summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/23676-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '23676-8.txt')
-rw-r--r--23676-8.txt4737
1 files changed, 4737 insertions, 0 deletions
diff --git a/23676-8.txt b/23676-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..779f0ef
--- /dev/null
+++ b/23676-8.txt
@@ -0,0 +1,4737 @@
+The Project Gutenberg EBook of Titus Andronicus, by William Shakespeare
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Titus Andronicus
+
+Author: William Shakespeare
+
+Translator: L.A.J. Burgersdijk
+
+Release Date: December 2, 2007 [EBook #23676]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK TITUS ANDRONICUS ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+TITUS ANDRONICUS.
+
+
+PERSONEN:
+
+
+ Saturninus, zoon van den overleden Keizer van Rome, later zelf Keizer.
+ Bassianus, zijn broeder.
+ Titus Andronicus, een Romeinsch Edelman en Veldheer.
+ Marcus Andronicus, Volkstribuun en broeder van Titus.
+ Zonen van Titus.
+ Lucius,
+ Quintus,
+ Marcius,
+ Mucius,
+ De jonge Lucius, een knaap, zoon van Lucius.
+ Publius, zoon van Marcus Andronicus.
+ Æmilius, een Romeinsch Edelman.
+ Zonen van Tamora.
+ Alerbus,
+ Demetrius,
+ Chiron,
+ Aaron, een Moor.
+ Een Hopman, een Tribuun, een Bode, een Boer.
+ Romeinen en Gothen.
+ Tamora, koningin der Gothen.
+ Lavinia, dochter van Titus Andronicus.
+ Een Voedster, met een zwart Kind.
+ Bloedverwanten van Titus, Senatoren, Tribunen, Officieren, Soldaten
+ en Gevolg.
+
+
+Het tooneel is in Rome en in de omstreken.
+
+
+
+
+
+EERSTE BEDRIJF.
+
+EERSTE TOONEEL.
+
+
+Rome. Voor het Kapitool.
+
+Trompetgeschal. De Tribunen en Senatoren verschijnen boven, op het
+Kapitool; beneden komen op, van de eene zijde, Saturninus en zijn
+Aanhangers, van de andere, Bassianus en zijn Aanhangers, beiden
+met trommen en vaandels.
+
+SATURNINUS. Eed'le Patriciërs, hoeders van mijn recht,
+Verdedigt met de waap'nen mijne zaak;
+En medeburgers, volgers, echt en trouw,
+Bepleit mijn erflijke aanspraak met uw zwaarden.
+'k Ben de eerstgeboren zoon van hem, die 't laatst
+Den Keizersdiadeem van Rome droeg;
+Laat dus mijns vaders eer in mij herleven,
+En krenkt mijn voorrang niet door dezen hoon.
+
+BASSIANUS. Romeinen, volgers, vrienden van mijn recht,
+Vond ooit uw Bassianus, Cæsars zoon,
+Genade in de oogen van het vorst'lijk Rome,
+Zoo houdt den weg naar 't Kapitool bezet;
+En duldt niet, dat onwaardigheid den zetel
+Des keizers nader', die aan kloekheid, recht,
+Gematigdheid en adel is gewijd;
+Maar laat verdienste schitt'ren door uw oordeel,
+En vecht, Romeinen, voor uw vrije keus.
+
+(Marcus Andronicus verschijnt, boven, op het Kapitool, met de kroon
+in handen.)
+
+MARCUS. Gij prinsen, die door vrienden en partijen
+Eerzuchtig kampt om troon en heerschappij,
+Weet, dat het volk van Rome, hier door ons
+Als stand vertegenwoordigd, voor 't bezetten
+Van Rome's keizerszetel, Andronicus,
+Pius genaamd, eenstemmig heeft verkoren,
+Ter wille van zijn vele en groote diensten;
+Een eed'ler man, een kloeker krijgsheld leeft
+In de' omtrek van Oud-Rome's wallen niet.
+Van 't krijgen tegen de barbaarsche Gothen
+Werd hij door den senaat terugontboden,
+Die, met zijn zoons des vijands schrik, een volk
+Sterk, in den strijd gehard, heeft onderworpen.
+Tien jaren zijn het, sinds hij Rome's zaak
+Gediend en onzer tegenstanders trots
+Gestraft heeft met het zwaard, en vijfmaal keerde
+Hij bloedend weer en droeg zijn dapp're zoons
+Op baren van het veld;
+Nu eind'lijk keert, met eerebuit beladen,
+De wakkere Andronicus weer naar Rome,
+Titus, befaamd, met wapenroem gekroond.
+Wij vragen dus,--bij de eer des naams van hem,
+Dien gij recht waardig opgevolgd wilt hebben,
+En krachtens 't Kapitool en den Senaat,
+Door u, naar gij betuigt, vereerd, aanbeden,--
+Dat gij teruggaat met uw macht, uw volgers
+Ontslaat, en, als verzoekers past, in vrede
+En need'rig uw verdiensten spreken laat.
+
+SATURNINUS. Hoe fraai maant die tribuun mijn geest tot kalmte!
+
+BASSIANUS. 'k Voed, Marcus Andronicus, zulk vertrouwen
+Op uw rechtschapenheid en goede trouw,
+En zoo bemin en eer ik u en de uwen,
+En haar, voogdesse van mijn gansche ziel,
+Lavinia, 't schoonst en rijkst juweel van Rome,
+Dat ik mijn lieve vrienden hier ontsla,
+En aan de gunst van 't volk en van 't geluk
+Mijn zaak ter juiste weging overlaat.
+
+(De Volgelingen van Bassianus af.)
+
+SATURNINUS. Mijn vrienden, die mijn recht zoo ijv'rig voorstondt,
+Ik dank u allen en ontsla u hier,
+En laat mij en mijn zaak dus aan de gunst
+En liefde van mijn vaderland thans over.
+
+(De Volgelingen van Saturninus af.)
+
+Wees, Rome, zoo gerecht en goed voor mij,
+Als ik op u vertrouw en u bemin.--
+Ontsluit de poort en laat mij binnen.
+
+BASSIANUS. Mij armen mededinger, ook, tribunen.
+
+(Saturninus en Bassianus bestijgen het Kapitool.)
+
+(Een Hopman komt op, met eenige Anderen.)
+
+HOPMAN. Romeinen, plaats! De wakkere Andronicus,
+Patroon der deugd, en Rome's beste strijder,
+Voorspoedig in de slagen, die hij levert,
+Is in geluk en eer gekeerd van daar,
+Waar hij de fierste vijanden van Rome
+Tot wijken dwong en onder 't juk hen bracht.
+
+(Tromgeroffel en trompetgeschal. Twee van Titus' Zoons komen op,
+daarna twee Mannen, die een zwart overdekte lijkbaar dragen; vervolgens
+twee andere Zoons; hen volgt Titus Andronicus; achter dezen komen
+Tamora, alsmede Alerbus, Chiron, Demetrius, Aaron en andere Gothen,
+als gevangenen; gevolgd van Krijgslieden en Volk. De Dragers zetten
+de lijkbaar neder, en Titus spreekt.)
+
+TITUS. Heil, Rome, zeeg'rijk in uw treurgewaad!
+Zooals de bark, na wel ontladen vracht,
+Met kostb're lading weêrkeert tot de baai,
+Waar ze in den aanvang 't anker heeft gelicht,
+Komt Andronicus, met laurier gekroond,
+Het vaderland weer groeten met zijn tranen,
+Met vreugdetranen om zijn wederkomst.
+Gij, groote schutsheer van dit kapitool,
+Blik gunstig op deez' plechtige uitvaart neer!
+Aan vijf en twintig dapp're zoons, Romeinen,
+Van half zooveel als Priamus bezat,
+Ziet hier, al wat mij dood of levend bleef.
+Dat Rome hen, die leven, loon' met liefde,
+En hen, die 'k naar hun laatste woning breng,
+Met eeuw'ge ruste bij hun voorgeslacht.
+De Goth vergunt mij 't zwaard hier op te steken.
+Gij wreev'le Titus, die uw stam vergeet,
+Wat laat ge uw zoons nog onbegraven waren
+Aan 't schrikk'lijk strand, aan de' oever van den Styx?
+Maakt plaats, dat ik hen bij hun broeders legg'.
+
+(Het grafgewelf wordt geopend.)
+
+Groet daar elkander stil, als dooden doen,
+En slaapt in vreê, gij voor uw land gevall'nen!
+O heilige bewaarplaats mijner vreugd,
+Gij stil verblijf van adeldom en deugd,
+Met hoeveel zoons van mij zijt gij gelaân,
+Om nimmer één er van weer af te staan!
+
+LUCIUS. Geef ons der Gothen hoogsten krijgsgevang'ne,
+Opdat wij stuk hem houwen en zijn vleesch
+Ad manes fratrum op een houtmijt off'ren,
+Hier voor den aardschen kerker hunner beend'ren,
+Opdat hun schimmen zijn verzoend en ons
+Op aard door geen verschijningen verschrikken.
+
+TITUS. Ik geef hem u, den edelsten, die leeft,
+Den oudsten zoon der droeve koningin hier.
+
+TAMORA. Laat af, Romeinsche broeders!--Eed'le Titus,
+Grootmoedig overwinnaar, zie mijn tranen,
+De tranen eener moeder voor haar zoon;
+En waren uwe zonen u ooit dierbaar,
+Zoo dierbaar is, bedenk dit, mij mijn zoon.
+Is 't niet genoeg, dat men naar Rome ons voerde
+Tot siering van uw weêrkomst en triumf,
+U en 't Romeinsche dwangjuk onderworpen;
+Wordt in uw straten nu mijn kroost geslacht,
+Omdat het voor zijn land zich dapper kweet?
+O, was de kloeke strijd voor staat en koning
+Voor de uwen plicht, hij is 't voor dezen ook.
+Rein, Andronicus, blijve uw graf van bloed;
+Wilt gij in aard den goden nader komen,
+Zoo kom hun nader in barmhartigheid;
+Want deernis is des adels echtste merk;
+Hoogeed'le Titus, spaar mijn eerstgeboor'ne!
+
+TITUS. Word kalm, vorstin, en schenk mij uw vergiff'nis.
+Zij zijn van hen de broeders, die gij, Gothen,
+In leven zaagt en dood; zij eischen vroom
+Zoenoffers voor hun pas verslagen broeders:
+Daarom wordt deze uw zoon bestemd ter dood,
+Om der gevall'nen schimmen te verzoenen.
+
+LUCIUS. Weg met hem! steekt terstond een vuur aan; laat ons
+Met onze zwaarden op de houtmijt hem
+Stuk houwen, en tot asch zij hij verteerd!
+
+(Lucius, Quintus, Marcius en Mucius met Alerbus af.)
+
+TAMORA. O wreede, onheil'ge vroomheid!
+
+CHIRON. Was ooit ons Scythië half slechts zoo barbaarsch?
+
+DEMETRIUS. Noem Scythië bij 't eerzuchtig Rome niet.
+Alerbus gaat ter rust; wij leven voort
+Om onder Titus' norschen blik te sidd'ren.
+Blijf kalm, vorstin, en voed de hoop, dat later
+Dezelfde goden, die aan Hecuba
+Den Thracischen tyran eens overgaven,
+Dat in zijn tent haar scherpe wraak hem trof,
+Ook Tamora, de koningin der Gothen,--
+Toen Gothen Gothen waren, zij vorstin,--
+Wraak gunnen voor des vijands dorst naar bloed.
+
+(Lucius, Quintus, Marcius en Mucius komen weder op, met bebloede
+zwaarden.)
+
+LUCIUS. Zie, heer en vader, Rome's plechtigheden
+Naar eisch volvoerd. Alerbus is geslacht;
+Zijn ingewanden voeden 't offervuur;
+De rook doortrekt, als wierook, reeds de lucht.
+'t Begraven onzer broeders bleef slechts over,
+Die luide in Rome een strijdroep welkom heet'!
+
+TITUS. Zoo zij het, en dat Andronicus dan
+Zijn laatst vaarwel aan hunne zielen richte!
+
+(Trompetgeschal; de baar wordt in het grafgewelf geplaatst.)
+
+Rust hier in eer en vrede, mijne zonen;
+Gij Rome's kloekste kampers, rust hier zacht,
+Voor 's werelds wisseling en rampen veilig;
+Hier loert geen vuig verraad, hier zwelt geen nijd;
+Hier groeit geen boos vergif; hier zijn geen stormen,
+Geen luid geraas, slechts stilte en eeuw'ge slaap,
+Rust hier in eer en vrede, dierb're zoons!
+
+(Lavinia komt op.)
+
+LAVINIA. In eer en vrede leve Titus lang;
+Mijn eed'le heer en vader, leef in roem!
+Zie, op dit graf kom ik mijn tol van tranen
+Ter plechtige uitvaart mijner broeders brengen;
+En pleng op de aarde, knielend aan uw voet,
+Mijn vreugdetranen om uw wederkomst.
+O zegen mij met uw zeeghafte hand,
+Gij, toegejuicht door Rome's beste burgers!
+
+TITUS. Dank, Rome, gij hebt liefdrijk mij den troost
+Mijns ouderdoms behoed, mijn hart verblijd!--
+Lavinia, leef; en overleve uw deugd
+Uw vader, al zijn roem, in eeuw'ge jeugd!
+
+(Marcus Andronicus, Saturninus, Bassianus en Anderen komen beneden
+op.)
+
+MARCUS. Lang leve Titus, mijn geliefde broeder,
+Wiens zegepraal nu Rome's oogen streelt!
+
+TITUS. Heb dank, tribuun; dank, eed'le broeder Marcus!
+
+MARCUS. En welkom, neven, na zeeghaften strijd,
+Zoo gij, die leeft, als gij, die slaapt in roem.
+Gij, eed'le jong'ren, die voor 't vaderland
+Het zwaard toogt,--zij u aller heil gelijk!
+Toch is deze uitvaart zekerder triumf,
+Daar zij 't geluk van Solon heeft erlangd
+En over alle wiss'ling triumfeert
+In 't bed der eere.--Titus Andronicus,
+'t Romeinsche volk, welks echte en rechte vriend
+Gij steeds geweest zijt, zendt u hier door mij,
+Die als tribuun uit aller naam u toespreek,
+Dit opperkleed van vlekk'loos witte kleur,
+En kiest u, dat gij dingt naar 't keizerschap,
+Met dezen, zoons van de overleden keizer.
+Wees alzoo candidatus, sla dit om,
+En schenk aan 't hoofdloos Rome weer een hoofd.
+
+TITUS. Een beter hoofd past Rome's roemrijk lijf
+Dan dit, dat trilt van ouderdom en zwakte.
+Zou ik dien mantel omslaan en u kwellen?
+Vandaag gekozen, uitgeroepen worden,
+Om morgen staf en leven neer te leggen
+En u op nieuw met moeite te beladen?--
+'k Was, Rome, veertig jaren lang uw krijger,
+'k Heb met geluk 's lands krachten aangevoerd,
+En een en twintig dapp're zoons begraven,
+In 't veld geridderd, in den strijd gesneefd
+Voor 't recht en 't welzijn van hun edel land.
+Reik aan mijn ouderdom een eerestaf,
+Geen scepter om de wereld te regeeren;
+Die 't laatst hem voerde, mannen, hield hem hoog.
+
+MARCUS. Titus, het rijk is u, zoodra gij 't vraagt.
+
+SATURNINUS. Eerzuchtige tribuun, kunt gij dit zeggen?
+
+TITUS. Kalm, Saturninus!
+
+SATURNINUS. Doet mij recht, Romeinen!--
+Patriciërs, 't zwaard ontbloot en niet geborgen,
+Eer Saturninus Rome's keizer is.--
+O, voert gij, Andronicus, eer ter helle,
+Dan dat ge mij de harten steelt van 't volk!
+
+LUCIUS. Gij, trotsche Saturninus, stremt het heil,
+Dat Titus' edelaardigheid u toedenkt.
+
+TITUS. Wees kalm, mijn prins; de harten van het volk
+Geef ik u weer en speen die van hun lust.
+
+BASSIANUS. Ik, Andronicus, vlei u niet, maar eer u,
+En zal dit doen, zoolang ik leven heb.
+Versterkt gij mijnen aanhang met uw vrienden,
+Ik zal recht dankbaar zijn; en dank is mannen
+Van eed'le denkwijs steeds een eervol loon.
+
+TITUS. Gij volk van Rome en eed'le volkstribunen,
+Ik vraag uw stemmen voor de keizerskeus;
+Wilt gij die vriendlijk Andronicus schenken?
+
+TRIBUNEN. Om de' eed'len Andronicus te verheugen
+En zijn behouden wederkomst te vieren,
+Neemt Rome's volk hem aan, dien hij verkiest.
+
+TITUS. Heb dank, tribunen; dit is mijn verzoek,
+Dat gij uws keizers oudsten zoon benoemt,
+Prins Saturninus; want ik hoop, zijn deugden
+Verlichten Rome, als Titans stralen de aard,
+En doen in dezen staat het recht gedijen.
+Dus, wilt ge kiezen zooals ik u raad,
+Kroont hem, en roept nu: "Lang leve onze keizer!"
+
+MARCUS. Met aller standen bijvalsroep en stem
+Benoemen wij, Patriciërs en Plebejers,
+Prins Saturninus hier tot Rome's keizer;
+Dus: "Lang leve onze keizer Saturninus!"
+
+(Langdurig trompetgeschal.)
+
+SATURNINUS. Voor al uw gunsten, Titus Andronicus,
+Ons heden bij de keizerskeus betoond,
+Wijd ik naar uw verdienste u dank, en wil
+Met daden uwe vriend'lijkheid beloonen;
+En, Titus, om, als eerste gunst, uw naam
+En hoogvereerd geslacht nu te verhoogen,
+Worde uw Lavinia mijne keizerin,
+Beheerscheres van Rome en van mijn hart,
+En huwe ik haar in 't heilig Pantheon.
+Behaagt u, Andronicus, deze voorslag?
+
+TITUS. Ja, waardig vorst; en met dit echtverbond
+Acht ik mij hoog vereerd door uw genade,
+En wijd hier--Rome ziet het--Saturninus,
+Den koning en gebieder onzes staats,
+Der wijde wereld keizer, toe, wat mijn is,
+Mijn zwaard, mijn zegewagen, mijn gevang'nen;
+Geschenken, Rome's hoogen heer volwaardig;
+Aanvaard ze, als schatting, die ik schuldig ben,
+Mijn eereteek'nen, aan uw voet gevlijd!
+
+SATURNINUS. Dank, eed'le Titus, vader van mijn leven!
+Hoe trotsch ik ben op u en op uw gaven,
+Zal Rome tuigen; en vergeet ik ooit
+Den minsten dezer nooit volprezen diensten,
+Vergeet dan, Rome, uw eed van trouw aan mij!
+
+TITUS (tot Tamora). Gevang'ne zijt gij thans, vorstin, eens keizers,
+Eens mans, die om uw rang en waardigheid
+U en al de uwen edel zal behand'len.
+
+SATURNINUS. Een schoone vrouw, en van de kleur, die mij
+Haar kiezen deed, stond weer de keus mij vrij!--
+Verdrijf, vorstin, die wolk van uw gelaat;
+Wat wiss'ling u het lot des oorlogs bracht,
+Uw komst in Rome brengt u hoon noch spot;
+Neen, als vorstin zult ge u bejegend zien.
+Vertrouw mijn woord, en geen mismoedigheid
+Verschrikke uw hoop; die thans u troost, kan grooter
+U maken, dan gij bij de Gothen waart.--
+Lavinia, u mishaagt niet, wat ik zeg?
+
+LAVINIA. Neen, zeker niet; uw edel, groot gemoed
+IJkt, wat gij vorstlijk gunstig uit, als goed.
+
+SATURNINUS. Lavinia, dank!--Romeinen, laat ons gaan.
+Vrij zijn de krijgsgevang'nen, zonder losgeld.
+Verkondigt plechtig onze waardigheid.
+
+BASSIANUS (Lavinia aangrijpend). Titus, vergun mij,--deze maagd
+is mijn.
+
+TITUS. Wat, is dit inderdaad u ernst, mijn prins?
+
+BASSIANUS. Ja, eed'le Titus; vast ben ik besloten,
+Mijn aanspraak en mijn recht met kracht te staven.
+
+MARCUS. Het suum cuique geldt in Rome als recht;
+De prins neemt niets, dan wat naar recht het zijne is.
+
+LUCIUS. En wil en zal dit, zoolang Lucius leeft.
+
+TITUS. Verraders, weg! Waar is des keizers wacht?
+Verraad, mijn vorst! Lavinia wordt geroofd!
+
+SATURNINUS. Geroofd! door wien?
+
+BASSIANUS. Door hem, die stout en luid
+Haar opeischt, neemt, als zijn verloofde bruid.
+
+(Marcus en Bassianus met Lavinia af.)
+
+MUCIUS. Mijn broeders, helpt om haar van hier te voeren,
+En ik bewaak de deur hier met mijn zwaard.
+
+(Lucius, Quintus en Marcius af.)
+
+TITUS. Volg mij, mijn vorst, ik breng welras haar weer.
+
+MUCIUS. Neen, 'k laat niet door.
+
+TITUS. Wat, drieste knaap! verspert gij
+In Rome mij den weg?
+
+MUCIUS. Help, Lucius, help!
+
+(Titus doodt Mucius.)
+
+(Lucius komt weder op.)
+
+LUCIUS. Heer, onrechtvaardig zijt ge en meer dan dat;
+In blinden, boozen strijd versloegt ge uw zoon.
+
+TITUS. Noch hem, noch u erken ik als mijn zoon;
+Geen zoon van mij hadde ooit mij zoo onteerd.
+Schurk, geef den keizer fluks Lavinia weer.
+
+LUCIUS. Dood, zoo gij wilt; niet om zijn vrouw te zijn;
+Zij is verloofd, echt, wettig, met een ander.
+
+(Lucius af.)
+
+SATURNINUS. De keizer, Titus, neen! behoeft haar niet,
+Noch haar, noch u, noch iemand van uw stam;
+Die eens mij hoont, hem zal ik soms vertrouwen,
+U nimmer, noch uw valsche trotsche zoons,
+Verbonden allen tot mijn schande en oneer.
+Kon niemand hier in Rome een speelbal zijn
+Dan Saturninus? Waarlijk, Andronicus,
+Goed strookt dit doen met uw gepoch, dat ik
+Het keizerschap aan u heb afgebedeld.
+
+TITUS. Ontzettend! welk een grof verwijt is dit?
+
+SATURNINUS. Maar ga vrij voort; geef 't wankelmoedig ding
+Aan hem, die daar zijn zwaard voor haar gezwaaid heeft.
+Een dapp're schoonzoon valt u zoo ten deel,
+Juist goed, om, met uw drieste zoons verbonden,
+Beroerders van 't Romeinsch gebied te zijn.
+
+TITUS. Elk woord vlijmt als een dolk mijn bloedend hart.
+
+SATURNINUS. Dies, schoone Tamora, vorstin der Gothen,
+Die, als de kuische Phoebe hare nymfen,
+Al Rome's schoonste vrouwen overstraalt,--
+Zie, als mijn rasse keus u kan behagen,
+Verkies ik, Tamora, u tot mijn bruid,
+En maak terstond u keizerin van Rome.
+Spreek, juicht gij, koningin der Gothen, toe?
+Bij alle goden zweer ik hier van Rome,--
+Ziet, priesters zijn nabij, 't gewijde water,
+De toortsen, die hel vlammen; alles staat
+Bereid ter viering van den hymenæus,--
+'k Zweer, dat ik Rome's straten niet weer groet,
+Niet opklim naar mijn keizerlijk paleis,
+Eer ik mijn bruid, gehuwd, van hier geleid.
+
+TAMORA. En hier voor 's hemels aanschijn, zweer ik Rome:
+Kiest Saturninus de vorstin der Gothen,
+Een dienstmaagd zal zij voor zijn wenschen zijn,
+Een teed're voedster, moeder zijner jeugd.
+
+SATURNINUS. Bestijg het Pantheon, vorstin!--Romeinen,
+Verzelt uw keizer en zijn lieve bruid,
+Een gave aan Saturninus van den hemel,
+Wiens wijs bestuur het noodlot heeft verkeerd.
+Dáár zij het huw'lijk plechtig ingezegend.
+
+(Saturninus met zijn Gevolg, Tamora en haar Zoons, Aaron en de
+Gothen af.)
+
+TITUS. Mij noodt men niet om deze bruid te volgen.
+Titus, wanneer placht gij alleen te gaan,
+Aldus onteerd, met krenkingen getergd?
+
+(Marcus, Lucius, Quintus en Marcius komen weder op.)
+
+MARCUS. O Titus, zie! zie, wat gij hebt gedaan!
+Een braven zoon gedood in boozen waan!
+
+TITUS. Neen, dwaas tribuun; neen, hij was niet van mij,
+Noch gij, noch dezen, tot een daad verbonden,
+Waar ons geheel geslacht door is onteerd;
+Onwaardig broeder, en onwaardig kroost!
+
+LUCIUS. Doch laat ons hem begraven zooals past
+Zij bij zijn broeders Mucius nu begraven.
+
+TITUS. Verraders, weg! hij komt niet in dit graf.
+Vijf eeuwen heeft dit monument gestaan,
+Dat ik met groote kosten heb herbouwd;
+Hier rusten eervol krijgers, Rome's dienaars,
+Maar niemand, die in booze twisten viel.
+Begraaft hem waar gij wilt, hier komt hij niet.
+
+MARCUS. Dit, broeder, strijdt met wat de vroomheid eischt,
+Want Mucius' daden pleiten luid voor hem.
+Hij moet begraven worden bij zijn broeders.
+
+QUINTUS, MARCIUS. En zal het ook, of wij, wij volgen hem.
+
+TITUS. En zal het! welke booswicht sprak dit woord?
+
+QUINTUS. Hij, die het overal, slechts hier niet, staaft.
+
+TITUS. Wat! zoudt gij hem begraven en mij trotsen?
+
+MARCUS. Neen, eed'le Titus, slechts u bidden, dat
+Gij Mucius wilt vergeven, hem begraven.
+
+TITUS. Marcus, gij hebt mij op den helm geslagen
+En met die knapen in mijn eer gewond;
+En elk van u acht ik mijn vijand thans.
+Zoo kwelt mij dus niet langer, maar gaat heen.
+
+MARCUS. Hij is zichzelf thans niet, komt, laat ons gaan.
+
+QUINTUS. Ik niet, eer Mucius' lijk begraven is.
+
+(Marcus en Titus' zonen knielen neder.)
+
+MARCUS. Broeder, want in dien naam pleit de natuur,--
+
+QUINTUS. Vader, want in dien naam spreekt de natuur,--
+
+TITUS. Spreek gij niet meer; dit kan al de and'ren helpen.
+
+MARCUS. Titus, gij meer dan mijner ziele helft,--
+
+LUCIUS. Mijn vader, gij, ons aller ziel en wezen,--
+
+MARCUS. O, gun uw broeder Marcus, dat hij hier
+In 't nest der deugd zijn eed'len neef begraav',
+Die eervol voor Lavinia is gevallen.
+Romein zijt gij, zoo wees dan geen barbaar;
+De Grieken pleegden raad en schonken Ajax,
+Schoon hij zichzelf versloeg, een graf, waarvoor
+Laërtes' wijze zoon met aandrang pleitte.
