summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 01:22:52 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 01:22:52 -0700
commitab64557a10055fc28e1b9dafbb7efa9b079f198c (patch)
treec0e34fdc3e3513afcb5eb8d8f8f6f3d024ce64e1
initial commit of ebook 20391HEADmain
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--20391-8.txt7877
-rw-r--r--20391-8.zipbin0 -> 150743 bytes
-rw-r--r--20391-h.zipbin0 -> 2302520 bytes
-rw-r--r--20391-h/20391-h.htm7268
-rw-r--r--20391-h/images/cover.jpgbin0 -> 87141 bytes
-rw-r--r--20391-h/images/id056.gifbin0 -> 2430 bytes
-rw-r--r--20391-h/images/ih043.gifbin0 -> 2119 bytes
-rw-r--r--20391-h/images/ih131.gifbin0 -> 2041 bytes
-rw-r--r--20391-h/images/ii142.gifbin0 -> 2402 bytes
-rw-r--r--20391-h/images/ij081.gifbin0 -> 2427 bytes
-rw-r--r--20391-h/images/in176.gifbin0 -> 2172 bytes
-rw-r--r--20391-h/images/iw001.gifbin0 -> 2482 bytes
-rw-r--r--20391-h/images/iw016.gifbin0 -> 2227 bytes
-rw-r--r--20391-h/images/iz113.gifbin0 -> 2328 bytes
-rw-r--r--20391-h/images/logo.gifbin0 -> 6324 bytes
-rw-r--r--20391-h/images/o001.gifbin0 -> 22021 bytes
-rw-r--r--20391-h/images/o016.gifbin0 -> 24115 bytes
-rw-r--r--20391-h/images/o029.gifbin0 -> 1575 bytes
-rw-r--r--20391-h/images/o030.gifbin0 -> 21247 bytes
-rw-r--r--20391-h/images/o042.gifbin0 -> 1951 bytes
-rw-r--r--20391-h/images/o043.gifbin0 -> 22726 bytes
-rw-r--r--20391-h/images/o056.gifbin0 -> 24269 bytes
-rw-r--r--20391-h/images/o065.gifbin0 -> 5536 bytes
-rw-r--r--20391-h/images/o066.gifbin0 -> 22386 bytes
-rw-r--r--20391-h/images/o080.gifbin0 -> 1568 bytes
-rw-r--r--20391-h/images/o081.gifbin0 -> 22419 bytes
-rw-r--r--20391-h/images/o096.gifbin0 -> 1697 bytes
-rw-r--r--20391-h/images/o097.gifbin0 -> 23672 bytes
-rw-r--r--20391-h/images/o156.gifbin0 -> 10629 bytes
-rw-r--r--20391-h/images/p000.jpgbin0 -> 110807 bytes
-rw-r--r--20391-h/images/p013.jpgbin0 -> 91030 bytes
-rw-r--r--20391-h/images/p026.jpgbin0 -> 57075 bytes
-rw-r--r--20391-h/images/p034.jpgbin0 -> 70602 bytes
-rw-r--r--20391-h/images/p036a.jpgbin0 -> 121659 bytes
-rw-r--r--20391-h/images/p063.jpgbin0 -> 91516 bytes
-rw-r--r--20391-h/images/p078.jpgbin0 -> 99799 bytes
-rw-r--r--20391-h/images/p094.jpgbin0 -> 119613 bytes
-rw-r--r--20391-h/images/p099.jpgbin0 -> 102870 bytes
-rw-r--r--20391-h/images/p122.jpgbin0 -> 91988 bytes
-rw-r--r--20391-h/images/p147.jpgbin0 -> 83575 bytes
-rw-r--r--20391-h/images/p155.jpgbin0 -> 95117 bytes
-rw-r--r--20391-h/images/p164a.jpgbin0 -> 101917 bytes
-rw-r--r--20391-h/images/p167.jpgbin0 -> 82254 bytes
-rw-r--r--20391-h/images/p174.jpgbin0 -> 82628 bytes
-rw-r--r--20391-h/images/p188.jpgbin0 -> 71628 bytes
-rw-r--r--20391-h/images/p206.jpgbin0 -> 72878 bytes
-rw-r--r--20391-h/images/p213.jpgbin0 -> 62111 bytes
-rw-r--r--20391-h/images/p218a.jpgbin0 -> 104179 bytes
-rw-r--r--20391-h/images/p225.jpgbin0 -> 99715 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
52 files changed, 15161 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/20391-8.txt b/20391-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..86cd484
--- /dev/null
+++ b/20391-8.txt
@@ -0,0 +1,7877 @@
+The Project Gutenberg EBook of De Prins en Johan de Witt, by P. J. Andriessen
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: De Prins en Johan de Witt
+ of ons land in het tweede tijdperk der eerste stadhouderlooze regeering
+
+Author: P. J. Andriessen
+
+Release Date: January 18, 2007 [EBook #20391]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE PRINS EN JOHAN DE WITT ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+ De Prins en Johan de Witt
+ Of
+ Ons land in het tweede tijdperk der eerste stadhouderlooze regeering.
