diff options
Diffstat (limited to '23676-8.txt')
| -rw-r--r-- | 23676-8.txt | 4737 |
1 files changed, 4737 insertions, 0 deletions
diff --git a/23676-8.txt b/23676-8.txt new file mode 100644 index 0000000..779f0ef --- /dev/null +++ b/23676-8.txt @@ -0,0 +1,4737 @@ +The Project Gutenberg EBook of Titus Andronicus, by William Shakespeare + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Titus Andronicus + +Author: William Shakespeare + +Translator: L.A.J. Burgersdijk + +Release Date: December 2, 2007 [EBook #23676] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK TITUS ANDRONICUS *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + + + +TITUS ANDRONICUS. + + +PERSONEN: + + + Saturninus, zoon van den overleden Keizer van Rome, later zelf Keizer. + Bassianus, zijn broeder. + Titus Andronicus, een Romeinsch Edelman en Veldheer. + Marcus Andronicus, Volkstribuun en broeder van Titus. + Zonen van Titus. + Lucius, + Quintus, + Marcius, + Mucius, + De jonge Lucius, een knaap, zoon van Lucius. + Publius, zoon van Marcus Andronicus. + Æmilius, een Romeinsch Edelman. + Zonen van Tamora. + Alerbus, + Demetrius, + Chiron, + Aaron, een Moor. + Een Hopman, een Tribuun, een Bode, een Boer. + Romeinen en Gothen. + Tamora, koningin der Gothen. + Lavinia, dochter van Titus Andronicus. + Een Voedster, met een zwart Kind. + Bloedverwanten van Titus, Senatoren, Tribunen, Officieren, Soldaten + en Gevolg. + + +Het tooneel is in Rome en in de omstreken. + + + + + +EERSTE BEDRIJF. + +EERSTE TOONEEL. + + +Rome. Voor het Kapitool. + +Trompetgeschal. De Tribunen en Senatoren verschijnen boven, op het +Kapitool; beneden komen op, van de eene zijde, Saturninus en zijn +Aanhangers, van de andere, Bassianus en zijn Aanhangers, beiden +met trommen en vaandels. + +SATURNINUS. Eed'le Patriciërs, hoeders van mijn recht, +Verdedigt met de waap'nen mijne zaak; +En medeburgers, volgers, echt en trouw, +Bepleit mijn erflijke aanspraak met uw zwaarden. +'k Ben de eerstgeboren zoon van hem, die 't laatst +Den Keizersdiadeem van Rome droeg; +Laat dus mijns vaders eer in mij herleven, +En krenkt mijn voorrang niet door dezen hoon. + +BASSIANUS. Romeinen, volgers, vrienden van mijn recht, +Vond ooit uw Bassianus, Cæsars zoon, +Genade in de oogen van het vorst'lijk Rome, +Zoo houdt den weg naar 't Kapitool bezet; +En duldt niet, dat onwaardigheid den zetel +Des keizers nader', die aan kloekheid, recht, +Gematigdheid en adel is gewijd; +Maar laat verdienste schitt'ren door uw oordeel, +En vecht, Romeinen, voor uw vrije keus. + +(Marcus Andronicus verschijnt, boven, op het Kapitool, met de kroon +in handen.) + +MARCUS. Gij prinsen, die door vrienden en partijen +Eerzuchtig kampt om troon en heerschappij, +Weet, dat het volk van Rome, hier door ons +Als stand vertegenwoordigd, voor 't bezetten +Van Rome's keizerszetel, Andronicus, +Pius genaamd, eenstemmig heeft verkoren, +Ter wille van zijn vele en groote diensten; +Een eed'ler man, een kloeker krijgsheld leeft +In de' omtrek van Oud-Rome's wallen niet. +Van 't krijgen tegen de barbaarsche Gothen +Werd hij door den senaat terugontboden, +Die, met zijn zoons des vijands schrik, een volk +Sterk, in den strijd gehard, heeft onderworpen. +Tien jaren zijn het, sinds hij Rome's zaak +Gediend en onzer tegenstanders trots +Gestraft heeft met het zwaard, en vijfmaal keerde +Hij bloedend weer en droeg zijn dapp're zoons +Op baren van het veld; +Nu eind'lijk keert, met eerebuit beladen, +De wakkere Andronicus weer naar Rome, +Titus, befaamd, met wapenroem gekroond. +Wij vragen dus,--bij de eer des naams van hem, +Dien gij recht waardig opgevolgd wilt hebben, +En krachtens 't Kapitool en den Senaat, +Door u, naar gij betuigt, vereerd, aanbeden,-- +Dat gij teruggaat met uw macht, uw volgers +Ontslaat, en, als verzoekers past, in vrede +En need'rig uw verdiensten spreken laat. + +SATURNINUS. Hoe fraai maant die tribuun mijn geest tot kalmte! + +BASSIANUS. 'k Voed, Marcus Andronicus, zulk vertrouwen +Op uw rechtschapenheid en goede trouw, +En zoo bemin en eer ik u en de uwen, +En haar, voogdesse van mijn gansche ziel, +Lavinia, 't schoonst en rijkst juweel van Rome, +Dat ik mijn lieve vrienden hier ontsla, +En aan de gunst van 't volk en van 't geluk +Mijn zaak ter juiste weging overlaat. + +(De Volgelingen van Bassianus af.) + +SATURNINUS. Mijn vrienden, die mijn recht zoo ijv'rig voorstondt, +Ik dank u allen en ontsla u hier, +En laat mij en mijn zaak dus aan de gunst +En liefde van mijn vaderland thans over. + +(De Volgelingen van Saturninus af.) + +Wees, Rome, zoo gerecht en goed voor mij, +Als ik op u vertrouw en u bemin.-- +Ontsluit de poort en laat mij binnen. + +BASSIANUS. Mij armen mededinger, ook, tribunen. + +(Saturninus en Bassianus bestijgen het Kapitool.) + +(Een Hopman komt op, met eenige Anderen.) + +HOPMAN. Romeinen, plaats! De wakkere Andronicus, +Patroon der deugd, en Rome's beste strijder, +Voorspoedig in de slagen, die hij levert, +Is in geluk en eer gekeerd van daar, +Waar hij de fierste vijanden van Rome +Tot wijken dwong en onder 't juk hen bracht. + +(Tromgeroffel en trompetgeschal. Twee van Titus' Zoons komen op, +daarna twee Mannen, die een zwart overdekte lijkbaar dragen; vervolgens +twee andere Zoons; hen volgt Titus Andronicus; achter dezen komen +Tamora, alsmede Alerbus, Chiron, Demetrius, Aaron en andere Gothen, +als gevangenen; gevolgd van Krijgslieden en Volk. De Dragers zetten +de lijkbaar neder, en Titus spreekt.) + +TITUS. Heil, Rome, zeeg'rijk in uw treurgewaad! +Zooals de bark, na wel ontladen vracht, +Met kostb're lading weêrkeert tot de baai, +Waar ze in den aanvang 't anker heeft gelicht, +Komt Andronicus, met laurier gekroond, +Het vaderland weer groeten met zijn tranen, +Met vreugdetranen om zijn wederkomst. +Gij, groote schutsheer van dit kapitool, +Blik gunstig op deez' plechtige uitvaart neer! +Aan vijf en twintig dapp're zoons, Romeinen, +Van half zooveel als Priamus bezat, +Ziet hier, al wat mij dood of levend bleef. +Dat Rome hen, die leven, loon' met liefde, +En hen, die 'k naar hun laatste woning breng, +Met eeuw'ge ruste bij hun voorgeslacht. +De Goth vergunt mij 't zwaard hier op te steken. +Gij wreev'le Titus, die uw stam vergeet, +Wat laat ge uw zoons nog onbegraven waren +Aan 't schrikk'lijk strand, aan de' oever van den Styx? +Maakt plaats, dat ik hen bij hun broeders legg'. + +(Het grafgewelf wordt geopend.) + +Groet daar elkander stil, als dooden doen, +En slaapt in vreê, gij voor uw land gevall'nen! +O heilige bewaarplaats mijner vreugd, +Gij stil verblijf van adeldom en deugd, +Met hoeveel zoons van mij zijt gij gelaân, +Om nimmer één er van weer af te staan! + +LUCIUS. Geef ons der Gothen hoogsten krijgsgevang'ne, +Opdat wij stuk hem houwen en zijn vleesch +Ad manes fratrum op een houtmijt off'ren, +Hier voor den aardschen kerker hunner beend'ren, +Opdat hun schimmen zijn verzoend en ons +Op aard door geen verschijningen verschrikken. + +TITUS. Ik geef hem u, den edelsten, die leeft, +Den oudsten zoon der droeve koningin hier. + +TAMORA. Laat af, Romeinsche broeders!--Eed'le Titus, +Grootmoedig overwinnaar, zie mijn tranen, +De tranen eener moeder voor haar zoon; +En waren uwe zonen u ooit dierbaar, +Zoo dierbaar is, bedenk dit, mij mijn zoon. +Is 't niet genoeg, dat men naar Rome ons voerde +Tot siering van uw weêrkomst en triumf, +U en 't Romeinsche dwangjuk onderworpen; +Wordt in uw straten nu mijn kroost geslacht, +Omdat het voor zijn land zich dapper kweet? +O, was de kloeke strijd voor staat en koning +Voor de uwen plicht, hij is 't voor dezen ook. +Rein, Andronicus, blijve uw graf van bloed; +Wilt gij in aard den goden nader komen, +Zoo kom hun nader in barmhartigheid; +Want deernis is des adels echtste merk; +Hoogeed'le Titus, spaar mijn eerstgeboor'ne! + +TITUS. Word kalm, vorstin, en schenk mij uw vergiff'nis. +Zij zijn van hen de broeders, die gij, Gothen, +In leven zaagt en dood; zij eischen vroom +Zoenoffers voor hun pas verslagen broeders: +Daarom wordt deze uw zoon bestemd ter dood, +Om der gevall'nen schimmen te verzoenen. + +LUCIUS. Weg met hem! steekt terstond een vuur aan; laat ons +Met onze zwaarden op de houtmijt hem +Stuk houwen, en tot asch zij hij verteerd! + +(Lucius, Quintus, Marcius en Mucius met Alerbus af.) + +TAMORA. O wreede, onheil'ge vroomheid! + +CHIRON. Was ooit ons Scythië half slechts zoo barbaarsch? + +DEMETRIUS. Noem Scythië bij 't eerzuchtig Rome niet. +Alerbus gaat ter rust; wij leven voort +Om onder Titus' norschen blik te sidd'ren. +Blijf kalm, vorstin, en voed de hoop, dat later +Dezelfde goden, die aan Hecuba +Den Thracischen tyran eens overgaven, +Dat in zijn tent haar scherpe wraak hem trof, +Ook Tamora, de koningin der Gothen,-- +Toen Gothen Gothen waren, zij vorstin,-- +Wraak gunnen voor des vijands dorst naar bloed. + +(Lucius, Quintus, Marcius en Mucius komen weder op, met bebloede +zwaarden.) + +LUCIUS. Zie, heer en vader, Rome's plechtigheden +Naar eisch volvoerd. Alerbus is geslacht; +Zijn ingewanden voeden 't offervuur; +De rook doortrekt, als wierook, reeds de lucht. +'t Begraven onzer broeders bleef slechts over, +Die luide in Rome een strijdroep welkom heet'! + +TITUS. Zoo zij het, en dat Andronicus dan +Zijn laatst vaarwel aan hunne zielen richte! + +(Trompetgeschal; de baar wordt in het grafgewelf geplaatst.) + +Rust hier in eer en vrede, mijne zonen; +Gij Rome's kloekste kampers, rust hier zacht, +Voor 's werelds wisseling en rampen veilig; +Hier loert geen vuig verraad, hier zwelt geen nijd; +Hier groeit geen boos vergif; hier zijn geen stormen, +Geen luid geraas, slechts stilte en eeuw'ge slaap, +Rust hier in eer en vrede, dierb're zoons! + +(Lavinia komt op.) + +LAVINIA. In eer en vrede leve Titus lang; +Mijn eed'le heer en vader, leef in roem! +Zie, op dit graf kom ik mijn tol van tranen +Ter plechtige uitvaart mijner broeders brengen; +En pleng op de aarde, knielend aan uw voet, +Mijn vreugdetranen om uw wederkomst. +O zegen mij met uw zeeghafte hand, +Gij, toegejuicht door Rome's beste burgers! + +TITUS. Dank, Rome, gij hebt liefdrijk mij den troost +Mijns ouderdoms behoed, mijn hart verblijd!-- +Lavinia, leef; en overleve uw deugd +Uw vader, al zijn roem, in eeuw'ge jeugd! + +(Marcus Andronicus, Saturninus, Bassianus en Anderen komen beneden +op.) + +MARCUS. Lang leve Titus, mijn geliefde broeder, +Wiens zegepraal nu Rome's oogen streelt! + +TITUS. Heb dank, tribuun; dank, eed'le broeder Marcus! + +MARCUS. En welkom, neven, na zeeghaften strijd, +Zoo gij, die leeft, als gij, die slaapt in roem. +Gij, eed'le jong'ren, die voor 't vaderland +Het zwaard toogt,--zij u aller heil gelijk! +Toch is deze uitvaart zekerder triumf, +Daar zij 't geluk van Solon heeft erlangd +En over alle wiss'ling triumfeert +In 't bed der eere.--Titus Andronicus, +'t Romeinsche volk, welks echte en rechte vriend +Gij steeds geweest zijt, zendt u hier door mij, +Die als tribuun uit aller naam u toespreek, +Dit opperkleed van vlekk'loos witte kleur, +En kiest u, dat gij dingt naar 't keizerschap, +Met dezen, zoons van de overleden keizer. +Wees alzoo candidatus, sla dit om, +En schenk aan 't hoofdloos Rome weer een hoofd. + +TITUS. Een beter hoofd past Rome's roemrijk lijf +Dan dit, dat trilt van ouderdom en zwakte. +Zou ik dien mantel omslaan en u kwellen? +Vandaag gekozen, uitgeroepen worden, +Om morgen staf en leven neer te leggen +En u op nieuw met moeite te beladen?-- +'k Was, Rome, veertig jaren lang uw krijger, +'k Heb met geluk 's lands krachten aangevoerd, +En een en twintig dapp're zoons begraven, +In 't veld geridderd, in den strijd gesneefd +Voor 't recht en 't welzijn van hun edel land. +Reik aan mijn ouderdom een eerestaf, +Geen scepter om de wereld te regeeren; +Die 't laatst hem voerde, mannen, hield hem hoog. + +MARCUS. Titus, het rijk is u, zoodra gij 't vraagt. + +SATURNINUS. Eerzuchtige tribuun, kunt gij dit zeggen? + +TITUS. Kalm, Saturninus! + +SATURNINUS. Doet mij recht, Romeinen!-- +Patriciërs, 't zwaard ontbloot en niet geborgen, +Eer Saturninus Rome's keizer is.-- +O, voert gij, Andronicus, eer ter helle, +Dan dat ge mij de harten steelt van 't volk! + +LUCIUS. Gij, trotsche Saturninus, stremt het heil, +Dat Titus' edelaardigheid u toedenkt. + +TITUS. Wees kalm, mijn prins; de harten van het volk +Geef ik u weer en speen die van hun lust. + +BASSIANUS. Ik, Andronicus, vlei u niet, maar eer u, +En zal dit doen, zoolang ik leven heb. +Versterkt gij mijnen aanhang met uw vrienden, +Ik zal recht dankbaar zijn; en dank is mannen +Van eed'le denkwijs steeds een eervol loon. + +TITUS. Gij volk van Rome en eed'le volkstribunen, +Ik vraag uw stemmen voor de keizerskeus; +Wilt gij die vriendlijk Andronicus schenken? + +TRIBUNEN. Om de' eed'len Andronicus te verheugen +En zijn behouden wederkomst te vieren, +Neemt Rome's volk hem aan, dien hij verkiest. + +TITUS. Heb dank, tribunen; dit is mijn verzoek, +Dat gij uws keizers oudsten zoon benoemt, +Prins Saturninus; want ik hoop, zijn deugden +Verlichten Rome, als Titans stralen de aard, +En doen in dezen staat het recht gedijen. +Dus, wilt ge kiezen zooals ik u raad, +Kroont hem, en roept nu: "Lang leve onze keizer!" + +MARCUS. Met aller standen bijvalsroep en stem +Benoemen wij, Patriciërs en Plebejers, +Prins Saturninus hier tot Rome's keizer; +Dus: "Lang leve onze keizer Saturninus!" + +(Langdurig trompetgeschal.) + +SATURNINUS. Voor al uw gunsten, Titus Andronicus, +Ons heden bij de keizerskeus betoond, +Wijd ik naar uw verdienste u dank, en wil +Met daden uwe vriend'lijkheid beloonen; +En, Titus, om, als eerste gunst, uw naam +En hoogvereerd geslacht nu te verhoogen, +Worde uw Lavinia mijne keizerin, +Beheerscheres van Rome en van mijn hart, +En huwe ik haar in 't heilig Pantheon. +Behaagt u, Andronicus, deze voorslag? + +TITUS. Ja, waardig vorst; en met dit echtverbond +Acht ik mij hoog vereerd door uw genade, +En wijd hier--Rome ziet het--Saturninus, +Den koning en gebieder onzes staats, +Der wijde wereld keizer, toe, wat mijn is, +Mijn zwaard, mijn zegewagen, mijn gevang'nen; +Geschenken, Rome's hoogen heer volwaardig; +Aanvaard ze, als schatting, die ik schuldig ben, +Mijn eereteek'nen, aan uw voet gevlijd! + +SATURNINUS. Dank, eed'le Titus, vader van mijn leven! +Hoe trotsch ik ben op u en op uw gaven, +Zal Rome tuigen; en vergeet ik ooit +Den minsten dezer nooit volprezen diensten, +Vergeet dan, Rome, uw eed van trouw aan mij! + +TITUS (tot Tamora). Gevang'ne zijt gij thans, vorstin, eens keizers, +Eens mans, die om uw rang en waardigheid +U en al de uwen edel zal behand'len. + +SATURNINUS. Een schoone vrouw, en van de kleur, die mij +Haar kiezen deed, stond weer de keus mij vrij!-- +Verdrijf, vorstin, die wolk van uw gelaat; +Wat wiss'ling u het lot des oorlogs bracht, +Uw komst in Rome brengt u hoon noch spot; +Neen, als vorstin zult ge u bejegend zien. +Vertrouw mijn woord, en geen mismoedigheid +Verschrikke uw hoop; die thans u troost, kan grooter +U maken, dan gij bij de Gothen waart.-- +Lavinia, u mishaagt niet, wat ik zeg? + +LAVINIA. Neen, zeker niet; uw edel, groot gemoed +IJkt, wat gij vorstlijk gunstig uit, als goed. + +SATURNINUS. Lavinia, dank!--Romeinen, laat ons gaan. +Vrij zijn de krijgsgevang'nen, zonder losgeld. +Verkondigt plechtig onze waardigheid. + +BASSIANUS (Lavinia aangrijpend). Titus, vergun mij,--deze maagd +is mijn. + +TITUS. Wat, is dit inderdaad u ernst, mijn prins? + +BASSIANUS. Ja, eed'le Titus; vast ben ik besloten, +Mijn aanspraak en mijn recht met kracht te staven. + +MARCUS. Het suum cuique geldt in Rome als recht; +De prins neemt niets, dan wat naar recht het zijne is. + +LUCIUS. En wil en zal dit, zoolang Lucius leeft. + +TITUS. Verraders, weg! Waar is des keizers wacht? +Verraad, mijn vorst! Lavinia wordt geroofd! + +SATURNINUS. Geroofd! door wien? + +BASSIANUS. Door hem, die stout en luid +Haar opeischt, neemt, als zijn verloofde bruid. + +(Marcus en Bassianus met Lavinia af.) + +MUCIUS. Mijn broeders, helpt om haar van hier te voeren, +En ik bewaak de deur hier met mijn zwaard. + +(Lucius, Quintus en Marcius af.) + +TITUS. Volg mij, mijn vorst, ik breng welras haar weer. + +MUCIUS. Neen, 'k laat niet door. + +TITUS. Wat, drieste knaap! verspert gij +In Rome mij den weg? + +MUCIUS. Help, Lucius, help! + +(Titus doodt Mucius.) + +(Lucius komt weder op.) + +LUCIUS. Heer, onrechtvaardig zijt ge en meer dan dat; +In blinden, boozen strijd versloegt ge uw zoon. + +TITUS. Noch hem, noch u erken ik als mijn zoon; +Geen zoon van mij hadde ooit mij zoo onteerd. +Schurk, geef den keizer fluks Lavinia weer. + +LUCIUS. Dood, zoo gij wilt; niet om zijn vrouw te zijn; +Zij is verloofd, echt, wettig, met een ander. + +(Lucius af.) + +SATURNINUS. De keizer, Titus, neen! behoeft haar niet, +Noch haar, noch u, noch iemand van uw stam; +Die eens mij hoont, hem zal ik soms vertrouwen, +U nimmer, noch uw valsche trotsche zoons, +Verbonden allen tot mijn schande en oneer. +Kon niemand hier in Rome een speelbal zijn +Dan Saturninus? Waarlijk, Andronicus, +Goed strookt dit doen met uw gepoch, dat ik +Het keizerschap aan u heb afgebedeld. + +TITUS. Ontzettend! welk een grof verwijt is dit? + +SATURNINUS. Maar ga vrij voort; geef 't wankelmoedig ding +Aan hem, die daar zijn zwaard voor haar gezwaaid heeft. +Een dapp're schoonzoon valt u zoo ten deel, +Juist goed, om, met uw drieste zoons verbonden, +Beroerders van 't Romeinsch gebied te zijn. + +TITUS. Elk woord vlijmt als een dolk mijn bloedend hart. + +SATURNINUS. Dies, schoone Tamora, vorstin der Gothen, +Die, als de kuische Phoebe hare nymfen, +Al Rome's schoonste vrouwen overstraalt,-- +Zie, als mijn rasse keus u kan behagen, +Verkies ik, Tamora, u tot mijn bruid, +En maak terstond u keizerin van Rome. +Spreek, juicht gij, koningin der Gothen, toe? +Bij alle goden zweer ik hier van Rome,-- +Ziet, priesters zijn nabij, 't gewijde water, +De toortsen, die hel vlammen; alles staat +Bereid ter viering van den hymenæus,-- +'k Zweer, dat ik Rome's straten niet weer groet, +Niet opklim naar mijn keizerlijk paleis, +Eer ik mijn bruid, gehuwd, van hier geleid. + +TAMORA. En hier voor 's hemels aanschijn, zweer ik Rome: +Kiest Saturninus de vorstin der Gothen, +Een dienstmaagd zal zij voor zijn wenschen zijn, +Een teed're voedster, moeder zijner jeugd. + +SATURNINUS. Bestijg het Pantheon, vorstin!--Romeinen, +Verzelt uw keizer en zijn lieve bruid, +Een gave aan Saturninus van den hemel, +Wiens wijs bestuur het noodlot heeft verkeerd. +Dáár zij het huw'lijk plechtig ingezegend. + +(Saturninus met zijn Gevolg, Tamora en haar Zoons, Aaron en de +Gothen af.) + +TITUS. Mij noodt men niet om deze bruid te volgen. +Titus, wanneer placht gij alleen te gaan, +Aldus onteerd, met krenkingen getergd? + +(Marcus, Lucius, Quintus en Marcius komen weder op.) + +MARCUS. O Titus, zie! zie, wat gij hebt gedaan! +Een braven zoon gedood in boozen waan! + +TITUS. Neen, dwaas tribuun; neen, hij was niet van mij, +Noch gij, noch dezen, tot een daad verbonden, +Waar ons geheel geslacht door is onteerd; +Onwaardig broeder, en onwaardig kroost! + +LUCIUS. Doch laat ons hem begraven zooals past +Zij bij zijn broeders Mucius nu begraven. + +TITUS. Verraders, weg! hij komt niet in dit graf. +Vijf eeuwen heeft dit monument gestaan, +Dat ik met groote kosten heb herbouwd; +Hier rusten eervol krijgers, Rome's dienaars, +Maar niemand, die in booze twisten viel. +Begraaft hem waar gij wilt, hier komt hij niet. + +MARCUS. Dit, broeder, strijdt met wat de vroomheid eischt, +Want Mucius' daden pleiten luid voor hem. +Hij moet begraven worden bij zijn broeders. + +QUINTUS, MARCIUS. En zal het ook, of wij, wij volgen hem. + +TITUS. En zal het! welke booswicht sprak dit woord? + +QUINTUS. Hij, die het overal, slechts hier niet, staaft. + +TITUS. Wat! zoudt gij hem begraven en mij trotsen? + +MARCUS. Neen, eed'le Titus, slechts u bidden, dat +Gij Mucius wilt vergeven, hem begraven. + +TITUS. Marcus, gij hebt mij op den helm geslagen +En met die knapen in mijn eer gewond; +En elk van u acht ik mijn vijand thans. +Zoo kwelt mij dus niet langer, maar gaat heen. + +MARCUS. Hij is zichzelf thans niet, komt, laat ons gaan. + +QUINTUS. Ik niet, eer Mucius' lijk begraven is. + +(Marcus en Titus' zonen knielen neder.) + +MARCUS. Broeder, want in dien naam pleit de natuur,-- + +QUINTUS. Vader, want in dien naam spreekt de natuur,-- + +TITUS. Spreek gij niet meer; dit kan al de and'ren helpen. + +MARCUS. Titus, gij meer dan mijner ziele helft,-- + +LUCIUS. Mijn vader, gij, ons aller ziel en wezen,-- + +MARCUS. O, gun uw broeder Marcus, dat hij hier +In 't nest der deugd zijn eed'len neef begraav', +Die eervol voor Lavinia is gevallen. +Romein zijt gij, zoo wees dan geen barbaar; +De Grieken pleegden raad en schonken Ajax, +Schoon hij zichzelf versloeg, een graf, waarvoor +Laërtes' wijze zoon met aandrang pleitte. +Zoo zij den jongen Mucius, eens uw vreugd, +Hier de ingang niet geweerd. + +TITUS. Rijs, Marcus, op! +Dit is de onzaal'gste dag, dien ik aanschouwde; +In Rome werd ik door mijn zoons onteerd!