+Zoo zij den jongen Mucius, eens uw vreugd,
+Hier de ingang niet geweerd.
+
+TITUS. Rijs, Marcus, op!
+Dit is de onzaal'gste dag, dien ik aanschouwde;
+In Rome werd ik door mijn zoons onteerd!--
+Het zij, begraaf hem thans, en mij weldra!
+
+(Mucius wordt in het graf gelegd.)
+
+LUCIUS. Ruste uw gebeente, Mucius, bij uw vrienden,
+Tot wij uw graf met eereteek'nen sieren.
+
+ALLEN. Dat niemand om den eed'len Mucius ween';
+Hij leeft in roem, die stierf ter will' der deugd.
+
+MARCUS. Mijn broeder,--om dien rouw ter zij te stellen,--
+Hoe komt der Gothen sluwe koningin
+Eensklaps in Rome zoo in eer verhoogd?
+
+TITUS. Ik weet niet, Marcus, maar ik weet, zij is 't,
+Door list of hoe, dit moog' de hemel weten.
+Moet zij den man niet dankbaar zijn, die haar
+Zoo verre bracht naar hier tot zulk een heil?
+Ja, en zij zal wis vorst'lijk hem beloonen.
+
+(Trompetgeschal. Van de eene zijde komen weder op: Saturninus, met
+Gevolg, Tamora, Demetrius, Chiron en Aaron; van de andere zijde:
+Bassianus, Lavinia en Anderen.)
+
+SATURNINUS. Zoo, Bassianus, hebt ge uw prijs erlangd;
+God geve u vreugd, man, met uw eed'le bruid.
+
+BASSIANUS. En u met de uwe, vorst! Ik zeg niet meer,
+En wensch niets minder; en zoo neem ik afscheid.
+
+SATURNINUS. Heeft Rome wetten, wij gezag, verrader,
+U en uw aanhang rouwt dan deze roof.
+
+BASSIANUS. Roof noemt gij 't, vorst, als ik het mijne neem,
+Mijn echte en rechte bruid en thans mijn gade?
+Doch Rome's wetten mogen dit beslissen.
+Hoe 't zij, 'k heb wat het mijne is, in bezit.
+
+SATURNINUS. Genoeg, gij zijt zeer kort met ons, maar wij
+Zijn, als wij leven, even scherp met u.
+
+BASSIANUS. Vorst, wat ik deed, zal ik zoo goed ik kan,
+Verdedigen, en 'k doe dit met mijn leven.
+Slechts dit wil ik uw hoogheid nog doen kennen:
+Bij al mijn heil'ge plichten jegens Rome,
+De hooge en waardige eed'le, Titus hier,
+Is grievend in zijn eer en naam gekrenkt,
+Hij, die, om mij Lavinia af te dwingen,
+Met eigen hand zijn jongsten zoon versloeg,
+Voor u volijv'rig, en in toorn ontvlamd,
+Dat hij weêrstreefd werd in zijn gave aan u.
+Ontvang hem dus in gunste, Saturninus,
+Daar hij in al zijn daden zich een vriend
+En vader jegens u en Rome toonde.
+
+TITUS. Prins Bassianus, laat mijn daden rusten;
+Gij zijt het en die daar, die mij onteerd hebt.
+Mij richte Rome en de gerechte hemel,
+Wat liefde en eer ik Saturninus schonk.
+
+TAMORA. Mijn eed'le gade, indien ooit Tamora
+Genade vond in deze uw vorstlijke oogen,
+Zoo hoor mijn onpartijdig woord voor allen:
+Vergeef wat is gebeurd, op mijn verzoek.
+
+SATURNINUS. Mijn gade, wat! in 't openbaar onteerd!
+En laf zou ik dit dulden, zonder wraak?
+
+TAMORA. Neen, neen, mijn vorst; verhoeden Rome's goden,
+Dat oneer u ten deele viel door mij!
+Doch met mijn eer durf ik er borg voor zijn,
+Dat de eed'le Titus schuldloos is in alles;
+Zijn onverholen woede toont zijn leed.
+Zie op mijn bede hem genadig aan;
+Verlies door ijd'len waan geen vriend als hij,
+En grief zijn vriendlijk hart niet door uw fronsblik.--
+(Ter zijde tot Saturninus.) Neem raad aan, mijn gemaal, geef
+eindlijk toe;
+Ontveins nu al uw grieven en verdriet,--
+Te nauwernood zijt ge op uw troon gezeteld,--
+Opdat het volk en de patriciërs niet
+Na rijp beraad partij voor Titus kiezen
+En u ontzeet'len om ondankbaarheid,
+In Rome steeds een zwaar vergrijp geacht.
+Verhoor mijn bede, en laat mij dan begaan.
+Ik vind een dag om allen te verdelgen;
+Uitroeien wil ik hun geslacht en aanhang,
+Den wreeden vader en zijn valsche zoons,
+Tot wie ik smeekte om 't leven van mijn kind.
+Zij voelen 't, wat het zegt, een koningin
+In 't stof te laten knielen, vruchtloos smeeken.
+(Luid.) Kom, kom, mijn keizer!--Andronicus, kom!--
+Hef de' eed'len grijsaard op, verheug het hart,
+Dat in den storm van uwe gramschap sterft.
+
+SATURNINUS. Rijs, Titus, op, mijn keizerin verwon.
+
+TITUS. Ik dank uw majesteit, en haar, mijn vorst,
+Dat woord, die blik stort mij nieuw leven in.
+
+TAMORA. Titus, in Rome ben ik ingelijfd,
+Door mijn geluk nu als Romeinsche erkend,
+En 'k moet den keizer raden tot zijn heil.
+Sterve, Andronicus, heden elke twist,--
+En dat het, edel man, mijn eere zij,
+U en uw vrienden saam verzoend te hebben.--
+Wat u betreft, prins Bassianus, 'k heb
+Den keizer mijn belofte en woord verpand,
+Dat gij u zachter, buigzamer zult toonen.--
+Hebt, mannen,--ook Lavinia,--goeden moed,--
+En neemt gij raad aan, buigt dan nu de knie,
+En vraagt vergiff'nis aan zijn majesteit.
+
+LUCIUS. Wij doen 't; en hoor' de hemel en uw hoogheid:
+Al wat wij deden, was niet boos gemeend;
+'t Gold onzer zuster en onze eigene eer.
+
+MARCUS. Ja, dit betuig ik op mijn eer; zoo is 't.
+
+SATURNINUS. Van hier; geen woorden meer, stoort ons niet langer.
+
+TAMORA. Neen, heer, wij moeten allen vrienden zijn;
+Zie den tribuun daar knielen met zijn neven;
+Sla 't mij niet af; mijn beste, zie op hen!
+
+SATURNINUS. Marcus, om uwent- en uws broeders wil,
+En de' aandrang van mijn lieve Tamora,
+Vergeef ik dezer jonge lieden gruw'len.
+Rijst op!
+Lavinia, schoon gij smaad'lijk mij verliet,
+Ik vond een bruid, en zwoer bij dood en graf,
+Niet dan gehuwd te keeren van den priester.
+Komt; zoo ons hof twee bruidjes kan onthalen,
+Zijt gij mijn gast, Lavinia, met uw vrienden.--
+Een dag zij 't van verzoening, Tamora.
+
+TITUS. En morgen, zoo 't uw majesteit behaagt
+Den panther en het hert met mij te jagen,
+Begroeten wij met hoorn en hond uw hoogheid.
+
+SATURNINUS. Zoo zij het, Titus, en in dank aanvaard.
+
+(Trompetgeschal. Allen af.)
+
+
+
+
+TWEEDE BEDRIJF.
+
+EERSTE TOONEEL.
+
+
+Rome. Voor het paleis.
+
+Aaron komt op.
+
+AARON. Zoo klimt nu Tamora de' Olympus op,
+Voor 's noodlots pijl beschut; verheven zit zij,
+Door donderslag noch bliksemschicht te deren,
+Den dreigende' arm des bleeken nijds te hoog.
+Zooals de gouden zon den morgen groet
+En met haar stralen de' oceaan verguldt,
+Daarna op vuur'ge kar haar baan doorrent
+En neerblikt op de hoogste heuveltoppen,--
+Zoo Tamora.
+Aan haren geest is de eer der aarde dienstbaar,
+En bij haar fronsblik knielt en beeft de deugd.
+Dus, Aaron, maak uw hart en zin bereid,
+Om met uw vorstlijk lief omhoog te stijgen,
+Zoo hoog als zij, die ge in triumf zoo lang
+Gevangen hieldt, geboeid in liefdekeet'nen,
+En vastgesmeed aan Aarons tooverblik,
+Meer dan Prometheus aan den Kaukasus.
+Weg, slaafsche dracht en need'rige gedachten
+In goud en paarlen wil ik schitt'rend stralen,
+Der nieuwe keizerin ten dienste staan.
+Ten dienste, zeide ik? dart'len met deez' nymf,
+Met deez' godin, Semiramis, sirene,
+Die Rome's Saturninus zal betoov'ren,
+Hem en zijn rijk tot schipbreuk drijven zal.
+Ho! welk een storm is dit?
+
+(Demetrius en Chiron komen op, in heftigen twist.)
+
+DEMETRIUS. Chiron, gij zijt te jong, uw geest te stomp,
+Te plomp, dan dat gij daar u in kunt dringen,
+Waar ik wellicht reeds gunst en liefde vond.
+
+CHIRON. Demetrius, steeds blijkt gij overmoedig,
+En wilt ook thans met pochen mij verslaan.
+Die afstand van een jaar of twee maakt mij
+Niet min begaafd en u niet meer geliefd.
+Ik ben zoo goed als gij in staat, geschikt
+Om mijner schoone gunst door dienst te winnen;--
+En stave op u terstond mijn zwaard den gloed
+Der liefde, die ik voor Lavinia voed.
+
+AARON (ter zijde). Nu kalm wat, kalm! verliefde vredestoorders!
+
+DEMETRIUS. Wat, knaap! schoon onze moeder, onbedacht,
+Een dansrapier u om de heupen gespte,
+Zijt gij zoo driest, dat gij uw vrienden dreigt?
+Kom, laat uw lat maar in de scheede lijmen,
+Tot gij er beter mee weet om te gaan.
+
+CHIRON. Nu, hoe gering mijn vechtkunst dan ook zij,
+Ontwaren zult gij thans, hoeveel ik waag.
+
+DEMETRIUS. Wat! zoo vermetel, knaap?
+
+(Zij trekken het zwaard.)
+
+AARON (vooruittredend). Wat is dat, prinsen?
+Gij waagt het, zoo nabij des keizers slot
+Het zwaard te trekken en zoo luid te twisten?
+Ik weet zeer wel den grond van dit krakeel;
+Maar wenschte zelfs voor geen miljoen, dat de oorzaak
+Aan hen bekend waar', die zij 't naast betreft;
+En voor veel meer nog wilde uw eed'le moeder
+Niet zoo onteerd zich zien aan Rome's hof.
+Schaamt u, steekt op!
+
+DEMETRIUS. Neen, niet, voor ik mijn zwaard
+In zijne borst geborgen heb en zoo
+Zijn gorgel weer de smaadtaal deed verzwelgen,
+Die hij daar tot mijn oneer heeft geuit.
+
+CHIRON. Daartoe ben ik bereid en vast besloten,
+Gij laffe smaler, die uw tong laat dond'ren,
+Maar met uw zwaard niets uit te voeren waagt.
+
+AARON. Van hier, zeg ik!
+Nu, bij de goden der krijgshafte Gothen,
+Ons allen zal die kindertwist verderven.
+Wat, heeren! spreekt, acht gij het niet gevaarlijk,
+Zich aan eens prinsen rechten te vergrijpen?
+Wat! is Lavinia zulk een losse deerne,
+Of Bassianus plots'ling zoo ontaard,
+Dat zulke twisten om haar min ontstaan,
+Zelfs zonder weêrstand, straf of wraak te duchten?
+O prinsen, wacht u!--zoo de keizerin
+Dien wanklank hoort, zij vindt dien snerpend valsch.
+
+CHIRON. Nu, zij en heel de wereld mag het weten:
+Lavinia geldt mij meer dan heel de wereld.
+
+DEMETRIUS. Knaap, zijt gij wijs, doe dan een lager keus,
+Lavinia is uws oud'ren broeders wensch.
+
+AARON. Wat! zijt gij dol en weet gij niet, hoe vinnig
+En ijverzuchtig zij in Rome zijn,
+En nooit in liefde mededingers dulden?
+Ik zeg u, 't is uw dood, dien gij beraamt
+Met zulk een aanslag.
+
+CHIRON. Aaron, duizend dooden
+Trotseer ik, om te erlangen, die ik min.
+
+AARON. Te erlangen? wat!
+
+DEMETRIUS. Kan dit u zoo bevreemden?
+Zij is een vrouw, en daarom wel te vragen;
+Zij is een vrouw, en daarom wel te winnen;
+Zij is Lavinia, dus beminnenswaard.
+Kom, man, meer water loopt den molen langs,
+Dan ooit de mool'naar weet; en 't is gemakk'lijk
+Van aangesneden brood een brok te stelen.
+Zij Bassianus ook des keizers broeder,
+Vulcanus' tooi heeft beet'ren zelfs gesierd.
+
+AARON (ter zijde). Ja, even goed als Saturninus zelf.
+
+DEMETRIUS. Waarom zou hij wanhopig zijn, die weet,
+Hoe woorden, blikken en geschenken werken?
+Kom, hebt ook gij niet vaak een ree geveld,
+En weggehaald voor 's koddebeiers neus?
+
+AARON. Nu, 't schijnt dan, dat een schaking of zoo iets
+U dienstig waar?
+
+CHIRON. Ja, zoo 't geluk ons diende.
+
+DEMETRIUS. Getroffen, Aaron!
+
+AARON. Nu, tref ook uw wit!
+Dan zijn wij af van zulk rumoer als dit.
+Maar hoort nu, hoort!--zijt gij nog zulke dwazen,
+Dat gij om zoo iets twist?--Zegt, zou 't u krenken,
+Indien gij beiden slaagdet?
+
+CHIRON. Mij niet, neen.
+
+DEMETRIUS. Mij evenmin, zoo ik er een van ben.
+
+AARON. Foei! eendracht winne u 't voorwerp van uw strijd.
+Door overleg en list moet gij verwerven,
+Wat gij beoogt; en dit sta bij u vast,
+Dat, kunt gij 't niet, zooals gij wilt, bekomen,
+Gij 't met geweld, zooals gij 't kunt, erlangt.
+Geloof van mij: Lucretia was niet kuischer,
+Dan deez' Lavinia, Bassianus' liefde.
+Een korter weg dan talmend liefdesmachten
+Zij dus gevolgd, en ik vond u het pad.
+Bedenkt, er is een groote jacht aanstaande;
+Die lokt een tal Romeinsche schoonen aan;
+De wand'ling van het woud is uitgestrekt,
+En biedt u menig onbetreden plek,
+Voor misdaad en verkrachting als geschapen.
+Lokt daar dit malsche reetje eenzaam heen,
+En velt het met geweld zoo niet met woorden.
+Zoo hebt gij hoop te slagen, anders niet.
+Komt, onze keizerin, wier helsche geest
+Aan boosheid en aan wraak is toegewijd,
+Moet dit geheele plan van ons vernemen,
+Dan steunt zij onze ontwerpen met haar raad,
+En zal, uw onderlingen twist niet duldend,
+U beiden voeren tot uw hoogsten wensch.
+Des keizers hof is als het huis der Faam,
+'t Paleis vervuld van tongen, oogen, ooren,
+Het woud is wreed en schrikk'lijk, doof en stom;
+Spreekt, velt daar beurtlings, wakk're jongens, 't wild;
+Boet daar uw lust, beschut voor 's hemels oog,
+En doet u aan Lavinia's schat te goed.
+
+CHIRON. Uw raad, mijn jongen, zweemt naar lafheid niet.
+
+DEMETRIUS. Sit fas aut nefas; tot ik nu een stroom
+Gevonden heb, die deze hitte koelt,
+En de betoov'ring, die mijn koortsen stilt,
+Per Styga, per manes vehor.
+
+(Allen af.)
+
+
+
+TWEEDE TOONEEL.
+
+
+Een woud. Horengeschal en hondengeblaf.
+
+Titus Andronicus komt op, met Jagers, enz.; verder Marcus, Lucius,
+Quintus en Marcius.
+
+TITUS. De jacht is reê, de morgen licht en klaar,
+De velden geurig en de wouden groen.
+De honden los! laat hen recht luide blaffen;
+Wekt zoo den keizer en zijn schoon jong vrouwtje,
+Alsook den prins; en laat den jachtgroet schallen,
+Zoodat geheel het hof den roep weerkaats'!
+Mijn zoons, het zij uw taak, gelijk de mijne,
+Voor den persoon des keizers goed te zorgen,
+'k Werd in mijn slaap van nacht gestoord, ontrust,
+Maar 't naad'ren van den dag gaf frisschen moed.
+
+(Horengeschal en hondengeblaf.)
+
+(Saturninus, Tamora, Bassianus, Lavinia, Demetrius en Chiron komen
+op, met Gevolg.)
+
+TITUS. Veel goede morgens, uwe majesteit;
+Vorstin, ook u recht vele en even goede:--
+Ik zeide een jachtgroet aan uw hoogheid toe.
+
+SATURNINUS. En lustig hebt gij dien geblazen, heer,
+Voor jonggehuwde vrouwtjes zelfs wat vroeg.
+
+BASSIANUS. Lavinia, wat zegt gij?
+
+LAVINIA. Ik zeg van neen;
+Klaar wakker was ik reeds twee uur en meer.
+
+SATURNINUS. Komaan dan, paarden, wagens voorgebracht;
+En fluks naar 't woud. (Tot Tamora.) Vorstin, nu zult gij eens
+'t Romeinsche jagen zien.
+
+MARCUS. Heer, honden heb ik,
+Die zelfs den fiersten panter op doen rijzen,
+En klaut'ren op het steilste voorgebergt'.
+
+TITUS. Ik paarden, die het wild alomme volgen,
+En als een zwaluw scheren over 't veld.
+
+DEMETRIUS (tot Chiron). Wij, Chiron, jagen niet met paard en hond,
+Maar grijpen 't reetje en rukken 't op den grond.
+
+(Allen af.)
+
+
+
+DERDE TOONEEL.
+
+
+Een eenzaam gedeelte van het woud.
+
+Aaron komt op met een buidel vol goud.
+
+AARON. Wie zijn verstand heeft, denkt dat ik het mis,
+Omdat ik zooveel goud bij dezen boom
+Begraaf om 't nooit weer in bezit te nemen.
+Nu, wie zoo min van mij mocht denken, wete,
+Dat mij dit goud een aanslag munten moet,
+Die, als hij met beleid wordt uitgevoerd,
+Een allerprachtig boevenstuk verwekt;
+Rust dus, lief goud, opdat gij onrust brengt
+Aan wie de kist der keizerin u schenkt.
+
+(Hij verbergt het goud.)
+
+(Tamora komt op.)
+
+TAMORA. Mijn lieflijke Aaron, waarom ziet gij ernstig,
+Terwijl wedijv'rend alles blijde kijkt?
+Uit ied'ren struik klinkt voog'lenmelodie;
+De slang ligt in den zonn'schijn saâmgerold;
+De blaad'ren trillen in den koelen wind,
+En teek'nen schaduwplekken op den grond.
+Kom, gaan wij, Aaron, onder 't loofdak zitten,
+En luist'ren wij,--terwijl de bauwende echo
+'t Welluidend horenschallen schril bespot,
+En, daar een dubb'le jacht vernomen wordt,
+De honden fopt en tergt,--naar 't luid geblaf,
+Om na een strijd,--zooals vermoed wordt, dat
+De vorst, die zwierf, en Dido eens genoten,
+Toen heilaanbrengend hen een storm verraste
+En met een grot, die zwijgen kon, omsloot,
+Dan, door elkanders armen dicht omstrengeld,
+Na 't spel der minne een gouden slaap te doen,
+Waarbij het hondgeblaf, het hoorngeschal,
+'t Zoet vogellied de wiegezang ons zijn
+Der voedster, die haar liev'ling in doet sluim'ren.
+
+AARON. Vorstin, besture Venus uw begeerten,
+Saturnus' invloed is 't, die mij beheerscht.
+Of wat beduidt mijn dood'lijk starend oog,
+Mijn zwijgen en mijn diep zwaarmoedig voorhoofd,
+Mijn wollig hoofdhaar, dat zich nu ontkroest,
+Gelijk een adder, als hij zich ontrolt
+Om fel een onontwijkb'ren dood te brengen?
+Neen, neen, vorstin, dit zijn geen Venusteekens;
+Wraak is er in mijn hart, dood in mijn hand;
+Bloed zijn 't en wraak, die haam'ren in mijn hoofd.
+Hoor, Tamora, vorstinne mijner ziele,
+Die op geen hemel hoopt dan dien in u,
+'t Is heden Bassianus' oordeelsdag,
+Waarop zijn Philomela tongloos wordt,
+Uw zoons haar kuischheid rooven tot een buit,
+En in het bloed haars mans hun handen wasschen.
+Gij ziet hier dezen brief? hier, neem hem, bid ik,
+En geef den koning dit verderflijk schrift.--
+Vraag thans niet meer, wij worden reeds bespied;
+Daar komt een deel des buits, waarop wij hopen,
+Die van het nakend doodsuur nog niet droomt.
+
+TAMORA. O lieve Moor, mij liever dan het leven!
+
+AARON. Vorstin, geen woord meer; Bassianus komt;
+Zoek twist met hem; uw zoons haal ik er bij,
+Om, wààr ook uw krakeel om zij, te helpen.
+
+(Aaron af.)
+
+(Bassianus en Lavinia komen op.)
+
+BASSIANUS. Wie zien wij hier? is 't Rome's keizerin,
+Verstoken van 't gevolg, dat haar betaamt?
+Of is 't misschien, in haar gewaad, Diana,
+Die haar gewijde dreven eens verlaat,
+Om hier in 't woud de groote jacht te zien?
+
+TAMORA. Gij driest bespieder van mijn stille gangen,
+Hadde ik de macht, Diana, zegt men, eigen,
+Dan plantte ik oogenblikk'lijk op de slapen
+U horens, als Actæon had, opdat
+Uw honden uw veranderd lijf besprongen;
+Indringende onbeschaamde, die gij zijt!
+
+LAVINIA. Vergeef mij, lieve keizerin, men schrijft u
+Een groot talent van hoornopzetten toe;
+En 't wordt vermoed, dat zich uw Moor en gij
+Afzonderden tot oef'ning in die kunst.
+De hemel hoede uw man thans voor zijn honden,
+'t Waar' boos, als zij hem hielden voor een hert.
+
+BASSIANUS. Geloof me, uw donkere Kimmeriër doet
+Vorstin, uw eer gelijk zijn huid, bevlekt,
+Zwart en verfoeilijk, afschuwwekkend zijn.
+Waartoe zijt gij van uw gevolg gescheiden,
+En afgestegen van uw sneeuwwit ros,
+En afgedwaald naar deze duist're plek,
+Van een barbaarschen Moor alleen verzeld,
+Zoo booze lust u hier niet heeft gebracht?
+
+LAVINIA. En nu gij wordt gestoord in uw vermaak,
+Moet gij,--dit spreekt van zelf,--mijn eed'len gade
+Om driestheid gispen!--Lieve, gaan wij heen;
+Laat haar 't genot van haar raafkleur'gen boel;
+Dit donk're dal voldoet aan haar bedoeling.
+
+BASSIANUS. Den koning, mijnen broeder, doe ik 't kennen.
+
+LAVINIA. Juist; lang reeds was hij kenn'lijk door hun doen;
+Een vorst, zoo goed en toch zoo boos bedrogen!
+
+TAMORA. Waarom heb ik 't geduld om dit te dragen?
+
+(Demetrius en Chiron komen op.)
+
+DEMETRIUS. Wat, waarde keizerin, doorluchte moeder,
+Hoe ziet uw hoogheid zoo ontdaan en bleek?
+
+TAMORA. Heb ik geen reden, denkt ge, om bleek te zien?
+Die twee daar hebben mij hierheen gelokt;
+Gij ziet, het is een woest, afschuwlijk dal,
+De boomen, trots den zomer, schraal, ontblaard,
+Geheel met mos bedekt en boozen mistel.
+Nooit schijnt de zon hier en geen vogel broedt er,
+Dan dagschuwe uilen en onzaal'ge raven.
+Zij toonden mij dit schrikverwekkend dal,
+En zeiden, dat in 't holste van de nacht
+Een duizend booze geesten, duizend slangen,
+Tien duizend egels en gezwollen padden,
+Dooreen, er zulke gruwb're kreten slaakten,
+Dat ieder sterflijk wezen, dat ze hoort,
+Terstond waanzinnig wordt of plots'ling sterft.
+En nauwlijks was dit helsch verhaal verteld,
+Of zij bedreigden mij, dat ze aan den tronk
+Mij binden zouden van een giftige' ief,
+Ter prooi aan zulk een jammerrijken dood.
+Toen noemden zij mij schaamt'looze overspeelster
+En wulpsche Gothenvrouw, kortom, al wat
+Het oor van bitt're smaadtaal ooit vernam;
+En had geen wonder u hierheen gevoerd,
+Dan hadden zij hun dreiging waar gemaakt.
+Wreekt dit, is u uw moeders leven lief,
+Of ik erken niet langer u als zoons.
+
+DEMETRIUS. Dat ik uw zoon ben, moge dit getuigen.
+
+(Hij doorsteekt Bassianus.)
+
+CHIRON. Ook dit is raak en tuige voor mijn kracht.
+
+(Hij doorsteekt hem eveneens. Bassianus sterft.)
+
+LAVINIA. O kom, Semiramis,--
+Of neen, barbaarsche Tamora, kom gij,--
+Geen naam dan de uwe past bij uw natuur.
+
+TAMORA. Geef mij uw dolk, en gij zult zien, mijn knapen,
+Uw moeders hand wreekt uwer moeder smaad.
+
+DEMETRIUS. Neen, toef, vorstin, meer komt haar toe dan dit;
+Dorsch eerst het graan, en dan, verbrand het stroo.
+Dit popje droeg op hare kuischheid roem,
+Haar huwlijkseed, haar trouw, en zij braveerde
+Met dien schijnschoonen waan zelfs uwe macht;
+En zal zij dien met zich ten grave nemen?
+
+CHIRON. 'k Moge een gesneed'ne zijn, eer zij dit doet.
+Neen, sleep haar gade naar een heimlijk hol;
+Tot peluw strekk' dat lijk bij onzen lust.
+
+TAMORA. Maar als gij den begeerden honig hebt,
+Laat dan die wesp niet leven, dat ze ons steek'.
+
+CHIRON. Nu 'k zweer, vorstin, wees hieromtrent gerust.
+Kom, liefje, wij genieten met geweld
+Thans uwe preutsch beveiligde eerbaarheid.
+
+LAVINIA. O Tamora, 't gelaat hebt ge eener vrouw,--
+
+TAMORA. 'k Wil haar niet hooren spreken; weg met haar!
+
+LAVINIA. Smeekt, lieve prinsen, haar, één woord te hooren!
