengen. Deze vereeniging heeft door hare snelle en verborgene +werkzaamheid den naam van onderaardschen spoorweg (underground line) +verworven. Vertaler. + +[4] Dr. Joël Parker, van Philadelphia. + +[5] De schommelstoelen (_rocking-chairs_) zijn hier zoo weinig +bekend, dat wel mag opgemerkt worden, dat zij niets anders zijn +dan leunstoelen op een onderstel, als eene wieg, bevestigd, zoodat +men daarop zittende, zich zachtjes voor- en achterover kan laten +schommelen. In Noord-Amerika houdt men deze beweging voor gezond, +en zijn zulke stoelen in algemeen gebruik. Vertaler. + +[6] Men denke hier en elders aan de inrichting van de Amerikaansche +rivierstoombooten, die over het geheele dek een op palen rustende +galerij of bovendek hebben, dat vooral tot wandelplaats dient. + Vertaler. + +[7] Dag van toorn.--De Latijnsche woorden zijn gekozen als toespeling +op het begin van een oud kerklied, dat den dag van het laatste oordeel +ten onderwerp heeft. + +[8] Gedenk, o goddelijke Jezus, dat ik de oorzaak ben van Uwen weg, +(dat Gij ook voor mij zijt gekomen), opdat Gij mij niet laat verloren +gaan op dien dag; mij zoekende hebt Gij vermoeid nedergezeten. Gij +hebt mij verlost door het lijden des kruises; laat zooveel arbeid +niet vruchteloos zijn geweest. + +[9] De zin van dit liedje, in zooverre het zin heeft, is: + + Meester zag mij een bever vangen. Hij lachte om te bersten, + Ziet gij de maan? + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of De Negerhut, by Harriet Beecher Stowe + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE NEGERHUT *** + +***** This file should be named 27124-8.txt or 27124-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/2/7/1/2/27124/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/27124-8.zip b/27124-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..e0b869f --- /dev/null +++ b/27124-8.zip diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..b5ca389 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #27124 (https://www.gutenberg.org/ebooks/27124) |