-- +Het zij, begraaf hem thans, en mij weldra! + +(Mucius wordt in het graf gelegd.) + +LUCIUS. Ruste uw gebeente, Mucius, bij uw vrienden, +Tot wij uw graf met eereteek'nen sieren. + +ALLEN. Dat niemand om den eed'len Mucius ween'; +Hij leeft in roem, die stierf ter will' der deugd. + +MARCUS. Mijn broeder,--om dien rouw ter zij te stellen,-- +Hoe komt der Gothen sluwe koningin +Eensklaps in Rome zoo in eer verhoogd? + +TITUS. Ik weet niet, Marcus, maar ik weet, zij is 't, +Door list of hoe, dit moog' de hemel weten. +Moet zij den man niet dankbaar zijn, die haar +Zoo verre bracht naar hier tot zulk een heil? +Ja, en zij zal wis vorst'lijk hem beloonen. + +(Trompetgeschal. Van de eene zijde komen weder op: Saturninus, met +Gevolg, Tamora, Demetrius, Chiron en Aaron; van de andere zijde: +Bassianus, Lavinia en Anderen.) + +SATURNINUS. Zoo, Bassianus, hebt ge uw prijs erlangd; +God geve u vreugd, man, met uw eed'le bruid. + +BASSIANUS. En u met de uwe, vorst! Ik zeg niet meer, +En wensch niets minder; en zoo neem ik afscheid. + +SATURNINUS. Heeft Rome wetten, wij gezag, verrader, +U en uw aanhang rouwt dan deze roof. + +BASSIANUS. Roof noemt gij 't, vorst, als ik het mijne neem, +Mijn echte en rechte bruid en thans mijn gade? +Doch Rome's wetten mogen dit beslissen. +Hoe 't zij, 'k heb wat het mijne is, in bezit. + +SATURNINUS. Genoeg, gij zijt zeer kort met ons, maar wij +Zijn, als wij leven, even scherp met u. + +BASSIANUS. Vorst, wat ik deed, zal ik zoo goed ik kan, +Verdedigen, en 'k doe dit met mijn leven. +Slechts dit wil ik uw hoogheid nog doen kennen: +Bij al mijn heil'ge plichten jegens Rome, +De hooge en waardige eed'le, Titus hier, +Is grievend in zijn eer en naam gekrenkt, +Hij, die, om mij Lavinia af te dwingen, +Met eigen hand zijn jongsten zoon versloeg, +Voor u volijv'rig, en in toorn ontvlamd, +Dat hij weêrstreefd werd in zijn gave aan u. +Ontvang hem dus in gunste, Saturninus, +Daar hij in al zijn daden zich een vriend +En vader jegens u en Rome toonde. + +TITUS. Prins Bassianus, laat mijn daden rusten; +Gij zijt het en die daar, die mij onteerd hebt. +Mij richte Rome en de gerechte hemel, +Wat liefde en eer ik Saturninus schonk. + +TAMORA. Mijn eed'le gade, indien ooit Tamora +Genade vond in deze uw vorstlijke oogen, +Zoo hoor mijn onpartijdig woord voor allen: +Vergeef wat is gebeurd, op mijn verzoek. + +SATURNINUS. Mijn gade, wat! in 't openbaar onteerd! +En laf zou ik dit dulden, zonder wraak? + +TAMORA. Neen, neen, mijn vorst; verhoeden Rome's goden, +Dat oneer u ten deele viel door mij! +Doch met mijn eer durf ik er borg voor zijn, +Dat de eed'le Titus schuldloos is in alles; +Zijn onverholen woede toont zijn leed. +Zie op mijn bede hem genadig aan; +Verlies door ijd'len waan geen vriend als hij, +En grief zijn vriendlijk hart niet door uw fronsblik.-- +(Ter zijde tot Saturninus.) Neem raad aan, mijn gemaal, geef +eindlijk toe; +Ontveins nu al uw grieven en verdriet,-- +Te nauwernood zijt ge op uw troon gezeteld,-- +Opdat het volk en de patriciërs niet +Na rijp beraad partij voor Titus kiezen +En u ontzeet'len om ondankbaarheid, +In Rome steeds een zwaar vergrijp geacht. +Verhoor mijn bede, en laat mij dan begaan. +Ik vind een dag om allen te verdelgen; +Uitroeien wil ik hun geslacht en aanhang, +Den wreeden vader en zijn valsche zoons, +Tot wie ik smeekte om 't leven van mijn kind. +Zij voelen 't, wat het zegt, een koningin +In 't stof te laten knielen, vruchtloos smeeken. +(Luid.) Kom, kom, mijn keizer!--Andronicus, kom!-- +Hef de' eed'len grijsaard op, verheug het hart, +Dat in den storm van uwe gramschap sterft. + +SATURNINUS. Rijs, Titus, op, mijn keizerin verwon. + +TITUS. Ik dank uw majesteit, en haar, mijn vorst, +Dat woord, die blik stort mij nieuw leven in. + +TAMORA. Titus, in Rome ben ik ingelijfd, +Door mijn geluk nu als Romeinsche erkend, +En 'k moet den keizer raden tot zijn heil. +Sterve, Andronicus, heden elke twist,-- +En dat het, edel man, mijn eere zij, +U en uw vrienden saam verzoend te hebben.-- +Wat u betreft, prins Bassianus, 'k heb +Den keizer mijn belofte en woord verpand, +Dat gij u zachter, buigzamer zult toonen.-- +Hebt, mannen,--ook Lavinia,--goeden moed,-- +En neemt gij raad aan, buigt dan nu de knie, +En vraagt vergiff'nis aan zijn majesteit. + +LUCIUS. Wij doen 't; en hoor' de hemel en uw hoogheid: +Al wat wij deden, was niet boos gemeend; +'t Gold onzer zuster en onze eigene eer. + +MARCUS. Ja, dit betuig ik op mijn eer; zoo is 't. + +SATURNINUS. Van hier; geen woorden meer, stoort ons niet langer. + +TAMORA. Neen, heer, wij moeten allen vrienden zijn; +Zie den tribuun daar knielen met zijn neven; +Sla 't mij niet af; mijn beste, zie op hen! + +SATURNINUS. Marcus, om uwent- en uws broeders wil, +En de' aandrang van mijn lieve Tamora, +Vergeef ik dezer jonge lieden gruw'len. +Rijst op! +Lavinia, schoon gij smaad'lijk mij verliet, +Ik vond een bruid, en zwoer bij dood en graf, +Niet dan gehuwd te keeren van den priester. +Komt; zoo ons hof twee bruidjes kan onthalen, +Zijt gij mijn gast, Lavinia, met uw vrienden.-- +Een dag zij 't van verzoening, Tamora. + +TITUS. En morgen, zoo 't uw majesteit behaagt +Den panther en het hert met mij te jagen, +Begroeten wij met hoorn en hond uw hoogheid. + +SATURNINUS. Zoo zij het, Titus, en in dank aanvaard. + +(Trompetgeschal. Allen af.) + + + + +TWEEDE BEDRIJF. + +EERSTE TOONEEL. + + +Rome. Voor het paleis. + +Aaron komt op. + +AARON. Zoo klimt nu Tamora de' Olympus op, +Voor 's noodlots pijl beschut; verheven zit zij, +Door donderslag noch bliksemschicht te deren, +Den dreigende' arm des bleeken nijds te hoog. +Zooals de gouden zon den morgen groet +En met haar stralen de' oceaan verguldt, +Daarna op vuur'ge kar haar baan doorrent +En neerblikt op de hoogste heuveltoppen,-- +Zoo Tamora. +Aan haren geest is de eer der aarde dienstbaar, +En bij haar fronsblik knielt en beeft de deugd. +Dus, Aaron, maak uw hart en zin bereid, +Om met uw vorstlijk lief omhoog te stijgen, +Zoo hoog als zij, die ge in triumf zoo lang +Gevangen hieldt, geboeid in liefdekeet'nen, +En vastgesmeed aan Aarons tooverblik, +Meer dan Prometheus aan den Kaukasus. +Weg, slaafsche dracht en need'rige gedachten +In goud en paarlen wil ik schitt'rend stralen, +Der nieuwe keizerin ten dienste staan. +Ten dienste, zeide ik? dart'len met deez' nymf, +Met deez' godin, Semiramis, sirene, +Die Rome's Saturninus zal betoov'ren, +Hem en zijn rijk tot schipbreuk drijven zal. +Ho! welk een storm is dit? + +(Demetrius en Chiron komen op, in heftigen twist.) + +DEMETRIUS. Chiron, gij zijt te jong, uw geest te stomp, +Te plomp, dan dat gij daar u in kunt dringen, +Waar ik wellicht reeds gunst en liefde vond. + +CHIRON. Demetrius, steeds blijkt gij overmoedig, +En wilt ook thans met pochen mij verslaan. +Die afstand van een jaar of twee maakt mij +Niet min begaafd en u niet meer geliefd. +Ik ben zoo goed als gij in staat, geschikt +Om mijner schoone gunst door dienst te winnen;-- +En stave op u terstond mijn zwaard den gloed +Der liefde, die ik voor Lavinia voed. + +AARON (ter zijde). Nu kalm wat, kalm! verliefde vredestoorders! + +DEMETRIUS. Wat, knaap! schoon onze moeder, onbedacht, +Een dansrapier u om de heupen gespte, +Zijt gij zoo driest, dat gij uw vrienden dreigt? +Kom, laat uw lat maar in de scheede lijmen, +Tot gij er beter mee weet om te gaan. + +CHIRON. Nu, hoe gering mijn vechtkunst dan ook zij, +Ontwaren zult gij thans, hoeveel ik waag. + +DEMETRIUS. Wat! zoo vermetel, knaap? + +(Zij trekken het zwaard.) + +AARON (vooruittredend). Wat is dat, prinsen? +Gij waagt het, zoo nabij des keizers slot +Het zwaard te trekken en zoo luid te twisten? +Ik weet zeer wel den grond van dit krakeel; +Maar wenschte zelfs voor geen miljoen, dat de oorzaak +Aan hen bekend waar', die zij 't naast betreft; +En voor veel meer nog wilde uw eed'le moeder +Niet zoo onteerd zich zien aan Rome's hof. +Schaamt u, steekt op! + +DEMETRIUS. Neen, niet, voor ik mijn zwaard +In zijne borst geborgen heb en zoo +Zijn gorgel weer de smaadtaal deed verzwelgen, +Die hij daar tot mijn oneer heeft geuit. + +CHIRON. Daartoe ben ik bereid en vast besloten, +Gij laffe smaler, die uw tong laat dond'ren, +Maar met uw zwaard niets uit te voeren waagt. + +AARON. Van hier, zeg ik! +Nu, bij de goden der krijgshafte Gothen, +Ons allen zal die kindertwist verderven. +Wat, heeren! spreekt, acht gij het niet gevaarlijk, +Zich aan eens prinsen rechten te vergrijpen? +Wat! is Lavinia zulk een losse deerne, +Of Bassianus plots'ling zoo ontaard, +Dat zulke twisten om haar min ontstaan, +Zelfs zonder weêrstand, straf of wraak te duchten? +O prinsen, wacht u!--zoo de keizerin +Dien wanklank hoort, zij vindt dien snerpend valsch. + +CHIRON. Nu, zij en heel de wereld mag het weten: +Lavinia geldt mij meer dan heel de wereld. + +DEMETRIUS. Knaap, zijt gij wijs, doe dan een lager keus, +Lavinia is uws oud'ren broeders wensch. + +AARON. Wat! zijt gij dol en weet gij niet, hoe vinnig +En ijverzuchtig zij in Rome zijn, +En nooit in liefde mededingers dulden? +Ik zeg u, 't is uw dood, dien gij beraamt +Met zulk een aanslag. + +CHIRON. Aaron, duizend dooden +Trotseer ik, om te erlangen, die ik min. + +AARON. Te erlangen? wat! + +DEMETRIUS. Kan dit u zoo bevreemden? +Zij is een vrouw, en daarom wel te vragen; +Zij is een vrouw, en daarom wel te winnen; +Zij is Lavinia, dus beminnenswaard. +Kom, man, meer water loopt den molen langs, +Dan ooit de mool'naar weet; en 't is gemakk'lijk +Van aangesneden brood een brok te stelen. +Zij Bassianus ook des keizers broeder, +Vulcanus' tooi heeft beet'ren zelfs gesierd. + +AARON (ter zijde). Ja, even goed als Saturninus zelf. + +DEMETRIUS. Waarom zou hij wanhopig zijn, die weet, +Hoe woorden, blikken en geschenken werken? +Kom, hebt ook gij niet vaak een ree geveld, +En weggehaald voor 's koddebeiers neus? + +AARON. Nu, 't schijnt dan, dat een schaking of zoo iets +U dienstig waar? + +CHIRON. Ja, zoo 't geluk ons diende. + +DEMETRIUS. Getroffen, Aaron! + +AARON. Nu, tref ook uw wit! +Dan zijn wij af van zulk rumoer als dit. +Maar hoort nu, hoort!--zijt gij nog zulke dwazen, +Dat gij om zoo iets twist?--Zegt, zou 't u krenken, +Indien gij beiden slaagdet? + +CHIRON. Mij niet, neen. + +DEMETRIUS. Mij evenmin, zoo ik er een van ben. + +AARON. Foei! eendracht winne u 't voorwerp van uw strijd. +Door overleg en list moet gij verwerven, +Wat gij beoogt; en dit sta bij u vast, +Dat, kunt gij 't niet, zooals gij wilt, bekomen, +Gij 't met geweld, zooals gij 't kunt, erlangt. +Geloof van mij: Lucretia was niet kuischer, +Dan deez' Lavinia, Bassianus' liefde. +Een korter weg dan talmend liefdesmachten +Zij dus gevolgd, en ik vond u het pad. +Bedenkt, er is een groote jacht aanstaande; +Die lokt een tal Romeinsche schoonen aan; +De wand'ling van het woud is uitgestrekt, +En biedt u menig onbetreden plek, +Voor misdaad en verkrachting als geschapen. +Lokt daar dit malsche reetje eenzaam heen, +En velt het met geweld zoo niet met woorden. +Zoo hebt gij hoop te slagen, anders niet. +Komt, onze keizerin, wier helsche geest +Aan boosheid en aan wraak is toegewijd, +Moet dit geheele plan van ons vernemen, +Dan steunt zij onze ontwerpen met haar raad, +En zal, uw onderlingen twist niet duldend, +U beiden voeren tot uw hoogsten wensch. +Des keizers hof is als het huis der Faam, +'t Paleis vervuld van tongen, oogen, ooren, +Het woud is wreed en schrikk'lijk, doof en stom; +Spreekt, velt daar beurtlings, wakk're jongens, 't wild; +Boet daar uw lust, beschut voor 's hemels oog, +En doet u aan Lavinia's schat te goed. + +CHIRON. Uw raad, mijn jongen, zweemt naar lafheid niet. + +DEMETRIUS. Sit fas aut nefas; tot ik nu een stroom +Gevonden heb, die deze hitte koelt, +En de betoov'ring, die mijn koortsen stilt, +Per Styga, per manes vehor. + +(Allen af.) + + + +TWEEDE TOONEEL. + + +Een woud. Horengeschal en hondengeblaf. + +Titus Andronicus komt op, met Jagers, enz.; verder Marcus, Lucius, +Quintus en Marcius. + +TITUS. De jacht is reê, de morgen licht en klaar, +De velden geurig en de wouden groen. +De honden los! laat hen recht luide blaffen; +Wekt zoo den keizer en zijn schoon jong vrouwtje, +Alsook den prins; en laat den jachtgroet schallen, +Zoodat geheel het hof den roep weerkaats'! +Mijn zoons, het zij uw taak, gelijk de mijne, +Voor den persoon des keizers goed te zorgen, +'k Werd in mijn slaap van nacht gestoord, ontrust, +Maar 't naad'ren van den dag gaf frisschen moed. + +(Horengeschal en hondengeblaf.) + +(Saturninus, Tamora, Bassianus, Lavinia, Demetrius en Chiron komen +op, met Gevolg.) + +TITUS. Veel goede morgens, uwe majesteit; +Vorstin, ook u recht vele en even goede:-- +Ik zeide een jachtgroet aan uw hoogheid toe. + +SATURNINUS. En lustig hebt gij dien geblazen, heer, +Voor jonggehuwde vrouwtjes zelfs wat vroeg. + +BASSIANUS. Lavinia, wat zegt gij? + +LAVINIA. Ik zeg van neen; +Klaar wakker was ik reeds twee uur en meer. + +SATURNINUS. Komaan dan, paarden, wagens voorgebracht; +En fluks naar 't woud. (Tot Tamora.) Vorstin, nu zult gij eens +'t Romeinsche jagen zien. + +MARCUS. Heer, honden heb ik, +Die zelfs den fiersten panter op doen rijzen, +En klaut'ren op het steilste voorgebergt'. + +TITUS. Ik paarden, die het wild alomme volgen, +En als een zwaluw scheren over 't veld. + +DEMETRIUS (tot Chiron). Wij, Chiron, jagen niet met paard en hond, +Maar grijpen 't reetje en rukken 't op den grond. + +(Allen af.) + + + +DERDE TOONEEL. + + +Een eenzaam gedeelte van het woud. + +Aaron komt op met een buidel vol goud. + +AARON. Wie zijn verstand heeft, denkt dat ik het mis, +Omdat ik zooveel goud bij dezen boom +Begraaf om 't nooit weer in bezit te nemen. +Nu, wie zoo min van mij mocht denken, wete, +Dat mij dit goud een aanslag munten moet, +Die, als hij met beleid wordt uitgevoerd, +Een allerprachtig boevenstuk verwekt; +Rust dus, lief goud, opdat gij onrust brengt +Aan wie de kist der keizerin u schenkt. + +(Hij verbergt het goud.) + +(Tamora komt op.) + +TAMORA. Mijn lieflijke Aaron, waarom ziet gij ernstig, +Terwijl wedijv'rend alles blijde kijkt? +Uit ied'ren struik klinkt voog'lenmelodie; +De slang ligt in den zonn'schijn saâmgerold; +De blaad'ren trillen in den koelen wind, +En teek'nen schaduwplekken op den grond. +Kom, gaan wij, Aaron, onder 't loofdak zitten, +En luist'ren wij,--terwijl de bauwende echo +'t Welluidend horenschallen schril bespot, +En, daar een dubb'le jacht vernomen wordt, +De honden fopt en tergt,--naar 't luid geblaf, +Om na een strijd,--zooals vermoed wordt, dat +De vorst, die zwierf, en Dido eens genoten, +Toen heilaanbrengend hen een storm verraste +En met een grot, die zwijgen kon, omsloot, +Dan, door elkanders armen dicht omstrengeld, +Na 't spel der minne een gouden slaap te doen, +Waarbij het hondgeblaf, het hoorngeschal, +'t Zoet vogellied de wiegezang ons zijn +Der voedster, die haar liev'ling in doet sluim'ren. + +AARON. Vorstin, besture Venus uw begeerten, +Saturnus' invloed is 't, die mij beheerscht. +Of wat beduidt mijn dood'lijk starend oog, +Mijn zwijgen en mijn diep zwaarmoedig voorhoofd, +Mijn wollig hoofdhaar, dat zich nu ontkroest, +Gelijk een adder, als hij zich ontrolt +Om fel een onontwijkb'ren dood te brengen? +Neen, neen, vorstin, dit zijn geen Venusteekens; +Wraak is er in mijn hart, dood in mijn hand; +Bloed zijn 't en wraak, die haam'ren in mijn hoofd. +Hoor, Tamora, vorstinne mijner ziele, +Die op geen hemel hoopt dan dien in u, +'t Is heden Bassianus' oordeelsdag, +Waarop zijn Philomela tongloos wordt, +Uw zoons haar kuischheid rooven tot een buit, +En in het bloed haars mans hun handen wasschen. +Gij ziet hier dezen brief? hier, neem hem, bid ik, +En geef den koning dit verderflijk schrift.-- +Vraag thans niet meer, wij worden reeds bespied; +Daar komt een deel des buits, waarop wij hopen, +Die van het nakend doodsuur nog niet droomt. + +TAMORA. O lieve Moor, mij liever dan het leven! + +AARON. Vorstin, geen woord meer; Bassianus komt; +Zoek twist met hem; uw zoons haal ik er bij, +Om, wààr ook uw krakeel om zij, te helpen. + +(Aaron af.) + +(Bassianus en Lavinia komen op.) + +BASSIANUS. Wie zien wij hier? is 't Rome's keizerin, +Verstoken van 't gevolg, dat haar betaamt? +Of is 't misschien, in haar gewaad, Diana, +Die haar gewijde dreven eens verlaat, +Om hier in 't woud de groote jacht te zien? + +TAMORA. Gij driest bespieder van mijn stille gangen, +Hadde ik de macht, Diana, zegt men, eigen, +Dan plantte ik oogenblikk'lijk op de slapen +U horens, als Actæon had, opdat +Uw honden uw veranderd lijf besprongen; +Indringende onbeschaamde, die gij zijt! + +LAVINIA. Vergeef mij, lieve keizerin, men schrijft u +Een groot talent van hoornopzetten toe; +En 't wordt vermoed, dat zich uw Moor en gij +Afzonderden tot oef'ning in die kunst. +De hemel hoede uw man thans voor zijn honden, +'t Waar' boos, als zij hem hielden voor een hert. + +BASSIANUS. Geloof me, uw donkere Kimmeriër doet +Vorstin, uw eer gelijk zijn huid, bevlekt, +Zwart en verfoeilijk, afschuwwekkend zijn. +Waartoe zijt gij van uw gevolg gescheiden, +En afgestegen van uw sneeuwwit ros, +En afgedwaald naar deze duist're plek, +Van een barbaarschen Moor alleen verzeld, +Zoo booze lust u hier niet heeft gebracht? + +LAVINIA. En nu gij wordt gestoord in uw vermaak, +Moet gij,--dit spreekt van zelf,--mijn eed'len gade +Om driestheid gispen!--Lieve, gaan wij heen; +Laat haar 't genot van haar raafkleur'gen boel; +Dit donk're dal voldoet aan haar bedoeling. + +BASSIANUS. Den koning, mijnen broeder, doe ik 't kennen. + +LAVINIA. Juist; lang reeds was hij kenn'lijk door hun doen; +Een vorst, zoo goed en toch zoo boos bedrogen! + +TAMORA. Waarom heb ik 't geduld om dit te dragen? + +(Demetrius en Chiron komen op.) + +DEMETRIUS. Wat, waarde keizerin, doorluchte moeder, +Hoe ziet uw hoogheid zoo ontdaan en bleek? + +TAMORA. Heb ik geen reden, denkt ge, om bleek te zien? +Die twee daar hebben mij hierheen gelokt; +Gij ziet, het is een woest, afschuwlijk dal, +De boomen, trots den zomer, schraal, ontblaard, +Geheel met mos bedekt en boozen mistel. +Nooit schijnt de zon hier en geen vogel broedt er, +Dan dagschuwe uilen en onzaal'ge raven. +Zij toonden mij dit schrikverwekkend dal, +En zeiden, dat in 't holste van de nacht +Een duizend booze geesten, duizend slangen, +Tien duizend egels en gezwollen padden, +Dooreen, er zulke gruwb're kreten slaakten, +Dat ieder sterflijk wezen, dat ze hoort, +Terstond waanzinnig wordt of plots'ling sterft. +En nauwlijks was dit helsch verhaal verteld, +Of zij bedreigden mij, dat ze aan den tronk +Mij binden zouden van een giftige' ief, +Ter prooi aan zulk een jammerrijken dood. +Toen noemden zij mij schaamt'looze overspeelster +En wulpsche Gothenvrouw, kortom, al wat +Het oor van bitt're smaadtaal ooit vernam; +En had geen wonder u hierheen gevoerd, +Dan hadden zij hun dreiging waar gemaakt. +Wreekt dit, is u uw moeders leven lief, +Of ik erken niet langer u als zoons. + +DEMETRIUS. Dat ik uw zoon ben, moge dit getuigen. + +(Hij doorsteekt Bassianus.) + +CHIRON. Ook dit is raak en tuige voor mijn kracht. + +(Hij doorsteekt hem eveneens. Bassianus sterft.) + +LAVINIA. O kom, Semiramis,-- +Of neen, barbaarsche Tamora, kom gij,-- +Geen naam dan de uwe past bij uw natuur. + +TAMORA. Geef mij uw dolk, en gij zult zien, mijn knapen, +Uw moeders hand wreekt uwer moeder smaad. + +DEMETRIUS. Neen, toef, vorstin, meer komt haar toe dan dit; +Dorsch eerst het graan, en dan, verbrand het stroo. +Dit popje droeg op hare kuischheid roem, +Haar huwlijkseed, haar trouw, en zij braveerde +Met dien schijnschoonen waan zelfs uwe macht; +En zal zij dien met zich ten grave nemen? + +CHIRON. 'k Moge een gesneed'ne zijn, eer zij dit doet. +Neen, sleep haar gade naar een heimlijk hol; +Tot peluw strekk' dat lijk bij onzen lust. + +TAMORA. Maar als gij den begeerden honig hebt, +Laat dan die wesp niet leven, dat ze ons steek'. + +CHIRON. Nu 'k zweer, vorstin, wees hieromtrent gerust. +Kom, liefje, wij genieten met geweld +Thans uwe preutsch beveiligde eerbaarheid. + +LAVINIA. O Tamora, 't gelaat hebt ge eener vrouw,-- + +TAMORA. 'k Wil haar niet hooren spreken; weg met haar! + +LAVINIA. Smeekt, lieve prinsen, haar, één woord te hooren! + +DEMETRIUS. Hoor haar, vorstin; het zij uw roem, haar tranen +Te aanschouwen; doch voor deze zij uw hart, +Wat harde keien zijn voor regendroppels. + +LAVINIA (tot Demetrius). Gaf ooit een tijgerwelp zijn moeder les? +Leer haar niet boos te zijn, zij leerde 't u; +De melk, waarmee ze u zoogde, werd tot marmer; +Aan haren tepel dronkt ge uw wreedheid reeds. +Maar alle moederzoons zijn niet gelijk; +(Tot Chiron.) Smeek gij haar, deernis met een vrouw te toonen. + +CHIRON. Wat! wilt gij, dat ik mij een basterd toon? + +LAVINIA. 't Is waar, geen raaf broedt ooit een leeuwrik uit; +Maar toch, ik hoorde,--o vond ik 't nu gestaafd!-- +Hoe zelfs de leeuw uit deernis heeft geduld, +Dat men zijn koningsklauwen kortte en wegnam. +Ook raven, zegt men, voed'ren vondelingen, +Al hong'ren dan hun jongen in het nest; +O wees voor mij, al zegge uw hard hart neen, +Zoo al niet vriendlijk, toch niet deernisloos. + +TAMORA. 