+
+DEMETRIUS. Hoor haar, vorstin; het zij uw roem, haar tranen
+Te aanschouwen; doch voor deze zij uw hart,
+Wat harde keien zijn voor regendroppels.
+
+LAVINIA (tot Demetrius). Gaf ooit een tijgerwelp zijn moeder les?
+Leer haar niet boos te zijn, zij leerde 't u;
+De melk, waarmee ze u zoogde, werd tot marmer;
+Aan haren tepel dronkt ge uw wreedheid reeds.
+Maar alle moederzoons zijn niet gelijk;
+(Tot Chiron.) Smeek gij haar, deernis met een vrouw te toonen.
+
+CHIRON. Wat! wilt gij, dat ik mij een basterd toon?
+
+LAVINIA. 't Is waar, geen raaf broedt ooit een leeuwrik uit;
+Maar toch, ik hoorde,--o vond ik 't nu gestaafd!--
+Hoe zelfs de leeuw uit deernis heeft geduld,
+Dat men zijn koningsklauwen kortte en wegnam.
+Ook raven, zegt men, voed'ren vondelingen,
+Al hong'ren dan hun jongen in het nest;
+O wees voor mij, al zegge uw hard hart neen,
+Zoo al niet vriendlijk, toch niet deernisloos.
+
+TAMORA. 'k Weet niet, wat deernis is; thans weg met haar!
+
+LAVINIA. Laat mij 't u leeren. Om mijns vaders wil,
+Die u liet leven, toen hij u kon dooden,
+Wees thans niet doof, maar leen mijn beden 't oor.
+
+TAMORA. Al hadt gij in persoon mij nooit gekrenkt,
+Om zijnentwille ben ik deernisloos.
+Denkt, knapen, hoe 'k vergeefs mijn tranen plengde,
+Opdat uw broeder niet geofferd wierd;
+Maar Andronicus bleef toen onbewogen.
+Dies weg met haar, en doet met haar uw wil;
+Wie 't meest haar deert, zal mij het liefste zijn.
+
+LAVINIA. O Tamora, verwerf den naam van goed,
+En geef mij hier den dood met uwe hand.
+Om 't leven heb ik niet zoo lang gesmeekt,
+Ik arme stierf, toen Bassianus viel.
+
+TAMORA. En waarom smeekt gij dan? dwaas schepsel, laat mij.
+
+LAVINIA. Ik smeek een onverwijlden dood, en ook
+Nog iets, dat schaamte mij belet te noemen.
+O hoed mij voor hun lust, die meer dan dood
+Mij dreigt, en werp mij in een vuilen poel,
+Waar nimmer menschenoog mijn lijk aanschouwe;
+Doe dit en wees een zachte moordnares.
+
+TAMORA. Dan roofde ik aan mijn lieve zoons hun loon;
+Neen, dat zij vrij hun lusten met u boeten.
+
+DEMETRIUS. Kom, weg! gij hieldt ons veel te lang hier op.
+
+LAVINIA. Geen hart? geen vrouwlijkheid? Beestachtig wezen!
+Gij vlek en vijandin van ons geslacht!
+Moge u 't verderf--
+
+CHIRON. Thans stop ik u den mond.--Neem gij haar man;
+In dien kuil zeide ons Aaron hem te bergen.
+
+(Demetrius werpt het lijk van Bassianus in den kuil; daarop gaan
+Demetrius en Chiron heen, Lavinia medesleurend.)
+
+TAMORA. Vaartwel, mijn zoons; weest zeker, dat zij zwijgt.--
+Geen echte vroolijkheid verheugt mijn hart,
+Eer al die Andronici zijn verdelgd.
+Thans, lieve Moor, kan ik tot u mij wenden,
+En laat mijn zoons die deerne lustig schenden.
+
+(Tamora af.)
+
+(Aaron komt weder op, met Quintus en Marcius.)
+
+AARON. Treedt, heeren, voort, den besten voet vooruit!
+Terstond wijs ik den vuilen kuil u aan,
+Waar ik den panter zag in diepen slaap.
+
+QUINTUS. Mijn oog wordt plotsling dof; wat duidt dit aan?
+
+MARCIUS. Voorwaar, ook 't mijne. Zoo ik mij niet schaamde,
+'k Verliet de jacht en zou een slaapje doen.
+
+(Hij valt in den kuil.)
+
+QUINTUS. Wat! vielt gij daar?--Wat valsche kuil is dit,
+Zoo overgroeid met wilde dorenstruiken?
+En op hun blaad'ren droppels bloed, zoo frisch,
+Als morgendauw, die bloemen overparelt?
+Dit schijnt mij inderdaad een onheilsplek.
+Spreek, broeder, zijt gij bij uw val verwond?
+
+MARCIUS. Ach, broeder, ja, door 't zien van iets zoo gruwlijks,
+Als ooit het oog door 't hart bejamm'ren deed.
+
+AARON (ter zijde). Nu zorg ik, dat de koning hen hier vindt,
+Opdat hij met waarschijnlijkheid vermoede,
+Dat zij het waren, die zijn broeder doodden.
+
+(Aaron af.)
+
+MARCIUS. Wat draalt gij met vertroostend mij te helpen
+Uit dit vervloekt, met bloed bezoedeld hol?
+
+QUINTUS. Een vreemde schrik beving mij; 't kille zweet
+Loopt tapp'lings langs mijn rillende gewrichten;
+Mijn hart vermoedt meer dan mijn oog kan zien.
+
+MARCIUS. Uw voorgevoel is juist; wilt gij dit zien,
+Zoo blik met Aaron in dit hol eens neer,
+En zie een gruw'lijk beeld van bloed en dood.
+
+QUINTUS. Aaron is weg en mijn bewogen hart
+Vergunt mijn oogen niet om dat te zien,
+Waarvan 't vermoeden reeds mij rillen doet.
+O zeg mij, wat het is; want nooit voor nu
+Was ik een kind en vreesde 'k weet niet wat.
+
+MARCIUS. Prins Bassianus, in zijn bloed gewenteld,
+Ligt als een klomp, als een verslagen lam,
+In dit vervloekt en donker, bloedig hol.
+
+QUINTUS. Is 't donker daar, hoe weet gij, dat hij 't is?
+
+MARCIUS. Aan zijn bebloeden vinger steekt een ring
+Met kostb'ren steen, die heel het hol verlicht,
+En, als een fakkel in een grafgewelf,
+Des dooden vale wangen hel beschijnt,
+En 't bloedig ingewand der grot onthult;
+Zoo bleek scheen eens op Pyramus de maan,
+Toen hij bij nacht in 't bloed der maagd gebaad lag.
+O broeder, help mij met uw zwakke hand,--
+Want licht heeft angst, als mij, ù zwak gemaakt--
+Uit dit verslindend, vratig lijkenhuis,
+Zoo schrikk'lijk als Cocytus' duist'ren mond.
+
+QUINTUS. Reik mij uw hand, dan help ik u er uit;
+En schiet mijn kracht te kort om u te helpen,
+Dan storte ook ik in den begeer'gen schoot
+Van 't diepe hol, het graf van de' armen prins.--
+Ik heb geen kracht om u tot hier te trekken.
+
+MARCIUS. En ik niet, om alleen omhoog te klaut'ren.
+
+QUINTUS. Nog eens uw hand: ik laat die niet meer los,
+Eer gij hierboven zijt, of ik beneden.--
+Gij komt niet op tot mij; ik kom tot u.
+
+(Hij valt mede in den kuil.)
+
+(Saturninus en Aaron komen op).
+
+SATURNINUS. Volg mij; zelf wil ik zien, wat kuil hier is,
+En wie het was, die er zoo even insprong.
+Spreek, wie zijt gij, die daar zijt afgedaald
+In deze gapende oop'ning van den grond?
+
+MARCIUS. De onzaal'ge zoon van de' ouden Andronicus,
+Te boozer uur er heen gevoerd, om hier
+Uw broeder Bassianus dood te vinden.
+
+SATURNINUS. Mijn broeder dood! Nu zie ik, dat gij schertst;
+Hij en zijn gade zijn in 't jagershuis,
+Aan 't noordereind van 't schoone jachtgebied;
+'t Is nog geen uur, sinds ik hen daar verliet.
+
+MARCIUS. Ik weet niet, waar gij 't laatst hem levend zaagt,
+Maar, o helaas! hier vonden wij hem dood.
+
+(Tamora komt weder op, met Gevolg; verder Titus Andronicus en
+LUCIUS.)
+
+TAMORA. Waar is de koning, mijn gemaal?
+
+SATURNINUS. Hier, Tamora, door dood'lijk leed bedroefd.
+
+TAMORA. Waar is uw broeder Bassianus?
+
+SATURNINUS. Nu peilt gij juist den bodem van mijn wond;
+Vermoord ligt hier mijn arme Bassianus.
+
+TAMORA (aan Saturninus een brief overreikend).
+Zoo breng ik dezen onheilsbrief te laat,
+Die de' aanslag inhoudt van dit gruw'lijk treurspel,
+En sta verstomd, dat eenig menschlijk aanzicht
+Bloeddorst in lieve lachjes hullen kan.
+
+SATURNINUS (leest). "Zoo wij hem niet geschikt ontmoeten kunnen,--
+Wij meenen Bassianus, beste jager,--
+Doe gij 't voor ons en delf hem dan zijn graf;
+Gij weet thans wat wij wenschen. Zoek uw loon:
+'t Ligt onder netels aan den voet des vlierbooms,
+Die de' ingang overschaduwt van den kuil,
+Door ons tot Bassianus' graf bestemd.
+Doe dit en maak ons eeuwig tot uw vrienden."
+O Tamora! werd ooit zoo iets gehoord?
+Hier is de kuil, en dit, dit is de vlierboom.
+Zoekt, heeren, of gij ook den jager vindt,
+Die Bassianus hier vermoorden moest.
+
+AARON. En, beste vorst, hier is de zak met goud.
+
+SATURNINUS (tot Titus). Twee van uw welpen, honden, heet op bloed,
+Beroofden hier mijn broeder van het leven.--
+Sleept, mannen, uit den kuil hen naar den kerker;
+Sluit daar hen op, tot wij voor hen een martling,
+Nog nooit vernomen, hebben uitgedacht.
+
+TAMORA. Wat! zijn zij daar, in dezen kuil? O wonder!
+Hoe ras wordt toch een moord aan 't licht gebracht!
+
+TITUS. Mijn keizer, op mijn zwakke knieën smeek ik,
+Met tranen, die ik moeilijk stort, de gunst,
+Dat deze schuld van mijn vervloekte zoons,--
+Vervloekt, indien hun schuld bewezen wordt,--
+
+SATURNINUS. Bewezen wordt? gij ziet, zij is klaarblijk'lijk;--
+Wie vond den brief? waart gij het, Tamora?
+
+TAMORA. Neen, Andronicus zelf was 't, die hem opnam.
+
+TITUS. Zoo is het, heer; doch laat voor hen mij borg zijn.
+Ik zweer bij mijner vaad'ren heilig graf:
+Op uwer hoogheid wenk staan zij bereid,
+Al moog' het onderzoek hun leven gelden.
+
+SATURNINUS. Geen borgtocht, neen; maar zorg, dat gij mij volgt.--
+Gij, brengt den doode, gij de moord'naars na;
+Laat hen niet spreken; duid'lijk is hun schuld;
+En bij mijn ziel, bestond er boozer eind
+Dan dood, dat erger eind viel hun te beurt.
+
+TAMORA. Ik wil den keizer smeeken, Andronicus;
+Wees zonder zorg om hen, het gaat wel goed.
+
+TITUS. Kom, Lucius, kom; tracht niet met hen te spreken.
+
+(Allen af.)
+
+
+
+VIERDE TOONEEL.
+
+
+Een ander gedeelte van het woud.
+
+Demetrius en Chiron komen op, met de geschonden Lavinia; de
+handen zijn haar af gehouwen, de tong uitgesneden.
+
+DEMETRIUS. Indien uw tong kan spreken, ga dan nu,
+Zeg, wie de tong u uitsneed en u schond.
+
+CHIRON. Schrijf neder wat gij weet, onthul het zoo;
+Speel, laten dit uw stompen toe, voor schrijver.
+
+DEMETRIUS. Zie, hoe zij schrappen, teekens krabb'len kan.
+
+CHIRON. Ga huiswaarts, roep om water, wasch uw handen.
+
+DEMETRIUS. Voor 't roepen mist ze een tong, voor 't wasschen handen,
+Dus laat haar nu haar stille wegen gaan.
+
+CHIRON. Waar 't mijn geval, ik ging en hing mij op.
+
+DEMETRIUS. Ja, als gij handen hadt om 't koord te knoopen.
+
+(Demetrius en Chiron af.)
+
+(Horengeschal achter het tooneel. Marcus komt op, van de jacht.)
+
+MARCUS. Wie is dat daar?--mijn nicht, die ijlings vlucht?
+Geef antwoord, nichtje; zeg, waar is uw man?
+Zoo 'k droom, 'k geef al mijn have, om weer te ontwaken!
+Zoo 'k waak, bestraal' terstond me een booze ster
+En vell' mij om den eeuw'gen slaap te sluimren!--
+Spreek, lieve nicht, wat ruwe wreede hand
+Verminkte uw lijf en hieuw dat zoet sieraad
+U af, de beide takken, in wier schaduw
+Zich vorsten gaarne hadden neergevlijd,
+Die toch het hooge heil niet mochten smaken
+Van uwe liefde? Waarom spreekt gij niet?--
+Helaas, een purp'ren stroom, warm bloed,--een bron,
+Die opwelt en door stormen trilt, gelijk,
+Rijst, daalt daar tusschen uwe rozenlippen,
+Komt, gaat met elken zoeten ademtocht.
+Ach, zeker heeft een Tereus u geschonden,
+En, straffe duchtend, u de tong ontrukt!
+Ach! thans wendt gij 't gelaat af, diep beschaamd!
+En schoon u al dit kostlijk bloed ontstroomt,
+Als uit een drietal spruiten wellend water,
+Zien toch uw wangen rood als Titans aanschijn,
+Die bloost, als hem een wolk te tarten waagt.
+Zal ik voor u het woord doen? zeggen, "'t is zoo?"
+O kende ik thans uw hart! kende ik het beest,
+Dat ik het smaadde om mijn gemoed te koelen!
+Verholen leed,--als een gesloten oven,--
+Verbrandt het hart, waarin het woont, tot asch.
+Slechts tongloos werd de schoone Philomela;
+Zij stikte in 't droevig weefsel haar gemoed;
+U, lieve nicht, sneed men dit middel af;
+Een sluwer Tereus was 't, die u belaagde;
+En die sneed u die fijne vingers af,
+Wier arbeid Philomela hadd' beschaamd.
+O, had het monster ooit die leliehanden
+Als espenblad zien trillen op een luit,
+Zoodat de zijden snaren teêr die kusten,
+Zelfs niet voor 't leven had hij ze aangeroerd;
+Had hij de hemelmelodie gehoord,
+Die stroomde van die zoete tong, zijn mes
+Waar' hem ontvallen, hij in slaap verzonken,
+Gelijk voor Orpheus' voeten Cerberus.
+Kom, gaan wij om uw vader blind te maken;
+Want zulk een aanblik blindt eens vaders oog;
+Eén uur van storm verdrinkt een geur'ge beemd;
+Kan 't vaderoog dan maanden weenens lijden?
+Wijk niet terug; wij willen met u klagen;
+O, hielp u onze kracht de ellende dragen!
+
+(Beiden af.)
+
+
+
+
+
+DERDE BEDRIJF.
+
+EERSTE TOONEEL.
+
+
+Rome. Een straat.
+
+Senatoren, Tribunen en Rechters komen op, met Marcius en Quintus,
+die geboeid ter terechtstelling gevoerd worden; Titus gaat als
+smeekeling voor hen uit.
+
+TITUS. Hoort, achtb're vaders! gij tribunen, staat!
+
+Denkt, ik ben oud nu, en ik sleet mijn jeugd
+In woesten krijg, terwijl gij zorgloos sliept;
+Denkt aan al 't bloed, dat ik voor Rome stortte,
+Aan meen'ge winternacht, die ik doorwaakte,
+Aan deze bitt're tranen, die gij nu
+De rimpels van mijn wangen vullen ziet,
+En schenkt mijn zoons, veroordeeld thans, genade;
+Hun hart is niet zoo slecht, als 't wordt gewaand.
+Om twee-en-twintig zonen weende ik nooit,
+Wijl zij op 't edel bed der eere stierven;
+
+(Hij werpt zich op den grond.)
+
+Om dezen schrijf ik thans in 't stof, tribunen,
+Mijn harteleed en mijner ziele tranen.
+Laat mij der aarde dorst met tranen lesschen;
+Zij wierd schaamrood van mijner zonen bloed.
+
+(De Senatoren, Tribunen enz. gaan met de Gevangenen door.)
+
+O aarde, ik wil u meer met vocht verkwikken,
+Dat uit deez' twee verweerde kruiken vliet,
+Dan jonge April 't vermag met al zijn buien;
+In zomerdroogte drenk ik u; des winters
+Smelt ik met heete tranen u de sneeuw;
+Ik wek een eeuw'ge lente op uw gelaat,
+Indien gij 't bloed wilt weig'ren van mijn zoons.
+
+(Lucius komt op, met uitgetogen zwaard.)
+
+Eed'le tribunen! zacht gestemde grijsaards!
+Ontboeit mijn zonen en herroept uw vonnis,
+Dat ik, die nooit voordezen weende, zegg':
+Mijn tranen zijn een onafwijsb're voorspraak.
+
+LUCIUS. Uw weeklacht, eed'le vader, is vergeefsch;
+Hier hoort u geen tribuun; geen mensch is hier;
+'t Is aan een steen, dat gij uw kommer klaagt.
+
+TITUS. O Lucius, laat mij pleiten voor uw broeders.--
+Eed'le tribunen, nogmaals smeek ik u,--
+
+LUCIUS. Mijn vader, geen tribuun verneemt uw woorden.
+
+TITUS. 't Is eender, knaap; al hoorden ze ook, zij zouden
+Er niet op letten; letten zij er op,
+Er niet geroerd door zijn; toch moet ik spreken,
+Hoe nutt'loos ook.
+Daarom meld ik mijn kommer aan de steenen,
+Die, ja, geen antwoord geven op mijn klacht,
+Maar hierin beter dan tribunen zijn,
+Dat zij mij zonder stoornis laten spreken.
+Zie, als ik ween, dan nemen zij mijn tranen
+Deemoedig op en weenen schier met mij;
+En waren zij slechts statig aangekleed,
+Tribunen, hun gelijk, had Rome niet.
+Zacht is een steen als was, steenhard tribunen;
+Stom is een steen en krenkt niet, doch tribunen,
+Zij hebben tongen, die ten doode doemen.
+
+(Hij rijst op.)
+
+Doch waarom staat gij met getrokken zwaard?
+
+LUCIUS. Om van den dood mijn broeders te bevrijden;
+En voor die poging hebben mij de rechters
+Veroordeeld tot een eeuw'ge ballingschap.
+
+TITUS. Gelukkig man! wat deden zij u goed!
+Wat, dwaze Lucius, hebt gij niet bespeurd,
+Dat Rome een wildernis vol tijgers is?
+Wat tijger is, wil buit, en Rome biedt
+Geen buit dan mij, de mijnen. Dus, heil ù,
+Die ver van die verslinders wordt verbannen!
+Doch wie komt met mijn broeder Marcus daar?
+
+(Marcus en Lavinia komen op.)
+
+MARCUS. Titus, bereid uw edel oog tot weenen,
+Of kunt gij 't niet, uw edel hart tot breken;
+'k Voeg bij uw ouderdom verterend wee.
+
+TITUS. Zal 't mij verteren? laat het mij dan zien.
+
+MARCUS. Dit was uw dochter.
+
+TITUS. Marcus, zij is 't nog.
+
+LUCIUS. Wee mij, die aanblik doodt mij.
+
+TITUS. Zwakhartig jong'ling, rijs, en zie haar aan.--
+Lavinia, spreek! wat vloekb're hand heeft u
+Handloos gemaakt voor de oogen van uw vader?
+Wat zotskap goot ooit water bij de zee,
+Of wierp in Troja's laaien brand een mutsaard?
+Hoog was mijn leed gestegen, eer gij kwaamt,
+Thans spot het als de zee met elken dam.--
+Geef mij een zwaard, dan kappe ook ik mijn handen,
+Wijl zij voor Rome streden, en vergeefs,
+En, 't lijf verzorgend, dezen jammer voedden;
+Tot ijd'le beden hief ik haar omhoog,
+Zij dienden mij tot nutteloos gebruik;
+Geen dienst meer eisch ik thans van haar dan deze,
+Dat de eene helpe om de andere af te kappen.--
+Goed is 't, dat gij geen handen hebt, Lavinia;
+In dienst van Rome helpen handen niets.
+
+LUCIUS. Spreek, lieve zuster, wie heeft u gemarteld?
+
+MARCUS. Helaas! dat lieflijk werktuig der gedachten,
+Dat die zoo zoet en zoo welsprekend uitte,
+Is weggereten uit de schoone kooi,
+Waar 't als een vogel melodieën zong,
+Toonrijk, welluidend, ieder oor betoov'rend!
+
+LUCIUS. Zeg gij voor haar dan, wie dit stuk bedreef.
+
+MARCUS. O, 'k vond haar zoo, omdwalend in het woud
+En pogend weg te schuilen, als een ree,
+Die een onheelb're wond ontvangen heeft.
+
+TITUS. Zij was mijn ree; wie haar verwondde, heeft
+Mij erger dan een doodwond toegebracht.
+Nu sta ik hier, als iemand op een klip,
+Omgordeld door een woestenij van zee,
+Die 't wassend tij met golf op golf ziet stijgen,
+En immer wacht, dat fluks de felle branding
+Hem zal verzwelgen in haar zilten schoot.
+Ginds zijn mijn arme zoons ter dood gegaan;
+Hier staat mijn and're zoon als banneling,
+En hier mijn broeder, weenend om mijn wee;
+Maar wat het felst mijn ziele grieft, mijn dierb're
+Lavinia is 't, mij dierb'rer dan mijn ziel;--
+Hadde ik uw beelt'nis zoo verminkt gezien,
+Het had mij dol gemaakt; wat word ik thans,
+Nu ik uw levend wezen zoo aanschouw?
+Geen handen hebt ge om tranen af te wisschen,
+Geen tong om wie u martelde ooit te noemen;
+Uw gade is dood, en om zijn dood uw broeders
+Veroordeeld en voorzeker nu reeds dood.
+Zie, Marcus; ach, zoon Lucius, zie haar aan;
+Nu ik haar broeders noem, staan op haar wangen
+Weer versche tranen, als een zoete dauw
+Op een geplukte en schier verlepte lelie.
+
+MARCUS. Zij weent wellicht, wijl zij haar gade doodden,
+Wellicht ook, wijl zij hen onschuldig weet.
+
+TITUS. Zoo zij uw gade doodden, wees dan blijde,
+Dat nu de wet zich met de wraak belast.--
+Neen, neen, zij deden zulk een wandaad niet;
+'t Leeddragen van hun zuster tuigt voor hen.--
+Lavinia-lief, laat mij uw lippen kussen,
+Of zeg door teekens, hoe ik troosten kan.
+Of zullen wij, uw oom, uw broeder Lucius,
+Gij, ik, te zamen aan een beek gaan zitten,
+Er in zien ter beschouwing onzer wangen,
+Hoe die ontkleurd zijn, als nog vochte weiden,
+Waar pas een stroom zijn slib op achterliet?
+En staren wij dan zoo lang in de beek,
+Totdat zijn helder nat niet zoet meer smaakt,
+En ziltig werd van onze bitt're tranen?
+Of kappen we onze handen af als de uwe?
+Of bijten we ons de tong af en doorleven
+In stom gebaar des levens droeve rest?
+Wat doen wij? Spreekt! laat ons, die tongen rijk zijn,
+Een schrander plan van verd're ellend ontwerpen,
+Opdat we een wonder zijn voor laat'ren tijd.
+
+LUCIUS. Mijn vader, stuit uw tranen; bij ons wee,
+Zie, hoe mijn arme zuster snikt en schreit.
+
+MARCUS. Stil, lieve nicht;--gij, Titus, droog uw oogen.
+
+TITUS. Ach, Marcus, Marcus! broeder, 'k weet te goed,
+Uw zakdoek kan geen traan van mij meer drinken,
+Want gij hebt zelf met de uwe hem gedrenkt.
+
+LUCIUS. Lavinia, kom, ik wisch uw wangen af.
+
+TITUS. Zie, Marcus, zie! Haar teekens zijn mij duid'lijk;
+Had zij een tong, zij zeide tot haar broeder
+Hetzelfde, wat ik u pas heb gezegd;
+Zijn zakdoek, nat van echte tranen, kan
+Niet dienen voor haar kommervolle wangen.
+Wat meegevoel! elks kommer is gelijk;
+Doch troost zoo ver, als heil van 't schimmenrijk!
+
+(Aaron komt weder op.)
+
+AARON. Mijn heer, de keizer--Titus Andronicus--
+Meldt u door mij, dat, zoo ge uw zoons bemint,
+Gij, oude Titus, Lucius, of gij, Marcus,
+Wie uwer ook, de hand zich af moog' houwen
+En aan den keizer zenden; daarvoor zendt
+Hij beide uw zoons u levend hier terug,
+En dit zal 't losgeld zijn voor hunne schuld.
+
+TITUS. O beste, goede keizer! vriendlijke Aaron!
+Zong ooit een raaf zoo zoet, gelijk een leeuwrik,
+Die 't heilnieuws meldt van de opkomst van de zon?
+Van ganscher hart zend ik mijn hand den keizer.
+Vriend Aaron, helpt gij mij om ze af te houwen?
+
+LUCIUS. Neen, vader! neen, die eed'le hand van u,
+Die zoo, zoo meen'gen vijand velde, mag
+Geen losprijs zijn; de mijne is goed genoeg.
+Mijn jeugd ontbeert veel lichter 't bloed; daarom
+Moog' mijne hand der broeders leven redden.
+
+MARCUS. Welke uwer handen, spreek, heeft Rome niet
+Behoed, de felle krijgsakst niet gezwaaid,
+Op 's vijands helm verdelging niet geschreven?
+O, geen van beide, die niet roemrijk was.
+Mijn hand heeft niets verricht; sta toe, dat zij
+Mijn beide neven vrijkoop' van den dood,
+Dan heb ik haar gespaard tot edel doel.
+
+AARON. Komt, wordt het eens, wiens hand ik medeneem;
+Zij sterven anders vóór 't genadewoord.
+
+MARCUS. Mijn hand zij losprijs.
+
+LUCIUS. Bij den hemel, neen!
+
+TITUS. Geen strijd meer; kruiden, zoo verwelkt als deze,
+Zijn rijp voor 't wieden; daarom zij 't mijn hand.
+
+LUCIUS. Gun, lieve vader, zoo 'k uw zoon zal heeten,
+Dat ik mijn broeders van den dood bevrijd.
+
+MARCUS. Om onzes vaders, onzer moeder wil,
+Moge ik mijn broederliefde u thans betoonen!
+
+TITUS. Zoo wordt het samen eens; ik spaar mijn hand.
+
+LUCIUS. Nu, dan haal ik een bijl.
+
+MARCUS. Maar ik gebruik die bijl.
+
+(Lucius en Marcus af.)
