diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 01:22:52 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 01:22:52 -0700 |
| commit | ab64557a10055fc28e1b9dafbb7efa9b079f198c (patch) | |
| tree | c0e34fdc3e3513afcb5eb8d8f8f6f3d024ce64e1 | |
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 20391-8.txt | 7877 | ||||
| -rw-r--r-- | 20391-8.zip | bin | 0 -> 150743 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20391-h.zip | bin | 0 -> 2302520 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20391-h/20391-h.htm | 7268 | ||||
| -rw-r--r-- | 20391-h/images/cover.jpg | bin | 0 -> 87141 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20391-h/images/id056.gif | bin | 0 -> 2430 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20391-h/images/ih043.gif | bin | 0 -> 2119 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20391-h/images/ih131.gif | bin | 0 -> 2041 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20391-h/images/ii142.gif | bin | 0 -> 2402 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20391-h/images/ij081.gif | bin | 0 -> 2427 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20391-h/images/in176.gif | bin | 0 -> 2172 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20391-h/images/iw001.gif | bin | 0 -> 2482 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20391-h/images/iw016.gif | bin | 0 -> 2227 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20391-h/images/iz113.gif | bin | 0 -> 2328 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20391-h/images/logo.gif | bin | 0 -> 6324 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20391-h/images/o001.gif | bin | 0 -> 22021 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20391-h/images/o016.gif | bin | 0 -> 24115 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20391-h/images/o029.gif | bin | 0 -> 1575 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20391-h/images/o030.gif | bin | 0 -> 21247 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20391-h/images/o042.gif | bin | 0 -> 1951 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20391-h/images/o043.gif | bin | 0 -> 22726 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20391-h/images/o056.gif | bin | 0 -> 24269 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20391-h/images/o065.gif | bin | 0 -> 5536 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20391-h/images/o066.gif | bin | 0 -> 22386 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20391-h/images/o080.gif | bin | 0 -> 1568 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20391-h/images/o081.gif | bin | 0 -> 22419 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20391-h/images/o096.gif | bin | 0 -> 1697 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20391-h/images/o097.gif | bin | 0 -> 23672 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20391-h/images/o156.gif | bin | 0 -> 10629 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20391-h/images/p000.jpg | bin | 0 -> 110807 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20391-h/images/p013.jpg | bin | 0 -> 91030 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20391-h/images/p026.jpg | bin | 0 -> 57075 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20391-h/images/p034.jpg | bin | 0 -> 70602 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20391-h/images/p036a.jpg | bin | 0 -> 121659 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20391-h/images/p063.jpg | bin | 0 -> 91516 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20391-h/images/p078.jpg | bin | 0 -> 99799 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20391-h/images/p094.jpg | bin | 0 -> 119613 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20391-h/images/p099.jpg | bin | 0 -> 102870 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20391-h/images/p122.jpg | bin | 0 -> 91988 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20391-h/images/p147.jpg | bin | 0 -> 83575 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20391-h/images/p155.jpg | bin | 0 -> 95117 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20391-h/images/p164a.jpg | bin | 0 -> 101917 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20391-h/images/p167.jpg | bin | 0 -> 82254 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20391-h/images/p174.jpg | bin | 0 -> 82628 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20391-h/images/p188.jpg | bin | 0 -> 71628 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20391-h/images/p206.jpg | bin | 0 -> 72878 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20391-h/images/p213.jpg | bin | 0 -> 62111 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20391-h/images/p218a.jpg | bin | 0 -> 104179 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20391-h/images/p225.jpg | bin | 0 -> 99715 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 |
52 files changed, 15161 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/20391-8.txt b/20391-8.txt new file mode 100644 index 0000000..86cd484 --- /dev/null +++ b/20391-8.txt @@ -0,0 +1,7877 @@ +The Project Gutenberg EBook of De Prins en Johan de Witt, by P. J. Andriessen + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De Prins en Johan de Witt + of ons land in het tweede tijdperk der eerste stadhouderlooze regeering + +Author: P. J. Andriessen + +Release Date: January 18, 2007 [EBook #20391] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE PRINS EN JOHAN DE WITT *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ + + + + + + + + De Prins en Johan de Witt + Of + Ons land in het tweede tijdperk der eerste stadhouderlooze regeering. + + + Door + + P. J. Andriessen. + + + + + Vijfde Druk. + + + Leiden.--A. W. Sijthoff's Uitg.-Mij. + + + + +INHOUD. + + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +De tienjarige Leidsche Student 1 + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +Een zeeman, die nog al wat te vertellen heeft 16 + +DERDE HOOFDSTUK. + +Waarin verhaald wordt, hoe de Prins zijne moeder nareisde 30 + +VIERDE HOOFDSTUK. + +Welke plannen drie krullenjongens voor de kermis maakten 43 + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +Hoe gevaarlijk het kan worden, om des Zondags de kerk te verzuimen 56 + +ZESDE HOOFDSTUK. + +Hoe een slimme Raadpensionaris een nog slimmeren Prins niet kon +doorgronden 66 + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +Hoe een echt Hollandsche jongen zich wreekt 81 + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +Een dure slaapkameraad 97 + +NEGENDE HOOFDSTUK. + +Waarin wij een ouden kennis ontmoeten, die het ver gebracht heeft in +de wereld 113 + +TIENDE HOOFDSTUK. + +Waaruit blijkt dat het hier niet altijd voor den wind ging 131 + +ELFDE HOOFDSTUK. + +Wat er met den Prins op het buurtmaal voorviel en wat de +Raadpensionaris daarover zeide 142 + +TWAALFDE HOOFDSTUK. + +Hoe Johan de Witt zijn plan volvoerde 157 + +DERTIENDE HOOFDSTUK. + +Hoe de Raadpensionaris rekenles gaf 176 + +VEERTIENDE HOOFDSTUK. + +Hoe onze vloot de Engelschen tuchtigde 194 + +VIJFTIENDE HOOFDSTUK. + +Wat er met den Prins in Zeeland voorviel 209 + + + + +VOORBERICHT. + + +Het is een algemeen betreurd feit, dat van de jeugd onzer groote mannen +slechts weinig of niets bekend is. En geldt dit ten aanzien van hun +_openbaar_ leven, de leemte doet zich nog sterker gevoelen, wanneer +men uit hun _intiem_ leven wenscht te putten. Ik ontken dan ook niet, +dat mij de samenstelling van dit boek ontzaglijk veel onderzoek en +nasnuffelen heeft gekost, want onze vroegere auteurs gaven nooit veel +meer dan een _histoire de bataille_; verlangt men dus een _histoire +intime_, dan moet men die uit tal van werken oprakelen. Toch durf ik +zeggen, dat ik gelukkig ben geweest; daar ik hier mijnen lezers eene +geschiedenis van de jeugd van onzen onsterfelijken _Willem_ III mag +aanbieden, waarin alle voorvallen historisch zijn, op slechts twee +[1] na, van welke twee ik toch de verzekering durf geven, dat zij +niet uit de lucht zijn gegrepen, maar geheel en al op het karakter +van den jongen Prins berusten. In 't bijzonder vinden zij dan ook +hier de betrekking van den jeugdigen Oranjevorst tot den eersten man +van zijn tijd, den eenigen _Johan de Witt_. + +Ik heb mij dus hier op een nieuw terrein begeven: _vaderlandsche +karakterkunde_. Ik oordeel die hoogst noodig voor mijne jeugdige +lezers. Daarenboven kunnen zij uit dit boek weder veel leeren. Zij +zullen er den voortgang der beschaving in vinden en ook eens in +de vertrekken der aanzienlijken rondkijken, waartoe mijne andere +werkjes minder aanleiding gaven. De toenmalige buurtvereenigingen +schenken hun een nieuwen blik in dien tijd; terwijl een korte schets +van een begrafenismaal hen weder met een eigenaardig gebruik onzer +voorvaderen bekend maakt. De verdere geschiedenis van _De Ruyter_ met +den krijg in het Noorden en de tweede Engelsche oorlog behoorden tot +dit tijdperk, dat ik tot 1668 heb laten loopen, omdat men kan zeggen, +dat in genoemd jaar de eigenlijke jeugd van den Prins eindigde met +zijne mondigverklaring. + +Ik heb bij dezen druk niets te voegen, dan aanbeveling van mijnen +arbeid in de voortdurende welwillendheid mijner landgenooten. + + +P. J. Andriessen. + + + +Sedert de gevierde Schrijver bovenstaand Voorbericht schreef, heeft +dit boeiend verhaal meerdere drukken moge beleven. Thans wordt +aan de Nederlandsche jeugd een vijfde druk aangeboden, welke zich +van de vorigen gunstig onderscheidt door de flinke letter op mooi, +stevig papier en de keurige illustraties in en buiten den tekst, +die de aantrekkelijkheid van dit boek ongetwijfeld hebben verdubbeld. + +Moge dit door verdubbelde belangstelling blijken! + + +De Uitgever. + + + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +De tienjarige Leidsche Student. + + +Wanneer wij, mijne jonge lezers, op Dinsdagmorgen den 28sten September +1660, langs het _Rapenburg_ te _Leiden_ waren gewandeld, dan zouden +wij hebben blijven stilstaan voor een groot gebouw op den hoek van +de _Langebrug_ (toen _Voldersgracht_); hetwelk echter thans niet meer +bestaat en sedert vervangen is door aanzienlijke woonhuizen. Dat oude +gebouw ziet er allesbehalve aanlokkelijk uit met zijne drie ramen +in de benedenverdieping en zijne dertien in de bovenste, alle met +traliën voorzien en in tweeën verdeeld; het onderste gedeelte door +twee luikjes van buiten gesloten. Wat steken die kleine, als ruiten +gesneden en in lood gevatte glazen treurig af tegen de drie spitse en +met sierlijke torentjes bezette geveltjes, de beide uiterste van één, +de middelste van drie zolderramen voorzien. De naast het huis gebouwde +poort, door een schildwacht bewaakt en die den eenigen toegang tot +het huis geeft, dient er weinig toe om ons tot binnentreden uit te +lokken. Bijna zouden wij meenen, dat het een gevangenis was; doch +dan zouden de bovenramen ook van ijzeren traliën voorzien zijn. Dan +een klooster? vraagt gij. En hierin hebt gij zoo geheel en al geen +ongelijk, ofschoon 't wel te verwonderen zou zijn, als men nog ten +jare zestienhonderd en zestig binnen de stad _Leiden_ een klooster +vond. Ik wil u 't raadsel oplossen. + +Het gebouw, voor 'twelk wij staan, was vóór het beleg en ontzet der +stad [2] een klooster, gewijd aan de heilige Barbara en bewoond door +nonnen van de Sint Franciscusorde. Nadat de benarde veste echter voor +goed van 't Spaansche juk verlost was, werd het in 1575 ingericht +tot academie. Toen deze later in een ander gebouw was overgeplaatst, +werd het vroegere St.-Barbara-klooster op stadskosten opgeknapt en +geschikt gemaakt tot een verblijfplaats voor onze Prinsen, wanneer die +te _Leiden_ vertoefden; terwijl het tevens tot huisvesting diende voor +vorstelijke personen. Zoo heeft, nu zeven-en-veertig jaren geleden (in +1613), Prinses Elizabeth, dochter van Koning Jacobus I van _Engeland_ +en echtgenoote van Frederik V, keurvorst van de _Paltz_ en naderhand +koning van _Bohemen_, in dat huis gelogeerd. Daar nu haar gevolg en +dat van onzen stadhouder Prins Maurits uit niet minder dan vijfhonderd +personen bestond, en deze allen in dat huis logeerden, kunt gij u +wel voorstellen, dat het een fiksch gebouw is, dat _Princenhof_ +(want dien naam draagt het thans), en gij zult niet verwonderd +staan over de groote en hooge vertrekken, de heerlijke zalen, de +ferme paardenstallen, de ruime binnenplaats, die aan de kamers een +genoegzaam licht geeft, en vooral over den grooten wel onderhouden +tuin, die zich achter het gebouw uitstrekt, en welks hooge muren u +nog aan de voormalige bestemming (klooster) doen denken. + +Wij gaan dan de poort in en komen op de binnenplaats. Ziet maar eens, +hoeveel ramen. Nu eerst kunt gij u voorstellen, welk een menigte +vertrekken er zijn. Wij blijven hier echter niet lang, maar treden +de steenen trappen met sierlijk gekrulde ijzeren leuningen op, +die ons in het ruime, hooge, met lofwerk gebeeldhouwde voorportaal +brengen. Ook hier vertoeven wij niet; maar gaan de eikenhouten trap +aan onze linkerhand op en komen op een langen, breeden corridor, +waar wij voor een met groen laken bekleede deur stilstaan, welke wij +openslaan, de daarachter zich bevindende deur opendraaien en ons in een +tamelijk ruim vertrek bevinden. Het prachtig goudlederen behangsel +met zijne sierlijke bloemen en ranken, het keurig gebeeldhouwde +noteboomhouten dressoir (buffet), de groote spiegel van venetiaansch +glas, het smyrnasch karpet onder de met marmeren blad gedekte tafel +en de prachtige damasten gordijnen doen u reeds vermoeden, dat deze +kamer tot woonplaats dient van een aanzienlijk persoon; zoo niet de +rijk geborduurde zijden kussens op de ebbenhouten stoelen met hooge +gebeeldhouwde leuningen en gedraaide pooten, de zilveren inktkoker +op de tafel en de groote sierlijke fauteuil met hooge leuning, die +daar voor den vlammenden haard, dicht onder den hoogen en breeden +schoorsteen is geschoven, u daarvan reeds ten volle overtuigden. + +Maar waar is de bewoner van deze kamer? Eilieve! gaat een weinig +nader bij de brandende blokken, slechts door een blinkend geschuurd +koperen hekje omgeven, en gij zult tot uwe verwondering zien, dat +wij niet alleen zijn en dat het maar goed is, dat wij geen kwaad +hebben gezegd--anders waren we zeker beluisterd geworden. Daar +in dien hoogen leuningstoel toch zit, in zijden kussens gedoken, +een tengere, ziekelijke knaap, met de voeten op een warme stoof en +de eene hand onder 't hoofd, terwijl de andere een boek vasthoudt, +waarin hij schijnt gelezen te hebben, doch dat hij nu op de knie laat +rusten. Zijn helder en doordringend oog staart op het vuur, als ziet +hij wonder wat in de grillige gedaanten, welke de flikkerende vlammen +aannemen en als is er iets bijzonders voor hem in de van tijd tot tijd +instortende blokken. Hij is nog jong, die knaap: den 14den November +aanstaanden zal hij zijn tiende jaar bereikt hebben. En toch--hoe +jong hij zij, ligt er op dat hooge voorhoofd en dat smalle bleeke +gelaat reeds een waas van ernst, hetwelk men op dien leeftijd niet zou +verwachten. Schoon is hij niet. Zijn adelaarsneus is te groot voor dat +magere gezicht, dat er, kon 't zijn, nog magerder door wordt. Geen +blozende wangen of levenslustige oogen, geen schalksche trek om +lip of mond; de arme knaap is jong, zonder jeugd te hebben gekend: +hij heeft vrij wat meer in de wereld dan die burgerjongen, dien wij +daarstraks op het plein voor de _Sint-Pieterskerk_ met zijne kameraads +zagen knikkeren,--maar zeker zou die voor al het geld der wereld met +hem niet willen ruilen. Toch toont zijne kleeding zijn aanzienlijken +stand aan. Dat zwart fluweelen wambuis met die fijne kanten lubben, +die op de witte, magere handen neerhangen, die satijnen broek van +dezelfde kleur, met korenblauwe linten onder de knie vastgemaakt, +die fijn lederen schoenen met strikken, in welker midden zich een +gouden knoop bevindt en die halsdoek, die als een bef met breede +plooien om den hals gestrikt, in echte Brusselsche kant nederhangt, +doen 't u reeds vermoeden, indien de omgeving in de kamer er u geen +zekerheid van gaf. Die bijna tienjarige knaap--misschien hebt gij +'t begrepen--is de hoop van het edele stamhuis van _Oranje_ en van +allen, die het met dat doorluchtige geslacht wél meenen: 't is Willem +Hendrik, Prins van _Oranje-Nassau_, Graaf van _Catzenellebogen_, +_Vianden_, _Dietz_, _Lingen_, _Meurs_, _Buren_ en _Leerdam_, +Markies _van der Veere_ en _Vlissingen_, Heer en Baron van _Breda_, +de stad _Grave_ en het land van _Kuik_, _Diest_, _Grimbergen_, +_Herstal_, _Kranendonk_, _Warneston_, _Arlay_, _Noseroy_, St.-_Veit_, +_Daasburg_, _Polanen_, _Willemstad_, _Niervaart_, _IJselstein_, +_St.-Maartensdijk_, _Steenbergen_, _Geertruidenberg_, de _hooge_ +en _lage Zwaluwe_, en _Naaldwijk_, Erfburggraaf van _Antwerpen_ en +_Besançon_ en Erfmaarschalk van _Holland_. 't Is de achterkleinzoon +van den grondlegger onzer vrijheid, den edelen Willem den Eerste, +'t is de zoon van den te vroeg gestorven Willem den Tweede en van +Maria Stuart, de oudste dochter van Karel I Koning van _Engeland_. + +Ik heb u reeds verhaald, dat de arme Prins zijn vader nooit gekend +heeft. Kort na zijne geboorte begiftigden hem de Algemeene Staten met +een rentebrief van achtduizend gulden 's jaars en legden de Staten van +_Holland_ hem een jaargeld van vijfduizend, _Delft_ van zeshonderd, +_Leiden_ van twaalfhonderd en _Amsterdam_ van duizend gulden toe, +terwijl _Zeeland_ er later nog twee duizend bijvoegde; zoodat onze +knaap, behalve de inkomsten zijner goederen, een jaarlijksch inkomen +heeft van ongeveer achttienduizend gulden, zeker meer dan genoeg +voor een kind van bijna tien jaren. En toch is hij niet gelukkig, +Prins Willem Hendrik. Toch ligt er een verdrietelijke trek op dat +gelaat,--een trek, die aan meer dan lichamelijk lijden doet denken. + +Zijn levenslot was dan ook verre van benijdenswaardig geweest. Reeds +weinige weken na zijne geboorte, toen _Zeeland_ den voorslag deed, +hem tot Stadhouder te benoemen, wees _Holland_ dit van de hand. En +gij weet het, hoe bij het vredestraktaat in 1654 de beruchte _acte +van seclusie_ werd vastgesteld, waarbij de Prins werd uitgesloten +van de waardigheden, door zijne voorvaderen bekleed. Maar ook in +den huiselijken kring had de arme Willem Hendrik weinig genoegen +gehad. Reeds kort na zijne geboorte ontstond er twist over de +voogdijschap tusschen zijne moeder, zijne grootmoeder en den keurvorst +van _Brandenburg_, gehuwd met de oudste zuster van Willem II. De eerste +meende daarop recht te hebben wegens het testament van haren gemaal; +de tweede beweerde, dat Prinses Maria die zelf niet meerderjarig was, +geen voogdes kon zijn, en de laatste, die nog verscheidene mededingers +had, begreep, dat slechts een man met de voogdijschap kon worden +bekleed. Na veel twist werd men het eens, dat Amalia van Solms de +helft, en Prinses Maria Stuart en de keurvorst van _Brandenburg_ +ieder een vierde der voogdijschap zouden uitoefenen en dus een even +groot gedeelte der goederen besturen. + +Hoezeer nu deze zaak in der minne geschikt scheen, bleef er tusschen +de beide Prinsessen een veete bestaan, die niet dan ongunstig op het +karakter van den jongen Prins kon werken. Het had daardoor al dat +opene verloren, hetwelk men van een knaap van zijn leeftijd terecht +kon verwachten, en een kunst van veinzen aangenomen, die zeker leelijk +en veroordeelenswaardig is in een kind, ja in den man;--maar die hem +later tot den grootsten staatsman zijner eeuw maakte. Daarbij had hij +dikwerf grootmoeder over dingen hooren spreken, die voor moeders ooren +niet aangenaam zouden zijn geweest, en moeder had zaken aangeroerd, +die hij bij grootmoeder niet mocht vertellen,--en daardoor had hij, +reeds op zoo jeugdigen leeftijd, de groote kunst geleerd om te zwijgen, +een kunst, die hij zijn gansche leven heeft in practijk gebracht [3]. + +Hiermede en bij gebrek aan verkeering met knapen van zijn leeftijd, +had het karakter van den jeugdigen Prins een plooi aangenomen, die +men reeds bij den eersten aanblik op dat magere, bleeke gelaat kon +bespeuren: een zekere stroefheid in den omgang met anderen, vooral +met vreemden en in gezelschappen, waardoor zij, die hem niet kenden, +hem voor onaangenaam en lomp hielden. Alleen zij, die meer met hem +omgingen, zijne bijzondere vrienden en kennissen, hadden hem innig +lief en wisten zijne goede hoedanigheden te waardeeren;--jegens hen +was hij somtijds openhartiger, gewoonlijk vertrouwelijker. + +Ik vond het noodig, u een blik te doen slaan in het karakter van +den jeugdigen Willem Hendrik. Uit mijn vorig werkje hebt gij gezien, +hoe een geduchte en machtige partij in _Holland_, bekend onder den +naam van "Loevesteinsche factie" of "de staatspartij", tegen zijne +bevordering was en die door alle middelen wist tegen te houden; +gij hebt er ook uit kunnen leeren, hoe er, vooral onder 't volk, +een andere partij was, die deze bevordering wenschte en bij elke +gelegenheid dien wensch duidelijk deed blijken. Ook _Zeeland_ was er +steeds op uit om den Prins te verheffen tot de waardigheden, door +zijne doorluchtige voorouderen bekleed; maar al de pogingen, door +dat gewest aangewend, leden schipbreuk op den weerzin der Hollandsche +aristocraten. Zoo hielden de Staten van eerstgenoemde provincie, die +het welzijn van den jeugdigen Oranjespruit zoozeer ter harte nam, in +1655 bij de andere gewesten aan op het benoemen van een predikant, +die den vijfjarigen Prins in de beginselen van den christelijken +godsdienst zou onderwijzen, en een ander bekwaam persoon, om hem +de taal, geschiedenis en andere noodige wetenschappen te leeren; +de Staten van _Holland_ beweerden daarentegen, dat het geenszins den +Zeeuwen noch der andere Provinciën paste, zich te mengen in 's Prinsen +opvoeding. Het volgende jaar stelden zijne voogden den predikant +Trigland bij hem als onderwijzer in den godsdienst aan, terwijl zij +hem ook in andere noodige wetenschappen lieten onderrichten. Twee +jaren lang genoot hij dat onderwijs. + +Toen onze Willem Hendrik nu zijn achtste jaar bereikt had, begreep +zijne moeder, dat het tijd werd, hem hooger onderwijs te geven. De +magistraat van _Leiden_, dit vernomen hebbende, bood der Prinses +niet alleen hare stad en Hoogeschool aan, maar ook het _Princenhof_, +reeds vroeger door zijne voorouders bewoond, zoolang zij te _Leiden_ +studeerden; terwijl zij verklaarde het reeds te dien einde te hebben +gemeubileerd en nog verder te zullen meubileeren. De prinses nam dat +aanbod aan en benoemde tot goeverneur over haren zoon Frederik van +Nassau, Heer van Zuijlestein, natuurlijken zoon van Prins Frederik +Hendrik en te dien tijde kolonel van een regiment voetvolk, welken +rang en post hij bij zijne aanstelling behield. Tot zijn leermeester +koos zij den Hoogleeraar Borneus. Het was eerst na eenigen tijd, +dat Prinses Amalia en de Keurvorst in dezen maatregel toestemden. + +Op Maandag den derden November 1659 liet de Prins van _Oranje_, +nu ongeveer negen jaren oud, door de Heeren van Heenvliet, en den +kanselier Weyman, aan den President der Staten-Generaal bekend maken, +dat hij den volgenden dag naar _Leiden_ zou vertrekken. Denzelfden +namiddag kwam eene commissie, bestaande uit de Heeren Huygens, +Ripperda, Stavenisse en Renswoude, benevens eenigen uit den Raad, +zijne Hoogheid bedanken voor zijne mededeeling en hem gelukwenschen +met zijn plan. Op Dinsdag den vierden November, dus tien dagen vóór +zijn negenden verjaardag, vertrok hij, vergezeld van zijne moeder +en grootmoeder, in een karos naar _Leiden_, waar hem de Hoogleeraar +Joannes Coccejus, dat jaar Rector Magnificus [4] met een deftige +redevoering in 't Nederlandsch verwelkomde. Hij betrok toen met zijn +goeverneur Zuijlestein en zijn bedienden het _Princenhof_, waar wij +hem in het begin van dit Hoofdstuk aantroffen. + +Gedurende zijn verblijf te _Leiden_ was er veel te zijnen gunste +veranderd. Zijn oom Karel Stuart was na den dood van Cromwel in +_Engeland_ teruggeroepen, en had den troon beklommen onder den naam van +Karel II. Genoemde vorst had hier te lande onbekrompene gastvrijheid +genoten en bij het plechtig afscheid, dat hij in 's-_Gravenhage_ van +de Staten-Generaal nam, zijn neef Willem van _Oranje_ zeer in hunne +gunst en in die van de Staten van _Holland_ aanbevolen. Kort daarop +herhaalde zijne moeder deze aanbeveling, hetgeen ten gevolge had, +dat de Staten van _Zeeland_ op den 1sten Augustus 1660 besloten, +hem tot Kapitein-Generaal en Stadhouder van hun gewest te benoemen, +op welk besluit zij ten ernstigste bij de Staten van _Holland_ +aandrongen. Beide Prinsessen leverden nu aan de Algemeene Staten het +verzoek in, dat _Hunne_ Edel-Groot-Mogenden zich mochten belasten met +'s Prinsen opvoeding. De Staten willigden dit in, "opdat de Prins +dus bekwaam mocht worden tot de bediening der hooge ambten, door +zijne voorzaten bekleed," doch gaven daaraan geene uitvoering. Vier +dagen later echter besloten zij tot de vernietiging van de acte van +seclusie. Keeren wij na deze breede uitweiding tot onzen Prins terug. + +"Zijt gij daar, Karel?" zegt hij tot zijn kamerdienaar, een forsch +en stevig gebouwd jonkman van ruim drie en twintig jaren, van wien +hij veel houdt en met wien hij gaarne spreekt. + +"Om u te dienen, Uwe Hoogheid," antwoordt deze, die met een klein +fleschje in de eene en een brief met groot lak in de andere hand, +het vertrek is binnengetreden. "Hier zijn de druppels, die de dokter +u heeft voorgeschreven, en hier een brief, zoo op het oogenblik met +den post aangenomen." + +"Geef hier den brief, Karel," hervat de Prins, terwijl hij het boek +weglegt en de hand naar het papier uitstrekt. + +De kamerdienaar reikt het over en gaat naar het dressoir, waar +hij in een kristallen glas eenig water schenkt, in hetwelk hij het +bepaalde aantal druppels uit het fleschje mengt en dat hij den Prins +aanbiedt. Deze heeft intusschen den brief opengebroken en doorloopt +den inhoud. + +"Hier zijn uwe druppels, Uwe Hoogheid," zegt de kamerdienaar. + +"Ba! hoe zuur!" zegt de Prins, nadat hij het glas heeft +leeggedronken. "De dokter heeft veel van Mijnheer den Raadpensionaris," +voegt hij er hardop denkend bij. "Die verstaat ook de kunst om wrange +druppels toe te dienen." + +"Of bittere," verbetert de kamerdienaar. + +"Karel," gaat de Prins voort, alsof hij die woorden niet gehoord heeft, +"zeg den Heer Van Zuijlestein, dat ik hem verzoek hier te komen. Ik +moet hem spreken." + +Terwijl de kamerdienaar het bevel van zijn jongen meester +volbrengt, leest deze nogmaals den brief over. 't Is of de lezing +hem vermoeit;--toen hij gedaan heeft, houdt hij de magere, witte hand +voor de oogen en blijft in gepeins zitten. Het binnentreden van zijn +goeverneur stoort hem in zijne overdenking. + +"Gij liet mij roepen, Willem!" begint deze. "Weder die ongelukkige +hoofdpijn! Waarom niet nog wat te bed gebleven?" + +"Omdat ik het in het dons niet langer kon susteneeren," geeft de +Prins ten antwoord. "Ik hoopte, dat het wat beter zou worden, als ik +op was. Lees echter dezen brief, dien ik daareven ontving." + +De goeverneur neemt den brief en voldoet aan den wensch van den Prins. + +"Gij ziet het, Zuijlestein. Mijn oom, Zijne Majesteit Karel II van +_Engeland_, heeft de schepen gezonden, om hare Koninklijke Hoogheid +mijne moeder af te halen. En zij verlangt, dat ik terstond zal +afreizen, om haar vaarwel te zeggen." + +"Dat is het uitdrukkelijk verlangen van Hare Koninklijke Hoogheid, +Willem," antwoordt Zuijlestein. "Zij meldt u dat in den brief." + +"Alles goed en wel," herneemt de Prins. "Maar ik kan vandaag niet +gaan. Het is mij onmogelijk. Met zulk een hoofdpijn kan ik niet +reizen. Het hoofd klopt mij als een hamer. De oogen branden mij in +'t hoofd. Elke beweging, die ik maak, is mij een pijniging. Laat +Widerts schrijven, dat ik heden niet kan komen, maar dat ik, wanneer +het morgen passabel is, zoo vroeg mogelijk zal vertrekken." + +"Er is niets aan te veranderen," geeft Zuijlestein ten antwoord. "Het +vertrek der Prinsesse Royal is op morgen gefixeerd, en als wij +vroeg genoeg op reis gaan, kunnen wij haar tot aan het schip +accompagneeren. Hare Hoogheid zal echter zeer gefrustreerd zijn, +daar zij u zeker gaarne den laatsten dag bij zich had gehad." + +De Prins antwoordt niet; het is of hij aan de belangstelling zijner +moeder twijfelt. + +"Zeg Karel, dat hij Widerts roepe," herneemt hij. Zuijlestein schelt +en deelt Karel het bevel van Zijne Hoogheid mede. + +"Moeder had mij wel vroeger kunnen schrijven," herneemt Willem Hendrik +eenigszins bitter. + +"De tijding van de aankomst der Engelsche vloot is eerst gisteren laat +in 's-_Gravenhage_ gearriveerd," hervat Zuijlestein verschoonend. "Hare +Koninklijke Hoogheid kon er u dus niet vroeger van preveniëeren." + +Op dit oogenblik komt 's Prinsen Raad en schrijver Widerts binnen, +en de Prins geeft hem den inhoud van den brief aan zijne moeder op. + +"Meld Harer Hoogheid vooral, dat ik haar zelf zou geschreven hebben," +eindigt de Prins, "indien de furieuze hoofdpijn mij daarin niet +verhinderde." + +Widerts zet zich aan de tafel om den brief te schrijven. + +"Ik kan vandaag geen les nemen, Zuijlestein," gaat de Prins voort. "Ik +heb gepoogd wat te studeeren, maar de letters dansen mij voor de +oogen. Laat dus mijne meesters afzeggen, en 't vooral Professor +Borneus weten, opdat hij geen vergeefschen tocht doe." + +"Rust en kalmte zijn de beste medicijnen voor u, Willem," herneemt de +goeverneur. "Gij weet het, wat de dokter u gisteren nog zeide. Wij +zullen hem straks wel hier hebben, en hij zal u wel ordineeren, +om naar bed te gaan." + +"Ik heb reeds zijn druppels ingenomen. Zij zijn bijtend, scherp zuur." + +"Medicijnen zijn niet altijd aangenaam, Willem. Maar zij zijn weldadig +voor het lichaam. Ook onze hemelsche Vader geeft ons wel eens bittere +medicijnen te slikken, om onze ziel te cureeren." + +"Ik heb er reeds van moeten innemen," antwoordt de Prins op somberen +toon. "Ha, Widerts, reeds gereed!" herneemt hij op minder treuriger +wijs tot zijn schrijver en Raad. "Laat hooren, wat gij geschreven +hebt." + +Widerts voldoet aan 's Prinsen verlangen en leest den in 't Fransch +geschreven brief voor (want het Fransch was toen de hoftaal, en +onze Vorsten van _Oranje_ schreven er altijd in). De Prins zet zijne +handteekening onder den brief en reikt dien zijn secretaris over om +hem te sluiten, te verzegelen en van adres te voorzien. + +Twee uren later lag de Prins in de naaste kamer te bed. De dokter +had zulks geordineerd en hem een calmeerend geneesmiddel gegeven +met de hoop, dat hij den volgenden morgen in staat zou zijn, naar +'s-_Gravenhage_ te vertrekken. Aan zijn bed zat zijn kamerdienaar +Karel, om hem van tijd tot tijd koele compressen op het hoofd te +leggen en zijn drankje in te geven. Maar een geest als die van +Willem Hendrik kon zich moeilijk in de gedwongene rust schikken, +welke hem was opgelegd. Onophoudelijk woelde hij zich om en om, +hoe ook Zuijlestein hem tot stilte en rust aanmaande. + +Deze laatste had 's Prinsen bed verlaten. Karel was alleen met hem +in de kamer. 't Scheen, dat de zieke eenigszins kalmer werd. + +"Dek mij wat beter toe, Karel," zeide hij, "en verhaal mij eens van dat +Haagsche oproer, waarvan gij laatst spraakt, toen wij juist gestoord +werden. Ik heb er behoefte aan, dit nu te hooren." + +"Indien Uwe Hoogheid mij belooft, stil en bedaard te blijven liggen en +zoo weinig mogelijk te spreken," hernam de kamerdienaar, terwijl hij +de met zijde gevoerde deken terecht schikte en den Prins een nieuwe +compres op 't hoofd legde. + +"Dat beloof ik u, Karel," antwoordde de Prins, en de kamerdienaar +begon: + +"Het was in den zomer van het jaar 1653, dat Hare Koninklijke Hoogheid +de Prinsesse Royaal met Uwe Hoogheid, die toen derdehalf jaar oud +was, naar _Breda_ was gereisd, om U als baron dier stad te doen +huldigen. Wij Haagsche jongens hadden er de lucht van gekregen, en, +aangevoerd door Koen Aertsen (den zoon van Aert Gerritsz, den barbier +uit het _Gortstraatje_) die voor kapitein speelde, besloten wij Uwe +Hoogheid bij Hare terugkomst in 's _Gravenhage_ deftig in te halen. Dag +op dag trokken wij dan met mutsen en bandelieren van Oranjepapier, +met stokken en Oranjevaandels gewapend, naar het _Zieken_, waar Uwe +Hoogheid moest binnenkomen. Of men Uwe reis opzettelijk vertraagd +had, op hoop dat wij uit elkander zouden gaan, weet ik niet; het +was echter reeds laat in den nacht, toen de vorstelijke karossen +terugkeerden. Daar wij weinig deeg van onzen opschik en van onze +uitmonstering hadden, zoo besloten wij, des anderen daags in dezelfde +toerusting op het _Binnenhof_ te verschijnen.--In groote statie +trokken wij op, terwijl Pieter Hendriksz, die onder ons jongens +den bijnaam had van den duikelaar, omdat hij zoo mooi kon duikelen, +het Wilhelmus op de trompet blies, dat het rammelde en raasde." + +"Kan die knaap zoo mooi op de trompet blazen?" vraagde de Prins. "Waar +had hij dat geleerd?" + +"Van een vroegeren trompetter van de Oranjegarde, een zekeren Jan +Claeszoon [5], die, toen deze garde in "garde van de Staten van +_Holland_" werd veranderd, zijn ontslag had gekregen. Hij woonde +vroeger in de _Bagijnenstraat_ en was naar _Amsterdam_ vertrokken." + +"En wat gebeurde er verder?" + +"Men toonde ons Uwe Hoogheid voor de vensters van 't paleis. Toen +was 't eerst een leven: de trompet schalde nog luider en wij allen +schreeuwden onze kelen heesch met "Leve de Prins!"--Maar daar kwamen op +eens de dienaars van den Fiskaal, wien door de Staten van _Holland_, +die dat leven in hunne vergadering niet schenen te kunnen velen en +die wellicht voor meerdere opschudding vreesden, last was gezonden, +om den hoop te verstrooien. Maar juist die maatregel had een verkeerde +uitwerking; want het grauw, dat hierin een beleediging zag, ging naar +'t huis van den Fiskaal en wierp er de glazen in. Ook aan de logementen +[6] van _Amsterdam_ en _Rotterdam_ deed men hetzelfde. Men schold de +afgevaardigden en vooral Mijnheer den Raadpensionaris De Witt voor +schelmen en prinsenverraders. Ja, zoover ging men, dat een dronken +Duitscher den Heer Jacob de Witt, den vader van den Raadpensionaris, +aanviel en hem dreigde, "dat men hem wel zou leeren, om den Prins +tegen te spreken." Het was jammer, dat onze betooning van gehechtheid +aan Uwe Hoogheid zulke gevolgen had.--Wij jongens hadden dat geenszins +bedoeld." + +Met genoegen had de Prins naar het verhaal van zijn kamerdienaar +geluisterd. Hij viel weldra daarna in een gerusten slaap. + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +Een zeeman, die nog al wat te vertellen heeft. + + +Wij laten den Prins slapen en willen ons den volgenden dag eens +naar 's-Gravenhage begeven, waar wij in de _Spuistraat_ den +pruikenmakerswinkel van Pieter Dirksz binnentreden. Sedert eenige +jaren was die pruikenmaker er tamelijk bovenopgekomen; want er +was in zijn vak nog al wat te verdienen, sinds de allongepruiken, +uit Frankrijk overgewaaid, hier meer en meer in zwang kwamen. Gij +weet immers wel, wat allongepruiken zijn, en hebt ze zeker wel eens +op oude portretten gezien. Hoe dwaas, zult gij zeggen, als men van +onzen Lieven Heer een goeden krullebol ontvangen heeft, een pruik op +'t hoofd te zetten. Wat zal ik u zeggen? De mode is een grillige dame, +en wat wij nu dwaas vinden en bespottelijk, wordt mooi, wanneer allen +het dragen, met andere woorden, wanneer het mode is. De groote heeren +nu van dien tijd droegen lange pruiken met krullen, die op beide zijde +van de borst afhingen en hun een deftig en statig voorkomen gaven. Hoe +zonderling en dwaas nu die mode ook was, zij had het voordeel, dat zij +aan menigeen brood verschafte, en ook onze Pieter Dirksz, die vroeger +een gering haarsnijdertje in de _Zuilingstraat_ was geweest, had het +aan de pruiken te danken, dat hij zijn onaanzienlijke woning en zijn +nederig bedrijf met een vrij wat beteren stand had verwisseld en thans +den titel van _kapper_ mocht dragen. En dat alles was het werk van +zijn oudsten zoon Karel, die, als lakei bij de Prinses Royaal in dienst +gekomen, het door zijne oppassendheid tot 's Prinsen kamerdienaar had +gebracht, in welke hoedanigheid wij hem in onze inleiding bij Zijne +Hoogheid aantroffen. Karel Pietersz toch had weten te bewerken, dat +verscheidene groote Heeren zijn vader de klandizie schonken, en de +Prinses, wien de Oranjegezindheid van den voormaligen haarsnijder wel +bekend was, had aan Pieter Dirksz eenig geld voorgeschoten, waardoor +hij in staat was gesteld, zich het noodige haar te verschaffen en +zijn stand te verbeteren. Dat geld had hij sedert lang terugbetaald. + +Wij treden den winkel van baas Dirksz binnen en vinden daar den tweeden +zoon Jacob achter de toonbank zitten, bezig met het opmaken eener +reusachtige allongepruik,--want niet alleen het vervaardigen van die +hoofddeksels verschafte onzen haarwerker goede winsten, het onderhoud +daarvan schonk hem geregeld werk. Wij gaan den twee-en-twintigjarigen +Jacob voorbij en doen de glazen deur achter in den winkel open, +waar wij in het huisvertrek den eerzamen pruikenmaker zien zitten, +luisterende naar het verhaal van een zeeman, dien wij, ondanks zijn +gebruind gelaat, terstond voor den jongeren broeder van Pieter Dirksz +herkennen. Aan de tafel zit Marie, een meisje van twintig jaren, +naar de Prinses Royaal vernoemd, en die sedert moeders dood het +huishouden van haren vader bestuurt. Evert, die op haar volgt, +is niet t'huis, maar bij den smid Joris Gerritsz aan 't werk; +terwijl de veertienjarige Martha en haar dertienjarige broeder +Pieter, de jongste van Dirksz' zestal, een aardige geestige jongen +en vaders naamgenoot en lieveling, naar ooms vertellingen zitten te +luisteren. Aandachtiger luisteraar echter heeft Klaas Dirksz niet +dan zijn jongsten neef. Ziet hem daar zitten, dien blozenden knaap, +terwijl de blauwe, zielvolle oogen onafgewend aan de lippen van den +verhaler hangen en de hand den krullebol ondersteunt, als werd hem die +te zwaar door al het nieuws, dat er in wordt opgenomen. Twee jaren +geleden was zijn oom met den vice-admiraal De With, onder bevel van +den Admiraal Jacob van Wassenaar, naar _Denemarken_ vertrokken, om +den koning van laatstgenoemd land tegen de Zweden bij te staan. Eer +wij echter vernemen, wat oom Klaas te verhalen heeft, moet ik u met +een enkel woord de oorzaak van die zending mededeelen. + +Reeds in 1656 had de oorlogzuchtige koning van _Zweden_ Karel Gustaaf, +door het belegeren van de stad _Dantzig_, die wij als de korenschuur +van _Nederland_ aanmerkten, onze Staten genoodzaakt, een vloot van +acht-en-veertig schepen naar de _Oostzee_ te zenden. Het doel van +dezen tocht was bereikt en de vaart op de _Oostzee_ bleef vrij. Toen +echter in 't volgend jaar de krijgskans ten nadeele van Karel Gustaaf +liep, begreep Frederik III, koning van _Denemarken_, dat thans het +rechte tijdstip daar was om de landen te herwinnen, die de Zweden, +veertien jaren geleden, zijnen vader Christiaan IV ontnomen hadden. Hij +verklaarde dus Karel Gustaaf den oorlog, waarop deze een stouten tocht +ondernam, dien niemand vóór hem had durven wagen. Hij trok in Februari +van 't jaar 1658 met zijn leger van slechts achtduizend man, meest +ruiterij, over de toegevroren zee naar _Funen_, alwaar hij _Odenzee_ +en _Nyborg_ vermeesterde. Cromwells gezant, Meadow, zond hem een +bode te paard, om hem tot den vrede aan te manen. "Hoe!" zeide de +koning. "Kan die bode over den _Grooten Belt_, dan kunnen wij er ook +over." Hij liet nu zijn leger oprukken en nogmaals over de bevroren +zee trekken om den vijand in zijn land te bestoken. 't Was zoo vinnig +koud, dat men den wijn en het bier bij stukken uit de vaten moest +hakken; om ze te ontdooien. Midden in den nacht nam de tocht een +aanvang. Door de menigte van paarden smolt de sneeuw zoozeer, dat er +op sommige plaatsen wel twee voet water op het ijs stond, en men in +de duisternis elk oogenblik vreesde in de zee te zullen verzinken. + +Reeds in den morgen van den volgenden dag kwam de koning op _Langeland_ +aan en ging van daar op _Laland_ en _Falster_, welke eilanden hij +bezette. Vervolgens trok hij op _Seeland_ af, nam _Warburg_ in en +stond op het punt om op _Kopenhagen_ af te trekken, toen Meadow zelf +hem kwam opzoeken en er te _Rotschild_ tusschen de beide koningen een +verdrag werd gesloten, waarbij bepaald werd, dat "zij nooit zouden +toelaten, dat eenige vreemde oorlogsvloot door de _Sont_ of _Belt_ in +de _Oostzee_ zou komen." Dit verbond was echter niet lang van duur; +nog in 't zelfde jaar viel Karel Gustaaf in _Seeland_ en sloeg het +beleg voor _Kopenhagen_. Onze Staten, die wel wisten hoe schadelijk +het voor ons zou zijn, indien de Zweden meester werden in 't Noorden, +besloten den admiraal van Wassenaar met een vloot naar _Kopenhagen_ +te zenden. De wakkere Kortenaar, zijn raadsman, dien wij reeds als +kapitein op het schip van Tromp [7] ontmoet hebben, was kapitein van +het admiraalsschip, terwijl de Vice-admiraals De With en Floriszoon +onder Wassenaar het bevel voerden. + +Keeren wij thans naar de woonkamer van Pieter Dirksz terug. Zijn +broeder Klaas, de zeeman met zijn gebruind gelaat, zijn heldere oogen +die goedhartig uit de beenige kassen zien, zijn reeds hier en daar +grijs geworden bruin, krullend haar, de baard en snorren om wang +en kin, de groote, breede handen, die wel aan een mulat schijnen te +behooren, doen terstond in hem den man herkennen, die lang aan weer en +wind is blootgesteld geweest. Ook aan zijn spreken merkt men dadelijk +den zeeman op, daar hij tal van spreekwoorden in den mond heeft, +van welke de meeste hun oorsprong aan het zeeleven te danken hebben: +vele daarvan echter zijn spreuken uit vader Cats. + +"Goê morgen!" begint hij, toen hij zonder eenige de minste komplimenten +binnentreedt. "Hoe maak je 't, Pieter? En hoe varen je kinderen? Wel +seldrement! is dat zoeken. Ik wist niet meer, waar ik mijn boeg moest +wenden, en ik dacht, dat ik mijn bakzeil al moest in halen. Maar +'t is met jou ook al, zooals vader Cats zegt: kunst baart gunst." + +"Wij zijn allen gezond, Klaas," antwoordt Pieter. "En 't schijnt, +dat jij ook niet onder dokters handen bent." + +"Eilacy! Geen beter banket, dan gezond en vet, zegt Cats. Met mij is +'t: een blij gemoed en matig goed is wonder zoet. Maar vertel mij +eens, hoe 't je zoo voor den wind is gegaan; want je bent me een +groote mijnheer geworden. 'k Wist niet of ik wel zou bijdraaien, +toen ik daar voor zoo'n mooien winkel stond." + +Pieter Dirksz verhaalt zijn broeder, wat er met hem in die twee jaren +is voorgevallen. + +"Nu," hervat deze. "Onder 't zeil is 't goed roeien. Wanneer je zulke +bescherming hebt, is 't geen wonder ook. Als je door zulk groot volk +gepraaid wordt, heb je maar op sleeptouw mee te varen. En nou zal ik +je eens vertellen, wat er al met mij in die twee jaren gebeurd is." + +"Dat is goed, Klaas," herneemt Pieter Dirksz. "Maar zou je eerst niet +wat gebruiken?" + +"Als je er dan op staat, Pieter, geef me dan een oorlam. Je weet +wel wat ik meen, een goed glas brandewijn. Maar een ferm glas, hoor; +want zoo'n kleintje is maar mondtergen." + +"En nu," hervat oom Klaas, nu hij van 't noodige voorzien is en zijn +kort eindje pijp heeft aangestoken, "nu het zeil in top, en er op +ingevaren. Je weet, dat ik aan boord van den vice-admiraal De With, +zaliger gedachtenis, als stuurman geplaatst was. 't Was een dekselsch +mooie vloot, mooier dan ooit onze havens verlaten heeft. Onze tocht was +echter niet zeer voorspoedig; want eerst den 3den November kwamen wij +in de nabijheid der _Sont_. Toen ging 't er op los. Wij moesten door +twee vuren heen en tegen het vuur in. Aan onze linkerhand hadden wij +het kasteel _Helsingborg_, aan onze rechter het slot _Kronenburg_, +door de Zweden op de Denen veroverd, en vlak voor ons de Zweedsche +vloot onder Graaf Karel August Wrangel." + +"Is die niet vroeger een jaar in ons land geweest, om zich met de +zeewezen bekend te maken?" + +"Wel mogelijk. Je wordt meest gebeten door je eigen +honden. Intusschen--onze De With, die de voorhoede kommandeerde, dacht: +goede moed is het halve teergeld! Met zijn "Brederode", het schip, +waarop Tromp zoo menige zege op den vijand bevocht, stort hij zich +als een leeuw door de regenbui van kogels heen, die ons van drie +kanten te gemoet worden gezonden. Ik sta aan het roer zoo bedaard +als ik hier zit, terwijl de blauwe boonen mij om de ooren fluiten." + +"Hé, oom!" roept Pieter uit. "En werdt u niet bang?" + +"Bang, Pieter! Ik bang? Kom, smidskinderen zijn wel vonken gewoon, +dacht ik, en als er geen kogel bij is waar je naam op staat, zal +je er wel goed door komen. En zoo stuur ik recht door de voorhoede +heen tot vlak bij den vijandelijken admiraal.--"Bijdraaien!" roept De +With, en op het oogenblik dat ik het schip van Wrangel praai, "pang, +pang, pang!" daar krijgt hij de volle laag. Hij keek, alsof hij het +te _Keulen_ had hooren donderen, die Zweed; het kwam hem ook zoo +onverwachts op het lijf. Maar wij laten hem geen tijd tot bezinnen; +want met beter te hopen is de tijd verloopen, en onze admiraal, die +begreep dat hem de eer toekwam om het admiraalsschip te bevechten, +vaart hem aan het andere boord, en geeft hem ook de volle laag, +waardoor de Zweed zijn roer verliest en zich genoodzaakt ziet onder +_Kronenburg_ te loopen." + +"Nu, dat was ferm, oom!" roept Pieter verheugd uit. "Dat had hij net +verdiend, om hier het zeewezen te leeren en dan zijn kunst tegen ons +te gebruiken." + +"Dat is nu tot daaraan toe, jongen! Uilen vliegen met geen bonte +kraaien, en Wrangel was van ouder tot ouder een Zweed en moest dus +zijn land voorstaan. De vice-admiraal intusschen beveelt mij te +wenden, voort gaat het, en "pang, pang, pang!" sturen wij het schip +van Bielkenstjern insgelijks wat blauwe boonen in de romp. Maar twee +Zweedsche schepen kwamen hem te hulp en nu was het één tegen drie." + +"Dat is valsch," valt Pieter zijn oom in de rede. "Een tegen een +is het altijd bij ons jongens, als wij vechten. Drie tegen een is +geen partuur." + +"Maar, Piet," herneemt oom Klaas, "in den oorlog vraagt men niet +naar partuur; daar doet men zijn best om elkander te vernielen. Onze +dappere vice-admiraal intusschen was geen kat om zonder handschoenen +aan te tasten. Hij gaf hun het lapje vrij duur, hoor; want het was +hier terecht: bloô Jan, doô Jan. Een der beide aanvallers vloog +in de lucht, de andere liet ons zijn achtersteven zien en koos het +hazenpad; alleen Bielkenstjern bleef vechten als een leeuw. Maar wat +wilde het ongeluk? De snelle stroom deed de beide schepen wegdrijven +en aan den grond geraken. Het roer zat als gemetseld. Dat merkte een +Zweed. Men moet het ijzer smeden, terwijl het heet is, dacht hij, +en gaf ons de volle laag." + +"Dat was laf!" roept Pieter uit, terwijl zijne oogen vlammen +schieten. "Een weerloozen vijand mag men niet aanvallen." + +"Je weet alweer niet, hoe het in den oorlog toegaat, Pieter," herneemt +de oom. "En onze De With toonde maar al te goed, dat hij niet weerloos +was; want twee uren lang hield hij het uit, ofschoon ons schip door +de kogelgaten wel een zeef geleek en zoo lek was als een mand. Maar, +wat drommels jammer was en mij geweldig speet: twee kogels troffen +den dapperen vice-admiraal. "Jongens! houdt moed!" riep hij. En de +jongens hielden moed, dat verzeker ik je. Maar tegen de Bierkâ is +het kwaad vechten. De Zweden enteren onzen "Brederode" en springen +er in menigte op over. De arme De With, door bloedverlies uitgeput, +kan niet meer staan. Hij valt op de knieën en zwaait nog den degen, +terwijl hij volstandig weigert zich over te geven. Eindelijk is +hij geheel en al uitgeput, men grijpt hem aan en sleurt hem van het +schip. Stervend vestigt hij nog de brekende oogen op zijn vaartuig. En +ziet, zijn wensch wordt vervuld: "de Brederode" valt geen vijand +in handen: het water dringt door de menigte van kogelgaten heen, +het schip zinkt als een baksteen." + +"Dat was ferm!" vindt Pieter, terwijl hij in de handen klapt. "Nu +had die leelijke Zweed er toch niets bij gewonnen." + +"Dat had hij niet. Maar zeg niet leelijke Zweed. De bevelhebber van +het vijandelijke schip had zijn plicht gedaan, evenals wij. En weet +gij wat Koning Karel Gustaaf deed? Toen het lijk van den dapperen +vice-admiraal te _Elseneur_ aan wal werd gebracht, stond de edele +vorst, in rouwgewaad gekleed, omringd door zijn ganschen hofstoet om +het met eere te ontvangen en kon hij zijne tranen niet bedwingen." + +"Dat vind ik nu heel mooi," hernam Pieter. "Maar wat had de admiraal +Van Wassenaar in al dien tijd gedaan, oom?" + +"Die had gevochten als een leeuw. Ofschoon een derde van zijn +scheepsvolk gekwetst of gedood was, zijn boeg en konstabelkamer +in brand waren geraakt, zijn want grootendeels was afgeschoten, +de romp van zijn schip vol kogelgaten zat, en het water reeds in +het hol steeg, bleef hij den ongelijken strijd tegen de vijandelijke +schepen volhouden, terwijl hij bedaard bleef zitten in een stoel vóór +de kampanje." + +"Was hij dan zoo moe?" + +"Wel neen; maar hij had zoo geducht de jicht, dat hij niet kon staan +of loopen; dus moest hij wel zitten. Eindelijk liepen de vijanden +van hem af en zeilde hij naar de vloot bij _Kronenburg_ terug. De +Zweden hadden zeven schepen verloren, waarvan drie den onzen in +handen waren gevallen; wij slechts "de Brederode" en drie verbruikte +branders. Jammer maar, dat wij onder de dooden de beide vice-admiralen +Witte Corneliszoon de With en Floriszoon telden [8]. + +"Maar oom! Hoe ging het met u? Gij zijt toch niet met "de Brederode" +gezonken?" + +"Domme jongen! Dan zou ik niet hier zitten. Ik werd met al mijn +kameraads gevangen genomen en te _Elseneur_ in den kerker gezet. Daar +zaten wij den geheelen winter met ons twaalven in een donker, +vochtig hok te brommen. Maar wij besteedden onzen tijd goed. Wij +hadden opgemerkt, dat langs onze gevangenis de gracht van het kasteel +stroomde, en nu besloten wij, de traliën los te vijlen en zoo de +haven uit te raken. Dat ging echter zoo gemakkelijk niet; want wij +hadden geen gereedschap. Een onzer echter had zijn "kortjan" weten +te verbergen, en nu maakten wij daarmede steenen uit den muur los, +die wij scherp slepen en waarmede wij langzamerhand de dikke ijzeren +staven doorvijlden. Dat kon echter alleen 's nachts gebeuren. 's +Morgens maakten wij het gevijlde met wat brood met vijlsel vermengd +toe; met hetzelfde brooddeeg verborgen wij de plaats der uitgebroken +steenen. 't Was echter eerst in de laatste helft der maand, dat onze +reuzenarbeid voltooid was. Op zekeren donkeren regenachtigen nacht +lichtten wij de ankers, namen de reeds losgemaakte tralies uit, +kwamen zoo in de gracht, zwommen over en laveerden op handen en +voeten langs den grond tot in een klein kreupelbosch, niet ver van +het kasteel, dat wij uit onze gevangenis hadden kunnen zien en tot +ons vereenigingspunt bestemd hadden. Van hier wendden wij den boeg +regelrecht zuidwaarts, steeds reizende bij nacht, en bij dag ons +verbergende. Eindelijk kwamen wij aan de zee, en, verbeeldt u onze +blijdschap, toen er eensklaps, niet ver van de kust, een vloot voor +ons lag en wij, bij het schijnsel der maan, de Statenvlag van de +masten zagen wapperen. Wij sprongen in zee en zwommen naar 't eerste +schip het beste. 't Was "Het huis te Zwieten", op hetwelk de dappere +vice-admiraal De Ruyter het bevel voerde, die den 20sten Mei met +een vloot van 40 linieschepen tot versterking van Wassenaar naar 't +Noorden afgezonden was. Wij werden terstond met opene armen ontvangen +en op verschillende schepen ingedeeld. Ik kwam als tweede stuurman op +"Het huis te Zwieten" en bleef verder op dien bodem." + +"Zoodat gij dus in de onmiddellijke nabijheid van den dapperen Zeeuw +waart," hervatte Pieter Dirksz. + +"Juist. Onze vloot vereenigde zich kort daarna met die van +Wassenaar. 't Was een statig gezicht, die vijf-en-twintig +oorlogsschepen met hare galjoten en branders te zien zeilen, een +gezicht, dat mij het hart onder het baaitje deed zwellen. In het begin +van November echter keerde de admiraal van Wassenaar, die ernstig +ongesteld was, naar het vaderland terug, en De Ruyter behield nu, +volgens last der Staten, het opperbevel over de geheele vloot, die +koers zette naar het eiland _Funen_, dat nog altijd in de macht der +Zweden was. Het krijgsvolk werd onder aanvoering van den ritmeester +Hendrik van Fleury, heer van Buat, te _Kartemunde_ ontscheept. Dat ging +echter zoo gemakkelijk niet. Aan de eene zijde stonden twee, en aan de +andere zijde drie regimenten Zweedsche ruiters, terwijl de dragonders +de stad bewaarden. Men opende een hevig kartetsvuur op onze sloepen, +in een van welke zich De Ruyter bevond, die een oog in het zeil wilde +houden. Ik zat aan het roer en de kogels floten mij om de ooren." + +"Nu werdt gij toch zeker wel bang, oom?" vraagde Pieter. + +"Wel neen.--In zulke gevallen moet men het woord vrees slechts bij +naam kennen, evenals onze De Ruyter. Toen hij zag, dat er eenigen van +de onzen sneuvelden, riep hij onophoudelijk: "Valt aan, mannen! Valt +aan, of gij zult allen samen vermoord worden." + +Nu sprong de ritmeester Buat, die vroeger page bij Prins Willem +II was geweest, met het rapier in de vuist tot zijn middel in het +water. "Mannen!" riep hij, "dat gaat u voor! Volgt mij na!" Door dit +voorbeeld aangemoedigd, volgden de soldaten met gansche hoopen hem +na, waadden door de zee, tastten de Zweedsche ruiters manmoedig aan, +en overwonnen hen na een hardnekkigen tegenstand. Eenige dagen later +vereenigden zij zich met de Keizerlijke, Brandenburgsche en Poolsche +hulpbenden, rukten gezamenlijk op de Zweden aan, overwonnen hen en +dwongen hen, met achterlating van al hun geschut, binnen _Nijborg_ +te vluchten. Nu stevende ook De Ruyter met de vloot derwaarts, +bracht de forten, die de haven beschermden, tot zwijgen, zeilde tot +voor de stad en beschoot haar zoodanig, dat zij zich met het leger +overgaf. Groot was over deze overwinning de vreugde in _Kopenhagen_, +in welke stad wij den 15den December aankwamen. 't Was fel koud en +het vroor, dat het kraakte. Drie dagen lang duurde het, eer de vloot +door het ijs heen binnen de haven was, waar zij zou overwinteren. Den +zeventienden werd de vice-admiraal met andere hoogere bevelhebbers +bij den koning van _Denemarken_ ter maaltijd genoodigd, waar zij +prachtig onthaald werden en groote eere genoten. Eenige dagen later +kwam de Deensche admiraal Bielke aan ons boord en schonk De Ruyter, +uit naam van zijn koning, een gouden keten van groote waarde." + +"Die had ik wel eens willen zien," riep Pieter uit. "Hoe was die +keten, oom?" + +"'t Was een vier- of vijfdubbele schakel, kunstig ineengevlochten; +koningin Sophia Amalia had er eigenhandig een gedenkpenning van goud +aan vastgehecht, op welks eene zijde 's Konings borstbeeld stond, +omzet met twee en veertig diamanten; aan de keerzijde zag men een +oorlogsschip in zee en onderaan hing een schoone parel.--Grooter +eer evenwel genoot de vice-admiraal, toen wij, een maand geleden +uit _Denemarken_ vertrokken. De koning toch verhief hem en zijne +nakomelingen tot den adelstand en voegde daar een jaarwedde van +tweeduizend gulden bij." + +"Dat was heel mooi van dien koning van _Denemarken_," zeide Pieter. "En +hoe kwam het, dat de vloot niet langer in _Denemarken_ behoefde +te blijven?" + +"Wel, de koning van _Zweden_ was in Februari van dit jaar plotseling +overleden, en daardoor was de vrede tusschen de Noordsche mogendheden +den 16den Juli gesloten. Wij wachtten dus slechts, tot de laatste Zweed +_Denemarken_ verlaten had, gingen den vijftienden der vorige maand +onder zeil en kwamen den derden September 't _Vlie_ binnen, waar de +verschillende schepen van elkander scheidden. Wij zetten koers naar +_Amsterdam_. Op de _Zuiderzee_ was De Ruyter bijna verongelukt. Een +schip overzeilde ons en, had de vice-admiraal zich niet aan een touw +vastgehouden, hij ware reddeloos verloren geweest." + +"Hoe gaat het, vader!--Hé! oom! Gij hier? Altijd wèl geweest? Dag +Marie, dag Martha, dag Pieter!" klonk het eensklaps. Allen keken op, +en zagen Karel voor zich staan. + +"Hoe kom jij zoo eensklaps uit de lucht vallen, Karel?" was de vraag +van den verbaasden Dirk Pietersz. + +"Ik ben zoo straks met Zijne Hoogheid van _Leiden_ gekomen, daar hij +afscheid wil nemen van Hare Koninklijke Hoogheid de Prinses Royaal, +eer zij naar _Engeland_ gaat." + +"En die van morgen vroeg reeds vertrokken is," zeide Marie, "Je bent +dus te laat gekomen, Karel." + +"Dat zijn wij. Gisteren ontving de Prins een brief van zijne +Doorluchtige moeder; maar Zijne Hoogheid was buiten staat om de reis +te aanvaarden, daar hij aan hevige hoofdpijn leed." + +"Nog altijd die hoofdpijn," zeide Marie. "De Prins schijnt een +martelaar van die kwaal te zijn." + +"Dat is hij," antwoordde Karel. "Eerst heden na den middag bevond +zich Zijne Hoogheid in staat, den tocht naar 's-_Gravenhage_ te +aanvaarden, en nu wij hier komen, vinden wij niet alleen de Prinses +Royaal vertrokken, maar ook Hare Hoogheid de Prinses-weduwe, op het +paleis op het _Binnenhof_." + +"En ik meende gehoord te hebben, dat Prinses Amalia zich te _Turnhout_ +bevond en van daar naar _Kleef_ was gereisd, omdat zij Hare Koninklijke +Hoogheid niet gaarne vaarwel zeide," merkte Marie aan. + +"Je bent zeer goed onderricht, Marie," hervatte Karel. "De +Prinses-weduwe reisde naar _Kleef_ en zond van daar een edelman naar de +Prinses Royaal, om haar gelukkige reis te wenschen en Harer Hoogheid te +verklaren, dat zij bereid was over te komen, bijaldien Prinses Maria +dat wenschte. Intusschen schijnt zij later van gevoelens veranderd +te zijn en is haar te gemoet gereisd naar _Den Briel_. Doch Prinses +Maria was, hetzij opzettelijk of toevallig, bij hare komst reeds naar +_Hellevoetsluis_ vertrokken, waarop de Prinses-weduwe terstond naar +'s-_Gravenhage_ is doorgereisd. Zijne Hoogheid de Prins is op dit +oogenblik bij haar." + +Inderdaad was Prinses Maria reeds in den vroegen morgen van dien +Woensdag vertrokken. Te _Delftshaven_ gekomen, wachtte haar daar een +ontbijt, haar door de Vroedschap aangeboden. Na het ontbijt begaf zij +zich in een jacht, dat haar naar _Brielle_ overvoerde, alwaar zij op +kosten der stad met een keurig diner werd ontvangen. Ook hier hield +zij zich niet langer op dan noodig was, maar vertrok terstond na +het diner naar _Hellevoetsluis_, gelijk wij uit Karels vertelling +gehoord hebben. Wij willen dezen laatste thans zijne bijzondere +familie-aangelegenheden laten bespreken en begeven ons liever eens +naar het _Binnenhof_ te 's-_Gravenhage_, om er den Prins bij zijne +grootmoeder te zien aankomen. Doch dit in een volgend Hoofdstuk. + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +Waarin verhaald wordt, hoe de Prins zijne moeder nareisde. + + +Wij begeven ons in een der vertrekken op het _Binnenhof_ aan de +rechterzijde der _Stadhouderspoort_, door de Prinsen van _Oranje_ +bewoond. De kamer, die wij binnentreden, heeft aan den eenen kant een +ruim uitzicht over het _Buitenhof_, terwijl aan de tegenovergestelde +zijde de vensters op het _Binnenhof_ uitkomen. Zware roodzijden +damasten gordijnen met oranjezijden koorden hangen voor die vensters +en beletten voor een groot gedeelte het licht, binnen de kamer +te dringen. Het goudlederen behangsel, op 't welk in de rondte +de levensgroote portretten der doorluchtige prinsen van _Oranje_ +hangen, brengt niet veel toe, om de kamer vroolijker te maken. Keurig +steekt daartegen de hooge, wit marmeren schoorsteen af, boven welken +zich een heerlijk schilderstuk bevindt en tegenover welken een +prachtige venetiaansche spiegel met vergulde lijst de kamer als 't +ware verdubbelt. Aan weerszijde van dien spiegel bevindt zich een met +roodfluweel overtrokken divan, voor welken smyrnasche karpetten liggen, +terwijl naast den schoorsteen aan elke zijde een kunstig uitgesneden +en gebeeldhouwd buffet staat, waarop de zilveren kannen, het kristal en +het fijne Chineesche porselein getuigen van den rijkdom der bewoners. + +Op een grooten leunstoel van ebbenhout, met rood fluweel bekleed, +door goud galon afgezet, en in welks hooge rugleuning het wapen der +Prinsen van _Oranje_ is gebeeldhouwd, zit een dame van ruim vijftig +jaren, in blauw satijn gekleed, een rijk parelsnoer om den hals, +het nog schoone gelaat in diepe gedachten naar den kant van het +_binnenhof_ gewend, het hoofd ondersteund door den blanken arm, +die op het marmeren blad der rijk vergulde tafel rust. Die vrouw is +de trotsche en doorluchtige Amalia van Solms, de weduwe van Prins +Frederik Hendrik van _Oranje_, de grootmoeder van Prins Willem Hendrik. + +Het schijnt, dat de gedachten, die haar brein doorwoelen, juist geen +aangename zijn; want nu en dan fronst zij de wenkbrauwen en trekt er +een donkere wolk over haar voorhoofd. In hare overpeinzingen wordt zij +gestoord door het getrappel van eenige paarden, die het _binnenhof_ +oprijden. Zij ziet op en onderscheidt terstond haren kleinzoon, die +naast zijn goeverneur vooruitrijdt, en die, zwak en ziekelijk als +hij is, wanneer hij te paard zit een geheel ander wezen schijnt te +zijn en vol ridderlijkheid in houding en gebaren, zijne afkomst van +het edele Oranjegeslacht niet verloochent. + +"Te laat--ook al te laat!" mompelt Amalia, terwijl zij de zilveren +schel van de tafel neemt, op wier geluid haar kamerdienaar achter het +rood lakensch behangsel met gouden passement, dat de deur verbergt +en voor tocht vrijwaart, te voorschijn komt. + +"Verzoek Zijne Hoogheid, terstond bij mij te komen. Zeg aan den Heer +Van Zuijlestein, dat de Prins een paar uren rust moet nemen." + +De kamerdienaar buigt zich op deze woorden, uitgesproken met een +stem, blijkbaar aan bevelen gewoon, en gaat heen, om het gebod zijner +gebiedster te volbrengen. Eenige oogenblikken daarna treedt de Prins +binnen. Gij zoudt in hem dien bleeken, matten knaap van gisteren +niet herkend hebben, zoo had de heerlijke rit hem verkwikt. De +frissche wind, die door zijne blonde lokken gespeeld had, had aan +zijne wangen een ongewonen blos gegeven en de zuivere lucht, welke +zijne longen zoo ruimschoot hadden ingeademd, hadden aan die heldere +oogen een verhoogden glans geschonken. Een eenvoudig donker blauw +fluweelen wambuis omsloot de tengere leden; de hozen van dezelfde +kleur, met galon op de zijnaden, waren aan de knieën vastgestrikt, +terwijl een bandelier van oranjezijde hem dwars over de borst +hing. Zwijgend stond hij voor zijne grootmoeder; want het was toen, +evenals tegenwoordig, fatsoenlijk, dat kinderen zwegen, totdat oudere +menschen hen aanspraken. + +"Gij komt van _Leiden_, Willem?" begon de Prinses-weduwe half op +vragenden, half op stelligen toon. + +"Om u te dienen, grootmoeder," antwoordde de vorstelijke knaap, terwijl +hij verlegen met de karwats speelde, die hij nog in de hand hield. + +"Gij komt te laat, mijn jongen!" hernam de Prinses. "Hare Koninklijke +Hoogheid heeft goedgevonden vroeg af te reizen en haastig voort te +trekken. Haar verlangen naar _Engeland_ schijnt te domineeren over +hare liefde tot u." + +Op deze bittere woorden richtte de Prins het hoofd fier op, een +meer dan gewoon vuur flikkerde in zijn oog, hij wilde iets scherps +antwoorden. Maar reeds gewoon zich te bedwingen, fonkelde dat oog +slechts een oogenblik,--het volgende stond het rustig, en bedaard +antwoordde hij: + +"Ik had reeds gisteren hier moeten zijn, mevrouw. Ik ontving tijdig +genoeg bericht." + +"En waarom zijt gij dan niet gekomen?" + +"Ik leed weder aan furieuze hoofdpijn, zoodat ik naar bed moest. Van +morgen stond ik laat op en moest de komst van den dokter afwachten, +die mij permissie tot de reis moest geven. Ik hoop echter...." + +"Gij hoopt.... Ik dacht, Hare Koninklijke Hoogheid nog in _Den Briel_ +te zullen vinden, waar zij door de vroedschap geregaleerd is; maar +zij was reeds naar _Hellevoetsluis_ vertrokken. Mij luste het niet, +Haar na te reizen." + +"Op uwe jaren is dat ook niet te verwachten," antwoordde de +Prins. "Maar op welke wijs zal mijne moeder naar _Engeland_ +vertrekken? De ontvangen brief meldde mij dienaangaande niets. Het +schijnt ook, dat het vertrek onverwacht is opgekomen." + +"Er zijn acht of tien koninklijke schepen door uwen oom Karel II +gezonden en te _Goedereede_ gearriveerd. Wij hadden die vloot nog +niet zoo spoedig verwacht." + +"Dan zullen mijne ooms York en Glocester er zeker wel bij zijn," +hervatte de Prins. + +"De hertog van _Glocester_ ligt gevaarlijk ziek aan de kinderpokken," +hernam de Prinses, "en dientengevolge is de hertog van _York_ ook in +_Engeland_ gebleven. Ik verneem, dat de Heeren _Montaigne_, _Oreal_ +en _Berklay_ op de vloot zijn." + +"'t Zal moeder wel leed doen," hervatte de Prins. "Zij houdt innig +veel van mijn oom Glocester." + +"'t Is een Engelschman!" prevelde Amalia. "Ik heb order gegeven, +dat gij twee uren rust moet houden," hernam zij luider tot haren +kleinzoon. "Gij moet uwe delicate gezondheid soigneeren." + +"Ik zal mij aan uwe orders onderwerpen," antwoordde de Prins, die zich +hield, alsof hij de eerste woorden niet verstaan had, "ofschoon mij het +paardrijden en de beweging in de vrije lucht geen fatigue zijn, maar +een recreatie. Hoe vaart Mijnheer De Witt?" vraagde hij eensklaps, om +niet te doen merken, hoe onaangenaam hem het bevel van vertoeven was. + +"De Raadpensionaris bevindt zich, zoo ver mij bewust is, gezond en +wel. Zijne edelheid zal u waarschijnlijk wel met een bezoek honoreeren, +als hij verneemt, dat gij hier zijt." + +De Heer Van Zuijlestein trad op dit oogenblik de kamer binnen. Ik +vrees echter, mijne lezers te vervelen, met al de gesprekken mede te +deelen die er gevoerd werden. Twee uren later zat de Prins weder in den +zadel en reed, door zijn goeverneur en gevolg vergezeld, over _Delft_ +naar _Maassluis_, in welke laatste plaats men den nacht doorbracht, +om den volgenden dag vroegtijdig naar _Den Briel_ over te varen en +zich van daar terstond naar _Hellevoetsluis_ te begeven. + + + +De volgende morgen, Donderdag, de laatste dag van Herfstmaand, was, +zooals de herfstmorgens gewoonlijk zijn, frisch en koud en voorspelde +een schoonen dag. De Prins was reeds vroegtijdig bij de hand in +de kleeren. + +"Reeds zoo vroeg op, Willem!" zeide Zuijlestein, toen hij de kamer +van den Prins binnentrad. + +"Nog te laat, vrees ik, Zuijlestein," gaf de Prins ten +antwoord. "Indien ik gisteren mijn zin had kunnen doen, hadden wij +ons in 's-_Gravenhage_ ten hoogste een kwartier opgehouden." + +"De rit zou te vermoeiend voor u geweest zijn!" antwoordde de +goeverneur. + +"Dwaasheid, Zuijlestein. Maar gij kent mijne grootmoeder. Haar haan +moet koning kraaien, en wat zij begrijpt is wet. Het zal _haar_ +schuld zijn, als ik mijne moeder niet meer te _Hellevoetsluis_ vind." + +"De Prinses Royaal zal wel op u wachten, Willem," antwoordde +Zuijlestein. + +"Indien de oostenwind geen oorzaak is, dat men van het tij heeft +geprofiteerd en reeds onder zeil is. Het zou mij eene grief zijn, +als ik mijne moeder niet zag. Het kon voor het laatst wezen. Zij is +en blijft toch mijne moeder." + +"Wij zullen dadelijk vertrekken, Willem," hervatte Zuijlestein. "Eerst +echter zult gij iets gebruiken. De koude morgenlucht op de _Maas_ +zou u kwaad doen." + +"Mochten wij, te _Hellevoetsluis_ komende, bevinden, dat de vloot +reeds vertrokken is, dan steken wij in zee," hernam de Prins. + +"Zeer goed, er zal daartoe gelegenheid in overvloed zijn." + +Nadat de overtocht naar _Brielle_ volbracht was, reed de Prins met +zijn gevolg naar _Hellevoetsluis_, waar men vernam, dat de vloot reeds +sedert een paar uren met gunstigen wind onder zeil was gegaan. Zonder +tijd te verzuimen, begaven zij zich nu in een galjoot; de zeilen +werden gespannen en, daar het lichte vaartuig sneller door het water +sneed dan de logge Engelsche schepen, waren zij binnen weinig tijds +de laatste op zijde. + +Weldra praaide het galjoot de bark met de koninklijke vlag +van _Engeland_ in top, in welker rood kruis met groote letters +C. R. (Carolus Rex.--koning Karel) geborduurd was; men liet de keurige +statietrap af; onze Prins, door zijn gevolg vergezeld, klom aan boord +en begaf zich naar de sierlijke kampanje, aan alle zijden met spiegels +van venetiaansch glas voorzien, vol rijk vergulsel, en waar op rood +fluweelen kussens met goud geborduurd en dito kwasten, Prinses Maria +van _Engeland_, de Weduwe van den Stadhouder Willem II, gemakkelijk +lag uitgestrekt. Rondom haar stonden of zaten de Engelsche heeren, +prachtig uitgedoscht in hunne fluweelen mantels, satijnen vesten en +hozen, met gouddraad doorwerkte kousen en nette, hooggehakte brodequins +(laarsjes) met gouden gespen of sierlijke strikken. + +Te midden van al die pracht zat de Prinses van _Oranje_ en naast +haar de gravin van _Chesterfield_, hare trouwe vriendin, terwijl hare +kamervrouw Howard zich in een hoekje bij den ingang had nedergezet. Zij +was een schoone vrouw, die Maria van _Engeland_. Haar goed gevormd +gelaat met tot in den blanken hals krullend haar getooid, met dien +gebogen neus en die donkere oogen, dien welgevormden ofschoon niet +zeer kleinen mond, had nog al den blos der jeugd. De wit satijnen +japon, aan den hals laag uitgesneden, deed een snoer paarlen zien, +welker waarde ik niet durf berekenen. + +"Wees welkom, Willem!" zeide zij, terwijl zij hem een kus op +het voorhoofd gaf. "Gij hebt goed gedaan, dat gij mij nagereisd +zijt. Waarom hebt gij zoo lang getoefd?" + +"Ik had eergisteren zware hoofdpijn, moeder," antwoordde +Willem. "Gisteren heb ik 't niet verder kunnen brengen dan +tot _Maassluis_, en toen ik te _Hellevoet_ kwam, vond ik u +vertrokken. Mijne grootmoeder heeft mij verzocht, u hare gebiedenis +te doen; ook zij hoopte u gisteren te _Brielle_ te rencontreeren. U +niet vindende, is zij geretourneerd naar 's-_Gravenhage_, waar ik +haar gesproken heb." + +Een lichte glimlach plooide zich om de lippen der vorstin. + +"En hoe is het u gelukt, zoo spoedig een schip gereed te vinden, om u +herwaarts te brengen? Gij zijt zeker vroeg uit _Maassluis_ vertrokken." + +"Een bode, die een brief voor u overbrengt, had het galjoot reeds +zeilvaardig doen maken; zoodat wij slechts hadden in te stappen en +terstond op reis gingen." + +"Een bode voor mij met een brief?" hernam de Prinses. + +Een der heeren reikte der Prinses een rouwbrief met een groot +zwart zegel over. Het adres was in het Engelsch geschreven. Toen +de Prinses den brief aanvatte, verbleekte zij. Zij brak hem haastig +open, doch nauwelijks had zij er de oogen ingeslagen, of zij riep in +'t Engelsch uit: + +"Mijn broeder, de hertog van _Glocester_, is overleden, mijne heeren!" + +De hertog van _Glocester_ was de meest geliefde broeder der Prinses. En +nu dood! Juist op het oogenblik, dat zij gehoopt had, hem te zien!--Het +zou nu een treurige reis zijn naar _Londen_. + +Toen de eerste droefheid wat bedaard was, maakte de Prins zich gereed, +om afscheid te nemen van zijn moeder. Weinig dacht hij, dat de kus, +dien zij hem op het voorhoofd drukte, de laatste zou zijn, dien hij +van haar ontving.... Willem Hendrik van _Oranje_ nam voor altijd +afscheid van zijn moeder. + +De Prins keerde naar _Den Haag_ terug en vertrok weder naar +_Leiden_,--de Prinses kwam den 2den October gezond en frisch te +_Londen_ aan, alwaar zij door hare beide broeders, koning Karel II +en den hertog van _York_ (later Jacobus II) ontvangen en met het +losbranden van het geschut begroet werd. + +Prins Willem Hendrik zag zijne moeder niet terug. In de laatste +helft van December werd ook zij door de ziekte aangetast, waaraan +haar gemaal en haar broeder bezweken waren. Aan geneesheeren ontbrak +het haar niet,--maar wat vermogen die, wanneer de dood in het spel +is? De dokters zeiden, dat de Prinses drie ziekten te gelijk had: +roodvonk, mazelen en kinderpokken. Terstond werd er bericht aan den +Prins en zijne grootmoeder gezonden. Gij kunt denken, hoe verlangend +Zijne Hoogheid naar tijding was. Het ging echter toen zoo gemakkelijk +niet, om brieven uit _Engeland_ te krijgen; vooral in den winter, +wanneer de scheepvaart gestremd was. Eindelijk, tegen het midden van de +maand Januari 1661, kwam de tijding, dat de Prinses den 3den van die +maand het tijdelijke met het eeuwige had verwisseld. Tot haar laatste +oogenblik was zij volkomen bij haar verstand gebleven. Een half uur +vóór haar overlijden had men haar nog gelaten op den voet, hetgeen haar +blijkbaar verlichting schonk en in een sluimering deed vallen. Kort +vóór haar verscheiden maakte zij haar testament, waarbij zij haren +koninklijken broeder bad, te zorgen voor den persoon en de belangen +van haar zoon. Tevens had zij begeerd, zonder eenige statie te worden +begraven bij haren "lieven broeder", den hertog van _Glocester_. Aan +de gravin van _Chesterfield_ en hare kamervrouw Howard had zij elk £ +400 (f 4800) gelegateerd. Dit testament was gemaakt in _White-hall_, +en onderteekend door de heeren Edward Ker, Robert Whyte en William +Dyke. Door middel van onzen gezant in _Engeland_; kregen Prins Willem +en zijne grootmoeder een copie van den inhoud van dat testament. + +Zoo stond de ruim tienjarige Willem Hendrik nu alleen op de wereld, +zonder beschermer en verdediger, te midden van een hem vijandige +partij (de Loevesteinsche factie).--Geen wonder, dat hij in de kunst +van veinzen, hem reeds zoo eigen, groote vorderingen maakte. Dit +sterfgeval diende tevens, om den Prins meer en meer aan den invloed van +_Engeland_ te onttrekken, hetgeen zijne partij als een ramp beschouwde, +maar zijne tegenstanders met welgevallen zagen. + +Wij willen, eer wij dit hoofdstuk eindigen, nog even naar den winkel +van Pieter Dirksz terugkeeren, dien wij aan het einde van ons vorig +hoofdstuk verlaten hebben. Oom Klaas bleef acht dagen lang bij zijn +broeder en vertrok toen weer naar zee. Dat verblijf was voor onzen +Pieter Pietersz een tijd van genot, en wanneer hij met zijn oom +wandelde, hetzij naar _Scheveningen_ of in het _Bosch_, of over de +duinen, moest die hem vertellen van de zee en van de schepen en van +het leven der matrozen, kortom van al wat op de zeevaart betrekking +had. Dit boeide den knaap zoodanig, dat hij vast besloot, zeeman te +worden en, den dag vóór ooms vertrek, dezen dit besluit mededeelde. + +"Maar, beste Pieter," zeide oom Klaas. "Men kan geen paard al loopende +beslaan. Je bent eerst twaalf jaren. Je bent nog te jong om het zeegat +te kiezen." + +"Te jong, oom? En Michiel Adriaanszoon de Ruyter dan? Die was nog +maar tien." + +"Dat was een geheel ander geval, Pieter," antwoordde de oom. "Het +was toen een geheel andere tijd, en daarenboven De Ruyter voer ter +koopvaardij. Ook was hij een ondeugende knaap, en zooals vader Cats +zegt: De zee maakt dwee." + +"Maar kan ik dan ook niet ter koopvaardij varen, oom?" + +"Dat kun je. Maar je vader zal het nooit toestaan, dat je ter zee +vaart. Je weet ook niet, welk een hard leven het is, vooral voor jou, +die zoo pas uit je vaders huis komt. Jongen, ik heb er ondervinding +van; ik weet best, waar hem de schoen wringt." + +"Ik zal het mijn vader vragen," hernam Pieter. "En gij zult toch wel +mijn advokaat willen zijn, oom?" + +"Ik je advokaat? Die noten wil smaken, die moet ze kraken. Je kunt toch +niet van je oom verwachten, dat die tegen zijn gemoed spreekt? Als +je eens een paar jaren ouder zijt en je blijft in het zelfde zog +doorvaren--welnu, dan is het een geheel andere zaak. Licht zou het +anders met je zijn: twaalf ambachten, dertien ongelukken." + +Pieter antwoordde niet, maar besloot er toch de proef van te nemen. + +"Vader," zeide hij, toen hij dien avond naar bed zou gaan, "ik wenschte +u gaarne iets te vragen." + +"Welzoo, Pieter," antwoordde de pruikenmaker, terwijl hij de beide +handen van den knaap in de zijne nam en hem minzaam in de vriendelijke +oogen keek, "wat was er dan van je verlangen?" + +"Oom gaat morgen weg, vader!" + +"Dat weet ik, en je wenschtet gaarne, dat hij nog wat langer bleef, +niet waar? Ik had dat ook graag gezien en heb het hem gevraagd; +maar plicht gaat voor en daar kan dus niets van worden." + +"Neen, vader! Dat was het niet, wat ik u vragen wilde." + +"En wat dan?" vraagde de vader. + +"Ik wou .... ik zou .... ik durf het haast niet zeggen...." + +"Is het dan iets kwaads?" zeide de vader ernstig. "Hou het dan maar +liever voor je." + +"O, neen, vader! Kwaad is het niet, maar ik weet niet, of u het +zult toestaan." + +"Er uit mede, Pieter!" hernam baas Dirksz ongeduldig. + +"Ik zou zoo gaarne met oom naar zee gaan, vader!" + +"Wat? Jij naar zee? Hoe komt je dat in het hoofd?--Daar kan niets +van komen." + +"Maar, vader! Oom is toch ook wel een zeeman." + +"Oom is oom en jij bent Pieter. Wat oom heeft willen worden, kan +ik niet helpen, maar wat jij zult worden, moet ik goed vinden. Ik +verkies niet, dat je zeeman wordt." + +"Foei, Pieter! zou je zeeman willen worden?" vraagde Marie. + +"O, daar heb jij geen verstand van, Marie," zeide Pieter. "Het is +zoo'n heerlijk leven, zeeman!" + +"Ja, zoo schijnt het," hernam baas Dirksz. "Je hebt mij echter verstaan +en zet dat maar voor goed uit je hoofd." + +"Maar, vader...." + +"Maar, Pieter!" zeide de vader. "Hoor! Na Nieuwjaar ga je als +krullenjongen naar baas Balkenende op de _Bierkade_ [9]. Ik heb +hem juist gisteren gesproken en hij kan je plaatsen. Hij hoopt, +met Gods zegen, een knap timmerman van je te maken. Hoe is het +mogelijk! Hoe, krijg je het in je gedachten? Een zeeman!" hervatte +baas Dirkz, hoofdschuddende. "Mijn Pieter een zeeman! Dat zal nooit +gebeuren! neen, nooit!" + +Pieter wist wel, dat zijn vader op zijn stuk stond en dat hij geen +"ja" zeide, waar hij eenmaal "neen" gezegd had. Hij wenschte dus +vader en zusters goeden nacht en ging treurig naar boven. + +Martha volgde hem. Toen zij op het kamertje gekomen was, waar hij met +zijne broeders sliep, legde zij vriendelijk de hand op zijn schouder. + +"Wel, Pieter, wel, Pieter!" zeide zij, "zou jij ons zoo willen +verlaten?" + +"Of ik wil, Martha," antwoordde hij, terwijl er een paar groote tranen +langs zijne wangen rolden. "Ja." + +"En mij ook?" vraagde Martha. + +"Welnu, ga dan maar mee naar zee." + +"Ik op zee?" + +"Wel ja, als je niet buiten mij kunt." + +"Foei, Pieter!" hernam het lieve meisje. "Jij naar zee gaan! En ben je +dan niet bang om te verdrinken of doodgeschoten te worden, zooals die +arme Vice-Admiraals De With en Floriszoon, waarvan oom verteld heeft." + +"Maar als timmerman kan ik van het dak vallen en den hals breken, +ik kan een hamer of beitel op mijn hoofd krijgen, als ik een steiger +opklim; ik kan...." + +"Je kunt je troosten, Pieter," antwoordde Martha, terwijl zij hem +een kus gaf. "Ik zie je nog eens als een eersten timmermansbaas." + +"Maar ik zou liever Admiraal willen worden!" zeide Pieter. + +"Ha, ha, ha! Admiraal! Nu, jongen, droom er van nacht maar niet +van. Als oom weg is, zul je de heele zee wel weer vergeten." + +Met deze woorden snelde zij de trap af. + +"Dat zullen wij zien!" riep Pieter haar na, kleedde zich uit en +ging met een bezwaard hart naar bed. Waar hij van droomde?--Zeker +van schepen en masten, van zeilen en touwwerk,--dat kunt gij +begrijpen. Maar hij ondervond, bij zijn ontwaken, dat droomen bedrog +is; want toen hij wakker werd, stond hem de naakte werkelijkheid weer +voor de oogen, en het klonk hem weer in de ooren zooals gisteravond: +"Mijn Pieter een zeeman! dat zal nooit gebeuren! neen, nooit!" + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +Welke plannen drie krullenjongens voor de kermis maakten. + + +Het was op denzelfden Maandag, 5 Januari 1661, den sterfdag van Prinses +Maria van _Engeland_, dat Pieter Dirksz tegen acht uren in den morgen +met zijn zoon Pieter den pruikenmakerswinkel uittrad, links omsloeg, +de _Spuistraat_ doorwandelde tot aan de _Kapelsbrug_, en toen, langs +het _Spui_, de Nieuwe Kerk voorbij, naar de _Bierkade_ ging, op welke +gracht zij stil hielden voor het huis, waar wij tien jaren vroeger den +vroolijken trompetter der Oranjegarde, den ons bekenden Jan Claeszen +ontmoetten [10]: het huis van den timmermansbaas Balkenende. Onze +knaap droeg onder zijn arm een mand met eenig timmermansgereedschap, +bestaande uit een hamer, een nijptang, een bijl, twee beitels, +een schaaf en drie boren, en bedekt met een lederen schootsvel. Gij +begrijpt licht, wat het doel van die wandeling was: de pruikenmaker +had zijn zoon bij baas Balkenende als krullenjongen besteld, en de +baas, die het wel nog niet druk had, maar liever in den slappen tijd +met hem begon, opdat hij dan later eenigen dienst van hem kon hebben, +had hem gezegd, dat Pieter maar terstond na Nieuwjaar moest komen. Nu +had oom Klaas, die juist de Kerstdagen en den Oudejaarsavond bij zijn +broeder doorbracht, zich wel verzet tegen dat beginnen op Maandag, +daar hij volkomen deelde in het oud-Hollandsche bijgeloof, dat wat +men op Maandag begint, stellig mislukt; wel had hij een oud rijmpje +als bewijs bijgebracht: + + + "Maandag kloek, + De heele week zoek;" + + +maar vader Dirksz was in het geheel niet bijgeloovig en had om zijns +broeders vrees gelachen. + +"Ik blijf er bij," had hij gezegd. "De jongen zal op Maandag naar +baas Balkenende. Wat drommel! Hij heeft nu reeds van Kerstmis af +leeggeloopen; het wordt tijd, dat hij aan het werk gaat." + +En zoo sprekende, was vader Dirksz den vorigen Zaterdagavond naar +Thijs Groote, den ijzerkooper in het _Achterom_, gegaan en had hem +gevraagd, welk gereedschap een krullenjongen wel zoowat noodig had, +en toen had deze hem de door ons genoemde werktuigen verkocht, welke +onze Pieter in een mand gepakt en naar huis gebracht had; terwijl zij +bij den leerkooper in dezelfde straat een schootsvel gekocht hadden, +dat onzen knaap wel ietwat groot was, maar dat vader opzettelijk zóó +had genomen, "want," zeide hij, "je bent in je groei, Piet, en wordt +dus grooter, maar het schootsvel groeit niet. Dus, jongen! is het je +wat te lang, dan moet je het maar wat hooger binden." En toen hij te +huis kwam en Martha hem het schootsvel voorbond, toen zei de ondeugende +meid lachend, dat hij wel een kind in de lange kleeren geleek, waarover +Pieter eerst wel wat boos was. Toen Martha hem echter zijn bombazijnen +mouwvest gaf, dat zij zelf voor hem genaaid had, was zijn knorrigheid +over. En toen hij 's Maandags morgens met zijn mouwvest aan en zijn +mand onder den arm de deur uitstapte en Marie hem een dikke boterham +in een linnen zakje had meegegeven, opdat hij niet flauw zou vallen, +vond hij het toch zoo kwaad niet, om een goed ambacht te leeren, en +dacht op dat oogenblik niet aan de zee. En mocht hij er al aan denken, +dan zeide hij bij zich zelf: "het kan geen kwaad als ik wat timmeren +leer, dat kan mij op zee best te pas komen." Met moed stapte hij dus +de stoep van den timmermansbaas op, waar vader Dirksz aanklopte. Men +liet hen in het kantoortje, waar baas Balkenende spoedig bij hen kwam. + +"Baas," begon de pruikenmaker. "Ik breng u hier mijn Pieter, van wien +ik u gesproken heb. Hij heeft zich voorgenomen goed op te passen en +zijn best te doen, om braaf te leeren en een knap timmerman te worden." + +"Dat is een goed plan, knaap!" zeide de timmermansbaas. "Hoe heet je?" + +"Pieter," antwoordde de aangesprokene. + +"Nu, Pieter!" hervatte de timmerman, terwijl hij hem een eind lat +liet zien, dat hij in de hand hield en waarop hij met potlood de maat +aanteekende. "Wanneer je goed wilt oppassen, dan zal ik met Gods hulp, +een knap timmerman van je maken. Maar pas je niet op, dan zullen +je ribben kennis maken met dit eindje lat. Want je kent het oude +spreekwoord: die niet hooren wil, moet voelen. En dat spreekwoord +wordt bij ons in practijk gebracht." + +Pieter knikte toestemmend, ofschoon hem dat latje toch een doorn in het +oog was. Nadat zijn vader afscheid had genomen, bracht baas Balkenende +hem in den winkel, waar hij den knaap aan den meesterknecht aanbeval +en waar spoedig de andere knechts te werk kwamen. Er waren, behalve +Pieter, nog twee krullenjongens: de een was een zoontje van den baas +en heette Frans; de andere, een rechte deugniet, was een jongen van +den oudroest Jan IJzer uit het korte _Achterom_ en heette, evenals +zijn vader, Jan. Het duurde niet lang, of onze drie krullenjongens +waren dikke vrienden. + +De bezigheden van onzen Pieter bestonden nu in het vasthouden van +planken of latten, het aangeven van gereedschap, het slijpen der +beitels, het scherpen der zagen, en al zulke zaken; terwijl elken +avond door de drie knapen de winkel werd opgeredderd, en de krullen +en spaanders in een zak werden gepakt. 's Maandags en Donderdags waren +zij voor Frans, Dinsdags en Vrijdags voor Jan en de beide andere dagen +voor Pieter; zij verkochten ze bij den bakker om den hoek. Zondags +werd er nooit gewerkt; want onze voorouders waren zeer gesteld op +de viering van den Zondag, en zouden het een groote, onvergeeflijke +zonde hebben gerekend, als zij op dien dag hadden gearbeid. Hij +werd dan ook beter gevierd dan thans. Alle winkels waren gesloten, +alle nering en hanteering stonden stil en niemand zou, buiten hooge +noodzakelijkheid, op Zondag gereisd hebben. Alleen 's zomers na +de middagkerk gingen de burgerlieden wat in het _Bosch_ wandelen +of naar _Scheveningen_; terwijl de meergegoeden in hunne optrekjes +even buiten de stad, aan de _Delftsche vaart_, aan de buitensingels +en aan den duinkant gelegen, met hunne familie thee gingen drinken, +waar zij dikwijls hunne vrienden bij zich verzochten en den avond +aangenaam en in gezelligen kout doorbrachten. + +Ook baas Balkenende had zulk een mooi optrekje in eigendom en wel +aan den _Scheveningschen_ weg [11], die toen nog over de duinen +liep en later, volgens het plan door Constantijn Huijgens reeds in +1653 aan de hand gedaan, tot eene begaan- en berijdbare straat werd +ingericht. Eerst in Mei 1664 werd daarmede een begin gemaakt en in +December van het volgende jaar was de weg voltooid. Het gedeelte +echter, waar het optrekje van baas Balkenende stond, was reeds +een gebaande weg. Dat optrekje had aan den voorkant een aangenaam +uitzicht op den weg en het weiland daar tegenover (tegenwoordig +het _Willemspark_), en van achteren in den ruimen tuin, die van +voren met bloemen beplant was en achteraan uit een grooten boomgaard +bestond. Door een smalle sloot was die moestuin van het aangrenzende +weiland gescheiden. + +Wij slaan vier maanden over en begeven ons in het begin van de maand +Mei naar het _Lange Voorhout_, waar wij de knechts van baas Balkenende +druk bezig vinden met het opslaan der kramen, die op de aanstaande +Hofkermis zullen prijken met al wat den kooplust der bezoekers kan +opwekken. Pieter, Frans en Jan hebben het niet weinig druk met het +aansjouwen der planken, het vasthouden der stijlen, ja zelfs ook met +spijkeren; want bij zulk een drukte moet alles helpen; terwijl het +opslaan van kramen zulk fijn werk niet is, dat de minder geoefende +hand van een krullenjongen daaraan iets bederven zou. Ook heeft onze +Pieter in die vier maanden reeds het een en ander van de timmerkunst +geleerd.--Wat ziet hij nu trotsch neer op die jongens, waaronder zijne +vroegere kameraads, als zij daar naloopertje spelen over de hoopen +met planken, of wegstoppertje in de reeds opgetimmerde kramen. Dat +had hij verleden jaar ook gedaan; maar nu--nu staat hij daar in zijn +bombazijnen mouwvest, het schootsvel voorgebonden, met den hamer in de +hand en slaat er de spijkers tusschenbeide zoo hard in, als moesten +de kramen nog tot de Banus-kermis [12] staan,--ja als behoefden zij +nimmer weder afgebroken te worden. Dat haalt hem dan ook nog al eens +knorren op den hals van den knecht, dien hij helpt, en dan gaat het +weer eenigen tijd beter. Maar als dan weer een troepje jongens naar +hem staat te kijken met een gezicht, zoo verbaasd en nieuwsgierig, +alsof zij nog nooit het opslaan van kramen hebben gezien, dan ranselt +hij er weer op los, dat soms het vuur uit de arme spijkers vliegt, +en dan kijkt hij met zulk een trotschen blik rond, alsof hij een +Romeinsch Imperator was, die op zijne zegekar stond. + +'t Is schafttijd, maar niemand der knechts gaat naar huis; ook de +krullenjongens niet. Ieder heeft een boterham meegebracht, die hij op +karwei (de plaats waar een ambachtsman, buiten den winkel, zijn werk +verricht) opeet. Het is te druk om met heen en weer loopen tijd te +verzuimen, en daarom blijven zij hun schafttijd doorwerken, waarvoor +zij natuurlijk door baas Balkenende extra betaald worden. Maar zij +kunnen slecht al timmerende en sjouwende hunne boterhammen opeten en +dus nemen zij daarvoor een kwartiertje, zetten zich in een groepje +op de planken neder en veraangenamen den maaltijd met vroolijke +gesprekken. + +Gaarne hadden onze krullenjongens zich bij de knechts geschaard; maar +deze zouden dat niet gedoogd hebben, en al hadden zij het toegestaan, +dan zouden onze knapen zeker zóó geplaagd zijn, dat zij niet met rust +hadden kunnen eten. Zij hebben zich dus op een kleinen afstand van +de anderen neergezet. + +"Frans," begint Pieter, terwijl hij zijn geruit boterhammenzakje +opendoet om er den mondkost uit te halen en zijn kruikje met bier +naast zich nederzet, "ik hoor, dat het van het jaar een mooie hofkermis +zal zijn." + +"Ik heb het ook gehoord," antwoordt Frans met zijn mond vol +brood. "Daar zal nog al wat singuliers te kijken zijn. Ik hoorde +gisteren spreken van een reus, die zal moeten bukken als hij de +_Voorpoort_ [13] doorgaat." + +"Nu, dat is vast een leugen," meent Jan. "Zulke groote reuzen heeft men +niet. Ik vind echter niet veel pleizier aan al die reuzen en dwergen +en dikken en mageren. Ik ga liever Woensdag dien kerel eens zien, +die uit _Amsterdam_ komt." + +"O, die sinjeur die zulke wonderlijke zaken zal bedrijven?" vraagt +Frans. "Vader heeft mij verteld, dat hij in den _Vijver_ zal +onderduiken, op den bodem plaats zal nemen op een stoel en onder +water twee of drie deuntjes zal blazen." + +"Maar dat is immers onmogelijk," zegt Pieter, terwijl hij een slok +neemt uit zijn kruik. "Dan komt het water in zijn instrument." + +"Hij moet het toch te _Amsterdam_ gedaan hebben," herneemt Jan. + +"En wat hij te _Amsterdam_ kan doen, kan hij hier ook," meent +Frans. "Ik ga ook eens kijken bij dien vuurvreter." + +"Wat, iemand die vuur eet? Dat is onmogelijk," roept Pieter uit. + +"En het moet toch zoo zijn," hervat Jan. "Mijn vader heeft het zelf +verleden jaar te _Rotterdam_ gezien." + +"Nu ik wensch hem smakelijk eten," zegt Pieter, "maar ik wil niet bij +hem te gast genoodigd worden. Eilacy! 'k geloof, dat ik mijn mond +gauw vol blaren zou hebben. Ik ga toch eens naar hem toe; want dat +wil ik zien." + +Nadat zij nog eenigen tijd over de kermis gepraat hadden, begon +Jan eensklaps: + +"Frans! Wanneer gaan we nu eens met je mee naar het optrekje van je +vader? Je hebt het ons al zoo lang beloofd." + +"Dat heb ik; maar ik ben nog niet in het bezit kunnen komen van den +sleutel. Nu komt die gauw voor den dag; want aanstaanden Zondag na +de middagkerk gaan wij er weer voor het eerst van het jaar naar toe." + +"Hoor eens, Frans!" hernam Jan. "Dan moest je zien, dat je den sleutel +wegkaaptet, en dan gaan we er Zondagmorgen eens heen." + +"Maar ik moet naar de kerk," zeide Frans. + +"Ik ook," voegde Pieter er bij. + +"Wat zou dat?" snoefde Jan. "Ik moet ook naar de kerk; doch daar zit ik +me toch maar te vervelen. Weet je, wat we moesten doen? In plaats van +naar de kerk te gaan, loopen we liever wat rond. Wij moesten nu maar +afspreken, dat we hier bij elkaar zullen komen. Die er het eerst is, +wacht op de beide anderen, en dan gaan we alle drie naar het optrekje, +als je ten minste den sleutel kunt machtig worden. Kun je dat niet, +dan gaan we wat in de duinen ravotten, en maken dat we op zijn tijd +weer t'huis zijn." + +"En als vader dan vraagt, waarover de dominee gepreekt heeft?" vraagde +Pieter. + +"Dan noem je maar een tekst, die tusschen Genesis en de Openbaring +staat," hervatte Jan. + +Het ging echter nog zoo gemakkelijk niet, om Frans en Pieter over +te halen, en Jan had al zijne welsprekendheid noodig om hen er toe +te brengen. Eindelijk gelukte het hem en werd voorloopig de afspraak +vastgesteld, dat men het Zaterdagavond nog eens voor goed zou bepalen. + +Wat onze Pieter den volgenden Zondag een haast had, om naar de +kerk te gaan! Vader had, vond hij, nog nooit zoo veel in den Bijbel +gelezen en het gebed had, volgens hem, nog nooit zoo vreeselijk lang +geduurd. Nauwelijks dan ook kon hij welstaanshalve zich verwijderen, +of hij zette zijn hoed op, groette vader en zuster en spoedde zich +de deur uit. + +"Wat maak je een haast, Pieter," zeide Martha in het voorhuis tegen +hem. "'t Is of Joost je op de hielen zit." + +"Ik wil graag een goede plaats krijgen," antwoordde Pieter. "Ik houd +er niet van, om zoo achteraf te zitten." + +"Wacht dan even; dan ga ik mee," zeide het meisje. "Ik moet nog maar +even mijn huik opzetten." + +Dat beviel Pieter niet. + +"Haast je dan wat," gaf hij ten antwoord. "Ik ga al vast vooruit." + +Dit zeggende, stond hij reeds op de stoep, sloeg de eerste de beste +dwarsstraat in, die hem naar het _Achterom_ voerde, en rende die +straat tot aan het _Hofpoortje_ door. Vervolgens begaf hij zich wat +bedaarder over het _Buitenhof_ en door de _Voorpoort_ van den _Hove_, +langs het _Tournooiveld_ naar het _Lange Voorhout_, waar hij stellig +dacht, zijne beide makkers reeds te zullen vinden. Hij bedroog zich +echter: hij was de eerste. + +"Zouden zij hun woord niet houden?" mompelde hij. "Dat zou valsch +wezen. Zij hebben het mij toch zoo stellig beloofd." + +Hij wandelde een paar malen de lengte der kraam op en neder, maar +noch Frans noch Jan verscheen. + +"Als zij niet komen, dan ga ik maar naar de Kloosterkerk," pruttelde +hij weer. "Zoo kun je nu staat maken op je vrienden. Nu, ze zullen er +morgen voor lusten! Had ik het geweten, dan had ik zulk een haast +niet behoeven te maken. Maar wacht, daar komt er al een.--Zoo, +Jan!" vervolgde hij tot den aangekomene. "Ben je daar eindelijk, +en waar is Frans?" + +"Eindelijk?" bromde Jan. "Kon ik dan ruiken, dat jij er zoo vroeg +zoudt wezen? Maar is Frans er nog niet?--Als hij niet gauw komt, +dan laten we hem in den steek. Die flauwerd! nu het op stuk van zaken +aankomt, schuurt hij zijn piek en zal ons laten zitten, om het gelag +te betalen. Maar geen nood! komt hij niet, dan gaan wij samen naar +de duinen. Daar zal ik wel kennissen vinden en anders spelen wij met +ons beiden." + +"Met ons beiden? dat vind ik niet pleizierig. Ik houd het er voor, +zooals oom altijd zegt: dat de derde streng den kabel maakt." + +"O, dat is een zeemansterm. Mijn vader zegt daarvoor: De derde +man brengt de pret aan. Maar zie--daar komt Frans. Hij houdt toch +woord.--Je bent lang weggebleven, Frans!" vervolgde hij tot den +aankomende. "Als je niet gauw gekomen waart, hadden we onze biezen +gepakt en waren alleen gegaan." + +"Ik had het niet kunnen helpen. 't Heeft mij moeite genoeg gekost, +om den sleutel in handen te krijgen. Maar nu," terwijl hij dien +zegepralend in de hoogte hield, "nu heb ik hem; dus, jongens! op +marsch!" + +Ons drietal koos een stille eenzame weg, om naar het optrekje te +komen. Hun geweten zeide hun, dat zij niet goed deden, en daarom +trachten zij zooveel mogelijk de kerkgangers te vermijden, onder +welke de een of ander kon zijn die hen mocht herkennen en het aan +hunne ouders brengen. + +"Dan zou er wat opzitten," had Pieter gezegd. "Want vader is gansch +niet malsch, wanneer hij begint; en als hij er achter komt, kan ik +verzekerd zijn van een pak slaag, dat mij nog wel acht dagen lang +zeer doet." + +"Nu, als de mijne begint, is hij ook niet gemakkelijk," hervatte +Frans. "Ik heb laatst eens een pak van hem gehad, waarvan ik nog +wel veertien dagen op zekere plaats de overblijfselen voelde; in het +begin had ik het wel willen uitschreeuwen als ik gingen zitten." + +"Flauwerd!" zeide Jan. "Bang voor een pak ransel?--of denk je +dan, dat de mijne een lam is? Jongens neen? Maar ik waag het er +aan! Intusschen--gaan jelui maar zoet naar de kerk; ik ga naar de +duinen, waar ik wel van mijn soort zal vinden. En als ik dan terugkom, +dan kun jelui me de preek vertellen." + +"Hoor eens, Jan?" hervatte Frans. "Een flauwerd moet je me niet +noemen. Dat ben ik nog nooit geweest. Maar dat ik niet van een pak +slaag houd, kun je me niet kwalijk nemen. + +"Denk je dan dat ik er zoo op gesteld ben? Maar mijn leer is: +kermisgaan is wel een pak ransel waard! En daarom waag ik het er aan." + +"Wie zegt je, dat wij het ook niet doen?" zeide Pieter, terwijl +hij het hoofd trotsch achterover in den nek wierp en Jan aanzag, +als wilde hij zeggen: "Wat verbeeldt gij u wel?" + +"Eilacy! gaat dan mee. Laat ons dan niet langer marren. Wij verbeuzelen +zoodoende al onzen tijd." + +En zoo waren ze alle drie op marsch gegaan. Aan het optrekje gekomen, +stak Frans den sleutel in de deur en traden onze drie knapen binnen. + +Ik zal u niet mededeelen wat voor kattenkwaad zij daar uitvoerden; +pleizier hadden zij genoeg, want de tijd vloog hun om. + +"Daar slaat de "Sint-Jacob" al elf," riep Pieter eensklaps uit. "Wij +moeten weg; anders komen wij telaat thuis." + +"Het is zoo zondig waar!" bevestigde Jan, die de slagen geteld +had. "Ja, we moeten weg. Misschien kunnen wij dan nog even de +Kloosterkerk binnenloopen en den laatsten psalm meezingen. Dan geven +wij dien op bij gebrek aan een tekst." + +Zoo gezegd, zoo gedaan. Ons drietal sloeg zich wat af (want de +zondagsche kleeren hadden er langs gekregen) en nadat het toilet zoo +goed mogelijk in orde was gebracht, gingen zij naar de voordeur om +die open te doen. Maar wat er van was, of Frans bij het toesluiten +het slot verdraaid had, hoe hij ook poogde de deur te openen, alles +te vergeefs. Evenmin konden het Pieter en Jan. + +Daar stonden ze nu te kijken, alsof zij hun zondagsoortje versnoept +hadden. Er waren intusschen eenige minuten verloopen,--hun scheen +het een half uur (want als men haast heeft en in den angst zit, +schijnt elke sekonde ons een minuut te zijn). + +"Nu is goede raad duur." begon Jan. "Zeg eens, Frans! kunnen wij de +schutting niet over?" + +"Ja," antwoordde deze. "Maar dan komen wij in de sloot terecht die +het weiland omgeeft." + +"Nu, dan over een der zijschuttingen." + +"Dat is goed; dan moeten wij aan de rechterzijde over. Daar komen wij +bij den smid en die heeft een deurtje, waardoor men met een plank op +het land kan komen. Dat deurtje zal echter wel gesloten zijn." + +"Geen nood!" hervatte Jan. "Dan klimmen wij zijne achterschutting er +bij over. Als wij maar gered zijn." + +Zoo gezegd, zoo gedaan. Onze knapen gingen weer den tuin in, nadat +zij de tuindeur zoo goed mogelijk gesloten hadden; daar die echter +van binnen gegrendeld was, konden zij het slechts zeer onvolkomen doen +en moesten zij zich vergenoegen met die achter zich toe te trekken. + +De schutting, over welke zij klimmen moesten, was van boven met +spijkers voorzien, die met de punten opwaarts stonden. Jan en Frans +waren reeds beneden in buurmans tuin en Pieter zoude hen juist volgen, +toen zijne zondagsche broek aan een der spijkers bleef hangen en tot +aan den band openscheurde. Door dit onverwachte oponthoud (want het +kleedingstuk hield hem in zijn sprong tegen) kwam hij geheel anders +neer, dan hij gemeend had, struikelde en viel zoo lang hij was op +den grond neder. + +De beide andere knapen waren reeds aan het klauteren op de +achterschutting van den tuin huns buurmans, zonder dat zij iets van +Pieters val bemerkt hadden. Eerst toen Frans er boven op was, riep hij: +"waar blijf jij toch, Piet?" + +"Ik ben gevallen en heb mijn voet verstuikt!" kermde deze. "Ik kan +geen enkelen stap doen, ja, zelfs niet eens opstaan." + +Frans wilde weer van de schutting afspringen, om zijn vriend te helpen. + +"Ben je dwaas?" zeide Jan. "Als hij niet kan loopen, kunnen wij hem +toch niet meezeulen. En als we lang wachten, komen we te laat thuis." + +"Ik moet toch zien, of ik hem kan helpen," hervatte Frans. "Wij zijn +samen uitgegaan en moeten ook weer samen thuis komen." + +"Alles mooi en wel," hernam Jan. "Maar ik bedank er voor om ransel +te krijgen, als ik te laat thuis kom." + +Frans was reeds van de schutting af, terwijl Jan er aan den anderen +kant overging. In één oogenblik was hij bij Pieter. + +"Laat mij je helpen om op te staan," zeide hij tot zijn vriend. + +"Laat mij maar liggen, Frans!" antwoordde deze. "Misschien bedaart +het van zelf. Op het oogenblik doet mijn voet mij onlijdelijke pijn." + +"Kom, probeer maar eens, Piet!" hernam de andere. "Als je eens over +de schutting bent, zal het wel schikken." + +"Maar ik kan wezenlijk niet opstaan," hervatte Pieter. "Eilacy, +ga jij er maar over. Je hebt reeds te lang gemart en zult te laat +thuis komen." + +Frans begreep, dat Pieter gelijk had; hij klom dus over en liet zijn +armen vriend in den tuin van den smid liggen. + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +Hoe gevaarlijk het kan worden, om des Zondags de kerk te verzuimen. + + +Daar lag onze Pieter nu in den tuin van den smid. Zijn linkervoet deed +hem vreeselijk pijn en belette hem te denken aan den gevaarlijken +toestand, in welken hij verkeerde. Wat zou zijn vader wel +zeggen! Wat zou Martha ongerust zijn! En wat zou hij een pak slaag +krijgen! Waarlijk, een heerlijk kermisgeschenk! Ja, al die pret van +de kermis kon hij nu wel uit zijn hoofd zetten; want tot straf zou +hij wel nergens naar toe mogen! Dit waren de gedachten, die hem, +toen de pijn hem toeliet te denken, het eerst bezig hielden. + +"Als ik maar kon opstaan," sprak hij bij zich zelf, en stelde +alle pogingen daartoe in het werk. Het opstaan ging, ja; maar hij +kon den beleedigden voet niet op den grond zetten, of hij moest het +uitschreeuwen van de pijn. "Ik zal mijn schoen uitdoen," vervolgde hij; +"mijn voet is gezwollen en daardoor kan ik niet staan. Als ik dat doe, +zal het wel beter worden." Hij deed wat hij zeide, en het scheen hem +werkelijk verlichting te schenken. Maar nauwelijks waagde hij een stap, +of hij gilde het uit van de pijn en viel weder op den grond neer. + +"Had ik mij maar niet laten bepraten!" zeide hij, terwijl hij daar +mistroostig nederzat. "Was ik maar naar de kerk gegaan, dan was ik +nu thuis en zat al haast aan het eten." + +Dat laatste denkbeeld had zijn oorsprong niet alleen aan den +voortsnellenden tijd, maar ook aan de ledige maag van onzen +Pieter. Want ondanks de pijn, die hij had, begon hem thans de honger +te kwellen en dat was voor een knaap op zijne jaren niet het minst +van de zaak. 't Was dan ook een treurig vooruitzicht voor hem. Eerst +had hij nog hoop, dat zijne vrienden wel even bij den smid zouden +zijn aangeloopen en deze hem zou komen verlossen, maar toen het één, +twee uur werd en de klok voor de middagkerk de laatste maal luidde, +begon hem ook die hoop te begeven. Hij schold op zijne makkers, die +hem dus in het gevaar lieten; hij begreep niet, dat Frans en Jan, +thuis gekomen zijnde, van niets durfden reppen om zelf geen straf +te beloopen; hij wist niet, dat de eerste na den maaltijd, met zijn +vader naar _Hondsholredijk_ was gewandeld om eenige reparatiën op +te nemen die aan het huis van Prinses Amalia aldaar noodig waren; +ook kwam het volstrekt niet bij hem op, dat én de een én de ander +zich overtuigd hielden, dat de voet van hun makker wel hersteld zou +zijn en hij zelf gezond en wel thuis zou zitten. Intusschen verliep +de tijd, en--al duurde die onzen Pieter eerst heel lang--naarmate het +later werd, begon die hem korter te vallen; want nu kwam er een ander +gevoel bij hem op, dat van angst. Hij lag toch in een vreemden tuin, +in dien van den smid Joris Gerritsz, en hij wist van zijn broeder +Evert, die zooals wij weten bij genoemden smid werkte, dat Gerritsz +een driftig man was. Hoe, als die hem daar vond, dan kon hij hem wel +doodslaan! Of hij kon hem voor een dief en inbreker houden, en hem +overleveren in handen van het gerecht. Welk een schande! Als hij eens +door schout en dienders gehaald werd! Nooit zou hij dan in _Den Haag_ +zijne oogen weer durven opslaan. Hij hoopte maar, dat de Balkenendes +eerder zouden komen; dan konden die hem over de schutting helpen of +bij baas Gerritsz zijne voorspraak zijn. + +Intusschen was men bij den pruikenmaker ook niet weinig in +ongerustheid. Toen de kerk uit was en allen thuis waren, keek baas +Dirksz verwonderd op, dat Pieter nog niet thuis was. + +"Hij zal, uit de kerk komende, andere jongens ontmoet hebben," zeide +Marie, "en met hen wat aan het omloopen zijn." Maar toen hij tegen +etenstijd nog niet thuis was, begon men zich ongerust over hem te +maken. Intusschen werd de maaltijd opgebracht, de familie at, de tafel +werd afgenomen en men ging naar de middagkerk. Vader Dirksz echter +bleef thuis, om den uitblijver te ontvangen en beloofde hem reeds in +stilte een duchtig pak, dat hem die malle kuren zou afleeren. Maar +hoe hij wachtte, onze Pieter kwam niet, en toen de huisgenooten uit de +middagkerk terugkwamen en hij op hunne eerste vraag: "Is Pieter al te +recht?" ontkennend moest antwoorden, toen besloot men maatregelen te +nemen en desnoods de hulp van het gerecht in te roepen; want Pieter +moest een ongeluk hebben gekregen; anders zou hij wel thuis zijn. + +"Loop eens even naar baas Balkenende, Jacob!" zeide de pruikenmaker +tot zijn tweeden zoon. "'t Is jammer, dat Evert niet thuis is, anders +kon die naar Jan IJzer gaan." + +"O, daar zal ik wel heenloopen," zeide Martha. + +"Goed. En vraag dan maar bij Balkenende, of Frans ook iets van onzen +Pieter weet. Vraag om Frans zelf te spreken, de baas heeft er niet +mee noodig," zeide Marie. + +Jacob vond de geheele familie Balkenende uit. "De baas is met Frans +naar _Hondsholredijk_," had de meid gezegd, "en de vrouw is met +de kinderen naar den _Scheveningschen_ weg." Wat echter Pieter +aangaat, zooveel kon zij verzekeren, dat hij daar niet aan huis +was geweest. Martha's nasporingen hadden geen beter gevolg gehad, +en er schoot dus geen ander middel over, dan naar den schout te gaan +en den sterken arm van het gerecht in te roepen ter opsporing van +den vermiste. + +"Als de jongen geen ongeluk heeft gekregen, dat hem belet thuis te +komen, zal ik hem ranselen, dat er de lappen bijhangen!" zeide de +pruikenmaker. "Ons zoo in ongerustheid te laten zitten. Foei! 