'k Weet niet, wat deernis is; thans weg met haar! + +LAVINIA. Laat mij 't u leeren. Om mijns vaders wil, +Die u liet leven, toen hij u kon dooden, +Wees thans niet doof, maar leen mijn beden 't oor. + +TAMORA. Al hadt gij in persoon mij nooit gekrenkt, +Om zijnentwille ben ik deernisloos. +Denkt, knapen, hoe 'k vergeefs mijn tranen plengde, +Opdat uw broeder niet geofferd wierd; +Maar Andronicus bleef toen onbewogen. +Dies weg met haar, en doet met haar uw wil; +Wie 't meest haar deert, zal mij het liefste zijn. + +LAVINIA. O Tamora, verwerf den naam van goed, +En geef mij hier den dood met uwe hand. +Om 't leven heb ik niet zoo lang gesmeekt, +Ik arme stierf, toen Bassianus viel. + +TAMORA. En waarom smeekt gij dan? dwaas schepsel, laat mij. + +LAVINIA. Ik smeek een onverwijlden dood, en ook +Nog iets, dat schaamte mij belet te noemen. +O hoed mij voor hun lust, die meer dan dood +Mij dreigt, en werp mij in een vuilen poel, +Waar nimmer menschenoog mijn lijk aanschouwe; +Doe dit en wees een zachte moordnares. + +TAMORA. Dan roofde ik aan mijn lieve zoons hun loon; +Neen, dat zij vrij hun lusten met u boeten. + +DEMETRIUS. Kom, weg! gij hieldt ons veel te lang hier op. + +LAVINIA. Geen hart? geen vrouwlijkheid? Beestachtig wezen! +Gij vlek en vijandin van ons geslacht! +Moge u 't verderf-- + +CHIRON. Thans stop ik u den mond.--Neem gij haar man; +In dien kuil zeide ons Aaron hem te bergen. + +(Demetrius werpt het lijk van Bassianus in den kuil; daarop gaan +Demetrius en Chiron heen, Lavinia medesleurend.) + +TAMORA. Vaartwel, mijn zoons; weest zeker, dat zij zwijgt.-- +Geen echte vroolijkheid verheugt mijn hart, +Eer al die Andronici zijn verdelgd. +Thans, lieve Moor, kan ik tot u mij wenden, +En laat mijn zoons die deerne lustig schenden. + +(Tamora af.) + +(Aaron komt weder op, met Quintus en Marcius.) + +AARON. Treedt, heeren, voort, den besten voet vooruit! +Terstond wijs ik den vuilen kuil u aan, +Waar ik den panter zag in diepen slaap. + +QUINTUS. Mijn oog wordt plotsling dof; wat duidt dit aan? + +MARCIUS. Voorwaar, ook 't mijne. Zoo ik mij niet schaamde, +'k Verliet de jacht en zou een slaapje doen. + +(Hij valt in den kuil.) + +QUINTUS. Wat! vielt gij daar?--Wat valsche kuil is dit, +Zoo overgroeid met wilde dorenstruiken? +En op hun blaad'ren droppels bloed, zoo frisch, +Als morgendauw, die bloemen overparelt? +Dit schijnt mij inderdaad een onheilsplek. +Spreek, broeder, zijt gij bij uw val verwond? + +MARCIUS. Ach, broeder, ja, door 't zien van iets zoo gruwlijks, +Als ooit het oog door 't hart bejamm'ren deed. + +AARON (ter zijde). Nu zorg ik, dat de koning hen hier vindt, +Opdat hij met waarschijnlijkheid vermoede, +Dat zij het waren, die zijn broeder doodden. + +(Aaron af.) + +MARCIUS. Wat draalt gij met vertroostend mij te helpen +Uit dit vervloekt, met bloed bezoedeld hol? + +QUINTUS. Een vreemde schrik beving mij; 't kille zweet +Loopt tapp'lings langs mijn rillende gewrichten; +Mijn hart vermoedt meer dan mijn oog kan zien. + +MARCIUS. Uw voorgevoel is juist; wilt gij dit zien, +Zoo blik met Aaron in dit hol eens neer, +En zie een gruw'lijk beeld van bloed en dood. + +QUINTUS. Aaron is weg en mijn bewogen hart +Vergunt mijn oogen niet om dat te zien, +Waarvan 't vermoeden reeds mij rillen doet. +O zeg mij, wat het is; want nooit voor nu +Was ik een kind en vreesde 'k weet niet wat. + +MARCIUS. Prins Bassianus, in zijn bloed gewenteld, +Ligt als een klomp, als een verslagen lam, +In dit vervloekt en donker, bloedig hol. + +QUINTUS. Is 't donker daar, hoe weet gij, dat hij 't is? + +MARCIUS. Aan zijn bebloeden vinger steekt een ring +Met kostb'ren steen, die heel het hol verlicht, +En, als een fakkel in een grafgewelf, +Des dooden vale wangen hel beschijnt, +En 't bloedig ingewand der grot onthult; +Zoo bleek scheen eens op Pyramus de maan, +Toen hij bij nacht in 't bloed der maagd gebaad lag. +O broeder, help mij met uw zwakke hand,-- +Want licht heeft angst, als mij, ù zwak gemaakt-- +Uit dit verslindend, vratig lijkenhuis, +Zoo schrikk'lijk als Cocytus' duist'ren mond. + +QUINTUS. Reik mij uw hand, dan help ik u er uit; +En schiet mijn kracht te kort om u te helpen, +Dan storte ook ik in den begeer'gen schoot +Van 't diepe hol, het graf van de' armen prins.-- +Ik heb geen kracht om u tot hier te trekken. + +MARCIUS. En ik niet, om alleen omhoog te klaut'ren. + +QUINTUS. Nog eens uw hand: ik laat die niet meer los, +Eer gij hierboven zijt, of ik beneden.-- +Gij komt niet op tot mij; ik kom tot u. + +(Hij valt mede in den kuil.) + +(Saturninus en Aaron komen op). + +SATURNINUS. Volg mij; zelf wil ik zien, wat kuil hier is, +En wie het was, die er zoo even insprong. +Spreek, wie zijt gij, die daar zijt afgedaald +In deze gapende oop'ning van den grond? + +MARCIUS. De onzaal'ge zoon van de' ouden Andronicus, +Te boozer uur er heen gevoerd, om hier +Uw broeder Bassianus dood te vinden. + +SATURNINUS. Mijn broeder dood! Nu zie ik, dat gij schertst; +Hij en zijn gade zijn in 't jagershuis, +Aan 't noordereind van 't schoone jachtgebied; +'t Is nog geen uur, sinds ik hen daar verliet. + +MARCIUS. Ik weet niet, waar gij 't laatst hem levend zaagt, +Maar, o helaas! hier vonden wij hem dood. + +(Tamora komt weder op, met Gevolg; verder Titus Andronicus en +LUCIUS.) + +TAMORA. Waar is de koning, mijn gemaal? + +SATURNINUS. Hier, Tamora, door dood'lijk leed bedroefd. + +TAMORA. Waar is uw broeder Bassianus? + +SATURNINUS. Nu peilt gij juist den bodem van mijn wond; +Vermoord ligt hier mijn arme Bassianus. + +TAMORA (aan Saturninus een brief overreikend). +Zoo breng ik dezen onheilsbrief te laat, +Die de' aanslag inhoudt van dit gruw'lijk treurspel, +En sta verstomd, dat eenig menschlijk aanzicht +Bloeddorst in lieve lachjes hullen kan. + +SATURNINUS (leest). "Zoo wij hem niet geschikt ontmoeten kunnen,-- +Wij meenen Bassianus, beste jager,-- +Doe gij 't voor ons en delf hem dan zijn graf; +Gij weet thans wat wij wenschen. Zoek uw loon: +'t Ligt onder netels aan den voet des vlierbooms, +Die de' ingang overschaduwt van den kuil, +Door ons tot Bassianus' graf bestemd. +Doe dit en maak ons eeuwig tot uw vrienden." +O Tamora! werd ooit zoo iets gehoord? +Hier is de kuil, en dit, dit is de vlierboom. +Zoekt, heeren, of gij ook den jager vindt, +Die Bassianus hier vermoorden moest. + +AARON. En, beste vorst, hier is de zak met goud. + +SATURNINUS (tot Titus). Twee van uw welpen, honden, heet op bloed, +Beroofden hier mijn broeder van het leven.-- +Sleept, mannen, uit den kuil hen naar den kerker; +Sluit daar hen op, tot wij voor hen een martling, +Nog nooit vernomen, hebben uitgedacht. + +TAMORA. Wat! zijn zij daar, in dezen kuil? O wonder! +Hoe ras wordt toch een moord aan 't licht gebracht! + +TITUS. Mijn keizer, op mijn zwakke knieën smeek ik, +Met tranen, die ik moeilijk stort, de gunst, +Dat deze schuld van mijn vervloekte zoons,-- +Vervloekt, indien hun schuld bewezen wordt,-- + +SATURNINUS. Bewezen wordt? gij ziet, zij is klaarblijk'lijk;-- +Wie vond den brief? waart gij het, Tamora? + +TAMORA. Neen, Andronicus zelf was 't, die hem opnam. + +TITUS. Zoo is het, heer; doch laat voor hen mij borg zijn. +Ik zweer bij mijner vaad'ren heilig graf: +Op uwer hoogheid wenk staan zij bereid, +Al moog' het onderzoek hun leven gelden. + +SATURNINUS. Geen borgtocht, neen; maar zorg, dat gij mij volgt.-- +Gij, brengt den doode, gij de moord'naars na; +Laat hen niet spreken; duid'lijk is hun schuld; +En bij mijn ziel, bestond er boozer eind +Dan dood, dat erger eind viel hun te beurt. + +TAMORA. Ik wil den keizer smeeken, Andronicus; +Wees zonder zorg om hen, het gaat wel goed. + +TITUS. Kom, Lucius, kom; tracht niet met hen te spreken. + +(Allen af.) + + + +VIERDE TOONEEL. + + +Een ander gedeelte van het woud. + +Demetrius en Chiron komen op, met de geschonden Lavinia; de +handen zijn haar af gehouwen, de tong uitgesneden. + +DEMETRIUS. Indien uw tong kan spreken, ga dan nu, +Zeg, wie de tong u uitsneed en u schond. + +CHIRON. Schrijf neder wat gij weet, onthul het zoo; +Speel, laten dit uw stompen toe, voor schrijver. + +DEMETRIUS. Zie, hoe zij schrappen, teekens krabb'len kan. + +CHIRON. Ga huiswaarts, roep om water, wasch uw handen. + +DEMETRIUS. Voor 't roepen mist ze een tong, voor 't wasschen handen, +Dus laat haar nu haar stille wegen gaan. + +CHIRON. Waar 't mijn geval, ik ging en hing mij op. + +DEMETRIUS. Ja, als gij handen hadt om 't koord te knoopen. + +(Demetrius en Chiron af.) + +(Horengeschal achter het tooneel. Marcus komt op, van de jacht.) + +MARCUS. Wie is dat daar?--mijn nicht, die ijlings vlucht? +Geef antwoord, nichtje; zeg, waar is uw man? +Zoo 'k droom, 'k geef al mijn have, om weer te ontwaken! +Zoo 'k waak, bestraal' terstond me een booze ster +En vell' mij om den eeuw'gen slaap te sluimren!-- +Spreek, lieve nicht, wat ruwe wreede hand +Verminkte uw lijf en hieuw dat zoet sieraad +U af, de beide takken, in wier schaduw +Zich vorsten gaarne hadden neergevlijd, +Die toch het hooge heil niet mochten smaken +Van uwe liefde? Waarom spreekt gij niet?-- +Helaas, een purp'ren stroom, warm bloed,--een bron, +Die opwelt en door stormen trilt, gelijk, +Rijst, daalt daar tusschen uwe rozenlippen, +Komt, gaat met elken zoeten ademtocht. +Ach, zeker heeft een Tereus u geschonden, +En, straffe duchtend, u de tong ontrukt! +Ach! thans wendt gij 't gelaat af, diep beschaamd! +En schoon u al dit kostlijk bloed ontstroomt, +Als uit een drietal spruiten wellend water, +Zien toch uw wangen rood als Titans aanschijn, +Die bloost, als hem een wolk te tarten waagt. +Zal ik voor u het woord doen? zeggen, "'t is zoo?" +O kende ik thans uw hart! kende ik het beest, +Dat ik het smaadde om mijn gemoed te koelen! +Verholen leed,--als een gesloten oven,-- +Verbrandt het hart, waarin het woont, tot asch. +Slechts tongloos werd de schoone Philomela; +Zij stikte in 't droevig weefsel haar gemoed; +U, lieve nicht, sneed men dit middel af; +Een sluwer Tereus was 't, die u belaagde; +En die sneed u die fijne vingers af, +Wier arbeid Philomela hadd' beschaamd. +O, had het monster ooit die leliehanden +Als espenblad zien trillen op een luit, +Zoodat de zijden snaren teêr die kusten, +Zelfs niet voor 't leven had hij ze aangeroerd; +Had hij de hemelmelodie gehoord, +Die stroomde van die zoete tong, zijn mes +Waar' hem ontvallen, hij in slaap verzonken, +Gelijk voor Orpheus' voeten Cerberus. +Kom, gaan wij om uw vader blind te maken; +Want zulk een aanblik blindt eens vaders oog; +Eén uur van storm verdrinkt een geur'ge beemd; +Kan 't vaderoog dan maanden weenens lijden? +Wijk niet terug; wij willen met u klagen; +O, hielp u onze kracht de ellende dragen! + +(Beiden af.) + + + + + +DERDE BEDRIJF. + +EERSTE TOONEEL. + + +Rome. Een straat. + +Senatoren, Tribunen en Rechters komen op, met Marcius en Quintus, +die geboeid ter terechtstelling gevoerd worden; Titus gaat als +smeekeling voor hen uit. + +TITUS. Hoort, achtb're vaders! gij tribunen, staat! + +Denkt, ik ben oud nu, en ik sleet mijn jeugd +In woesten krijg, terwijl gij zorgloos sliept; +Denkt aan al 't bloed, dat ik voor Rome stortte, +Aan meen'ge winternacht, die ik doorwaakte, +Aan deze bitt're tranen, die gij nu +De rimpels van mijn wangen vullen ziet, +En schenkt mijn zoons, veroordeeld thans, genade; +Hun hart is niet zoo slecht, als 't wordt gewaand. +Om twee-en-twintig zonen weende ik nooit, +Wijl zij op 't edel bed der eere stierven; + +(Hij werpt zich op den grond.) + +Om dezen schrijf ik thans in 't stof, tribunen, +Mijn harteleed en mijner ziele tranen. +Laat mij der aarde dorst met tranen lesschen; +Zij wierd schaamrood van mijner zonen bloed. + +(De Senatoren, Tribunen enz. gaan met de Gevangenen door.) + +O aarde, ik wil u meer met vocht verkwikken, +Dat uit deez' twee verweerde kruiken vliet, +Dan jonge April 't vermag met al zijn buien; +In zomerdroogte drenk ik u; des winters +Smelt ik met heete tranen u de sneeuw; +Ik wek een eeuw'ge lente op uw gelaat, +Indien gij 't bloed wilt weig'ren van mijn zoons. + +(Lucius komt op, met uitgetogen zwaard.) + +Eed'le tribunen! zacht gestemde grijsaards! +Ontboeit mijn zonen en herroept uw vonnis, +Dat ik, die nooit voordezen weende, zegg': +Mijn tranen zijn een onafwijsb're voorspraak. + +LUCIUS. Uw weeklacht, eed'le vader, is vergeefsch; +Hier hoort u geen tribuun; geen mensch is hier; +'t Is aan een steen, dat gij uw kommer klaagt. + +TITUS. O Lucius, laat mij pleiten voor uw broeders.-- +Eed'le tribunen, nogmaals smeek ik u,-- + +LUCIUS. Mijn vader, geen tribuun verneemt uw woorden. + +TITUS. 't Is eender, knaap; al hoorden ze ook, zij zouden +Er niet op letten; letten zij er op, +Er niet geroerd door zijn; toch moet ik spreken, +Hoe nutt'loos ook. +Daarom meld ik mijn kommer aan de steenen, +Die, ja, geen antwoord geven op mijn klacht, +Maar hierin beter dan tribunen zijn, +Dat zij mij zonder stoornis laten spreken. +Zie, als ik ween, dan nemen zij mijn tranen +Deemoedig op en weenen schier met mij; +En waren zij slechts statig aangekleed, +Tribunen, hun gelijk, had Rome niet. +Zacht is een steen als was, steenhard tribunen; +Stom is een steen en krenkt niet, doch tribunen, +Zij hebben tongen, die ten doode doemen. + +(Hij rijst op.) + +Doch waarom staat gij met getrokken zwaard? + +LUCIUS. Om van den dood mijn broeders te bevrijden; +En voor die poging hebben mij de rechters +Veroordeeld tot een eeuw'ge ballingschap. + +TITUS. Gelukkig man! wat deden zij u goed! +Wat, dwaze Lucius, hebt gij niet bespeurd, +Dat Rome een wildernis vol tijgers is? +Wat tijger is, wil buit, en Rome biedt +Geen buit dan mij, de mijnen. Dus, heil ù, +Die ver van die verslinders wordt verbannen! +Doch wie komt met mijn broeder Marcus daar? + +(Marcus en Lavinia komen op.) + +MARCUS. Titus, bereid uw edel oog tot weenen, +Of kunt gij 't niet, uw edel hart tot breken; +'k Voeg bij uw ouderdom verterend wee. + +TITUS. Zal 't mij verteren? laat het mij dan zien. + +MARCUS. Dit was uw dochter. + +TITUS. Marcus, zij is 't nog. + +LUCIUS. Wee mij, die aanblik doodt mij. + +TITUS. Zwakhartig jong'ling, rijs, en zie haar aan.-- +Lavinia, spreek! wat vloekb're hand heeft u +Handloos gemaakt voor de oogen van uw vader? +Wat zotskap goot ooit water bij de zee, +Of wierp in Troja's laaien brand een mutsaard? +Hoog was mijn leed gestegen, eer gij kwaamt, +Thans spot het als de zee met elken dam.-- +Geef mij een zwaard, dan kappe ook ik mijn handen, +Wijl zij voor Rome streden, en vergeefs, +En, 't lijf verzorgend, dezen jammer voedden; +Tot ijd'le beden hief ik haar omhoog, +Zij dienden mij tot nutteloos gebruik; +Geen dienst meer eisch ik thans van haar dan deze, +Dat de eene helpe om de andere af te kappen.-- +Goed is 't, dat gij geen handen hebt, Lavinia; +In dienst van Rome helpen handen niets. + +LUCIUS. Spreek, lieve zuster, wie heeft u gemarteld? + +MARCUS. Helaas! dat lieflijk werktuig der gedachten, +Dat die zoo zoet en zoo welsprekend uitte, +Is weggereten uit de schoone kooi, +Waar 't als een vogel melodieën zong, +Toonrijk, welluidend, ieder oor betoov'rend! + +LUCIUS. Zeg gij voor haar dan, wie dit stuk bedreef. + +MARCUS. O, 'k vond haar zoo, omdwalend in het woud +En pogend weg te schuilen, als een ree, +Die een onheelb're wond ontvangen heeft. + +TITUS. Zij was mijn ree; wie haar verwondde, heeft +Mij erger dan een doodwond toegebracht. +Nu sta ik hier, als iemand op een klip, +Omgordeld door een woestenij van zee, +Die 't wassend tij met golf op golf ziet stijgen, +En immer wacht, dat fluks de felle branding +Hem zal verzwelgen in haar zilten schoot. +Ginds zijn mijn arme zoons ter dood gegaan; +Hier staat mijn and're zoon als banneling, +En hier mijn broeder, weenend om mijn wee; +Maar wat het felst mijn ziele grieft, mijn dierb're +Lavinia is 't, mij dierb'rer dan mijn ziel;-- +Hadde ik uw beelt'nis zoo verminkt gezien, +Het had mij dol gemaakt; wat word ik thans, +Nu ik uw levend wezen zoo aanschouw? +Geen handen hebt ge om tranen af te wisschen, +Geen tong om wie u martelde ooit te noemen; +Uw gade is dood, en om zijn dood uw broeders +Veroordeeld en voorzeker nu reeds dood. +Zie, Marcus; ach, zoon Lucius, zie haar aan; +Nu ik haar broeders noem, staan op haar wangen +Weer versche tranen, als een zoete dauw +Op een geplukte en schier verlepte lelie. + +MARCUS. Zij weent wellicht, wijl zij haar gade doodden, +Wellicht ook, wijl zij hen onschuldig weet. + +TITUS. Zoo zij uw gade doodden, wees dan blijde, +Dat nu de wet zich met de wraak belast.-- +Neen, neen, zij deden zulk een wandaad niet; +'t Leeddragen van hun zuster tuigt voor hen.-- +Lavinia-lief, laat mij uw lippen kussen, +Of zeg door teekens, hoe ik troosten kan. +Of zullen wij, uw oom, uw broeder Lucius, +Gij, ik, te zamen aan een beek gaan zitten, +Er in zien ter beschouwing onzer wangen, +Hoe die ontkleurd zijn, als nog vochte weiden, +Waar pas een stroom zijn slib op achterliet? +En staren wij dan zoo lang in de beek, +Totdat zijn helder nat niet zoet meer smaakt, +En ziltig werd van onze bitt're tranen? +Of kappen we onze handen af als de uwe? +Of bijten we ons de tong af en doorleven +In stom gebaar des levens droeve rest? +Wat doen wij? Spreekt! laat ons, die tongen rijk zijn, +Een schrander plan van verd're ellend ontwerpen, +Opdat we een wonder zijn voor laat'ren tijd. + +LUCIUS. Mijn vader, stuit uw tranen; bij ons wee, +Zie, hoe mijn arme zuster snikt en schreit. + +MARCUS. Stil, lieve nicht;--gij, Titus, droog uw oogen. + +TITUS. Ach, Marcus, Marcus! broeder, 'k weet te goed, +Uw zakdoek kan geen traan van mij meer drinken, +Want gij hebt zelf met de uwe hem gedrenkt. + +LUCIUS. Lavinia, kom, ik wisch uw wangen af. + +TITUS. Zie, Marcus, zie! Haar teekens zijn mij duid'lijk; +Had zij een tong, zij zeide tot haar broeder +Hetzelfde, wat ik u pas heb gezegd; +Zijn zakdoek, nat van echte tranen, kan +Niet dienen voor haar kommervolle wangen. +Wat meegevoel! elks kommer is gelijk; +Doch troost zoo ver, als heil van 't schimmenrijk! + +(Aaron komt weder op.) + +AARON. Mijn heer, de keizer--Titus Andronicus-- +Meldt u door mij, dat, zoo ge uw zoons bemint, +Gij, oude Titus, Lucius, of gij, Marcus, +Wie uwer ook, de hand zich af moog' houwen +En aan den keizer zenden; daarvoor zendt +Hij beide uw zoons u levend hier terug, +En dit zal 't losgeld zijn voor hunne schuld. + +TITUS. O beste, goede keizer! vriendlijke Aaron! +Zong ooit een raaf zoo zoet, gelijk een leeuwrik, +Die 't heilnieuws meldt van de opkomst van de zon? +Van ganscher hart zend ik mijn hand den keizer. +Vriend Aaron, helpt gij mij om ze af te houwen? + +LUCIUS. Neen, vader! neen, die eed'le hand van u, +Die zoo, zoo meen'gen vijand velde, mag +Geen losprijs zijn; de mijne is goed genoeg. +Mijn jeugd ontbeert veel lichter 't bloed; daarom +Moog' mijne hand der broeders leven redden. + +MARCUS. Welke uwer handen, spreek, heeft Rome niet +Behoed, de felle krijgsakst niet gezwaaid, +Op 's vijands helm verdelging niet geschreven? +O, geen van beide, die niet roemrijk was. +Mijn hand heeft niets verricht; sta toe, dat zij +Mijn beide neven vrijkoop' van den dood, +Dan heb ik haar gespaard tot edel doel. + +AARON. Komt, wordt het eens, wiens hand ik medeneem; +Zij sterven anders vóór 't genadewoord. + +MARCUS. Mijn hand zij losprijs. + +LUCIUS. Bij den hemel, neen! + +TITUS. Geen strijd meer; kruiden, zoo verwelkt als deze, +Zijn rijp voor 't wieden; daarom zij 't mijn hand. + +LUCIUS. Gun, lieve vader, zoo 'k uw zoon zal heeten, +Dat ik mijn broeders van den dood bevrijd. + +MARCUS. Om onzes vaders, onzer moeder wil, +Moge ik mijn broederliefde u thans betoonen! + +TITUS. Zoo wordt het samen eens; ik spaar mijn hand. + +LUCIUS. Nu, dan haal ik een bijl. + +MARCUS. Maar ik gebruik die bijl. + +(Lucius en Marcus af.) + +TITUS. Kom, Aaron, kom; die twee wil ik bedriegen; +Leen mij uw hand, dan geef ik u de mijne. + +AARON (ter zijde). Heet dit bedrog, dan word ik eerlijk man, +En nimmer zal ik zoo een mensch bedriegen;-- +Doch u bedrieg ik op een and're wijs; +En geen half uur zal om zijn, eer gij 't zegt. + +(Hij houwt Titus' hand af.) + +(Lucius en Marcus komen terug.) + +TITUS. Uit hebbe uw twist; gedaan is, wat te doen was.-- +Vriend Aaron, geef zijn majesteit mijn hand, +Zeg hem, dit was een hand, die hem voor duizend +Gevaren hoedde; dat hij haar begraav'; +Haar loon moest grooter zijn, maar dit erlang' zij. +En wat mijn zoons betreft, zeg, dat ik hen +Kleinodiën acht, tot kleinen prijs verworven,-- +En toch wel duur; 't was 't mijne, wat ik kocht. + +AARON. Ik spoed mij, Andronicus; en welras +Zult gij uw beide zoons weer bij u zien. +(Ter zijde.) Hun hoofden, meen ik.--O, die schurkenstreek +Laaft, voedt mij reeds, nu ik er slechts aan denk! +Dat goeddoen narren, bidden blanken sticht'; +Doch Aarons ziel zij zwart als zijn gezicht! + +(Aaron af.) + +TITUS. O, hier hef ik deze eene hand ten hemel, +En deze zwakke stomp hang' neer,--ter aard. +Heeft een'ge macht met arme tranen deernis, +Die roep ik aan.