+
+TITUS. Kom, Aaron, kom; die twee wil ik bedriegen;
+Leen mij uw hand, dan geef ik u de mijne.
+
+AARON (ter zijde). Heet dit bedrog, dan word ik eerlijk man,
+En nimmer zal ik zoo een mensch bedriegen;--
+Doch u bedrieg ik op een and're wijs;
+En geen half uur zal om zijn, eer gij 't zegt.
+
+(Hij houwt Titus' hand af.)
+
+(Lucius en Marcus komen terug.)
+
+TITUS. Uit hebbe uw twist; gedaan is, wat te doen was.--
+Vriend Aaron, geef zijn majesteit mijn hand,
+Zeg hem, dit was een hand, die hem voor duizend
+Gevaren hoedde; dat hij haar begraav';
+Haar loon moest grooter zijn, maar dit erlang' zij.
+En wat mijn zoons betreft, zeg, dat ik hen
+Kleinodiën acht, tot kleinen prijs verworven,--
+En toch wel duur; 't was 't mijne, wat ik kocht.
+
+AARON. Ik spoed mij, Andronicus; en welras
+Zult gij uw beide zoons weer bij u zien.
+(Ter zijde.) Hun hoofden, meen ik.--O, die schurkenstreek
+Laaft, voedt mij reeds, nu ik er slechts aan denk!
+Dat goeddoen narren, bidden blanken sticht';
+Doch Aarons ziel zij zwart als zijn gezicht!
+
+(Aaron af.)
+
+TITUS. O, hier hef ik deze eene hand ten hemel,
+En deze zwakke stomp hang' neer,--ter aard.
+Heeft een'ge macht met arme tranen deernis,
+Die roep ik aan.--(Tot Lavinia.) Wat! wilt gij met mij knielen?
+Ja, goed; de hemel moet ons smeeken hooren,
+Of wij ontglanzen 't hemelwelf met zuchten
+En dooven 't licht der zon met damp als wolken,
+Die soms haar hullen in haar vochten schoot.
+
+MARCUS. O broeder, spreek toch van wat moog'lijk is,
+En barst niet uit in maatloos diepe klachten!
+
+TITUS. Is dan mijn leed niet diep en bodemloos?
+Zoo bodemloos moge ook mijn jamm'ren zijn.
+
+MARCUS. Maar dat de rede toch uw klacht beheersch'!
+
+TITUS. Indien er reden waar voor deze ellenden,
+Dan kerkerde ik in perken al mijn wee.
+Stroomt de aard niet over, als de hemel weent?
+En, raast de storm, wordt dan de zee niet dol,
+Zwelt haar gelaat niet op, 't gewelf bedreigend?
+En eischt gij reden nog voor dezen storm?
+Ik ben de zee, hoor, hoe haar zuchten razen!
+Zij is het weenend hemelwelf, ik de aard;
+Zoo moet mijn zee wel van haar zuchten zwalpen;
+Zoo moet mijn aarde van haar eindloos weenen
+Een zondvloed worden, overstroomd, bedolven.
+Mijn ingewand kan al dit wee niet bergen;
+Ik spuw het uit, gelijk een dronkaard doet.
+Vergunt mij dit; vergund wordt den verliezer,
+Dat hij met bitt're tong zich lucht verschaff'.
+
+(Een Bode komt op, met twee hoofden en een hand.)
+
+BODE. Eed'le Andronicus, slecht vergeldt men u
+Die goede hand, die gij den keizer zondt.
+Hier zijn de hoofden van uw eed'le zoons,
+En hier uw hand, met hoon u weergezonden;
+Uw smart hun spel, uw kloeke moed hun spot.
+Dit wee is mij, bij 't denken aan uw wee,
+Meer leed dan 't denken aan mijns vaders dood.
+
+(De Bode af.--Titus bezwijmt.)
+
+MARCUS. Sicilië's gloeiende Ætna moog' verkoelen,
+Mijn hart zij nu een eeuwig laaie hel!
+Dit leed is grooter dan te dragen is.
+Meêschreien met die schreien brengt wel troost,
+Maar leed, door hoon verscherpt, is dubb'le dood.
+
+LUCIUS. Ach, dat deze aanblik zoo diepgrievend is,
+En toch 't gehate leven niet ontvliedt!
+Dat nu de dood het leven leven nog
+Laat heeten, schoon het niets dan aad'men is.
+
+(Lavinia kust Titus.)
+
+MARCUS. Arm kind, die kus brengt heul noch troost, zoomin
+Als ijskoud water een verkilde slang.
+
+TITUS. O, wanneer neemt die schrikb're slaap een eind?
+
+MARCUS. O zoet bedrog, vaar heen; sterf, Andronicus.
+Dit is geen droom; zie uwer zonen hoofden,
+Uw dapp're hand hier, uw verminkte dochter,
+Uw andren zoon als balling, wien deze aanblik
+Bleek, bloed'loos maakt; en zie uw broeder, mij,
+Hier als een steenen beeld, zoo koud en roerloos.
+O, thans zal ik uw klachten niet meer stremmen.
+Ruk uit uw zilv'ren haar; knaag de and're hand
+Vrij met uw tanden; en dit schriktooneel
+Sluite ons voor goed de onzalige oogen toe!
+Kom, nu is 't razenstijd; wat zwijgt ge nu?
+
+TITUS. Ha, ha, ha!
+
+MARCUS. Wat lacht gij nu? dit past niet bij deze ure.
+
+TITUS. Ik heb geen tranen meer te storten over;
+En dan, die jammer is een vijand, die
+Mijn vochtige oogen overmeest'ren wil,
+Ze door een cijns van tranen blind wil maken;
+Hoe vond ik dan den weg naar 't hol der wraak?
+Ja, want mij is 't, als spraken die twee hoofden,
+En dreigden, dat ik nimmer zalig wordt,
+Eer al die gruw'len ruim vergolden zijn,
+Diep in den strot van hen, die ze begingen.
+Kom, laat mij zien, wat taak ik heb te doen.--
+Gij zwaar bezochten, schaart u om mij heen,
+Opdat ik mij tot ieder uwer keere
+En aan mijn ziele zweer', uw leed te wreken.--
+Ik deed dien eed.--Kom, broeder, neem een hoofd;
+In deze hand wil ik het ander dragen.
+Ook gij, Lavinia, krijgt hier iets te doen,
+Draag gij mijn hand, lief kind, met uwe tanden.
+En gij, mijn jongen, spoed u uit mijn oog;
+Gij zijt een balling; dralen moet gij niet.
+IJl tot de Gothen, zamel daar een leger;
+Hebt gij mij lief,--ik denk, dat gij het doet,--
+Zoo kus me en ga, want deze zaak wil spoed.
+
+(Titus, Marcus en Lavinia af.)
+
+LUCIUS. Vaar, Andronicus, eed'le vader, wel,
+Rampzaligst man, die ooit in Rome leefde!
+Vaarwel, trotsch Rome; u laat, tot hij hier keert,
+Thans Lucius panden, dierb'rer dan zijn leven!
+Vaar gij, Lavinia, eed'le zuster, wel;
+O waart gij als gij vroeger zijt geweest!
+Doch thans leeft Lucius, leeft Lavinia niet,
+Dan in vergetelheid en naamloos wee.
+Zoo Lucius leeft, dan wreekt hij ras uw smaad;
+De trotsche Saturninus en zijn gade,
+Zij zullen door hem beed'len aan de poorten,
+Als eens Tarquinius en zijn koningin.
+Thans naar de Gothen; 'k zamel daar een macht,
+Die mij op Rome en Saturninus wreek'.
+
+(Lucius af.)
+
+
+
+TWEEDE TOONEEL.
+
+
+Een vertrek in Titus' huis. Een maal is aangericht. Titus,
+Marcus, Lavinia, en de jonge Lucius, een knaap, komen op.
+
+TITUS. Kom, zet u thans, doch eet alleen zooveel,
+Als ons voldoende kracht bewaren kan
+Om wraak te nemen voor ons bitter wee.
+Marcus, kruis niet in smart uw armen zoo;
+Uw nicht en ik, wij armen, missen handen,
+En kunnen ons tienvoudig leed niet klagen
+Met armgekruis. Deze arme rechterhand
+Bleef mij alleen om op mijn borst te woeden;
+En als mijn hart, waanzinnig van ellend,
+Bonst in den hollen kerker van mijn vleesch,
+Dan sla ik zoo het neer.
+
+(Tot Lavinia.) Gij kort begrip van leed, die spreekt in teekens,
+Als uw arm hart zoo bonst met woeste slagen,
+Kunt, gij het, ach! ter stilling niet zoo slaan.
+Verwond het, kind, met zuchten, snik het dood
+Of vat een vlijmend mes met uwe tanden
+En boor ter plaatse van uw hart een wond,
+Opdat der oogen gansche tranenstroom
+In deze groeve vliete en, ingezogen,
+'t Arm klagend hart verdrinke in zilten vloed.
+
+MARCUS. Foei, broeder! leer haar niet zoo gewelddadig
+Aan 't teeder leven de eigen hand te slaan.
+
+TITUS. Wat, deed het leed u reeds een suffer zijn?
+Geen mensch heeft recht om dol te zijn, dan ik.
+Hoe kan zij aan zichzelf de handen slaan?
+Wat rept gij weer van handen; vraagt gij niet
+Æneas tweemaal zijn verhaal te doen,
+Hoe Troje brandde en hij rampzalig werd?
+O handel hiervan niet, spreek niet van handen,
+Want dan herdenken we immer ons gemis.
+Foei, foei! het is, of waanzin mij doet spreken,
+Alsof wij ons gemis vergeten konden,
+Zoo Marcus ons maar niet van handen sprak!--
+Komt, vangen we aan; en gij, lief kind, eet dit.--
+Hier is geen drinken. Marcus, hoor haar spreken,
+Ik kan de tolk zijn voor haar mart'laarsteekens.
+Zij zegt: zij drinkt geen andren drank dan tranen,
+Uit leed gebrouwen, op haar wang gemengd.
+Gij stomme klaagster, 'k wil uw taal verstaan.
+Mij zullen uw gebaren zoo vertrouwd
+Als bedelkluiz'naars hun gebeden zijn.
+Zoo gij slechts zucht, uw stompen heft ten hemel
+Slechts wenkt of knikt of knielt, een teeken geeft,
+Zal ik uit deze een alphabet mij vormen,
+Door stadige oef'ning weten wat gij meent.
+
+DE JONGE LUCIUS. Grootvader, staak uw bitt're jammerklachten,
+En troost mijn moei eer met een fraai verhaal.
+
+MARCUS. Ach, diepgeroerd betreurt de teed're knaap
+Grootvaders wee, nu hij zijn wanhoop ziet.
+
+TITUS. Stil, teêre spruit, gij zijt gemaakt uit tranen;
+En tranen smelten ras uw leven weg.--
+
+(Marcus stoot met zijn mes in den schotel.)
+
+Waar stoot gij heftig met uw mes naar, Marcus?
+
+MARCUS. Naar iets wat ik gedood heb,--naar een vlieg.
+
+TITUS. Foei, schaam u, moord'naar! mij doodt gij het hart.
+Mijn oogen zijn verzaad van 't zien van gruw'len;
+Een moord, op een onschuldige volbracht,
+Staat Titus' broeder slecht. Neen, ga van hier;
+Ik zie, wij passen voor elkander niet.
+
+MARCUS. Ach, Titus, 't was een vlieg slechts, die ik doodde.
+
+TITUS. Maar stel, zij had een vader en een moeder,
+Hoe lieten die de gouden wiekjes hangen
+En gonsden in de lucht hun jammerklacht!
+Die arme schuldelooze vlieg!
+Zij kwam om ons een aardig lied te gonzen,
+Ons te verheugen; en nu doodt gij haar!
+
+MARCUS. Vergeef mij; 't was een zwart en leelijk dier,
+De Moor der keizerin schier; daarom doodde ik 't.
+
+TITUS. O, o, o!
+Vergeef dan mij, dat ik u heb gegispt,
+Want dan hebt gij een vrome daad gedaan.
+Geef mij uw mes, opdat ik haar bespot,
+Mijn geest misleid', dat dit de Moor geweest is,
+Die zelf hier kwam, om mij vergif te reiken.--
+
+(Hij stoot met het mes.)
+
+Hier, dit voor u, en dat voor Tamora!
+Ja, knaap!
+Zoo diep zijn wij nog niet gezonken, hoop ik,
+Dat wij geen vlieg meer kunnen dooden, die
+Hier komt, op een koolzwarten Moor gelijkend.
+
+MARCUS. Die arme man, zijn leed beheerscht hem zoo,
+Dat hij de schaduw voor het wezen neemt.
+
+TITUS. Komt, ruimt hier weg.--Lavinia, ga met mij
+In uw vertrek; daar leze ik met u treur'ge
+Verhalen van 't gebeurde in de' ouden tijd.--
+Kom, knaap, ga mede; uw oog is jong, en gij
+Moogt lezen, als het mijne neev'lig wordt.
+
+(Allen af.)
+
+
+
+
+
+VIERDE BEDRIJF.
+
+EERSTE TOONEEL.
+
+
+Rome. De tuin van Titus' huis.
+
+Titus en Marcus komen op, daarna de jonge Lucius, gevolgd door
+LAVINIA.
+
+JONGE LUCIUS. Grootvader, help! mijn moei Lavinia volgt
+Mij overal en waarom weet ik niet.--
+Oom Marcus, zie! o zie, hoe snel zij komt!--
+Ach, lieve moei, ik weet niet wat gij meent.
+
+MARCUS. Kom, Lucius, blijf! wees voor uw moei niet bang.
+
+TITUS. Zij heeft u, knaap, te lief, om u te deren.
+
+JONGE LUCIUS. Toen vader nog in Rome was, ja zeker.
+
+MARCUS. Wat wil Lavinia toch met die gebaren?
+
+TITUS. Ducht, Lucius, niets; zij heeft een doel hiermeê.
+Zie, Lucius, zie, hoe zij op u gesteld is;
+Zij wil, dat ge ergens met haar medegaat.
+O knaap, Cornelia las niet vlijtiger
+Haar zonen voor, dan zij met u gedichten
+En Cicero's Orator heeft gelezen.
+
+MARCUS. Kunt gij niet gissen, wat zij van u wil?
+
+JONGE LUCIUS. Voorwaar, ik weet het niet en kan 't niet gissen,
+Tenzij een vlaag van waanzin haar beving;
+Want overmaat van smart,--dit zeide mij
+Grootvader,--kan een mensch waanzinnig maken;
+En 'k las ook wel, dat Hecuba van Troje
+Van kommer dol werd, en dit bracht mij angst,
+Hoewel ik weet, oom, dat mijn eed'le moei
+Mij even lief heeft als mijn moeder ooit,
+En nimmer, dan in woede, zou doen schrikken.
+In de' angst wierp ik mijn boeken weg, en vlood,
+Recht dwaas misschien.--Vergeef mij, lieve moei;
+'k Beloof u, zoo oom Marcus met mij gaat,
+Ben ik geheel en gaarne tot uw dienst.
+
+MARCUS. Goed, Lucius, 'k wil wel.
+
+(Lavinia slaat de boeken om, die Lucius liet vallen.)
+
+TITUS. Hoe is 't, Lavinia?--Marcus, spreek, wat wil zij?
+Er moet een boek zijn, dat zij wenscht te zien.--
+Is 't een van deze, kind?--Doe ze open, knaap.--
+Maar gij zijt meer belezen, hebt meer oef'ning;
+Dus, doe een keus uit heel mijn boekerij,
+En leid uw kommer af, totdat de hemel
+Den gruwb'ren euveldader openbaart.--
+Welk boek?--
+Wat heft zij bij herhaling de armen op?
+
+MARCUS. Ik denk, zij meent, dat aan de wandaad meerd'ren
+Meêplichtig waren;--ja zeker, meerd'ren waren 't;--
+Of wel, zij heft ze hemelwaarts om wraak.
+
+TITUS. Welk boek is 't, Lucius, dat zij daar zoo aanstoot?
+
+JONGE LUCIUS. Ovidius is 't, het boek Metamorphosen,
+Dat mij mijn moeder schonk.
+
+MARCUS. Uit de andre zoekt zij
+Dit moog'lijk uit, ter liefde van de doode.
+
+TITUS. Stil, zie, wat bladert zij er haastig in!
+Help haar!--Wat zoekt gij?--Moet ik 't lezen, kind?--
+Dit is 't verhaal van Philomela's jammer,
+Van Tereus' boos verraad en vrouweschennis;
+In schennis, vrees ik, wortelt uw ellend'.
+
+MARCUS. Zie, broeder, zie, hoe ze op die bladen tuurt!
+
+TITUS. Lavinia, heeft men u zoo overvallen,
+Geschonden en gekrenkt als Philomela,
+In 't onbarmhartig, groot en donker woud?--
+Zie, zie!--
+Ja, waar wij jaagden, was er zulk een plaats,--
+O hadden wij er nooit, er nooit gejaagd!--
+Geheel als die de dichter hier beschrijft,
+Voor moord en schennis door natuur geschapen.
+
+MARCUS. Hoe kan natuur zoo booze krochten scheppen,
+Zoo gruw'len niet voor goden streelend zijn?
+
+TITUS. Wijs aan, lief kind, want hier zijn niets dan vrienden,
+Meld, welk Romein die daad bedrijven dorst;
+Sloop Saturninus weg, zooals Tarquinius,
+Ter schennis van Lucretia, 't kamp verliet?
+
+MARCUS. Zit naast mij, lieve nicht, en gij ook, broeder.--
+Apollo, Pallas, Jupiter, Mercurius,
+Beziel mij, dat ik 't wanbedrijf ontdekk'!--
+Zie hier, mijn broeder;--zie, Lavinia, zie;
+De zandplek hier is vlak en effen; kunt gij,
+Zoo doe dit na.
+
+(Hij schrijft zijn naam in het zand met zijn stok, dien hij met den
+mond vasthoudt en met de voeten geleidt.)
+
+ Zoo heb ik hier mijn naam
+Geschreven zonder een'ge hulp der handen.
+Gevloekt zij hij, die tot den vond ons dwong!--
+Schrijf gij nu, lieve nicht; onthul ons eind'lijk,
+Wat God ter wrake wis onthuld wil zien.
+De hemel leide uw pen tot duidelijk schrift,
+Opdat wij 't schelmstuk en de daders kennen.
+
+(Lavinia neemt den stok in haar mond, geleidt hem met haar stompen,
+en schrijft.)
+
+TITUS. O lees, mijn broeder, lees, wat zij daar schreef!
+"Stuprum--Chiron--Demetrius".
+
+MARCUS. Wat, wat!--de wulpsche zoons van Tamora
+Bedrijvers van dit snood en bloedig doen?
+
+TITUS. Magni dominator poli,
+Tam lentus audis scelera? tam lentus vides?
+
+MARCUS. O kalm, mijn vriend, blijf kalm, al weet ook ik,
+Dat hier op de aard genoeg geschreven staat
+Om 't zachtst gemoed tot oproer aan te prikk'len,
+En kind'ren luide kreten te doen slaken.
+Kniel neder, vriend, met mij; Lavinia, kniel;
+En knaap, kniel ook, gij hoop van Rome's Hector;
+En zweert met mij,--zooals met de' armen gade
+En vader der onteerde kuische vrouw
+Eens na Lucretia's schennis Brutus zwoer,--
+Dat wij een dood'lijke, overlegde wraak
+Op deze snoode Gothen nemen zullen,
+Hun bloed zien,--of zelf sterven, laf, onteerd.
+
+TITUS. 't Waar' zeker, ja, wist gij te zeggen, hoe;--
+Pas op, als gij die berenwelpen jaagt;
+Want de oude ontwaakt, als zij uw naad'ring ruikt;
+Ze is eng verbonden met den leeuw en maakt
+Hem spelend, liggend op den rug, in slaap;
+En als hij slaapt, dan doet zij wat zij wil.
+Laat af, gij zijt een jonge jager, Marcus;
+En kom, ik wil een koop'ren blad gaan halen,
+Met stalen stift die woorden er op griff'len,
+En 't zoo bewaren. Noorderstorm verwaait
+Dit zand ras, als de bladen der Sibylle,
+En waar is dan 't vermaan?--Knaap, wat zegt gij?
+
+JONGE LUCIUS. Ik zeg, dat, zoo ik man was, hunner moeder
+Slaapkamer wis geen vrijplaats wezen zou
+Voor deze aan Rome's juk ontglipte schurken.
+
+MARCUS. Mijn jongen is hij! Knaap, uw vader heeft
+Voor zijn ondankbaar land aldus gekampt.
+
+JONGE LUCIUS. Nu, oom, zoo doe ik, blijf ik leven, ook.
+
+TITUS. Kom met mij in mijn wapenzaal, daar rust ik
+U, Lucius, kostlijk toe, want gij, mijn knaap,
+Moet fluks aan beide zoons der keizerin
+Geschenken brengen, die ik zenden wil.
+Kom! vlug! Niet waar, gij wilt die boodschap brengen?
+
+JONGE LUCIUS. Grootvader, ja, mijn dolk in hunne borst.
+
+TITUS. Neen, knaap, niet zoo; ik leer u anders doen.
+Lavinia, kom!--Marcus, let op mijn huis;
+Lucius en ik, wij gaan ten hove pralen;
+Wij willen 't, ja, en hulde brengt men ons.
+
+(Titus, Lavinia en de jonge Lucius af.)
+
+MARCUS. O Hemel! kunt ge een brave hooren jamm'ren,
+En geen erbarmen toonen met zijn lot?
+Marcus, let bij zijn waanzin goed op hem,
+Wiens hart meer wonden heeft van bitter leed,
+Dan zijn gebutste beuk'laar vijandsmerken;
+En toch zoo vroom, dat hij geen wraak wil nemen!--
+Neemt, heem'len, gij voor Andronicus wraak!
+
+(Marcus af.)
+
+
+
+TWEEDE TOONEEL.
+
+
+Aldaar. Een vertrek in het paleis.
+
+Van de eene zijde komen op: Aaron, Demetrius en Chiron; van de
+andere zijde de jonge Lucius en een Dienaar, met een bundel wapens
+en daarop geschreven verzen.
+
+CHIRON. Demetrius, daar is de zoon van Lucius;
+Hij komt een boodschap aan ons overbrengen.
+
+AARON. Een dolle boodschap van dien dollen oude!
+
+JONGE LUCIUS. Met allen mogelijken deemoed, heeren,
+Breng ik u Andronicus' heuschen groet:--
+(Ter zijde.) En bid, dat Rome's goden u verderven.
+
+DEMETRIUS. Dank, goede Lucius, wat hebt gij voor nieuws?
+
+JONGE LUCIUS (ter zijde). Het nieuws is, dat gij beiden zijt
+ontmaskerd
+Als schurken en verkrachters.--(Luid.) Het behage u:
+Grootvader zendt na rijp beraad door mij
+De beste klingen uit zijn wapenzaal
+U hier, als hulde aan uw hoogeed'le jeugd,
+De hoop van Rome; dit toch moet ik zeggen,
+En doe dit thans, en bied u, eed'le heeren,
+Zijn gaven aan, opdat gij steeds, zoodra
+Gij dit behoeft, voortreff'lijk zijt gewapend;
+'k Zeg u vaarwel, (Ter zijde.) als bloedig schurkenpaar.
+
+(De jonge Lucius en zijn Dienaar af.)
+
+DEMETRIUS. Wat zit daar om? een reep rapier, beschreven?
+Laat zien.
+
+ "Integer vitæ, scelerisque purus,
+ Non eget Mauri jaculis, nec arcu".
+
+CHIRON. Een vers is 't uit Horatius, ik ken het;
+Ik las het in mijn spraakkunst, lang geleên.
+
+AARON. Een vers is 't uit Horatius, ja juist.
+(Ter zijde). Wat zijn er toch voor ezels in de wereld!
+Dit is geen scherts; de grijsaard heeft hun schuld
+Ontdekt en zendt hun wapens nu, met regels,
+Die, zonder dat zij 't merken, diep verwonden;
+Doch waar' de schrand're keizerin nu wèl,
+Zij juichte 't plan van Andronicus toe;
+Doch laten wij haar onrust nu in rust.
+(Luid.) Was 't, jonge vrienden, niet een goed gesternte,
+Dat ons naar Rome voerde, als vreemden, ja,
+Als krijgsgevang'nen, en ons zoo verhoogde?
+Het deed mij goed, voor 't slot hier den tribuun,
+En in zijns broeders bijzijn, fier te trotsen.
+
+DEMETRIUS. Mij nog meer goed, dat zulk een machtig heer
+Zoo laf ons vleit, ons zulke giften zendt.
+
+AARON. Nu, had hij, prins Demetrius, geen reden?
+Hebt gij zijn dochter niet recht lief behandeld?
+
+DEMETRIUS. O hadden wij van Rome een duizend schoonen
+In zulk een val, om onzen lust te boeten!
+
+CHIRON. Een vrome, liefdevolle wensch voorwaar!
+
+AARON. Ware uwe moeder hier, zij sprak het Amen.
+
+CHIRON. Dan deed zij 't wis voor twintig duizend meer.
+
+DEMETRIUS. Kom, gaan wij, bidden wij tot alle goden,
+Dat ze onze moeder bijstaan in haar nood.
+
+AARON (ter zijde). Roept duivels aan; de goden haten ons.
+
+(Trompetgeschal.)
+
+DEMETRIUS. Wat blazen de trompetten daar des keizers?
+
+CHIRON. Waarschijnlijk heeft de keizer thans een zoon.
+
+DEMETRIUS. Stil, wie komt daar?
+
+(Een Voedster komt op met een Moorenkind.)
+
+VOEDSTER. Gegroet, gij prinsen! 'k bid u, mij te zeggen,
+Waar Aaron is, de Moor, doch ras!
+
+AARON. Komaan, wat is 't, wat roept gij moord en brand?
+Aaron is hier; wat wilt gij nu van Aaron?
+
+VOEDSTER. Ach, Aaronlief! verloren zijn wij allen!
+Help ons, of wee op wee dale op uw hoofd!
+
+AARON. Welnu, wat mauwt en schreeuwt gij zoo? wat houdt gij
+Daar zoo omhuld, verborgen in uw armen?
+
+VOEDSTER. Wat ik voor 's hemels oogen liefst verborg;
+De schande der vorstin, de smaad van Rome.--
+Zij is verlost, mijn heeren, ze is verlost.
+
+AARON. Van wat?
+
+VOEDSTER. Zij kwam in 't kinderbed, bedoel ik.
+
+AARON. God geev' haar zoete rust! Wat zond Hij haar?
+
+VOEDSTER. Een duivel.
+
+AARON. Nu, dan is zij 's duivels moêr; Een vroolijk
+wicht!
+
+VOEDSTER. Een vreugd'loos, aak'lig, zwart en droevig wicht.
+Hier is het kind, zoo leelijk als een pad
+Te midden van de blanken van ons land;
+De moeder zendt het u, uw beeld en zegel,
+En wil, dat gij het met uw dolkspits doopt.
+
+AARON. Foei, slet! is zwart een zoo gehate kleur?--
+Zoet bekje', een lieflijk bloempje zijt gij, ja.
+
+DEMETRIUS. Schurk, wat hebt gij gedaan?
+
+AARON. Wat gij niet ongedaan maakt.
+
+CHIRON. Smaad deedt gij onze moeder aan.