't +is schande!" + +"Er moet hem zeker wat overkomen zijn, vader!" meende Martha. "Pieter +past anders trouw op zijn tijd." + +"Dat is wel waar, Martha," antwoordde vader Dirksz. "Maar dan moest +hij het vandaag ook gedaan hebben. Geef mij mijn rok, Marie! ik ga +naar den schout." + +"Ik zou daarmee nog wat wachten, vader!" zeide Marie. "Misschien komt +hij wel spoedig thuis. Wat behoeft gij het gerecht er in te roepen?" + +De pruikenmaker besloot dus nog een paar uren te wachten. Was Pieter +na dien tijd niet terecht, dan zou hij zich niet laten weerhouden. Dan +moest de knaap maar een dag of wat op water en brood zitten; dat zou +hem leeren op een anderen tijd beter op te passen. + +Keeren wij tot onzen gevangene terug. + +Het scheen, dat het uittrekken van zijn schoen hem weinig gebaat had; +veelmeer waren pijn en zwelling sedert vermeerderd, Ja, hij leed +ondraaglijke weerpijn in zijn knie en begreep dus niet dan al te wel, +dat zijn eenige redmiddel zou zijn: de komst van den smid met zijne +familie. Want als Balkenende kwam, zou hij het slot van zijn optrekje +verdraaid vinden, en, daar het Zondag was, zou er geen smid zijn, +die de deur openstak. De Balkenendes zouden dus ongetroost naar huis +kunnen terugkeeren. + +Nu begon een andere vrees zich van hem meester te maken, hoe, indien de +smid eens niet naar buiten kwam en hij dus veroordeeld was, den nacht, +den kouden Meinacht daar alleen door te brengen. Dat denkbeeld greep +hem met geweld aan en folterde hem zoodanig, dat hij reeds begon te +wenschen, wat hij een paar uur geleden zoo bang had te gemoet gezien. + +"Och!" zeide hij in zich zelf, "de smid zou mij wel niet doodslaan +en niet aan het gerecht overleveren, als hij mij voor den zoon van +Pieter Dirksz herkent. Ik wou, dat hij maar kwam, dan kon hij mij +naar huis laten brengen, en dan kon Marie mijn voet verbinden, want +ik lijd verschrikkelijk pijn." + +Om echter niet terstond door baas Gerritsz bemerkt te worden, sleepte +hij zich voort tot achter een bloeiende jasmijn, die hem kon verbergen +voor ieder, die den tuin binnentrad. Als dan vrouw Gerritsz of een +der kinderen in den tuin kwam, kon hij ze aanroepen en die zouden +bij hunnen vader wel voor hem spreken. Kwam echter Gerritsz zelf, +dan kon hij zich stil verborgen houden, tot de gelegenheid om zich +te ontdekken gunstig was. + +Het zal ongeveer halfvijf zijn geweest, toen hij in het huis naast zich +een buitengewone opschudding hoorde. Vrouw Balkenende was met hare +kinderen naar het optrekje gegaan; en daar het nachtslot alleen van +binnen verdraaid was, had zij de deur van buiten gemakkelijk kunnen +openkrijgen. Maar toen een harer dochters, die de tuindeur wilde +opendoen, de grendels daarvan vond afgeschoven, had zij de meening +geuit, dat er vreemd volk in huis was geweest om te stelen en dit had +grooten schrik onder de Balkenendes veroorzaakt, welke schrik eerst +verdwenen was, toen men alles op zijne plaats vond en niets vermiste. + +Het duurde dus vrij lang, eer de familie in den tuin kwam, en Pieter +luisterde aandachtig, of hij de stem van Frans niet vernam. Maar hoe +hij luisterde, hij kon haar niet onderscheiden en hij kwam dus tot +het besluit, dat zijn vriend voor hetgeen dien morgen gebeurd was, +straf had. Doch hoe kon dan de familie zoo geschrikt zijn van het +afschuiven der grendels? 't Was hem onmogelijk, deze twee zaken in +behoorlijk verband te brengen, en terwijl hij daarover nog peinsde +en juist voornemens was, zijn stem te verheffen en om hulp te roepen, +verstomde hij eensklaps; want in de woning van den smid kwam ook leven +en hij kon er niet aan twijfelen, of het oogenblik zijner ontdekking +was nabij. + +De tuindeur werd opengedaan, en hij hoorde de stem van baas +Gerritsz. Hij verborg zich zoo goed hij kon en kromp zooveel ineen +als de pijn hem toeliet, toen hij een stem den smid hoorde antwoorden, +eene stem die al zijn moed deed herleven en hem al zijne geestkracht +terugschonk. Het was namelijk die van zijn broeder Evert, die door zijn +patroon was uitgenoodigd, om den namiddag in zijn tuin door te brengen. + +"Evert!" riep de arme Pieter, "kom mij te hulp." + +Evert en zijn patroon waren zeer verschrikt over de stem, die daar zoo +onverwachts in den stillen onbewoonden tuin klonk. Spoedig herstelden +zij zich. + +"Jij hier, Pieter?" riep Evert ontsteld en tevens verwonderd uit. "Je +hebt vader mooi in ongerustheid gebracht. Maar hoe kom je hier? Sta +op," vervolgde hij, zonder antwoord af te wachten, "en maak, dat je +naar huis komt. Ik denk, dat ze in doodelijke onrust over je zijn." + +"Ik kan niet opstaan, Evert!" antwoordde Pieter. "Ik heb mijn voet +verstuikt, misschien wel gebroken." + +"Nog fraaier! Wat me die jongens toch uitrichten!" zeide baas Gerritsz +hoofdschuddend. "Maar zeg eens, knaap! Wat doe je in mijn tuin? Als +het in den appel- en perentijd was, zou ik zeggen, dat je fruit hadt +willen stelen. Die is er niet. Wat moest je dan hier uitrichten?" + +"Ach, baas Gerritsz, ik zal het u vertellen," zeide Pieter, en hij +gaf een trouw verslag van het gebeurde. + +"Het is je geluk, dat je broer Evert je het eerst vond, mannetje! Was +hij er niet bij geweest en ik had je ontdekt, dan had je kans gehad, +dat ik je armen en beenen aan stukken had geslagen. Want ik ben niet +gemakkelijk, als ik begin, niet waar, Evert!" + +"Om den drommel niet, baas!" bevestigde deze. "Maar wat zullen we +met den ondeugenden knaap doen?" + +"Ja," hernam baas Gerritsz, bedenkelijk om onzen Pieter nog wat schrik +aan te jagen. "Hij is op mijn erf gekomen, zonder mijn verlof; dat +staat gelijk met inbraak. Ik vind het best, dat wij hem met schout +en dienders laten halen. Het zal een voorbeeld zijn voor anderen." + +"Ach, baas Gerritsz!" smeekte Pieter. "Dat zult gij toch niet +doen. Denk eens, welk een schande voor vader en voor mij!" + +"Schande!" riep baas Gerritsz uit, terwijl hij zich heel boos +hield. "Wat! schande? schande is het, als iemand over schuttingen +klimt om op eens anders eigendom te komen. Dus geen genade voor +jou. Ik laat je door schout en dienders de deur uithalen." + +"Hij zal het wel nooit weer doen, Joris!" bracht thans vrouw Gerritsz +in het midden, die er met hare kinderen was bijgekomen. "Gij moest +het dus nu maar eens door de vingers zien." + +"Eilacy! dan zou hij er te gemakkelijk afkomen," hernam baas +Gerritsz. "Maar wie waarborgt mij, vrouw, dat de jongen, eenmaal den +weg wetende, in den perentijd niet komt overklimmen, om mijn fruit +te stelen?" + +"Hij heeft een goede les gehad," gaf de vrouw ten antwoord, "die hij +zijn leven lang niet zal vergeten." + +"Nooit--zoo oud als ik word," kermde Pieter. "Gij kunt er van verzekerd +zijn, baas Gerritsz dat ik mijn buik vol heb van het klimmen over +schuttingen." + +"Nu, dan zal ik het voor ditmaal maar als niet gedaan rekenen, Pieter," +zeide de baas. "Kom, Evert, wij zullen den knaap opnemen en in huis +dragen. Dan ga jij naar je vader en vertelt hem, dat zijn galgestrop +van een zoon hier is. Zoo is de goede man uit de ongerustheid en kan +maatregelen nemen om hem te laten halen. Intusschen zal mijne vrouw wel +eens naar den voet zien, die duchtig gezwollen schijnt, en den knaap +wat eten geven; want hij zal wel honger hebben ook. Kom aan, Evert!" + +Maar dat opnemen ging zoo gemakkelijk niet; want toen Evert even aan +den beleedigden voet raakte, gilde Pieter het uit van de pijn. Baas +Gerritsz nam hem dus alleen op, terwijl Evert het gekwetste deel +ondersteunde, en zoo brachten zij Pieter in huis, waar vrouw Gerritsz +naar den voet keek, die ontzaglijk gezwollen en vreeslijk pijnlijk +was; terwijl Evert naar de _Spuistraat_ ging en zijne familie uit de +ongerustheid over het lot van den knaap verloste. + +Tegen het vallen van den avond brachten Jacob en Evert hem met eene +burrie naar huis. De barbier (chirurgijn) dien men haalde, onderzocht +den voet en zeide, dat er wel niets gebroken was, maar dat de zaak door +te lang uitstellen van geneeskundige hulp, zoodanig verergerd was, +dat Pieter ten minste drie weken lang met het been in een kussen zou +moeten zitten. Al het voorgestelde kermisvermaak was nu verijdeld; +hij zou den reus niet zien, die de Voorpoort van den Hove niet in kon, +den "vuurvreter" zou hij niet aanschouwen, noch het muziek onder water +hooren van den Amsterdamschen wonderman. En nog mocht hij van geluk +spreken, dat zijn vader de zaak zoo liet afloopen. Deze oordeelde, dat +de knaap genoeg gestraft was door de pijn en den angst, en begreep, +dat hij van nu aan een afkeer zou hebben van het verzuimen der kerk, +van het gaan naar plaatsen, die hij niet betreden mocht, en van +het overklimmen van schuttingen. En de goede man had gelijk. Dit +geval had een beslissenden invloed op Pieters heele leven en hem voor +altijd genezen van alle slinksche handelingen, welke het daglicht niet +mochten zien. Want als hij soms in de verleiding kwam om naar de eene +of andere verboden plaats te gaan, dan kwam hem de tuin van baas Joris +Gerritsz in de gedachten: hij wees den verzoeker terug en ging niet. + +Mijne lezers zullen voorzeker wel nieuwsgierig zijn, te weten, hoe +het met de beide andere knapen afliep. Ik wil dienaangaande hunne +nieuwsgierigheid bevredigen. + +Zoodra onze Pieter thuis was en zijn wedervaren in al zijne kleuren +verteld had, begaf vader Dirksz zich naar baas Balkenende, wien hij +de geheele historie mededeelde. De timmerman was juist met zijn +zoon van _Hondsholredijk_ thuis gekomen en, toen de pruikenmaker +geëindigd had, riep hij Frans, die hem alles bekende en Jan IJzer +noemde als dengeen, die hen beiden tot het verzuimen der kerk verleid +had. Balkenende bedankte Dirksz voor diens mededeeling en beloofde, de +zaak ten strengste te straffen. Toen dus Pieters vader vertrokken was, +kreeg onze Frans een duchtig pak slaag en mocht hij tot zijne straf +den geheelen tijd, dien de Hofkermis duurde, niet uit. Den volgenden +morgen kwam Jan, alsof er niets gebeurd was, op den winkel. Baas +Balkenende wachtte hem reeds op, onderhield hem scherp over zijn +gedrag en joeg hem weg. En of Jans vader al bij den timmermansbaas +kwam, om zijne toegevendheid voor zijn zoon in te roepen--de baas +wilde van niets hooren en den knaap niet terugnemen. + +"Die lage, gemeene klikkert!" had Jan gezegd, toen hij hoorde, dat +zijns vaders gang te vergeefs was geweest, en deze hem ongemakkelijk +had afgeranseld. "Die ellendige pruikenmakersjongen! Maar ik zal het +hem betaald zetten." + +Daar Jan geen lust meer in het timmeren had, maar het goudsmeden +verkoos te leeren, deed zijn vader hem bij baas Hendrik Verhoef op +de _Vogelenmarkt_. + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +Hoe een slimme Raadpensionaris een nog slimmeren Prins niet kan +doorgronden. + + +Wanneer gij ooit den weg van het dorp _Wateringen_ naar _Naaldwijk_ +hebt gewandeld, dan kan het wel niet anders, of gij hebt in het +bevallige _Hondsholredijk_ (gewoonlijk _Honselaarsdijk_ genoemd) +eenige oogenblikken uitgerust, om nieuwe krachten te verzamelen, +en u in de daar staande uitspanning met een glas melk of bier te +verkwikken. Als gij daar dan gezeten waart en uwe blikken rondom u liet +gaan, dan moet uw oog als van zelf zijn gevallen op een oude poort, +die daar zoo alleen staat en zich zoo deftig verheft, dat gij op het +denkbeeld kwaamt, of zij niet tot andere gebouwen heeft behoord en, +wanneer gij de statigheid en den omvang van dit overblijfsel van +vroegere jaren in aanmerking naamt, dan kwaamt gij onwillekeurig tot +het besluit, dat hier waarschijnlijk een kasteel of zoo iets moet +gestaan hebben. De ruïne, die zich achter de poort bevindt, doch welke +gij van buiten af niet kunt zien, zou u in het denkbeeld versterken. + +En gij hebt goed gedacht mijne vrienden! Die poort strekte eens tot +ingang van een oud en sterk kasteel, toebehoorende aan de heeren van +Naaldwijk, welke hier hun verblijf plachten te houden. Menig ridder, +die uit den bloedigen kamp huiswaarts keerde, reed onder die poort +door, gezeten op zijn vurig genet, dat hem onverschrokken door het +slaggewoel had heengeleid; menige schuchtere jonkvrouw was aan de +hand haars bruidegoms dien gewelfden boog doorgetreden, omringd +van vrienden en magen, van pages en schildknapen, van bruidjonkers +en juffers, om in de kapel, die daar ginder stond, waar gij nu +die boomen hunne toppen ziet verheffen, den band des huwelijks te +sluiten.--Maar die dagen van grootheid en luister gingen voorbij; +de roode leeuw van de erfmaarschalken en opperstalmeesters van +de graven van _Holland_ verbleekte; het geslacht der Naaldwijken +stierf uit, en door huwelijk kwam het kasteel te _Hondsholredijk_ +aan de graven van Aremberg. Gij herinnert u, hoe een van dezen in den +tachtigjarigen oorlog de zijde van _Spanje_ hield; het gevolg daarvan +was verbeurdverklaring zijner goederen en onder deze ook het kasteel +te _Hondsholredijk_. Den 13den Juli 1589 gaven de Staten van _Holland_, +nu de rechtmatige bezitters van de heerlijkheid, het kasteel met zijne +aanhoorigheden ten geschenke aan Prins Maurits. Maar het gebouw was +oud en vervallen, en toen genoemde Prins bij zijn overlijden in 1625 +door zijn jongeren broeder Prins Frederik Hendrik werd opgevolgd en +deze in het bezit van het slot kwam, scheen de luister van het aloude +huis te _Hondsholredijk_ te herleven. Laatstgenoemde toch liet het +vervallen slot geheel en al afbreken en op de vorige grondslagen een +vorstelijk paleis bouwen. Ook dit paleis heeft den tand des tijds niet +kunnen weerstaan: er is thans weinig meer van over dan de grijze poort, +die daar zoo eenzaam en verlaten staat. + +Wij willen ons in het begin der maand Juli van het jaar 1661 naar +genoemd huis begeven. Wij gaan dan de groote poort door en bevinden +ons voor een statige ophaalbrug, die over de breede grachten, welke +het paleis omringen, den toegang tot het gebouw verleent. Prachtig +hangen over die gracht de vier uitstekende paviljoenen, in den vorm +van torens aan de hoeken van het paleis uitgebouwd, van welke er +twee het uitzicht hebben op de heerlijke lanen van het park. Maar wij +gaan voort naar den ingang, die zich in het midden van den voorgevel +bevindt. Ziet eens, welke schoone, levensgroote beelden daar aan +weerskanten van dien ingang staan. Wij gaan eenige trappen op, +onder een balkon, dat op zes pilaren rust, en komen zoo op de ruime +vierkante plaats, met gaanderijen omringd, en op welke een gedeelte van +de menigvuldige, deftig gebouwde en keurig versierde en gemeubelde +vertrekken uitziet. Maar ik zie het u wel aan; al die pracht en +grootheid halen voor u niet bij den luister der natuur; gij hebt van +het park gehoord en wilt u derwaarts begeven. Welnu, dan keeren wij +langs den zelfden weg terug, slaan, zonder de voorpoort door te gaan, +links af en komen in het heerlijk aangelegde park. Wij doorwandelen +de boomrijke lanen en staan van tijd tot tijd stil bij de openingen, +hier en daar in het hout gelaten en die ons de schoonste vergezichten +opleveren. Op verscheidene van deze plaatsen zijn steenen zitbanken +geplaatst; wij zullen er echter op dit oogenblik geen gebruik van +maken--wij mochten er te lang zitten droomen. + +Hoor! wat was dat?--Zijn wij hier in _Natura Artis Magistra_ te +_Amsterdam_ of in de Diergaarde der _Rottestad_?--Ho, wat, mijne +lezers! die waren er ruim tweehonderd jaren geleden nog niet; want +herinnert u, dat onze wandeling in de 17de en niet in de 20ste eeuw +plaats heeft. "Maar," zegt gij "Ik hoorde toch duidelijk het brullen +van een leeuw!"--Gij hebt goed gehoord; wij zijn hier dicht bij de +diergaarde. Slaan wij slechts dit slingerlaantje in,--zoo, daar zijn +wij er. + +Leeuwen en tijgers, panters en luipaards, beeren en hyena's, kortom, al +wat gij in een menagerie kunt verwachten, vindt gij hier in prachtige +hokken en achter stevige ijzeren traliën opgesloten. + +Wij zien echter op het oogenblik niet naar die dieren, maar liever +naar de beide personen, die daar zoo deftig in de diergaarde +voortwandelen en in druk gesprek schijnen gewikkeld. Ofschoon het +niet heel fatsoenlijk is, willen wij ons achter hen begeven en hunne +gesprekken afluisteren; eerst wil ik u een beschrijving van hen geven. + +De jongste (en ik begin bij hem, omdat hij een oude kennis van +ons is) is niemand anders dan Prins Willem Hendrik, die gedurende +den vacantietijd in _Leiden_ bij zijne grootmoeder Amalia van Solms +logeert; want bij testament haars gemaals, heeft zij _Hondsholredijk_ +als haar bijzonder eigendom verkregen. Hij is nu ongeveer een jaar +ouder dan toen wij voor het eerst kennis met hem maakten en een heel +stuk gegroeid; echter nog even mager, zoo niet nog magerder, nog even +bleek, misschien nog bleeker door het rouwkleed, dat hij aanheeft, +het rouwkleed over zijne moeder, die nu reeds een half jaar naast haren +broeder in den somberen grafkelder der koningen van Engeland rust. + +De persoon, die naast den Prins daarheen wandelt, en wiens +eenvoudige kleeding ons zou doen vermoeden, dat hij tot den +burgerstand behoort, trekt onze opmerkzaamheid door de uitdrukking +van geest en schranderheid, die op zijn langwerpig, beenig gelaat +staat uitgedrukt. De doordringende oogen, door zware wenkbrauwen +overschaduwd, het hooge breedgewelfde voorhoofd, de sterk gebogen +neus en de met een klein snorretje begroeide bovenlip geven aan dat +gelaat iets van dat bijzondere, dat men alleen bij groote vernuften +aantreft. Een grijze vilten hoed, welks eene zijde is opgerold en +met een grijs zijden koord van twee vingers dik wordt vastgehouden, +dekt het hoofd, volgens de mode van dien tijd versierd met een lange, +blonde allongepruik, die tot op de schouders nederhangt. Een breede, +dubbele bef hangt over den langen, grijzen rok (wij zouden dien jas +noemen) die van voren met koord gegarneerd en geheel toegeknoopt +is en tot even boven de knieën reikt. Om den linkerschouder is +een zijden sjerp geslagen van de kleuren der Statenvlag, en die in +de linkerzijde in een strik eindigt, waar ook de degen hangt, dat +onmisbare bij den man van den deftigen stand. De korte broek, van +dezelfde kleur en stoffage als de rok, is even beneden de knieën met +strikken vastgehecht; ook op de schoenen zijn groote strikken. Hij +houdt een langen wandelstok met gouden knop in de hand, en alleen +dit artikel van weelde, de sjerp en de fluweelen mantel, die hem over +den schouder hangt, doen in hem iets meer vermoeden dan zijn anders +eenvoudige kleeding te kennen geeft. En geen wonder; want de man, +die daar met den Prins in zulk een druk gesprek schijnt gewikkeld, +is niemand anders dan de eerste persoon in het geheele land, de man, +die aan de vorsten van _Europa_ zijn wil en zijne wetten voorschrijft, +een der grootste staatsmannen van zijn tijd, is de Raadpensionaris +Johan De Witt, van wien ik reeds in mijn vorige werkje [14] gesproken +heb. Om zijne buitengewone bekwaamheden en zijne uitstekende diensten, +hadden de Staten-Generaal, toen in Juli 1658 de vijf jaren, tot de +bekleeding van zijn ambt vastgesteld, verstreken waren, hem daarin +weder voor vijf jaren bevestigd. En zeker was De Witt de man, +die al zijne krachten, al zijnen tijd, al de vermogens van zijn +geest wijdde aan het heil van den Staat. Altoos jammer is het van +den onsterfelijken, helderzienden en doorslepen diplomaat, dat hij +één vast denkbeeld met zich omdroeg, dat vele zijner handelingen +bestuurde en hem wel eens tot verkeerde maatregelen aandreef: "Geene +verheffing van het huis van _Oranje_, nooit zal Prins Willem Hendrik +de waardigheden zijner voorouderen bekleeden." + +In het staatkundige zien wij hier dus twee vijanden wandelen (want +dat de Prins Johan De Witt als zoodanig kende, ook op zoo jeugdigen +leeftijd, lijdt geen twijfel), twee vijanden, van welke de een een +doorslepen en doorkneed staatsman is van zes en dertig jaren--de andere +een zwakke, ziekelijke knaap van nog geen elf. Daarenboven moet ik u +zeggen, dat het doel van De Witts komst op het huis te _Hondsholredijk_ +schijnbaar ten doel had, om de Prinses-weduwe over ettelijke belangen +te spreken; het eigenlijke oogmerk was, den jeugdigen Prins uit te +hooren over brieven, door hem uit _Engeland_ ontvangen, en wier +inhoud de Raadpensionaris gaarne wilde weten. Ik meen genoeg te +hebben gezegd, om u belang te doen stellen in het gesprek der beide +wandelende personen. Ik herinner u daarbij, dat men den Prins wenschte +af te trekken van de Engelsche partij, en moet u tevens mededeelen, +dat Zuijlestein in verdenking stond van die partij te ondersteunen. + +"Zooals ik uwer Hoogheid zeide," ging De Witt voort; want gij +herinnert u, dat wij hen midden in hun gesprek beluisteren, "zooals +ik uwer Hoogheid zeide, ik heb Professor Borneus gesproken, en zijn +hooggeleerde is zeer content over uwe progressen." + +"Ik ben den hoogleeraar wel geobligeerd voor zijne goede opinie te +mijnen aanzien en wenschte zeer, even content over mij zelf te zijn +als hij het is." + +"Uwe Hoogheid is zeer nederig," hernam de Raadpensionaris glimlachend. + +"Ik ben ook Uwer Edelheid dankbaar voor de goede opinie, die zij van +mij koestert en ik wensch niets liever, dan mijn best te doen om aan +de verwachtingen, die Uwe Edelheid en de heeren Staten van mij voeden, +in allen deele te beantwoorden." + +"Hoe gaat het tegenwoordig met de arithmetica?" hernam De Witt. "Begint +Uwe Hoogheid daarin wat meer smaak te krijgen?" + +"Ach mijnheer de Raadpensionaris! Uwe Edelheid weet niet hoezeer +mijn arm hoofd verzwakt van die pijnen, welke het zoo gedurig +tourmenteeren. Zij beletten mij te denken en zonder denken kan men +toch niet rekenen." + +"In trouwe niet," antwoordde De Witt, die als een der eerste rekenaars +van zijn tijd bekend stond en wien men wel eens ten laste gelegd heeft, +dat hij de wiskunde ook op het staatkundige toepaste. "De wiskunst +eischt onze geheele ziel, ons gansche verstand. Maar Uwe Hoogheid +moet hare aversie tegen die wetenschap trachten te surmonteeren. De +arithmetica is tot alle dingen noodwendig." + +"Ik zal mijn best doen, om de les Uwer Edelheid in praktijk te +brengen," hernam de Prins, altijd even stroef en deftig. + +"Uwer Hoogheids verzekering is mij genoeg," hernam de Raadpensionaris, +en van batterij veranderende, ging hij voort: + +"Het deed mij leed, dat Uwe Hoogheid mij niet thuis vond bij het +bezoek, dat Zij mij bij haar kortstondig verblijf te 's-_Gravenhage_ +bracht." + +"Mij smartte het niet minder, Uwe Edelheid niet thuis te treffen," +antwoordde de Prins. "Indien mijn verblijf langer gecontinueerd had, +zou ik zeker mijn bezoek gerepeteerd hebben. Mijne grootmoeder had +echter bepaald, dat ik slechts drie uren zou vertoeven en wachtte +mij met den maaltijd." + +"Ik dank Uwe Hoogheid wel voor hare goede intentie, en zou mij +geobligeerd hebben gerekend, haar terstond eene contravisite te +brengen, indien Uwe Hoogheid niets reeds zoo spoedig vertrokken ware." + +"Ik kon niet anders. Uwe Edelheid weet, hoezeer mijne grootmoeder op +orde gesteld is en dat zij volstrekte gehoorzaamheid eischt." + +"Zij is in haar recht, als uwe voogdes," gaf De Witt ten antwoord. "Uwe +Hoogheid is haar onbepaalde gehoorzaamheid verschuldigd. Intusschen +moet het u genoegen doen, uwe vacantie in zulk een heerlijk lustoord +als dit te passeeren. Uwe Hoogheid zal zich toch niet vervelen?" + +"Vervelen, mijnheer de Raadpensionaris?" vraagde de Prins schier +verwonderd. "Mijne grootmoeder heeft eene schoone boekerij." + +"Gij leest dan veel. En waarin bestaat alzoo uwe lectuur?" + +"Ik ben op dit oogenblik aan het lezen van het schoone werk +van den Amsterdamschen burgemeesterszoon, den ridder Pieter +Cornelisz. Hooft...." + +"Zijne Nederlandsche Historiën voorzeker?" viel De Witt hem in de +rede. "Een schoon werk in een keurigen, kernachtigen stijl." + +"En merkwaardige gebeurtenissen," hernam de prins. "Overigens houden +wij, Zuijlestein en ik, ons bezig met het repeteeren van het vroeger +geleerde." + +"En het lezen van de brieven, u door den Engelschen gezant ter hand +gesteld?" vervolgde De Witt ietwat scherp en onverwacht, om den Prins +in verwarring te brengen en hem zoo de bekentenis te ontwringen, +die hij van hem hoopte te hooren. Hij had echter buiten den waard +gerekend. Zonder te verbleeken of te blozen, zelfs zonder de oogen +neder te slaan en toch zonder zijne lippen met een logen te bezoedelen +(want dat zou Willem Hendrik nooit gedaan hebben) antwoordde de +Prins ongekunsteld: + +"Uwe Edelheid vergist zich, wanneer zij denkt, dat ik de hulp van den +heer Van Zuijlestein noodig heb, om Engelsche brieven te lezen.--Ik +durf zeggen, dat ik de taal genoegzaam machtig ben, om ze alleen te +verstaan. Uwe Edelheid vergeet, dat mijne moeder een Engelsche was." + +De Witt beet zich op de lippen. Wilde de Prins hem soms doen voelen, +dat zijne correspondentie met het Engelsche hof een natuurlijke zaak +was en dat dus al zijne staatkundige geslepenheid niet in staat zou +zijn, hem geheel en al aan dien invloed te onttrekken? Nog in twijfel, +wat de bedoeling van den knaap was, ging hij voort: + +"En uwe grootmoeder is eene Duitsche Vorstin. Dus zal u de Hoogduitsche +taal toch ook wel eigen zijn." + +"Ik vind, dat de Hoogduitsche taal voor ons gemakkelijk te verstaan, +maar moeilijk te schrijven is," antwoordde de Prins ontwijkend. + +"En is uw koninklijke oom gezond?" hernam De Witt. "Schreef hij u +niets ten aanzien van mij?" + +"Maar, mijnheer de Raadpensionaris!" hernam de Prins glimlachend. "Uwe +Edelheid vergeet, dat ik eerst tien jaar ben en dat mijn oom, de Koning +der drie Brittannische rijken, mij over geen staatkunde zal schrijven." + +Alweder was De Witt, de schrandere De Witt, in verlegenheid. Dien knaap +kon hij niet doorgronden. Wat beteekende die bijvoeging van _Koning +der drie Brittannische rijken_, met zooveel kracht uitgesproken?--Nog +meer werd hij in de war gebracht, toen de Prins er schijnbaar met de +grootste onnoozelheid bijvoegde: + +"Mijn nicht Marie [15], de dochter van den hertog van _York_, heeft +mij geschreven, dat haars vaders beide schoonste jachthonden gejongd +hebben. Ik zal mijn oom vragen, of hij mij een paar zal zenden,--ik +houd dol veel van jachthonden, mijnheer de Raadpensionaris." + +"Zoo," antwoordde De Witt droogjes. + +"En van de jacht ook. Mijn vader bezat een groote, uitgestrekte jacht +te _Dieren_." + +"Dat weet ik," hervatte De Witt even droog. + +"En hier te _Hondsholredijk_ is ook een schoone jacht, mijnheer +de Raadpensionaris.--Als ik groot ben, dan hoop ik hier dikwerf +te jagen...." + +"En heeft Uwe Hoogheid nog andere brieven uit _Engeland_ +ontvangen?" hervatte De Witt, die zich de gelegenheid niet wilde +laten ontnemen, om te weten met wie de Prins in correspondentie stond. + +"Voorzeker. Ook nog eene van Marie's zuster, mijn nichtje Anna. Maar +zij schrijft nog niet correct.--Doch, om tot de jacht terug te keeren +(en als de Prins op dat punt kwam, werd hij welsprekend) heeft Uwe +Edelheid wel eens een leeuwenjacht bijgewoond?" + +De vraag geschiedde, terwijl beiden stilstonden voor het hok van een +prachtigen Afrikaanschen leeuw. Zij was dus zeer natuurlijk. Maar +dommer, kinderachtiger vraag kon er niet bestaan, en zulks juist op +het oogenblik, dat de Raadpensionaris iets dacht te zullen hooren. + +"Maar Uwe Hoogheid!" antwoordde De Witt. "Er zijn immers geen leeuwen +in de Geüniëerde Provinciën." + +"Uwe Edelheid kon een reis gedaan hebben naar _Afrika_," hernam +de Prins. + +"Ik naar _Afrika_? Uwe Hoogheid railleert." + +"Uwe Edelheid vergeve het mijner kinderachtige domheid," hernam de +Prins. "Het kwam door het verlangen, dat ik koesterde om eens een +leeuwenjager te spreken. Het moet een fier en koninklijk dier zijn, +zoo'n dier in zijn natuurstaat." + +"Eilacy, dat laat zich denken. Niet ten onrechte noemt men hem de +koning der dieren, de vorst van het woud." + +"Geheel anders dan zoo gevangen te zitten en van den wil van een +ander af te hangen," hernam de Prins. "Als deze leeuw eens werd +losgelaten, zoudt gij dan niet denken, dat hij nog woester was dan +de nooit gekerkerde?" + +"Ik denk het niet," hervatte De Witt. "Zulke leeuwen worden jong +gevangen." + +"En zoudt gij dan denken, mijnheer de Raadpensionaris," vervolgde de +Prins, die zich door het oogenblik liet medeslepen, "dat een leeuw +geen leeuw blijft? Zoudt gij meenen, dat de jonge leeuw niet even +goed de ketens voelt, die hem binden, als de volwassene? Zoudt gij +het niet met mij eens zijn, dat de gevangene leeuw, als hij zijn +kerker ontkomt, nog woedender is dan de leeuw der bosschen, die de +vrijheid gewoon is en geen inkerkering te wreken heeft? Mij dunkt, +als ik mij eens in de plaats van zoo'n leeuw stelde en dan aan mijne +afkomst gedacht, ik zou, zoodra ik de gelegenheid voor mij schoon zag, +mijne traliën verbreken en schrikkelijk op mijne bewaarders aanvallen." + +Met verbazing had De Witt naar den anders zoo stroeven en eenvoudigen +knaap geluisterd. Hij had die oogen zien flonkeren van een ongekend +vuur, een licht rood zich over dat anders zoo bleeke gelaat +zien verspreiden; hij had geestdrift gezien, waar anders ijskoude +onverschilligheid heerschte. Zou die knaap werkelijk gevoelen, dat hij +de gekerkerde jonge leeuw was en zou hij zich bewust zijn van zijne +afkomst en zijne rechten? Nog vreemder echter zag de Raadpensionaris +op, toen diezelfde knaap met al de eenvoudigheid, zijnen leeftijd +eigen, na een oogenblik gezwegen te hebben, voortging: + +"'t Is zoo jammer, dat de leeuw altijd achter traliën moet zitten. Ik +wou, dat men hem zoo tam kon maken als een hond, dan zou ik Uwe +Edelheid vragen, om uit mijnen naam een verzoek aan de heeren Staten +te doen." + +"En welk?" vraagde De Witt, verwachtende nu toch iets belangrijks te +vernemen, misschien wel een verzoek, dat den Prins door de brieven +uit _Engeland_ was ingegeven. + +"Om voor mij een tam leeuwtje uit _Afrika_ te laten overkomen en mij +verlof te geven, het aan een koord op straat te mogen meenemen." + +Nu wist de schrandere, de geslepen staatsman niet meer, wat hij van +dien knaap denken moest. Had hij zijns gelijke in politiek gevonden, +of liever, moest hij dien tienjarigen knaap als zijn meester in +geslepenheid erkennen? Of was alles slechts eenvoudigheid, en zocht +hij meer in 's Prinsen woorden, dan daarin lag? Hij wist het niet en +was verlegen, wat te antwoorden, toen de komst van Zuijlestein hem +uit die verlegenheid redde. + +Ik wil het gesprek tusschen dezen en De Witt mijnen lezers niet +mededeelen, noch hen op hunne wandeling door de lanen van het park +vergezellen. Toen zij aan de gracht gekomen waren, die het vorstelijk +paleis omgaf, bleven zij eenige oogenblikken stilstaan, om te zien +naar het werkvolk van baas Balkenende, dat op een steiger stond en +bezig was, een nieuwe kroonlijst aan het hoofdgebouw te maken. + + + +Terwijl zij daar zoo stonden te kijken, gaf de Prins onwillekeurig een +gil. Een der planken van de bovenste verdieping van den steiger schoot +uit, juist toen een knaap van ongeveer vijftien jaren er den voet +op had gezet. De arme jongen tuimelde en scheen reddeloos verloren; +want de hoogte, van welke hij viel, moest hem noodwendig doodelijk +zijn. Gij weet toch, hoe een vrijvallend lichaam bij elke seconde in +snelheid toeneemt, en al kwam de knaap dan ook in het water neder, +de tegenstand, dien dit element aan zulk een snelvallend lichaam +moest bieden, kon niet anders dan hem noodlottig zijn. Maar met eene +tegenwoordigheid van geest, die alledrie de aanschouwers verbaasde, +greep de knaap een der stijlen, klemde er zich terstond met beide +handen aan vast en klom, alsof er niets gebeurd was, naar boven, +waar hij doodbedaard aan het werk ging om een andere plank in plaats +van de uitgeschotene te leggen. + +"Dat noem ik tegenwoordigheid van geest. Zoo iets heb ik in mijn +leven niet gezien," zeide De Witt. + +"Daar steekt iets groots in dien knaap," meende Zuijlestein. + +De Prins zeide niets; maar toen men zich weder op het paleis bevond +en de Raadpensionaris vertrokken was, ging hij naar den kant, waar +de steiger stond, en riep den knaap. + +"Heb je je niet bezeerd?" was zijn eerste vraag. + +De knaap, die den prins niet kende, maar toch wel begreep dat hij +niet zijns gelijke was, antwoordde op eerbiedigen toon: + +"Ik had een leelijken val kunnen doen, jongeheer! Gelukkig, dat ik +den stijl kon bereiken; anders had ik mijn zwemkunst moeten gebruiken." + +"En was je niet verschrikt?" vraagde de Prins. + +"Verschrikt? Dat zou ik geweest zijn, als ik den stijl niet had +gezien. Maar toen ik voelde, dat de plank uitschoot, dacht ik dadelijk: +"Piet, maak dat je je aan het een of ander vasthoudt--anders is het met +je gedaan." En zoo kan ik niet zeggen, dat ik er erg van ontsteld ben." + +"Je bent een fiksche knaap en kunt het ver brengen in de wereld. Hoe +heet je?" + +"Ik heet Pieter Pietersz en ben de jongste zoon van den pruikenmaker +Pieter Dirksz uit de _Spuistraat_ te _'s-Gravenhage_". + +"Welzoo! Ben jij een zoon van den pruikenmaker Dirksz? Dan ben je +een broeder van mijn kamerdienaar Karel." + +"Van Uwen kamerdienaar...." riep Pieter uit, terwijl hij een lang +gezicht zette, en meer verschrikte dan toen hij gevallen was. "Dus +dan heb ik de eer met zijne Hoogheid den Prins van Oranje te spreken." + +"Het is zoo," antwoordde de Prins vriendelijk. "Maar laat dat je niet +verschrikken. Ik ben immers geen wild beest." + +"De Hemel beware mij, Uwe Hoogheid!" antwoordde +Pieter. "Maar--maar...." + +"Hoor eens, Pieter," hervatte de Prins. "Zeg mij, kan ik iets voor +je doen? Je hebt getoond een onverschrokken knaap te zijn. Ik kan +wel niet veel, maar wat ik in mijne macht heb, staat je ten dienste. + +"Ach, Uwe Hoogheid!" antwoordde Pieter. "Wat ik zoo gaarne wilde, +staat toch niet in Uwe macht." + +"En wat is dat?" vroeg de Prins. + +"Ik zou zoo gaarne zeeman willen worden, zooals mijn oom Klaas is; +maar vader wil het niet toestaan." + +"Dat is een leelijk geval, Pieter. Ik weet, dat baas Dirksz stijf +op zijn stuk staat. Maar wat ik kan, zal ik doen. Ik zal er je broer +Karel over spreken." + +"O, ik dank Uwe Hoogheid wel voor die gunst," riep Pieter uit. + +"Vaarwel, Pieter," zeide de Prins, terwijl hij den krullenjongen +verliet, die 's avonds thuis kwam en zegevierend vertelde met wien +hij gesproken had. Van diens belofte echter zweeg hij wijselijk. + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +Hoe een echt Hollandsche jongen zich wreekt. + + +Jan IJzer had het voornemen opgevat, om te gelegener tijd wraak te +nemen op Pieter, omdat hij dien als de oorzaak beschouwde van zijne +wegzending door baas Balkenende, en wij willen eens zien hoe hij dat +voornemen ten uitvoer bracht. Gij herinnert u, dat hij op een en ander +ambacht gekomen was. Spoedig had hij hier andere kennissen gekregen, +en zou men dus veronderstellen, dat hij Pieter Dirksz en al wat er +gebeurd was vergat. Maar neen--niet lang nadat Pieters voet hersteld +was, kwam hij hem tegen, en begon hem te schelden voor "klikspaan" +en al zulke leelijke woorden. Pieter die al te zeer wist, dat hij +onschuldig aan het hem aangetegen kwaad was, en dat hij, ondervraagd +zijnde, niets dan de waarheid had gesproken, antwoordde in het eerst +niet; maar toen Jan hem blijkbaar opwachtte, en niet ophield hem te +schelden, besloot Pieter hem eens de kracht zijner vuisten te laten +voelen en takelde hem zoo toe, dat hij met een blauw oog op den winkel +kwam. Toen zijne kameraads hem vraagden, waar hij dat gekregen had, +durfde hij voor de waarheid niet uitkomen, maar zeide, dat hij zich +had gestooten. Zijn geheele uitzicht echter toonde aan, dat hij +geplukhaard had. Om zich hierover te wreken, besloot hij Pieter des +avonds op te wachten en onverwachts te overvallen, welk plan hij met +een paar zijner kameraads ten uitvoer bracht en dat hem in het begin +van September gelukte. Pieter, het wel tegen een, maar niet tegen +drie kunnende uithouden, zou gewis het onderspit gedolven hebben, +indien hem niet bij geluk een voorbijganger ware te hulp gekomen, +die hem uit hunne handen had gered. + +"Het was gelukkig, dat ik daar aankwam, knaap!" zeide de voorbijganger; +"anders had men je braaf toegetakeld." + +"Ik dank Uwe Edelheid voor hare hulp," antwoordde Pieter. "Drie tegen +een, en dan zoo verraderlijk; daar is niemand tegen bestand. Laat +hen een voor een komen, dan sta ik ze." En dit zeggende, balde hij +de vuisten. + +"Wie ben je, knaap, dat je zooveel moed in het lijf hebt?" vraagde +de onbekende. + +"Ik heet Pieter Pietersz en mijn vader is pruikenmaker in de +_Spuistraat_." + +"Aha! dan ben jij dat onverschrokken kereltje, dat op den huize te +_Hondsholredijk_ bijna van den stijger viel." + +"Dezelfde. Doch hoe kan Uwe Edelheid dat weten?" + +"Ik was met den heer Raadpensionaris en Zijne Hoogheid den Prins +getuige van je val en je koenheid." + +"Zijne Hoogheid de Prins!" hernam Pieter. "O, ik had het geluk, +dien te spreken. + +"Zijne Hoogheid was zeer over je tevreden," verzekerde de Heer Van +Zuijlestein; want mijne lezers zullen wel reeds geraden hebben, dat het +niemand anders was dan deze, "en sprak met veel ingenomenheid over je." + +"Ik ben Zijner Hoogheid ten zeerste verplicht voor goede intentie, +hervatte Pieter, terwijl hij een buiging voor den Heer Van Zuijlestein +maakt, "en, als het niet te vrij is, zou ik u wel willen verzoeken, +Haar mijne gebiedenis te maken." + +"Met genoegen, Pieter.--Vaarwel!" hervatte Zuijlestein, terwijl hij +zijn weg vervolgde. + + + +Het jaar 1661 liep ten einde en nog had zich weinig vorst doen +gevoelen, toen eensklaps, kort vóór Kersttijd, de wind noordoostelijk +liep en zulk een felle koude aanbracht, dat binnen een paar dagen al +het water in en om _Den Haag_ met een dikke ijskorst bevloerd was. Nu +werden de schaatsen voor den dag gehaald; en de Haagsche jeugd, +dol op het echt Hollandsche ijsvermaak, had terstond de ijsschoenen +klaar, hier een riem hersteld, daar nieuwe banden ingeregen, elders +het in den zomer geroeste of in den vorigen winter bot geworden ijzer +laten slijpen, of hare spaarpenningen besteed om zich een paar nieuwe +vleugels aan te schaffen, welke, evenals die van Mercurius aan de +voeten gebonden, de snelheid van dien voet vertiendubbelden. Menigeen +was reeds met een nat pak te huis gekomen; want de dartele knapen, +verzot op het vermaak, konden niet wachten tot de wateren genoegzaam +bevloerd waren, maar waagden zich reeds op de spiegelgladde baan, +alvorens het ijs de behoorlijke dikte had verkregen om hen te +dragen. Gelukkig als zij er maar met een nat pak afkwamen en er niet +het leven bij inschoten. Nu is er van dit laatste in 's-_Gravenhage_, +ten minste bij eenige voorzichtigheid, weinig gevaar, en ik zal u +dat uitleggen. De polder, die zich aan den zuidoostelijken kant van +de residentiestad bevindt, is zeer laag gelegen, en nu wordt het land +reeds in het late najaar door het hooge water geheel ondergezet: zoodat +men zou meenen een uitgestrekt meer voor zich te zien [16]. Wanneer dit +water bevriest, schenkt het een uitgestrekt veld aan de liefhebbers +der kunst van schaatsenrijden en wordt daarom zeer druk bezocht. Nu +is daar ook weinig gevaar van verdrinken, want zakt men door het ijs, +dan valt men er tot de knieën, op het ergst in een sloot, tot den hals +toe in. Alleen op de diepere molenslooten, waar men--als de molens +gemalen hebben--dikwijls bomijs aantreft of--als het sterk gewaaid +heeft--zoogenaamde windwakken, kan men gevaar loopen van te verdrinken. + +Het was de tweede Kerstdag. Prins Willem Hendrik, die een +aartsliefhebber van schaatsenrijden was en zich gaarne op den +Vijver voor het _Binnenhof_ met die kunst vermaakte, had zich met +zijn goeverneur, zijn page Jan Theodoor Baron van Freisheim, zijn +kamerdienaar en eenige lakeien naar het veldijs begeven, reeds zwart +van de menigte van schaatsenrijders; niet om de vlugge wendingen aan +te zien, maar om zelf zich met rijden te vermaken. Daar men het ijs +nog niet sterk genoeg rekende, om zich op den _Vijver_ te wagen, die, +meer besloten dan het open veld, nog niet te berijden was, bestond er +hier geen de minste zwarigheid. Zoodra dus Zijne Hoogheid met zijn +gevolg op het veldijs gekomen was, ging hij op een stoel zitten en +werden hem de keurige, fijne, met zilver en ivoor ingelegde Friesche +schaatsen aangebonden, welke hij van zijnen oom Willem Frederik, +Stadhouder over _Friesland_ en sedert 1650 ook over _Groningen_ en +_Drente_, ten geschenke had ontvangen. Deze Willem Frederik, Graaf +van _Nassau_ en de zoon van den Frieschen Stadhouder Ernst Casimir, +was sedert ruim vier jaren gehuwd met 's Prinsen tante Albertina Agnes, +zijns vaders zuster, en door dat huwelijk zijn oom geworden. + +Eenvoudig maar sierlijk was de kleeding van den Prins. Zijn zwarte +aan één kant opgeslagen hoed met de golvende witte struisveder, die +door een diamanten knoop met kleine parelen omzet, was vastgemaakt, +zijn nauwsluitend fluweelen wambuis (zijn mantel had hij aan +zijn kamerdienaar overgegeven) uit welks poffen het wit satijnen +onderkleed zich liet zien, de zwart fluweelen hozen met zijden strikken +boven de kuiten vastgemaakt, deden zijne slanke gestalte te beter +uitkomen, terwijl hem de lichaamsbeweging van het schaatsenrijden +niet alleen eene losheid en bevalligheid scheen te geven, die hij +anders ten eenenmale miste, maar ook een blos op zijn ingevallen +kaken verspreidde, die bij de levendige oogen zoo goed stond. + +"Freisheim!" zeide de Prins tot zijnen page, toen hij, na een geruimen +tijd gereden te hebben, eenige oogenblikken stil stond. "Wij moesten +eens om het zeerst naar gindschen molen rijden, hé?" + +"Uwe Hoogheid zij indachtig, dat er gevaar bij dien rit is. De +molenslooten zijn dikwijls met wakken." + +"Wij kunnen er over het veldijs naar toe," antwoordde de Prins. "Zie +maar, hoe ver de ijsspiegel zich uitstrekt." + +"Dan is het mij goed," hervatte de page. + +"Willem, wees toch voorzichtig!" vermaande Zuijlestein, die juist +bij hen kwam. + +"Mag ik Uwe Hoogheid en mijnheer den baron vooruit rijden; dan kunnen +zij gerust voort en behoeven geen gevaar te vreezen?" vraagde Karel. + +"Doe dat, Karel!" antwoordde de Prins. "Maar wat snel." + +"Een goede, trouwe kerel, niet waar?" hervatte hij tot Freisheim, +terwijl hij den kamerdienaar naoogde. "Hij zou zijn leven voor +mij laten." + +"Eilacy! Niet meer dan een staaltje van zijn devoir," antwoordde de +page. "Wij allen zouden dat doen, indien het noodig was." + +"Ik hoop zulk een sacrifice nooit van u te behoeven, Freisheim," +antwoordde de Prins. "Het zou mij weinig streelen, als iemand voor +mij zijn leven in de waagschaal stelde. Maar komaan! Karel is reeds +half weg. Een--twee--drie." + +En met het laatste woord schoten beiden als een pijl uit een boog +voort, terwijl de lakeien moeite hadden hen bij te houden. + +Eensklaps stond de Prins stil en liet den jongen baron alleen +rijden. Hij had een angstkreet gehoord van den kant der molensloot, en +spoede zich met andere schaatsenrijders derwaarts. Toen hij er aankwam, +was reeds een groote menigte volks verzameld, die om een wak stond +te kijken. Zoodra de Prins kwam, week men eerbiedig voor hem terug. + +"Wat is daar te doen?" vraagde hij aan een der omstanders. + +"Er ligt een knaap in het water, Uwe Hoogheid! Hij is op een wak +gekomen en er ingeschoten." + +"En is er dan niemand om den drenkeling te helpen?" vraagde de Prins. + +"Wie zou zich in de diepe sloot durven wagen, waar misschien drift +genoeg in is om iemand in een oogenblik twintig ellen onder het ijs +voort te sleepen? Één lijk is genoeg, Uwe Hoogheid." + +Nog eer de Prins kon antwoorden, drong een andere knaap door de +menigte heen, gaf zijne schaatsen, die hij in de haast afgebonden, +en zijn wambuis, dat hij uitgetrokken had, aan een der omstanders, +en sprong zonder bedenken in het wak. Niemand durfde zich bewegen, +niemand sprak een enkel woord. Ook de Prins stond daar sprakeloos en +met ingehouden adem. Freisheim, die nog een eind voortgereden was, +voegde zich bij hem en zeide op vroolijken toon: + +"Uwe Hoogheid schijnt van den rechten weg te zijn afgedwaald." + +"Stil, Freisheim!" antwoordde de Prins stroef. "Het geldt hier twee +menschenlevens." + +De toon, waarop de Prins deze woorden sprak, deed den page +zwijgen. Hij begreep, hoe ontijdig zijne scherts was geweest en +bleef ook onbeweeglijk staan. Zuijlestein kwam eenige oogenblikken +later aanrijden. + +"Uwe Hoogheid moet niet stilstaan," zeide hij. "Zij is te bezweet--de +koude zou haar een ziekte op den hals halen." + +"Een oogenblik, mijn waarde Zuijlestein," hervatte de Prins. "Er is +hier een ongeluk gebeurd." + +Terwijl de Prins nog sprak, hoorde men een vreugdekreet: de moedige +duiker kwam boven en hield den drenkeling in den eenen arm, terwijl +hij met den anderen zwom. + +"Help mij!" riep hij op vermoeiden toon uit en terstond waren er +twintig armen te gelijk gereed, van welke er eenige den drenkeling +naar zich toetrokken, terwijl andere den moedigen knaap uit het +water hielpen. In dien tusschentijd was ook Karel naderbij gekomen, +en nauwelijks zag hij den onverschrokken jongen menschenvriend, +of hij riep uit: + +"Goede hemel! Pieter! heb je in het water gelegen....?" + +"Is het je broer, Karel," zeide de Prins; maar deze vergat Zijne +Hoogheid en allen, die hem omringden, en snelde naar zijn broeder toe. + +"Het is niets, Karel," antwoordde de knaap met zijne gewone +onverschrokkenheid. "Waar zijn mijn schaatsen en mijn wambuis? Ik ga +spoedig naar huis om mij te drogen; want ik ben zoo nat als een kat." + +"Pieter Pietersz," zeide de Prins, toen de knaap hem wilde voorbijgaan, +"kom hedenmiddag om zes uur bij mij op het _Binnenhof_." + +"Gij hier, Uwe Hoogheid!" riep Pieter en trad verschrikt een paar +stappen achteruit. "Vergeef mij, dat ik u zoo onbeleefd wilde +voorbijstuiven." + +"Ga nu spoedig naar huis en onthoud wat ik je gezegd heb," hernam de +Prins. "Van middag om zes uur." + +"Ik zal tegenwoordig zijn," antwoordde Pieter en stapte met groote +schreden naar den wal. + +"Ga met hem mede, Karel," gebood de Prins, "en zeg aan je vader, +dat je broeder een medemensch gered heeft. Zorg, dat hij terstond +warme en droge kleeren aantrekt." + +Dien namiddag ten zes uren trad Pieter bij den Prins binnen. Deze +was blijkbaar afgemat van de inspanning van dien morgen; hij zat +in een grooten leuningstoel en aan zijn bleek en lusteloos gelaat +was het duidelijk te zien, dat in hem de wil sterker was dan het +lichaam.--Niemand zou in dien matten, lusteloos daar neergevlijden +knaap den sierlijken, vluggen, ja fieren schaatsenrijder herkend +hebben. + +Toen Pieter werd aangediend, zat de Baron van Freisheim aan de tafel +en las den Prins iets voor. + +"Nu zal Uwe Hoogheid zich weer vermoeien," zeide deze. "Laat den +knaap morgen of overmorgen terugkomen." + +"Het zal mij niet vermoeien, Freisheim," gaf de Prins ten +antwoord. "Integendeel, het zal mij afleiding bezorgen." + +"Een mooi compliment voor mij," gaf de baron eenigszins scherp ten +antwoord, "die mij nog al uitsloof om u te occupeeren. Ik kan dus +wel heengaan." + +"Blijf, Freisheim," zeide de Prins met iets gebiedends, maar tevens +ook iets verzoekends in zijne stem, en, als speet hem dat korte woord, +voegde hij er bij: "Altijd dezelfde driftkop. Wanneer zult gij toch +eens leeren uwe drift te betoomen!" + +"Ik ben ook geen afstammeling van den grooten Zwijger," antwoordde +deze. "Het ligt in uw geslacht, Uwe Hoogheid! om over zijn drift te +heerschen. Ik admireer u, imiteeren kan ik u niet." + +"_Mij_ imiteeren?" zeide de Prins met een treurigen glimlach. "Doch +daar is de knaap. Kom nader, Pieter!" + +Pieter kwam bedeesd nader. De pracht, die er in de kamer heerschte, +de tegenwoordigheid van den page, ja zelfs die van den Prins, nu hij +wist dat hij de Prins was, maakten hem verlegen. + +"Ik heb van Karel gehoord, dat het een vijand van je was, dien je +gered hebt." + +"Vijand, Uwe Hoogheid? Dat heeft Karel u verkeerd overgebracht. Wij +jongens hebben geen vijanden." + +"Ik meen toch dat het dezelfde was, uit wiens handen mijn goeverneur +de heer van Zuijlestein je eens heeft verlost." + +Pieter werd rood als vuur. "Uit zijne handen verlost," dat was eene +beleediging voor den Hollandschen knaap. Hij vergat, voor wien hij +stond, en zeide op driftigen toon: + +"Uit zijn handen? Dat is een leugen, Uwe Hoogheid!" Doch zich +bedenkende, voegde hij er kalmer bij: "Men heeft u verkeerd onderricht, +Uwe Hoogheid! Hij had twee andere jongens bij zich en tegen de +overmacht kan de beste het niet uithouden." + +Freisheim, die achter Willems stoel was gaan staan, fluisterde den +Prins op satirieken toon toe: + +"Ook al een driftkop, Uwe Hoogheid! Ik ben dus de eenige niet!" + +De Prins zag glimlachend tot hem op en dreigde hem met den vinger. Zich +toen tot Pieter wendende, ging hij voort: + +"Je schijnt reeds sedert lang in vijandschap te leven met dien +knaap. Wat is daar de oorzaak van?" + +Pieter vertelde het den Prins, en eindigde: + +"Uwe Hoogheid ziet dus wel, dat de schuld niet aan mij ligt. Intusschen +moest ik mij verdedigen." + +"Wel zeker. Maar hoe raakte de knaap in het ijs?" + +"Toen Jan mij zag, begon hij mij te sarren, voor allerlei leelijke +dingen uit te schelden, ja, met vuil te werpen. Dat kon ik niet langer +velen, ik werd driftig, hief mijn haak op en reed op hem aan. Jan, +wel wetende, dat ik vlugger rijder ben dan hij, begon beenen te +maken, maar ik kwam hem al nader en nader, terwijl ik al driftiger en +driftiger werd. Inderdaad, Uwe Hoogheid! als onze lieve Heer het niet +had verhoed, dan had ik hem mogelijk doodgeslagen; want dat sarren +kan ik niet velen." + +"Dat is nog een soort erger dan ik, dien Uwe Hoogheid zoo dikwijls +om mijne drift beknort," fluisterde Freisheim weder. + +"Foei, Pieter," zeide de Prins, "het is zeer zondig, om zoo aan +zijn toorn toe te geven. Je zoudt op die wijs een moordenaar hebben +kunnen worden." + +"Ik weet het, Uwe Hoogheid!" antwoordde Pieter beschaamd. "Maar wat +deed Jan mij ook te sarren? Intusschen hoop ik, nooit weer driftig +te worden." + +"Dat is een goed voornemen, Pieter. Doch ga voort." + +"Om mij te ontgaan, was er geen middel meer. Ik kwam hem al op de +hielen en lichtte reeds den stok met ijzeren haak op, om dien het +volgend oogenblik op zijn hoofd te doen nederdalen; toen Jan, geen +andere kans op redding ziende, eensklaps zwenkte en in snelle vaart +de molenvliet trachtte over te komen: waar hij zeker was, dat ik hem +niet zou volgen. Want wie--hoe driftig hij ook is--waagt zich op dit +oogenblik al op het ijs van een molenvliet? Daar ik op zijn wending +niet verdacht was, schoot ik nog een eind voort, en toen ik mijn +zwaai nam, zag ik hem op het midden van de sloot de handen wanhopig +ten hemel heffen en in hetzelfde oogenblik in de diepte verzinken. 't +Was alsof mij koud water over de leden stroomde: al mijn bloed scheen +eensklaps naar mijn hart terug te keeren. Mijn drift was bekoeld: +ik gaf een gil en bleef stokstijf staan. Maar ik bedacht mij niet +lang. Ik strikte mijn schaatsen los, trok mijn wambuis uit--en Uwe +Hoogheid zag, hoe het mij gelukte den knaap te redden." + +"En waarom heb je je zoo spoedig weggemaakt? Waarom wachtte je niet +totdat de geredde was bijgekomen?" + +"Omdat," stotterde Pieter, terwijl hij verlegen op zijn vingers beet, +"omdat... ik bang was, dat Jan mij zou bedanken." + +"En stelde je er dan geen belang in, of de geredde weer in het leven +was gekomen?" vraagde de Prins. + +"Zóó lang had hij niet in het water gelegen, dat hij al dood +kon zijn, of hij moest er dood in gevallen zijn, en dat wist ik +beter (de Prins en de baron moesten om deze koddige opmerking +glimlachen). Daarenboven--ik had hem er uitgehaald en dat was mijn +plicht. Er waren menschen genoeg bij, om hem verder te behandelen." + +"En je hebt dus niet eens naar hem vernomen?" + +"Ik dacht slechts om droge kleeren aan te trekken en toen ik dit +gedaan had, ben ik eens naar zijne buurt gewandeld, en vernam, dat +hij levend thuis gebracht is en nu te bed ligt, zeker om de kou, +die hij gevat heeft, uit te jagen." + +"En jij, Pieter! Heb jij dan geen kou gevat?" + +"Uwe Hoogheid, dat is niet hetzelfde. Mijn beroep is timmerman en ik +moet in weer en wind, dikwijls in plasregens of sneeuwbuien, boven +op daken of schouwen klimmen; dat maakt mij gehard;--Jan daarentegen +is bij den goudsmid Verhoef, en staat meest aan den heeten smeltoven." + +"Verhoef?" zeide de Prins. "Die naam komt mij bekend voor." + +"Hij heet Hendrik Verhoef en woont op de _Vogelenmarkt_." + +"Maar Jan zal je toch wel komen bedanken." + +"Mijnentwege mag hij het laten, Uwe Hoogheid. Ik begeer geen dank +van hem, vooral niet voor die beuzeling. 't Is de moeite niet waard +om er van te spreken; ik zou hetzelfde voor een hond of een kat +gedaan hebben." + +De jonge Prins glimlachte om deze taal. + +"Je maakt al bitter weinig ophef van je daad, Pieter," zeide +hij. "Intusschen heb je getoond een goed hart te bezitten; ik wensch +je daarvoor te beloonen." + +"Beloonen?--Uwe Hoogheid steekt den draak met mij. Daarenboven," +voegde hij er wel ietwat trotsch bij, "ik begeer geen loon." + +"Laat mij je dan een gedachtenis geven," zeide de Prins, terwijl +hij een ring van zijn vinger trok. Thans kan ik nog weinig voor +je doen. Maar mocht ik eens in staat zijn, je van dienst te wezen, +dan kun je mij dezen ring toonen en aanspraak maken op mijne hulp." + +De knaap nam het kleinood aan, kuste dat en zeide: + +"Dien ring zal ik altijd op mijn borst dragen, Uwe Hoogheid..." + +Op dit oogenblik kwam Karel binnen. + +"Zijne Edelheid de Raadpensionaris houdt voor de deur stil," zeide hij. + +"Je kunt thans heengaan, Pieter," hervatte de Prins met ongeduld; +hij wenschte blijkbaar, dat De Witt den knaap hier niet zou ontmoeten. + +Nauwelijks was Pieter vertrokken, of een bediende kondigde den nieuwen +bezoeker aan. Kort daarop trad deze binnen, thans in het zwart, +heel eenvoudig gekleed. + +"Ik wenschte Uwe Hoogheid een oogenblik alleen te spreken," begon hij. + +De page verwijderde zich; De Wit nam plaats op een stoel. De Prins +bleef zwijgend in den zijnen zitten. + +"Uwe Hoogheid schijnt afgemat," begon de Raadpensionaris terwijl hij +zijn doordringend oog op Willem Hendrik van _Oranje_ vestigde. + +"Vindt Uwe Edelheid dat?" vraagde de Prins ontwijkend. + +"Uwe Hoogheid moest zich het genot van het schaatsenrijden niet +permitteeren. Het is te fatiguant voor Haar gestel." + +"Dunkt Uwe Edelheid dat?" hernam de Prins onderworpen. + +"Daarenboven past het Uwe Hoogheid weinig, zich met den grooten hoop +op het veldijs te amuseeren. Waartoe toch is anders de _Hofvijver_ +alleen voor U en Uw gevolg?" + +"Maar het ijs op den _Hofvijver_ is nog te zwak." + +"Dan moet Uwe Hoogheid wachten tot het sterk is. Wanneer Uwe +grootmoeder, hare Hoogheid de Prinses-weduwe, van hare reis terugkomt, +zal zij zeer ontevreden zijn als zij hoort, wat Uwe Hoogheid gedaan +heeft." + +"Dunkt Uwe Edelheid dat?" vervolgde de Prins op denzelfden onderworpen +toon. + +"Ik kom U slechts waarschuwen," hernam De Witt. "Men heeft aan Uwe +komst op het veldijs zeer verkeerde bedoelingen toegedicht. Men heeft +gezegd, dat uwe Hoogheid het gedaan heeft, om zich in de gunst van +het volk te dringen en verdeeldheid te zaaien. Mijne meesters, de +Heeren Staten-Generaal, zouden dat wel eens euvel kunnen opnemen." + +"Die goede Heeren Staten!" hervatte de Prins schijnbaar +onnoozel. "En zouden Hunne Hoogmogenden zich willen occupeeren met +het schaatsenrijden van een elfjarigen knaap? Het zou waarlijk te +veel eer voor mij zijn, mijnheer De Witt. Ik begrijp niet, wat voor +belang zij er bij kunnen hebben, of ik op den _Hofvijver_ of op het +veldijs mij met schaatsenrijden vermaak." + +"Ook heeft Uwe Hoogheid geld onder het volk uitgedeeld en men heeft +seditieuze woorden geuit, en over U gejuicht." + +De Prins kleurde even, doch hernam: "Uwe berichtgevers hebben Uwe +Edelheid verkeerd onderricht, mijnheer de Witt." + +"Uwe Hoogheid heeft toch geld uitgedeeld?" + +"Ik heb een geldstuk gegeven, aan twee mannen, die een drenkeling +tot zijn bewustzijn hadden teruggebracht. Zij zouden hem naar huis +brengen. Indien men zulks geld uitdeelen wil noemen, dan is Uwe +Edelheid goed onderricht." + +"De knaap, die mij daar in de gang tegenkwam, is door u ontboden," +hernam De Witt streng. "Geeft dat pas?" + +"Ik wist niet, dat ik daaraan verkeerd deed," antwoordde de Prins +nog steeds op ootmoedigen toon. "Uwe Edelheid herinnert mij daardoor +aan een belofte, hem gedaan. Mocht die knaap ooit hulp of protectie +noodig hebben, zoo zij hij in de welwillendheid van Uwe Edelheid +aanbevolen. Hij waagde zijn leven, om een drenkeling te redden." + +"Hoe is zijn naam?" + +"Pieter Pietersz, een zoon van den pruikenmaker Pieter Dirksz in +de _Spuistraat_." + +"Wij zullen zien," antwoordde De Witt, terwijl hij den naam van +den aanbevolene in het zakboekje schreef, dat hij altijd bij +zich had, en waarin ook de nauwkeurige berekeningen stonden van +de vermoedelijke uitgaven en inkomsten van den Staat. Terwijl hij +echter den naam schreef, mompelde hij: "Dat is een vuile aanhanger +van de Oranjepartij." + +"En nu," vervolgde hij luide tot den Prins, "raad ik Uwer Hoogheid, +in Haar eigen belang, om zoo iets niet meer te doen. Uwe Hoogheid +herinnere zich, dat de Heeren Staten zulke dingen niet bedaard zouden +kunnen aanzien, en dat Uwe voogden zich deswege niet zouden kunnen +verantwoorden." + +Met deze woorden verliet de Raadpensionaris den jongen Prins, in de +volle zekerheid, dat deze niet meer zulke demonstratiën zou verwekken +en ten eenenmale gerust, dat die onnoozele onderworpen knaap niet +anders was dan een werktuig, dat hij slechts buiten Engelschen invloed +behoefde te houden, om het naar zijn welgevallen te besturen. + +Had Johan de Witt door de deur der kamer kunnen heenzien, of was +hij het vertrek weder binnengetreden, hij zou het zoo licht niet +gerekend hebben, dien knaap te beheerschen. Nauwelijks toch was +de Raadpensionaris vertrokken en de deur achter hem gesloten, of +diezelfde bedaarde, onderworpen knaap sprong van zijn stoel op; +twee groote tranen ontwelden aan zijn oogen, hij balde krampachtig +de vuisten, en terwijl hij zenuwachtig het vertrek op en nederliep, +en voor het portret van zijn overgrootvader Willem den Eerste, bleef +stilstaan; riep hij uit: + +"Groote God! Moet de afstammeling van den grondlegger der vrijheid +dezer landen, van den redder des vaderlands, zich zóó laten trappen! O, +indien gij op mij nederzaagt, gij, die goed en bloed hebt opgeofferd +voor dit goede land.... Gij.... neen, frons uwe wenkbrauwen niet. Ik +zal dulden, ik zal zwijgen; maar ik zal ook nooit de spreuk van ons +huis vergeten [17]. Het groote doel, waarnaar ik streef, zal ik met +Gods hulp toch eenmaal bereiken door geduld, moed en lijdzaamheid. Oui, +je maintiendrai!" + +Op dit oogenblik werd de kamer geopend. Snel wischte de Prins de tranen +weg, even snel trad hij aan het raam als wilde hij de Raadpensionaris +nakijken. + +"Het schijnt, dat de heer De Witt Uwe Hoogheid van hare vermoeienis +van hedenmorgen genezen heeft," zeide de binnenkomende page min of +meer spottend. + +"Men heeft er behoefte aan, Freisheim, hen na te oogen, die het goed +met ons meenen," antwoordde de Prins bedaard. + +"Hij het goed met Uwe Hoogheid meenen?" hernam de page met een +ongeloovig schouderophalen. + +"Beter dan gij misschien denkt, Freisheim. Hij is mij vriendelijk +komen waarschuwen en ik ben er hem dankbaar voor. Doch nu zoudt gij +mij genoegen doen, uwe lectuur van straks voort te zetten. Wij waren +gebleven aan de woorden: Zij bewonderden hem van ganscher harte." + +"Uwe Hoogheid heeft een singulier geheugen," hervatte de page, die +met zijn nagel een streep had gehaald, waar hij bij het binnentreden +van Pieter was gebleven. Op een wenk van den Prins zette hij zijn +lectuur voort. + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +Een dure slaapkameraad. + + +Wij slaan bijna zestien maanden over en begeven ons in het laatst +van de maand April van het jaar 1663 nogmaals naar de woning van den +pruikenmaker Pieter Dirksz. Als wij den winkel binnentreden, vinden wij +er slechts één jongen. En als wij dien jongen aandachtig beschouwen, +schijnt hij somber en gedrukt te zijn. Er is dan ook groote reden van +droefheid in het huis van Pieter Dirksz, en die reden is de oorzaak, +dat wij ook in de kamer achter den winkel niemand vinden. Wij doen dus +de deur aan de linkerzijde open, treden de gang in en gaan de trap op, +die ons op een donker portaal brengt, waar wij behalve de zoldertrap +twee deuren vinden, van welke de eene tot de voor-, de andere tot +de achterkamer toegang schenkt. Wij doen laatstgenoemde open en +bevinden ons in een tamelijk ruim vertrek, waar wij in een ledikant +met vierkanten hemel, van hetwelk de voorgordijnen zijn weggeschoven, +vader Dirksz vinden liggen. Gij zoudt hem bijna niet meer kennen, +den pruikenmaker, zoo zijn die wangen ingevallen, zoo hol staan +die oogen, zoo bleek is dat gelaat. Sedert den vorigen herfst had +de goede man geen gezond uur meer gehad. Een zware gevatte koude, +die hem op de longen was geslagen, had hem eerst eenigen tijd in +huis gehouden; toen echter alle gewone huismiddeltjes, waarvan onze +voorouders machtig veel hielden, niets baatten, had men den dokter +gehaald. Maar ook de kunst van dezen had niets kunnen uitrichten; de +goede Dirksz verzwakte al meer en meer, en eindelijk kon de geneesheer +het niet meer verbergen, dat onze pruikenmaker de longtering had en +dat de dagen zijns levens geteld waren. + +Daar waren zij dan allen om zijn bed geschaard, zijne kinderen. Aan het +hoofdeinde zat de trouwe Martha, die, sedert het huwelijk harer zuster +met den kleedermaker Govert Knipschaar, het huishouden haars vaders +had opgehouden en hem in zijne ziekte trouw verpleegd en opgepast +had. Tegenover haar, aan het voeteneinde van het ledikant, zat Marie, +die men had laten halen, omdat vader zoo naar was. Karel, Jacob, Evert +en Pieter stonden voor het bed van den stervende geschaard. Deze was +nog helder van geest, en ofschoon hij wel wist, dat hij spoedig zou +heengaan, getroost in de beschikkingen van den Hemelschen Vader, die +best weet wat goed is voor Zijne menschenkinderen; ja, hij verlangde +zelfs naar den dood, die hem zou bevrijden van de vreeselijke +benauwdheden, welke zich al meer en meer vermenigvuldigden, en hem +zou brengen bij zijn Verlosser en Zaligmaker, die ook voor hem aan +het kruis op Golgotha was gestorven. Hij gevoelde, dat het uur van +zijn verscheiden nabij was en had daarom zijne kinderen om zich heen +verzameld, om hun nog eenige vaderlijke lessen mede te deelen en +afscheid van hen te nemen. + +Ik behoef u dan ook niet te zeggen, dat allen diep bedroefd waren en +in tranen wegsmolten. Zij beloofden hunnen stervenden vader, dat zij +zijne lessen nimmer zouden vergeten, dat zij steeds God den Heer voor +oogen houden en elkander zouden liefhebben tot aan hunnen dood. + +"Ik sterf gerust," ging vader Dirksz voort; "want ik ga naar mijn +Verlosser en Middelaar, den Heer Jezus Christus. Bij Hem zal ik Uwe +lieve moeder terugvinden,--ik hoop u allen daar eens te zien." + +Op dit oogenblik werd de kamerdeur geopend; allen wendden hun blik +naar dien kant en zagen niemand anders dan oom Klaas, die, na eene +afwezigheid van bijna twee jaren, met den vice-admiraal De Ruyter, +den 19den uit de _Middellandsche zee_ te _Texel_ was binnengeloopen en +zich, zoodra hij verlof kon bekomen, had heengespoed, om zijn broeder +te bezoeken. Weinig had de man gedacht, dat hij den geliefde in zulk +een toestand zou terugvinden. + +"Ach, oom!" riep Pieter uit, die het eerst op hem toeliep. "Vader is +zoo erg ziek. Hij zal het niet lang meer maken." + +"Wat zeg je, Pieter?" riep de zeeman verschrikt uit, terwijl hij +zich naar het bed van den stervende begaf, waar Martha hem hare +plaats inruimde. + +"Het is zoo, Klaas," antwoordde de kranke. "Mijne uren zijn geteld, +en ik dank den Heer van leven en dood, dat ik je nog vóór mijn sterven +mag zien. Ik durfde het niet hopen." + +"Mijn arme broeder! mijn arme Pieter!" riep oom Klaas uit. "Moest +ik daarom hier komen, om je te zien sterven! Het was alsof ik er een +voorgevoel van had. Ik wist maar niet, hoe spoedig ik herwaarts zou +stevenen; ik verlangde zoo om je te zien.--Maar," ging hij tot Marie +voort, "verhaal mij eens, hoe dat alles zich heeft toegedragen." + +Marie voldeed hieraan, en toen oom Klaas hoorde, dat zij gehuwd was, +kon hij toch niet laten, er een paar rijmpjes van Cats bij te brengen. + +"Wel kind!" zeide hij. "Al getrouwd! Ja, jonge jaren willen paren, +zegt vader Cats, en je hebt goed gedaan ook; want geen beter gemak, +dan eigen dak." + +Toen men hem alles van de ziekte van vader Dirksz verhaald had, +vatte hij de hand zijns broeders. Tranen stonden in zijne oogen. + +"Beste Pieter," zeide hij. "Je zult het wel ondervonden hebben, wat +onze vrome Cats zegt: hoe zwaarder lot, hoe nader God! En dat zal je +zeker verkwikt hebben op je ziekbed." + +"Dat heeft het mij, Klaas," antwoordde de stervende. "En de Heer heeft +mij groote zegeningen op mijn ziekbed geschonken. Een daarvan is, +dat ik je nog vóór mijn sterven mag zien, dat jij mij de oogen zult +toedrukken en na mijn dood de vriend en de raadsman mijner kinderen +zult zijn." + +"Dat beloof ik je, Pieter," antwoordde oom Klaas. "Je kunt daarop je +hoofd gerust nederleggen." + +"Ik heb nog een bede aan je, Klaas!" vervolgde de stervende. "Je weet, +hoe mijn Pieter reeds voor twee jaren naar zee wilde gaan." + +"En hoe je daar tegen waart, en ik het ook afried." + +"En hoe wij afspraken, om de zaak op zijn beloop te laten," hernam +de zieke, "en te zien of de jongen bij zijn plan bleef." + +"Juist, Pieter, en is de jongen nog altijd in het oude zog blijven +varen?" + +"Ja. Ik wil hem dan ook gaarne zijn zin geven." + +"Zoo, Pieter! Daar doe je wijs aan. Wat zal ik zeggen: hadden wij allen +één zin, wij liepen allen één weg. De knaap zal dus zeeman worden?" + +"Met Gods hulp, ja. Maar, beste Klaas! Je weet best, wat voor +verleiding er op zee is. Wil je den knaap tot vader strekken?" + +"Of ik dat wil? Dat behoef je niet te vragen. Ik beloof het je." En +dit zeggende, drukte de ronde zeeman de hand van zijn broeder. + +De komst van oom Klaas gaf een geheele verandering in de +gemoedsgesteldheid van de kinderen des stervenden. Ieder ging weder aan +zijn werk, terwijl oom Klaas, die verzekerd had dat vader nog wel niet +zoo spoedig zou sterven, aan het bed bleef zitten en, wat de kranke +er tegen inbracht en hoe ook de kinderen er tegen protesteerden, +dien nacht bij zijn broeder bleef waken. Martha wilde zoo gaarne +bij hem opblijven; maar oom had haar naar bed gejaagd en beloofd, +haar te zullen roepen, als er dadelijk gevaar van sterven was. + +In den morgenstond van den volgenden dag stierf Pieter Dirksz, en +liet zijne kinderen als weezen achter. Ik zal u hunne droefheid niet +schetsen; het was een heele troost voor hen, dat oom Klaas bij hen +was. Hij gaf hun den noodigen raad, hoe zij te handelen hadden met +de begrafenis, en wat hun verder te doen stond om de zaken van hun +overleden vader te regelen, volgens de toenmalige wetten. Intusschen +moet ik u nog een enkel woord van de begrafenis mededeelen. Toen +vader Dirksz overleden was, zond oom Klaas den winkeljongen naar den +gildeknecht, die den doode aan al de broeders van het pruikenmakersgild +aanzeide. Vervolgens werd den leden van het gild, die volgens den +rooster dragen moesten, door gemelden gildeknecht aangezegd, om met +lamfers aan hunne hoeden en rouwmantels om, op den dag der begrafenis +op het daartoe bepaalde uur te verschijnen ten sterfhuize, ten einde +den overledene te dragen; welke rouwmantels, een eigendom van het +gild, hun door den knecht aan huis bezorgd en later bij hen afgehaald +werden. De andere leden van het gild, die twee aan twee achter het +lijk zouden gaan, moesten in hunne gewone kleeding, in hunne wijde en +lange mantels op hetzelfde uur komen. Vóór het lijk uit ging een lid +van het aansprekers- of biddersgild, dat sedert 1626 tot op tien leden +verminderd was, welke door den Magistraat moesten beëedigd worden. De +aanspreker of bidder ging eerst, op hem volgde de knecht van het +gild met het beeld van den schutspatroon op een vaandel, daarop de +lijkkist met een lakensch rouwkleed (pelt) bedekt, welks slippen door +den deken en de drie hoofdlieden werden vastgehouden, terwijl de kist +zelf door de reeds genoemde leden van het gild werd gedragen. Vlak +daarachter volgden: eerst Karel en Jacob, toen Marie's man met +Evert en eindelijk oom Klaas met Pieter, alle zes met lamfers aan +de hoeden en rouwmantels om, welke hun door het biddersgild verhuurd +waren. Achter hen aan traden twee aan twee de leden van het gild. Zoo +trok de stoet de _Spuistraat_, _Vlamingstraat_ en _Schoolstraat_ door, +tot aan de Groote kerk, waar de kist van Pieter Dirksz in een graf, +dat in het daarom gelegen kerkhof gedolven was, werd nedergelaten, +en de stoet naar huis terugkeerde. Hier hadden Marie en Martha +intusschen gezorgd voor het noodige. Brood, vleesch, kaas, worst, +bier, brandewijn, alles stond in overvloed voor het "begrafenismaal" +gereed. Men zou gemeend hebben, als men dien opgetorenden schotel met +brood zag, dat deze mannen van verre plaatsen gekomen waren en nog +heel wat te reizen hadden, of dat die wandeling van de Spuistraat +naar de Groote kerk hun hongerige magen bezorgd had. Maar dat was +toen en nog lang daarna de gewoonte, en hoe meer brood en vleesch en +kaas en worst en bier en brandewijn er gebruikt werd, hoe meer men +daarmede den overledene eer bewees,--een treurig overblijfsel van +de Germaansche lijkfeesten. Het gebeurde dan ook dikwijls, dat zulk +een begrafenismaal vrij wat vroolijker afliep dan menige bruiloft, en +dat er bij den afloop menig vriend van den overledene naar huis ging, +die zoo lang drankoffers aan den afgestorvene geplengd had, tot hij +eindelijk, mooi boven zijn bier en zwaaiend langs de straten, blij was, +als hij zonder vallen en horten en stooten zijn woning bereikt had. Men +had dan ook begrafenisbier, begrafeniskaas en dergelijke. Gelukkig +dat die "begrafenismalen" in de steden althans [18] zijn afgeschaft. + +Daar men gedurende de dagen tusschen het overlijden en de begrafenis +toch niet altijd over vader Dirksz kon spreken, zoo had Pieter oom +Klaas verzocht, te verhalen, wat hem alzoo gedurende zijne laatste +reis gebeurd was, en de goede man voldeed hieraan volgaarne, te meer, +daar ook de anderen hem zulks vraagden. Ik zal u intusschen dat verhaal +niet in zijn geheel mededeelen, maar er liever enkele bijzonderheden +van aanstippen. + +In het laatst van de maand Mei 1661 met een vloot van tien schepen +in zee geloopen, keerde de Vice-admiraal De Ruyter den 30sten Juni +daarop naar _Texel_ terug, werwaarts hij ettelijke Nederlandsche +schepen begeleid had. Eerst den 17den Juli vertrok hij met zeventien +bodems naar de _Middellandsche zee_, om de Turken voor het nemen +onzer schepen te tuchtigen en de zee, zooveel mogelijk, van roovers +schoon te vegen. Ik zal u niet verhalen, hoe De Ruyter ook hier +aan zijn last voldeed, en hoe zelfs de Turken hem groote eer en +vriendschap bewezen.--Eene aardigheid echter wil ik u vertellen, die +plaats vond, terwijl De Ruyter voor de haven van _Farina_ (eenige +mijlen noordwestelijk van het oude _Karthago_) lag, in welke hij +zeven Turksche zeeschuimers gejaagd had. Terwijl de Vice-admiraal +met den koning van _Tunis_, Mahomet Pacha en den bassa Dublet Lie +Hadsje Mustapha aan het onderhandelen was over de inwisseling en +loskooping van de bij de Turken gevangene Christenslaven, terwijl +hen de Turken van eenige versche proviand voorzagen, kreeg hij van +den schout-bij-nacht van _Algiers_, Suliman Bassa Reys den volgenden +bluffenden brief: + + + "Mijnheer! + + "Hoewel ik U, wegens den godsdienst, geheel tegen ben, evenwel + hoop ik, dat gij mijn verzoek zult toestaan. Gij hebt mij tot + driemalen vervolgd bij _Maltha_, bij _Sicilië_, en nu bij de + haven van _Farina_, waarin gij mij gejaagd hebt. Ik nam telkens + de vlucht, niet bij gebrek aan moed, maar door ongelijkheid van + macht; want ik heb slechts een bark tegen uw zeekasteel. Daarom + doe mij de eer, en zend tegen mij, als Schout-bij-nacht van + _Algiers_, uwen Hollandschen Schout-bij-nacht, om schip tegen + schip mijn fortuin en het geluk van den oorlog te beproeven, + en mij te weren als een soldaat. Word ik overwonnen, ik zal uw + slaaf zijn. Win ik, het zal mij eere zijn. Geef hiertoe verlof, + en indien ik dan niet uitkom, zoo ben ik als de lafste vrouw + van _Holland_. Mijnheer, zijt gegroet van mij + + Uwen dienaar." + + +De Ruyter antwoordde op dit schrijven, dat zijn Schout-bij-nacht Van +der Zaan, met zijn schip op plaats en tijd, die de Turk zou goedvinden, +den tweekamp zou aanvaarden; terwijl hij beloofde, dat noch hij noch +één der Hollandsche kapiteins genoemden Schout-bij-nacht eenige de +minste hulp zou toebrengen. Den admiraal van _Tunis_ verzocht hij, +kampvechter in dat zonderlinge gevecht te zijn. + +Maar nu bleek het, welk een bluffer de Turk was. Van der Zaan kwam wel +ter bestemder plaats, maar wachtte tevergeefs op den grootspreker, +die den moed niet had om de haven uit te komen, maar zich bij zijne +makkers onder de veilige hoede der kasteelen verschool. + +Na den moedwil der zeeroovers beteugeld en onzen naam weder geducht +gemaakt te hebben onder de Turksche vrijbuiters, na verdragen met +_Tunis_, _Algiers_ en _Tripoli_ te hebben gesloten, na tal van arme +Christenslaven uit de ketenen der Turken verlost te hebben, keerde +De Ruyter, zooals wij gezien hebben, in het laatst van April 1663 in +het vaderland terug om toch eenmaal eenigen tijd rust te genieten te +midden der zijnen; want hij bleef dat geheele jaar en een gedeelte +van het volgende aan land. + +Keeren wij thans tot onzen Pieter terug. Gij hebt gezien hoe zijn +vader volkomen verzoend was met zijne idée om zeeman te worden, en +ik ben u dienaangaande eenige opheldering schuldig. Gij moet weten, +dat de Prins van _Oranje_, die den koenen knaap zeer genegen was, +den pruikenmaker daarover gesproken had, daarbij tevens de verzekering +voegende, dat hij Pieter aan den Raadpensionaris had aanbevolen en dit, +als de jongen oppaste, nog wel eens zou herhalen, zoodat zijn fortuin +gemaakt scheen. Intusschen was vader Dirksz altijd bij zijne meening +gebleven, dat de knaap nog te jong was. Oom Klaas nu, aan wien na +'s vaders dood de zorg voor den wees in het bijzonder was opgedragen, +en die verlof gevraagd en gekregen had om, zoolang zijn schip buiten +dienst was, thuis te blijven, had een ander plan met den knaap. Hij +wist hem te _Rotterdam_ op de scheepstimmerwerf der Admiraliteit te +plaatsen, opdat Pieter dan als timmerman op het schip in dienst zou +komen, hetgeen hem van vele onaangenaamheden zou verlossen, die den +bootsmansmaat op het oorlogsschip wachtten en niet zou beletten, +dat ook hij, wanneer er gevochten moest worden, zich zou kunnen +onderscheiden en op bevordering rekenen. + +Pieter kwam alzoo op de werf van de Admiraliteit, en, daar hij bij +baas Balkenende reeds aardige vorderingen in het timmeren gemaakt had, +zoo kon men hem daar zeer goed gebruiken en verdiende hij een tamelijk +daggeld. Van dit geld betaalde hij zijn kosthuis en voorzag hij zich +van de noodige kleeding. Zoolang de zomer duurde, begaf hij zich alle +Zaterdagavonden, nadat het werk afgeloopen was en hij zijn weekgeld +had ontvangen, naar 's-_Gravenhage_, waar oom Klaas nog altijd in +zijns broeders huis logeerde. Dat was dan een recht feest voor hem, +en vooral voor Martha, die altijd zorgde, iets lekkers voor hem gereed +te maken. Meestal voer hij slechts tot _Delft_ mede en wandelde den +Delftschen weg op naar _Den Haag_. Zondagsavonds echter moest hij weder +op weg; als het weer goed was, brachten hem oom Klaas, Jacob en Evert +gewoonlijk tot _Rijswijk_, soms wel tot _Delft_ en dan ging Pieter in +de schuit of, als hij er lust in had, wandelde hij tot _Rotterdam_ +want onze knaap was heel zuinig en vond het te duur, om altijd te +varen. Toen echter het najaar aankwam, moest Pieter in _Rotterdam_ +blijven en dan was het hem wel wat eenzaam en treurig. Spoedig +evenwel gewende hij daaraan, en ging hij als het weder goed was, +Zaterdagsavonds buiten de poort een kroes bier drinken in de eene of +andere herberg, waar hij dan meestal kennissen aantrof. Des Zondags +ging hij gewoonlijk tweemaal ter kerk en wandelde na de middagpreek nog +eens langs de _Maas_, waar hij zich vermaakte met de schepen te zien +liggen. Gewoonlijk bracht hij dan den avond in de herberg "de Trouwe +Harder" [19] door, waar hij echter zorg droeg, weinig te verteren. + +Op zekeren avond zat onze Pieter weder in "de Trouwe Harder" zijn glas +bier te drinken, toen hij zich onverwachts op den schouder voelde +tikken. Hij keek om, en terstond herkende hij zijn ouden makker en +vroegeren vijand, Jan IJzer. Ik heb mijne lezers omtrent dezen knaap +in de onzekerheid gelaten en het spijt mij, dat ik dit gedaan heb. Maar +het kwam zoo in mijn verhaal te pas, en ik wil de fout herstellen.--Wij +hebben gezien, hoe onze Pieter dacht over het redden van zijn vijand, +en ik behoef u niet te zeggen, dat hij geen moeite deed, om verder +iets van den door hem geredde te weten te komen.--Nu moet ik u zeggen, +dat Jan IJzer, hoe slecht van hart hij ook was, toch behoefte gevoelde, +om Pieter zijn dank te betuigen; want hij begreep maar al te wel, dat +hij zonder diens hulp verloren ware geweest. Zoodra hij dus beter was, +ging hij naar Pieter toe; maar deze ontving hem zoo koel, dat de oude +vijandschap in het hart van Jan herleefde. Zeker was het verkeerd in +den knaap, zoo onverzoenlijk te zijn; maar wanneer men bedenkt, hoe +Jan hem had behandeld, toen hij daar hulpeloos in den tuin van baas +Gerritsz lag en daarbij in het oog houdt, hoe hij, toen Jan in gevaar +was, zijn leven niet te kostbaar geacht had om zijn vijand te redden; +dan kan men het onzen Pieter niet kwalijk nemen, dat hij zich zoo +onverschillig omtrent den goudsmidsjongen gedroeg. Bij hem bestond +geen haat,--hij mocht den knaap niet en liet hem links liggen. Maar +bij Jan, die, had Pieter hem anders ontvangen, zeker zijn vriend +ware geworden, bracht die onverschilligheid een ander gevoel te weeg: +dat van onverzoenlijke vijandschap. + +Jan, wien het goudsmeden niet meer beviel, en die het met meester +Verhoef niet best kon vinden, had eenige weken geleden, stil _Den Haag_ +verlaten en was naar _Rotterdam_ vertrokken: iets wat Pieter, die zich +niets aan Jan gelegen liet liggen, in het geheel niet wist. Hij was +dus zeer verwonderd, toen hij hem daar zoo onverwacht in een vreemde +stad terugzag. + +"Jij hier Jan?" zeide hij verwonderd. "Ik dacht, dat je nog hoog en +droog in _Den Haag_ zat." + +"Ik wenschte, dat dit zoo ware," zeide Jan op treurigen toon. + +"Welnu, wat belet je dan, weder naar _Den Haag_ te gaan?" hernam +Pieter koel. + +Jan begon te schreien en zette zich naast Pieter neder. + +"Ik weet wel," begon hij, "dat je mijn vriend niet zijt. Als ik hier +iemand anders had, zou ik mij niet tot jou gewend hebben. Maar ik +ben hier vreemd en heb niemand, die eenig belang in mij stelt. Daarom +dacht ik zoo, toen ik je deze herberg binnen zag gaan: Pieter Pietersz +is toch een Haagsche jongen net als jij en zal zijn stadgenoot niet +in den nood laten." + +"Maar wat moet dit alles beteekenen?" vraagde Pieter die niet begreep +waar de knaap heen wilde. + +"Dat zal ik je zeggen," antwoordde Jan, "en ik wil je oprecht alles +bekennen. Weet dan, dat ik stil uit vaders huis ben weggeloopen." + +"Maar dat is heel ondeugend van je, Jan!" hervatte Pieter. "En waarom +heb je dat gedaan?" + +"Omdat ik het bij dien knorrepot van een Verhoef niet langer kon +uithouden en vader van geen anderen baas wilde hooren. Zoo nam ik, +nu een week geleden, den pas onder de voeten, en met mijn weekgeld in +den zak, stapte ik stilletjes over _Delft_ hier naar toe. Ik dacht +gemakkelijk bij den een of anderen baas werk te zullen vinden, maar +mijne hoop werd bitter teleurgesteld. Ik kreeg geen werk, teerde mijn +geld op, en trachtte wat te verdienen met pakjes te dragen voor de +heeren, die met de schuit aankwamen. Maar de Rotterdamsche jongens, die +niet verkozen, dat een vreemde het geld verdiende, waarop zij meenden +recht te hebben, beloofden mij een pak slaag, als ik het waagde mij +weder aan een der schuiten te vertoonen, en tegen de overmacht kon +ik slecht op. Zoo heb ik alles verkocht wat ik nog van eenige waarde +bij mij had, en nu, sedert gistermiddag heb ik geen stukje gegeten." + +"Je hebt zeer verkeerd gedaan, Jan," hervatte Pieter, "met van je +vader weg te loopen. Maar ik wil geen zedepreek houden; wat gedaan is, +is gedaan. Intusschen kan het hersteld worden. Je moet weer naar je +vader terug en hem om vergiffenis vragen." + +"Maar hij zal mij niet weer in huis willen nemen." + +"Hij zal wel. Maar dan moet je evenals de verloren zoon uit de +gelijkenis, met berouw bij hem komen." + +"Ik wil dit doen, Pieter. Morgen reeds zal ik naar hem toegaan. Maar ik +kan toch van nacht niet op straat blijven. O! ik weet geen raad! Als er +zich maar iemand over mij erbarmde. Nog geen half uur geleden, was ik +zoo wanhopig, dat ik in de _Maas_ wilde springen. Maar ik dacht: laat +mij de stad nog eens ingaan. Misschien ontmoet ik de eene of andere +medelijdende ziel, die zich mijner aantrekt. O, als je mij van avond +slechts wat eten wilt geven en mij van nacht bij je wilt laten slapen, +dan ga ik morgen naar vader terug, en ik zal er je altijd dankbaar +voor zijn, dat je mij van den rand des afgronds hebt teruggebracht. Ik +zal mijn leven beteren, en trachten een braaf mensch te worden." + +Pieter dacht een oogenblik na. Hij had er niet veel zin in, zijn bed +met den knaap te deelen. Maar hem aan zijn lot over te laten, dat +kon toch ook niet, daartegen verzette zich zijn goed hart. Nu kwam +het wel in hem op, Jan voor dien nacht in een logement te besteden; +maar dat kostte geld en onze Pieter was heel zuinig. Hij besloot dus +maar, om Jan mede te nemen naar zijn kosthuis. + +"Hoor eens,"' zeide hij. "Kan ik er stellig op rekenen, dat je morgen +naar je vader terugkeert?" + +"Zoo zeker als ik hier voor je sta," antwoordde de andere. + +"Welnu, ga dan met mij mede; dan zal ik de vrouw uit mijn kosthuis +verzoeken, je wat eten te geven en dan slaap je van nacht bij mij." + +Jan had hem wel de handen willen kussen van blijdschap, en onze +scheepstimmerman, tevreden over zich zelf om de goede daad, die hij +ging verrichten, liet den waard een glas bier voor zijn gast geven; +niet lang daarna stapten zij naar huis. + +Hoe verwonderd was onze Pieter, toen hij, den volgenden morgen wakker +wordende, zijn slaapkameraad van zijne zijde miste. + +"Hij zal niet hebben kunnen slapen van angst bij de gedachte aan +de ontmoeting met zijn vader," dacht hij, schoof het bed-gordijn +wat weg en keek in zijn kamertje rond. Maar wie hij zag, Jan +niet. Waarschijnlijk is hij naar beneden om een noodzakelijke behoefte +te verrichten, zeide hij en ging weer liggen. Maar hij kon den slaap +niet meer vatten en stond dus op. Hoe verschrikt was hij echter, toen +hij zijn wambuis en zijn hozen miste, die hij den vorigen avond op den +stoel voor zijn bed had nedergelegd. Hij schrikte; want in den broekzak +bevond zich zijn volle weekgeld, en de gedachte kwam eensklaps in hem +op: "Hoe, indien Jan mij eens bedrogen, mij bestolen had!" Maar de +knaap was zoo bedroefd geweest en had hem zoo plechtig beloofd, naar +huis terug te zullen keeren. Had hij ook gisteren avond zijne kleeren +ergens anders gelegd? Maar hoe hij zocht--en het kamertje was klein, +dus behoefde hij niet lang te zoeken--nergens vond hij de vermiste +zaken. Hij werd nu ernstig ongerust en riep zijne huiswaardin, aan wie +hij vraagde, of zij ook iets wist van den knaap, dien hij den vorigen +avond had medegebracht. Deze antwoordde hem, dat die reeds voor dag +en dauw vertrokken was. Hij had een pakje onder den arm gehad en haar +gezegd, dat hij met de eerste schuit naar 's-_Gravenhage_ wilde en +dat hij maar heel stil was opgestaan, om zijn vriend niet wakker te +maken; want de Zondag was de eenige dag, dat deze eens kon uitslapen, +op de andere dagen moest hij toch altijd zoo vroeg naar zijn werk. Hij +had haar ook wél verzocht, hem zijne hartelijke groete te doen. + +Twee groote tranen sprongen den armen Pieter uit de oogen. + +"Ik ben bedrogen, vrouw Martensz!" zeide hij, "schandelijk bedrogen +en bestolen. De schurk heeft mijn hozen en mijn wambuis, ja, nog wat +meer is, mijn volle weekgeld meegenomen. O, dat ik ook zoo dom was, +aan zijne mooie praatjes geloof te slaan!" + +En hij vertelde aan zijne huiswaardin, wie Jan was, wat er reeds +vroeger met hem gebeurd was, en hoe hij hem den vorigen avond in +"de Trouwe Harder" ontmoet had. + +Vrouw Martensz schudde het hoofd. + +"Ieder braaf mensch zou in jouw geval hetzelfde gedaan hebben," zeide +zij op goedigen toon. "Wie zou ook op zulk een boosheid verdacht +zijn! Gelukkig, dat hij je Zondagsche wambuis en boksen niet heeft +kunnen meepakken. 't Is al heel singulier; anders leg ik het altijd +Zaterdagsavonds voor je gereed. Nu je iemand bij je hadt, dacht ik, +moest ik maar tot van morgen wachten." + +"Dat is nog een geluk bij een ongeluk, vrouw Martensz." hervatte +Pieter. "Maar wat maller is, nu zal ik je van de week mijn kostgeld +niet kunnen betalen; want wat ik heb opgespaard, zal ik wel aan een +nieuw werkpak moeten besteden." + +"Dat is niets, mijn jongen," antwoordde vrouw Martensz. "Dat zal wel +terecht komen. Je behoeft daar geen haast mee te maken. Maar ik zal +mijn man eens roepen, en dan kunnen wij samen bespreken, wat wij aan +de zaak zullen doen en of het niet goed zou zijn, den diefstal bij +den Schout aan te geven." + +"Waarschijnlijk zal dat niet veel helpen, vrouw Martensz," +hernam Pieter. "De dief zal wel met zijn buit de stad verlaten +hebben. Daarenboven, ik zou niet gaarne de oorzaak zijn, dat hij op +het schavot en in het rasphuis kwam." + +"_Jij_ moet het weten, Pieter!" hernam de vrouw. "'t Is jouw zaak. Maar +als het mij te doen stond, dan wist ik wel, dat ik het zoo niet zou +laten afloopen. Al kon ik mijn goed en mijn geld niet terugkrijgen, +de schelm zou er zoo gemakkelijk niet afkomen." + +Wat ook baas Martensz en zijne vrouw zeiden, Pieter wilde er niet +van hooren om de zaak aan te geven: liever getroostte hij zich in +zijn verlies, dan dat hij den knaap die hem zoo bedrogen had, voor +zijn leven ongelukkig wilde maken. + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK + +Waarin wij een ouden kennis ontmoeten, die het ver gebracht heeft in +de wereld. + + +Zoo stuurman, is dat nu je neef Pieter, van wien je mij gesproken hebt +en die mij zelfs door Zijne Hoogheid den Prins zoozeer is aanbevolen?" + +"Om Uwe Edelheid te dienen, Vice-admiraal," antwoordde de +aangesprokene. "En ik hoop, dat Zijne Hoogheid met hare aanbeveling +eer moge inleggen." + +"Dat willen wij verwachten, stuurman. Hoe oud ben je, +Pieter?" vervolgde de Vice-admiraal tot den jongeling. + +"Aanstaanden twaalfden Augustus wordt ik, als het God belieft, +achttien jaar," antwoordde deze. + +"En je bent een knap timmerman?" vervolgde de Vice-admiraal. "Welnu, +als zoodanig kun je van nut zijn, terwijl je voor het overige dan +gewonen dienst zult verrichten." + +"En zoo ik hoop met trouw en ijver, Vice-admiraal," hernam Pieter. "Ik +zal mijn best doen, uwe tevredenheid te verwerven en steeds trachten, +Uwe Edelheid na te streven, zij het dan maar in de verte." + +"Dat is braaf gedacht," vervolgde de Vice-admiraal. "En dan kun +je tevens een voorbeeld nemen aan je braven oom. Maar vooral, mijn +jongen! bij al wat je ontmoet, het oog naar boven, den blik geslagen op +den Heer, in wiens hand ons leven, onze adem en ons lot berust. Dan zul +je altijd kalm en bedaard blijven te midden van den woedenden storm, +onder het gefluit, van den dichtsten kogelregen." + +Mijne lezers zullen wel reeds begrepen hebben wie de drie personen +waren, tusschen welke het boven aangehaalde gesprek den achtsten April +1664 plaats had op het schip "de Spiegel" dat met vijf andere schepen +en een vaartuig met proviand door de Admiraliteit van _Amsterdam_ +was uitgerust tot een nieuwen tocht naar de _Middellandsche zee_. De +Admiraliteit van _Rotterdam_ had de "Prinses Louise", gekommandeerd +door den schout-bij-nacht Van Nes, met twee andere schepen daarbij +gevoegd, en van het Noorder-kwartier waren er insgelijks drie +vaartuigen bij de vloot, waarvan het schip "het Noorder-quartier" +door den Vice-admiraal Meppel werd gevoerd. + +Het waren de Vice-admiraal De Ruyter, Klaas Dirksz en Pieter +Pietersz. Intusschen zien wij daar nog een knaap naast De Ruyter +staan, wiens fijn lakensche kleeding zijn aanzienlijken stand en +goede afkomst verraden. Hij is nog geen vijftien jaren, maar fiks uit +de kluiten gewassen, en als wij hem goed aanzien, dan schijnt het +ons toe, dat er in dat gelaat veel gelijkenis ligt met dat van den +Vice-admiraal. En geen wonder; want die vijftienjarige knaap, die daar +stilzwijgend maar met blijkbaar welgevallen onzen Pieter aanstaart, +is niemand anders dan de eenige zoon van den grooten zeeheld: het is +Jonker Engel de Ruyter, die voor de eerste maal ter zee zal varen, om +onder het oog van zijn beroemden vader "het soldaat- en zeemanschap +te leeren." Hij heeft tijdens het bezoek, dat stuurman Dirksz ten +huize van den Vice-admiraal bracht, reeds zooveel van onzen Pieter +gehoord, dat hij al verlangend was, om hem te zien. 't Zal u dus ook +niet verwonderen, dat beiden spoedig goede maatjes zijn; want al is +Jonker Engel van adel, hij heeft de deugd der nederigheid van zijn +edelen vader geërfd, en een karakter als dat van Pieter kan niet +anders dan den vurigen en fikschen knaap innemen. + +Den volgenden dag voer De Ruyter met zijne zeven schepen naar het +_Vlie_, vanwaar hij eerst den achtsten Mei in zee liep en den +21sten dier maand te _Cadix_ aankwam, om zich met het smaldeel +van den Vice-admiraal Meppel en den Schout-bij-nacht Van Nes te +vereenigen. Hierop verdeelde hij de vloot in twee smaldeelen of +eskaders van welke hij het eerste als opperhoofd en Admiraal der +vloot aanvoerde; terwijl de kommandeur De Wild als Vice-admiraal +en de kapitein Willem van der Zaan als Schout-bij-nacht onder hem +kommandeerden: het tweede eskader stond onder den Vice-admiraal +Meppel als tweeden Admiraal, den Schout-bij-nacht Aart van Nes als +Vice-admiraal en den kapitein Deendert Haaxwaard als Schout-bij-nacht. + +Den tweeden Juni, terwijl de vloot naar _Malaga_ stevende, bevond onze +De Ruyter zich in het geheel niet wel. Hij werd aangetast door een +zware bloeddiarrhée, die niet minder dan drie volle weken duurde en +hem zoozeer verzwakte, dat de dokter voor zijn leven vreesde. Welk een +treurige toestand voor den armen Engel. Maar hoe gelukkig voor hem, +dat hij bij den geliefden vader was, hem kon oppassen en verzorgen. Ook +Pieter had verlof gevraagd, Engel van tijd tot tijd af te wisselen +en ook hem was deze zorg een groot genoegen. Meestal waakte hij 's +nachts, terwijl Engel des daags voor de kranke zorgde, en hij leerde +veel, zeer veel voor zijn volgend leven van den vromen Admiraal, die +in al zijn lijden zooveel Christelijke onderwerping en zulk een kalme +berusting in Gods wil betoonde, ja, die zijne eigene smarten vergat, +om toch maar werkzaam te zijn voor de belangen van 's lands vloot en +op alle voorvallende zaken orde te stellen. + +'t Was dan ook een vreugde op "de Spiegel," toen de geliefde Admiraal +voor het eerst op het dek kwam en ieder om het zeerst hem geluk +wenschte met zijn herstelling, ja, op al de schepen vierde men feest +en bad men den Heer in den Hemel om een lang en gelukkig leven voor +den geliefden vlootvoogd. + +Wij zullen hen op dezen tocht niet volgen. Liever begeven wij ons naar +het vaderland terug, ten einde te zien, wat daar intusschen gebeurde; +te zijner tijd komen wij van zelf op de vloot van Michiel Adriaanz. de +Ruyter terug. + +Ik heb op Bladz. 84 gesproken van den Frieschen Stadhouder Willem +Frederik, die met Albertina Agnes, 's Prinsen tante, gehuwd was. Deze +Willem Frederik zou in 1655 tot Veldmaarschalk van den Staat benoemd +zijn, indien men niet nog bijtijds ontdekt had, dat hij met een klerk +[20] van De Witt heulde, die hem de geheime stukken zijns meesters +overbracht, hetgeen de graaf in ongenade deed vallen bij de Hollandsche +partij, die niet alleen de benoeming niet liet doorgaan, maar zelfs het +veldmaarschalksambt vernietigde. Intusschen bleef de graaf bevelhebber +van de troepen van den Staat en bewees dien als zoodanig gewichtige +diensten. Jammer, dat een treurig ongeval onverwachts een einde +aan zijn leven maakte. Het was op Zondag, den 24sten October 1664, +terwijl Albertina Agnes naar de kerk was, dat de Prins, bezig met de +toebereidselen om zich naar de grenzen van _Westphalen_ te begeven, +een zadelpistool, dat hij wilde medenemen, onderzocht. Het pistool +weigerde, en de Prins, die wilde zien waar het aan haperde, trok er +den stempel uit en keek in den tromp. Op het zelfde oogenblik echter +ging op het onverwachts het pistool af, de kogel trof den Vorst in +de kin, en kwam aan de zijde van den neus vlak onder het oog uit. De +ongelukkige Prins stortte achterover en werd door de toegeschotene +bedienden opgeholpen en te bed gebracht. Vreeselijk had de kogel +zijn gebit verwoest: de beide kakebeenen waren verbrijzeld, zoodat +de gewonde noch spreken noch eten kon. Men deed wat mogelijk was: +men dacht zelfs een werktuig uit, waardoor men bouillon in de maag +poogde te brengen. Maar alles was vruchteloos: felle koortsen, die +den Prins aantastten en in de wond sloegen, sleepten hem, reeds den +zevenden dag na de verwonding, ten grave. Tot het laatste oogenblik +bleef hij bij zijn volle kennis. Een dag vóór zijn dood beval hij +zijne gemalin en zijn drietal kinderen den Staten van _Friesland_ +schriftelijk aan. Hij werd opgevolgd door zijn eenigen zoon Hendrik +Kasimir II, een kind van ruim zeven en een halfjaar [21], nog +minderjarig en onder voogdijschap zijner moeder. + +Het had weinig gescheeld, of de dood van den doorluchtigen Prins +had dien van een ander vorst uit het huis van Nassau ten gevolge +gehad. Prins Joan Maurits namelijk, die bij de begrafenis van zijn +neef was tegenwoordig geweest, keerde met een aanzienlijken stoet +huiswaarts. Te _Franeker_ gekomen, brak eensklaps de wipbrug, terwijl +de Prins er op was; deze viel met vijf anderen in het water. De +laatsten werden terstond gered; niet zoo spoedig de Prins, die onder +zijn paard lag. Nauwelijks echter was hij aan wal, of hij viel op de +knieën om God te danken voor de wonderlijke bewaring, hem ten deel +gevallen. De omstanders, denkende dat hij de beenen had gebroken, +snelden toe om hem op te helpen, spoedig echter bemerkten zij hunne +dwaling. De Prins, eenigermate aan het borstbeen gekneusd, herstelde +gelukkig binnen korten tijd. + +Maar andere gebeurtenissen hadden er in 1664 plaats gehad. Karel II +van _Engeland_, ingenomen tegen de Loevesteinsche partij in _Holland_, +die zijn neef Willem Hendrik uit alle waardigheden hield, naijverig +op den invloed dien wij in het Noorden hadden gekregen en op den +bloei van onzen handel, die verre den Engelschen overtrof, Karel II +had zich daden veroorloofd, welke op niets anders konden uitloopen +dan op een vernieuwden oorlog met _Engeland_. In het voorjaar van +1664 was Robert Holmes met een Smaldeel afgezonden en had, op last +der Engelsch-Afrikaansche maatschappij, het eiland _Goeree_, nabij +kaap _Verd_ gelegen, vermeesterd, elf Nederlandsche schepen vóór +_George d'Elmina_ weggenomen, _Cabo-Corso_ beschoten en veroverd, +en in _Amerika_ onze volkplantingen _Nieuw-Nederland_, _Tabago_ +en _Sint-Eustatius_ bemachtigd. + +Toen men hier te lande deze geweldenarij vernam, deed men daarover +zijn beklag aan het Britsche hof,--doch koning Karel hield zich, +alsof hij er niets van wist. Daar intusschen in _Engeland_ groote +krijgstoerustingen werden gemaakt, begreep men hier ook niet stil te +moeten zitten. Men zond dus den Schout-bij-nacht Cornelis Tromp met een +aanzienlijk smaldeel uit, om onze koopvaarders te beschermen. Kort +daarop werd een tweede vloot van dertig zware schepen in zee +gebracht met den Luitenant-admiraal Van Wassenaar aan het hoofd, +terwijl men aan De Ruyter bevel zond, in het geheim naar de door +de Britten vermeesterde volkplantingen te stevenen. Maar hoe dit +bevel geheim te houden, het besluit, dat in de volle vergadering +der Algemeene Staten moest worden genomen? In deze vergadering +toch zaten leden, die zich niet zouden hebben ontzien, de zaak aan +den Engelschen gezant te verklappen. De sluwe Johan De Witt echter +wist raad. Toen men de resolutie had genomen om twaalf schepen uit +te rusten en naar _Guinea_ te zenden (hetgeen nog al een geruimen +tijd zou vereischen) wist De Witt die Heeren Staten, welke hij niet +vertrouwde, aan een venster te lokken en aan de praat te houden. In +dien tusschentijd namen de andere leden, die in het geheim waren, +de secrete resolutie ten aanzien van de afzending van De Ruyter, +en werd dit stuk als een aanhangsel bij het besluit gevoegd en door +den griffier der Staten eigenhandig daaronder geschreven, zonder +dat een der andere leden er iets van wist. Drie afschriften van het +stuk werden over de post gezonden en verder door drie "loopboden" +[22] naar _Cadix_, _Malaga_ en _Alicante_ gebracht, op hoop van den +Vice-admiraal op een dier plaatsen aan te treffen. Het stuk was in +een afzonderlijken omslag, in welken den Vice-admiraal werd bevolen, +inliggende verzegelde schriften niet te openen vóór hij alleen was; +terwijl zijnen bevelhebbers op bedreiging der hoogste ongenade van den +Staat werd verboden, iets van de ontvangst van den brief te openbaren. + +'t Was op den eersten September, dat De Ruyter voor _Malaga_ was +aangekomen, toen hij Klaas Dirksz bij zich riep. + +"Stuurman!" zeide hij, "Zet de kleine boot uit en roei aan land. Er +zijn zeker brieven voor ons; want aan het strand staan verscheidene +menschen, die ons teekenen schijnen te geven." + +"Uw bevel zal geschieden, Vice-admiraal," antwoordde Klaas, die +terstond de noodige maatregelen nam, om daaraan te voldoen. + +"Mag ik mee in de boot, vader?" vraagde Engel. + +"Volgaarne," antwoordde de Admiraal, "en neem je vriend Pieter ook +mee. Intusschen zul je aan den wal niet veel zien; want de boot roeit +terstond met de brieven terug." + +Eenige minuten later stak de boot van boord. Op hetzelfde oogenblik +voeren er van de andere schepen ook booten naar wal, om naar brieven +te vernemen; hetgeen De Ruyter natuurlijk niet belette, daar hij niet +wist, dat er een geheime resolutie bij was. + +Aan wal gekomen, werd onze stuurman terstond omringd door eenige +kooplieden en schippers. + +"Daar is een bijzondere post voor den Vice-admiraal aangekomen," +zeide een hunner. "Een loopbode heeft dien gebracht. Tevens zijn hier +belangrijke tijdingen. Men spreekt van een oorlog tusschen _Engeland_ +en de _Geüniëerde provinciën_." + +"Wat meer is," voegde er een ander bij, "de Engelsche kooplieden +hier ter stede zeggen, dat hunne landslieden drie van de Oostindische +koopvaarders, die wij verwachten, genomen hebben." + +"Gij kunt begrijpen, hoe dat alles ons in onrust brengt," vervolgde +de eerste spreker. + +"Waar zijn de brieven voor den Vice-admiraal?" vraagde de +stuurman. "Indien het zulke gewichtige tijdingen zijn, zullen wij ze +hem gauw bezorgen." + +Men roeide naar boord terug, en Klaas Dirksz overhandigde den Admiraal +de brieven. Nauwelijks had De Ruyter den omslag van den brief gedaan +en gelezen wat daarop stond, of hij begaf zich naar zijne kajuit +en las de geheime order, waarbij het bevel was gevoegd, dat hij die +aan geen zijner officieren mocht openbaren. Terwijl hij daarmede nog +bezig was, werd hij gestoord door het bericht, dat de Vice-admiraal +met al de kapiteins aan zijn boord was geroeid en verlangde hem te +spreken. De Admiraal deed de depêche terstond weder in den omslag, +en gaf bevel, de bezoekers binnen te laten. Ten hoogste verlegen, +wat hij moest antwoorden, wachtte hij de scheepshoofden af. + +"Wat is er, Admiraal?" vraagde Meppel. "Wij zijn aan wal geweest en +hebben daar onrustbarende tijdingen vernomen." + +"Ook mij zijn die verhaald," antwoordde De Ruyter. "Zij luiden zeer +oorlogzuchtig." + +"Daar is een bijzondere post voor u gekomen, Admiraal!" hervatte +Meppel. "Gij hebt dien zeker reeds ontvangen en gelezen." + +"Voorzeker," antwoordde De Ruyter, "de brief is van Hunne +Hoogmogenden." + +"En meldt die niets van den oorlog?" hernam de Vice-admiraal. + +"Geen enkel woord," antwoordde De Ruyter ontwijkend. "Alleen schijnt +het, dat er geschillen tusschen de Republiek en _Engeland_ zijn +gerezen, en dat men nog hoopt, die in der minne bij te leggen. Wat +de geruchten van oorlog aangaat, waarvan men in _Malaga_ vol schijnt +te zijn, wij weten te goed, hoe men op zulke losse tijdingen kan +rekenen. Intusschen gaan wij terstond op reis naar _Alicante_, om +het fluitschip van kapitein Enno Doedes af te halen. + +Wij zullen de vloot niet op den voet volgen. Eerst op de hoogte van +de Canarische eilanden liet De Ruyter de scheepshoofden door de witte +vlag aan zijn boord seinen en deelde hij hun de geheime resolutie +mede. Behouden kwamen onze schepen voor het kleine eiland _Goeree_ aan. + +Beoosten dat eiland omgezeild zijnde, werden den 24sten October eenige +booten, met den Schout-bij-nacht Van der Zaan aan het hoofd, naar het +vasteland bij _Verd_ aan wal gezonden, om versch water te halen. Ook +van De Ruyters schip voer er een sloep naar land, gevoerd door Klaas +Dirksz en waarin zich Engel de Ruyter en onze Pieter bevonden. 't +Was voor hen beiden heel wat nieuws, die Afrikaansche streken te zien +en zij hadden er dan ook recht veel vermaak. Gelukkig, dat oom Klaas +zijn neef nog al wat toeliet en dat de zoon van den Admiraal een witten +voet bij hem had; anders hadden zij met de anderen mogen meesjouwen. Nu +smaakten zij alleen het pleizierige van een tochtje aan land. + +"Zie eens," zeide Pieter, "daar komt een oude neger aan. Met dien +zullen wij een pretje hebben." + +"Dat is goed," antwoordde Engel. "Maar wij zullen zijn negertaal niet +verstaan, en hij kent ons Hollandsch niet." + +"Geen nood, dan zullen wij hem door teekens te kennen geven wat wij van +hem willen hebben. Zeg eens, oude zwartkop," hernam hij tot den neger, +die intusschen naderbij gekomen was. "Wat kom je hier uitrichten?" + +"Ikke eens kijken kom naar de Ollandsche schip," antwoordde de neger +vrij vlot. + +Al hadden zij een slag in het aangezicht gekregen, dan hadden zij niet +meer verbaasd kunnen staan, dan toen zij dien neger zoo onverwachts +hunne eigene taal hoorden spreken. + +"Sakkerloot!" zeide Engel. "Wie heeft jou Hollandsch geleerd, +zwarte nikker?" + +"Ikke Ollansch geleerd heeft in uwe land. Ikke als knaap, heel jong, +daarin geweest is, en veel geleerd heeft." + +Op dit oogenblik kwam Van der Zaan bij hen, en vroeg hun: + +"Wat moet gij van dien neger?" + +"Die man spreekt Hollandsch, Schout-bij-nacht," gaf Engel ten antwoord. + +"Mijnheer!" zeide de neger, terwijl hij zich eerbiedig voor Van der +Zaan boog. "Uwé zeker de Admiraal van deze vloote is." + +"Je vergist je, goede man! Ik ben slechts Schout-bij-nacht. De +Admiraal der vloot is aan boord gebleven. Hij is op het schip, dat +je daar ziet." + +"En hoe zijne naam is?" vervolgde de neger. + +"Michiel Adriaanszoon de Ruyter," antwoordde Van der Zaan. + +De neger begon te dansen. + +"Michiel, Michiel!" riep hij uit. "Michiel de Ruyter!--Ikke nu vijf- +of zes en veertig jaar geleden een Michiel de Ruyter gekend heeft. Dat +te _Vlissingen_ was. Maar het niet dezelfde kan zijn. Die Michiel +maar bootsmansjongen was." + +"En toch is dat diezelfde Vlissingsche bootsmansjongen, die nu Admiraal +van de vloot is." + +"Uwé den armen neger voor den gek houdt," zeide de zwarte +ongeloovig. "Michiel toen bootsmansjongen was en nu Admiraal,--neen, +dat niet kan zijn! Jan Company niet zoo mal is, om maar te gelooven, +wat men hem wijs maakt." + +"En toch is het waar, Jan Company," hervatte Van der Zaan. "Zie deze +knaap is zijn eenige zoon," hervatte hij, op Engel wijzende. + +De neger beschouwde den jongen De Ruyter oplettend. Eensklaps helderde +zijn gelaat op. + +"Ja," hervatte hij peinzend--"nu ikke het zie. Hij wel op zijn vader +lijkt, toen die jong was. O, mijnheer de Schout van de nacht, zou uwé +me wel aan boord van den heer Michiel willen brengen? O, ikke zooveel +van hem houd. Ikke met hem gevaren heb op dezelfde schip, en wij samen +zoo dikwijls gespeeld hebben. O, ikke hem nog zoo graag eens zou zien." + +"Wel ga dan maar eens mee," hernam Van der Zaan. "Zijn eigen zoon +zal je aan boord brengen." + +Zoo gezegd zoo gedaan. Jan Company voer met stuurman Dirkz mede naar +het schip "de Spiegel". + +"Vader," zeide Engel tot den Admiraal, "wij hebben een neger +meegebracht, die u verlangt te spreken." + +"Een neger?" vraagde De Ruyter. "En wat moet die van mij hebben?" + +"Hij zegt, dat hij een oude kennis van u is," vervolgde Engel. + +"Een neger? Een oude kennis? En spreekt hij Hollandsch?" + +"Voorzeker, vader, anders hadden wij hem niet kunnen verstaan." + +"En hoe heet hij?" + +"Jan Company, en hij heeft als knaap met u ter zee gevaren en +gespeeld." + +"Jan Company!" riep De Ruyter verwonderd uit. "Onmogelijk! Maar laat +hem hier komen." + +Verbaasd keek de neger op, toen hij in de sierlijke kajuit van den +Admiraal kwam, maar nog meer verbaasd staarde hij eenige oogenblikken +den deftig gekleeden De Ruyter aan. Ook deze beschouwde den neger +aandachtig; eindelijk zeide hij: + +"En je zegt, dat je Jan Company bent, dien ik als knaap in _Vlissingen_ +heb leeren kennen?" + +De neger antwoordde hem niet, maar trad op den zeeman toe, sloot hem +in zijn armen en riep uit: + +"Ja, ja, het Michiel is, Michiel, mijn oude vriend! O, wat ikke blij +ben, dat ikke jou nog eens mag zien. Dat ikke jaren lang gewenscht +heeft! Maar ikke nooit gedacht had zóó." + +"Mijn goede, goede Jan!" zeide De Ruyter, terwijl hij hem hartelijk +de hand drukte. "Wel ouder geworden, maar niets veranderd. En wat +doe je tegenwoordig voor den kost?" + +"Ikke onderkoning is in de land," antwoordde Jan Company. + +"Wel, dan heb je het waarlijk verder gebracht dan ik," zeide De Ruyter +lachend. "Ik zal dan wel gedwongen zijn, Uwe Majesteit tegen je te +zeggen. Wel, Uwe Majesteit, hoe heeft Uwe Doorluchtigheid het gemaakt, +sedert ik het genoegen niet gehad heb Haar te zien." + +"O, jij nog altijd de oude guit van een Michiel bent," hervatte de +neger grinnikend, terwijl hij zijn witte tanden liet zien. + +"Ja, Jan! een vos verliest wel zijn oude haren, maar niet zijn oude +streken, zou stuurman Dirksz zeggen. Maar ga zitten," hervatte hij +trouwhartig, "en laat ons elkander onder een glas Spaanschen wijn +onze lotgevallen vertellen." + +Daar mijne lezers die van De Ruyter kennen en ik ze van Jan Company +niet weet, zal ik dat verhaal overslaan. Toen de Vice-admiraal +geëindigd had, zeide de neger: + +"Michiel, Michiel! Wat je een groot man bent geworden. Wie dat ooit +hadde gedacht!