--(Tot Lavinia.) Wat! wilt gij met mij knielen? +Ja, goed; de hemel moet ons smeeken hooren, +Of wij ontglanzen 't hemelwelf met zuchten +En dooven 't licht der zon met damp als wolken, +Die soms haar hullen in haar vochten schoot. + +MARCUS. O broeder, spreek toch van wat moog'lijk is, +En barst niet uit in maatloos diepe klachten! + +TITUS. Is dan mijn leed niet diep en bodemloos? +Zoo bodemloos moge ook mijn jamm'ren zijn. + +MARCUS. Maar dat de rede toch uw klacht beheersch'! + +TITUS. Indien er reden waar voor deze ellenden, +Dan kerkerde ik in perken al mijn wee. +Stroomt de aard niet over, als de hemel weent? +En, raast de storm, wordt dan de zee niet dol, +Zwelt haar gelaat niet op, 't gewelf bedreigend? +En eischt gij reden nog voor dezen storm? +Ik ben de zee, hoor, hoe haar zuchten razen! +Zij is het weenend hemelwelf, ik de aard; +Zoo moet mijn zee wel van haar zuchten zwalpen; +Zoo moet mijn aarde van haar eindloos weenen +Een zondvloed worden, overstroomd, bedolven. +Mijn ingewand kan al dit wee niet bergen; +Ik spuw het uit, gelijk een dronkaard doet. +Vergunt mij dit; vergund wordt den verliezer, +Dat hij met bitt're tong zich lucht verschaff'. + +(Een Bode komt op, met twee hoofden en een hand.) + +BODE. Eed'le Andronicus, slecht vergeldt men u +Die goede hand, die gij den keizer zondt. +Hier zijn de hoofden van uw eed'le zoons, +En hier uw hand, met hoon u weergezonden; +Uw smart hun spel, uw kloeke moed hun spot. +Dit wee is mij, bij 't denken aan uw wee, +Meer leed dan 't denken aan mijns vaders dood. + +(De Bode af.--Titus bezwijmt.) + +MARCUS. Sicilië's gloeiende Ætna moog' verkoelen, +Mijn hart zij nu een eeuwig laaie hel! +Dit leed is grooter dan te dragen is. +Meêschreien met die schreien brengt wel troost, +Maar leed, door hoon verscherpt, is dubb'le dood. + +LUCIUS. Ach, dat deze aanblik zoo diepgrievend is, +En toch 't gehate leven niet ontvliedt! +Dat nu de dood het leven leven nog +Laat heeten, schoon het niets dan aad'men is. + +(Lavinia kust Titus.) + +MARCUS. Arm kind, die kus brengt heul noch troost, zoomin +Als ijskoud water een verkilde slang. + +TITUS. O, wanneer neemt die schrikb're slaap een eind? + +MARCUS. O zoet bedrog, vaar heen; sterf, Andronicus. +Dit is geen droom; zie uwer zonen hoofden, +Uw dapp're hand hier, uw verminkte dochter, +Uw andren zoon als balling, wien deze aanblik +Bleek, bloed'loos maakt; en zie uw broeder, mij, +Hier als een steenen beeld, zoo koud en roerloos. +O, thans zal ik uw klachten niet meer stremmen. +Ruk uit uw zilv'ren haar; knaag de and're hand +Vrij met uw tanden; en dit schriktooneel +Sluite ons voor goed de onzalige oogen toe! +Kom, nu is 't razenstijd; wat zwijgt ge nu? + +TITUS. Ha, ha, ha! + +MARCUS. Wat lacht gij nu? dit past niet bij deze ure. + +TITUS. Ik heb geen tranen meer te storten over; +En dan, die jammer is een vijand, die +Mijn vochtige oogen overmeest'ren wil, +Ze door een cijns van tranen blind wil maken; +Hoe vond ik dan den weg naar 't hol der wraak? +Ja, want mij is 't, als spraken die twee hoofden, +En dreigden, dat ik nimmer zalig wordt, +Eer al die gruw'len ruim vergolden zijn, +Diep in den strot van hen, die ze begingen. +Kom, laat mij zien, wat taak ik heb te doen.-- +Gij zwaar bezochten, schaart u om mij heen, +Opdat ik mij tot ieder uwer keere +En aan mijn ziele zweer', uw leed te wreken.-- +Ik deed dien eed.--Kom, broeder, neem een hoofd; +In deze hand wil ik het ander dragen. +Ook gij, Lavinia, krijgt hier iets te doen, +Draag gij mijn hand, lief kind, met uwe tanden. +En gij, mijn jongen, spoed u uit mijn oog; +Gij zijt een balling; dralen moet gij niet. +IJl tot de Gothen, zamel daar een leger; +Hebt gij mij lief,--ik denk, dat gij het doet,-- +Zoo kus me en ga, want deze zaak wil spoed. + +(Titus, Marcus en Lavinia af.) + +LUCIUS. Vaar, Andronicus, eed'le vader, wel, +Rampzaligst man, die ooit in Rome leefde! +Vaarwel, trotsch Rome; u laat, tot hij hier keert, +Thans Lucius panden, dierb'rer dan zijn leven! +Vaar gij, Lavinia, eed'le zuster, wel; +O waart gij als gij vroeger zijt geweest! +Doch thans leeft Lucius, leeft Lavinia niet, +Dan in vergetelheid en naamloos wee. +Zoo Lucius leeft, dan wreekt hij ras uw smaad; +De trotsche Saturninus en zijn gade, +Zij zullen door hem beed'len aan de poorten, +Als eens Tarquinius en zijn koningin. +Thans naar de Gothen; 'k zamel daar een macht, +Die mij op Rome en Saturninus wreek'. + +(Lucius af.) + + + +TWEEDE TOONEEL. + + +Een vertrek in Titus' huis. Een maal is aangericht. Titus, +Marcus, Lavinia, en de jonge Lucius, een knaap, komen op. + +TITUS. Kom, zet u thans, doch eet alleen zooveel, +Als ons voldoende kracht bewaren kan +Om wraak te nemen voor ons bitter wee. +Marcus, kruis niet in smart uw armen zoo; +Uw nicht en ik, wij armen, missen handen, +En kunnen ons tienvoudig leed niet klagen +Met armgekruis. Deze arme rechterhand +Bleef mij alleen om op mijn borst te woeden; +En als mijn hart, waanzinnig van ellend, +Bonst in den hollen kerker van mijn vleesch, +Dan sla ik zoo het neer. + +(Tot Lavinia.) Gij kort begrip van leed, die spreekt in teekens, +Als uw arm hart zoo bonst met woeste slagen, +Kunt, gij het, ach! ter stilling niet zoo slaan. +Verwond het, kind, met zuchten, snik het dood +Of vat een vlijmend mes met uwe tanden +En boor ter plaatse van uw hart een wond, +Opdat der oogen gansche tranenstroom +In deze groeve vliete en, ingezogen, +'t Arm klagend hart verdrinke in zilten vloed. + +MARCUS. Foei, broeder! leer haar niet zoo gewelddadig +Aan 't teeder leven de eigen hand te slaan. + +TITUS. Wat, deed het leed u reeds een suffer zijn? +Geen mensch heeft recht om dol te zijn, dan ik. +Hoe kan zij aan zichzelf de handen slaan? +Wat rept gij weer van handen; vraagt gij niet +Æneas tweemaal zijn verhaal te doen, +Hoe Troje brandde en hij rampzalig werd? +O handel hiervan niet, spreek niet van handen, +Want dan herdenken we immer ons gemis. +Foei, foei! het is, of waanzin mij doet spreken, +Alsof wij ons gemis vergeten konden, +Zoo Marcus ons maar niet van handen sprak!-- +Komt, vangen we aan; en gij, lief kind, eet dit.-- +Hier is geen drinken. Marcus, hoor haar spreken, +Ik kan de tolk zijn voor haar mart'laarsteekens. +Zij zegt: zij drinkt geen andren drank dan tranen, +Uit leed gebrouwen, op haar wang gemengd. +Gij stomme klaagster, 'k wil uw taal verstaan. +Mij zullen uw gebaren zoo vertrouwd +Als bedelkluiz'naars hun gebeden zijn. +Zoo gij slechts zucht, uw stompen heft ten hemel +Slechts wenkt of knikt of knielt, een teeken geeft, +Zal ik uit deze een alphabet mij vormen, +Door stadige oef'ning weten wat gij meent. + +DE JONGE LUCIUS. Grootvader, staak uw bitt're jammerklachten, +En troost mijn moei eer met een fraai verhaal. + +MARCUS. Ach, diepgeroerd betreurt de teed're knaap +Grootvaders wee, nu hij zijn wanhoop ziet. + +TITUS. Stil, teêre spruit, gij zijt gemaakt uit tranen; +En tranen smelten ras uw leven weg.-- + +(Marcus stoot met zijn mes in den schotel.) + +Waar stoot gij heftig met uw mes naar, Marcus? + +MARCUS. Naar iets wat ik gedood heb,--naar een vlieg. + +TITUS. Foei, schaam u, moord'naar! mij doodt gij het hart. +Mijn oogen zijn verzaad van 't zien van gruw'len; +Een moord, op een onschuldige volbracht, +Staat Titus' broeder slecht. Neen, ga van hier; +Ik zie, wij passen voor elkander niet. + +MARCUS. Ach, Titus, 't was een vlieg slechts, die ik doodde. + +TITUS. Maar stel, zij had een vader en een moeder, +Hoe lieten die de gouden wiekjes hangen +En gonsden in de lucht hun jammerklacht! +Die arme schuldelooze vlieg! +Zij kwam om ons een aardig lied te gonzen, +Ons te verheugen; en nu doodt gij haar! + +MARCUS. Vergeef mij; 't was een zwart en leelijk dier, +De Moor der keizerin schier; daarom doodde ik 't. + +TITUS. O, o, o! +Vergeef dan mij, dat ik u heb gegispt, +Want dan hebt gij een vrome daad gedaan. +Geef mij uw mes, opdat ik haar bespot, +Mijn geest misleid', dat dit de Moor geweest is, +Die zelf hier kwam, om mij vergif te reiken.-- + +(Hij stoot met het mes.) + +Hier, dit voor u, en dat voor Tamora! +Ja, knaap! +Zoo diep zijn wij nog niet gezonken, hoop ik, +Dat wij geen vlieg meer kunnen dooden, die +Hier komt, op een koolzwarten Moor gelijkend. + +MARCUS. Die arme man, zijn leed beheerscht hem zoo, +Dat hij de schaduw voor het wezen neemt. + +TITUS. Komt, ruimt hier weg.--Lavinia, ga met mij +In uw vertrek; daar leze ik met u treur'ge +Verhalen van 't gebeurde in de' ouden tijd.-- +Kom, knaap, ga mede; uw oog is jong, en gij +Moogt lezen, als het mijne neev'lig wordt. + +(Allen af.) + + + + + +VIERDE BEDRIJF. + +EERSTE TOONEEL. + + +Rome. De tuin van Titus' huis. + +Titus en Marcus komen op, daarna de jonge Lucius, gevolgd door +LAVINIA. + +JONGE LUCIUS. Grootvader, help! mijn moei Lavinia volgt +Mij overal en waarom weet ik niet.-- +Oom Marcus, zie! o zie, hoe snel zij komt!-- +Ach, lieve moei, ik weet niet wat gij meent. + +MARCUS. Kom, Lucius, blijf! wees voor uw moei niet bang. + +TITUS. Zij heeft u, knaap, te lief, om u te deren. + +JONGE LUCIUS. Toen vader nog in Rome was, ja zeker. + +MARCUS. Wat wil Lavinia toch met die gebaren? + +TITUS. Ducht, Lucius, niets; zij heeft een doel hiermeê. +Zie, Lucius, zie, hoe zij op u gesteld is; +Zij wil, dat ge ergens met haar medegaat. +O knaap, Cornelia las niet vlijtiger +Haar zonen voor, dan zij met u gedichten +En Cicero's Orator heeft gelezen. + +MARCUS. Kunt gij niet gissen, wat zij van u wil? + +JONGE LUCIUS. Voorwaar, ik weet het niet en kan 't niet gissen, +Tenzij een vlaag van waanzin haar beving; +Want overmaat van smart,--dit zeide mij +Grootvader,--kan een mensch waanzinnig maken; +En 'k las ook wel, dat Hecuba van Troje +Van kommer dol werd, en dit bracht mij angst, +Hoewel ik weet, oom, dat mijn eed'le moei +Mij even lief heeft als mijn moeder ooit, +En nimmer, dan in woede, zou doen schrikken. +In de' angst wierp ik mijn boeken weg, en vlood, +Recht dwaas misschien.--Vergeef mij, lieve moei; +'k Beloof u, zoo oom Marcus met mij gaat, +Ben ik geheel en gaarne tot uw dienst. + +MARCUS. Goed, Lucius, 'k wil wel. + +(Lavinia slaat de boeken om, die Lucius liet vallen.) + +TITUS. Hoe is 't, Lavinia?--Marcus, spreek, wat wil zij? +Er moet een boek zijn, dat zij wenscht te zien.-- +Is 't een van deze, kind?--Doe ze open, knaap.-- +Maar gij zijt meer belezen, hebt meer oef'ning; +Dus, doe een keus uit heel mijn boekerij, +En leid uw kommer af, totdat de hemel +Den gruwb'ren euveldader openbaart.-- +Welk boek?-- +Wat heft zij bij herhaling de armen op? + +MARCUS. Ik denk, zij meent, dat aan de wandaad meerd'ren +Meêplichtig waren;--ja zeker, meerd'ren waren 't;-- +Of wel, zij heft ze hemelwaarts om wraak. + +TITUS. Welk boek is 't, Lucius, dat zij daar zoo aanstoot? + +JONGE LUCIUS. Ovidius is 't, het boek Metamorphosen, +Dat mij mijn moeder schonk. + +MARCUS. Uit de andre zoekt zij +Dit moog'lijk uit, ter liefde van de doode. + +TITUS. Stil, zie, wat bladert zij er haastig in! +Help haar!--Wat zoekt gij?--Moet ik 't lezen, kind?-- +Dit is 't verhaal van Philomela's jammer, +Van Tereus' boos verraad en vrouweschennis; +In schennis, vrees ik, wortelt uw ellend'. + +MARCUS. Zie, broeder, zie, hoe ze op die bladen tuurt! + +TITUS. Lavinia, heeft men u zoo overvallen, +Geschonden en gekrenkt als Philomela, +In 't onbarmhartig, groot en donker woud?-- +Zie, zie!-- +Ja, waar wij jaagden, was er zulk een plaats,-- +O hadden wij er nooit, er nooit gejaagd!-- +Geheel als die de dichter hier beschrijft, +Voor moord en schennis door natuur geschapen. + +MARCUS. Hoe kan natuur zoo booze krochten scheppen, +Zoo gruw'len niet voor goden streelend zijn? + +TITUS. Wijs aan, lief kind, want hier zijn niets dan vrienden, +Meld, welk Romein die daad bedrijven dorst; +Sloop Saturninus weg, zooals Tarquinius, +Ter schennis van Lucretia, 't kamp verliet? + +MARCUS. Zit naast mij, lieve nicht, en gij ook, broeder.-- +Apollo, Pallas, Jupiter, Mercurius, +Beziel mij, dat ik 't wanbedrijf ontdekk'!-- +Zie hier, mijn broeder;--zie, Lavinia, zie; +De zandplek hier is vlak en effen; kunt gij, +Zoo doe dit na. + +(Hij schrijft zijn naam in het zand met zijn stok, dien hij met den +mond vasthoudt en met de voeten geleidt.) + + Zoo heb ik hier mijn naam +Geschreven zonder een'ge hulp der handen. +Gevloekt zij hij, die tot den vond ons dwong!-- +Schrijf gij nu, lieve nicht; onthul ons eind'lijk, +Wat God ter wrake wis onthuld wil zien. +De hemel leide uw pen tot duidelijk schrift, +Opdat wij 't schelmstuk en de daders kennen. + +(Lavinia neemt den stok in haar mond, geleidt hem met haar stompen, +en schrijft.) + +TITUS. O lees, mijn broeder, lees, wat zij daar schreef! +"Stuprum--Chiron--Demetrius". + +MARCUS. Wat, wat!--de wulpsche zoons van Tamora +Bedrijvers van dit snood en bloedig doen? + +TITUS. Magni dominator poli, +Tam lentus audis scelera? tam lentus vides? + +MARCUS. O kalm, mijn vriend, blijf kalm, al weet ook ik, +Dat hier op de aard genoeg geschreven staat +Om 't zachtst gemoed tot oproer aan te prikk'len, +En kind'ren luide kreten te doen slaken. +Kniel neder, vriend, met mij; Lavinia, kniel; +En knaap, kniel ook, gij hoop van Rome's Hector; +En zweert met mij,--zooals met de' armen gade +En vader der onteerde kuische vrouw +Eens na Lucretia's schennis Brutus zwoer,-- +Dat wij een dood'lijke, overlegde wraak +Op deze snoode Gothen nemen zullen, +Hun bloed zien,--of zelf sterven, laf, onteerd. + +TITUS. 't Waar' zeker, ja, wist gij te zeggen, hoe;-- +Pas op, als gij die berenwelpen jaagt; +Want de oude ontwaakt, als zij uw naad'ring ruikt; +Ze is eng verbonden met den leeuw en maakt +Hem spelend, liggend op den rug, in slaap; +En als hij slaapt, dan doet zij wat zij wil. +Laat af, gij zijt een jonge jager, Marcus; +En kom, ik wil een koop'ren blad gaan halen, +Met stalen stift die woorden er op griff'len, +En 't zoo bewaren. Noorderstorm verwaait +Dit zand ras, als de bladen der Sibylle, +En waar is dan 't vermaan?--Knaap, wat zegt gij? + +JONGE LUCIUS. Ik zeg, dat, zoo ik man was, hunner moeder +Slaapkamer wis geen vrijplaats wezen zou +Voor deze aan Rome's juk ontglipte schurken. + +MARCUS. Mijn jongen is hij! Knaap, uw vader heeft +Voor zijn ondankbaar land aldus gekampt. + +JONGE LUCIUS. Nu, oom, zoo doe ik, blijf ik leven, ook. + +TITUS. Kom met mij in mijn wapenzaal, daar rust ik +U, Lucius, kostlijk toe, want gij, mijn knaap, +Moet fluks aan beide zoons der keizerin +Geschenken brengen, die ik zenden wil. +Kom! vlug! Niet waar, gij wilt die boodschap brengen? + +JONGE LUCIUS. Grootvader, ja, mijn dolk in hunne borst. + +TITUS. Neen, knaap, niet zoo; ik leer u anders doen. +Lavinia, kom!--Marcus, let op mijn huis; +Lucius en ik, wij gaan ten hove pralen; +Wij willen 't, ja, en hulde brengt men ons. + +(Titus, Lavinia en de jonge Lucius af.) + +MARCUS. O Hemel! kunt ge een brave hooren jamm'ren, +En geen erbarmen toonen met zijn lot? +Marcus, let bij zijn waanzin goed op hem, +Wiens hart meer wonden heeft van bitter leed, +Dan zijn gebutste beuk'laar vijandsmerken; +En toch zoo vroom, dat hij geen wraak wil nemen!-- +Neemt, heem'len, gij voor Andronicus wraak! + +(Marcus af.) + + + +TWEEDE TOONEEL. + + +Aldaar. Een vertrek in het paleis. + +Van de eene zijde komen op: Aaron, Demetrius en Chiron; van de +andere zijde de jonge Lucius en een Dienaar, met een bundel wapens +en daarop geschreven verzen. + +CHIRON. Demetrius, daar is de zoon van Lucius; +Hij komt een boodschap aan ons overbrengen. + +AARON. Een dolle boodschap van dien dollen oude! + +JONGE LUCIUS. Met allen mogelijken deemoed, heeren, +Breng ik u Andronicus' heuschen groet:-- +(Ter zijde.) En bid, dat Rome's goden u verderven. + +DEMETRIUS. Dank, goede Lucius, wat hebt gij voor nieuws? + +JONGE LUCIUS (ter zijde). Het nieuws is, dat gij beiden zijt +ontmaskerd +Als schurken en verkrachters.--(Luid.) Het behage u: +Grootvader zendt na rijp beraad door mij +De beste klingen uit zijn wapenzaal +U hier, als hulde aan uw hoogeed'le jeugd, +De hoop van Rome; dit toch moet ik zeggen, +En doe dit thans, en bied u, eed'le heeren, +Zijn gaven aan, opdat gij steeds, zoodra +Gij dit behoeft, voortreff'lijk zijt gewapend; +'k Zeg u vaarwel, (Ter zijde.) als bloedig schurkenpaar. + +(De jonge Lucius en zijn Dienaar af.) + +DEMETRIUS. Wat zit daar om? een reep rapier, beschreven? +Laat zien. + + "Integer vitæ, scelerisque purus, + Non eget Mauri jaculis, nec arcu". + +CHIRON. Een vers is 't uit Horatius, ik ken het; +Ik las het in mijn spraakkunst, lang geleên. + +AARON. Een vers is 't uit Horatius, ja juist. +(Ter zijde). Wat zijn er toch voor ezels in de wereld! +Dit is geen scherts; de grijsaard heeft hun schuld +Ontdekt en zendt hun wapens nu, met regels, +Die, zonder dat zij 't merken, diep verwonden; +Doch waar' de schrand're keizerin nu wèl, +Zij juichte 't plan van Andronicus toe; +Doch laten wij haar onrust nu in rust. +(Luid.) Was 't, jonge vrienden, niet een goed gesternte, +Dat ons naar Rome voerde, als vreemden, ja, +Als krijgsgevang'nen, en ons zoo verhoogde? +Het deed mij goed, voor 't slot hier den tribuun, +En in zijns broeders bijzijn, fier te trotsen. + +DEMETRIUS. Mij nog meer goed, dat zulk een machtig heer +Zoo laf ons vleit, ons zulke giften zendt. + +AARON. Nu, had hij, prins Demetrius, geen reden? +Hebt gij zijn dochter niet recht lief behandeld? + +DEMETRIUS. O hadden wij van Rome een duizend schoonen +In zulk een val, om onzen lust te boeten! + +CHIRON. Een vrome, liefdevolle wensch voorwaar! + +AARON. Ware uwe moeder hier, zij sprak het Amen. + +CHIRON. Dan deed zij 't wis voor twintig duizend meer. + +DEMETRIUS. Kom, gaan wij, bidden wij tot alle goden, +Dat ze onze moeder bijstaan in haar nood. + +AARON (ter zijde). Roept duivels aan; de goden haten ons. + +(Trompetgeschal.) + +DEMETRIUS. Wat blazen de trompetten daar des keizers? + +CHIRON. Waarschijnlijk heeft de keizer thans een zoon. + +DEMETRIUS. Stil, wie komt daar? + +(Een Voedster komt op met een Moorenkind.) + +VOEDSTER. Gegroet, gij prinsen! 'k bid u, mij te zeggen, +Waar Aaron is, de Moor, doch ras! + +AARON. Komaan, wat is 't, wat roept gij moord en brand? +Aaron is hier; wat wilt gij nu van Aaron? + +VOEDSTER. Ach, Aaronlief! verloren zijn wij allen! +Help ons, of wee op wee dale op uw hoofd! + +AARON. Welnu, wat mauwt en schreeuwt gij zoo? wat houdt gij +Daar zoo omhuld, verborgen in uw armen? + +VOEDSTER. Wat ik voor 's hemels oogen liefst verborg; +De schande der vorstin, de smaad van Rome.-- +Zij is verlost, mijn heeren, ze is verlost. + +AARON. Van wat? + +VOEDSTER. Zij kwam in 't kinderbed, bedoel ik. + +AARON. God geev' haar zoete rust! Wat zond Hij haar? + +VOEDSTER. Een duivel. + +AARON. Nu, dan is zij 's duivels moêr; Een vroolijk +wicht! + +VOEDSTER. Een vreugd'loos, aak'lig, zwart en droevig wicht. +Hier is het kind, zoo leelijk als een pad +Te midden van de blanken van ons land; +De moeder zendt het u, uw beeld en zegel, +En wil, dat gij het met uw dolkspits doopt. + +AARON. Foei, slet! is zwart een zoo gehate kleur?-- +Zoet bekje', een lieflijk bloempje zijt gij, ja. + +DEMETRIUS. Schurk, wat hebt gij gedaan? + +AARON. Wat gij niet ongedaan maakt. + +CHIRON. Smaad deedt gij onze moeder aan. + +AARON. Vreugd deed ik uwe moeder aan. + +DEMETRIUS. En daardoor, helsche hond, deedt gij haar smaad aan. +Wee 't booze lot! vervloekt haar zwarte keus! +Vervloekt de spruit van zulk een boozen duivel! + +CHIRON. 't Wicht zal niet leven. + +AARON. Sterven zal het niet. + +VOEDSTER. 't Moet sterven, Aaron; zoo beveelt de moeder. + +AARON. Wat! moet het, voedster? dan zij ik 't alleen, +Die beulsplicht oefen aan mijn vleesch en bloed. + +DEMETRIUS. Ik rijg de donderpad aan mijn rapier; +Hier, voedster, geef; mijn zwaard maakt fluks het af. + +AARON. Eer tornt dit zwaard uw ingewanden op. + +(Hij neemt aan de Voedster het kind af en trekt zijn zwaard.) + +Stil, moordgeboefte, wilt ge uw broeder dooden? +Nu, bij des hemels kaarsen, die zoo helder +Licht gaven bij 't verwekken van dit jongsken,-- +Wie hem, mijn oudsten zoon en erfgenaam, +Aanroert, sterft op mijn scherpe degenspits. +Ik zeg u, knapen, niet Enceladus, +Met heel zijn felle Typhonsbroedsel-bende, +Noch groote Alcides, noch de god des krijgs, +Rukt uit zijns vaders handen hem als prooi. +Wat, wat! gij roodgetinte, laffe knapen, +Gij witte wanden, bierhuisuithangteekens! +Koolzwart is beter dan elke and're kleur, +Omdat het weigert and're kleur te dragen; +Want al het water van de zee kan nimmer +Den zwarten voet des zwaans in wit verand'ren, +Al wascht hij uur op uur dien in den stroom. +Zeg aan de keizerin, 'k ben mans genoeg +Om 't mijne te behoeden; dit gedoog' zij. + +DEMETRIUS. Verraadt gij zoo uw eed'le meesteres? + +AARON. Zij is mijn meesteresse, dit ikzelf; +De kracht is 't en de beelt'nis mijner jeugd; +Dit schat ik hooger dan de gansche wereld; +Kwam ook de wereld in verzet, dit hoede ik, +Of veler bloed in Rome dampt er voor. + +DEMETRIUS. Dit werpt op onze moeder eeuw'gen smaad. + +CHIRON. Haar booze misstap maakt haar Rome's afschuw. + +VOEDSTER. In woede doemt de keizer haar ter dood. + +CHIRON. Ik bloos, wanneer ik aan haar schande denk. + +AARON. Nu ja, dit is het voorrecht uwer schoonheid; +'t Is een verraderskleur, die,--foei!