+
+
+ Door
+
+ P. J. Andriessen.
+
+
+
+
+ Vijfde Druk.
+
+
+ Leiden.--A. W. Sijthoff's Uitg.-Mij.
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+De tienjarige Leidsche Student 1
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+Een zeeman, die nog al wat te vertellen heeft 16
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+Waarin verhaald wordt, hoe de Prins zijne moeder nareisde 30
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+Welke plannen drie krullenjongens voor de kermis maakten 43
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+Hoe gevaarlijk het kan worden, om des Zondags de kerk te verzuimen 56
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+Hoe een slimme Raadpensionaris een nog slimmeren Prins niet kon
+doorgronden 66
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+Hoe een echt Hollandsche jongen zich wreekt 81
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+Een dure slaapkameraad 97
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+Waarin wij een ouden kennis ontmoeten, die het ver gebracht heeft in
+de wereld 113
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+Waaruit blijkt dat het hier niet altijd voor den wind ging 131
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+Wat er met den Prins op het buurtmaal voorviel en wat de
+Raadpensionaris daarover zeide 142
+
+TWAALFDE HOOFDSTUK.
+
+Hoe Johan de Witt zijn plan volvoerde 157
+
+DERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+Hoe de Raadpensionaris rekenles gaf 176
+
+VEERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+Hoe onze vloot de Engelschen tuchtigde 194
+
+VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
+
+Wat er met den Prins in Zeeland voorviel 209
+
+
+
+
+VOORBERICHT.
+
+
+Het is een algemeen betreurd feit, dat van de jeugd onzer groote mannen
+slechts weinig of niets bekend is. En geldt dit ten aanzien van hun
+_openbaar_ leven, de leemte doet zich nog sterker gevoelen, wanneer
+men uit hun _intiem_ leven wenscht te putten. Ik ontken dan ook niet,
+dat mij de samenstelling van dit boek ontzaglijk veel onderzoek en
+nasnuffelen heeft gekost, want onze vroegere auteurs gaven nooit veel
+meer dan een _histoire de bataille_; verlangt men dus een _histoire
+intime_, dan moet men die uit tal van werken oprakelen. Toch durf ik
+zeggen, dat ik gelukkig ben geweest; daar ik hier mijnen lezers eene
+geschiedenis van de jeugd van onzen onsterfelijken _Willem_ III mag
+aanbieden, waarin alle voorvallen historisch zijn, op slechts twee
+[1] na, van welke twee ik toch de verzekering durf geven, dat zij
+niet uit de lucht zijn gegrepen, maar geheel en al op het karakter
+van den jongen Prins berusten. In 't bijzonder vinden zij dan ook
+hier de betrekking van den jeugdigen Oranjevorst tot den eersten man
+van zijn tijd, den eenigen _Johan de Witt_.
+
+Ik heb mij dus hier op een nieuw terrein begeven: _vaderlandsche
+karakterkunde_. Ik oordeel die hoogst noodig voor mijne jeugdige
+lezers. Daarenboven kunnen zij uit dit boek weder veel leeren. Zij
+zullen er den voortgang der beschaving in vinden en ook eens in
+de vertrekken der aanzienlijken rondkijken, waartoe mijne andere
+werkjes minder aanleiding gaven. De toenmalige buurtvereenigingen
+schenken hun een nieuwen blik in dien tijd; terwijl een korte schets
+van een begrafenismaal hen weder met een eigenaardig gebruik onzer
+voorvaderen bekend maakt. De verdere geschiedenis van _De Ruyter_ met
+den krijg in het Noorden en de tweede Engelsche oorlog behoorden tot
+dit tijdperk, dat ik tot 1668 heb laten loopen, omdat men kan zeggen,
+dat in genoemd jaar de eigenlijke jeugd van den Prins eindigde met
+zijne mondigverklaring.
+
+Ik heb bij dezen druk niets te voegen, dan aanbeveling van mijnen
+arbeid in de voortdurende welwillendheid mijner landgenooten.