--Weet je nog wel, je me in _Vlissingen_ met sneeuw +heeft gedoopt [23]?" + +"Of ik dat nog weet?" hernam Michiel de Ruyter. "Dat zou ik +meenen. Toen je zoo schreeuwdet alsof je een mager speenvarken waart; +waardoor Tromp en Piet Hein er op afkwamen en mij braaf de les lazen." + +"En toen je geklimd heeft op dien grooten toren," hernam Jan, +terwijl hij zijn tanden liet zien en in de handen wreef, "en met +steentjes smeet." + +"En toen je dacht, dat het een vogeltje was, ha, ha!" riep De Ruyter +lachende uit. "Maar zeg mij eens, Jan!" vervolgde hij ernstiger. "Je +spraakt daar van dien sneeuwdoop. Heb je er wel eens aan gedacht, +dat je ook in de kerk gedoopt zijt?" + +"Of ikke denk daaraan, Michiel!" hernam Jan Company. "Ikke nog altijd +een Christen ben. Ikke nog "'t Onze Vader" en "'k Geloof in God den +Vader" op mijn duimpje ken.--Maar," vervolgde hij min of meer treurig, +"mijn kinderen en anderen lachen mij uit als ikke spreek er van; en +daarom ikke maar bij mij zelf een Christen is en Onzen Lieven Heer +naar mijn kennis dien." + +"Nu, dat is braaf van je, Jan," hervatte De Ruyter. "En zou je niet +liever mee naar _Vlissingen_ gaan en daar komen wonen?" + +"Neen, Michiel! Ikke niet weer mee naar jou land ga. Ikke hier veel +armer woon dan in jou land, een hut heeft waarin ik haast niet rechtop +staan kan. Maar ikke liever blijf in mijn eigen land. Ikke al zestig +jaar is, en hier onderkoning. Ikke al dikwijls aan de Zeeuwen en +Ollanders veel diensten heb kunnen doen, dat altijd veel pleizier +deed aan mij. Maar ikke nooit gedacht had, jou nog eens levend terug +te zien!" + +De Ruyter liet onzen Jan Company niet gaan, dan na hem rijkelijk +beschonken te hebben met al wat in dat land waarde heeft, en deed, +toen de oude vriend naar den wal terugvoer, tot diens eer eenige +kanonschoten lossen. + +Den volgenden morgen zond De Ruyter 180 man met zes sloepen aan +wal en spoedig gaven zich de daar liggende Engelsche bezetting en +koopvaardijschepen over. + +Op den vijfden November, terwijl men nog bezig was met water te +halen, ging De Ruyters sloep met kapitein Du Bois, Klaas Dirksz, +Joris Andringa, schrijver op De Wilds schip Engel de Ruyter, Pieter +Pietersz en eenige anderen nogmaals aan het vasteland van _Verd_, +om te visschen. Men gebruikte daartoe den zegen (groot vischnet) en +had een rijke vangst, waarover de negers zich zeer verwonderden. De +zwarten gingen achter den zegen staan en vingen de visschen in hunne +kleedjes en kleine schepnetjes of schoten ze met hunne pijlen. + +"'k Woû, dat we eens naar de negorij gingen," zeide Engel tot +Pieter. "Ik vind dat visschen heel aardig, maar ik zou toch graag +ook eens de woningen der zwarten zien." + +"Ik ook," antwoordde Pieter. "Weet je, wat we moesten doen? We +moesten er maar eens naar toe wandelen. Misschien vinden we er dien +ouden neger wel, die zoo'n vriend van je vader is. Hoe heet hij ook +weer?--Jan.... Jan Kampanje." + +"Jan Company, meen je. Dat kon wel zijn. Maar om daar zoo op ons +eigen houtje naar toe te gaan, dat durf ik niet. Je zoudt nooit kunnen +weten. Die zwarten hebben zulke rare kuren. Ze konden wel eens iets +kwaads met ons in den zin hebben." + +"Het zijn geen menscheneters, Engel," hernam Pieter. "Kom, wij moesten +het maar wagen." + +"Jij bent een waaghals, Pieter," zeide Engel. "Ik doe het niet. Mijn +vader zou het mij nooit vergeven, als daar iets kwaads uit +voortkwam. Maar ga jij alleen." + +"Alleen?--Neen, dan wacht ik maar tot de anderen gaan. Zij zullen +toch wel eens genoeg gevischt hebben." + +Het duurde echter nog een heelen tijd alvorens dit het geval +was. Intusschen--aan alle dingen is een end, placht oom Klaas te +zeggen, en zoo was het hier ook. Na de vischvangst begaf men zich +naar de negorij of het dorp der zwarten. Dat bestond uit verscheidene +woningen in den vorm van bijenkorven, terwijl de ingangen zoo laag +waren, dat men er in moest kruipen. En als men er dan in was, dan +kon men er niet recht in opstaan, maar moest op matjes zitten. Ook +waren zij zoo zonderling omheind, dat, als men van het eene naar +het andere of naar een derde wilde komen, men als in een doolhof +verdwaalde. Gelukkig, dat die heiningen niet hoog waren, zoodat de +Hollanders er over heen konden stappen. Het wemelde er van kleine, +zwarte kinderen, die door de geheele negorij als jonge biggen in het +zand kropen, terwijl de negermoeders daarbij lagen, even lui en log +als zeugen. Al voortwandelende, bleven onze zeelieden op eens voor +een der woningen staan, die zich in niets van de andere onderscheidde. + +"Wat zou daar te doen zijn?" zeide Engel, die zich altijd dicht bij +Pieter had gehouden. + +"Misschien hebben ze een zwart kind op zijn naakte lijf getrapt," +gaf Pieter ten antwoord, terwijl hij over een heining stapte, om gauw +bij de hand te zijn. + +"Dat denk ik niet," hernam Engel, "want dan zou dat kleine, zwarte +mirakel wel schreeuwen." + +"Ik zie het al," riep Pieter uit. "Het is de woning van Jan +Kampanje. Kijk, daar staat hij." + +"Inderdaad, hij is het," hernam Engel. + +En het was dan ook zoo. Jan Company, die in zijne woning zat, was, +zoodra hij de zeelieden zag aankomen, daaruit gekropen. + +"Ikke heel blij ben, dat Uwé mij eene bezoek komt brengen. Isse +Mijnheer Michiel de Ruyter niet bij u?" zeide de neger. + +"De Admiraal niet, maar wel zijn zoon," antwoordde Du Bois. "Waar is +Jonker Engel?" hernam hij, rondziende. "Ha, daar is hij. Kom eens hier, +Jonker," vervolgde hij tot den knaap. "Uws vaders vriend, Jan Company, +wenscht u te zien." + +"Ikke de heeren niet durf vragen te komen in mijne huisje," hernam +de neger. "Die te klein is, om te ontvangen de Heeren. Maar zij met +mij moeten meegaan." En dit zeggende, geleidde hij de zeelieden +naar een palmboom, onder welks schaduw allen rondom in het gras +gingen zitten, terwijl Jan Company door zijne slaven of bedienden +negerbrood, van zeker gestampt zaad gebakken, palmwijn en zoete +melk liet aanbrengen. Ook zaten er verscheidene van de notabelen +der negorij, zoo mannen als vrouwen, mede aan en ging het er recht +vroolijk toe. Jan Company was onuitputtelijk in vertellingen van zijne +jeugd; ook toonde hij een uitmuntend geheugen te hebben, daar hij +nog de meeste Vlissingsche straten, kaden en bruggen bij naam wist +te noemen. Niet weinig vermeerderde de vroolijkheid, toen kapitein +Du Bois het brood, de kaas, den wijn en den brandewijn liet halen, +die men van boord had medegebracht en die den zwarten heeren en dames +recht goed schenen te smaken. Zoo bleef men bij elkander tot de avond +begon te vallen; toen maakte men zich gereed, weder naar boord te +varen. Jan Company vergezelde hen tot aan het strand en verzocht hun +nog vele groeten aan zijn ouden vriend De Ruyter te doen, hetgeen men +hem beloofde. Zeer tevreden over dat uitstapje, kwam men aan boord van +"de Spiegel" terug. + +Van _Goeree_ stevende De Ruyter naar de rivier _Sierra Leona_, alwaar +hij de Engelsche koopwaren in beslag nam; van daar naar de _Goudkust_, +waar hij het kasteel _Witsen_ of _Tokkary_, door de Engelschen aan de +W. I. Compagnie ontnomen, heroverde en slechtte; en eindelijk naar +_St.-George d'Elmina_, waar hij de Britsche vesting _Kormantijn_ +aantastte en nam. Nadat hij alzoo onze bezittingen in _Afrika_ van +den overmoed der Britten had verlost, stevende hij naar _Barbados_ in +_Amerika_, alwaar hij insgelijks den hem gegeven last volbracht en zich +ook van eenige Engelsche schepen meester maakte. Hier kreeg hij bevel, +om naar het vaderland terug te keeren. Daar hem ook kort daarop het +bericht gewerd, dat de oorlog tusschen _Engeland_ en de republiek was +uitgebarsten, vond hij het ongeraden, het _Kanaal_ door te stevenen, +zeilde dus achter _Ierland_ om en kreeg te _Bergen_ in _Noorwegen_ +de tijding van een overwinning, door de Engelsche vloot op de onze +behaald, en die ik u in het volgende hoofdstuk zal vertellen. Hij +besloot dus niet in _Texel_ binnen te loopen, maar naar de _Eems_ te +zeilen. Doch ook dit zou weinig hebben gebaat, indien de Voorzienigheid +niet voor onzen held had gewaakt. De Engelschen toch loerden aan +alle kanten op den terugkeerenden Admiraal. Een zware mist belette +hun echter de onzen te zien; daarenboven veranderde de wind ieder +oogenblik, waardoor zij de Engelschen en dezen hen telkens miszeilden; +en zoo kwamen zij den zesden Augustus 1665 met negentien schepen, +waaronder vijf prijzen, behouden in de _Eems_ en binnen de haven van +_Delfzijl_ aan. "'t Is God alleen," riep de vrome Vice-admiraal uit, +toen men hem geluk wenschte met zijne wonderbare ontsnapping. "'t Is +God alleen, die ons buiten het gezicht van onze vijanden geleid heeft. + + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + +Waaruit blijkt, dat het hier niet altijd voor den wind ging. + + +Het wordt thans tijd, dat wij ruim een half jaar achteruitgaan, +en onzen lezers iets mededeelen van het gebeurde hier te lande in +dien tusschentijd. + +Nauwelijks hadden de schepen, door De Ruyter genomen maar weder +vrijgelaten, de tijding in _Engeland_ gebracht van hetgeen er op de +kust van _Guinea_ gebeurd was, of de vloot des konings werd in zee +gezonden en honderden onzer koopvaarders genomen. Aan beide zijden, +zoowel in _Engeland_ als hier te lande, had men zich geducht ten +oorlog toegerust. De listige Karel II echter wachtte nog met de +oorlogsverklaring, totdat hij onzen handel een gevoeligen slag had +toegebracht. Daartoe gaf hij last aan den _Engelschen_ Schout-bij-nacht +Allen om de rijke Smyrnasche vloot, die op hare huisreis was, +te bemachtigen. Niet lang behoefde Allen op haar te wachten; want +weldra, op den 29sten December, verscheen zij, 30 koopvaarders sterk +en geleid door slechts drie oorlogsschepen onder kapitein Pieter van +Brakel. Geen wonder, dat de overmoedige Brit reeds waande meester te +zijn van die vloot. Doch hij had buiten den waard gerekend; want niet +alleen de drie oorlogsschepen vochten woedend als getergde leeuwen; +maar ook de koopvaarders verdedigden zich zoo dapper, dat er slechts +drie hunner den Engelschen in handen vielen. Van Brakel sneuvelde en +Jan Poelofsz van Hoorn, door vier Engelsche schepen omringd verdedigde +zich uren lang tegen de overmacht en verliet zijn schip niet, dan +toen het met een groot aantal van de daarop overgesprongen vijanden +in de diepte der zee zonk. + +Zoodra men hier de tijding van deze schandelijke vredebreuk vernomen +had, bevalen de Staten onzen zeehoofden, insgelijks alle Britsche +schepen aan te vallen en op te brengen, terwijl Karel II nu het masker +afwierp en ons den oorlog verklaarde. + +Ongelukkig heerschte in onze Republiek de oude verdeeldheid: +rampzalige naijver tusschen de verschillende provinciën: gevolg van +het gemis van een enkel opperhoofd--een Admiraal-generaal. Wel hadden +de admiraliteiten, op aansporing van den steeds onvermoeiden Johan +De Witt, krachtig medegewerkt tot den bouw en de uitrusting der +vloot; maar over het benoemen van een opperhoofd was men het niet +eens. _Zeeland_ kon maar niet verkroppen, dat, in den oorlog tegen +_Zweden_ aan De Witt de voorgang boven Jan Evertsen was geschonken, +en benoemde dezen tot Luitenant-admiraal, met het doel om hem, na +Wassenaar, het tweede bevel op 's lands vloot te doen voeren. Daarop +benoemde men in _Holland_ tot dezelfde waardigheid Kortenaar, De +Ruyter en Meppel, en in _Friesland_ Auke Stellingwerf. Nog werden +in _Holland_ Cornelis Tromp, Van Nes en Schram, en in _Zeeland_ +Coenders tot den rang van Vice-admiraal verheven. Zoo waren er dus op +de vloot vier Luitenant-admiraals, terwijl er nog twee buitenslands +zich bevonden. Waarlijk, mijne jonge lezers, het had veel van uw +soldaatje spelen. Dan zijn er dikwerf vijf, zes of zeven officieren +bij vier, vijf of zes manschappen; want ieder wil gaarne officier zijn. + +Den 23sten Mei liep onze vloot, bestaande uit 103 schepen met +5000 stukken geschut en 21000 man uit. Stilte en tegenwind echter +beletteden onzen Admiraal, onze kusten te verlaten en den vijand +op te zoeken. Eindelijk ontmoette men de Engelsche vloot onder 's +konings broeder, Jacobus [24], hertog van _York_ en Groot-admiraal +des rijks, en Prins Robert, zoon van den verdreven en gestorven koning +van _Bohemen_. + +Den 13den Juni, met het aanbreken van den dag, raakten de beide vloten +slaags. Maar noodlottig was voor ons de uitslag van dit gevecht. Op +last der Staten, die gaarne aan al de gewesten genoegen wilden geven, +had Wassenaar de vloot in niet minder dan zeven eskaders verdeeld, +en dit verzwakte natuurlijk de eenheid in werking, zoodat de meeste +eskaders op zich zelf handelden. Daarbij kwam, dat, reeds te vijf uren +in den morgen, Kortenaar sneuvelde en diens stuurman, die het bevel +overnam, zich lafhartig buiten het gevecht hield. Wassenaar echter +kweet zich kloekmoedig, doch ongelukkig vloog hij met zijn schip +in de lucht. Hierop heesch de trouwelooze stuurman van Kortenaar de +admiraalsvlag in top en nam de vlucht. De anderen, niet wetende of +Evertsen dan wel Tromp het opperbevel had, volgden hem en spoedig was +het wijken algemeen. Slechts aan den moed van de opperbevelhebbers en +enkele kapiteins hadden wij het te danken, dat ons verlies niet meer +dan zestien schepen bedroeg. Vooral Tromp, die met eenige weinigen de +achterhoede uitmaakte, weerde den vijand het langst af en bracht het +grootste deel der vloot behouden binnen _Texel_, waar de afgevaardigden +der Staten zich bevonden, die, reeds van de nederlaag verwittigd, +zich derwaarts hadden begeven, om orde op de zaken te stellen. De +moedige Johan de Witt, die zich onder hen bevond, was te _Petten_ +in een visschersboot gegaan en naar onze vluchtende schepen gevaren, +ten einde hen te bewegen, het gevecht te hervatten. Hij ging op +het achterste dier schepen over en was daarop gebleven (ook toen +het aan den grond raakte en in gevaar kwam om genomen te worden) +tot hij het binnen _Texel_ had gebracht. Jan Evertsen had met een +tiental andere vaartuigen behouden de _Maas_ bereikt. Voor Wassenaar +werd door de Staten in het koor der Groote kerk te 's-_Gravenhage_ en +voor Kortenaar door de Admiraliteit van de _Maas_ in de Groote kerk te +_Rotterdam_ een praalgraf opgericht. Sommige der Scheepsbevelhebbers +werden om hun in dien strijd gehouden gedrag met den dood andere met +eerloosheid en verbanning gestraft. + +In het voorbijgaan moet ik u nog doen opmerken, dat vele kapiteins +zich slecht gedragen hadden, niet uit lafhartigheid, maar omdat zij +der Oranjezaak waren toegedaan. Zeker een heel verkeerde manier om +den Prins dienst te bewijzen. Ja, er waren er ook nog, die bij de +versterking der gehavende vloot weigerden in dienst te gaan, anders +dan onder 's Prinsen vlag; terwijl op het schip van Tromp de matrozen +geen anker wilden winden dan in 's Prinsen naam. + +Intusschen ging men met den meesten ijver voort aan het herstellen +der geledene schade. Nu moest men een vlootvoogd kiezen, en daar men, +na den ongelukkigen zeeslag tusschen Wassenaar en York, vooral aan +Tromp het behoud der vloot te danken had, daar de liefde, die het +scheepsvolk voor zijn vader had gekoesterd, op hem was overgegaan, zag +men zijne Prinsgezindheid over het hoofd en gaf hem het opperbevel, +onder voorwaarde, dat het slechts in naam bij hem zou berusten, en +in de daad bij drie gevolmachtigden der Algemeene Staten, Huijgens +wegens _Gelderland_, Johan de Witt wegens _Holland_ en Boreel wegens +_Zeeland_. Tromp snelde naar de vloot, bevelhebbers en matrozen waren +in hun schik en de vloot lag gereed om uit te zeilen. Dit was juist +op het tijdstip van De Ruyters terugkomst te _Delfzijl_. Gaan wij nu +ook derwaarts en zien wij, wat daar voorviel. + +Wij vinden boven op de kampanje onzen Pieter en Jonker Engel, ieder +op een rol touwwerk gezeten, met elkander aan het praten. Het was +Donderdag den 6den Augustus 1665, ongeveer zes uren, dus twee uren na +hunne aankomst te _Delfzijl_. Het was heerlijk weder en de Augustuszon +scheen zoo liefelijk op het dek, dat de beide vrienden er zich lekker +in koesterden. + +"Dat is ander weer dan wij op zee hebben gehad, Engel," begon +Pieter. "Zoo'n akeligen kouden mist, en dan--men kon geen hand voor +oogen zien. Ieder oogenblik dacht ik, dat wij op de een of andere +ondiepte zouden stooten." + +"Ja, als uw oom niet aan het roer had gestaan, Pieter! Dan had er +gevaar kunnen zijn," zeide Engel. + +"Alsof uw vader zich rustig en stil in zijn kampanje hield, niet +waar? Waarlijk hij mag nu wel wat rust genieten, de goede man." + +"Rust? Ach, wanneer zal vader dat woord eens anders dan bij naam +kennen? Hij zit nu reeds zijn brieven te schrijven aan de Heeren +Staten-Generaal, waarin hij hun verslag geeft van hetgeen wij in +_Afrika_ en _Amerika_ verricht hebben. Verder brieven aan de Heeren +Raden der Admiraliteit te _Amsterdam_, aan de Heeren Staten van +_Groningen_ en _Ommelanden_, en aan die van _Friesland_." + +"Eilacy! Dat zal hij toch wel door den schrijver laten verrichten." + +"Natuurlijk. Maar hij moet ze hem toch voorzeggen en daarbij het +scheepsjournaal raadplegen," hernam Jonker Engel. "Kijk eens, Piet," +vervolgde hij, terwijl hij naar den wal wees. "Daar komt waarlijk +reeds bezoek aan ons boord. Vader merkt het al en laat de statietrap +uitzetten." + +"Dat is een deftig heer, die met zijn gouden gegallonneerden rok," +zeide Pieter. "Misschien wel een lid der Staten-Generaal." + +"Kan het ook de Raadpensionaris wezen?" vraagde Jonker Engel. "Hij +schijnt ten minste de hoogste van den troep." + +"De Raadpensionaris?" riep Pieter lachende uit. "Neen, dien ken ik +wel. Ik heb hem te 's-_Gravenhage_ menigmaal gezien. Die ziet er veel +eenvoudiger uit." + +"Waarschijnlijk is het dan de kommandant van _Delfzijl_," hervatte +Jonker Engel. + +En waarlijk had Jonker Engel het geraden; want het was de heer Schay, +bevelhebber van _Delfzijl_, die met eenig gezelschap aan De Ruyters +boord kwam, om hem met zijne behouden terugkomst te begroeten. + +"Nu komen zij vader nog storen," hervatte Jonker Engel, toen de heeren +de kampanje binnen waren. + +"Het is toch een teeken van groote belangstelling in den +Vice-admiraal," vond Pieter. + +"Dat is het. Maar vader heeft nu zijn tijd wel noodig. Intusschen +zal hij den schrijver wel reeds de noodige instructiën gegeven +hebben. Kijk eens, Pieter! daar komen nog andere lieden aan. Het +lijken wel kooplieden en gegoede burgers." + +"Daar is ook een boer bij," riep Pieter uit. "Zij komen regelrecht +op ons schip af." + +En zoo was het ook. Ja, toen de aankomst van De Ruyter bekend werd, +stond het eenige dagen letterlijk niet stil van bezoekers, uit +steden en dorpen, edel en onedel, allen wilden den geliefden man +hunne blijdschap betuigen; en niet alleen mannen maar ook vrouwen, +ja "menigte van deftige en eerlijke vrouwen vielen De Ruyter om den +hals en kusten hem naar 's lands wijze, alsof ze hun vader of broeder, +uit gevaar des doods ontkomen, bewellekoomden." + +Gaarne zou ik hier langer met u vertoeven, doch wij moeten voortgaan. + +De Staten-Generaal hadden niet zoodra de tijding van De Ruyters +behouden terugkomst vernomen, of zij besloten, op voordracht van +_Amsterdam_, hem in plaats van den gesneuvelden Wassenaar-Obdam te +benoemen tot Luitenant-admiraal van _Holland_ en _West-Friesland_ +en hem het opperbevel over de vloot, die te _Texel_ zeilreê lag, +op te dragen. Dezen lastbrief ontving onze De Ruyter den 13den +Augustus. Den vorigen dag was er heel wat op de vloot te doen +geweest. Het scheepsvolk namelijk, dat door zulk een lange reis de +zee moede was geworden, wilde aan land en naar huis. Kort daarop +kwamen er drie Heeren gevolmachtigden van de Staten-Generaal te +_Delfzijl_, om het volk te monsteren, en zeiden den schepelingen +aan, dat zij de schepen naar _Texel_ of het _Vlie_ moesten brengen, +met belofte dat men dan ieder naar de zijnen zou laten vertrekken, +doch dat men ze, op maandelijksche gage, tot nader orde en tromslag +in dienst hield. Op de Amsterdamsche schepen toonde zich het volk vrij +gewillig, maar op het schip van Van der Zaan en op de Rotterdamsche en +Noordhollandsche schepen sloeg men aan het muiten, en wel op aanstoken +van een Delvenaar, den matroos Jan Janszoon de Werelt van het schip +"Louise", die op verscheidene schepen had uitgestrooid, dat men hen +naar _Texel_ op de oorlogsvloot zou brengen en die hun had gevraagd, +of zij er niet voor bedankten om doodgeschoten of gevangengenomen +te worden; want het gerucht had zich verbreid, dat de Nederlandsche +krijgsgevangenen in _Engeland_ zeer slecht werden behandeld. Op het +schip van Van der Zaan en op de Rotterdamsche schepen werd het volk +tot bedaren gebracht. Maar van de Noordhollandsche schepen liep +genoegzaam de geheele bemanning weg. De muiter echter werd in een +sloep achterhaald, gevangengenomen, en te _Rotterdam_ opgehangen. + +Het was op Vrijdag den 14den Augustus, dat de drie gevolmachtigden +bij den nieuwbenoemden Luitenant-admiraal aan boord kwamen, om hem +geluk te wenschen met die benoeming. + +"Zal je vader het Luitenant-admiraalschap aannemen?" vraagde Pieter aan +Jonker Engel, die bij hem kwam, terwijl hij zich bij het roer bevond. + +"Daar twijfel ik niet aan," gaf Engel ten antwoord. + +"Hij zal toch wel naar huis verlangen, na een afwezigheid van vijftien +maanden." + +"Dat kun je denken, Pieter," hernam Engel. "Maar dat weet je: waar +plicht gebiedt, daar zwijgen bij vader alle andere roepstemmen." + +"En waar het vaderland zijn diensten vraagt, is de Luitenant-admiraal +De Ruyter nooit achterlijk gebleven," voegde oom Klaas er bij. "Een +braaf man en een trouwe kerel, uw vader." + +"Dat is hij, Klaas Dirksz," zeide Jonker Engel, "en ik reken mij +gelukkig zulk een vader te hebben." + +"'t Zal mij veel kosten, hier te blijven, terwijl onze Admiraal naar +_Texel_ gaat," hernam oom Klaas. + +"Dat zal wel niet noodig zijn, stuurman," hervatte Jonker Engel. "Als +de Scheepsraad, die zoo straks bijeenkomt, het goed vindt, zal ieder, +die wil, met vader kunnen meegaan." + +"Dan ben ik een der eersten," riep Dirksz uit, terwijl zijn gelaat +verhelderde. "Met mijn Luitenant-admiraal ga ik ter overwinning of +in den dood." + +"En ik ga ook mee," zeide Pieter. "Ten minste als jij niet hier +blijft, Engel." + +"Hoe komt je dat in de gedachten, Pieter? Denk je, dat vader alleen +zal vertrekken en mij achterlaten?" + +"En zullen wij spoedig gaan?" vraagde Pieter. + +"Nog heden. Doch daar komen de kapiteins al aan boord. De zitting +van den scheepsraad zal wel niet lang duren." + +Acht en dertig vrijwilligers, zoo bevelhebbers als matrozen, gaven +zich aan om met den geliefden Admiraal opnieuw het leven te wagen +voor het Vaderland. Onder hen bevonden zich, behalve Pieter en oom +Klaas, ook de Vice-admiraal Van Nes, Graaf Johan Belgicus van Hoorne, +Jonker Reinoud van Koeverden en de schrijver van het schip van De Wild, +later secretaris bij De Ruyter. Van boord varende, deden al de schepen +saluutschoten; te _Delfzijl_ waren al de soldaten ter eere van den +Luitenant-admiraal onder de wapenen en loste men het geschut. Met +twee trekschuiten vertrokken zij naar _Groningen_ en van daar over +_Dokkum_ naar _Leeuwarden_, _Franeker_ en _Harlingen_; terwijl zij den +nacht doorreisden, zoodat zij reeds den volgenden dag na den middag +in laatstgenoemde stad waren. In al de steden, welke zij doorvoeren, +werden zij door een grooten toeloop van volk en met uitbundig gejuich +begroet en, zooveel de snelheid hunner reis het toeliet, door de +vroedschap onthaald. Nog denzelfden avond gingen zij onder zeil naar +_Texel_, waar zij den volgenden dag aankwamen, De Ruyter den eed in +handen van de gevolmachtigden der Staten-Generaal aflegde en het +volk zich op de twee fregatten begaf, die men voor hen te _Texel_ +had laten liggen. Door tegenwind teruggehouden, kwam men eerst in den +ochtendstond van den 18den op de vloot, aan boord van het schip "de +Liefde", waar de Luitenant-admiraal door de gevolmachtigden der Heeren +Staten Johan de Witt, Huijgens en Boreel hartelijk verwelkomd werd. + +Daar was intusschen op die vloot wat voorgevallen. Nauwelijks toch +had Tromp de benoeming van De Ruyter tot opperbevelhebber vernomen, +of hij gevoelde zich, niet ten onrechte, diep gekrenkt en zwaar +beleedigd. Men had hem immers het opperbevel over 's lands vloot +opgedragen en hij had haar in orde gebracht. Hoe kon men hem dan zoo +wederrechtelijk dat bevel ontnemen?--Terstond diende hij zijn ontslag +in, ten minste voor dezen tocht; maar op aanhouden der Staten-Generaal +en hunne gemachtigden liet hij zich overhalen op de vloot te blijven +en ontving den nieuwen opperbevelhebber zeer beleefd op zijn schip. + +Het heeft u misschien verwonderd, dat de Raadpensionaris zelf op +de vloot was, en inderdaad, gij zijt de eenigen niet. Er waren ten +jare 1665 velen hier te lande, wien het verwonderde, en die het De +Witt afrieden met alle kracht van redeneering; die hem onder het oog +brachten, hoe hij zich aan het gevaar van stormen en de kogels der +vijanden blootstelde, zonder te bedenken, wat er aan hem zou verloren +worden. Maar hij antwoordde: "dat de behoudenis van zijn persoon en +zijn geluk aan het behoud van den Staat hing, en dat de goede of kwade +uitkomst van een zeeslag beiden zou behouden of verderven. Daarom +was hij op de vloot gegaan, om de dapperen aan te moedigen en de te +voortvarenden te matigen." + +En dat hij met hart en ziel het heil van 's Lands vloot zocht, dat +had men op den 14den Augustus gezien, toen hij bewees, dat men, niet +zooals de meest ervaren zeelieden tot hiertoe gemeend hadden, slechts +met tien streken van het kompas [25] het gat van Texel kon uitvaren, +maar, zooals hij door nauwkeurig mathematisch onderzoek gevonden had, +met acht-en-twintig. De oudste en knapste loodsen lachten hem over +die bewering in het gezicht uit. Maar De Witt stoorde zich daaraan +niet. Hij zelf ging aan het roer staan van "de Delfland", terwijl +de Heer Van Haaren "Het huis te Swieten" voor zijne rekening nam. En +zoo bracht de schrandere man, tot verbazing van allen, de vloot nog +dienzelfden dag in zee. + +De Ruyter bleef niet op het schip "de Liefde", maar begaf zich nog +denzelfden dag met de drie gevolmachtigden op het schip "de Delfland", +waarheen ook Klaas en Pieter hem vergezelden. De vloot, vooral door +de zorg van De Witt binnen acht weken weer in zee gebracht, bestond +nu uit drie-en-negentig oorlogsfregatten, voorzien van 4337 stukken +geschut en bemand met 19635 koppen. Zij was verdeeld in vier eskaders, +elk onder een Luitenant-admiraal, en wel onder De Ruyter, Cornelis +Evertsen, Cornelis Tromp en Tjerk Hiddes de Vries. + +Veel echter richtte deze vloot dit jaar niet uit; een zware storm +noodzaakte haar, om zwaar beschadigd naar hare havens terug te keeren. + +Nog hadden wij in het zelfde jaar een tweede oorlogsverklaring +gekregen, en wel van Barend van Galen, den oorlogzuchtigen bisschop +van _Munster_, die nog een ouden wrok tegen den Staat gevoelde, en door +_Engeland_ was opgezet en met geld werd ondersteund. Alles was hier aan +de zeemacht opgeofferd, zoodat het met de landmacht ellendig gesteld +was. Barend van Galen veroorzaakte ons veel schade; gelukkig echter +werd de vrede met hem den 18den April van het volgend jaar gesloten. + + + + +ELFDE HOOFDSTUK. + +Wat er met den Prins op het buurtmaal voorviel en wat de +Raadpensionaris daarover zeide. + + +In den tijd, waarvan wij spreken, waren de buurtvereenigingen nog +in vollen bloei. Buurtvereenigingen of buurten waren genootschappen, +ontstaan door vrije overeenkomst van in elkanders nabijheid gelegene +stadsgedeelten of wijken, wier bewoners zich verbonden tot onderlinge +goede verstandhouding, het verleenen van wederkeerige hulp en het +handhaven der orde binnen de buurt. De bepalingen daartoe, vervat +in een "brief" of "kaart," werden meestal aan de goedkeuring van den +Magistraat onderworpen en hadden slechts dan verbindende kracht. De +stad 's-_Gravenhage_ was toenmaals verdeeld in 71 buurten, waarvan de +_Hofbuurt_ (_Binnen-_, _Buitenhof_ en _Hofsingel_) en de _Illustre +Parelbuurt_ (_Voorhof_ en _Vijverberg_) de voornaamste in rang +waren. Sommige dier buurten waren nog gescheiden in twee gedeelten. Zoo +bevatten de _Hofbuurt_ en _Parelbuurt_ twee vereenigingen: die voor +Heeren-burgers en die voor Burger-burgers; zoo hadden enkele buurten, +b. v. het _Voorhout_, eene vereeniging voor gehuwde mannen en een +voor ongehuwden, _Jonkmansbuurt_ genaamd. Aan het hoofd van elke +buurt stond een bestuur, "officier en regenten der Buurt" geheeten, +hetwelk was samengesteld uit een deken (ook wel "President van de +Buyrte" genoemd), twee, vier of zes Hoofdlieden (die ook den naam +van "vredemakers" droegen) en één Secretaris (die in de _Hofbuurt_ +den titel van griffier voerde). Zelfs hadden sommige buurten, onder +andere de _Hoogstraat_, haren advocaat. De deelneming als lid der +buurt was vrijwillig; evenwel moest men bewoner van de buurt zijn, +en werd er bij stemming over het toetreden tot het lidmaatschap +geballoteerd. Wie niet goed van gedrag was, geen goeden naam had, +als onaangenaam in den omgang bekend stond, of om andere redenen +geen genoegzaam aantal stemmen kreeg, mocht geen lid worden. Ook kon +men van dat Lidmaatschap vervallen worden verklaard, tot straffe +voor het niet voldoen aan de vastgestelde wetten, keuren, boeten +of ordonnantiën. Elk lid nam op zich te betalen een wekelijksche +of maandelijksche contributie, die verschillend was naar de buurten +[26], f 3 bij het koopen en evenveel bij het verkoopen van een huis, +en een vastgesteld geld bij huwelijken, geboorten of begrafenis. Het +doel dezer buurtvereenigingen was onderlinge hulp en bevordering der +vriendschap; ook het handhaven van vrede en rust in de buurt. Wanneer +twee buren twist hadden, begaven zij zich naar de Hoofdlieden, die +trachten hen met elkander te verzoenen. Verkozen zij daarnaar niet +te luisteren en brachten zij de zaak voor het gerecht, dan betaalden +zij eene boete van drie gulden. Wie zijn vrouw "smeet ofte sloeg, +dat daar een straatgerucht uit voortquam" verbeurde een vette ham +of ten minste f 3 (in andere buurten f 1.50), voor het "kyven met +anderen in de buyrt" 12 stuivers, schelden 6 stuivers, bedreiging +f 1.50, slaan f 3; kwam men bij brand niet op, dan verbeurde men +24 stuivers. Al die boeten gingen bij de inkomsten, en van al die +ontvangsten werden jaarlijks maaltijden aangericht, waaraan al de leden +der buurt met hunne vrouwen deelnamen. Somtijds hield men om de twee +of drie jaren een maaltijd, waarbij de bewoners van andere buurten +genoodigd werden. De maaltijden duurden gewoonlijk drie, wel eens +vier dagen. Bij sterfgevallen waren de buren verplicht als dragers te +assisteeren, waarvoor de betrekkingen van den doode een zekere somme +gelds naar believen aan den buurt-secretaris ter hand stelden. Deze +betaalde daarvan den dragers f 1 of meer en stortte het overige in +de kas. Ook bij brand moesten de buurtlieden opkomen ter blussching, +waarvan echter zij, die aan het stadhuis verbonden waren of tot de +schutterij behoorden, waren vrijgesteld. De afgetredene hoofdlieden +waren brandmeesters. Nog had de buurt een knecht, die zorgen moest voor +het aanzeggen der dooden, het oproepen der dragers en het uitdeelen +en ophalen der buurtpenningen, die dezen aan huis werden bezorgd [27]. + +Wij willen dan eens den _Nieuwen Doelen_ binnentreden en ons naar +dezelfde zaal begeven, die wij in een vroeger werkje [28] reeds eenmaal +zijn ingetreden. Het is de 24ste November van het jaar 1665, de tweede +dag van den ditmaal gevierd wordenden maaltijd. Het is dit jaar een +luisterrijk festijn; veel kostbaarder dan gewoonlijk. En geen wonder; +want een paar hooggeplaatste personages, ook leden der buurt, zullen +de maaltijden bijwonen: Prins Willem Hendrik en de Raadpensionaris +Johan de Witt met zijne echtgenoote Wendela, de dochter van den +Amsterdamschen burgemeester Bicker. De Witt heeft dan ook, in plaats +van de f 15.60 die hij als lid der buurt moest betalen, niet minder +dan 19 Dukatons (f 59,85) gegeven: terwijl de Prins, behalve een nog +veel aanzienlijker gift, door zijn kok verscheidene schotels heeft +laten gereedmaken, welke hij naar den _Doelen_ heeft gezonden. "Door +zijn kok?" hoor ik u vragen. Welzeker, de vijftienjarige knaap houdt er +reeds een heele hofhouding op na. Behalve zijn goeverneur Zuijlestein, +zijn schrijver en Raad Wildertz, zijn kamerdienaar Karel Pietersz +en de andere bedienden, bekleedt de Heer van Heenvliet bij hem den +post van opperstalmeester, Boreel dien van hofmeester, Bromley, een +Engelschman, en Buat, die vroeger reeds als page bij zijn doorluchtigen +vader Willem II in dienst is geweest, die van edellieden van zijn +huis. De baron Van Freisheim is sedert den 27sten April als vendrig +in dienst van den Staat. Hoeveel de Prins steeds van dezen hield, +getuigen nog zijne aan den jongen baron gerichte brieven, waarin zijne +Hoogheid den lossen Freisheim menige vriendelijke vermaning geeft. + +Maar keeren wij tot de zaal van den _Nieuwen Doelen_ terug, die sedert +1648 steeds voor deze gelegenheden gebruikt wordt, in plaats van de +Casteleneye van _Holland_, welke vóór dien tijd tot dat doel werd +ingericht. Ook heeft men in de _Hofbuurt_ voor ditmaal het gebruik +afgeschaft, dat ook in de andere buurten bestaat: namelijk, dat ieder +genoodigde zijn eigen servet, mes en lepel moest medebrengen. Wij +treden de zaal binnen op het oogenblik, dat de gasten boven komen, +die reeds vroeg in de benedenzalen vergaderd zijn geweest; alwaar +de mannen onder het "drinken van toeback", die in looden potten +aanwezig is, en de vrouwen bij het gebruik van een glaasje "malvezy +ofte spaensen wijn" en kandeel en een aangenaam buurpraatje, sedert +tien uren den tijd hebben gesleten. + +De zaal is verlicht met tallooze waskaarsen en schoon versierd +met de kleuren van het Huis van _Oranje_. In het midden staat de +tafel, waarop een rijkdom van schotels: heerlijke ossenrolenden, +speenvarkens, kalfsschijven en vette hammen als vleeschspijzen;--hazen, +konijnen en een reebout als wild;--kalkoenen, hoenders, duiven, +als gevogelte;--zee- en riviervisch en vooral "oysters" [29], zoo +versch als gebraden, als waterproduct;--gort, erwten en boonen, op +verschillende wijzen toebereid, salade en radijs als veldvruchten +voorkomen. Verder het dessert, bestaande uit peren, appelen, noten, +druiven [30] en mispelen, en uit een menigte taarten en gebakken, als: +"Spaens banquet," "ordinair banquet van appelen" en "taartenbanquet," +"marsepeynen," "gestoffeerde poddings", "pasteyen", "eyerkoeken" +en heerlijke confituren. Gij ziet, dat er genoeg te eten is, en te +drinken ook; want die lange fluiten zijn voor verschillende Fransche +wijnen, voor "Spaensen" en "Rhijnschen" wijn, en die kroezen voor +"Haagsch, Dorts, Bergs of Hamburgs" bier. Om de tafel heen staan +stoelen met zachte kussens, en de tafel zelf is met een helder wit +tafellaken gedekt; de schotels en borden zijn van tin. + +"Zijne Hoogheid toeft vandaag lang," begon de advocaat Moleschot, de +aftredende deken van dat jaar. "Zij zal, hoop ik, toch wel deelnemen +aan ons festijn." + +"Voorzeker," zeide Cimon van Middelgeest, een der hoofdlieden. "Ik +weet zeker, dat Zijne Hoogheid zal komen." + +"Maar de Raadpensionaris zal heden niet paraisseeren," verzekerde +Johan Houttuijn, een ander hoofdman. + +"Waarom niet?" vraagde Middelgeest. + +"Hij is geïndisposeerd geworden," antwoordde Houttuijn. + +"Geïndisposeerd?" riep Henricus Hondius uit. "Het zal hem gisteren +zeker niet gecoiffeerd hebben, dat wij ons Prinsje wat veel gefêteerd +hebben." + +"De Raadpensionaris is er de man niet naar, om zich daarvoor absent +te houden," bracht Van Limborch in het midden. "Hij weet zeer goed, +dat de _Hofbuurt_ verscheidene leden telt, die der Staatspartij +zijn toegedaan." + +"Meer toch nog den Prins," hernam Hondius. "Bij de meesten is het +nog Oranjeboven." + +"Ieder, die het wel met den Lande meent, zal respect hebben voor +den Oranjestam," hervatte Limborch. "Maar niemand, welke partij hij +ook zij toegedaan, zal den Raadpensionaris minachten, wiens mérite +grooter is dan die van eenig man in de Republiek." + +"En dan die oorlog met Engeland?" vraagde Hondius. + +"Daar heeft toch zijne Edelheid de Raadpensionaris in trouwe geen +schuld aan," antwoordde Limborch. + +"Geen politiek op ons buurtmaal, heeren!" maande een ander hoofdman, +Lintelo van der Ehse aan. "Gij weet zeer goed, dat die onder goede +buren niet te pas komt, vooral niet bij een gelegenheid, welke dient +tot verbroedering." + +"Gij hebt volkomen gelijk," verzekerde de deken. "Doch ik hoor het +rollen eener karos. Het zal Zijne Hoogheid zijn.--Wij zullen komen," +vervolgde hij tot den buurtknecht, die kwam zeggen, dat de koetsen +van Zijne Hoogheid in het gezicht waren. En terstond begaf hij zich +met de vier hoofdlieden naar beneden, om den Prins te ontvangen. De +burgers en hunne dames stelden zich intusschen in een dubbele rij, +die van de deur tot de zitplaats van den Prins liep, en het duurde +niet lang, of de hooge personage kwam met zijn gevolg binnen. Het +was nog altijd dezelfde bleeke, ziekelijke knaap, en het scheen, +dat hij nu nog bleeker zag in dat roode fluweelen wambuis, waarover +een mantel van dezelfde kleur en stoffage was geslagen, met gouden +galons geboord, en welken hij, zoodra hij de zaal binnentrad, aan +zijn kamerdienaar Karel overreikte. Sterk stak de witte satijnen +broek, boven de kuiten met rood satijnen strikken vastgeknoopt, +daarbij af; terwijl de rooskleurige zijden kousen en hooggehakte met +roode strikken voorziene schoenen zijn toilet voltooiden. Achter hem +kwamen Zuijlestein, Heenvliet, Boreel, Buat en Bromley. Vriendelijk +groette de Prins naar beide zijden, terwijl hij zich naar den hoogen +met groen laken bekleeden leuningstoel begaf, die aan de rechterhand +van den President voor hem was gereed gezet. Zoodra hij was gezeten, +namen ook de andere gasten plaats zonder onderscheid van rang of stand; +want, behalve de plaats van den President of Deken, bestond er geene +vooraanzitting hoegenaamd. + +Wij stappen over het eerste gedeelte van den maaltijd heen, en zien +intusschen de tribune boven de deur zich vullen met muzikanten, +die onder het dessert eenige stukken zullen spelen en na den afloop +den danslustigen gelegenheid geven tot het uitvoeren der vroolijke +"sarabandes" of der sierlijke "courantes", dansen, uit het danslustige +_Frankrijk_ overgebracht en toen algemeen in zwang. + +Toen het eerste gedeelte van den maaltijd was afgeloopen, verlieten +de gasten de zaal, om den bedienden gelegenheid te geven de tafel +voor het dessert in orde te brengen, om zich eens te verluchten +en eenige oogenblikken te laten tusschen het eerste en het tweede +gedeelte van den maaltijd. Reeds van den tijd der Graven toch was +het bij onze voorouders de gewoonte, den maaltijd met een dessert te +besluiten. De mannen namen weder hunne pijpen ter hand en stopten die +uit de looden "toebackspotten"; na 1679 gebruikten de dames dan hare +"vrouwtjestoeback, geseyd thee" en na 1693 hare "caffée" of koffie. + +Nauwelijks waren de pijpen opgestoken, of de mannen verzamelden +zich, naar het voorbeeld der vrouwen, in kleine troepen, en de +Prins zag zich omringd van verscheidene heethoofden zijner partij: +Sickinga van Warfsum, Cimon van Middelgeest, Henricus Hondius en +anderen. Zij trachtten den Prins in een politiek gesprek te mengen; +maar deze, wel bemerkende welken weg zij op wilden, was begonnen te +spreken over de heerlijke oesters, die hij had gegeten, en over de +jachthonden, die hij op het _Huis ten Bosch_ had en van welke hij +een menigte anekdoten wist mede te deelen. Intusschen waren de deken +en de hoofdlieden bezig met het opnemen der stemmen voor een nieuwen +deken, in plaats van den Advocaat Moleschot, waarvan de uitslag vóór +het dessert aan de buurtvergadering zou worden kenbaar gemaakt. + +Zoodra de gasten weder waren gezeten, stond de Advocaat Moleschot op +en deelde aan de vergadering mede, dat Zijne Hoogheid Prins Willem +Hendrik met algemeene stemmen tot President of deken was benoemd. + +"Ik twijfel er geenszins aan," vervolgde de deken, terwijl hij zich +tot den Prins wendde, "of Uwe Hoogheid zal zich die benoeming laten +welgevallen en haar beschouwen als een blijk van de innige affectie +der _Hofbuurt_ tot het Doorluchtige huis, waarvan Uwe Hoogheid de +afstammeling is." + +"Ik ben gevoelig, mijnheer Moleschot," antwoordde de Prins, terwijl +hij van zijn zetel oprees, "ik ben gevoelig voor de eer, mij door +mijne geaffectioneerde vrienden van de _Hofbuurt_ bewezen, en ik zie +geene oorzake om niet aan de roeping te beantwoorden, die tot mij +komt door uwen mond. Ik neem dus de benoeming aan." + +Een algemeen gejuich volgde op deze woorden. + +"Ik ben u dankbaar voor uwe goede affectie te mijwaarts, goede +vrienden," hernam de Prins, "en, daar wij het privilegie hebben, een +stadhouder [31] te benoemen, zoo installeer ik als zoodanig onzen +geëstimeerden vriend, den Advocaat Moleschot, dien ik verzoek, ook +voor hedenavond mijne plaats te vervullen." + +Deze rede werd weder gevolgd door toejuiching. + +Daarop nam Moleschot het woord. + +"Ik mag de eer dezer benoeming niet weigeren," zeide hij, "en begin, +met u allen te inviteeren, uwe glazen te vullen, en te drinken: +de prosperiteit van onzen nieuwen President!" + +Alle aanwezigen stonden op en dronken op Zijne Hoogheid, met den +uitroep: "Leve de Prins van Oranje!" Te gelijker tijd hoorde men aan +eene zijde der tafel het deuntje aanheffen: + + + "Al is ons Prinsje nog zoo klein, + Alével zal hij stadhouder zijn." + + +waarop de gezichten van hen, die ter Staatspartij waren toegedaan, +betrokken. + +De prins intusschen wenkte met de hand. + +"Goede vrienden," zeide hij. "Ik dank U voor uwe singuliere +affectie. Wat echter die bijzondere uiting uwer sentimenten betreft, +gij vergeet, dat wij hier als goede buurtvrienden bijeen zijn. Ook +kunt gij het niet meenen, dat gij liever een vijftienjarigen knaap aan +het roer van den Staat zoudt zien, dan den waardigen en bekwamen man, +die al zijne krachten wijdt aan de prosperiteit van het Vaderland. Ik +verzoek U dus, als President, uwe glazen nogmaals te vullen en die +met mij te ledigen op het heil van Mijnheer de Witt." + +"Goed gedaan, Willem," fluisterde Zuijlenstein den Prins in het oor, +terwijl niemand der aanwezigen durfde nalaten, den dronk met geestdrift +te beantwoorden. + +"En ik drink op de nobele sentimenten van onzen President!" riep Van +Limborch uit, en ook deze dronk verwekte algemeene goedkeuring. + +Reeds vroeg in den avond vertrok de Prins, daartoe als reden opgevende +zijne zwakke gezondheid. Met hem vertrokken ook Zuijlestein, Boreel, +Heenvliet en Buat, terwijl onze lustige burgers nog uren lang bij +elkander bleven en zich met verschillende spelen onledig hielden. Of +zij ook kaart speelden, durf ik u niet verzekeren; wel zijn kaartspelen +in andere buurten reeds in 1658 in rekening gebracht; in de _Hofbuurt_ +echter komen zij eerst in 1712 voor. Den volgenden dag liet de Prins +zich voor den maaltijd verschoonen: hij lag met zware hoofdpijn te bed. + +Toch had hij zich nog dien morgen naar het huis van den Raadpensionaris +begeven, ten einde naar diens gezondheid te vernemen. Hij trof Johan +de Witt geheel gekleed. + +Toen de Prins binnentrad, was de Raadpensionaris niet alleen in het +vertrek. Een man, wiens kleeding zijn hoogen stand verried, doch wiens +gelaat goedhartigheid en eenvoudige rondheid aanduidde, was bij zijne +intrede opgestaan van den stoel, waarop hij gezeten had. Terwijl De +Witt den Prins een stoel aanbood, wees hij met de vlakke hand naar +dien persoon, en zeide met al de hoffelijkheid, hem eigen: + +"Ik heb de eer, Uwer Hoogheid hier onzen veelbeminden en +hooggerevereerden vriend, den Luitenant-admiraal Michiel Adriaanszoon +de Ruyter [32] voor te stellen." + +"Ha, Mijnheer de Ruyter," zeide de Prins, terwijl hij den ronden +Zeeuw de magere hand reikte, die deze met warmte aangreep. "Het is +mij een singulier genoegen, Uwe Edelheid te rencontreeren. Ik durfde +dat niet verwachten." + +"Uwe Hoogheid is wel goed, dat Zij zulke goede gedachten van mijn +persoon heeft," antwoordde de Luitenant-admiraal bescheiden. + +"Uwe Edelheid zal dan toch eindelijk eens rust nemen," hervatte de +Prins. "Nu, gij moogt die ook wel hebben. Met u is het wel: wie goed +dient, dient nooit genoeg." + +"Waar de Heeren Staten of het Vaderland mij roepen," hernam De Ruyter, +"moet devoir boven gemak gaan. Zoolang God mij het leven behoudt, +hoop ik den lande nuttig te zijn." + +"Braaf gesproken," hervatte de Prins. "O, mijnheer De Ruyter," voegde +hij er met een nauw merkbaren zucht bij, "men moet zich wel gelukkig +gevoelen, als men zoo nuttig kan zijn als gij. Maar," vervolgde hij, +zich tot den Raadpensionaris wendende, "ik zou zoodoende de oorzake +mijner komst vergeten. Mijnheer De Witt! wij misten Uwe Edelheid +gisteren op het buurtmaal. Men zeide mij, dat gij geïndisponeerd +waart. Intusschen reken ik mij gelukkig te zien, dat Uwe Edelheid +weder geheel gekleed is. Waarschijnlijk is dus de indispositie geheel +en al geweken." + +"Uwe Hoogheid is wel goed," antwoordde de Raadpensionaris, "zooveel +attentie voor mijn persoon te toonen, en ik acht mij gelukkig, haar +te kunnen verzekeren, dat de kleine indispositie weder geheel en al +voorbij is. Ik stond juist op het punt, om naar het Binnenhof te gaan." + +"Al weder aan de besognes, mijnheer de Raadpensionaris," zeide de +Prins. "Uwe Edelheid doet te veel. Zij zal zich nog in den grond +werken." + +"Geen nood," hervatte De Witt glimlachend. "Ik heb een ijzersterk +gestel." + +"Gelukkig, wie dat heeft," zuchtte de Prins, hoestend. "Ik zou wel +wenschen in uwe plaats te zijn." + +"Hoe meent Uwe Hoogheid dat?" vraagde De Witt min of meer scherp. + +"Dat ik het gestel van Uwe Edelheid hadde, en dat de arbeid mij niet +zoo fatigueerde." + +"En heeft Uwe Hoogheid zich gisteravond nog al geamuseerd?" vraagde +de Raadpensionaris. + +"Voor zooverre iemand, die altijd met hoofdpijn en hoest geplaagd is, +zich amuseeren kan. Onze vrienden van de _Hofbuurt_ hebben mij wel +tot hunnen President gelieven te benoemen." + +"Dat weet ik," hervatte De Witt. "En ik ben Uwer Hoogheid grooten +dank verschuldigd voor den dronk, dien Zij op mijn welzijn heeft +willen instellen." + +"Uwe Edelheid weet dus reeds...." + +"Ik weet," hernam De Witt met nadruk, "dat Uwe Hoogheid verstandiger +is dan de leden Harer partij, die gaarne ons arm land tot een tooneel +van volkstumult en burgeroorlog zouden willen maken. Geloof mij, +Prins! zij zijn Uwe ware vrienden niet." + +"Ik zal Uwe Edelheid niet langer ophouden," zeide de Prins. "Haar +tijd is te kostbaar. Mag ik U een plaats in mijn karos aanbieden?" + +"Volgaarne, ofschoon het mijn gewoonte niet is om naar mijn bureau te +rijden. Men mag echter wel zien, hoezeer Johan de Witt de vriend is van +den Prins van _Oranje_.--Tot van middag, mijnheer De Ruyter," vervolgde +hij tot den Luitenant-admiraal. "Uwe Edelheid zal mij wel excuseeren." + +"Waar de besognes en het interest van het Land uwe tegenwoordigheid +vereischen, mijnheer de Raadpensionaris," gaf De Ruyter ten antwoord, +"heeft niemand recht U op te houden. Dus tot van middag." + +"Adieu, mijnheer De Ruyter," zeide de Prins, terwijl hij den +Luitenant-admiraal vriendelijk groette. "Ik hoop de eer te genieten, +een bezoek van U te ontvangen." + +"Uwe Hoogheid heeft vóór het dessert een langdurig gesprek gehad +met den Heer Sickinga," begon De Witt weder, toen zij in de karos +zaten. "Heeft die U ook iets medegedeeld ten aanzien van de zaken +in _Friesland_?" + +"In trouwe, wij hebben het zeer druk gehad," antwoordde de Prins. "De +Heer Sickinga beviel mij buitengemeen. Ik had hem vroeger nooit +ontmoet." + +"En hij vertelde U....?" zeide De Witt, terwijl hij den Prins met +zijnen uitvorschenden en doorborenden blik aanzag. + +"O, mijnheer de Raadpensionaris," gaf de Prins op onnoozelen toon +ten antwoord, "hij vertelde mij zulke aardige stukken van zijne +jachthonden.... Doch hier zijn wij er. Ik rijd door naar het _Huis +ten Bosch_, om eens naar de mijne te zien. Uw dienaar, mijnheer de +Raadpensionaris!" + +De Witt steeg uit de karos en werd vervangen door den Heer van +Zuijlestein, die naar het _Huis ten Bosch_ zou mederijden. + +"Niet te doorgronden, een raadsel is die knaap, ook voor mij!" bromde +de Raadpensionaris tusschen de tanden. "Intusschen--hij is nu reeds in +zijn zestiende jaar, en 't zal niet lang meer duren, of hij kan mij +gevaarlijk worden. Daar is maar één middel om dat te verhoeden. Hij +moet worden onttrokken aan de infidentie zijner partij en vooral aan +die van de Engelschen. En dát vóór hij mij boven het hoofd wast. Wij +zullen daar eens rijpelijk en ernstig over denken." + +Met deze woorden trad hij de deur van zijn kabinet binnen, om opnieuw +aan zijne vele besognes te gaan, en--aan zeven secretarissen tegelijk, +zeven verschillende brieven te dicteeren. + + + + +TWAALFDE HOOFDSTUK. + +Hoe Johan de Witt zijn plan volvoerde. + + +Wij slaan een tijdvak van ruim vier maanden over en begeven ons op +den 2den April 1666 nogmaals naar het vertrek van den Prins op het +_Binnenhof_, waar wij hem reeds eenmaal [33] hebben aangetroffen. Ik +behoef mijnen lezers niet te zeggen, dat er op de vuurplaat onder den +hoogen schoorsteen een fiksch vuur van turf en hout was aangelegd, en +dat Zijne Hoogheid in den grooten leunstoel daarbij zat. Bij den haard +zaten tevens Zuijlestein en de hofmeester Boreel. Op het oogenblik +waarvan wij spreken, diende de kamerdienaar den Heer Van Heenvliet, +den vader van 's Prinsen stalmeester en een hevig voorstander der +Oranjepartij, aan, die werd binnengelaten en door den Prins verzocht, +zich bij den haard te schikken. + +"Ik had reeds vroeger bij Uwe Hoogheid willen komen, om naar Hare +gezondheid te vernemen," begon de grijsaard. "Ik vond het echter +geraden, te wachten tot Uwe Hoogheid zich van de vermoeienissen der +reis hersteld had." + +"Ik dank U zeer, mijnheer Van Heenvliet," antwoordde de Prins, "voor +Uwe attentie, en ik durf u verzekeren, dat mijne reis mij zeer goed +bekomen is en niet anders dan aangename impressies kan nalaten." + +"Men heeft U te _Amsterdam_ luisterrijk ontvangen, naar ik hoor," +hernam Heenvliet. + +"Ik zal _Amsterdam_ roemen," gaf de Prins ten antwoord. "De vroedschap +heeft een groot festijn te mijner eere aangericht." + +"En het volk, hoor ik, heeft luide geroepen om Uwer Hoogheids +bevordering, en U zelfs met veel gejuich uitgeleide gedaan," ging +Heenvliet voort. + +"Zoo, mijnheer Van Heenvliet," antwoordde de Prins, met het onnoozelste +gezicht ter wereld. "Ik kon niet recht verstaan wat zij riepen. Maar +de maaltijd was overheerlijk. Inderdaad ik wist niet, dat zij in de +grootste koopstad van het land zulke uitmuntende koks hadden. Ik +dacht altijd, dat die goede Amsterdamsche kooplieden zich slechts +bezighielden met hun handel." + +"En met de staatkunde," voegde Heenvliet er stekelig bij. "En hoe +heeft Uwe Hoogheid het te _Rotterdam_ gehad?" + +"Daar ben ik door den burgemeester Ewout van der Horst vorstelijk +onthaald. Een uitmuntend mensch, die Van der Horst." + +"Ik ken hem. Hij is een trouw aanhanger uwer zaak." + +"Dat heb ik gemerkt," antwoordde de Prins weder heel onnoozel, +"want dat maal heeft hem nog al wat gekost. Er waren heerlijke +oesterpartijen." + +"Ook daar zijt gij door het volk met veel gejuich begroet." + +"O, ja, de Rotterdamsche menschen schijnen heel vriendelijk te +zijn. Toch zou ik niet graag hier in _Den Haag_ altijd zooveel volk +om mijn karos zien." + +"Geen wonder, Uwe Hoogheid," gaf Heenvliet ten antwoord. "Maar het +volk hier ziet Uwe Hoogheid dagelijks. Daarom is het toch evenzeer +Uwe partij toegedaan en wenscht niet minder Uwe bevordering. Ook +hooggeplaatste personen verlangen die. Zelfs uw oom, de Keurvorst +van _Brandenburg_, heeft U aan de Staten-Generaal tot de hooge +krijgsambten aanbevolen." + +"En de Heeren Staten hebben daarop geantwoord, dat de Keurvorst zich +liever met zijne eigene zaken moest bemoeien en zich niet in die van +anderen moest steken." + +"En dan," merkte Zuijlestein aan. "En dan, om te bewijzen, hoe weinig +zij om den Keurvorst geven, hebben zij den Prins van _Tarente_ +tot overste der ruiterij, den Heer Van Noordwijk tot overste van +het geschut, den graaf Van Hoorne tot sergeant-majoor en den Heer +Pain-et-vin tot luitenant-kolonel gemaakt." + +"Daar heeft _Zeeland_ dan ook dapper tegen geijverd," hernam Heenvliet. + +"En wat heeft het _Zeeland_ geholpen?" vraagde Zuijlestein. "Het +antwoord, dat _Holland_ gegeven heeft, bewijst genoegzaam zijn onwil." + +"Omdat _Holland_ mij niet wil bevorderen, alvorens ik den ouderdom +van achttien jaren zal bereikt hebben," zeide de Prins op scherpen +toon. "Zij hebben gelijk, de Heeren Staten," vervolgde hij schijnbaar +luchthartig. "Wat zou een knaap als ik, ziekelijk en tenger, in het +krijgswezen doen?" + +"En dan uwe voorouders Prins!" riep Heenvliet uit. "Heeft men hun +ooit de hun toekomende ambten onthouden? Maar Uwe Hoogheid zelf moet +zich laten kennen, en een oproeping...." + +"Vergeef mij, mijnheer Van Heenvliet, dat ik U verzoeken moet, zulke +taal niet in mijne presentie te voeren. Mijne vrienden mogen voor mij +doen wat zij willen--ik _wil_ van hunne handelingen niets weten. Ik +verlang geen promotie dan langs den rechtmatigen weg. Maar, zeg mij, +hebt gij sinds gisteren uw zoon ook gesproken?" + +"Ik zag hem sedert drie dagen niet, Uwe Hoogheid," antwoordde +Heenvliet. "Had hij mij wat belangrijks mede te deelen?" + +"Zeker. Gij moet weten, mijnheer Van Heenvliet, dat ik een paar +dagen geleden twee schoone Friesche paarden heb aangekocht. Het +zijn prachtige beesten. Gij moet ze eens zien.--Gij zijt immers ook +een kenner?" + +De Heer Van Heenvliet zuchtte; hij kon niet begrijpen, hoe de Prins +op dat oogenblik over paarden kon spreken, en wilde juist antwoorden, +toen de ritmeester Buat de kamer binnentrad, zich tot den Prins wendde, +en met een geheimzinnig gelaat en op half fluisterenden toon zeide: + +"Weet Uwe Hoogheid reeds, dat de Raadpensionaris dezen morgen op het +Hof van _Brandwijk_ [34] is geweest en een langdurige conferentie +heeft gehad met Mevrouw de Prinses-weduwe?" + +"Met de Prinses-weduwe!" riepen de drie Heeren, die bij het vuur zaten, +te gelijk. + +"Zooals ik u zeide," antwoordde de ritmeester. "En wat meer is, +alvorens naar de vergadering der Staten te gaan, is Zijne Edelheid +nogmaals aan het Hof van _Brandwijk_ aangereden, en heeft ruim een +kwartier bij Hare Hoogheid doorgebracht." + +"En nu twijfelde Uwe Hoogheid nog aan Hare promotie!" riep Heenvliet +uit. "Begrijpt Zij dan niet, dat de Raadpensionaris niet langer durft +weerstand bieden aan den aandrang Harer vrienden, die hoe langer hoe +luider wordt?" + +"De Heer De Witt zal wel moeten toegeven," zeide Boreel, die tot nog +toe gezwegen had. "Als Zijne Hoogheid maar eerst Generaal der ruiterij +is, zal Zij wel spoedig Veldmaarschalk zijn." + +"En dan"--hervatte Heenvliet triomfeerend. "Dan zal de Raadpensionaris +spoedig vallen en dan--dan maken wij vrede met _Engeland_.... en...." + +"Maar gij hebt mij nog niet gezegd, mijnheer Van Heenvliet, wanneer +gij mijn Friesche paarden zoudt komen zien," hernam de Prins bedaard. + +"Als het Uwe Hoogheid schikte, morgen om elf uur," antwoordde de +Heer Van Heenvliet, terwijl hij zijn prachtig gouden met diamanten +bezette horloge uit den zak haalde. "Maar Uwe Hoogheid zal mij thans +excuseeren, dat ik Haar quitteer. Ik heb nog dringende zaken te doen." + +"Ik dank U voor uw bezoek, mijnheer Van Heenvliet," zeide de +Prins. "Vergeet vooral niet, morgen om elf uur, mijne paarden te +komen zien. Ik zal zorgen ook in den stal te zijn. Denk er aan, +dat ik hoogen prijs stel op uw opinie." + +De Heer Van Heenvliet boog en verliet het vertrek. + +"Hij moet zeker naar de "Oude Zwaen," dat hij zoo'n haast maakt," +zeide Boreel glimlachend. "Daar zal hem wel de een of andere vriend +met het verkeerbord wachten." + +"Zoudt gij het denken?" vraagde de Prins. + +"Voorzeker, Uwe Hoogheid," zeide Buat. "De Heer Van Heenvliet is een +der trouwste bezoekers van de "Oude Zwaen." Men kan hem daar alle +dagen vinden." + +"Ziedaar het voorrecht van hen, die in het _Noordeinde_ wonen," +zeide de Prins. "Zij bespieden niet alleen de gangen van de personen, +die op het Hof van _Brandwijk_ komen, maar weten ook, wie de "Oude +Zwaen" bezoeken." + +"Met uw verlof, Uwe Hoogheid," hernam Boreel. "Onze goede vriend +Buat is zelf een trouw bezoeker van genoemde herberg. Zeker heeft +hij Heenvliet daar dikwerf ontmoet." + +"En wat zegt gij van dat herhaalde bezoek bij hare Hoogheid, de +Prinses-weduwe?" vraagde Zuijlestein. + +"Wat zal ik er van zeggen, Zuijlestein," antwoordde de Prins. "Wat +de Heer De Witt voor mij gedaan heeft, is zelden tot mijn voordeel +geweest. Ik durf mij nog niet vleien." + +"De Raadpensionaris is voorzichtig," merkte Boreel aan. "Hij zal +begrijpen, dat het tijd is, voor de noodzakelijkheid te bukken." + +"Het zou zeker een verstandige trek van hem zijn," hervatte Buat. "En +mocht Uwe Hoogheid een aanstelling erlangen, dan beveel ik mij in +Hare gunst aan, om door hare voorspraak bevorderd te worden en weder +in actieven dienst [35] te treden." + +"Beste Buat," zeide de Prins. "Laat ons toch de huid niet verkoopen, +alvorens de beer geschoten is." + +Zoudt gij niet denken, mijne lezers, dat de Prins zeer onverschillig +was omtrent zijne bevordering?--En toch--wanneer gij in dat hart +hadt kunnen lezen, dat vol scheen van maaltijden en paarden en +onvatbaar voor elke opwekking tot iets groots, dan hadt gij daar +meer eerzucht in gezien, dan zelfs Heenvliet misschien wel zou +gewenscht hebben,--een eerzucht die zich niet alleen uitstrekte +tot het kapitein-generaalschap, maar ook tot het stadhouderschap, +hetwelk zijne vaderen met zooveel lof bekleed hadden. + +Wij willen het viertal niet verder in hunne gesprekken volgen, en +keeren omtrent twee uren later in het vertrek van den Prins terug, +waar wij hen allen, behalve Boreel, terugvinden. Op het oogenblik, +waarvan ik spreek, dient de kamerdienaar den Raadpensionaris aan. + +"Goede tijding, Willem!" fluisterde Zuijlestein, terwijl hij den +Prins de hand reikte. "Ik wensch u geluk met uwe benoeming." + +"Ik ben verheugd, dat ik een der eersten zal zijn, die de goede +tijding verneem," zeide Buat. + +Op dit oogenblik kwam de Raadpensionaris het vertrek binnen. De +prins stond op en ging hem te gemoet. Beiden plaatsten zich tegenover +elkander op de stoelen, door Zuijlestein en Buat nedergezet. + +"Ik heb mij gehaast," begon de Raadpensionaris, "U zelf het eerst +de heuglijke tijding mede te deelen van de favorabele resolutie, +welke de Heeren Staten wel hebben gelieven te nemen ten aanzien van +het verzoek van Uwer Hoogheids grootmoeder, de Prinses-weduwe." + +'s Prinsen gelaat klaarde op: hij voelde een zenuwachtige trilling +door zijn geheele lichaam. De beide Heeren bleven in gespannen aandacht +bij den schoorsteen staan. + +"Een verzoek van mijne geachte grootmoeder," zeide de Prins. "Wat +hield dat verzoek in, als ik vragen mag?" + +De Raadpensionaris haalde eenige toegevouwen papieren uit zijn zak, +legde die op de tafel neder en nam er beurtelings een van op. + +"Hare Hoogheid de Prinses-weduwe heeft op heden, den tweeden van +Grasmaand, aan mijne Souvereinen, de Edel-Groot-Mogende Heeren Staten +over _Holland_ en _West-Friesland_, het verzoek herhaald, reeds in +1660 door Hare Hoogheid en door wijlen Uwe moeder Mevrouw de Prinsesse +Royaal gedaan, dat Uwer Hoogheid het geluk mocht te beurt vallen, onder +staatsdirectie en conduite [36] te mogen verkrijgen die onderwijzing, +door welke zij de rechten en de maximen [37] dezer Republiek grondig +zou leeren begrijpen en erkennen en daardoor bekwaam mocht gemaakt +worden, om ten eenigen tijde, des noodig, den Staat te dienen." + +Terwijl De Witt deze woorden uitte, was de Prins beurtelings rood en +bleek geworden. Om zich niet te verraden, had hij den zakdoek voor +den mond gehouden en worstelde thans met een hevige hoestbui. + +"En heeft mijne grootmoeder _dat_ verzoek herhaald?" vraagde hij met +een van aandoening trillende stem aan De Witt. + +"Wie anders dan zij?" vraagde De Witt, terwijl geen spier in zijn +gelaat de vreugd deed blijken, die er in zijn hart huisvestte. Ook +de Prins had zich hersteld; want met kalmte wendde hij zich tot Buat +en zeide: + +"Wees zoo goed, te zorgen, dat mijn karos straks voorkome. Ik moet +naar het _Noordeinde_ om Harer Hoogheid mijnen dank te betuigen." + +"Voorzeker," antwoordde De Witt. "Maar niet minder dankbaar zal +Uwe Hoogheid aan mijne Souvereinen, de Heeren Staten, zijn voor de +goedgunstige wijze, waarop zij dat verzoek hebben opgenomen [38]. Hunne +Edel-Groot-Mogenden hebben tot geautoriseerden en gecommitteerden tot +Uwer Hoogheids opvoeding benoemd de Heeren: Wichold van der Does, +uit de Ridderschap, Adriaan van Blijenburg, Heer van _Naaldwijk_, +Oud-burgemeester en Raad van de stad _Dordrecht_, Gillis Valkenier, +Burgemeester en Raad van _Amsterdam_, Nanning Foreest, Raad en Meester +van de rekenkamer der domeinen en Raad en Vroedschap te _Alkmaar_ +en--mijn persoon...." + +"Ook Uwe Edelheid?" hernam de Prins op een toon, die weinig twijfel +liet aan den onaangenamen indruk, welken deze tijding op hem maakte. + +"Ook mij. Is dat Uwer Hoogheid ongevallig?" + +"Integendeel. De lijst dier onbekende Heeren was mij onaangenaam. Uwe +Edelheid ken ik." + +"En Hunne Edel-Groot-Mogenden hebben mij specialen last en bevel +gegeven om bij alle fortable [39] middelen onder Gods genadigen zegen +voornamelijk te behartigen en zorg te helpen dragen, dat Uwe Hoogheid +wel en grondig moge worden geïnstrueerd in de ware Christelijke +gereformeerde religie, mitsgaders in de goede en heilzame rechten, +privilegiën en maximen van dezen staat." + +Hier hield De Witt op. Ook de Prins zweeg. Eindelijk vatte deze het +woord, en zeide: + +"Alzoo hebben de Heeren Staten van _Holland_ mij, op vijftienjarigen +leeftijd, gemaakt tot...." + +"Tot kind van den Staat," voleindigde De Witt, die wel zag, dat de +Prins niet bij machte was het woord te uiten. + +"Ik verzoek u, mijnheer de Raadpensionaris," zeide de Prins kalm, +maar met fonkelende oogen, "Hunnen Edel-Groot-Mogenden mijn dank te +brengen voor hunne goedheid, en hun te verzekeren, dat ik alle pogingen +zal aanwenden, om mij die goedheid zooveel mogelijk waardig te maken." + +"Zulke gevoelens vereeren den afstammeling van den grooten Zwijger," +zeide De Witt. "Men moet leeren zich in de omstandigheden te +schikken, en Uwe Hoogheid mag zich gelukkig rekenen, dat Hunne +Edel-Groot-Mogenden geen gehoor hebben gegeven aan de stem van +een partij, die, als men naar haar hoorde, het Land zou ten onder +brengen. Intusschen heb ik hier nog een derde resolutie van de +Heeren Staten." + +"Betreffende deze zaak?" vraagde de Prins, die hoop voedde, dat +misschien bij het verklaren tot "kind van den Staat" een benoeming +gevoegd was. + +"Juist, betreffende deze zaak. Hunne Edel-Groot-Mogenden hebben terecht +begrepen, dat Uwe Hoogheid geheel aan den invloed van onze vijanden, +de Engelschen, moet worden onttrokken, en dus geresolveerd, dat Uwe +geheele hofhouding zal worden veranderd." + +"Hoe, mijnheer De Witt!" riep de Prins uit, een oogenblik zijne +bedaardheid verliezende. "Mijne trouwe vrienden en mijne oude bedienden +zoo maar aan den dijk te zetten!" + +"Verontrust u over hen niet. Zij zullen, indien zij er slechts om +vragen, met andere posten worden begiftigd. Mijnheer Van Zuijlestein," +ging De Witt voort, zich tot dezen wendende, "de Heeren Staten zullen +u vijf jaren lang een wedde van vierduizend gulden uitkeeren." + +"Maar ik zal mijn pupil niet verlaten, mijnheer de Raadpensionaris," +zeide deze driftig. "De Heeren Staten hebben er zeker niet aangedacht, +dat ik mijne aanstelling heb van de Prinses-weduwe." + +"En Uwe Edelheid vergeet, dat hare Hoogheid hare rechten als voogdes +op de Heeren Staten heeft overgedragen. Gij zult _wel_ vertrekken, +mijnheer Van Zuijlestein." + +"Maar, mijnheer De Witt!" zeide de Prins smeekend. "De Staten zullen +mij toch wel niet van _al_ mijne vrienden willen berooven. Ik smeek +het u: laat mij slechts Zuijlestein, Boreel en Buat." + +"Dat is onmogelijk," hernam De Witt.--"De Heer Van Zuijlestein +zal worden vervangen door den Heer Van Gendt, gecommitteerde van +_Gelderland_." + +"Ik zal mij per request tot de Heeren Staten wenden, om slechts die +drie te behouden," hernam de Prins. + +"'t Zal Uwe Hoogheid weinig baten," hervatte De Witt. "Intusschen, +Uwe Hoogheid kan het beproeven. En thans wachten mij mijne +bezigheden. Misschien vindt Uwe Hoogheid mij nog wel bij Hare Hoogheid +de Prinses-weduwe, wanneer Gij haar Uwen dank komt betuigen." + +En met deze woorden nam de Raadpensionaris afscheid. Nauwelijks was +hij vertrokken, of de Prins barstte in tranen uit. + +"Groote God!" riep hij uit. "_Ik_ kind van den Staat! _Ik_ de +ondergeschikte van De Witt!--Zuijlestein! mijn oom, mijn eenige +vriend! Gij van mij weg!--Maar!" hernam hij opstaande en met plechtigen +ernst de vuist ballende: "wacht maar, Heeren Staten! Wacht maar! Daar +zal misschien nog eens een tijd komen, dat het _Kind van den Staat_ +u allen tot _kinderen van den Prince van Oranje_ maakt [40]." + +Zoo had De Witt de luisterrijkste overwinning behaald, die hij ooit in +zijne staatkundige loopbaan heeft mogen behalen: op hetzelfde oogenblik +dat zijne vijanden meenden, dat hij vallen zou, plaatste hij zich +vaster dan ooit in den zetel des bestuurs. De arme Prins echter werd, +op hetzelfde oogenblik dat hij hoopte werkzaam te zijn ten dienste van +den Staat, geheel en al een werktuig van De Witt en toch was deze tijd +van verdrukking onder den Goddelijken zegen nuttig voor hem en deed +in hem vermogens en krachten rijpen, die nimmer in hem zouden zijn +ontwikkeld, als hij reeds op vijftienjarigen leeftijd was bevorderd +tot eene betrekking, waartoe hij nog niet in staat was geweest. + +Wij verlaten nu _Den Haag_, en begeven ons een maand later, in de helft +der maand Mei, naar de vloot van De Ruyter, die bij _Texel_ lag. 't +Was een schoon gezicht, die vijf en tachtig oorlogsschepen daar zoo +rustig te zien liggen met hunne hooge kampanjes, wier glasruiten in de +zon schitterden, en wier van lof- en snijwerk voorziene borstweringen +en lantaarns zoo sierlijk afstaken bij de lompe, bruine bodems. 't Was +een schoon gezicht, die tallooze masten met hun touwwerk en raas, met +hunne uitgespannen zeilen en ontelbare vlaggen en wimpels, die vroolijk +in de lucht fladderden en, door den oostenwind bewogen, schenen te +wijzen naar de Engelsche kusten, waar de vijand van het vaderland +hen verwachtte, om te beslissen wie de sterkste zou zijn. Ik wil u +niet opnoemen, welke Admiraliteiten die schepen hadden laten bouwen, +noch hoe de namen van al die vaartuigen waren;--ik ga liever met u +naar het Luitenant-admiraalsschip van onzen onsterfelijken De Ruyter, +waar wij alles in drukke bezigheid vinden. Ziet maar, hoe die vlugge +matrozen in het want klimmen, alsof zij de zeilen wilden innemen; hoe +zij dat echter niet doen, maar als koorddansers over de raas loopen en +op de nokken blijven zitten; hoe de anderen daar op het dek en op de +andere dekken bezig zijn de geschutpoorten te openen en de kanonnen +te richten; kortom, hoe men alle mogelijke scheepsmanoeuvres maakt, +als ware men in volle zee en in het gezicht van den vijand. + +Wanneer wij ons naar het roer begeven, dan vinden wij daar onzen ouden +kennis, den stuurman Klaas weder, die met Pieter en Jonker Engel in +gesprek is, terwijl zij hunne oogen onafgewend gevestigd houden op +twee jachten, die niet ver van daar liggen en eene menigte groote +Heeren en hooge personages aan boord hebben. + +"Ziet gij daar," zeide Pieter, "dien mageren, tengeren knaap, die +zooveel pret schijnt te hebben in de vlugheid onzer matrozen, met die +wapperende veer op zijn hoed en dien donkerblauwen fluweelen mantel, +dien hij zoo dicht om zich heengeslagen heeft? Dat is Zijne Hoogheid." + +"Waar?" zeide Engel. "O, ik zie het al. Daar staat hij. Wie zou die +Heer zijn, met wien hij zoo druk aan het spreken is en die hem schijnt +te zeggen, wat het een en ander beteekent?" + +"Ik ken hem niet," antwoordde Pieter. + +"Dan zal het de Heer van Gendt zijn," zeide Engel, "die eerst sedert +kort tot 's Prinsen goeverneur is benoemd. In _Amsterdam_ heb ik daar +veel over hooren spreken. Zie, die daar met zijn zwart fluweelen mantel +is de Heer Johan de Witt, de Raadpensionaris, die als gemachtigde +der Heeren Staten het uitloopen der vloot zal bevorderen." + +"Zijne kleeding steekt nog al af bij die van al deze groote Heeren," +zeide Klaas Dirkz. "Ik geloof dat er jannen onder zijn. Maar daar +wenden zij. Ha, zij komen aan ons boord. Daar lossen zij reeds de +saluutschoten." + +En waarlijk praaiden de beide jachten "de Zeven Provinciën," waar de +Luitenant-admiraal de Heeren in zijn statiekleeding ontving. Eerst +kwam de Keurvorst van Brandenburg en toen de Prins van Oranje. + +"Behoedzaam, neefje!" zeide de eerste tot den Prins. "Doe bist hier +nicht op das _Pinnenhof_ of op das hof von _Prandweich_, waar de +treppen mit tapeeten bedekt zind. Het is hier noer eene sjeepstreppe." + +"Onze Luitenant-admiraal heeft toch voor een gemakkelijke trap +gezorgd," antwoordde de Prins lachende, terwijl hij reeds den voet op +het dek zette. "Aha! daar is Zijne Edelheid. Mijn hartelijken groet, +Heer Luitenant-admiraal!" + +"Mijn welkomsgroet zij Uwer Hoogheid toegebracht," zeide de ronde +Zeeuw, terwijl hij den hoed afnam. + +"Ik heb recht schik gehad in de vlugheid uwer matrozen," hernam de +Prins. "Zij zijn goed geoefend." + +"Dat behoort ook zoo, Uwe Hoogheid," hernam De Ruyter, die den Prins +over het dek naar de kampanje leidde, waar eenige ververschingen +gereed stonden. + +Zij werden gevolgd door den Keurvorst van _Brandenburg_, door de +Vorsten van _Holstein_ en _Anhalt_, door den Prins van Nassau, de +graven van _Solms_, _Dhona_ en _Hoorne_, de Heeren Van Brederode en +Van Gent en eene menigte andere aanzienlijke personages. Nadat men +iets gebruikt had, leidde De Ruyter de gevolmachtigden en de Heeren +het geheele schip rond, terwijl de Prins een kennis van de zeevaart +aan den dag legde, die ieder verwonderde. Toen men weder aan de +statietrap was gekomen, zeide De Ruyter: + +"Ik ben zeer gehonoreerd geweest, zoo vele notabele Heeren aan mijn +boord en bij mijn geringen persoon te zien. Meer genoegen echter +zou het mij doen en tot meer eer zou het mij strekken, als de Heeren +mij op morgen het contentement wilden aandoen, om op mijn schip den +maaltijd te gebruiken, ten minste als zij zich mijn zeemanskost willen +laten smaken." + +"O, volgaarne! Wij nemen het aan!" + +Daarna gingen zij weder in de jachten, voeren de vloot rond, door +al de schepen met saluutschoten verwelkomd en gingen nog aan boord +van de Luitenant-admiralen Van Nes en Tromp. Op het laatste schip +juichte het volk onophoudelijk "leve de Prins van _Oranje_!" en +dat gejuich scheen aanstekelijk te zijn; want zoo lang de jachten +door de vloot voeren, klonk het onophoudelijk: "leve de Prins van +_Oranje_!" Op elk der admiraals-schepen werd het volk met vijftien +ton zwaar bier beschonken. Of dit geschenk van wege het land of van +wege de hooge gasten was, vind ik niet geboekt. Des avonds voeren de +beide jachten naar _Den Helder_, waar de genoodigden en gemachtigden +den nacht doorbrachten. + +Den volgenden dag reeds vroegtijdig stapten onze hooge personages weder +in hunne beide scheepjes, en voeren andermaal naar de vloot, waar zij +nog de schepen van den kapitein Van der Zaan, van de Vice-admiralen +De Liefde en Van der Hulst en van den kolonel der zeesoldaten, Willem +Jozef van Gent, bezichtigden. Daarna voeren zij weder aan De Ruyters +boord, waar zij heerlijk en heusch onthaald werden. Ik zal u geene +beschrijving geven van hetgeen onze zeeheld opdischte; alleen durf +ik u verzekeren, dat de hooge gasten uiterst tevreden waren over +zulk een zeemanskost en dat er geen gebrek was aan verscheidenheid +van wijn. Ook ontbrak het pekelvleesch niet; want De Ruyter zou niet +gegeten hebben, wanneer er dàt niet of ten minste geen sterk gezouten +vleesch voorhanden was. + +"Ik mocht wel einmaal ein tochtje met U op das meer doen," zeide de +Keurvorst van _Brandenburg_ tegen De Ruyter. + +"Uwe Hoogheid zou daarvan spoedig den buik vol hebben," antwoordde +deze. "Het zou al heel gauw wezen: Zet mij maar weer aan land; want +ik word zoo kwalijk." + +"En de Herr De Witt heeft daar vergangen jaar wel de phroef van +genommen en toch ganz viel sjtormen doorgesjtanden," merkte de vorst +Van Anhalt aan. + +"Ja, waaroem soltte der herr Raadpensionair dagegen kunnen en wir's +nicht vermeugen?" vraagde de Keurvorst. + +"Laat Zijne Edelheid Uwer Hoogheid dat zelf beantwoorden," zeide De +Ruyter. "Ik weet niet, welk een wonderman Mijnheer De Witt is; maar +op mijn woord als Zeeuw kan ik U verzekeren, dat Zijne Edelheid geen +zweem van zeeziekte gehad heeft. En wij hadden nog al wat boos weer." + +"Ich denke," zeide de graaf Van Solms, "dat Zijne Edelheid den kop +te vol sjaatsaffaires heeft, om an den magen te denken en dass doerch +het sjommelen van het schiff kein invloess op hem heeft." + +"En ich denke, dat der Herr Raadpensionair früher wohl einmal ter +zee gefaren heeft," meende de Vorst Van Holstein. "Gij vergeet, +dass _Dordrecht_, Zijner Edelheids geboorteplaats, ein hafen ist." + +"Uwe Hoogheid vergist zich," zeide De Witt glimlachend. "De +stad _Dordrecht_ drijft wel veel handel, maar is volstrekt geen +zeestad. Intusschen ben ik in mijne jeugd meermalen met boos weer op +de _Moerdijk_ geweest en het is misschien daaraan toe te schrijven, +dat ik van die lastige zeeziekte ben verschoond gebleven. Als ik +U echter de ware reden moet zeggen: ik schaamde mij om zeeziek te +worden in de tegenwoordigheid van een man als den Luitenant-admiraal +onzen gastheer, op wien ik U wel verzoek uw glas te ledigen. Leve onze +Luitenant-admiraal De Ruyter en moge Zijne Edelheid spoedig aan de +Engelschen leeren, dat de Hollandsche zeeleeuw den Britschen panter +nog niet vreest!" + +"Leve de Luitenant-admiraal De Ruyter!" riepen allen, terwijl zij +hunne glazen ledigden. + +"Ik dank de Heeren wel en den Heer Raadpensionaris in het bijzonder +voor de goedheid om mijner in hunnen dronk te gedenken," zeide De +Ruyter, terwijl hij opstond en een zijner bedienden een wenk gaf. Op +hetzelfde oogenblik knalden er twaalf schoten van het admiraalsschip. + +"Was ist das?" riep de vorst Van Anhalt uit. "Die Engelsjen zijn doch +nicht gekommen, dass gij met hen sjlaags zijt geraakt? Indien das +waar was, zoo zouden wir das onuitsjpreekliche genügen haben einen +zeesjlag bij te wonen." + +"Dien zal Uwe Hoogheid zien," antwoordde De Ruyter. "Mijne Heeren! ik +noodig u allen uit, mij naar het dek te volgen, dan zult gij in het +klein een zeestrijd aanschouwen." + +"Bravo! bravo!" juichten al de gasten en volgden De Ruyter op het dek. + +Het was een prachtige aanblik, die hen daar wachtte. De twee kleine +fregatten of adviesjachten "'t Hert" onder kapitein Pieter van +Wijnbergen en "Zwolle" onder kapitein Dirk de Munnik, het eerste +van zestien en het andere van acht stukken, leverden elkander een +spiegelgevecht, voeren telkens op elkander aan en gaven malkander +dan de volle laag met los kruit, zeer ten genoegen van al de hooge +personages, meer dan de kunsten van een der matrozen, die zich boven +op den bal van den vlaggestok der groote bramsteng begaf en daarop met +zijn hoofd ging staan, terwijl hij beide beenen in de lucht stak. Het +was dan ook een noodeloos waagstuk; want een mensch mag niet zoo met +zijn leven spelen. + +De Prins van Oranje had zich intusschen weder bij De Ruyter gevoegd. + +"Mijnheer de Luitenant-admiraal," begon hij, "Uwe Edelheid heeft aan +uw boord een zekeren Pieter Pietersz, niet waar?" + +"Die mij door Uwe Hoogheid is aanbevolen?" + +"Juist, dezelfde. Hoe maakt hij het? Past hij goed op?" + +"Uitmuntend. Hij is een knap timmerman en heeft verleden jaar met +de stormen vrij wat dienst bewezen. Ook geloof ik, dat er moed onder +zijn matrozenbuis steekt." + +"Moed, Admiraal? Meer dan Uwe Edelheid misschien denkt." En de Prins +verhaalde hem, wat er met Pieter op _Hondsholredijk_ en op het veldijs +gebeurd was. + +"Inderdaad--dat zijn trekken van groote courage en onversaagdheid, +die veel beloven. En toch geloof ik niet, dat uw gunsteling voor +zeeman in de wieg is gelegd." + +"Ik zou hem gaarne eens zien," hernam de Prins. "Ik heb al naar hem +rondgekeken." + +De Ruyter wenkte een matroos en gebood dien, Pieter te roepen. Binnen +weinige oogenblikken was hij bij hen. + +"Je bent groot geworden, Pieter," zeide de Prins. "Ik zou je niet +herkend hebben. Hoe oud ben je thans?" + +"Achttien jaren, Uwe Hoogheid," antwoordde Pieter. + +"Dan ben je mij vooruit," hervatte de Prins. "En ik hoor, tot mijn +genoegen, dat mijnheer de Luitenant-admiraal over je tevreden is." + +"Wie zou niet oppassen, als hij zulk een voorbeeld voor oogen heeft, +als onzen Luitenant-admiraal!" zeide Pieter. + +"Daarin heb je gelijk," antwoordde de Prins. "En hoe vaart je oom, +de stuurman Klaas Dirksz?" + +"Hij is springlevend," antwoordde Pieter. "Maar vergun mij, dat +ik Uwer Hoogheid iets vrage. Ik heb onder het gevolg Uwer Hoogheid +tevergeefs naar mijn broeder Karel gezocht. Hij is toch niet ziek, +of uit uwen dienst?" + +Het gelaat van den Prins betrok; het waren treurige herinneringen, +welke Pieter bij hem te voorschijn riep. + +"Hij is niet meer in mijn dienst, Pieter," gaf hij ten antwoord. "Het +is echter buiten zijn schuld en er is voor hem gezorgd." + +Tegen het vallen van den avond vertrokken de vorsten en heeren, +vergezeld door de sloepen van al de oorlogsschepen, naar den wal. De +Keurvorst had honderd zilveren ducatons (f 315) aan de matrozen van +De Ruyters schip gegeven en toen de heeren aan land kwamen, opgewacht +door een tallooze menigte, wierpen zij eenig goud- en zilvergeld +onder het volk te grabbelen. Op den eersten Juni daaraanvolgende, +stevende de vloot het ruime sop in. + + + + +DERTIENDE HOOFDSTUK. + +Hoe de Raadpensionaris rekenles gaf. + + +Niet tevergeefs hadden de Heeren in De Ruyters kampanje gedronken +op het welzijn van den Luitenant-admiraal en had de Raadpensionaris +in dien dronk begrepen, dat de Hollandsche leeuw zou toonen, den +Britschen panter niet te vreezen; de dagen voor den elfden, twaalfden, +dertienden en veertienden Juni van het jaar 1666 waren getuigen van een +luisterrijke overwinning, door onze vloot op de Engelsche behaald. Een +zeeslag van vier dagen! hoor ik u zeggen.--Ja, een vierdaagsche +zeeslag, de hevigste die ooit werd bevochten en die niet alleen den +roem onzer vloot herstelde, in den laatsten, ongelukkigen slag zoo +deerlijk verloren gegaan, maar een onsterfelijke gloriekroon wond om +het hoofd van onzen De Ruyter, wien men de ziel der vloot noemde en van +wien men zeide, dat hij de maat sloeg in het grof muziek van zooveel +duizenden kartouwen [41]; om den schedel van onzen Van Nes, die, toen +De Ruyters groote steng was afgeschoten, de admiraalsvlag overnam en +met zooveel beleid een tijd lang het opperbevel voerde, dat geen der +vijanden de tijdelijke afwezigheid van den vlootvoogd bemerkte; en om +de slapen van onzen Tromp, die in zijne niets ontziende dapperheid zoo +dikwerf van schip had moeten verwisselen, dat de Engelschen, telkens +zijne vlag van een ander schip ziende waaien, met verbazing vraagden: +"zijn er dan vijf of zes Trompen op de Staatsche vloot?" + +Ik wil u ditmaal geen beschrijving van dien zeeslag geven. Wilt gij +ze lezen, dan beveel ik u daartoe Brandts geschiedenis van De Ruyter +Bldz. 478--494 aan. Ik wil u alleen mededeelen, dat De Ruyter den +vierden dag de _bloedvlag_ liet hijschen, tot sein om allen te gelijk +op den vijand aan te vallen, dat toen de Engelschen op de vlucht werden +gejaagd en het alleen aan den invallenden dikken mist te danken hadden, +dat zij voor grootere schade werden gespaard. Van onze zijde verloren +wij den Vice-admiraal Van der Hulst, wiens graftombe men nog in de Oude +kerk te _Amsterdam_ ziet en den Luitenant-admiraal Cornelis Evertsen, +wien ook een praalgraf werd opgericht. De Engelschen verloren hunne +Vice-admiralen Barclay en Mings. Het lijk van den eerste viel in onze +handen, werd hier gebalsemd en met een jacht naar _Engeland_ gezonden, +over welke beleefdheid Karel II zeer gevoelig was. Wij hadden omstreeks +800 dooden en 1450 gekwetsen; de Engelschen 5 à 6000 dooden en 3000, +die in onze handen waren gevallen; terwijl 23 hunner schepen deels +gezonken of verbrand, deels genomen en in onze havens waren opgebracht. + +Minder gelukkig voor ons was de tweedaagsche zeeslag van den 4den +en 5den Augustus daaraanvolgende, geleverd tusschen De Ruyter en +denzelfden Monk, hertog van _Albemarle_, die de Engelsche vloot in den +vierdaagschen zeeslag had aangevoerd. Reeds de eerstgenoemde zeestrijd +was bijgewoond door vier Fransche edelen, die op 's Lands vloot waren +gekomen om een zeeslag onder het beleid van zulke beroemde zeehoofden +bij te wonen: Armand de Grammont, Hertog van Guiche, Louis Grimaldi, +Prins van _Monaco_, en de beide markiezen La Ferté. Thans waren er ook +vier Fransche edelen als vrijwilligers op de vloot: de baron Busca +en de ridders van Lorraine, Coaslin en Cavoy. Door de persoonlijke +bemoeiingen van De Witt was de vloot binnen 19 dagen van de bekomen +schade hersteld en weder in staat, om zee te kiezen. De grijze Jan +Evertsen, die na den dood van zijn broeder zich opnieuw had begeven +in den dienst van het Vaderland, waarvoor zijn vader, een zijner +zonen en vier zijner broeders het leven hadden gelaten, gebood met +Tjerk Hiddesz de Vries, die Stellingwerf was opgevolgd, de voorhoede, +De Ruyter met Van Nes het centrum, en Tromp met Meppel de achterhoede. + +Omstreeks elf uren voor den middag ontmoetten de beide vloten elkander +in volle zee tusschen _Duinkerken_ en _Noordvoorland_. De voorhoede +begon het gevecht en hield zich dapper; maar het eene ongeluk kwam +bij het andere. Vooreerst was de wind voor de Engelschen, en dan nog +was er zoo weinig wind, dat De Ruyter met zijn centrum de benarde +voorhoede onmogelijk kon te hulp komen; ten tweede werden reeds bij +de eerste schoten Jan Evertsen en Tjerk Hiddes, benevens de Friesche +admiraal Koenders doodelijk gekwetst. Toen nu ook tot overmaat van +ramp het schip van den Vice-admiraal Bankertsz zonk, die met moeite +zijn leven redde, werd het smaldeel geheel en al in wanorde gebracht en +verstrooid. Intusschen had Monk het centrum onder De Ruyter aangetast +en kwam hem ook de voorhoede onder Allen te hulp. Hachelijk was nu +de toestand der onzen. De voorhoede verstrooid, vele van De Ruyters +schepen reddeloos, en van de achterhoede onder Tromp en Meppel niets +te bespeuren. Onze zeeheld echter hield het gevecht tot den avond +vol; doch, daar hij zag, dat zijn geringe vloot niet meer bestand +was om aan de overmacht van den vijand het hoofd te bieden, begon +hij langzaam te wijken, hopende, dat Tromp zich gedurende den nacht +met hem zou vereenigen. + +Maar toen de volgende morgen aanbrak, zag de held wel overal vijanden, +maar geen Tromp. + +"Sein den Luitenant-admiraal Meppel aan boord," zeide hij tot Klaas +Dirksz, die zijn post aan het roer niet had verlaten, ofschoon +de kogels om zijne ooren floten. Onze Pieter bevond zich met de +timmerlieden beneden, om zooveel mogelijk ieder lek, dat er geschoten +werd, te herstellen. De stuurman gaf het roer aan twee matrozen over +en seinde den Vice-admiraal: doch op hetzelfde oogenblik tuimelde +hij, door een Engelschen kogel doodelijk getroffen, door het luik +naar beneden en kwam genoegzaam voor Pieters voeten te land. + +"Hemelsche Vader!" riep Pieter, terwijl hij zich op de knieën bij +zijn geliefden oom neerwierp. "Oom! Oom!" + +"Ik sterf," zeide de stuurman met een flauwe stem. "De Engelschman +heeft mij doodelijk gekwetst." + +"Gij zult niet sterven, oom!" zeide Pieter. + +"Vlei je niet, mijn beste jongen," hernam Klaas Dirksz gebroken. "Tegen +den dood is geen kruid gewassen. Ik voel hem reeds in mijne +aderen. Vaarwel, Pieter! groet den Admiraal van mij. Zeg aan De +Ruyter..." + +Hier kon de stuurman niet meer spreken; vreeselijk draaiden zijne oogen +in hunne kassen. Pieter poogde het bloed, dat uit de wond vloeide, +te stelpen; maar het scheen den stervende te benauwen, die na een +hevige stuiptrekking den laatsten adem uitblies. + +"Dood! Arme oom Klaas, dood!" riep Pieter uit, terwijl hij zich als +wanhopig op het lijk wierp. + +"Pieter!" klonk eensklaps een stem naast hem. "Is de stuurman dood?" + +"Hij is dood, Jonker Engel. De kogel heeft hem te goed getroffen en +de val heeft het overige gedaan. Hoe is het boven gesteld?" + +"Ellendig. Nooit heb ik mijn vader zóó gezien. De Luitenant-admiraal +Van Nes is bij ons aan boord gekomen; vader wilde met hem +raadplegen. "Wat zullen wij doen, mijn goede Van Nes," riep hij uit, +toen de Luitenant-admiraal bij hem in de kampanje trad, "wat zullen +wij doen? De andere schepen zijn anderhalve mijl van ons en loopen +zoo hard zij kunnen, zonder acht te geven op onze seinschoten. Zie, +welk een overmacht ons te loef, te lij, van voren en van achteren +omringt, en wij--wij zijn slechts met zeven of acht schepen bijeen. Wat +zullen wij doen?" "Wat wij moeten doen," antwoordde Van Nes, "tegen de +overmacht kunnen wij het niet uithouden; het best is, ons al wijkende +te verweren."--"Gij hebt gelijk, Van Nes," antwoordde vader. "Daar +is geen andere uitkomst over. Ach! wat overkomt ons! Ik wou maar, +dat ik dood was!" + +"Zei uw vader dat?" zeide Pieter, terwijl hem de tranen uit de oogen +sprongen. "En wat zeide de Luitenant-admiraal?" + +"Ik wou het ook wel," antwoordde Van Nes, "maar men sterft niet, +wanneer men wil. Ik ga naar mijn boord terug en zal u trouw blijven +tot mijn laatsten ademtocht." Dit zeggende, stonden mijn vader en hij +op, en--nauwelijks waren zij de kampanje uit, of ziet, daar vloog +een Engelsche kogel naar binnen en schoot de beide plaatsen weg, +waar zij gezeten hadden!" + +"Wonderbaar behoud!" riep Pieter uit. "En is Tromp nog niet in het +gezicht?" + +"Nergens te zien," hernam Jonker Engel. "Maar ik moet weer naar +boven. Mijn vader zond mij herwaarts, om naar zijn trouwen stuurman +te zien." + +"Zeg hem, dat de gesneuvelde met zijn naam op de lippen is gestorven +en met brekende oogen mij zijn laatsten groet voor den geliefden +Admiraal heeft gegeven." + +"Ik zal het doen. En ga jij ook weer aan het werk. Er is hier genoeg +te vinden." + +"Dat zou ik meenen," zeide Pieter. "Maar ik was liever boven, om den +dood mijns ooms op die Engelschen te wreken." + +"Je bent hier even nuttig, Pieter, want jij zorgt er voor, dat wij +niet verdrinken. Het zal toch nu maar de zaak zijn, om ons leven en +ons schip te redden. Vaarwel, Pieter! Misschien voor eeuwig!" + +"God behoede je en je dapperen vader!" zeide Pieter, terwijl hij +Jonker Engel de hand drukte; waarop deze naar boven snelde, om aan +de zijde zijns vaders te strijden en hem den laatsten groet van Klaas +Dirksz over te brengen. + +Van Nes hield zijn woord en deed wat hij kon, om achter De Ruyter te +blijven en met hem de vijanden af te weren. Zoo weken zij al vechtende, +terwijl zij hun koers naar de Zeeuwsche stroomen richtten. Omstreeks +'s morgens negen uren kregen zij _Westkapelle_ in het gezicht. De +Engelsche Admiraal Monk intusschen, vurig hopende de eer te hebben +den grooten zeeheld gevangen te nemen, drong al meer en meer met +zijne grootste macht op hem aan. Omtrent twaalf uren op den middag +zond hij een brander op hem af, die "De zeven Provinciën" zoo na kwam, +dat er geen ontkomen meer scheen te zijn. Maar ook in den hoogsten nood +verloor de Admiraal zijn tegenwoordigheid van geest niet. Terstond gaf +hij bevel om vier sloepen te bemannen met volk uit vier schepen. In +De Ruyters sloep begaven zich ook op zijne aanmaning de vier Fransche +heeren. Nu hing het behoud van De Ruyters schip, ja van de gansche +vloot aan een zijden draad. Gelukkig werd de brander, die zoo groot +was dat hij wel een oorlogsfregat geleek, vernield en door zijn volk +verlaten, waaraan de vier Fransche edelen niet weinig toebrachten. + +Wel was nu dat gevaar afgewend, doch kort daarna kwam Monk met +verscheidene andere Engelsche schepen zoo dicht bij De Ruyters +vaartuig, en gaven zij in het voorbijzeilen telkens zoo geducht +de volle laag, dat alles scheen te barsten en te breken. Nooit was +onze zeeheld zoo moedeloos geweest als thans. "Hoe ben ik dan toch +zoo ongelukkig?" riep hij tot zijn schoonzoon De Witte, die naast +hem stond. "Is er dan onder zooveel duizenden kogels niet een, die +mij wegneemt!"--"Vader!" zeide De Witte, "hoe kunt ge zoo moedeloos +zijn en zulk een wanhopige taal voeren? Wenscht gij te sterven, +welnu, laat dan den steven wenden, storten wij ons te midden van de +vijanden en sterven wij den heldendood!" Deze taal werkte; De Ruyter +zag het verkeerde daarvan in. "Witte," zeide hij, "gij weet niet, +wat gij zegt. Als ik dat deed, dan zou alles verloren zijn; maar als +ik er mij zelf en deze schepen behouden kan afbrengen, dan kan men +het werk hervatten." Gelukkig daagde er uitkomst. Men was nu zoo +dicht bij de Zeeuwsche kust, dat de Engelsche Admiraal, vreezende +dat zijne schepen op de zandbanken zouden vastraken en stranden, +het sein tot den aftocht gaf en met zijne vloot weder zee koos. + +Den volgenden dag kwam ook Tromp met zijn smaldeel de haven van +_Vlissingen_ binnen en begaf zich terstond met Zweers en Van der +Zaan aan boord van De Ruyter. Hij had met de zijnen zijn best gedaan; +want toen de voorhoede aan den slag raakte, was hij even ver van De +Ruyter verwijderd als deze van Evertsen, en hij werd evenzeer door +de windstilte verhinderd, het centrum te naderen. Door de Engelsche +achterhoede onder Smith aangegrepen, hadden hij en de zijnen zich +met de oude dapperheid gekweten en een zwaren strijd te verduren +gehad. Hij had zich dus onmogelijk bij De Ruyter kunnen voegen, en +meende nu allen lof in te oogsten. Verwonderd stond hij te kijken, +toen De Ruyter hem toevoegde: + +"Komt de heer Luitenant-admiraal eens kijken, of ik nog in leven +ben? Inderdaad--het heeft aan U niet gelegen; integendeel--gij +hebt dapper uw best gedaan, om mij met 's lands vloot in handen der +Engelschen te leveren." + +"Ik, Admiraal?" vraagde Tromp verbaasd. "Of meent Uwe Edelheid soms, +dat ik werkeloos gelegen heb, of lafhartig gevlucht ben?" + +"Indien ik dat meende, Mijnheer Tromp," zeide De Ruyter, "zou ik u +gevangen hebben laten nemen als een verrader. Maar zonder lafhartig +te zijn, kan men wel tegen de krijgstucht zondigen. Waarom zijt gij +niet bij de vloot gebleven? Waarom afzonderlijk gestreden? Of meendet +gij alleen meer roem te behalen, dan onder mijne vlag?" + +"Indien ik mij deswege te verantwoorden heb, zal het aan mijne meesters +de Heeren Staten zijn," zeide Tromp trotsch. + +"Daar zult gij gelegenheid toe hebben," hernam De Ruyter. "Ik heb Hunne +Edel-Groot-Mogenden een getrouw verslag gezonden van het gebeurde, en +U niet gespaard, evenmin als u, mijne heeren Zweers en Van der Zaan!" + +"Uwe Edelheid moet weten wat Zij doet," antwoordde de laatste. "_Wij_ +hebben onzen plicht gedaan en zijn aan onzen eed getrouw geweest." + +Op dit oogenblik verloor De Ruyter zijne gewone bedaardheid, en voer, +in tegenwoordigheid van al het scheepsvolk, uit tegen Zweers en Van +der Zaan. Beide mannen zwegen, ofschoon zij onschuldig waren, daar +zij slechts hunne vlag hadden gevolgd. Maar Tromp kon niet zwijgen. + +"Hadt gij U even goed gekweten, als wij," zeide hij, "dan zouden wij +de overwinning behaald hebben. En had ik de achterhoede der Engelschen +niet afgesneden, het zou met U gedaan zijn geweest. Dan zat gij nu +in _Londen_ als krijgsgevangene." + +"Wij zullen niet verder over de zaak twisten, mijnheer Tromp," +hernam De Ruyter, die zijne bedaardheid had herkregen. "Zooals gij +gezegd hebt, de Heeren Staten zullen tusschen ons beslissen en over +ons oordeelen. Wat mij aangaat,--ik schroom het oordeel van mijne +meesters niet." + +"Ik ook niet," hervatte Tromp, terwijl hij De Ruyters boord +verliet. "Ofschoon," mompelde hij half verstaanbaar, "de lieveling +wel gelijk zal krijgen en de arme aanhanger van het Prinsenhuis +achterstaan!" + +Zoodra hij aan zijn boord gekomen was, schreef Tromp twee brieven, een +aan de Staten-Generaal en een aan de Staten van _Holland_, waarin hij, +op krachtigen maar bitteren toon, zijn gedrag poogde te rechtvaardigen +en De Ruyter te beschuldigen; terwijl hij aan het slot van zijn brief +zeide, "dat--indien hij dan, na al zijne getrouwe diensten voor een +schelm moest worden uit gekreten--hij zijn ontslag verzocht, daar +het thans geen tijd was, om schelmen te gebruiken." + +Gij kunt u voorstellen, welk een onaangenamen indruk dat schrijven, +vooral bij de Staten van _Holland_, verwekte. Daarbij kwam nog, dat +de Heer Kievit, gecommitteerde Raad van _Rotterdam_ (uit den mond +van den Heer van Sommelsdijk, die op het schip van Tromp den laatsten +zeeslag had bijgewoond, de bijzonderheden daarvan vernomen hebbende) +een verslag opstelde, waarin hij het gedrag van Tromp hoog opvijzelde +en dat van De Ruyter erg gispte. Dit stuk had hij laten drukken en +verspreiden. Hierover door de Staten van _Holland_ ter verantwoording +geroepen, waagde hij het niet, voor hen te verschijnen, maar vluchtte +het land uit. Ook benoemde men een commissie, aan welker hoofd de +Raadpensionaris stond, om de beschuldigingen te onderzoeken, welke de +beide Admiralen tegen elkander hadden ingebracht. Met staatkundige +voorzichtigheid wilde deze commissie niet beslissen, aan wien de +schuld lag doch gaf als haar gevoelen op, dat het belang van den Staat +eischte, een der beide Admiralen te ontslaan. De Staten aarzelden +geen oogenblik, om in deze netelige zaak te beslissen en zonden aan +Tromp het bericht, dat zijne aanstelling als Luitenant-admiraal was +ingetrokken; terwijl hem tevens verboden werd, zich naar de vloot +te begeven, omdat men een opstand vreesde van het aan hem zoozeer +gehechte scheepsvolk. + +Dit besluit omtrent Tromp deed den haat tegen de heerschende partij +geducht toenemen. Tot eer van den zeeheld moeten wij zeggen, dat +hij het aanbod, hem door d'Estrades, den Franschen gezant, gedaan om +tegen een aanzienlijk jaargeld koning Lodewijk XIV te dienen, van de +hand wees, terwijl hij zeide, dat hij liever in zijn vaderland als +vergeten burger wilde leven, dan met eer en rijkdom overladen, een +vreemden vorst dienen. In zijne plaats werd tot Luitenant-admiraal +van _Holland_ benoemd Willem Jozef Van Gent. + +Keeren wij nog een oogenblik naar De Ruyter terug. Zeer waarschijnlijk +was zijne geheele familie naar _Vlissingen_ gekomen, om den dierbaren +man en vader te zien, wiens bijzijn zij zoo lang hadden moeten +ontberen. Wij lezen ten minste, dat zijn jongste dochtertje, dat den +13den September haar elfde levensjaar zou bereiken, een engelachtig, +veelbelovend kind, ziek werd aan een besmettelijke ziekte en daaraan +op den 24sten Augustus stierf. Hoe smartelijk dit verlies den braven +man aandeed, hij onderwierp zich met de gelatenheid eens christens aan +Gods wil en poogde zijne droefheid door zijne gewichtige en gedurige +bezigheden te lenigen. + + + +Wij begeven ons nu in het begin van de maand September weder naar +'s-_Gravenhage_, waar wij den Prins vinden in een vertrek, genaamd "de +kamer van educatie." Het is eene uiterst eenvoudig gemeubelde kamer, +aan beide zijden met ramen voorzien. Naast de deur, die in een hoek +is, staat een boekenkast, die tot aan de zoldering reikt en waarvoor +groote saaien gordijnen hangen, waarvan het eene, dat opengeschoven is, +een rijke verzameling van boekwerken doet bespeuren, in kalfslederen, +hoornen en half lederen banden gebonden; bovenaan de duodecimo's en +octavo's, lager de kwarto's en onderaan de folianten. Tegenover dezen +muur is de groote marmeren schoorsteen, boven welken een schilderstuk +van Honthorst. Aan de rechterzijde van den schoorsteen bevindt zich een +deur, evenals de andere met een groen saaien gordijn behangen om tocht +te beletten; aan de andere zijde staat een kleiner kastje, waarin een +atlas van Blaeuw [42], eenige kaarten en de boeken, die in dagelijksch +gebruik zijn; terwijl daarop een aard- en hemelglobe prijken en de +busten van Seneca en Socrates, beide in marmer. In het midden der kamer +staat een met groen laken bedekte tafel, waarop een zilveren inktkoker, +eenige versneden ganzenpennen en de noodige boeken en papieren. Dit is +"de kamer van educatie," waar Zijne Hoogheid dagelijks les krijgt van +zijn praeceptor Borneus, die hem in de historica (geschiedenis) en +politiek (staatkunde) institueert (onderwijst); terwijl een ander den +Prins les geeft in de mathesis, en de Raadpensionaris alle Maandagen +komt, om hem het Nederlandsche staatsrecht te onderwijzen en tevens +onderzoek te doen naar zijne vorderingen. + +Het is nu ook op een Maandag in September, dat wij Zijne Hoogheid +aan de met een groen kleed bedekte tafel vinden zitten, met den arm +onder het hoofd en praktizeerende over een der rekenkunstige opgaven +uit de vernieuwde cijfferinge van Willem Bartjes, tweede druk, in +1648 uitgegeven, twaalf jaren na den eersten. Verdrietig werpt hij +het boek van zich af en neemt de in 1653 uitgekomen Arithmetica van +B. Stockman en A. W. Wassenaar ter hand, maar zoo het schijnt met +geen beter gevolg. + +Op dit oogenblik komt de Raadpensionaris binnen. + +"Uwe Hoogheid schijnt in een kwade luim," begint hij. "Eilacy, is +zij boos op die onschuldige boeken?" + +"Op die boeken, zegt Uwe Edelheid?" antwoordt de Prins, "Vergeef mij, +dat ik U tegenspreek--ik was knorrig op mij zelf." + +"Maar dan moesten die boeken het toch ontgelden," herneemt De +Witt lachend. "In trouwe, het gaat wel meer zoo in de wereld. De +onschuldigen moeten het gelag betalen." + +"Gelukkig dat die boeken het niet voelen," zegt de Prins. "Maar ik +zou mij wel voor het hoofd willen slaan." + +"Bedaar wat, bedaar wat, mijn jonge vriend!" vermaant De Witt. "Dan +zoudt gij maar hoofdpijn krijgen.--Doch vertel mij, wat is de oorzaak +van uwe ontevredenheid met U zelf?" + +"Ach mijnheer De Witt!" klaagt de Prins. "Ik ben zoo dom..." + +"Gelukkig, dat Uwe Hoogheid zulks gevoelt, en nog gelukkiger, dat +de Heeren Staten Haar de gelegenheid hebben geschonken om knap te +worden. Maar waarin was Uwe Hoogheid zoo dom?" + +"In de arithmetica; mijnheer De Witt. Meer dan een uur heb ik zitten +denken over deze opgaven. Zie, ik _kan_ ze niet vatten." + +"Doodeenvoudige voorstellen," hervat De Witt, nadat hij ze gelezen +heeft. "Kom hier," vervolgt hij, terwijl hij de lei neemt en gaat +zitten. "Ik zal ze U eens voorrekenen." En terwijl hij den Prins +de opgaven uitlegt en ze hem voorrekent, heeft hij ze in weinige +minuten opgelost. + +"Ziet Uwe Hoogheid wel, dat de arithmetica de gemakkelijkste zaak +der wereld is?" + +"Voor uwe Edelheid, ja," antwoordt de Prins. "Maar voor een zwak +hoofd als het mijne...." + +"Geduld slechts, Uwe Hoogheid! het zal wel beter gaan." + +"Het zijn zulke vervelende sommen in die boeken! Wat moeten de menschen +die ze gemaakt hebben, allervervelendste wezens zijn." + +De Witt kon zich niet onthouden van te glimlachen. + +"Komaan," zegt hij, terwijl hij een papier uit den zak haalt. "Schrijf +dan eens dit voorstel op; ik zal het u voorzeggen." + +De Prins neemt een pen, doopt die in en schrijft hetgeen De Witt hem +voorzegt [43]. + +"Aen den tooren van Babylon hebben gewerckt 333,227 menschen, en sy +hadden daeraen gewerckt 2 jaer, 7 maenden en 3 daghen, toen sy door +de verwerring van hunlieder tael verstroyt wierden; de hooghte van +dien tooren was toen 2 mijlen 3200 roeden; men vraegt, hoeveel tijts +30000 menschen zouden moeten besteden, om, even naerstig werckende, +sulk een tooren op diezelfde hooghte te brengen." + +De Prins denkt een oogenblik na. Zijn gelaat verheldert zich. + +"Die vraag is gemakkelijk op te lossen, mijnheer De Witt." + +"En hoe zult gij dat doen?" + +De Prins zegt het hem: maar daar ik gaarne zag, dat ook mijne lezers +er hunne krachten aan beproefden, zoo deel ik het hun niet mede. + +"Zeer goed," zegt De Witt. "En hoe komt het dan, dat Uwe Hoogheid nu +zoo vlug in het oplossen is?" + +"Omdat.... Omdat Uwe Edelheid niet zoo'n vervelend wezen is als de +makers van die cijferboekjes," antwoordt de Prins, "en dus zijn uwe +opgaven ook niet zoo droog en zoo saai." + +"Laat ons nu eens zien, of gij de leer der thienden [44] +begrijpt. Schrijf eens: zestien geheelen en driehonderd acht en +vijftig duizendste deelen." + +De Prins schrijft, volgens Simon Stevin; + + + 16 (0) 3 (1) 5 (2) 8 (3) + + +en volgens Franciscus van Schooten (1660): + + + 16358 (3) + + +want men had nog niet uitgedacht, om door een decimaalteeken de +geheelen van de deelen te scheiden. + +"Zeer goed," hervat De Witt. "Ik zie tot mijn contentement, dat gij +beide wijzen goed begrijpt. Intusschen moet ik Uwer Hoogheid wel doen +observeeren, dat de leerwijs van Van Schooten verre te prefereeren +is boven die van Stevin. Vooral in het multipliceeren en divideeren +verdient die de preferentie. En hoe handelt gij nu, wanneer gij dat +getal eens moest multipliceeren met vijf-en-tachtig duizendste deelen?" + +"Wel, dan multipliceer ik het met 85 (3) en addeer de beide eindcijfers +bij elkander; dan krijg ik (nadat hij het uitgerekend heeft) + + + 1390430 (6) + + +of eenvoudiger: + + + 139043 (5)". + + +"Zeer juist. Het doet mij genoegen, dat Uwe Hoogheid de thienden begint +te begrijpen. Het is met recht, zooals Simon Stevin zegt: het geeft +eene "ongehoorde lichtigheijt in alle rekeninghen onder de Menschen +noodigh vallende door heele getallen, sonder ghebrokenen." Doch nu +gaan wij verder." + +Ik geloof, dat mijne lezers mij het vervolg der rekenles wel zullen +kwijtschelden, alsmede het examen in de geschied- en aardrijkskunde +en het onderwijs in de staatkunde der Zeven Provinciën. + +De Raadpensionaris was ditmaal zeer voldaan over zijn kweekeling en +wilde vertrekken. + +"Een oogenblik, mijnheer De Witt," zeide de Prins. "Ik had U nog wat +te verzoeken." + +"Iets te verzoeken. Indien het in mijne macht staat, zal het mij +genoegen doen, U uw verzoek toe te staan." + +"Reeds vooraf bedankt voor uwe goedwilligheid," hernam de Prins. "Uwe +Edelheid herinnert zich nog wel dien Pieter Pietersz, timmerman op +het schip van den Luitenant-admiraal De Ruyter." + +De Witt dacht een oogenblik na. + +"O, zeer zeker! Ik herinner mij dien. Hij schijnt bijzonder in uwe +gunst te deelen." + +"Niet minder in de mijne, dan in die van den Admiraal. Zie hier," +vervolgde de Prins, terwijl hij een brief uit zijn zak haalde, +"dit is een aanbevelingsbrief van mijnheer De Ruyter." + +"Wien deze aanbeveelt," hernam De Witt, nadat hij den brief gelezen +had, "is het zeker waard en kan op mijne medewerking rekenen. Maar, +waarom heeft de knaap het zeewezen verlaten? Ik meende vroeger van +Uwe Hoogheid vernomen te hebben, dat hij zooveel lust in het zeeleven +had. Hoe is dat zoo in eens veranderd?" + +"Reeds toen ik in Mei op de vloot was, zeide de Admiraal mij, dat er +nooit een zeeman uit Pieter zou worden. De dood van zijn oom Klaas +Dirksz, den stuurman van "De zeven Provinciën," die, op den 5den +Augustus door een Engelschen kogel getroffen, den heldendood voor het +vaderland stierf, schijnt hem een tegenzin in het zeeleven te hebben +doen opvatten." + +"Het getuigt weinig voor zijn moed," hernam de Raadpensionaris +eenigszins schamper. + +"Uwe Edelheid herinnert zich, dat hij timmerman aan boord was, +en dus gedurende het gevecht beneden moest zijn om de lekken te +stoppen. Waarlijk geen taak om iemand moed in te boezemen." + +"Dat laat zich hooren. Doch, hoe heeft de Admiraliteit hem kunnen +ontslaan?" + +"Hij behoorde tot de vrijwilligers van _Delfzijl_," hernam de Prins, +"en als zoodanig mocht hij zijn ontslag nemen." + +"Ik beloof u, dat ik hem zal aanbevelen aan de Zeeuwsche Admiraliteit," +hernam De Witt. "Dan kan Uwe Hoogheid er een aanbeveling bij doen. De +Zeeuwen toch zijn Haar van oudsher zeer genegen." + +"_Zeeland_ is mijn geslacht altijd zeer geaffectionneerd geweest," +hernam de Prins, als had hij den scherpen toon, waarop die woorden +werden gesproken, niet opgemerkt. "Ik zal dus volgens uw raad +handelen. Doch nog iets. De ridder Buat...." + +Het gelaat van den Raadpensionaris betrok. + +"De ridder Buat," vervolgde de Prins, zonder schijnbaar iets van de +verandering in De Witts trekken te bemerken, "is door u beschuldigd +van geheime briefwisseling met den vijand en in hechtenis genomen." + +"Door mij in hechtenis genomen? Uwe Hoogheid vergist zich. Ik ben +geen Fiskaal." + +"Toch op uw bevel, mijnheer De Witt." + +"Geenszins. Op bevel van den Raad van State. Henry Fleury de Coulan, +heer Van Buat, is een landverrader." + +"Uwe Edelheid spreke toch zulk een hard oordeel niet uit over den man, +door U met een geheime correspondentie met _Engeland_ belast, en die +misbruik van uw vertrouwen heeft gemaakt door er eigen correspondentie +bij te voegen." + +"Uwe Hoogheid schijnt beter onderricht, dan ik vermoedde," zeide +De Witt scherp. "Wie is de gedienstige geest, die Haar dit heeft +medegedeeld?" + +"Hoe zou ik onkundig blijven, Mijnheer De Witt, van hetgeen geheel +_Den Haag_ weet?" hernam de Prins. "Of zou Uwe Edelheid meenen, +dat ik hier.... Doch neen, dat kan niet." + +"Voleindig uwen volzin, Prins," hernam De Witt. + +"Ik wenschte alleen uwe genade in te roepen voor den armen Buat. Uwe +Edelheid zal zich herinneren, dat hij reeds bij mijn vader in dienst +was. Sedert is hij onafgebroken aan ons geslacht verbonden geweest, +totdat...." + +De Prins zweeg. De Witt vervolgde: + +"Tot dat de Heeren Staten hebben goedgevonden, hem zijn ontslag te +geven. Waarlijk, de Heeren Staten hebben wijs gehandeld, iemand van +U te verwijderen, die met den vijand heult." + +"Dus geen genade voor den onvoorzichtige." + +"Het staat niet aan mij, voor zulk een halsmisdaad genade te +verleenen," hernam De Witt koel. "En wat mijn voorspraak betreft, +die zou al heel weinig baten; want ik ben overtuigd, dat de Heeren +Staten op de uiterste gestrengheden zullen aandringen. Luister +wel," hervatte De Witt met nadruk, terwijl hij den Prins met zijn +doordringende oogen scherp aanzag. "De Heeren Staten zijn voornemens, +om elke aanranding van het bestaande gezag, van welken aard dan ook, +streng te straffen, en uwe partij wordt stout--te stout, om langer +het Land aan het uitbreken van een burgeroorlog bloot te stellen. Uwe +Hoogheid kan dus bij gelegenheid Haren vrienden de verzekering geven, +dat de Heeren niemand zullen ontzien, welken rang of stand hij ook in +de maatschappij bekleede. Indien gij er iets aan kunt doen, maak dan, +dat Buat het eenige slachtoffer van de dwaasheid eener nuttelooze +partijzucht blijve." + +Met deze woorden verliet De Witt de kamer, om zijn pupil aan zijne +overdenkingen over te laten. Toen de Raadpensionaris vertrokken was, +schelde de Prins zijn kamerdienaar en beval hem, ingeval de persoon, +die dezen morgen op het Hof was geweest, terug mocht komen, dien +terstond bij hem te brengen. + +"Hij wacht reeds sedert een half uur, Uwe Hoogheid," zeide deze. + +"Breng hem dan onmiddellijk hier," hernam de Prins. + + + + +VEERTIENDE HOOFDSTUK. + +Hoe onze vloot de Engelschen tuchtigde. + + +Weinige oogenblikken, nadat de kamerdienaar vertrokken was, trad +Pieter Pietersz "de kamer van educatie" binnen. + +"Je past op je tijd, Pieter," zeide de Prins "Volg mij." + +De Prins deed de deur naast den schoorsteen open, en beiden bevonden +zich in een klein kabinetje. Zijne Hoogheid sloot de deur zorgvuldig, +en wenkte zijn gunsteling, zich op een stoel neder te zetten, terwijl +hij zelf ging zitten. + +"Wel," begon hij. "Heb je het een en ander bijzonders vernomen?" + +"Ik had daartoe niet veel moeite," antwoordde Pieter. "Mijn broeder is +met de familie zeer goed bekend: verscheidene malen heeft hij Mevrouw +Buat gekapt. Van hem dan ook heb ik de bijzonderheden vernomen." + +"Ter zake." + +"In het voorjaar werd de Ritmeester door den heer Raadpensionaris +aangezocht, om zich te belasten met een geheime correspondentie +naar _Engeland_." + +"Juist, met Sylvius, met wien Buat reeds correspondeerde. En had die +briefwisseling onder het oog van den Raadpensionaris plaats?" + +"Geheel en al. De Ritmeester schreef, schijnbaar in zijn eigen naam, +wat de Raadpensionaris hem voorzeide. Nu hadden de vrienden der +Oranjepartij, tot welke ook de Ritmeester behoort, hem aangezet om bij +deze correspondentie een andere te voeren, van welke de Raadpensionaris +niets mocht weten. Op deze brieven zette de Heer Sylvius: _pour vous +mesme_.