--door blozen +Des harten roersels, ieder plan onthult; +Dit is een jonge knaap van ander uitzicht; +Zie, hoe de zwarte schelm zijn vader toelacht, +Als was zijn zeggen: "Vader, ik ben de uwe." +Hij is uw broeder, prinsen; blijkbaar voedde +Hem 't eigen bloed, dat u het leven schonk; +En uit dien schoot, die u in hechtnis hield, +Werd hij bevrijd en aan het licht gebracht; +Uw broeder is hij van den zeek'ren kant, +Ofschoon zijn aangezicht mijn stempel draag'. + +VOEDSTER. Aaron, wat meld ik aan de keizerin? + +DEMETRIUS. Schaf, Aaron, raad, wat er gedaan moet worden; +Wij geven allen aan uw raad gehoor; +Beveilig 't wicht, als wij slechts veilig zijn. + +AARON. Nu, zetten wij ons dan, om raad te plegen. +Mijn zoon en ik slaan nauwgezet u ga; +Blijf daar, en spreek naar lust van veiligheid. + +(Zij gaan zitten.) + +DEMETRIUS. Hoevele vrouwen zagen dit zijn kind? + +AARON. Ja, goed, mijn prinsen; zoo wij ons verbinden, +Ben ik een lam; maar--poog den Moor te trotsen, +En Aaron stormt, meer dan de woedende ever, +Dan de leeuwin der bergen, de oceaan.-- +Maar spreek, hoe velen hebben 't kind gezien? + +VOEDSTER. Cornelia slechts, de vroedvrouw, en ikzelf, +En ook de keizerin, maar niemand meer. + +AARON. De keizerin, de vroedvrouw en gijzelf; +Twee zwijgen wel, wanneer de derde ontbreekt. +Ga naar de keizerin; ziehier uw boodschap; + +(Hij doorsteekt de Voedster.) + +Quèk, quèk!--zoo schreeuwt een big, voor 't spit gekeeld. + +DEMETRIUS. Wat wilt gij, Aaron? waarom deedt gij dit? + +AARON. Wel man, voorzichtigheid gebood die daad. +Wat! zou zij leven, deze schuld verraden? +Dat praatziek, dat langtongig wijf? Neen, neen! +En nu zult gij geheel mijn plan vernemen. +Hier dicht bij woont mijn landsman Muliteus, +Wiens vrouw de voor'ge nacht bevallen is; +Het kind gelijkt op haar, is blank als gij; +Gaat, praat met haar en geeft de moeder goud; +Vertelt dat paar 't beloop der gansche zaak, +En hoe hierdoor hun kind verhoogd zal worden +En als des keizers erfgenaam erkend, +En voor dit wicht van mij in plaats gesteld, +Om dezen storm ten hove te bezweren; +Dat wiege dan de keizer als zijn zoon. +Hoort nog, gij ziet, ik gaf haar artsenij. + +(Op de Voedster wijzende.) + +En nu moet gij voor de begraaf'nis zorgen; +'t Veld is nabij en gij zijt forsche knapen. +Is dit gedaan, zorg dan niet lang te dralen, +Maar zend terstond de vroedvrouw naar mij toe. +Is, als de min, de vroedvrouw uit den weg, +Dan mogen vrouwen praten wat zij willen. + +CHIRON. 'k Zie, Aaron, aan de lucht zelfs niet vertrouwt gij +Geheimen toe. + +DEMETRIUS. Om deze zorg voor haar +Zijn Tamora en wij u zeer verplicht. + +(Demetrius en Chiron af, het lijk der Voedster medesleepend.) + +AARON. Nu naar de Gothen met een zwaluwvlucht, +Om daar den schat, dien ik hier houd, te bergen, +En stil de vrienden der vorstin te groeten.-- +Kom hier, diklippig wicht, ik breng u weg; +Want gij doet al die vonden ons bedenken. +Van beziën en van wortels zult gij leven, +Van melk en wrongel, zuigen van een geit +En wonen in een grot; ik voed u op +Tot krijgsman en gebieder van een leger. + +(Aaron af, met het Kind.) + + + +DERDE TOONEEL. + + +Aldaar. Een openbaar plein. + +Titus komt op, pijlen dragend met brieven aan de spitsen; verder +Marcus en zijn zoon Publius, de jonge Lucius en andere Edellieden, +met bogen. + +TITUS. Kom, Marcus, kom.--Hier, neven, komt hierheen. +Nu, knaap, laat thans eens kijken, hoe gij schiet; +Trek stevig aan, dan treft de pijl haar doel. +Terras Astraea reliquit: +Ja, Marcus, denk: ze is weg, zij is gevloden. +Gij, heeren, neemt uw werktuig. Neven, gij, +Doorzoekt den oceaan en werpt uw netten, +Of gij in zee haar vangt, hoewel--daar is +Niet meer gerechtigheid dan op het land.-- +Neen, Publius en Sempronius, tijgt aan 't werk; +Gij moet gaan zoeken met houweel en spade, +En dringen door der aarde middelpunt; +En komt gij zoo in Pluto's rijk, wilt dan, +Ik bid u, hem dit smeekschrift overreiken; +Zeg, dat het hem om recht en bijstand smeekt +En van den ouden Andronicus komt, +Wien leed diep schokt in dit ondankbaar Rome.-- +O Rome!--Ach, Rome, ik maakte u diep rampzalig; +Ja toen, toen ik de stemmen wierf van 't volk +Voor hem, die zulk een woestling is voor mij.-- +Gaat, spoedt u, doet met zorg uw plicht, en laat +Geen krijgsschip ondoorzocht; misschien heeft haar +De booze keizer weggescheept, en, neven, +Dan kunnen we om gerechtigheid gaan fluiten. + +MARCUS. O Publius, is dit niet overtreurig, +Uw eed'len oom zoo zinneloos te zien? + +PUBLIUS. En daarom, heer, is 't onze dure plicht, +Hem dag en nacht zorgvuldig gâ te slaan +En staag zijn luim, zooveel het kan, te vieren, +Tot ons de tijd een heilzaam middel wijst. + +MARCUS. Ach neven, voor zijn kommer is geen heeling. +IJlt tot de Gothen, en een krijg ter wrake +Doe Rome voor den snooden ondank boeten, +En straff' den valschen Saturninus streng. + +TITUS. Publius, hoe is 't? en heeren, spreekt, hoe is 't? +Spreekt, hebt gij haar gevonden? + +PUBLIUS. Neen, oom, doch Pluto laat u zeggen, dat +De hel de Wraak u toezendt, als gij 't wilt, +Maar de Gerechtigheid zooveel te doen heeft, +Hetzij bij Jupiter omhoog, 't zij elders, +Dat gij op haar een poosje wachten moet. + +TITUS. Hij krenkt mij, door met uitstel mij te paaien. +'k Wil duiken in den hellepoel omlaag; +'k Haal bij de hielen haar uit de' Acheron.-- +Marcus, slechts struiken zijn wij, geene ceders, +Geen forsche mannen van Cyclopenstal; +Maar, Marcus, van metaal, staal door en door; +Toch door meer leed dan torsbaar is, gebogen; +Daar aard noch hel Gerechtigheid nu huisvest, +Zoo smeeken wij ten hemel, dat de goden +Haar nederzenden om ons wee te wreken. +Aan 't werk nu, komt! Gij, Marcus, goede schutter, + +(Hij geeft hun de pijlen.) + + Ad Jovem, die voor u;--hier ad Apollinem;-- +Ad Martem, die voor mij;-- +Hier, knaap, aan Pallas;--aan Mercurius deze; +Deze aan Saturnus, vriend,--niet Saturninus, +Want dat waar' zeker schieten in den wind.-- +Vlug, knaap;--gij Marcus, schiet, zoodra ik 't zeg. + Nu, op mijn woord, ik schreef niet te vergeefs. +En liet geen enk'len god onaangeroepen. + +MARCUS. Schiet, vrienden, al uw pijlen in het hof; +Dat zij den keizer krenken in zijn trots. + +TITUS. Nu, vrienden, schiet! (Zij schieten.) O Lucius, goed geraakt! +Knaap, in den schoot der Virgo; dit geldt Pallas. + +MARCUS. Ik mik een mijl nu hooger dan de maan; +Uw brief is nu alreeds bij Jupiter. + +TITUS. O Publius, zie, wat hebt gij nu gedaan? +Gij schoot daar een van Taurus' horens af. + +MARCUS. Zoo was de grap, heer: toen daar Publius schoot, +Stiet de vergramde Stier den ram zoo fel, +Dat 's Rams twee horens vielen in het hof. +Daar vond ze,--wie? de schurk der keizerin; +Zij lachte en zeide tot den Moor, dat hij +Die aan zijn heer moest geven als geschenk. + +TITUS. Zoo gaat het goed! God schenk' zijn hoogheid vreugd! + +(Een Boer komt op; hij draagt een mand met twee duiven.) + +Nieuws! uit den hemel! Marcus, zie, een bode!-- +Zoo, knaap, wat meldt gij? brengt gij brieven meê? +Krijg ik mijn recht? Nu, wat zegt Jupiter? + +BOER. Wie? mijn buurman, de galgenmaker? +hij zegt, dat hij het dwarshout er afgenomen +heeft, want de man wordt niet voor de volgende +week gehangen. + +TITUS. Maar wat zegt Jupiter? vraag ik nog eens. + +BOER. Ach, heer, ik ken dien Jupiter niet; +ik heb nooit van mijn leven met hem gedronken. + +TITUS. Wat, kerel, komt gij hier niet met een boodschap? + +BOER. Ja, met mijn duiven, heer; met anders niets. + +TITUS. Wat, komt gij dan niet van den hemel? + +BOER. Van den hemel, heer? ach, daar ben +ik nooit geweest. God beware, dat ik het gewaagd +zou hebben, in mijn jonge jaren naar +den hemel te dringen. Neen, ik ga met mijn +duiven naar den Tribunal plebs, om een twist +bij te leggen tusschen mijn oom en een van +'s keizers dienaars. + +MARCUS. Wel, broeder, dit komt zoo goed, +als het kan, voor het indienen van uw geschrift, +laat hem de duiven uit uw naam aan den keizer brengen. + +TITUS. Zeg mij, kunt gij een geschrift met +eenige gratie aan den keizer overreiken? + +BOER. Neen, zeker niet, heer, want ik heb +van mijn leven nog geen gratie noodig gehad. + +TITUS. Nu knaap, treed nader. Maak maar geen bezwaar, +En geef gerust uw duiven aan den keizer; +Door mij zult gij van hem uw recht verkrijgen. +Hier hebt ge intusschen voor uw moeite geld.-- +Geef pen en inkt hier.--Knaap, hoe is 't? Kunt gij +Met gratie nu een smeekschrift overreiken? + +BOER. Ja, heer. + +TITUS. Dan hebt gij hier een smeekschrift voor +u. En als gij bij hem komt, moet gij beginnen +met voor hem te knielen, dan zijn voet kussen, +dan uw duiven overreiken, en dan op uw loon +wachten. Ik zal in de buurt zijn, man; zorg, +dat gij het er goed afbrengt. + +BOER. Daar sta ik voor in, heer, laat mij maar begaan. + +TITUS. Knaap, hebt ge een mes? Kom, laat het mij eens zien.-- +Hier, Marcus, vouw 't verzoekschrift er om heen; +Gij schreeft het als een need'rig smeekeling;-- +En klop, als gij 't den keizer hebt gegeven, +Bij mij eens aan, en meld mij, wat hij zegt. + +BOER. Nu, God zij met u, heer; ik zal het doen. + +TITUS. Kom, Marcus, laat ons gaan.--Kom, Publius, volg mij. + +(Allen af.) + + + +VIERDE TOONEEL. + + +Aldaar. Voor het Paleis. + +Saturninus, Tamora, Demetrius, Chiron, Edellieden en Anderen komen +op, Saturninus met de pijlen in de hand, door Titus afgeschoten. + +SATURNINUS. Hoe vindt gij zulk een krenking? wie zag ooit +In Rome een keizer zoo met overmoed +En trots bejegend en om onpartijdig +Rechtoef'nen op zoo grove wijs gehoond? +Gij, heeren, weet, gelijk de groote goden, +Dat,--wat ook vredestoorders mogen blazen +In 't oor des volks,--er met de drieste zoons +Van de' ouden Andronicus niets geschiedde, +Dan volgens wet en recht. En schoon nu ook +Zijn kommer zijn verstand hebbe overweldigd, +Is 't wel te dulden, dat zijn bitterheid, +Zijn wrok, zijn dolle waan ons zoo bedreigen? +Hij schrijft den hemel thans, dat die hem wreke; +Ziet, dit aan Jupiter, dit aan Mercurius, +Dit aan Apollo, dit aan de' oorlogsgod; +Fraai nieuws, om Rome's straten rond te fladd'ren! +Wat noemt gij dit, dan den senaat belast'ren, +Uitschreeuwen, dat wij onrechtvaardig zijn? +Een fraaie grap, vindt gij het ook niet, heeren? +Alsof men zeide, er is geen recht in Rome. +Doch zijn geveinsde waanzin zal voorwaar, +Leef ik, geen schuts hem zijn bij zulk een hoon. +Hij met zijn stam zal weten, dat het recht +Bij Saturninus leeft; en, mocht het slapen, +Hij zal 't zoo wekken, dat het, fel vergramd, +Den fiersten samenzweerder vellen zal. + +TAMORA. Genadig vorst, geliefde Saturninus, +Mijns levens heer, gebieder van mijn geest, +Wees kalm, verdraag des ouden Titus' zonden, +Gevolg der droef'nis om zijn dapp're zoons, +Die hem in 't merg drong en zijn hart doorboorde; +Tracht liever hem zijn jammer te verzachten, +Dan dat gij hoog of laag voor dezen hoon +Vervolgt en straft.--(Ter zijde.) Zie, dit past Tamora, +Zich sluw bij iedereen schoon voor te doen; +Maar Titus, 'k heb in 't leven u geraakt +En tapte uws harten bloed.--Is Aaron wijs, +Dan zijn wij veilig, ank'ren in de haven.-- + +(De Boer komt op.) + +Wel, goede vriend, verlangt gij iets van ons? + +BOER. Ja, dat doe ik, zoo uwe edelheid keizerlijk is. + +TAMORA. Ik ben de keizerin, daar zit de keizer. + +BOER. Hij is het.--God en Sint Steven +mogen u een goeden avond geven. Ik heb u +hier een brief en een koppel duiven gebracht. + +(Saturninus leest den brief.) + +SATURNINUS. Gaat, neemt hem, hangt hem op, dit zij zijn loon. + +BOER. Hoeveel geld krijg ik wel? + +TAMORA. Loop, knaap; gij moet gehangen worden. + +BOER. Gehangen! Bij onze lieve Vrouw, dan +heb ik een hals mooi aan zijn end gebracht! + +(Hij wordt door een Wacht weggevoerd.) + +SATURNINUS. 't Is schand'lijk, onverdraag'lijk, al die hoon! +Zou ik die monsterschurkerij verdragen? +Ik weet, aan wien ik dit te danken heb. +Onduldbaar is 't!--Alsof zijn schelmsche zoons, +Door 't recht gevonnisd om den moord mijns broeders, +Door mij geslacht zijn, tegen wet en recht!-- +Gaat, sleept den booswicht bij de haren hier; +Geen roem noch leeftijd geev' hem eenig voorrecht +Voor dezen trotschen hoon doe ik u slachten; +Sluw-dolle schurk, gij hielpt mij aan de kroon, +Maar hopend over Rome en mij te heerschen. + +(Æmilius komt op.) + +Wat nieuws brengt gij, Æmilius? + +ÆMILIUS. Te wapen, heer! Nooit drong de nood zoozeer. +De Gothen zijn vereend, en met een macht +Van koene krijgers, fel belust op buit, +Naar Rome op marsch, nabij reeds; aan hun hoofd +Staat Lucius, zoon van de' ouden Andronicus; +Hij dreigt, in zijne wraak niet minder ver +Te willen gaan dan eens Coriolanus. + +SATURNINUS. De dapp're Lucius veldheer van de Gothen? +Die tijding knakt mij; als bevroren bloemen, +Of gras, door storm geslagen, buig ik 't hoofd. +Ja, thans begint mijn kwade tijd te naad'ren. +Hij is het, dien het volk zoozeer bemint; +Meermalen heb ik, als ik onbekend +De stad doorkruiste, zelf hen hooren zeggen, +Dat Lucius' ballingschap een onrecht was, +En dat zij Lucius zich als keizer wenschten. + +TAMORA. Waarom beangst? is onze stad niet sterk? + +SATURNINUS. Ja, maar de burgers achten Lucius hoog, +En vallen mij wis af, om hèm te helpen. + +TAMORA. Wees keizer, heer, in denken als in naam. +Taant ooit de zon, wijl muggen in haar dansen? +Zie, de aad'laar laat de kleine vogels zingen, +En wat zij er mee meenen, deert hem niet; +Hij weet, dat reeds de schaduw van zijn wieken, +Zoodra hij 't wil, hun zang verstommen doet; +Dit doet ook gij het wuft Romeinsche volk. +Wees dus vol moed; want weet, mijn keizer: ik +Betoover u den ouden Andronicus +Met woorden, zoeter, doch gevaarlijker, +Dan aas voor visschen, klaver is voor schapen, +Schoon gene door den hoek verwond en deze +Een rotkwaal krijgen van het zoete voêr. + +SATURNINUS. Doch nimmer smeekt hij tot zijn zoon voor ons. + +TAMORA. Hij doet het wel, als Tamora 't hem smeekt; +Zijn oud oor kan ik vleiend zoo met gulden +Beloften vullen, dat, ware ook zijn hart +Schier onbestormbaar en zijn oor stokdoof, +Mijn tong zijn oor en hart zou overmeest'ren.-- +(Tot Æmilius). Ga gij vooruit en wees onze afgezant; +Zeg, dat de keizer met den dapp'ren Lucius +Een onderhoud verlangt, en wensch als plaats +Het huis zijns vaders, de' ouden Andronicus. + +SATURNINUS. Æmilius, breng die boodschap waardig over; +Dringt hij ter veiligheid op gijz'laars aan, +Dan zegg' hijzelf, welk onderpand hij wenscht. + +ÆMILIUS. Ik zal met alle zorg uw last volbrengen. + +(Æmilius af.) + +TAMORA. Nu spoed ik mij naar de' ouden Andronicus, +En tracht met al mijn kunst hem zoo te stemmen, +Dat hij van 't Gothenleger Lucius scheide. +En nu, mijn keizer, wees weer welgemoed; +Begraaf in mijne listen al uw angsten. + +SATURNINUS. Zoo ga met goed gevolg en spreek hem toe. + +(Allen af.) + + + + + + +VIJFDE BEDRIJF. + +EERSTE TOONEEL. + + +Een vlakte nabij Rome. + +Lucius, Bevelhebbers en Krijgers der Gothen, met trommen en vaandels, +komen op. + +LUCIUS. Beproefde krijgers en getrouwe vrienden, +Van 't groote Rome ontving ik brieven, die +Mij melden, hoe zij daar hun keizer haten +En vol verlangen zijn om ons te zien. +Weest daarom, heeren, als uw titels 't zeggen, +Grootmachtig, en geen krenking verder duldend; +En heeft u Rome schade toegevoegd, +Die moge 't nu drievoudig u vergoeden. + +EERSTE GOTH. Gij dapp're spruit des grooten Andronicus, +Wiens naam, eens onze schrik, nu troost ons is, +Wiens groote diensten en roemruchte daden +'t Ondankbaar Rome thans met hoon vergeldt, +Vertrouw op ons; wij volgen waar ge ons leidt, +Als angelbijën, die op 't heetst des zomers +De koningin naar bloemenbeemden voert; +En wreek u op de vloekb're Tamora. + +ALLE GOTHEN. Wat hij zegt, allen zeggen wij 't met hem. + +LUCIUS. Ik dank hem need'rig en ik dank u allen.-- +Doch wie is 't, dien een kloeke Goth daar brengt? + +(Een Goth komt op, met Aaron, die zijn Kind op de armen draagt.) + +TWEEDE GOTH. Doorluchte Lucius, ik zwierf af van 't leger, +Om een vervallen klooster te bezien; +En toen ik op het halfvernield gebouw +Mijn oog aandachtig vestte, hoorde ik eensklaps +Daar onder 't muurwerk 't schreeuwen van een kind. +'k Ging af op het geluid, maar hoorde dra +Het schreeuwend wicht bekijven met de woorden: +"Stil, donk're schelm, half mij en half uw moeder, +Verried niet fluks uw kleur, wiens welp gij zijt, +Had u natuur begaafd met moeders uitzicht, +Dan, schurk, hadt gij een keizer kunnen worden; +Maar bij spierwitte kleur van stier en koe, +Wordt nooit een kalf, dat koolzwart is, gefokt. +Stil, deugniet, stil!"--zoo keef hij op het wicht,-- +Ik moet u brengen naar een trouwen Goth, +Die, kent hij u als 't kind der keizerin, +U om uw moeders wille lief zal hebben." +Ik trok mijn zwaard en sprong fluks op hem toe, +Verraste hem en breng hem thans tot u, +Opdat gij met hem doet naar welgevallen. + +LUCIUS. O wakk're Goth, dit is die bare duivel, +Die Andronicus' dapp're hand hem stal, +De parel, die de keizerin bekoorde, +Dàt van zijn vuige min de lage vrucht.-- +Waarheen, witoogig monster, gingt gij 't brengen, +Dien jeugdige' afdruk van uw duivelstronie? +Kunt gij niet spreken? doof dus? wat! geen woord? +Een strik, mijn krijgers! hangt hem! daar! gezwind! +En aan zijn zij dat zwarte basterdkind! + +AARON. Roer 't kind niet aan; het is van vorstlijk bloed. + +LUCIUS. 't Lijkt op zijn vader en wordt nimmer goed. +Hangt eerst het kind; hij moog' het spart'len zien; +'t Verhoogt de smarten zijner ziel misschien. +Vlug, brengt een ladder! + +(Een ladder wordt gebracht en Aaron gedwongen die te bestijgen.) + +AARON. Lucius, spaar het kind! +En zend het aan de keizerin van mij. +Als gij dit doet, meld ik u wond're zaken, +Waarvan het weten u veel voordeel brengt; +Wilt gij dit niet, 'k laat alles mij gevallen, +En spreek niets meer; maar wraak verdelge u allen! + +LUCIUS. Zoo spreek dan; en behaagt mij wat gij zegt, +Dan blijft uw kind gespaard, ja, 'k voed het op. + +AARON. Zoo 't u behaagt! neen, Lucius, wees verzekerd, +Het zal uw ziele grieven, wat gij hoort; +Ik moet van doodslag spreken, moord en schennis, +Van daden, zwart gelijk de nacht, afschuw'lijk, +Van samenspanning, schurkerij, verraad, +Voor 't hooren wreed, toch deerniswaard volvoerd; +Wat alles in mijn dood begraven wordt, +Tenzij, naar uwen eed, mijn kind blijft leven. + +LUCIUS. Spreek, wat gij weet; ik zeg, uw kind blijft leven. + +AARON. Neen, zweer het eerst; terstond begin ik dan. + +LUCIUS. Waarbij? voor u, die aan geen god gelooft? +Is dit zoo, kunt gij dan een eed gelooven? + +AARON. Stel, ik doe 't niet;--en zeker, 'k doe het niet,-- +Doch wijl ik weet, dat gij geloovig zijt, +In u een ding hebt, dat geweten heet, +Met twintig papenfratsen en gebruiken, +Die ik u nauwgezet volbrengen zag, +Daarom eisch ik uw eed;--(Ter zijde.) dewijl ik weet, +Dat menig nar zijn zotskolf voor een god acht, +En de eeden houdt, gezworen aan dien god, +Eisch ik zijn eed;--(Overluid.) daarom zult gij beloven +Bij uwen god,--wat god het dan ook zij,-- +Dien gij aanbidt en diep vereert, dat gij +Mijn knaap zult sparen, voeden, groot zult brengen, +Zoo niet, weet dan, dat ik u niets ontdek. + +LUCIUS. Ik zweer u bij mijn god, dat ik dit doe. + +AARON. Weet eerst, ik won hem bij de keizerin. + +LUCIUS. O onverzaad'lijk geil, wellustig wijf! + +AARON. O Lucius, stil! dit was een liefdedaad, +Bij wat gij aanstonds van mij hooren zult. +Haar twee zoons waren Bassianus' moord'naars; +Zij kapten uwer zuster tong en handen, +Zij schonden haar en tooiden haar zoo op. + +LUCIUS. Onzaal'ge schurk! noemt gij dat opgetooid? + +AARON. 't Was wasschen, kappen, tooien dus, en 't was +Een tooipret voor de twee, die 't stuk volvoerden. + +LUCIUS. Beestachtig ruwe schurken, als gijzelf! + +AARON. Nu ja, ik was de meester, die hen leerde. +Hun geilheid was een gave van hun moeder, +Zoo zeker, als de hoogste kaart in 't spel; +Hun lust in bloed, ja, leerden zij van mij, +Zoo zeker als een bloedhond weet te pakken. +Nu, geev' mijn doen getuig'nis van mijn waarde. +Ik lokte uw broeders naar 't bedrieglijk hol, +Waarin het lijk van Bassianus lag; +Ik schreef den brief, dien toen uw vader vond; +Verborg, met Tamora en haar twee zoons +Verbonden, 't goud, dat in den brief vermeld was. +Ja, was er iets, dat gij bejamm'ren moet, +Waar ik de hand niet in had, u tot onheil? +'k Heb door bedrog uws vaders hand erlangd, +En toen ik die eens had, ging ik ter zij, +En kreeg een lachbui, dat mij 't hart schier berstte. +Ik tuurde door een muurspleet, toen hij voor +Zijn hand de hoofden kreeg van zijn twee zoons; +Ik zag zijn smart en moest zoo hartlijk lachen, +Dat mìjn oog even nat was als het zijn; +En toen ik Tamora de grap beschreef, +Viel zij van louter pret bijna in zwijm, +En gaf mij voor 't verhaal wel twintig kussen. + +EERSTE GOTH. Kunt gij dit alles zeggen zonder blozen? + +AARON. Ja, als een zwarte hond, naar 't spreekwoord zegt. + +LUCIUS. En doen die gruweldaden u geen leed? + +AARON. Ja, dat ik er niet duizend meer bedreef. +Zelfs nu vloek ik den dag,--maar toch ik meen, +Niet vele zijn er door mijn vloek te treffen,-- +Waarop ik geen opmerk'lijk kwaad bedreef; +Geen man versloeg of niet zijn dood beraamde; +Geen maagd verkrachtte of 't plan er niet toe smeedde; +Geen eerlijk man betichtte en meineed zwoer; +Geen haat ten doode bij twee vrienden zaaide; +Het vee van armen niet den nek liet breken, +In schuur en schelf bij nacht den brand niet stak, +En de' eig'naars toeriep: "Bluscht hem met uw tranen!" +Vaak groef ik dooden uit hunne graven op, +En zette ze aan de deuren van hun vrienden +Rechtop, juist als het leed schier was vergeten, +En sneed, gelijk in boomschors, in hun huid +Dan in Romeinsche letters met mijn dolk: +"Uw droef'nis sterve niet, al ben ik dood." +O meer dan duizend gruweldaden deed ik, +Zoo lucht van hart als iemand vliegen doodt; +En niets doet mij zoo innig leed, dan dat +Ik niet er nog tien duizend meer kan doen. + +LUCIUS. Omlaag weer met dien duivel, want hem wacht +Een erger dood; het hangen is te zacht. + +AARON. 