+
+AARON. Vreugd deed ik uwe moeder aan.
+
+DEMETRIUS. En daardoor, helsche hond, deedt gij haar smaad aan.
+Wee 't booze lot! vervloekt haar zwarte keus!
+Vervloekt de spruit van zulk een boozen duivel!
+
+CHIRON. 't Wicht zal niet leven.
+
+AARON. Sterven zal het niet.
+
+VOEDSTER. 't Moet sterven, Aaron; zoo beveelt de moeder.
+
+AARON. Wat! moet het, voedster? dan zij ik 't alleen,
+Die beulsplicht oefen aan mijn vleesch en bloed.
+
+DEMETRIUS. Ik rijg de donderpad aan mijn rapier;
+Hier, voedster, geef; mijn zwaard maakt fluks het af.
+
+AARON. Eer tornt dit zwaard uw ingewanden op.
+
+(Hij neemt aan de Voedster het kind af en trekt zijn zwaard.)
+
+Stil, moordgeboefte, wilt ge uw broeder dooden?
+Nu, bij des hemels kaarsen, die zoo helder
+Licht gaven bij 't verwekken van dit jongsken,--
+Wie hem, mijn oudsten zoon en erfgenaam,
+Aanroert, sterft op mijn scherpe degenspits.
+Ik zeg u, knapen, niet Enceladus,
+Met heel zijn felle Typhonsbroedsel-bende,
+Noch groote Alcides, noch de god des krijgs,
+Rukt uit zijns vaders handen hem als prooi.
+Wat, wat! gij roodgetinte, laffe knapen,
+Gij witte wanden, bierhuisuithangteekens!
+Koolzwart is beter dan elke and're kleur,
+Omdat het weigert and're kleur te dragen;
+Want al het water van de zee kan nimmer
+Den zwarten voet des zwaans in wit verand'ren,
+Al wascht hij uur op uur dien in den stroom.
+Zeg aan de keizerin, 'k ben mans genoeg
+Om 't mijne te behoeden; dit gedoog' zij.
+
+DEMETRIUS. Verraadt gij zoo uw eed'le meesteres?
+
+AARON. Zij is mijn meesteresse, dit ikzelf;
+De kracht is 't en de beelt'nis mijner jeugd;
+Dit schat ik hooger dan de gansche wereld;
+Kwam ook de wereld in verzet, dit hoede ik,
+Of veler bloed in Rome dampt er voor.
+
+DEMETRIUS. Dit werpt op onze moeder eeuw'gen smaad.
+
+CHIRON. Haar booze misstap maakt haar Rome's afschuw.
+
+VOEDSTER. In woede doemt de keizer haar ter dood.
+
+CHIRON. Ik bloos, wanneer ik aan haar schande denk.
+
+AARON. Nu ja, dit is het voorrecht uwer schoonheid;
+'t Is een verraderskleur, die,--foei!--door blozen
+Des harten roersels, ieder plan onthult;
+Dit is een jonge knaap van ander uitzicht;
+Zie, hoe de zwarte schelm zijn vader toelacht,
+Als was zijn zeggen: "Vader, ik ben de uwe."
+Hij is uw broeder, prinsen; blijkbaar voedde
+Hem 't eigen bloed, dat u het leven schonk;
+En uit dien schoot, die u in hechtnis hield,
+Werd hij bevrijd en aan het licht gebracht;
+Uw broeder is hij van den zeek'ren kant,
+Ofschoon zijn aangezicht mijn stempel draag'.
+
+VOEDSTER. Aaron, wat meld ik aan de keizerin?
+
+DEMETRIUS. Schaf, Aaron, raad, wat er gedaan moet worden;
+Wij geven allen aan uw raad gehoor;
+Beveilig 't wicht, als wij slechts veilig zijn.
+
+AARON. Nu, zetten wij ons dan, om raad te plegen.
+Mijn zoon en ik slaan nauwgezet u ga;
+Blijf daar, en spreek naar lust van veiligheid.
+
+(Zij gaan zitten.)
+
+DEMETRIUS. Hoevele vrouwen zagen dit zijn kind?
+
+AARON. Ja, goed, mijn prinsen; zoo wij ons verbinden,
+Ben ik een lam; maar--poog den Moor te trotsen,
+En Aaron stormt, meer dan de woedende ever,
+Dan de leeuwin der bergen, de oceaan.--
+Maar spreek, hoe velen hebben 't kind gezien?
+
+VOEDSTER. Cornelia slechts, de vroedvrouw, en ikzelf,
+En ook de keizerin, maar niemand meer.
+
+AARON. De keizerin, de vroedvrouw en gijzelf;
+Twee zwijgen wel, wanneer de derde ontbreekt.
+Ga naar de keizerin; ziehier uw boodschap;
+
+(Hij doorsteekt de Voedster.)
+
+Quèk, quèk!--zoo schreeuwt een big, voor 't spit gekeeld.
+
+DEMETRIUS. Wat wilt gij, Aaron? waarom deedt gij dit?
+
+AARON. Wel man, voorzichtigheid gebood die daad.
+Wat! zou zij leven, deze schuld verraden?
+Dat praatziek, dat langtongig wijf? Neen, neen!
+En nu zult gij geheel mijn plan vernemen.
+Hier dicht bij woont mijn landsman Muliteus,
+Wiens vrouw de voor'ge nacht bevallen is;
+Het kind gelijkt op haar, is blank als gij;
+Gaat, praat met haar en geeft de moeder goud;
+Vertelt dat paar 't beloop der gansche zaak,
+En hoe hierdoor hun kind verhoogd zal worden
+En als des keizers erfgenaam erkend,
+En voor dit wicht van mij in plaats gesteld,
+Om dezen storm ten hove te bezweren;
+Dat wiege dan de keizer als zijn zoon.
+Hoort nog, gij ziet, ik gaf haar artsenij.
+
+(Op de Voedster wijzende.)
+
+En nu moet gij voor de begraaf'nis zorgen;
+'t Veld is nabij en gij zijt forsche knapen.
+Is dit gedaan, zorg dan niet lang te dralen,
+Maar zend terstond de vroedvrouw naar mij toe.
+Is, als de min, de vroedvrouw uit den weg,
+Dan mogen vrouwen praten wat zij willen.
+
+CHIRON. 'k Zie, Aaron, aan de lucht zelfs niet vertrouwt gij
+Geheimen toe.
+
+DEMETRIUS. Om deze zorg voor haar
+Zijn Tamora en wij u zeer verplicht.
+
+(Demetrius en Chiron af, het lijk der Voedster medesleepend.)
+
+AARON. Nu naar de Gothen met een zwaluwvlucht,
+Om daar den schat, dien ik hier houd, te bergen,
+En stil de vrienden der vorstin te groeten.--
+Kom hier, diklippig wicht, ik breng u weg;
+Want gij doet al die vonden ons bedenken.
+Van beziën en van wortels zult gij leven,
+Van melk en wrongel, zuigen van een geit
+En wonen in een grot; ik voed u op
+Tot krijgsman en gebieder van een leger.
+
+(Aaron af, met het Kind.)
+
+
+
+DERDE TOONEEL.
+
+
+Aldaar. Een openbaar plein.
+
+Titus komt op, pijlen dragend met brieven aan de spitsen; verder
+Marcus en zijn zoon Publius, de jonge Lucius en andere Edellieden,
+met bogen.
+
+TITUS. Kom, Marcus, kom.--Hier, neven, komt hierheen.
+Nu, knaap, laat thans eens kijken, hoe gij schiet;
+Trek stevig aan, dan treft de pijl haar doel.
+Terras Astraea reliquit:
+Ja, Marcus, denk: ze is weg, zij is gevloden.
+Gij, heeren, neemt uw werktuig. Neven, gij,
+Doorzoekt den oceaan en werpt uw netten,
+Of gij in zee haar vangt, hoewel--daar is
+Niet meer gerechtigheid dan op het land.--
+Neen, Publius en Sempronius, tijgt aan 't werk;
+Gij moet gaan zoeken met houweel en spade,
+En dringen door der aarde middelpunt;
+En komt gij zoo in Pluto's rijk, wilt dan,
+Ik bid u, hem dit smeekschrift overreiken;
+Zeg, dat het hem om recht en bijstand smeekt
+En van den ouden Andronicus komt,
+Wien leed diep schokt in dit ondankbaar Rome.--
+O Rome!--Ach, Rome, ik maakte u diep rampzalig;
+Ja toen, toen ik de stemmen wierf van 't volk
+Voor hem, die zulk een woestling is voor mij.--
+Gaat, spoedt u, doet met zorg uw plicht, en laat
+Geen krijgsschip ondoorzocht; misschien heeft haar
+De booze keizer weggescheept, en, neven,
+Dan kunnen we om gerechtigheid gaan fluiten.
+
+MARCUS. O Publius, is dit niet overtreurig,
+Uw eed'len oom zoo zinneloos te zien?
+
+PUBLIUS. En daarom, heer, is 't onze dure plicht,
+Hem dag en nacht zorgvuldig gâ te slaan
+En staag zijn luim, zooveel het kan, te vieren,
+Tot ons de tijd een heilzaam middel wijst.
+
+MARCUS. Ach neven, voor zijn kommer is geen heeling.
+IJlt tot de Gothen, en een krijg ter wrake
+Doe Rome voor den snooden ondank boeten,
+En straff' den valschen Saturninus streng.
+
+TITUS. Publius, hoe is 't? en heeren, spreekt, hoe is 't?
+Spreekt, hebt gij haar gevonden?
+
+PUBLIUS. Neen, oom, doch Pluto laat u zeggen, dat
+De hel de Wraak u toezendt, als gij 't wilt,
+Maar de Gerechtigheid zooveel te doen heeft,
+Hetzij bij Jupiter omhoog, 't zij elders,
+Dat gij op haar een poosje wachten moet.
+
+TITUS. Hij krenkt mij, door met uitstel mij te paaien.
+'k Wil duiken in den hellepoel omlaag;
+'k Haal bij de hielen haar uit de' Acheron.--
+Marcus, slechts struiken zijn wij, geene ceders,
+Geen forsche mannen van Cyclopenstal;
+Maar, Marcus, van metaal, staal door en door;
+Toch door meer leed dan torsbaar is, gebogen;
+Daar aard noch hel Gerechtigheid nu huisvest,
+Zoo smeeken wij ten hemel, dat de goden
+Haar nederzenden om ons wee te wreken.
+Aan 't werk nu, komt! Gij, Marcus, goede schutter,
+
+(Hij geeft hun de pijlen.)
+
+ Ad Jovem, die voor u;--hier ad Apollinem;--
+Ad Martem, die voor mij;--
+Hier, knaap, aan Pallas;--aan Mercurius deze;
+Deze aan Saturnus, vriend,--niet Saturninus,
+Want dat waar' zeker schieten in den wind.--
+Vlug, knaap;--gij Marcus, schiet, zoodra ik 't zeg.
+ Nu, op mijn woord, ik schreef niet te vergeefs.
+En liet geen enk'len god onaangeroepen.
+
+MARCUS. Schiet, vrienden, al uw pijlen in het hof;
+Dat zij den keizer krenken in zijn trots.
+
+TITUS. Nu, vrienden, schiet! (Zij schieten.) O Lucius, goed geraakt!
+Knaap, in den schoot der Virgo; dit geldt Pallas.
+
+MARCUS. Ik mik een mijl nu hooger dan de maan;
+Uw brief is nu alreeds bij Jupiter.
+
+TITUS. O Publius, zie, wat hebt gij nu gedaan?
+Gij schoot daar een van Taurus' horens af.
+
+MARCUS. Zoo was de grap, heer: toen daar Publius schoot,
+Stiet de vergramde Stier den ram zoo fel,
+Dat 's Rams twee horens vielen in het hof.
+Daar vond ze,--wie? de schurk der keizerin;
+Zij lachte en zeide tot den Moor, dat hij
+Die aan zijn heer moest geven als geschenk.
+
+TITUS. Zoo gaat het goed! God schenk' zijn hoogheid vreugd!
+
+(Een Boer komt op; hij draagt een mand met twee duiven.)
+
+Nieuws! uit den hemel! Marcus, zie, een bode!--
+Zoo, knaap, wat meldt gij? brengt gij brieven meê?
+Krijg ik mijn recht? Nu, wat zegt Jupiter?
+
+BOER. Wie? mijn buurman, de galgenmaker?
+hij zegt, dat hij het dwarshout er afgenomen
+heeft, want de man wordt niet voor de volgende
+week gehangen.
+
+TITUS. Maar wat zegt Jupiter? vraag ik nog eens.
+
+BOER. Ach, heer, ik ken dien Jupiter niet;
+ik heb nooit van mijn leven met hem gedronken.
+
+TITUS. Wat, kerel, komt gij hier niet met een boodschap?
+
+BOER. Ja, met mijn duiven, heer; met anders niets.
+
+TITUS. Wat, komt gij dan niet van den hemel?
+
+BOER. Van den hemel, heer? ach, daar ben
+ik nooit geweest. God beware, dat ik het gewaagd
+zou hebben, in mijn jonge jaren naar
+den hemel te dringen. Neen, ik ga met mijn
+duiven naar den Tribunal plebs, om een twist
+bij te leggen tusschen mijn oom en een van
+'s keizers dienaars.
+
+MARCUS. Wel, broeder, dit komt zoo goed,
+als het kan, voor het indienen van uw geschrift,
+laat hem de duiven uit uw naam aan den keizer brengen.
+
+TITUS. Zeg mij, kunt gij een geschrift met
+eenige gratie aan den keizer overreiken?
+
+BOER. Neen, zeker niet, heer, want ik heb
+van mijn leven nog geen gratie noodig gehad.
+
+TITUS. Nu knaap, treed nader. Maak maar geen bezwaar,
+En geef gerust uw duiven aan den keizer;
+Door mij zult gij van hem uw recht verkrijgen.
+Hier hebt ge intusschen voor uw moeite geld.--
+Geef pen en inkt hier.--Knaap, hoe is 't? Kunt gij
+Met gratie nu een smeekschrift overreiken?
+
+BOER. Ja, heer.
+
+TITUS. Dan hebt gij hier een smeekschrift voor
+u. En als gij bij hem komt, moet gij beginnen
+met voor hem te knielen, dan zijn voet kussen,
+dan uw duiven overreiken, en dan op uw loon
+wachten. Ik zal in de buurt zijn, man; zorg,
+dat gij het er goed afbrengt.
+
+BOER. Daar sta ik voor in, heer, laat mij maar begaan.
+
+TITUS. Knaap, hebt ge een mes? Kom, laat het mij eens zien.--
+Hier, Marcus, vouw 't verzoekschrift er om heen;
+Gij schreeft het als een need'rig smeekeling;--
+En klop, als gij 't den keizer hebt gegeven,
+Bij mij eens aan, en meld mij, wat hij zegt.
+
+BOER. Nu, God zij met u, heer; ik zal het doen.
+
+TITUS. Kom, Marcus, laat ons gaan.--Kom, Publius, volg mij.
+
+(Allen af.)
+
+
+
+VIERDE TOONEEL.
+
+
+Aldaar. Voor het Paleis.
+
+Saturninus, Tamora, Demetrius, Chiron, Edellieden en Anderen komen
+op, Saturninus met de pijlen in de hand, door Titus afgeschoten.
+
+SATURNINUS. Hoe vindt gij zulk een krenking? wie zag ooit
+In Rome een keizer zoo met overmoed
+En trots bejegend en om onpartijdig
+Rechtoef'nen op zoo grove wijs gehoond?
+Gij, heeren, weet, gelijk de groote goden,
+Dat,--wat ook vredestoorders mogen blazen
+In 't oor des volks,--er met de drieste zoons
+Van de' ouden Andronicus niets geschiedde,
+Dan volgens wet en recht. En schoon nu ook
+Zijn kommer zijn verstand hebbe overweldigd,
+Is 't wel te dulden, dat zijn bitterheid,
+Zijn wrok, zijn dolle waan ons zoo bedreigen?
+Hij schrijft den hemel thans, dat die hem wreke;
+Ziet, dit aan Jupiter, dit aan Mercurius,
+Dit aan Apollo, dit aan de' oorlogsgod;
+Fraai nieuws, om Rome's straten rond te fladd'ren!
+Wat noemt gij dit, dan den senaat belast'ren,
+Uitschreeuwen, dat wij onrechtvaardig zijn?
+Een fraaie grap, vindt gij het ook niet, heeren?
+Alsof men zeide, er is geen recht in Rome.
+Doch zijn geveinsde waanzin zal voorwaar,
+Leef ik, geen schuts hem zijn bij zulk een hoon.
+Hij met zijn stam zal weten, dat het recht
+Bij Saturninus leeft; en, mocht het slapen,
+Hij zal 't zoo wekken, dat het, fel vergramd,
+Den fiersten samenzweerder vellen zal.
+
+TAMORA. Genadig vorst, geliefde Saturninus,
+Mijns levens heer, gebieder van mijn geest,
+Wees kalm, verdraag des ouden Titus' zonden,
+Gevolg der droef'nis om zijn dapp're zoons,
+Die hem in 't merg drong en zijn hart doorboorde;
+Tracht liever hem zijn jammer te verzachten,
+Dan dat gij hoog of laag voor dezen hoon
+Vervolgt en straft.--(Ter zijde.) Zie, dit past Tamora,
+Zich sluw bij iedereen schoon voor te doen;
+Maar Titus, 'k heb in 't leven u geraakt
+En tapte uws harten bloed.--Is Aaron wijs,
+Dan zijn wij veilig, ank'ren in de haven.--
+
+(De Boer komt op.)
+
+Wel, goede vriend, verlangt gij iets van ons?
+
+BOER. Ja, dat doe ik, zoo uwe edelheid keizerlijk is.
+
+TAMORA. Ik ben de keizerin, daar zit de keizer.
+
+BOER. Hij is het.--God en Sint Steven
+mogen u een goeden avond geven. Ik heb u
+hier een brief en een koppel duiven gebracht.
+
+(Saturninus leest den brief.)
+
+SATURNINUS. Gaat, neemt hem, hangt hem op, dit zij zijn loon.
+
+BOER. Hoeveel geld krijg ik wel?
+
+TAMORA. Loop, knaap; gij moet gehangen worden.
+
+BOER. Gehangen! Bij onze lieve Vrouw, dan
+heb ik een hals mooi aan zijn end gebracht!
+
+(Hij wordt door een Wacht weggevoerd.)
+
+SATURNINUS. 't Is schand'lijk, onverdraag'lijk, al die hoon!
+Zou ik die monsterschurkerij verdragen?
+Ik weet, aan wien ik dit te danken heb.
+Onduldbaar is 't!--Alsof zijn schelmsche zoons,
+Door 't recht gevonnisd om den moord mijns broeders,
+Door mij geslacht zijn, tegen wet en recht!--
+Gaat, sleept den booswicht bij de haren hier;
+Geen roem noch leeftijd geev' hem eenig voorrecht
+Voor dezen trotschen hoon doe ik u slachten;
+Sluw-dolle schurk, gij hielpt mij aan de kroon,
+Maar hopend over Rome en mij te heerschen.
+
+(Æmilius komt op.)
+
+Wat nieuws brengt gij, Æmilius?
+
+ÆMILIUS. Te wapen, heer! Nooit drong de nood zoozeer.
+De Gothen zijn vereend, en met een macht
+Van koene krijgers, fel belust op buit,
+Naar Rome op marsch, nabij reeds; aan hun hoofd
+Staat Lucius, zoon van de' ouden Andronicus;
+Hij dreigt, in zijne wraak niet minder ver
+Te willen gaan dan eens Coriolanus.
+
+SATURNINUS. De dapp're Lucius veldheer van de Gothen?
+Die tijding knakt mij; als bevroren bloemen,
+Of gras, door storm geslagen, buig ik 't hoofd.
+Ja, thans begint mijn kwade tijd te naad'ren.
+Hij is het, dien het volk zoozeer bemint;
+Meermalen heb ik, als ik onbekend
+De stad doorkruiste, zelf hen hooren zeggen,
+Dat Lucius' ballingschap een onrecht was,
+En dat zij Lucius zich als keizer wenschten.
+
+TAMORA. Waarom beangst? is onze stad niet sterk?
+
+SATURNINUS. Ja, maar de burgers achten Lucius hoog,
+En vallen mij wis af, om hèm te helpen.
+
+TAMORA. Wees keizer, heer, in denken als in naam.
+Taant ooit de zon, wijl muggen in haar dansen?
+Zie, de aad'laar laat de kleine vogels zingen,
+En wat zij er mee meenen, deert hem niet;
+Hij weet, dat reeds de schaduw van zijn wieken,
+Zoodra hij 't wil, hun zang verstommen doet;
+Dit doet ook gij het wuft Romeinsche volk.
+Wees dus vol moed; want weet, mijn keizer: ik
+Betoover u den ouden Andronicus
+Met woorden, zoeter, doch gevaarlijker,
+Dan aas voor visschen, klaver is voor schapen,
+Schoon gene door den hoek verwond en deze
+Een rotkwaal krijgen van het zoete voêr.
+
+SATURNINUS. Doch nimmer smeekt hij tot zijn zoon voor ons.
+
+TAMORA. Hij doet het wel, als Tamora 't hem smeekt;
+Zijn oud oor kan ik vleiend zoo met gulden
+Beloften vullen, dat, ware ook zijn hart
+Schier onbestormbaar en zijn oor stokdoof,
+Mijn tong zijn oor en hart zou overmeest'ren.--
+(Tot Æmilius). Ga gij vooruit en wees onze afgezant;
+Zeg, dat de keizer met den dapp'ren Lucius
+Een onderhoud verlangt, en wensch als plaats
+Het huis zijns vaders, de' ouden Andronicus.
+
+SATURNINUS. Æmilius, breng die boodschap waardig over;
+Dringt hij ter veiligheid op gijz'laars aan,
+Dan zegg' hijzelf, welk onderpand hij wenscht.
+
+ÆMILIUS. Ik zal met alle zorg uw last volbrengen.
+
+(Æmilius af.)
+
+TAMORA. Nu spoed ik mij naar de' ouden Andronicus,
+En tracht met al mijn kunst hem zoo te stemmen,
+Dat hij van 't Gothenleger Lucius scheide.
+En nu, mijn keizer, wees weer welgemoed;
+Begraaf in mijne listen al uw angsten.
+
+SATURNINUS. Zoo ga met goed gevolg en spreek hem toe.
+
+(Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE BEDRIJF.
+
+EERSTE TOONEEL.
+
+
+Een vlakte nabij Rome.
+
+Lucius, Bevelhebbers en Krijgers der Gothen, met trommen en vaandels,
+komen op.
+
+LUCIUS. Beproefde krijgers en getrouwe vrienden,
+Van 't groote Rome ontving ik brieven, die
+Mij melden, hoe zij daar hun keizer haten
+En vol verlangen zijn om ons te zien.
+Weest daarom, heeren, als uw titels 't zeggen,
+Grootmachtig, en geen krenking verder duldend;
+En heeft u Rome schade toegevoegd,
+Die moge 't nu drievoudig u vergoeden.
+
+EERSTE GOTH. Gij dapp're spruit des grooten Andronicus,
+Wiens naam, eens onze schrik, nu troost ons is,
+Wiens groote diensten en roemruchte daden
+'t Ondankbaar Rome thans met hoon vergeldt,
+Vertrouw op ons; wij volgen waar ge ons leidt,
+Als angelbijën, die op 't heetst des zomers
+De koningin naar bloemenbeemden voert;
+En wreek u op de vloekb're Tamora.
+
+ALLE GOTHEN. Wat hij zegt, allen zeggen wij 't met hem.
+
+LUCIUS. Ik dank hem need'rig en ik dank u allen.--
+Doch wie is 't, dien een kloeke Goth daar brengt?
+
+(Een Goth komt op, met Aaron, die zijn Kind op de armen draagt.)
+
+TWEEDE GOTH. Doorluchte Lucius, ik zwierf af van 't leger,
+Om een vervallen klooster te bezien;
+En toen ik op het halfvernield gebouw
+Mijn oog aandachtig vestte, hoorde ik eensklaps
+Daar onder 't muurwerk 't schreeuwen van een kind.
+'k Ging af op het geluid, maar hoorde dra
+Het schreeuwend wicht bekijven met de woorden:
+"Stil, donk're schelm, half mij en half uw moeder,
+Verried niet fluks uw kleur, wiens welp gij zijt,
+Had u natuur begaafd met moeders uitzicht,
+Dan, schurk, hadt gij een keizer kunnen worden;
+Maar bij spierwitte kleur van stier en koe,
+Wordt nooit een kalf, dat koolzwart is, gefokt.
+Stil, deugniet, stil!"--zoo keef hij op het wicht,--
+Ik moet u brengen naar een trouwen Goth,
+Die, kent hij u als 't kind der keizerin,
+U om uw moeders wille lief zal hebben."
+Ik trok mijn zwaard en sprong fluks op hem toe,
+Verraste hem en breng hem thans tot u,
+Opdat gij met hem doet naar welgevallen.
+
+LUCIUS. O wakk're Goth, dit is die bare duivel,
+Die Andronicus' dapp're hand hem stal,
+De parel, die de keizerin bekoorde,
+Dàt van zijn vuige min de lage vrucht.--
+Waarheen, witoogig monster, gingt gij 't brengen,
+Dien jeugdige' afdruk van uw duivelstronie?
+Kunt gij niet spreken? doof dus? wat! geen woord?
+Een strik, mijn krijgers! hangt hem! daar! gezwind!
+En aan zijn zij dat zwarte basterdkind!
+
+AARON. Roer 't kind niet aan; het is van vorstlijk bloed.
+
+LUCIUS. 't Lijkt op zijn vader en wordt nimmer goed.
+Hangt eerst het kind; hij moog' het spart'len zien;
+'t Verhoogt de smarten zijner ziel misschien.
+Vlug, brengt een ladder!
+
+(Een ladder wordt gebracht en Aaron gedwongen die te bestijgen.)
+
+AARON. Lucius, spaar het kind!
+En zend het aan de keizerin van mij.
+Als gij dit doet, meld ik u wond're zaken,
+Waarvan het weten u veel voordeel brengt;
+Wilt gij dit niet, 'k laat alles mij gevallen,
+En spreek niets meer; maar wraak verdelge u allen!
+
+LUCIUS. Zoo spreek dan; en behaagt mij wat gij zegt,
+Dan blijft uw kind gespaard, ja, 'k voed het op.
+
+AARON. Zoo 't u behaagt! neen, Lucius, wees verzekerd,
+Het zal uw ziele grieven, wat gij hoort;
+Ik moet van doodslag spreken, moord en schennis,
+Van daden, zwart gelijk de nacht, afschuw'lijk,
+Van samenspanning, schurkerij, verraad,
+Voor 't hooren wreed, toch deerniswaard volvoerd;
+Wat alles in mijn dood begraven wordt,
+Tenzij, naar uwen eed, mijn kind blijft leven.
+
+LUCIUS. Spreek, wat gij weet; ik zeg, uw kind blijft leven.
+
+AARON. Neen, zweer het eerst; terstond begin ik dan.
+
+LUCIUS. Waarbij? voor u, die aan geen god gelooft?
+Is dit zoo, kunt gij dan een eed gelooven?