--Langen tijd ging deze geheime handel goed, tot, voor eenige +dagen, de Ritmeester den Raadpensionaris een pak brieven bracht en +daaronder bij vergissing een van die geheime brieven had laten liggen." + +"De onvoorzichtige!" riep de Prins uit. "En had de Raadpensionaris +dat terstond gemerkt?" + +"Ik weet het niet, Uwe Hoogheid," gaf Pieter ten antwoord. "Maar de +Ritmeester was onvoorzichtig genoeg, om zich bij den Raadpensionaris +te vergewissen of de brief in het pak was. Deze kreeg daarop argwaan, +las den brief en vond daarin, wat hem aanleiding gaf om dien Buat +te weigeren en hem in den Raad van State te brengen. Terstond +werd de Ritmeester gevat en in de kastelenije bewaard; waarop de +Raadpensionaris aan het hoofd eener commissie uit den Raad van State +zich naar het huis van den gevangene begaf en aldaar huiszoeking deed." + +"Wat zal die arme mevrouw Buat verschrikt zijn geweest!" zeide de +Prins meewarig. + +"Dat kan Uwe Hoogheid zich voorstellen." + +"En heeft men daar nog wat gevonden?" + +"De Ritmeester had zorg gedragen, al de geheime brieven te +verbranden. Ongelukkig moet hij een brief en een klad voor een anderen +vergeten hebben te vernietigen. De Raad van State heeft daarop grond +genoeg gevonden, om hem van hoogverraad te beschuldigen en zijne zaak +in handen van het Hof van _Holland_ te stellen." + +"En de Ritmeester?" + +"Zit nu op de _Voorpoort_ van den Hove." + +"Arme Buat," zeide de Prins.--"Je hebt je goed van je last gekweten, +Pieter," vervolgde hij tot dezen. "Ik heb ook den mijnen volbracht +en je aan den Raadpensionaris aanbevolen." + +"Ik dank Uwe Hoogheid voor Hare goedgunstige bescherming," zeide +Pieter. + +"Waarschijnlijk zul je een aanstelling op de werven van de Admiraliteit +van _Zeeland_ erlangen. Ik zal ook aan de Heeren bewindhebbers +schrijven en je aanbevelen." + +"O, Uwe Hoogheid is al te goed," hernam Pieter. "Hoe zal ik Haar ooit +dankbaar genoeg kunnen zijn!" + +"Verlaat mij thans, Pieter, en keer langs denzelfden weg terug, +dien je gekomen bent. Vaarwel!" + +De Prins deed de deur van het kabinetje open en ging, na het vertrek +van Pieter, weder aan het werk--schijnbaar ten minste--want zijne ziel +was te zeer bezig met den armen Buat, dan dat hij had kunnen werken. + +De aanbeveling van den Prins met die van den Luitenant-admiraal had +goede uitwerking. Pieter werd op de werf der Zeeuwsche admiraliteit +aangesteld als tweede meesterknecht, met een goed inkomen en het +vooruitzicht op bevordering. Martha, wiens broeder Jacob intusschen +gehuwd was, vergezelde hem naar _Vlissingen_, om zijne huishouding +waar te nemen. + +Gij zult wel nieuwsgierig wezen, hoe het met Buat afliep. Ik zal het u +meedeelen. De leden van het Hof waren wel gestemd om een zacht vonnis +te vellen, vooral, omdat hij eigenlijk geen landverraad had gepleegd, +maar slechts misbruik had gemaakt van het vertrouwen, dat De Witt in +hem had gesteld. De Staten van _Holland_ evenwel, door De Witt daartoe +aangezet, begrepen de zaak anders, en maanden het Hof ten ernstigste +aan, om een krachtig vonnis te spreken. Daarbij kwam, dat men Buat door +een boosaardige list van een zijner rechters beroofde, den Raadsheer +Van der Graaf, die der Oranjepartij was toegedaan. Op zekeren dag +namelijk, dat genoemde Raadsheer van het Hof kwam, verzocht hem iemand, +uit naam van Buat, even bij den gevangene te komen. Hieraan voldoende, +vond hij Buat ongesteld en zeer verwonderd over zijne komst, daar de +boodschap niet van hem was uitgegaan. Na, in tegenwoordigheid van den +cipier, een paar woorden met den gevangene gewisseld te hebben, verliet +Van der Graaf de Gevangenpoort en ging naar huis. Den volgenden dag +stond in een nieuwsblad, dat een der Raadsheeren zich niet ontzien had, +de gevangene te bezoeken. Het Hof ondervraagde daarop Van der Graaf, +die de toedracht der zaak verhaalde. Diensondanks werd hij gedwongen, +zich niet verder in dit rechtsgeding te wikkelen. + +Van deze stem beroofd, die waarschijnlijk nog een of twee andere zou +hebben overgehaald, werd de ongelukkige Ritmeester veroordeeld te +worden gestraft met den zwaarde, zoodat er de dood na volgt. Dit +vreeselijke vonnis werd op Maandag den 11den October aan hem +voltrokken. + +De Raadsheer Kieviet, diens vrouw (zooals gij weet, de zuster van +Tromp) en de Burgemeester van _Rotterdam_, Van der Horst, werden mede +in dit rechtsgeding gewikkeld, omdat zij Buat tot schrijven hadden +aangezet en ettelijke brieven hadden gelezen. De eerste, zooals ik +u reeds gezegd heb, ten lande uitgeweken, werd ter dood, zijne vrouw +tot een zware geldboete en Van der Horst tot verbanning veroordeeld, +terwijl hunne goederen werden verbeurd verklaard. + +De terechtstelling van Buat, gevoegd bij de afzetting van Tromp, deed +bij de Prinsgezinden den haat tegen De Witt nog toenemen. Zoover +zelfs ging men, dat men hem den noodlottigen uitslag van den +tweedaagschen zeeslag weet. De Engelschen intusschen, nu open zee +hebbende, maakten daarvan gebruik, om eenige koopvaardijschepen in +het _Vlie_ weg te nemen en op het eiland _Terschelling_ te landen, +waar zij het dorp _West-Terschelling_ in brand staken en de weerlooze +bewoners mishandelden. + +Hoe gehavend onze vloot ook was, koos die weder zee om de Engelschen +te tuchtigen; doch door ziekte onder het scheepsvolk en door stormen +werd zij genoodzaakt terug te keeren, zonder iets verricht te hebben. + +Het terugzenden van het lijk van Barclay gaf aanleiding tot +vredesonderhandelingen. Een zware brand te _Londen_, die van den +twaalfden tot den zeventienden September duurde, een groot gedeelte +der stad in de asch legde en millioenen schats vernielde, maakte, +dat men in _Engeland_ zeer naar den vrede verlangde. Tot de plaats +der onderhandelingen werd _Breda_ gekozen. Intusschen hoopte De Witt +vooraf nog de geledene nederlaag en den brand van _Terschelling_ +op luisterrijke wijze te wreken, en had dus gezorgd, dat onze vloot +goed uitgerust en volkomen van alles voorzien was. + +'t Was een koude en langdurige winter, en daardoor konden onze +schepen eerst laat in het voorjaar uitloopen. De Staten-Generaal +hadden weder goedgevonden, dat gemachtigden van hunnentwege den +tocht zouden bijwonen. Daar de andere gewesten tegen de onkosten der +uitrusting opzagen, had alleen _Holland_ er een benoemd. Dewijl nu +de Raadpensionaris, die in persoon bij de vredesonderhandelingen te +_Breda_ tegenwoordig moest zijn, dien tocht niet kon bijwonen, had +men diens ouderen broeder, Cornelis de Witt, Ruwaard van _Putten_, +Burgemeester van _Dordrecht_ en lid van de Admiraliteit der _Maas_, +die betrekking opgedragen. Deze was een man van persoonlijken moed +en wel bekend met het zeewezen. Het ware doel van den tocht werd +intusschen zoo geheim gehouden, dat zelfs de listige en schrandere +d'Estrades er niet achter kon komen. + +Door storm in haren voortgang vertraagd, kwam de vloot eerst den +17den Juni in het _Koningsdiep_ ten anker. Van hier werd Van Gent +met 17 schepen vooruitgezonden naar den _Theems_, om de daarliggende +koopvaardijschepen aan te tasten en te vermeesteren. De Ruwaard +zelf begaf zich op het schip van Van Gent om de onderneming te +besturen. Daar echter die schepen tijdig genoeg de rivier waren +opgezeild, begaf zich het smaldeel naar de _Medway_, ook wel de rivier +van _Chattam_ of _Rochester_ genoemd. Aan den mond dier rivier lag +de sterkte _Sheernesse_, die door Van Brakel en twee andere kapiteins +beschoten en zonder veel moeite bemachtigd werd. Het fort werd geslecht +en wat er bruikbaars in werd gevonden, onder de schepen verdeeld. Bij +onderzoek bleek, dat de Engelschen twee groote schepen en vijf branders +hadden laten zinken, om de doorvaart te beletten. Van Gent zond nu +kapitein Tobias met vier schepen, drie jachten en twee branders de +rivier op, om een weg te banen. Dit gelukte; doch eensklaps vond +Tobias zich gestuit door een dikken ijzeren ketting, die aan beide +oevers vastgehecht, over de rivier gespannen was. Achter dezen ketting +lagen de "Unity", daarachter de "Carolus Quintus", "de Matthias" en +de "Monmouth"; terwijl het schieten uit het kasteel _Upnor_ en van de +beide oevers het verder opzeilen belemmerde. Kapitein Tobias zag zich +dus genoodzaakt, van de onderneming af te zien, en waarschijnlijk zou +het geheele plan mislukt zijn, had niet een omstandigheid aanleiding +gegeven tot het uit den weg ruimen van alle hinderpalen. De Ruwaard had +den kapiteins op lijfstraf verboden, iemand van hun scheepsvolk aan +land te laten gaan. Kapitein Jan van Brakel had dit bevel overtreden +en was op last van De Witt gevangen genomen. Vreezende zijn hoofd te +zullen verliezen, begreep hij, dat hij zich door een waagstuk moest +vrijkoopen. Hij bood dus aan met zijn schip, een slecht fregat, de +"Unity" aan boord te klampen, de branders bij te brengen en het eskader +een doortocht te verschaffen. De Ruwaard nam dit aan, Van Brakel werd +ontslagen, en mocht weder aan boord gaan. Terstond zeilt hij vooruit, +door den nauwen doorgang en de Nederlandsche schepen heen, vervolgt, +met de beide branders achter zich, onder het hevige kruisvuur van +den vijand zijn tocht en schiet niet, alvorens hij bij de "Unity" +is. Nu geeft hij het fregat de volle laag, klampt het aan boord en +is er in weinige oogenblikken meester van. + +Thans bleef nog de eenige hindernis, de keten, over. De Kommandeur Van +den Rijn, die een der beide branders aanvoerde, zeilde er met zulk +een geweld tegen aan, dat de zware ijzeren ketting doormidden brak, +waarna hij zich terstond aan den daarachter liggenden "Matthias" +hechtte, welken hij in brand stak. De andere branders kwamen nu ook +door de gemaakte opening heen en trachtten den "Carolus Quintus" in +brand te steken. Doch deze schoot hen beide in den grond, echter niet +dan nadat een daarvan het schip in brand had gestoken. Van Brakel, +met een paar sloepen daarbij gekomen, beklom nu het vaartuig, nam +een gedeelte der manschap gevangen en liet het schip aan de vlammen +over. Hierop namen de Vice-admiraal De Liefde en kapitein Tobias de +door zijne manschap verlatene "Royal Charles," het admiraalsschip, +een der grootste en schoonste bodems der Engelsche vloot, reeds ten +tijde van Cromwell gebouwd en in 1660 gebruikt om koning Karel II +naar Engeland over te brengen. Nu lag de "Mary" aan de beurt, die +mede verbrand werd. + +Daar intusschen de eb was ingevallen, moest men met de vermeestering +van de vier overige koningsschepen, die hooger op de rivier lagen, +tot den volgenden dag, 23 Juni, wachten. Maar dat was weder een +waagstuk. De Ruyter echter, door De Witt van de hoofdvloot ontboden, +besloot het te beproeven. Zeven branders, naar de schepen afgezonden en +door evenveel oorlogsvaartuigen begeleid, zeilden de rivier op, midden +door het geweldige kruisvuur van het kasteel _Upnor_ aan de eene en van +een zware batterij, aan de andere zijde der rivier gelegen, heen. Ook +De Ruyter zelf sprong in een sloep om de onderneming te besturen, +en de Ruwaard, dit ziende en evenmin bevreesd voor de vijandelijke +kogels, besloot hem te vergezellen. De "Jacoba" en de Royal Oak", twee +schepen elk van tachtig stukken, werden door twee branders vernield; +terwijl een andere den "Loyal London" in brand stak. De kapitein van +de "Royal Oak" verkoos niet van zijn schip af te gaan. "Nog nooit," +zeide hij, "heeft een Douglas (hij was een Schot en uit dit edele +huis) den hem toevertrouwden post verlaten." En hoe men hem smeekte, +zich te redden--hij liet zich met zijn vaartuig verbranden. + +Gij kunt u voorstellen, welk een schrik en ontzetting deze tocht +in _Londen_, ja in geheel _Engeland_ verbreidde. In de hoofdstad +werkte die zoozeer op de gemoederen, dat men daar reeds zijne +kostbaarste goederen borg en op de vlucht sloeg. Doch spoedig +werden zij gerustgesteld; want reeds den volgenden dag zeilden onze +schepen, tevreden met het behaalde voordeel en verzekerd, dat men den +Engelschman nu voor lang schrik had ingeboezemd, naar de hoofdvloot +terug, waarmede De Ruyter een tijd lang den _Theems_ gesloten bleef +houden. Van Brakel genoot de eer, de beide veroverde schepen, de +"Unity" en de "Royal Charles" naar het Vaderland te voeren. + +De Ruwaard ontving van de Staten een gouden beker, waarop de +onderneming was afgebeeld, benevens een rentebrief van f 30,000, +De Ruyter een dergelijken beker en Van Gent f 12,000 en een gouden +gedenkpenning. Ook de andere scheepshoofden werden voor de door hen +bewezen diensten beloond. + +De tocht naar _Chattam_ bewerkte, wat de Raadpensionaris er mee +bedoeld had: niet alleen hadden wij een belangrijke revanche genomen +voor den brand van _Terschelling_, maar ook de vredesonderhandelingen +werden er door bespoedigd en weldra ten einde gebracht. Het was dan +ook reeds op den 31sten Juli van datzelfde jaar 1667, dat de vrede +met _Engeland_ te _Breda_ werd gesloten en zoo een einde maakte aan +den tweeden Engelschen oorlog. + +Reeds eenige weken vóór het sluiten van den vrede te _Breda_, was +Lodewijk XIV, koning van _Frankrijk_, in de _Spaansche Nederlanden_ +gevallen. Deze inval, waarbij d'Estrades de medewerking der Staten +eischte, omdat _Frankrijk_ ons, zoo het heette, in den oorlog tegen +_Engeland_ had ondersteund, deed de noodzakelijkheid ontstaan om +ons leger te velde te vergrooten en over dat leger een veldoverste +te benoemen. Geen wonder, dat de Oranjepartij weder het oog op den +Prins had geslagen, die nu reeds bijna zeventien jaren was. De +Witt begreep dan ook, dat hij den Prins niet altijd daar buiten +zou kunnen houden, en daartoe verzon hij een list, waardoor ten +minste de verheffing van Willem Hendrik tot Stadhouder ten eenenmale +onmogelijk zou worden. Hij maakte een staatsstuk, inhoudende, dat +elke toekomstige Kapitein-admiraal of Generaal zou zweren, nooit naar +eenig Stadhouderschap te zullen staan. Dit stuk, bekend onder den +naam van _Eeuwig Edict_, waarbij de waardigheid van Stadhouder voor +alle eeuwigheid in _Holland_ vernietigd werd, terwijl in de andere +provinciën geen Stadhouder ooit Kapitein-admiraal of Generaal zou +kunnen zijn, werd den 5den Augustus door de Staten van _Holland_ +aangenomen. Nu zult ge wellicht denken, dat men den Prins terstond +tot de hoogste krijgswaardigheden verhief. Verre van daar. Wel werden +er benoemingen gedaan, maar Zijne Hoogheid kwam niet in aanmerking; +immers er was bij vroegere resolutiën bepaalt, dat hij vóór zijn +twee-en-twintigste jaar geen hooge krijgsambten zou mogen bekleeden. + +Nog vloeide uit den inval van Lodewijk XIV in de _Spaansche +Nederlanden_ voort het sluiten van een verbond, om _Frankrijk_ tot den +vrede met _Spanje_ te noodzaken, en dat, daar het tusschen onzen Staat, +_Engeland_ en _Zweden_ werd gesloten, den naam van Triple-alliantie +of drievoudig verbond draagt. De bewerkers van deze alliantie, die +den 28sten Januari 1668 werd vastgesteld, waren Johan de Witt en de +beroemde Engelschman, de ridder William Temple. + +Wij gaan Dinsdag den 7den Februari van datzelfde jaar nog eens naar +den Prins. Maar wij vinden hem nu niet op het _Binnenhof_, ook niet +op het hof van _Brandwijk_,--wij zullen hem op een geheel andere +plaats aantreffen. Wij gaan naar het _Buitenhof_, en wel naar de +toenmalige hofstallen, "paardenberijdersstal" genaamd. "O," zegt +gij, "dan had de Prins zeker weer nieuwe paarden gekocht, die hij +den ouden Heenvliet wilde laten zien." Mis geraden! Vooreerst was +de oude Heenvliet reeds dood; hij was kort na de terechtstelling +van Buat gestorven. Maar ten tweede ziet gij in den geheelen stal +noch paard noch karos; integendeel, al de paarden en karossen zijn +naar andere stallen verhuisd, de stal is schoongemaakt, door baas +Balkenende met planken bevloerd en met meer dan achthonderd zitplaatsen +voorzien. Die zitplaatsen nu zijn geen ruwe houten banken, zooals in +onze kermistenten; zij zijn keurig netjes en met kussens voorzien; +want behalve de leden der Staten-Generaal, de leden van den Raad +van State en van de Rekenkamer, de gekommitteerden van _Holland_, +zijn de aanzienlijksten van den lande genoodigd; zelfs de Prins van +_Toskane_, die te _Antwerpen_ logeert, is voor dezen avond expresselijk +overgekomen. De wanden zijn rondom met keurige tapijten behangen, +hier en daar zijn reusachtige spiegels aangebracht, rondom welke +kunstig gekweekte bloemen; duizenden waskaarsen zijn op de zilveren +luchters en armblakers geplaatst,--alles is keurig netjes ingericht +en getuigt van den rijkdom van den Prins van _Oranje_, die dit alles +bekostigd en er duizenden aan besteed heeft. Maar wij hebben niet alles +gezien. Tegenover de zitplaatsen is een prachtig tooneel opgericht, +insgelijks met tapijten behangen en waarop aan de eene zijde, keurig +geschilderd, de vredemaagd staat met zeven pijlen in de hand, die de +drie Brittannische koninkrijken, aan den anderen kant van het tooneel +geplaatst, tot eeuwige vriendschap schijnt uit te noodigen. Ziet, +daar worden de kaarsen opgestoken--straks zullen de hooge gasten +binnentreden. Reeds komen de muzikanten. + +Maar er is nog meer te zien. Gaan wij achter het tooneel in die +beide kamers. In de eene vinden wij herders en herderinnen, boeren +en boerinnen, visschers en geniussen; allen verkleede dienaars van +den Prins of tot deze gelegenheid gehuurd. Ieder van hen heeft een +papier in de hand, waarop zijn rol staat. Het zijn echter allen +zwijgende personen. In de andere kamer vinden wij een aanzienlijker +gezelschap. Het is of wij op den Olympus zijn, zoo wemelt het hier +van goden en godinnen. Ook zij houden hunne rollen in de hand, +maar het zijn sprekende. En die goden en godinnen--het zijn wel geen +hemelsche wezens--maar toch zijn het de goden der aarde, de grooten +des lands. Begeven wij ons in hun midden; misschien hooren wij nog +het een en ander, wat ons belang inboezemt. + +God Mercurius zit in een gemakkelijken armstoel; op de tafel naast hem +ligt de gevleugelde slangenstok en de helm met vlerken. Gij herkent +hem terstond. Het is Willem Hendrik van _Oranje_, de ontwerper en +uitvoerder van deze tooneelvertooning (die men toen _dans_ noemde). + +Vóór Zijne Hoogheid staat een dame, wier dik middel en gevuld lichaam +verraadt, dat zij niet tot de sekse behoort, welke zij voorstelt. Een +paar groote vleugelen, aan hare schouders vastgehecht, en de blinkende, +lange bazuin, die zij in de hand houdt, doen ons haar erkennen voor +De Faam. Het is de Heer Van Obdam. Hij is in druk gesprek gewikkeld +met God Mercurius, maar niet over hemelsche zaken, o neen, over +zeer aardsche. + +"Uwe Hoogheid heeft vier schoone paarden van Haren oom, Zijne +Majesteit den koning van _Engeland_ ten geschenke gekregen," begint +hij. "Ik hoor, dat 's Konings stalmeester de hertog van Ormont ze +heeft overgebracht." + +"Gij hebt het reeds gehoord, Obdam," antwoordt de Prins. "Het zijn +juweelen van beesten, gij moet ze eens komen zien. Mijn oom heeft +mij zeker willen troosten voor de smart, die hij wellicht meent, dat +mij het Eeuwig Edict veroorzaakt.--Van het Eeuwig Edict gesproken, +Obdam! Zeg mij, is het waar, dat men den voorzittersstoel op de Rol +van het Hof heeft weggenomen?" + +"Dien stoel met de wapens van uw huis?" vraagt Obdam. "Ik heb daar +niets van vernomen. Doch daar komt Van der Lek; hij zal het Uwer +Hoogheid wel kunnen zeggen." + +Inderdaad komt de maagd van _Holland_, in het geschubde pantser met +den wapenrok aan en de sandalen aan de voeten, met den koperen helm +op het hoofd, de speer in de eene en het schild met den klimmenden +leeuw in de andere hand, zeer deftig en gratieus aanwandelen. + +"Zeg eens Van der Lek," zegt de Prins. "Is het waar, dat men den +voorzittersstoel op de Rol van het Hof heeft weggenomen?" + +"Zoo is het, Uwe Hoogheid!" antwoordt deze, en voegt er met fijne +vleierij bij: "Men zal hem willen schoonmaken, tegen den tijd, dat Uwe +Hoogheid er op zitten moet. Er was in de jaren, dat hij leeg stond, +zooveel onedel stof opgekomen." + +"Hoofsche vleier!" dreigt de Prins. "En dat moet ik uit den mond van +_Holland_ hooren." + +"Tijd baart rozen, Uwe Hoogheid," herneemt Van der Lek. "Er zal +een tijd komen, dat _Holland_ u zal waardeeren, zooals ik, haar +representant, u waardeer. Maar zie eens," vervolgt hij, terwijl +hij naar twee andere dames wijst, den Heer Du Ha (de tweedracht) en +den Heer Lauron (de vrede), die beiden in druk gesprek door de kamer +wandelen. "Als wij hier niet op den Olympus waren, zou men zich bijna +verbeelden, dat het duizendjarig rijk was gekomen. De tweedracht en +de Vrede wandelen daar samen als vriendinnen. Laat toch de fakkel +der eene den palmtak des anderen niet verbranden." + +"Geen nood, Van der Lek," zegt de Prins. "De fakkel brandt nog +niet. Straks mag Lauron voorzichtig zijn." + +"Voorzeker, Uwe Hoogheid!" zegt Valkenburg, die _Engeland_ moet +voorstellen. "Maar nu _Engeland_ zoo dicht bij _Holland_ komt te staan, +en zij elkander niet eens de tanden laten zien,--nu heeft de fakkel +van de tweedracht ook geen gevaar voor den vredepalm." + +"Gij hebt gelijk, Valkenburg," hervat de Prins. "En wat zegt gij van +mijne nieuwe paarden?" + +"Ik zag ze van middag, Uwe Hoogheid, en ik durf zeggen dat ik er +trotsch op ben, den edelen god des koophandels iets te hebben mogen +schenken, wat zijner waardig is." + +"Nu zal _hij_ er zich nog de eer van toeëigenen," zegt Van der Lek. + +"De Hollandsche maagd gelieve te bedenken, dat mijn zoon de koning +van _Groot-Brittannië_, de schenker is van dat heerlijke vierspan." + +"Het is waar ook," herneemt Van der Lek lachend. "Ik dacht er niet aan, +dat gij Engeland voorstelt." + +"En ik heb vernomen, dat Uwe Hoogheid mijner dochter der koningin +van _Engeland_, een kostbaar tegengeschenk zal zenden." + +"O, die babbelaars!" zegt de Prins. "Dat heeft mijn stalmeester +u verteld." + +"Inderdaad, zal Uwe Hoogheid een tegengeschenk zenden?" vraagt +Obdam. "En als ik vragen mag, waarin zal dat bestaan?" + +"Herinnert gij u nog die prachtige teekening van een narrenslede, +die ik u gisteren liet zien, Obdam?" vraagt de Prins. + +"In den vorm van een vergulden, liggenden leeuw?" zegt Obdam. "O +voorzeker." + +"Welnu, ik heb er zoo een besteld. Maar natuurlijk zal het geheel +met tal van koninklijke kronen prijken. Het paardentuig met gouden +franje en kwispels, en 500 vergulde zilveren bellen zal daarbij zeer +goed staan. Ik verlang natuurlijk, dat het niet te wereldkundig worde." + +Een page komt binnen en zegt: + +"Uwe Hoogheid! De gasten zijn er allen. Het is zeven uren. Beveelt +Uwe Hoogheid dat er begonnen worde?" + +"Ga de personen in de andere kamer waarschuwen en laat ieder zich +op zijn post begeven, opdat zij gereed staan, als het scherm wordt +opgehaald. Mijne Heeren! Maakt u gereed." + +En door De Faam geholpen, zet de Prins zijn Mercuriushoed op, neemt +zijn staf in de hand en begeeft zich achter het tooneel, om te kunnen +verschijnen, als het zijn tijd is. + +Daar de zaal echter niet groot genoeg was om meer gasten te bevatten, +herhaalde men den volgenden Dinsdag de tooneelvertooning en noodigde, +onder andere personen, ook de hoven van justitie uit. Doch deze, +gebelgd dat zij op de napret verzocht werden, bedankten. Ook voeren de +predikanten er van den predikstoel tegen uit en noemden haar openlijk +zondig; zoodat (zegt Aitsema) het bal duizenden had gekost en toch +maar onrust gaf. + +Eer ik dit Hoofdstuk sluit, moet ik nog een trek van edele +onbaatzuchtigheid van den Raadpensionaris verhalen. De Witt kreeg van +de Ridderschap f 15,000, van de Hollandsche steden f 42,000. Toen men +hem van wege de Staten-Generaal een cadeau van f 100,000 wilde geven, +wist hij dat door zijn invloed te beletten. + + + + +VIJFTIENDE HOOFDSTUK. + +Wat er met den Prins in Zeeland voorviel. + + +Het was in de maand September 1668. 's Prinsen goeverneur, de Heer Van +Gendt, was om familie-aangelegenheden naar _Gelderland_. Hiervan maakte +de Prins, die binnen twee maanden zijn achttiende jaar zou bereiken +en dan van alle voogdij ontslagen zijn, gebruik tot het maken van +een uitstapje, van hetwelk hij aan geen zijner educatoren kennis gaf. + +Onder het voorgeven van eenige jachthonden en valken te willen +probeeren hem door zijn koninklijken oom Karel II geschonken, was +hij heimelijk uit _Den Haag_ vertrokken en had zich met het jacht van +Hare Hoogheid de Prinses-weduwe naar _Bergen-op-Zoom_ begeven. Daar +wachtte hem, volgens afspraak, een ander jacht, van de gecommitteerde +Raden van Zeeland, waarop zich eenige van de voornaamste Heeren van +die provincie bevonden, om Zijne Hoogheid te ontvangen. + +Met dit vaartuig voor het hoofd van _Arnemuiden_ gekomen, zond men +een edelman naar _Middelburg_, om de Heeren Staten en gecommitteerde +Raden van 's Prinsen aankomst te verwittigen, die spoedig daarop in +een menigte met vlaggen en wimpels versierde sloepen Zijne Hoogheid +kwamen afhalen. Zes vendels burgers met hunne vaandels en muziek, +stonden bij zijne aankomst te _Middelburg_ in twee rijen geschaard, +om hem te ontvangen, en door die dubbele rijen heen en omstuwd van de +edelsten van _Zeeland_, wandelde hij naar de "Abdy," die voor hem in +orde was gebracht, waar hij zijn intrek nam en waar Pieter de Huybert, +Pensionaris van _Zeeland_, hem met een aanspraak welkom heette. + +Het was een vreugdedag voor de goede stad _Middelburg_. De geheele +bevolking poogde, door het uitsteken der vlaggen, algemeene illuminatie +en het branden van vreugdevuren, hare blijdschap aan den dag te leggen +over de komst van den jeugdigen vorst en van hare gehechtheid aan +het geliefde stamhuis van _Oranje_. + +Den volgenden dag, Dinsdag den 18den September, werd de Prins in statie +afgehaald door eenige afgevaardigden en geleid naar de Vergadering +der Staten van _Zeeland_, te midden van het uitbundig gejuich eener +overgroote volksmenigte, die, evenals den vorigen dag, de lucht deed +daveren van hun: "Leve de Prins!" en "Oranje boven!" + +In de vergadering gekomen, werd hij geleid naar de voor hem bestemde +eereplaats, en verklaarde de Pensionaris De Huybert uit naam der +Staten, dat _Zeeland_ altijd geijverd had voor de verheffing van den +Prins, dat _Holland_ steeds door zijne oppermacht was tusschenbeide +getreden, maar dat dan nu ook eerstgenoemde provincie wenschte gebruik +te maken van een recht, dat geen ander gewest haar kon ontnemen, dat +zij den Prins wenschte te verheffen tot eerste edele van _Zeeland_. De +Prins beantwoordde deze rede met de volgende aanspraak: + +"Het standvastig vervolg uwer gunst benoodzaakt mij tot dankbaarheid; +en het vorig raadsbesluit tot mijne vordering, wanneer ik achttien +jaar bereikte, om de verwachte begeerte niet langer door achterblijven +terug te stellen, ten einde ik door gevolmachtigden den plicht van +Eersten Edele, ten besten dezer Staat, dankelijk voldoen mag. Dit is +niet buyten verstand met de overige Landschappen, byzonder _Holland_, +nastappende de goede voorbeelden onzer Doorluchte vaderen." + +Het geschal der trompetten en het donderen van het geschut liet +zich nu hooren en de Voorzitter bood den Prins een flesch met gouden +dukaten aan, als hulde van _Zeeland_; waarna Zijne Hoogheid zich in +volle statie naar de "Abdy" begaf. + +Nog denzelfden dag schreef de Prins een brief aan zijne grootmoeder, +waarin hij haar kennis gaf van zijn vertrek naar _Zeeland_, alwaar +hij zijne goederen wilde bezien, als zijnde het de gewoonte, dat +alle vasallen met hun zestiende jaar hunne leenen kwamen verheffen +(goederen ontvangen) van de grafelijkheid. In _Holland_ had de tijding +van 's Prinsen benoeming verschillende uitwerking. De Oranjepartij +deed openlijk hare blijdschap over die verheffing blijken, terwijl de +aanhangers der Staatspartij het den Prins zeer euvel duidden, dat hij +naar een ander gewest was verreisd, zonder er den Staten van _Holland_ +kennis van te geven; ja zelfs waren er, die durfden beweren, dat hij +zich ondankbaar toonde jegens _Holland_, dat hem zooveel weldaden +had bewezen. + +Onze Prins echter dacht er op dit oogenblik weinig aan, hoe de zaak in +_Holland_ zou worden opgenomen. Hij was bezig zich te kleeden voor het +diner, dat hem dezen middag door de Staten op het stadhuis zou worden +aangeboden. Juist was hij daarmede gereed, toen zijn kamerdienaar hem +kwam berichten, dat er een meisje was, hetwelk hem wenschte te spreken. + +"Zeg haar, dat ik geen tijd heb--dat ik niet te spreken ben." + +"Dat heb ik haar reeds gezegd, Uwe Hoogheid. Maar zij laat zich +niet terugwijzen en heeft mij instantelijk gebeden, Uwe Hoogheid te +verzoeken, haar te woord te staan." + +De Prins, die zich tegenover het vrouwelijk geslacht nooit op zijn +gemak bevond, die daarenboven op dit oogenblik in geen stemming was om +zich met andere zaken bezig te houden, antwoordde min of meer knorrig: + +"Welnu, dan zegt gij haar nogmaals, dat ik vandaag niet te spreken +ben. Laat haar morgen terugkomen." + +De kamerdienaar ging: doch kwam spoedig terug en bracht zijner Hoogheid +een ring mede. + +"De deern heeft mij dezen ring voor Uwe Hoogheid gegeven," zeide +hij. "Als Uwe Hoogheid dien zag, zou Zij haar wel te woord staan." + +De Prins nam den ring, bezag dien en zeide: + +"Laat het kind in mijn kamer. Ik ken dien ring. Zij heeft mij zeker +iets belangrijks mede te deelen." + +Weinige minuten later trad de Prins zijn kamer binnen, waar +Martha--want mijne lezers zullen wel begrepen hebben, dat zij het +was--hem reeds met ongeduld verbeidde. Zoodra zij Zijne Hoogheid zag, +barstte zij nu in tranen los. Deze bevond zich daardoor nog minder +op zijn gemak. Intusschen vermande hij zich en zeide: + +"Wie ben je? Wat moet je van mij? Hoe kom je aan dezen ring?" + +Het meisje droogde hare tranen af. + +"Uwe Hoogheid!" riep zij uit. "Ik ben de zuster van Pieter +Pietersz. Mijn arme broeder zit in de gevangenis." + +"In de gevangenis? Wat heeft hij dan gedaan?" + +"Niets, Uwe Hoogheid! Niets." + +"Maar men zet iemand toch niet in de gevangenis, wanneer hij niets +gedaan heeft." + +"En toch is hij onschuldig, Uwe Hoogheid." + +"Onschuldig, en in de gevangenis. Dat komt mij verdacht voor. Waarvan +beschuldigt men hem dan?" + +"Van moord, Uwe Hoogheid. Zij zeggen, dat mijn arme broeder Pieter een +moordenaar is. Maar Uwe Hoogheid zal dat toch niet gelooven. Zij weet, +dat Pieter een brave jongen is." + +De Prins, die wel bemerkte, dat hij met Martha niet vorderde, begreep, +dat hij zijn tijd nutteloos verspilde, indien zij niet tot de zaak +kwam. + +"Zeg mij dan, meisje," hernam hij ongeduldig, "wat er gebeurd is en +waartoe je bij mij komt." + +"Uwe Hoogheid weet, dat mijn broeder door Uwe aanbeveling als tweede +meesterknecht aan de werf der Admiraliteit was geplaatst. Drie +maanden geleden kreeg de eerste meesterknecht, die reeds oud was, +zijn pensioen en benoemden de heeren van de Admiraliteit mijn broeder +in zijne plaats. Hij had nu meer onmiddellijk te doen met den baas van +de werf, een man van een ongemakkelijk humeur en met wien hij dikwijls +onaangenaamheden had. Intusschen bleven de zaken altijd binnen de +palen. Een dag of acht geleden echter had er zulk een hevige twist +plaats, dat de baas zich niet ontzag, hem een slag te geven." + +"En zulks dien driftkop van een Pieter!" riep de Prins uit. "Toen +heeft Pieter hem zeker een ongelukkigen slag toegediend." + +"Neen, Uwe Hoogheid," hernam Martha. "Dat zou misschien het geval zijn +geweest (want Pieter is driftig) indien niet de kameraads tusschenbeide +waren gekomen, en hem van den baas hadden weggescheurd. Uwe Hoogheid +kan zich voorstellen, hoe woedend Pieter was. In zijn drift zwoer +hij bij hoog en bij laag, dat het den baas zou berouwen en dat +hij het hem betaald zou zetten. Maar Uwe Hoogheid weet ook, dat +driftige menschen niet wraakzuchtig zijn. Zoo is het ook met onzen +Pieter. Als hij zich omkeert, is hij weer goed. Intusschen kon hij +dien slag toch niet verkroppen, en deelde mij mede, dat hij van +plan was, den baas bij de Admiraliteit aan te klagen en te verzoeken +om verplaatsing. Ik trachtte hem dat uit het hoofd te praten; maar +het gelukte niet. Hij kleedde zich aan en ging de deur uit naar den +President der Admiraliteit. Hij vond dien echter niet thuis, zooals +hij mij verhaalde, toen hij terugkwam." + +"En hoe staat dat nu in verband met de beschuldiging?" + +"Den volgenden morgen werd mijn arme Pieter met schout en dienders de +deur uitgehaald. Men had het lijk van den scheepstimmermansbaas op den +singel vinden liggen, met een messteek doorboord. Nu had men den twist +van den vorigen dag met de woorden van Pieter in verband gebracht, en, +daar de moord juist moest hebben plaats gehad in den tijd, dat mijn +broeder naar den President der Admiraliteit was, zoo begreep men, +dat zij elkander ontmoet hadden, en de twist opnieuw begonnen was; +ja, sommigen gingen zelfs zoo ver, van te beweren, dat Pieter hem +had opgewacht, om zoo zijn wraakzucht te koelen." + +"Daar heeft het dan ook veel van, meisje," zeide de Prins "en uw +broeder zal zich moeielijk uit deze zaak redden. Zijn ontkennen zal +hem weinig helpen." + +"Maar Uwe Hoogheid gelooft toch niet, dat Pieter schuldig is?" + +"Ik kan noch over zijne schuld, noch over zijne onschuld beslissen," +hernam de Prins. "Maar wat voert je tot _mij_?" + +"Ik hoorde gisteravond, dat Uwe Hoogheid te _Middelburg_ was +aangekomen, en ging van morgen reeds vroeg naar de gevangenis, om het +Pieter mede te deelen. Toen gaf hij mij den ring, dien Uwe Hoogheid +hem eens had geschonken, en bad mij, naar U toe te gaan, met de bede +om hem te hulp te komen. Begrijp eens, Uwe Hoogheid! men heeft hem +reeds met de pijnbank gedreigd." + +"Met de pijnbank!" zeide de Prins bedenkelijk. "Hoor eens, meisje," +ging hij voort. "Ik zal doen wat ik kan. Maar je weet: het recht moet +zijn loop hebben, en als je broeder schuldig is, kan ik er niets aan +doen. Zeg hem intusschen, dat ik hem morgen kom bezoeken." + +"Uwe Hoogheid zal mijn armen Pieter in zijn gevangenis bezoeken!" riep +Martha uit, terwijl zij de hand van den Prins greep en die kuste. "In +trouwe, dat zal den goeden jongen een groote troost zijn!" + +"Ga nu heen! Hier is de ring van je broeder. Wacht!--Ga naar den +schout en verzoek hem uit mijn naam, tot geen pijnlijke middelen over +te gaan alvorens ik hem gesproken heb." + +"Ik dank Uwe Hoogheid!" zeide Martha. "God moge haar zegenen voor +hetgeen zij aan mijn broeder doet!" + +Onder den maaltijd sprak de Prins met den Pensionaris De Huybert, +die advokaat was, over zijn gunsteling, en verzocht hem, zich met een +onderzoek van die zaak te belasten. Daar de Pensionaris den Prins den +volgenden dag naar _Vlissingen_ zou vergezellen, waar Zijne Hoogheid +de werven der Admiraliteit in oogenschouw zou nemen, was dat een +gemakkelijke zaak. Ook beloofde de Pensionaris den Prins, hem in de +gevangenis te vergezellen en den gevangene zelf te ondervragen. + +'t Was den volgenden dag een vreugde in _Vlissingen_, toen de Prins +daar kwam. Nadat Zijne Hoogheid, door al de leden der Admiraliteit +vergezeld, de werven bezichtigd had, begaf Zij zich met den heer +De Huybert naar den Schout, en liet zich de stukken betreffende +de rechtzaak van Pieter geven. Toen de Pensionaris de akten had +doorgelezen, zeide hij: + +"Mijnheer de Schout! Er bestaan hier geene termen, die u van rechtswege +dwingen, tot de pijnbank over te gaan. Wel is waar, de beklaagde +_persisteert_ [45] bij zijne onschuld. Maar gij hebt geen andere +_presumptie_ [46], dan een twist, een ontvangene beleediging en eenige +woorden in drift geuit. Het vorige leven van den jongeling _prouveert_ +[47] tegen de misdaad. Ook bestaat er--en dat verzoek ik u vooral te +_considereeren_ [48],--volstrekt geen _corpus delicti_ [49] en waar +dat ontbreekt en geen getuigen zijn om de misdaad te _confirmeeren_ +[50] schrijft de wet eerder voorzichtigheid voor dan pijn en banden." + +"Daarbij komt," merkte de Prins aan, "dat de beklaagde bij mij bekend +staat als een driftkop, die echter zich niet omkeert, of de toorn is +bedaard. Wraakzucht is nooit zijn zwak geweest." En de Prins verhaalde +het gebeurde op het veldijs. + +"Gij ziet, mijnheer de Schout," hernam de Pensionaris, "dat er hier +_premissen_ [51] bestaan, die genoeg _prouveeren_, dat naar alle +waarschijnlijkheid de misdaad niet is gepleegd door den beklaagde: +omdat er sprake is van moord met _voorbedachten rade_. Mijns erachtens +[52] moogt gij de pijnbank niet _appliceeren_ [53]." + +"Het oordeel van UEdelgestrenge is mij een wet," zeide de +Schout. "Intusschen geloof ik, dat er geene _motieven_ [54] bestaan +tot vrijspraak." + +"Dat volstrekt niet," hernam de Pensionaris. "De voorzichtigheid +eischt, den gevangene te houden tot er meerdere bewijzen zijn tot zijne +loslating. Zoo lang blijven er zware _presumptiën_ tegen hem bestaan." + +Op dit oogenblik werd den Schout een verzegelde brief overhandigd. + +"Daar is haast bij," zeide de klerk, die den brief overreikte. "Een +bode, die hem bracht, heeft mij aanbevolen, UEd. dien terstond te +overhandigen met de boodschap om hem onmiddellijk te lezen." + +De Schout nam den brief aan, en zich tot den Prins wendende, zeide hij: + +"Met uw verlof, Uwe Hoogheid!" + +"Ga uw gang, heer Schout," antwoordde de Prins. "Dienstzaken gaan +vóór alles." + +De Schout las, en onder het lezen helderde zijn gelaat op. + +"Uw gunsteling is vrij, Uwe Hoogheid!" zeide hij. "De ware moordenaar +is ontdekt." + +"Wat zegt gij?" riep de Prins uit. + +"Lees zelf, Uwe Hoogheid!" antwoordde de Schout. + +De Prins nam den brief en las: + + + Uyt Zierikzee, den 19den van Herfstmaend, 1668. + + Edele, gestrenge, Erentfeste, welwijze zeer voorzienige Heere! + + + Mitsdien het eene sake van groot gewicht is, recht ende + gerechtigheyt te bevorderen, zo sy UEd. mitsdezen gemelt, + dat de persoon van Pieter Pietersz, die by UEd. in detensie + is zittende, onder presumptie van vermoord te hebben den + scheepstimmerman Adriaan Roelofsz, aen dat forfeit ten eenemale + onschuldig is. Het bovenstaende sal UEd. duidelijck blijcken + uyt nevensghaende confessie, door den waren schuldighen + gedaen aen my in presentie van twee getuyghen, waervan is acte + opgemaeckt door my, Schoute van de goede stadt van _Zierikzee_. + + UEd. aenbevelende in de hoede en de gunst des Hemels, versoeck + ik UEd. my te geloove. + + Edele, gestrenge, erentfeste, welwijze zeer voorzienige Heere + + + Uwen Dienstwilligen Dienaer + en oprechten vrund + Jan Douwes de Beer. + + +De Prins las den brief en de ingesloten akte, waarvan wij alleen den +inhoud willen mededeelen. + +Den avond van den 17den September, had er tusschen een paar matrozen en +twee andere personen in de herberg "de Schiemansmaat" te _Zierikzee_ +een gevecht met messen plaats gehad, waarbij een der vechtenden, +de ons bekende Jan IJzer, doodelijk was gewond. De geneesheer, die +geroepen was, verklaarde dan ook aan den gewonde, dat hij nog slechts +weinige uren te leven had, en zond hem een predikant. De stervende +nu, in den grootsten doodsangst zijnde, bekende den geestelijke, +dat hij kort geleden een moord had begaan, waarvoor een onschuldige +in de gevangenis zat. De predikant maande hem aan deze zaak aan de +bevoegde autoriteit mede te deelen, en zorgde dan ook dat de Schout +met twee getuigen aan zijn sterfbed kwam, aan welke hij de volgende +bekentenis deed: + +Meer dan een jaar geleden, had Jan IJzer op de werf der Admiraliteit +als knecht gewerkt, doch op diefstal betrapt, was hij door den +scheepstimmerman Adriaan Roelofsz, ondanks zijn smeeken, aan de +bevoegde autoriteit overgeleverd, die hem daarvoor tot geeseling op het +schavot had veroordeeld, welke straf hij dan ook had ondergaan, kort +voor Pieters komst op de werf. Daarna uit de stad en hare jurisdictie +verbannen, had hij elders een goed heenkomen moeten zoeken; terwijl +hij echter in zijn hart zwoer, te eenigen tijde wraak te nemen op +den onbarmhartigen Roelofsz. Met dit doel was hij, toevallig op den +dag van den twist tusschen Pieter en den scheepstimmermansbaas, in +het geheim te _Vlissingen_ gekomen, om zijn opzet te volvoeren. Hij +wist, dat Adriaan Roelofsz, om van de werf naar zijn huis te komen, +den singel moest loopen en had hem op de donkerste en eenzaamste +plaats opgewacht en vermoord. Voor hij den volgenden dag vertrok, +vernam hij de gevangenneming van Pieter en de zware verdenking, die er +op dezen rustte. Volkomen gerust, dat men nu hem niet van den moord +kon verdenken, verliet hij den volgenden dag tegen den avond de stad +en had zich naar _Zierikzee_ begeven, alwaar hij dien bewusten avond +in den ons bekenden twist werd gewond. Zóó slecht nu was onze Jan +niet, dat hij met een dubbelen moord op zijn geweten de eeuwigheid +had durven ingaan. Het overige is ons bekend. Hij toonde innig berouw +over zijne zonden, en stierf omtrent twee uren daarna. Schout De Beer, +vreezende, dat het anders te laat mocht komen, had zich gehaast de +akte op te maken en die met den bijliggenden brief door een bode naar +_Vlissingen_ laten brengen. + +Toen de Prins beide stukken gelezen had, zeide hij: + +"Mijnheer de Schout, gij kunt mij een dienst bewijzen." + +"Ik, Uwe Hoogheid? Spreek, en als het in mijne macht staat U genoegen +te doen, zal het van mij niet afhangen." + +"Reeds vooraf dank voor Uwe goedheid," hernam de Prins. "Leen mij voor +een paar uren deze papieren, en geef mij een bevel van vrijstelling +voor den gevangene." + +"Uwe Hoogheid heeft slechts te bevelen," antwoordde de Schout. "Ik +zal Haar dadelijk het bevel van vrijlating opmaken." + +"Ga uw gang," hernam de Prins. "Ik zal er op wachten." + +"Welnu, Uwe Hoogheid," zeide de Pensionaris. "Had ik ongelijk, toen +ik U zeide, dat er meer doorslaande bewijzen voor de schuld des +beklaagden moesten zijn?" + +"Ik bewonder Uwer Edelheids diepe rechtskundige kennis. Indien ik +daarvan niet overtuigd geweest ware, zou ik dan van U de moeite hebben +gevergd, die ik van U heb gevraagd?" + +"Uwe Hoogheid te dienen zal steeds het hoogste voorwerp van mijn +streven zijn," hernam de Pensionaris. + +"Ik dank U, mijnheer de Pensionaris. En uw aanbod maakt mij zoo vrij, +nogmaals van Uwe goedheid gebruik te maken en U te verzoeken, mij +naar den President der Admiraliteit te vergezellen." + +"Het zal mij een singuliere eer zijn, Uwe Hoogheid," was het antwoord +van den Pensionaris. + +Op dit oogenblik kwam de Schout met het beloofde vrijlatingsbiljet +binnen en overhandigde het den Prins. + +"Ik dank U, mijnheer de Schout," antwoordde deze, terwijl hij opstond +om heen te gaan. "Ik kan er nu zeker van zijn, dat de gevangene niet +los komt, vóór ik hem ga halen." + +"Daarvan kan Uwe Hoogheid ten volle verzekerd zijn," gaf de Schout +ten antwoord, terwijl hij den Prins naar de karos geleidde, die +hem wachtte. + +Op het oogenblik, dat de karos zou wegrijden, wenkte de Prins den +Schout, die met ontblooten hoofde op zijn stoep stond. + +"Nog een verzoek, mijnheer de Schout," zeide hij. "Wees zoo goed, +te zorgen, dat de zuster van den gevangene zich bij hem in den kerker +bevindt. Over een uur denk ik hem te verlossen. Dat echter alles een +diep geheim blijve." + +Wij treden ongeveer een uur later in de gevangenis van Pieter +binnen. Het is een treurig verblijf, zooals de gevangenissen trouwens +gewoonlijk zijn. Een houten bank en een strooleger zijn het geheele +ameublement, terwijl een aarden kruik met water op den grond staat +en het nog onaangeroerde zwarte brood aantoont, dat de arme jongeling +weinig appetijt heeft. Treurig en in zich zelf verzonken zit hij daar +op de ruwe bank; gisteren toch bij het laatste verhoor heeft de Schout +hem met de pijnbank gedreigd. Die pijnbank was een vreeselijk werktuig, +nog uit de middeleeuwen afkomstig, waarop de ongelukkige werd gelegd en +zijne ledematen zoolang werden uitgerekt, of door schroeven verwrongen +en gekneld, tot hij bekende--niet altijd wat hij gedaan had, maar ook +dikwerf wat men wilde dat hij bekennen zou. Zou hij bij de ontkenning +der hem toegelegde misdaad kunnen volharden, of zouden de pijnen +hem dwingen tot de bekentenis van een daad, waaraan hij geheel en al +onschuldig was?--En als hij bekende--dan werd zijn doodvonnis geveld, +dan kon hij de dagen wel tellen, die hij nog te leven had. En dan te +sterven--zoo jong, zoo levenslustig!--En dan zóó te sterven--op een +schavot, onder beulshanden!--Vreeselijk!--Maar Martha had hem beloofd, +naar den Prins te gaan, die in _Middelburg_ was. Zou die gang wat +uitwerken? Wat zou Zijne Hoogheid er aan doen?--Zou die bij machte +zijn, het recht te keeren?--Daartoe immers ontbrak Haar de macht. + +Deze en dergelijke gedachten vervulden de ziel van onzen armen +Pieter, en maakten hem angstig. Hij vouwde de handen, sloot de oogen +en bad--bad lang en vurig tot God om uitredding, smeekte Hem om hem +kracht te schenken in de verdrukking en zijn onschuld aan het licht +te brengen. Bemoedigd stond hij op; want er is niets dat den mensch +meer moed schenkt in het ongeluk, dan het gebed. Dat had Pieter reeds +van zijn vader geleerd, dat had zijne brave Admiraal hem zoo dikwerf +ingeprent,--dat had hij dan ook reeds meermalen ondervonden. Hij +wandelde eenige malen zijn engen kerker op en neer, toen hij den +grendel van zijn deur hoorde afschuiven. De deur ging open, en Martha +stond voor hem. + +"Daar doe je goed aan, Martha!" zeide Pieter, "dat je mij komt +vertroosten. En heb je den Prins gezien? Heb je hem gesproken? Geloofde +hij aan mijn onschuld, of hield hij mij voor schuldig?" + +"Ik zou je reeds vroeger bezocht hebben," antwoordde Martha, "maar +toen ik van morgen aan je gevangenis kwam, weigerden zij mij den +toegang. Nu echter ben ik door een dienaar van den Schout geroepen, +om bij je te komen. Wat wil je van mij?" + +"Ik?"--hernam Pieter. "Ik weet er niets van. Maar antwoord mij op +mijne vragen. Hoe heb je het bij den Prins gevonden?" + +Martha verhaalde hem hare ontmoeting met den Prins. Toen zij geëindigd +had zeide Pieter: + +"Zal Zijne Hoogheid mij komen bezoeken? En heeft hij dat gezegd?--Maar" +... vervolgde hij treurig, "zou hij zijn woord houden? Ach, +Martha! zulke groote heeren weten zoo weinig, wat een arm mensch +lijdt." + +"Zijne Hoogheid _zal_ woord houden," hervatte Martha. "Reeds het +verzoek, dat ik van morgen uit zijn naam aan den Schout heb gedaan, +heeft je voor heden van de pijnbank bevrijd. Hoop dus." + +"Hopen, Martha! En de Prins zelf heeft gezegd, dat hij er niets aan +zou kunnen doen en dat het recht zijn loop moest hebben." + +"Dat is waar--doch.... Luister, daar komen menschen. Ik hoor stappen +in de gang. Zou het Zijne Hoogheid zijn?" + +"Misschien wel.--Is hij dan reeds hier?" + +"O, ja--reeds van morgen gekomen. Hij heeft de werven der Admiraliteit +bezocht. Hij ..." + +Martha kon niet voleindigen wat zij wilde zeggen; want de deur ging +open en de Prins gevolgd, door den Pensionaris De Huybert, den Schout +en twee heeren der Admiraliteit, trad de gevangenis binnen. + +"Pieter Pietersz," begon de Prins, terwijl zijn gelaat van dat innige +genoegen straalde, hetwelk men ondervindt als men wéldoet. "Pieter +Pietersz, ik breng je goede tijding!" + +"Goede tijding, Uwe Hoogheid! Zal men dan eindelijk overtuigd zijn, +dat ik geen moordenaar ben?" + +"Dat zou je weinig baten, mijn vriend," hernam de Prins. "Dan zou +men je bij gebrek aan bewijzen loslaten en geheel _Vlissingen_ zou +je houden voor den moordenaar van Adriaan Roelofsz." + +Pieter liet het hoofd zakken. + +"Ik breng je betere tijding," hervatte de Prins. "Je onschuld is aan +het licht gekomen; want de ware schuldige is ontdekt." + +"Gode zij dank!" riep de jongeling uit, en deze tijding ontstelde hem +zoo zeer, dat hij schier bewusteloos op de bank nederzonk. Martha +ondersteunde hem. Spoedig echter herstelde hij zich, trad naar den +Prins toe, greep diens hand en overdekte die met zijne kussen. + +"En Uwe Hoogheid zelf wilde mij met deze tijding verrassen!" riep +hij uit. "En ik ben dus vrij? Vrij! Groote God! Men moet gevangen +zijn geweest, om te weten, wat dat woord beteekent." + +"Je bent vrij, Pieter!" hernam de Prins, "en weer hersteld in je +eer. Daarvoor zal mijnheer de Schout zorg dragen. Intusschen--je +hebt veel geleden, mijn arme jongen! en ik meende, dat eene +kleine vergoeding je wel toekwam.--Pieter Pietersz," ging de Prins +voort, terwijl hij hem een papier overreikte, waaraan een zegel +in was hing. "De Admiraliteit kent je als een kundig timmerman +en als een ijverig en bezadigd mensch. Zij kent je als eerlijk +en rechtschapen; zij weet dat je den scheepsbouw in den grond +verstaat.--Pieter Pietersz, hier overhandig ik je je aanstelling als +scheepstimmermansbaas, in plaats van den vermoorden Adriaan Roelofz, +op de werf der Admiraliteit van _Zeeland_." + +Op deze woorden zonk Pieter op eene knie; ook Martha wierp zich aan +de voeten van den Prins en omklemde die. + +"Mijn weldoener!" stamelde Pieter. + +"Engel in menschengedaante!" riep Martha. + +"Stil, stil," zeide de Prins. "Je zoudt mij haast spijt doen krijgen, +dat ik hier gekomen ben. Staat op. Alleen voor Hem moet men knielen, +voor wien wij allen gelijk zijn." + +"Hoe zal ik Uwe Hoogheid ooit kunnen vergelden, wat zij voor mij +gedaan heeft!" riep Pieter, opstaande uit. + +"Dank er God voor, Pieter! die op zulk eene wonderbare wijs je onschuld +aan het licht heeft doen komen. Dezelfde, dien je als knaap eens het +leven hebt gered, is nu door Gods bestuur, de redder van je eer en +je leven geworden." + +"Jan IJzer?" riep Pieter uit. + +"Juist, Jan Jansz. IJzer was de moordenaar. Op zijn sterfbed heeft hij +het bekend. Maar nu--ga met mij. Ik zelf zal je op de werf brengen, +waar deze Heeren je zullen installeeren, terwijl mijnheer de Schout je +in je eer zal herstellen. Ook jij moet mede, edel meisje!" vervolgde +hij tegen Martha. "Je bent getuige geweest van zijn vernedering en +schande,--je zult het nu zijn van zijne verhooging en zijne eer." + +Aan de deur der gevangenis gekomen, was het daar zwart van menschen, +die niet alleen den Prins wilden zien, maar ook wilden weten, wat Zijne +Hoogheid in de gevangenis mocht hebben gedaan. Maar, hoe verwonderd +zij ook stonden, toen de Prins den van moord verdachten Pieter en +diens zuster Martha bij zich in de karos nam, er klonk een luid: +"Vivat! lang leve de Prins van Oranje!" uit aller mond. De karos van +den Prins werd door een andere gevolgd, waarin de vier heeren zaten, +die Zijne Hoogheid vergezeld hadden. Spoorslags reed men naar de werf, +waar alles nog groen gemaakt en versierd was als het dien morgen was +geweest ter eere van den Prins. + +Hier hield een der Heeren der Admiraliteit een toespraak tot het +werkvolk, waarin hij hun mededeelde, hoe de ware schuldige ontdekt +en hoe nu de brave Pieter Pietersz in zijn eer hersteld was. Tevens +installeerde hij den jongeling als baas van de werf, en beval aan het +werkvolk hem als zoodanig te gehoorzamen. Hij liet daarbij duidelijk +doorstralen, dat het de Prins was, die tot dat alles krachtdadig had +medegewerkt en dat de benoeming van den voormaligen meesterknecht +grootendeels aan Zijne Hoogheid was te danken. Gij kunt u voorstellen, +welk een gejuich deze woorden bij het werkvolk veroorzaakten. 't Was +of er geen eind aan zou komen. Verscheidene werklieden drongen op +Pieter toe, om hem de hand te drukken en hem geluk te wenschen met +den keer, dien zijn lot had genomen: want bij allen op de werf was +de gewezen meesterknecht geacht en bemind. + +Om de kroon op zijn weldaad te zetten, stelde de Prins Pieter een +som gelds ter hand, waarvoor hij het werkvolk van de werf kon +trakteeren. Denzelfden dag vertrok hij naar _Goes_. Dien avond +vierde men op de werf feest. Maar wie er vergeten werd--niet Prins +Willem Hendrik van _Oranje_, op wien menige dronk werd uitgebracht; +terwijl allen het daarin eens waren, dat Zijne Hoogheid een waardige +afstammeling was van het doorluchtig stamhuis, waaruit hij was +gesproten. + +Wij zagen reeds, hoe men hier in _Holland_ over het uitstapje van den +Prins oordeelde;--wat de Raadpensionaris er van zeide, meldt ons de +historie niet. Intusschen liet de stad _Amsterdam_ in het volgende +jaar eenige geneigdheid blijken, om den Prins zitting te geven in den +Raad van State; zelfs ondersteunde burgemeester Koenraad van Beuningen +deze bevordering met alle macht; want in de hoofdstad had zich een +partij gevormd, die begon te begrijpen, dat de steden _Leiden_, +_Dordrecht_ en _Rotterdam_, door De Witt gesteund, zich te veel in +'s Lands vergadering aanmatigden. _Amsterdam_ toch, dat de helft +in de belastingen betaalde, kon en wilde dat overwicht niet langer +dulden. Toch duurde het nog twee jaren, eer de Prins zitting nam in +den Raad van State. De Staten van _Holland_ echter schonken hem nog +in 1669 de vrije jacht in den omtrek van het huis te _Hondsholredijk_. + +En nu, mijne lezeressen en lezers, hoop ik dat gij uit mijn boekje +zult hebben geleerd twee personen achting toe te dragen om hunne +buitengewone hoedanigheden, twee personen, die ten allen tijde de +achting zullen verdienen van allen die wèl denken: + +Prins Willem III en den Raadpensionaris Johan de Witt. + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Dat op het ijs en dat op de werf. + +[2] Zie Adolf en Clara, dertiende Hoofdstuk. + +[3] Op lateren leeftijd vraagde hem een zijner veldheeren naar zijne +plannen. "Kunt gij zwijgen, mijn vriend?" vraagde de Prins.--"Als +het graf, Uwe Hoogheid!" antwoordde de andere.--"Ik ook," hernam de +Prins en vertelde hem niets. + +[4] Jaarlijks is een der Hoogleeraren aan de Universiteit President +van het collegie der professoren en draagt dan den naam van Rector +Magnificus. + +[5] Zie "Zeeman tegen wil en dank." + +[6] Dat waren de hotels, waarin de afgevaardigden van deze steden +logeerden. Beiden stonden op het _Plein_ te 's-_Gravenhage_. Het eerste +is later tot vorstelijk paleis ingericht en thans de bewaarplaats van +'s Rijks archief; het andere het ministerie van Oorlog. + +[7] Zie "De Zeeman tegen wil en dank." 6e druk, blz. 177. + +[8] Voor De With werd later door de Staten te _Rotterdam_ en voor +Floriszoon te _Hoorn_ een praalgraf opgericht. + +[9] Zie "De Zeeman tegen wil en dank." 6e druk. Blz. 22. + +[10] Zie "De Zeeman tegen wil en dank." 6e druk. Blz. 22. + +[11] Aan denzelfden weg, maar verder op, had ook Jacob Cats zijne +buitenplaats _Zorgvliet_, door hem zelf aangelegd. + +[12] Gij herinnert u, dat men vroeger in 's-_Gravenhage_ twee +kermissen had: de Hofkermis in Mei en de Banus- of Haagsche kermis +in September. Zie "De Weezen van Vlissingen." 6e druk. Blz. 65. + +[13] Tegenwoordig de _Gevangenpoort_ geheeten. In mijn volgend werkje +(het Huisgezin van den Raadpensionaris) kunt gij daarmede nader +kennis maken. + +[14] Zie "De zeeman tegen wil en dank." 6e druk. Bl. 91. + +[15] Later met den Prins gehuwd. + +[16] Zeker Fransch reiziger, die des winters 's-_Gravenhage_ bezocht, +schreef dan ook in zijn reisverhaal: "_La Haye_ est située sur un +grand lac." De plaats, waar vroeger het veldijs lag, is nu bebouwd +met huizen, straten en pleinen. + +[17] Je maintiendrai. Ik zal handhaven (volhouden). + +[18] Op de dorpen, vooral in _Overijsel_ en _Drente_, heerscht +die gewoonte nog altijd. Echter is het hier wel eenigermate te +vergoêlijken, omdat tal van vrienden en bloedverwanten uit naburige +dorpen, soms van ver verwijderde, ter begrafenis komen. Deze moeten +toch eten en drinken. + +[19] Zie "De weezen van _Vlissingen_", 6e druk, blz. 146. + +[20] Deze klerk heette Jan van Meesen; hij verried de geheimen aan +'s Graven rentmeester Dirk van Ruyven. Door voorspraak van Johan de +Witt werden zij slechts gebannen: Van Meesen voor zijn leven en Van +Ruyven voor 10 jaren. + +[21] De beide andere kinderen van Willem Frederik waren Amalia, +later gehuwd met Johan Wilhelm van Saksen-Eisenach, en Sophia Hedwig, +in hare kindsheid gestorven. + +[22] Koeriers. + +[23] Zie "De weezen van _Vlissingen_", 6e druk. Blz. 5. + +[24] Later onder den naam van Jacobus II koning van _Engeland_ +geworden. + +[25] Gij weet immers, dat er, behalve de vier hoofdwindstreken Noord, +Oost, Zuid en West, nog acht-en-twintig tusschenstreken op het kompas +zijn; dus twee-en-dertig in het geheel. + +[26] In 1665 was die voor de _Hofbuurt_ 10 Cts. per week. + +[27] Nog in mijn tijd--ofschoon de buurtvereenigingen hadden +opgehouden--had het begraven door de bewoners der buurt plaats. De +buurtknecht ging met de penningen rond bij hen, die volgens den +rooster (lijst) volgden. Wie niet kon of wilde dragen, betaalde een +daalder boete voor de buurt; in het tegenovergesteld geval nam hij +den penning aan, volbracht zijn buurtplicht en kreeg het draaggeld, +dat soms wel f 7 bedroeg; meestal echter minder. De buurtknecht kreeg +van den drager een fooi, en ook fooien met Kermis en Nieuwjaar. Voor +de laatste gaf hij een almanak. + +[28] Zie "De weezen van Vlissingen" 6e druk, blz. 68. + +[29] De Prins was een aartsliefhebber van oesters. + +[30] Voor dezen maaltijd had de heer Pauw; President van den Hoogen +Raad, een bassijn (fruitschaal) met druiven voor Zijne Hoogheid +gezonden. + +[31] Plaatsvervanger. + +[32] De Luitenant-Admiraal was den 18den November in _Den Haag_ +gekomen, ten einde aan de Staten-generaal verslag te doen van zijne +expeditie. De Witt, de geruchten dat hij met den zeeheld in onmin was, +willende tegenspreken, noodigde hem aan zijn huis. Zoolang De Ruyter +in _Den Haag_ bleef, logeerde hij bij hem. + +[33] Zie Bladz. 88. + +[34] Het Oude Hof, vroeger het paleis van koning Willem I en thans +dat van onze tegenwoordige koningin, in het _Noordeinde_. + +[35] De Heer Buat was ritmeester van een regiment, dat in _Bergen op +Zoom_ lag en slechts bestond uit een luitenant, een sergeant en een +werf-officier, om in tijd van nood voltallig te worden gemaakt. + +[36] Leiding. + +[37] Grondregels of instellingen. + +[38] Hetgeen hier volgt, is grootendeels in de resolutiën van den +2den tot den 15den April vervat. Ik neem ze hier maar bij elkander. + +[39] Krachtige. + +[40] Toen de Staten bezig waren over dit onderwerp, zeide een voornaam +Lid van hunne Vergadering: "De geachte spreker meent te maken van den +Prins een _kind van den Staat_. Maar ik vrees, dat het niet lang zal +duren, of de Staat zal zijn een _kind van den Prins_." + +[41] Kanonnen. + +[42] Guillaume Blaeuw, 1571-1638.--J.H. + +[43] De volgende rekenkunstige opgaaf is van De Witt. + +[44] Tiendeelige breuken. + +[45] Blijft. + +[46] Vermoeden. + +[47] Bewijst. + +[48] In het oog te houden. + +[49] Lichamelijk bewijs. + +[50] Bevestigen. + +[51] Voorafgaande bewijzen. + +[52] Volgens mijn oordeel. + +[53] Toepassen. + +[54] Redenen. + + + + + + +End of Project Gutenberg's De Prins en Johan de Witt, by P. J. Andriessen + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE PRINS EN JOHAN DE WITT *** + +***** This file should be named 20391-8.txt or 20391-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/2/0/3/9/20391/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/20391-8.zip b/20391-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..939e483 --- /dev/null +++ b/20391-8.zip diff --git a/20391-h.zip b/20391-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..617cdb3 --- /dev/null +++ b/20391-h.zip diff --git a/20391-h/20391-h.htm b/20391-h/20391-h.htm new file mode 100644 index 0000000..ede24de --- /dev/null +++ b/20391-h/20391-h.htm @@ -0,0 +1,7268 @@ + +<!DOCTYPE html +PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> + +<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source, using XSLT. If you find any mistakes, please edit the XML source. --> +<html lang="nl-1900"> +<head> +<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=ISO-8859-1"> + +<title>The Project Gutenberg eBook of De Prins en Johan de Witt, by P. J. Andriessen</title> +<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> +<meta name="author" content="P. J. Andriessen"> +<meta name="DC.Creator" content="P. J. Andriessen"> +<meta name="DC.Title" content="De Prins en Johan de Witt"> +<meta name="DC.Date" content="#"> +<meta name="DC.Language" content="nl-1900"><style type="text/css"> + + +body +{ +font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif; +margin: 1.58em 16%; +text-align: left; +} + +.titlePage +{ +border: #DDDDDD 2px solid; +margin: 3em 0% 7em 0%; +padding: 5em 10% 6em 10%; +} + +h1.docTitle +{ +font-size:1.6em; +line-height:2em; +} + +h2.byline +{ +font-size:1.1em; +font-weight:normal; +line-height:1.44em; +} + +span.docAuthor +{ +font-size:1.2em; +font-weight:bold; +} + +h2.docImprint +{ +font-size:1.2em; +font-weight:normal; +} + +.transcribernote +{ +background-color:#DDE; +border:black 1px dotted; +color:#000; +font-family:sans-serif; +font-size:80%; +margin:2em 5%; +padding:1em; +} + +.div0 +{ +padding-top: 5.6em; +} + +.div1 +{ +padding-top: 4.8em; +} + +.index +{ +font-size: 80%; +} + +.div2 +{ +padding-top: 3.6em; +} + +.div3, .div4, .div5 +{ +padding-top: 2.4em; +} + +.footnotes .body, +.footnotes .div1 +{ +padding: 0; +} + +h1, h2, h3, h4, h5, h6 +{ +clear: both; +font-style: normal; +text-transform: none; +} + +h3 +{ +font-size:1.2em; +line-height:1.2em; +} + +h3.label +{ +font-size:1em; +line-height:1.2em; +margin-bottom:0; +} + +h4 +{ +font-size:1em; +line-height:1.2em; +} + +h4.lghead +{ +margin-left:10%; +margin-right:10%; +} + +.alignleft +{ +text-align:left; +} + +.alignright +{ +text-align:right; +} + +.alignblock +{ +text-align:justify; +} + +p.tb, hr.tb +{ +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +text-align: center; +} + +p.poetry +{ +margin:0 10% 1.58em; +} + +p.line +{ +margin:0 10%; +} + +p.argument,p.note +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +text-indent:0; +} + +p.argument +{ +margin:1.58em 10%; +} + +div.epigraph +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +width: 60%; +margin-left: auto; +} + +.epigraph .bibl +{ +text-align: right; +} + +.epigraph .poem +{ +margin-left: 0; +} + +.epigraph .line +{ +margin-left: 0; +text-indent: 0; +} + +.trailer +{ +clear: both; +padding-top: 2.4em; +padding-bottom: 1.6em; +} + +.floatLeft +{ +float:left; +margin:10px 10px 10px 0; +} + +.floatRight +{ +float:right; +margin:10px 0 10px 10px; +} + +p.figureHead +{ +font-size:100%; +text-align:center; +} + +.figure p +{ +font-size:80%; +margin-top:0; +text-align:center; +} + +p.smallprint,li.smallprint +{ +color:#666666; +font-size:80%; +} + +p.question +{ +margin-bottom:0; +text-align:left; +} + +p.answer +{ +margin-top:0; +text-align:right; +} + +p.explanation +{ +font-size:smaller; +margin-left:0.9em; +margin-right:0.9em; +} + +.leftnote +{ +font-size:0.8em; +height:0; +left:1%; +line-height:1.2em; +position:absolute; +text-indent:0; +width:14%; +} + +.pagenum +{ +display:inline; +font-size:70%; +font-style:normal; +margin:0; +padding:0; +position:absolute; +right:1%; +text-align:right; +} + +a.noteref +{ +font-size: 80%; +text-decoration: none; +vertical-align: 0.25em; +} + +div.footnotes +{ +margin-top: 1em; +padding: 0; +} + +hr.fnsep +{ +margin-left: 0; +margin-right: 0; +text-align: left; +width: 25%; +} + +p.footnote +{ +font-size: 80%; +margin-bottom: 0.5em; +margin-top: 0.5em; +} + +p.footnote .label +{ +float: left; +text-align:left; +width:2em; +} + +.footnotes td, .footnotes th, .footnotes .tablecaption +{ +font-size: 80%; +} + + +.poem +{ +margin-left:5%; +position:relative; +text-align:left; +width:90%; +} + +.poem h4 +{ +font-weight:normal; +margin-left:5em; +text-decoration:underline; +} + +.poem .linenum +{ +color:#777; +font-size:90%; +left:-2.5em; +margin:0; +position:absolute; +text-align:center; +text-indent:0; +top:auto; +width:1.75em; +} + +.versenum +{ +font-weight:bold; +} + +.footnotes .line +{ +font-size:80%; +margin:0 5%; +} + +.poem .i0 +{ +display:block; +margin-left:2em; +} + +.poem .i1 +{ +display:block; +margin-left:3em; +} + +.poem .i2 +{ +display:block; +margin-left:4em; +} + +.poem .i3 +{ +display:block; +margin-left:5em; +} + +.poem .i4 +{ +display:block; +margin-left:6em; +} + +.poem .i5 +{ +display:block; +margin-left:7em; +} + +.poem .i6 +{ +display:block; +margin-left:8em; +} + +.poem .i7 +{ +display:block; +margin-left:9em; +} + +.poem .i8 +{ +display:block; +margin-left:10em; +} + +.poem .i9 +{ +display:block; +margin-left:11em; +} + +span.corr +{ +border-bottom:1px dotted red; +} + +span.abbr +{ +border-bottom:1px dotted gray; +} + +span.measure +{ +border-bottom:1px dotted green; +} + +.letterspaced +{ +letter-spacing:0.2em; +} + +.smallcaps +{ +font-variant:small-caps; +} + +hr +{ +clear:both; +height:1px; +margin-left:auto; +margin-right:auto; +margin-top:1em; +text-align:center; +width:45%; +} + +h2.docImprint,h1.docTitle,h2.byline,h2.docTitle,.aligncenter,div.figure +{ +text-align:center; +} + +h1,h2 +{ +font-size:1.44em; +line-height:1.5em; +} + +h1.label,h2.label +{ +font-size:1.2em; +line-height:1.2em; +margin-bottom:0; +} + +h5,h6 +{ +font-size:1em; +font-style:italic; +line-height:1em; +} + +p,p.initial +{ +text-indent:0; +} + +.poem .stanza +{ +padding: .5em 0% .5em 0%; +} + +p.quote,div.blockquote,div.argument +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +margin:1.58em 5%; +} + +.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden +{ +text-decoration:none; +} + + + + + +body +{ +background: #FFFFFF; +font-family: "Times New Roman", Times, serif; +} + +body, a.hidden +{ +color: black; +} + +h1 +{ +padding-bottom: 5em; +} + +h1, h2 +{ +text-align: center; +font-variant: small-caps; +font-weight: normal; +} + +p.byline +{ +text-align: center; +font-style: italic; +margin-bottom: 2em; +} + +.figureHead, .noteref, span.leftnote, p.legend, .versenum +{ +color: #660000; +} + +.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a +{ +color: #AAAAAA; +} + +a.hidden:hover, a.noteref:hover +{ +color: red; +} + +span.docAuthor, h1, h2, h3, h4, h5, h6 +{ +font-weight: normal; +} + +table +{ +margin-left: auto; +margin-right: auto; +} + +.tablecaption +{ +text-align: center; +} + + + +</style></head> +<body> + + +<pre> + +The Project Gutenberg EBook of De Prins en Johan de Witt, by P. J. Andriessen + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De Prins en Johan de Witt + of ons land in het tweede tijdperk der eerste stadhouderlooze regeering + +Author: P. J. Andriessen + +Release Date: January 18, 2007 [EBook #20391] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE PRINS EN JOHAN DE WITT *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ + + + + + + +</pre> + + +<div class="front"> +<div class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e112">Inhoud</a>] +</span><p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/cover.jpg" alt="Oorspronkelijke voorkant." width="504" height="720"></div><p> + +</p> +<p class="aligncenter">De Prins en Johan de Witt<br> +Of<br> +Ons land in het tweede tijdperk der eerste stadhouderlooze regeering. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p000.jpg" alt="Frontispiece met tekst: “Historische verhalen van P. J. Andriessen: De Prins en Johan de Witt 1654–1668”." width="493" height="720"></div><p> + +</p> +</div> +<div class="titlePage"> +<h1 class="docTitle">De Prins en Johan de Witt<br> +Of<br> +Ons land in het tweede tijdperk der eerste stadhouderlooze regeering. +</h1> +<h2 class="byline">Door +<br> +<span class="docAuthor">P. J. Andriessen.</span></h2> +<h2 class="docImprint">Vijfde Druk.</h2> +<div class="figure"><img border="0" src="images/logo.gif" alt="Uitgeverslogo." width="146" height="171"></div> +<h2 class="docImprint">Leiden.—A. W. Sijthoff’s Uitg.-M<sup>ij</sup>. +</h2> +</div><div id="d0e112" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e112">Inhoud</a>] +</span><h2>Inhoud.</h2> +<p><b>Eerste Hoofdstuk.</b> + +</p> +<p><a href="#d0e295">De tienjarige Leidsche Student</a> 1 + +</p> +<p><b>Tweede Hoofdstuk.</b> + +</p> +<p><a href="#d0e747">Een zeeman, die nog al wat te vertellen heeft</a> 16 + +</p> +<p><b>Derde Hoofdstuk.</b> + +</p> +<p><a href="#d0e1102">Waarin verhaald wordt, hoe de Prins zijne moeder nareisde</a> 30 + +</p> +<p><b>Vierde Hoofdstuk.</b> + +</p> +<p><a href="#d0e1515">Welke plannen drie krullenjongens voor de kermis maakten</a> 43 + +</p> +<p><b>Vijfde Hoofdstuk.</b> + +</p> +<p><a href="#d0e1816">Hoe gevaarlijk het kan worden, om des Zondags de kerk te verzuimen</a> 56 + +</p> +<p><b>Zesde Hoofdstuk.</b> + +</p> +<p><a href="#d0e1960">Hoe een slimme Raadpensionaris een nog slimmeren Prins niet kon doorgronden</a> 66 + +</p> +<p><b>Zevende Hoofdstuk.</b> + +</p> +<p><a href="#d0e2267">Hoe een echt Hollandsche jongen zich wreekt</a> 81 + +</p> +<p><b>Achtste Hoofdstuk.</b> + +</p> +<p><a href="#d0e2633">Een dure slaapkameraad</a> 97 +</p> +<p><b>Negende Hoofdstuk.</b> + +</p> +<p><a href="#d0e2951">Waarin wij een ouden kennis ontmoeten, die het ver gebracht heeft in de wereld</a> 113 + +</p> +<p><b>Tiende Hoofdstuk.</b> + +</p> +<p><a href="#d0e3405">Waaruit blijkt dat het hier niet altijd voor den wind ging</a> 131 + +</p> +<p><b>Elfde Hoofdstuk.</b> + +</p> +<p><a href="#d0e3726">Wat er met den Prins op het buurtmaal voorviel en wat de Raadpensionaris daarover zeide</a> 142 + +</p> +<p><b>Twaalfde Hoofdstuk.</b> + +</p> +<p><a href="#d0e4037">Hoe Johan de Witt zijn plan volvoerde</a> 157 + +</p> +<p><b>Dertiende Hoofdstuk.</b> + +</p> +<p><a href="#d0e4553">Hoe de Raadpensionaris rekenles gaf</a> 176 + +</p> +<p><b>Veertiende Hoofdstuk.</b> + +</p> +<p><a href="#d0e4920">Hoe onze vloot de Engelschen tuchtigde</a> 194 + +</p> +<p><b>Vijftiende Hoofdstuk.</b> + +</p> +<p><a href="#d0e5317">Wat er met den Prins in <span class="letterspaced">Zeeland</span> voorviel</a> 209 + + + +</p> +</div> +<div class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e112">Inhoud</a>] +</span><h2>Voorbericht.</h2> +<p>Het is een algemeen betreurd feit, dat van de jeugd onzer groote mannen slechts weinig of niets bekend is. En geldt dit ten +aanzien van hun <span class="letterspaced">openbaar</span> leven, de leemte doet zich nog sterker gevoelen, wanneer men uit hun <span class="letterspaced">intiem</span> leven wenscht te putten. Ik ontken dan ook niet, dat mij de samenstelling van dit boek ontzaglijk veel onderzoek en nasnuffelen +heeft gekost, want onze vroegere auteurs gaven nooit veel meer dan een <i>histoire de bataille</i>; verlangt men dus een <i>histoire intime</i>, dan moet men die uit tal van werken oprakelen. Toch durf ik zeggen, dat ik gelukkig ben geweest; daar ik hier mijnen lezers +eene geschiedenis van de jeugd van onzen onsterfelijken <span class="letterspaced">Willem</span> III mag aanbieden, waarin alle voorvallen historisch zijn, op slechts twee<a id="d0e261src" href="#d0e261" class="noteref">1</a> na, van welke twee ik toch de verzekering durf geven, dat zij niet uit de lucht zijn gegrepen, maar geheel en al op het karakter +van den jongen Prins berusten. In ’t bijzonder vinden zij dan ook hier de betrekking van den jeugdigen Oranjevorst tot den +eersten man van zijn tijd, den eenigen <span class="letterspaced">Johan de Witt</span>. + +</p> +<p>Ik heb mij dus hier op een nieuw terrein begeven: <i>vaderlandsche karakterkunde</i>. Ik oordeel die hoogst noodig voor mijne jeugdige lezers. Daarenboven kunnen zij uit dit boek weder veel leeren. Zij zullen +er den voortgang der beschaving in vinden en ook eens in de vertrekken der aanzienlijken rondkijken, waartoe mijne andere +werkjes minder aanleiding gaven. De toenmalige buurtvereenigingen schenken hun een nieuwen blik in dien tijd; terwijl een +korte schets van een begrafenismaal hen weder met een eigenaardig gebruik onzer voorvaderen bekend maakt. De verdere geschiedenis +van <span class="letterspaced">De Ruyter</span> met den krijg in het Noorden en de tweede Engelsche oorlog behoorden tot dit tijdperk, dat ik tot 1668 heb laten loopen, +omdat men kan zeggen, dat in genoemd jaar de eigenlijke jeugd van den Prins eindigde met zijne mondigverklaring. + +</p> +<p>Ik heb bij dezen druk niets te voegen, dan aanbeveling van mijnen arbeid in de voortdurende welwillendheid mijner landgenooten. + + +</p> +<p class="alignright"><span class="smallcaps">P. J. Andriessen.</span> + +</p> +<hr class="tb"><p> + + +</p> +<p>Sedert de gevierde Schrijver bovenstaand Voorbericht schreef, heeft dit boeiend verhaal meerdere drukken moge beleven. Thans +wordt aan de Nederlandsche jeugd een vijfde druk aangeboden, welke zich van de vorigen gunstig onderscheidt door de flinke +letter op mooi, stevig papier en de keurige illustraties in en buiten den tekst, die de aantrekkelijkheid van dit boek ongetwijfeld +hebben verdubbeld. + +</p> +<p>Moge dit door verdubbelde belangstelling blijken! + + +</p> +<p class="alignright"><span class="smallcaps">De Uitgever.</span> + + + +</p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e261" href="#d0e261src" class="noteref">1</a></span> Dat op het ijs en dat op de werf. +</p> +</div> +</div> +</div><a id="d0e293"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e293">1</a>]</span><div class="body"> +<div id="d0e295" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e112">Inhoud</a>] +</span><div class="figure"><img border="0" src="images/o001.gif" alt="Ornament" width="570" height="134"></div> +<h2 class="label">Eerste Hoofdstuk.</h2> +<h2>De tienjarige Leidsche Student.</h2> +<p style="
 background: url(images/iw001.gif) no-repeat top left;
 "><span style="
 float: left;
 width: 90px;
 height: 86px;
 background: url(images/iw001.gif) no-repeat;
 
 text-align: right;
 color: white;
 ">W</span>anneer wij, mijne jonge lezers, op Dinsdagmorgen den 28<sup>sten</sup> September 1660, langs het <span class="letterspaced">Rapenburg</span> te <span class="letterspaced">Leiden</span> waren gewandeld, dan zouden wij hebben blijven stilstaan voor een groot gebouw op den hoek van de <span class="letterspaced">Langebrug</span> (toen <span class="letterspaced">Voldersgracht</span>); hetwelk echter thans niet meer bestaat en sedert vervangen is door aanzienlijke woonhuizen. Dat oude gebouw ziet er allesbehalve +aanlokkelijk uit met zijne drie ramen in de benedenverdieping en zijne dertien in de bovenste, alle met traliën voorzien en +in tweeën verdeeld; het onderste gedeelte door twee luikjes van buiten gesloten. Wat steken die kleine, als ruiten gesneden +en in lood gevatte glazen treurig af tegen de drie spitse en met sierlijke torentjes bezette geveltjes, de beide uiterste +van één, de middelste van drie zolderramen voorzien. De naast het huis gebouwde poort, door een schildwacht bewaakt en die +den eenigen toegang tot het huis geeft, dient er weinig toe om ons tot binnentreden uit te lokken. Bijna zouden wij meenen, +dat het een gevangenis was; doch dan zouden de bovenramen ook van ijzeren traliën voorzien <a id="d0e317"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e317">2</a>]</span>zijn. Dan een klooster? vraagt gij. En hierin hebt gij zoo geheel en al geen ongelijk, ofschoon ’t wel te verwonderen zou +zijn, als men nog ten jare zestienhonderd en zestig binnen de stad <span class="letterspaced">Leiden</span> een klooster vond. Ik wil u ’t raadsel oplossen. + +</p> +<p>Het gebouw, voor ’twelk wij staan, was vóór het beleg en ontzet der stad<a id="d0e324src" href="#d0e324" class="noteref">1</a> een klooster, gewijd aan de heilige Barbara en bewoond door nonnen van de Sint Franciscusorde. Nadat de benarde veste echter +voor goed van ’t Spaansche juk verlost was, werd het in 1575 ingericht tot academie. Toen deze later in een ander gebouw was +overgeplaatst, werd het vroegere St.-Barbara-klooster op stadskosten opgeknapt en geschikt gemaakt tot een verblijfplaats +voor onze Prinsen, wanneer die te <span class="letterspaced">Leiden</span> vertoefden; terwijl het tevens tot huisvesting diende voor vorstelijke personen. Zoo heeft, nu zeven-en-veertig jaren geleden +(in 1613), Prinses Elizabeth, dochter van Koning Jacobus I van <span class="letterspaced">Engeland</span> en echtgenoote van Frederik V, keurvorst van de <span class="letterspaced">Paltz</span> en naderhand koning van <span class="letterspaced">Bohemen</span>, in dat huis gelogeerd. Daar nu haar gevolg en dat van onzen stadhouder Prins Maurits uit niet minder dan vijfhonderd personen +bestond, en deze allen in dat huis logeerden, kunt gij u wel voorstellen, dat het een fiksch gebouw is, dat <span class="letterspaced">Princenhof</span> (want dien naam draagt het thans), en gij zult niet verwonderd staan over de groote en hooge vertrekken, de heerlijke zalen, +de ferme paardenstallen, de ruime binnenplaats, die aan de kamers een genoegzaam licht geeft, en vooral over den grooten wel +onderhouden tuin, die zich achter het gebouw uitstrekt, en welks hooge muren u nog aan de voormalige bestemming (klooster) +doen denken. + +</p> +<p>Wij gaan dan de poort in en komen op de binnenplaats. Ziet maar eens, hoeveel ramen. Nu eerst kunt gij u voorstellen, welk +<a id="d0e347"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e347">3</a>]</span>een menigte vertrekken er zijn. Wij blijven hier echter niet lang, maar treden de steenen trappen met sierlijk gekrulde ijzeren +leuningen op, die ons in het ruime, hooge, met lofwerk gebeeldhouwde voorportaal brengen. Ook hier vertoeven wij niet; maar +gaan de eikenhouten trap aan onze linkerhand op en komen op een langen, breeden corridor, waar wij voor een met groen laken +bekleede deur stilstaan, welke wij openslaan, de daarachter zich bevindende deur opendraaien en ons in een tamelijk ruim vertrek +bevinden. Het prachtig goudlederen behangsel met zijne sierlijke bloemen en ranken, het keurig gebeeldhouwde noteboomhouten +dressoir (buffet), de groote spiegel van venetiaansch glas, het smyrnasch karpet onder de met marmeren blad gedekte tafel +en de prachtige damasten gordijnen doen u reeds vermoeden, dat deze kamer tot woonplaats dient van een aanzienlijk persoon; +zoo niet de rijk geborduurde zijden kussens op de ebbenhouten stoelen met hooge gebeeldhouwde leuningen en gedraaide pooten, +de zilveren inktkoker op de tafel en de groote sierlijke fauteuil met hooge leuning, die daar voor den vlammenden haard, dicht +onder den hoogen en breeden schoorsteen is geschoven, u daarvan reeds ten volle overtuigden. + +</p> +<p>Maar waar is de bewoner van deze kamer? Eilieve! gaat een weinig nader bij de brandende blokken, slechts door een blinkend +geschuurd koperen hekje omgeven, en gij zult tot uwe verwondering zien, dat wij niet alleen zijn en dat het maar goed is, +dat wij geen kwaad hebben gezegd—anders waren we zeker beluisterd geworden. Daar in dien hoogen leuningstoel toch zit, in +zijden kussens gedoken, een tengere, ziekelijke knaap, met de voeten op een warme stoof en de eene hand onder ’t hoofd, terwijl +de andere een boek vasthoudt, waarin hij schijnt gelezen te hebben, doch dat hij nu op de knie laat rusten. Zijn helder en +doordringend oog staart op het vuur, als ziet hij wonder wat in de grillige gedaanten, welke de flikkerende <a id="d0e351"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e351">4</a>]</span>vlammen aannemen en als is er iets bijzonders voor hem in de van tijd tot tijd instortende blokken. Hij is nog jong, die knaap: +den 14<sup>den</sup> November aanstaanden zal hij zijn tiende jaar bereikt hebben. En toch—hoe jong hij zij, ligt er op dat hooge voorhoofd en +dat smalle bleeke gelaat reeds een waas van ernst, hetwelk men op dien leeftijd niet zou verwachten. Schoon is hij niet. Zijn +adelaarsneus is te groot voor dat magere gezicht, dat er, kon ’t zijn, nog magerder door wordt. Geen blozende wangen of levenslustige +oogen, geen schalksche trek om lip of mond; de arme knaap is jong, zonder jeugd te hebben gekend: hij heeft vrij wat meer +in de wereld dan die burgerjongen, dien wij daarstraks op het plein voor de <span class="letterspaced">Sint-Pieterskerk</span> met zijne kameraads zagen knikkeren,—maar zeker zou die voor al het geld der wereld met hem niet willen ruilen. Toch toont +zijne kleeding zijn aanzienlijken stand aan. Dat zwart fluweelen wambuis met die fijne kanten lubben, die op de witte, magere +handen neerhangen, die satijnen broek van dezelfde kleur, met korenblauwe linten onder de knie vastgemaakt, die fijn lederen +schoenen met strikken, in welker midden zich een gouden knoop bevindt en die halsdoek, die als een bef met breede plooien +om den hals gestrikt, in echte Brusselsche kant nederhangt, doen ’t u reeds vermoeden, indien de omgeving in de kamer er u +geen zekerheid van gaf. Die bijna tienjarige knaap—misschien hebt gij ’t begrepen—is de hoop van het edele stamhuis van <span class="letterspaced">Oranje</span> en van allen, die het met dat doorluchtige geslacht wél meenen: ’t is Willem Hendrik, Prins van <span class="letterspaced">Oranje-Nassau</span>, Graaf van <span class="letterspaced">Catzenellebogen</span>, <span class="letterspaced">Vianden</span>, <span class="letterspaced">Dietz</span>, <span class="letterspaced">Lingen</span>, <span class="letterspaced">Meurs</span>, <span class="letterspaced">Buren</span> en <span class="letterspaced">Leerdam</span>, Markies <span class="letterspaced">van der Veere</span> en <span class="letterspaced">Vlissingen</span>, Heer en Baron van <span class="letterspaced">Breda</span>, de stad <span class="letterspaced">Grave</span> en het land van <span class="letterspaced">Kuik</span>, <span class="letterspaced">Diest</span>, <span class="letterspaced">Grimbergen</span>, <span class="letterspaced">Herstal</span>, <span class="letterspaced">Kranendonk</span>, <span class="letterspaced">Warneston</span>, <span class="letterspaced">Arlay</span>, <span class="letterspaced">Noseroy</span>, St.-<span class="letterspaced">Veit</span>, <span class="letterspaced">Daasburg</span>, <span class="letterspaced">Polanen</span>, <span class="letterspaced">Willemstad</span>, <span class="letterspaced">Niervaart</span>, <a id="d0e437"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e437">5</a>]</span><span class="letterspaced">IJselstein</span>, <span class="letterspaced">St.-Maartensdijk</span>, <span class="letterspaced">Steenbergen</span>, <span class="letterspaced">Geertruidenberg</span>, de <span class="letterspaced">hooge</span> en <span class="letterspaced">lage Zwaluwe</span>, en <span class="letterspaced">Naaldwijk</span><span id="d0e458" class="corr" title="Bron: -">,</span> Erfburggraaf van <span class="letterspaced">Antwerpen</span> en <span class="letterspaced">Besançon</span> en Erfmaarschalk van <span class="letterspaced">Holland</span>. ’t Is de achterkleinzoon van den grondlegger onzer vrijheid, den edelen Willem den Eerste, ’t is de zoon van den te vroeg +gestorven Willem den Tweede en van Maria Stuart, de oudste dochter van Karel I Koning van <span class="letterspaced">Engeland</span>. + +</p> +<p>Ik heb u reeds verhaald, dat de arme Prins zijn vader nooit gekend heeft. Kort na zijne geboorte begiftigden hem de Algemeene +Staten met een rentebrief van achtduizend gulden ’s jaars en legden de Staten van <span class="letterspaced">Holland</span> hem een jaargeld van vijfduizend, <span class="letterspaced">Delft</span> van zeshonderd, <span class="letterspaced">Leiden</span> van twaalfhonderd en <span class="letterspaced">Amsterdam</span> van duizend gulden toe, terwijl <span class="letterspaced">Zeeland</span> er later nog twee duizend bijvoegde; zoodat onze knaap, behalve de inkomsten zijner goederen, een jaarlijksch inkomen heeft +van ongeveer achttienduizend gulden, zeker meer dan genoeg voor een kind van bijna tien jaren. En toch is hij niet gelukkig, +Prins Willem Hendrik. Toch ligt er een verdrietelijke trek op dat gelaat,—een trek, die aan meer dan lichamelijk lijden doet +denken. + +</p> +<p>Zijn levenslot was dan ook verre van benijdenswaardig geweest. Reeds weinige weken na zijne geboorte, toen <span class="letterspaced">Zeeland</span> den voorslag deed, hem tot Stadhouder te benoemen, wees <span class="letterspaced">Holland</span> dit van de hand. En gij weet het, hoe bij het vredestraktaat in 1654 de beruchte <i>acte van seclusie</i> werd vastgesteld, waarbij de Prins werd uitgesloten van de waardigheden, door zijne voorvaderen bekleed. Maar ook in den +huiselijken kring had de arme Willem Hendrik weinig genoegen gehad. Reeds kort na zijne geboorte ontstond er twist over de +voogdijschap tusschen zijne moeder, zijne grootmoeder en den keurvorst van <span class="letterspaced">Brandenburg</span>, gehuwd met de oudste zuster van Willem II. De eerste meende daarop recht te hebben wegens <a id="d0e504"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e504">6</a>]</span>het testament van haren gemaal; de tweede beweerde, dat Prinses Maria die zelf niet meerderjarig was, geen voogdes kon zijn, +en de laatste, die nog verscheidene mededingers had, begreep, dat slechts een man met de voogdijschap kon worden bekleed. +Na veel twist werd men het eens, dat Amalia van Solms de helft, en Prinses Maria Stuart en de keurvorst van <span class="letterspaced">Brandenburg</span> ieder een vierde der voogdijschap zouden uitoefenen en dus een even groot gedeelte der goederen besturen. + +</p> +<p>Hoezeer nu deze zaak in der minne geschikt scheen, bleef er tusschen de beide Prinsessen een veete bestaan, die niet dan ongunstig +op het karakter van den jongen Prins kon werken. Het had daardoor al dat opene verloren, hetwelk men van een knaap van zijn +leeftijd terecht kon verwachten, en een kunst van veinzen aangenomen, die zeker leelijk en veroordeelenswaardig is in een +kind, ja in den man;—maar die hem later tot den grootsten staatsman zijner eeuw maakte. Daarbij had hij dikwerf grootmoeder +over dingen hooren spreken, die voor moeders ooren niet aangenaam zouden zijn geweest, en moeder had zaken aangeroerd, die +hij bij grootmoeder niet mocht vertellen,—en daardoor had hij, reeds op zoo jeugdigen leeftijd, de groote kunst geleerd om +te zwijgen, een kunst, die hij zijn gansche leven heeft in practijk gebracht<a id="d0e511src" href="#d0e511" class="noteref">2</a>. + +</p> +<p>Hiermede en bij gebrek aan verkeering met knapen van zijn leeftijd, had het karakter van den jeugdigen Prins een plooi aangenomen, +die men reeds bij den eersten aanblik op dat magere, bleeke gelaat kon bespeuren: een zekere stroefheid in den omgang met +anderen, vooral met vreemden en in gezelschappen, <a id="d0e516"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e516">7</a>]</span>waardoor zij, die hem niet kenden, hem voor onaangenaam en lomp hielden. Alleen zij, die meer met hem omgingen, zijne bijzondere +vrienden en kennissen, hadden hem innig lief en wisten zijne goede hoedanigheden te waardeeren;—jegens hen was hij somtijds +openhartiger, gewoonlijk vertrouwelijker. + +</p> +<p>Ik vond het noodig, u een blik te doen slaan in het karakter van den jeugdigen Willem Hendrik. Uit mijn vorig werkje hebt +gij gezien, hoe een geduchte en machtige partij in <span class="letterspaced">Holland</span>, bekend onder den naam van “Loevesteinsche factie” of “de staatspartij”, tegen zijne bevordering was en die door alle middelen +wist tegen te houden; gij hebt er ook uit kunnen leeren, hoe er, vooral onder ’t volk, een andere partij was, die deze bevordering +wenschte en bij elke gelegenheid dien wensch duidelijk deed blijken. Ook <span class="letterspaced">Zeeland</span> was er steeds op uit om den Prins te verheffen tot de waardigheden, door zijne doorluchtige voorouderen bekleed; maar al +de pogingen, door dat gewest aangewend, leden schipbreuk op den weerzin der Hollandsche aristocraten. Zoo hielden de Staten +van eerstgenoemde provincie, die het welzijn van den jeugdigen Oranjespruit zoozeer ter harte nam, in 1655 bij de andere gewesten +aan op het benoemen van een predikant, die den vijfjarigen Prins in de beginselen van den christelijken godsdienst zou onderwijzen, +en een ander bekwaam persoon, om hem de taal, geschiedenis en andere noodige wetenschappen te leeren; de Staten van <span class="letterspaced">Holland</span> beweerden daarentegen, dat het geenszins den Zeeuwen noch der andere Provinciën paste, zich te mengen in ’s Prinsen opvoeding. +Het volgende jaar stelden zijne voogden den predikant Trigland bij hem als onderwijzer in den godsdienst aan, terwijl zij +hem ook in andere noodige wetenschappen lieten onderrichten. Twee jaren lang genoot hij dat onderwijs. + +</p> +<p>Toen onze Willem Hendrik nu zijn achtste jaar bereikt had, <a id="d0e531"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e531">8</a>]</span>begreep zijne moeder, dat het tijd werd, hem hooger onderwijs te geven. De magistraat van <span class="letterspaced">Leiden</span>, dit vernomen hebbende, bood der Prinses niet alleen hare stad en Hoogeschool aan, maar ook het <span class="letterspaced">Princenhof</span>, reeds vroeger door zijne voorouders bewoond, zoolang zij te <span class="letterspaced">Leiden</span> studeerden; terwijl zij verklaarde het reeds te dien einde te hebben gemeubileerd en nog verder te zullen meubileeren. De +prinses nam dat aanbod aan en benoemde tot goeverneur over haren zoon Frederik van Nassau, Heer van Zuijlestein, natuurlijken +zoon van Prins Frederik Hendrik en te dien tijde kolonel van een regiment voetvolk, welken rang en post hij bij zijne aanstelling +behield. Tot zijn leermeester koos zij den Hoogleeraar Borneus. Het was eerst na eenigen tijd, dat Prinses Amalia en de Keurvorst +in dezen maatregel toestemden. + +</p> +<p>Op Maandag den derden November 1659 liet de Prins van <span class="letterspaced">Oranje</span>, nu ongeveer negen jaren oud, door de Heeren van Heenvliet, en den kanselier Weyman, aan den President der Staten-Generaal +bekend maken, dat hij den volgenden dag naar <span class="letterspaced">Leiden</span> zou vertrekken. Denzelfden namiddag kwam eene commissie, bestaande uit de Heeren Huygens, Ripperda, Stavenisse en Renswoude, +benevens eenigen uit den Raad, zijne Hoogheid bedanken voor zijne mededeeling en hem gelukwenschen met zijn plan. Op Dinsdag +den vierden November, dus tien dagen vóór zijn negenden verjaardag, vertrok hij, vergezeld van zijne moeder en grootmoeder, +in een karos naar <span class="letterspaced">Leiden</span>, waar hem de Hoogleeraar Joannes Coccejus, dat jaar Rector Magnificus<a id="d0e553src" href="#d0e553" class="noteref">3</a> met een deftige redevoering in ’t Nederlandsch verwelkomde. Hij betrok toen met zijn goeverneur Zuijlestein en zijn bedienden +het <span class="letterspaced">Princenhof</span>, waar wij hem in het begin van dit Hoofdstuk aantroffen. +<a id="d0e559"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e559">9</a>]</span></p> +<p>Gedurende zijn verblijf te <span class="letterspaced">Leiden</span> was er veel te zijnen gunste veranderd. Zijn oom Karel Stuart was na den dood van Cromwel in <span class="letterspaced">Engeland</span> teruggeroepen, en had den troon beklommen onder den naam van Karel II. Genoemde vorst had hier te lande onbekrompene gastvrijheid +genoten en bij het plechtig afscheid, dat hij in ’s-<span class="letterspaced">Gravenhage</span> van de Staten-Generaal nam, zijn neef Willem van <span class="letterspaced">Oranje</span> zeer in hunne gunst en in die van de Staten van <span class="letterspaced">Holland</span> aanbevolen. Kort daarop herhaalde zijne moeder deze aanbeveling, hetgeen ten gevolge had, dat de Staten van <span class="letterspaced">Zeeland</span> op den 1<sup>sten</sup> Augustus 1660 besloten, hem tot Kapitein-Generaal en Stadhouder van hun <span id="d0e583" class="corr" title="Bron: geweest">gewest</span> te benoemen, op welk besluit zij ten ernstigste bij de Staten van <span class="letterspaced">Holland</span> aandrongen. Beide Prinsessen leverden nu aan de Algemeene Staten het verzoek in, dat <span class="letterspaced">Hunne</span> Edel-Groot-Mogenden zich mochten belasten met ’s Prinsen opvoeding. De Staten willigden dit in, “opdat de Prins dus bekwaam +mocht worden tot de bediening der hooge ambten, door zijne voorzaten bekleed,” doch gaven daaraan geene uitvoering. Vier dagen +later echter besloten zij tot de vernietiging van de acte van seclusie. Keeren wij na deze breede uitweiding tot onzen Prins +terug. + +</p> +<p>“Zijt gij daar, Karel?” zegt hij tot zijn kamerdienaar, een forsch en stevig gebouwd jonkman van ruim drie en twintig jaren, +van wien hij veel houdt en met wien hij gaarne spreekt. + +</p> +<p>“Om u te dienen, Uwe Hoogheid,” antwoordt deze, die met een klein fleschje in de eene en een brief met groot lak in de andere +hand, het vertrek is binnengetreden. “Hier zijn de druppels, die de dokter u heeft voorgeschreven, en hier een brief, zoo +op het oogenblik met den post aangenomen.” + +</p> +<p>“Geef hier den brief, Karel,” hervat de Prins, terwijl hij het boek weglegt en de hand naar het papier uitstrekt. + +</p> +<p>De kamerdienaar reikt het over en gaat naar het dressoir, waar hij in een kristallen glas eenig water schenkt, in hetwelk +<a id="d0e600"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e600">10</a>]</span>hij het bepaalde aantal druppels uit het fleschje mengt en dat hij den Prins aanbiedt. Deze heeft intusschen den brief opengebroken +en doorloopt den inhoud. + +</p> +<p>“Hier zijn uwe druppels, Uwe Hoogheid,” zegt de kamerdienaar. + +</p> +<p>“Ba! hoe zuur!” zegt de Prins, nadat hij het glas heeft leeggedronken. “De dokter heeft veel van Mijnheer den Raadpensionaris,” +voegt hij er hardop denkend bij. “Die verstaat ook de kunst om wrange druppels toe te dienen.” + +</p> +<p>“Of bittere,” verbetert de kamerdienaar. + +</p> +<p>“Karel,” gaat de Prins voort, alsof hij die woorden niet gehoord heeft, “zeg den Heer Van Zuijlestein, dat ik hem verzoek +hier te komen. Ik moet hem spreken.” + +</p> +<p>Terwijl de kamerdienaar het bevel van zijn jongen meester volbrengt, leest deze nogmaals den brief over. ’t Is of de lezing +hem vermoeit;—toen hij gedaan heeft, houdt hij de magere, witte hand voor de oogen en blijft in gepeins zitten. Het binnentreden +van zijn goeverneur stoort hem in zijne overdenking. + +</p> +<p>“Gij liet mij roepen, Willem!” begint deze. “Weder die ongelukkige hoofdpijn! Waarom niet nog wat te bed gebleven?” + +</p> +<p>“Omdat ik het in het dons niet langer kon susteneeren,” geeft de Prins ten antwoord. “Ik hoopte, dat het wat beter zou worden, +als ik op was. Lees echter dezen brief, dien ik daareven ontving.” + +</p> +<p>De goeverneur neemt den brief en voldoet aan den wensch van den Prins. + +</p> +<p>“Gij ziet het, Zuijlestein. Mijn oom, Zijne Majesteit Karel II van <span class="letterspaced">Engeland</span>, heeft de schepen gezonden, om hare Koninklijke Hoogheid mijne moeder af te halen. En zij verlangt, dat ik terstond zal afreizen, +om haar vaarwel te zeggen.” + +</p> +<p>“Dat is het uitdrukkelijk verlangen van Hare Koninklijke <a id="d0e625"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e625">11</a>]</span>Hoogheid, Willem,” antwoordt Zuijlestein. “Zij meldt u dat in den brief.” + +</p> +<p>“Alles goed en wel,” herneemt de Prins. “Maar ik kan vandaag niet gaan. Het is mij onmogelijk. Met zulk een hoofdpijn kan +ik niet reizen. Het hoofd klopt mij als een hamer. De oogen branden mij in ’t hoofd. Elke beweging, die ik maak, is mij een +pijniging. Laat Widerts schrijven, dat ik heden niet kan komen, maar dat ik, wanneer het morgen passabel is, zoo vroeg mogelijk +zal vertrekken.” + +</p> +<p>“Er is niets aan te veranderen,” geeft Zuijlestein ten antwoord. “Het vertrek der Prinsesse Royal is op morgen gefixeerd, +en als wij vroeg genoeg op reis gaan, kunnen wij haar tot aan het schip accompagneeren. Hare Hoogheid zal echter zeer gefrustreerd +zijn, daar zij u zeker gaarne den laatsten dag bij zich had gehad.” + +</p> +<p>De Prins antwoordt niet; het is of hij aan de belangstelling zijner moeder twijfelt. + +</p> +<p>“Zeg Karel, dat hij Widerts roepe,” herneemt hij. Zuijlestein schelt en deelt Karel het bevel van Zijne Hoogheid mede. + +</p> +<p>“Moeder had mij wel vroeger kunnen schrijven,” herneemt Willem Hendrik eenigszins bitter. + +</p> +<p>“De tijding van de aankomst der Engelsche vloot is eerst gisteren laat in ’s-<span class="letterspaced">Gravenhage</span> gearriveerd,” hervat Zuijlestein verschoonend. “Hare Koninklijke Hoogheid kon er u dus niet vroeger van preveniëeren.” + +</p> +<p>Op dit oogenblik komt ’s Prinsen Raad en schrijver Widerts binnen, en de Prins geeft hem den inhoud van den brief aan zijne +moeder op. + +</p> +<p>“Meld Harer Hoogheid vooral, dat ik haar zelf zou geschreven hebben,” eindigt de Prins, “indien de furieuze hoofdpijn mij +daarin niet verhinderde.” + +</p> +<p>Widerts zet zich aan de tafel om den brief te schrijven. +<a id="d0e648"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e648">12</a>]</span></p> +<p>“Ik kan vandaag geen les nemen, Zuijlestein,” gaat de Prins voort. “Ik heb gepoogd wat te studeeren, maar de letters dansen +mij voor de oogen. Laat dus mijne meesters afzeggen, en ’t vooral Professor Borneus weten, opdat hij geen vergeefschen tocht +doe.” + +</p> +<p>“Rust en kalmte zijn de beste medicijnen voor u, Willem,” herneemt de goeverneur. “Gij weet het, wat de dokter u gisteren +nog zeide. Wij zullen hem straks wel hier hebben, en hij zal u wel ordineeren, om naar bed te gaan.” + +</p> +<p>“Ik heb reeds zijn druppels ingenomen. Zij zijn bijtend, scherp zuur.” + +</p> +<p>“Medicijnen zijn niet altijd aangenaam, Willem. Maar zij zijn weldadig voor het lichaam. Ook onze hemelsche Vader geeft ons +wel eens bittere medicijnen te slikken, om onze ziel te cureeren.” + +</p> +<p>“Ik heb er reeds van moeten innemen,” antwoordt de Prins op somberen toon. “Ha, Widerts, reeds gereed!” herneemt hij op minder +treuriger wijs tot zijn schrijver en Raad. “Laat hooren, wat gij geschreven hebt.” + +</p> +<p>Widerts voldoet aan ’s Prinsen verlangen en leest den in ’t Fransch geschreven brief voor (want het Fransch was toen de hoftaal, +en onze Vorsten van <span class="letterspaced">Oranje</span> schreven er altijd in). De Prins zet zijne handteekening onder den brief en reikt dien zijn secretaris over om hem te sluiten, +te verzegelen en van adres te voorzien. + +</p> +<p>Twee uren later lag de Prins in de naaste kamer te bed. De dokter had zulks geordineerd en hem een calmeerend geneesmiddel +gegeven met de hoop, dat hij den volgenden morgen in staat zou zijn, naar ’s-<span class="letterspaced">Gravenhage</span> te vertrekken. Aan zijn bed zat zijn kamerdienaar Karel, om hem van tijd tot tijd koele compressen op het hoofd te leggen +en zijn drankje in te geven. Maar een geest als die van Willem Hendrik kon zich moeilijk in de gedwongene rust schikken, welke +hem was opgelegd. Onophoudelijk <a id="d0e669"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e669">13</a>]</span>woelde hij zich om en om, hoe ook Zuijlestein hem tot stilte en rust aanmaande. + +</p> +<p>Deze laatste had ’s Prinsen bed verlaten. Karel was alleen met hem in de kamer. ’t Scheen, dat de zieke eenigszins kalmer +werd. + +</p> +<p>“Dek mij wat beter toe, Karel,” zeide hij, “en verhaal mij eens van dat Haagsche oproer, waarvan gij laatst spraakt, toen +wij juist gestoord werden. Ik heb er behoefte aan, dit nu te hooren.” + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p013.jpg" alt="" width="608" height="508"></div><p> + + +</p> +<p>“Indien Uwe Hoogheid mij belooft, stil en bedaard te blijven liggen en zoo weinig mogelijk te spreken,” hernam de kamerdienaar, +terwijl hij de met zijde gevoerde deken terecht schikte en den Prins een nieuwe compres op ’t hoofd legde. + +</p> +<p>“Dat beloof ik u, Karel,” antwoordde de Prins, en de kamerdienaar begon: +<a id="d0e682"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e682">14</a>]</span></p> +<p>“Het was in den zomer van het jaar 1653, dat Hare Koninklijke Hoogheid de Prinsesse Royaal met Uwe Hoogheid, die toen derdehalf +jaar oud was, naar <span class="letterspaced">Breda</span> was gereisd, om U als baron dier stad te doen huldigen. Wij Haagsche jongens hadden er de lucht van gekregen, en, aangevoerd +door Koen Aertsen (den zoon van Aert Gerritsz, den barbier uit het <span class="letterspaced">Gortstraatje</span>) die voor kapitein speelde, besloten wij Uwe Hoogheid bij Hare terugkomst in ’s <span class="letterspaced">Gravenhage</span> deftig in te halen. Dag op dag trokken wij dan met mutsen en bandelieren van Oranjepapier, met stokken en Oranjevaandels +gewapend, naar het <span class="letterspaced">Zieken</span>, waar Uwe Hoogheid moest binnenkomen. Of men Uwe reis opzettelijk vertraagd had, op hoop dat wij uit elkander zouden gaan, +weet ik niet; het was echter reeds laat in den nacht, toen de vorstelijke karossen terugkeerden. Daar wij weinig deeg van +onzen opschik en van onze uitmonstering hadden, zoo besloten wij, des anderen daags in dezelfde toerusting op het <span class="letterspaced">Binnenhof</span> te verschijnen.—In groote statie trokken wij op, terwijl Pieter Hendriksz, die onder ons jongens den bijnaam had van den +duikelaar, omdat hij zoo mooi kon duikelen, het Wilhelmus op de trompet blies, dat het rammelde en raasde.” + +</p> +<p>“Kan die knaap zoo mooi op de trompet blazen?” vraagde de Prins. “Waar had hij dat geleerd?” + +</p> +<p>“Van een vroegeren trompetter van de Oranjegarde, een zekeren Jan Claeszoon<a id="d0e704src" href="#d0e704" class="noteref">4</a>, die, toen deze garde in “garde van de Staten van <span class="letterspaced">Holland</span>” werd veranderd, zijn ontslag had gekregen. Hij woonde vroeger in de <span class="letterspaced">Bagijnenstraat</span> en was naar <span class="letterspaced">Amsterdam</span> vertrokken.” + +</p> +<p>“En wat gebeurde er verder?” + +</p> +<p>“Men toonde ons Uwe Hoogheid voor de vensters van ’t <a id="d0e720"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e720">15</a>]</span>paleis. Toen was ’t eerst een leven: de trompet schalde nog luider en wij allen schreeuwden onze kelen heesch met “Leve de +Prins!”—Maar daar kwamen op eens de dienaars van den Fiskaal, wien door de Staten van <span class="letterspaced">Holland</span>, die dat leven in hunne vergadering niet schenen te kunnen velen en die wellicht voor meerdere opschudding vreesden, last +was gezonden, om den hoop te verstrooien. Maar juist die maatregel had een verkeerde uitwerking; want het grauw, dat hierin +een beleediging zag, ging naar ’t huis van den Fiskaal en wierp er de glazen in. Ook aan de logementen<a id="d0e725src" href="#d0e725" class="noteref">5</a> van <span class="letterspaced">Amsterdam</span> en <span class="letterspaced">Rotterdam</span> deed men hetzelfde. Men schold de afgevaardigden en vooral Mijnheer den Raadpensionaris De Witt voor schelmen en prinsenverraders. +Ja, zoover ging men, dat een dronken Duitscher den Heer Jacob de Witt, den vader van den Raadpensionaris, aanviel en hem dreigde, +“dat men hem wel zou leeren, om den Prins tegen te spreken.” Het was jammer, dat onze betooning van gehechtheid aan Uwe Hoogheid +zulke gevolgen had.—Wij jongens hadden dat geenszins bedoeld.” + +</p> +<p>Met genoegen had de Prins naar het verhaal van zijn kamerdienaar geluisterd. Hij viel weldra daarna in een gerusten slaap. + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/o042.gif" alt="Ornament." width="222" height="44"></div><p> + + + +<a id="d0e746"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e746">16</a>]</span></p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e324" href="#d0e324src" class="noteref">1</a></span> Zie Adolf en Clara, <a href="#d0e4553">dertiende Hoofdstuk</a>. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e511" href="#d0e511src" class="noteref">2</a></span> Op lateren leeftijd vraagde hem een zijner veldheeren naar zijne plannen. “Kunt gij zwijgen, mijn vriend?” vraagde de Prins.—“Als +het graf, Uwe Hoogheid!” antwoordde de andere.—“Ik ook,” hernam de Prins en vertelde hem niets. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e553" href="#d0e553src" class="noteref">3</a></span> Jaarlijks is een der Hoogleeraren aan de Universiteit President van het collegie der professoren en draagt dan den naam van +Rector Magnificus. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e704" href="#d0e704src" class="noteref">4</a></span> Zie “Zeeman tegen wil en dank.” +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e725" href="#d0e725src" class="noteref">5</a></span> Dat waren de hotels, waarin de afgevaardigden van deze steden logeerden. Beiden stonden op het <span class="letterspaced">Plein</span> te ’s-<span class="letterspaced">Gravenhage</span>. Het eerste is later tot vorstelijk paleis ingericht en thans de bewaarplaats van ’s Rijks archief; het andere het ministerie +van Oorlog. +</p> +</div> +</div> +<div id="d0e747" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e112">Inhoud</a>] +</span><div class="figure"><img border="0" src="images/o016.gif" alt="Ornament" width="583" height="148"></div> +<h2 class="label">Tweede Hoofdstuk.</h2> +<h2>Een zeeman, die nog al wat te vertellen heeft.</h2> +<p style="