'k Wilde, als er duivels zijn, een duivel wezen, +En leven, branden in 't onbluschlijk vuur, +Had ik slechts uw gezelschap in de hel +Om u te mart'len met mijn bitt're tong. + +LUCIUS. Stopt hem den mond en laat hem niet meer spreken. + +(Een Goth komt op.) + +GOTH. Daar is een afgezant uit Rome, heer; +Hij wenscht bij u te worden toegelaten. + +LUCIUS. Hij trede voor ons. + +(Æmilius komt op.) + +Welkom, Æmilius, wat is 't nieuws uit Rome? + +ÆMILIUS. U, Lucius, en u, oversten der Gothen, +Groet de Romeinsche keizer door mijn mond; +Hij, hoorend, dat gij in de wapens staat, +Vraagt in uws vaders huis een mondgesprek; +En zoo gij vordert, dat hij gijz'laars stelt, +Dan worden zij terstond u toegezonden. + +EERSTE GOTH. Wat zegt ons legerhoofd? + +LUCIUS. Æmilius, zoo de keizer aan mijn vader +En mijn oom Marcus goede borgen zendt, +Dan komen wij.--Trekt voort! + +(Allen af.) + + + +TWEEDE TOONEEL. + + +Rome. Het voorplein van Titus' huis. + +Tamora, Demetrius en Chiron komen op, vermomd. + +TAMORA. Aldus, in deze vreemde, somb're dracht, +Bezoek ik Andronicus nu, en zeg, +Dat ik de Wraak ben, uit de hel gezonden, +Om voor zijn jammer met hem recht te doen. +Klopt aan zijn boekvertrek; daar toeft hij, zegt men, +En broedt op plannen, vreemd en woest, van wraak; +Zegt hem, de Wraak kwam hier, om saâm met hem +Verderf op al zijn haters uit te storten. + +(Zij kloppen aan.) + +(Titus komt op, boven.) + +TITUS. Wie stoort mij in mijn overdenking? Is dit +Een kunstgreep om mijn deur mij te doen oop'nen, +Opdat mijn wraakbesluiten zoo vervliegen, +En al mijn peinzen zonder werking blijv'? +Gij dwaalt, want wat ik voorgenomen heb,-- +Zie hier,--ik schreef het neer met bloedig schrift; +En wat ik schreef, zal worden uitgevoerd. + +TAMORA. Titus, om u te spreken kwam ik hier. + +TITUS. Neen, neen, geen woord! hoe kan ik sierlijk spreken, +Nu ik een hand voor mijn gebaren mis? +Gij zijt te zeer in 't voordeel, dus niets meer. + +TAMORA. Zoo gij mij kendet, zoudt gij met mij spreken. + +TITUS. Ik ben niet dol; ik ken u al te goed; +Dit tuig' deze arme stomp, dit roode schrift, +De voren hier, die leed en zorg mij groeven, +Dit tuig' de moede dag, de lange nacht, +En al mijn jammer, dat ik goed u ken +Als Tamora, de trotsche keizerin. +Is 't om mijn and're hand, dat gij hier komt? + +TAMORA. Neen, weet, bedroefde, Tamora ben 'k niet; +Zij is uw vijandin, ik uw vriendin. +Ik ben de Wraak, die, uit de hel gezonden, +Den gier, die aan uw harte knaagt, zal stillen, +Uw haters straffen zal met strenge wraak. +Kom af, en heet mij welkom aan het daglicht; +Pleeg over moord en doodslag met mij raad. +Geen schuilplaats is er en geen diepe grot, +Geen tastbaar duister en geen dompig dal, +Waar vloek'bre moord of vrouwenkracht, vol angst, +Zich bergen kunnen, of ik vind hen daar; +En galm mijn schrikb'ren naam hun in het oor: +Wraak, die den boozen zondaar sidd'ren doet. + +TITUS. Zijt gij de Wraak? en hier tot mij gezonden +Ter martelstraf voor wie mijn vijand is? + +TAMORA. Ik ben het; kom dus af en heet mij welkom. + +TITUS. Doe mij een dienst dan, eer ik tot u kom. +'k Zie Moord en Vrouwenkracht daar aan uw zijde; +Zoo toon mij nu, dat gij de Wrake zijt: +Doorsteek hen of verplet hen met de raad'ren +Uws wagens, en ik kom en word uw waag'naar, +En jaag met u onstuimig door 't heelal. +Schaf u twee schoone rossen aan, gitzwart, +Om uw wraakgier'gen wagen vaart te geven +En moord'naars in hun holen op te sporen; +Is dan uw wagen van hun hoofden vol, +Dan stijg ik af en draaf ter zij van 't wiel, +Gelijk een lage knecht, den ganschen dag, +Van Hyperions opkomst in het oosten, +Tot hij verzinkt, verdwenen is in zee; +En dag op dag doe ik dit zware werk, +Verdelgt gij hen daar, Vrouwenkracht en Moord. + +TAMORA. Zij zijn mijn dienaars, volgen mij alom. + +TITUS. Uw dienaars? zij? en hoe is dan hun naam? + +TAMORA. Zij heeten Vrouwenkracht en Moord, want weet: +Zij nemen wraak op zondaars van dien aard. + +TITUS. Ach, ik dacht hen de zoons der keizerin, +En u hun moeder; doch wij aardsche wezens +Zien met armzaal'ge, dwaas bedriegende oogen. +O, lieve Wraak, thans kom ik tot u af; +En zoo ééns arms omhelzing u volstaat, +Dan wil ik u terstond er mee omarmen. + +(Titus boven af.) + +TAMORA. Zóó met hem om te gaan past bij zijn waanzin. +Wat ik nu uitdenk voor zijn dolle vlagen, +Steunt gij dat, zet het voort door wat gij zegt; +Want hij gelooft nu vast, dat ik de Wraak ben; +En daar die waan hem lichtgeloovig maakt, +Doe ik hem Lucius, zijnen zoon, ontbieden; +Is bij een feestmaal die in mijn bereik, +Dan vind ik wel een sluwe list om fluks +De licht verdwaasde Gothen te verstrooien, +Of wel, hen tot zijn vijanden te maken, +Daar komt hij, ziet; nu speel ik weer mijn rol. + +(Titus komt weder op, beneden.) + +TITUS. Lang was ik raad'loos en alleen om u. +Wees welkom, Furie, aan mijn weevol huis!-- +Gij, Vrouwenkracht en Moord, weest ook recht welkom!-- +O, wat gelijkt gij op de keizerin, +Gij op haar zoons! Een Moor alleen ontbreekt;-- +Kon heel de hel zoo'n duivel u niet leev'ren? +Want als de keizerin een voet verzet, +Dan heeft zij,--'k weet het goed,--een Moor steeds bij zich; +En zoo gij haar naar waarheid voor wilt stellen, +Dan moet er zulk een duivel bij u zijn. +Maar toch ook welkom zoo! Wat valt te doen? + +TAMORA. Wat, Andronicus, wilt gij, dat wij doen? + +DEMETRIUS. Wijs mij een moord'naar; 'k reken met hem af. + +CHIRON. Wijs mij een schurk, die vrouwenkracht bedreef, +En ik ben hier, opdat de wraak hem treff'. + +TAMORA. Wijs mij een duizendtal, dat u gekrenkt heeft, +En ik neem op hen allen felle wraak. + +TITUS. Zie dan in Rome's booze straten rond, +En vindt ge een man daar, die op u gelijkt, +Doorsteek hem, lieve Moord; hij is een moord'naar.-- +Ga gij met hem;--en hebt gij het geluk, +Dat gij een ander vindt, die u gelijkt, +Doorsteek hem, Vrouwenkracht; 't is een verkrachter.-- +Ga gij met hen; gij vindt aan 's keizers hof +Een keizerin, verzelschapt van een Moor; +Aan uw gedaante kunt gij licht haar kennen, +Want zij gelijkt van top tot teen op u; +Ik bid u, breng hen gewelddadig om; +Zij deden mij geweld aan en de mijnen. + +TAMORA. Uw voorschrift was recht goed; wij zullen 't doen. +Maar thans behage 't u, goede Andronicus, +Naar Lucius, uwen dapp'ren zoon, te zenden, +Die tegen Rome een Gothenleger aanvoert, +En hem ten feestmaal in uw huis te nooden; +Dan wil ik, als hij neerzit aan uw disch, +De keizerin er brengen met haar zoons, +Den keizer zelf, elk, die uw vijand is; +Zij zullen knielend u genade vragen, +En dan stilt gij aan hen uw toornig hart. +Wat antwoordt Andronicus op dit voorstel? + +TITUS. Marcus, mijn broeder!--de arme Titus roept. + +(Marcus komt op.) + +Ga, lieve Marcus, naar uw neef, naar Lucius; +Vraag bij de Gothen, waar hij is, en zeg hem, +Dat ik hem spoedig bij mij wensch te zien, +Verzeld van enk'len der voornaamste Gothen; +Hij leeg're zijne krijgers waar zij zijn. +Meld, dat de keizer, met de keizerin, +Eet in mijn huis, en hij met hen moet spijzen. +Doe dit om mijnentwil; zoo doe ook hij, +Als hem zijns ouden vaders leven lief is. + +MARCUS. Ik zal het doen en spoedig ben ik weer. + +(Marcus af.) + +TAMORA. Nu ga ik weg van hier, maar tijg terstond +Voor u aan 't werk, en neem mijn dienaars mede. + +TITUS. Neen, neen, laat Vrouwenkracht en Moord bij mij; +Of anders roep ik nog mijn broeder weer, +En houd mij voor mijn wraak alleen aan Lucius. + +TAMORA (ter zijde tot haar zoons). Wat zegt gij, knapen? wilt gij +bij hem blijven, +Terwijl ik aan den keizer melden ga, +Hoe ik in onze ontworpen scherts geslaagd ben? +Viert gij zijn luimen, vleit hem, houdt hem bezig, +En toeft bij hem, totdat ik wederkeer. + +TITUS (ter zijde). 'k Heb hen herkend, al wanen zij mij dol, +En ik verstrik hen in hun eigen plannen, +Die vloekb're twee helhonden en hun moêr. + +DEMETRIUS. Het zij zoo, moeder; ga en laat ons hier. + +TAMORA. Vaar, Andronicus, wel; de Wrake tracht, +Wat vijand is, te leev'ren in uw macht. + +TITUS. Ik weet, dit doet gij; lieve Wraak, vaarwel! + +(Tamora af.) + +CHIRON. Spreek, oude man, welk werk hebt gij voor ons? + +TITUS. Geduld maar! ik heb werks genoeg voor u.-- +Publius, kom hier! komt, Cajus, Valentinus! + +(Publius en Anderen komen op.) + +PUBLIUS. Wat is uw wensch? + +TITUS. Spreek, kent gij deze twee? + +PUBLIUS. Ik meen, het zijn de zoons der keizerin, +Demetrius en Chiron. + +TITUS. Wat, Publius! o foei, foei! nu dwaalt gij zeer; +Deze een heet Moord, die ander Vrouwenkracht; +En daarom, boeit hen, beste Publius, boeit hen; +Gij Cajus, Valentinus, grijpt hen aan; +Dit uur, hoe vaak hebt gij 't mij hooren wenschen! +Nu is het daar; dus boeit hen stevig; stopt +Den mond hun, als zij schreeuwen willen. + +(Titus af.--Publius en de Overigen grijpen Chiron en Demetrius +en boeien hen.) + +CHIRON. Schurken, +Laat af, wij zijn de zoons der keizerin. + +PUBLIUS. Juist daarom doen wij, wat bevolen werd.-- +Stopt hun den mond, dat zij geen woord meer spreken. +Is hij geboeid? Zorgt, dat gij stijf hem knevelt! + +(Titus komt terug, met Lavinia, hij met een mes, zij met een +bekken.) + +TITUS. Lavinia, zie, geboeid zijn uw belagers.-- +Stopt hun den mond, dat zij geen woord mij zeggen, +Maar zelve luist'ren naar mijn schrikb're taal.-- +Gij schurken, Chiron en Demetrius, +Dit is de bron, door u met vuil besmet, +De lieve zomer, door uw vorst bedorven. +Gij dooddet haar gemaal, en voor die wandaad +Verloren twee van hare broeders 't hoofd, +En ik de hand; een scherts, waarom gij lachtet. +De tong en beide handen, en,--wat kostb'rer +Dan tong of hand is,--de onbevlekte reinheid, +Ontmenschte schurken, hebt gij haar ontroofd. +Wat zoudt gij zeggen, als ik u liet spreken? +Gij kondt uit schaamte geen genade vragen. +Hoort, schurken, hoe ik u te mart'len denk. +'k Hield één hand om uw kelen af te steken, +Terwijl Lavinia met haar stompen 't bekken +Zal houden, dat uw schuldig bloed ontvangt. +Gij weet, uw moeder wenscht bij mij te spijzen; +Zij noemt zich Wraak en mij houdt zij voor dol.-- +Hoort, schurken! uw gebeent' maal ik tot stof, +En 'k meng daarvan en van uw bloed een deeg, +En uit dit deeg maak ik pasteienkorsten, +En bak van uwe hoofden twee pasteien; +Dan zal die slet, uw eervergeten moeder, +Als de aarde doen, verslindend wat zij voortbracht. +Dit is het feestmaal, waar ik haar op noodde, +Dit het gerecht, waaraan zij smullen zal. +Mijn kind leed erger smaad dan Philomela, +En erger zij mijn wraak dan Procne's wraak. +En nu, hier met uw kelen!-- + +(Hij snijdt hun kelen af.) + + Kom, Lavinia; +Vang gij dit bloed nu op, en als zij dood zijn, +Wil ik hun beend'ren malen tot fijn stof, +Het mengen met dit walg'lijk nat, en dan +Laat ik hun hoofden bakken in dat deeg.-- +Komt, komt, dat nu een elk volijv'rig zij +Voor dit onthaal, dat gruw'lijker moog' blijken +En bloediger dan der Centauren feest. +Vlug, draagt hen binnen; ik speel nu voor kok, +Opdat zij klaar zijn, als hun moeder komt. + + + +DERDE TOONEEL. + + +Aldaar. Een open gebouw in Titus' tuin. + +Lucius, Marcus en Gothen komen op, met Aaron als gevangene. Er +staat een tafel gereed voor een feestmaal. + +LUCIUS. Oom Marcus, daar mijn vader het verlangt, +Dat ik naar Rome kom, vind ik dit goed. + +EERSTE GOTH. En wij met u; geschiede wat er wil. + +LUCIUS. Goede oom, bewaar dien woesten Moor hier binnen, +Dien fellen tijger, dien gevloekten duivel. +Laat hem geen voedsel reiken; kluister hem, +Tot hij voor 't oog der keizerin gevoerd wordt, +Om van haar booze daden te getuigen. +Draag zorg, dat de verholen vrienden sterk zijn; +De keizer heeft niets goeds voor, naar ik vrees. + +AARON. Een duivel fluist're vloeken mij in 't oor, +En help' mijn tong, dat zij met kracht het gif +Van mijn door wrok gezwollen hart moog' uiten! + +LUCIUS. Van hier, bloedgier'ge hond, vervloekte schurk!-- +Gij mannen, helpt onze' oom; voert hem naar binnen!-- + +(De Gothen met Aaron af.--Trompetgeschal.) + +Dat schallen meldt, dat daar de keizer is. + +(Saturninus en Tamora komen op, met Tribunen, Senatoren en +Anderen.) + +SATURNINUS. Wat! heeft de hemel meer dan ééne zon? + +LUCIUS. Waar dient het toe, dat gij uzelf de zon noemt? + +MARCUS. Gij Rome's keizer, en gij neef, laat af; +Wat u verdeelt, moet kalm besproken worden. +Het gastmaal is gereed, dat zorgvol Titus +Heeft aangericht tot goed en eervol einde, +Voor Rome's eendracht, vrede, vriendschap, heil; +Treedt, bid ik, nader, neemt uw plaatsen in. + +SATURNINUS. Dat zij zoo, Marcus. + +(Muziek van hobo's. De Gasten nemen plaats.) + +(Titus komt op, als kok gekleed, verder Lavinia, gesluierd, de +jonge Lucius, en Anderen. Titus plaatst de schotels op tafel.) + +TITUS. Wees welkom, vorst; wees welkom, keizerin; +Welkom, krijgshafte Gothen; welkom, Lucius; +En welkom, allen! Zij 't onthaal eenvoudig, +'t Zal voedzaam zijn; ik bid u dus, tast toe. + +SATURNINUS. Waarom in zulk een kleeding, Andronicus? + +TITUS. Ik wilde zeker zijn, dat mijn onthaal +U en uw keizerin zou waardig zijn. + +TAMORA. Wij zijn, goede Andronicus, u recht dankbaar. + +TITUS. Dit waart gij wis, vorstin, zaagt ge in mijn hart. +Mijn heer en keizer, zeg mij eens uw oordeel: +Was 't wèl gedaan, dat eens Virginius heftig +Met eigen rechterhand zijn dochter doodde, +Wijl zij verkracht, onteerd was en bezoedeld? + +SATURNINUS. Ja, Andronicus. + +TITUS. En uw reed'nen, heer? + +SATURNINUS. Zoo overleefde zij haar schande niet, +Vernieuwde door haar leed niet steeds zijn jammer. + +TITUS. Een sterke, machtige en voldoende grond; +Een voorbeeld, een vermaan, een ware volmacht +Voor mij, onzaal'ge, om evenzoo te doen.-- +Sterf, sterf, Lavinia, en uw smaad meteen; +Vaar' met uw smaad uws vaders kommer heen! + +(Hij doodt Lavinia.) + +SATURNINUS. Wat doet gij daar, gij onmensch, meer dan wreed? + +TITUS. Haar doodde ik, om wier lot ik blind mij kreet. +'k Ben even weevol als Virginius was, +En heb wel duizendmaal meer grond dan hij +Tot zulk een wandaad;--en ze is nu gedaan. + +SATURNINUS. Wat! werd ze onteerd? O meld mij, wie dit deed! + +TITUS. (tot Saturninus). Neem nog wat spijs!-- +(Tot Tamora.) Ga voort, uw hoogheid, eet! + +TAMORA. Waarom versloegt ge uw een'ge dochter dus? + +TITUS. Niet ik, 't was Chiron met Demetrius; +Die hebben haar onteerd, de tong ontrukt; +Door hen ging ze onder naamloos wee gebukt. + +SATURNINUS. Ga, haal hen, stel hen voor ons, en terstond. + +TITUS. Zij zijn daar beide' in die pastei; hen vond +Hun moeder pas een lekk're spijs; zij at, +Wat ze in haar schoot eens droeg, heeft liefgehad. +'t Is waar, 't is waar, dit tuig' mijn scherpe dolk. + +(Hij doodt Tamora.) + +SATURNINUS. Sterf, dolle schurk; die vloekdaad krijg' haar loon! + +(Hij doodt Titus.) + +LUCIUS. Daar vloeit mijns vaders bloed; dat duldt geen zoon! +Hier hebt gij dood voor dood en loon voor loon! + +(Hij doodt Saturninus. Groote opschudding. Marcus, Lucius en +Anderen bestijgen de trappen voor Titus' huis.) + +MARCUS. Ontstelde mannen, Rome's volk en zonen, +Verstrooid door 't oproer als een vogelzwerm, +Dien wind en stormgeloei uiteen doen spatten, +Laat mij u leeren, die verspreide halmen +Op nieuw tot ééne garve saam te voegen, +Die stukgereten leden tot één lijf, +Opdat niet Rome een vloek zij voor zichzelf, +En zij, voor wie zoo groote rijken buigen, +Niet, als een arm verstoot'ling, zonder hoop, +Tot eeuw'gen smaad de hand sla aan zichzelf. +Doch zoo mijns winters sneeuw, mijn diepe groeven, +Eerwaarde borgen voor mijn rijpe ervaring, +U niet bewegen naar mijn woord te luist'ren,-- +(Tot Lucius.) Spreek, Rome's vriend, als onze stamheer eens, +Toen hij met plechtige' ernst aan 't luist'rend oor +Der ademlooze, liefdekranke Dido +'t Verhaal deed van die gruwelnacht des brands, +Waarin der Grieken sluwheid Troje nam; +Meld, welke Sinon 't oor ons heeft betooverd, +En wie 't noodlottig werktuig hier bracht, dat +Ons Troje, ons Rome burgerwonden sloeg. +Mijn hart is niet uit staal of steen gevormd, +En al ons bitter wee kan ik niet uiten; +Een tranenvloed zou mijne taal verdrinken, +En mijne stem zou breken, ja, juist dan, +Als zij u smeeken moest goed toe te luist'ren +En uwe zachte deernis ons te schenken. +Hier staat een veldheer, die 't verhaal moog' doen; +Uw hart zal snikken, weenen als gij 't hoort. + +LUCIUS. Dan, eed'le hoorders, zij u thans bericht: +Die vloekb're Chiron en Demetrius, +Zij waren 't, die des keizers broeder moordden, +Zij waren 't ook, die onze zuster schonden. +Voor hunne gruw'len stierven onze broeders, +Werd onzes vaders diepe smart gehoond, +Hem door bedrog die brave hand ontfutseld, +Die staâg voor Rome's roem gestreden had, +Haar vijanden ten grave had gezonden, +En eind'lijk ik, ikzelf, met smaad verbannen, +En Rome's poorten weenend uitgedreven, +Om hulp bij Rome's vijanden te zoeken, +Die hunnen haat verdronken in mijn tranen, +Met open armen mij als vriend omhelsden. +En ik ben 't, de uitgestoot'ne,--weet dit, vrienden,-- +Die Rome's welzijn redde met mijn bloed, +En 's vijands zwaard afkeerde van haar borst, +Zijn staal een scheê gaf in mijn waagziek lijf. +Gij allen weet, dat ik geen pocher ben; +Litteekens mogen stom zijn, toch getuigen +De mijne, dat ik zuiv're waarheid spreek. +Doch stil! mij dunkt, te verre dwaal ik af, +Mijn luttel doen zoo roemend;--o, vergeeft, +Elk prijst, is hem geen vriend nabij, zichzelf. + +MARCUS. Nu is 't aan mij, te spreken. Ziet dit kind; +Aan dezen knaap schonk Tamora het leven; +De telg is 't van een godvergeten Moor, +Den hoofdontwerper, smeder dezer jamm'ren. +De booswicht is in Titus' huis nog levend, +En moet getuigen, dat dit waarheid is. +Gij, oordeelt nu, wat reden Titus had +Om al dit onuitspreek'lijk leed te wreken, +Dat meer is, dan een mensch ooit dragen kan. +En nu gij alles weet, spreekt nu, Romeinen: +Is iets door ons misdreven? Toont ons dit, +En van de plaats, waar gij ons hier ziet staan, +Zal 't luttel overschot der Andronici +Voorover, hand in hand zich nederstorten, +Op 't ruw gesteente zich het brein verplett'ren +En saam een einde maken aan hun stam. +Romeinen, spreekt! en is 't uw welgevallen, +Ziet mij en Lucius, hand in hand, hier vallen. + +ÆMILIUS. Neen, kom! eerwaardige Romein, en stell' +Veeleer uw hand ons onzen keizer voor, +Den keizer Lucius; want ik weet, met mij +Roept elk, als ik: "Dat Lucius keizer zij!" + +Allen. Heil, Lucius, heil! heil, Rome's eed'le keizer! + +(Lucius, Marcus en de Overigen dalen af.) + +MARCUS (tot eenige Dienaars). Gaat thans in 't rouwhuis van den +ouden Titus, +En sleur dien godvergeten Moor hierheen, +Opdat een ongehoorde marteldood +Als straf bepaald zij voor zijn gruw'lijk leven. + +(Eenige Dienaars af.) + +ALLEN. Heil, Lucius, heil! heil, Rome's eed'le keizer! + +LUCIUS. Romeinen, dank! en, goden, hoort mijn beê, +Dat ik genezing brenge en heil na wee!-- +Doch lieve vrienden, gunt mij thans nog rust; +Eerst eischt natuur van mij een zwaren plicht.-- +Wijkt gij terug;--maar, oom, treed nader, pleng +Meê vrome tranen dezen doode.