+
+
+P. J. Andriessen.
+
+
+
+Sedert de gevierde Schrijver bovenstaand Voorbericht schreef, heeft
+dit boeiend verhaal meerdere drukken moge beleven. Thans wordt
+aan de Nederlandsche jeugd een vijfde druk aangeboden, welke zich
+van de vorigen gunstig onderscheidt door de flinke letter op mooi,
+stevig papier en de keurige illustraties in en buiten den tekst,
+die de aantrekkelijkheid van dit boek ongetwijfeld hebben verdubbeld.
+
+Moge dit door verdubbelde belangstelling blijken!
+
+
+De Uitgever.
+
+
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+De tienjarige Leidsche Student.
+
+
+Wanneer wij, mijne jonge lezers, op Dinsdagmorgen den 28sten September
+1660, langs het _Rapenburg_ te _Leiden_ waren gewandeld, dan zouden
+wij hebben blijven stilstaan voor een groot gebouw op den hoek van
+de _Langebrug_ (toen _Voldersgracht_); hetwelk echter thans niet meer
+bestaat en sedert vervangen is door aanzienlijke woonhuizen. Dat oude
+gebouw ziet er allesbehalve aanlokkelijk uit met zijne drie ramen
+in de benedenverdieping en zijne dertien in de bovenste, alle met
+traliën voorzien en in tweeën verdeeld; het onderste gedeelte door
+twee luikjes van buiten gesloten. Wat steken die kleine, als ruiten
+gesneden en in lood gevatte glazen treurig af tegen de drie spitse en
+met sierlijke torentjes bezette geveltjes, de beide uiterste van één,
+de middelste van drie zolderramen voorzien. De naast het huis gebouwde
+poort, door een schildwacht bewaakt en die den eenigen toegang tot
+het huis geeft, dient er weinig toe om ons tot binnentreden uit te
+lokken. Bijna zouden wij meenen, dat het een gevangenis was; doch
+dan zouden de bovenramen ook van ijzeren traliën voorzien zijn. Dan
+een klooster? vraagt gij. En hierin hebt gij zoo geheel en al geen
+ongelijk, ofschoon 't wel te verwonderen zou zijn, als men nog ten
+jare zestienhonderd en zestig binnen de stad _Leiden_ een klooster
+vond. Ik wil u 't raadsel oplossen.
+
+Het gebouw, voor 'twelk wij staan, was vóór het beleg en ontzet der
+stad [2] een klooster, gewijd aan de heilige Barbara en bewoond door
+nonnen van de Sint Franciscusorde. Nadat de benarde veste echter voor
+goed van 't Spaansche juk verlost was, werd het in 1575 ingericht
+tot academie. Toen deze later in een ander gebouw was overgeplaatst,
+werd het vroegere St.-Barbara-klooster op stadskosten opgeknapt en
+geschikt gemaakt tot een verblijfplaats voor onze Prinsen, wanneer die
+te _Leiden_ vertoefden; terwijl het tevens tot huisvesting diende voor
+vorstelijke personen. Zoo heeft, nu zeven-en-veertig jaren geleden (in
+1613), Prinses Elizabeth, dochter van Koning Jacobus I van _Engeland_
+en echtgenoote van Frederik V, keurvorst van de _Paltz_ en naderhand
+koning van _Bohemen_, in dat huis gelogeerd. Daar nu haar gevolg en
+dat van onzen stadhouder Prins Maurits uit niet minder dan vijfhonderd
+personen bestond, en deze allen in dat huis logeerden, kunt gij u
+wel voorstellen, dat het een fiksch gebouw is, dat _Princenhof_
+(want dien naam draagt het thans), en gij zult niet verwonderd
+staan over de groote en hooge vertrekken, de heerlijke zalen, de
+ferme paardenstallen, de ruime binnenplaats, die aan de kamers een
+genoegzaam licht geeft, en vooral over den grooten wel onderhouden
+tuin, die zich achter het gebouw uitstrekt, en welks hooge muren u
+nog aan de voormalige bestemming (klooster) doen denken.