+
+AARON. Stel, ik doe 't niet;--en zeker, 'k doe het niet,--
+Doch wijl ik weet, dat gij geloovig zijt,
+In u een ding hebt, dat geweten heet,
+Met twintig papenfratsen en gebruiken,
+Die ik u nauwgezet volbrengen zag,
+Daarom eisch ik uw eed;--(Ter zijde.) dewijl ik weet,
+Dat menig nar zijn zotskolf voor een god acht,
+En de eeden houdt, gezworen aan dien god,
+Eisch ik zijn eed;--(Overluid.) daarom zult gij beloven
+Bij uwen god,--wat god het dan ook zij,--
+Dien gij aanbidt en diep vereert, dat gij
+Mijn knaap zult sparen, voeden, groot zult brengen,
+Zoo niet, weet dan, dat ik u niets ontdek.
+
+LUCIUS. Ik zweer u bij mijn god, dat ik dit doe.
+
+AARON. Weet eerst, ik won hem bij de keizerin.
+
+LUCIUS. O onverzaad'lijk geil, wellustig wijf!
+
+AARON. O Lucius, stil! dit was een liefdedaad,
+Bij wat gij aanstonds van mij hooren zult.
+Haar twee zoons waren Bassianus' moord'naars;
+Zij kapten uwer zuster tong en handen,
+Zij schonden haar en tooiden haar zoo op.
+
+LUCIUS. Onzaal'ge schurk! noemt gij dat opgetooid?
+
+AARON. 't Was wasschen, kappen, tooien dus, en 't was
+Een tooipret voor de twee, die 't stuk volvoerden.
+
+LUCIUS. Beestachtig ruwe schurken, als gijzelf!
+
+AARON. Nu ja, ik was de meester, die hen leerde.
+Hun geilheid was een gave van hun moeder,
+Zoo zeker, als de hoogste kaart in 't spel;
+Hun lust in bloed, ja, leerden zij van mij,
+Zoo zeker als een bloedhond weet te pakken.
+Nu, geev' mijn doen getuig'nis van mijn waarde.
+Ik lokte uw broeders naar 't bedrieglijk hol,
+Waarin het lijk van Bassianus lag;
+Ik schreef den brief, dien toen uw vader vond;
+Verborg, met Tamora en haar twee zoons
+Verbonden, 't goud, dat in den brief vermeld was.
+Ja, was er iets, dat gij bejamm'ren moet,
+Waar ik de hand niet in had, u tot onheil?
+'k Heb door bedrog uws vaders hand erlangd,
+En toen ik die eens had, ging ik ter zij,
+En kreeg een lachbui, dat mij 't hart schier berstte.
+Ik tuurde door een muurspleet, toen hij voor
+Zijn hand de hoofden kreeg van zijn twee zoons;
+Ik zag zijn smart en moest zoo hartlijk lachen,
+Dat mìjn oog even nat was als het zijn;
+En toen ik Tamora de grap beschreef,
+Viel zij van louter pret bijna in zwijm,
+En gaf mij voor 't verhaal wel twintig kussen.
+
+EERSTE GOTH. Kunt gij dit alles zeggen zonder blozen?
+
+AARON. Ja, als een zwarte hond, naar 't spreekwoord zegt.
+
+LUCIUS. En doen die gruweldaden u geen leed?
+
+AARON. Ja, dat ik er niet duizend meer bedreef.
+Zelfs nu vloek ik den dag,--maar toch ik meen,
+Niet vele zijn er door mijn vloek te treffen,--
+Waarop ik geen opmerk'lijk kwaad bedreef;
+Geen man versloeg of niet zijn dood beraamde;
+Geen maagd verkrachtte of 't plan er niet toe smeedde;
+Geen eerlijk man betichtte en meineed zwoer;
+Geen haat ten doode bij twee vrienden zaaide;
+Het vee van armen niet den nek liet breken,
+In schuur en schelf bij nacht den brand niet stak,
+En de' eig'naars toeriep: "Bluscht hem met uw tranen!"
+Vaak groef ik dooden uit hunne graven op,
+En zette ze aan de deuren van hun vrienden
+Rechtop, juist als het leed schier was vergeten,
+En sneed, gelijk in boomschors, in hun huid
+Dan in Romeinsche letters met mijn dolk:
+"Uw droef'nis sterve niet, al ben ik dood."
+O meer dan duizend gruweldaden deed ik,
+Zoo lucht van hart als iemand vliegen doodt;
+En niets doet mij zoo innig leed, dan dat
+Ik niet er nog tien duizend meer kan doen.
+
+LUCIUS. Omlaag weer met dien duivel, want hem wacht
+Een erger dood; het hangen is te zacht.
+
+AARON. 'k Wilde, als er duivels zijn, een duivel wezen,
+En leven, branden in 't onbluschlijk vuur,
+Had ik slechts uw gezelschap in de hel
+Om u te mart'len met mijn bitt're tong.
+
+LUCIUS. Stopt hem den mond en laat hem niet meer spreken.
+
+(Een Goth komt op.)
+
+GOTH. Daar is een afgezant uit Rome, heer;
+Hij wenscht bij u te worden toegelaten.
+
+LUCIUS. Hij trede voor ons.
+
+(Æmilius komt op.)
+
+Welkom, Æmilius, wat is 't nieuws uit Rome?
+
+ÆMILIUS. U, Lucius, en u, oversten der Gothen,
+Groet de Romeinsche keizer door mijn mond;
+Hij, hoorend, dat gij in de wapens staat,
+Vraagt in uws vaders huis een mondgesprek;
+En zoo gij vordert, dat hij gijz'laars stelt,
+Dan worden zij terstond u toegezonden.
+
+EERSTE GOTH. Wat zegt ons legerhoofd?
+
+LUCIUS. Æmilius, zoo de keizer aan mijn vader
+En mijn oom Marcus goede borgen zendt,
+Dan komen wij.--Trekt voort!
+
+(Allen af.)
+
+
+
+TWEEDE TOONEEL.
+
+
+Rome. Het voorplein van Titus' huis.
+
+Tamora, Demetrius en Chiron komen op, vermomd.
+
+TAMORA. Aldus, in deze vreemde, somb're dracht,
+Bezoek ik Andronicus nu, en zeg,
+Dat ik de Wraak ben, uit de hel gezonden,
+Om voor zijn jammer met hem recht te doen.
+Klopt aan zijn boekvertrek; daar toeft hij, zegt men,
+En broedt op plannen, vreemd en woest, van wraak;
+Zegt hem, de Wraak kwam hier, om saâm met hem
+Verderf op al zijn haters uit te storten.
+
+(Zij kloppen aan.)
+
+(Titus komt op, boven.)
+
+TITUS. Wie stoort mij in mijn overdenking? Is dit
+Een kunstgreep om mijn deur mij te doen oop'nen,
+Opdat mijn wraakbesluiten zoo vervliegen,
+En al mijn peinzen zonder werking blijv'?
+Gij dwaalt, want wat ik voorgenomen heb,--
+Zie hier,--ik schreef het neer met bloedig schrift;
+En wat ik schreef, zal worden uitgevoerd.
+
+TAMORA. Titus, om u te spreken kwam ik hier.
+
+TITUS. Neen, neen, geen woord! hoe kan ik sierlijk spreken,
+Nu ik een hand voor mijn gebaren mis?
+Gij zijt te zeer in 't voordeel, dus niets meer.
+
+TAMORA. Zoo gij mij kendet, zoudt gij met mij spreken.
+
+TITUS. Ik ben niet dol; ik ken u al te goed;
+Dit tuig' deze arme stomp, dit roode schrift,
+De voren hier, die leed en zorg mij groeven,
+Dit tuig' de moede dag, de lange nacht,
+En al mijn jammer, dat ik goed u ken
+Als Tamora, de trotsche keizerin.
+Is 't om mijn and're hand, dat gij hier komt?
+
+TAMORA. Neen, weet, bedroefde, Tamora ben 'k niet;
+Zij is uw vijandin, ik uw vriendin.
+Ik ben de Wraak, die, uit de hel gezonden,
+Den gier, die aan uw harte knaagt, zal stillen,
+Uw haters straffen zal met strenge wraak.
+Kom af, en heet mij welkom aan het daglicht;
+Pleeg over moord en doodslag met mij raad.
+Geen schuilplaats is er en geen diepe grot,
+Geen tastbaar duister en geen dompig dal,
+Waar vloek'bre moord of vrouwenkracht, vol angst,
+Zich bergen kunnen, of ik vind hen daar;
+En galm mijn schrikb'ren naam hun in het oor:
+Wraak, die den boozen zondaar sidd'ren doet.
+
+TITUS. Zijt gij de Wraak? en hier tot mij gezonden
+Ter martelstraf voor wie mijn vijand is?
+
+TAMORA. Ik ben het; kom dus af en heet mij welkom.
+
+TITUS. Doe mij een dienst dan, eer ik tot u kom.
+'k Zie Moord en Vrouwenkracht daar aan uw zijde;
+Zoo toon mij nu, dat gij de Wrake zijt:
+Doorsteek hen of verplet hen met de raad'ren
+Uws wagens, en ik kom en word uw waag'naar,
+En jaag met u onstuimig door 't heelal.
+Schaf u twee schoone rossen aan, gitzwart,
+Om uw wraakgier'gen wagen vaart te geven
+En moord'naars in hun holen op te sporen;
+Is dan uw wagen van hun hoofden vol,
+Dan stijg ik af en draaf ter zij van 't wiel,
+Gelijk een lage knecht, den ganschen dag,
+Van Hyperions opkomst in het oosten,
+Tot hij verzinkt, verdwenen is in zee;
+En dag op dag doe ik dit zware werk,
+Verdelgt gij hen daar, Vrouwenkracht en Moord.
+
+TAMORA. Zij zijn mijn dienaars, volgen mij alom.
+
+TITUS. Uw dienaars? zij? en hoe is dan hun naam?
+
+TAMORA. Zij heeten Vrouwenkracht en Moord, want weet:
+Zij nemen wraak op zondaars van dien aard.
+
+TITUS. Ach, ik dacht hen de zoons der keizerin,
+En u hun moeder; doch wij aardsche wezens
+Zien met armzaal'ge, dwaas bedriegende oogen.
+O, lieve Wraak, thans kom ik tot u af;
+En zoo ééns arms omhelzing u volstaat,
+Dan wil ik u terstond er mee omarmen.
+
+(Titus boven af.)
+
+TAMORA. Zóó met hem om te gaan past bij zijn waanzin.
+Wat ik nu uitdenk voor zijn dolle vlagen,
+Steunt gij dat, zet het voort door wat gij zegt;
+Want hij gelooft nu vast, dat ik de Wraak ben;
+En daar die waan hem lichtgeloovig maakt,
+Doe ik hem Lucius, zijnen zoon, ontbieden;
+Is bij een feestmaal die in mijn bereik,
+Dan vind ik wel een sluwe list om fluks
+De licht verdwaasde Gothen te verstrooien,
+Of wel, hen tot zijn vijanden te maken,
+Daar komt hij, ziet; nu speel ik weer mijn rol.
+
+(Titus komt weder op, beneden.)
+
+TITUS. Lang was ik raad'loos en alleen om u.
+Wees welkom, Furie, aan mijn weevol huis!--
+Gij, Vrouwenkracht en Moord, weest ook recht welkom!--
+O, wat gelijkt gij op de keizerin,
+Gij op haar zoons! Een Moor alleen ontbreekt;--
+Kon heel de hel zoo'n duivel u niet leev'ren?
+Want als de keizerin een voet verzet,
+Dan heeft zij,--'k weet het goed,--een Moor steeds bij zich;
+En zoo gij haar naar waarheid voor wilt stellen,
+Dan moet er zulk een duivel bij u zijn.
+Maar toch ook welkom zoo! Wat valt te doen?
+
+TAMORA. Wat, Andronicus, wilt gij, dat wij doen?
+
+DEMETRIUS. Wijs mij een moord'naar; 'k reken met hem af.
+
+CHIRON. Wijs mij een schurk, die vrouwenkracht bedreef,
+En ik ben hier, opdat de wraak hem treff'.
+
+TAMORA. Wijs mij een duizendtal, dat u gekrenkt heeft,
+En ik neem op hen allen felle wraak.
+
+TITUS. Zie dan in Rome's booze straten rond,
+En vindt ge een man daar, die op u gelijkt,
+Doorsteek hem, lieve Moord; hij is een moord'naar.--
+Ga gij met hem;--en hebt gij het geluk,
+Dat gij een ander vindt, die u gelijkt,
+Doorsteek hem, Vrouwenkracht; 't is een verkrachter.--
+Ga gij met hen; gij vindt aan 's keizers hof
+Een keizerin, verzelschapt van een Moor;
+Aan uw gedaante kunt gij licht haar kennen,
+Want zij gelijkt van top tot teen op u;
+Ik bid u, breng hen gewelddadig om;
+Zij deden mij geweld aan en de mijnen.
+
+TAMORA. Uw voorschrift was recht goed; wij zullen 't doen.
+Maar thans behage 't u, goede Andronicus,
+Naar Lucius, uwen dapp'ren zoon, te zenden,
+Die tegen Rome een Gothenleger aanvoert,
+En hem ten feestmaal in uw huis te nooden;
+Dan wil ik, als hij neerzit aan uw disch,
+De keizerin er brengen met haar zoons,
+Den keizer zelf, elk, die uw vijand is;
+Zij zullen knielend u genade vragen,
+En dan stilt gij aan hen uw toornig hart.
+Wat antwoordt Andronicus op dit voorstel?
+
+TITUS. Marcus, mijn broeder!--de arme Titus roept.
+
+(Marcus komt op.)
+
+Ga, lieve Marcus, naar uw neef, naar Lucius;
+Vraag bij de Gothen, waar hij is, en zeg hem,
+Dat ik hem spoedig bij mij wensch te zien,
+Verzeld van enk'len der voornaamste Gothen;
+Hij leeg're zijne krijgers waar zij zijn.
+Meld, dat de keizer, met de keizerin,
+Eet in mijn huis, en hij met hen moet spijzen.
+Doe dit om mijnentwil; zoo doe ook hij,
+Als hem zijns ouden vaders leven lief is.
+
+MARCUS. Ik zal het doen en spoedig ben ik weer.
+
+(Marcus af.)
+
+TAMORA. Nu ga ik weg van hier, maar tijg terstond
+Voor u aan 't werk, en neem mijn dienaars mede.
+
+TITUS. Neen, neen, laat Vrouwenkracht en Moord bij mij;
+Of anders roep ik nog mijn broeder weer,
+En houd mij voor mijn wraak alleen aan Lucius.
+
+TAMORA (ter zijde tot haar zoons). Wat zegt gij, knapen? wilt gij
+bij hem blijven,
+Terwijl ik aan den keizer melden ga,
+Hoe ik in onze ontworpen scherts geslaagd ben?
+Viert gij zijn luimen, vleit hem, houdt hem bezig,
+En toeft bij hem, totdat ik wederkeer.
+
+TITUS (ter zijde). 'k Heb hen herkend, al wanen zij mij dol,
+En ik verstrik hen in hun eigen plannen,
+Die vloekb're twee helhonden en hun moêr.
+
+DEMETRIUS. Het zij zoo, moeder; ga en laat ons hier.
+
+TAMORA. Vaar, Andronicus, wel; de Wrake tracht,
+Wat vijand is, te leev'ren in uw macht.
+
+TITUS. Ik weet, dit doet gij; lieve Wraak, vaarwel!
+
+(Tamora af.)
+
+CHIRON. Spreek, oude man, welk werk hebt gij voor ons?
+
+TITUS. Geduld maar! ik heb werks genoeg voor u.--
+Publius, kom hier! komt, Cajus, Valentinus!
+
+(Publius en Anderen komen op.)
+
+PUBLIUS. Wat is uw wensch?
+
+TITUS. Spreek, kent gij deze twee?
+
+PUBLIUS. Ik meen, het zijn de zoons der keizerin,
+Demetrius en Chiron.
+
+TITUS. Wat, Publius! o foei, foei! nu dwaalt gij zeer;
+Deze een heet Moord, die ander Vrouwenkracht;
+En daarom, boeit hen, beste Publius, boeit hen;
+Gij Cajus, Valentinus, grijpt hen aan;
+Dit uur, hoe vaak hebt gij 't mij hooren wenschen!
+Nu is het daar; dus boeit hen stevig; stopt
+Den mond hun, als zij schreeuwen willen.
+
+(Titus af.--Publius en de Overigen grijpen Chiron en Demetrius
+en boeien hen.)
+
+CHIRON. Schurken,
+Laat af, wij zijn de zoons der keizerin.
+
+PUBLIUS. Juist daarom doen wij, wat bevolen werd.--
+Stopt hun den mond, dat zij geen woord meer spreken.
+Is hij geboeid? Zorgt, dat gij stijf hem knevelt!
+
+(Titus komt terug, met Lavinia, hij met een mes, zij met een
+bekken.)
+
+TITUS. Lavinia, zie, geboeid zijn uw belagers.--
+Stopt hun den mond, dat zij geen woord mij zeggen,
+Maar zelve luist'ren naar mijn schrikb're taal.--
+Gij schurken, Chiron en Demetrius,
+Dit is de bron, door u met vuil besmet,
+De lieve zomer, door uw vorst bedorven.
+Gij dooddet haar gemaal, en voor die wandaad
+Verloren twee van hare broeders 't hoofd,
+En ik de hand; een scherts, waarom gij lachtet.
+De tong en beide handen, en,--wat kostb'rer
+Dan tong of hand is,--de onbevlekte reinheid,
+Ontmenschte schurken, hebt gij haar ontroofd.
+Wat zoudt gij zeggen, als ik u liet spreken?
+Gij kondt uit schaamte geen genade vragen.
+Hoort, schurken, hoe ik u te mart'len denk.
+'k Hield één hand om uw kelen af te steken,
+Terwijl Lavinia met haar stompen 't bekken
+Zal houden, dat uw schuldig bloed ontvangt.
+Gij weet, uw moeder wenscht bij mij te spijzen;
+Zij noemt zich Wraak en mij houdt zij voor dol.--
+Hoort, schurken! uw gebeent' maal ik tot stof,
+En 'k meng daarvan en van uw bloed een deeg,
+En uit dit deeg maak ik pasteienkorsten,
+En bak van uwe hoofden twee pasteien;
+Dan zal die slet, uw eervergeten moeder,
+Als de aarde doen, verslindend wat zij voortbracht.
+Dit is het feestmaal, waar ik haar op noodde,
+Dit het gerecht, waaraan zij smullen zal.
+Mijn kind leed erger smaad dan Philomela,
+En erger zij mijn wraak dan Procne's wraak.
+En nu, hier met uw kelen!--
+
+(Hij snijdt hun kelen af.)
+
+ Kom, Lavinia;
+Vang gij dit bloed nu op, en als zij dood zijn,
+Wil ik hun beend'ren malen tot fijn stof,
+Het mengen met dit walg'lijk nat, en dan
+Laat ik hun hoofden bakken in dat deeg.--
+Komt, komt, dat nu een elk volijv'rig zij
+Voor dit onthaal, dat gruw'lijker moog' blijken
+En bloediger dan der Centauren feest.
+Vlug, draagt hen binnen; ik speel nu voor kok,
+Opdat zij klaar zijn, als hun moeder komt.
+
+
+
+DERDE TOONEEL.
+
+
+Aldaar. Een open gebouw in Titus' tuin.
+
+Lucius, Marcus en Gothen komen op, met Aaron als gevangene. Er
+staat een tafel gereed voor een feestmaal.
+
+LUCIUS. Oom Marcus, daar mijn vader het verlangt,
+Dat ik naar Rome kom, vind ik dit goed.
+
+EERSTE GOTH. En wij met u; geschiede wat er wil.
+
+LUCIUS. Goede oom, bewaar dien woesten Moor hier binnen,
+Dien fellen tijger, dien gevloekten duivel.
+Laat hem geen voedsel reiken; kluister hem,
+Tot hij voor 't oog der keizerin gevoerd wordt,
+Om van haar booze daden te getuigen.
+Draag zorg, dat de verholen vrienden sterk zijn;
+De keizer heeft niets goeds voor, naar ik vrees.
+
+AARON. Een duivel fluist're vloeken mij in 't oor,
+En help' mijn tong, dat zij met kracht het gif
+Van mijn door wrok gezwollen hart moog' uiten!
+
+LUCIUS. Van hier, bloedgier'ge hond, vervloekte schurk!--
+Gij mannen, helpt onze' oom; voert hem naar binnen!--
+
+(De Gothen met Aaron af.--Trompetgeschal.)
+
+Dat schallen meldt, dat daar de keizer is.
+
+(Saturninus en Tamora komen op, met Tribunen, Senatoren en
+Anderen.)
+
+SATURNINUS. Wat! heeft de hemel meer dan ééne zon?
+
+LUCIUS. Waar dient het toe, dat gij uzelf de zon noemt?
+
+MARCUS. Gij Rome's keizer, en gij neef, laat af;
+Wat u verdeelt, moet kalm besproken worden.
+Het gastmaal is gereed, dat zorgvol Titus
+Heeft aangericht tot goed en eervol einde,
+Voor Rome's eendracht, vrede, vriendschap, heil;
+Treedt, bid ik, nader, neemt uw plaatsen in.
+
+SATURNINUS. Dat zij zoo, Marcus.
+
+(Muziek van hobo's. De Gasten nemen plaats.)
+
+(Titus komt op, als kok gekleed, verder Lavinia, gesluierd, de
+jonge Lucius, en Anderen. Titus plaatst de schotels op tafel.)
+
+TITUS. Wees welkom, vorst; wees welkom, keizerin;
+Welkom, krijgshafte Gothen; welkom, Lucius;
+En welkom, allen! Zij 't onthaal eenvoudig,
+'t Zal voedzaam zijn; ik bid u dus, tast toe.
+
+SATURNINUS. Waarom in zulk een kleeding, Andronicus?
+
+TITUS. Ik wilde zeker zijn, dat mijn onthaal
+U en uw keizerin zou waardig zijn.
+
+TAMORA. Wij zijn, goede Andronicus, u recht dankbaar.
+
+TITUS. Dit waart gij wis, vorstin, zaagt ge in mijn hart.
+Mijn heer en keizer, zeg mij eens uw oordeel:
+Was 't wèl gedaan, dat eens Virginius heftig
+Met eigen rechterhand zijn dochter doodde,
+Wijl zij verkracht, onteerd was en bezoedeld?
+
+SATURNINUS. Ja, Andronicus.
+
+TITUS. En uw reed'nen, heer?
+
+SATURNINUS. Zoo overleefde zij haar schande niet,
+Vernieuwde door haar leed niet steeds zijn jammer.
+
+TITUS. Een sterke, machtige en voldoende grond;
+Een voorbeeld, een vermaan, een ware volmacht
+Voor mij, onzaal'ge, om evenzoo te doen.--
+Sterf, sterf, Lavinia, en uw smaad meteen;
+Vaar' met uw smaad uws vaders kommer heen!
+
+(Hij doodt Lavinia.)
+
+SATURNINUS. Wat doet gij daar, gij onmensch, meer dan wreed?
+
+TITUS. Haar doodde ik, om wier lot ik blind mij kreet.
+'k Ben even weevol als Virginius was,
+En heb wel duizendmaal meer grond dan hij
+Tot zulk een wandaad;--en ze is nu gedaan.
+
+SATURNINUS. Wat! werd ze onteerd? O meld mij, wie dit deed!
+
+TITUS. (tot Saturninus). Neem nog wat spijs!--
+(Tot Tamora.) Ga voort, uw hoogheid, eet!
+
+TAMORA. Waarom versloegt ge uw een'ge dochter dus?
+
+TITUS. Niet ik, 't was Chiron met Demetrius;
+Die hebben haar onteerd, de tong ontrukt;
+Door hen ging ze onder naamloos wee gebukt.
+
+SATURNINUS. Ga, haal hen, stel hen voor ons, en terstond.
+
+TITUS. Zij zijn daar beide' in die pastei; hen vond
+Hun moeder pas een lekk're spijs; zij at,
+Wat ze in haar schoot eens droeg, heeft liefgehad.
+'t Is waar, 't is waar, dit tuig' mijn scherpe dolk.
+
+(Hij doodt Tamora.)
+
+SATURNINUS. Sterf, dolle schurk; die vloekdaad krijg' haar loon!
+
+(Hij doodt Titus.)
+
+LUCIUS. Daar vloeit mijns vaders bloed; dat duldt geen zoon!
+Hier hebt gij dood voor dood en loon voor loon!
+
+(Hij doodt Saturninus. Groote opschudding. Marcus, Lucius en
+Anderen bestijgen de trappen voor Titus' huis.)
+
+MARCUS. Ontstelde mannen, Rome's volk en zonen,
+Verstrooid door 't oproer als een vogelzwerm,
+Dien wind en stormgeloei uiteen doen spatten,
+Laat mij u leeren, die verspreide halmen
+Op nieuw tot ééne garve saam te voegen,
+Die stukgereten leden tot één lijf,
+Opdat niet Rome een vloek zij voor zichzelf,
+En zij, voor wie zoo groote rijken buigen,
+Niet, als een arm verstoot'ling, zonder hoop,
+Tot eeuw'gen smaad de hand sla aan zichzelf.
+Doch zoo mijns winters sneeuw, mijn diepe groeven,
+Eerwaarde borgen voor mijn rijpe ervaring,
+U niet bewegen naar mijn woord te luist'ren,--
+(Tot Lucius.) Spreek, Rome's vriend, als onze stamheer eens,
+Toen hij met plechtige' ernst aan 't luist'rend oor
+Der ademlooze, liefdekranke Dido
+'t Verhaal deed van die gruwelnacht des brands,
+Waarin der Grieken sluwheid Troje nam;
+Meld, welke Sinon 't oor ons heeft betooverd,
+En wie 't noodlottig werktuig hier bracht, dat
+Ons Troje, ons Rome burgerwonden sloeg.
+Mijn hart is niet uit staal of steen gevormd,
+En al ons bitter wee kan ik niet uiten;
+Een tranenvloed zou mijne taal verdrinken,
+En mijne stem zou breken, ja, juist dan,
+Als zij u smeeken moest goed toe te luist'ren
+En uwe zachte deernis ons te schenken.
+Hier staat een veldheer, die 't verhaal moog' doen;
+Uw hart zal snikken, weenen als gij 't hoort.
+
+LUCIUS. Dan, eed'le hoorders, zij u thans bericht:
+Die vloekb're Chiron en Demetrius,
+Zij waren 't, die des keizers broeder moordden,
+Zij waren 't ook, die onze zuster schonden.
+Voor hunne gruw'len stierven onze broeders,
+Werd onzes vaders diepe smart gehoond,
+Hem door bedrog die brave hand ontfutseld,
+Die staâg voor Rome's roem gestreden had,
+Haar vijanden ten grave had gezonden,
+En eind'lijk ik, ikzelf, met smaad verbannen,
+En Rome's poorten weenend uitgedreven,
+Om hulp bij Rome's vijanden te zoeken,
+Die hunnen haat verdronken in mijn tranen,
+Met open armen mij als vriend omhelsden.
+En ik ben 't, de uitgestoot'ne,--weet dit, vrienden,--
+Die Rome's welzijn redde met mijn bloed,
+En 's vijands zwaard afkeerde van haar borst,
+Zijn staal een scheê gaf in mijn waagziek lijf.