--Ontvang + +(Hij kust Titus.) + +Mijn warmen kus op uw koudbleeke lippen, +Op uw bebloede wang mijn weemoedsdruppels, +Als laatste trouwe hulde van uw zoon. + +MARCUS. O traan voor traan en liefdekus voor kus +Biedt hier uw broeder Marcus aan uw lippen; +O waar' hun som, die ik betalen moest, +Ontelbaar, eindloos, toch betaalde ik die! + +LUCIUS. Kom, knaap, kom hier, en leer van ons, hoe liefde +In tranen smelt. Grootvader had u lief, +En vaak liet hij u dansen op zijn knie, +Zong u in slaap, zijn trouwe borst als kussen; +En vele dingen heeft hij u verteld, +Geschikt en juist gekozen voor uw jonkheid; +Herdenk dit en vergiet, als minnend kind, +Dan een'ge droppen uit uw teed're bron, +Want vriendlijk heeft natuur als wet gesteld, +Dat in het leed een vriend zijn vriend verzelt; +Zeg hem vaarwel, vertrouw hem aan zijn graf, +Bewijs dien liefdeplicht en neem dan afscheid. + +DE JONGE LUCIUS. Grootvader! ach, grootvader! o, hoe gaarne +Stierf ik, zoo gij dan weer herleven mocht! +O god! door 't weenen kan ik niets meer zeggen; +Ik stik in tranen, open ik den mond. + +(De Dienaars komen terug, met Aaron.) + +EEN ROMEIN. Staakt, treurende Andronici, thans uw rouwklacht! +Maar spreekt het vonnis van den onverlaat, +Die al deez' gruweldaden heeft verwekt. + +LUCIUS. Begraaft hem tot de borst om te verhong'ren; +Zoo sta hij vast, en woede, en schreeuwe om spijs; +Zoo iemand hem verkwikt, hem deernis toont, +Die sterft voor deze schuld. Dit is ons vonnis; +Zorgt, dat hij goed in de aard bevestigd wordt. + +AARON. O, waarom zouden wrok en woede zwijgen? +Ik ben geen kind, dat ik met laf gebed +De gruw'len zou betreuren, die ik deed. +Tien duizend erg're dan ik ooit bedreef, +Zou ik begaan, zoo ik naar lust kon hand'len; +En deed ik één goed werk in heel mijn leven, +Dan is het dit, wat mij van harte rouwt. + +LUCIUS. Den keizer mogen trouwe vrienden halen +En in zijns vaders graf ter aard bestellen. +Mijn vader en Lavinia voeren wij +Terstond naar 't grafgewelf van ons geslacht. +Aan Tamora, de felle tijgerin, +Wordt uitvaart, noch gevolg in rouwgewaad, +Noch klokgebrom gegund; werpt haar in 't veld +Aan 't wild gedierte en 't roofgevogelt' voor. +Beestachtig was haar leven, zonder deernis; +Zij vinde na den dood bij niemand deernis. +Voert Aaron nu ter straf, den vloek'bren Moor, +Die de oorsprong was van al ons naamloos wee; +Dan reeg'len wij den staat, zoodat voor goed +Een ramp en nood als deze zijn verhoed. + +(Allen af.) + + + + + +AANTEEKENINGEN. + + +De oudste uitgave van Titus Andronicus, die tot ons gekomen is, +dagteekent van het jaar 1600. De titel dezer quarto-uitgave luidt als +volgt: _The most lamentable Romaine Tragedie of Titus Andronicus. As +it hath Sundry times beene playde by the Right Honourable the Earle +of Pembrooke, the Earle of Darbie, the Earle of Sussex, and the +Lorde Chamberlaine theyr Seruants. At London, Printed by J. R. for +Edward White, 1600_. Van de vier genoemde tooneelgezelschappen is +het laatste dat, waar Shakespeare zelf deel van uitmaakte. De tekst +is vrij nauwkeurig te noemen. + +Een tweede uitgave in quarto verscheen in 1611; zij noemt op den +titel alleen het tooneelgezelschap van Shakespeare: _As it hath +sundrie times beene playde by the Kings Maiesties Seruants_, en +wijkt overigens niet noemenswaard van de vorige af. Deze uitgave +schijnt ten grondslag gelegd te zijn aan den druk, toen het stuk +in de folio-uitgave der gezamenlijke tooneelwerken van Shakespeare, +van 1623, werd opgenomen. Bij laatstgenoemden afdruk vindt men echter +afwijkingen, waarschijnlijk door vergelijking met het handschrift, +dat bij het tooneelgezelschap berustte, en zelfs een geheel tooneel, +het tweede van het derde bedrijf, dat in geen der beide quarto-uitgaven +voorkomt. Dit tooneel, dat de handeling niet vooruitbrengt, werd +waarschijnlijk bij de vertooning weggelaten en daarom niet in de +quarto-uitgaven opgenomen; dat het niet later bijgevoegd werd, maar +reeds dadelijk een deel uitmaakte van het stuk, is onbetwijfelbaar. + +Op den titel der quarto-uitgaven wordt de naam des dichters niet +genoemd, maar dit is niets vreemds in dien tijd; in de eerste uitgaven +van den Richard II, Richard III, Hendrik IV (eerste deel), Hendrik V, +Romeo en Julia is evenzoo de naam van Shakespeare weggelaten. Dat +de vrienden en kunstgenooten des dichters, Heminge en Condell, die +de folio-uitgave van 1623 bezorgden, dit stuk, onder den titel van +_The lamentable Tragedie of Titus Andronicus_, onder de treurspelen +van Shakespeare opnamen, mag een bewijs gerekend worden, dat Sh. en +geen ander de schrijver is. + +Hier is ondertusschen nog een ander en opmerkelijk bewijs voor aan +te halen. Een tijdgenoot, en waarschijnlijk een goede bekende van +Shakespeare, een man, met de letterkunde van zijn tijd welvertrouwd, +Francis Meres, schreef,--en niet in een later tijdperk van Sh.'s leven, +maar reeds in 1598,--dat Sh. uitblonk in het schrijven van tragedies en +haalde als bewijzen daarvan aan: "zijn Richard II, Richard III, Hendrik +IV, Koning Jan, Titus Andronicus, en zijn Romeo en Julia". Francis +Meres noemt dus zeer bepaald Shakespeare als schrijver van den Titus +Andronicus. + +Daar de woorden van Meres van veel belang zijn voor de dagteekening van +eenige der oudste stukken van Sh., moge hier, in de aanteekeningen van +Sh.'s oudste stuk, zijn getuigenis woordelijk aangehaald worden. Het +is te vinden in zijn: _Palladis Tamia, Wits Treasury: being the Second +Part of Wits Commonwealth. London_ 1598. + +"_As the soule of Euphorbus was thought to live in Pythagoras, so the +sweet worthie soule of Ovid lives in mellifluous and honey tongued +Shakespeare; witnes his Venus and Adonis, his Lucrece, his sugred +sonnets among his private friends._ + +_As Plautus and Seneca are accounted the best for comedy and +tragedy among the Latines, so Shakespeare among the English is the +most excellent in both kinds for the stage; for comedy witnes his +Gentlemen of Verona, his Errors, his Loue Labours Lost, his Loue +Labours Wonne_,--waarmee "Eind goed, Al goed" moet bedoeld zijn,--_his +Midsummer Night Dreame, and his Merchant of Venice; for tragedy, his +Richard the 2, Richard the 3, Henry the 4, King John, Titus Andronicus, +and his Romeo and Juliet_. + +_As Epius Stolo said that the muses would speake with Plautus tongue, +if they would speake Latin, so I say that the muses would speake with +Shakespeare fine filed phrase, if they would speake English._" + +Hieruit blijkt tevens, dat de Titus Andronicus reeds in 1598 +geschreven en ten tooneele gebracht was. Maar het stuk is zeker +ouder. In 1691 werd door zekeren _Gerald Langbaine_ uitgegeven +een _Account of the English Dramatick Poets_; daarin wordt gewag +gemaakt van een uitgave van _Titus Andronicus_ in quarto, van 1594, +waarvan thans geen exemplaar meer bekend is. Dat zijn mededeeling +juist kan zijn, en hij zulk een exemplaar kan gezien hebben, blijkt +uit het register van het boekhandelaarsgilde, waarin, op den datum +van 6 Februari 1593, ten behoeve van _John Danter_ is ingeschreven: +"_A booke entitled a noble Roman Historye of Titus Andronicus._" Op +deze inschrijving volgt: "_Entered also unto him, by warrant from +Mr. Woodcock, the ballad thereof._" De ballade, die, volgens deze +inschrijving, van het tooneelstuk of de geschiedenis gedrukt werd, +is hoogstwaarschijnlijk dezelfde, die door Percy in zijn _Reliques +of Ancient English Poetry_ onder den titel van "_The Lamentable and +Tragical History of Titus Andronicus_" is medegedeeld en ontleend +is uit een oude gedichtenverzameling zonder datum. (Ook in Delius +Sh.-uitgaaf is zij afgedrukt.) Dat zij _na_ het tooneelstuk gedicht +is, kan uit de eenvoudige lezing blijken; er wordt bij voorbeeld in +gesproken van het pijlen-schieten door Titus Andronicus, wat zonder +de kennis van het populaire tooneelstuk geheel onverstaanbaar zou zijn. + +De Titus Andronicus moet dus vóór Febr. 1593 geschreven zijn. Een +opmerking van Ben Jonson noopt ons verder, het stuk voor nog eenige +jaren ouder te houden. Deze zegt in het voorspel van zijn blijspel +"de Bartholomeüs-mis", _Bartholomew Fair_, dat in 1614 werd opgevoerd: +"_He that will swear Jeronimo and Andronicus are the best plays yet, +shall pass unexcepted at here, as a man, whose judgment shows it is +constant, and hath stood still these five-and-twenty or thirty years._" +Hier wordt dus Titus Andronicus in één adem genoemd met _Thomas Kyd_'s +_Jeronimo_,--waarmede de Spaansche tragedie, _the Spanish tragedy or +Hieronymo is mad again_, bedoeld is,--en gezegd, dat hij, die deze +twee stukken nog voor de beste houdt, vijf en twintig of dertig jaren +in smaak ten achteren is. Zijn die 25 jaar letterlijk op te vatten, +dan is Titus Andronicus van het jaar 1589, misschien nog enkele jaren +vroeger. Bedenken wij nu, dat Shakespeare in April 1564 geboren +werd te Stratford aan den Avon, er in zijn 20ste jaar (Nov. 1582) +trouwde, er in 1583 een dochter kreeg en in 1585 tweelingen, dan zal +hij op zijn vroegst in laatstgenoemd jaar naar Londen gekomen zijn en +zich aan het tooneel verbonden hebben. Dat hij het handschrift niet +van Stratford heeft medegebracht, maar dat het stuk geschreven is, +nadat Sh. met de tooneelwereld bekend was geworden, is buiten allen +twijfel. Op zijn allervroegst kan het stuk dus in 1586 geschreven +zijn, doch waarschijnlijk is het eerst twee of drie jaar later gereed +gekomen. Met het oog op andere stukken zal het echter niet veel later +dan 1589 voltooid zijn, toen Shakespeare 25 jaar telde; veel vroeger +kan men het ook niet stellen, daar de dichter zich tooneelkennis +heeft moeten eigen maken. Men mag onderstellen, dat hij zich in het +landstadje Stratford door opmerkzaamheid de uitgebreide en nauwkeurige +kennis van dieren, planten en natuurverschijnselen heeft verworven, +waarvan zijn werken blijk geven, en verder slechts uit enkele boeken, +den bijbel b.v., Holinshed's kroniek, Ovidius' Metamorphosen [1], +zijn kennis verrijkt heeft, maar dat hij zijn bedrevenheid in de +letterkunde en in allerlei vakken van wetenschap, zijn inzicht in +maatschappelijke toestanden, zijn diepe menschenkennis vooral in Londen +heeft opgedaan. Daar, in de tooneelwereld verkeerende, kon hij eerst +tot het schrijven van een tooneelwerk komen, en geen wonder, dat de +jeugdige dichter een stof koos, die in overeenstemming was met den +smaak van het publiek en van zijn tijd. De fabelachtige geschiedenis +van Titus Andronicus was ongetwijfeld niet nieuw en waarschijnlijk +uit een novelle aan het publiek welbekend, want zulke verhalen, in +verzamelingen vereenigd, werden toen ter tijd vlijtig gelezen. Er is +ons geen novelle van Titus Andronicus bewaard gebleven, maar dat zij +bestaan moet hebben, blijkt uit de novellen-verzameling van _Painter_, +_The Palace of Pleasure_ geheeten; in het tweede deel er van, dat in +1567 het licht zag, wordt in het voorbijgaan van Titus en meer bepaald +van Tamora's wreedheid gewag gemaakt. Meer dan één voorbeeld kon aan +Shakespeare de overtuiging geven, dat deze stof hem een dankbaar +onderwerp zou wezen; met dergelijke toneelstukken was het publiek +hooglijk ingenomen. Een voorbeeld leveren ons twee stukken van den +boven reeds genoemden Thomas Kyd: deze trad in 1588 op met een stuk +_Hieronymo_ of _Jeronimo_, en eenigen tijd later met zijn Spaansche +Tragedie, ook genaamd _Hieronymo is mad again_, waarin Hieronymo dol +wordt om het verlies van zijn zoon. Dit laatste stuk vond toen ter +tijd een buitengewonen bijval en bleef, evenals de Titus Andronicus, +wel vijf en twintig of dertig jaar bij het publiek zeer geliefd, +zooals onder andere uit de ergernis van Ben Jonson blijkt.--Er is een +groote overeenkomst tusschen den Titus Andronicus en den Jeronimo; +in beide is de held een eerbiedwaardig grijsaard, die voor de groote +diensten, door hem bewezen, met de mishandeling en den moord der +zijnen beloond wordt, en die, om wraak te nemen op zijn belagers, +genoodzaakt is zich als een waanzinnige voor te doen. De slachting, +die in beide stukken aangericht wordt, is even groot; in beide blijven +er van de hoofdpersonen slechts weinigen in leven.--Wil men hier nader +van overtuigd worden, dan leze men slechts het slot van den Jeronimo, +een epiloog, die door een geest wordt uitgesproken: + + + "Ay, now my hopes have end in their effects, + When blood and sorrow finish my desires. + Horatio murdered in his father's bower; + Vile Serberine by Pedringano slain; + False Pedringano hang'd by quaint device; + Fair Isabella by herself misdone; + Prince Balthasar by Belimperia stabb'd; + The duke of Castille, and his wicked son, + Both done to death by old Hieronymo; + Then Belimperia fallen, as Dido fell; + And good Hieronymo slain by himself: + Ay, these were spectacles to please my soul." + + +Zulk een stuk geeft den Titus Andronicus niets toe in +bloederigheid. Het wordt bovendien nog opgeluisterd door een stomme +vertooning, een pantomime, _dumb show_, een vreemde toevoeging aan +een tooneelwerk, die toen zeer in zwang was; men vindt er gebruik +van gemaakt in den Pericles, en in het tooneelstuk, dat Hamlet ten +hove vertoonen laat. + +Met de zoo even genoemde Spaansche tragedie van Kyd hadden vele +toenmalige stukken overeenkomst, en Shakespeare schikte zich, bij het +schrijven van zijn eersteling, naar den geest van zijn tijd; en niet +alleen in de keuze van het onderwerp, maar ook in meerdere opzichten +treedt hij in de voetstappen zijner voorgangers. Reeds hieruit zou +kunnen blijken, dat de Titus Andronicus zijn eersteling was, doch +men wordt hier nader van overtuigd, als men opmerkt, dat de dichter +in den loop van het stuk vorderingen maakt, en dat het eerste bedrijf +verreweg het zwakste van alle is. Na den Titus Andronicus begaf zich +de dichter aan het schrijven van zijn Koning Hendrik VI, van welks +drie deelen ook weder het eerste zwakker is dan de beide volgende. Wel +volgde hij meer en meer zijn eigen weg en overtreffen zijn stukken +die zijner tijdgenooten verre, maar bij alle verschil is er toch +genoeg overeenkomst met de laatste op te merken, dat de in ellende +wegstervende dichter Robert Greene, die zijn eigen tooneelwerken +en die zijner vrienden reeds zag tanen voor Shakespeare's luister, +hem in 1592 niet geheel en al ten onrechte een "opkomeling" noemde, +"gesierd met onze vederen." Een nieuweling, die geen academische +opleiding genoten had, stond in kennis niet bij hen ten achteren, +behandelde dergelijke stoffen als zij, wist die met mythologische +bloempjes op te sieren, schreef verzen, die niet minder goed klonken +dan de hunne! Men zie hierover de aanteekeningen in het derde deel op +Koning Hendrik VI. Met Koning Richard III kan men rekenen, dat deze +eerste periode van Shakespeare's leven gesloten wordt, die, behalve +de genoemde stukken, nog enkele blijspelen, verscheidene sonnetten +en Venus en Adonis heeft opgeleverd. + +De overeenkomst, die zoo even werd toegegeven, is echter meer +schijnbaar dan wezenlijk, en bij nauwkeuriger toezien blijken de +verschillen zeer belangrijk te zijn. Dit gezegde vereischt een nadere +toelichting. Wanneer men den statigen gang der verzen, waarmede het +eerste bedrijf begint, nagaat, dan zou men meenen, dat de versbouw +van Marlowe wordt nagebootst, maar lezen wij verder, dan bemerken wij +weldra, dat de dichter zich geen boeien laat aanleggen, dat het hem +niet te doen is om de ooren zijner toehoorders met prachtig rollende +verzen te vullen, maar dat hij verscheidenheid brengt in de rusten, +het slepende einde der regels en zelfs afwijkingen van den gewonen +versbouw niet schuwt, kortom zijn stijl naar omstandigheden wijzigt. In +dit opzicht gaat hij niet alleen verder dan Marlowe, maar ook verder +dan Kyd, die wel is waar het majestueuze van Marlowe niet bereikt, +maar meer verscheidenheid in zijn regels wist te brengen. Er moge +nog aanmerkelijk verschil bestaan tusschen den versbouw van den +Titus Andronicus en van Shakespeare's latere stukken, wij kunnen +toch reeds hier het streven naar eenvoudigheid en natuurlijkheid in +de verzen ontdekken. + +Dit zelfde geldt, wanneer men op de geheele uiting der gedachten +let. Bij een stuk met een inhoud als Titus Andronicus moet de +verleiding voor een jong dichter, om de personen in matelooze +jammerklachten, in afgrijselijke wraakkreten te doen uitbarsten, zeer +sterk geweest zijn, vooral in een tijd, dat zulk een taal door anderen +gebezigd werd en blijkbaar in den smaak van het publiek viel. En toch, +de jeugdige Shakespeare nam een zekere matiging in acht. Men oordeele: +in een stuk, _Lust's dominion_ geheeten, dat wel eens, schoon ten +onrechte, aan Marlowe is toegeschreven, komt ook een Moor voor, daar +Eleazar geheeten; van dezen kan men zeggen, dat hij spreekt op de +manier van Koning Cambyses (I K. Hendrik IV, II. 4. 425). Eleazar zegt: + + + "Now, Tragedy, thou minion of the night, + Rhamnusia, play-fellow, to thee I'll sing + Upon a harp made of dead Spanish bones,-- + The proudest instrument the world affords-- + When thou in crimson jollity shall bathe + Thy limbs as black as mine, in springs of blood + Still gushing from the conduit-head of Spain. + To thee that never blushest, though thy cheeks + Are full of blood, O Saint Revenge, to thee + I consecrate my murders, all my stabs, + My bloody labours, tortures, stratagems, + The volume of all wounds that wound from me,-- + Mine is the stage, thine the tragedy." + + +Men vergelijke hiermede de uitingen van den Moor Aaron en men zal +Sh.'s streven naar eenvoud en natuurlijkheid erkennen. + +De matiging, waarvan Shakespeare blijk geeft, mag inderdaad op +prijs gesteld worden. Als Tamora's zoon Alerbus ter slachting +wordt weggeleid, hooren wij slechts een enkelen uitroep van Tamora +(I. 1. 130); als Titus zijn zoon Mucius in drift doorstoken heeft, +zijn de woorden van Lucius (I. 1. 292) zeer eenvoudig en gematigd; +hetzelfde moet gezegd worden van Lavinia's woorden tot Tamora +(II. 3. 136), van Marcus' klacht bij het ontmoeten van de geschonden +Lavinia (II. 4. 11. en volgg.). Als Titus' zoons ter dood geleid +zijn en zijn verminkte dochter Lavinia tot hem gebracht wordt, barst +hij uit in roerende jammerklachten, maar geen stroom van vloeken en +verwenschingen komt er uit zijn mond (III. 1. 91); ja dit gebeurt +zelfs niet, als hij zijn hand heeft opgeofferd om zijn zonen te +redden; dan roept hij uit (III. 1. 207): "O, hier hef ik deze eene +hand ten hemel" en zijn klacht is niet eens bovenmatig, maar wordt +toch, als te overdreven, door zijn broeder gegispt. Als dan zijn +zonen toch geslacht zijn en zijn jammer ten top is gevoerd, zegt hij +(III. 1. 267) eenvoudig: "Ik heb geen tranen meer te storten over" en +denkt eerst daarna aan wraak. Als Titus aan Tamora heeft medegedeeld, +aan welk een gruwelijk maal zij zich te goed heeft gedaan (V. 3. 60), +spaart de dichter ons de jammerkreten der rampzalige moeder; haar dood +volgt oogenblikkelijk, evenals die van Titus en van Saturninus; een +matiging, die men bij weinige dichters van zijn tijd zal aantreffen. + +Dat wij in Titus Andronicus het werk bezitten van een echten dichter, +blijkt bij het aandachtig lezen van het stuk telkens meer. De personen, +die er in optreden, zijn geen tooneelpoppen, aan welke woorden in +den mond worden gelegd, maar menschen van vleesch en bloed. Tamora +is door de vereeniging van een doordringend en vlug verstand, door +zelfbeheersching, heftige hartstochten en zedelijke verdorvenheid, +een opmerkelijke schepping; haar levendige verbeelding leent haar +bekoorlijkheid en uit haar mond vernemen wij echt dichterlijke taal; +men zie slechts II. 3. 10-29, en in hetzelfde tooneel reg. 93-104; +IV. 4. 81 en vlgg.; V. 1. 30 enz. Men ga verder het karakter en de +handelingen van den ouden Titus na; men overwege, hoe de dichter den +onmenschelijken duivel Aaron door een enkelen trek, de liefde voor zijn +basterdkind (zie IV. 2. 175), tot een mensch gemaakt heeft, zoodat zijn +straf er des te rechtvaardiger door wordt en belang stelling inboezemt; +men herleze de woorden, waarmede Lucius zijn zoon aanmaant, om de +nagedachtenis van den ouden Titus, van den beminnenden grootvader, in +eere te houden, V. 3. 160 enz.;--en men zal tot de overtuiging komen, +dat er geen redenen bestaan, om de meening te verdedigen, dat dit +stuk al te onvolkomen is om een werk van den jeugdigen Shakespeare te +kunnen wezen. Integendeel, een nauwkeurig onderzoek bevestigt veeleer +de juistheid der verklaring van Francis Meres. Het blijkt dan tevens, +dat dit treurspel een werk is uit één stuk, dat er geen enkele grond +bestaat om er twee handen in aan te nemen; het is niet een ouder arbeid +van een ander, waar Shakespeare eenige veranderingen in gemaakt heeft, +maar wel degelijk zijn eigen stuk, dat door geen ander dichter zoo zou +gemaakt zijn en waarin men den jeugdigen leeuw reeds aan zijn klauw +herkent; de onvolkomenheden, die men er in opmerkt, zijn geen andere, +dan men verwachten kan in het eerste werk van een jongen dichter, +die, hoezeer hij later alle andere moge overschaduwd hebben, toch +ook een kind van zijn tijd geweest is. + +Het behoeft ons, Nederlanders, niet moeilijk te vallen, de goede +eigenschappen van den Titus Andronicus te waardeeren. "In November +1641 werd in den schouwburg [te Amsterdam] een treurspel vertoond, +dat algemeen opzien wekte. Het stuk was getiteld: _Aran en Titus, of +Wraak en Weerwraak_. De dichter was een burgerjongen, een glazenmaker, +zonder eenige kennis der Grieksche of Latijnsche taal; zijn naam, +toen nog geheel onbekend, luidde Jan Vos. Professor Barlæus was zoo +met zijn werk ingenomen, dat hij hem gelijk stelde met Sofokles. Op +zijn aansporen gingen zijn vrienden het stuk zien: Hooft en Van der +Burgh stonden verbaasd, en Vondel verklaarde, dat de dichter een +genie was. Van Baerle zelf kon zich aan de tragedie niet zat zien: +hij ging zevenmaal achtereen zich daaraan vergasten. Hij was er +zoo vol van, dat hij er brieven over schreef aan zijn vrienden en +Huygens uitnoodigde over te komen om haar te bewonderen. De geheele +oudheid had volgens hem geen zoodanig treurspel aan te wijzen: het +wekte echt tragische aandoeningen op en was geschreven in de taal van +Hooft en Vondel. Eindelijk wijdde hij er een Hollandsch gedicht aan, +dat aldus eindigt: + + + Ik stae gelijk bedwelmt en overstolpt van geest, + De Schouwburg wort verzet, en schoeit op hooger leest. + Rijst Sophocles weer op? stampt Æschylus weer hier? + Of maekt Euripides dit ongewoon getier? + Neen, 't is een Ambachtsman, een ongelettert gast, + Die nu de gantsche rey van Helicon verrast, + Die noyt gezeten heeft aan Grieks of Roomsche disch, + Wijst nu de weerelt aan, wat dat een Treurspel is. + _Athenen_ las het spel, en sprak: ik schrijf niet meer; + Die ons door glas verlicht, verduystert al ons eer." [2] + + +Wanneer men in het eerste deel der gedichten van Jan Vos (Amsterdam +1862) den vrij uitvoerigen inhoud van den Aran en Titus leest, ziet +men onmiddellijk, dat het geheele beloop van het stuk, op enkele +kleinigheden na, evenzoo is als bij Sh.'s Titus Andronicus. Men zou +hieruit vermoeden, dat het stuk een eenigszins omgewerkte vertaling +is van het Engelsch origineel. Wanneer wij dan tot de lezing van +den Aran en Titus overgaan, blijkt ons echter, dat er veel grooter +verschil is, dan men naar de inhoudsopgave zou verwachten. Het stuk +is geen vertaling van Shakespeare's treurspel, maar toch heeft Jan +Vos dit gekend en nagevolgd, zoodat er hier en daar overeenstemmende +passages in voorkomen, niettegenstaande men er zeker van kan zijn, +dat Jan Vos geen enkele vreemde taal machtig was. De verklaring +hiervan is zeer eenvoudig. Tegen het einde der zestiende eeuw had +de tooneelkunst in Engeland een groote hoogte bereikt en was in +westelijk Europa, waar zij nog op een lagen trap stond, zeer goed +aangeschreven. Vandaar, dat Engelsche tooneelgezelschappen meermalen +ondernamen Nederland, Duitschland en Denemarken te bezoeken. Dat bij +deze reizende troepen zich juist de uitstekendste acteurs bevonden, +valt wel niet te denken; toch hadden zij veel toeloop. Telkens vindt +men van zulke gezelschappen gewag gemaakt; reeds in 1591 verschenen +zij in ons land, verder in 1597, 1604, 1605, 1607; tot 1629 kwamen +zij vrij geregeld en ook later nog, tot 1644 of 1645. Evenzoo werd +Duitschland bezocht, en daar is omstreeks 1600 de Titus Andronicus +door Engelsche komedianten opgevoerd. Een vrije proza-bewerking er +van bevindt zich in een bundel: "Englischen Komödien und Tragödien" +(die in 1620 het licht zag) en draagt den titel: "Eine sehr klägliche +Tragoedie von Tito Andronico und der hoffertigen Keyserin, darinnen +denkwürdige _actiones_ zu befinden"; zij is in Tieck's "Deutsches +Theater" (1817) en in Albert Cohn's "Shakspeare in Germany" (1865) +overgedrukt.