 background: url(images/iw016.gif) no-repeat top left;
 "><span style="
 float: left;
 width: 90px;
 height: 86px;
 background: url(images/iw016.gif) no-repeat;
 
 text-align: right;
 color: white;
 ">W</span>ij laten den Prins slapen en willen ons den volgenden dag eens naar ’s-Gravenhage begeven, waar wij in de <span class="letterspaced">Spuistraat</span> den pruikenmakerswinkel van Pieter Dirksz binnentreden. Sedert eenige jaren was die pruikenmaker er tamelijk bovenopgekomen; +want er was in zijn vak nog al wat te verdienen, sinds de allongepruiken, uit Frankrijk overgewaaid, hier meer en meer in +zwang kwamen. Gij weet immers wel, wat allongepruiken zijn, en hebt ze zeker wel eens op oude portretten gezien. Hoe dwaas, +zult gij zeggen, als men van onzen Lieven Heer een goeden krullebol ontvangen heeft, een pruik op ’t hoofd te zetten. Wat +zal ik u zeggen? De mode is een grillige dame, en wat wij nu dwaas vinden en bespottelijk, wordt mooi, wanneer allen het dragen, +met andere woorden, wanneer het mode is. De groote heeren nu van dien tijd droegen lange pruiken met krullen, die op beide +zijde van de borst afhingen en hun een deftig en statig voorkomen gaven. Hoe zonderling en dwaas nu die mode ook was, zij +had het voordeel, dat zij aan menigeen brood verschafte, en ook onze Pieter <a id="d0e757"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e757">17</a>]</span>Dirksz, die vroeger een gering haarsnijdertje in de <span class="letterspaced">Zuilingstraat</span> was geweest, had het aan de pruiken te danken, dat hij zijn onaanzienlijke woning en zijn nederig bedrijf met een vrij wat +beteren stand had verwisseld en thans den titel van <i>kapper</i> mocht dragen. En dat alles was het werk van zijn oudsten zoon Karel, die, als lakei bij de Prinses Royaal in dienst gekomen, +het door zijne oppassendheid tot ’s Prinsen kamerdienaar had gebracht, in welke hoedanigheid wij hem in onze inleiding bij +Zijne Hoogheid aantroffen. Karel Pietersz toch had weten te bewerken, dat verscheidene groote Heeren zijn vader de klandizie +schonken, en de Prinses, wien de Oranjegezindheid van den voormaligen haarsnijder wel bekend was, had aan Pieter Dirksz eenig +geld voorgeschoten, waardoor hij in staat was gesteld, zich het noodige haar te verschaffen en zijn stand te verbeteren. Dat +geld had hij sedert lang terugbetaald. + +</p> +<p>Wij treden den winkel van baas Dirksz binnen en vinden daar den tweeden zoon Jacob achter de toonbank zitten, bezig met het +opmaken eener reusachtige allongepruik,—want niet alleen het vervaardigen van die hoofddeksels verschafte onzen haarwerker +goede winsten, het onderhoud daarvan schonk hem geregeld werk. Wij gaan den twee-en-twintigjarigen Jacob voorbij en doen de +glazen deur achter in den winkel open, waar wij in het huisvertrek den eerzamen pruikenmaker zien zitten, luisterende naar +het verhaal van een zeeman, dien wij, ondanks zijn gebruind gelaat, terstond voor den jongeren broeder van Pieter Dirksz herkennen. +Aan de tafel zit Marie, een meisje van twintig jaren, naar de Prinses Royaal vernoemd, en die sedert moeders dood het huishouden +van haren vader bestuurt. Evert, die op haar volgt, is niet t’huis, maar bij den smid Joris Gerritsz aan ’t werk; terwijl +de veertienjarige Martha en haar dertienjarige broeder Pieter, de jongste van Dirksz’ zestal, een aardige geestige jongen +en vaders naamgenoot en <a id="d0e767"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e767">18</a>]</span>lieveling, naar ooms vertellingen zitten te luisteren. Aandachtiger luisteraar echter heeft Klaas Dirksz niet dan zijn jongsten +neef. Ziet hem daar zitten, dien blozenden knaap, terwijl de blauwe, zielvolle oogen onafgewend aan de lippen van den verhaler +hangen en de hand den krullebol ondersteunt, als werd hem die te zwaar door al het nieuws, dat er in wordt opgenomen. Twee +jaren geleden was zijn oom met den vice-admiraal De With, onder bevel van den Admiraal Jacob van Wassenaar, naar <span class="letterspaced">Denemarken</span> vertrokken, om den koning van laatstgenoemd land tegen de Zweden bij te staan. Eer wij echter vernemen, wat oom Klaas te +verhalen heeft, moet ik u met een enkel woord de oorzaak van die zending mededeelen. + +</p> +<p>Reeds in 1656 had de oorlogzuchtige koning van <span class="letterspaced">Zweden</span> Karel Gustaaf, door het belegeren van de stad <span class="letterspaced">Dantzig</span>, die wij als de korenschuur van <span class="letterspaced">Nederland</span> aanmerkten, onze Staten genoodzaakt, een vloot van acht-en-veertig schepen naar de <span class="letterspaced">Oostzee</span> te zenden. Het doel van dezen tocht was bereikt en de vaart op de <span class="letterspaced">Oostzee</span> bleef vrij. Toen echter in ’t volgend jaar de krijgskans ten nadeele van Karel Gustaaf liep, begreep Frederik III, koning +van <span class="letterspaced">Denemarken</span>, dat thans het rechte tijdstip daar was om de landen te herwinnen, die de Zweden, veertien jaren geleden, zijnen vader Christiaan +IV ontnomen hadden. Hij verklaarde dus Karel Gustaaf den oorlog, waarop deze een stouten tocht ondernam, dien niemand vóór +hem had durven wagen. Hij trok in Februari van ’t jaar 1658 met zijn leger van slechts achtduizend man, meest ruiterij, over +de toegevroren zee naar <span class="letterspaced">Funen</span>, alwaar hij <span class="letterspaced">Odenzee</span> en <span class="letterspaced">Nyborg</span> vermeesterde. Cromwells gezant, Meadow, zond hem een bode te paard, om hem tot den vrede aan te manen. “Hoe!” zeide de koning. +“Kan die bode over den <span class="letterspaced">Grooten Belt</span>, dan kunnen wij er ook over.” Hij liet nu zijn leger oprukken en nogmaals over de bevroren zee trekken om den <a id="d0e804"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e804">19</a>]</span>vijand in zijn land te bestoken. ’t Was zoo vinnig koud, dat men den wijn en het bier bij stukken uit de vaten moest hakken; +om ze te ontdooien. Midden in den nacht nam de tocht een aanvang. Door de menigte van paarden smolt de sneeuw zoozeer, dat +er op sommige plaatsen wel twee voet water op het ijs stond, en men in de duisternis elk oogenblik vreesde in de zee te zullen +verzinken. + +</p> +<p>Reeds in den morgen van den volgenden dag kwam de koning op <span class="letterspaced">Langeland</span> aan en ging van daar op <span class="letterspaced">Laland</span> en <span class="letterspaced">Falster</span>, welke eilanden hij bezette. Vervolgens trok hij op <span class="letterspaced">Seeland</span> af, nam <span class="letterspaced">Warburg</span> in en stond op het punt om op <span class="letterspaced">Kopenhagen</span> af te trekken, toen Meadow zelf hem kwam opzoeken en er te <span class="letterspaced">Rotschild</span> tusschen de beide koningen een verdrag werd gesloten, waarbij bepaald werd, dat “zij nooit zouden toelaten, dat eenige vreemde +oorlogsvloot door de <span class="letterspaced">Sont</span> of <span class="letterspaced">Belt</span> in de <span class="letterspaced">Oostzee</span> zou komen.” Dit verbond was echter niet lang van duur; nog in ’t zelfde jaar viel Karel Gustaaf in <span class="letterspaced">Seeland</span> en sloeg het beleg voor <span class="letterspaced">Kopenhagen</span>. Onze Staten, die wel wisten hoe schadelijk het voor ons zou zijn, indien de Zweden meester werden in ’t Noorden, besloten +den admiraal van Wassenaar met een vloot naar <span class="letterspaced">Kopenhagen</span> te zenden. De wakkere Kortenaar, zijn raadsman, dien wij reeds als kapitein op het schip van Tromp<a id="d0e847src" href="#d0e847" class="noteref">1</a> ontmoet hebben, was kapitein van het admiraalsschip, terwijl de Vice-admiraals De With en Floriszoon onder Wassenaar het +bevel voerden. + +</p> +<p>Keeren wij thans naar de woonkamer van Pieter Dirksz terug. Zijn broeder Klaas, de zeeman met zijn gebruind gelaat, zijn heldere +oogen die goedhartig uit de beenige kassen zien, zijn reeds hier en daar grijs geworden bruin, krullend haar, de baard en +snorren om wang en kin, de groote, breede handen, die wel <a id="d0e852"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e852">20</a>]</span>aan een mulat schijnen te behooren, doen terstond in hem den man herkennen, die lang aan weer en wind is blootgesteld geweest. +Ook aan zijn spreken merkt men dadelijk den zeeman op, daar hij tal van spreekwoorden in den mond heeft, van welke de meeste +hun oorsprong aan het zeeleven te danken hebben: vele daarvan echter zijn spreuken uit vader Cats. + +</p> +<p>“Goê morgen!” begint hij, toen hij zonder eenige de minste komplimenten binnentreedt. “Hoe maak je ’t, Pieter? En hoe varen +je kinderen? Wel seldrement! is dat zoeken. Ik wist niet meer, waar ik mijn boeg moest wenden, en ik dacht, dat ik mijn bakzeil +al moest in halen. Maar ’t is met jou ook al, zooals vader Cats zegt: kunst baart gunst.” + +</p> +<p>“Wij zijn allen gezond, Klaas,” antwoordt Pieter. “En ’t schijnt, dat jij ook niet onder dokters handen bent.” + +</p> +<p>“Eilacy! Geen beter banket, dan gezond en vet, zegt Cats. Met mij is ’t: een blij gemoed en matig goed is wonder zoet. Maar +vertel mij eens, hoe ’t je zoo voor den wind is gegaan; want je bent me een groote mijnheer geworden. ’k Wist niet of ik wel +zou bijdraaien, toen ik daar voor zoo’n mooien winkel stond.” + +</p> +<p>Pieter Dirksz verhaalt zijn broeder, wat er met hem in die twee jaren is voorgevallen. + +</p> +<p>“Nu,” hervat deze. “Onder ’t zeil is ’t goed roeien. Wanneer je zulke bescherming hebt, is ’t geen wonder ook. Als je door +zulk groot volk gepraaid wordt, heb je maar op sleeptouw mee te varen. En nou zal ik je eens vertellen, wat er al met mij +in die twee jaren gebeurd is.” + +</p> +<p>“Dat is goed, Klaas,” herneemt Pieter Dirksz. “Maar zou je eerst niet wat gebruiken?” + +</p> +<p>“Als je er dan op staat, Pieter, geef me dan een oorlam. Je weet wel wat ik meen, een goed glas brandewijn. Maar een ferm +glas, hoor; want zoo’n kleintje is maar mondtergen.” + +</p> +<p>“En nu,” hervat oom Klaas, nu hij van ’t noodige voorzien <a id="d0e870"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e870">21</a>]</span>is en zijn kort eindje pijp heeft aangestoken, “nu het zeil in top, en er op ingevaren. Je weet, dat ik aan boord van den +vice-admiraal De With, zaliger gedachtenis, als stuurman geplaatst was. ’t Was een dekselsch mooie vloot, mooier dan ooit +onze havens verlaten heeft. Onze tocht was echter niet zeer voorspoedig; want eerst den 3<sup>den</sup> November kwamen wij in de nabijheid der <span class="letterspaced">Sont</span>. Toen ging ’t er op los. Wij moesten door twee vuren heen en tegen het vuur in. Aan onze linkerhand hadden wij het kasteel +<span class="letterspaced">Helsingborg</span>, aan onze rechter het slot <span class="letterspaced">Kronenburg</span>, door de Zweden op de Denen veroverd, en vlak voor ons de Zweedsche vloot onder Graaf Karel August Wrangel.” + +</p> +<p>“Is die niet vroeger een jaar in ons land geweest, om zich met de zeewezen bekend te maken?” + +</p> +<p>“Wel mogelijk. Je wordt meest gebeten door je eigen honden. Intusschen—onze De With, die de voorhoede kommandeerde, dacht: +goede moed is het halve teergeld! Met zijn “Brederode”, het schip, waarop Tromp zoo menige zege op den vijand bevocht, stort +hij zich als een leeuw door de regenbui van kogels heen, die ons van drie kanten te gemoet worden gezonden. Ik sta aan het +roer zoo bedaard als ik hier zit, terwijl de blauwe boonen mij om de ooren fluiten.” + +</p> +<p>“Hé, oom!” roept Pieter uit. “En werdt u niet bang?” + +</p> +<p>“Bang, Pieter! Ik bang? Kom, smidskinderen zijn wel vonken gewoon, dacht ik, en als er geen kogel bij is waar je naam op staat, +zal je er wel goed door komen. En zoo stuur <span id="d0e892" class="corr" title="Bron: in">ik</span> recht door de voorhoede heen tot vlak bij den vijandelijken admiraal.—“Bijdraaien!” roept De With, en op het oogenblik dat +ik het schip van Wrangel praai, “pang, pang, pang!” daar krijgt hij de volle laag. Hij keek, alsof hij het te <span class="letterspaced">Keulen</span> had hooren donderen, die Zweed; het kwam hem ook zoo onverwachts op het lijf. Maar wij laten hem geen tijd tot bezinnen; +want met beter te hopen is de tijd verloopen, en onze admiraal, <a id="d0e898"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e898">22</a>]</span>die begreep dat hem de eer toekwam om het admiraalsschip te bevechten, vaart hem aan het andere boord, en geeft hem ook de +volle laag, waardoor de Zweed zijn roer verliest en zich genoodzaakt ziet onder <span class="letterspaced">Kronenburg</span> te loopen.” + +</p> +<p>“Nu, dat was ferm, oom!” roept Pieter verheugd uit. “Dat had hij net verdiend, om hier het zeewezen te leeren en dan zijn +kunst tegen ons te gebruiken.” + +</p> +<p>“Dat is nu tot daaraan toe, jongen! Uilen vliegen met geen bonte kraaien, en Wrangel was van ouder tot ouder een Zweed en +moest dus zijn land voorstaan. De vice-admiraal intusschen beveelt mij te wenden, voort gaat het, en “pang, pang, pang!” sturen +wij het schip van Bielkenstjern insgelijks wat blauwe boonen in de romp. Maar twee Zweedsche schepen kwamen hem te hulp en +nu was het één tegen drie.” + +</p> +<p>“Dat is valsch,” valt Pieter zijn oom in de rede. “Een tegen een is het altijd bij ons jongens, als wij vechten. Drie tegen +een is geen partuur.” + +</p> +<p>“Maar, Piet,” herneemt oom Klaas, “in den oorlog vraagt men niet naar partuur; daar doet men zijn best om elkander te vernielen. +Onze dappere vice-admiraal intusschen was geen kat om zonder handschoenen aan te tasten. Hij gaf hun het lapje vrij duur, +hoor; want het was hier terecht: bloô Jan, doô Jan. Een der beide aanvallers vloog in de lucht, de andere liet ons zijn achtersteven +zien en koos het hazenpad; alleen Bielkenstjern bleef vechten als een leeuw. Maar wat wilde het ongeluk? De snelle stroom +deed de beide schepen wegdrijven en aan den grond geraken. Het roer zat als gemetseld. Dat merkte een Zweed. Men moet het +ijzer smeden, terwijl het heet is, dacht hij, en gaf ons de volle laag.” + +</p> +<p>“Dat was laf!” roept Pieter uit, terwijl zijne oogen vlammen schieten. “Een weerloozen vijand mag men niet aanvallen.” + +</p> +<p>“Je weet alweer niet, hoe het in den oorlog toegaat, Pieter,” <a id="d0e915"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e915">23</a>]</span>herneemt de oom. “En onze De With toonde maar al te goed, dat hij niet weerloos was; want twee uren lang hield hij het uit, +ofschoon ons schip door de kogelgaten wel een zeef geleek en zoo lek was als een mand. Maar, wat drommels jammer was en mij +geweldig speet: twee kogels troffen den dapperen vice-admiraal. “Jongens! houdt moed!” riep hij. En de jongens hielden moed, +dat verzeker ik je. Maar tegen de Bierkâ is het kwaad vechten. De Zweden enteren onzen “Brederode” en springen er in menigte +op over. De arme De With, door bloedverlies uitgeput, kan niet meer staan. Hij valt op de knieën en zwaait nog den degen, +terwijl hij volstandig weigert zich over te geven. Eindelijk is hij geheel en al uitgeput, men grijpt hem aan en sleurt hem +van het schip. Stervend vestigt hij nog de brekende oogen op zijn vaartuig. En ziet, zijn wensch wordt vervuld: “de Brederode” +valt geen vijand in handen: het water dringt door de menigte van kogelgaten heen, het schip zinkt als een baksteen.” + +</p> +<p>“Dat was ferm!” vindt Pieter, terwijl hij in de handen klapt. “Nu had die leelijke Zweed er toch niets bij gewonnen.” + +</p> +<p>“Dat had hij niet. Maar zeg niet leelijke Zweed. De bevelhebber van het vijandelijke schip had zijn plicht gedaan, evenals +wij. En weet gij wat Koning Karel Gustaaf deed? Toen het lijk van den dapperen vice-admiraal te <span class="letterspaced">Elseneur</span> aan wal werd gebracht, stond de edele vorst, in rouwgewaad gekleed, omringd door zijn ganschen hofstoet om het met eere te +ontvangen en kon hij zijne tranen niet bedwingen.” + +</p> +<p>“Dat vind ik nu heel mooi,” hernam Pieter. “Maar wat had de admiraal Van Wassenaar in al dien tijd gedaan, oom?” + +</p> +<p>“Die had gevochten als een leeuw. Ofschoon een derde van zijn scheepsvolk gekwetst of gedood was, zijn boeg en konstabelkamer +in brand waren geraakt, zijn want grootendeels was afgeschoten, de romp van zijn schip vol kogelgaten zat, en het water reeds +in het hol steeg, bleef hij den ongelijken strijd <a id="d0e928"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e928">24</a>]</span>tegen de vijandelijke schepen volhouden, terwijl hij bedaard bleef zitten in een stoel vóór de kampanje.” + +</p> +<p>“Was hij dan zoo moe?” + +</p> +<p>“Wel neen; maar hij had zoo geducht de jicht, dat hij niet kon staan of loopen; dus moest hij wel zitten. Eindelijk liepen +de vijanden van hem af en zeilde hij naar de vloot bij <span class="letterspaced">Kronenburg</span> terug. De Zweden hadden zeven schepen verloren, waarvan drie den onzen in handen waren gevallen; wij slechts “de Brederode” +en drie verbruikte branders. Jammer maar, dat wij onder de dooden de beide vice-admiralen Witte Corneliszoon de With en Floriszoon +telden<a id="d0e937src" href="#d0e937" class="noteref">2</a>. + +</p> +<p>“Maar oom! Hoe ging het met u? Gij zijt toch niet met “de Brederode” gezonken?” + +</p> +<p>“Domme jongen! Dan zou ik niet hier zitten. Ik werd met al mijn kameraads gevangen genomen en te <span class="letterspaced">Elseneur</span> in den kerker gezet. Daar zaten wij den geheelen winter met ons twaalven in een donker, vochtig hok te brommen. Maar wij +besteedden onzen tijd goed. Wij hadden opgemerkt, dat langs onze gevangenis de gracht van het kasteel stroomde, en nu besloten +wij, de traliën los te vijlen en zoo de haven uit te raken. Dat ging echter zoo gemakkelijk niet; want wij hadden geen gereedschap. +Een onzer echter had zijn “kortjan” weten te verbergen, en nu maakten wij daarmede steenen uit den muur los, die wij scherp +slepen en waarmede wij langzamerhand de dikke ijzeren staven doorvijlden. Dat kon echter alleen ’s nachts gebeuren. ’s Morgens +maakten wij het gevijlde met wat brood met vijlsel vermengd toe; met hetzelfde brooddeeg verborgen wij de plaats der uitgebroken +steenen. ’t Was echter eerst in de laatste helft der maand, dat onze reuzenarbeid voltooid was. Op zekeren donkeren regenachtigen +nacht lichtten wij de ankers, <a id="d0e953"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e953">25</a>]</span>namen de reeds losgemaakte tralies uit, kwamen zoo in de gracht, zwommen over en laveerden op handen en voeten langs den grond +tot in een klein kreupelbosch, niet ver van het kasteel, dat wij uit onze gevangenis hadden kunnen zien en tot ons vereenigingspunt +bestemd hadden. Van hier wendden wij den boeg regelrecht zuidwaarts, steeds reizende bij nacht, en bij dag ons verbergende. +Eindelijk kwamen wij aan de zee, en, verbeeldt u onze blijdschap, toen er eensklaps, niet ver van de kust, een vloot voor +ons lag en wij, bij het schijnsel der maan, de Statenvlag van de masten zagen wapperen. Wij sprongen in zee en zwommen naar +’t eerste schip het beste. ’t Was “Het huis te Zwieten”, op hetwelk de dappere vice-admiraal De Ruyter het bevel voerde, die +den 20<sup>sten</sup> Mei met een vloot van 40 linieschepen tot versterking van Wassenaar naar ’t Noorden afgezonden was. Wij werden terstond met +opene armen ontvangen en op verschillende schepen ingedeeld. Ik kwam als tweede stuurman op “Het huis te Zwieten” en bleef +verder op dien bodem.” + +</p> +<p>“Zoodat gij dus in de onmiddellijke nabijheid van den dapperen Zeeuw waart,” hervatte Pieter Dirksz. + +</p> +<p>“Juist. Onze vloot vereenigde zich kort daarna met die van Wassenaar. ’t Was een statig gezicht, die vijf-en-twintig oorlogsschepen +met hare galjoten en branders te zien zeilen, een gezicht, dat mij het hart onder het baaitje deed zwellen. In het begin van +November echter keerde de admiraal van Wassenaar, die ernstig ongesteld was, naar het vaderland terug, en De Ruyter behield +nu, volgens last der Staten, het opperbevel over de geheele vloot, die koers zette naar het eiland <span class="letterspaced">Funen</span>, dat nog altijd in de macht der Zweden was. Het krijgsvolk werd onder aanvoering van den ritmeester Hendrik van Fleury, heer +van Buat, te <span class="letterspaced">Kartemunde</span> ontscheept. Dat ging echter zoo gemakkelijk niet. Aan de eene zijde stonden twee, en aan de <a id="d0e968"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e968">26</a>]</span>andere zijde drie regimenten Zweedsche ruiters, terwijl de dragonders de stad bewaarden. Men opende een hevig kartetsvuur +op onze sloepen, in een van welke zich De Ruyter bevond, die een oog in het zeil wilde houden. Ik zat aan het roer en de kogels +floten mij om de ooren.” + +</p> +<p>“Nu werdt gij toch zeker wel bang, oom?” vraagde Pieter. + +</p> +<p>“Wel neen.—In zulke gevallen moet men het woord vrees slechts bij naam kennen, evenals onze De Ruyter. Toen hij zag, dat er +eenigen van de onzen sneuvelden, riep hij onophoudelijk: “Valt aan, mannen! Valt aan, of gij zult allen samen vermoord worden.” + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p026.jpg" alt="" width="611" height="323"></div><p> + + +</p> +<p>Nu sprong de ritmeester Buat, die vroeger page bij Prins Willem II was geweest, met het rapier in de vuist tot zijn middel +in het water. “Mannen!” riep hij, “dat gaat u voor! Volgt mij na!” Door dit voorbeeld aangemoedigd, volgden de soldaten met +gansche hoopen hem na, waadden door de zee, tastten de Zweedsche ruiters manmoedig aan, en overwonnen hen na een hardnekkigen +tegenstand. Eenige dagen later vereenigden zij zich met de Keizerlijke, Brandenburgsche en Poolsche hulpbenden, rukten gezamenlijk +op de Zweden aan, overwonnen <a id="d0e979"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e979">27</a>]</span>hen en dwongen hen, met achterlating van al hun geschut, binnen <span class="letterspaced">Nijborg</span> te vluchten. Nu stevende ook De Ruyter met de vloot derwaarts, bracht de forten, die de haven beschermden, tot zwijgen, zeilde +tot voor de stad en beschoot haar zoodanig, dat zij zich met het leger overgaf. Groot was over deze overwinning de vreugde +in <span class="letterspaced">Kopenhagen</span>, in welke stad wij den 15<sup>den</sup> December aankwamen. ’t Was fel koud en het vroor, dat het kraakte. Drie dagen lang duurde het, eer de vloot door het ijs +heen binnen de haven was, waar zij zou overwinteren. Den zeventienden werd de vice-admiraal met andere hoogere bevelhebbers +bij den koning van <span class="letterspaced">Denemarken</span> ter maaltijd genoodigd, waar zij prachtig onthaald werden en groote eere genoten. Eenige dagen later kwam de Deensche admiraal +Bielke aan ons boord en schonk De Ruyter, uit naam van zijn koning, een gouden keten van groote waarde.” + +</p> +<p>“Die had ik wel eens willen zien,” riep Pieter uit. “Hoe was die keten, oom?” + +</p> +<p>”’t Was een vier- of vijfdubbele schakel, kunstig ineengevlochten; koningin Sophia Amalia had er eigenhandig een gedenkpenning +van goud aan vastgehecht, op welks eene zijde ’s Konings borstbeeld stond, omzet met twee en veertig diamanten; aan de keerzijde +zag men een oorlogsschip in zee en onderaan hing een schoone parel.—Grooter eer evenwel genoot de vice-admiraal, toen wij, +een maand geleden uit <span class="letterspaced">Denemarken</span> vertrokken. De koning toch verhief hem en zijne nakomelingen tot den adelstand en voegde daar een jaarwedde van tweeduizend +gulden bij.” + +</p> +<p>“Dat was heel mooi van dien koning van <span class="letterspaced">Denemarken</span>,” zeide Pieter. “En hoe kwam het, dat de vloot niet langer in <span class="letterspaced">Denemarken</span> behoefde te blijven?” + +</p> +<p>“Wel, de koning van <span class="letterspaced">Zweden</span> was in Februari van dit jaar plotseling overleden, en daardoor was de vrede tusschen de <a id="d0e1013"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1013">28</a>]</span>Noordsche mogendheden den 16<sup>den</sup> Juli gesloten. Wij wachtten dus slechts, tot de laatste Zweed <span class="letterspaced">Denemarken</span> verlaten had, gingen den vijftienden der vorige maand onder zeil en kwamen den derden September ’t <span class="letterspaced">Vlie</span> binnen, waar de verschillende schepen van elkander scheidden. Wij zetten koers naar <span class="letterspaced">Amsterdam</span>. Op de <span class="letterspaced">Zuiderzee</span> was De Ruyter bijna verongelukt. Een schip overzeilde ons en, had de vice-admiraal zich niet aan een touw vastgehouden, hij +ware reddeloos verloren geweest.” + +</p> +<p>“Hoe gaat het, vader!—Hé! oom! Gij hier? Altijd wèl geweest? Dag Marie, dag Martha, dag Pieter!” klonk het eensklaps. Allen +keken op, en zagen Karel voor zich staan. + +</p> +<p>“Hoe kom jij zoo eensklaps uit de lucht vallen, Karel?” was de vraag van den verbaasden Dirk Pietersz. + +</p> +<p>“Ik ben zoo straks met Zijne Hoogheid van <span class="letterspaced">Leiden</span> gekomen, daar hij afscheid wil nemen van Hare Koninklijke Hoogheid de Prinses Royaal, eer zij naar <span class="letterspaced">Engeland</span> gaat.” + +</p> +<p>“En die van morgen vroeg reeds vertrokken is,” zeide Marie, “Je bent dus te laat gekomen, Karel.” + +</p> +<p>“Dat zijn wij. Gisteren ontving de Prins een brief van zijne Doorluchtige moeder; maar Zijne Hoogheid was buiten staat om +de reis te aanvaarden, daar hij aan hevige hoofdpijn leed.” + +</p> +<p>“Nog altijd die hoofdpijn,” zeide Marie. “De Prins schijnt een martelaar van die kwaal te zijn.” + +</p> +<p>“Dat is hij,” antwoordde Karel. “Eerst heden na den middag bevond zich Zijne Hoogheid in staat, den tocht naar ’s-<span class="letterspaced">Gravenhage</span> te aanvaarden, en nu wij hier komen, vinden wij niet alleen de Prinses Royaal vertrokken, maar ook Hare Hoogheid de Prinses-weduwe, +op het paleis op het <span class="letterspaced">Binnenhof</span>.” + +</p> +<p>“En ik meende gehoord te hebben, dat Prinses Amalia zich te <span class="letterspaced">Turnhout</span> bevond en van daar naar <span class="letterspaced">Kleef</span> was gereisd, omdat zij Hare Koninklijke Hoogheid niet gaarne vaarwel zeide,” merkte Marie aan. +<a id="d0e1064"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1064">29</a>]</span></p> +<p>“Je bent zeer goed onderricht, Marie,” hervatte Karel. “De Prinses-weduwe reisde naar <span class="letterspaced">Kleef</span> en zond van daar een edelman naar de Prinses Royaal, om haar gelukkige reis te wenschen en Harer Hoogheid te verklaren, dat +zij bereid was over te komen, bijaldien Prinses Maria dat wenschte. Intusschen schijnt zij later van gevoelens veranderd te +zijn en is haar te gemoet gereisd naar <span class="letterspaced">Den Briel</span>. Doch Prinses Maria was, hetzij opzettelijk of toevallig, bij hare komst reeds naar <span class="letterspaced">Hellevoetsluis</span> vertrokken, waarop de Prinses-weduwe terstond naar ’s-<span class="letterspaced"><span id="d0e1077" class="corr" title="Bron: Gravenage">Gravenhage</span></span> is doorgereisd. Zijne Hoogheid de Prins is op dit oogenblik bij haar.” + +</p> +<p>Inderdaad was Prinses Maria reeds in den vroegen morgen van dien Woensdag vertrokken. Te <span class="letterspaced">Delftshaven</span> gekomen, wachtte haar daar een ontbijt, haar door de Vroedschap aangeboden. Na het ontbijt begaf zij zich in een jacht, dat +haar naar <span class="letterspaced">Brielle</span> overvoerde, alwaar zij op kosten der stad met een keurig diner werd ontvangen. Ook hier hield zij zich niet langer op dan +noodig was, maar vertrok terstond na het diner naar <span class="letterspaced">Hellevoetsluis</span>, gelijk wij uit Karels vertelling gehoord hebben. Wij willen dezen laatste thans zijne bijzondere familie-aangelegenheden +laten bespreken en begeven ons liever eens naar het <span class="letterspaced">Binnenhof</span> te ’s-<span class="letterspaced">Gravenhage</span>, om er den Prins bij zijne grootmoeder te zien aankomen. Doch dit in een volgend Hoofdstuk. + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/o029.gif" alt="Ornament." width="189" height="53"></div><p> + + +<a id="d0e1101"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1101">30</a>]</span></p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e847" href="#d0e847src" class="noteref">1</a></span> Zie “De Zeeman tegen wil en dank.” 6e druk, blz. 177. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e937" href="#d0e937src" class="noteref">2</a></span> Voor De With werd later door de Staten te <span class="letterspaced">Rotterdam</span> en voor Floriszoon te <span class="letterspaced">Hoorn</span> een praalgraf opgericht. +</p> +</div> +</div> +<div id="d0e1102" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e112">Inhoud</a>] +</span><div class="figure"><img border="0" src="images/o030.gif" alt="Ornament" width="592" height="134"></div> +<h2 class="label">Derde Hoofdstuk.</h2> +<h2>Waarin verhaald wordt, hoe de Prins zijne moeder nareisde.</h2> +<p>Wij begeven ons in een der vertrekken op het <span class="letterspaced">Binnenhof</span> aan de rechterzijde der <span class="letterspaced">Stadhouderspoort</span>, door de Prinsen van <span class="letterspaced">Oranje</span> bewoond. De kamer, die wij binnentreden, heeft aan den eenen kant een ruim uitzicht over het <span class="letterspaced">Buitenhof</span>, terwijl aan de tegenovergestelde zijde de vensters op het <span class="letterspaced">Binnenhof</span> uitkomen. Zware roodzijden damasten gordijnen met oranjezijden koorden hangen voor die vensters en beletten voor een groot +gedeelte het licht, binnen de kamer te dringen. Het goudlederen behangsel, op ’t welk in de rondte de levensgroote portretten +der doorluchtige prinsen van <span class="letterspaced">Oranje</span> hangen, brengt niet veel toe, om de kamer vroolijker te maken. Keurig steekt daartegen de hooge, wit marmeren schoorsteen +af, boven welken zich een heerlijk schilderstuk bevindt en tegenover welken een prachtige venetiaansche spiegel met vergulde +lijst de kamer als ’t ware verdubbelt. Aan weerszijde van dien spiegel bevindt zich een met roodfluweel overtrokken divan, +voor welken smyrnasche karpetten liggen, <a id="d0e1127"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1127">31</a>]</span>terwijl naast den schoorsteen aan elke zijde een kunstig uitgesneden en gebeeldhouwd buffet staat, waarop de zilveren kannen, +het kristal en het fijne Chineesche porselein getuigen van den rijkdom der bewoners. + +</p> +<p>Op een grooten leunstoel van ebbenhout, met rood fluweel bekleed, door goud galon afgezet, en in welks hooge rugleuning het +wapen der Prinsen van <span class="letterspaced">Oranje</span> is gebeeldhouwd, zit een dame van ruim vijftig jaren, in blauw satijn gekleed, een rijk parelsnoer om den hals, het nog schoone +gelaat in diepe gedachten naar den kant van het <span class="letterspaced">binnenhof</span> gewend, het hoofd ondersteund door den blanken arm, die op het marmeren blad der rijk vergulde tafel rust. Die vrouw is de +trotsche en doorluchtige Amalia van Solms, de weduwe van Prins Frederik Hendrik van <span class="letterspaced">Oranje</span>, de grootmoeder van Prins Willem Hendrik. + +</p> +<p>Het schijnt, dat de gedachten, die haar brein doorwoelen, juist geen aangename zijn; want nu en dan fronst zij de wenkbrauwen +en trekt er een donkere wolk over haar voorhoofd. In hare overpeinzingen wordt zij gestoord door het getrappel van eenige +paarden, die het <span class="letterspaced">binnenhof</span> oprijden. Zij ziet op en onderscheidt terstond haren kleinzoon, die naast zijn goeverneur vooruitrijdt, en die, zwak en ziekelijk +als hij is, wanneer hij te paard zit een geheel ander wezen schijnt te zijn en vol ridderlijkheid in houding en gebaren, zijne +afkomst van het edele Oranjegeslacht niet verloochent. + +</p> +<p>“Te laat—ook al te laat!” mompelt Amalia, terwijl zij de zilveren schel van de tafel neemt, op wier geluid haar kamerdienaar +achter het rood lakensch behangsel met gouden passement, dat de deur verbergt en voor tocht vrijwaart, te voorschijn komt. + +</p> +<p>“Verzoek Zijne Hoogheid, terstond bij mij te komen. Zeg aan den Heer Van Zuijlestein, dat de Prins een paar uren rust moet +nemen.” +<a id="d0e1149"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1149">32</a>]</span></p> +<p>De kamerdienaar buigt zich op deze woorden, uitgesproken met een stem, blijkbaar aan bevelen gewoon, en gaat heen, om het +gebod zijner gebiedster te volbrengen. Eenige oogenblikken daarna treedt de Prins binnen. Gij zoudt in hem dien bleeken, matten +knaap van gisteren niet herkend hebben, zoo had de heerlijke rit hem verkwikt. De frissche wind, die door zijne blonde lokken +gespeeld had, had aan zijne wangen een ongewonen blos gegeven en de zuivere lucht, welke zijne longen zoo ruimschoot hadden +ingeademd, hadden aan die heldere oogen een verhoogden glans geschonken. Een eenvoudig donker blauw fluweelen wambuis omsloot +de tengere leden; de hozen van dezelfde kleur, met galon op de zijnaden, waren aan de knieën vastgestrikt, terwijl een bandelier +van oranjezijde hem dwars over de borst hing. Zwijgend stond hij voor zijne grootmoeder; want het was toen, evenals tegenwoordig, +fatsoenlijk, dat kinderen zwegen, totdat oudere menschen hen aanspraken. + +</p> +<p>“Gij komt van <span class="letterspaced">Leiden</span>, Willem?” begon de Prinses-weduwe half op vragenden, half op stelligen toon. + +</p> +<p>“Om u te dienen, grootmoeder,” antwoordde de vorstelijke knaap, terwijl hij verlegen met de karwats speelde, die hij nog in +de hand hield. + +</p> +<p>“Gij komt te laat, mijn jongen!” hernam de Prinses. “Hare Koninklijke Hoogheid heeft goedgevonden vroeg af te reizen en haastig +voort te trekken. Haar verlangen naar <span class="letterspaced">Engeland</span> schijnt te domineeren over hare liefde tot u.” + +</p> +<p>Op deze bittere woorden richtte de Prins het hoofd fier op, een meer dan gewoon vuur flikkerde in zijn oog, hij wilde iets +scherps antwoorden. Maar reeds gewoon zich te bedwingen, fonkelde dat oog slechts een oogenblik,—het volgende stond het rustig, +en bedaard antwoordde hij: + +</p> +<p>“Ik had reeds gisteren hier moeten zijn, mevrouw. Ik ontving tijdig genoeg bericht.” +<a id="d0e1168"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1168">33</a>]</span></p> +<p>“En waarom zijt gij dan niet gekomen?” + +</p> +<p>“Ik leed weder aan furieuze hoofdpijn, zoodat ik naar bed moest. Van morgen stond ik laat op en moest de komst van den dokter +afwachten, die mij permissie tot de reis moest geven. Ik hoop echter....” + +</p> +<p>“Gij hoopt.... Ik dacht, Hare Koninklijke Hoogheid nog in <span class="letterspaced">Den Briel</span> te zullen vinden, waar zij door de vroedschap geregaleerd is; maar zij was reeds naar <span class="letterspaced">Hellevoetsluis</span> vertrokken. Mij luste het niet, Haar na te reizen.” + +</p> +<p>“Op uwe jaren is dat ook niet te verwachten,” antwoordde de Prins. “Maar op welke wijs zal mijne moeder naar <span class="letterspaced">Engeland</span> vertrekken? De ontvangen brief meldde mij dienaangaande niets. Het schijnt ook, dat het vertrek onverwacht is opgekomen.” + +</p> +<p>“Er zijn acht of tien koninklijke schepen door uwen oom Karel II gezonden en te <span class="letterspaced">Goedereede</span> gearriveerd. Wij hadden die vloot nog niet zoo spoedig verwacht.” + +</p> +<p>“Dan zullen mijne ooms York en Glocester er zeker wel bij zijn,” hervatte de Prins. + +</p> +<p>“De hertog van <span class="letterspaced">Glocester</span> ligt gevaarlijk ziek aan de kinderpokken,” hernam de Prinses, “en dientengevolge is de hertog van <span class="letterspaced">York</span> ook in <span class="letterspaced">Engeland</span> gebleven. Ik verneem, dat de Heeren <span class="letterspaced">Montaigne</span>, <span class="letterspaced">Oreal</span> en <span class="letterspaced">Berklay</span> op de vloot zijn.” + +</p> +<p>”’t Zal moeder wel leed doen,” hervatte de Prins. “Zij houdt innig veel van mijn oom Glocester.” + +</p> +<p>”’t Is een Engelschman!” prevelde Amalia. “Ik heb order gegeven, dat gij twee uren rust moet houden,” hernam zij luider tot +haren kleinzoon. “Gij moet uwe delicate gezondheid soigneeren.” + +</p> +<p>“Ik zal mij aan uwe orders onderwerpen,” antwoordde de Prins, die zich hield, alsof hij de eerste woorden niet verstaan had, +“ofschoon mij het paardrijden en de beweging in de vrije lucht geen fatigue zijn, maar een recreatie. Hoe vaart Mijnheer <a id="d0e1219"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1219">34</a>]</span>De Witt?” vraagde hij eensklaps, om niet te doen merken, hoe onaangenaam hem het bevel van vertoeven was. + +</p> +<p>“De Raadpensionaris bevindt zich, zoo ver mij bewust is, gezond en wel. Zijne edelheid zal u waarschijnlijk wel met een bezoek +honoreeren, als hij verneemt, dat gij hier zijt.” + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p034.jpg" alt="" width="605" height="412"></div><p> + + +</p> +<p>De Heer Van Zuijlestein trad op dit oogenblik de kamer binnen. Ik vrees echter, mijne lezers te vervelen, met al de gesprekken +mede te deelen die er gevoerd werden. Twee uren later zat de Prins weder in den zadel en reed, door zijn goeverneur en gevolg +vergezeld, over <span class="letterspaced">Delft</span> naar <span class="letterspaced">Maassluis</span>, in welke laatste plaats men den nacht doorbracht, om den volgenden dag vroegtijdig naar <span class="letterspaced">Den Briel</span> over te varen en zich van daar terstond naar <span class="letterspaced">Hellevoetsluis</span> te begeven. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>De volgende morgen, Donderdag, de laatste dag van Herfstmaand, was, zooals de herfstmorgens gewoonlijk zijn, frisch en <a id="d0e1244"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1244">35</a>]</span>koud en voorspelde een schoonen dag. De Prins was reeds vroegtijdig bij de hand in de kleeren. + +</p> +<p>“Reeds zoo vroeg op, Willem!” zeide Zuijlestein, toen hij de kamer van den Prins binnentrad. + +</p> +<p>“Nog te laat, vrees ik, Zuijlestein,” gaf de Prins ten antwoord. “Indien ik gisteren mijn zin had kunnen doen, hadden wij +ons in ’s-<span class="letterspaced">Gravenhage</span> ten hoogste een kwartier opgehouden.” + +</p> +<p>“De rit zou te vermoeiend voor u geweest zijn!” antwoordde de goeverneur. + +</p> +<p>“Dwaasheid, Zuijlestein. Maar gij kent mijne grootmoeder. Haar haan moet koning kraaien, en wat zij begrijpt is wet. Het zal +<i>haar</i> schuld zijn, als ik mijne moeder niet meer te <span class="letterspaced">Hellevoetsluis</span> vind.” + +</p> +<p>“De Prinses Royaal zal wel op u wachten, Willem,” antwoordde Zuijlestein. + +</p> +<p>“Indien de oostenwind geen oorzaak is, dat men van het tij heeft geprofiteerd en reeds onder zeil is. Het zou mij eene grief +zijn, als ik mijne moeder niet zag. Het kon voor het laatst wezen. Zij is en blijft toch mijne moeder.” + +</p> +<p>“Wij zullen dadelijk vertrekken, Willem,” hervatte Zuijlestein. “Eerst echter zult gij iets gebruiken. De koude morgenlucht +op de <span class="letterspaced">Maas</span> zou u kwaad doen.” + +</p> +<p>“Mochten wij, te <span class="letterspaced">Hellevoetsluis</span> komende, bevinden, dat de vloot reeds vertrokken is, dan steken wij in zee,” hernam de Prins. + +</p> +<p>“Zeer goed, er zal daartoe gelegenheid in overvloed zijn.” + +</p> +<p>Nadat de overtocht naar <span class="letterspaced"><span id="d0e1282" class="corr" title="Bron: Briele">Brielle</span></span> volbracht was, reed de Prins met zijn gevolg naar <span class="letterspaced">Hellevoetsluis</span>, waar men vernam, dat de vloot reeds sedert een paar uren met gunstigen wind onder zeil was gegaan. Zonder tijd te verzuimen, +begaven zij zich nu in een galjoot; de zeilen werden gespannen en, daar het lichte vaartuig sneller door het water sneed dan +de logge <a id="d0e1288"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1288">36</a>]</span>Engelsche schepen, waren zij binnen weinig tijds de laatste op zijde. + +</p> +<p>Weldra praaide het galjoot de bark met de koninklijke vlag van <span class="letterspaced">Engeland</span> in top, in welker rood kruis met groote letters C. R. (Carolus Rex.—koning Karel) geborduurd was; men liet de keurige statietrap +af; onze Prins, door zijn gevolg vergezeld, klom aan boord en begaf zich naar de sierlijke kampanje, aan alle zijden met spiegels +van venetiaansch glas voorzien, vol rijk vergulsel, en waar op rood fluweelen kussens met goud geborduurd en dito kwasten, +Prinses Maria van <span class="letterspaced">Engeland</span>, de Weduwe van den Stadhouder Willem II, gemakkelijk lag uitgestrekt. Rondom haar stonden of zaten de Engelsche heeren, prachtig +uitgedoscht in hunne fluweelen mantels, satijnen vesten en hozen, met gouddraad doorwerkte kousen en nette, hooggehakte brodequins +(laarsjes) met gouden gespen of sierlijke strikken. + +</p> +<p>Te midden van al die pracht zat de Prinses van <span class="letterspaced">Oranje</span> en naast haar de gravin van <span class="letterspaced">Chesterfield</span>, hare trouwe vriendin, terwijl hare kamervrouw Howard zich in een hoekje bij den ingang had nedergezet. Zij was een schoone +vrouw, die Maria van <span class="letterspaced">Engeland</span>. Haar goed gevormd gelaat met tot in den blanken hals krullend haar getooid, met dien gebogen neus en die donkere oogen, +dien welgevormden ofschoon niet zeer kleinen mond, had nog al den blos der jeugd. De wit satijnen japon, aan den hals laag +uitgesneden, deed een snoer paarlen zien, welker waarde ik niet durf berekenen. + +</p> +<p>“Wees welkom, Willem!” zeide zij, terwijl zij hem een kus op het voorhoofd gaf. “Gij hebt goed gedaan, dat gij mij nagereisd +zijt. Waarom hebt gij zoo lang getoefd?” + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p036a.jpg" alt="" width="720" height="467"></div><p> + + +</p> +<p>“Ik had eergisteren zware hoofdpijn, moeder,” antwoordde Willem. “Gisteren heb ik ’t niet verder kunnen brengen dan tot <span class="letterspaced">Maassluis</span>, en toen ik te <span class="letterspaced">Hellevoet</span> kwam, vond ik u vertrokken. Mijne grootmoeder heeft mij verzocht, u hare gebiedenis <a id="d0e1322"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1322">37</a>]</span>te doen; ook zij hoopte u gisteren te <span class="letterspaced">Brielle</span> te rencontreeren. U niet vindende, is zij geretourneerd naar ’s-<span class="letterspaced">Gravenhage</span>, waar ik haar gesproken heb.” + +</p> +<p>Een lichte glimlach plooide zich om de lippen der vorstin. + +</p> +<p>“En hoe is het u gelukt, zoo spoedig een schip gereed te vinden, om u herwaarts te brengen? Gij zijt zeker vroeg uit <span class="letterspaced">Maassluis</span> vertrokken.” + +</p> +<p>“Een bode, die een brief voor u overbrengt, had het galjoot reeds zeilvaardig doen maken; zoodat wij slechts hadden in te +stappen en terstond op reis gingen.” + +</p> +<p>“Een bode voor mij met een brief?” hernam de Prinses. + +</p> +<p>Een der heeren reikte der Prinses een rouwbrief met een groot zwart zegel over. Het adres was in het Engelsch geschreven. +Toen de Prinses den brief aanvatte, verbleekte zij. Zij brak hem haastig open, doch nauwelijks had zij er de oogen ingeslagen, +of zij riep in ’t Engelsch uit: + +</p> +<p>“Mijn broeder, de hertog van <span class="letterspaced">Glocester</span>, is overleden, mijne heeren!” + +</p> +<p>De hertog van <span class="letterspaced">Glocester</span> was de meest geliefde broeder der Prinses. En nu dood! Juist op het oogenblik, dat zij gehoopt had, hem te zien!—Het zou +nu een treurige reis zijn naar <span class="letterspaced">Londen</span>. + +</p> +<p>Toen de eerste droefheid wat bedaard was, maakte de Prins zich gereed, om afscheid te nemen van zijn moeder. Weinig dacht +hij, dat de kus, dien zij hem op het voorhoofd drukte, de laatste zou zijn, dien hij van haar ontving.... Willem Hendrik van +<span class="letterspaced">Oranje</span> nam voor altijd afscheid van zijn moeder. + +</p> +<p>De Prins keerde naar <span class="letterspaced">Den Haag</span> terug en vertrok weder naar <span class="letterspaced">Leiden</span>,—de Prinses kwam den 2<sup>den</sup> October gezond en frisch te <span class="letterspaced">Londen</span> aan, alwaar zij door hare beide broeders, koning Karel II en den hertog van <span class="letterspaced">York</span> (later Jacobus II) ontvangen en met het losbranden van het geschut begroet werd. +<a id="d0e1378"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1378">38</a>]</span></p> +<p>Prins Willem Hendrik zag zijne moeder niet terug. In de laatste helft van December werd ook zij door de ziekte aangetast, +waaraan haar gemaal en haar broeder bezweken waren. Aan geneesheeren ontbrak het haar niet,—maar wat vermogen die, wanneer +de dood in het spel is? De dokters zeiden, dat de Prinses drie ziekten te gelijk had: roodvonk, mazelen en kinderpokken. Terstond +werd er bericht aan den Prins en zijne grootmoeder gezonden. Gij kunt denken, hoe verlangend Zijne Hoogheid naar tijding was. +Het ging echter toen zoo gemakkelijk niet, om brieven uit <span class="letterspaced">Engeland</span> te krijgen; vooral in den winter, wanneer de scheepvaart gestremd was. Eindelijk, tegen het midden van de maand Januari 1661, +kwam de tijding, dat de Prinses den 3<sup>den</sup> van die maand het tijdelijke met het eeuwige had verwisseld. Tot haar laatste oogenblik was zij volkomen bij haar verstand +gebleven. Een half uur vóór haar overlijden had men haar nog gelaten op den voet, hetgeen haar blijkbaar verlichting schonk +en in een sluimering deed vallen. Kort vóór haar verscheiden maakte zij haar testament, waarbij zij haren koninklijken broeder +bad, te zorgen voor den persoon en de belangen van haar zoon. Tevens had zij begeerd, zonder eenige statie te worden begraven +bij haren “lieven broeder”, den hertog van <span class="letterspaced">Glocester</span>. Aan de gravin van <span class="letterspaced">Chesterfield</span> en hare kamervrouw Howard had zij elk £ 400 (ƒ 4800) gelegateerd. Dit testament was gemaakt in <span class="letterspaced">White-hall</span>, en onderteekend door de heeren Edward Ker, Robert Whyte en William Dyke. Door middel van onzen gezant in <span class="letterspaced">Engeland</span>; kregen Prins Willem en zijne grootmoeder een copie van den inhoud van dat testament. + +</p> +<p>Zoo stond de ruim tienjarige Willem Hendrik nu alleen op de wereld, zonder beschermer en verdediger, te midden van een hem +vijandige partij (de Loevesteinsche factie).—Geen wonder, dat hij in de kunst van veinzen, hem reeds zoo eigen, <a id="d0e1401"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1401">39</a>]</span>groote vorderingen maakte. Dit sterfgeval diende tevens, om den Prins meer en meer aan den invloed van <span class="letterspaced">Engeland</span> te onttrekken, hetgeen zijne partij als een ramp beschouwde, maar zijne tegenstanders met welgevallen zagen. + +</p> +<p>Wij willen, eer wij dit hoofdstuk eindigen, nog even naar den winkel van Pieter Dirksz terugkeeren, dien wij aan het einde +van ons vorig hoofdstuk verlaten hebben. Oom Klaas bleef acht dagen lang bij zijn broeder en vertrok toen weer naar zee. Dat +verblijf was voor onzen Pieter Pietersz een tijd van genot, en wanneer hij met zijn oom wandelde, hetzij naar <span class="letterspaced">Scheveningen</span> of in het <span class="letterspaced">Bosch</span>, of over de duinen, moest die hem vertellen van de zee en van de schepen en van het leven der matrozen, kortom van al wat +op de zeevaart betrekking had. Dit boeide den knaap zoodanig, dat hij vast besloot, zeeman te worden en, den dag vóór ooms +vertrek, dezen dit besluit mededeelde. + +</p> +<p>“Maar, beste Pieter,” zeide oom Klaas. “Men kan geen paard al loopende beslaan. Je bent eerst twaalf jaren. Je bent nog te +jong om het zeegat te kiezen.” + +</p> +<p>“Te jong, oom? En Michiel Adriaanszoon de Ruyter dan? Die was nog maar tien.” + +</p> +<p>“Dat was een geheel ander geval, Pieter,” antwoordde de oom. “Het was toen een geheel andere tijd, en daarenboven De Ruyter +voer ter koopvaardij. Ook was hij een ondeugende knaap, en zooals vader Cats zegt: De zee maakt dwee.” + +</p> +<p>“Maar kan ik dan ook niet ter koopvaardij varen, oom?” + +</p> +<p>“Dat kun je. Maar je vader zal het nooit toestaan, dat je ter zee vaart. Je weet ook niet, welk een hard leven het is, vooral +voor jou, die zoo pas uit je vaders huis komt. Jongen, ik heb er ondervinding van; ik weet best, waar hem de schoen wringt.” + +</p> +<p>“Ik zal het mijn vader vragen,” hernam Pieter. “En gij zult toch wel mijn advokaat willen zijn, oom?” +<a id="d0e1426"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1426">40</a>]</span></p> +<p>“Ik je advokaat? Die noten wil smaken, die moet ze kraken. Je kunt toch niet van je oom verwachten, dat die tegen zijn gemoed +spreekt? Als je eens een paar jaren ouder zijt en je blijft in het zelfde zog doorvaren—welnu, dan is het een geheel andere +zaak. Licht zou het anders met je zijn: twaalf ambachten, dertien ongelukken.” + +</p> +<p>Pieter antwoordde niet, maar besloot er toch de proef van te nemen. + +</p> +<p>“Vader,” zeide hij, toen hij dien avond naar bed zou gaan, “ik wenschte u gaarne iets te vragen.” + +</p> +<p>“Welzoo, Pieter,” antwoordde de pruikenmaker, terwijl hij de beide handen van den knaap in de zijne nam en hem minzaam in +de vriendelijke oogen keek, “wat was er dan van je verlangen?” + +</p> +<p>“Oom gaat morgen weg, vader!” + +</p> +<p>“Dat weet ik, en je wenschtet gaarne, dat hij nog wat langer bleef, niet waar? Ik had dat ook graag gezien en heb het hem +gevraagd; maar plicht gaat voor en daar kan dus niets van worden.” + +</p> +<p>“Neen, vader! Dat was het niet, wat ik u vragen wilde.” + +</p> +<p>“En wat dan?” vraagde de vader. + +</p> +<p>“Ik wou .... ik zou .... ik durf het haast niet zeggen....” + +</p> +<p>“Is het dan iets kwaads?” zeide de vader ernstig. “Hou het dan maar liever voor je.” + +</p> +<p>“O, neen, vader! Kwaad is het niet, maar ik weet niet, of u het zult toestaan.” + +</p> +<p>“Er uit mede, Pieter!” hernam baas Dirksz ongeduldig. + +</p> +<p>“Ik zou zoo gaarne met oom naar zee gaan, vader!” + +</p> +<p>“Wat? Jij naar zee? Hoe komt je dat in het hoofd?—Daar kan niets van komen.” + +</p> +<p>“Maar, vader! Oom is toch ook wel een zeeman.” + +</p> +<p>“Oom is oom en jij bent Pieter. Wat oom heeft willen <a id="d0e1459"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1459">41</a>]</span>worden, kan ik niet helpen, maar wat jij zult worden, moet ik goed vinden. Ik verkies niet, dat je zeeman wordt.” + +</p> +<p>“Foei, Pieter! zou je zeeman willen worden?” vraagde Marie. + +</p> +<p>“O, daar heb jij geen verstand van, Marie,” zeide Pieter. “Het is zoo’n heerlijk leven, zeeman!” + +</p> +<p>“Ja, zoo schijnt het,” hernam baas Dirksz. “Je hebt mij echter verstaan en zet dat maar voor goed uit je hoofd.” + +</p> +<p>“Maar, vader....” + +</p> +<p>“Maar, Pieter!” zeide de vader. “Hoor! Na Nieuwjaar ga je als krullenjongen naar baas Balkenende op de <span class="letterspaced">Bierkade</span><a id="d0e1473src" href="#d0e1473" class="noteref">1</a>. Ik heb hem juist gisteren gesproken en hij kan je plaatsen. Hij hoopt, met Gods zegen, een knap timmerman van je te maken. +Hoe is het mogelijk! Hoe, krijg je het in je gedachten? Een zeeman!” hervatte baas Dirkz, hoofdschuddende. “Mijn Pieter een +zeeman! Dat zal nooit gebeuren! neen, nooit!” + +</p> +<p>Pieter wist wel, dat zijn vader op zijn stuk stond en dat hij geen “ja” zeide, waar hij eenmaal “neen” gezegd had. Hij wenschte +dus vader en zusters goeden nacht en ging treurig naar boven. + +</p> +<p>Martha volgde hem. Toen zij op het kamertje gekomen was, waar hij met zijne broeders sliep, legde zij vriendelijk de hand +op zijn schouder. + +</p> +<p>“Wel, Pieter, wel, Pieter!” zeide zij, “zou jij ons zoo willen verlaten?” + +</p> +<p>“Of ik wil, Martha,” antwoordde hij, terwijl er een paar groote tranen langs zijne wangen rolden. “Ja.” + +</p> +<p>“En mij ook?” vraagde Martha. + +</p> +<p>“Welnu, ga dan maar mee naar zee.” + +</p> +<p>“Ik op zee?” + +</p> +<p>“Wel ja, als je niet buiten mij kunt.” +<a id="d0e1495"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1495">42</a>]</span></p> +<p>“Foei, Pieter!” hernam het lieve meisje. “Jij naar zee gaan! En ben je dan niet bang om te verdrinken of doodgeschoten te +worden, zooals die arme Vice-Admiraals De With en Floriszoon, waarvan oom verteld heeft.” + +</p> +<p>“Maar als timmerman kan ik van het dak vallen en den hals breken, ik kan een hamer of beitel op mijn hoofd krijgen, als ik +een steiger opklim; ik kan....” + +</p> +<p>“Je kunt je troosten, Pieter,” antwoordde Martha, terwijl zij hem een kus gaf. “Ik zie je nog eens als een eersten timmermansbaas.” + +</p> +<p>“Maar ik zou liever Admiraal willen worden!” zeide Pieter. + +</p> +<p>“Ha, ha, ha! Admiraal! Nu, jongen, droom er van nacht maar niet van. Als oom weg is, zul je de heele zee wel weer vergeten.” + +</p> +<p>Met deze woorden snelde zij de trap af. + +</p> +<p>“Dat zullen wij zien!” riep Pieter haar na, kleedde zich uit en ging met een bezwaard hart naar bed. Waar hij van droomde?—Zeker +van schepen en masten, van zeilen en touwwerk,—dat kunt gij begrijpen. Maar hij ondervond, bij zijn ontwaken, dat droomen +bedrog is; want toen hij wakker werd, stond hem de naakte werkelijkheid weer voor de oogen, en het klonk hem weer in de ooren +zooals gisteravond: “Mijn Pieter een zeeman! dat zal nooit gebeuren! neen, nooit!” + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/o042.gif" alt="Ornament." width="222" height="44"></div><p> + + + +<a id="d0e1514"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1514">43</a>]</span></p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1473" href="#d0e1473src" class="noteref">1</a></span> Zie “De Zeeman tegen wil en dank.” 6<sup>e</sup> druk. Blz. 22. +</p> +</div> +</div> +<div id="d0e1515" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e112">Inhoud</a>] +</span><div class="figure"><img border="0" src="images/o043.gif" alt="Ornament" width="573" height="137"></div> +<h2 class="label">Vierde Hoofdstuk.</h2> +<h2>Welke plannen drie krullenjongens voor de kermis maakten.</h2> +<p style="
 background: url(images/ih043.gif) no-repeat top left;
 "><span style="
 float: left;
 width: 90px;
 height: 86px;
 background: url(images/ih043.gif) no-repeat;
 
 text-align: right;
 color: white;
 ">H</span>et was op denzelfden Maandag, 5 Januari 1661, den sterfdag van Prinses Maria van <span class="letterspaced">Engeland</span>, dat Pieter Dirksz tegen acht uren in den morgen met zijn zoon Pieter den pruikenmakerswinkel uittrad, links omsloeg, de +<span class="letterspaced">Spuistraat</span> doorwandelde tot aan de <span class="letterspaced">Kapelsbrug</span>, en toen, langs het <span class="letterspaced">Spui</span>, de Nieuwe Kerk voorbij, naar de <span class="letterspaced">Bierkade</span> ging, op welke gracht zij stil hielden voor het huis, waar wij tien jaren vroeger den vroolijken trompetter der Oranjegarde, +den ons bekenden Jan Claeszen ontmoetten<a id="d0e1537src" href="#d0e1537" class="noteref">1</a>: het huis van den timmermansbaas Balkenende. Onze knaap droeg onder zijn arm een mand met eenig timmermansgereedschap, bestaande +uit een hamer, een nijptang, een bijl, twee beitels, een schaaf en drie boren, en bedekt met een lederen schootsvel. Gij begrijpt +<a id="d0e1543"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1543">44</a>]</span>licht, wat het doel van die wandeling was: de pruikenmaker had zijn zoon bij baas Balkenende als krullenjongen besteld, en +de baas, die het wel nog niet druk had, maar liever in den slappen tijd met hem begon, opdat hij dan later eenigen dienst +van hem kon hebben, had hem gezegd, dat Pieter maar terstond na Nieuwjaar moest komen. Nu had oom Klaas, die juist de Kerstdagen +en den Oudejaarsavond bij zijn broeder doorbracht, zich wel verzet tegen dat beginnen op Maandag, daar hij volkomen deelde +in het oud-Hollandsche bijgeloof, dat wat men op Maandag begint, stellig mislukt; wel had hij een oud rijmpje als bewijs bijgebracht: + + +</p> +<div class="poem"> +<div class="stanza"> +<p class="line" style=""><span>“Maandag kloek, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>De heele week zoek;”</span></p> +</div> +</div> +<p>maar vader Dirksz was in het geheel niet bijgeloovig en had om zijns broeders vrees gelachen. + +</p> +<p>“Ik blijf er bij,” had hij gezegd. “De jongen zal op Maandag naar baas Balkenende. Wat drommel! Hij heeft nu reeds van Kerstmis +af leeggeloopen; het wordt tijd, dat hij aan het werk gaat.” + +</p> +<p>En zoo sprekende, was vader Dirksz den vorigen Zaterdagavond naar Thijs Groote, den ijzerkooper in het <span class="letterspaced">Achterom</span>, gegaan en had hem gevraagd, welk gereedschap een krullenjongen wel zoowat noodig had, en toen had deze hem de door ons genoemde +werktuigen verkocht, welke onze Pieter in een mand gepakt en naar huis gebracht had; terwijl zij bij den leerkooper in dezelfde +straat een schootsvel gekocht hadden, dat onzen knaap wel ietwat groot was, maar dat vader opzettelijk zóó had genomen, “want,” +zeide hij, “je bent in je groei, Piet, en wordt dus grooter, maar het schootsvel groeit niet. Dus, jongen! is het je wat te +lang, dan moet je het maar wat hooger binden.” En toen hij te huis kwam en Martha hem het schootsvel <a id="d0e1559"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1559">45</a>]</span>voorbond, toen zei de ondeugende meid lachend, dat hij wel een kind in de lange kleeren geleek, waarover Pieter eerst wel +wat boos was. Toen Martha hem echter zijn bombazijnen mouwvest gaf, dat zij zelf voor hem genaaid had, was zijn knorrigheid +over. En toen hij ’s Maandags morgens met zijn mouwvest aan en zijn mand onder den arm de deur uitstapte en Marie hem een +dikke boterham in een linnen zakje had meegegeven, opdat hij niet flauw zou vallen, vond hij het toch zoo kwaad niet, om een +goed ambacht te leeren, en dacht op dat oogenblik niet aan de zee. En mocht hij er al aan denken, dan zeide hij bij zich zelf: +“het kan geen kwaad als ik wat timmeren leer, dat kan mij op zee best te pas komen.” Met moed stapte hij dus de stoep van +den timmermansbaas op, waar vader Dirksz aanklopte. Men liet hen in het kantoortje, waar baas Balkenende spoedig bij hen kwam. + +</p> +<p>“Baas,” begon de pruikenmaker. “Ik breng u hier mijn Pieter, van wien ik u gesproken heb. Hij heeft zich voorgenomen goed +op te passen en zijn best te doen, om braaf te leeren en een knap timmerman te worden.” + +</p> +<p>“Dat is een goed plan, knaap!” zeide de timmermansbaas. “Hoe heet je?” + +</p> +<p>“Pieter,” antwoordde de aangesprokene. + +</p> +<p>“Nu, Pieter!” hervatte de timmerman, terwijl hij hem een eind lat liet zien, dat hij in de hand hield en waarop hij met potlood +de maat aanteekende. “Wanneer je goed wilt oppassen, dan zal ik met Gods hulp, een knap timmerman van je maken. Maar pas je +niet op, dan zullen je ribben kennis maken met dit eindje lat. Want je kent het oude spreekwoord: die niet hooren wil, moet +voelen. En dat spreekwoord wordt bij ons in practijk gebracht.” + +</p> +<p>Pieter knikte toestemmend, ofschoon hem dat latje toch een <a id="d0e1571"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1571">46</a>]</span>doorn in het oog was. Nadat zijn vader afscheid had genomen, bracht baas Balkenende hem in den winkel, waar hij den knaap +aan den meesterknecht aanbeval en waar spoedig de andere knechts te werk kwamen. Er waren, behalve Pieter, nog twee krullenjongens: +de een was een zoontje van den baas en heette Frans; de andere, een rechte deugniet, was een jongen van den oudroest Jan IJzer +uit het korte <span class="letterspaced">Achterom</span> en heette, evenals zijn vader, Jan. Het duurde niet lang, of onze drie krullenjongens waren dikke vrienden. + +</p> +<p>De bezigheden van onzen Pieter bestonden nu in het vasthouden van planken of latten, het aangeven van gereedschap, het slijpen +der beitels, het scherpen der zagen, en al zulke zaken; terwijl elken avond door de drie knapen de winkel werd opgeredderd, +en de krullen en spaanders in een zak werden gepakt. ’s Maandags en Donderdags waren zij voor Frans, Dinsdags en Vrijdags +voor Jan en de beide andere dagen voor Pieter; zij verkochten ze bij den bakker om den hoek. Zondags werd er nooit gewerkt; +want onze voorouders waren zeer gesteld op de viering van den Zondag, en zouden het een groote, onvergeeflijke zonde hebben +gerekend, als zij op dien dag hadden gearbeid. Hij werd dan ook beter gevierd dan thans. Alle winkels waren gesloten, alle +nering en hanteering stonden stil en niemand zou, buiten hooge noodzakelijkheid, op Zondag gereisd hebben. Alleen ’s zomers +na de middagkerk gingen de burgerlieden wat in het <span class="letterspaced">Bosch</span> wandelen of naar <span class="letterspaced">Scheveningen</span>; terwijl de meergegoeden in hunne optrekjes even buiten de stad, aan de <span class="letterspaced">Delftsche vaart</span>, aan de buitensingels en aan den duinkant gelegen, met hunne familie thee gingen drinken, waar zij dikwijls hunne vrienden +bij zich verzochten en den avond aangenaam en in gezelligen kout doorbrachten. + +</p> +<p>Ook baas Balkenende had zulk een mooi optrekje in eigendom <a id="d0e1589"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1589">47</a>]</span>en wel aan den <span class="letterspaced">Scheveningschen</span> weg<a id="d0e1594src" href="#d0e1594" class="noteref">2</a>, die toen nog over de duinen liep en later, volgens het plan door Constantijn Huijgens reeds in 1653 aan de hand gedaan, +tot eene begaan- en berijdbare straat werd ingericht. Eerst in Mei 1664 werd daarmede een begin gemaakt en in December van +het volgende jaar was de weg voltooid. Het gedeelte echter, waar het optrekje van baas Balkenende stond, was reeds een gebaande +weg. Dat optrekje had aan den voorkant een aangenaam uitzicht op den weg en het weiland daar tegenover (tegenwoordig het <span class="letterspaced">Willemspark</span>), en van achteren in den ruimen tuin, die van voren met bloemen beplant was en achteraan uit een grooten boomgaard bestond. +Door een smalle sloot was die moestuin van het aangrenzende weiland gescheiden. + +</p> +<p>Wij slaan vier maanden over en begeven ons in het begin van de maand Mei naar het <span class="letterspaced">Lange Voorhout</span>, waar wij de knechts van baas Balkenende druk bezig vinden met het opslaan der kramen, die op de aanstaande Hofkermis zullen +prijken met al wat den kooplust der bezoekers kan opwekken. Pieter, Frans en Jan hebben het niet weinig druk met het aansjouwen +der planken, het vasthouden der stijlen, ja zelfs ook met spijkeren; want bij zulk een drukte moet alles helpen; terwijl het +opslaan van kramen zulk fijn werk niet is, dat de minder geoefende hand van een krullenjongen daaraan iets bederven zou. Ook +heeft onze Pieter in die vier maanden reeds het een en ander van de timmerkunst geleerd.—Wat ziet hij nu trotsch neer op die +jongens, waaronder zijne vroegere kameraads, als zij daar naloopertje spelen over de hoopen met planken, of wegstoppertje +in de reeds opgetimmerde kramen. Dat had hij <a id="d0e1608"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1608">48</a>]</span>verleden jaar ook gedaan; maar nu—nu staat hij daar in zijn bombazijnen mouwvest, het schootsvel voorgebonden, met den hamer +in de hand en slaat er de spijkers tusschenbeide zoo hard in, als moesten de kramen nog tot de Banus-kermis<a id="d0e1610src" href="#d0e1610" class="noteref">3</a> staan,—ja als behoefden zij nimmer weder afgebroken te worden. Dat haalt hem dan ook nog al eens knorren op den hals van +den knecht, dien hij helpt, en dan gaat het weer eenigen tijd beter. Maar als dan weer een troepje jongens naar hem staat +te kijken met een gezicht, zoo verbaasd en nieuwsgierig, alsof zij nog nooit het opslaan van kramen hebben gezien, dan ranselt +hij er weer op los, dat soms het vuur uit de arme spijkers vliegt, en dan kijkt hij met zulk een trotschen blik rond, alsof +hij een Romeinsch Imperator was, die op zijne zegekar stond. + +</p> +<p>’t Is schafttijd, maar niemand der knechts gaat naar huis; ook de krullenjongens niet. Ieder heeft een boterham meegebracht, +die hij op karwei (de plaats waar een ambachtsman, buiten den winkel, zijn werk verricht) opeet. Het is te druk om met heen +en weer loopen tijd te verzuimen, en daarom blijven zij hun schafttijd doorwerken, waarvoor zij natuurlijk door baas Balkenende +extra betaald worden. Maar zij kunnen slecht al timmerende en sjouwende hunne boterhammen opeten en dus nemen zij daarvoor +een kwartiertje, zetten zich in een groepje op de planken neder en veraangenamen den maaltijd met vroolijke gesprekken. + +</p> +<p>Gaarne hadden onze krullenjongens zich bij de knechts geschaard; maar deze zouden dat niet gedoogd hebben, en al hadden zij +het toegestaan, dan zouden onze knapen zeker zóó geplaagd zijn, dat zij niet met rust hadden kunnen eten. Zij <a id="d0e1620"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1620">49</a>]</span>hebben zich dus op een kleinen afstand van de anderen neergezet. + +</p> +<p>“Frans,” begint Pieter, terwijl hij zijn geruit boterhammenzakje opendoet om er den mondkost uit te halen en zijn kruikje +met bier naast zich nederzet, “ik hoor, dat het van het jaar een mooie hofkermis zal zijn.” + +</p> +<p>“Ik heb het ook gehoord,” antwoordt Frans met zijn mond vol brood. “Daar zal nog al wat singuliers te kijken zijn. Ik hoorde +gisteren spreken van een reus, die zal moeten bukken als hij de <span class="letterspaced">Voorpoort</span><a id="d0e1628src" href="#d0e1628" class="noteref">4</a> doorgaat.” + +</p> +<p>“Nu, dat is vast een leugen,” meent Jan. “Zulke groote reuzen heeft men niet. Ik vind echter niet veel pleizier aan al die +reuzen en dwergen en dikken en mageren. Ik ga liever Woensdag dien kerel eens zien, die uit <span class="letterspaced">Amsterdam</span> komt.” + +</p> +<p>“O, die sinjeur die zulke wonderlijke zaken zal bedrijven?” vraagt Frans. “Vader heeft mij verteld, dat hij in den <span class="letterspaced">Vijver</span> zal onderduiken, op den bodem plaats zal nemen op een stoel en onder water twee of drie deuntjes zal blazen.” + +</p> +<p>“Maar dat is immers onmogelijk,” zegt Pieter, terwijl hij een slok neemt uit zijn kruik. “Dan komt het water in zijn instrument.” + +</p> +<p>“Hij moet het toch te <span class="letterspaced">Amsterdam</span> gedaan hebben,” herneemt Jan. + +</p> +<p>“En wat hij te <span class="letterspaced">Amsterdam</span> kan doen, kan hij hier ook,” meent Frans. “Ik ga ook eens kijken bij dien vuurvreter.” + +</p> +<p>“Wat, iemand die vuur eet? Dat is onmogelijk,” roept Pieter uit. + +</p> +<p>“En het moet toch zoo zijn,” hervat Jan. “Mijn vader heeft het zelf verleden jaar te <span class="letterspaced">Rotterdam</span> gezien.” + +</p> +<p>“Nu ik wensch hem smakelijk eten,” zegt Pieter, “maar ik <a id="d0e1665"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1665">50</a>]</span>wil niet bij hem te gast genoodigd worden. Eilacy! ’k geloof, dat ik mijn mond gauw vol blaren zou hebben. Ik ga toch eens +naar hem toe; want dat wil ik zien.” + +</p> +<p>Nadat zij nog eenigen tijd over de kermis gepraat hadden, begon Jan eensklaps: + +</p> +<p>“Frans! Wanneer gaan we nu eens met je mee naar het optrekje van je vader? Je hebt het ons al zoo lang beloofd.” + +</p> +<p>“Dat heb ik; maar ik ben nog niet in het bezit kunnen komen van den sleutel. Nu komt die gauw voor den dag; want aanstaanden +Zondag na de middagkerk gaan wij er weer voor het eerst van het jaar naar toe.” + +</p> +<p>“Hoor eens, Frans!” hernam Jan. “Dan moest je zien, dat je den sleutel wegkaaptet, en dan gaan we er Zondagmorgen eens heen.” + +</p> +<p>“Maar ik moet naar de kerk,” zeide Frans. + +</p> +<p>“Ik ook,” voegde Pieter er bij. + +</p> +<p>“Wat zou dat?” snoefde Jan. “Ik moet ook naar de kerk; doch daar zit ik me toch maar te vervelen. Weet je, wat we moesten +doen? In plaats van naar de kerk te gaan, loopen we liever wat rond. Wij moesten nu maar afspreken, dat we hier bij elkaar +zullen komen. Die er het eerst is, wacht op de beide anderen, en dan gaan we alle drie naar het optrekje, als je ten minste +den sleutel kunt machtig worden. Kun je dat niet, dan gaan we wat in de duinen ravotten, en maken dat we op zijn tijd weer +t’huis zijn.” + +</p> +<p>“En als vader dan vraagt, waarover de dominee gepreekt heeft?” vraagde Pieter. + +</p> +<p>“Dan noem je maar een tekst, die tusschen Genesis en de Openbaring staat,” hervatte Jan. + +</p> +<p>Het ging echter nog zoo gemakkelijk niet, om Frans en Pieter over te halen, en Jan had al zijne welsprekendheid noodig om +hen er toe te brengen. Eindelijk gelukte het hem <a id="d0e1687"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1687">51</a>]</span>en werd voorloopig de afspraak vastgesteld, dat men het Zaterdagavond nog eens voor goed zou bepalen. + +</p> +<p>Wat onze Pieter den volgenden Zondag een haast had, om naar de kerk te gaan! Vader had, vond hij, nog nooit zoo veel in den +Bijbel gelezen en het gebed had, volgens hem, nog nooit zoo vreeselijk lang geduurd. Nauwelijks dan ook kon hij welstaanshalve +zich verwijderen, of hij zette zijn hoed op, groette vader en zuster en spoedde zich de deur uit. + +</p> +<p>“Wat maak je een haast, Pieter,” zeide Martha in het voorhuis tegen hem. “’t Is of Joost je op de hielen zit.” + +</p> +<p>“Ik wil graag een goede plaats krijgen,” antwoordde Pieter. “Ik houd er niet van, om zoo achteraf te zitten.” + +</p> +<p>“Wacht dan even; dan ga ik mee,” zeide het meisje. “Ik moet nog maar even mijn huik opzetten.” + +</p> +<p>Dat beviel Pieter niet. + +</p> +<p>“Haast je dan wat,” gaf hij ten antwoord. “Ik ga al vast vooruit.” + +</p> +<p>Dit zeggende, stond hij reeds op de stoep, sloeg de eerste de beste dwarsstraat in, die hem naar het <span class="letterspaced">Achterom</span> voerde, en rende die straat tot aan het <span class="letterspaced">Hofpoortje</span> door. Vervolgens begaf hij zich wat bedaarder over het <span class="letterspaced">Buitenhof</span> en door de <span class="letterspaced">Voorpoort</span> van den <span class="letterspaced">Hove</span>, langs het <span class="letterspaced">Tournooiveld</span> naar het <span class="letterspaced">Lange Voorhout</span>, waar hij stellig dacht, zijne beide makkers reeds te zullen vinden. Hij bedroog zich echter: hij was de eerste. + +</p> +<p>“Zouden zij hun woord niet houden?” mompelde hij. “Dat zou valsch wezen. Zij hebben het mij toch zoo stellig beloofd.” + +</p> +<p>Hij wandelde een paar malen de lengte der kraam op en neder, maar noch Frans noch Jan verscheen. + +</p> +<p>“Als zij niet komen, dan ga ik maar naar de Kloosterkerk,” pruttelde hij weer. “Zoo kun je nu staat maken op je vrienden. +Nu, ze zullen er morgen voor lusten! Had ik het geweten, dan had ik zulk een haast niet behoeven te maken. Maar wacht, <a id="d0e1730"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1730">52</a>]</span>daar komt er al een.—Zoo, Jan!” vervolgde hij tot den aangekomene. “Ben je daar eindelijk, en waar is Frans?” + +</p> +<p>“Eindelijk?” bromde Jan. “Kon ik dan ruiken, dat jij er zoo vroeg zoudt wezen? Maar is Frans er nog niet?—Als hij niet gauw +komt, dan laten we hem in den steek. Die flauwerd! nu het op stuk van zaken aankomt, schuurt hij zijn piek en zal ons laten +zitten, om het gelag te betalen. Maar geen nood! komt hij niet, dan gaan wij samen naar de duinen. Daar zal ik wel kennissen +vinden en anders spelen wij met ons beiden.” + +</p> +<p>“Met ons beiden? dat vind ik niet pleizierig. Ik houd het er voor, zooals oom altijd zegt: dat de derde streng den kabel maakt.” + +</p> +<p>“O, dat is een zeemansterm. Mijn vader zegt daarvoor: De derde man brengt de pret aan. Maar zie—daar komt Frans. Hij houdt +toch woord.—Je bent lang weggebleven, Frans!” vervolgde hij tot den aankomende. “Als je niet gauw gekomen waart, hadden we +onze biezen gepakt en waren alleen gegaan.” + +</p> +<p>“Ik had het niet kunnen helpen. ’t Heeft mij moeite genoeg gekost, om den sleutel in handen te krijgen. Maar nu,” terwijl +hij dien zegepralend in de hoogte hield, “nu heb ik hem; dus, jongens! op marsch!” + +</p> +<p>Ons drietal koos een stille eenzame weg, om naar het optrekje te komen. Hun geweten zeide hun, dat zij niet goed deden, en +daarom trachten zij zooveel mogelijk de kerkgangers te vermijden, onder welke de een of ander kon zijn die hen mocht herkennen +en het aan hunne ouders brengen. + +</p> +<p>“Dan zou er wat opzitten,” had Pieter gezegd. “Want vader is gansch niet malsch, wanneer hij begint; en als hij er achter +komt, kan ik verzekerd zijn van een pak slaag, dat mij nog wel acht dagen lang zeer doet.” + +</p> +<p>“Nu, als de mijne begint, is hij ook niet gemakkelijk,” hervatte Frans. “Ik heb laatst eens een pak van hem gehad, waarvan +<a id="d0e1746"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1746">53</a>]</span>ik nog wel veertien dagen op zekere plaats de overblijfselen voelde; in het begin had ik het wel willen uitschreeuwen als +ik gingen zitten.” + +</p> +<p>“Flauwerd!” zeide Jan. “Bang voor een pak ransel?—of denk je dan, dat de mijne een lam is? Jongens neen? Maar ik waag het +er aan! Intusschen—gaan jelui maar zoet naar de kerk; ik ga naar de duinen, waar ik wel van mijn soort zal vinden. En als +ik dan terugkom, dan kun jelui me de preek vertellen.” + +</p> +<p>“Hoor eens, Jan?” hervatte Frans. “Een flauwerd moet je me niet noemen. Dat ben ik nog nooit geweest. Maar dat ik niet van +een pak slaag houd, kun je me niet kwalijk nemen. + +</p> +<p>“Denk je dan dat ik er zoo op gesteld ben? Maar mijn leer is: kermisgaan is wel een pak ransel waard! En daarom waag ik het +er aan.” + +</p> +<p>“Wie zegt je, dat wij het ook niet doen?” zeide Pieter, terwijl hij het hoofd trotsch achterover in den nek wierp en Jan aanzag, +als wilde hij zeggen: “Wat verbeeldt gij u wel?” + +</p> +<p>“Eilacy! gaat dan mee. Laat ons dan niet langer marren. Wij verbeuzelen zoodoende al onzen tijd.” + +</p> +<p>En zoo waren ze alle drie op marsch gegaan. Aan het optrekje gekomen, stak Frans den sleutel in de deur en traden onze drie +knapen binnen. + +</p> +<p>Ik zal u niet mededeelen wat voor kattenkwaad zij daar uitvoerden; pleizier hadden zij genoeg, want de tijd vloog hun om. + +</p> +<p>“Daar slaat de “Sint-Jacob” al elf,” riep Pieter eensklaps uit. “Wij moeten weg; anders komen wij telaat thuis.” + +</p> +<p>“Het is zoo zondig waar!” bevestigde Jan, die de slagen geteld had. “Ja, we moeten weg. Misschien kunnen wij dan nog even +de Kloosterkerk binnenloopen en den laatsten psalm meezingen. Dan geven wij dien op bij gebrek aan een tekst.” + +</p> +<p>Zoo gezegd, zoo gedaan. Ons drietal sloeg zich wat af (want de zondagsche kleeren hadden er langs gekregen) en nadat het <a id="d0e1768"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1768">54</a>]</span>toilet zoo goed mogelijk in orde was gebracht, gingen zij naar de voordeur om die open te doen. Maar wat er van was, of Frans +bij het toesluiten het slot verdraaid had, hoe hij ook poogde de deur te openen, alles te vergeefs. Evenmin konden het Pieter +en Jan. + +</p> +<p>Daar stonden ze nu te kijken, alsof zij hun zondagsoortje versnoept hadden. Er waren intusschen eenige minuten verloopen,—hun +scheen het een half uur (want als men haast heeft en in den angst zit, schijnt elke sekonde ons een minuut te zijn). + +</p> +<p>“Nu is goede raad duur.” begon Jan. “Zeg eens, Frans! kunnen wij de schutting niet over?” + +</p> +<p>“Ja,” antwoordde deze. “Maar dan komen wij in de sloot terecht die het weiland omgeeft.” + +</p> +<p>“Nu, dan over een der zijschuttingen.” + +</p> +<p>“Dat is goed; dan moeten wij aan de rechterzijde over. Daar komen wij bij den smid en die heeft een deurtje, waardoor men +met een plank op het land kan komen. Dat deurtje zal echter wel gesloten zijn.” + +</p> +<p>“Geen nood!” hervatte Jan. “Dan klimmen wij zijne achterschutting er bij over. Als wij maar gered zijn.” + +</p> +<p>Zoo gezegd, zoo gedaan. Onze knapen gingen weer den tuin in, nadat zij de tuindeur zoo goed mogelijk gesloten hadden; daar +die echter van binnen gegrendeld was, konden zij het slechts zeer onvolkomen doen en moesten zij zich vergenoegen met die +achter zich toe te trekken. + +</p> +<p>De schutting, over welke zij klimmen moesten, was van boven met spijkers voorzien, die met de punten opwaarts stonden. Jan +en Frans waren reeds beneden in buurmans tuin en Pieter zoude hen juist volgen, toen zijne zondagsche broek aan een der spijkers +bleef hangen en tot aan <span id="d0e1786" class="corr" title="Bron: dan">den</span> band openscheurde. Door dit onverwachte oponthoud (want het kleedingstuk hield hem in zijn sprong tegen) kwam hij geheel +anders neer, dan hij gemeend <a id="d0e1789"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1789">55</a>]</span>had, struikelde en viel zoo lang hij was op den grond neder. + +</p> +<p>De beide andere knapen waren reeds aan het klauteren op de achterschutting van den tuin huns buurmans, zonder dat zij iets +van Pieters val bemerkt hadden. Eerst toen Frans er boven op was, riep hij: “waar blijf jij toch, Piet?” + +</p> +<p>“Ik ben gevallen en heb mijn voet verstuikt!” kermde deze. “Ik kan geen enkelen stap doen, ja, zelfs niet eens opstaan.” + +</p> +<p>Frans wilde weer van de schutting afspringen, om zijn vriend te helpen. + +</p> +<p>“Ben je dwaas?” zeide Jan. “Als hij niet kan loopen, kunnen wij hem toch niet meezeulen. En als we lang wachten, komen we +te laat thuis.” + +</p> +<p>“Ik moet toch zien, of ik hem kan helpen,” hervatte Frans. “Wij zijn samen uitgegaan en moeten ook weer samen thuis komen.” + +</p> +<p>“Alles mooi en wel,” hernam Jan. “Maar ik bedank er voor om ransel te krijgen, als ik te laat thuis kom.” + +</p> +<p>Frans was reeds van de schutting af, terwijl Jan er aan den anderen kant overging. In één oogenblik was hij bij Pieter. + +</p> +<p>“Laat mij je helpen om op te staan,” zeide hij tot zijn vriend. + +</p> +<p>“Laat mij maar liggen, Frans!” antwoordde deze. “Misschien bedaart het van zelf. Op het oogenblik doet mijn voet mij onlijdelijke +pijn.” + +</p> +<p>“Kom, probeer maar eens, Piet!” hernam de andere. “Als je eens over de schutting bent, zal het wel schikken.” + +</p> +<p>“Maar ik kan wezenlijk niet opstaan,” hervatte Pieter. “Eilacy, ga jij er maar over. Je hebt reeds te lang gemart en zult +te laat thuis komen.” + +</p> +<p>Frans begreep, dat Pieter gelijk had; hij klom dus over en liet zijn armen vriend in den tuin van den smid liggen. + + + +<a id="d0e1815"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1815">56</a>]</span></p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1537" href="#d0e1537src" class="noteref">1</a></span> Zie “De Zeeman tegen wil en dank.” 6<sup>e</sup> druk. Blz. 22. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1594" href="#d0e1594src" class="noteref">2</a></span> Aan denzelfden weg, maar verder op, had ook Jacob Cats zijne buitenplaats <span class="letterspaced">Zorgvliet</span>, door hem zelf aangelegd. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1610" href="#d0e1610src" class="noteref">3</a></span> Gij herinnert u, dat men vroeger in ’s-<span class="letterspaced">Gravenhage</span> twee kermissen had: de Hofkermis in Mei en de Banus- of Haagsche kermis in September. Zie “De Weezen van Vlissingen.” 6e +druk. Blz. 65. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1628" href="#d0e1628src" class="noteref">4</a></span> Tegenwoordig de <span class="letterspaced">Gevangenpoort</span> geheeten. In mijn volgend werkje (het Huisgezin van den Raadpensionaris) kunt gij daarmede nader kennis maken. +</p> +</div> +</div> +<div id="d0e1816" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e112">Inhoud</a>] +</span><div class="figure"><img border="0" src="images/o056.gif" alt="Ornament" width="586" height="148"></div> +<h2 class="label">Vijfde Hoofdstuk.</h2> +<h2>Hoe gevaarlijk het kan worden, om des Zondags de kerk te verzuimen.</h2> +<p style="
 background: url(images/id056.gif) no-repeat top left;
 "><span style="
 float: left;
 width: 90px;
 height: 86px;
 background: url(images/id056.gif) no-repeat;
 
 text-align: right;
 color: white;
 ">D</span>aar lag onze Pieter nu in den tuin van den smid. Zijn linkervoet deed hem vreeselijk pijn en belette hem te denken aan den +gevaarlijken toestand, in welken hij verkeerde. Wat zou zijn vader wel zeggen! Wat zou Martha ongerust zijn! En wat zou hij +een pak slaag krijgen! Waarlijk, een heerlijk kermisgeschenk! Ja, al die pret van de kermis kon hij nu wel uit zijn hoofd +zetten; want tot straf zou hij wel nergens naar toe mogen! Dit waren de gedachten, die hem, toen de pijn hem toeliet te denken, +het eerst bezig hielden. + +</p> +<p>“Als ik maar kon opstaan,” sprak hij bij zich zelf, en stelde alle pogingen daartoe in het werk. Het opstaan ging, ja; maar +hij kon den beleedigden voet niet op den grond zetten, of hij moest het uitschreeuwen van de pijn. “Ik zal mijn schoen uitdoen,” +vervolgde hij; “mijn voet is gezwollen en daardoor kan ik niet staan. Als ik dat doe, zal het wel beter worden.” Hij deed +wat hij zeide, en het scheen hem werkelijk verlichting te <a id="d0e1825"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1825">57</a>]</span>schenken. Maar nauwelijks waagde hij een stap, of hij gilde het uit van de pijn en viel weder op den grond neer. + +</p> +<p>“Had ik mij maar niet laten bepraten!” zeide hij, terwijl hij daar mistroostig nederzat. “Was ik maar naar de kerk gegaan, +dan was ik nu thuis en zat al haast aan het eten.” + +</p> +<p>Dat laatste denkbeeld had zijn oorsprong niet alleen aan den voortsnellenden tijd, maar ook aan de ledige maag van onzen Pieter. +Want ondanks de pijn, die hij had, begon hem thans de honger te kwellen en dat was voor een knaap op zijne jaren niet het +minst van de zaak. ’t Was dan ook een treurig vooruitzicht voor hem. Eerst had hij nog hoop, dat zijne vrienden wel even bij +den smid zouden zijn aangeloopen en deze hem zou komen verlossen, maar toen het één, twee uur werd en de klok voor de middagkerk +de laatste maal luidde, begon hem ook die hoop te begeven. Hij schold op zijne makkers, die hem dus in het gevaar lieten; +hij begreep niet, dat Frans en Jan, thuis gekomen zijnde, van niets durfden reppen om zelf geen straf te beloopen; hij wist +niet, dat de eerste na den maaltijd, met zijn vader naar <span class="letterspaced"><span id="d0e1832" class="corr" title="Bron: Honsholredijk">Hondsholredijk</span></span> was gewandeld om eenige reparatiën op te nemen die aan het huis van Prinses Amalia aldaar noodig waren; ook kwam het volstrekt +niet bij hem op, dat én de een én de ander zich overtuigd hielden, dat de voet van hun makker wel hersteld zou zijn en hij +zelf gezond en wel thuis zou zitten. Intusschen verliep de tijd, en—al duurde die onzen Pieter eerst heel lang—naarmate het +later werd, begon die hem korter te vallen; want nu kwam er een ander gevoel bij hem op, dat van angst. Hij lag toch in een +vreemden tuin, in dien van den smid Joris Gerritsz, en hij wist van zijn broeder Evert, die zooals wij weten bij genoemden +smid werkte, dat Gerritsz een driftig man was. Hoe, als die hem daar vond, dan kon hij hem wel doodslaan! Of hij kon hem voor +een dief en inbreker houden, en hem overleveren in handen van het <a id="d0e1835"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1835">58</a>]</span>gerecht. Welk een schande! Als hij eens door schout en dienders gehaald werd! Nooit zou hij dan in <span class="letterspaced">Den Haag</span> zijne oogen weer durven opslaan. Hij hoopte maar, dat de Balkenendes eerder zouden komen; dan konden die hem over de schutting +helpen of bij baas Gerritsz zijne voorspraak zijn. + +</p> +<p>Intusschen was men bij den pruikenmaker ook niet weinig in ongerustheid. Toen de kerk uit was en allen thuis waren, keek baas +Dirksz verwonderd op, dat Pieter nog niet thuis was. + +</p> +<p>“Hij zal, uit de kerk komende, andere jongens ontmoet hebben,” zeide Marie, “en met hen wat aan het omloopen zijn.” Maar toen +hij tegen etenstijd nog niet thuis was, begon men zich ongerust over hem te maken. Intusschen werd de maaltijd opgebracht, +de familie at, de tafel werd afgenomen en men ging naar de middagkerk. Vader Dirksz echter bleef thuis, om den uitblijver +te ontvangen en beloofde hem reeds in stilte een duchtig pak, dat hem die malle kuren zou afleeren. Maar hoe hij wachtte, +onze Pieter kwam niet, en toen de huisgenooten uit de middagkerk terugkwamen en hij op hunne eerste vraag: “Is Pieter al te +recht?” ontkennend moest antwoorden, toen besloot men maatregelen te nemen en desnoods de hulp van het gerecht in te roepen; +want Pieter moest een ongeluk hebben gekregen; anders zou hij wel thuis zijn. + +</p> +<p>“Loop eens even naar baas Balkenende, Jacob!” zeide de pruikenmaker tot zijn tweeden zoon. “’t Is jammer, dat Evert niet thuis +is, anders kon die naar Jan IJzer gaan.” + +</p> +<p>“O, daar zal ik wel heenloopen,” zeide Martha. + +</p> +<p>“Goed. En vraag dan maar bij Balkenende, of Frans ook iets van onzen Pieter weet. Vraag om Frans zelf te spreken, de baas +heeft er niet mee noodig,” zeide Marie. + +</p> +<p>Jacob vond de geheele familie Balkenende uit. “De baas is met Frans naar <span class="letterspaced">Hondsholredijk</span>,” had de meid gezegd, “en de vrouw is met de kinderen naar den <span class="letterspaced">Scheveningschen</span> <a id="d0e1858"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1858">59</a>]</span>weg.” Wat echter Pieter aangaat, zooveel kon zij verzekeren, dat hij daar niet aan huis was geweest. Martha’s nasporingen +hadden geen beter gevolg gehad, en er schoot dus geen ander middel over, dan naar den schout te gaan en den sterken arm van +het gerecht in te roepen ter opsporing van den vermiste. + +</p> +<p>“Als de jongen geen ongeluk heeft gekregen, dat hem belet thuis te komen, zal ik hem ranselen, dat er de lappen bijhangen!” +zeide de pruikenmaker. “Ons zoo in ongerustheid te laten zitten. Foei! ’t is schande!” + +</p> +<p>“Er moet hem zeker wat overkomen zijn, vader!” meende Martha. “Pieter past anders trouw op zijn tijd.” + +</p> +<p>“Dat is wel waar, Martha,” antwoordde vader Dirksz. “Maar dan moest hij het vandaag ook gedaan hebben. Geef mij mijn rok, +Marie! ik ga naar den schout.” + +</p> +<p>“Ik zou daarmee nog wat wachten, vader!” zeide Marie. “Misschien komt hij wel spoedig thuis. Wat behoeft gij het gerecht er +in te roepen?” + +</p> +<p>De pruikenmaker besloot dus nog een paar uren te wachten. Was Pieter na dien tijd niet terecht, dan zou hij zich niet laten +weerhouden. Dan moest de knaap maar een dag of wat op water en brood zitten; dat zou hem leeren op een anderen tijd beter +op te passen. + +</p> +<p>Keeren wij tot onzen gevangene terug. + +</p> +<p>Het scheen, dat het uittrekken van zijn schoen hem weinig gebaat had; veelmeer waren pijn en zwelling sedert vermeerderd, +Ja, hij leed ondraaglijke weerpijn in zijn knie en begreep dus niet dan al te wel, dat zijn eenige redmiddel zou zijn: de +komst van den smid met zijne familie. Want als Balkenende kwam, zou hij het slot van zijn optrekje verdraaid vinden, en, daar +het Zondag was, zou er geen smid zijn, die de deur openstak. De Balkenendes zouden dus ongetroost naar huis kunnen terugkeeren. + +</p> +<p>Nu begon een andere vrees zich van hem meester te maken, <a id="d0e1876"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1876">60</a>]</span><span id="d0e1877" class="corr" title="Bron: Hoe">hoe</span>, indien de smid eens niet naar buiten kwam en hij dus veroordeeld was, den nacht, den kouden Meinacht daar alleen door te +brengen. Dat denkbeeld greep hem met geweld aan en folterde hem zoodanig, dat hij reeds begon te wenschen, wat hij een paar +uur geleden zoo bang had te gemoet gezien. + +</p> +<p>“Och!” zeide hij in zich zelf, “de smid zou mij wel niet doodslaan en niet aan het gerecht overleveren, als hij mij voor den +zoon van Pieter Dirksz herkent. Ik wou, dat hij maar kwam, dan kon hij mij naar huis laten brengen, en dan kon Marie mijn +voet verbinden, want ik lijd verschrikkelijk pijn.” + +</p> +<p>Om echter niet terstond door baas Gerritsz bemerkt te worden, sleepte hij zich voort tot achter een bloeiende jasmijn, die +hem kon verbergen voor ieder, die den tuin binnentrad. Als dan vrouw Gerritsz of een der kinderen in den tuin kwam, kon hij +ze aanroepen en die zouden bij hunnen vader wel voor hem spreken. Kwam echter Gerritsz zelf, dan kon hij zich stil verborgen +houden, tot de gelegenheid om zich te ontdekken gunstig was. + +</p> +<p>Het zal ongeveer halfvijf zijn geweest, toen hij in het huis naast zich een buitengewone opschudding hoorde. Vrouw Balkenende +was met hare kinderen naar het optrekje gegaan; en daar het nachtslot alleen van binnen verdraaid was, had zij de deur van +buiten gemakkelijk kunnen openkrijgen. Maar toen een harer dochters, die de tuindeur wilde opendoen, de grendels daarvan vond +afgeschoven, had zij de meening geuit, dat er vreemd volk in huis was geweest om te stelen en dit had grooten schrik onder +de Balkenendes veroorzaakt, welke schrik eerst verdwenen was, toen men alles op zijne plaats vond en niets vermiste. + +</p> +<p>Het duurde dus vrij lang, eer de familie in den tuin kwam, en Pieter luisterde aandachtig, of hij de stem van Frans niet vernam. +Maar hoe hij luisterde, hij kon haar niet onderscheiden en hij kwam dus tot het besluit, dat zijn vriend voor hetgeen dien +morgen gebeurd was, straf had. Doch hoe kon dan de <a id="d0e1888"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1888">61</a>]</span>familie zoo geschrikt zijn van het afschuiven der grendels? ’t Was hem onmogelijk, deze twee zaken in behoorlijk verband te +brengen, en terwijl hij daarover nog peinsde en juist voornemens was, zijn stem te verheffen en om hulp te roepen, verstomde +hij eensklaps; want in de woning van den smid kwam ook leven en hij kon er niet aan twijfelen, of het oogenblik zijner ontdekking +was nabij. + +</p> +<p>De tuindeur werd opengedaan, en hij hoorde de stem van baas Gerritsz. Hij verborg zich zoo goed hij kon en kromp zooveel ineen +als de pijn hem toeliet, toen hij een stem den smid hoorde antwoorden, eene stem die al zijn moed deed herleven en hem al +zijne geestkracht terugschonk. Het was namelijk die van zijn broeder Evert, die door zijn patroon was uitgenoodigd, om den +namiddag in zijn tuin door te brengen. + +</p> +<p>“Evert!” riep de arme Pieter, “kom mij te hulp.” + +</p> +<p>Evert en zijn patroon waren zeer verschrikt over de stem, die daar zoo onverwachts in den stillen onbewoonden tuin klonk. +Spoedig herstelden zij zich. + +</p> +<p>“Jij hier, Pieter?” riep Evert ontsteld en tevens verwonderd uit. “Je hebt vader mooi in ongerustheid gebracht. Maar hoe kom +je hier? Sta op,” vervolgde hij, zonder antwoord af te wachten, “en maak, dat je naar huis komt. Ik denk, dat ze in doodelijke +onrust over je zijn.” + +</p> +<p>“Ik kan niet opstaan, Evert!” antwoordde Pieter. “Ik heb mijn voet verstuikt, misschien wel gebroken.” + +</p> +<p>“Nog fraaier! Wat me die jongens toch uitrichten!” zeide baas Gerritsz hoofdschuddend. “Maar zeg eens, knaap! Wat doe je in +mijn tuin? Als het in den appel- en perentijd was, zou ik zeggen, dat je fruit hadt willen stelen. Die is er niet. Wat moest +je dan hier uitrichten?” + +</p> +<p>“Ach, baas Gerritsz, ik zal het u vertellen,” zeide Pieter, en hij gaf een trouw verslag van het gebeurde. +<a id="d0e1904"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1904">62</a>]</span></p> +<p>“Het is je geluk, dat je broer Evert je het eerst vond, mannetje! Was hij er niet bij geweest en ik had je ontdekt, dan had +je kans gehad, dat ik je armen en beenen aan stukken had geslagen. Want ik ben niet gemakkelijk, als ik begin, niet waar, +Evert!” + +</p> +<p>“Om den drommel niet, baas!” bevestigde deze. “Maar wat zullen we met den ondeugenden knaap doen?” + +</p> +<p>“Ja,” hernam baas Gerritsz, bedenkelijk om onzen Pieter nog wat schrik aan te jagen. “Hij is op mijn erf gekomen, zonder mijn +verlof; dat staat gelijk met inbraak. Ik vind het best, dat wij hem met schout en dienders laten halen. Het zal een voorbeeld +zijn voor anderen.” + +</p> +<p>“Ach, baas Gerritsz!” smeekte Pieter. “Dat zult gij toch niet doen. Denk eens, welk een schande voor vader en voor mij!” + +</p> +<p>“Schande!” riep baas Gerritsz uit, terwijl hij zich heel boos hield. “Wat! schande? schande is het, als iemand over schuttingen +klimt om op eens anders eigendom te komen. Dus geen genade voor jou. Ik laat je door schout en dienders de deur uithalen.” + +</p> +<p>“Hij zal het wel nooit weer doen, Joris!” bracht thans vrouw Gerritsz in het midden, die er met hare kinderen was bijgekomen. +“Gij moest het dus nu maar eens door de vingers zien.” + +</p> +<p>“Eilacy! dan zou hij er te gemakkelijk afkomen,” hernam baas Gerritsz. “Maar wie waarborgt mij, vrouw, dat de jongen, eenmaal +den weg wetende, in den perentijd niet komt overklimmen, om mijn fruit te stelen?” + +</p> +<p>“Hij heeft een goede les gehad,” gaf de vrouw ten antwoord, “die hij zijn leven lang niet zal vergeten.” + +</p> +<p>“Nooit—zoo oud als ik word,” kermde Pieter. “Gij kunt er van verzekerd zijn, baas Gerritsz dat ik mijn buik vol heb van het +klimmen over schuttingen.” + +</p> +<p>“Nu, dan zal ik het voor ditmaal maar als niet gedaan rekenen, Pieter,” zeide de baas. “Kom, Evert, wij zullen den knaap <a id="d0e1925"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1925">63</a>]</span>opnemen en in huis dragen. Dan ga jij naar je vader en vertelt hem, dat zijn galgestrop van een zoon hier is. Zoo is de goede +man uit de ongerustheid en kan maatregelen nemen om hem te laten halen. Intusschen zal mijne vrouw wel eens naar den voet +zien, die duchtig gezwollen schijnt, en den knaap wat eten geven; want hij zal wel honger hebben ook. Kom aan, Evert!” + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p063.jpg" alt="" width="609" height="521"></div><p> + + +</p> +<p>Maar dat opnemen ging zoo gemakkelijk niet; want toen Evert even aan den beleedigden voet raakte, gilde Pieter het uit van +de pijn. Baas Gerritsz nam hem dus alleen op, terwijl Evert het gekwetste deel ondersteunde, en zoo brachten zij Pieter in +huis, waar vrouw Gerritsz naar den voet keek, die ontzaglijk gezwollen en vreeslijk pijnlijk was; terwijl Evert naar de <span class="letterspaced">Spuistraat</span> ging en zijne familie uit de ongerustheid over het lot van den knaap verloste. + +</p> +<p>Tegen het vallen van den avond brachten Jacob en Evert hem met eene burrie naar huis. De barbier (chirurgijn) dien <a id="d0e1937"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1937">64</a>]</span>men haalde, onderzocht den voet en zeide, dat er wel niets gebroken was, maar dat de zaak door te lang uitstellen van geneeskundige +hulp, zoodanig verergerd was, dat Pieter ten minste drie weken lang met het been in een kussen zou moeten zitten. Al het voorgestelde +kermisvermaak was nu verijdeld; hij zou den reus niet zien, die de Voorpoort van den Hove niet in kon, den “vuurvreter” zou +hij niet aanschouwen, noch het muziek onder water hooren van den Amsterdamschen wonderman. En nog mocht hij van geluk spreken, +dat zijn vader de zaak zoo liet afloopen. Deze oordeelde, dat de knaap genoeg gestraft was door de pijn en den angst, en begreep, +dat hij van nu aan een afkeer zou hebben van het verzuimen der kerk, van het gaan naar plaatsen, die hij niet betreden mocht, +en van het overklimmen van schuttingen. En de goede man had gelijk. Dit geval had een beslissenden invloed op Pieters heele +leven en hem voor altijd genezen van alle slinksche handelingen, welke het daglicht niet mochten zien. Want als hij soms in +de verleiding kwam om naar de eene of andere verboden plaats te gaan, dan kwam hem de tuin van baas Joris Gerritsz in de gedachten: +hij wees den verzoeker terug en ging niet. + +</p> +<p>Mijne lezers zullen voorzeker wel nieuwsgierig zijn, te weten, hoe het met de beide andere knapen afliep. Ik wil dienaangaande +hunne nieuwsgierigheid bevredigen. + +</p> +<p>Zoodra onze Pieter thuis was en zijn wedervaren in al zijne kleuren verteld had, begaf vader Dirksz zich naar baas Balkenende, +wien hij de geheele historie mededeelde. De timmerman was juist met zijn zoon van <span class="letterspaced">Hondsholredijk</span> thuis gekomen en, toen de pruikenmaker geëindigd had, riep hij Frans, die hem alles bekende en Jan IJzer noemde als dengeen, +die hen beiden tot het verzuimen der kerk verleid had. Balkenende bedankte Dirksz voor diens mededeeling en beloofde, de zaak +ten strengste te straffen. Toen dus Pieters vader vertrokken <a id="d0e1946"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1946">65</a>]</span>was, kreeg onze Frans een duchtig pak slaag en mocht hij tot zijne straf den geheelen tijd, dien de Hofkermis duurde, niet +uit. Den volgenden morgen kwam Jan, alsof er niets gebeurd was, op den winkel. Baas Balkenende wachtte hem reeds op, onderhield +hem scherp over zijn gedrag en joeg hem weg. En of Jans vader al bij den timmermansbaas kwam, om zijne toegevendheid voor +zijn zoon in te roepen—de baas wilde van niets hooren en den knaap niet terugnemen. + +</p> +<p>“Die lage, gemeene klikkert!” had Jan gezegd, toen hij hoorde, dat zijns vaders gang te vergeefs was geweest, en deze hem +ongemakkelijk had afgeranseld. “Die ellendige pruikenmakersjongen! Maar ik zal het hem betaald zetten.” + +</p> +<p>Daar Jan geen lust meer in het timmeren had, maar het goudsmeden verkoos te leeren, deed zijn vader hem bij baas Hendrik Verhoef +op de <span class="letterspaced">Vogelenmarkt</span>. + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/o065.gif" alt="Ornament." width="312" height="132"></div><p> + + + + +<a id="d0e1959"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1959">66</a>]</span></p> +</div> +<div id="d0e1960" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e112">Inhoud</a>] +</span><div class="figure"><img border="0" src="images/o066.gif" alt="Ornament" width="595" height="134"></div> +<h2 class="label">Zesde Hoofdstuk.</h2> +<h2>Hoe een slimme Raadpensionaris een nog slimmeren Prins niet kan doorgronden.</h2> +<p style="
 background: url(images/iw016.gif) no-repeat top left;
 "><span style="
 float: left;
 width: 90px;
 height: 86px;
 background: url(images/iw016.gif) no-repeat;
 
 text-align: right;
 color: white;