+Gij allen weet, dat ik geen pocher ben;
+Litteekens mogen stom zijn, toch getuigen
+De mijne, dat ik zuiv're waarheid spreek.
+Doch stil! mij dunkt, te verre dwaal ik af,
+Mijn luttel doen zoo roemend;--o, vergeeft,
+Elk prijst, is hem geen vriend nabij, zichzelf.
+
+MARCUS. Nu is 't aan mij, te spreken. Ziet dit kind;
+Aan dezen knaap schonk Tamora het leven;
+De telg is 't van een godvergeten Moor,
+Den hoofdontwerper, smeder dezer jamm'ren.
+De booswicht is in Titus' huis nog levend,
+En moet getuigen, dat dit waarheid is.
+Gij, oordeelt nu, wat reden Titus had
+Om al dit onuitspreek'lijk leed te wreken,
+Dat meer is, dan een mensch ooit dragen kan.
+En nu gij alles weet, spreekt nu, Romeinen:
+Is iets door ons misdreven? Toont ons dit,
+En van de plaats, waar gij ons hier ziet staan,
+Zal 't luttel overschot der Andronici
+Voorover, hand in hand zich nederstorten,
+Op 't ruw gesteente zich het brein verplett'ren
+En saam een einde maken aan hun stam.
+Romeinen, spreekt! en is 't uw welgevallen,
+Ziet mij en Lucius, hand in hand, hier vallen.
+
+ÆMILIUS. Neen, kom! eerwaardige Romein, en stell'
+Veeleer uw hand ons onzen keizer voor,
+Den keizer Lucius; want ik weet, met mij
+Roept elk, als ik: "Dat Lucius keizer zij!"
+
+Allen. Heil, Lucius, heil! heil, Rome's eed'le keizer!
+
+(Lucius, Marcus en de Overigen dalen af.)
+
+MARCUS (tot eenige Dienaars). Gaat thans in 't rouwhuis van den
+ouden Titus,
+En sleur dien godvergeten Moor hierheen,
+Opdat een ongehoorde marteldood
+Als straf bepaald zij voor zijn gruw'lijk leven.
+
+(Eenige Dienaars af.)
+
+ALLEN. Heil, Lucius, heil! heil, Rome's eed'le keizer!
+
+LUCIUS. Romeinen, dank! en, goden, hoort mijn beê,
+Dat ik genezing brenge en heil na wee!--
+Doch lieve vrienden, gunt mij thans nog rust;
+Eerst eischt natuur van mij een zwaren plicht.--
+Wijkt gij terug;--maar, oom, treed nader, pleng
+Meê vrome tranen dezen doode.--Ontvang
+
+(Hij kust Titus.)
+
+Mijn warmen kus op uw koudbleeke lippen,
+Op uw bebloede wang mijn weemoedsdruppels,
+Als laatste trouwe hulde van uw zoon.
+
+MARCUS. O traan voor traan en liefdekus voor kus
+Biedt hier uw broeder Marcus aan uw lippen;
+O waar' hun som, die ik betalen moest,
+Ontelbaar, eindloos, toch betaalde ik die!
+
+LUCIUS. Kom, knaap, kom hier, en leer van ons, hoe liefde
+In tranen smelt. Grootvader had u lief,
+En vaak liet hij u dansen op zijn knie,
+Zong u in slaap, zijn trouwe borst als kussen;
+En vele dingen heeft hij u verteld,
+Geschikt en juist gekozen voor uw jonkheid;
+Herdenk dit en vergiet, als minnend kind,
+Dan een'ge droppen uit uw teed're bron,
+Want vriendlijk heeft natuur als wet gesteld,
+Dat in het leed een vriend zijn vriend verzelt;
+Zeg hem vaarwel, vertrouw hem aan zijn graf,
+Bewijs dien liefdeplicht en neem dan afscheid.
+
+DE JONGE LUCIUS. Grootvader! ach, grootvader! o, hoe gaarne
+Stierf ik, zoo gij dan weer herleven mocht!
+O god! door 't weenen kan ik niets meer zeggen;
+Ik stik in tranen, open ik den mond.
+
+(De Dienaars komen terug, met Aaron.)
+
+EEN ROMEIN. Staakt, treurende Andronici, thans uw rouwklacht!
+Maar spreekt het vonnis van den onverlaat,
+Die al deez' gruweldaden heeft verwekt.
+
+LUCIUS. Begraaft hem tot de borst om te verhong'ren;
+Zoo sta hij vast, en woede, en schreeuwe om spijs;
+Zoo iemand hem verkwikt, hem deernis toont,
+Die sterft voor deze schuld. Dit is ons vonnis;
+Zorgt, dat hij goed in de aard bevestigd wordt.
+
+AARON. O, waarom zouden wrok en woede zwijgen?
+Ik ben geen kind, dat ik met laf gebed
+De gruw'len zou betreuren, die ik deed.
+Tien duizend erg're dan ik ooit bedreef,
+Zou ik begaan, zoo ik naar lust kon hand'len;
+En deed ik één goed werk in heel mijn leven,
+Dan is het dit, wat mij van harte rouwt.
+
+LUCIUS. Den keizer mogen trouwe vrienden halen
+En in zijns vaders graf ter aard bestellen.
+Mijn vader en Lavinia voeren wij
+Terstond naar 't grafgewelf van ons geslacht.
+Aan Tamora, de felle tijgerin,
+Wordt uitvaart, noch gevolg in rouwgewaad,
+Noch klokgebrom gegund; werpt haar in 't veld
+Aan 't wild gedierte en 't roofgevogelt' voor.
+Beestachtig was haar leven, zonder deernis;
+Zij vinde na den dood bij niemand deernis.
+Voert Aaron nu ter straf, den vloek'bren Moor,
+Die de oorsprong was van al ons naamloos wee;
+Dan reeg'len wij den staat, zoodat voor goed
+Een ramp en nood als deze zijn verhoed.
+
+(Allen af.)
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN.
+
+
+De oudste uitgave van Titus Andronicus, die tot ons gekomen is,
+dagteekent van het jaar 1600. De titel dezer quarto-uitgave luidt als
+volgt: _The most lamentable Romaine Tragedie of Titus Andronicus. As
+it hath Sundry times beene playde by the Right Honourable the Earle
+of Pembrooke, the Earle of Darbie, the Earle of Sussex, and the
+Lorde Chamberlaine theyr Seruants. At London, Printed by J. R. for
+Edward White, 1600_. Van de vier genoemde tooneelgezelschappen is
+het laatste dat, waar Shakespeare zelf deel van uitmaakte. De tekst
+is vrij nauwkeurig te noemen.
+
+Een tweede uitgave in quarto verscheen in 1611; zij noemt op den
+titel alleen het tooneelgezelschap van Shakespeare: _As it hath
+sundrie times beene playde by the Kings Maiesties Seruants_, en
+wijkt overigens niet noemenswaard van de vorige af. Deze uitgave
+schijnt ten grondslag gelegd te zijn aan den druk, toen het stuk
+in de folio-uitgave der gezamenlijke tooneelwerken van Shakespeare,
+van 1623, werd opgenomen. Bij laatstgenoemden afdruk vindt men echter
+afwijkingen, waarschijnlijk door vergelijking met het handschrift,
+dat bij het tooneelgezelschap berustte, en zelfs een geheel tooneel,
+het tweede van het derde bedrijf, dat in geen der beide quarto-uitgaven
+voorkomt. Dit tooneel, dat de handeling niet vooruitbrengt, werd
+waarschijnlijk bij de vertooning weggelaten en daarom niet in de
+quarto-uitgaven opgenomen; dat het niet later bijgevoegd werd, maar
+reeds dadelijk een deel uitmaakte van het stuk, is onbetwijfelbaar.
+
+Op den titel der quarto-uitgaven wordt de naam des dichters niet
+genoemd, maar dit is niets vreemds in dien tijd; in de eerste uitgaven
+van den Richard II, Richard III, Hendrik IV (eerste deel), Hendrik V,
+Romeo en Julia is evenzoo de naam van Shakespeare weggelaten. Dat
+de vrienden en kunstgenooten des dichters, Heminge en Condell, die
+de folio-uitgave van 1623 bezorgden, dit stuk, onder den titel van
+_The lamentable Tragedie of Titus Andronicus_, onder de treurspelen
+van Shakespeare opnamen, mag een bewijs gerekend worden, dat Sh. en
+geen ander de schrijver is.
+
+Hier is ondertusschen nog een ander en opmerkelijk bewijs voor aan
+te halen. Een tijdgenoot, en waarschijnlijk een goede bekende van
+Shakespeare, een man, met de letterkunde van zijn tijd welvertrouwd,
+Francis Meres, schreef,--en niet in een later tijdperk van Sh.'s leven,
+maar reeds in 1598,--dat Sh. uitblonk in het schrijven van tragedies en
+haalde als bewijzen daarvan aan: "zijn Richard II, Richard III, Hendrik
+IV, Koning Jan, Titus Andronicus, en zijn Romeo en Julia". Francis
+Meres noemt dus zeer bepaald Shakespeare als schrijver van den Titus
+Andronicus.
+
+Daar de woorden van Meres van veel belang zijn voor de dagteekening van
+eenige der oudste stukken van Sh., moge hier, in de aanteekeningen van
+Sh.'s oudste stuk, zijn getuigenis woordelijk aangehaald worden. Het
+is te vinden in zijn: _Palladis Tamia, Wits Treasury: being the Second
+Part of Wits Commonwealth. London_ 1598.
+
+"_As the soule of Euphorbus was thought to live in Pythagoras, so the
+sweet worthie soule of Ovid lives in mellifluous and honey tongued
+Shakespeare; witnes his Venus and Adonis, his Lucrece, his sugred
+sonnets among his private friends._
+
+_As Plautus and Seneca are accounted the best for comedy and
+tragedy among the Latines, so Shakespeare among the English is the
+most excellent in both kinds for the stage; for comedy witnes his
+Gentlemen of Verona, his Errors, his Loue Labours Lost, his Loue
+Labours Wonne_,--waarmee "Eind goed, Al goed" moet bedoeld zijn,--_his
+Midsummer Night Dreame, and his Merchant of Venice; for tragedy, his
+Richard the 2, Richard the 3, Henry the 4, King John, Titus Andronicus,
+and his Romeo and Juliet_.
+
+_As Epius Stolo said that the muses would speake with Plautus tongue,
+if they would speake Latin, so I say that the muses would speake with
+Shakespeare fine filed phrase, if they would speake English._"
+
+Hieruit blijkt tevens, dat de Titus Andronicus reeds in 1598
+geschreven en ten tooneele gebracht was. Maar het stuk is zeker
+ouder. In 1691 werd door zekeren _Gerald Langbaine_ uitgegeven
+een _Account of the English Dramatick Poets_; daarin wordt gewag
+gemaakt van een uitgave van _Titus Andronicus_ in quarto, van 1594,
+waarvan thans geen exemplaar meer bekend is. Dat zijn mededeeling
+juist kan zijn, en hij zulk een exemplaar kan gezien hebben, blijkt
+uit het register van het boekhandelaarsgilde, waarin, op den datum
+van 6 Februari 1593, ten behoeve van _John Danter_ is ingeschreven:
+"_A booke entitled a noble Roman Historye of Titus Andronicus._" Op
+deze inschrijving volgt: "_Entered also unto him, by warrant from
+Mr. Woodcock, the ballad thereof._" De ballade, die, volgens deze
+inschrijving, van het tooneelstuk of de geschiedenis gedrukt werd,
+is hoogstwaarschijnlijk dezelfde, die door Percy in zijn _Reliques
+of Ancient English Poetry_ onder den titel van "_The Lamentable and
+Tragical History of Titus Andronicus_" is medegedeeld en ontleend
+is uit een oude gedichtenverzameling zonder datum. (Ook in Delius
+Sh.-uitgaaf is zij afgedrukt.) Dat zij _na_ het tooneelstuk gedicht
+is, kan uit de eenvoudige lezing blijken; er wordt bij voorbeeld in
+gesproken van het pijlen-schieten door Titus Andronicus, wat zonder
+de kennis van het populaire tooneelstuk geheel onverstaanbaar zou zijn.
+
+De Titus Andronicus moet dus vóór Febr. 1593 geschreven zijn. Een
+opmerking van Ben Jonson noopt ons verder, het stuk voor nog eenige
+jaren ouder te houden. Deze zegt in het voorspel van zijn blijspel
+"de Bartholomeüs-mis", _Bartholomew Fair_, dat in 1614 werd opgevoerd:
+"_He that will swear Jeronimo and Andronicus are the best plays yet,
+shall pass unexcepted at here, as a man, whose judgment shows it is
+constant, and hath stood still these five-and-twenty or thirty years._"
+Hier wordt dus Titus Andronicus in één adem genoemd met _Thomas Kyd_'s
+_Jeronimo_,--waarmede de Spaansche tragedie, _the Spanish tragedy or
+Hieronymo is mad again_, bedoeld is,--en gezegd, dat hij, die deze
+twee stukken nog voor de beste houdt, vijf en twintig of dertig jaren
+in smaak ten achteren is. Zijn die 25 jaar letterlijk op te vatten,
+dan is Titus Andronicus van het jaar 1589, misschien nog enkele jaren
+vroeger. Bedenken wij nu, dat Shakespeare in April 1564 geboren
+werd te Stratford aan den Avon, er in zijn 20ste jaar (Nov. 1582)
+trouwde, er in 1583 een dochter kreeg en in 1585 tweelingen, dan zal
+hij op zijn vroegst in laatstgenoemd jaar naar Londen gekomen zijn en
+zich aan het tooneel verbonden hebben. Dat hij het handschrift niet
+van Stratford heeft medegebracht, maar dat het stuk geschreven is,
+nadat Sh. met de tooneelwereld bekend was geworden, is buiten allen
+twijfel. Op zijn allervroegst kan het stuk dus in 1586 geschreven
+zijn, doch waarschijnlijk is het eerst twee of drie jaar later gereed
+gekomen. Met het oog op andere stukken zal het echter niet veel later
+dan 1589 voltooid zijn, toen Shakespeare 25 jaar telde; veel vroeger
+kan men het ook niet stellen, daar de dichter zich tooneelkennis
+heeft moeten eigen maken. Men mag onderstellen, dat hij zich in het
+landstadje Stratford door opmerkzaamheid de uitgebreide en nauwkeurige
+kennis van dieren, planten en natuurverschijnselen heeft verworven,
+waarvan zijn werken blijk geven, en verder slechts uit enkele boeken,
+den bijbel b.v., Holinshed's kroniek, Ovidius' Metamorphosen [1],
+zijn kennis verrijkt heeft, maar dat hij zijn bedrevenheid in de
+letterkunde en in allerlei vakken van wetenschap, zijn inzicht in
+maatschappelijke toestanden, zijn diepe menschenkennis vooral in Londen
+heeft opgedaan. Daar, in de tooneelwereld verkeerende, kon hij eerst
+tot het schrijven van een tooneelwerk komen, en geen wonder, dat de
+jeugdige dichter een stof koos, die in overeenstemming was met den
+smaak van het publiek en van zijn tijd. De fabelachtige geschiedenis
+van Titus Andronicus was ongetwijfeld niet nieuw en waarschijnlijk
+uit een novelle aan het publiek welbekend, want zulke verhalen, in
+verzamelingen vereenigd, werden toen ter tijd vlijtig gelezen. Er is
+ons geen novelle van Titus Andronicus bewaard gebleven, maar dat zij
+bestaan moet hebben, blijkt uit de novellen-verzameling van _Painter_,
+_The Palace of Pleasure_ geheeten; in het tweede deel er van, dat in
+1567 het licht zag, wordt in het voorbijgaan van Titus en meer bepaald
+van Tamora's wreedheid gewag gemaakt. Meer dan één voorbeeld kon aan
+Shakespeare de overtuiging geven, dat deze stof hem een dankbaar
+onderwerp zou wezen; met dergelijke toneelstukken was het publiek
+hooglijk ingenomen. Een voorbeeld leveren ons twee stukken van den
+boven reeds genoemden Thomas Kyd: deze trad in 1588 op met een stuk
+_Hieronymo_ of _Jeronimo_, en eenigen tijd later met zijn Spaansche
+Tragedie, ook genaamd _Hieronymo is mad again_, waarin Hieronymo dol
+wordt om het verlies van zijn zoon. Dit laatste stuk vond toen ter
+tijd een buitengewonen bijval en bleef, evenals de Titus Andronicus,
+wel vijf en twintig of dertig jaar bij het publiek zeer geliefd,
+zooals onder andere uit de ergernis van Ben Jonson blijkt.--Er is een
+groote overeenkomst tusschen den Titus Andronicus en den Jeronimo;
+in beide is de held een eerbiedwaardig grijsaard, die voor de groote
+diensten, door hem bewezen, met de mishandeling en den moord der
+zijnen beloond wordt, en die, om wraak te nemen op zijn belagers,
+genoodzaakt is zich als een waanzinnige voor te doen. De slachting,
+die in beide stukken aangericht wordt, is even groot; in beide blijven
+er van de hoofdpersonen slechts weinigen in leven.--Wil men hier nader
+van overtuigd worden, dan leze men slechts het slot van den Jeronimo,
+een epiloog, die door een geest wordt uitgesproken:
+
+
+ "Ay, now my hopes have end in their effects,
+ When blood and sorrow finish my desires.
+ Horatio murdered in his father's bower;
+ Vile Serberine by Pedringano slain;
+ False Pedringano hang'd by quaint device;
+ Fair Isabella by herself misdone;
+ Prince Balthasar by Belimperia stabb'd;
+ The duke of Castille, and his wicked son,
+ Both done to death by old Hieronymo;
+ Then Belimperia fallen, as Dido fell;
+ And good Hieronymo slain by himself:
+ Ay, these were spectacles to please my soul."
+
+
+Zulk een stuk geeft den Titus Andronicus niets toe in
+bloederigheid. Het wordt bovendien nog opgeluisterd door een stomme
+vertooning, een pantomime, _dumb show_, een vreemde toevoeging aan
+een tooneelwerk, die toen zeer in zwang was; men vindt er gebruik
+van gemaakt in den Pericles, en in het tooneelstuk, dat Hamlet ten
+hove vertoonen laat.
+
+Met de zoo even genoemde Spaansche tragedie van Kyd hadden vele
+toenmalige stukken overeenkomst, en Shakespeare schikte zich, bij het
+schrijven van zijn eersteling, naar den geest van zijn tijd; en niet
+alleen in de keuze van het onderwerp, maar ook in meerdere opzichten
+treedt hij in de voetstappen zijner voorgangers. Reeds hieruit zou
+kunnen blijken, dat de Titus Andronicus zijn eersteling was, doch
+men wordt hier nader van overtuigd, als men opmerkt, dat de dichter
+in den loop van het stuk vorderingen maakt, en dat het eerste bedrijf
+verreweg het zwakste van alle is. Na den Titus Andronicus begaf zich
+de dichter aan het schrijven van zijn Koning Hendrik VI, van welks
+drie deelen ook weder het eerste zwakker is dan de beide volgende. Wel
+volgde hij meer en meer zijn eigen weg en overtreffen zijn stukken
+die zijner tijdgenooten verre, maar bij alle verschil is er toch
+genoeg overeenkomst met de laatste op te merken, dat de in ellende
+wegstervende dichter Robert Greene, die zijn eigen tooneelwerken
+en die zijner vrienden reeds zag tanen voor Shakespeare's luister,
+hem in 1592 niet geheel en al ten onrechte een "opkomeling" noemde,
+"gesierd met onze vederen." Een nieuweling, die geen academische
+opleiding genoten had, stond in kennis niet bij hen ten achteren,
+behandelde dergelijke stoffen als zij, wist die met mythologische
+bloempjes op te sieren, schreef verzen, die niet minder goed klonken
+dan de hunne! Men zie hierover de aanteekeningen in het derde deel op
+Koning Hendrik VI. Met Koning Richard III kan men rekenen, dat deze
+eerste periode van Shakespeare's leven gesloten wordt, die, behalve
+de genoemde stukken, nog enkele blijspelen, verscheidene sonnetten
+en Venus en Adonis heeft opgeleverd.
+
+De overeenkomst, die zoo even werd toegegeven, is echter meer
+schijnbaar dan wezenlijk, en bij nauwkeuriger toezien blijken de
+verschillen zeer belangrijk te zijn. Dit gezegde vereischt een nadere
+toelichting. Wanneer men den statigen gang der verzen, waarmede het
+eerste bedrijf begint, nagaat, dan zou men meenen, dat de versbouw
+van Marlowe wordt nagebootst, maar lezen wij verder, dan bemerken wij
+weldra, dat de dichter zich geen boeien laat aanleggen, dat het hem
+niet te doen is om de ooren zijner toehoorders met prachtig rollende
+verzen te vullen, maar dat hij verscheidenheid brengt in de rusten,
+het slepende einde der regels en zelfs afwijkingen van den gewonen
+versbouw niet schuwt, kortom zijn stijl naar omstandigheden wijzigt. In
+dit opzicht gaat hij niet alleen verder dan Marlowe, maar ook verder
+dan Kyd, die wel is waar het majestueuze van Marlowe niet bereikt,
+maar meer verscheidenheid in zijn regels wist te brengen. Er moge
+nog aanmerkelijk verschil bestaan tusschen den versbouw van den
+Titus Andronicus en van Shakespeare's latere stukken, wij kunnen
+toch reeds hier het streven naar eenvoudigheid en natuurlijkheid in
+de verzen ontdekken.
+
+Dit zelfde geldt, wanneer men op de geheele uiting der gedachten
+let. Bij een stuk met een inhoud als Titus Andronicus moet de
+verleiding voor een jong dichter, om de personen in matelooze
+jammerklachten, in afgrijselijke wraakkreten te doen uitbarsten, zeer
+sterk geweest zijn, vooral in een tijd, dat zulk een taal door anderen
+gebezigd werd en blijkbaar in den smaak van het publiek viel. En toch,
+de jeugdige Shakespeare nam een zekere matiging in acht. Men oordeele:
+in een stuk, _Lust's dominion_ geheeten, dat wel eens, schoon ten
+onrechte, aan Marlowe is toegeschreven, komt ook een Moor voor, daar
+Eleazar geheeten; van dezen kan men zeggen, dat hij spreekt op de
+manier van Koning Cambyses (I K. Hendrik IV, II. 4. 425). Eleazar zegt:
+
+
+ "Now, Tragedy, thou minion of the night,
+ Rhamnusia, play-fellow, to thee I'll sing
+ Upon a harp made of dead Spanish bones,--
+ The proudest instrument the world affords--
+ When thou in crimson jollity shall bathe
+ Thy limbs as black as mine, in springs of blood
+ Still gushing from the conduit-head of Spain.
+ To thee that never blushest, though thy cheeks
+ Are full of blood, O Saint Revenge, to thee
+ I consecrate my murders, all my stabs,
+ My bloody labours, tortures, stratagems,
+ The volume of all wounds that wound from me,--
+ Mine is the stage, thine the tragedy."
+
+
+Men vergelijke hiermede de uitingen van den Moor Aaron en men zal
+Sh.'s streven naar eenvoud en natuurlijkheid erkennen.
+
+De matiging, waarvan Shakespeare blijk geeft, mag inderdaad op
+prijs gesteld worden. Als Tamora's zoon Alerbus ter slachting
+wordt weggeleid, hooren wij slechts een enkelen uitroep van Tamora
+(I. 1. 130); als Titus zijn zoon Mucius in drift doorstoken heeft,
+zijn de woorden van Lucius (I. 1. 292) zeer eenvoudig en gematigd;
+hetzelfde moet gezegd worden van Lavinia's woorden tot Tamora
+(II. 3. 136), van Marcus' klacht bij het ontmoeten van de geschonden
+Lavinia (II. 4. 11. en volgg.). Als Titus' zoons ter dood geleid
+zijn en zijn verminkte dochter Lavinia tot hem gebracht wordt, barst
+hij uit in roerende jammerklachten, maar geen stroom van vloeken en
+verwenschingen komt er uit zijn mond (III. 1. 91); ja dit gebeurt
+zelfs niet, als hij zijn hand heeft opgeofferd om zijn zonen te
+redden; dan roept hij uit (III. 1. 207): "O, hier hef ik deze eene
+hand ten hemel" en zijn klacht is niet eens bovenmatig, maar wordt
+toch, als te overdreven, door zijn broeder gegispt. Als dan zijn
+zonen toch geslacht zijn en zijn jammer ten top is gevoerd, zegt hij
+(III. 1. 267) eenvoudig: "Ik heb geen tranen meer te storten over" en
+denkt eerst daarna aan wraak. Als Titus aan Tamora heeft medegedeeld,
+aan welk een gruwelijk maal zij zich te goed heeft gedaan (V. 3. 60),
+spaart de dichter ons de jammerkreten der rampzalige moeder; haar dood
+volgt oogenblikkelijk, evenals die van Titus en van Saturninus; een
+matiging, die men bij weinige dichters van zijn tijd zal aantreffen.
+
+Dat wij in Titus Andronicus het werk bezitten van een echten dichter,
+blijkt bij het aandachtig lezen van het stuk telkens meer. De personen,
+die er in optreden, zijn geen tooneelpoppen, aan welke woorden in
+den mond worden gelegd, maar menschen van vleesch en bloed. Tamora
+is door de vereeniging van een doordringend en vlug verstand, door
+zelfbeheersching, heftige hartstochten en zedelijke verdorvenheid,
+een opmerkelijke schepping; haar levendige verbeelding leent haar
+bekoorlijkheid en uit haar mond vernemen wij echt dichterlijke taal;
+men zie slechts II. 3. 10-29, en in hetzelfde tooneel reg. 93-104;
+IV. 4. 81 en vlgg.; V. 1. 30 enz. Men ga verder het karakter en de
+handelingen van den ouden Titus na; men overwege, hoe de dichter den
+onmenschelijken duivel Aaron door een enkelen trek, de liefde voor zijn
+basterdkind (zie IV. 2. 175), tot een mensch gemaakt heeft, zoodat zijn
+straf er des te rechtvaardiger door wordt en belang stelling inboezemt;
+men herleze de woorden, waarmede Lucius zijn zoon aanmaant, om de
+nagedachtenis van den ouden Titus, van den beminnenden grootvader, in
+eere te houden, V. 3. 160 enz.;--en men zal tot de overtuiging komen,
+dat er geen redenen bestaan, om de meening te verdedigen, dat dit
+stuk al te onvolkomen is om een werk van den jeugdigen Shakespeare te
+kunnen wezen. Integendeel, een nauwkeurig onderzoek bevestigt veeleer
+de juistheid der verklaring van Francis Meres. Het blijkt dan tevens,
+dat dit treurspel een werk is uit één stuk, dat er geen enkele grond
+bestaat om er twee handen in aan te nemen; het is niet een ouder arbeid
+van een ander, waar Shakespeare eenige veranderingen in gemaakt heeft,
+maar wel degelijk zijn eigen stuk, dat door geen ander dichter zoo zou
+gemaakt zijn en waarin men den jeugdigen leeuw reeds aan zijn klauw
+herkent; de onvolkomenheden, die men er in opmerkt, zijn geen andere,
+dan men verwachten kan in het eerste werk van een jongen dichter,
+die, hoezeer hij later alle andere moge overschaduwd hebben, toch
+ook een kind van zijn tijd geweest is.