+
+Wij gaan dan de poort in en komen op de binnenplaats. Ziet maar eens,
+hoeveel ramen. Nu eerst kunt gij u voorstellen, welk een menigte
+vertrekken er zijn. Wij blijven hier echter niet lang, maar treden
+de steenen trappen met sierlijk gekrulde ijzeren leuningen op,
+die ons in het ruime, hooge, met lofwerk gebeeldhouwde voorportaal
+brengen. Ook hier vertoeven wij niet; maar gaan de eikenhouten trap
+aan onze linkerhand op en komen op een langen, breeden corridor,
+waar wij voor een met groen laken bekleede deur stilstaan, welke wij
+openslaan, de daarachter zich bevindende deur opendraaien en ons in een
+tamelijk ruim vertrek bevinden. Het prachtig goudlederen behangsel
+met zijne sierlijke bloemen en ranken, het keurig gebeeldhouwde
+noteboomhouten dressoir (buffet), de groote spiegel van venetiaansch
+glas, het smyrnasch karpet onder de met marmeren blad gedekte tafel
+en de prachtige damasten gordijnen doen u reeds vermoeden, dat deze
+kamer tot woonplaats dient van een aanzienlijk persoon; zoo niet de
+rijk geborduurde zijden kussens op de ebbenhouten stoelen met hooge
+gebeeldhouwde leuningen en gedraaide pooten, de zilveren inktkoker
+op de tafel en de groote sierlijke fauteuil met hooge leuning, die
+daar voor den vlammenden haard, dicht onder den hoogen en breeden
+schoorsteen is geschoven, u daarvan reeds ten volle overtuigden.
+
+Maar waar is de bewoner van deze kamer? Eilieve! gaat een weinig
+nader bij de brandende blokken, slechts door een blinkend geschuurd
+koperen hekje omgeven, en gij zult tot uwe verwondering zien, dat
+wij niet alleen zijn en dat het maar goed is, dat wij geen kwaad
+hebben gezegd--anders waren we zeker beluisterd geworden. Daar
+in dien hoogen leuningstoel toch zit, in zijden kussens gedoken,
+een tengere, ziekelijke knaap, met de voeten op een warme stoof en
+de eene hand onder 't hoofd, terwijl de andere een boek vasthoudt,
+waarin hij schijnt gelezen te hebben, doch dat hij nu op de knie laat
+rusten. Zijn helder en doordringend oog staart op het vuur, als ziet
+hij wonder wat in de grillige gedaanten, welke de flikkerende vlammen
+aannemen en als is er iets bijzonders voor hem in de van tijd tot tijd
+instortende blokken. Hij is nog jong, die knaap: den 14den November
+aanstaanden zal hij zijn tiende jaar bereikt hebben. En toch--hoe
+jong hij zij, ligt er op dat hooge voorhoofd en dat smalle bleeke
+gelaat reeds een waas van ernst, hetwelk men op dien leeftijd niet zou
+verwachten. Schoon is hij niet. Zijn adelaarsneus is te groot voor dat
+magere gezicht, dat er, kon 't zijn, nog magerder door wordt. Geen
+blozende wangen of levenslustige oogen, geen schalksche trek om
+lip of mond; de arme knaap is jong, zonder jeugd te hebben gekend:
+hij heeft vrij wat meer in de wereld dan die burgerjongen, dien wij
+daarstraks op het plein voor de _Sint-Pieterskerk_ met zijne kameraads
+zagen knikkeren,--maar zeker zou die voor al het geld der wereld met
+hem niet willen ruilen. Toch toont zijne kleeding zijn aanzienlijken
+stand aan. Dat zwart fluweelen wambuis met die fijne kanten lubben,
+die op de witte, magere handen neerhangen, die satijnen broek van
+dezelfde kleur, met korenblauwe linten onder de knie vastgemaakt,
+die fijn lederen schoenen met strikken, in welker midden zich een
+gouden knoop bevindt en die halsdoek, die als een bef met breede
+plooien om den hals gestrikt, in echte Brusselsche kant nederhangt,
+doen 't u reeds vermoeden, indien de omgeving in de kamer er u geen
+zekerheid van gaf. Die bijna tienjarige knaap--misschien hebt gij
+'t begrepen--is de hoop van het edele stamhuis van _Oranje_ en van
+allen, die het met dat doorluchtige geslacht wél meenen: 't is Willem
+Hendrik, Prins van _Oranje-Nassau_, Graaf van _Catzenellebogen_,
+_Vianden_, _Dietz_, _Lingen_, _Meurs_, _Buren_ en _Leerdam_,
+Markies _van der Veere_ en _Vlissingen_, Heer en Baron van _Breda_,
+de stad _Grave_ en het land van _Kuik_, _Diest_, _Grimbergen_,
+_Herstal_, _Kranendonk_, _Warneston_, _Arlay_, _Noseroy_, St.-_Veit_,
+_Daasburg_, _Polanen_, _Willemstad_, _Niervaart_, _IJselstein_,
+_St.-Maartensdijk_, _Steenbergen_, _Geertruidenberg_, de _hooge_
+en _lage Zwaluwe_, en _Naaldwijk_, Erfburggraaf van _Antwerpen_ en
+_Besançon_ en Erfmaarschalk van _Holland_. 't Is de achterkleinzoon
+van den grondlegger onzer vrijheid, den edelen Willem den Eerste,
+'t is de zoon van den te vroeg gestorven Willem den Tweede en van
+Maria Stuart, de oudste dochter van Karel I Koning van _Engeland_.