 ">W</span>anneer gij ooit den weg van het dorp <span class="letterspaced">Wateringen</span> naar <span class="letterspaced">Naaldwijk</span> hebt gewandeld, dan kan het wel niet anders, of gij hebt in het bevallige <span class="letterspaced">Hondsholredijk</span> (gewoonlijk <span class="letterspaced">Honselaarsdijk</span> genoemd) eenige oogenblikken uitgerust, om nieuwe krachten te verzamelen, en u in de daar staande uitspanning met een glas +melk of bier te verkwikken. Als gij daar dan gezeten waart en uwe blikken rondom u liet gaan, dan moet uw oog als van zelf +zijn gevallen op een oude poort, die daar zoo alleen staat en zich zoo deftig verheft, dat gij op het denkbeeld kwaamt, of +zij niet tot andere gebouwen heeft behoord en, wanneer gij de statigheid en den omvang van dit overblijfsel van vroegere jaren +in aanmerking naamt, dan kwaamt gij onwillekeurig tot het besluit, dat hier waarschijnlijk een kasteel of zoo iets moet gestaan +hebben. De ruïne, die zich achter de poort bevindt, doch welke gij van buiten af niet kunt zien, zou u in het denkbeeld versterken. +<a id="d0e1979"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1979">67</a>]</span></p> +<p>En gij hebt goed gedacht mijne vrienden! Die poort strekte eens tot ingang van een oud en sterk kasteel, toebehoorende aan +de heeren van Naaldwijk, welke hier hun verblijf plachten te houden. Menig ridder, die uit den bloedigen kamp huiswaarts keerde, +reed onder die poort door, gezeten op zijn vurig genet, dat hem onverschrokken door het slaggewoel had heengeleid; menige +schuchtere jonkvrouw was aan de hand haars bruidegoms dien gewelfden boog doorgetreden, omringd van vrienden en magen, van +pages en schildknapen, van bruidjonkers en juffers, om in de kapel, die daar ginder stond, waar gij nu die boomen hunne toppen +ziet verheffen, den band des huwelijks te sluiten.—Maar die dagen van grootheid en luister gingen voorbij; de roode leeuw +van de erfmaarschalken en opperstalmeesters van de graven van <span class="letterspaced">Holland</span> verbleekte; het geslacht der Naaldwijken stierf uit, en door huwelijk kwam het kasteel te <span class="letterspaced">Hondsholredijk</span> aan de graven van Aremberg. Gij herinnert u, hoe een van dezen in den tachtigjarigen oorlog de zijde van <span class="letterspaced">Spanje</span> hield; het gevolg daarvan was verbeurdverklaring zijner goederen en onder deze ook het kasteel te <span class="letterspaced">Hondsholredijk</span>. Den 13<sup>den</sup> Juli 1589 gaven de Staten van <span class="letterspaced">Holland</span>, nu de rechtmatige bezitters van de heerlijkheid, het kasteel met zijne aanhoorigheden ten geschenke aan Prins Maurits. Maar +het gebouw was oud en vervallen, en toen genoemde Prins bij zijn overlijden in 1625 door zijn jongeren broeder Prins Frederik +Hendrik werd opgevolgd en deze in het bezit van het slot kwam, scheen de luister van het aloude huis te <span class="letterspaced">Hondsholredijk</span> te herleven. Laatstgenoemde toch liet het vervallen slot geheel en al afbreken en op de vorige grondslagen een vorstelijk +paleis bouwen. Ook dit paleis heeft den tand des tijds niet kunnen weerstaan: er is thans weinig meer van over dan de grijze +poort, die daar zoo eenzaam en verlaten staat. +<a id="d0e2003"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2003">68</a>]</span></p> +<p>Wij willen ons in het begin der maand Juli van het jaar 1661 naar genoemd huis begeven. Wij gaan dan de groote poort door +en bevinden ons voor een statige ophaalbrug, die over de breede grachten, welke het paleis omringen, den toegang tot het gebouw +verleent. Prachtig hangen over die gracht de vier uitstekende paviljoenen, in den vorm van torens aan de hoeken van het paleis +uitgebouwd, van welke er twee het uitzicht hebben op de heerlijke lanen van het park. Maar wij gaan voort naar den ingang, +die zich in het midden van den voorgevel bevindt. Ziet eens, welke schoone, levensgroote beelden daar aan weerskanten van +dien ingang staan. Wij gaan eenige trappen op, onder een balkon, dat op zes pilaren rust, en komen zoo op de ruime vierkante +plaats, met gaanderijen omringd, en op welke een gedeelte van de menigvuldige, deftig gebouwde en keurig versierde en gemeubelde +vertrekken uitziet. Maar ik zie het u wel aan; al die pracht en grootheid halen voor u niet bij den luister der natuur; gij +hebt van het park gehoord en wilt u derwaarts begeven. Welnu, dan keeren wij langs den zelfden weg terug, slaan, zonder de +voorpoort door te gaan, links af en komen in het heerlijk aangelegde park. Wij doorwandelen de boomrijke lanen en staan van +tijd tot tijd stil bij de openingen, hier en daar in het hout gelaten en die ons de schoonste vergezichten opleveren. Op verscheidene +van deze plaatsen zijn steenen zitbanken geplaatst; wij zullen er echter op dit oogenblik geen gebruik van maken—wij mochten +er te lang zitten droomen. + +</p> +<p>Hoor! wat was dat?—Zijn wij hier in <span class="letterspaced">Natura Artis Magistra</span> te <span class="letterspaced">Amsterdam</span> of in de Diergaarde der <span class="letterspaced">Rottestad</span>?—Ho, wat, mijne lezers! die waren er ruim tweehonderd jaren geleden nog niet; want herinnert u, dat onze wandeling in de +17<sup>de</sup> en niet in de 20<sup>ste</sup> eeuw plaats heeft. “Maar,” zegt gij “Ik hoorde toch duidelijk het brullen van een leeuw!”—Gij hebt <a id="d0e2023"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2023">69</a>]</span>goed gehoord; wij zijn hier dicht bij de diergaarde. Slaan wij slechts dit slingerlaantje in,—zoo, daar zijn wij er. + +</p> +<p>Leeuwen en tijgers, panters en luipaards, beeren en hyena’s, kortom, al wat gij in een menagerie kunt verwachten, vindt gij +hier in prachtige hokken en achter stevige ijzeren traliën opgesloten. + +</p> +<p>Wij zien echter op het oogenblik niet naar die dieren, maar liever naar de beide personen, die daar zoo deftig in de diergaarde +voortwandelen en in druk gesprek schijnen gewikkeld. Ofschoon het niet heel fatsoenlijk is, willen wij ons achter hen begeven +en hunne gesprekken afluisteren; eerst wil ik u een beschrijving van hen geven. + +</p> +<p>De jongste (en ik begin bij hem, omdat hij een oude kennis van ons is) is niemand anders dan Prins Willem Hendrik, die gedurende +den vacantietijd in <span class="letterspaced">Leiden</span> bij zijne grootmoeder Amalia van Solms logeert; want bij testament haars gemaals, heeft zij <span class="letterspaced">Hondsholredijk</span> als haar bijzonder eigendom verkregen. Hij is nu ongeveer een jaar ouder dan toen wij voor het eerst kennis met hem maakten +en een heel stuk gegroeid; echter nog even mager, zoo niet nog magerder, nog even bleek, misschien nog bleeker door het rouwkleed, +dat hij aanheeft, het rouwkleed over zijne moeder, die nu reeds een half jaar naast haren broeder in den somberen grafkelder +der koningen van Engeland rust. + +</p> +<p>De persoon, die naast den Prins daarheen wandelt, en wiens eenvoudige kleeding ons zou doen vermoeden, dat hij tot den burgerstand +behoort, trekt onze opmerkzaamheid door de uitdrukking van geest en schranderheid, die op zijn langwerpig, beenig gelaat staat +uitgedrukt. De doordringende oogen, door zware wenkbrauwen overschaduwd, het hooge breedgewelfde voorhoofd, de sterk gebogen +neus en de met een klein snorretje begroeide bovenlip geven aan dat gelaat iets van dat <a id="d0e2039"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2039">70</a>]</span>bijzondere, dat men alleen bij groote vernuften aantreft. Een grijze vilten hoed, welks eene zijde is opgerold en met een +grijs zijden koord van twee vingers dik wordt vastgehouden, dekt het hoofd, volgens de mode van dien tijd versierd met een +lange, blonde allongepruik, die tot op de schouders nederhangt. Een breede, dubbele bef hangt over den langen, grijzen rok +(wij zouden dien jas noemen) die van voren met koord gegarneerd en geheel toegeknoopt is en tot even boven de knieën reikt. +Om den linkerschouder is een zijden sjerp geslagen van de kleuren der Statenvlag, en die in de linkerzijde in een strik eindigt, +waar ook de degen hangt, dat onmisbare bij den man van den deftigen stand. De korte broek, van dezelfde kleur en stoffage +als de rok, is even beneden de knieën met strikken vastgehecht; ook op de schoenen zijn groote strikken. Hij houdt een langen +wandelstok met gouden knop in de hand, en alleen dit artikel van weelde, de sjerp en de fluweelen mantel, die hem over den +schouder hangt, doen in hem iets meer vermoeden dan zijn anders eenvoudige kleeding te kennen geeft. En geen wonder; want +de man, die daar met den Prins in zulk een druk gesprek schijnt gewikkeld, is niemand anders dan de eerste persoon in het +geheele land, de man, die aan de vorsten van <span class="letterspaced">Europa</span> zijn wil en zijne wetten voorschrijft, een der grootste staatsmannen van zijn tijd, is de Raadpensionaris Johan De Witt, +van wien ik reeds in mijn vorige werkje<a id="d0e2044src" href="#d0e2044" class="noteref">1</a> gesproken heb. Om zijne buitengewone bekwaamheden en zijne uitstekende diensten, hadden de Staten-Generaal, toen in Juli +1658 de vijf jaren, tot de bekleeding van zijn ambt vastgesteld, verstreken waren, hem daarin weder voor vijf jaren bevestigd. +En zeker was De Witt de man, die al zijne krachten, al zijnen tijd, al de vermogens van zijn geest wijdde aan het heil van +den Staat. <a id="d0e2050"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2050">71</a>]</span>Altoos jammer is het van den onsterfelijken, helderzienden en doorslepen diplomaat, dat hij één vast denkbeeld met zich omdroeg, +dat vele zijner handelingen bestuurde en hem wel eens tot verkeerde maatregelen aandreef: “Geene verheffing van het huis van +<span class="letterspaced">Oranje</span>, nooit zal Prins Willem Hendrik de waardigheden zijner voorouderen bekleeden.” + +</p> +<p>In het staatkundige zien wij hier dus twee vijanden wandelen (want dat de Prins Johan De Witt als zoodanig kende, ook op zoo +jeugdigen leeftijd, lijdt geen twijfel), twee vijanden, van welke de een een doorslepen en doorkneed staatsman is van zes +en dertig jaren—de andere een zwakke, ziekelijke knaap van nog geen elf. Daarenboven moet ik u zeggen, dat het doel van De +Witts komst op het huis te <span class="letterspaced">Hondsholredijk</span> schijnbaar ten doel had, om de Prinses-weduwe over ettelijke belangen te spreken; het eigenlijke oogmerk was, den jeugdigen +Prins uit te hooren over brieven, door hem uit <span class="letterspaced">Engeland</span> ontvangen, en wier inhoud de Raadpensionaris gaarne wilde weten. Ik meen genoeg te hebben gezegd, om u belang te doen stellen +in het gesprek der beide wandelende personen. Ik herinner u daarbij, dat men den Prins wenschte af te trekken van de Engelsche +partij, en moet u tevens mededeelen, dat Zuijlestein in verdenking stond van die partij te ondersteunen. + +</p> +<p>“Zooals ik uwer Hoogheid zeide,” ging De Witt voort; want gij herinnert u, dat wij hen midden in hun gesprek beluisteren, +“zooals ik uwer Hoogheid zeide, ik heb Professor Borneus gesproken, en zijn hooggeleerde is zeer content over uwe progressen.” + +</p> +<p>“Ik ben den hoogleeraar wel geobligeerd voor zijne goede opinie te mijnen aanzien en wenschte zeer, even content over mij +zelf te zijn als hij het is.” + +</p> +<p>“Uwe Hoogheid is zeer nederig,” hernam de Raadpensionaris glimlachend. +<a id="d0e2069"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2069">72</a>]</span></p> +<p>“Ik ben ook Uwer Edelheid dankbaar voor de goede opinie, die zij van mij koestert en ik wensch niets liever, dan mijn best +te doen om aan de verwachtingen, die Uwe Edelheid en de heeren Staten van mij voeden, in allen deele te beantwoorden.” + +</p> +<p>“Hoe gaat het tegenwoordig met de arithmetica?” hernam De Witt. “Begint Uwe Hoogheid daarin wat meer smaak te krijgen?” + +</p> +<p>“Ach mijnheer de Raadpensionaris! Uwe Edelheid weet niet hoezeer mijn arm hoofd verzwakt van die pijnen, welke het zoo gedurig +tourmenteeren. Zij beletten mij te denken en zonder denken kan men toch niet rekenen.” + +</p> +<p>“In trouwe niet,” antwoordde De Witt, die als een der eerste rekenaars van zijn tijd bekend stond en wien men wel eens ten +laste gelegd heeft, dat hij de wiskunde ook op het staatkundige toepaste. “De wiskunst eischt onze geheele ziel, ons gansche +verstand. Maar Uwe Hoogheid moet hare aversie tegen die wetenschap trachten te surmonteeren. De arithmetica is tot alle dingen +noodwendig.” + +</p> +<p>“Ik zal mijn best doen, om de les Uwer Edelheid in praktijk te brengen,” hernam de Prins, altijd even stroef en deftig. + +</p> +<p>“Uwer Hoogheids verzekering is mij genoeg,” hernam de Raadpensionaris, en van batterij veranderende, ging hij voort: + +</p> +<p>“Het deed mij leed, dat Uwe Hoogheid mij niet thuis vond bij het bezoek, dat Zij mij bij haar kortstondig verblijf te ’s-<span class="letterspaced">Gravenhage</span> bracht.” + +</p> +<p>“Mij smartte het niet minder, Uwe Edelheid niet thuis te treffen,” antwoordde de Prins. “Indien mijn verblijf langer gecontinueerd +had, zou ik zeker mijn bezoek gerepeteerd hebben. Mijne grootmoeder had echter bepaald, dat ik slechts drie uren zou vertoeven +en wachtte mij met den maaltijd.” + +</p> +<p>“Ik dank Uwe Hoogheid wel voor hare goede intentie, en zou mij geobligeerd hebben gerekend, haar terstond eene contravisite +<a id="d0e2091"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2091">73</a>]</span>te brengen, indien Uwe Hoogheid niets reeds zoo spoedig vertrokken ware.” + +</p> +<p>“Ik kon niet anders. Uwe Edelheid weet, hoezeer mijne grootmoeder op orde gesteld is en dat zij volstrekte gehoorzaamheid +eischt.” + +</p> +<p>“Zij is in haar recht, als uwe voogdes,” gaf De Witt ten antwoord. “Uwe Hoogheid is haar onbepaalde gehoorzaamheid verschuldigd. +Intusschen moet het u genoegen doen, uwe vacantie in zulk een heerlijk lustoord als dit te passeeren. Uwe Hoogheid zal zich +toch niet vervelen?” + +</p> +<p>“Vervelen, mijnheer de Raadpensionaris?” vraagde de Prins schier verwonderd. “Mijne grootmoeder heeft eene schoone boekerij.” + +</p> +<p>“Gij leest dan veel. En waarin bestaat alzoo uwe lectuur?” + +</p> +<p>“Ik ben op dit oogenblik aan het lezen van het schoone werk van den Amsterdamschen burgemeesterszoon, den ridder Pieter Cornelisz. +Hooft....” + +</p> +<p>“Zijne Nederlandsche Historiën voorzeker?” viel De Witt hem in de rede. “Een schoon werk in een keurigen, kernachtigen stijl.” + +</p> +<p>“En merkwaardige gebeurtenissen,” hernam de prins. “Overigens houden wij, Zuijlestein en ik, ons bezig met het repeteeren +van het vroeger geleerde.” + +</p> +<p>“En het lezen van de brieven, u door den Engelschen gezant ter hand gesteld?” vervolgde De Witt ietwat scherp en onverwacht, +om den Prins in verwarring te brengen en hem zoo de bekentenis te ontwringen, die hij van hem hoopte te hooren. Hij had echter +buiten den waard gerekend. Zonder te verbleeken of te blozen, zelfs zonder de oogen neder te slaan en toch zonder zijne lippen +met een logen te bezoedelen (want dat zou Willem Hendrik nooit gedaan hebben) antwoordde de Prins ongekunsteld: +<a id="d0e2109"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2109">74</a>]</span></p> +<p>“Uwe Edelheid vergist zich, wanneer zij denkt, dat ik de hulp van den heer Van Zuijlestein noodig heb, om Engelsche brieven +te lezen.—Ik durf zeggen, dat ik de taal genoegzaam machtig ben, om ze alleen te verstaan. Uwe Edelheid vergeet, dat mijne +moeder een Engelsche was.” + +</p> +<p>De Witt beet zich op de lippen. Wilde de Prins hem soms doen voelen, dat zijne correspondentie met het Engelsche hof een natuurlijke +zaak was en dat dus al zijne staatkundige geslepenheid niet in staat zou zijn, hem geheel en al aan dien invloed te onttrekken? +Nog in twijfel, wat de bedoeling van den knaap was, ging hij voort: + +</p> +<p>“En uwe grootmoeder is eene Duitsche Vorstin. Dus zal u de Hoogduitsche taal toch ook wel eigen zijn.” + +</p> +<p>“Ik vind, dat de Hoogduitsche taal voor ons gemakkelijk te verstaan, maar moeilijk te schrijven is,” antwoordde de Prins ontwijkend. + +</p> +<p>“En is uw koninklijke oom gezond?” hernam De Witt. “Schreef hij u niets ten aanzien van mij?” + +</p> +<p>“Maar, mijnheer de Raadpensionaris!” hernam de Prins glimlachend. “Uwe Edelheid vergeet, dat ik eerst tien jaar ben en dat +mijn oom, de Koning der drie Brittannische rijken, mij over geen staatkunde zal schrijven.” + +</p> +<p>Alweder was De Witt, de schrandere De Witt, in verlegenheid. Dien knaap kon hij niet doorgronden. Wat beteekende die bijvoeging +van <i>Koning der drie Brittannische rijken</i>, met zooveel kracht uitgesproken?—Nog meer werd hij in de war gebracht, toen de Prins er schijnbaar met de grootste onnoozelheid +bijvoegde: + +</p> +<p>“Mijn nicht Marie<a id="d0e2129src" href="#d0e2129" class="noteref">2</a>, de dochter van den hertog van <span class="letterspaced">York</span>, heeft mij geschreven, dat haars vaders beide schoonste jachthonden <a id="d0e2135"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2135">75</a>]</span>gejongd hebben. Ik zal mijn oom vragen, of hij mij een paar zal zenden,—ik houd dol veel van jachthonden, mijnheer de Raadpensionaris.” + +</p> +<p>“Zoo,” antwoordde De Witt droogjes. + +</p> +<p>“En van de jacht ook. Mijn vader bezat een groote, uitgestrekte jacht te <span class="letterspaced">Dieren</span>.” + +</p> +<p>“Dat weet ik,” hervatte De Witt even droog. + +</p> +<p>“En hier te <span class="letterspaced">Hondsholredijk</span> is ook een schoone jacht, mijnheer de Raadpensionaris.—Als ik groot ben, dan hoop ik hier dikwerf te jagen....” + +</p> +<p>“En heeft Uwe Hoogheid nog andere brieven uit <span class="letterspaced">Engeland</span> ontvangen?” hervatte De Witt, die zich de gelegenheid niet wilde laten ontnemen, om te weten met wie de Prins in correspondentie +stond. + +</p> +<p>“Voorzeker. Ook nog eene van Marie’s zuster, mijn nichtje Anna. Maar zij schrijft nog niet correct.—Doch, om tot de jacht +terug te keeren (en als de Prins op dat punt kwam, werd hij welsprekend) heeft Uwe Edelheid wel eens een leeuwenjacht bijgewoond?” + +</p> +<p>De vraag geschiedde, terwijl beiden stilstonden voor het hok van een prachtigen Afrikaanschen leeuw. Zij was dus zeer natuurlijk. +Maar dommer, kinderachtiger vraag kon er niet bestaan, en zulks juist op het oogenblik, dat de Raadpensionaris iets dacht +te zullen hooren. + +</p> +<p>“Maar Uwe Hoogheid!” antwoordde De Witt. “Er zijn immers geen leeuwen in de Geüniëerde Provinciën.” + +</p> +<p>“Uwe Edelheid kon een reis gedaan hebben naar <span class="letterspaced">Afrika</span>,” hernam de Prins. + +</p> +<p>“Ik naar <span class="letterspaced">Afrika</span>? Uwe Hoogheid railleert.” + +</p> +<p>“Uwe Edelheid vergeve het mijner kinderachtige domheid,” hernam de Prins. “Het kwam door het verlangen, dat ik koesterde om +eens een leeuwenjager te spreken. Het moet <a id="d0e2174"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2174">76</a>]</span>een fier en koninklijk dier zijn, zoo’n dier in zijn natuurstaat.” + +</p> +<p>“Eilacy, dat laat zich denken. Niet ten onrechte noemt men hem de koning der dieren, de vorst van het woud.” + +</p> +<p>“Geheel anders dan zoo gevangen te zitten en van den wil van een ander af te hangen,” hernam de Prins. “Als deze leeuw eens +werd losgelaten, zoudt gij dan niet denken, dat hij nog woester was dan de nooit gekerkerde?” + +</p> +<p>“Ik denk het niet,” hervatte De Witt. “Zulke leeuwen worden jong gevangen.” + +</p> +<p>“En zoudt gij dan denken, mijnheer de Raadpensionaris,” vervolgde de Prins, die zich door het oogenblik liet medeslepen, “dat +een leeuw geen leeuw blijft? Zoudt gij meenen, dat de jonge leeuw niet even goed de ketens voelt, die hem binden, als de volwassene? +Zoudt gij het niet met mij eens zijn, dat de gevangene leeuw, als hij zijn kerker ontkomt, nog woedender is dan de leeuw der +bosschen, die de vrijheid gewoon is en geen inkerkering te wreken heeft? Mij dunkt, als ik mij eens in de plaats van zoo’n +leeuw stelde en dan aan mijne afkomst gedacht, ik zou, zoodra ik de gelegenheid voor mij schoon zag, mijne traliën verbreken +en schrikkelijk op mijne bewaarders aanvallen.” + +</p> +<p>Met verbazing had De Witt naar den anders zoo stroeven en eenvoudigen knaap geluisterd. Hij had die oogen zien flonkeren van +een ongekend vuur, een licht rood zich over dat anders zoo bleeke gelaat zien verspreiden; hij had geestdrift gezien, waar +anders ijskoude onverschilligheid heerschte. Zou die knaap werkelijk gevoelen, dat hij de gekerkerde jonge leeuw was en zou +hij zich bewust zijn van zijne afkomst en zijne rechten? Nog vreemder echter zag de Raadpensionaris op, toen diezelfde knaap +met al de eenvoudigheid, zijnen leeftijd eigen, na een oogenblik gezwegen te hebben, voortging: + +</p> +<p>”’t Is zoo jammer, dat de leeuw altijd achter traliën moet zitten. Ik wou, dat men hem zoo tam kon maken als een hond, <a id="d0e2188"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2188">77</a>]</span>dan zou ik Uwe Edelheid vragen, om uit mijnen naam een verzoek aan de heeren Staten te doen.” + +</p> +<p>“En welk?” vraagde De Witt, verwachtende nu toch iets belangrijks te vernemen, misschien wel een verzoek, dat den Prins door +de brieven uit <span class="letterspaced">Engeland</span> was ingegeven. + +</p> +<p>“Om voor mij een tam leeuwtje uit <span class="letterspaced">Afrika</span> te laten overkomen en mij verlof te geven, het aan een koord op straat te mogen meenemen.” + +</p> +<p>Nu wist de schrandere, de geslepen staatsman niet meer, wat hij van dien knaap denken moest. Had hij zijns gelijke in politiek +gevonden, of liever, moest hij dien tienjarigen knaap als zijn meester in geslepenheid erkennen? Of was alles slechts eenvoudigheid, +en zocht hij meer in ’s Prinsen woorden, dan daarin lag? Hij wist het niet en was verlegen, wat te antwoorden, toen de komst +van Zuijlestein hem uit die verlegenheid redde. + +</p> +<p>Ik wil het gesprek tusschen dezen en De Witt mijnen lezers niet mededeelen, noch hen op hunne wandeling door de lanen van +het park vergezellen. Toen zij aan de gracht gekomen waren, die het vorstelijk paleis omgaf, bleven zij eenige oogenblikken +stilstaan, om te zien naar het werkvolk van baas Balkenende, dat op een steiger stond en bezig was, een nieuwe kroonlijst +aan het hoofdgebouw te maken. + + + +</p> +<p>Terwijl zij daar zoo stonden te kijken, gaf de Prins onwillekeurig een gil. Een der planken van de bovenste verdieping van +den steiger schoot uit, juist toen een knaap van ongeveer vijftien jaren er den voet op had gezet. De arme jongen tuimelde +en scheen reddeloos verloren; want de hoogte, van welke hij viel, moest hem noodwendig doodelijk zijn. Gij weet toch, hoe +een vrijvallend lichaam bij elke seconde in snelheid toeneemt, en al kwam de knaap dan ook in het water neder, de tegenstand, +dien dit element aan zulk een snelvallend lichaam moest bieden, kon niet anders dan hem noodlottig zijn. Maar <a id="d0e2206"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2206">78</a>]</span>met eene tegenwoordigheid van geest, die alledrie de aanschouwers verbaasde, greep de knaap een der stijlen, klemde er zich +terstond met beide handen aan vast en klom, alsof er niets gebeurd was, naar boven, waar hij <a id="d0e2208"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2208">79</a>]</span>doodbedaard aan het werk ging om een andere plank in plaats van de uitgeschotene te leggen. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p078.jpg" alt="" width="488" height="720"></div><p> + + +</p> +<p>“Dat noem ik tegenwoordigheid van geest. Zoo iets heb ik in mijn leven niet gezien,” zeide De Witt. + +</p> +<p>“Daar steekt iets groots in dien knaap,” meende Zuijlestein. + +</p> +<p>De Prins zeide niets; maar toen men zich weder op het paleis bevond en de Raadpensionaris vertrokken was, ging hij naar den +kant, waar de steiger stond, en riep den knaap. + +</p> +<p>“Heb je je niet bezeerd?” was zijn eerste vraag. + +</p> +<p>De knaap, die den prins niet kende, maar toch wel begreep dat hij niet zijns gelijke was, antwoordde op eerbiedigen toon: + +</p> +<p>“Ik had een leelijken val kunnen doen, jongeheer! Gelukkig, dat ik den stijl kon bereiken; anders had ik mijn zwemkunst moeten +gebruiken.” + +</p> +<p>“En was je niet verschrikt?” vraagde de Prins. + +</p> +<p>“Verschrikt? Dat zou ik geweest zijn, als ik den stijl niet had gezien. Maar toen ik voelde, dat de plank uitschoot, dacht +ik dadelijk: “Piet, maak dat je je aan het een of ander vasthoudt—anders is het met je gedaan.” En zoo kan ik niet zeggen, +dat ik er erg van ontsteld ben.” + +</p> +<p>“Je bent een fiksche knaap en kunt het ver brengen in de wereld. Hoe heet je?” + +</p> +<p>“Ik heet Pieter Pietersz en ben de jongste zoon van den pruikenmaker Pieter Dirksz uit de <span class="letterspaced">Spuistraat</span> te <span class="letterspaced">’s-Gravenhage</span>”. + +</p> +<p>“Welzoo! Ben jij een zoon van den pruikenmaker Dirksz? Dan ben je een broeder van mijn kamerdienaar Karel.” + +</p> +<p>“Van Uwen kamerdienaar....” riep Pieter uit, terwijl hij een lang gezicht zette, en meer verschrikte dan toen hij gevallen +was. “Dus dan heb ik de eer met zijne Hoogheid den Prins van Oranje te spreken.” + +</p> +<p>“Het is zoo,” antwoordde de Prins vriendelijk. “Maar laat dat je niet verschrikken. Ik ben immers geen wild beest.” +<a id="d0e2245"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2245">80</a>]</span></p> +<p>“De Hemel beware mij, Uwe Hoogheid!” antwoordde Pieter. “Maar—maar....” + +</p> +<p>“Hoor eens, Pieter,” hervatte de Prins. “Zeg mij, kan ik iets voor je doen? Je hebt getoond een onverschrokken knaap te zijn. +Ik kan wel niet veel, maar wat ik in mijne macht heb, staat je ten dienste. + +</p> +<p>“Ach, Uwe Hoogheid!” antwoordde Pieter. “Wat ik zoo gaarne wilde, staat toch niet in Uwe macht.” + +</p> +<p>“En wat is dat?” vroeg de Prins. + +</p> +<p>“Ik zou zoo gaarne zeeman willen worden, zooals mijn oom Klaas is; maar vader wil het niet toestaan.” + +</p> +<p>“Dat is een leelijk geval, Pieter. Ik weet, dat baas Dirksz stijf op zijn stuk staat. Maar wat ik kan, zal ik doen. Ik zal +er je broer Karel over spreken.” + +</p> +<p>“O, ik dank Uwe Hoogheid wel voor die gunst,” riep Pieter uit. + +</p> +<p>“Vaarwel, Pieter,” zeide de Prins, terwijl hij den krullenjongen verliet, die ’s avonds thuis kwam en zegevierend vertelde +met wien hij gesproken had. Van diens belofte echter zweeg hij wijselijk. + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/o029.gif" alt="Ornament." width="189" height="53"></div><p> + + + +<a id="d0e2266"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2266">81</a>]</span></p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2044" href="#d0e2044src" class="noteref">1</a></span> Zie “De zeeman tegen wil en dank.” 6<sup>e</sup> druk. Bl. 91. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2129" href="#d0e2129src" class="noteref">2</a></span> Later met den Prins gehuwd. +</p> +</div> +</div> +<div id="d0e2267" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e112">Inhoud</a>] +</span><div class="figure"><img border="0" src="images/o001.gif" alt="Ornament" width="570" height="134"></div> +<h2 class="label">Zevende Hoofdstuk.</h2> +<h2>Hoe een echt Hollandsche jongen zich wreekt.</h2> +<p style="
 background: url(images/ij081.gif) no-repeat top left;
 "><span style="
 float: left;
 width: 90px;
 height: 86px;
 background: url(images/ij081.gif) no-repeat;
 
 text-align: right;
 color: white;
 ">J</span>an IJzer had het voornemen opgevat, om te gelegener tijd wraak te nemen op Pieter, omdat hij dien als de oorzaak beschouwde +van zijne wegzending door baas Balkenende, en wij willen eens zien hoe hij dat voornemen ten uitvoer bracht. Gij herinnert +u, dat hij op een en ander ambacht gekomen was. Spoedig had hij hier andere kennissen gekregen, en zou men dus veronderstellen, +dat hij Pieter Dirksz en al wat er gebeurd was vergat. Maar neen—niet lang nadat Pieters voet hersteld was, kwam hij hem tegen, +en begon hem te schelden voor “klikspaan” en al zulke leelijke woorden. Pieter die al te zeer wist, dat hij onschuldig aan +het hem aangetegen kwaad was, en dat hij, ondervraagd zijnde, niets dan de waarheid had gesproken, antwoordde in het eerst +niet; maar toen Jan hem blijkbaar opwachtte, en niet ophield hem te schelden, besloot Pieter hem eens de kracht zijner vuisten +te laten voelen en takelde hem zoo toe, dat hij met een blauw oog op den <a id="d0e2274"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2274">82</a>]</span>winkel kwam. Toen zijne kameraads hem vraagden, waar hij dat gekregen had, durfde hij voor de waarheid niet uitkomen, maar +zeide, dat hij zich had gestooten. Zijn geheele uitzicht echter toonde aan, dat hij geplukhaard had. Om zich hierover te wreken, +besloot hij Pieter des avonds op te wachten en onverwachts te overvallen, welk plan hij met een paar zijner kameraads ten +uitvoer bracht en dat hem in het begin van September gelukte. Pieter, het wel tegen een, maar niet tegen drie kunnende uithouden, +zou gewis het onderspit gedolven hebben, indien hem niet bij geluk een voorbijganger ware te hulp gekomen, die hem uit hunne +handen had gered. + +</p> +<p>“Het was gelukkig, dat ik daar aankwam, knaap!” zeide de voorbijganger; “anders had men je braaf toegetakeld.” + +</p> +<p>“Ik dank Uwe Edelheid voor hare hulp,” antwoordde Pieter. “Drie tegen een, en dan zoo verraderlijk; daar is niemand tegen +bestand. Laat hen een voor een komen, dan sta ik ze.” En dit zeggende, balde hij de vuisten. + +</p> +<p>“Wie ben je, knaap, dat je zooveel moed in het lijf hebt?” vraagde de onbekende. + +</p> +<p>“Ik heet Pieter Pietersz en mijn vader is pruikenmaker in de <span class="letterspaced">Spuistraat</span>.” + +</p> +<p>“Aha! dan ben jij dat onverschrokken kereltje, dat op den huize te <span class="letterspaced">Hondsholredijk</span> bijna van den stijger viel.” + +</p> +<p>“Dezelfde. Doch hoe kan Uwe Edelheid dat weten?” + +</p> +<p>“Ik was met den heer Raadpensionaris en Zijne Hoogheid den Prins getuige van je val en je koenheid.” + +</p> +<p>“Zijne Hoogheid de Prins!” hernam Pieter. “O, ik had het geluk, dien te spreken. + +</p> +<p>“Zijne Hoogheid was zeer over je tevreden,” verzekerde de Heer Van Zuijlestein; want mijne lezers zullen wel reeds geraden +hebben, dat het niemand anders was <span id="d0e2300" class="corr" title="Bron: ">dan </span>deze, “en sprak met veel ingenomenheid over je.” +<a id="d0e2303"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2303">83</a>]</span></p> +<p>“Ik ben Zijner Hoogheid ten zeerste verplicht voor goede intentie, hervatte Pieter, terwijl hij een buiging voor den Heer +Van Zuijlestein maakt, “en, als het niet te vrij is, zou ik u wel willen verzoeken, Haar mijne gebiedenis te maken.” + +</p> +<p>“Met genoegen, Pieter.—Vaarwel!” hervatte Zuijlestein, terwijl hij zijn weg vervolgde. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>Het jaar 1661 liep ten einde en nog had zich weinig vorst doen gevoelen, toen eensklaps, kort vóór Kersttijd, de wind noordoostelijk +liep en zulk een felle koude aanbracht, dat binnen een paar dagen al het water in en om <span class="letterspaced">Den Haag</span> met een dikke ijskorst bevloerd was. Nu werden de schaatsen voor den dag gehaald; en de Haagsche jeugd, dol op het echt Hollandsche +ijsvermaak, had terstond de ijsschoenen klaar, hier een riem hersteld, daar nieuwe banden ingeregen, elders het in den zomer +geroeste of in den vorigen winter bot geworden ijzer laten slijpen, of hare spaarpenningen besteed om zich een paar nieuwe +vleugels aan te schaffen, welke, evenals die van Mercurius aan de voeten gebonden, de snelheid van dien voet vertiendubbelden. +Menigeen was reeds met een nat pak te huis gekomen; want de dartele knapen, verzot op het vermaak, konden niet wachten tot +de wateren genoegzaam bevloerd waren, maar waagden zich reeds op de spiegelgladde baan, alvorens het ijs de behoorlijke dikte +had verkregen om hen te dragen. Gelukkig als zij er maar met een nat pak afkwamen en er niet het leven bij inschoten. Nu is +er van dit laatste in ’s-<span class="letterspaced">Gravenhage</span>, ten minste bij eenige voorzichtigheid, weinig gevaar, en ik zal u dat uitleggen. De polder, die zich aan den zuidoostelijken +kant van de residentiestad bevindt, is zeer laag gelegen, en nu wordt het land reeds in het late najaar door het hooge water +geheel ondergezet: zoodat men zou meenen een uitgestrekt meer voor <a id="d0e2318"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2318">84</a>]</span>zich te zien<a id="d0e2320src" href="#d0e2320" class="noteref">1</a>. Wanneer dit water bevriest, schenkt het een uitgestrekt veld aan de liefhebbers der kunst van schaatsenrijden en wordt daarom +zeer druk bezocht. Nu is daar ook weinig gevaar van verdrinken, want zakt men door het ijs, dan valt men er tot de knieën, +op het ergst in een sloot, tot den hals toe in. Alleen op de diepere molenslooten, waar men—als de molens gemalen hebben—dikwijls +bomijs aantreft of—als het sterk gewaaid heeft—zoogenaamde windwakken, kan men gevaar loopen van te verdrinken. + +</p> +<p>Het was de tweede Kerstdag. Prins Willem Hendrik, die een aartsliefhebber van schaatsenrijden was en zich gaarne op den Vijver +voor het <span class="letterspaced">Binnenhof</span> met die kunst vermaakte, had zich met zijn goeverneur, zijn page Jan Theodoor Baron van Freisheim, zijn kamerdienaar en eenige +lakeien naar het veldijs begeven, reeds zwart van de menigte van schaatsenrijders; niet om de vlugge wendingen aan te zien, +maar om zelf zich met rijden te vermaken. Daar men het ijs nog niet sterk genoeg rekende, om zich op den <span class="letterspaced">Vijver</span> te wagen, die, meer besloten dan het open veld, nog niet te berijden was, bestond er hier geen de minste zwarigheid. Zoodra +dus Zijne Hoogheid met zijn gevolg op het veldijs gekomen was, ging hij op een stoel zitten en werden hem de keurige, fijne, +met zilver en ivoor ingelegde Friesche schaatsen aangebonden, welke hij van zijnen oom Willem Frederik, Stadhouder over <span class="letterspaced">Friesland</span> en sedert 1650 ook over <span class="letterspaced">Groningen</span> en <span class="letterspaced">Drente</span>, ten geschenke had ontvangen. Deze Willem Frederik, Graaf van <span class="letterspaced">Nassau</span> en de zoon van den Frieschen Stadhouder Ernst Casimir, was sedert ruim vier jaren gehuwd met ’s Prinsen tante Albertina Agnes, +zijns vaders zuster, en door dat huwelijk zijn oom geworden. +<a id="d0e2351"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2351">85</a>]</span></p> +<p>Eenvoudig maar sierlijk was de kleeding van den Prins. Zijn zwarte aan één kant opgeslagen hoed met de golvende witte struisveder, +die door een diamanten knoop met kleine parelen omzet, was vastgemaakt, zijn nauwsluitend fluweelen wambuis (zijn mantel had +hij aan zijn kamerdienaar overgegeven) uit welks poffen het wit satijnen onderkleed zich liet zien, de zwart fluweelen hozen +met zijden strikken boven de kuiten vastgemaakt, deden zijne slanke gestalte te beter uitkomen, terwijl hem de lichaamsbeweging +van het schaatsenrijden niet alleen eene losheid en bevalligheid scheen te geven, die hij anders ten eenenmale miste, maar +ook een blos op zijn ingevallen kaken verspreidde, die bij de levendige oogen zoo goed stond. + +</p> +<p>“Freisheim!” zeide de Prins tot zijnen page, toen hij, na een geruimen tijd gereden te hebben, eenige oogenblikken stil stond. +“Wij moesten eens om het zeerst naar gindschen molen rijden, hé?” + +</p> +<p>“Uwe Hoogheid zij indachtig, dat er gevaar bij dien rit is. De molenslooten zijn dikwijls met wakken.” + +</p> +<p>“Wij kunnen er over het veldijs naar toe,” antwoordde de Prins. “Zie maar, hoe ver de ijsspiegel zich uitstrekt.” + +</p> +<p>“Dan is het mij goed,” hervatte de page. + +</p> +<p>“Willem, wees toch voorzichtig!” vermaande Zuijlestein, die juist bij hen kwam. + +</p> +<p>“Mag ik Uwe Hoogheid en mijnheer den baron vooruit rijden; dan kunnen zij gerust voort en behoeven geen gevaar te vreezen?” +vraagde Karel. + +</p> +<p>“Doe dat, Karel!” antwoordde de Prins. “Maar wat snel.” + +</p> +<p>“Een goede, trouwe kerel, niet waar?” hervatte hij tot Freisheim, terwijl hij den kamerdienaar naoogde. “Hij zou zijn leven +voor mij laten.” + +</p> +<p>“Eilacy! Niet meer dan een staaltje van zijn devoir,” antwoordde de page. “Wij allen zouden dat doen, indien het noodig was.” + +</p> +<p>“Ik hoop zulk een sacrifice nooit van u te behoeven, Freisheim,” <a id="d0e2374"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2374">86</a>]</span>antwoordde de Prins. “Het zou mij weinig streelen, als iemand voor mij zijn leven in de waagschaal stelde. Maar komaan! Karel +is reeds half weg. Een—twee—drie.” + +</p> +<p>En met het laatste woord schoten beiden als een pijl uit een boog voort, terwijl de lakeien moeite hadden hen bij te houden. + +</p> +<p>Eensklaps stond de Prins stil en liet den jongen baron alleen rijden. Hij had een angstkreet gehoord van den kant der molensloot, +en spoede zich met andere schaatsenrijders derwaarts. Toen hij er aankwam, was reeds een groote menigte volks verzameld, die +om een wak stond te kijken. Zoodra de Prins kwam, week men eerbiedig voor hem terug. + +</p> +<p>“Wat is daar te doen?” vraagde hij aan een der omstanders. + +</p> +<p>“Er ligt een knaap in het water, Uwe Hoogheid! Hij is op een wak gekomen en er ingeschoten.” + +</p> +<p>“En is er dan niemand om den drenkeling te helpen?” vraagde de Prins. + +</p> +<p>“Wie zou zich in de diepe sloot durven wagen, waar misschien drift genoeg in is om iemand in een oogenblik twintig ellen onder +het ijs voort te sleepen? Één lijk is genoeg, Uwe Hoogheid.” + +</p> +<p>Nog eer de Prins kon antwoorden, drong een andere knaap door de menigte heen, gaf zijne schaatsen, die hij in de haast afgebonden, +en zijn wambuis, dat hij uitgetrokken had, aan een der omstanders, en sprong zonder bedenken in het wak. Niemand durfde zich +bewegen, niemand sprak een enkel woord. Ook de Prins stond daar sprakeloos en met ingehouden adem. Freisheim, die nog een +eind voortgereden was, voegde zich bij hem en zeide op vroolijken toon: + +</p> +<p>“Uwe Hoogheid schijnt van den rechten weg te zijn afgedwaald.” + +</p> +<p>“Stil, Freisheim!” antwoordde de Prins stroef. “Het geldt hier twee menschenlevens.” + +</p> +<p>De toon, waarop de Prins deze woorden sprak, deed den page zwijgen. Hij begreep, hoe ontijdig zijne scherts was geweest <a id="d0e2396"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2396">87</a>]</span>en bleef ook onbeweeglijk staan. Zuijlestein kwam eenige oogenblikken later aanrijden. + +</p> +<p>“Uwe Hoogheid moet niet stilstaan,” zeide hij. “Zij is te bezweet—de koude zou haar een ziekte op den hals halen.” + +</p> +<p>“Een oogenblik, mijn waarde Zuijlestein,” hervatte de Prins. “Er is hier een ongeluk gebeurd.” + +</p> +<p>Terwijl de Prins nog sprak, hoorde men een vreugdekreet: de moedige duiker kwam boven en hield den drenkeling in den eenen +arm, terwijl hij met den anderen zwom. + +</p> +<p>“Help mij!” riep hij op vermoeiden toon uit en terstond waren er twintig armen te gelijk gereed, van welke er eenige den drenkeling +naar zich toetrokken, terwijl andere den moedigen knaap uit het water hielpen. In dien tusschentijd was ook Karel naderbij +gekomen, en nauwelijks zag hij den onverschrokken jongen menschenvriend, of hij riep uit: + +</p> +<p>“Goede hemel! Pieter! heb je in het water gelegen....?” + +</p> +<p>“Is het je broer, Karel,” zeide de Prins; maar deze vergat Zijne Hoogheid en allen, die hem omringden, en snelde naar zijn +broeder toe. + +</p> +<p>“Het is niets, Karel,” antwoordde de knaap met zijne gewone onverschrokkenheid. “Waar zijn mijn schaatsen en mijn wambuis? +Ik ga spoedig naar huis om mij te drogen; want ik ben zoo nat als een kat.” + +</p> +<p>“Pieter Pietersz,” zeide de Prins, toen de knaap hem wilde voorbijgaan, “kom hedenmiddag om zes uur bij mij op het <span class="letterspaced">Binnenhof</span>.” + +</p> +<p>“Gij hier, Uwe Hoogheid!” riep Pieter en trad verschrikt een paar stappen achteruit. “Vergeef mij, dat ik u zoo onbeleefd +wilde voorbijstuiven.” + +</p> +<p>“Ga nu spoedig naar huis en onthoud wat ik je gezegd heb,” hernam de Prins. “Van middag om zes uur.” + +</p> +<p>“Ik zal tegenwoordig zijn,” antwoordde Pieter en stapte met groote schreden naar den wal. +<a id="d0e2423"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2423">88</a>]</span></p> +<p>“Ga met hem mede, Karel,” gebood de Prins, “en zeg aan je vader, dat je broeder een medemensch gered heeft. Zorg, dat hij +terstond warme en droge kleeren aantrekt.” + +</p> +<p>Dien namiddag ten zes uren trad Pieter bij den Prins binnen. Deze was blijkbaar afgemat van de inspanning van dien morgen; +hij zat in een grooten leuningstoel en aan zijn bleek en lusteloos gelaat was het duidelijk te zien, dat in hem de wil sterker +was dan het lichaam.—Niemand zou in dien matten, lusteloos daar neergevlijden knaap den sierlijken, vluggen, ja fieren schaatsenrijder +herkend hebben. + +</p> +<p>Toen Pieter werd aangediend, zat de Baron van Freisheim aan de tafel en las den Prins iets voor. + +</p> +<p>“Nu zal Uwe Hoogheid zich weer vermoeien,” zeide deze. “Laat den knaap morgen of overmorgen terugkomen.” + +</p> +<p>“Het zal mij niet vermoeien, Freisheim,” gaf de Prins ten antwoord. “Integendeel, het zal mij afleiding bezorgen.” + +</p> +<p>“Een mooi compliment voor mij,” gaf de baron eenigszins scherp ten antwoord, “die mij nog al uitsloof om u te occupeeren. +Ik kan dus wel heengaan.” + +</p> +<p>“Blijf, Freisheim,” zeide de Prins met iets gebiedends, maar tevens ook iets verzoekends in zijne stem, en, als speet hem +dat korte woord, voegde hij er bij: “Altijd dezelfde driftkop. Wanneer zult gij toch eens leeren uwe drift te betoomen!” + +</p> +<p>“Ik ben ook geen afstammeling van den grooten Zwijger,” antwoordde deze. “Het ligt in uw geslacht, Uwe Hoogheid! om over zijn +drift te heerschen. Ik admireer u, imiteeren kan ik u niet.” + +</p> +<p>“<i>Mij</i> imiteeren?” zeide de Prins met een treurigen glimlach. “Doch daar is de knaap. Kom nader, Pieter!” + +</p> +<p>Pieter kwam bedeesd nader. De pracht, die er in de kamer heerschte, de tegenwoordigheid van den page, ja zelfs die van den +Prins, nu hij wist dat hij de Prins was, maakten hem verlegen. +<a id="d0e2447"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2447">89</a>]</span></p> +<p>“Ik heb van Karel gehoord, dat het een vijand van je was, dien je gered hebt.” + +</p> +<p>“Vijand, Uwe Hoogheid? Dat heeft Karel u verkeerd overgebracht. Wij jongens hebben geen vijanden.” + +</p> +<p>“Ik meen toch dat het dezelfde was, uit wiens handen mijn goeverneur de heer van Zuijlestein je eens heeft verlost.” + +</p> +<p>Pieter werd rood als vuur. “Uit zijne handen verlost,” dat was eene beleediging voor den <span id="d0e2456" class="corr" title="Bron: Hollanschen">Hollandschen</span> knaap. Hij vergat, voor wien hij stond, en zeide op driftigen toon: + +</p> +<p>“Uit zijn handen? Dat is een leugen, Uwe Hoogheid!” Doch zich bedenkende, voegde hij er kalmer bij: “Men heeft u verkeerd +onderricht, Uwe Hoogheid! Hij had twee andere jongens bij zich en tegen de overmacht kan de beste het niet uithouden.” + +</p> +<p>Freisheim, die achter Willems stoel was gaan staan, fluisterde den Prins op satirieken toon toe: + +</p> +<p>“Ook al een driftkop, Uwe Hoogheid! Ik ben dus de eenige niet!” + +</p> +<p>De Prins zag glimlachend tot hem op en dreigde hem met den vinger. Zich toen tot Pieter wendende, ging hij voort: + +</p> +<p>“Je schijnt reeds sedert lang in vijandschap te leven met dien knaap. Wat is daar de oorzaak van?” + +</p> +<p>Pieter vertelde het den Prins, en eindigde: + +</p> +<p>“Uwe Hoogheid ziet dus wel, dat de schuld niet aan mij ligt. Intusschen moest ik mij verdedigen.” + +</p> +<p>“Wel zeker. Maar hoe raakte de knaap in het ijs?” + +</p> +<p>“Toen Jan mij zag, begon hij mij te sarren, voor allerlei leelijke dingen uit te schelden, ja, met vuil te werpen. Dat kon +ik niet langer velen, ik werd driftig, hief mijn haak op en reed op hem aan. Jan, wel wetende, dat ik vlugger rijder ben dan +hij, begon beenen te maken, maar ik kwam hem al nader en nader, terwijl ik al driftiger en driftiger werd. Inderdaad, Uwe +Hoogheid! als onze lieve Heer het niet had verhoed, dan had ik hem mogelijk doodgeslagen; want dat sarren kan ik niet velen.” +<a id="d0e2477"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2477">90</a>]</span></p> +<p>“Dat is nog een soort erger dan ik, dien Uwe Hoogheid zoo dikwijls om mijne drift beknort,” fluisterde Freisheim weder. + +</p> +<p>“Foei, Pieter,” zeide de Prins, “het is zeer zondig, om zoo aan zijn toorn toe te geven. Je zoudt op die wijs een moordenaar +hebben kunnen worden.” + +</p> +<p>“Ik weet het, Uwe Hoogheid!” antwoordde Pieter beschaamd. “Maar wat deed Jan mij ook te sarren? Intusschen hoop ik, nooit +weer driftig te worden.” + +</p> +<p>“Dat is een goed voornemen, Pieter. Doch ga voort.” + +</p> +<p>“Om mij te ontgaan, was er geen middel meer. Ik kwam hem al op de hielen en lichtte reeds den stok met ijzeren haak op, om +dien het volgend oogenblik op zijn hoofd te doen nederdalen; toen Jan, geen andere kans op redding ziende, eensklaps zwenkte +en in snelle vaart de molenvliet trachtte over te komen: waar hij zeker was, dat ik hem niet zou volgen. Want wie—hoe driftig +hij ook is—waagt zich op dit oogenblik al op het ijs van een molenvliet? Daar ik op zijn wending niet verdacht was, schoot +ik nog een eind voort, en toen ik mijn zwaai nam, zag ik hem op het midden van de sloot de handen wanhopig ten hemel heffen +en in hetzelfde oogenblik in de diepte verzinken. ’t Was alsof mij koud water over de leden stroomde: al mijn bloed scheen +eensklaps naar mijn hart terug te keeren. Mijn drift was bekoeld: ik gaf een gil en bleef stokstijf staan. Maar ik bedacht +mij niet lang. Ik strikte mijn schaatsen los, trok mijn wambuis uit—en Uwe Hoogheid zag, hoe het mij gelukte den knaap te +redden.” + +</p> +<p>“En waarom heb je je zoo spoedig weggemaakt? Waarom wachtte je niet totdat de geredde was bijgekomen?” + +</p> +<p>“Omdat,” stotterde Pieter, terwijl hij verlegen op zijn vingers beet, “omdat... ik bang was, dat Jan mij zou bedanken.” + +</p> +<p>“En stelde je er dan geen belang in, of de geredde weer in het leven was gekomen?” vraagde de Prins. +<a id="d0e2494"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2494">91</a>]</span></p> +<p>“Zóó lang had hij niet in het water gelegen, dat hij al dood kon zijn, of hij moest er dood in gevallen zijn, en dat wist +ik beter (de Prins en de baron moesten om deze koddige opmerking glimlachen). Daarenboven—ik had hem er uitgehaald en dat +was mijn plicht. Er waren menschen genoeg bij, om hem verder te behandelen.” + +</p> +<p>“En je hebt dus niet eens naar hem vernomen?” + +</p> +<p>“Ik dacht slechts om droge kleeren aan te trekken en toen ik dit gedaan had, ben ik eens naar zijne buurt gewandeld, en vernam, +dat hij levend thuis gebracht is en nu te bed ligt, zeker om de kou, die hij gevat heeft, uit te jagen.” + +</p> +<p>“En jij, Pieter! Heb jij dan geen kou gevat?” + +</p> +<p>“Uwe Hoogheid, dat is niet hetzelfde. Mijn beroep is timmerman en ik moet in weer en wind, dikwijls in plasregens of sneeuwbuien, +boven op daken of schouwen klimmen; dat maakt mij gehard;—Jan daarentegen is bij den goudsmid Verhoef, en staat meest aan +den heeten smeltoven.” + +</p> +<p>“Verhoef?” zeide de Prins. “Die naam komt mij bekend voor.” + +</p> +<p>“Hij heet Hendrik Verhoef en woont op de <span class="letterspaced">Vogelenmarkt</span>.” + +</p> +<p>“Maar Jan zal je toch wel komen bedanken.” + +</p> +<p>“Mijnentwege mag hij het laten, Uwe Hoogheid. Ik begeer geen dank van hem, vooral niet voor die beuzeling. ’t Is de moeite +niet waard om er van te spreken; ik zou hetzelfde voor een hond of een kat gedaan hebben.” + +</p> +<p>De jonge Prins glimlachte om deze taal. + +</p> +<p>“Je maakt al bitter weinig ophef van je daad, Pieter,” zeide hij. “Intusschen heb je getoond een goed hart te bezitten; ik +wensch je daarvoor te beloonen.” + +</p> +<p>“Beloonen?—Uwe Hoogheid steekt den draak met mij. Daarenboven,” voegde hij er wel ietwat trotsch bij, “ik begeer geen loon.” + +</p> +<p>“Laat mij je dan een gedachtenis geven,” zeide de Prins, <a id="d0e2524"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2524">92</a>]</span>terwijl hij een ring van zijn vinger trok. Thans kan ik nog weinig voor je doen. Maar mocht ik eens in staat zijn, je van +dienst te wezen, dan kun je mij dezen ring toonen en aanspraak maken op mijne hulp.” + +</p> +<p>De knaap nam het kleinood aan, kuste dat en zeide: + +</p> +<p>“Dien ring zal ik altijd op mijn borst dragen, Uwe Hoogheid...” + +</p> +<p>Op dit oogenblik kwam Karel binnen. + +</p> +<p>“Zijne Edelheid de Raadpensionaris houdt voor de deur stil,” zeide hij. + +</p> +<p>“Je kunt thans heengaan, Pieter,” hervatte de Prins met ongeduld; hij wenschte blijkbaar, dat De Witt den knaap hier niet +zou ontmoeten. + +</p> +<p>Nauwelijks was Pieter vertrokken, of een bediende kondigde den nieuwen bezoeker aan. Kort daarop trad deze binnen, thans in +het zwart, heel eenvoudig gekleed. + +</p> +<p>“Ik wenschte Uwe Hoogheid een oogenblik alleen te spreken,” begon hij. + +</p> +<p>De page verwijderde zich; De Wit nam plaats op een stoel. De Prins bleef zwijgend in den zijnen zitten. + +</p> +<p>“Uwe Hoogheid schijnt afgemat,” begon de Raadpensionaris terwijl hij zijn doordringend oog op Willem Hendrik van <span class="letterspaced">Oranje</span> vestigde. + +</p> +<p>“Vindt Uwe Edelheid dat?” vraagde de Prins ontwijkend. + +</p> +<p>“Uwe Hoogheid moest zich het genot van het schaatsenrijden niet permitteeren. Het is te fatiguant voor Haar gestel.” + +</p> +<p>“Dunkt Uwe Edelheid dat?” hernam de Prins onderworpen. + +</p> +<p>“Daarenboven past het Uwe Hoogheid weinig, zich met den grooten hoop op het veldijs te amuseeren. Waartoe toch is anders de +<span class="letterspaced">Hofvijver</span> alleen voor U en Uw gevolg?” + +</p> +<p>“Maar het ijs op den <span class="letterspaced">Hofvijver</span> is nog te zwak.” + +</p> +<p>“Dan moet Uwe Hoogheid wachten tot het sterk is. Wanneer Uwe grootmoeder, hare Hoogheid de Prinses-weduwe, van <a id="d0e2565"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2565">93</a>]</span>hare reis terugkomt, zal zij zeer ontevreden zijn als zij hoort, wat Uwe Hoogheid gedaan heeft.” + +</p> +<p>“Dunkt Uwe Edelheid dat?” vervolgde de Prins op denzelfden onderworpen toon. + +</p> +<p>“Ik kom U slechts waarschuwen,” hernam De Witt. “Men heeft aan Uwe komst op het veldijs zeer verkeerde bedoelingen toegedicht. +Men heeft gezegd, dat uwe Hoogheid het gedaan heeft, om zich in de gunst van het volk te dringen en verdeeldheid te zaaien. +Mijne meesters, de Heeren Staten-Generaal, zouden dat wel eens euvel kunnen opnemen.” + +</p> +<p>“Die goede Heeren Staten!” hervatte de Prins schijnbaar onnoozel. “En zouden Hunne Hoogmogenden zich willen occupeeren met +het schaatsenrijden van een elfjarigen knaap? Het zou waarlijk te veel eer voor mij zijn, mijnheer De Witt. Ik begrijp niet, +wat voor belang zij er bij kunnen hebben, of ik op den <span class="letterspaced">Hofvijver</span> of op het veldijs mij met schaatsenrijden vermaak.” + +</p> +<p>“Ook heeft Uwe Hoogheid geld onder het volk uitgedeeld en men heeft seditieuze woorden geuit, en over U gejuicht.” + +</p> +<p>De Prins kleurde even, doch hernam: “Uwe berichtgevers hebben Uwe Edelheid verkeerd onderricht, mijnheer de Witt.” + +</p> +<p>“Uwe Hoogheid heeft toch geld uitgedeeld?” + +</p> +<p>“Ik heb een geldstuk gegeven, aan twee mannen, die een drenkeling tot zijn bewustzijn hadden teruggebracht. Zij zouden hem +naar huis brengen. Indien men zulks geld uitdeelen wil noemen, dan is Uwe Edelheid goed onderricht.” + +</p> +<p>“De knaap, die mij daar in de gang tegenkwam, is door u ontboden,” hernam De Witt streng. “Geeft dat pas?” + +</p> +<p>“Ik wist niet, dat ik daaraan verkeerd deed,” antwoordde de Prins nog steeds op ootmoedigen toon. “Uwe Edelheid herinnert +mij daardoor aan een belofte, hem gedaan. Mocht die knaap ooit hulp of protectie noodig hebben, zoo zij hij in de <a id="d0e2588"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2588">94</a>]</span>welwillendheid van Uwe Edelheid aanbevolen. Hij waagde zijn leven, om een drenkeling te redden.” + +</p> +<p>“Hoe is zijn naam?” + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p094.jpg" alt="" width="611" height="715"></div><p> + + +</p> +<p>“Pieter Pietersz, een zoon van den pruikenmaker Pieter Dirksz in de <span class="letterspaced">Spuistraat</span>.” + +</p> +<p>“Wij zullen zien,” antwoordde De Witt, terwijl hij den naam van den aanbevolene in het zakboekje schreef, dat hij altijd bij +zich had, en waarin ook de nauwkeurige berekeningen stonden van de vermoedelijke uitgaven en inkomsten van den Staat. Terwijl +hij echter den naam schreef, mompelde <a id="d0e2602"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2602">95</a>]</span>hij: “Dat is een vuile aanhanger van de Oranjepartij.” + +</p> +<p>“En nu,” vervolgde hij luide tot den Prins, “raad ik Uwer Hoogheid, in Haar eigen belang, om zoo iets niet meer te doen. Uwe +Hoogheid herinnere zich, dat de Heeren Staten zulke dingen niet bedaard zouden kunnen aanzien, en dat Uwe voogden zich deswege +niet zouden kunnen verantwoorden.” + +</p> +<p>Met deze woorden verliet de Raadpensionaris den jongen Prins, in de volle zekerheid, dat deze niet meer zulke demonstratiën +zou verwekken en ten eenenmale gerust, dat die onnoozele onderworpen knaap niet anders was dan een werktuig, dat hij slechts +buiten Engelschen invloed behoefde te houden, om het naar zijn welgevallen te besturen. + +</p> +<p>Had Johan de Witt door de deur der kamer kunnen heenzien, of was hij het vertrek weder binnengetreden, hij zou het zoo licht +niet gerekend hebben, dien knaap te beheerschen. Nauwelijks toch was de Raadpensionaris vertrokken en de deur achter hem gesloten, +of diezelfde bedaarde, onderworpen knaap sprong van zijn stoel op; twee groote tranen ontwelden aan zijn oogen, hij balde +krampachtig de vuisten, en terwijl hij zenuwachtig het vertrek op en nederliep, en voor het portret van zijn overgrootvader +Willem den Eerste, bleef stilstaan; riep hij uit: + +</p> +<p>“Groote God! Moet de afstammeling van den grondlegger der vrijheid dezer landen, van den redder des vaderlands, zich zóó laten +trappen! O, indien gij op mij nederzaagt, gij, die goed en bloed hebt opgeofferd voor dit goede land.... Gij.... neen, frons +uwe wenkbrauwen niet. Ik zal dulden, ik zal zwijgen; maar ik zal ook nooit de spreuk van ons huis vergeten<a id="d0e2612src" href="#d0e2612" class="noteref">2</a>. Het groote doel, waarnaar ik streef, zal ik met Gods hulp toch eenmaal bereiken door geduld, moed en lijdzaamheid. Oui, +je maintiendrai!” +<a id="d0e2615"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2615">96</a>]</span></p> +<p>Op dit oogenblik werd de kamer geopend. Snel wischte de Prins de tranen weg, even snel trad hij aan het raam als wilde hij +de Raadpensionaris nakijken. + +</p> +<p>“Het schijnt, dat de heer De Witt Uwe Hoogheid van hare vermoeienis van hedenmorgen genezen heeft,” zeide de binnenkomende +page min of meer spottend. + +</p> +<p>“Men heeft er behoefte aan, Freisheim, hen na te oogen, die het goed met ons meenen,” antwoordde de Prins bedaard. + +</p> +<p>“Hij het goed met Uwe Hoogheid meenen?” hernam de page met een ongeloovig schouderophalen. + +</p> +<p>“Beter dan gij misschien denkt, Freisheim. Hij is mij vriendelijk komen waarschuwen en ik ben er hem dankbaar voor. Doch nu +zoudt gij mij genoegen doen, uwe lectuur van straks voort te zetten. Wij waren gebleven aan de woorden: Zij bewonderden hem +van ganscher harte.” + +</p> +<p>“Uwe Hoogheid heeft een singulier geheugen,” hervatte de page, die met zijn nagel een streep had gehaald, waar hij bij het +binnentreden van Pieter was gebleven. Op een wenk van den Prins zette hij zijn lectuur voort. + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/o096.gif" alt="Ornament." width="218" height="62"></div><p> + + + +<a id="d0e2632"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2632">97</a>]</span></p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2320" href="#d0e2320src" class="noteref">1</a></span> Zeker Fransch reiziger, die des winters ’s-<span class="letterspaced">Gravenhage</span> bezocht, schreef dan ook in zijn reisverhaal: “<span class="letterspaced">La Haye</span> est située sur un grand lac.” De plaats, waar vroeger het veldijs lag, is nu bebouwd met huizen, straten en pleinen. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2612" href="#d0e2612src" class="noteref">2</a></span> Je maintiendrai. Ik zal handhaven (volhouden). +</p> +</div> +</div> +<div id="d0e2633" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e112">Inhoud</a>] +</span><div class="figure"><img border="0" src="images/o097.gif" alt="Ornament" width="585" height="147"></div> +<h2 class="label">Achtste Hoofdstuk.</h2> +<h2>Een dure slaapkameraad.</h2> +<p style="
 background: url(images/iw001.gif) no-repeat top left;
 "><span style="
 float: left;
 width: 90px;
 height: 86px;
 background: url(images/iw001.gif) no-repeat;
 
 text-align: right;
 color: white;
 ">W</span>ij slaan bijna zestien maanden over en begeven ons in het laatst van de maand April van het jaar 1663 nogmaals naar de woning +van den pruikenmaker Pieter Dirksz. Als wij den winkel binnentreden, vinden wij er slechts één jongen. En als wij dien jongen +aandachtig beschouwen, schijnt hij somber en gedrukt te zijn. Er is dan ook groote reden van droefheid in het huis van Pieter +Dirksz, en die reden is de oorzaak, dat wij ook in de kamer achter den winkel niemand vinden. Wij doen dus de deur aan de +linkerzijde open, treden de gang in en gaan de trap op, die ons op een donker portaal brengt, waar wij behalve de zoldertrap +twee deuren vinden, van welke de eene tot de voor-, de andere tot de achterkamer toegang schenkt. Wij doen laatstgenoemde +open en bevinden ons in een tamelijk ruim vertrek, waar wij in een ledikant met vierkanten hemel, van hetwelk de voorgordijnen +zijn weggeschoven, vader Dirksz vinden liggen. Gij zoudt hem bijna niet meer kennen, den pruikenmaker, zoo zijn die wangen +ingevallen, zoo hol staan die oogen, zoo bleek is dat gelaat. Sedert den vorigen herfst <a id="d0e2640"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2640">98</a>]</span>had de goede man geen gezond uur meer gehad. Een zware gevatte koude, die hem op de longen was geslagen, had hem eerst eenigen +tijd in huis gehouden; toen echter alle gewone huismiddeltjes, waarvan onze voorouders machtig veel hielden, niets baatten, +had men den dokter gehaald. Maar ook de kunst van dezen had niets kunnen uitrichten; de goede Dirksz verzwakte al meer en +meer, en eindelijk kon de geneesheer het niet meer verbergen, dat onze pruikenmaker de longtering had en dat de dagen zijns +levens geteld waren. + +</p> +<p>Daar waren zij dan allen om zijn bed geschaard, zijne kinderen. Aan het hoofdeinde zat de trouwe Martha, die, sedert het huwelijk +harer zuster met den kleedermaker Govert Knipschaar, het huishouden haars vaders had opgehouden en hem in zijne ziekte trouw +verpleegd en opgepast had. Tegenover haar, aan het voeteneinde van het ledikant, zat Marie, die men had laten halen, omdat +vader zoo naar was. Karel, Jacob, Evert en Pieter stonden voor het bed van den stervende geschaard. Deze was nog helder van +geest, en ofschoon hij wel wist, dat hij spoedig zou heengaan, getroost in de beschikkingen van den Hemelschen Vader, die +best weet wat goed is voor Zijne menschenkinderen; ja, hij verlangde zelfs naar den dood, die hem zou bevrijden van de vreeselijke +benauwdheden, welke zich al meer en meer vermenigvuldigden, en hem zou brengen bij zijn Verlosser en Zaligmaker, die ook voor +hem aan het kruis op Golgotha was gestorven. Hij gevoelde, dat het uur van zijn verscheiden nabij was en had daarom zijne +kinderen om zich heen verzameld, om hun nog eenige vaderlijke lessen mede te deelen en afscheid van hen te nemen. + +</p> +<p>Ik behoef u dan ook niet te zeggen, dat allen diep bedroefd waren en in tranen wegsmolten. Zij beloofden hunnen stervenden +vader, dat zij zijne lessen nimmer zouden vergeten, dat zij <a id="d0e2646"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2646">99</a>]</span>steeds God den Heer voor oogen houden en elkander zouden liefhebben tot aan hunnen dood. + +</p> +<p>“Ik sterf gerust,” ging vader Dirksz voort; “want ik ga naar mijn Verlosser en Middelaar, den Heer Jezus Christus. Bij Hem +zal ik Uwe lieve moeder terugvinden,—ik hoop u allen daar eens te zien.” + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p099.jpg" alt="" width="621" height="523"></div><p> + + +</p> +<p>Op dit oogenblik werd de kamerdeur geopend; allen wendden hun blik naar dien kant en zagen niemand anders dan oom Klaas, die, +na eene afwezigheid van bijna twee jaren, met den vice-admiraal De Ruyter, den 19<sup>den</sup> uit de <span class="letterspaced">Middellandsche zee</span> te <span class="letterspaced">Texel</span> was binnengeloopen en zich, zoodra hij verlof kon bekomen, had heengespoed, om zijn broeder te bezoeken. Weinig had de man +gedacht, dat hij den geliefde in zulk een toestand zou terugvinden. +<a id="d0e2664"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2664">100</a>]</span></p> +<p>“Ach, oom!” riep Pieter uit, die het eerst op hem toeliep. “Vader is zoo erg ziek. Hij zal het niet lang meer maken.” + +</p> +<p>“Wat zeg je, Pieter?” riep de zeeman verschrikt uit, terwijl hij zich naar het bed van den stervende begaf, waar Martha hem +hare plaats inruimde. + +</p> +<p>“Het is zoo, Klaas,” antwoordde de kranke. “Mijne uren zijn geteld, en ik dank den Heer van leven en dood, dat ik je nog vóór +mijn sterven mag zien. Ik durfde het niet hopen.” + +</p> +<p>“Mijn arme broeder! mijn arme Pieter!” riep oom Klaas uit. “Moest ik daarom hier komen, om je te zien sterven! Het was alsof +ik er een voorgevoel van had. Ik wist maar niet, hoe spoedig ik herwaarts zou stevenen; ik verlangde zoo om je te zien.—Maar,” +ging hij tot Marie voort, “verhaal mij eens, hoe dat alles zich heeft toegedragen.” + +</p> +<p>Marie voldeed hieraan, en toen oom Klaas hoorde, dat zij gehuwd was, kon hij toch niet laten, er een paar rijmpjes van Cats +bij te brengen. + +</p> +<p>“Wel kind!” zeide hij. “Al getrouwd! Ja, jonge jaren willen paren, zegt vader Cats, en je hebt goed gedaan ook; want geen +beter gemak, dan eigen dak.” + +</p> +<p>Toen men hem alles van de ziekte van vader Dirksz verhaald had, vatte hij de hand zijns broeders. Tranen stonden in zijne +oogen. + +</p> +<p>“Beste Pieter,” zeide hij. “Je zult het wel ondervonden hebben, wat onze vrome Cats zegt: hoe zwaarder lot, hoe nader God! +En dat zal je zeker verkwikt hebben op je ziekbed.” + +</p> +<p>“Dat heeft het mij, Klaas,” antwoordde de stervende. “En de Heer heeft mij groote zegeningen op mijn ziekbed geschonken. Een +daarvan is, dat ik je nog vóór mijn sterven mag zien, dat jij mij de oogen zult toedrukken en na mijn dood de vriend en de +raadsman mijner kinderen zult zijn.” + +</p> +<p>“Dat beloof ik je, Pieter,” antwoordde oom Klaas. “Je kunt daarop je hoofd gerust nederleggen.” +<a id="d0e2685"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2685">101</a>]</span></p> +<p>“Ik heb nog een bede aan je, Klaas!” vervolgde de stervende. “Je weet, hoe mijn Pieter reeds voor twee jaren naar zee wilde +gaan.” + +</p> +<p>“En hoe je daar tegen waart, en ik het ook afried.” + +</p> +<p>“En hoe wij afspraken, om de zaak op zijn beloop te laten,” hernam de zieke, “en te zien of de jongen bij zijn plan bleef.” + +</p> +<p>“Juist, Pieter, en is de jongen nog altijd in het oude zog blijven varen?” + +</p> +<p>“Ja. Ik wil hem dan ook gaarne zijn zin geven.” + +</p> +<p>“Zoo, Pieter! Daar doe je wijs aan. Wat zal ik zeggen: hadden wij allen één zin, wij liepen allen één weg. De knaap zal dus +zeeman worden?” + +</p> +<p>“Met Gods hulp, ja. Maar, beste Klaas! Je weet best, wat voor verleiding er op zee is. Wil je den knaap tot vader strekken?” + +</p> +<p>“Of ik dat wil? Dat behoef je niet te vragen. Ik beloof het je.” En dit zeggende, drukte de ronde zeeman de hand van zijn +broeder. + +</p> +<p>De komst van oom Klaas gaf een geheele verandering in de gemoedsgesteldheid van de kinderen des stervenden. Ieder ging weder +aan zijn werk, terwijl oom Klaas, die verzekerd had dat vader nog wel niet zoo spoedig zou sterven, aan het bed bleef zitten +en, wat de kranke er tegen inbracht en hoe ook de kinderen er tegen protesteerden, dien nacht bij zijn broeder bleef waken. +Martha wilde zoo gaarne bij hem opblijven; maar oom had haar naar bed gejaagd en beloofd, haar te zullen roepen, als er dadelijk +gevaar van sterven was. + +</p> +<p>In den morgenstond van den volgenden dag stierf Pieter Dirksz, en liet zijne kinderen als weezen achter. Ik zal u hunne droefheid +niet schetsen; het was een heele troost voor hen, dat oom Klaas bij hen was. Hij gaf hun den noodigen raad, hoe zij te handelen +hadden met de begrafenis, en wat hun verder <a id="d0e2706"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2706">102</a>]</span>te doen stond om de zaken van hun overleden vader te regelen, volgens de toenmalige wetten. Intusschen moet ik u nog een enkel +woord van de begrafenis mededeelen. Toen vader Dirksz overleden was, zond oom Klaas den winkeljongen naar den gildeknecht, +die den doode aan al de broeders van het pruikenmakersgild aanzeide. Vervolgens werd den leden van het gild, die volgens den +rooster dragen moesten, door gemelden gildeknecht aangezegd, om met lamfers aan hunne hoeden en rouwmantels om, op den dag +der begrafenis op het daartoe bepaalde uur te verschijnen ten sterfhuize, ten einde den overledene te dragen; welke rouwmantels, +een eigendom van het gild, hun door den knecht aan huis bezorgd en later bij hen afgehaald werden. De andere leden van het +gild, die twee aan twee achter het lijk zouden gaan, moesten in hunne gewone kleeding, in hunne wijde en lange mantels op +hetzelfde uur komen. Vóór het lijk uit ging een lid van het aansprekers- of biddersgild, dat sedert 1626 tot op tien leden +verminderd was, welke door den Magistraat moesten beëedigd worden. De aanspreker of bidder ging eerst, op hem volgde de knecht +van het gild met het beeld van den schutspatroon op een vaandel, daarop de lijkkist met een lakensch rouwkleed (pelt) bedekt, +welks slippen door den deken en de drie hoofdlieden werden vastgehouden, terwijl de kist zelf door de reeds genoemde leden +van het gild werd gedragen. Vlak daarachter volgden: eerst Karel en Jacob, toen Marie’s man met Evert en eindelijk oom Klaas +met Pieter, alle zes met lamfers aan de hoeden en rouwmantels om, welke hun door het biddersgild verhuurd waren. Achter hen +aan traden twee aan twee de leden van het gild. Zoo trok de stoet de <span class="letterspaced">Spuistraat</span>, <span class="letterspaced">Vlamingstraat</span> en <span class="letterspaced">Schoolstraat</span> door, tot aan de Groote kerk, waar de kist van Pieter Dirksz in een graf, dat in het daarom gelegen kerkhof gedolven was, +werd nedergelaten, en de <a id="d0e2717"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2717">103</a>]</span>stoet naar huis terugkeerde. Hier hadden Marie en Martha intusschen gezorgd voor het noodige. Brood, vleesch, kaas, worst, +bier, brandewijn, alles stond in overvloed voor het “begrafenismaal” gereed. Men zou gemeend hebben, als men dien opgetorenden +schotel met brood zag, dat deze mannen van verre plaatsen gekomen waren en nog heel wat te reizen hadden, of dat die wandeling +van de Spuistraat naar de Groote kerk hun hongerige magen bezorgd had. Maar dat was toen en nog lang daarna de gewoonte, en +hoe meer brood en vleesch en kaas en worst en bier en brandewijn er gebruikt werd, hoe meer men daarmede den overledene eer +bewees,—een treurig overblijfsel van de Germaansche lijkfeesten. Het gebeurde dan ook dikwijls, dat zulk een begrafenismaal +vrij wat vroolijker afliep dan menige bruiloft, en dat er bij den afloop menig vriend van den overledene naar huis ging, die +zoo lang drankoffers aan den afgestorvene geplengd had, tot hij eindelijk, mooi boven zijn bier en zwaaiend langs de straten, +blij was, als hij zonder vallen en horten en stooten zijn woning bereikt had. Men had dan ook begrafenisbier, begrafeniskaas +en dergelijke. Gelukkig dat die “begrafenismalen” in de steden althans<a id="d0e2719src" href="#d0e2719" class="noteref">1</a> zijn afgeschaft. + +</p> +<p>Daar men gedurende de dagen tusschen het overlijden en de begrafenis toch niet altijd over vader Dirksz kon spreken, zoo had +Pieter oom Klaas verzocht, te verhalen, wat hem alzoo gedurende zijne laatste reis gebeurd was, en de goede man voldeed hieraan +volgaarne, te meer, daar ook de anderen hem zulks vraagden. Ik zal u intusschen dat verhaal niet in zijn geheel mededeelen, +maar er liever enkele bijzonderheden van aanstippen. +<a id="d0e2730"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2730">104</a>]</span></p> +<p>In het laatst van de maand Mei 1661 met een vloot van tien schepen in zee geloopen, keerde de Vice-admiraal De Ruyter den +30<sup>sten</sup> Juni daarop naar <span class="letterspaced">Texel</span> terug, werwaarts hij ettelijke Nederlandsche schepen begeleid had. Eerst den 17<sup>den</sup> Juli vertrok hij met zeventien bodems naar de <span class="letterspaced">Middellandsche zee</span>, om de Turken voor het nemen onzer schepen te tuchtigen en de zee, zooveel mogelijk, van roovers schoon te vegen. Ik zal +u niet verhalen, hoe De Ruyter ook hier aan zijn last voldeed, en hoe zelfs de Turken hem groote eer en vriendschap bewezen.—Eene +aardigheid echter wil ik u vertellen, die plaats vond, terwijl De Ruyter voor de haven van <span class="letterspaced">Farina</span> (eenige mijlen noordwestelijk van het oude <span class="letterspaced">Karthago</span>) lag, in welke hij zeven Turksche zeeschuimers gejaagd had. Terwijl de Vice-admiraal met den koning van <span class="letterspaced">Tunis</span>, Mahomet Pacha en den bassa Dublet Lie Hadsje Mustapha aan het onderhandelen was over de inwisseling en loskooping van de +bij de Turken gevangene Christenslaven, terwijl hen de Turken van eenige versche proviand voorzagen, kreeg hij van den schout-bij-nacht +van <span class="letterspaced">Algiers</span>, Suliman Bassa Reys den volgenden bluffenden brief: + + +</p> +<div class="blockquote"> +<p>“Mijnheer! + + +</p> +<p>“Hoewel ik U, wegens den godsdienst, geheel tegen ben, evenwel hoop ik, dat gij mijn verzoek zult toestaan. Gij hebt mij tot +driemalen vervolgd bij <span class="letterspaced">Maltha</span>, bij <span class="letterspaced">Sicilië</span>, en nu bij de haven van <span class="letterspaced">Farina</span>, waarin gij mij gejaagd hebt. Ik nam telkens de vlucht, niet bij gebrek aan moed, maar door ongelijkheid van macht; want +ik heb slechts een bark tegen uw zeekasteel. Daarom doe mij de eer, en zend tegen mij, als Schout-bij-nacht van <span class="letterspaced">Algiers</span>, uwen Hollandschen Schout-bij-nacht, om schip tegen schip mijn fortuin en het geluk van den oorlog te beproeven, en mij te +weren als een soldaat. Word ik overwonnen, ik zal uw slaaf zijn. Win ik, het zal <a id="d0e2774"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2774">105</a>]</span>mij eere zijn. Geef hiertoe verlof, en indien ik dan niet uitkom, zoo ben ik als de lafste vrouw van <span class="letterspaced">Holland</span>. Mijnheer, zijt gegroet van mij + + +</p> +<p class="alignright">Uwen dienaar.”</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De Ruyter antwoordde op dit schrijven, dat zijn Schout-bij-nacht Van der Zaan, met zijn schip op plaats en tijd, die de Turk +zou goedvinden, den tweekamp zou aanvaarden; terwijl hij beloofde, dat noch hij noch één der Hollandsche kapiteins genoemden +Schout-bij-nacht eenige de minste hulp zou toebrengen. Den admiraal van <span class="letterspaced">Tunis</span> verzocht hij, kampvechter in dat zonderlinge gevecht te zijn. + +</p> +<p>Maar nu bleek het, welk een bluffer de Turk was. Van der Zaan kwam wel ter bestemder plaats, maar wachtte tevergeefs op den +grootspreker, die den moed niet had om de haven uit te komen, maar zich bij zijne makkers onder de veilige hoede der kasteelen +verschool. + +</p> +<p>Na den moedwil der zeeroovers beteugeld en onzen naam weder geducht gemaakt te hebben onder de Turksche vrijbuiters, na verdragen +met <span class="letterspaced">Tunis</span>, <span class="letterspaced">Algiers</span> en <span class="letterspaced">Tripoli</span> te hebben gesloten, na tal van arme Christenslaven uit de ketenen der Turken verlost te hebben, keerde De Ruyter, zooals +wij gezien hebben, in het laatst van April 1663 in het vaderland terug om toch eenmaal eenigen tijd rust te genieten te midden +der zijnen; want hij bleef dat geheele jaar en een gedeelte van het volgende aan land. + +</p> +<p>Keeren wij thans tot onzen Pieter terug. Gij hebt gezien hoe zijn vader volkomen verzoend was met zijne idée om zeeman te +worden, en ik ben u dienaangaande eenige opheldering schuldig. Gij moet weten, dat de Prins van <span class="letterspaced">Oranje</span>, die den koenen knaap zeer genegen was, den pruikenmaker daarover gesproken had, daarbij tevens de verzekering voegende, +dat hij Pieter aan <a id="d0e2805"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2805">106</a>]</span>den Raadpensionaris had aanbevolen en dit, als de jongen oppaste, nog wel eens zou herhalen, zoodat zijn fortuin gemaakt scheen. +Intusschen was vader Dirksz altijd bij zijne meening gebleven, dat de knaap nog te jong was. Oom Klaas nu, aan wien na ’s +vaders dood de zorg voor den wees in het bijzonder was opgedragen, en die verlof gevraagd en gekregen had om, zoolang zijn +schip buiten dienst was, thuis te blijven, had een ander plan met den knaap. Hij wist hem te <span class="letterspaced">Rotterdam</span> op de scheepstimmerwerf der Admiraliteit te plaatsen, opdat Pieter dan als timmerman op het schip in dienst zou komen, hetgeen +hem van vele onaangenaamheden zou verlossen, die den bootsmansmaat op het oorlogsschip wachtten en niet zou beletten, dat +ook hij, wanneer er gevochten moest worden, zich zou kunnen onderscheiden en op bevordering rekenen. + +</p> +<p>Pieter kwam alzoo op de werf van de Admiraliteit, en, daar hij bij baas Balkenende reeds aardige vorderingen in het timmeren +gemaakt had, zoo kon men hem daar zeer goed gebruiken en verdiende hij een tamelijk daggeld. Van dit geld betaalde hij zijn +kosthuis en voorzag hij zich van de noodige kleeding. Zoolang de zomer duurde, begaf hij zich alle Zaterdagavonden, nadat +het werk afgeloopen was en hij zijn weekgeld had ontvangen, naar ’s-<span class="letterspaced">Gravenhage</span>, waar oom Klaas nog altijd in zijns broeders huis logeerde. Dat was dan een recht feest voor hem, en vooral voor Martha, +die altijd zorgde, iets lekkers voor hem gereed te maken. Meestal voer hij slechts tot <span class="letterspaced">Delft</span> mede en wandelde den Delftschen weg op naar <span class="letterspaced">Den Haag</span>. Zondagsavonds echter moest hij weder op weg; als het weer goed was, brachten hem oom Klaas, Jacob en Evert gewoonlijk tot +<span class="letterspaced">Rijswijk</span>, soms wel tot <span class="letterspaced">Delft</span> en dan ging Pieter in de schuit of, als hij er lust in had, wandelde hij tot <span class="letterspaced">Rotterdam</span> want onze knaap was heel zuinig en vond het te duur, om altijd te varen. Toen echter het najaar aankwam, moest Pieter <a id="d0e2830"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2830">107</a>]</span>in <span class="letterspaced">Rotterdam</span> blijven en dan was het hem wel wat eenzaam en treurig. Spoedig evenwel gewende hij daaraan, en ging hij als het weder goed +was, Zaterdagsavonds buiten de poort een kroes bier drinken in de eene of andere herberg, waar hij dan meestal kennissen aantrof. +Des Zondags ging hij gewoonlijk tweemaal ter kerk en wandelde na de middagpreek nog eens langs de <span class="letterspaced">Maas</span>, waar hij zich vermaakte met de schepen te zien liggen. Gewoonlijk bracht hij dan den avond in de herberg “de Trouwe Harder”<a id="d0e2838src" href="#d0e2838" class="noteref">2</a> door, waar hij echter zorg droeg, weinig te verteren. + +</p> +<p>Op zekeren avond zat onze Pieter weder in “de Trouwe Harder” zijn glas bier te drinken, toen hij zich onverwachts op den schouder +voelde tikken. Hij keek om, en terstond herkende hij zijn ouden makker en vroegeren vijand, Jan IJzer. Ik heb mijne lezers +omtrent dezen knaap in de onzekerheid gelaten en het spijt mij, dat ik dit gedaan heb. Maar het kwam zoo in mijn verhaal te +pas, en ik wil de fout herstellen.—Wij hebben gezien, hoe onze Pieter dacht over het redden van zijn vijand, en ik behoef +u niet te zeggen, dat hij geen moeite deed, om verder iets van den door hem geredde te weten te komen.—Nu moet ik u zeggen, +dat Jan IJzer, hoe slecht van hart hij ook was, toch behoefte gevoelde, om Pieter zijn dank te betuigen; want hij begreep +maar al te wel, dat hij zonder diens hulp verloren ware geweest. Zoodra hij dus beter was, ging hij naar Pieter toe; maar +deze ontving hem zoo koel, dat de oude vijandschap in het hart van Jan herleefde. Zeker was het verkeerd in den knaap, zoo +onverzoenlijk te zijn; maar wanneer men bedenkt, hoe Jan hem had behandeld, toen hij daar hulpeloos in den tuin van baas Gerritsz +lag en daarbij in het oog houdt, hoe hij, toen Jan in gevaar was, zijn leven <a id="d0e2846"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2846">108</a>]</span>niet te kostbaar geacht had om zijn vijand te redden; dan kan men het onzen Pieter niet kwalijk nemen, dat hij zich zoo onverschillig +omtrent den goudsmidsjongen gedroeg. Bij hem bestond geen haat,—hij mocht den knaap niet en liet hem links liggen. Maar bij +Jan, die, had Pieter hem anders ontvangen, zeker zijn vriend ware geworden, bracht die onverschilligheid een ander gevoel +te weeg: dat van onverzoenlijke vijandschap. + +</p> +<p>Jan, wien het goudsmeden niet meer beviel, en die het met meester Verhoef niet best kon vinden, had eenige weken geleden, +stil <span class="letterspaced">Den Haag</span> verlaten en was naar <span class="letterspaced">Rotterdam</span> vertrokken: iets wat Pieter, die zich niets aan Jan gelegen liet liggen, in het geheel niet wist. Hij was dus zeer verwonderd, +toen hij hem daar zoo onverwacht in een vreemde stad terugzag. + +</p> +<p>“Jij hier Jan?” zeide hij verwonderd. “Ik dacht, dat je nog hoog en droog in <span class="letterspaced">Den Haag</span> zat.” + +</p> +<p>“Ik wenschte, dat dit zoo ware,” zeide Jan op treurigen toon. + +</p> +<p>“Welnu, wat belet je dan, weder naar <span class="letterspaced">Den Haag</span> te gaan?” hernam Pieter koel. + +</p> +<p>Jan begon te schreien en zette zich naast Pieter neder. + +</p> +<p>“Ik weet wel,” begon hij, “dat je mijn vriend niet zijt. Als ik hier iemand anders had, zou ik mij niet tot jou gewend hebben. +Maar ik ben hier vreemd en heb niemand, die eenig belang in mij stelt. Daarom dacht ik zoo, toen ik je deze herberg binnen +zag gaan: Pieter Pietersz is toch een Haagsche jongen net als jij en zal zijn stadgenoot niet in den nood laten.” + +</p> +<p>“Maar wat moet dit alles beteekenen?” vraagde <span id="d0e2874" class="corr" title="Bron: P">Pieter die</span> niet begreep waar de knaap heen wilde. + +</p> +<p>“Dat zal ik je zeggen,” antwoordde Jan, “en ik wil je oprecht alles bekennen. Weet dan, dat ik stil uit vaders huis ben weggeloopen.” + +</p> +<p>“Maar dat is heel ondeugend van je, Jan!” hervatte Pieter. “En waarom heb je dat gedaan?” +<a id="d0e2881"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2881">109</a>]</span></p> +<p>“Omdat ik het bij dien knorrepot van een Verhoef niet langer kon uithouden en vader van geen anderen baas wilde hooren. Zoo +nam ik, nu een week geleden, den pas onder de voeten, en met mijn weekgeld in den zak, stapte ik stilletjes over <span class="letterspaced">Delft</span> hier naar toe. Ik dacht gemakkelijk bij den een of anderen baas werk te zullen vinden, maar mijne hoop werd bitter teleurgesteld. +Ik kreeg geen werk, teerde mijn geld op, en trachtte wat te verdienen met pakjes te dragen voor de heeren, die met de schuit +aankwamen. Maar de Rotterdamsche jongens, die niet verkozen, dat een vreemde het geld verdiende, waarop zij meenden recht +te hebben, beloofden mij een pak slaag, als ik het waagde mij weder aan een der schuiten te vertoonen, en tegen de overmacht +kon ik slecht op. Zoo heb ik alles verkocht wat ik nog van eenige waarde bij mij had, en nu, sedert gistermiddag heb ik geen +stukje gegeten.” + +</p> +<p>“Je hebt zeer verkeerd gedaan, Jan,” hervatte Pieter, “met van je vader weg te loopen. Maar ik wil geen zedepreek houden; +wat gedaan is, is gedaan. Intusschen kan het hersteld worden. Je moet weer naar je vader terug en hem om vergiffenis vragen.” + +</p> +<p>“Maar hij zal mij niet weer in huis willen nemen.” + +</p> +<p>“Hij zal wel. Maar dan moet je evenals de verloren zoon uit de gelijkenis, met berouw bij hem komen.” + +</p> +<p>“Ik wil dit doen, Pieter. Morgen reeds zal ik naar hem toegaan. Maar ik kan toch van nacht niet op straat blijven. O! ik weet +geen raad! Als er zich maar iemand over mij erbarmde. Nog geen half uur geleden, was ik zoo wanhopig, dat ik in de <span class="letterspaced">Maas</span> wilde springen. Maar ik dacht: laat mij de stad nog eens ingaan. Misschien ontmoet ik de eene of andere medelijdende ziel, +die zich mijner aantrekt. O, als je mij van avond slechts wat eten wilt geven en mij van nacht bij je wilt laten slapen, dan +ga ik morgen naar vader terug, en ik zal er je altijd dankbaar voor zijn, dat je mij van den rand des afgronds hebt <a id="d0e2898"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2898">110</a>]</span>teruggebracht. Ik zal mijn leven beteren, en trachten een braaf mensch te worden.” + +</p> +<p>Pieter dacht een oogenblik na. Hij had er niet veel zin in, zijn bed met den knaap te deelen. Maar hem aan zijn lot over te +laten, dat kon toch ook niet, daartegen verzette zich zijn goed hart. Nu kwam het wel in hem op, Jan voor dien nacht in een +logement te besteden; maar dat kostte geld en onze Pieter was heel zuinig. Hij besloot dus maar, om Jan mede te nemen naar +zijn kosthuis. + +</p> +<p>“Hoor eens,”’ zeide hij. “Kan ik er stellig op rekenen, dat je morgen naar je vader terugkeert?” + +</p> +<p>“Zoo zeker als ik hier voor je sta,” antwoordde de andere. + +</p> +<p>“Welnu, ga dan met mij mede; dan zal ik de vrouw uit mijn kosthuis verzoeken, je wat eten te geven en dan slaap je van nacht +bij mij.” + +</p> +<p>Jan had hem wel de handen willen kussen van blijdschap, en onze scheepstimmerman, tevreden over zich zelf om de goede daad, +die hij ging verrichten, liet den waard een glas bier voor zijn gast geven; niet lang daarna stapten zij naar huis. + +</p> +<p>Hoe verwonderd was onze Pieter, toen hij, den volgenden morgen wakker wordende, zijn slaapkameraad van zijne zijde miste. + +</p> +<p>“Hij zal niet hebben kunnen slapen van angst bij de gedachte aan de ontmoeting met zijn vader,” dacht hij, schoof het bed-gordijn +wat weg en keek in zijn kamertje rond. Maar wie hij zag, Jan niet. Waarschijnlijk is hij naar beneden om een noodzakelijke +behoefte te verrichten, zeide hij en ging weer liggen. Maar hij kon den slaap niet meer vatten en stond dus op. Hoe verschrikt +was hij echter, toen hij zijn wambuis en zijn hozen miste, die hij den vorigen avond op den stoel voor zijn bed had nedergelegd. +Hij schrikte; want in den broekzak bevond zich zijn volle weekgeld, en de gedachte kwam eensklaps in hem op: “Hoe, indien +Jan mij eens bedrogen, mij bestolen had!” Maar <a id="d0e2914"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2914">111</a>]</span>de knaap was zoo bedroefd geweest en had hem zoo plechtig beloofd, naar huis terug te zullen keeren. Had hij ook gisteren +avond zijne kleeren ergens anders gelegd? Maar hoe hij zocht—en het kamertje was klein, dus behoefde hij niet lang te zoeken—nergens +vond hij de vermiste zaken. Hij werd nu ernstig ongerust en riep zijne huiswaardin, aan wie hij vraagde, of zij ook iets wist +van den knaap, dien hij den vorigen avond had medegebracht. Deze antwoordde hem, dat die reeds voor dag en dauw vertrokken +was. Hij had een pakje onder den arm gehad en haar gezegd, dat hij met de eerste schuit naar ’s-<span class="letterspaced">Gravenhage</span> wilde en dat hij maar heel stil was opgestaan, om zijn vriend niet wakker te maken; want de Zondag was de eenige dag, dat +deze eens kon uitslapen, op de andere dagen moest hij toch altijd zoo vroeg naar zijn werk. Hij had haar ook wél verzocht, +hem zijne hartelijke groete te doen. + +</p> +<p>Twee groote tranen sprongen den armen Pieter uit de oogen. + +</p> +<p>“Ik ben bedrogen, vrouw Martensz!” zeide hij, “schandelijk bedrogen en bestolen. De schurk heeft mijn hozen en mijn wambuis, +ja, nog wat meer is, mijn volle weekgeld <span id="d0e2923" class="corr" title="Bron: meegenemen">meegenomen</span>. O, dat ik ook zoo dom was, aan zijne mooie praatjes geloof te slaan!” + +</p> +<p>En hij vertelde aan zijne huiswaardin, wie Jan was, wat er reeds vroeger met hem gebeurd was, en hoe hij hem den vorigen avond +in “de Trouwe Harder” ontmoet had. + +</p> +<p>Vrouw Martensz schudde het hoofd. + +</p> +<p>“Ieder braaf mensch zou in jouw geval hetzelfde gedaan hebben,” zeide zij op goedigen toon. “Wie zou ook op zulk een boosheid +verdacht zijn! Gelukkig, dat hij je Zondagsche wambuis en boksen niet heeft kunnen meepakken. ’t Is al heel singulier; anders +leg ik het altijd Zaterdagsavonds voor je gereed. Nu je iemand bij je hadt, dacht ik, moest ik maar tot van morgen wachten.” +<a id="d0e2932"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2932">112</a>]</span></p> +<p>“Dat is nog een geluk bij een ongeluk, vrouw Martensz.” hervatte Pieter. “Maar wat maller is, nu zal ik je van de week mijn +kostgeld niet kunnen betalen; want wat ik heb opgespaard, zal ik wel aan een nieuw werkpak moeten besteden.” + +</p> +<p>“Dat is niets, mijn jongen,” antwoordde vrouw Martensz. “Dat zal wel terecht komen. Je behoeft daar geen haast mee te maken. +Maar ik zal mijn man eens roepen, en dan kunnen wij samen bespreken, wat wij aan de zaak zullen doen en of het niet goed zou +zijn, den diefstal bij den Schout aan te geven.” + +</p> +<p>“Waarschijnlijk zal dat niet veel helpen, vrouw Martensz,” hernam Pieter. “De dief zal wel met zijn buit de stad verlaten +hebben. Daarenboven, ik zou niet gaarne de oorzaak zijn, dat hij op het schavot en in het rasphuis kwam.” + +</p> +<p>“<i>Jij</i> moet het weten, Pieter!” hernam de vrouw. “’t Is jouw zaak. Maar als het mij te doen stond, dan wist ik wel, dat ik het zoo +niet zou laten afloopen. Al kon ik mijn goed en mijn geld niet terugkrijgen, de schelm zou er zoo gemakkelijk niet afkomen.” + +</p> +<p>Wat ook baas Martensz en zijne vrouw zeiden, Pieter wilde er niet van hooren om de zaak aan te geven: liever getroostte hij +zich in zijn verlies, dan dat hij den knaap die hem zoo bedrogen had, voor zijn leven ongelukkig wilde maken. + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/o029.gif" alt="Ornament." width="189" height="53"></div><p> + + +<a id="d0e2950"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2950">113</a>]</span></p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2719" href="#d0e2719src" class="noteref">1</a></span> Op de dorpen, vooral in <span class="letterspaced">Overijsel</span> en <span class="letterspaced">Drente</span>, heerscht die gewoonte nog altijd. Echter is het hier wel eenigermate te vergoêlijken, omdat tal van vrienden en bloedverwanten +uit naburige dorpen, soms van ver verwijderde, ter begrafenis komen. Deze moeten toch eten en drinken. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2838" href="#d0e2838src" class="noteref">2</a></span> Zie “De weezen van <span class="letterspaced">Vlissingen</span>”, 6e druk, blz. 146. +</p> +</div> +</div> +<div id="d0e2951" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e112">Inhoud</a>] +</span><div class="figure"><img border="0" src="images/o030.gif" alt="Ornament" width="592" height="134"></div> +<h2 class="label">Negende Hoofdstuk</h2> +<h2>Waarin wij een ouden kennis ontmoeten, die het ver gebracht heeft in de wereld.</h2> +<p style="
 background: url(images/iz113.gif) no-repeat top left;
 "><span style="
 float: left;
 width: 90px;
 height: 86px;
 background: url(images/iz113.gif) no-repeat;
 
 text-align: right;
 color: white;
 ">Z</span>oo stuurman, is dat nu je neef Pieter, van wien je mij gesproken hebt en die mij zelfs door Zijne Hoogheid den Prins zoozeer +is aanbevolen?” + +</p> +<p>“Om Uwe Edelheid te dienen, Vice-admiraal,” antwoordde de aangesprokene. “En ik hoop, dat Zijne Hoogheid met hare aanbeveling +eer moge inleggen.” + +</p> +<p>“Dat willen wij verwachten, stuurman. Hoe oud ben je, Pieter?” vervolgde de Vice-admiraal tot den jongeling. + +</p> +<p>“Aanstaanden twaalfden Augustus wordt ik, als het God belieft, achttien jaar,” antwoordde deze. + +</p> +<p>“En je bent een knap timmerman?” vervolgde de Vice-admiraal. “Welnu, als zoodanig kun je van nut zijn, terwijl je voor het +overige dan gewonen dienst zult verrichten.” + +</p> +<p>“En zoo ik hoop met trouw en ijver, Vice-admiraal,” hernam Pieter. “Ik zal mijn best doen, uwe tevredenheid te verwerven en +steeds trachten, Uwe Edelheid na te streven, zij het dan maar in de verte.” +<a id="d0e2968"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2968">114</a>]</span></p> +<p>“Dat is braaf gedacht,” vervolgde de Vice-admiraal. “En dan kun je tevens een voorbeeld nemen aan je braven oom. Maar vooral, +mijn jongen! bij al wat je ontmoet, het oog naar boven, den blik geslagen op den Heer, in wiens hand ons leven, onze adem +en ons lot berust. Dan zul je altijd kalm en bedaard blijven te midden van den woedenden storm, onder het gefluit, van den +dichtsten kogelregen.” + +</p> +<p>Mijne lezers zullen wel reeds begrepen hebben wie de drie personen waren, tusschen welke het boven aangehaalde gesprek den +achtsten April 1664 plaats had op het schip “de Spiegel” dat met vijf andere schepen en een vaartuig met proviand door de +Admiraliteit van <span class="letterspaced">Amsterdam</span> was uitgerust tot een nieuwen tocht naar de <span class="letterspaced">Middellandsche zee</span>. De Admiraliteit van <span class="letterspaced">Rotterdam</span> had de “Prinses Louise”, gekommandeerd door den schout-bij-nacht Van Nes, met twee andere schepen daarbij gevoegd, en van +het Noorder-kwartier waren er insgelijks drie vaartuigen bij de vloot, waarvan het schip “het Noorder-quartier” door den Vice-admiraal +Meppel werd gevoerd. + +</p> +<p>Het waren de Vice-admiraal De Ruyter, Klaas Dirksz en Pieter Pietersz. Intusschen zien wij daar nog een knaap naast De Ruyter +staan, wiens fijn lakensche kleeding zijn aanzienlijken stand en goede afkomst verraden. Hij is nog geen vijftien jaren, maar +fiks uit de kluiten gewassen, en als wij hem goed aanzien, dan schijnt het ons toe, dat er in dat gelaat veel gelijkenis ligt +met dat van den Vice-admiraal. En geen wonder; want die vijftienjarige knaap, die daar stilzwijgend maar met blijkbaar welgevallen +onzen Pieter aanstaart, is niemand anders dan de eenige zoon van den grooten zeeheld: het is Jonker Engel de Ruyter, die voor +de eerste maal ter zee zal varen, om onder het oog van zijn beroemden vader “het soldaat- en zeemanschap te leeren.” Hij heeft +tijdens het bezoek, dat stuurman Dirksz ten huize van den Vice-admiraal bracht, reeds zooveel <a id="d0e2984"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2984">115</a>]</span>van onzen Pieter gehoord, dat hij al verlangend was, om hem te zien. ’t Zal u dus ook niet verwonderen, dat beiden spoedig +goede maatjes zijn; want al is Jonker Engel van adel, hij heeft de deugd der nederigheid van zijn edelen vader geërfd, en +een karakter als dat van Pieter kan niet anders dan den vurigen en fikschen knaap innemen. + +</p> +<p>Den volgenden dag voer De Ruyter met zijne zeven schepen naar het <span class="letterspaced">Vlie</span>, vanwaar hij eerst den achtsten Mei in zee liep en den 21<sup>sten</sup> dier maand te <span class="letterspaced">Cadix</span> aankwam, om zich met het smaldeel van den Vice-admiraal Meppel en den Schout-bij-nacht Van Nes te vereenigen. Hierop verdeelde +hij de vloot in twee smaldeelen of eskaders van welke hij het eerste als opperhoofd en Admiraal der vloot aanvoerde; terwijl +de kommandeur De Wild als Vice-admiraal en de kapitein Willem van der Zaan als Schout-bij-nacht onder hem kommandeerden: het +tweede eskader stond onder den Vice-admiraal Meppel als tweeden Admiraal, den Schout-bij-nacht Aart van Nes als Vice-admiraal +en den kapitein Deendert Haaxwaard als Schout-bij-nacht. + +</p> +<p>Den tweeden Juni, terwijl de vloot naar <span class="letterspaced">Malaga</span> stevende, bevond onze De Ruyter zich in het geheel niet wel. Hij werd aangetast door een zware bloeddiarrhée, die niet minder +dan drie volle weken duurde en hem zoozeer verzwakte, dat de dokter voor zijn leven vreesde. Welk een treurige toestand voor +den armen Engel. Maar hoe gelukkig voor hem, dat hij bij den geliefden vader was, hem kon oppassen en verzorgen. Ook Pieter +had verlof gevraagd, Engel van tijd tot tijd af te wisselen en ook hem was deze zorg een groot genoegen. Meestal waakte hij +’s nachts, terwijl Engel des daags voor de kranke zorgde, en hij leerde veel, zeer veel voor zijn volgend leven van den vromen +Admiraal, die in al zijn lijden zooveel Christelijke onderwerping en zulk een kalme berusting in Gods wil betoonde, ja, die +zijne eigene smarten vergat, om toch maar werkzaam te zijn voor <a id="d0e3002"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3002">116</a>]</span>de belangen van ’s lands vloot en op alle voorvallende zaken orde te stellen. + +</p> +<p>’t Was dan ook een vreugde op “de Spiegel,” toen de geliefde Admiraal voor het eerst op het dek kwam en ieder om het zeerst +hem geluk wenschte met zijn herstelling, ja, op al de schepen vierde men feest en bad men den Heer in den Hemel om een lang +en gelukkig leven voor den geliefden vlootvoogd. + +</p> +<p>Wij zullen hen op dezen tocht niet volgen. Liever begeven wij ons naar het vaderland terug, ten einde te zien, wat daar intusschen +gebeurde; te zijner tijd komen wij van zelf op de vloot van Michiel Adriaanz. de Ruyter terug. + +</p> +<p>Ik heb op Bladz. 84 gesproken van den Frieschen Stadhouder Willem Frederik, die met Albertina Agnes, ’s Prinsen tante, gehuwd +was. Deze Willem Frederik zou in 1655 tot Veldmaarschalk van den Staat benoemd zijn, indien men niet nog bijtijds ontdekt +had, dat hij met een klerk<a id="d0e3010src" href="#d0e3010" class="noteref">1</a> van De Witt heulde, die hem de geheime stukken zijns meesters overbracht, hetgeen de graaf in ongenade deed vallen bij de +Hollandsche partij, die niet alleen de benoeming niet liet doorgaan, maar zelfs het veldmaarschalksambt vernietigde. Intusschen +bleef de graaf bevelhebber van de troepen van den Staat en bewees dien als zoodanig gewichtige diensten. Jammer, dat een treurig +ongeval onverwachts een einde aan zijn leven maakte. Het was op Zondag, den 24<sup>sten</sup> October 1664, terwijl Albertina Agnes naar de kerk was, dat de Prins, bezig met de toebereidselen om zich naar de grenzen +van <span class="letterspaced">Westphalen</span> te begeven, een zadelpistool, dat hij wilde medenemen, onderzocht. Het pistool weigerde, en de Prins, die wilde zien waar +het aan haperde, trok er den stempel uit en keek in den tromp. Op het zelfde <a id="d0e3019"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3019">117</a>]</span>oogenblik echter ging op het onverwachts het pistool af, de kogel trof den Vorst in de kin, en kwam aan de zijde van den neus +vlak onder het oog uit. De ongelukkige Prins stortte achterover en werd door de toegeschotene bedienden opgeholpen en te bed +gebracht. Vreeselijk had de kogel zijn gebit verwoest: de beide kakebeenen waren verbrijzeld, zoodat de gewonde noch spreken +noch eten kon. Men deed wat mogelijk was: men dacht zelfs een werktuig uit, waardoor men bouillon in de maag poogde te brengen. +Maar alles was vruchteloos: felle koortsen, die den Prins aantastten en in de wond sloegen, sleepten hem, reeds den zevenden +dag na de verwonding, ten grave. Tot het laatste oogenblik bleef hij bij zijn volle kennis. Een dag vóór zijn dood beval hij +zijne gemalin en zijn drietal kinderen den Staten van <span class="letterspaced">Friesland</span> schriftelijk aan. Hij werd opgevolgd door zijn eenigen zoon Hendrik Kasimir II, een kind van ruim zeven en een halfjaar<a id="d0e3024src" href="#d0e3024" class="noteref">2</a>, nog minderjarig en onder voogdijschap zijner moeder. + +</p> +<p>Het had weinig gescheeld, of de dood van den doorluchtigen Prins had dien van een ander vorst uit het huis van Nassau ten +gevolge gehad. Prins Joan Maurits namelijk, die bij de begrafenis van zijn neef was tegenwoordig geweest, keerde met een aanzienlijken +stoet huiswaarts. Te <span class="letterspaced">Franeker</span> gekomen, brak eensklaps de wipbrug, terwijl de Prins er op was; deze viel met vijf anderen in het water. De laatsten werden +terstond gered; niet zoo spoedig de Prins, die onder zijn paard lag. Nauwelijks echter was hij aan wal, of hij viel op de +knieën om God te danken voor de wonderlijke bewaring, hem ten deel gevallen. De omstanders, denkende dat hij de beenen had +gebroken, snelden toe om hem op te helpen, spoedig echter bemerkten <a id="d0e3032"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3032">118</a>]</span>zij hunne dwaling. De Prins, eenigermate aan het borstbeen gekneusd, herstelde gelukkig binnen korten tijd. + +</p> +<p>Maar andere gebeurtenissen hadden er in 1664 plaats gehad. Karel II van <span class="letterspaced">Engeland</span>, ingenomen tegen de Loevesteinsche partij in <span class="letterspaced">Holland</span>, die zijn neef Willem Hendrik uit alle waardigheden hield, naijverig op den invloed dien wij in het Noorden hadden gekregen +en op den bloei van onzen handel, die verre den Engelschen overtrof, Karel II had zich daden veroorloofd, welke op niets anders +konden uitloopen dan op een vernieuwden oorlog met <span class="letterspaced">Engeland</span>. In het voorjaar van 1664 was Robert Holmes met een Smaldeel afgezonden en had, op last der Engelsch-Afrikaansche maatschappij, +het eiland <span class="letterspaced">Goeree</span>, nabij kaap <span class="letterspaced">Verd</span> gelegen, vermeesterd, elf Nederlandsche schepen vóór <span class="letterspaced">George d’Elmina</span> weggenomen, <span class="letterspaced">Cabo-Corso</span> beschoten en veroverd, en in <span class="letterspaced">Amerika</span> onze volkplantingen <span class="letterspaced">Nieuw-Nederland</span>, <span class="letterspaced">Tabago</span> en <span class="letterspaced">Sint-Eustatius</span> bemachtigd. + +</p> +<p>Toen men hier te lande deze geweldenarij vernam, deed men daarover zijn beklag aan het Britsche hof,—doch koning Karel hield +zich, alsof hij er niets van wist. Daar intusschen in <span class="letterspaced">Engeland</span> groote krijgstoerustingen werden gemaakt, begreep men hier ook niet stil te moeten zitten. Men zond dus den Schout-bij-nacht +Cornelis Tromp met een aanzienlijk smaldeel uit, om onze koopvaarders te beschermen. Kort daarop werd een tweede vloot van +dertig zware schepen in zee gebracht met den Luitenant-admiraal Van Wassenaar aan het hoofd, terwijl men aan De Ruyter bevel +zond, in het geheim naar de door de Britten vermeesterde volkplantingen te stevenen. Maar hoe dit bevel geheim te houden, +het besluit, dat in de volle vergadering der Algemeene Staten moest worden genomen? In deze vergadering toch zaten leden, +die zich niet zouden hebben ontzien, de zaak aan den Engelschen gezant te verklappen. De sluwe Johan De Witt echter wist raad. +Toen men de resolutie <a id="d0e3074"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3074">119</a>]</span>had genomen om twaalf schepen uit te rusten en naar <span class="letterspaced">Guinea</span> te zenden (hetgeen nog al een geruimen tijd zou vereischen) wist De Witt die Heeren Staten, welke hij niet vertrouwde, aan +een venster te lokken en aan de praat te houden. In dien tusschentijd namen de andere leden, die in het geheim waren, de secrete +resolutie ten aanzien van de afzending van De Ruyter, en werd dit stuk als een aanhangsel bij het besluit gevoegd en door +den griffier der Staten eigenhandig daaronder geschreven, zonder dat een der andere leden er iets van wist. Drie afschriften +van het stuk werden over de post gezonden en verder door drie “loopboden”<a id="d0e3079src" href="#d0e3079" class="noteref">3</a> naar <span class="letterspaced">Cadix</span>, <span class="letterspaced">Malaga</span> en <span class="letterspaced">Alicante</span> gebracht, op hoop van den Vice-admiraal op een dier plaatsen aan te treffen. Het stuk was in een afzonderlijken omslag, in +welken den Vice-admiraal werd bevolen, inliggende verzegelde schriften niet te openen vóór hij alleen was; terwijl zijnen +bevelhebbers op bedreiging der hoogste ongenade van den Staat werd verboden, iets van de ontvangst van den brief te openbaren. + +</p> +<p>’t Was op den eersten September, dat De Ruyter voor <span class="letterspaced">Malaga</span> was aangekomen, toen hij Klaas Dirksz bij zich riep. + +</p> +<p>“Stuurman!” zeide hij, “Zet de kleine boot uit en roei aan land. Er zijn zeker brieven voor ons; want aan het strand staan +verscheidene menschen, die ons teekenen schijnen te geven.” + +</p> +<p>“Uw bevel zal geschieden, Vice-admiraal,” antwoordde Klaas, die terstond de noodige maatregelen nam, om daaraan te voldoen. + +</p> +<p>“Mag ik mee in de boot, vader?” vraagde Engel. + +</p> +<p>“Volgaarne,” antwoordde de Admiraal, “en neem je vriend Pieter ook mee. Intusschen zul je aan den wal niet veel zien; want +de boot roeit terstond met de brieven terug.” + +</p> +<p>Eenige minuten later stak de boot van boord. Op hetzelfde <a id="d0e3106"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3106">120</a>]</span>oogenblik voeren er van de andere schepen ook booten naar wal, om naar brieven te vernemen; hetgeen De Ruyter natuurlijk niet +belette, daar hij niet wist, dat er een geheime resolutie bij was. + +</p> +<p>Aan wal gekomen, werd onze stuurman terstond omringd door eenige kooplieden en schippers. + +</p> +<p>“Daar is een bijzondere post voor den Vice-admiraal aangekomen,” zeide een hunner. “Een loopbode heeft dien gebracht. Tevens +zijn hier belangrijke tijdingen. Men spreekt van een oorlog tusschen <span class="letterspaced">Engeland</span> en de <span class="letterspaced">Geüniëerde provinciën</span>.” + +</p> +<p>“Wat meer is,” voegde er een ander bij, “de Engelsche kooplieden hier ter stede zeggen, dat hunne landslieden drie van de +Oostindische koopvaarders, die wij verwachten, genomen hebben.” + +</p> +<p>“Gij kunt begrijpen, hoe dat alles ons in onrust brengt,” vervolgde de eerste spreker. + +</p> +<p>“Waar zijn de brieven voor den Vice-admiraal?” vraagde de stuurman. “Indien het zulke gewichtige tijdingen zijn, zullen wij +ze hem gauw bezorgen.” + +</p> +<p>Men roeide naar boord terug, en Klaas Dirksz overhandigde den Admiraal de brieven. Nauwelijks had De Ruyter den omslag van +den brief gedaan en gelezen wat daarop stond, of hij begaf zich naar zijne kajuit en las de geheime order, waarbij het bevel +was gevoegd, dat hij die aan geen zijner officieren mocht openbaren. Terwijl hij daarmede nog bezig was, werd hij gestoord +door het bericht, dat de Vice-admiraal met al de kapiteins aan zijn boord was geroeid en verlangde hem te spreken. De Admiraal +deed de depêche terstond weder in den omslag, en gaf bevel, de bezoekers binnen te laten. Ten hoogste verlegen, wat hij moest +antwoorden, wachtte hij de scheepshoofden af. + +</p> +<p>“Wat is er, Admiraal?” vraagde Meppel. “Wij zijn aan wal geweest en hebben daar onrustbarende <span id="d0e3128" class="corr" title="Bron: tijdigen">tijdingen</span> vernomen.” +<a id="d0e3131"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3131">121</a>]</span></p> +<p>“Ook mij zijn die verhaald,” antwoordde De Ruyter. “Zij luiden zeer oorlogzuchtig.” + +</p> +<p>“Daar is een bijzondere post voor u gekomen, Admiraal!” hervatte Meppel. “Gij hebt dien zeker reeds ontvangen en gelezen.” + +</p> +<p>“Voorzeker,” antwoordde De Ruyter, “de brief is van Hunne Hoogmogenden.” + +</p> +<p>“En meldt die niets van den oorlog?” hernam de Vice-admiraal. + +</p> +<p>“Geen enkel woord,” antwoordde De Ruyter ontwijkend. “Alleen schijnt het, dat er geschillen tusschen de Republiek en <span class="letterspaced">Engeland</span> zijn gerezen, en dat men nog hoopt, die in der minne bij te leggen. Wat de geruchten van oorlog aangaat, waarvan men in <span class="letterspaced">Malaga</span> vol schijnt te zijn, wij weten te goed, hoe men op zulke losse tijdingen kan rekenen. Intusschen gaan wij terstond op reis +naar <span class="letterspaced">Alicante</span>, om het fluitschip van kapitein Enno Doedes af te halen. + +</p> +<p>Wij zullen de vloot niet op den voet volgen. Eerst op de hoogte van de Canarische eilanden liet De Ruyter de scheepshoofden +door de witte vlag aan zijn boord seinen en deelde hij hun de geheime resolutie mede. Behouden kwamen onze schepen voor het +kleine eiland <span class="letterspaced">Goeree</span> aan. + +</p> +<p>Beoosten dat eiland omgezeild zijnde, werden den 24<sup>sten</sup> October eenige booten, met den Schout-bij-nacht Van der Zaan aan het hoofd, naar het vasteland bij <span class="letterspaced">Verd</span> aan wal gezonden, om versch water te halen. Ook van De Ruyters schip voer er een sloep naar land, gevoerd door Klaas Dirksz +en waarin zich Engel de Ruyter en onze Pieter bevonden. ’t Was voor hen beiden heel wat nieuws, die Afrikaansche streken te +zien en zij hadden er dan ook recht veel vermaak. Gelukkig, dat oom Klaas zijn neef nog al wat toeliet en dat de zoon van +den Admiraal een witten voet bij hem had; anders hadden zij met de anderen mogen meesjouwen. Nu smaakten zij alleen het pleizierige +van een tochtje aan land. +<a id="d0e3164"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3164">122</a>]</span></p> +<p>“Zie eens,” zeide Pieter, “daar komt een oude neger aan. Met dien zullen wij een pretje hebben.” + +</p> +<p>“Dat is goed,” antwoordde Engel. “Maar wij zullen zijn negertaal niet verstaan, en hij kent ons Hollandsch niet.” + +</p> +<p>“Geen nood, dan zullen wij hem door teekens te kennen geven wat wij van hem willen hebben. Zeg eens, oude zwartkop,” hernam +hij tot den neger, die intusschen naderbij gekomen was. “Wat kom je hier uitrichten?” + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p122.jpg" alt="" width="609" height="540"></div><p> + + +</p> +<p>“Ikke eens kijken kom naar de Ollandsche schip,” antwoordde de neger vrij vlot. + +</p> +<p>Al hadden zij een slag in het aangezicht gekregen, dan hadden zij niet meer verbaasd kunnen staan, dan toen zij dien neger +zoo onverwachts hunne eigene taal hoorden spreken. +<a id="d0e3178"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3178">123</a>]</span></p> +<p>“Sakkerloot!” zeide Engel. “Wie heeft jou Hollandsch geleerd, zwarte nikker?” + +</p> +<p>“Ikke Ollansch geleerd heeft in uwe land. Ikke als knaap, heel jong, daarin geweest is, en veel geleerd heeft.” + +</p> +<p>Op dit oogenblik kwam Van der Zaan bij hen, en vroeg hun: + +</p> +<p>“Wat moet gij van dien neger?” + +</p> +<p>“Die man spreekt <span id="d0e3189" class="corr" title="Bron: Hollansch">Hollandsch</span>, Schout-bij-nacht,” gaf Engel ten antwoord. + +</p> +<p>“Mijnheer!” zeide de neger, terwijl hij zich eerbiedig voor Van der Zaan boog. “Uwé zeker de Admiraal van deze vloote is.” + +</p> +<p>“Je vergist je, goede man! Ik ben slechts Schout-bij-nacht. De Admiraal der vloot is aan boord gebleven. Hij is op het schip, +dat je daar ziet.” + +</p> +<p>“En hoe zijne naam is?” vervolgde de neger. + +</p> +<p>“Michiel Adriaanszoon de Ruyter,” antwoordde Van der Zaan. + +</p> +<p>De neger begon te dansen. + +</p> +<p>“Michiel, Michiel!” riep hij uit. “Michiel de Ruyter!—Ikke nu vijf- of zes en veertig jaar geleden een Michiel de Ruyter gekend +heeft. Dat te <span class="letterspaced">Vlissingen</span> was. Maar het niet dezelfde kan zijn. Die Michiel maar bootsmansjongen was.” + +</p> +<p>“En toch is dat diezelfde Vlissingsche bootsmansjongen, die nu Admiraal van de vloot is.” + +</p> +<p>“Uwé den armen neger voor den gek houdt,” zeide de zwarte ongeloovig. “Michiel toen bootsmansjongen was en nu Admiraal,—neen, +dat niet kan zijn! Jan Company niet zoo mal is, om maar te gelooven, wat men hem wijs maakt.” + +</p> +<p>“En toch is het waar, Jan Company,” hervatte Van der Zaan. “Zie deze knaap is zijn eenige zoon,” hervatte hij, op Engel wijzende. + +</p> +<p>De neger beschouwde den jongen De Ruyter oplettend. Eensklaps helderde zijn gelaat op. + +</p> +<p>“Ja,” hervatte hij peinzend—“nu ikke het zie. Hij wel op <a id="d0e3217"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3217">124</a>]</span>zijn vader lijkt, toen die jong was. O, mijnheer de Schout van de nacht, zou uwé me wel aan boord van den heer Michiel willen +brengen? O, ikke zooveel van hem houd. Ikke met hem gevaren heb op dezelfde schip, en wij samen zoo dikwijls gespeeld hebben. +O, ikke hem nog zoo graag eens zou zien.” + +</p> +<p>“Wel ga dan maar eens mee,” hernam Van der Zaan. “Zijn eigen zoon zal je aan boord brengen.” + +</p> +<p>Zoo gezegd zoo gedaan. Jan Company voer met stuurman Dirkz mede naar het schip “de Spiegel”. + +</p> +<p>“Vader,” zeide Engel tot den Admiraal, “wij hebben een neger meegebracht, die u verlangt te spreken.” + +</p> +<p>“Een neger?” vraagde De Ruyter. “En wat moet die van mij hebben?” + +</p> +<p>“Hij zegt, dat hij een oude kennis van u is,” vervolgde Engel. + +</p> +<p>“Een neger? Een oude kennis? En spreekt hij Hollandsch?” + +</p> +<p>“Voorzeker, vader, anders hadden wij hem niet kunnen verstaan.” + +</p> +<p>“En hoe heet hij?” + +</p> +<p>“Jan Company, en hij heeft als knaap met u ter zee gevaren en gespeeld.” + +</p> +<p>“Jan Company!” riep De Ruyter verwonderd uit. “Onmogelijk! Maar laat hem hier komen.” + +</p> +<p>Verbaasd keek de neger op, toen hij in de sierlijke kajuit van den Admiraal kwam, maar nog meer verbaasd staarde hij eenige +oogenblikken den deftig gekleeden De Ruyter aan. Ook deze beschouwde den neger aandachtig; eindelijk zeide hij: + +</p> +<p>“En je zegt, dat je Jan Company bent, dien ik als knaap in <span class="letterspaced">Vlissingen</span> heb leeren kennen?” + +</p> +<p>De neger antwoordde hem niet, maar trad op den zeeman toe, sloot hem in zijn armen en riep uit: + +</p> +<p>“Ja, ja, het Michiel is, Michiel, mijn oude vriend! O, wat ikke blij ben, dat ikke jou nog eens mag zien. Dat ikke jaren <a id="d0e3250"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3250">125</a>]</span>lang gewenscht heeft! Maar ikke nooit gedacht had zóó.” + +</p> +<p>“Mijn goede, goede Jan!” zeide De Ruyter, terwijl hij hem hartelijk de hand drukte. “Wel ouder geworden, maar niets veranderd. +En wat doe je tegenwoordig voor den kost?” + +</p> +<p>“Ikke onderkoning is in de land,” antwoordde Jan Company. + +</p> +<p>“Wel, dan heb je het waarlijk verder gebracht dan ik,” zeide De Ruyter lachend. “Ik zal dan wel gedwongen zijn, Uwe Majesteit +tegen je te zeggen. Wel, Uwe Majesteit, hoe heeft Uwe Doorluchtigheid het gemaakt, sedert ik het genoegen niet gehad heb Haar +te zien.” + +</p> +<p>“O, jij nog altijd de oude guit van een Michiel bent,” hervatte de neger grinnikend, terwijl hij zijn witte tanden liet zien. + +</p> +<p>“Ja, Jan! een vos verliest wel zijn oude haren, maar niet zijn oude streken, zou stuurman Dirksz zeggen. Maar ga zitten,” +hervatte hij trouwhartig, “en laat ons elkander onder een glas Spaanschen wijn onze lotgevallen vertellen.” + +</p> +<p>Daar mijne lezers die van De Ruyter kennen en ik ze van Jan Company niet weet, zal ik dat verhaal overslaan. Toen de Vice-admiraal +geëindigd had, zeide de neger: + +</p> +<p>“Michiel, Michiel! Wat je een groot man bent geworden. Wie dat ooit hadde gedacht!—Weet je nog wel, je me in <span class="letterspaced">Vlissingen</span> met sneeuw heeft gedoopt<a id="d0e3269src" href="#d0e3269" class="noteref">4</a>?” + +</p> +<p>“Of ik dat nog weet?” hernam Michiel de Ruyter. “Dat zou ik meenen. Toen je zoo schreeuwdet alsof je een mager speenvarken +waart; waardoor Tromp en Piet Hein er op afkwamen en mij braaf de les lazen.” + +</p> +<p>“En toen je geklimd heeft op dien grooten toren,” hernam Jan, terwijl hij zijn tanden liet zien en in de handen wreef, “en +met steentjes smeet.” + +</p> +<p>“En toen je dacht, dat het een vogeltje was, ha, ha!” riep <a id="d0e3281"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3281">126</a>]</span>De Ruyter lachende uit. “Maar zeg mij eens, Jan!” vervolgde hij ernstiger. “Je spraakt daar van dien sneeuwdoop. Heb je er +wel eens aan gedacht, dat je ook in de kerk gedoopt zijt?” + +</p> +<p>“Of ikke denk daaraan, Michiel!” hernam Jan Company. “Ikke nog altijd een Christen ben. Ikke nog “’t Onze Vader” en “’k Geloof +in God den Vader” op mijn duimpje ken.—Maar,” vervolgde hij min of meer treurig, “mijn kinderen en anderen lachen mij uit +als ikke spreek er van; en daarom ikke maar bij mij zelf een Christen is en Onzen Lieven Heer naar mijn kennis dien.” + +</p> +<p>“Nu, dat is braaf van je, Jan,” hervatte De Ruyter. “En zou je niet liever mee naar <span class="letterspaced">Vlissingen</span> gaan en daar komen wonen?” + +</p> +<p>“Neen, Michiel! Ikke niet weer mee naar jou land ga. Ikke hier veel armer woon dan in jou land, een hut heeft waarin ik haast +niet rechtop staan kan. Maar ikke liever blijf in mijn eigen land. Ikke al zestig jaar is, en hier onderkoning. Ikke al dikwijls +aan de Zeeuwen en Ollanders veel diensten heb kunnen doen, dat altijd veel pleizier deed aan mij. Maar ikke nooit gedacht +had, jou nog eens levend terug te zien!” + +</p> +<p>De Ruyter liet onzen Jan Company niet gaan, dan na hem rijkelijk beschonken te hebben met al wat in dat land waarde heeft, +en deed, toen de oude vriend naar den wal terugvoer, tot diens eer eenige kanonschoten lossen. + +</p> +<p>Den volgenden morgen zond De Ruyter 180 man met zes sloepen aan wal en spoedig gaven zich de daar liggende Engelsche bezetting +en koopvaardijschepen over. + +</p> +<p>Op den vijfden November, terwijl men nog bezig was met water te halen, ging De Ruyters sloep met kapitein Du Bois, Klaas Dirksz, +Joris Andringa, schrijver op De Wilds schip Engel de Ruyter, Pieter Pietersz en eenige anderen nogmaals aan het vasteland +van <span class="letterspaced">Verd</span>, om te visschen. Men gebruikte <a id="d0e3301"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3301">127</a>]</span>daartoe den zegen (groot vischnet) en had een rijke vangst, waarover de negers zich zeer verwonderden. De zwarten gingen achter +den zegen staan en vingen de visschen in hunne kleedjes en kleine schepnetjes of schoten ze met hunne pijlen. + +</p> +<p>”’k Woû, dat we eens naar de negorij gingen,” zeide Engel tot Pieter. “Ik vind dat visschen heel aardig, maar ik zou toch +graag ook eens de woningen der zwarten zien.” + +</p> +<p>“Ik ook,” antwoordde Pieter. “Weet je, wat we moesten doen? We moesten er maar eens naar toe wandelen. Misschien vinden we +er dien ouden neger wel, die zoo’n vriend van je vader is. Hoe heet hij ook weer?—Jan.... Jan Kampanje.” + +</p> +<p>“Jan Company, meen je. Dat kon wel zijn. Maar om daar zoo op ons eigen houtje naar toe te gaan, dat durf ik niet. Je zoudt +nooit kunnen weten. Die zwarten hebben zulke rare kuren. Ze konden wel eens iets kwaads met ons in den zin hebben.” + +</p> +<p>“Het zijn geen menscheneters, Engel,” hernam Pieter. “Kom, wij moesten het maar wagen.” + +</p> +<p>“Jij bent een waaghals, Pieter,” zeide Engel. “Ik doe het niet. Mijn vader zou het mij nooit vergeven, als daar iets kwaads +uit voortkwam. Maar ga jij alleen.” + +</p> +<p>“Alleen?—Neen, dan wacht ik maar tot de anderen gaan. Zij zullen toch wel eens genoeg gevischt hebben.” + +</p> +<p>Het duurde echter nog een heelen tijd alvorens dit het geval was. Intusschen—aan alle dingen is een end, placht oom Klaas +te zeggen, en zoo was het hier ook. Na de vischvangst begaf men zich naar de negorij of het dorp der zwarten. Dat bestond +uit verscheidene woningen in den vorm van bijenkorven, terwijl de ingangen zoo laag waren, dat men er in moest kruipen. En +als men er dan in was, dan kon men er niet recht in opstaan, maar moest op matjes zitten. Ook waren zij zoo zonderling omheind, +dat, als men van het eene naar het andere <a id="d0e3317"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3317">128</a>]</span>of naar een derde wilde komen, men als in een doolhof verdwaalde. Gelukkig, dat die heiningen niet hoog waren, zoodat de Hollanders +er over heen konden stappen. Het wemelde er van kleine, zwarte kinderen, die door de geheele negorij als jonge biggen in het +zand kropen, terwijl de negermoeders daarbij lagen, even lui en log als zeugen. Al voortwandelende, bleven onze zeelieden +op eens voor een der woningen staan, die zich in niets van de andere onderscheidde. + +</p> +<p>“Wat zou daar te doen zijn?” zeide Engel, die zich altijd dicht bij Pieter had gehouden. + +</p> +<p>“Misschien hebben ze een zwart kind op zijn naakte lijf getrapt,” gaf Pieter ten antwoord, terwijl hij over een heining stapte, +om gauw bij de hand te zijn. + +</p> +<p>“Dat denk ik niet,” hernam Engel, “want dan zou dat kleine, zwarte mirakel wel schreeuwen.” + +</p> +<p>“Ik zie het al,” riep Pieter uit. “Het is de woning van Jan Kampanje. Kijk, daar staat hij.” + +</p> +<p>“Inderdaad, hij is het,” hernam Engel. + +</p> +<p>En het was dan ook zoo. Jan Company, die in zijne woning zat, was, zoodra hij de zeelieden zag aankomen, daaruit gekropen. + +</p> +<p>“Ikke heel blij ben, dat Uwé mij eene bezoek komt brengen. Isse Mijnheer Michiel de Ruyter niet bij u?” zeide de neger. + +</p> +<p>“De Admiraal niet, maar wel zijn zoon,” antwoordde Du Bois. “Waar is Jonker Engel?” hernam hij, rondziende. “Ha, daar is hij. +Kom eens hier, Jonker,” vervolgde hij tot den knaap. “Uws vaders vriend, Jan Company, wenscht u te zien.” + +</p> +<p>“Ikke de heeren niet durf vragen te komen in mijne huisje,” hernam de neger. “Die te klein is, om te ontvangen de Heeren. +Maar zij met mij moeten meegaan.” En dit zeggende, geleidde hij de zeelieden naar een palmboom, onder welks schaduw allen +rondom in het gras gingen zitten, terwijl Jan Company door zijne slaven of bedienden negerbrood, van zeker gestampt zaad <a id="d0e3337"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3337">129</a>]</span>gebakken, palmwijn en zoete melk liet aanbrengen. Ook zaten er verscheidene van de notabelen der negorij, zoo mannen als vrouwen, +mede aan en ging het er recht vroolijk toe. Jan Company was onuitputtelijk in vertellingen van zijne jeugd; ook toonde hij +een uitmuntend geheugen te hebben, daar hij nog de meeste Vlissingsche straten, kaden en bruggen bij naam wist te noemen. +Niet weinig vermeerderde de vroolijkheid, toen kapitein Du Bois het brood, de kaas, den wijn en den brandewijn liet halen, +die men van boord had medegebracht en die den zwarten heeren en dames recht goed schenen te smaken. Zoo bleef men bij elkander +tot de avond begon te vallen; toen maakte men zich gereed, weder naar boord te varen. Jan Company vergezelde hen tot aan het +strand en verzocht hun nog vele groeten aan zijn ouden vriend De Ruyter te doen, hetgeen men hem beloofde. Zeer tevreden over +dat uitstapje, kwam men aan boord van “de Spiegel” terug. + +</p> +<p>Van <span class="letterspaced">Goeree</span> stevende De Ruyter naar de rivier <span class="letterspaced">Sierra Leona</span>, alwaar hij de Engelsche koopwaren in beslag nam; van daar naar de <span class="letterspaced">Goudkust</span>, waar hij het kasteel <span class="letterspaced">Witsen</span> of <span class="letterspaced">Tokkary</span>, door de Engelschen aan de W. I. Compagnie ontnomen, heroverde en slechtte; en eindelijk naar <span class="letterspaced">St.-George d’Elmina</span>, waar hij de Britsche vesting <span class="letterspaced">Kormantijn</span> aantastte en nam. Nadat hij alzoo onze bezittingen in <span class="letterspaced">Afrika</span> van den overmoed der Britten had verlost, stevende hij naar <span class="letterspaced">Barbados</span> in <span class="letterspaced">Amerika</span>, alwaar hij insgelijks den hem gegeven last volbracht en zich ook van eenige Engelsche schepen meester maakte. Hier kreeg +hij bevel, om naar het vaderland terug te keeren. Daar hem ook kort daarop het bericht gewerd, dat de oorlog tusschen <span class="letterspaced">Engeland</span> en de republiek was uitgebarsten, vond hij het ongeraden, het <span class="letterspaced">Kanaal</span> door te stevenen, zeilde dus achter <span class="letterspaced">Ierland</span> om en kreeg te <span class="letterspaced">Bergen</span> in <span class="letterspaced">Noorwegen</span> de tijding van een overwinning, door de Engelsche vloot op de <a id="d0e3386"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3386">130</a>]</span>onze behaald, en die ik u in het volgende hoofdstuk zal vertellen. Hij besloot dus niet in <span class="letterspaced">Texel</span> binnen te loopen, maar naar de <span class="letterspaced">Eems</span> te zeilen. Doch ook dit zou weinig hebben gebaat, indien de Voorzienigheid niet voor onzen held had gewaakt. De Engelschen +toch loerden aan alle kanten op den terugkeerenden Admiraal. Een zware mist belette hun echter de onzen te zien; daarenboven +veranderde de wind ieder oogenblik, waardoor zij de Engelschen en dezen hen telkens miszeilden; en zoo kwamen zij den zesden +Augustus 1665 met negentien schepen, waaronder vijf prijzen, behouden in de <span class="letterspaced">Eems</span> en binnen de haven van <span class="letterspaced">Delfzijl</span> aan. “’t Is God alleen,” riep de vrome Vice-admiraal uit, toen men hem geluk wenschte met zijne wonderbare ontsnapping. “’t +Is God alleen, die ons buiten het gezicht van onze vijanden geleid heeft. + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/o065.gif" alt="Ornament." width="312" height="132"></div><p> + + + +<a id="d0e3404"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3404">131</a>]</span></p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3010" href="#d0e3010src" class="noteref">1</a></span> Deze klerk heette Jan van Meesen; hij verried de geheimen aan ’s Graven rentmeester Dirk van Ruyven. Door voorspraak van Johan +de Witt werden zij slechts gebannen: Van Meesen voor zijn leven en Van Ruyven voor 10 jaren. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3024" href="#d0e3024src" class="noteref">2</a></span> De beide andere kinderen van Willem Frederik waren Amalia, later gehuwd met Johan Wilhelm van Saksen-Eisenach, en Sophia Hedwig, +in hare kindsheid gestorven. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3079" href="#d0e3079src" class="noteref">3</a></span> Koeriers. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3269" href="#d0e3269src" class="noteref">4</a></span> Zie “De weezen van <span class="letterspaced">Vlissingen</span>”, 6e druk. Blz. 5. +</p> +</div> +</div> +<div id="d0e3405" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e112">Inhoud</a>] +</span><div class="figure"><img border="0" src="images/o001.gif" alt="Ornament" width="570" height="134"></div> +<h2 class="label">Tiende Hoofdstuk.</h2> +<h2>Waaruit blijkt, dat het hier niet altijd voor den wind ging.</h2> +<p style="