+
+Het behoeft ons, Nederlanders, niet moeilijk te vallen, de goede
+eigenschappen van den Titus Andronicus te waardeeren. "In November
+1641 werd in den schouwburg [te Amsterdam] een treurspel vertoond,
+dat algemeen opzien wekte. Het stuk was getiteld: _Aran en Titus, of
+Wraak en Weerwraak_. De dichter was een burgerjongen, een glazenmaker,
+zonder eenige kennis der Grieksche of Latijnsche taal; zijn naam,
+toen nog geheel onbekend, luidde Jan Vos. Professor Barlæus was zoo
+met zijn werk ingenomen, dat hij hem gelijk stelde met Sofokles. Op
+zijn aansporen gingen zijn vrienden het stuk zien: Hooft en Van der
+Burgh stonden verbaasd, en Vondel verklaarde, dat de dichter een
+genie was. Van Baerle zelf kon zich aan de tragedie niet zat zien:
+hij ging zevenmaal achtereen zich daaraan vergasten. Hij was er
+zoo vol van, dat hij er brieven over schreef aan zijn vrienden en
+Huygens uitnoodigde over te komen om haar te bewonderen. De geheele
+oudheid had volgens hem geen zoodanig treurspel aan te wijzen: het
+wekte echt tragische aandoeningen op en was geschreven in de taal van
+Hooft en Vondel. Eindelijk wijdde hij er een Hollandsch gedicht aan,
+dat aldus eindigt:
+
+
+ Ik stae gelijk bedwelmt en overstolpt van geest,
+ De Schouwburg wort verzet, en schoeit op hooger leest.
+ Rijst Sophocles weer op? stampt Æschylus weer hier?
+ Of maekt Euripides dit ongewoon getier?
+ Neen, 't is een Ambachtsman, een ongelettert gast,
+ Die nu de gantsche rey van Helicon verrast,
+ Die noyt gezeten heeft aan Grieks of Roomsche disch,
+ Wijst nu de weerelt aan, wat dat een Treurspel is.
+ _Athenen_ las het spel, en sprak: ik schrijf niet meer;
+ Die ons door glas verlicht, verduystert al ons eer." [2]
+
+
+Wanneer men in het eerste deel der gedichten van Jan Vos (Amsterdam
+1862) den vrij uitvoerigen inhoud van den Aran en Titus leest, ziet
+men onmiddellijk, dat het geheele beloop van het stuk, op enkele
+kleinigheden na, evenzoo is als bij Sh.'s Titus Andronicus. Men zou
+hieruit vermoeden, dat het stuk een eenigszins omgewerkte vertaling
+is van het Engelsch origineel. Wanneer wij dan tot de lezing van
+den Aran en Titus overgaan, blijkt ons echter, dat er veel grooter
+verschil is, dan men naar de inhoudsopgave zou verwachten. Het stuk
+is geen vertaling van Shakespeare's treurspel, maar toch heeft Jan
+Vos dit gekend en nagevolgd, zoodat er hier en daar overeenstemmende
+passages in voorkomen, niettegenstaande men er zeker van kan zijn,
+dat Jan Vos geen enkele vreemde taal machtig was. De verklaring
+hiervan is zeer eenvoudig. Tegen het einde der zestiende eeuw had
+de tooneelkunst in Engeland een groote hoogte bereikt en was in
+westelijk Europa, waar zij nog op een lagen trap stond, zeer goed
+aangeschreven. Vandaar, dat Engelsche tooneelgezelschappen meermalen
+ondernamen Nederland, Duitschland en Denemarken te bezoeken. Dat bij
+deze reizende troepen zich juist de uitstekendste acteurs bevonden,
+valt wel niet te denken; toch hadden zij veel toeloop. Telkens vindt
+men van zulke gezelschappen gewag gemaakt; reeds in 1591 verschenen
+zij in ons land, verder in 1597, 1604, 1605, 1607; tot 1629 kwamen
+zij vrij geregeld en ook later nog, tot 1644 of 1645. Evenzoo werd
+Duitschland bezocht, en daar is omstreeks 1600 de Titus Andronicus
+door Engelsche komedianten opgevoerd. Een vrije proza-bewerking er
+van bevindt zich in een bundel: "Englischen Komödien und Tragödien"
+(die in 1620 het licht zag) en draagt den titel: "Eine sehr klägliche
+Tragoedie von Tito Andronico und der hoffertigen Keyserin, darinnen
+denkwürdige _actiones_ zu befinden"; zij is in Tieck's "Deutsches
+Theater" (1817) en in Albert Cohn's "Shakspeare in Germany" (1865)
+overgedrukt.--Daar Titus Andronicus onder de stukken behoorde,
+die door reizende Engelsche tooneelgezelschappen vertoond werden,
+zal ongetwijfeld door zulke voorstellingen Jan Vos er bekend mee
+geworden zijn. Men wordt daarin bevestigd, als men opmerkt, dat
+de Duitsche vrije bewerking in menig opzicht met den Aran en Titus
+overeenkomst heeft, zoowel in wat uit Shakespeare is weggelaten als
+in wat breeder is uitgewerkt, en dat beide als het ware wedijveren om
+al wat naar karakterteekening zweemt, al wat fijn bedacht, liefelijk,
+echt dichterlijk is bij Shakespeare, er uit te werken; in dit opzicht
+steekt de Duitscher den Hollander de loef nog af.
+
+Als men in den Aran en Titus de verwijten van Titus' dochter aan
+de overspelige Tamora, of liever het gekijf der twee wijven, leest,
+als men Aran hoort stoffen op zijn misdaden, Tamora hoort weeklagen,
+dat zij haar eigen zoons "zoo gierig" heeft "ingeslokt", als men
+Titus hoort wenschen, dat hij Tamora's "darmen" mocht "ophasp'len op
+zijn armen", als men de koren leest, die van Baerle nog wel als een
+proefje aan Huygens zond om hem te doen watertanden, dan staat men
+niet alleen verbaasd, dat een man als van Baerle dit kon bewonderen,
+maar zal meer dan ooit gestemd zijn, om aan de dichterlijke waarde
+van Shakespeare's Titus Andronicus volle recht te doen wedervaren
+[3], al moet men toegeven, dat het in een geheel anderen geest dan
+zijn overige stukken, in een vroegeren stijl geschreven is.
+
+
+
+I. 1. 8. [4] _Mijn voorrang_. In het Engelsch staat _age_, waarmede
+Saturninus bedoelt, dat hij ouder is dan Bassianus en naar het
+recht van eerstgeboorte den voorrang moet hebben.--Als Bassianus
+zich, twee regels verder, Cæsars zoon noemt, bedenke men, dat alle
+keizers den naam van Cæsar droegen; hij wil den weg naar het kapitool
+bezet houden, opdat de Romeinen zich niet aan het eerstgeboorterecht
+behoefden te onderwerpen, maar vrij konden kiezen; Bassianus meent
+door zijn verdiensten meer aanspraak te hebben op den troon.
+
+I. 1. 77. _Gij groote schutsheer van dit kapitool._ Jupiter.
+
+I. 1. 88. _Aan den oever van den Styx._ Zoolang de lijken onbegraven
+zijn, moeten de schimmen omdwalen bij den Styx zonder rust te vinden;
+zie Homerus' Odyssea XI. 51. Het Latijn, dat volgt, _ad manes fratrum_,
+aan de schimmen hunner broeders, is niet van het beste.
+
+I. 1. 136. _Die aan Hecuba._ In het Engelsch staat: de Koningin
+van Troje, waarmede Hecuba gemeend is. Volgens den Griekschen
+treurspeldichter Euripides had Priamus, Troje's val voorziende, zijn
+jongen zoon Polydorus aan zijn gastvriend Polymestor, koning op de
+Thracische Chersonesus (thans het schiereiland van Gallipoli of der
+Dardanellen) met vele schatten toevertrouwd. Polymestor echter doodde
+na Troje's val den jongeling en het lijk werd door Priamus' weduwe,
+die als gevangene door de Grieken werd medegevoerd, op het strand
+gevonden. De rampzalige moeder wist door list den moordenaar tot zich
+te lokken en zij krabde hem, door de andere gevangen Trojaansche
+vrouwen bijgestaan, de oogen uit. Ovidius verhaalt de geschiedenis
+in zijn Gedaanteverwisselingen (XIII, 432 vgg.) en uit dezen dichter
+zal zij aan Sh. bekend zijn geworden.
+
+I. 1. 177. _Daar zij 't geluk van Solon heeft erlangd._ Solon zeide
+tot koning Croesus van Lydië, dat niemand voor zijn dood gelukkig te
+noemen was.
+
+I. 1. 185. _Wees alzoo candidatus_, d. i. met de witte toga bekleed,
+waarin zij zich wikkelden, die bij de overheid en het volk naar
+openbare ambten dongen; het Latijnsche woord beteekent hier dus
+kroonpretendent. De voorgangers van Sh. spreidden gaarne hun
+geleerdheid ten toon en bezigden Latijnsche en zelfs Grieksche
+woorden. [5] Sh. treedt hier in hun voetstappen en brengt later
+(I. 1. 280) het zeggen "Suum cuique", "Aan ieder het zijne", te pas:
+zoo wordt ook (I. 1. 325) het huwelijksfeest "Hymenæus" genoemd;
+met die klassieke herinnering is weinig in overeenstemming, dat het
+huwelijk in het Pantheon met gebruik van wijwater en waskaarsen (in
+het oorspronkelijke staat _tapers_, de vertaling heeft _toortsen_)
+gesloten wordt.
+
+I. 1. 380. _Laërtes' wijze zoon._ Ulysses.
+
+I. 1. 494. _Begroeten wij met hoorn en hond uw hoogheid._ In 't
+Engelsch: _With horn and hound we'll give your grace bonjour._ Het
+_bonjour_ is de morgengroet en opwekking ter jacht, veelal _hunts-up_
+geheeten. De jachthoorn is niet bijzonder antiek.--_Een dag van
+verzoening_, wat voorafgaat, is in 't Engelsch _a loveday_, waarmee
+een dag wordt aangeduid, voor het bijleggen van oneenigheden bepaald;
+geestelijken waren dikwijls bemiddelaars; Chaucer zegt van een monnik:
+"In lovedays there coude he mochel help."
+
+II. 1. 7. _Haar baan doorrent._ In het Engelsch wordt als baan de
+Dierenriem, Zodiak, genoemd.
+
+II. 1. 37. _Nu kalm wat, kalm!_ In het Engelsch staat "_Clubs, clubs!_"
+de gewone uitroep, om bij straatgevechten de handhavers der orde er
+bij te roepen. Een paar regels later staat _dansrapier_; in Sh.'s
+tijd werd er met een degen op zijde gedanst, vergelijk _Eind goed,
+Al goed_, II. 1. 32.
+
+II. 1. 47. _Nabij des keizers slot._ Het was in de middeleeuwen streng
+verboden, in of nabij het paleis van den vorst het zwaard te trekken.
+
+II. 1. 67. _Zoo de keizerin dien wanklank hoort._ In 't Engelsch:
+_An should the empress know This discord's ground_; een woordspeling,
+die ook in K. Richard III, III. 7. 49. voorkomt; _ground_ beteekent
+zoowel "grond", "oorzaak", als "muzikaal thema"; bovendien beteekent
+_discord_ zoowel "dissonant" als "tweedracht." Evenals hier vindt
+men de beide beteekenissen te gelijk bedoeld in Troilus en Cressida,
+I. 3. 110 en in Lucretia 1124.
+
+II. 1. 89. _Vulcanus' tooi._ Shakespeare maakt ook elders van Venus
+en Mars gewag; men zie Antonius en Cleopatra, I. 5. 18 en Venus en
+Adonis, 97.
+
+II. 1. 133. _Sit fas aut nefas_, "Zij het recht of onrecht", hij wil
+en zal zijn doel bereiken, "al moest hij over den Styx en door de
+schimmen heen." Het schijnt dat de Latijnsche uitdrukkingen aan de
+treurspelen van Seneca ontleend zijn.
+
+II. 3. 22. _De vorst, die zwierf._ Natuurlijk wordt Æneas bedoeld,
+die hier als een dolend ridder wordt voorgesteld.
+
+II. 3. 30. _Besture Venus uw begeerten_ enz. Aan de planeet Venus werd
+een verhittende, aan Saturnus een bekoelende invloed toegeschreven
+op wie onder haar gesternte geboren waren.
+
+II. 3. 43. _Waarop zijn Philomela tongloos wordt._ Lavinia wordt om
+de verminking, die haar wacht, met Philomela vergeleken. Philomela
+was de dochter van den Atheenschen koning Pandion, de zuster van
+Procne. De laatstgenoemde was door haar vader uitgehuwlijkt aan
+Tereus, een Thracischen koning in Daulis (Phocis) en had dezen een
+zoon geschonken. Na eenigen tijd verlangde zij zeer, haar zuster
+Philomela weer te zien; Tereus begaf zich naar Athene en wist Pandion
+te overreden, dat zijn dochter Philomela een korte poos bij haar
+zuster zou mogen vertoeven en daartoe met haar schoonbroeder Tereus
+zou medegaan. Deze, reeds dadelijk voor Philomela ontvlamd, bracht,
+in zijn land aangekomen, haar naar een eenzaam gelegen huis in een
+dicht bosch, deed haar geweld aan en sneed, toen zij in haar wanhoop
+hem dreigde zijn schendige daad te zullen openbaar maken, haar de tong
+uit, opdat zij niets zou verraden; aan zijn vrouw, Procne, bracht
+hij het valsche bericht van Philomela's dood. Na een jaar ongeveer
+gelukte het Philomela, aan Procne haar lot te berichten; zij deed haar
+namelijk een gewaad toekomen, waarin zij woorden geweven had, die het
+gebeurde meldden. Procne maakte van een Bacchusfeest gebruik, om in
+het bosch te zwerven, tot haar zuster door te dringen en deze mede te
+nemen naar haar paleis. Om op Tereus wraak te nemen, doodde Procne,
+door Philomela bijgestaan, haar zoon Itys, en zette dezen aan haar
+echtgenoot als spijze voor. Onder het maal verlangde hij zijn zoon Itys
+te zien; hierop meldde hem Procne, wat hij gegeten had; en onmiddellijk
+daarna sprong Philomela te voorschijn, die hem Itys' bloedig hoofd
+toonde. Toen hij nu de wegijlende zusters vervolgde, werden zij in
+vogels veranderd, de eene in een nachtegaal, de ander in een zwaluw;
+Tereus zelf werd een hop.--Zoo verhaalt Ovidius in het zesde boek
+zijner Metamorphosen (reg. 484 en vgg.) de geschiedenis.--Shakespeare
+gewaagt ook in zijn Cymbeline II. 2. 45 van Tereus en Philomela.
+
+II. 3. 62. _Actæon._ Deze was een kleinzoon van Cadmus, een beroemde
+Thebaansche held en een bedreven jager; hij werd op de jacht in
+het gebergte Cithæron door Diana in een hert veranderd en door zijn
+vijftig honden verscheurd. Ovidius' Metamorph. III. 131 en vgg.
+
+II. 3. 72. _Uw donkere Kimmeriër._ De Kimmeriërs der fabel bewoonden
+een land, waar duisternis heerschte, de historische Kimmeriërs de
+Krim. De Moor Aaron heet hier Kimmeriër om zijn donkere kleur, niet
+om zijn afkomst.
+
+II. 3. 107. _Een giftige ief._ De Ief of Taxisboom, vaak op kerkhoven
+geplant, wordt meermalen als verderflijk en onheilbrengend aangehaald;
+men zie: Koning Richard II, III. 2. 17. en Macbeth, IV. 1. 27.
+
+II. 3. 118. _Semiramis._ Semiramis, de koningin van het oude Assyrische
+rijk, wordt als een monster van wellust en wreedheid hier aangehaald.
+
+II. 3. 231. _Zoo bleek scheen eens op Pyramus de maan._ De geschiedenis
+van Pyramus en Thisbe is mede in Ovidius' Metamorphosen, IV. 55 vgg. te
+vinden; zij speelt in Babylon. De ouders, die buren en vijanden waren,
+wilden van een huwelijk niets weten. De gelieven spraken door een
+spleet in den gemeenschappelijken muur af, dat zij 's nachts onder
+een moerbezieboom zouden samenkomen. Thisbe was het eerst op de
+afgesproken plaats, maar ontwaarde bij het maanlicht een leeuwin,
+die juist een rund verslonden had en aan een naburig beekje haar
+dorst kwam lesschen, nam de vlucht in een grot, maar verloor daarbij
+haar mantel, die door de leeuwin stukgereten en met bloed bezoedeld
+werd, waarna het dier weder in het bosch terugkeerde. Een oogenblik
+later komt Pyramus, ziet met schrik de sporen van het roofdier, vindt
+daarna den bebloeden mantel en steekt zich dood; Thisbe keert weldra
+terug, om haar geliefde niet teleur te stellen, vindt zijn lijk en
+drijft zich zijn zwaard in de borst, mede onder den moerbezieboom,
+welks vruchten, overeenkomstig Thisbe's wensch, voortaan een donkere
+bloedkleur hebben, ter herinnering aan dit treurig voorval. Shakespeare
+heeft in den Midzomernachtdroom van deze geschiedenis een treffend
+gebruik gemaakt en ook den Maneschijn niet vergeten.
+
+II. 4. 51. _Gelijk voor Orpheus' voeten Cerberus._ In 't Engelsch _As
+Cerberus at the Thracian poet's feet_. Ook in den Midzomernachtdroom,
+V. 1. 49. wordt Orpheus eenvoudig als _the Thracian singer_
+aangeduid. Toen zijn geliefde vrouw, Eurydice, door den beet van
+een vergiftige slang gestorven was, daalde hij in de onderwereld af
+en wist door zijn zang en snarenspel de Godin der Schimmen zoo te
+betooveren, dat hij zijn vrouw weder naar boven mocht medenemen; zij
+waren reeds de bovenwereld nabij, toen hij, tegen het verbod in, naar
+haar omzag, zoodat hij haar weder, en nu voor goed, verloor. Ovidius'
+Metamorph. X. 1. vgg.
+
+III. 1. 212. _Of wij ontglansen 't hemelwelf met zuchten._ De
+gedachte, dat uit zuchten wolken gevormd worden, vindt men meermalen
+bij Shakespeare uitgedrukt, b.v. Romeo en Julia, I. 1. 139.
+
+III. 1. 241. De tooneelaanwijzing "_Titus bezwijmt_" is door mij
+ingevoegd, vgl. reg. 253.
+
+IV. 1. 12. _Cornelia las niet vlijtiger._ Cornelia, de moeder der
+Gracchen, die als voortreffelijke opvoedster harer zonen bekend staat
+(zie Cicero in zijn Brutus, 58. 211). Verder wordt hier Cicero's boek
+over de welsprekendheid, _De oratore_, bedoeld.
+
+IV. 1. 20. _Dat Hecuba van Troje van kommer dol werd._ Zoo wordt Hecuba
+ook in den Hamlet II. 2. 527. door een tooneelspeler voorgesteld;
+zie ook Cymbeline, IV. 2. 313.
+
+IV. 1. 28. _Ben ik geheel en gaarne tot uw dienst._ Om zijn vroeger
+wegloopen weer goed te maken, is de knaap vleiend beleefd jegens
+Lavinia. In 't Engelsch: _I will most willingly attend your ladyship._
+
+IV. 1. 81. _Magni_ enz. Deze Latijnsche klacht, dat de beheerscher
+des hemels zoo traag is in het hooren en zien van misdaden, is,
+eenigszins gewijzigd, uit Seneca's treurspel Hippolytus ontleend.
+
+IV. 1. 88. _Rome's Hector._ De Romeinsche Hector is de verbannen
+Lucius, wiens hoop de jonge Lucius was, evenals Astyanax het was
+van den Trojaanschen Hector.--De gade der onteerde kuische vrouw was
+Lucretia's echtgenoot Collatinus; haar vader was Lucretius.
+
+IV. 2. 20. _Integer vitae_ enz. Daar de regels uit Horatius
+(Od. I. 22. 1.) zeggen, dat de reine en schuldelooze geen
+"Mauretaanschen" pijl en boog, met andere woorden, geen wapenen
+behoeft, is door de toezending van wapenen uitgedrukt, dat Tamora's
+zonen niet rein en schuldeloos zijn. Als de slimme Tamora niet juist
+door de zwangerschap onwel was, zou haar de schranderheid van den vond
+toelachen. Men merke op, dat het adjectivische _Mauris_ van Horatius
+hier in _Mauri_, "van den Moor", veranderd is.
+
+IV. 2. 52. _Waar Aaron is, de Moor, doch ras!_ Men kan 't laatste ook
+lezen: "Moord! och ras!" waarop dan Aarons zeggen: "moord en brand"
+slaat. In 't Engelsch is de woordspeling tusschen _Moor_ en _more_.
+
+IV. 2. 93. _Niet Enceladus._ Een der Giganten, die met rotsblokken
+den hemel bestormden; ook Typhon was een monster, dat bij den strijd
+tegen den oppergod zich geducht maakte. Alcides is Hercules.
+
+IV. 2. 126. _Van den zeek'ren kant._ Van moeders zij.
+
+IV. 3. 4. _Terras Astræa reliquit._ Aanhaling uit Ovidius'
+Metamorphosen I. 150. De Godin der Gerechtigheid, als hemelbewoonster
+_Astroea_ genoemd, woonde in de gouden eeuw op aarde, maar "verliet
+de aarde" in de koperen eeuw, het laatst van alle hemellingen.--Men
+denke zich het plein, waar dit derde tooneel speelt, in de nabijheid
+van het keizerlijk paleis.
+
+IV. 3. 80. _De galgemaker?_ In het Engelsch verstaat de Boer den
+naam van Jupiter "Gibbeter", en vraagt daarom, of de "Gibbetmaker"
+bedoeld is; een natuurlijk niet terug te geven woordspeling.
+
+IV. 3. 90. _Met eenige gratie._ In het Engelsch is hier een
+woordspeling tusschen _grace_, "gratie", en _grace_, "gebed bij
+'t eten". De boer zegt, dat hij 't laatste nooit heeft kunnen leeren.
+
+V. 1. 122. _Naar 't spreekwoord zegt._ Het spreekwoord is: _to blush
+like a black dog_.
+
+V. 1. 145. _Omlaag weer met dien duivel._ Aaron heeft dus gesproken
+van de ladder af, die hij reeds bestegen had om gehangen te worden.
+
+V. 2. 56. _Hyperion._ Helios, de Zonnegod.
+
+V. 2. 204. _En bloediger dan der Centauren feest._ In Ovidius
+Metamorph. XII. 210 kon Shakespeare de beschrijving vinden van den
+gruwelijken strijd, die, op de bruiloft van Pirithous tusschen de
+Lapithen, tot wier volk de bruid behoorde, en de mede-uitgenoodigde
+Centauren ontstond, en met de nederlaag der laatsten eindigde.
+
+V. 3. 36. _Virginius._ De vergelijking gaat eigenlijk niet door,
+want Virginius doodde zijn dochter om haar onteering te voorkomen.
+
+V. 3. 80. _Als onze stamheer eens._ Ook in Julius Cæsar noemt
+Shakespeare Æneas den stamheer der Romeinen.--In de Æneis van Vergilius
+(IIde Boek) verhaalt Æneas aan Dido de overrompeling van Troje door de
+Grieken, en vermeldt, hoe de Griek Sinon (Ald. reg. 79) de Trojanen
+overhaalde het verderfelijke paard binnen hun muren te halen. Ook
+in 3 Hendrik VI, III. 2. 190. en in Cymbeline III. 4. 61 wordt Sinon
+vermeld; evenzoo in Lucretia 1521.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+NOOTEN
+
+
+[1] Blijkbaar waren Ovidius' Metamorphosen aan Sh. goed bekend;
+niet alleen de Titus Andronicus, maar verscheiden stukken van hem
+kunnen het getuigen. Ook andere gedichten van Ovidius, de _Amores_
+(zie het Motto van Venus en Adonis) en de _Heroides_, (zie 3
+Hendrik VI, I. 3. 48) waren hem niet vreemd. De Metamorphosen
+(Gedaanteverwisselingen of Herscheppingen) waren reeds in Sh.'s
+tijd door Golding in het Engelsch vertaald. Dat Sh. deze vertaling
+kende, is wel aan te nemen; maar hij kan Ovidius zeer wel in het
+oorspronkelijke gelezen hebben; hij had op de school te Stratford
+Latijn geleerd en naar allen schijn met vrucht.--In de Bodley'sche
+bibliotheek te Oxford berust een kleine uitgave der Metamorphosen:
+"Ovidii Metamorphoseon Libri quindecim", gedrukt bij Aldus in Venetië,
+in October 1502; op den titel staat geschreven: Wm. Shr. en op het
+schutblad de vermelding, geschreven in 1682 door T. N. (Nash?), dat hij
+dit kleine boek gekregen had van "W. Hall, die zeide, dat het eens aan
+Will. Shakspere had toebehoord." Er is geen beslissende reden om de
+echtheid der schrifturen te betwisten of te betwijfelen; de verkorte
+naamteekening op den titel kan zeer wel van onzen dichter zelf zijn.
+
+[2] Met deze woorden begint Dr. W. J. A. Jonckbloet in zijne
+_Geschiedenis der Nederl. Letterkunde_ (Tweede druk, II. blz. 165)
+zijn hoofdstuk over Jan Vos.
+
+[3] Wie, zonder het stuk van Jan Vos geheel te doorworstelen, er een
+goed denkbeeld van wil krijgen, leze de voorlezing: "Shakespeare's
+invloed op het Nederlandsen tooneel der zeventiende eeuw", van
+Prof. Moltzer (1874), die ook duidelijk in het licht gesteld heeft,
+dat Vos den Titus Andronicus door de vertooningen der Engelsche
+komedianten heeft leeren kennen.
+
+[4] De cijfers aan het hoofd der bladzijden zijn dezelfde, waarmede
+in de uitmuntende, door de uitgevers van den "Cambridge Shakespeare"
+bezorgde, en weinig kostbare _Globe Edition: The works of William
+Shakespeare_ (London, Macmillan and Co.), de eerste regel der bladzijde
+is aangewezen. Genoemde uitgave wordt tegenwoordig vrij algemeen bij
+aanhalingen gebezigd. Daar niet dan uiterst zelden de Nederlandsche
+vertaling een versregel meer bevat dan het oorspronkelijke, kon
+de nommering overgenomen worden, waardoor zoowel vergelijking met
+het oorspronkelijke, als het doen van aanhalingen of verwijzingen
+gemakkelijker worden.
+
+[5] Een merkwaardig staaltje levert Marlowe in de eerste alleenspraak
+van Faustus in "The tragical History of Doctor Faustus." Er komen
+verscheiden Latijnsche gezegden in voor en de Philosophie wordt in
+de eerste uitgave er (I. 1. 12) aangeduid met _Oncoemion_, dat door
+de latere uitgevers, die 't woord niet verstonden, veranderd is in
+_Economy_; het woord is gebleken gemaakt te zijn uit de Grieksche
+woorden "on kai mè on", "zijnde en niet zijnde", zoodat Faustus zegt:
+"Vaarwel, zijn-en-niet-zijn"!
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Titus Andronicus, by William Shakespeare
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK TITUS ANDRONICUS ***
+
+***** This file should be named 23676-8.txt or 23676-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/2/3/6/7/23676/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.