--Daar Titus Andronicus onder de stukken behoorde, +die door reizende Engelsche tooneelgezelschappen vertoond werden, +zal ongetwijfeld door zulke voorstellingen Jan Vos er bekend mee +geworden zijn. Men wordt daarin bevestigd, als men opmerkt, dat +de Duitsche vrije bewerking in menig opzicht met den Aran en Titus +overeenkomst heeft, zoowel in wat uit Shakespeare is weggelaten als +in wat breeder is uitgewerkt, en dat beide als het ware wedijveren om +al wat naar karakterteekening zweemt, al wat fijn bedacht, liefelijk, +echt dichterlijk is bij Shakespeare, er uit te werken; in dit opzicht +steekt de Duitscher den Hollander de loef nog af. + +Als men in den Aran en Titus de verwijten van Titus' dochter aan +de overspelige Tamora, of liever het gekijf der twee wijven, leest, +als men Aran hoort stoffen op zijn misdaden, Tamora hoort weeklagen, +dat zij haar eigen zoons "zoo gierig" heeft "ingeslokt", als men +Titus hoort wenschen, dat hij Tamora's "darmen" mocht "ophasp'len op +zijn armen", als men de koren leest, die van Baerle nog wel als een +proefje aan Huygens zond om hem te doen watertanden, dan staat men +niet alleen verbaasd, dat een man als van Baerle dit kon bewonderen, +maar zal meer dan ooit gestemd zijn, om aan de dichterlijke waarde +van Shakespeare's Titus Andronicus volle recht te doen wedervaren +[3], al moet men toegeven, dat het in een geheel anderen geest dan +zijn overige stukken, in een vroegeren stijl geschreven is. + + + +I. 1. 8. [4] _Mijn voorrang_. In het Engelsch staat _age_, waarmede +Saturninus bedoelt, dat hij ouder is dan Bassianus en naar het +recht van eerstgeboorte den voorrang moet hebben.--Als Bassianus +zich, twee regels verder, Cæsars zoon noemt, bedenke men, dat alle +keizers den naam van Cæsar droegen; hij wil den weg naar het kapitool +bezet houden, opdat de Romeinen zich niet aan het eerstgeboorterecht +behoefden te onderwerpen, maar vrij konden kiezen; Bassianus meent +door zijn verdiensten meer aanspraak te hebben op den troon. + +I. 1. 77. _Gij groote schutsheer van dit kapitool._ Jupiter. + +I. 1. 88. _Aan den oever van den Styx._ Zoolang de lijken onbegraven +zijn, moeten de schimmen omdwalen bij den Styx zonder rust te vinden; +zie Homerus' Odyssea XI. 51. Het Latijn, dat volgt, _ad manes fratrum_, +aan de schimmen hunner broeders, is niet van het beste. + +I. 1. 136. _Die aan Hecuba._ In het Engelsch staat: de Koningin +van Troje, waarmede Hecuba gemeend is. Volgens den Griekschen +treurspeldichter Euripides had Priamus, Troje's val voorziende, zijn +jongen zoon Polydorus aan zijn gastvriend Polymestor, koning op de +Thracische Chersonesus (thans het schiereiland van Gallipoli of der +Dardanellen) met vele schatten toevertrouwd. Polymestor echter doodde +na Troje's val den jongeling en het lijk werd door Priamus' weduwe, +die als gevangene door de Grieken werd medegevoerd, op het strand +gevonden. De rampzalige moeder wist door list den moordenaar tot zich +te lokken en zij krabde hem, door de andere gevangen Trojaansche +vrouwen bijgestaan, de oogen uit. Ovidius verhaalt de geschiedenis +in zijn Gedaanteverwisselingen (XIII, 432 vgg.) en uit dezen dichter +zal zij aan Sh. bekend zijn geworden. + +I. 1. 177. _Daar zij 't geluk van Solon heeft erlangd._ Solon zeide +tot koning Croesus van Lydië, dat niemand voor zijn dood gelukkig te +noemen was. + +I. 1. 185. _Wees alzoo candidatus_, d. i. met de witte toga bekleed, +waarin zij zich wikkelden, die bij de overheid en het volk naar +openbare ambten dongen; het Latijnsche woord beteekent hier dus +kroonpretendent. De voorgangers van Sh. spreidden gaarne hun +geleerdheid ten toon en bezigden Latijnsche en zelfs Grieksche +woorden. [5] Sh. treedt hier in hun voetstappen en brengt later +(I. 1. 280) het zeggen "Suum cuique", "Aan ieder het zijne", te pas: +zoo wordt ook (I. 1. 325) het huwelijksfeest "Hymenæus" genoemd; +met die klassieke herinnering is weinig in overeenstemming, dat het +huwelijk in het Pantheon met gebruik van wijwater en waskaarsen (in +het oorspronkelijke staat _tapers_, de vertaling heeft _toortsen_) +gesloten wordt. + +I. 1. 380. _Laërtes' wijze zoon._ Ulysses. + +I. 1. 494. _Begroeten wij met hoorn en hond uw hoogheid._ In 't +Engelsch: _With horn and hound we'll give your grace bonjour._ Het +_bonjour_ is de morgengroet en opwekking ter jacht, veelal _hunts-up_ +geheeten. De jachthoorn is niet bijzonder antiek.--_Een dag van +verzoening_, wat voorafgaat, is in 't Engelsch _a loveday_, waarmee +een dag wordt aangeduid, voor het bijleggen van oneenigheden bepaald; +geestelijken waren dikwijls bemiddelaars; Chaucer zegt van een monnik: +"In lovedays there coude he mochel help." + +II. 1. 7. _Haar baan doorrent._ In het Engelsch wordt als baan de +Dierenriem, Zodiak, genoemd. + +II. 1. 37. _Nu kalm wat, kalm!_ In het Engelsch staat "_Clubs, clubs!_" +de gewone uitroep, om bij straatgevechten de handhavers der orde er +bij te roepen. Een paar regels later staat _dansrapier_; in Sh.'s +tijd werd er met een degen op zijde gedanst, vergelijk _Eind goed, +Al goed_, II. 1. 32. + +II. 1. 47. _Nabij des keizers slot._ Het was in de middeleeuwen streng +verboden, in of nabij het paleis van den vorst het zwaard te trekken. + +II. 1. 67. _Zoo de keizerin dien wanklank hoort._ In 't Engelsch: +_An should the empress know This discord's ground_; een woordspeling, +die ook in K. Richard III, III. 7. 49. voorkomt; _ground_ beteekent +zoowel "grond", "oorzaak", als "muzikaal thema"; bovendien beteekent +_discord_ zoowel "dissonant" als "tweedracht." Evenals hier vindt +men de beide beteekenissen te gelijk bedoeld in Troilus en Cressida, +I. 3. 110 en in Lucretia 1124. + +II. 1. 89. _Vulcanus' tooi._ Shakespeare maakt ook elders van Venus +en Mars gewag; men zie Antonius en Cleopatra, I. 5. 18 en Venus en +Adonis, 97. + +II. 1. 133. _Sit fas aut nefas_, "Zij het recht of onrecht", hij wil +en zal zijn doel bereiken, "al moest hij over den Styx en door de +schimmen heen." Het schijnt dat de Latijnsche uitdrukkingen aan de +treurspelen van Seneca ontleend zijn. + +II. 3. 22. _De vorst, die zwierf._ Natuurlijk wordt Æneas bedoeld, +die hier als een dolend ridder wordt voorgesteld. + +II. 3. 30. _Besture Venus uw begeerten_ enz. Aan de planeet Venus werd +een verhittende, aan Saturnus een bekoelende invloed toegeschreven +op wie onder haar gesternte geboren waren. + +II. 3. 43. _Waarop zijn Philomela tongloos wordt._ Lavinia wordt om +de verminking, die haar wacht, met Philomela vergeleken. Philomela +was de dochter van den Atheenschen koning Pandion, de zuster van +Procne. De laatstgenoemde was door haar vader uitgehuwlijkt aan +Tereus, een Thracischen koning in Daulis (Phocis) en had dezen een +zoon geschonken. Na eenigen tijd verlangde zij zeer, haar zuster +Philomela weer te zien; Tereus begaf zich naar Athene en wist Pandion +te overreden, dat zijn dochter Philomela een korte poos bij haar +zuster zou mogen vertoeven en daartoe met haar schoonbroeder Tereus +zou medegaan. Deze, reeds dadelijk voor Philomela ontvlamd, bracht, +in zijn land aangekomen, haar naar een eenzaam gelegen huis in een +dicht bosch, deed haar geweld aan en sneed, toen zij in haar wanhoop +hem dreigde zijn schendige daad te zullen openbaar maken, haar de tong +uit, opdat zij niets zou verraden; aan zijn vrouw, Procne, bracht +hij het valsche bericht van Philomela's dood. Na een jaar ongeveer +gelukte het Philomela, aan Procne haar lot te berichten; zij deed haar +namelijk een gewaad toekomen, waarin zij woorden geweven had, die het +gebeurde meldden. Procne maakte van een Bacchusfeest gebruik, om in +het bosch te zwerven, tot haar zuster door te dringen en deze mede te +nemen naar haar paleis. Om op Tereus wraak te nemen, doodde Procne, +door Philomela bijgestaan, haar zoon Itys, en zette dezen aan haar +echtgenoot als spijze voor. Onder het maal verlangde hij zijn zoon Itys +te zien; hierop meldde hem Procne, wat hij gegeten had; en onmiddellijk +daarna sprong Philomela te voorschijn, die hem Itys' bloedig hoofd +toonde. Toen hij nu de wegijlende zusters vervolgde, werden zij in +vogels veranderd, de eene in een nachtegaal, de ander in een zwaluw; +Tereus zelf werd een hop.--Zoo verhaalt Ovidius in het zesde boek +zijner Metamorphosen (reg. 484 en vgg.) de geschiedenis.--Shakespeare +gewaagt ook in zijn Cymbeline II. 2. 45 van Tereus en Philomela. + +II. 3. 62. _Actæon._ Deze was een kleinzoon van Cadmus, een beroemde +Thebaansche held en een bedreven jager; hij werd op de jacht in +het gebergte Cithæron door Diana in een hert veranderd en door zijn +vijftig honden verscheurd. Ovidius' Metamorph. III. 131 en vgg. + +II. 3. 72. _Uw donkere Kimmeriër._ De Kimmeriërs der fabel bewoonden +een land, waar duisternis heerschte, de historische Kimmeriërs de +Krim. De Moor Aaron heet hier Kimmeriër om zijn donkere kleur, niet +om zijn afkomst. + +II. 3. 107. _Een giftige ief._ De Ief of Taxisboom, vaak op kerkhoven +geplant, wordt meermalen als verderflijk en onheilbrengend aangehaald; +men zie: Koning Richard II, III. 2. 17. en Macbeth, IV. 1. 27. + +II. 3. 118. _Semiramis._ Semiramis, de koningin van het oude Assyrische +rijk, wordt als een monster van wellust en wreedheid hier aangehaald. + +II. 3. 231. _Zoo bleek scheen eens op Pyramus de maan._ De geschiedenis +van Pyramus en Thisbe is mede in Ovidius' Metamorphosen, IV. 55 vgg. te +vinden; zij speelt in Babylon. De ouders, die buren en vijanden waren, +wilden van een huwelijk niets weten. De gelieven spraken door een +spleet in den gemeenschappelijken muur af, dat zij 's nachts onder +een moerbezieboom zouden samenkomen. Thisbe was het eerst op de +afgesproken plaats, maar ontwaarde bij het maanlicht een leeuwin, +die juist een rund verslonden had en aan een naburig beekje haar +dorst kwam lesschen, nam de vlucht in een grot, maar verloor daarbij +haar mantel, die door de leeuwin stukgereten en met bloed bezoedeld +werd, waarna het dier weder in het bosch terugkeerde. Een oogenblik +later komt Pyramus, ziet met schrik de sporen van het roofdier, vindt +daarna den bebloeden mantel en steekt zich dood; Thisbe keert weldra +terug, om haar geliefde niet teleur te stellen, vindt zijn lijk en +drijft zich zijn zwaard in de borst, mede onder den moerbezieboom, +welks vruchten, overeenkomstig Thisbe's wensch, voortaan een donkere +bloedkleur hebben, ter herinnering aan dit treurig voorval. Shakespeare +heeft in den Midzomernachtdroom van deze geschiedenis een treffend +gebruik gemaakt en ook den Maneschijn niet vergeten. + +II. 4. 51. _Gelijk voor Orpheus' voeten Cerberus._ In 't Engelsch _As +Cerberus at the Thracian poet's feet_. Ook in den Midzomernachtdroom, +V. 1. 49. wordt Orpheus eenvoudig als _the Thracian singer_ +aangeduid. Toen zijn geliefde vrouw, Eurydice, door den beet van +een vergiftige slang gestorven was, daalde hij in de onderwereld af +en wist door zijn zang en snarenspel de Godin der Schimmen zoo te +betooveren, dat hij zijn vrouw weder naar boven mocht medenemen; zij +waren reeds de bovenwereld nabij, toen hij, tegen het verbod in, naar +haar omzag, zoodat hij haar weder, en nu voor goed, verloor. Ovidius' +Metamorph. X. 1. vgg. + +III. 1. 212. _Of wij ontglansen 't hemelwelf met zuchten._ De +gedachte, dat uit zuchten wolken gevormd worden, vindt men meermalen +bij Shakespeare uitgedrukt, b.v. Romeo en Julia, I. 1. 139. + +III. 1. 241. De tooneelaanwijzing "_Titus bezwijmt_" is door mij +ingevoegd, vgl. reg. 253. + +IV. 1. 12. _Cornelia las niet vlijtiger._ Cornelia, de moeder der +Gracchen, die als voortreffelijke opvoedster harer zonen bekend staat +(zie Cicero in zijn Brutus, 58. 211). Verder wordt hier Cicero's boek +over de welsprekendheid, _De oratore_, bedoeld. + +IV. 1. 20. _Dat Hecuba van Troje van kommer dol werd._ Zoo wordt Hecuba +ook in den Hamlet II. 2. 527. door een tooneelspeler voorgesteld; +zie ook Cymbeline, IV. 2. 313. + +IV. 1. 28. _Ben ik geheel en gaarne tot uw dienst._ Om zijn vroeger +wegloopen weer goed te maken, is de knaap vleiend beleefd jegens +Lavinia. In 't Engelsch: _I will most willingly attend your ladyship._ + +IV. 1. 81. _Magni_ enz. Deze Latijnsche klacht, dat de beheerscher +des hemels zoo traag is in het hooren en zien van misdaden, is, +eenigszins gewijzigd, uit Seneca's treurspel Hippolytus ontleend. + +IV. 1. 88. _Rome's Hector._ De Romeinsche Hector is de verbannen +Lucius, wiens hoop de jonge Lucius was, evenals Astyanax het was +van den Trojaanschen Hector.--De gade der onteerde kuische vrouw was +Lucretia's echtgenoot Collatinus; haar vader was Lucretius. + +IV. 2. 20. _Integer vitae_ enz. Daar de regels uit Horatius +(Od. I. 22. 1.) zeggen, dat de reine en schuldelooze geen +"Mauretaanschen" pijl en boog, met andere woorden, geen wapenen +behoeft, is door de toezending van wapenen uitgedrukt, dat Tamora's +zonen niet rein en schuldeloos zijn. Als de slimme Tamora niet juist +door de zwangerschap onwel was, zou haar de schranderheid van den vond +toelachen. Men merke op, dat het adjectivische _Mauris_ van Horatius +hier in _Mauri_, "van den Moor", veranderd is. + +IV. 2. 52. _Waar Aaron is, de Moor, doch ras!_ Men kan 't laatste ook +lezen: "Moord! och ras!" waarop dan Aarons zeggen: "moord en brand" +slaat. In 't Engelsch is de woordspeling tusschen _Moor_ en _more_. + +IV. 2. 93. _Niet Enceladus._ Een der Giganten, die met rotsblokken +den hemel bestormden; ook Typhon was een monster, dat bij den strijd +tegen den oppergod zich geducht maakte. Alcides is Hercules. + +IV. 2. 126. _Van den zeek'ren kant._ Van moeders zij. + +IV. 3. 4. _Terras Astræa reliquit._ Aanhaling uit Ovidius' +Metamorphosen I. 150. De Godin der Gerechtigheid, als hemelbewoonster +_Astroea_ genoemd, woonde in de gouden eeuw op aarde, maar "verliet +de aarde" in de koperen eeuw, het laatst van alle hemellingen.--Men +denke zich het plein, waar dit derde tooneel speelt, in de nabijheid +van het keizerlijk paleis. + +IV. 3. 80. _De galgemaker?_ In het Engelsch verstaat de Boer den +naam van Jupiter "Gibbeter", en vraagt daarom, of de "Gibbetmaker" +bedoeld is; een natuurlijk niet terug te geven woordspeling. + +IV. 3. 90. _Met eenige gratie._ In het Engelsch is hier een +woordspeling tusschen _grace_, "gratie", en _grace_, "gebed bij +'t eten". De boer zegt, dat hij 't laatste nooit heeft kunnen leeren. + +V. 1. 122. _Naar 't spreekwoord zegt._ Het spreekwoord is: _to blush +like a black dog_. + +V. 1. 145. _Omlaag weer met dien duivel._ Aaron heeft dus gesproken +van de ladder af, die hij reeds bestegen had om gehangen te worden. + +V. 2. 56. _Hyperion._ Helios, de Zonnegod. + +V. 2. 204. _En bloediger dan der Centauren feest._ In Ovidius +Metamorph. XII. 210 kon Shakespeare de beschrijving vinden van den +gruwelijken strijd, die, op de bruiloft van Pirithous tusschen de +Lapithen, tot wier volk de bruid behoorde, en de mede-uitgenoodigde +Centauren ontstond, en met de nederlaag der laatsten eindigde. + +V. 3. 36. _Virginius._ De vergelijking gaat eigenlijk niet door, +want Virginius doodde zijn dochter om haar onteering te voorkomen. + +V. 3. 80. _Als onze stamheer eens._ Ook in Julius Cæsar noemt +Shakespeare Æneas den stamheer der Romeinen.--In de Æneis van Vergilius +(IIde Boek) verhaalt Æneas aan Dido de overrompeling van Troje door de +Grieken, en vermeldt, hoe de Griek Sinon (Ald. reg. 79) de Trojanen +overhaalde het verderfelijke paard binnen hun muren te halen. Ook +in 3 Hendrik VI, III. 2. 190. en in Cymbeline III. 4. 61 wordt Sinon +vermeld; evenzoo in Lucretia 1521. + + + + + + + + + + + + + + +NOOTEN + + +[1] Blijkbaar waren Ovidius' Metamorphosen aan Sh. goed bekend; +niet alleen de Titus Andronicus, maar verscheiden stukken van hem +kunnen het getuigen. Ook andere gedichten van Ovidius, de _Amores_ +(zie het Motto van Venus en Adonis) en de _Heroides_, (zie 3 +Hendrik VI, I. 3. 48) waren hem niet vreemd. De Metamorphosen +(Gedaanteverwisselingen of Herscheppingen) waren reeds in Sh.'s +tijd door Golding in het Engelsch vertaald. Dat Sh. deze vertaling +kende, is wel aan te nemen; maar hij kan Ovidius zeer wel in het +oorspronkelijke gelezen hebben; hij had op de school te Stratford +Latijn geleerd en naar allen schijn met vrucht.--In de Bodley'sche +bibliotheek te Oxford berust een kleine uitgave der Metamorphosen: +"Ovidii Metamorphoseon Libri quindecim", gedrukt bij Aldus in Venetië, +in October 1502; op den titel staat geschreven: Wm. Shr. en op het +schutblad de vermelding, geschreven in 1682 door T. N. (Nash?), dat hij +dit kleine boek gekregen had van "W. Hall, die zeide, dat het eens aan +Will. Shakspere had toebehoord." Er is geen beslissende reden om de +echtheid der schrifturen te betwisten of te betwijfelen; de verkorte +naamteekening op den titel kan zeer wel van onzen dichter zelf zijn. + +[2] Met deze woorden begint Dr. W. J. A. Jonckbloet in zijne +_Geschiedenis der Nederl. Letterkunde_ (Tweede druk, II. blz. 165) +zijn hoofdstuk over Jan Vos. + +[3] Wie, zonder het stuk van Jan Vos geheel te doorworstelen, er een +goed denkbeeld van wil krijgen, leze de voorlezing: "Shakespeare's +invloed op het Nederlandsen tooneel der zeventiende eeuw", van +Prof. Moltzer (1874), die ook duidelijk in het licht gesteld heeft, +dat Vos den Titus Andronicus door de vertooningen der Engelsche +komedianten heeft leeren kennen. + +[4] De cijfers aan het hoofd der bladzijden zijn dezelfde, waarmede +in de uitmuntende, door de uitgevers van den "Cambridge Shakespeare" +bezorgde, en weinig kostbare _Globe Edition: The works of William +Shakespeare_ (London, Macmillan and Co.), de eerste regel der bladzijde +is aangewezen. Genoemde uitgave wordt tegenwoordig vrij algemeen bij +aanhalingen gebezigd. Daar niet dan uiterst zelden de Nederlandsche +vertaling een versregel meer bevat dan het oorspronkelijke, kon +de nommering overgenomen worden, waardoor zoowel vergelijking met +het oorspronkelijke, als het doen van aanhalingen of verwijzingen +gemakkelijker worden. + +[5] Een merkwaardig staaltje levert Marlowe in de eerste alleenspraak +van Faustus in "The tragical History of Doctor Faustus." Er komen +verscheiden Latijnsche gezegden in voor en de Philosophie wordt in +de eerste uitgave er (I. 1. 12) aangeduid met _Oncoemion_, dat door +de latere uitgevers, die 't woord niet verstonden, veranderd is in +_Economy_; het woord is gebleken gemaakt te zijn uit de Grieksche +woorden "on kai mè on", "zijnde en niet zijnde", zoodat Faustus zegt: +"Vaarwel, zijn-en-niet-zijn"! + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Titus Andronicus, by William Shakespeare + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK TITUS ANDRONICUS *** + +***** This file should be named 23676-8.txt or 23676-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/2/3/6/7/23676/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