 background: url(images/ih131.gif) no-repeat top left;
 "><span style="
 float: left;
 width: 90px;
 height: 86px;
 background: url(images/ih131.gif) no-repeat;
 
 text-align: right;
 color: white;
 ">H</span>et wordt thans tijd, dat wij ruim een half jaar achteruitgaan, en onzen lezers iets mededeelen van het gebeurde hier te lande +in dien tusschentijd. + +</p> +<p>Nauwelijks hadden de schepen, door De Ruyter genomen maar weder vrijgelaten, de tijding in <span class="letterspaced">Engeland</span> gebracht van hetgeen er op de kust van <span class="letterspaced">Guinea</span> gebeurd was, of de vloot des konings werd in zee gezonden en honderden onzer koopvaarders genomen. Aan beide zijden, zoowel +in <span class="letterspaced">Engeland</span> als hier te lande, had men zich geducht ten oorlog toegerust. De listige Karel II echter wachtte nog met de oorlogsverklaring, +totdat hij onzen handel een gevoeligen slag had toegebracht. Daartoe gaf hij last aan den <span class="letterspaced">Engelschen</span> Schout-bij-nacht Allen om de rijke Smyrnasche vloot, die op hare huisreis was, te bemachtigen. Niet lang behoefde Allen op +haar te wachten; want weldra, op den 29<sup>sten</sup> December, verscheen zij, 30 koopvaarders sterk en geleid door slechts drie oorlogsschepen onder kapitein Pieter van Brakel. +Geen wonder, dat de overmoedige Brit reeds waande meester te zijn van die vloot. Doch hij had <a id="d0e3429"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3429">132</a>]</span>buiten den waard gerekend; want niet alleen de drie oorlogsschepen vochten woedend als getergde leeuwen; maar ook de koopvaarders +verdedigden zich zoo dapper, dat er slechts drie hunner den Engelschen in handen vielen. Van Brakel sneuvelde en Jan Poelofsz +van Hoorn, door vier Engelsche schepen omringd verdedigde zich uren lang tegen de overmacht en verliet zijn schip niet, dan +toen het met een groot aantal van de daarop overgesprongen vijanden in de diepte der zee zonk. + +</p> +<p>Zoodra men hier de tijding van deze schandelijke vredebreuk vernomen had, bevalen de Staten onzen zeehoofden, insgelijks alle +Britsche schepen aan te vallen en op te brengen, terwijl Karel II nu het masker afwierp en ons den oorlog verklaarde. + +</p> +<p>Ongelukkig heerschte in onze Republiek de oude verdeeldheid: rampzalige naijver tusschen de verschillende provinciën: gevolg +van het gemis van een enkel opperhoofd—een Admiraal-generaal. Wel hadden de admiraliteiten, op aansporing van den steeds onvermoeiden +Johan De Witt, krachtig medegewerkt tot den bouw en de uitrusting der vloot; maar over het benoemen van een opperhoofd was +men het niet eens. <span class="letterspaced">Zeeland</span> kon maar niet verkroppen, dat, in den oorlog tegen <span class="letterspaced">Zweden</span> aan De Witt de voorgang boven Jan Evertsen was geschonken, en benoemde dezen tot Luitenant-admiraal, met het doel om hem, +na Wassenaar, het tweede bevel op ’s lands vloot te doen voeren. Daarop benoemde men in <span class="letterspaced">Holland</span> tot dezelfde waardigheid Kortenaar, De Ruyter en Meppel, en in <span class="letterspaced">Friesland</span> Auke Stellingwerf. Nog werden in <span class="letterspaced">Holland</span> Cornelis Tromp, Van Nes en Schram, en in <span class="letterspaced">Zeeland</span> Coenders tot den rang van Vice-admiraal verheven. Zoo waren er dus op de vloot vier Luitenant-admiraals, terwijl er nog twee +buitenslands zich bevonden. Waarlijk, mijne <span id="d0e3453" class="corr" title="Bron: jong">jonge</span> lezers, het had veel van uw soldaatje spelen. Dan zijn er dikwerf vijf, zes of zeven officieren bij vier, vijf of zes manschappen; +want ieder wil gaarne officier zijn. +<a id="d0e3456"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3456">133</a>]</span></p> +<p>Den 23<sup>sten</sup> Mei liep onze vloot, bestaande uit 103 schepen met 5000 stukken geschut en 21000 man uit. Stilte en tegenwind echter beletteden +onzen Admiraal, onze kusten te verlaten en den vijand op te zoeken. Eindelijk ontmoette men de Engelsche vloot onder ’s konings +broeder, Jacobus<a id="d0e3462src" href="#d0e3462" class="noteref">1</a>, hertog van <span class="letterspaced">York</span> en Groot-admiraal des rijks, en Prins Robert, zoon van den verdreven en gestorven koning van <span class="letterspaced">Bohemen</span>. + +</p> +<p>Den 13<sup>den</sup> Juni, met het aanbreken van den dag, raakten de beide vloten slaags. Maar noodlottig was voor ons de uitslag van dit gevecht. +Op last der Staten, die gaarne aan al de gewesten genoegen wilden geven, had Wassenaar de vloot in niet minder dan zeven eskaders +verdeeld, en dit verzwakte natuurlijk de eenheid in werking, zoodat de meeste eskaders op zich zelf handelden. Daarbij kwam, +dat, reeds te vijf uren in den morgen, Kortenaar sneuvelde en diens stuurman, die het bevel overnam, zich lafhartig buiten +het gevecht hield. Wassenaar echter kweet zich kloekmoedig, doch ongelukkig vloog hij met zijn schip in de lucht. Hierop heesch +de trouwelooze stuurman van Kortenaar de admiraalsvlag in top en nam de vlucht. De anderen, niet wetende of Evertsen dan wel +Tromp het opperbevel had, volgden hem en spoedig was het wijken algemeen. Slechts aan den moed van de opperbevelhebbers en +enkele kapiteins hadden wij het te danken, dat ons verlies niet meer dan zestien schepen bedroeg. Vooral Tromp, die met eenige +weinigen de achterhoede uitmaakte, weerde den vijand het langst af en bracht het grootste deel der vloot behouden binnen <span class="letterspaced">Texel</span>, waar de afgevaardigden der Staten zich bevonden, die, reeds van de nederlaag verwittigd, zich derwaarts hadden begeven, +om orde op de zaken te stellen. De moedige Johan de Witt, die zich onder hen bevond, was te <span class="letterspaced">Petten</span> in een <a id="d0e3485"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3485">134</a>]</span>visschersboot gegaan en naar onze vluchtende schepen gevaren, ten einde hen te bewegen, het gevecht te hervatten. Hij ging +op het achterste dier schepen over en was daarop gebleven (ook toen het aan den grond raakte en in gevaar kwam om genomen +te worden) tot hij het binnen <span class="letterspaced">Texel</span> had gebracht. Jan Evertsen had met een tiental andere vaartuigen behouden de <span class="letterspaced">Maas</span> bereikt. Voor Wassenaar werd door de Staten in het koor der Groote kerk te ’s-<span class="letterspaced">Gravenhage</span> en voor Kortenaar door de Admiraliteit van de <span class="letterspaced">Maas</span> in de Groote kerk te <span class="letterspaced">Rotterdam</span> een praalgraf opgericht. Sommige der Scheepsbevelhebbers werden om hun in dien strijd gehouden gedrag met den dood andere +met eerloosheid en verbanning gestraft. + +</p> +<p>In het voorbijgaan moet ik u nog doen opmerken, dat vele kapiteins zich slecht gedragen hadden, niet uit lafhartigheid, maar +omdat zij der Oranjezaak waren toegedaan. Zeker een heel verkeerde manier om den Prins dienst te bewijzen. Ja, er waren er +ook nog, die bij de versterking der gehavende vloot weigerden in dienst te gaan, anders dan onder ’s Prinsen vlag; terwijl +op het schip van Tromp de matrozen geen anker wilden winden dan in ’s Prinsen naam. + +</p> +<p>Intusschen ging men met den meesten ijver voort aan het herstellen der geledene schade. Nu moest men een vlootvoogd kiezen, +en daar men, na den ongelukkigen zeeslag tusschen Wassenaar en York, vooral aan Tromp het behoud der vloot te danken had, +daar de liefde, die het scheepsvolk voor zijn vader had gekoesterd, op hem was overgegaan, zag men zijne Prinsgezindheid over +het hoofd en gaf hem het opperbevel, onder voorwaarde, dat het slechts in naam bij hem zou berusten, en in de daad bij drie +gevolmachtigden der Algemeene Staten, Huijgens wegens <span class="letterspaced">Gelderland</span>, Johan de Witt wegens <span class="letterspaced">Holland</span> en Boreel wegens <span class="letterspaced">Zeeland</span>. Tromp snelde naar de vloot, bevelhebbers en matrozen waren in hun schik en de vloot lag <a id="d0e3515"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3515">135</a>]</span>gereed om uit te zeilen. Dit was juist op het tijdstip van De Ruyters terugkomst te <span class="letterspaced">Delfzijl</span>. Gaan wij nu ook derwaarts en zien wij, wat daar voorviel. + +</p> +<p>Wij vinden boven op de kampanje onzen Pieter en Jonker Engel, ieder op een rol touwwerk gezeten, met elkander aan het praten. +Het was Donderdag den 6<sup>den</sup> Augustus 1665, ongeveer zes uren, dus twee uren na hunne aankomst te <span class="letterspaced">Delfzijl</span>. Het was heerlijk weder en de Augustuszon scheen zoo liefelijk op het dek, dat de beide vrienden er zich lekker in koesterden. + +</p> +<p>“Dat is ander weer dan wij op zee hebben gehad, Engel,” begon Pieter. “Zoo’n akeligen kouden mist, en dan—men kon geen hand +voor oogen zien. Ieder oogenblik dacht ik, dat wij op de een of andere ondiepte zouden stooten.” + +</p> +<p>“Ja, als uw oom niet aan het roer had gestaan, Pieter! Dan had er gevaar kunnen zijn,” zeide Engel. + +</p> +<p>“Alsof uw vader zich rustig en stil in zijn kampanje hield, niet waar? Waarlijk hij mag nu wel wat rust genieten, de goede +man.” + +</p> +<p>“Rust? Ach, wanneer zal vader dat woord eens anders dan bij naam kennen? Hij zit nu reeds zijn brieven te schrijven aan de +Heeren Staten-Generaal, waarin hij hun verslag geeft van hetgeen wij in <span class="letterspaced">Afrika</span> en <span class="letterspaced">Amerika</span> verricht hebben. Verder brieven aan de Heeren Raden der Admiraliteit te <span class="letterspaced">Amsterdam</span>, aan de Heeren Staten van <span class="letterspaced">Groningen</span> en <span class="letterspaced">Ommelanden</span>, en aan die van <span class="letterspaced">Friesland</span>.” + +</p> +<p>“Eilacy! Dat zal hij toch wel door den schrijver laten verrichten.” + +</p> +<p>“Natuurlijk. Maar hij moet ze hem toch voorzeggen en daarbij het scheepsjournaal raadplegen,” hernam Jonker Engel. “Kijk eens, +Piet,” vervolgde hij, terwijl hij naar den wal wees. “Daar komt waarlijk reeds bezoek aan ons boord. Vader merkt het al en +laat de statietrap uitzetten.” +<a id="d0e3558"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3558">136</a>]</span></p> +<p>“Dat is een deftig heer, die met zijn gouden gegallonneerden rok,” zeide Pieter. “Misschien wel een lid der Staten-Generaal.” + +</p> +<p>“Kan het ook de Raadpensionaris wezen?” vraagde Jonker Engel. “Hij schijnt ten minste de hoogste van den troep.” + +</p> +<p>“De Raadpensionaris?” riep Pieter lachende uit. “Neen, dien ken ik wel. Ik heb hem te ’s-<span class="letterspaced">Gravenhage</span> menigmaal gezien. Die ziet er veel eenvoudiger uit.” + +</p> +<p>“Waarschijnlijk is het dan de kommandant van <span class="letterspaced">Delfzijl</span>,” hervatte Jonker Engel. + +</p> +<p>En waarlijk had Jonker Engel het geraden; want het was de heer Schay, bevelhebber van <span class="letterspaced">Delfzijl</span>, die met eenig gezelschap aan De Ruyters boord kwam, om hem met zijne behouden terugkomst te begroeten. + +</p> +<p>“Nu komen zij vader nog storen,” hervatte Jonker Engel, toen de heeren de kampanje binnen waren. + +</p> +<p>“Het is toch een teeken van groote belangstelling in den Vice-admiraal,” vond Pieter. + +</p> +<p>“Dat is het. Maar vader heeft nu zijn tijd wel noodig. Intusschen zal hij den schrijver wel reeds de noodige instructiën gegeven +hebben. Kijk eens, Pieter! daar komen nog andere lieden aan. Het lijken wel kooplieden en gegoede burgers.” + +</p> +<p>“Daar is ook een boer bij,” riep Pieter uit. “Zij komen regelrecht op ons schip af.” + +</p> +<p>En zoo was het ook. Ja, toen de aankomst van De Ruyter bekend werd, stond het eenige dagen letterlijk niet stil van bezoekers, +uit steden en dorpen, edel en onedel, allen wilden den geliefden man hunne blijdschap betuigen; en niet alleen mannen maar +ook vrouwen, ja “menigte van deftige en eerlijke vrouwen vielen De Ruyter om den hals en kusten hem naar ’s lands wijze, alsof +ze hun vader of broeder, uit gevaar des doods ontkomen, bewellekoomden.” +<a id="d0e3588"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3588">137</a>]</span></p> +<p>Gaarne zou ik hier langer met u vertoeven, doch wij moeten voortgaan. + +</p> +<p>De Staten-Generaal hadden niet zoodra de tijding van De Ruyters behouden terugkomst vernomen, of zij besloten, op voordracht +van <span class="letterspaced">Amsterdam</span>, hem in plaats van den gesneuvelden Wassenaar-Obdam te benoemen tot Luitenant-admiraal van <span class="letterspaced">Holland</span> en <span class="letterspaced">West-Friesland</span> en hem het opperbevel over de vloot, die te <span class="letterspaced">Texel</span> zeilreê lag, op te dragen. Dezen lastbrief ontving onze De Ruyter den 13<sup>den</sup> Augustus. Den vorigen dag was er heel wat op de vloot te doen geweest. Het scheepsvolk namelijk, dat door zulk een lange +reis de zee moede was geworden, wilde aan land en naar huis. Kort daarop kwamen er drie Heeren gevolmachtigden van de Staten-Generaal +te <span class="letterspaced">Delfzijl</span>, om het volk te monsteren, en zeiden den schepelingen aan, dat zij de schepen naar <span class="letterspaced">Texel</span> of het <span class="letterspaced">Vlie</span> moesten brengen, met belofte dat men dan ieder naar de zijnen zou laten vertrekken, doch dat men ze, op maandelijksche gage, +tot nader orde en tromslag in dienst hield. Op de Amsterdamsche schepen toonde zich het volk vrij gewillig, maar op het schip +van Van der Zaan en op de Rotterdamsche en Noordhollandsche schepen sloeg men aan het muiten, en wel op aanstoken van een +Delvenaar, den matroos Jan Janszoon de Werelt van het schip “Louise”, die op verscheidene schepen had uitgestrooid, dat men +hen naar <span class="letterspaced">Texel</span> op de oorlogsvloot zou brengen en die hun had gevraagd, of zij er niet voor bedankten om doodgeschoten of gevangengenomen +te worden; want het gerucht had zich verbreid, dat de Nederlandsche krijgsgevangenen in <span class="letterspaced">Engeland</span> zeer slecht werden behandeld. Op het schip van Van der Zaan en op de Rotterdamsche schepen werd het volk tot bedaren gebracht. +Maar van de Noordhollandsche schepen liep genoegzaam de geheele bemanning weg. De muiter echter werd in een sloep achterhaald, +gevangengenomen, en te <span class="letterspaced">Rotterdam</span> opgehangen. +<a id="d0e3626"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3626">138</a>]</span></p> +<p>Het was op Vrijdag den 14<sup>den</sup> Augustus, dat de drie gevolmachtigden bij den nieuwbenoemden Luitenant-admiraal aan boord kwamen, om hem geluk te wenschen +met die benoeming. + +</p> +<p>“Zal je vader het Luitenant-admiraalschap aannemen?” vraagde Pieter aan Jonker Engel, die bij hem kwam, terwijl hij zich bij +het roer bevond. + +</p> +<p>“Daar twijfel ik niet aan,” gaf Engel ten antwoord. + +</p> +<p>“Hij zal toch wel naar huis verlangen, na een afwezigheid van vijftien maanden.” + +</p> +<p>“Dat kun je denken, Pieter,” hernam Engel. “Maar dat weet je: waar plicht gebiedt, daar zwijgen bij vader alle andere roepstemmen.” + +</p> +<p>“En waar het vaderland zijn diensten vraagt, is de Luitenant-admiraal De Ruyter nooit achterlijk gebleven,” voegde oom Klaas +er bij. “Een braaf man en een trouwe kerel, uw vader.” + +</p> +<p>“Dat is hij, Klaas Dirksz,” zeide Jonker Engel, “en ik reken mij gelukkig zulk een vader te hebben.” + +</p> +<p>”’t Zal mij veel kosten, hier te blijven, terwijl onze Admiraal naar <span class="letterspaced">Texel</span> gaat,” hernam oom Klaas. + +</p> +<p>“Dat zal wel niet noodig zijn, stuurman,” hervatte Jonker Engel. “Als de Scheepsraad, die zoo straks bijeenkomt, het goed +vindt, zal ieder, die wil, met vader kunnen meegaan.” + +</p> +<p>“Dan ben ik een der eersten,” riep Dirksz uit, terwijl zijn gelaat verhelderde. “Met mijn Luitenant-admiraal ga ik ter overwinning +of in den dood.” + +</p> +<p>“En ik ga ook mee,” zeide Pieter. “Ten minste als jij niet hier blijft, Engel.” + +</p> +<p>“Hoe komt je dat in de gedachten, Pieter? Denk je, dat vader alleen zal vertrekken en mij achterlaten?” + +</p> +<p>“En zullen wij spoedig gaan?” vraagde Pieter. + +</p> +<p>“Nog heden. Doch daar komen de kapiteins al aan boord. De zitting van den scheepsraad zal wel niet lang duren.” +<a id="d0e3661"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3661">139</a>]</span></p> +<p>Acht en dertig vrijwilligers, zoo bevelhebbers als matrozen, gaven zich aan om met den geliefden Admiraal opnieuw het leven +te wagen voor het Vaderland. Onder hen bevonden zich, behalve Pieter en oom Klaas, ook de Vice-admiraal Van Nes, Graaf Johan +Belgicus van Hoorne, Jonker Reinoud van Koeverden en de schrijver van het schip van De Wild, later secretaris bij De Ruyter. +Van boord varende, deden al de schepen saluutschoten; te <span class="letterspaced">Delfzijl</span> waren al de soldaten ter eere van den Luitenant-admiraal onder de wapenen en loste men het geschut. Met twee trekschuiten +vertrokken zij naar <span class="letterspaced">Groningen</span> en van daar over <span class="letterspaced">Dokkum</span> naar <span class="letterspaced">Leeuwarden</span>, <span class="letterspaced">Franeker</span> en <span class="letterspaced">Harlingen</span>; terwijl zij den nacht doorreisden, zoodat zij reeds den volgenden dag na den middag in laatstgenoemde stad waren. In al +de steden, welke zij doorvoeren, werden zij door een grooten toeloop van volk en met uitbundig gejuich begroet en, zooveel +de snelheid hunner reis het toeliet, door de vroedschap onthaald. Nog denzelfden avond gingen zij onder zeil naar <span class="letterspaced">Texel</span>, waar zij den volgenden dag aankwamen, De Ruyter den eed in handen van de gevolmachtigden der Staten-Generaal aflegde en +het volk zich op de twee fregatten begaf, die men voor hen te <span class="letterspaced">Texel</span> had laten liggen. Door tegenwind teruggehouden, kwam men eerst in den ochtendstond van den 18<sup>den</sup> op de vloot, aan boord van het schip “de Liefde”, waar de Luitenant-admiraal door de gevolmachtigden der Heeren Staten Johan +de Witt, Huijgens en Boreel hartelijk verwelkomd werd. + +</p> +<p>Daar was intusschen op die vloot wat voorgevallen. Nauwelijks toch had Tromp de benoeming van De Ruyter tot opperbevelhebber +vernomen, of hij gevoelde zich, niet ten onrechte, diep gekrenkt en zwaar beleedigd. Men had hem immers het opperbevel over +’s lands vloot opgedragen en hij had haar in orde gebracht. Hoe kon men hem dan zoo wederrechtelijk dat bevel ontnemen?—Terstond +diende hij zijn ontslag in, ten <a id="d0e3693"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3693">140</a>]</span>minste voor dezen tocht; maar op aanhouden der Staten-Generaal en hunne gemachtigden liet hij zich overhalen op de vloot te +blijven en ontving den nieuwen opperbevelhebber zeer beleefd op zijn schip. + +</p> +<p>Het heeft u misschien verwonderd, dat de Raadpensionaris zelf op de vloot was, en inderdaad, gij zijt de eenigen niet. Er +waren ten jare 1665 velen hier te lande, wien het verwonderde, en die het De Witt afrieden met alle kracht van redeneering; +die hem onder het oog brachten, hoe hij zich aan het gevaar van stormen en de kogels der vijanden blootstelde, zonder te bedenken, +wat er aan hem zou verloren worden. Maar hij antwoordde: “dat de behoudenis van zijn persoon en zijn geluk aan het behoud +van den Staat hing, en dat de goede of kwade uitkomst van een zeeslag beiden zou behouden of verderven. Daarom was hij op +de vloot gegaan, om de dapperen aan te moedigen en de te voortvarenden te matigen.” + +</p> +<p>En dat hij met hart en ziel het heil van ’s Lands vloot zocht, dat had men op den 14<sup>den</sup> Augustus gezien, toen hij bewees, dat men, niet zooals de meest ervaren zeelieden tot hiertoe gemeend hadden, slechts met +tien streken van het kompas<a id="d0e3702src" href="#d0e3702" class="noteref">2</a> het gat van Texel kon uitvaren, maar, zooals hij door nauwkeurig mathematisch onderzoek gevonden had, met acht-en-twintig. +De oudste en knapste loodsen lachten hem over die bewering in het gezicht uit. Maar De Witt stoorde zich daaraan niet. Hij +zelf ging aan het roer staan van “de Delfland”, terwijl de Heer Van Haaren “Het huis te Swieten” voor zijne rekening nam. +En zoo bracht de schrandere man, tot verbazing van allen, de vloot nog dienzelfden dag in zee. +<a id="d0e3705"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3705">141</a>]</span></p> +<p>De Ruyter bleef niet op het schip “de Liefde”, maar begaf zich nog denzelfden dag met de drie gevolmachtigden op het schip +“de Delfland”, waarheen ook Klaas en Pieter hem vergezelden. De vloot, vooral door de zorg van De Witt binnen acht weken weer +in zee gebracht, bestond nu uit drie-en-negentig oorlogsfregatten, voorzien van 4337 stukken geschut en bemand met 19635 koppen. +Zij was verdeeld in vier eskaders, elk onder een Luitenant-admiraal, en wel onder De Ruyter, Cornelis Evertsen, Cornelis Tromp +en Tjerk Hiddes de Vries. + +</p> +<p>Veel echter richtte deze vloot dit jaar niet uit; een zware storm noodzaakte haar, om zwaar beschadigd naar hare havens terug +te keeren. + +</p> +<p>Nog hadden wij in het zelfde jaar een tweede oorlogsverklaring gekregen, en wel van Barend van Galen, den oorlogzuchtigen +bisschop van <span class="letterspaced">Munster</span>, die nog een ouden wrok tegen den Staat gevoelde, en door <span class="letterspaced">Engeland</span> was opgezet en met geld werd ondersteund. Alles was hier aan de zeemacht opgeofferd, zoodat het met de landmacht ellendig +gesteld was. Barend van Galen veroorzaakte ons veel schade; gelukkig echter werd de vrede met hem den 18<sup>den</sup> April van het volgend jaar gesloten. + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/o096.gif" alt="Ornament." width="218" height="62"></div><p> + + + +<a id="d0e3725"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3725">142</a>]</span></p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3462" href="#d0e3462src" class="noteref">1</a></span> Later onder den naam van Jacobus II koning van <span class="letterspaced">Engeland</span> geworden. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3702" href="#d0e3702src" class="noteref">2</a></span> Gij weet immers, dat er, behalve de vier hoofdwindstreken Noord, Oost, Zuid en West, nog acht-en-twintig tusschenstreken op +het kompas zijn; dus twee-en-dertig in het geheel. +</p> +</div> +</div> +<div id="d0e3726" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e112">Inhoud</a>] +</span><div class="figure"><img border="0" src="images/o056.gif" alt="Ornament" width="586" height="148"></div> +<h2 class="label">Elfde Hoofdstuk.</h2> +<h2>Wat er met den Prins op het buurtmaal voorviel en wat de Raadpensionaris daarover zeide.</h2> +<p style="
 background: url(images/ii142.gif) no-repeat top left;
 "><span style="
 float: left;
 width: 90px;
 height: 86px;
 background: url(images/ii142.gif) no-repeat;
 
 text-align: right;
 color: white;
 ">I</span>n den tijd, waarvan wij spreken, waren de buurtvereenigingen nog in vollen bloei. Buurtvereenigingen of buurten waren genootschappen, +ontstaan door vrije overeenkomst van in elkanders nabijheid gelegene stadsgedeelten of wijken, wier bewoners zich verbonden +tot onderlinge goede verstandhouding, het verleenen van wederkeerige hulp en het handhaven der orde binnen de buurt. De bepalingen +daartoe, vervat in een “brief” of “kaart,” werden meestal aan de goedkeuring van den Magistraat onderworpen en hadden slechts +dan verbindende kracht. De stad ’s-<span class="letterspaced">Gravenhage</span> was toenmaals verdeeld in 71 buurten, waarvan de <span class="letterspaced">Hofbuurt</span> (<span class="letterspaced">Binnen-</span>, <span class="letterspaced">Buitenhof</span> en <span class="letterspaced">Hofsingel</span>) en de <span class="letterspaced">Illustre Parelbuurt</span> (<span class="letterspaced">Voorhof</span> en <span class="letterspaced">Vijverberg</span>) de voornaamste in rang waren<span id="d0e3757" class="corr" title="Bron: ">.</span> Sommige dier buurten waren nog gescheiden in twee gedeelten. Zoo bevatten de <span class="letterspaced">Hofbuurt</span> en <span class="letterspaced">Parelbuurt</span> twee vereenigingen: die voor Heeren-burgers en die voor Burger-burgers; <a id="d0e3766"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3766">143</a>]</span>zoo hadden enkele buurten, b. v. het <span class="letterspaced">Voorhout</span>, eene vereeniging voor gehuwde mannen en een voor ongehuwden, <span class="letterspaced">Jonkmansbuurt</span> genaamd. Aan het hoofd van elke buurt stond een bestuur, “officier en regenten der Buurt” geheeten, hetwelk was samengesteld +uit een deken (ook wel “President van de Buyrte” genoemd), twee, vier of zes Hoofdlieden (die ook den naam van “vredemakers” +droegen) en één Secretaris (die in de <span class="letterspaced">Hofbuurt</span> den titel van griffier voerde). Zelfs hadden sommige buurten, onder andere de <span class="letterspaced">Hoogstraat</span>, haren advocaat. De deelneming als lid der buurt was vrijwillig; evenwel moest men bewoner van de buurt zijn, en werd er +bij stemming over het toetreden tot het lidmaatschap geballoteerd. Wie niet goed van gedrag was, geen goeden naam had, als +onaangenaam in den omgang bekend stond, of om andere redenen geen genoegzaam aantal stemmen kreeg, mocht geen lid worden. +Ook kon men van dat Lidmaatschap vervallen worden verklaard, tot straffe voor het niet voldoen aan de vastgestelde wetten, +keuren, boeten of ordonnantiën. Elk lid nam op zich te betalen een wekelijksche of maandelijksche contributie, die verschillend +was naar de buurten<a id="d0e3780src" href="#d0e3780" class="noteref">1</a>, ƒ 3 bij het koopen en evenveel bij het verkoopen van een huis, en een vastgesteld geld bij huwelijken, geboorten of begrafenis. +Het doel dezer buurtvereenigingen was onderlinge hulp en bevordering der vriendschap; ook het handhaven van vrede en rust +in de buurt. Wanneer twee buren twist hadden, begaven zij zich naar de Hoofdlieden, die trachten hen met elkander te verzoenen. +Verkozen zij daarnaar niet te luisteren en brachten zij de zaak voor het gerecht, dan betaalden zij eene boete van drie gulden. +Wie zijn vrouw “smeet ofte sloeg, dat daar een straatgerucht uit voortquam” verbeurde een vette ham of ten minste ƒ 3 (in +<a id="d0e3786"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3786">144</a>]</span>andere buurten ƒ 1.50), voor het “kyven met anderen in de buyrt” 12 stuivers, schelden 6 stuivers, bedreiging ƒ 1.50, slaan +ƒ 3; kwam men bij brand niet op, dan verbeurde men 24 stuivers. Al die boeten gingen bij de inkomsten, en van al die ontvangsten +werden jaarlijks maaltijden aangericht, waaraan al de leden der buurt met hunne vrouwen deelnamen. Somtijds hield men om de +twee of drie jaren een maaltijd, waarbij de bewoners van andere buurten genoodigd werden. De maaltijden duurden gewoonlijk +drie, wel eens vier dagen. Bij sterfgevallen waren de buren verplicht als dragers te assisteeren, waarvoor de betrekkingen +van den doode een zekere somme gelds naar believen aan den buurt-secretaris ter hand stelden. Deze betaalde daarvan den dragers +ƒ 1 of meer en stortte het overige in de kas. Ook bij brand moesten de buurtlieden opkomen ter blussching, waarvan echter +zij, die aan het stadhuis verbonden waren of tot de schutterij behoorden, waren vrijgesteld. De afgetredene hoofdlieden waren +brandmeesters. Nog had de buurt een knecht, die zorgen moest voor het aanzeggen der dooden, het oproepen der dragers en het +uitdeelen en ophalen der buurtpenningen, die dezen aan huis werden bezorgd<a id="d0e3788src" href="#d0e3788" class="noteref">2</a>. + +</p> +<p>Wij willen dan eens den <span class="letterspaced">Nieuwen Doelen</span> binnentreden en ons naar dezelfde zaal begeven, die wij in een vroeger werkje<a id="d0e3796src" href="#d0e3796" class="noteref">3</a> reeds eenmaal zijn ingetreden. Het is de 24<sup>ste</sup> November van het jaar 1665, de tweede dag van den ditmaal gevierd <a id="d0e3802"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3802">145</a>]</span>wordenden maaltijd. Het is dit jaar een luisterrijk festijn; veel kostbaarder dan gewoonlijk. En geen wonder; want een paar +hooggeplaatste personages, ook leden der buurt, zullen de maaltijden bijwonen: Prins Willem Hendrik en de Raadpensionaris +Johan de Witt met zijne echtgenoote Wendela, de dochter van den Amsterdamschen burgemeester Bicker. De Witt heeft dan ook, +in plaats van de ƒ 15.60 die hij als lid der buurt moest betalen, niet minder dan 19 Dukatons (ƒ 59,85) gegeven: terwijl de +Prins, behalve een nog veel aanzienlijker gift, door zijn kok verscheidene schotels heeft laten gereedmaken, welke hij naar +den <span class="letterspaced">Doelen</span> heeft gezonden. “Door zijn kok?” hoor ik u vragen. Welzeker, de vijftienjarige knaap houdt er reeds een heele hofhouding +op na. Behalve zijn goeverneur Zuijlestein, zijn schrijver en Raad Wildertz, zijn kamerdienaar Karel Pietersz en de andere +bedienden, bekleedt de Heer van Heenvliet bij hem den post van opperstalmeester, Boreel dien van hofmeester, Bromley, een +Engelschman, en Buat, die vroeger reeds als page bij zijn doorluchtigen vader Willem II in dienst is geweest, die van edellieden +van zijn huis. De baron Van Freisheim is sedert den 27<sup>sten</sup> April als vendrig in dienst van den Staat. Hoeveel de Prins steeds van dezen hield, getuigen nog zijne aan den jongen baron +gerichte brieven, waarin zijne Hoogheid den lossen Freisheim menige vriendelijke vermaning geeft. + +</p> +<p>Maar keeren wij tot de zaal van den <span class="letterspaced">Nieuwen Doelen</span> terug, die sedert 1648 steeds voor deze gelegenheden gebruikt wordt, in plaats van de Casteleneye van <span class="letterspaced">Holland</span>, welke vóór dien tijd tot dat doel werd ingericht. Ook heeft men in de <span class="letterspaced">Hofbuurt</span> voor ditmaal het gebruik afgeschaft, dat ook in de andere buurten bestaat: namelijk, dat ieder genoodigde zijn eigen servet, +mes en lepel moest medebrengen. Wij treden de zaal binnen op het oogenblik, dat de gasten boven komen, die reeds <a id="d0e3821"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3821">146</a>]</span>vroeg in de benedenzalen vergaderd zijn geweest; alwaar de mannen onder het “drinken van toeback”, die in looden potten aanwezig +is, en de vrouwen bij het gebruik van een glaasje “malvezy ofte spaensen wijn” en kandeel en een aangenaam buurpraatje, sedert +tien uren den tijd hebben gesleten. + +</p> +<p>De zaal is verlicht met tallooze waskaarsen en schoon versierd met de kleuren van het Huis van <span class="letterspaced">Oranje</span>. In het midden staat de tafel, waarop een rijkdom van schotels: heerlijke ossenrolenden, speenvarkens, kalfsschijven en vette +hammen als vleeschspijzen;—hazen, konijnen en een reebout als wild;—kalkoenen, hoenders, duiven, als gevogelte;—zee- en riviervisch +en vooral “oysters”<a id="d0e3828src" href="#d0e3828" class="noteref">4</a>, zoo versch als gebraden, als waterproduct;—gort, erwten en boonen, op verschillende wijzen toebereid, salade en radijs als +veldvruchten voorkomen. Verder het dessert, bestaande uit peren, appelen, noten, druiven<a id="d0e3831src" href="#d0e3831" class="noteref">5</a> en mispelen, en uit een menigte taarten en gebakken, als: “Spaens banquet,” “ordinair banquet van appelen” en “taartenbanquet,” +“marsepeynen,” “gestoffeerde poddings”, “pasteyen”, “eyerkoeken” en heerlijke confituren. Gij ziet, dat er genoeg te eten +is, en te drinken ook; want die lange fluiten zijn voor verschillende Fransche wijnen, voor “Spaensen” en “Rhijnschen” wijn, +en die kroezen voor “Haagsch, Dorts, Bergs of Hamburgs” bier. Om de tafel heen staan stoelen met zachte kussens, en de tafel +zelf is met een helder wit tafellaken gedekt; de schotels en borden zijn van tin. + +</p> +<p>“Zijne Hoogheid toeft vandaag lang,” begon de advocaat Moleschot, de aftredende deken van dat jaar. “Zij zal, hoop ik, toch +wel deelnemen aan ons festijn.” +<a id="d0e3836"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3836">147</a>]</span></p> +<p>“Voorzeker,” zeide Cimon van Middelgeest, een der hoofdlieden. “Ik weet zeker, dat Zijne Hoogheid zal komen.” + +</p> +<p>“Maar de Raadpensionaris zal heden niet paraisseeren,” verzekerde Johan Houttuijn, een ander hoofdman. + +</p> +<p>“Waarom niet?” vraagde Middelgeest. + +</p> +<p>“Hij is geïndisposeerd geworden,” antwoordde Houttuijn. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p147.jpg" alt="" width="613" height="456"></div><p> + + +</p> +<p>“Geïndisposeerd?” riep Henricus Hondius uit. “Het zal hem gisteren zeker niet gecoiffeerd hebben, dat wij ons Prinsje wat +veel gefêteerd hebben.” + +</p> +<p>“De Raadpensionaris is er de man niet naar, om zich daarvoor absent te houden,” bracht Van Limborch in het midden. “Hij weet +zeer goed, dat de <span class="letterspaced">Hofbuurt</span> verscheidene leden telt, die der Staatspartij zijn toegedaan.” + +</p> +<p>“Meer toch nog den Prins,” hernam Hondius. “Bij de meesten is het nog Oranjeboven.” +<a id="d0e3857"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3857">148</a>]</span></p> +<p>“Ieder, die het wel met den Lande meent, zal respect hebben voor den Oranjestam,” hervatte Limborch. “Maar niemand, welke +partij hij ook zij toegedaan, zal den Raadpensionaris minachten, wiens mérite grooter is dan die van eenig man in de Republiek.” + +</p> +<p>“En dan die oorlog met Engeland?” vraagde Hondius. + +</p> +<p>“Daar heeft toch zijne Edelheid de Raadpensionaris in trouwe geen schuld aan,” antwoordde Limborch. + +</p> +<p>“Geen politiek op ons buurtmaal, heeren!” maande een ander hoofdman, Lintelo van der Ehse aan. “Gij weet zeer goed, dat die +onder goede buren niet te pas komt, vooral niet bij een gelegenheid, welke dient tot verbroedering.” + +</p> +<p>“Gij hebt volkomen gelijk,” verzekerde de deken. “Doch ik hoor het rollen eener karos. Het zal Zijne Hoogheid zijn.—Wij zullen +komen,” vervolgde hij tot den buurtknecht, die kwam zeggen, dat de koetsen van Zijne Hoogheid in het gezicht waren. En terstond +begaf hij zich met de vier hoofdlieden naar beneden, om den Prins te ontvangen. De burgers en hunne dames stelden zich intusschen +in een dubbele rij, die van de deur tot de zitplaats van den Prins liep, en het duurde niet lang, of de hooge personage kwam +met zijn gevolg binnen. Het was nog altijd dezelfde bleeke, ziekelijke knaap, en het scheen, dat hij nu nog bleeker zag in +dat roode fluweelen wambuis, waarover een mantel van dezelfde kleur en stoffage was geslagen, met gouden galons geboord, en +welken hij, zoodra hij de zaal binnentrad, aan zijn kamerdienaar Karel overreikte. Sterk stak de witte satijnen broek, boven +de kuiten met rood satijnen strikken vastgeknoopt, daarbij af; terwijl de rooskleurige zijden kousen en hooggehakte met roode +strikken voorziene schoenen zijn toilet voltooiden. Achter hem kwamen Zuijlestein, Heenvliet, Boreel, Buat en Bromley. Vriendelijk +groette de Prins naar beide zijden, terwijl hij zich naar den hoogen met groen laken <a id="d0e3868"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3868">149</a>]</span>bekleeden leuningstoel begaf, die aan de rechterhand van den President voor hem was gereed gezet. Zoodra hij was gezeten, +namen ook de andere gasten plaats zonder onderscheid van rang of stand; want, behalve de plaats van den President of Deken, +bestond er geene vooraanzitting hoegenaamd. + +</p> +<p>Wij stappen over het eerste gedeelte van den maaltijd heen, en zien intusschen de tribune boven de deur zich vullen met muzikanten, +die onder het dessert eenige stukken zullen spelen en na den afloop den danslustigen gelegenheid geven tot het uitvoeren der +vroolijke “sarabandes” of der sierlijke “courantes”, dansen, uit het danslustige <span class="letterspaced">Frankrijk</span> overgebracht en toen algemeen in zwang. + +</p> +<p>Toen het eerste gedeelte van den maaltijd was afgeloopen, verlieten de gasten de zaal, om den bedienden gelegenheid te geven +de tafel voor het dessert in orde te brengen, om zich eens te verluchten en eenige oogenblikken te laten tusschen het eerste +en het tweede gedeelte van den maaltijd. Reeds van den tijd der Graven toch was het bij onze voorouders de gewoonte, den maaltijd +met een dessert te besluiten. De mannen namen weder hunne pijpen ter hand en stopten die uit de looden “toebackspotten”; na +1679 gebruikten de dames dan hare “vrouwtjestoeback, geseyd thee” en na 1693 hare “caffée” of koffie. + +</p> +<p>Nauwelijks waren de pijpen opgestoken, of de mannen verzamelden zich, naar het voorbeeld der vrouwen, in kleine troepen, en +de Prins zag zich omringd van verscheidene heethoofden zijner partij: Sickinga van Warfsum, Cimon van Middelgeest, Henricus +Hondius en anderen. Zij trachtten den Prins in een politiek gesprek te mengen; maar deze, wel bemerkende welken weg zij op +wilden, was begonnen te spreken over de heerlijke oesters, die hij had gegeten, en over de jachthonden, die hij op <a id="d0e3879"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3879">150</a>]</span>het <span class="letterspaced">Huis ten Bosch</span> had en van welke hij een menigte anekdoten wist mede te deelen. Intusschen waren de deken en de hoofdlieden bezig met het +opnemen der stemmen voor een nieuwen deken, in plaats van den Advocaat Moleschot, waarvan de uitslag vóór het dessert aan +de buurtvergadering zou worden kenbaar gemaakt. + +</p> +<p>Zoodra de gasten weder waren gezeten, stond de Advocaat Moleschot op en deelde aan de vergadering mede, dat Zijne Hoogheid +Prins Willem Hendrik met algemeene stemmen tot President of deken was benoemd. + +</p> +<p>“Ik twijfel er geenszins aan,” vervolgde de deken, terwijl hij zich tot den Prins wendde, “of Uwe Hoogheid zal zich die benoeming +laten welgevallen en haar beschouwen als een blijk van de innige affectie der <span class="letterspaced">Hofbuurt</span> tot het Doorluchtige huis, waarvan Uwe Hoogheid de afstammeling is.” + +</p> +<p>“Ik ben gevoelig, mijnheer Moleschot,” antwoordde de Prins, terwijl hij van zijn zetel oprees, “ik ben gevoelig voor de eer, +mij door mijne geaffectioneerde vrienden van de <span class="letterspaced">Hofbuurt</span> bewezen, en ik zie geene oorzake om niet aan de roeping te beantwoorden, die tot mij komt door uwen mond. Ik neem dus de +benoeming aan.” + +</p> +<p>Een algemeen gejuich volgde op deze woorden. + +</p> +<p>“Ik ben u dankbaar voor uwe goede affectie te mijwaarts, goede vrienden,” hernam de Prins, “en, daar wij het privilegie hebben, +een stadhouder<a id="d0e3900src" href="#d0e3900" class="noteref">6</a> te benoemen, zoo installeer ik als zoodanig onzen geëstimeerden vriend, den Advocaat Moleschot, dien ik verzoek, ook voor +hedenavond mijne plaats te vervullen.” + +</p> +<p>Deze rede werd weder gevolgd door toejuiching. + +</p> +<p>Daarop nam Moleschot het woord. + +</p> +<p>“Ik mag de eer dezer benoeming niet weigeren,” zeide hij, <a id="d0e3909"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3909">151</a>]</span>“en begin, met u allen te inviteeren, uwe glazen te vullen, en te drinken: de prosperiteit van onzen nieuwen President!” + +</p> +<p>Alle aanwezigen stonden op en dronken op Zijne Hoogheid, met den uitroep: “Leve de Prins van Oranje!” Te gelijker tijd hoorde +men aan eene zijde der tafel het deuntje aanheffen: + + +</p> +<div class="poem"> +<div class="stanza"> +<p class="line" style=""><span>“Al is ons Prinsje nog zoo klein, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Alével zal hij stadhouder zijn.”</span></p> +</div> +</div> +<p>waarop de gezichten van hen, die ter Staatspartij waren toegedaan, betrokken. + +</p> +<p>De prins intusschen wenkte met de hand. + +</p> +<p>“Goede vrienden,” zeide hij. “Ik dank U voor uwe singuliere affectie. Wat echter die bijzondere uiting uwer sentimenten betreft, +gij vergeet, dat wij hier als goede buurtvrienden bijeen zijn. Ook kunt gij het niet meenen, dat gij liever een vijftienjarigen +knaap aan het roer van den Staat zoudt zien, dan den waardigen en bekwamen man, die al zijne krachten wijdt aan de prosperiteit +van het Vaderland. Ik verzoek U dus, als President, uwe glazen nogmaals te vullen en die met mij te ledigen op het heil van +Mijnheer de Witt.” + +</p> +<p>“Goed gedaan, Willem,” fluisterde Zuijlenstein den Prins in het oor, terwijl niemand der aanwezigen durfde nalaten, den dronk +met geestdrift te beantwoorden. + +</p> +<p>“En ik drink op de nobele sentimenten van onzen President!” riep Van Limborch uit, en ook deze dronk verwekte algemeene goedkeuring. + +</p> +<p>Reeds vroeg in den avond vertrok de Prins, daartoe als reden opgevende zijne zwakke gezondheid. Met hem vertrokken ook Zuijlestein, +Boreel, Heenvliet en Buat, terwijl onze lustige burgers nog uren lang bij elkander bleven en zich met verschillende spelen +onledig hielden. Of zij ook kaart speelden, durf ik u niet verzekeren; wel zijn kaartspelen in andere buurten <a id="d0e3930"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3930">152</a>]</span>reeds in 1658 in rekening gebracht; in de <span class="letterspaced">Hofbuurt</span> echter komen zij eerst in 1712 voor. Den volgenden dag liet de Prins zich voor den maaltijd verschoonen: hij lag met zware +hoofdpijn te bed. + +</p> +<p>Toch had hij zich nog dien morgen naar het huis van den Raadpensionaris begeven, ten einde naar diens gezondheid te vernemen. +Hij trof Johan de Witt geheel gekleed. + +</p> +<p>Toen de Prins binnentrad, was de Raadpensionaris niet alleen in het vertrek. Een man, wiens kleeding zijn hoogen stand verried, +doch wiens gelaat goedhartigheid en eenvoudige rondheid aanduidde, was bij zijne intrede opgestaan van den stoel, waarop hij +gezeten had. Terwijl De Witt den Prins een stoel aanbood, wees hij met de vlakke hand naar dien persoon, en zeide met al de +hoffelijkheid, hem eigen: + +</p> +<p>“Ik heb de eer, Uwer Hoogheid hier onzen veelbeminden en hooggerevereerden vriend, den Luitenant-admiraal Michiel Adriaanszoon +de Ruyter<a id="d0e3941src" href="#d0e3941" class="noteref">7</a> voor te stellen.” + +</p> +<p>“Ha, Mijnheer de Ruyter,” zeide de Prins, terwijl hij den ronden Zeeuw de magere hand reikte, die deze met warmte aangreep. +“Het is mij een singulier genoegen, Uwe Edelheid te rencontreeren. Ik durfde dat niet verwachten.” + +</p> +<p>“Uwe Hoogheid is wel goed, dat Zij zulke goede gedachten van mijn persoon heeft,” antwoordde de Luitenant-admiraal bescheiden. + +</p> +<p>“Uwe Edelheid zal dan toch eindelijk eens rust nemen,” hervatte de Prins. “Nu, gij moogt die ook wel hebben. Met u is het +wel: wie goed dient, dient nooit genoeg.” + +</p> +<p>“Waar de Heeren Staten of het Vaderland mij roepen,” hernam <a id="d0e3961"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3961">153</a>]</span>De Ruyter, “moet devoir boven gemak gaan. Zoolang God mij het leven behoudt, hoop ik den lande nuttig te zijn.” + +</p> +<p>“Braaf gesproken,” hervatte de Prins. “O, mijnheer De Ruyter,” voegde hij er met een nauw merkbaren zucht bij, “men moet zich +wel gelukkig gevoelen, als men zoo nuttig kan zijn als gij. Maar,” vervolgde hij, zich tot den Raadpensionaris wendende, “ik +zou zoodoende de oorzake mijner komst vergeten. Mijnheer De Witt! wij misten Uwe Edelheid gisteren op het buurtmaal. Men zeide +mij, dat gij geïndisponeerd waart. Intusschen reken ik mij gelukkig te zien, dat Uwe Edelheid weder geheel gekleed is. Waarschijnlijk +is dus de indispositie geheel en al geweken.” + +</p> +<p>“Uwe Hoogheid is wel goed,” antwoordde de Raadpensionaris, “zooveel attentie voor mijn persoon te toonen, en ik acht mij gelukkig, +haar te kunnen verzekeren, dat de kleine indispositie weder geheel en al voorbij is. Ik stond juist op het punt, om naar het +Binnenhof te gaan.” + +</p> +<p>“Al weder aan de besognes, mijnheer de Raadpensionaris,” zeide de Prins. “Uwe Edelheid doet te veel. Zij zal zich nog in den +grond werken.” + +</p> +<p>“Geen nood,” hervatte De Witt glimlachend. “Ik heb een ijzersterk gestel.” + +</p> +<p>“Gelukkig, wie dat heeft,” zuchtte de Prins, hoestend. “Ik zou wel wenschen in uwe plaats te zijn.” + +</p> +<p>“Hoe meent Uwe Hoogheid dat?” vraagde De Witt min of meer scherp. + +</p> +<p>“Dat ik het gestel van Uwe Edelheid hadde, en dat de arbeid mij niet zoo fatigueerde.” + +</p> +<p>“En heeft Uwe Hoogheid zich gisteravond nog al geamuseerd?” vraagde de Raadpensionaris. + +</p> +<p>“Voor zooverre iemand, die altijd met hoofdpijn en hoest geplaagd is, zich amuseeren kan. Onze vrienden van de <span class="letterspaced">Hofbuurt</span> <a id="d0e3984"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3984">154</a>]</span>hebben mij wel tot hunnen President gelieven te benoemen.” + +</p> +<p>“Dat weet ik,” hervatte De Witt. “En ik ben Uwer Hoogheid grooten dank verschuldigd voor den dronk, dien Zij op mijn welzijn +heeft willen instellen.” + +</p> +<p>“Uwe Edelheid weet dus reeds....” + +</p> +<p>“Ik weet,” hernam De Witt met nadruk, “dat Uwe Hoogheid verstandiger is dan de leden Harer partij, die gaarne ons arm land +tot een tooneel van volkstumult en burgeroorlog zouden willen maken. Geloof mij, Prins! zij zijn Uwe ware vrienden niet.” + +</p> +<p>“Ik zal Uwe Edelheid niet langer ophouden,” zeide de Prins. “Haar tijd is te kostbaar. Mag ik U een plaats in mijn karos aanbieden?” + +</p> +<p>“Volgaarne, ofschoon het mijn gewoonte niet is om naar mijn bureau te rijden. Men mag echter wel zien, hoezeer Johan de Witt +de vriend is van den Prins van <span class="letterspaced">Oranje</span>.—Tot van middag, mijnheer De Ruyter,” vervolgde hij tot den Luitenant-admiraal. “Uwe Edelheid zal mij wel excuseeren.” + +</p> +<p>“Waar de besognes en het interest van het Land uwe tegenwoordigheid vereischen, mijnheer de Raadpensionaris,” gaf De Ruyter +ten antwoord, “heeft niemand recht U op te houden. Dus tot van middag.” + +</p> +<p>“Adieu, mijnheer De Ruyter,” zeide de Prins, terwijl hij den Luitenant-admiraal vriendelijk groette. “Ik hoop de eer te genieten, +een bezoek van U te ontvangen.” + +</p> +<p>“Uwe Hoogheid heeft vóór het dessert een langdurig gesprek gehad met den Heer Sickinga,” begon De Witt weder, toen zij in +de karos zaten. “Heeft die U ook iets medegedeeld ten aanzien van de zaken in <span class="letterspaced">Friesland</span>?” + +</p> +<p>“In trouwe, wij hebben het zeer druk gehad,” antwoordde de Prins. “De Heer Sickinga beviel mij buitengemeen. Ik had hem vroeger +nooit ontmoet.” +<a id="d0e4010"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4010">155</a>]</span></p> +<p>“En hij vertelde U....?” zeide De Witt, terwijl hij den Prins met zijnen uitvorschenden en doorborenden blik aanzag. + +</p> +<p>“O, mijnheer de Raadpensionaris,” gaf de Prins op onnoozelen toon ten antwoord, “hij vertelde mij zulke aardige stukken van +zijne jachthonden.... Doch hier zijn wij er. Ik rijd door naar het <span class="letterspaced">Huis ten Bosch</span>, om eens naar de mijne te zien. Uw dienaar, mijnheer de Raadpensionaris!” + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p155.jpg" alt="" width="610" height="501"></div><p> + + +</p> +<p>De Witt steeg uit de karos en werd vervangen door den Heer van Zuijlestein, die naar het <span class="letterspaced">Huis ten Bosch</span> zou mederijden. + +</p> +<p>“Niet te doorgronden, een raadsel is die knaap, ook voor mij!” bromde de Raadpensionaris tusschen de tanden. “Intusschen—hij +is nu reeds in zijn zestiende jaar, en ’t zal niet lang meer duren, of hij kan mij gevaarlijk worden. Daar is maar één middel +om dat te verhoeden. Hij moet worden onttrokken <a id="d0e4028"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4028">156</a>]</span>aan de infidentie zijner partij en vooral aan die van de Engelschen. En dát vóór hij mij boven het hoofd wast. Wij zullen +daar eens rijpelijk en ernstig over denken.” + +</p> +<p>Met deze woorden trad hij de deur van zijn kabinet binnen, om opnieuw aan zijne vele besognes te gaan, en—aan zeven secretarissen +tegelijk, zeven verschillende brieven te dicteeren. + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/o156.gif" alt="Ornament." width="348" height="236"></div><p> + + +<a id="d0e4036"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4036">157</a>]</span></p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3780" href="#d0e3780src" class="noteref">1</a></span> In 1665 was die voor de <span class="letterspaced">Hofbuurt</span> 10 Cts. per week. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3788" href="#d0e3788src" class="noteref">2</a></span> Nog in mijn tijd—ofschoon de buurtvereenigingen hadden opgehouden—had het begraven door de bewoners der buurt plaats. De buurtknecht +ging met de penningen rond bij hen, die volgens den rooster (lijst) volgden. Wie niet kon of wilde dragen, betaalde een daalder +boete voor de buurt; in het tegenovergesteld geval nam hij den penning aan, volbracht zijn buurtplicht en kreeg het draaggeld, +dat soms wel ƒ 7 bedroeg; meestal echter minder. De buurtknecht kreeg van den drager een fooi, en ook fooien met Kermis en +Nieuwjaar. Voor de laatste gaf hij een almanak. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3796" href="#d0e3796src" class="noteref">3</a></span> Zie “De weezen van Vlissingen” 6e druk, blz. 68. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3828" href="#d0e3828src" class="noteref">4</a></span> De Prins was een aartsliefhebber van oesters. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3831" href="#d0e3831src" class="noteref">5</a></span> Voor dezen maaltijd had de heer Pauw; President van den Hoogen Raad, een bassijn (fruitschaal) met druiven voor Zijne Hoogheid +gezonden. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3900" href="#d0e3900src" class="noteref">6</a></span> Plaatsvervanger. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3941" href="#d0e3941src" class="noteref">7</a></span> De Luitenant-Admiraal was den 18<sup>den</sup> November in <span class="letterspaced">Den Haag</span> gekomen, ten einde aan de Staten-generaal verslag te doen van zijne expeditie. De Witt, de geruchten dat hij met den zeeheld +in onmin was, willende tegenspreken, noodigde hem aan zijn huis. Zoolang De Ruyter in <span class="letterspaced">Den Haag</span> bleef, logeerde hij bij hem. +</p> +</div> +</div> +<div id="d0e4037" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e112">Inhoud</a>] +</span><div class="figure"><img border="0" src="images/o066.gif" alt="Ornament" width="595" height="134"></div> +<h2 class="label">Twaalfde Hoofdstuk.</h2> +<h2>Hoe Johan de Witt zijn plan volvoerde.</h2> +<p style="
 background: url(images/iw016.gif) no-repeat top left;
 "><span style="
 float: left;
 width: 90px;
 height: 86px;
 background: url(images/iw016.gif) no-repeat;
 
 text-align: right;
 color: white;
 ">W</span>ij slaan een tijdvak van ruim vier maanden over en begeven ons op den 2<sup>den</sup> April 1666 nogmaals naar het vertrek van den Prins op het <span class="letterspaced">Binnenhof</span>, waar wij hem reeds eenmaal<a id="d0e4050src" href="#d0e4050" class="noteref">1</a> hebben aangetroffen. Ik behoef mijnen lezers niet te zeggen, dat er op de vuurplaat onder den hoogen schoorsteen een fiksch +vuur van turf en hout was aangelegd, en dat Zijne Hoogheid in den grooten leunstoel daarbij zat. Bij den haard zaten tevens +Zuijlestein en de hofmeester Boreel. Op het oogenblik waarvan wij spreken, diende de kamerdienaar den Heer Van Heenvliet, +den vader van ’s Prinsen stalmeester en een hevig voorstander der Oranjepartij, aan, die werd binnengelaten en door den Prins +verzocht, zich bij den haard te schikken. + +</p> +<p>“Ik had reeds vroeger bij Uwe Hoogheid willen komen, om naar Hare gezondheid te vernemen,” begon de grijsaard. “Ik vond het +echter geraden, te wachten tot Uwe Hoogheid zich van de vermoeienissen der reis hersteld had.” +<a id="d0e4058"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4058">158</a>]</span></p> +<p>“Ik dank U zeer, mijnheer Van Heenvliet,” antwoordde de Prins, “voor Uwe attentie, en ik durf u verzekeren, dat mijne reis +mij zeer goed bekomen is en niet anders dan aangename impressies kan nalaten.” + +</p> +<p>“Men heeft U te <span class="letterspaced">Amsterdam</span> luisterrijk ontvangen, naar ik hoor,” hernam Heenvliet. + +</p> +<p>“Ik zal <span class="letterspaced">Amsterdam</span> roemen,” gaf de Prins ten antwoord. “De vroedschap heeft een groot festijn te mijner eere aangericht.” + +</p> +<p>“En het volk, hoor ik, heeft luide geroepen om Uwer Hoogheids bevordering, en U zelfs met veel gejuich uitgeleide gedaan,” +ging Heenvliet voort. + +</p> +<p>“Zoo, mijnheer Van Heenvliet,” antwoordde de Prins, met het onnoozelste gezicht ter wereld. “Ik kon niet recht verstaan wat +zij riepen. Maar de maaltijd was overheerlijk. Inderdaad ik wist niet, dat zij in de grootste koopstad van het land zulke +uitmuntende koks hadden. Ik dacht altijd, dat die goede Amsterdamsche kooplieden zich slechts bezighielden met hun handel.” + +</p> +<p>“En met de staatkunde,” voegde Heenvliet er stekelig bij. “En hoe heeft Uwe Hoogheid het te <span class="letterspaced">Rotterdam</span> gehad?” + +</p> +<p>“Daar ben ik door den burgemeester Ewout van der Horst vorstelijk onthaald. Een uitmuntend mensch, die Van der Horst.” + +</p> +<p>“Ik ken hem. Hij is een trouw aanhanger uwer zaak.” + +</p> +<p>“Dat heb ik gemerkt,” antwoordde de Prins weder heel onnoozel, “want dat maal heeft hem nog al wat gekost. Er waren heerlijke +oesterpartijen.” + +</p> +<p>“Ook daar zijt gij door het volk met veel gejuich begroet.” + +</p> +<p>“O, ja, de Rotterdamsche menschen schijnen heel vriendelijk te zijn. Toch zou ik niet graag hier in <span class="letterspaced">Den Haag</span> altijd zooveel volk om mijn karos zien.” + +</p> +<p>“Geen wonder, Uwe Hoogheid,” gaf Heenvliet ten antwoord. “Maar het volk hier ziet Uwe Hoogheid dagelijks. Daarom is het toch +evenzeer Uwe partij toegedaan en wenscht niet minder <a id="d0e4095"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4095">159</a>]</span>Uwe bevordering. Ook hooggeplaatste personen verlangen die. Zelfs uw oom, de Keurvorst van <span class="letterspaced">Brandenburg</span>, heeft U aan de Staten-Generaal tot de hooge krijgsambten aanbevolen.” + +</p> +<p>“En de Heeren Staten hebben daarop geantwoord, dat de Keurvorst zich liever met zijne eigene zaken moest bemoeien en zich +niet in die van anderen moest steken.” + +</p> +<p>“En dan,” merkte Zuijlestein aan. “En dan, om te bewijzen, hoe weinig zij om den Keurvorst geven, hebben zij den Prins van +<span class="letterspaced">Tarente</span> tot overste der ruiterij, den Heer Van Noordwijk tot overste van het geschut, den graaf Van Hoorne tot sergeant-majoor en +den Heer Pain-et-vin tot luitenant-kolonel gemaakt.” + +</p> +<p>“Daar heeft <span class="letterspaced">Zeeland</span> dan ook dapper tegen geijverd,” hernam Heenvliet. + +</p> +<p>“En wat heeft het <span class="letterspaced">Zeeland</span> geholpen?” vraagde Zuijlestein. “Het antwoord, dat <span class="letterspaced">Holland</span> gegeven heeft, bewijst genoegzaam zijn onwil.” + +</p> +<p>“Omdat <span class="letterspaced">Holland</span> mij niet wil bevorderen, alvorens ik den ouderdom van achttien jaren zal bereikt hebben,” zeide de Prins op scherpen toon. +“Zij hebben gelijk, de Heeren Staten,” vervolgde hij schijnbaar luchthartig. “Wat zou een knaap als ik, ziekelijk en tenger, +in het krijgswezen doen?” + +</p> +<p>“En dan uwe voorouders Prins!” riep Heenvliet uit. “Heeft men hun ooit de hun toekomende ambten onthouden? Maar Uwe Hoogheid +zelf moet zich laten kennen, en een oproeping....” + +</p> +<p>“Vergeef mij, mijnheer Van Heenvliet, dat ik U verzoeken moet, zulke taal niet in mijne presentie te voeren. Mijne vrienden +mogen voor mij doen wat zij willen—ik <i>wil</i> van hunne handelingen niets weten. Ik verlang geen promotie dan langs den rechtmatigen weg. Maar, zeg mij, hebt gij sinds +gisteren uw zoon ook gesproken?” + +</p> +<p>“Ik zag hem sedert drie dagen niet, Uwe Hoogheid,” <a id="d0e4134"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4134">160</a>]</span>antwoordde Heenvliet. “Had hij mij wat belangrijks mede te deelen?” + +</p> +<p>“Zeker. Gij moet weten, mijnheer Van Heenvliet, dat ik een paar dagen geleden twee schoone Friesche paarden heb aangekocht. +Het zijn prachtige beesten. Gij moet ze eens zien.—Gij zijt immers ook een kenner?” + +</p> +<p>De Heer Van Heenvliet zuchtte; hij kon niet begrijpen, hoe de Prins op dat oogenblik over paarden kon spreken, en wilde juist +antwoorden, toen de ritmeester Buat de kamer binnentrad, zich tot den Prins wendde, en met een geheimzinnig gelaat en op half +fluisterenden toon zeide: + +</p> +<p>“Weet Uwe Hoogheid reeds, dat de Raadpensionaris dezen morgen op het Hof van <span class="letterspaced">Brandwijk</span><a id="d0e4144src" href="#d0e4144" class="noteref">2</a> is geweest en een langdurige conferentie heeft gehad met Mevrouw de Prinses-weduwe?” + +</p> +<p>“Met de Prinses-weduwe!” riepen de drie Heeren, die bij het vuur zaten, te gelijk. + +</p> +<p>“Zooals ik u zeide,” antwoordde de ritmeester. “En wat meer is, alvorens naar de vergadering der Staten te gaan, is Zijne +Edelheid nogmaals aan het Hof van <span class="letterspaced">Brandwijk</span> aangereden, en heeft ruim een kwartier bij Hare Hoogheid doorgebracht.” + +</p> +<p>“En nu twijfelde Uwe Hoogheid nog aan Hare promotie!” riep Heenvliet uit. “Begrijpt Zij dan niet, dat de Raadpensionaris niet +langer durft weerstand bieden aan den aandrang Harer vrienden, die hoe langer hoe luider wordt?” + +</p> +<p>“De Heer De Witt zal wel moeten toegeven,” zeide Boreel, die tot nog toe gezwegen had. “Als Zijne Hoogheid maar eerst Generaal +der ruiterij is, zal Zij wel spoedig Veldmaarschalk zijn.” +<a id="d0e4161"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4161">161</a>]</span></p> +<p>“En dan”—hervatte Heenvliet triomfeerend. “Dan zal de Raadpensionaris spoedig vallen en dan—dan maken wij vrede met <span class="letterspaced">Engeland</span>.... en....” + +</p> +<p>“Maar gij hebt mij nog niet gezegd, mijnheer Van Heenvliet, wanneer gij mijn Friesche paarden zoudt komen zien,” hernam de +Prins bedaard. + +</p> +<p>“Als het Uwe Hoogheid schikte, morgen om elf uur,” antwoordde de Heer Van Heenvliet, terwijl hij zijn prachtig gouden met +diamanten bezette horloge uit den zak haalde. “Maar Uwe Hoogheid zal mij thans excuseeren, dat ik Haar quitteer. Ik heb nog +dringende zaken te doen.” + +</p> +<p>“Ik dank U voor uw bezoek, mijnheer Van Heenvliet,” zeide de Prins. “Vergeet vooral niet, morgen om elf uur, mijne paarden +te komen zien. Ik zal zorgen ook in den stal te zijn. Denk er aan, dat ik hoogen prijs stel op uw opinie.” + +</p> +<p>De Heer Van Heenvliet boog en verliet het vertrek. + +</p> +<p>“Hij moet zeker naar de “Oude Zwaen,” dat hij zoo’n haast maakt,” zeide Boreel glimlachend. “Daar zal hem wel de een of andere +vriend met het verkeerbord wachten.” + +</p> +<p>“Zoudt gij het denken?” vraagde de Prins. + +</p> +<p>“Voorzeker, Uwe Hoogheid,” zeide Buat. “De Heer Van Heenvliet is een der trouwste bezoekers van de “Oude Zwaen.” Men kan hem +daar alle dagen vinden.” + +</p> +<p>“Ziedaar het voorrecht van hen, die in het <span class="letterspaced">Noordeinde</span> wonen,” zeide de Prins. “Zij bespieden niet alleen de gangen van de personen, die op het Hof van <span class="letterspaced">Brandwijk</span> komen, maar weten ook, wie de “Oude Zwaen” bezoeken.” + +</p> +<p>“Met uw verlof, Uwe Hoogheid,” hernam Boreel. “Onze goede vriend Buat is zelf een trouw bezoeker van genoemde herberg. Zeker +heeft hij Heenvliet daar dikwerf ontmoet.” + +</p> +<p>“En wat zegt gij van dat herhaalde bezoek bij hare Hoogheid, de Prinses-weduwe?” vraagde Zuijlestein. +<a id="d0e4193"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4193">162</a>]</span></p> +<p>“Wat zal ik er van zeggen, Zuijlestein,” antwoordde de Prins. “Wat de Heer De Witt voor mij gedaan heeft, is zelden tot mijn +voordeel geweest. Ik durf mij nog niet vleien.” + +</p> +<p>“De Raadpensionaris is voorzichtig,” merkte Boreel aan. “Hij zal begrijpen, dat het tijd is, voor de noodzakelijkheid te bukken.” + +</p> +<p>“Het zou zeker een verstandige trek van hem zijn,” hervatte Buat. “En mocht Uwe Hoogheid een aanstelling erlangen, dan beveel +ik mij in Hare gunst aan, om door hare voorspraak bevorderd te worden en weder in actieven dienst<a id="d0e4200src" href="#d0e4200" class="noteref">3</a> te treden.” + +</p> +<p>“Beste Buat,” zeide de Prins. “Laat ons toch de huid niet verkoopen, alvorens de beer geschoten is.” + +</p> +<p>Zoudt gij niet denken, mijne lezers, dat de Prins zeer onverschillig was omtrent zijne bevordering?—En toch—wanneer gij in +dat hart hadt kunnen lezen, dat vol scheen van maaltijden en paarden en onvatbaar voor elke opwekking tot iets groots, dan +hadt gij daar meer eerzucht in gezien, dan zelfs Heenvliet misschien wel zou gewenscht hebben,—een eerzucht die zich niet +alleen uitstrekte tot het kapitein-generaalschap, maar ook tot het stadhouderschap, hetwelk zijne vaderen met zooveel lof +bekleed hadden. + +</p> +<p>Wij willen het viertal niet verder in hunne gesprekken volgen, en keeren omtrent twee uren later in het vertrek van den Prins +terug, waar wij hen allen, behalve Boreel, terugvinden. Op het oogenblik, waarvan ik spreek, dient de kamerdienaar den Raadpensionaris +aan. + +</p> +<p>“Goede tijding, Willem!” fluisterde Zuijlestein, terwijl hij den Prins de hand reikte. “Ik wensch u geluk met uwe benoeming.” +<a id="d0e4214"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4214">163</a>]</span></p> +<p>“Ik ben verheugd, dat ik een der eersten zal zijn, die de goede tijding verneem,” zeide Buat. + +</p> +<p>Op dit oogenblik kwam de Raadpensionaris het vertrek binnen. De prins stond op en ging hem te gemoet. Beiden plaatsten zich +tegenover elkander op de stoelen, door Zuijlestein en Buat nedergezet. + +</p> +<p>“Ik heb mij gehaast,” begon de Raadpensionaris, “U zelf het eerst de heuglijke tijding mede te deelen van de favorabele resolutie, +welke de Heeren Staten wel hebben gelieven te nemen ten aanzien van het verzoek van Uwer Hoogheids grootmoeder, de Prinses-weduwe.” + +</p> +<p>’s Prinsen gelaat klaarde op: hij voelde een zenuwachtige trilling door zijn geheele lichaam. De beide Heeren bleven in gespannen +aandacht bij den schoorsteen staan. + +</p> +<p>“Een verzoek van mijne geachte grootmoeder,” zeide de Prins. “Wat hield dat verzoek in, als ik vragen mag?” + +</p> +<p>De Raadpensionaris haalde eenige toegevouwen papieren uit zijn zak, legde die op de tafel neder en nam er beurtelings een +van op. + +</p> +<p>“Hare Hoogheid de Prinses-weduwe heeft op heden, den tweeden van Grasmaand, aan mijne Souvereinen, de Edel-Groot-Mogende Heeren +Staten over <span class="letterspaced">Holland</span> en <span class="letterspaced">West-Friesland</span>, het verzoek herhaald, reeds in 1660 door Hare Hoogheid en door wijlen Uwe moeder Mevrouw de Prinsesse Royaal gedaan, dat +Uwer Hoogheid het geluk mocht te beurt vallen, onder staatsdirectie en conduite<a id="d0e4235src" href="#d0e4235" class="noteref">4</a> te mogen verkrijgen die onderwijzing, door welke zij de rechten en de maximen<a id="d0e4238src" href="#d0e4238" class="noteref">5</a> dezer Republiek grondig zou leeren begrijpen en erkennen en daardoor bekwaam mocht gemaakt worden, om ten eenigen tijde, +des noodig, den Staat te dienen.” +<a id="d0e4241"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4241">164</a>]</span></p> +<p>Terwijl De Witt deze woorden uitte, was de Prins beurtelings rood en bleek geworden. Om zich niet te verraden, had hij den +zakdoek voor den mond gehouden en worstelde thans met een hevige hoestbui. + +</p> +<p>“En heeft mijne grootmoeder <i>dat</i> verzoek herhaald?” vraagde hij met een van aandoening trillende stem aan De Witt. + +</p> +<p>“Wie anders dan zij?” vraagde De Witt, terwijl geen spier in zijn gelaat de vreugd deed blijken, die er in zijn hart huisvestte. +Ook de Prins had zich hersteld; want met kalmte wendde hij zich tot Buat en zeide: + +</p> +<p>“Wees zoo goed, te zorgen, dat mijn karos straks voorkome. Ik moet naar het <span class="letterspaced">Noordeinde</span> om Harer Hoogheid mijnen dank te betuigen.” + +</p> +<p>“Voorzeker,” antwoordde De Witt. “Maar niet minder dankbaar zal Uwe Hoogheid aan mijne Souvereinen, de Heeren Staten, zijn +voor de goedgunstige wijze, waarop zij dat verzoek hebben opgenomen<a id="d0e4258src" href="#d0e4258" class="noteref">6</a>. Hunne Edel-Groot-Mogenden hebben tot geautoriseerden en gecommitteerden tot Uwer Hoogheids opvoeding benoemd de Heeren: +Wichold van der Does, uit de Ridderschap, Adriaan van Blijenburg, Heer van <span class="letterspaced">Naaldwijk</span>, Oud-burgemeester en Raad van de stad <span class="letterspaced">Dordrecht</span>, Gillis Valkenier, Burgemeester en Raad van <span class="letterspaced">Amsterdam</span>, Nanning Foreest, Raad en Meester van de rekenkamer der domeinen en Raad en Vroedschap te <span class="letterspaced">Alkmaar</span> en—mijn persoon....” + +</p> +<p>“Ook Uwe Edelheid?” hernam de Prins op een toon, die weinig twijfel liet aan den onaangenamen indruk, welken deze tijding +op hem maakte. + +</p> +<p>“Ook mij. Is dat Uwer Hoogheid ongevallig?” + +</p> +<p>“Integendeel. De lijst dier onbekende Heeren was mij onaangenaam. Uwe Edelheid ken ik.” + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p164a.jpg" alt="" width="720" height="491"></div><p> + +<a id="d0e4288"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4288">165</a>]</span></p> +<p>“En Hunne Edel-Groot-Mogenden hebben mij specialen last en bevel gegeven om bij alle fortable<a id="d0e4291src" href="#d0e4291" class="noteref">7</a> middelen onder Gods genadigen zegen voornamelijk te behartigen en zorg te helpen dragen, dat Uwe Hoogheid wel en grondig +moge worden geïnstrueerd in de ware Christelijke gereformeerde religie, mitsgaders in de goede en heilzame rechten, privilegiën +en maximen van dezen staat.” + +</p> +<p>Hier hield De Witt op. Ook de Prins zweeg. Eindelijk vatte deze het woord, en zeide: + +</p> +<p>“Alzoo hebben de Heeren Staten van <span class="letterspaced">Holland</span> mij, op vijftienjarigen leeftijd, gemaakt tot....” + +</p> +<p>“Tot kind van den Staat,” voleindigde De Witt, die wel zag, dat de Prins niet bij machte was het woord te uiten. + +</p> +<p>“Ik verzoek u, mijnheer de Raadpensionaris,” zeide de Prins kalm, maar met fonkelende oogen, “Hunnen Edel-Groot-Mogenden mijn +dank te brengen voor hunne goedheid, en hun te verzekeren, dat ik alle pogingen zal aanwenden, om mij die goedheid zooveel +mogelijk waardig te maken.” + +</p> +<p>“Zulke gevoelens vereeren den afstammeling van den grooten Zwijger,” zeide De Witt. “Men moet leeren zich in de omstandigheden +te schikken, en Uwe Hoogheid mag zich gelukkig rekenen, dat Hunne Edel-Groot-Mogenden geen gehoor hebben gegeven aan de stem +van een partij, die, als men naar haar hoorde, het Land zou ten onder brengen. Intusschen heb ik hier nog een derde resolutie +van de Heeren Staten.” + +</p> +<p>“Betreffende deze zaak?” vraagde de Prins, die hoop voedde, dat misschien bij het verklaren tot “kind van den Staat” een benoeming +gevoegd was. + +</p> +<p>“Juist, betreffende deze zaak. Hunne Edel-Groot-Mogenden hebben terecht begrepen, dat Uwe Hoogheid geheel aan den <a id="d0e4311"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4311">166</a>]</span>invloed van onze vijanden, de Engelschen, moet worden onttrokken, en dus geresolveerd, dat Uwe geheele hofhouding zal worden +veranderd.” + +</p> +<p>“Hoe, mijnheer De Witt!” riep de Prins uit, een oogenblik zijne bedaardheid verliezende. “Mijne trouwe vrienden en mijne oude +bedienden zoo maar aan den dijk te zetten!” + +</p> +<p>“Verontrust u over hen niet. Zij zullen, indien zij er slechts om vragen, met andere posten worden begiftigd. Mijnheer Van +Zuijlestein,” ging De Witt voort, zich tot dezen wendende, “de Heeren Staten zullen u vijf jaren lang een wedde van vierduizend +gulden uitkeeren.” + +</p> +<p>“Maar ik zal mijn pupil niet verlaten, mijnheer de Raadpensionaris,” zeide deze driftig. “De Heeren Staten hebben er zeker +niet aangedacht, dat ik mijne aanstelling heb van de Prinses-weduwe.” + +</p> +<p>“En Uwe Edelheid vergeet, dat hare Hoogheid hare rechten als voogdes op de Heeren Staten heeft overgedragen. Gij zult <i>wel</i> vertrekken, mijnheer Van Zuijlestein.” + +</p> +<p>“Maar, mijnheer De Witt!” zeide de Prins smeekend. “De Staten zullen mij toch wel niet van <i>al</i> mijne vrienden willen berooven. Ik smeek het u: laat mij slechts Zuijlestein, Boreel en Buat.” + +</p> +<p>“Dat is onmogelijk,” hernam De Witt.—“De Heer Van Zuijlestein zal worden vervangen door den Heer Van Gendt, gecommitteerde +van <span class="letterspaced">Gelderland</span>.” + +</p> +<p>“Ik zal mij per request tot de Heeren Staten wenden, om slechts die drie te behouden,” hernam de Prins. + +</p> +<p>”’t Zal Uwe Hoogheid weinig baten,” hervatte De Witt. “Intusschen, Uwe Hoogheid kan het beproeven. En thans wachten mij mijne +bezigheden. Misschien vindt Uwe Hoogheid mij nog wel bij Hare Hoogheid de Prinses-weduwe, wanneer Gij haar Uwen dank komt +betuigen.” +<a id="d0e4338"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4338">167</a>]</span></p> +<p>En met deze woorden nam de Raadpensionaris afscheid. Nauwelijks was hij vertrokken, of de Prins barstte in tranen uit. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p167.jpg" alt="" width="611" height="502"></div><p> + + +</p> +<p>“Groote God!” riep hij uit. “<i>Ik</i> kind van den Staat! <i>Ik</i> de ondergeschikte van De Witt!—Zuijlestein! mijn oom, mijn eenige vriend! Gij van mij weg!—Maar!” hernam hij opstaande en +met plechtigen ernst de vuist ballende: “wacht maar, Heeren Staten! Wacht maar! Daar zal misschien nog eens een tijd komen, +dat het <span class="letterspaced">Kind van den Staat</span> u allen tot <span class="letterspaced">kinderen van den Prince van Oranje</span> maakt<a id="d0e4358src" href="#d0e4358" class="noteref">8</a>.” + +</p> +<p>Zoo had De Witt de luisterrijkste overwinning behaald, die hij ooit in zijne staatkundige loopbaan heeft mogen behalen: <a id="d0e4369"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4369">168</a>]</span>op hetzelfde oogenblik dat zijne vijanden meenden, dat hij vallen zou, plaatste hij zich vaster dan ooit in den zetel des +bestuurs. De arme Prins echter werd, op hetzelfde oogenblik dat hij hoopte werkzaam te zijn ten dienste van den Staat, geheel +en al een werktuig van De Witt en toch was deze tijd van verdrukking onder den Goddelijken zegen nuttig voor hem en deed in +hem vermogens en krachten rijpen, die nimmer in hem zouden zijn ontwikkeld, als hij reeds op vijftienjarigen leeftijd was +bevorderd tot eene betrekking, waartoe hij nog niet in staat was geweest. + +</p> +<p>Wij verlaten nu <span class="letterspaced">Den Haag</span>, en begeven ons een maand later, in de helft der maand Mei, naar de vloot van De Ruyter, die bij <span class="letterspaced">Texel</span> lag. ’t Was een schoon gezicht, die vijf en tachtig oorlogsschepen daar zoo rustig te zien liggen met hunne hooge kampanjes, +wier glasruiten in de zon schitterden, en wier van lof- en snijwerk voorziene borstweringen en lantaarns zoo sierlijk afstaken +bij de lompe, bruine bodems. ’t Was een schoon gezicht, die tallooze masten met hun touwwerk en raas, <span id="d0e4379" class="corr" title="Bron: m et">met</span> hunne uitgespannen zeilen en ontelbare vlaggen en wimpels, die vroolijk in de lucht fladderden en, door den oostenwind bewogen, +schenen te wijzen naar de Engelsche kusten, waar de vijand van het vaderland hen verwachtte, om te beslissen wie de sterkste +zou zijn. Ik wil u niet opnoemen, welke Admiraliteiten die schepen hadden laten bouwen, noch hoe de namen van al die vaartuigen +waren;—ik ga liever met u naar het Luitenant-admiraalsschip van onzen onsterfelijken De Ruyter, waar wij alles in drukke bezigheid +vinden. Ziet maar, hoe die vlugge matrozen in het want klimmen, alsof zij de zeilen wilden innemen; hoe zij dat echter niet +doen, maar als koorddansers over de raas loopen en op de nokken blijven zitten; hoe de anderen daar op het dek en op de andere +dekken bezig zijn de geschutpoorten te openen en de kanonnen te richten; kortom, hoe men alle <a id="d0e4382"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4382">169</a>]</span>mogelijke scheepsmanoeuvres maakt, als ware men in volle zee en in het gezicht van den vijand. + +</p> +<p>Wanneer wij ons naar het roer begeven, dan vinden wij daar onzen ouden kennis, den stuurman Klaas weder, die met Pieter en +Jonker Engel in gesprek is, terwijl zij hunne oogen onafgewend gevestigd houden op twee jachten, die niet ver van daar liggen +en eene menigte groote Heeren en hooge personages aan boord hebben. + +</p> +<p>“Ziet gij daar,” zeide Pieter, “dien mageren, tengeren knaap, die zooveel pret schijnt te hebben in de vlugheid onzer matrozen, +met die wapperende veer op zijn hoed en dien donkerblauwen fluweelen mantel, dien hij zoo dicht om zich heengeslagen heeft? +Dat is Zijne Hoogheid.” + +</p> +<p>“Waar?” zeide Engel. “O, ik zie het al. Daar staat hij. Wie zou die Heer zijn, met wien hij zoo druk aan het spreken is en +die hem schijnt te zeggen, wat het een en ander beteekent?” + +</p> +<p>“Ik ken hem niet,” antwoordde Pieter. + +</p> +<p>“Dan zal het de Heer van Gendt zijn,” zeide Engel, “die eerst sedert kort tot ’s Prinsen goeverneur is benoemd. In <span class="letterspaced">Amsterdam</span> heb ik daar veel over hooren spreken. Zie, die daar met zijn zwart fluweelen mantel is de Heer Johan de Witt, de Raadpensionaris, +die als gemachtigde der Heeren Staten het uitloopen der vloot zal bevorderen.” + +</p> +<p>“Zijne kleeding steekt nog al af bij die van al deze groote Heeren,” zeide Klaas Dirkz. “Ik geloof dat er jannen onder zijn. +Maar daar wenden zij. Ha, zij komen aan ons boord. Daar lossen zij reeds de saluutschoten.” + +</p> +<p>En waarlijk praaiden de beide jachten “de Zeven Provinciën,” waar de Luitenant-admiraal de Heeren in zijn statiekleeding ontving. +Eerst kwam de Keurvorst van Brandenburg en toen de Prins van Oranje. + +</p> +<p>“Behoedzaam, neefje!” zeide de eerste tot den Prins. “Doe <a id="d0e4403"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4403">170</a>]</span>bist hier nicht op das <span class="letterspaced">Pinnenhof</span> of op das hof von <span class="letterspaced">Prandweich</span>, waar de treppen mit tapeeten bedekt zind. Het is hier noer eene sjeepstreppe.” + +</p> +<p>“Onze Luitenant-admiraal heeft toch voor een gemakkelijke trap gezorgd,” antwoordde de Prins lachende, terwijl hij reeds den +voet op het dek zette. “Aha! daar is Zijne Edelheid. Mijn hartelijken groet, Heer Luitenant-admiraal!” + +</p> +<p>“Mijn welkomsgroet zij Uwer Hoogheid toegebracht,” zeide de ronde Zeeuw, terwijl hij den hoed afnam. + +</p> +<p>“Ik heb recht schik gehad in de vlugheid uwer matrozen,” hernam de Prins. “Zij zijn goed geoefend.” + +</p> +<p>“Dat behoort ook zoo, Uwe Hoogheid,” hernam De Ruyter, die den Prins over het dek naar de kampanje leidde, waar eenige ververschingen +gereed stonden. + +</p> +<p>Zij werden gevolgd door den Keurvorst van <span class="letterspaced">Brandenburg</span>, door de Vorsten van <span class="letterspaced">Holstein</span> en <span class="letterspaced">Anhalt</span>, door den Prins van Nassau, de graven van <span class="letterspaced">Solms</span>, <span class="letterspaced">Dhona</span> en <span class="letterspaced">Hoorne</span>, de Heeren Van Brederode en Van Gent en eene menigte andere aanzienlijke personages. Nadat men iets gebruikt had, leidde +De Ruyter de gevolmachtigden en de Heeren het geheele schip rond, terwijl de Prins een kennis van de zeevaart aan den dag +legde, die ieder verwonderde. Toen men weder aan de statietrap was gekomen, zeide De Ruyter: + +</p> +<p>“Ik ben zeer gehonoreerd geweest, zoo vele notabele Heeren aan mijn boord en bij mijn geringen persoon te zien. Meer genoegen +echter zou het mij doen en tot meer eer zou het mij strekken, als de Heeren mij op morgen het contentement wilden aandoen, +om op mijn schip den maaltijd te gebruiken, ten minste als zij zich mijn zeemanskost willen laten smaken.” + +</p> +<p>“O, volgaarne! Wij nemen het aan!” + +</p> +<p>Daarna gingen zij weder in de jachten, voeren de vloot rond, door al de schepen met saluutschoten verwelkomd en gingen <a id="d0e4445"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4445">171</a>]</span>nog aan boord van de Luitenant-admiralen Van Nes en Tromp. Op het laatste schip juichte het volk onophoudelijk “leve de Prins +van <span class="letterspaced">Oranje</span>!” en dat gejuich scheen aanstekelijk te zijn; want zoo lang de jachten door de vloot voeren, klonk het onophoudelijk: “leve +de Prins van <span class="letterspaced">Oranje</span>!<span id="d0e4453" class="corr" title="Bron: ">”</span> Op elk der admiraals-schepen werd het volk met vijftien ton zwaar bier beschonken. Of dit geschenk van wege het land of van +wege de hooge gasten was, vind ik niet geboekt. Des avonds voeren de beide jachten naar <span class="letterspaced">Den Helder</span>, waar de genoodigden en gemachtigden den nacht doorbrachten. + +</p> +<p>Den volgenden dag reeds vroegtijdig stapten onze hooge personages weder in hunne beide scheepjes, en voeren andermaal naar +de vloot, waar zij nog de schepen van den kapitein Van der Zaan, van de Vice-admiralen De Liefde en Van der Hulst en van den +kolonel der zeesoldaten, Willem Jozef van Gent, bezichtigden. Daarna voeren zij weder aan De Ruyters boord, waar zij heerlijk +en heusch onthaald werden. Ik zal u geene beschrijving geven van hetgeen onze zeeheld opdischte; alleen durf ik u verzekeren, +dat de hooge gasten uiterst tevreden waren over zulk een zeemanskost en dat er geen gebrek was aan verscheidenheid van wijn. +Ook ontbrak het pekelvleesch niet; want De Ruyter zou niet gegeten hebben, wanneer er dàt niet of ten minste geen sterk gezouten +vleesch voorhanden was. + +</p> +<p>“Ik mocht wel einmaal ein tochtje met U op das meer doen,” zeide de Keurvorst van <span class="letterspaced">Brandenburg</span> tegen De Ruyter. + +</p> +<p>“Uwe Hoogheid zou daarvan spoedig den buik vol hebben,” antwoordde deze. “Het zou al heel gauw wezen: Zet mij maar weer aan +land; want ik word zoo kwalijk.” + +</p> +<p>“En de Herr De Witt heeft daar vergangen jaar wel de phroef van genommen en toch ganz viel sjtormen doorgesjtanden,” merkte +de vorst Van Anhalt aan. +<a id="d0e4470"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4470">172</a>]</span></p> +<p>“Ja, waaroem soltte der herr Raadpensionair dagegen kunnen en wir’s nicht vermeugen?” vraagde de Keurvorst. + +</p> +<p>“Laat Zijne Edelheid Uwer Hoogheid dat zelf beantwoorden,” zeide De Ruyter. “Ik weet niet, welk een wonderman Mijnheer De +Witt is; maar op mijn woord als Zeeuw kan ik U verzekeren, dat Zijne Edelheid geen zweem van zeeziekte gehad heeft. En wij +hadden nog al wat boos weer.” + +</p> +<p>“Ich denke,” zeide de graaf Van Solms, “dat Zijne Edelheid den kop te vol sjaatsaffaires heeft, om an den magen te denken +en dass doerch het sjommelen van het schiff kein invloess op hem heeft.” + +</p> +<p>“En ich denke, dat der Herr Raadpensionair früher wohl einmal ter zee gefaren heeft,” meende de Vorst Van Holstein. “Gij vergeet, +dass <span class="letterspaced">Dordrecht</span>, Zijner Edelheids geboorteplaats, ein hafen ist.” + +</p> +<p>“Uwe Hoogheid vergist zich,” zeide De Witt glimlachend. “De stad <span class="letterspaced">Dordrecht</span> drijft wel veel handel, maar is volstrekt geen zeestad. Intusschen ben ik in mijne jeugd meermalen met boos weer op de <span class="letterspaced">Moerdijk</span> geweest en het is misschien daaraan toe te schrijven, dat ik van die lastige zeeziekte ben verschoond gebleven. Als ik U +echter de ware reden moet zeggen: ik schaamde mij om zeeziek te worden in de tegenwoordigheid van een man als den Luitenant-admiraal +onzen gastheer, op wien ik U wel verzoek uw glas te ledigen. Leve onze Luitenant-admiraal De Ruyter en moge Zijne Edelheid +spoedig aan de Engelschen leeren, dat de Hollandsche zeeleeuw den Britschen panter nog niet vreest!” + +</p> +<p>“Leve de Luitenant-admiraal De Ruyter!” riepen allen, terwijl zij hunne glazen ledigden. + +</p> +<p>“Ik dank de Heeren wel en den Heer Raadpensionaris in het bijzonder voor de goedheid om mijner in hunnen dronk te gedenken,” +zeide De Ruyter, terwijl hij opstond en een zijner <a id="d0e4494"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4494">173</a>]</span>bedienden een wenk gaf. Op hetzelfde oogenblik knalden er twaalf schoten van het admiraalsschip. + +</p> +<p>“Was ist das?” riep de vorst Van Anhalt uit. “Die Engelsjen zijn doch nicht gekommen, dass gij met hen sjlaags zijt geraakt? +Indien das waar was, zoo zouden wir das onuitsjpreekliche genügen haben einen zeesjlag bij te wonen.” + +</p> +<p>“Dien zal Uwe Hoogheid zien,” antwoordde De Ruyter. “Mijne Heeren! ik noodig u allen uit, mij naar het dek te volgen, dan +zult gij in het klein een zeestrijd aanschouwen.” + +</p> +<p>“Bravo! bravo!” juichten al de gasten en volgden De Ruyter op het dek. + +</p> +<p>Het was een prachtige aanblik, die hen daar wachtte. De twee kleine fregatten of adviesjachten “’t Hert” onder kapitein Pieter +van Wijnbergen en “Zwolle” onder kapitein Dirk de Munnik, het eerste van zestien en het andere van acht stukken, leverden +elkander een spiegelgevecht, voeren telkens op elkander aan en gaven malkander dan de volle laag met los kruit, zeer ten genoegen +van al de hooge personages, meer dan de kunsten van een der matrozen, die zich boven op den bal van den vlaggestok der groote +bramsteng begaf en daarop met zijn hoofd ging staan, terwijl hij beide beenen in de lucht stak. Het was dan ook een noodeloos +waagstuk; want een mensch mag niet zoo met zijn leven spelen. + +</p> +<p>De Prins van Oranje had zich intusschen weder bij De Ruyter gevoegd. + +</p> +<p>“Mijnheer de Luitenant-admiraal,” begon hij, “Uwe Edelheid heeft aan uw boord een zekeren Pieter Pietersz, niet waar?” + +</p> +<p>“Die mij door Uwe Hoogheid is aanbevolen?” + +</p> +<p>“Juist, dezelfde. Hoe maakt hij het? Past hij goed op?” + +</p> +<p>“Uitmuntend. Hij is een knap timmerman en heeft verleden jaar met de stormen vrij wat dienst bewezen. Ook geloof ik, dat er +moed onder zijn matrozenbuis steekt.” +<a id="d0e4514"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4514">174</a>]</span></p> +<p>“Moed, Admiraal? Meer dan Uwe Edelheid misschien denkt.” En de Prins verhaalde hem, wat er met Pieter op <span class="letterspaced">Hondsholredijk</span> en op het veldijs gebeurd was. + +</p> +<p>“Inderdaad—dat zijn trekken van groote courage en onversaagdheid, die veel beloven. En toch geloof ik niet, dat uw gunsteling +voor zeeman in de wieg is gelegd.” + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p174.jpg" alt="" width="521" height="512"></div><p> + + +</p> +<p>“Ik zou hem gaarne eens zien,” hernam de Prins. “Ik heb al naar hem rondgekeken.” + +</p> +<p>De Ruyter wenkte een matroos en gebood dien, Pieter te roepen. Binnen weinige oogenblikken was hij bij hen. + +</p> +<p>“Je bent groot geworden, Pieter,” zeide de Prins. “Ik zou je niet herkend hebben. Hoe oud ben je thans?” + +</p> +<p>“Achttien jaren, Uwe Hoogheid,” antwoordde Pieter. +<a id="d0e4533"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4533">175</a>]</span></p> +<p>“Dan ben je mij vooruit,” hervatte de Prins. “En ik hoor, tot mijn genoegen, dat mijnheer de Luitenant-admiraal over je tevreden +is.” + +</p> +<p>“Wie zou niet oppassen, als hij zulk een voorbeeld voor oogen heeft, als onzen Luitenant-admiraal!” zeide Pieter. + +</p> +<p>“Daarin heb je gelijk,” antwoordde de Prins. “En hoe vaart je oom, de stuurman Klaas Dirksz?” + +</p> +<p>“Hij is springlevend,” antwoordde Pieter. “Maar vergun mij, dat ik Uwer Hoogheid iets vrage. Ik heb onder het gevolg Uwer +Hoogheid tevergeefs naar mijn broeder Karel gezocht. Hij is toch niet ziek, of uit uwen dienst?” + +</p> +<p>Het gelaat van den Prins betrok; het waren treurige herinneringen, welke Pieter bij hem te voorschijn riep. + +</p> +<p>“Hij is niet meer in mijn dienst, Pieter,” gaf hij ten antwoord. “Het is echter buiten zijn schuld en er is voor hem gezorgd.” + +</p> +<p>Tegen het vallen van den avond vertrokken de vorsten en heeren, vergezeld door de sloepen van al de oorlogsschepen, naar den +wal. De Keurvorst had honderd zilveren ducatons (ƒ 315) aan de matrozen van De Ruyters schip gegeven en toen de heeren aan +land kwamen, opgewacht door een tallooze menigte, wierpen zij eenig goud- en zilvergeld onder het volk te grabbelen. Op den +eersten Juni daaraanvolgende, stevende de vloot het ruime sop in. + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/o029.gif" alt="Ornament." width="189" height="53"></div><p> + + + +<a id="d0e4552"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4552">176</a>]</span></p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4050" href="#d0e4050src" class="noteref">1</a></span> Zie Bladz. <a href="#d0e2423">88</a>. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4144" href="#d0e4144src" class="noteref">2</a></span> Het Oude Hof, vroeger het paleis van koning Willem I en thans dat van onze tegenwoordige koningin, in het <span class="letterspaced">Noordeinde</span>. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4200" href="#d0e4200src" class="noteref">3</a></span> De Heer Buat was ritmeester van een regiment, dat in <span class="letterspaced">Bergen op Zoom</span> lag en slechts bestond uit een luitenant, een sergeant en een werf-officier, om in tijd van nood voltallig te worden gemaakt. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4235" href="#d0e4235src" class="noteref">4</a></span> Leiding. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4238" href="#d0e4238src" class="noteref">5</a></span> Grondregels of instellingen. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4258" href="#d0e4258src" class="noteref">6</a></span> Hetgeen hier volgt, is grootendeels in de resolutiën van den 2<sup>den</sup> tot den 15<sup>den</sup> April vervat. Ik neem ze hier maar bij elkander. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4291" href="#d0e4291src" class="noteref">7</a></span> Krachtige. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4358" href="#d0e4358src" class="noteref">8</a></span> Toen de Staten bezig waren over dit onderwerp, zeide een voornaam Lid van hunne Vergadering: “De geachte spreker meent te +maken van den Prins een <span class="letterspaced">kind van den Staat</span>. Maar ik vrees, dat het niet lang zal duren, of de Staat zal zijn een <span class="letterspaced">kind van den Prins</span>.” +</p> +</div> +</div> +<div id="d0e4553" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e112">Inhoud</a>] +</span><div class="figure"><img border="0" src="images/o001.gif" alt="Ornament" width="570" height="134"></div> +<h2 class="label">Dertiende Hoofdstuk.</h2> +<h2>Hoe de Raadpensionaris rekenles gaf.</h2> +<p style="
 background: url(images/in176.gif) no-repeat top left;
 "><span style="
 float: left;
 width: 90px;
 height: 86px;
 background: url(images/in176.gif) no-repeat;
 
 text-align: right;
 color: white;
 ">N</span>iet tevergeefs hadden de Heeren in De Ruyters kampanje gedronken op het welzijn van den Luitenant-admiraal en had de Raadpensionaris +in dien dronk begrepen, dat de Hollandsche leeuw zou toonen, den Britschen panter niet te vreezen; de dagen voor den elfden, +twaalfden, dertienden en veertienden Juni van het jaar 1666 waren getuigen van een luisterrijke overwinning, door onze vloot +op de Engelsche behaald. Een zeeslag van vier dagen! hoor ik u zeggen.—Ja, een vierdaagsche zeeslag, de hevigste die ooit +werd bevochten en die niet alleen den roem onzer vloot herstelde, in den laatsten, ongelukkigen slag zoo deerlijk verloren +gegaan, maar een onsterfelijke gloriekroon wond om het hoofd van onzen De Ruyter, wien men de ziel der vloot noemde en van +wien men zeide, dat hij de maat sloeg in het grof muziek van zooveel duizenden kartouwen<a id="d0e4560src" href="#d0e4560" class="noteref">1</a>; om den schedel van onzen Van Nes, die, toen De Ruyters groote steng <a id="d0e4563"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4563">177</a>]</span>was afgeschoten, de admiraalsvlag overnam en met zooveel beleid een tijd lang het opperbevel voerde, dat geen der vijanden +de tijdelijke afwezigheid van den vlootvoogd bemerkte; en om de slapen van onzen Tromp, die in zijne niets ontziende dapperheid +zoo dikwerf van schip had moeten verwisselen, dat de Engelschen, telkens zijne vlag van een ander schip ziende waaien, met +verbazing vraagden: “zijn er dan vijf of zes Trompen op de Staatsche vloot?” + +</p> +<p>Ik wil u ditmaal geen beschrijving van dien zeeslag geven. Wilt gij ze lezen, dan beveel ik u daartoe Brandts geschiedenis +van De Ruyter Bldz. 478—494 aan. Ik wil u alleen mededeelen, dat De Ruyter den vierden dag de <i>bloedvlag</i> liet hijschen, tot sein om allen te gelijk op den vijand aan te vallen, dat toen de Engelschen op de vlucht werden gejaagd +en het alleen aan den invallenden dikken mist te danken hadden, dat zij voor grootere schade werden gespaard. Van onze zijde +verloren wij den Vice-admiraal Van der Hulst, wiens graftombe men nog in de Oude kerk te <span class="letterspaced">Amsterdam</span> ziet en den Luitenant-admiraal Cornelis Evertsen, wien ook een praalgraf werd opgericht. De Engelschen verloren hunne Vice-admiralen +Barclay en Mings. Het lijk van den eerste viel in onze handen, werd hier gebalsemd en met een jacht naar <span class="letterspaced">Engeland</span> gezonden, over welke beleefdheid Karel II zeer gevoelig was. Wij hadden omstreeks 800 dooden en 1450 gekwetsen; de Engelschen +5 à 6000 dooden en 3000, die in onze handen waren gevallen; terwijl 23 hunner schepen deels gezonken of verbrand, deels genomen +en in onze havens waren opgebracht. + +</p> +<p>Minder gelukkig voor ons was de tweedaagsche zeeslag van den 4<sup>den</sup> en 5<sup>den</sup> Augustus daaraanvolgende, geleverd tusschen De Ruyter en denzelfden Monk, hertog van <span class="letterspaced">Albemarle</span>, die de Engelsche vloot in den vierdaagschen zeeslag had aangevoerd. Reeds de eerstgenoemde zeestrijd was bijgewoond door +vier <a id="d0e4587"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4587">178</a>]</span>Fransche edelen, die op ’s Lands vloot waren gekomen om een zeeslag onder het beleid van zulke beroemde zeehoofden bij te +wonen: Armand de Grammont, Hertog van Guiche, Louis Grimaldi, Prins van <span class="letterspaced">Monaco</span>, en de beide markiezen La Ferté. Thans waren er ook vier Fransche edelen als vrijwilligers op de vloot: de baron Busca en +de ridders van Lorraine, Coaslin en Cavoy. Door de persoonlijke bemoeiingen van De Witt was de vloot binnen 19 dagen van de +bekomen schade hersteld en weder in staat, om zee te kiezen. De grijze Jan Evertsen, die na den dood van zijn broeder zich +opnieuw had begeven in den dienst van het Vaderland, waarvoor zijn vader, een zijner zonen en vier zijner broeders het leven +hadden gelaten, gebood met Tjerk Hiddesz de Vries, die Stellingwerf was opgevolgd, de voorhoede, De Ruyter met Van Nes het +centrum, en Tromp met Meppel de achterhoede. + +</p> +<p>Omstreeks elf uren voor den middag ontmoetten de beide vloten elkander in volle zee tusschen <span class="letterspaced">Duinkerken</span> en <span class="letterspaced">Noordvoorland</span>. De voorhoede begon het gevecht en hield zich dapper; maar het eene ongeluk kwam bij het andere. Vooreerst was de wind voor +de Engelschen, en dan nog was er zoo weinig wind, dat De Ruyter met zijn centrum de benarde voorhoede onmogelijk kon te hulp +komen; ten tweede werden reeds bij de eerste schoten Jan Evertsen en Tjerk Hiddes, benevens de Friesche admiraal Koenders +doodelijk gekwetst. Toen nu ook tot overmaat van ramp het schip van den Vice-admiraal Bankertsz zonk, die met moeite zijn +leven redde, werd het smaldeel geheel en al in wanorde gebracht en verstrooid. Intusschen had Monk het centrum onder De Ruyter +aangetast en kwam hem ook de voorhoede onder Allen te hulp. Hachelijk was nu de toestand der onzen. De voorhoede verstrooid, +vele van De Ruyters schepen reddeloos, en van de achterhoede onder Tromp en Meppel niets te bespeuren. Onze zeeheld echter +hield het gevecht tot den avond vol; doch, daar hij zag, dat zijn geringe <a id="d0e4600"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4600">179</a>]</span>vloot niet meer bestand was om aan de overmacht van den vijand het hoofd te bieden, begon hij langzaam te wijken, hopende, +dat Tromp zich gedurende den nacht met hem zou vereenigen. + +</p> +<p>Maar toen de volgende morgen aanbrak, zag de held wel overal vijanden, maar geen Tromp. + +</p> +<p>“Sein den Luitenant-admiraal Meppel aan boord,” zeide hij tot Klaas Dirksz, die zijn post aan het roer niet had verlaten, +ofschoon de kogels om zijne ooren floten. Onze Pieter bevond zich met de timmerlieden beneden, om zooveel mogelijk ieder lek, +dat er geschoten werd, te herstellen. De stuurman gaf het roer aan twee matrozen over en seinde den Vice-admiraal: doch op +hetzelfde oogenblik tuimelde hij, door een Engelschen kogel doodelijk getroffen, door het luik naar beneden en kwam genoegzaam +voor Pieters voeten te land. + +</p> +<p>“Hemelsche Vader!” riep Pieter, terwijl hij zich op de knieën bij zijn geliefden oom neerwierp. “Oom! Oom!” + +</p> +<p>“Ik sterf,” zeide de stuurman met een flauwe stem. “De Engelschman heeft mij doodelijk gekwetst.” + +</p> +<p>“Gij zult niet sterven, oom!” zeide Pieter. + +</p> +<p>“Vlei je niet, mijn beste jongen,” hernam Klaas Dirksz gebroken. “Tegen den dood is geen kruid gewassen. Ik voel hem reeds +in mijne aderen. Vaarwel, Pieter! groet den Admiraal van mij. Zeg aan De Ruyter...” + +</p> +<p>Hier kon de stuurman niet meer spreken; vreeselijk draaiden zijne oogen in hunne kassen. Pieter poogde het bloed, dat uit +de wond vloeide, te stelpen; maar het scheen den stervende te benauwen, die na een hevige stuiptrekking den laatsten adem +uitblies. + +</p> +<p>“Dood! Arme oom Klaas, dood!” riep Pieter uit, terwijl hij zich als wanhopig op het lijk wierp. + +</p> +<p>“Pieter!” klonk eensklaps een stem naast hem. “Is de stuurman dood?” +<a id="d0e4620"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4620">180</a>]</span></p> +<p>“Hij is dood, Jonker Engel. De kogel heeft hem te goed getroffen en de val heeft het overige gedaan. Hoe is het boven gesteld?” + +</p> +<p>“Ellendig. Nooit heb ik mijn vader zóó gezien. De Luitenant-admiraal Van Nes is bij ons aan boord gekomen; vader wilde met +hem raadplegen. “Wat zullen wij doen, mijn goede Van Nes,” riep hij uit, toen de Luitenant-admiraal bij hem in de kampanje +trad, “wat zullen wij doen? De andere schepen zijn anderhalve mijl van ons en loopen zoo hard zij kunnen, zonder acht te geven +op onze seinschoten. Zie, welk een overmacht ons te loef, te lij, van voren en van achteren omringt, en wij—wij zijn slechts +met zeven of acht schepen bijeen. Wat zullen wij doen?” “Wat wij moeten doen,” antwoordde Van Nes, “tegen de overmacht kunnen +wij het niet uithouden; het best is, ons al wijkende te verweren.”—“Gij hebt gelijk, Van Nes,” antwoordde vader. “Daar is +geen andere uitkomst over. Ach! wat overkomt ons! Ik wou maar, dat ik dood was!” + +</p> +<p>“Zei uw vader dat?” zeide Pieter, terwijl hem de tranen uit de oogen sprongen. “En wat zeide de Luitenant-admiraal?” + +</p> +<p>“Ik wou het ook wel,” antwoordde Van Nes, “maar men sterft niet, wanneer men wil. Ik ga naar mijn boord terug en zal u trouw +blijven tot mijn laatsten ademtocht.” Dit zeggende, stonden mijn vader en hij op, en—nauwelijks waren zij de kampanje uit, +of ziet, daar vloog een Engelsche kogel naar binnen en schoot de beide plaatsen weg, waar zij gezeten hadden!” + +</p> +<p>“Wonderbaar behoud!” riep Pieter uit. “En is Tromp nog niet in het gezicht?” + +</p> +<p>“Nergens te zien,” hernam Jonker Engel. “Maar ik moet weer naar boven. Mijn vader zond mij herwaarts, om naar zijn trouwen +stuurman te zien.” + +</p> +<p>“Zeg hem, dat de gesneuvelde met zijn naam op de lippen <a id="d0e4635"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4635">181</a>]</span>is gestorven en met brekende oogen mij zijn laatsten groet voor den geliefden Admiraal heeft gegeven.” + +</p> +<p>“Ik zal het doen. En ga jij ook weer aan het werk. Er is hier genoeg te vinden.” + +</p> +<p>“Dat zou ik meenen,” zeide Pieter. “Maar ik was liever boven, om den dood mijns ooms op die Engelschen te wreken.” + +</p> +<p>“Je bent hier even nuttig, Pieter, want jij zorgt er voor, dat wij niet verdrinken. Het zal toch nu maar de zaak zijn, om +ons leven en ons schip te redden. Vaarwel, Pieter! Misschien voor eeuwig!” + +</p> +<p>“God behoede je en je dapperen vader!” zeide Pieter, terwijl hij Jonker Engel de hand drukte; waarop deze naar boven snelde, +om aan de zijde zijns vaders te strijden en hem den laatsten groet van Klaas Dirksz over te brengen. + +</p> +<p>Van Nes hield zijn woord en deed wat hij kon, om achter De Ruyter te blijven en met hem de vijanden af te weren. Zoo weken +zij al vechtende, terwijl zij hun koers naar de Zeeuwsche stroomen richtten. Omstreeks ’s morgens negen uren kregen zij <span class="letterspaced">Westkapelle</span> in het gezicht. De Engelsche Admiraal Monk intusschen, vurig hopende de eer te hebben den grooten zeeheld gevangen te nemen, +drong al meer en meer met zijne grootste macht op hem aan. Omtrent twaalf uren op den middag zond hij een brander op hem af, +die “De zeven Provinciën” zoo na kwam, dat er geen ontkomen meer scheen te zijn. Maar ook in den hoogsten nood verloor de +Admiraal zijn tegenwoordigheid van geest niet. Terstond gaf hij bevel om vier sloepen te bemannen met volk uit vier schepen. +In De Ruyters sloep begaven zich ook op zijne aanmaning de vier Fransche heeren. Nu hing het behoud van De Ruyters schip, +ja van de gansche vloot aan een zijden draad. Gelukkig werd de brander, die zoo groot was dat hij wel een oorlogsfregat geleek, +vernield en door zijn volk verlaten, waaraan de vier Fransche edelen niet weinig toebrachten. +<a id="d0e4650"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4650">182</a>]</span></p> +<p>Wel was nu dat gevaar afgewend, doch kort daarna kwam Monk met verscheidene andere Engelsche schepen zoo dicht bij De Ruyters +vaartuig, en gaven zij in het voorbijzeilen telkens zoo geducht de volle laag, dat alles scheen te barsten en te breken. Nooit +was onze zeeheld zoo moedeloos geweest als thans. “Hoe ben ik dan toch zoo ongelukkig?” riep hij tot zijn schoonzoon De Witte, +die naast hem stond. “Is er dan onder zooveel duizenden kogels niet een, die mij wegneemt!”—“Vader!” zeide De Witte, “hoe +kunt ge zoo moedeloos zijn en zulk een wanhopige taal voeren? Wenscht gij te sterven, welnu, laat dan den steven wenden, storten +wij ons te midden van de vijanden en sterven wij den heldendood!” Deze taal werkte; De Ruyter zag het verkeerde daarvan in. +“Witte,” zeide hij, “gij weet niet, wat gij zegt. Als ik dat deed, dan zou alles verloren zijn; maar als ik er mij zelf en +deze schepen behouden kan afbrengen, dan kan men het werk hervatten.” Gelukkig daagde er uitkomst. Men was nu zoo dicht bij +de Zeeuwsche kust, dat de Engelsche Admiraal, vreezende dat zijne schepen op de zandbanken zouden vastraken en stranden, het +sein tot den aftocht gaf en met zijne vloot weder zee koos. + +</p> +<p>Den volgenden dag kwam ook Tromp met zijn smaldeel de haven van <span class="letterspaced">Vlissingen</span> binnen en begaf zich terstond met Zweers en Van der Zaan aan boord van De Ruyter. Hij had met de zijnen zijn best gedaan; +want toen de voorhoede aan den slag raakte, was hij even ver van De Ruyter verwijderd als deze van Evertsen, en hij werd evenzeer +door de windstilte verhinderd, het centrum te naderen. Door de Engelsche achterhoede onder Smith aangegrepen, hadden hij en +de zijnen zich met de oude dapperheid gekweten en een zwaren strijd te verduren gehad. Hij had zich dus onmogelijk bij De +Ruyter kunnen voegen, en meende nu allen lof in te oogsten. Verwonderd stond hij te kijken, toen De Ruyter hem toevoegde: +<a id="d0e4658"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4658">183</a>]</span></p> +<p>“Komt de heer Luitenant-admiraal eens kijken, of ik nog in leven ben? Inderdaad—het heeft aan U niet gelegen; integendeel—gij +hebt dapper uw best gedaan, om mij met ’s lands vloot in handen der Engelschen te leveren.” + +</p> +<p>“Ik, Admiraal?” vraagde Tromp verbaasd. “Of meent Uwe Edelheid soms, dat ik werkeloos gelegen heb, of lafhartig gevlucht ben?” + +</p> +<p>“Indien ik dat meende, Mijnheer Tromp,” zeide De Ruyter, “zou ik u gevangen hebben laten nemen als een verrader. Maar zonder +lafhartig te zijn, kan men wel tegen de krijgstucht zondigen. Waarom zijt gij niet bij de vloot gebleven? Waarom afzonderlijk +gestreden? Of meendet gij alleen meer roem te behalen, dan onder mijne vlag?” + +</p> +<p>“Indien ik mij deswege te verantwoorden heb, zal het aan mijne meesters de Heeren Staten zijn,” zeide Tromp trotsch. + +</p> +<p>“Daar zult gij gelegenheid toe hebben,” hernam De Ruyter. “Ik heb Hunne Edel-Groot-Mogenden een getrouw verslag gezonden van +het gebeurde, en U niet gespaard, evenmin als u, mijne heeren Zweers en Van der Zaan!” + +</p> +<p>“Uwe Edelheid moet weten wat Zij doet,” antwoordde de laatste. “<i>Wij</i> hebben onzen plicht gedaan en zijn aan onzen eed getrouw geweest.” + +</p> +<p>Op dit oogenblik verloor De Ruyter zijne gewone bedaardheid, en voer, in tegenwoordigheid van al het scheepsvolk, uit tegen +Zweers en Van der Zaan. Beide mannen zwegen, ofschoon zij onschuldig waren, daar zij slechts hunne vlag hadden gevolgd. Maar +Tromp kon niet zwijgen. + +</p> +<p>“Hadt gij U even goed gekweten, als wij,” zeide hij, “dan zouden wij de overwinning behaald hebben. En had ik de achterhoede +der Engelschen niet afgesneden, het zou met U gedaan zijn geweest. Dan zat gij nu in <span class="letterspaced">Londen</span> als krijgsgevangene.” +<a id="d0e4681"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4681">184</a>]</span></p> +<p>“Wij zullen niet verder over de zaak twisten, mijnheer Tromp,” hernam De Ruyter, die zijne bedaardheid had herkregen. “Zooals +gij gezegd hebt, de Heeren Staten zullen tusschen ons beslissen en over ons oordeelen. Wat mij aangaat,—ik schroom het oordeel +van mijne meesters niet.” + +</p> +<p>“Ik ook niet,” hervatte Tromp, terwijl hij De Ruyters boord verliet. “Ofschoon,” mompelde hij half verstaanbaar, “de lieveling +wel gelijk zal krijgen en de arme aanhanger van het Prinsenhuis achterstaan!” + +</p> +<p>Zoodra hij aan zijn boord gekomen was, schreef Tromp twee brieven, een aan de Staten-Generaal en een aan de Staten van <span class="letterspaced">Holland</span>, waarin hij, op krachtigen maar bitteren toon, zijn gedrag poogde te rechtvaardigen en De Ruyter te beschuldigen; terwijl +hij aan het slot van zijn brief zeide, “dat—indien hij dan, na al zijne getrouwe diensten voor een schelm moest worden uit +gekreten—hij zijn ontslag verzocht, daar het thans geen tijd was, om schelmen <span id="d0e4691" class="corr" title="Bron: ze">te</span> gebruiken.” + +</p> +<p>Gij kunt u voorstellen, welk een onaangenamen indruk dat schrijven, vooral bij de Staten van <span class="letterspaced">Holland</span>, verwekte. Daarbij kwam nog, dat de Heer Kievit, gecommitteerde Raad van <span class="letterspaced">Rotterdam</span> (uit den mond van den Heer van Sommelsdijk, die op het schip van Tromp den laatsten zeeslag had bijgewoond, de bijzonderheden +daarvan vernomen hebbende) een verslag opstelde, waarin hij het gedrag van Tromp hoog opvijzelde en dat van De Ruyter erg +gispte. Dit stuk had hij laten drukken en verspreiden. Hierover door de Staten van <span class="letterspaced">Holland</span> ter verantwoording geroepen, waagde hij het niet, voor hen te verschijnen, maar vluchtte het land uit. Ook benoemde men een +commissie, aan welker hoofd de Raadpensionaris stond, om de beschuldigingen te onderzoeken, welke de beide Admiralen tegen +elkander hadden ingebracht. Met staatkundige voorzichtigheid wilde deze commissie niet beslissen, aan wien de schuld lag <a id="d0e4705"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4705">185</a>]</span>doch gaf als haar gevoelen op, dat het belang van den Staat eischte, een der beide Admiralen te ontslaan. De Staten aarzelden +geen oogenblik, om in deze netelige zaak te beslissen en zonden aan Tromp het bericht, dat zijne aanstelling als Luitenant-admiraal +was ingetrokken; terwijl hem tevens verboden werd, zich naar de vloot te begeven, omdat men een opstand vreesde van het aan +hem zoozeer gehechte scheepsvolk. + +</p> +<p>Dit besluit omtrent Tromp deed den haat tegen de heerschende partij geducht toenemen. Tot eer van den zeeheld moeten wij zeggen, +dat hij het aanbod, hem door d’Estrades, den Franschen gezant, gedaan om tegen een aanzienlijk jaargeld koning Lodewijk XIV +te dienen, van de hand wees, terwijl hij zeide, dat hij liever in zijn vaderland als vergeten burger wilde leven, dan met +eer en rijkdom overladen, een vreemden vorst dienen. In zijne plaats werd tot Luitenant-admiraal van <span class="letterspaced">Holland</span> benoemd Willem Jozef Van Gent. + +</p> +<p>Keeren wij nog een oogenblik naar De Ruyter terug. Zeer waarschijnlijk was zijne geheele familie naar <span class="letterspaced">Vlissingen</span> gekomen, om den dierbaren man en vader te zien, wiens bijzijn zij zoo lang hadden moeten ontberen. Wij lezen ten minste, +dat zijn jongste dochtertje, dat den 13<sup>den</sup> September haar elfde levensjaar zou bereiken, een engelachtig, veelbelovend kind, ziek werd aan een besmettelijke ziekte +en daaraan op den 24<sup>sten</sup> Augustus stierf. Hoe smartelijk dit verlies den braven man aandeed, hij onderwierp zich met de gelatenheid eens christens +aan Gods wil en poogde zijne droefheid door zijne gewichtige en gedurige bezigheden te lenigen. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>Wij begeven ons nu in het begin van de maand September weder naar ’s-<span class="letterspaced">Gravenhage</span>, waar wij den Prins vinden in een vertrek, genaamd “de kamer van educatie.” Het is eene uiterst eenvoudig gemeubelde kamer, +aan beide zijden met ramen voorzien. <a id="d0e4730"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4730">186</a>]</span>Naast de deur, die in een hoek is, staat een boekenkast, die tot aan de zoldering reikt en waarvoor groote saaien gordijnen +hangen, waarvan het eene, dat opengeschoven is, een rijke verzameling van boekwerken doet bespeuren, in kalfslederen, hoornen +en half lederen banden gebonden; bovenaan de duodecimo’s en octavo’s, lager de kwarto’s en onderaan de folianten. Tegenover +dezen muur is de groote marmeren schoorsteen, boven welken een schilderstuk van Honthorst. Aan de rechterzijde van den schoorsteen +bevindt zich een deur, evenals de andere met een groen saaien gordijn behangen om tocht te beletten; aan de andere zijde staat +een kleiner kastje, waarin een atlas van <span id="d0e4732" class="corr" title="Bron: Bleauw">Blaeuw</span><a id="d0e4734src" href="#d0e4734" class="noteref">2</a>, eenige kaarten en de boeken, die in dagelijksch gebruik zijn; terwijl daarop een aard- en hemelglobe prijken en de busten +van Seneca en Socrates, beide in marmer. In het midden der kamer staat een met groen laken bedekte tafel, waarop een zilveren +inktkoker, eenige versneden ganzenpennen en de noodige boeken en papieren. Dit is “de kamer van educatie,” waar Zijne Hoogheid +dagelijks les krijgt van zijn praeceptor Borneus, die hem in de historica (geschiedenis) en politiek (staatkunde) institueert +(onderwijst); terwijl een ander den Prins les geeft in de mathesis, en de Raadpensionaris alle Maandagen komt, om hem het +Nederlandsche staatsrecht te onderwijzen en tevens onderzoek te doen naar zijne vorderingen. + +</p> +<p>Het is nu ook op een Maandag in September, dat wij Zijne Hoogheid aan de met een groen kleed bedekte tafel vinden zitten, +met den arm onder het hoofd en praktizeerende over een der rekenkunstige opgaven uit de vernieuwde cijfferinge van Willem +Bartjes, tweede druk, in 1648 uitgegeven, twaalf jaren na den eersten. Verdrietig werpt hij het boek van zich af en neemt +de in 1653 uitgekomen Arithmetica van B. Stockman en A. W. Wassenaar ter hand, maar zoo het schijnt met geen beter gevolg. + +</p> +<p>Op dit oogenblik komt de Raadpensionaris binnen. +<a id="d0e4741"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4741">187</a>]</span></p> +<p>“Uwe Hoogheid schijnt in een kwade luim,” begint hij. “Eilacy, is zij boos op die onschuldige boeken?” + +</p> +<p>“Op die boeken, zegt Uwe Edelheid?” antwoordt de Prins, “Vergeef mij, dat ik U tegenspreek—ik was knorrig op mij zelf.” + +</p> +<p>“Maar dan moesten die boeken het toch ontgelden,” herneemt De Witt lachend. “In trouwe, het gaat wel meer zoo in de wereld. +De onschuldigen moeten het gelag betalen.” + +</p> +<p>“Gelukkig dat die boeken het niet voelen,” zegt de Prins. “Maar ik zou mij wel voor het hoofd willen slaan.” + +</p> +<p>“Bedaar wat, bedaar wat, mijn jonge vriend!” vermaant De Witt. “Dan zoudt gij maar hoofdpijn krijgen.—Doch vertel mij, wat +is de oorzaak van uwe ontevredenheid met U zelf?” + +</p> +<p>“Ach mijnheer De Witt!” klaagt de Prins. “Ik ben zoo dom...” + +</p> +<p>“Gelukkig, dat Uwe Hoogheid zulks gevoelt, en nog gelukkiger, dat de Heeren Staten Haar de gelegenheid hebben geschonken om +knap te worden. Maar waarin was Uwe Hoogheid zoo dom?” + +</p> +<p>“In de arithmetica; mijnheer De Witt. Meer dan een uur heb ik zitten denken over deze opgaven. Zie, ik <i>kan</i> ze niet vatten.” + +</p> +<p>“Doodeenvoudige voorstellen,” hervat De Witt, nadat hij ze gelezen heeft. “Kom hier,” vervolgt hij, terwijl hij de lei neemt +en gaat zitten. “Ik zal ze U eens voorrekenen.” En terwijl hij den Prins de opgaven uitlegt en ze hem voorrekent, heeft hij +ze in weinige minuten opgelost. + +</p> +<p>“Ziet Uwe Hoogheid wel, dat de arithmetica de gemakkelijkste zaak der wereld is?” + +</p> +<p>“Voor uwe Edelheid, ja,” antwoordt de Prins. “Maar voor een zwak hoofd als het mijne....” + +</p> +<p>“Geduld slechts, Uwe Hoogheid! het zal wel beter gaan.” + +</p> +<p>“Het zijn zulke vervelende sommen in die boeken! Wat moeten de menschen die ze gemaakt hebben, allervervelendste wezens zijn.” + +</p> +<p>De Witt kon zich niet onthouden van te glimlachen. +<a id="d0e4773"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4773">188</a>]</span></p> +<p>“Komaan,” zegt hij, terwijl hij een papier uit den zak haalt. “Schrijf dan eens dit voorstel op; ik zal het u voorzeggen.” + +</p> +<p>De Prins neemt een pen, doopt die in en schrijft hetgeen De Witt hem voorzegt<a id="d0e4778src" href="#d0e4778" class="noteref">3</a>. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p188.jpg" alt="" width="607" height="363"></div><p> + + +</p> +<p>“Aen den tooren van Babylon hebben gewerckt 333,227 menschen, en sy hadden daeraen gewerckt 2 jaer, 7 maenden en 3 daghen, +toen sy door de verwerring van hunlieder tael verstroyt wierden; de hooghte van dien tooren was toen 2 mijlen 3200 roeden; +men vraegt, hoeveel tijts 30000 menschen zouden moeten besteden, om, even naerstig werckende, sulk een tooren op diezelfde +hooghte te brengen.” + +</p> +<p>De Prins denkt een oogenblik na. Zijn gelaat verheldert zich. + +</p> +<p>“Die vraag is gemakkelijk op te lossen, mijnheer De Witt.” + +</p> +<p>“En hoe zult gij dat doen?” + +</p> +<p>De Prins zegt het hem: maar daar ik gaarne zag, dat ook mijne lezers er hunne krachten aan beproefden, zoo deel ik het hun +niet mede. +<a id="d0e4794"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4794">189</a>]</span></p> +<p>“Zeer goed,” zegt De Witt. “En hoe komt het dan, dat Uwe Hoogheid nu zoo vlug in het oplossen is?” + +</p> +<p>“Omdat.... Omdat Uwe Edelheid niet zoo’n vervelend wezen is als de makers van die cijferboekjes,” antwoordt de Prins, “en +dus zijn uwe opgaven ook niet zoo droog en zoo saai.” + +</p> +<p>“Laat ons nu eens zien, of gij de leer der thienden<a id="d0e4801src" href="#d0e4801" class="noteref">4</a> begrijpt. Schrijf eens: zestien geheelen en driehonderd acht en vijftig duizendste deelen.” + +</p> +<p>De Prins schrijft, volgens Simon Stevin; + + + +</p> +<p class="aligncenter">16 (0) 3 (1) 5 (2) 8 (3) + + +</p> +<p>en volgens Franciscus van Schooten (1660): + + + +</p> +<p class="aligncenter">16358 (3) + + +</p> +<p>want men had nog niet uitgedacht, om door een decimaalteeken de geheelen van de deelen te scheiden. + +</p> +<p>“Zeer goed,” hervat De Witt. “Ik zie tot mijn contentement, dat gij beide wijzen goed begrijpt. Intusschen moet ik Uwer Hoogheid +wel doen observeeren, dat de leerwijs van Van Schooten verre te prefereeren is boven die van Stevin. Vooral in het multipliceeren +en divideeren verdient die de preferentie. En hoe handelt gij nu, wanneer gij dat getal eens moest multipliceeren met vijf-en-tachtig +duizendste deelen?” + +</p> +<p>“Wel, dan multipliceer ik het met 85 (3) en addeer de beide eindcijfers bij elkander; dan krijg ik (nadat hij het uitgerekend +heeft) + + + +</p> +<p class="aligncenter">1390430 (6) + + +</p> +<p>of eenvoudiger: + + + +</p> +<p class="aligncenter">139043 (<span id="d0e4824" class="corr" title="Bron: 3">5</span>)”. + + +</p> +<p>“Zeer juist. Het doet mij genoegen, dat Uwe Hoogheid de thienden begint te begrijpen. Het is met recht, zooals Simon Stevin +zegt: het geeft eene “ongehoorde lichtigheijt in alle rekeninghen onder de Menschen noodigh vallende door heele getallen, +sonder ghebrokenen.” Doch nu gaan wij verder.” +<a id="d0e4829"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4829">190</a>]</span></p> +<p>Ik geloof, dat mijne lezers mij het vervolg der rekenles wel zullen kwijtschelden, alsmede het examen in de geschied- en aardrijkskunde +en het onderwijs in de staatkunde der Zeven Provinciën. + +</p> +<p>De Raadpensionaris was ditmaal zeer voldaan over zijn kweekeling en wilde vertrekken. + +</p> +<p>“Een oogenblik, mijnheer De Witt,” zeide de Prins. “Ik had U nog wat te verzoeken.” + +</p> +<p>“Iets te verzoeken. Indien het in mijne macht staat, zal het mij genoegen doen, U uw verzoek toe te staan.” + +</p> +<p>“Reeds vooraf bedankt voor uwe goedwilligheid,” hernam de Prins. “Uwe Edelheid herinnert zich nog wel dien Pieter Pietersz, +timmerman op het schip van den Luitenant-admiraal De Ruyter.” + +</p> +<p>De Witt dacht een oogenblik na. + +</p> +<p>“O, zeer zeker! Ik herinner mij dien. Hij schijnt bijzonder in uwe gunst te deelen.” + +</p> +<p>“Niet minder in de mijne, dan in die van den Admiraal. Zie hier,” vervolgde de Prins, terwijl hij een brief uit zijn zak haalde, +“dit is een aanbevelingsbrief van mijnheer De Ruyter.” + +</p> +<p>“Wien deze aanbeveelt,” hernam De Witt, nadat hij den brief gelezen had, “is het zeker waard en kan op mijne medewerking rekenen. +Maar, waarom heeft de knaap het zeewezen verlaten? Ik meende vroeger van Uwe Hoogheid vernomen te hebben, dat hij zooveel +lust in het zeeleven had. Hoe is dat zoo in eens veranderd?” + +</p> +<p>“Reeds toen ik in Mei op de vloot was, zeide de Admiraal mij, dat er nooit een zeeman uit Pieter zou worden. De dood van zijn +oom Klaas Dirksz, den stuurman van “De zeven Provinciën,” die, op den 5<sup>den</sup> Augustus door een Engelschen kogel getroffen, den heldendood voor het vaderland stierf, schijnt hem een tegenzin in het zeeleven +te hebben doen opvatten.” +<a id="d0e4853"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4853">191</a>]</span></p> +<p>“Het getuigt weinig voor zijn moed,” hernam de Raadpensionaris eenigszins schamper. + +</p> +<p>“Uwe Edelheid herinnert zich, dat hij timmerman aan boord was, en dus gedurende het gevecht beneden moest zijn om de lekken +te stoppen. Waarlijk geen taak om iemand moed in te boezemen.” + +</p> +<p>“Dat laat zich hooren. Doch, hoe heeft de Admiraliteit hem kunnen ontslaan?” + +</p> +<p>“Hij behoorde tot de vrijwilligers van <span class="letterspaced">Delfzijl</span>,” hernam de Prins, “en als zoodanig mocht hij zijn ontslag nemen.” + +</p> +<p>“Ik beloof u, dat ik hem zal aanbevelen aan de Zeeuwsche Admiraliteit,” hernam De Witt. “Dan kan Uwe Hoogheid er een aanbeveling +bij doen. De Zeeuwen toch zijn Haar van oudsher zeer genegen.” + +</p> +<p>“<span class="letterspaced">Zeeland</span> is mijn geslacht altijd zeer geaffectionneerd geweest,” hernam de Prins, als had hij den scherpen toon, waarop die woorden +werden gesproken, niet opgemerkt. “Ik zal dus volgens uw raad handelen. Doch nog iets. De ridder Buat....” + +</p> +<p>Het gelaat van den Raadpensionaris betrok. + +</p> +<p>“De ridder Buat,” vervolgde de Prins, zonder schijnbaar iets van de verandering in De Witts trekken te bemerken, “is door +u beschuldigd van geheime briefwisseling met den vijand en in hechtenis genomen.” + +</p> +<p>“Door mij in hechtenis genomen? Uwe Hoogheid vergist zich. Ik ben geen Fiskaal.” + +</p> +<p>“Toch op uw bevel, mijnheer De Witt.” + +</p> +<p>“Geenszins. Op bevel van den Raad van State. Henry Fleury de Coulan, heer Van Buat, is een landverrader.” + +</p> +<p>“Uwe Edelheid spreke toch zulk een hard oordeel niet uit over den man, door U met een geheime correspondentie met <span class="letterspaced">Engeland</span> belast, en die misbruik van uw vertrouwen heeft gemaakt door er eigen correspondentie bij te voegen.” +<a id="d0e4887"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4887">192</a>]</span></p> +<p>“Uwe Hoogheid schijnt beter onderricht, dan ik vermoedde,” zeide De Witt scherp. “Wie is de gedienstige geest, die Haar dit +heeft medegedeeld?” + +</p> +<p>“Hoe zou ik onkundig blijven, Mijnheer De Witt, van hetgeen geheel <span class="letterspaced">Den Haag</span> weet?” hernam de Prins. “Of zou Uwe Edelheid meenen, dat ik hier.... Doch neen, dat kan niet.” + +</p> +<p>“Voleindig uwen volzin, Prins,” hernam De Witt. + +</p> +<p>“Ik wenschte alleen uwe genade in te roepen voor den armen Buat. Uwe Edelheid zal zich herinneren, dat hij reeds bij mijn +vader in dienst was. Sedert is hij onafgebroken aan ons geslacht verbonden geweest, totdat....” + +</p> +<p>De Prins zweeg. De Witt vervolgde: + +</p> +<p>“Tot dat de Heeren Staten hebben goedgevonden, hem zijn ontslag te geven. Waarlijk, de Heeren Staten hebben wijs gehandeld, +iemand van U te verwijderen, die met den vijand heult.” + +</p> +<p>“Dus geen genade voor den onvoorzichtige.” + +</p> +<p>“Het staat niet aan mij, voor zulk een halsmisdaad genade te verleenen,” hernam De Witt koel. “En wat mijn voorspraak betreft, +die zou al heel weinig baten; want ik ben overtuigd, dat de Heeren Staten op de uiterste gestrengheden zullen aandringen. +Luister wel,” hervatte De Witt met nadruk, terwijl hij den Prins met zijn doordringende oogen scherp aanzag. “De Heeren Staten +zijn voornemens, om elke aanranding van het bestaande gezag, van welken aard dan ook, streng te straffen, en uwe partij wordt +stout—te stout, om langer het Land aan het uitbreken van een burgeroorlog bloot te stellen. Uwe Hoogheid kan dus bij gelegenheid +Haren vrienden de verzekering geven, dat de Heeren niemand zullen ontzien, welken rang of stand hij ook in de maatschappij +bekleede. Indien gij er iets aan kunt doen, maak dan, dat Buat het eenige slachtoffer van de dwaasheid eener nuttelooze partijzucht +blijve.” + +</p> +<p>Met deze woorden verliet De Witt de kamer, om zijn pupil <a id="d0e4909"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4909">193</a>]</span>aan zijne overdenkingen over te laten. Toen de Raadpensionaris vertrokken was, schelde de Prins zijn kamerdienaar en beval +hem, ingeval de persoon, die dezen morgen op het Hof was geweest, terug mocht komen, dien terstond bij hem te brengen. + +</p> +<p>“Hij wacht reeds sedert een half uur, Uwe Hoogheid,” zeide deze. + +</p> +<p>“Breng hem dan onmiddellijk hier,” hernam de Prins. + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/o065.gif" alt="Ornament." width="312" height="132"></div><p> + + + +<a id="d0e4919"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4919">194</a>]</span></p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4560" href="#d0e4560src" class="noteref">1</a></span> Kanonnen. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4734" href="#d0e4734src" class="noteref">2</a></span> Guillaume Blaeuw, 1571–1638.—J.H. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4778" href="#d0e4778src" class="noteref">3</a></span> De volgende rekenkunstige opgaaf is van De Witt. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4801" href="#d0e4801src" class="noteref">4</a></span> Tiendeelige breuken. +</p> +</div> +</div> +<div id="d0e4920" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e112">Inhoud</a>] +</span><div class="figure"><img border="0" src="images/o016.gif" alt="Ornament" width="583" height="148"></div> +<h2 class="label">Veertiende Hoofdstuk.</h2> +<h2>Hoe onze vloot de Engelschen tuchtigde.</h2> +<p style="
 background: url(images/iw001.gif) no-repeat top left;
 "><span style="
 float: left;
 width: 90px;
 height: 86px;
 background: url(images/iw001.gif) no-repeat;
 
 text-align: right;
 color: white;
 ">W</span>einige oogenblikken, nadat de kamerdienaar vertrokken was, trad Pieter Pietersz “de kamer van educatie” binnen. + +</p> +<p>“Je past op je tijd, Pieter,” zeide de Prins “Volg mij.” + +</p> +<p>De Prins deed de deur naast den schoorsteen open, en beiden bevonden zich in een klein kabinetje. Zijne Hoogheid sloot de +deur zorgvuldig, en wenkte zijn gunsteling, zich op een stoel neder te zetten, terwijl hij zelf ging zitten. + +</p> +<p>“Wel,” begon hij. “Heb je het een en ander bijzonders vernomen?” + +</p> +<p>“Ik had daartoe niet veel moeite,” antwoordde Pieter. “Mijn broeder is met de familie zeer goed bekend: verscheidene malen +heeft hij Mevrouw Buat gekapt. Van hem dan ook heb ik de bijzonderheden vernomen.” + +</p> +<p>“Ter zake.” + +</p> +<p>“In het voorjaar werd de Ritmeester door den heer Raadpensionaris <a id="d0e4939"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4939">195</a>]</span>aangezocht, om zich te belasten met een geheime correspondentie naar <span class="letterspaced">Engeland</span>.” + +</p> +<p>“Juist, met Sylvius, met wien Buat reeds correspondeerde. En had die briefwisseling onder het oog van den Raadpensionaris +plaats?” + +</p> +<p>“Geheel en al. De Ritmeester schreef, schijnbaar in zijn eigen naam, wat de Raadpensionaris hem voorzeide. Nu hadden de vrienden +der Oranjepartij, tot welke ook de Ritmeester behoort, hem aangezet om bij deze correspondentie een andere te voeren, van +welke de Raadpensionaris niets mocht weten. Op deze brieven zette de Heer Sylvius: <i>pour vous mesme</i>.—Langen tijd ging deze geheime handel goed, tot, voor eenige dagen, de Ritmeester den Raadpensionaris een pak brieven bracht +en daaronder bij vergissing een van die geheime brieven had laten liggen.” + +</p> +<p>“De onvoorzichtige!” riep de Prins uit. “En had de Raadpensionaris dat terstond gemerkt?” + +</p> +<p>“Ik weet het niet, Uwe Hoogheid,” gaf Pieter ten antwoord. “Maar de Ritmeester was onvoorzichtig genoeg, om zich bij den Raadpensionaris +te vergewissen of de brief in het pak was. Deze kreeg daarop argwaan, las den brief en vond daarin, wat hem aanleiding gaf +om dien Buat te weigeren en hem in den Raad van State te brengen. Terstond werd de Ritmeester gevat en in de kastelenije bewaard; +waarop de Raadpensionaris aan het hoofd eener commissie uit den Raad van State zich naar het huis van den gevangene begaf +en aldaar huiszoeking deed.” + +</p> +<p>“Wat zal die arme mevrouw Buat verschrikt zijn geweest!” zeide de Prins meewarig. + +</p> +<p>“Dat kan Uwe Hoogheid zich voorstellen.” + +</p> +<p>“En heeft men daar nog wat gevonden?” + +</p> +<p>“De Ritmeester had zorg gedragen, al de geheime brieven te verbranden. Ongelukkig moet hij een brief en een klad voor <a id="d0e4963"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4963">196</a>]</span>een anderen vergeten hebben te vernietigen. De Raad van State heeft daarop grond genoeg gevonden, om hem van hoogverraad te +beschuldigen en zijne zaak in handen van het Hof van <span class="letterspaced">Holland</span> te stellen.” + +</p> +<p>“En de Ritmeester?” + +</p> +<p>“Zit nu op de <span class="letterspaced">Voorpoort</span> van den Hove.” + +</p> +<p>“Arme Buat,” zeide de Prins.—“Je hebt je goed van je last gekweten, Pieter,” vervolgde hij tot dezen. “Ik heb ook den mijnen +volbracht en je aan den Raadpensionaris aanbevolen.” + +</p> +<p>“Ik dank Uwe Hoogheid voor Hare goedgunstige bescherming,” zeide Pieter. + +</p> +<p>“Waarschijnlijk zul je een aanstelling op de werven van de Admiraliteit van <span class="letterspaced">Zeeland</span> erlangen. Ik zal ook aan de Heeren bewindhebbers schrijven en je aanbevelen.” + +</p> +<p>“O, Uwe Hoogheid is al te goed,” hernam Pieter. “Hoe zal ik Haar ooit dankbaar genoeg kunnen zijn!” + +</p> +<p>“Verlaat mij thans, Pieter, en keer langs denzelfden weg terug, dien je gekomen bent. Vaarwel!” + +</p> +<p>De Prins deed de deur van het kabinetje open en ging, na het vertrek van Pieter, weder aan het werk—schijnbaar ten minste—want +zijne ziel was te zeer bezig met den armen Buat, dan dat hij had kunnen werken. + +</p> +<p>De aanbeveling van den Prins met die van den Luitenant-admiraal had goede uitwerking. Pieter werd op de werf der Zeeuwsche +admiraliteit aangesteld als tweede meesterknecht, met een goed inkomen en het vooruitzicht op bevordering. Martha, wiens broeder +Jacob intusschen gehuwd was, vergezelde hem naar <span class="letterspaced">Vlissingen</span>, om zijne huishouding waar te nemen. + +</p> +<p>Gij zult wel nieuwsgierig wezen, hoe het met Buat afliep. Ik zal het u meedeelen. De leden van het Hof waren wel gestemd om +een zacht vonnis te vellen, vooral, omdat hij eigenlijk geen landverraad had gepleegd, maar slechts misbruik had gemaakt <a id="d0e4997"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4997">197</a>]</span>van het vertrouwen, dat De Witt in hem had gesteld. De Staten van <span class="letterspaced">Holland</span> evenwel, door De Witt daartoe aangezet, begrepen de zaak anders, en maanden het Hof ten ernstigste aan, om een krachtig vonnis +te spreken. Daarbij kwam, dat men Buat door een boosaardige list van een zijner rechters beroofde, den Raadsheer Van der Graaf, +die der Oranjepartij was toegedaan. Op zekeren dag namelijk, dat genoemde Raadsheer van het Hof kwam, verzocht hem iemand, +uit naam van Buat, even bij den gevangene te komen. Hieraan voldoende, vond hij Buat ongesteld en zeer verwonderd over zijne +komst, daar de boodschap niet van hem was uitgegaan. Na, in tegenwoordigheid van den cipier, een paar woorden met den gevangene +gewisseld te hebben, verliet Van der Graaf de Gevangenpoort en ging naar huis. Den volgenden dag stond in een nieuwsblad, +dat een der Raadsheeren zich niet ontzien had, de gevangene te bezoeken. Het Hof ondervraagde daarop Van der Graaf, die de +toedracht der zaak verhaalde. Diensondanks werd hij gedwongen, zich niet verder in dit rechtsgeding te wikkelen. + +</p> +<p>Van deze stem beroofd, die waarschijnlijk nog een of twee andere zou hebben overgehaald, werd de ongelukkige Ritmeester veroordeeld +te worden gestraft met den zwaarde, zoodat er de dood na volgt. Dit vreeselijke vonnis werd op Maandag den 11<sup>den</sup> October aan hem voltrokken. + +</p> +<p>De Raadsheer Kieviet, diens vrouw (zooals gij weet, de zuster van Tromp) en de Burgemeester van <span class="letterspaced">Rotterdam</span>, Van der Horst, werden mede in dit rechtsgeding gewikkeld, omdat zij Buat tot schrijven hadden aangezet en ettelijke brieven +hadden gelezen. De eerste, zooals ik u reeds gezegd heb, ten lande uitgeweken, werd ter dood, zijne vrouw tot een zware geldboete +en Van der Horst tot verbanning veroordeeld, terwijl hunne goederen werden verbeurd verklaard. + +</p> +<p>De terechtstelling van Buat, gevoegd bij de afzetting van <a id="d0e5014"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5014">198</a>]</span>Tromp, deed bij de Prinsgezinden den haat tegen De Witt nog toenemen. Zoover zelfs ging men, dat men hem den noodlottigen +uitslag van den tweedaagschen zeeslag weet. De Engelschen intusschen, nu open zee hebbende, maakten daarvan gebruik, om eenige +koopvaardijschepen in het <span class="letterspaced">Vlie</span> weg te nemen en op het eiland <span class="letterspaced">Terschelling</span> te landen, waar zij het dorp <span class="letterspaced">West-Terschelling</span> in brand staken en de weerlooze bewoners mishandelden. + +</p> +<p>Hoe gehavend onze vloot ook was, koos die weder zee om de Engelschen te tuchtigen; doch door ziekte onder het scheepsvolk +en door stormen werd zij genoodzaakt terug te keeren, zonder iets verricht te hebben. + +</p> +<p>Het terugzenden van het lijk van Barclay gaf aanleiding tot vredesonderhandelingen. Een zware brand te <span class="letterspaced">Londen</span>, die van den twaalfden tot den zeventienden September duurde, een groot gedeelte der stad in de asch legde en millioenen +schats vernielde, maakte, dat men in <span class="letterspaced">Engeland</span> zeer naar den vrede verlangde. Tot de plaats der onderhandelingen werd <span class="letterspaced">Breda</span> gekozen. Intusschen hoopte De Witt vooraf nog de geledene nederlaag en den brand van <span class="letterspaced">Terschelling</span> op luisterrijke wijze te wreken, en had dus gezorgd, dat onze vloot goed uitgerust en volkomen van alles voorzien was. + +</p> +<p>’t Was een koude en langdurige winter, en daardoor konden onze schepen eerst laat in het voorjaar uitloopen. De Staten-Generaal +hadden weder goedgevonden, dat gemachtigden van hunnentwege den tocht zouden bijwonen. Daar de andere gewesten tegen de onkosten +der uitrusting opzagen, had alleen <span class="letterspaced">Holland</span> er een benoemd. Dewijl nu de Raadpensionaris, die in persoon bij de vredesonderhandelingen te <span class="letterspaced">Breda</span> tegenwoordig moest zijn, dien tocht niet kon bijwonen, had men diens ouderen broeder, Cornelis de Witt, Ruwaard van <span class="letterspaced">Putten</span>, Burgemeester van <span class="letterspaced">Dordrecht</span> en lid van de Admiraliteit <a id="d0e5055"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5055">199</a>]</span>der <span class="letterspaced">Maas</span>, die betrekking opgedragen. Deze was een man van persoonlijken moed en wel bekend met het zeewezen. Het ware doel van den +tocht werd intusschen zoo geheim gehouden, dat zelfs de listige en schrandere d’Estrades er niet achter kon komen. + +</p> +<p>Door storm in haren voortgang vertraagd, kwam de vloot eerst den 17<sup>den</sup> Juni in het <span class="letterspaced">Koningsdiep</span> ten anker. Van hier werd Van Gent met 17 schepen vooruitgezonden naar den <span class="letterspaced">Theems</span>, om de daarliggende koopvaardijschepen aan te tasten en te vermeesteren. De Ruwaard zelf begaf zich op het schip van Van +Gent om de onderneming te besturen. Daar echter die schepen tijdig genoeg de rivier waren opgezeild, begaf zich het smaldeel +naar de <span class="letterspaced">Medway</span>, ook wel de rivier van <span class="letterspaced">Chattam</span> of <span class="letterspaced">Rochester</span> genoemd. Aan den mond dier rivier lag de sterkte <span class="letterspaced">Sheernesse</span>, die door Van Brakel en twee andere kapiteins beschoten en zonder veel moeite bemachtigd werd. Het fort werd geslecht en +wat er bruikbaars in werd gevonden, onder de schepen verdeeld. Bij onderzoek bleek, dat de Engelschen twee groote schepen +en vijf branders hadden laten zinken, om de doorvaart te beletten. Van Gent zond nu kapitein Tobias met vier schepen, drie +jachten en twee branders de rivier op, om een weg te banen. Dit gelukte; doch eensklaps vond Tobias zich gestuit door een +dikken ijzeren ketting, die aan beide oevers vastgehecht, over de rivier gespannen was. Achter dezen ketting lagen de “Unity”, +daarachter de “Carolus Quintus”, “de Matthias” en de “Monmouth”; terwijl het schieten uit het kasteel <span class="letterspaced">Upnor</span> en van de beide oevers het verder opzeilen belemmerde. Kapitein Tobias zag zich dus genoodzaakt, van de onderneming af te +zien, en waarschijnlijk zou het geheele plan mislukt zijn, had niet een omstandigheid aanleiding gegeven tot het uit den weg +ruimen van alle hinderpalen. De Ruwaard had den kapiteins op lijfstraf verboden, iemand van hun scheepsvolk aan land te <a id="d0e5086"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5086">200</a>]</span>laten gaan. Kapitein Jan van Brakel had dit bevel overtreden en was op last van De Witt gevangen genomen. Vreezende zijn hoofd +te zullen verliezen, begreep hij, dat hij zich door een waagstuk moest vrijkoopen. Hij bood dus aan met zijn schip, een slecht +fregat, de “Unity” aan boord te klampen, de branders bij te brengen en het eskader een doortocht te verschaffen. De Ruwaard +nam dit aan, Van Brakel werd ontslagen, en mocht weder aan boord gaan. Terstond zeilt hij vooruit, door den nauwen doorgang +en de Nederlandsche schepen heen, vervolgt, met de beide branders achter zich, onder het hevige kruisvuur van den vijand zijn +tocht en schiet niet, alvorens hij bij de “Unity” is. Nu geeft hij het fregat de volle laag, klampt het aan boord en is er +in weinige oogenblikken meester van. + +</p> +<p>Thans bleef nog de eenige hindernis, de keten, over. De Kommandeur Van den Rijn, die een der beide branders aanvoerde, zeilde +er met zulk een geweld tegen aan, dat de zware ijzeren ketting doormidden brak, waarna hij zich terstond aan den daarachter +liggenden “Matthias” hechtte, welken hij in brand stak. De andere branders kwamen nu ook door de gemaakte opening heen en +trachtten den “Carolus Quintus” in brand te steken. Doch deze schoot hen beide in den grond, echter niet dan nadat een daarvan +het schip in brand had gestoken. Van Brakel, met een paar sloepen daarbij gekomen, beklom nu het vaartuig, nam een gedeelte +der manschap gevangen en liet het schip aan de vlammen over. Hierop namen de Vice-admiraal De Liefde en kapitein Tobias de +door zijne manschap verlatene “Royal Charles,” het admiraalsschip, een der grootste en schoonste bodems der Engelsche vloot, +reeds ten tijde van Cromwell gebouwd en in 1660 gebruikt om koning Karel II naar Engeland over te brengen. Nu lag de “Mary” +aan de beurt, die mede verbrand werd. + +</p> +<p>Daar intusschen de eb was ingevallen, moest men met de <a id="d0e5092"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5092">201</a>]</span>vermeestering van de vier overige koningsschepen, die hooger op de rivier lagen, tot den volgenden dag, 23 Juni, wachten. +Maar dat was weder een waagstuk. De Ruyter echter, door De Witt van de hoofdvloot ontboden, besloot het te beproeven. Zeven +branders, naar de schepen afgezonden en door evenveel oorlogsvaartuigen begeleid, zeilden de rivier op, midden door het geweldige +kruisvuur van het kasteel <span class="letterspaced">Upnor</span> aan de eene en van een zware batterij, aan de andere zijde der rivier gelegen, heen. Ook De Ruyter zelf sprong in een sloep +om de onderneming te besturen, en de Ruwaard, dit ziende en evenmin bevreesd voor de vijandelijke kogels, besloot hem te vergezellen. +De “Jacoba” en de Royal Oak”, twee schepen elk van tachtig stukken, werden door twee branders vernield; terwijl een andere +den “Loyal London” in brand stak. De kapitein van de “Royal Oak” verkoos niet van zijn schip af te gaan. “Nog nooit,” zeide +hij, “heeft een Douglas (hij was een Schot en uit dit edele huis) den hem toevertrouwden post verlaten.” En hoe men hem smeekte, +zich te redden—hij liet zich met zijn vaartuig verbranden. + +</p> +<p>Gij kunt u voorstellen, welk een schrik en ontzetting deze tocht in <span class="letterspaced">Londen</span>, ja in geheel <span class="letterspaced">Engeland</span> verbreidde. In de hoofdstad werkte die zoozeer op de gemoederen, dat men daar reeds zijne kostbaarste goederen borg en op +de vlucht sloeg. Doch spoedig werden zij gerustgesteld; want reeds den volgenden dag zeilden onze schepen, tevreden met het +behaalde voordeel en verzekerd, dat men den Engelschman nu voor lang schrik had ingeboezemd, naar de hoofdvloot terug, waarmede +De Ruyter een tijd lang den <span class="letterspaced">Theems</span> gesloten bleef houden. Van Brakel genoot de eer, de beide veroverde schepen, de “Unity” en de “Royal Charles” naar het Vaderland +te voeren. + +</p> +<p>De Ruwaard ontving van de Staten een gouden beker, waarop de onderneming was afgebeeld, benevens een rentebrief <a id="d0e5110"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5110">202</a>]</span>van ƒ 30,000, De Ruyter een dergelijken beker en Van Gent ƒ 12,000 en een gouden gedenkpenning. Ook de andere scheepshoofden +werden voor de door hen bewezen diensten beloond. + +</p> +<p>De tocht naar <span class="letterspaced">Chattam</span> bewerkte, wat de Raadpensionaris er mee bedoeld had: niet alleen hadden wij een belangrijke revanche genomen voor den brand +van <span class="letterspaced">Terschelling</span>, maar ook de vredesonderhandelingen werden er door bespoedigd en weldra ten einde gebracht. Het was dan ook reeds op den +31<sup>sten</sup> Juli van datzelfde jaar 1667, dat de vrede met <span class="letterspaced">Engeland</span> te <span class="letterspaced">Breda</span> werd gesloten en zoo een einde maakte aan den tweeden Engelschen oorlog. + +</p> +<p>Reeds eenige weken vóór het sluiten van den vrede te <span class="letterspaced">Breda</span>, was Lodewijk XIV, koning van <i>Frankrijk</i>, in de <span class="letterspaced">Spaansche Nederlanden</span> gevallen. Deze inval, waarbij d’Estrades de medewerking der Staten eischte, omdat <span class="letterspaced">Frankrijk</span> ons, zoo het heette, in den oorlog tegen <span class="letterspaced">Engeland</span> had ondersteund, deed de noodzakelijkheid ontstaan om ons leger te velde te vergrooten en over dat leger een veldoverste +te benoemen. Geen wonder, dat de Oranjepartij weder het oog op den Prins had geslagen, die nu reeds bijna zeventien jaren +was. De Witt begreep dan ook, dat hij den Prins niet altijd daar buiten zou kunnen houden, en daartoe verzon hij een list, +waardoor ten minste de verheffing van Willem Hendrik tot Stadhouder ten eenenmale onmogelijk zou worden. Hij maakte een staatsstuk, +inhoudende, dat elke toekomstige Kapitein-admiraal of Generaal zou zweren, nooit naar eenig Stadhouderschap te zullen staan. +Dit stuk, bekend onder den naam van <span class="letterspaced">Eeuwig Edict</span>, waarbij de waardigheid van Stadhouder voor alle eeuwigheid in <span class="letterspaced">Holland</span> vernietigd werd, terwijl in de andere provinciën geen Stadhouder ooit Kapitein-admiraal of Generaal zou kunnen zijn, werd +den 5<sup>den</sup> Augustus door de Staten van <span class="letterspaced">Holland</span> aangenomen. <a id="d0e5158"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5158">203</a>]</span>Nu zult ge wellicht denken, dat men den Prins terstond tot de hoogste krijgswaardigheden verhief. Verre van daar. Wel werden +er benoemingen gedaan, maar Zijne Hoogheid kwam niet in aanmerking; immers er was bij vroegere resolutiën bepaalt, dat hij +vóór zijn twee-en-twintigste jaar geen hooge krijgsambten zou mogen bekleeden. + +</p> +<p>Nog vloeide uit den inval van Lodewijk XIV in de <span class="letterspaced">Spaansche Nederlanden</span> voort het sluiten van een verbond, om <span class="letterspaced">Frankrijk</span> tot den vrede met <span class="letterspaced">Spanje</span> te noodzaken, en dat, daar het tusschen onzen Staat, <span class="letterspaced">Engeland</span> en <span class="letterspaced">Zweden</span> werd gesloten, den naam van Triple-alliantie of drievoudig verbond draagt. De bewerkers van deze alliantie, die den 28<sup>sten</sup> Januari 1668 werd vastgesteld, waren Johan de Witt en de beroemde Engelschman, de ridder William Temple. + +</p> +<p>Wij gaan Dinsdag den 7<sup>den</sup> Februari van datzelfde jaar nog eens naar den Prins. Maar wij vinden hem nu niet op het <span class="letterspaced">Binnenhof</span>, ook niet op het hof van <span class="letterspaced">Brandwijk</span>,—wij zullen hem op een geheel andere plaats aantreffen. Wij gaan naar het <span class="letterspaced">Buitenhof</span>, en wel naar de toenmalige hofstallen, “paardenberijdersstal” genaamd. “O,” zegt gij, “dan had de Prins zeker weer nieuwe +paarden gekocht, die hij den ouden Heenvliet wilde laten zien.” Mis geraden! Vooreerst was de oude Heenvliet reeds dood; hij +was kort na de terechtstelling van Buat gestorven. Maar ten tweede ziet gij in den geheelen stal noch paard noch karos; integendeel, +al de paarden en karossen zijn naar andere stallen verhuisd, de stal is schoongemaakt, door baas Balkenende met planken bevloerd +en met meer dan achthonderd zitplaatsen voorzien. Die zitplaatsen nu zijn geen ruwe houten banken, zooals in onze kermistenten; +zij zijn keurig netjes en met kussens voorzien; want behalve de leden der Staten-Generaal, de leden van den Raad van State +en van de Rekenkamer, de gekommitteerden van <span class="letterspaced">Holland</span>, zijn de <a id="d0e5197"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5197">204</a>]</span>aanzienlijksten van den lande genoodigd; zelfs de Prins van <span class="letterspaced">Toskane</span>, die te <span class="letterspaced">Antwerpen</span> logeert, is voor dezen avond expresselijk overgekomen. De wanden zijn rondom met keurige tapijten behangen, hier en daar +zijn reusachtige spiegels aangebracht, rondom welke kunstig gekweekte bloemen; duizenden waskaarsen zijn op de zilveren luchters +en armblakers geplaatst,—alles is keurig netjes ingericht en getuigt van den rijkdom van den Prins van <span class="letterspaced">Oranje</span>, die dit alles bekostigd en er duizenden aan besteed heeft. Maar wij hebben niet alles gezien. Tegenover de zitplaatsen is +een prachtig tooneel opgericht, insgelijks met tapijten behangen en waarop aan de eene zijde, keurig geschilderd, de vredemaagd +staat met zeven pijlen in de hand, die de drie Brittannische koninkrijken, aan den anderen kant van het tooneel geplaatst, +tot eeuwige vriendschap schijnt uit te noodigen. Ziet, daar worden de kaarsen opgestoken—straks zullen de hooge gasten binnentreden. +Reeds komen de muzikanten. + +</p> +<p>Maar er is nog meer te zien. Gaan wij achter het tooneel in die beide kamers. In de eene vinden wij herders en herderinnen, +boeren en boerinnen, visschers en geniussen; allen verkleede dienaars van den Prins of tot deze gelegenheid gehuurd. Ieder +van hen heeft een papier in de hand, waarop zijn rol staat. Het zijn echter allen zwijgende personen. In de andere kamer vinden +wij een aanzienlijker gezelschap. Het is of wij op den Olympus zijn, zoo wemelt het hier van goden en godinnen. Ook zij houden +hunne rollen in de hand, maar het zijn sprekende. En die goden en godinnen—het zijn wel geen hemelsche wezens—maar toch zijn +het de goden der aarde, de grooten des lands. Begeven wij ons in hun midden; misschien hooren wij nog het een en ander, wat +ons belang inboezemt. + +</p> +<p>God Mercurius zit in een gemakkelijken armstoel; op de tafel naast hem ligt de gevleugelde slangenstok en de helm met <a id="d0e5212"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5212">205</a>]</span>vlerken. Gij herkent hem terstond. Het is Willem Hendrik van <span class="letterspaced">Oranje</span>, de ontwerper en uitvoerder van deze tooneelvertooning (die men toen <i>dans</i> noemde). + +</p> +<p>Vóór Zijne Hoogheid staat een dame, wier dik middel en gevuld lichaam verraadt, dat zij niet tot de sekse behoort, welke zij +voorstelt. Een paar groote vleugelen, aan hare schouders vastgehecht, en de blinkende, lange bazuin, die zij in de hand houdt, +doen ons haar erkennen voor De Faam. Het is de Heer Van Obdam. Hij is in druk gesprek gewikkeld met God Mercurius, maar niet +over hemelsche zaken, o neen, over zeer aardsche. + +</p> +<p>“Uwe Hoogheid heeft vier schoone paarden van Haren oom, Zijne Majesteit den koning van <span class="letterspaced">Engeland</span> ten geschenke gekregen,” begint hij. “Ik hoor, dat ’s Konings stalmeester de hertog van Ormont ze heeft overgebracht.” + +</p> +<p>“Gij hebt het reeds gehoord, Obdam,” antwoordt de Prins. “Het zijn juweelen van beesten, gij moet ze eens komen zien. Mijn +oom heeft mij zeker willen troosten voor de smart, die hij wellicht meent, dat mij het Eeuwig Edict veroorzaakt.—Van het Eeuwig +Edict gesproken, Obdam! Zeg mij, is het waar, dat men den voorzittersstoel op de Rol van het Hof heeft weggenomen?” + +</p> +<p>“Dien stoel met de wapens van uw huis?” vraagt Obdam. “Ik heb daar niets van vernomen. Doch daar komt Van der Lek; hij zal +het Uwer Hoogheid wel kunnen zeggen.” + +</p> +<p>Inderdaad komt de maagd van <span class="letterspaced">Holland</span>, in het geschubde pantser met den wapenrok aan en de sandalen aan de voeten, met den koperen helm op het hoofd, de speer +in de eene en het schild met den klimmenden leeuw in de andere hand, zeer deftig en gratieus aanwandelen. + +</p> +<p>“Zeg eens Van der Lek,” zegt de Prins. “Is het waar, dat men den voorzittersstoel op de Rol van het Hof heeft weggenomen?” +<a id="d0e5238"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5238">206</a>]</span></p> +<p>“Zoo is het, Uwe Hoogheid!” antwoordt deze, en voegt er met fijne vleierij bij: “Men zal hem willen schoonmaken, tegen den +tijd, dat Uwe Hoogheid er op zitten moet. Er was in de jaren, dat hij leeg stond, zooveel onedel stof opgekomen.” + +</p> +<p>“Hoofsche vleier!” dreigt de Prins. “En dat moet ik uit den mond van <span class="letterspaced">Holland</span> hooren.” + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p206.jpg" alt="" width="520" height="520"></div><p> + + +</p> +<p>“Tijd baart rozen, Uwe Hoogheid,” herneemt Van der Lek. “Er zal een tijd komen, dat <span class="letterspaced">Holland</span> u zal waardeeren, zooals ik, haar representant, u waardeer. Maar zie eens,” vervolgt hij, terwijl hij naar twee andere dames +wijst, den Heer Du Ha (de tweedracht) en den Heer Lauron (de vrede), die beiden in druk gesprek door de kamer wandelen. “Als +wij hier niet op den Olympus waren, zou men zich bijna verbeelden, dat het duizendjarig rijk was gekomen. De tweedracht en +de Vrede wandelen daar <a id="d0e5254"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5254">207</a>]</span>samen als vriendinnen. Laat toch de fakkel der eene den palmtak des anderen niet verbranden.” + +</p> +<p>“Geen nood, Van der Lek,” zegt de Prins. “De fakkel brandt nog niet. Straks mag Lauron voorzichtig zijn.” + +</p> +<p>“Voorzeker, Uwe Hoogheid!” zegt Valkenburg, die <span class="letterspaced">Engeland</span> moet voorstellen. “Maar nu <span class="letterspaced">Engeland</span> zoo dicht bij <span class="letterspaced">Holland</span> komt te staan, en zij elkander niet eens de tanden laten zien,—nu heeft de fakkel van de tweedracht ook geen gevaar voor +den vredepalm.” + +</p> +<p>“Gij hebt gelijk, Valkenburg,” hervat de Prins. “En wat zegt gij van mijne nieuwe paarden?” + +</p> +<p>“Ik zag ze van middag, Uwe Hoogheid, en ik durf zeggen dat ik er trotsch op ben, den edelen god des koophandels iets te hebben +mogen schenken, wat zijner waardig is.” + +</p> +<p>“Nu zal <i>hij</i> er zich nog de eer van toeëigenen,” zegt Van der Lek. + +</p> +<p>“De Hollandsche maagd gelieve te bedenken, dat mijn zoon de koning van <span class="letterspaced">Groot-Brittannië</span>, de schenker is van dat heerlijke vierspan.” + +</p> +<p>“Het is waar ook,” herneemt Van der Lek lachend. “Ik dacht er niet aan, dat gij Engeland voorstelt.<span id="d0e5285" class="corr" title="Bron: ">”</span> + +</p> +<p>“En ik heb vernomen, dat Uwe Hoogheid mijner dochter der koningin van <span class="letterspaced">Engeland</span>, een kostbaar tegengeschenk zal zenden.” + +</p> +<p>“O, die babbelaars!” zegt de Prins. “Dat heeft mijn stalmeester u verteld.” + +</p> +<p>“Inderdaad, zal Uwe Hoogheid een tegengeschenk zenden?” vraagt Obdam. “En als ik vragen mag, waarin zal dat bestaan?” + +</p> +<p>“Herinnert gij u nog die prachtige teekening van een narrenslede, die ik u gisteren liet zien, Obdam?” vraagt de Prins. + +</p> +<p>“In den vorm van een vergulden, liggenden leeuw?” zegt Obdam. “O voorzeker.” +<a id="d0e5301"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5301">208</a>]</span></p> +<p>“Welnu, ik heb er zoo een besteld. Maar natuurlijk zal het geheel met tal van koninklijke kronen prijken. Het paardentuig +met gouden franje en kwispels, en 500 vergulde zilveren bellen zal daarbij zeer goed staan. Ik verlang natuurlijk, dat het +niet te wereldkundig worde.” + +</p> +<p>Een page komt binnen en zegt: + +</p> +<p>“Uwe Hoogheid! De gasten zijn er allen. Het is zeven uren. Beveelt Uwe Hoogheid dat er begonnen worde?” + +</p> +<p>“Ga de personen in de andere kamer waarschuwen en laat ieder zich op zijn post begeven, opdat zij gereed staan, als het scherm +wordt opgehaald. Mijne Heeren! Maakt u gereed.” + +</p> +<p>En door De Faam geholpen, zet de Prins zijn Mercuriushoed op, neemt zijn staf in de hand en begeeft zich achter het tooneel, +om te kunnen verschijnen, als het zijn tijd is. + +</p> +<p>Daar de zaal echter niet groot genoeg was om meer gasten te bevatten, herhaalde men den volgenden Dinsdag de tooneelvertooning +en noodigde, onder andere personen, ook de hoven van justitie uit. Doch deze, gebelgd dat zij op de napret verzocht werden, +bedankten. Ook voeren de predikanten er van den predikstoel tegen uit en noemden haar openlijk zondig; zoodat (zegt Aitsema) +het bal duizenden had gekost en toch maar onrust gaf. + +</p> +<p>Eer ik dit Hoofdstuk sluit, moet ik nog een trek van edele onbaatzuchtigheid van den Raadpensionaris verhalen. De Witt kreeg +van de Ridderschap ƒ 15,000, van de Hollandsche steden ƒ 42,000. Toen men hem van wege de Staten-Generaal een cadeau van ƒ +100,000 wilde geven, wist hij dat door zijn invloed te beletten. + + + +<a id="d0e5316"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5316">209</a>]</span></p> +</div> +<div id="d0e5317" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e112">Inhoud</a>] +</span><div class="figure"><img border="0" src="images/o030.gif" alt="Ornament" width="592" height="134"></div> +<h2 class="label">Vijftiende Hoofdstuk.</h2> +<h2>Wat er met den Prins in Zeeland voorviel.</h2> +<p style="
 background: url(images/ih131.gif) no-repeat top left;
 "><span style="
 float: left;
 width: 90px;
 height: 86px;
 background: url(images/ih131.gif) no-repeat;
 
 text-align: right;
 color: white;
 ">H</span>et was in de maand September 1668. ’s Prinsen goeverneur, de Heer Van Gendt, was om familie-aangelegenheden naar <span class="letterspaced">Gelderland</span>. Hiervan maakte de Prins, die binnen twee maanden zijn achttiende jaar zou bereiken en dan van alle voogdij ontslagen zijn, +gebruik tot het maken van een uitstapje, van hetwelk hij aan geen zijner educatoren kennis gaf. + +</p> +<p>Onder het voorgeven van eenige jachthonden en valken te willen probeeren hem door zijn koninklijken oom Karel II geschonken, +was hij heimelijk uit <span class="letterspaced">Den Haag</span> vertrokken en had zich met het jacht van Hare Hoogheid de Prinses-weduwe naar <span class="letterspaced">Bergen-op-Zoom</span> begeven. Daar wachtte hem, volgens afspraak, een ander jacht, van de gecommitteerde Raden van Zeeland, waarop zich eenige +van de voornaamste Heeren van die provincie bevonden, om Zijne Hoogheid te ontvangen. + +</p> +<p>Met dit vaartuig voor het hoofd van <span class="letterspaced">Arnemuiden</span> gekomen, zond men een edelman naar <span class="letterspaced">Middelburg</span>, om de Heeren Staten en gecommitteerde Raden van ’s Prinsen aankomst <a id="d0e5343"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5343">210</a>]</span>te verwittigen, die spoedig daarop in een menigte met vlaggen en wimpels versierde sloepen Zijne Hoogheid kwamen afhalen. +Zes vendels burgers met hunne vaandels en muziek, stonden bij zijne aankomst te <span class="letterspaced">Middelburg</span> in twee rijen geschaard, om hem te ontvangen, en door die dubbele rijen heen en omstuwd van de edelsten van <span class="letterspaced">Zeeland</span>, wandelde hij naar de “Abdy,” die voor hem in orde was gebracht, waar hij zijn intrek nam en waar Pieter de Huybert, Pensionaris +van <span class="letterspaced">Zeeland</span>, hem met een aanspraak welkom heette. + +</p> +<p>Het was een vreugdedag voor de goede stad <span class="letterspaced">Middelburg</span>. De geheele bevolking poogde, door het uitsteken der vlaggen, algemeene illuminatie en het branden van vreugdevuren, hare +blijdschap aan den dag te leggen over de komst van den jeugdigen vorst en van hare gehechtheid aan het geliefde stamhuis van +<span class="letterspaced">Oranje</span>. + +</p> +<p>Den volgenden dag, Dinsdag den 18<sup>den</sup> September, werd de Prins in statie afgehaald door eenige afgevaardigden en geleid naar de Vergadering der Staten van <span class="letterspaced">Zeeland</span>, te midden van het uitbundig gejuich eener overgroote volksmenigte, die, evenals den vorigen dag, de lucht deed daveren van +hun: “Leve de Prins!” en “Oranje boven!” + +</p> +<p>In de vergadering gekomen, werd hij geleid naar de voor hem bestemde eereplaats, en verklaarde de Pensionaris De Huybert uit +naam der Staten, dat <span class="letterspaced">Zeeland</span> altijd geijverd had voor de verheffing van den Prins, dat <span class="letterspaced">Holland</span> steeds door zijne oppermacht was tusschenbeide getreden, maar dat dan nu ook eerstgenoemde provincie wenschte gebruik te +maken van een recht, dat geen ander gewest haar kon ontnemen, dat zij den Prins wenschte te verheffen tot eerste edele van +<span class="letterspaced">Zeeland</span>. De Prins beantwoordde deze rede met de volgende aanspraak: + +</p> +<p>“Het standvastig vervolg uwer gunst benoodzaakt mij tot dankbaarheid; <a id="d0e5383"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5383">211</a>]</span>en het vorig raadsbesluit tot mijne vordering, wanneer ik achttien jaar bereikte, om de verwachte begeerte niet langer door +achterblijven terug te stellen, ten einde ik door gevolmachtigden den plicht van Eersten Edele, ten besten dezer Staat, dankelijk +voldoen mag. Dit is niet buyten verstand met de overige Landschappen, byzonder <span class="letterspaced">Holland</span>, nastappende de goede voorbeelden onzer Doorluchte vaderen.” + +</p> +<p>Het geschal der trompetten en het donderen van het geschut liet zich nu hooren en de Voorzitter bood den Prins een flesch +met gouden dukaten aan, als hulde van <span class="letterspaced">Zeeland</span>; waarna Zijne Hoogheid zich in volle statie naar de “Abdy” begaf. + +</p> +<p>Nog denzelfden dag schreef de Prins een brief aan zijne grootmoeder, waarin hij haar kennis gaf van zijn vertrek naar <span class="letterspaced">Zeeland</span>, alwaar hij zijne goederen wilde bezien, als zijnde het de gewoonte, dat alle vasallen met hun zestiende jaar hunne leenen +kwamen verheffen (goederen ontvangen) van de grafelijkheid. In <span class="letterspaced">Holland</span> had de tijding van ’s Prinsen benoeming verschillende uitwerking. De Oranjepartij deed openlijk hare blijdschap over die +verheffing blijken, terwijl de aanhangers der Staatspartij het den Prins zeer euvel duidden, dat hij naar een ander gewest +was verreisd, zonder er den Staten van <span class="letterspaced">Holland</span> kennis van te geven; ja zelfs waren er, die durfden beweren, dat hij zich ondankbaar toonde jegens <span class="letterspaced">Holland</span>, dat hem zooveel weldaden had bewezen. + +</p> +<p>Onze Prins echter dacht er op dit oogenblik weinig aan, hoe de zaak in <span class="letterspaced">Holland</span> zou worden opgenomen. Hij was bezig zich te kleeden voor het diner, dat hem dezen middag door de Staten op het stadhuis zou +worden aangeboden. Juist was hij daarmede gereed, toen zijn kamerdienaar hem kwam berichten, dat er een meisje was, hetwelk +hem wenschte te spreken. + +</p> +<p>“Zeg haar, dat ik geen tijd heb—dat ik niet te spreken ben.” + +</p> +<p>“Dat heb ik haar reeds gezegd, Uwe Hoogheid. Maar zij laat <a id="d0e5416"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5416">212</a>]</span>zich niet terugwijzen en heeft mij instantelijk gebeden, Uwe Hoogheid te verzoeken, haar te woord te staan.” + +</p> +<p>De Prins, die zich tegenover het vrouwelijk geslacht nooit op zijn gemak bevond, die daarenboven op dit oogenblik in geen +stemming was om zich met andere zaken bezig te houden, antwoordde min of meer knorrig: + +</p> +<p>“Welnu, dan zegt gij haar nogmaals, dat ik vandaag niet te spreken ben. Laat haar morgen terugkomen.” + +</p> +<p>De kamerdienaar ging: doch kwam spoedig terug en bracht zijner Hoogheid een ring mede. + +</p> +<p>“De deern heeft mij dezen ring voor Uwe Hoogheid gegeven,” zeide hij. “Als Uwe Hoogheid dien zag, zou Zij haar wel te woord +staan.” + +</p> +<p>De Prins nam den ring, bezag dien en zeide: + +</p> +<p>“Laat het kind in mijn kamer. Ik ken dien ring. Zij heeft mij zeker iets belangrijks mede te deelen.” + +</p> +<p>Weinige minuten later trad de Prins zijn kamer binnen, waar Martha—want mijne lezers zullen wel begrepen hebben, dat zij het +was—hem reeds met ongeduld verbeidde. Zoodra zij Zijne Hoogheid zag, barstte zij nu in tranen los. Deze bevond zich daardoor +nog minder op zijn gemak. Intusschen vermande hij zich en zeide: + +</p> +<p>“Wie ben je? Wat moet je van mij? Hoe kom je aan dezen ring?” + +</p> +<p>Het meisje droogde hare tranen af. + +</p> +<p>“Uwe Hoogheid!” riep zij uit. “Ik ben de zuster van Pieter Pietersz. Mijn arme broeder zit in de gevangenis.” + +</p> +<p>“In de gevangenis? Wat heeft hij dan gedaan?” + +</p> +<p>“Niets, Uwe Hoogheid! Niets.” + +</p> +<p>“Maar men zet iemand toch niet in de gevangenis, wanneer hij niets gedaan heeft.” + +</p> +<p>“En toch is hij onschuldig, Uwe Hoogheid.” +<a id="d0e5446"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5446">213</a>]</span></p> +<p>“Onschuldig, en in de gevangenis. Dat komt mij verdacht voor. Waarvan beschuldigt men hem dan?” + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p213.jpg" alt="" width="488" height="596"></div><p> + + +</p> +<p>“Van moord, Uwe Hoogheid. Zij zeggen, dat mijn arme broeder Pieter een moordenaar is. Maar Uwe Hoogheid zal dat toch niet +gelooven. Zij weet, dat Pieter een brave jongen is.” + +</p> +<p>De Prins, die wel bemerkte, dat hij met Martha niet vorderde, begreep, dat hij zijn tijd nutteloos verspilde, indien zij niet +tot de zaak kwam. + +</p> +<p>“Zeg mij dan, meisje,” hernam hij ongeduldig, “wat er gebeurd is en waartoe je bij mij komt.” + +</p> +<p>“Uwe Hoogheid weet, dat mijn broeder door Uwe aanbeveling <a id="d0e5460"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5460">214</a>]</span>als tweede meesterknecht aan de werf der Admiraliteit was geplaatst. Drie maanden geleden kreeg de eerste meesterknecht, die +reeds oud was, zijn pensioen en benoemden de heeren van de Admiraliteit mijn broeder in zijne plaats. Hij had nu meer onmiddellijk +te doen met den baas van de werf, een man van een ongemakkelijk humeur en met wien hij dikwijls onaangenaamheden had. Intusschen +bleven de zaken altijd binnen de palen. Een dag of acht geleden echter had er zulk een hevige twist plaats, dat de baas zich +niet ontzag, hem een slag te geven.” + +</p> +<p>“En zulks dien driftkop van een Pieter!” riep de Prins uit. “Toen heeft Pieter hem zeker een ongelukkigen slag toegediend.” + +</p> +<p>“Neen, Uwe Hoogheid,” hernam Martha. “Dat zou misschien het geval zijn geweest (want Pieter is driftig) indien niet de kameraads +tusschenbeide waren gekomen, en hem van den baas hadden weggescheurd. Uwe Hoogheid kan zich voorstellen, hoe woedend Pieter +was. In zijn drift zwoer hij bij hoog en bij laag, dat het den baas zou berouwen en dat hij het hem betaald zou zetten. Maar +Uwe Hoogheid weet ook, dat driftige menschen niet wraakzuchtig zijn. Zoo is het ook met onzen Pieter. Als hij zich omkeert, +is hij weer goed. Intusschen kon hij dien slag toch niet verkroppen, en deelde mij mede, dat hij van plan was, den baas bij +de Admiraliteit aan te klagen en te verzoeken om verplaatsing. Ik trachtte hem dat uit het hoofd te praten; maar het gelukte +niet. Hij kleedde zich aan en ging de deur uit naar den President der Admiraliteit. Hij vond dien echter niet thuis, zooals +hij mij verhaalde, toen hij terugkwam.” + +</p> +<p>“En hoe staat dat nu in verband met de beschuldiging?” + +</p> +<p>“Den volgenden morgen werd mijn arme Pieter met schout en dienders de deur uitgehaald. Men had het lijk van den scheepstimmermansbaas +op den singel vinden liggen, met een messteek doorboord. Nu had men den twist van den vorigen dag met de woorden van Pieter +in verband gebracht, en, daar <a id="d0e5470"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5470">215</a>]</span>de moord juist moest hebben plaats gehad in den tijd, dat mijn broeder naar den President der Admiraliteit was, zoo begreep +men, dat zij elkander ontmoet hadden, en de twist opnieuw begonnen was; ja, sommigen gingen zelfs zoo ver, van te beweren, +dat Pieter hem had opgewacht, om zoo zijn wraakzucht te koelen.” + +</p> +<p>“Daar heeft het dan ook veel van, meisje,” zeide de Prins “en uw broeder zal zich moeielijk uit deze zaak redden. Zijn ontkennen +zal hem weinig helpen.” + +</p> +<p>“Maar Uwe Hoogheid gelooft toch niet, dat Pieter schuldig is?” + +</p> +<p>“Ik kan noch over zijne schuld, noch over zijne onschuld beslissen,” hernam de Prins. “Maar wat voert je tot <i>mij</i>?” + +</p> +<p>“Ik hoorde gisteravond, dat Uwe Hoogheid te <span class="letterspaced">Middelburg</span> was aangekomen, en ging van morgen reeds vroeg naar de gevangenis, om het Pieter mede te deelen. Toen gaf hij mij den ring, +dien Uwe Hoogheid hem eens had geschonken, en bad mij, naar U toe te gaan, met de bede om hem te hulp te komen. Begrijp eens, +Uwe Hoogheid! men heeft hem reeds met de pijnbank gedreigd.” + +</p> +<p>“Met de pijnbank!” zeide de Prins bedenkelijk. “Hoor eens, meisje,” ging hij voort. “Ik zal doen wat ik kan. Maar je weet: +het recht moet zijn loop hebben, en als je broeder schuldig is, kan ik er niets aan doen. Zeg hem intusschen, dat ik hem morgen +kom bezoeken.” + +</p> +<p>“Uwe Hoogheid zal mijn armen Pieter in zijn gevangenis bezoeken!” riep Martha uit, terwijl zij de hand van den Prins greep +en die kuste. “In trouwe, dat zal den goeden jongen een groote troost zijn!” + +</p> +<p>“Ga nu heen! Hier is de ring van je broeder. Wacht!—Ga naar den schout en verzoek hem uit mijn naam, tot geen pijnlijke middelen +over te gaan alvorens ik hem gesproken heb.” +<a id="d0e5492"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5492">216</a>]</span></p> +<p>“Ik dank Uwe Hoogheid!” zeide Martha. “God moge haar zegenen voor hetgeen zij aan mijn broeder doet!” + +</p> +<p>Onder den maaltijd sprak de Prins met den Pensionaris De Huybert, die advokaat was, over zijn gunsteling, en verzocht hem, +zich met een onderzoek van die zaak te belasten. Daar de Pensionaris den Prins den volgenden dag naar <span class="letterspaced">Vlissingen</span> zou vergezellen, waar Zijne Hoogheid de werven der Admiraliteit in oogenschouw zou nemen, was dat een gemakkelijke zaak. +Ook beloofde de Pensionaris den Prins, hem in de gevangenis te vergezellen en den gevangene zelf te ondervragen. + +</p> +<p>’t Was den volgenden dag een vreugde in <span class="letterspaced">Vlissingen</span>, toen de Prins daar kwam. Nadat Zijne Hoogheid, door al de leden der Admiraliteit vergezeld, de werven bezichtigd had, begaf +Zij zich met den heer De Huybert naar den Schout, en liet zich de stukken betreffende de rechtzaak van Pieter geven. Toen +de Pensionaris de akten had doorgelezen, zeide hij: + +</p> +<p>“Mijnheer de Schout! Er bestaan hier geene termen, die u van rechtswege dwingen, tot de pijnbank over te gaan. Wel is waar, +de beklaagde <i>persisteert</i><a id="d0e5509src" href="#d0e5509" class="noteref">1</a> bij zijne onschuld. Maar gij hebt geen andere <i>presumptie</i><a id="d0e5514src" href="#d0e5514" class="noteref">2</a>, dan een twist, een ontvangene beleediging en eenige woorden in drift geuit. Het vorige leven van den jongeling <i>prouveert</i><a id="d0e5519src" href="#d0e5519" class="noteref">3</a> tegen de misdaad. Ook bestaat er—en dat verzoek ik u vooral te <i>considereeren</i><a id="d0e5524src" href="#d0e5524" class="noteref">4</a>,—volstrekt geen <i>corpus delicti</i><a id="d0e5529src" href="#d0e5529" class="noteref">5</a> en waar dat ontbreekt en geen getuigen zijn om de misdaad te <i>confirmeeren</i><a id="d0e5534src" href="#d0e5534" class="noteref">6</a> schrijft de wet eerder voorzichtigheid voor dan pijn en banden.” + +</p> +<p>“Daarbij komt,” merkte de Prins aan, “dat de beklaagde bij mij bekend staat als een driftkop, die echter zich niet omkeert, +of de toorn is bedaard. Wraakzucht is nooit zijn zwak geweest.” En de Prins verhaalde het gebeurde op het veldijs. +<a id="d0e5539"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5539">217</a>]</span></p> +<p>“Gij ziet, mijnheer de Schout,” hernam de Pensionaris, “dat er hier <i>premissen</i><a id="d0e5544src" href="#d0e5544" class="noteref">7</a> bestaan, die genoeg <i>prouveeren</i>, dat naar alle waarschijnlijkheid de misdaad niet is gepleegd door den beklaagde: omdat er sprake is van moord met <i>voorbedachten rade</i>. Mijns erachtens<a id="d0e5553src" href="#d0e5553" class="noteref">8</a> moogt gij de pijnbank niet <i>appliceeren</i><a id="d0e5558src" href="#d0e5558" class="noteref">9</a>.” + +</p> +<p>“Het oordeel van UEdelgestrenge is mij een wet,” zeide de Schout. “Intusschen geloof ik, dat er geene <i>motieven</i><a id="d0e5565src" href="#d0e5565" class="noteref">10</a> bestaan tot vrijspraak.” + +</p> +<p>“Dat volstrekt niet,” hernam de Pensionaris. “De voorzichtigheid eischt, den gevangene te houden tot er meerdere bewijzen +zijn tot zijne loslating. Zoo lang blijven er zware <i>presumptiën</i> tegen hem bestaan.” + +</p> +<p>Op dit oogenblik werd den Schout een verzegelde brief overhandigd. + +</p> +<p>“Daar is haast bij,” zeide de klerk, die den brief overreikte. “Een bode, die hem bracht, heeft mij aanbevolen, UEd. dien +terstond te overhandigen met de boodschap om hem onmiddellijk te lezen.” + +</p> +<p>De Schout nam den brief aan, en zich tot den Prins wendende, zeide hij: + +</p> +<p>“Met uw verlof, Uwe Hoogheid!” + +</p> +<p>“Ga uw gang, heer Schout,” antwoordde de Prins. “Dienstzaken gaan vóór alles.” + +</p> +<p>De Schout las, en onder het lezen helderde zijn gelaat op. + +</p> +<p>“Uw gunsteling is vrij, Uwe Hoogheid!” zeide hij. “De ware moordenaar is ontdekt.” + +</p> +<p>“Wat zegt gij?” riep de Prins uit. + +</p> +<p>“Lees zelf, Uwe Hoogheid!” antwoordde de Schout. +<a id="d0e5591"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5591">218</a>]</span></p> +<p>De Prins nam den brief en las: + + +</p> +<div class="blockquote"> +<p>Uyt Zierikzee, den 19<sup>den</sup> van Herfstmaend, 1668. + + +</p> +<p>Edele, gestrenge, Erentfeste, welwijze zeer voorzienige Heere! + + + +</p> +<p>Mitsdien het eene sake van groot gewicht is, recht ende gerechtigheyt te bevorderen, zo sy UEd. mitsdezen gemelt, dat de persoon +van Pieter Pietersz, die by UEd. in detensie is zittende, onder presumptie van vermoord te hebben den scheepstimmerman Adriaan +Roelofsz, aen dat forfeit ten eenemale onschuldig is. Het bovenstaende sal UEd. duidelijck blijcken uyt nevensghaende confessie, +door den waren schuldighen gedaen aen my in presentie van twee getuyghen, waervan is acte opgemaeckt door my, Schoute van +de goede stadt van <span class="letterspaced">Zierikzee</span>. + + +</p> +<p>UEd. aenbevelende in de hoede en de gunst des Hemels, versoeck ik UEd. my te geloove. + + +</p> +<p>Edele, gestrenge, erentfeste, welwijze zeer voorzienige Heere + + + +</p> +<p class="alignright">Uwen Dienstwilligen Dienaer +<br>en oprechten vrund +<br>Jan Douwes de Beer. + +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De Prins las den brief en de ingesloten akte, waarvan wij alleen den inhoud willen mededeelen. + +</p> +<p>Den avond van den 17<sup>den</sup> September, had er tusschen een paar matrozen en twee andere personen in de herberg “de Schiemansmaat” te <span class="letterspaced">Zierikzee</span> een gevecht met messen plaats gehad, waarbij een der vechtenden, de ons bekende Jan IJzer, doodelijk was gewond. De geneesheer, +die geroepen was, verklaarde dan ook aan den gewonde, dat hij nog slechts weinige uren te leven had, en zond hem een predikant. +De stervende nu, in den grootsten doodsangst zijnde, bekende den geestelijke, dat hij kort geleden een moord had begaan, waarvoor +een onschuldige <a id="d0e5628"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5628">219</a>]</span>in de gevangenis zat. De predikant maande hem aan deze zaak aan de bevoegde autoriteit mede te deelen, en zorgde dan ook dat +de Schout met twee getuigen aan zijn sterfbed kwam, aan welke hij de volgende bekentenis deed: + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p218a.jpg" alt="" width="519" height="720"></div><p> + + +</p> +<p>Meer dan een jaar geleden, had Jan IJzer op de werf der Admiraliteit als knecht gewerkt, doch op diefstal betrapt, was hij +door den scheepstimmerman Adriaan Roelofsz, ondanks zijn smeeken, aan de bevoegde autoriteit overgeleverd, die hem daarvoor +tot geeseling op het schavot had veroordeeld, welke straf hij dan ook had ondergaan, kort voor Pieters komst op de werf. Daarna +uit de stad en hare jurisdictie verbannen, had hij elders een goed heenkomen moeten zoeken; terwijl hij echter in zijn hart +zwoer, te eenigen tijde wraak te nemen op den onbarmhartigen Roelofsz. Met dit doel was hij, toevallig op den dag van den +twist tusschen Pieter en den scheepstimmermansbaas, in het geheim te <span class="letterspaced">Vlissingen</span> gekomen, om zijn opzet te volvoeren. Hij wist, dat Adriaan Roelofsz, om van de werf naar zijn huis te komen, den singel moest +loopen en had hem op de donkerste en eenzaamste plaats opgewacht en vermoord. Voor hij den volgenden dag vertrok, vernam hij +de gevangenneming van Pieter en de zware verdenking, die er op dezen rustte. Volkomen gerust, dat men nu hem niet van den +moord kon verdenken, verliet hij den volgenden dag tegen den avond de stad en had zich naar <span class="letterspaced">Zierikzee</span> begeven, alwaar hij dien bewusten avond in den ons bekenden twist werd gewond. Zóó slecht nu was onze Jan niet, dat hij met +een dubbelen moord op zijn geweten de eeuwigheid had durven ingaan. Het overige is ons bekend. Hij toonde innig berouw over +zijne zonden, en stierf omtrent twee uren daarna. Schout De Beer, vreezende, dat het anders te laat mocht komen, had zich +gehaast de akte op te maken en die met den bijliggenden brief door een bode naar <span class="letterspaced">Vlissingen</span> laten brengen. +<a id="d0e5644"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5644">220</a>]</span></p> +<p>Toen de Prins beide stukken gelezen had, zeide hij: + +</p> +<p>“Mijnheer de Schout, gij kunt mij een dienst bewijzen.” + +</p> +<p>“Ik, Uwe Hoogheid? Spreek, en als het in mijne macht staat U genoegen te doen, zal het van mij niet afhangen.” + +</p> +<p>“Reeds vooraf dank voor Uwe goedheid,” hernam de Prins. “Leen mij voor een paar uren deze papieren, en geef mij een bevel +van vrijstelling voor den gevangene.” + +</p> +<p>“Uwe Hoogheid heeft slechts te bevelen,” antwoordde de Schout. “Ik zal Haar dadelijk het bevel van vrijlating opmaken.” + +</p> +<p>“Ga uw gang,” hernam de Prins. “Ik zal er op wachten.” + +</p> +<p>“Welnu, Uwe Hoogheid,” zeide de Pensionaris. “Had ik ongelijk, toen ik U zeide, dat er meer doorslaande bewijzen voor de schuld +des beklaagden moesten zijn?” + +</p> +<p>“Ik bewonder Uwer Edelheids diepe rechtskundige kennis. Indien ik daarvan niet overtuigd geweest ware, zou ik dan van U de +moeite hebben gevergd, die ik van U heb gevraagd?” + +</p> +<p>“Uwe Hoogheid te dienen zal steeds het hoogste voorwerp van mijn streven zijn,” hernam de Pensionaris. + +</p> +<p>“Ik dank U, mijnheer de Pensionaris. En uw aanbod maakt mij zoo vrij, nogmaals van Uwe goedheid gebruik te maken en U te verzoeken, +mij naar den President der Admiraliteit te vergezellen.” + +</p> +<p>“Het zal mij een singuliere eer zijn, Uwe Hoogheid,” was het antwoord van den Pensionaris. + +</p> +<p>Op dit oogenblik kwam de Schout met het beloofde vrijlatingsbiljet binnen en overhandigde het den Prins. + +</p> +<p>“Ik dank U, mijnheer de Schout,” antwoordde deze, terwijl hij opstond om heen te gaan. “Ik kan er nu zeker van zijn, dat de +gevangene niet los komt, vóór ik hem ga halen.” + +</p> +<p>“Daarvan kan Uwe Hoogheid ten volle verzekerd zijn,” gaf de Schout ten antwoord, terwijl hij den Prins naar de karos geleidde, +die hem wachtte. +<a id="d0e5673"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5673">221</a>]</span></p> +<p>Op het oogenblik, dat de karos zou wegrijden, wenkte de Prins den Schout, die met ontblooten hoofde op zijn stoep stond. + +</p> +<p>“Nog een verzoek, mijnheer de Schout,” zeide hij. “Wees zoo goed, te zorgen, dat de zuster van den gevangene zich bij hem +in den kerker bevindt. Over een uur denk ik hem te verlossen. Dat echter alles een diep geheim blijve.” + +</p> +<p>Wij treden ongeveer een uur later in de gevangenis van Pieter binnen. Het is een treurig verblijf, zooals de gevangenissen +trouwens gewoonlijk zijn. Een houten bank en een strooleger zijn het geheele ameublement, terwijl een aarden kruik met water +op den grond staat en het nog onaangeroerde zwarte brood aantoont, dat de arme jongeling weinig appetijt heeft. Treurig en +in zich zelf verzonken zit hij daar op de ruwe bank; gisteren toch bij het laatste verhoor heeft de Schout hem met de pijnbank +gedreigd. Die pijnbank was een vreeselijk werktuig, nog uit de middeleeuwen afkomstig, waarop de ongelukkige werd gelegd en +zijne ledematen zoolang werden uitgerekt, of door schroeven verwrongen en gekneld, tot hij bekende—niet altijd wat hij gedaan +had, maar ook dikwerf wat men wilde dat hij bekennen zou. Zou hij bij de ontkenning der hem toegelegde misdaad kunnen volharden, +of zouden de pijnen hem dwingen tot de bekentenis van een daad, waaraan hij geheel en al onschuldig was?—En als hij bekende—dan +werd zijn doodvonnis geveld, dan kon hij de dagen wel tellen, die hij nog te leven had. En dan te sterven—zoo jong, zoo levenslustig!—En +dan zóó te sterven—op een schavot, onder beulshanden!—Vreeselijk!—Maar Martha had hem beloofd, naar den Prins te gaan, die +in <b>Middelburg</b> was. Zou die gang wat uitwerken? Wat zou Zijne Hoogheid er aan doen?—Zou die bij machte zijn, het recht te keeren?—Daartoe +immers ontbrak Haar de macht. + +</p> +<p>Deze en dergelijke gedachten vervulden de ziel van onzen <a id="d0e5685"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5685">222</a>]</span>armen Pieter, en maakten hem angstig. Hij vouwde de handen, sloot de oogen en bad—bad lang en vurig tot God om uitredding, +smeekte Hem om hem kracht te schenken in de verdrukking en zijn onschuld aan het licht te brengen. Bemoedigd stond hij op; +want er is niets dat den mensch meer moed schenkt in het ongeluk, dan het gebed. Dat had Pieter reeds van zijn vader geleerd, +dat had zijne brave Admiraal hem zoo dikwerf ingeprent,—dat had hij dan ook reeds meermalen ondervonden. Hij wandelde eenige +malen zijn engen kerker op en neer, toen hij den grendel van zijn deur hoorde afschuiven. De deur ging open, en Martha stond +voor hem. + +</p> +<p>“Daar doe je goed aan, Martha!” zeide Pieter, “dat je mij komt vertroosten. En heb je den Prins gezien? Heb je hem gesproken? +Geloofde hij aan mijn onschuld, of hield hij mij voor schuldig?” + +</p> +<p>“Ik zou je reeds vroeger bezocht hebben,” antwoordde Martha, “maar toen ik van morgen aan je gevangenis kwam, weigerden zij +mij den toegang. Nu echter ben ik door een dienaar van den Schout geroepen, om bij je te komen. Wat wil je van mij?” + +</p> +<p>“Ik?”—hernam Pieter. “Ik weet er niets van. Maar antwoord mij op mijne vragen. Hoe heb je het bij den Prins gevonden?” + +</p> +<p>Martha verhaalde hem hare ontmoeting met den Prins. Toen zij geëindigd had zeide Pieter: + +</p> +<p>“Zal Zijne Hoogheid mij komen bezoeken? En heeft hij dat gezegd?—Maar” ... vervolgde hij treurig, “zou hij zijn woord houden? +Ach, Martha! zulke groote heeren weten zoo weinig, wat een arm mensch lijdt.” + +</p> +<p>“Zijne Hoogheid <i>zal</i> woord houden,” hervatte Martha. “Reeds het verzoek, dat ik van morgen uit zijn naam aan den Schout heb gedaan, heeft je voor +heden van de pijnbank bevrijd. Hoop dus.” + +</p> +<p>“Hopen, Martha! En de Prins zelf heeft gezegd, dat hij er <a id="d0e5704"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5704">223</a>]</span>niets aan zou kunnen doen en dat het recht zijn loop moest hebben.” + +</p> +<p>“Dat is waar—doch.... Luister, daar komen menschen. Ik hoor stappen in de gang. Zou het Zijne Hoogheid zijn?” + +</p> +<p>“Misschien wel.—Is hij dan reeds hier?” + +</p> +<p>“O, ja—reeds van morgen gekomen. Hij heeft de werven der Admiraliteit bezocht. Hij ...” + +</p> +<p>Martha kon niet voleindigen wat zij wilde zeggen; want de deur ging open en de Prins gevolgd, door den Pensionaris De Huybert, +den Schout en twee heeren der Admiraliteit, trad de gevangenis binnen. + +</p> +<p>“Pieter Pietersz,” begon de Prins, terwijl zijn gelaat van dat innige genoegen straalde, hetwelk men ondervindt als men wéldoet. +“Pieter Pietersz, ik breng je goede tijding!” + +</p> +<p>“Goede tijding, Uwe Hoogheid! Zal men dan eindelijk overtuigd zijn, dat ik geen moordenaar ben?” + +</p> +<p>“Dat zou je weinig baten, mijn vriend,” hernam de Prins. “Dan zou men je bij gebrek aan bewijzen loslaten en geheel <span class="letterspaced">Vlissingen</span> zou je houden voor den moordenaar van Adriaan Roelofsz.” + +</p> +<p>Pieter liet het hoofd zakken. + +</p> +<p>“Ik breng je betere tijding,” hervatte de Prins. “Je onschuld is aan het licht gekomen; want de ware schuldige is ontdekt.” + +</p> +<p>“Gode zij dank!” riep de jongeling uit, en deze tijding ontstelde hem zoo zeer, dat hij schier bewusteloos op de bank nederzonk. +Martha ondersteunde hem. Spoedig echter herstelde hij zich, trad naar den Prins toe, greep diens hand en overdekte die met +zijne kussen. + +</p> +<p>“En Uwe Hoogheid zelf wilde mij met deze tijding verrassen!” riep hij uit. “En ik ben dus vrij? Vrij! Groote God! Men moet +gevangen zijn geweest, om te weten, wat dat woord beteekent.” + +</p> +<p>“Je bent vrij, Pieter!” hernam de Prins, “en weer hersteld <a id="d0e5733"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5733">224</a>]</span>in je eer. Daarvoor zal mijnheer de Schout zorg dragen. Intusschen—je hebt veel geleden, mijn arme jongen! en ik meende, dat +eene kleine vergoeding je wel toekwam.—Pieter Pietersz,” ging de Prins voort, terwijl hij hem een papier overreikte, waaraan +een zegel in was hing. “De Admiraliteit kent je als een kundig timmerman en als een ijverig en bezadigd mensch. Zij kent je +als eerlijk en rechtschapen; zij weet dat je den scheepsbouw in den grond verstaat.—Pieter Pietersz, hier overhandig ik je +je aanstelling als scheepstimmermansbaas, in plaats van den vermoorden Adriaan Roelofz, op de werf der Admiraliteit van <span class="letterspaced">Zeeland</span>.” + +</p> +<p>Op deze woorden zonk Pieter op eene knie; ook Martha wierp zich aan de voeten van den Prins en omklemde die. + +</p> +<p>“Mijn weldoener!” stamelde Pieter. + +</p> +<p>“Engel in menschengedaante!” riep Martha. + +</p> +<p>“Stil, stil,” zeide de Prins. “Je zoudt mij haast spijt doen krijgen, dat ik hier gekomen ben. Staat op. Alleen voor Hem moet +men knielen, voor wien wij allen gelijk zijn.” + +</p> +<p>“Hoe zal ik Uwe Hoogheid ooit kunnen vergelden, wat zij voor mij gedaan heeft!” riep Pieter, opstaande uit. + +</p> +<p>“Dank er God voor, Pieter! die op zulk eene wonderbare wijs je onschuld aan het licht heeft doen komen. Dezelfde, dien je +als knaap eens het leven hebt gered, is nu door Gods bestuur, de redder van je eer en je leven geworden.” + +</p> +<p>“Jan IJzer?” riep Pieter uit. + +</p> +<p>“Juist, Jan Jansz. IJzer was de moordenaar. Op zijn sterfbed heeft hij het bekend. Maar nu—ga met mij. Ik zelf zal je op de +werf brengen, waar deze Heeren je zullen installeeren, terwijl mijnheer de Schout je in je eer zal herstellen. Ook jij moet +mede, edel meisje!” vervolgde hij tegen Martha. “Je bent getuige geweest van zijn vernedering en schande,—je zult het nu zijn +van zijne verhooging en zijne eer.” +<a id="d0e5754"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5754">225</a>]</span></p> +<p>Aan de deur der gevangenis gekomen, was het daar zwart van menschen, die niet alleen den Prins wilden zien, maar ook wilden +weten, wat Zijne Hoogheid in de gevangenis mocht hebben gedaan. Maar, hoe verwonderd zij ook stonden, toen de Prins den van +moord verdachten Pieter en diens zuster Martha bij zich in de karos nam, er klonk een luid: “Vivat! lang leve de Prins van +Oranje!” uit aller mond. De karos van den Prins werd door een andere gevolgd, waarin de vier heeren zaten, die Zijne Hoogheid +vergezeld hadden. Spoorslags reed men naar de werf, waar alles nog groen gemaakt en versierd was als het dien morgen was geweest +ter eere van den Prins. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p225.jpg" alt="" width="611" height="504"></div><p> + + +</p> +<p>Hier hield een der Heeren der Admiraliteit een toespraak tot het werkvolk, waarin hij hun mededeelde, hoe de ware schuldige +ontdekt en hoe nu de brave Pieter Pietersz in zijn eer <a id="d0e5762"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5762">226</a>]</span>hersteld was. Tevens installeerde hij den jongeling als baas van de werf, en beval aan het werkvolk hem als zoodanig te gehoorzamen. +Hij liet daarbij duidelijk doorstralen, dat het de Prins was, die tot dat alles krachtdadig had medegewerkt en dat de benoeming +van den voormaligen meesterknecht grootendeels aan Zijne Hoogheid was te danken. Gij kunt u voorstellen, welk een gejuich +deze woorden bij het werkvolk veroorzaakten. ’t Was of er geen eind aan zou komen. Verscheidene werklieden drongen op Pieter +toe, om hem de hand te drukken en hem geluk te wenschen met den keer, dien zijn lot had genomen: want bij allen op de werf +was de gewezen meesterknecht geacht en bemind. + +</p> +<p>Om de kroon op zijn weldaad te zetten, stelde de Prins Pieter een som gelds ter hand, waarvoor hij het werkvolk van de werf +kon trakteeren. Denzelfden dag vertrok hij naar <span class="letterspaced">Goes</span>. Dien avond vierde men op de werf feest. Maar wie er vergeten werd—niet Prins Willem Hendrik van <span class="letterspaced">Oranje</span>, op wien menige dronk werd uitgebracht; terwijl allen het daarin eens waren, dat Zijne Hoogheid een waardige afstammeling +was van het doorluchtig stamhuis, waaruit hij was gesproten. + +</p> +<p>Wij zagen reeds, hoe men hier in <span class="letterspaced">Holland</span> over het uitstapje van den Prins oordeelde;—wat de Raadpensionaris er van zeide, meldt ons de historie niet. Intusschen liet +de stad <span class="letterspaced">Amsterdam</span> in het volgende jaar eenige geneigdheid blijken, om den Prins zitting te geven in den Raad van State; zelfs ondersteunde +burgemeester Koenraad van Beuningen deze bevordering met alle macht; want in de hoofdstad had zich een partij gevormd, die +begon te begrijpen, dat de steden <span class="letterspaced">Leiden</span>, <span class="letterspaced">Dordrecht</span> en <span class="letterspaced">Rotterdam</span>, door De Witt gesteund, zich te veel in ’s Lands vergadering aanmatigden. <span class="letterspaced">Amsterdam</span> toch, dat de helft in de belastingen betaalde, kon en wilde dat overwicht niet langer dulden. Toch duurde het nog twee jaren, +<a id="d0e5792"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5792">227</a>]</span>eer de Prins zitting nam in den Raad van State. De Staten van <span class="letterspaced">Holland</span> echter schonken hem nog in 1669 de vrije jacht in den omtrek van het huis te <span class="letterspaced">Hondsholredijk</span>. + +</p> +<p>En nu, mijne lezeressen en lezers, hoop ik dat gij uit mijn boekje zult hebben geleerd twee personen achting toe te dragen +om hunne buitengewone hoedanigheden, twee personen, die ten allen tijde de achting zullen verdienen van allen die wèl denken: + +</p> +<p class="aligncenter"><span class="smallcaps">Prins Willem III en den Raadpensionaris Johan de Witt.</span> + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/o156.gif" alt="Ornament." width="348" height="236"></div><p> + + + + +</p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5509" href="#d0e5509src" class="noteref">1</a></span> Blijft. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5514" href="#d0e5514src" class="noteref">2</a></span> Vermoeden. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5519" href="#d0e5519src" class="noteref">3</a></span> Bewijst. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5524" href="#d0e5524src" class="noteref">4</a></span> In het oog te houden. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5529" href="#d0e5529src" class="noteref">5</a></span> Lichamelijk bewijs. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5534" href="#d0e5534src" class="noteref">6</a></span> Bevestigen. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5544" href="#d0e5544src" class="noteref">7</a></span> Voorafgaande bewijzen. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5553" href="#d0e5553src" class="noteref">8</a></span> Volgens mijn oordeel. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5558" href="#d0e5558src" class="noteref">9</a></span> Toepassen. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5565" href="#d0e5565src" class="noteref">10</a></span> Redenen. +</p> +</div> +</div> +</div> +<div class="back"> +<div class="transcribernote"> +<h2>Colofon</h2> +<h3>Beschikbaarheid</h3> +<p>Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het +kopieeren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op www.gutenberg.org + +</p> +<p>This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give +it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org + +</p> +<h3>Codering</h3> +<p>Dit bestand is in de oude spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde van +de regel zijn hersteld. + +</p> +<p>Hoewel in dit werk laag liggende aanhalingstekens openen worden gebruikt, zijn deze gecodeerd met “. + +</p> +<h3>Documentgeschiedenis</h3> +<ul> +<li>12-JAN-2007 begonnen.</li> +</ul> +<h3>Verbeteringen</h3> +<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> +<table width="75%"> +<tr> +<th>Plaats</th> +<th>Bron</th> +<th>Verbetering</th> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e458">Bladzijde 5</a></td> +<td width="40%">-</td> +<td width="40%">,</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e583">Bladzijde 9</a></td> +<td width="40%">geweest</td> +<td width="40%">gewest</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e892">Bladzijde 21</a></td> +<td width="40%">in</td> +<td width="40%">ik</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e1077">Bladzijde 29</a></td> +<td width="40%">Gravenage</td> +<td width="40%">Gravenhage</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e1282">Bladzijde 35</a></td> +<td width="40%">Briele</td> +<td width="40%">Brielle</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e1786">Bladzijde 54</a></td> +<td width="40%">dan</td> +<td width="40%">den</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e1832">Bladzijde 57</a></td> +<td width="40%">Honsholredijk</td> +<td width="40%">Hondsholredijk</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e1877">Bladzijde 60</a></td> +<td width="40%">Hoe</td> +<td width="40%">hoe</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2300">Bladzijde 82</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">dan </td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2456">Bladzijde 89</a></td> +<td width="40%">Hollanschen</td> +<td width="40%">Hollandschen</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2874">Bladzijde 108</a></td> +<td width="40%">P</td> +<td width="40%">Pieter die</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2923">Bladzijde 111</a></td> +<td width="40%">meegenemen</td> +<td width="40%">meegenomen</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e3128">Bladzijde 120</a></td> +<td width="40%">tijdigen</td> +<td width="40%">tijdingen</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e3189">Bladzijde 123</a></td> +<td width="40%">Hollansch</td> +<td width="40%">Hollandsch</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e3453">Bladzijde 132</a></td> +<td width="40%">jong</td> +<td width="40%">jonge</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e3757">Bladzijde 142</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e4379">Bladzijde 168</a></td> +<td width="40%">m et</td> +<td width="40%">met</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e4453">Bladzijde 171</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">”</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e4691">Bladzijde 184</a></td> +<td width="40%">ze</td> +<td width="40%">te</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e4732">Bladzijde 186</a></td> +<td width="40%">Bleauw</td> +<td width="40%">Blaeuw</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e4824">Bladzijde 189</a></td> +<td width="40%">3</td> +<td width="40%">5</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e5285">Bladzijde 207</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">”</td> +</tr> +</table> +</div> +</div> + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of Project Gutenberg's De Prins en Johan de Witt, by P. J. Andriessen + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE PRINS EN JOHAN DE WITT *** + +***** This file should be named 20391-h.htm or 20391-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/2/0/3/9/20391/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + +</body> +</html> diff --git a/20391-h/images/cover.jpg b/20391-h/images/cover.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..86e65b5 --- /dev/null +++ b/20391-h/images/cover.jpg diff --git a/20391-h/images/id056.gif b/20391-h/images/id056.gif Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..342daa6 --- /dev/null +++ b/20391-h/images/id056.gif diff --git a/20391-h/images/ih043.gif b/20391-h/images/ih043.gif Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..2c30afc --- /dev/null +++ b/20391-h/images/ih043.gif diff --git a/20391-h/images/ih131.gif b/20391-h/images/ih131.gif Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..731e390 --- /dev/null +++ b/20391-h/images/ih131.gif diff --git a/20391-h/images/ii142.gif b/20391-h/images/ii142.gif Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..f545da7 --- /dev/null +++ b/20391-h/images/ii142.gif diff --git a/20391-h/images/ij081.gif b/20391-h/images/ij081.gif Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..6c45195 --- /dev/null +++ b/20391-h/images/ij081.gif diff --git a/20391-h/images/in176.gif b/20391-h/images/in176.gif Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..fa334f8 --- /dev/null +++ b/20391-h/images/in176.gif diff --git a/20391-h/images/iw001.gif b/20391-h/images/iw001.gif Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..01c2cc0 --- /dev/null +++ b/20391-h/images/iw001.gif diff --git a/20391-h/images/iw016.gif b/20391-h/images/iw016.gif Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..be71762 --- /dev/null +++ b/20391-h/images/iw016.gif diff --git a/20391-h/images/iz113.gif b/20391-h/images/iz113.gif Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..eaee42f --- /dev/null +++ b/20391-h/images/iz113.gif diff --git a/20391-h/images/logo.gif b/20391-h/images/logo.gif Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..17ba6b0 --- /dev/null +++ b/20391-h/images/logo.gif diff --git a/20391-h/images/o001.gif b/20391-h/images/o001.gif Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..9c01025 --- /dev/null +++ b/20391-h/images/o001.gif diff --git a/20391-h/images/o016.gif b/20391-h/images/o016.gif Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..a0790d9 --- /dev/null +++ b/20391-h/images/o016.gif diff --git a/20391-h/images/o029.gif b/20391-h/images/o029.gif Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..1a55381 --- /dev/null +++ b/20391-h/images/o029.gif diff --git a/20391-h/images/o030.gif b/20391-h/images/o030.gif Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..fef956b --- /dev/null +++ b/20391-h/images/o030.gif diff --git a/20391-h/images/o042.gif b/20391-h/images/o042.gif Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..774b139 --- /dev/null +++ b/20391-h/images/o042.gif diff --git a/20391-h/images/o043.gif b/20391-h/images/o043.gif Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..ae70751 --- /dev/null +++ b/20391-h/images/o043.gif diff --git a/20391-h/images/o056.gif b/20391-h/images/o056.gif Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..91dbe87 --- /dev/null +++ b/20391-h/images/o056.gif diff --git a/20391-h/images/o065.gif b/20391-h/images/o065.gif Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..a65fa21 --- /dev/null +++ b/20391-h/images/o065.gif diff --git a/20391-h/images/o066.gif b/20391-h/images/o066.gif Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..324c2ee --- /dev/null +++ b/20391-h/images/o066.gif diff --git a/20391-h/images/o080.gif b/20391-h/images/o080.gif Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..6380d2b --- /dev/null +++ b/20391-h/images/o080.gif diff --git a/20391-h/images/o081.gif b/20391-h/images/o081.gif Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..9efc339 --- /dev/null +++ b/20391-h/images/o081.gif diff --git a/20391-h/images/o096.gif b/20391-h/images/o096.gif Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..83190e4 --- /dev/null +++ b/20391-h/images/o096.gif diff --git a/20391-h/images/o097.gif b/20391-h/images/o097.gif Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..b619230 --- /dev/null +++ b/20391-h/images/o097.gif diff --git a/20391-h/images/o156.gif b/20391-h/images/o156.gif Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..3703475 --- /dev/null +++ b/20391-h/images/o156.gif diff --git a/20391-h/images/p000.jpg b/20391-h/images/p000.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..21805d0 --- /dev/null +++ b/20391-h/images/p000.jpg diff --git a/20391-h/images/p013.jpg b/20391-h/images/p013.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..3a58d20 --- /dev/null +++ b/20391-h/images/p013.jpg diff --git a/20391-h/images/p026.jpg b/20391-h/images/p026.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..2dc3386 --- /dev/null +++ b/20391-h/images/p026.jpg diff --git a/20391-h/images/p034.jpg b/20391-h/images/p034.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..1bfa6e7 --- /dev/null +++ b/20391-h/images/p034.jpg diff --git a/20391-h/images/p036a.jpg b/20391-h/images/p036a.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..f767552 --- /dev/null +++ b/20391-h/images/p036a.jpg diff --git a/20391-h/images/p063.jpg b/20391-h/images/p063.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..0a4171d --- /dev/null +++ b/20391-h/images/p063.jpg diff --git a/20391-h/images/p078.jpg b/20391-h/images/p078.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..f41e8c6 --- /dev/null +++ b/20391-h/images/p078.jpg diff --git a/20391-h/images/p094.jpg b/20391-h/images/p094.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..a59a732 --- /dev/null +++ b/20391-h/images/p094.jpg diff --git a/20391-h/images/p099.jpg b/20391-h/images/p099.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..45d0e7c --- /dev/null +++ b/20391-h/images/p099.jpg diff --git a/20391-h/images/p122.jpg b/20391-h/images/p122.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..028aec0 --- /dev/null +++ b/20391-h/images/p122.jpg diff --git a/20391-h/images/p147.jpg b/20391-h/images/p147.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..0c301e5 --- /dev/null +++ b/20391-h/images/p147.jpg diff --git a/20391-h/images/p155.jpg b/20391-h/images/p155.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..e9f37ee --- /dev/null +++ b/20391-h/images/p155.jpg diff --git a/20391-h/images/p164a.jpg b/20391-h/images/p164a.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..fa14afa --- /dev/null +++ b/20391-h/images/p164a.jpg diff --git a/20391-h/images/p167.jpg b/20391-h/images/p167.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..1851afa --- /dev/null +++ b/20391-h/images/p167.jpg diff --git a/20391-h/images/p174.jpg b/20391-h/images/p174.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..935cc28 --- /dev/null +++ b/20391-h/images/p174.jpg diff --git a/20391-h/images/p188.jpg b/20391-h/images/p188.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..340610f --- /dev/null +++ b/20391-h/images/p188.jpg diff --git a/20391-h/images/p206.jpg b/20391-h/images/p206.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..78f5e36 --- /dev/null +++ b/20391-h/images/p206.jpg diff --git a/20391-h/images/p213.jpg b/20391-h/images/p213.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..4d0f769 --- /dev/null +++ b/20391-h/images/p213.jpg diff --git a/20391-h/images/p218a.jpg b/20391-h/images/p218a.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..3e74b32 --- /dev/null +++ b/20391-h/images/p218a.jpg diff --git a/20391-h/images/p225.jpg b/20391-h/images/p225.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..8d2b78c --- /dev/null +++ b/20391-h/images/p225.jpg diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..b5f3c08 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #20391 (https://www.gutenberg.org/ebooks/20391) |