+
+Ik heb u reeds verhaald, dat de arme Prins zijn vader nooit gekend
+heeft. Kort na zijne geboorte begiftigden hem de Algemeene Staten met
+een rentebrief van achtduizend gulden 's jaars en legden de Staten van
+_Holland_ hem een jaargeld van vijfduizend, _Delft_ van zeshonderd,
+_Leiden_ van twaalfhonderd en _Amsterdam_ van duizend gulden toe,
+terwijl _Zeeland_ er later nog twee duizend bijvoegde; zoodat onze
+knaap, behalve de inkomsten zijner goederen, een jaarlijksch inkomen
+heeft van ongeveer achttienduizend gulden, zeker meer dan genoeg
+voor een kind van bijna tien jaren. En toch is hij niet gelukkig,
+Prins Willem Hendrik. Toch ligt er een verdrietelijke trek op dat
+gelaat,--een trek, die aan meer dan lichamelijk lijden doet denken.
+
+Zijn levenslot was dan ook verre van benijdenswaardig geweest. Reeds
+weinige weken na zijne geboorte, toen _Zeeland_ den voorslag deed,
+hem tot Stadhouder te benoemen, wees _Holland_ dit van de hand. En
+gij weet het, hoe bij het vredestraktaat in 1654 de beruchte _acte
+van seclusie_ werd vastgesteld, waarbij de Prins werd uitgesloten
+van de waardigheden, door zijne voorvaderen bekleed. Maar ook in
+den huiselijken kring had de arme Willem Hendrik weinig genoegen
+gehad. Reeds kort na zijne geboorte ontstond er twist over de
+voogdijschap tusschen zijne moeder, zijne grootmoeder en den keurvorst
+van _Brandenburg_, gehuwd met de oudste zuster van Willem II. De eerste
+meende daarop recht te hebben wegens het testament van haren gemaal;
+de tweede beweerde, dat Prinses Maria die zelf niet meerderjarig was,
+geen voogdes kon zijn, en de laatste, die nog verscheidene mededingers
+had, begreep, dat slechts een man met de voogdijschap kon worden
+bekleed. Na veel twist werd men het eens, dat Amalia van Solms de
+helft, en Prinses Maria Stuart en de keurvorst van _Brandenburg_
+ieder een vierde der voogdijschap zouden uitoefenen en dus een even
+groot gedeelte der goederen besturen.
+
+Hoezeer nu deze zaak in der minne geschikt scheen, bleef er tusschen
+de beide Prinsessen een veete bestaan, die niet dan ongunstig op het
+karakter van den jongen Prins kon werken. Het had daardoor al dat
+opene verloren, hetwelk men van een knaap van zijn leeftijd terecht
+kon verwachten, en een kunst van veinzen aangenomen, die zeker leelijk
+en veroordeelenswaardig is in een kind, ja in den man;--maar die hem
+later tot den grootsten staatsman zijner eeuw maakte. Daarbij had hij
+dikwerf grootmoeder over dingen hooren spreken, die voor moeders ooren
+niet aangenaam zouden zijn geweest, en moeder had zaken aangeroerd,
+die hij bij grootmoeder niet mocht vertellen,--en daardoor had hij,
+reeds op zoo jeugdigen leeftijd, de groote kunst geleerd om te zwijgen,
+een kunst, die hij zijn gansche leven heeft in practijk gebracht [3].
+
+Hiermede en bij gebrek aan verkeering met knapen van zijn leeftijd,
+had het karakter van den jeugdigen Prins een plooi aangenomen, die
+men reeds bij den eersten aanblik op dat magere, bleeke gelaat kon
+bespeuren: een zekere stroefheid in den omgang met anderen, vooral
+met vreemden en in gezelschappen, waardoor zij, die hem niet kenden,
+hem voor onaangenaam en lomp hielden. Alleen zij, die meer met hem
+omgingen, zijne bijzondere vrienden en kennissen, hadden hem innig
+lief en wisten zijne goede hoedanigheden te waardeeren;--jegens hen
+was hij somtijds openhartiger, gewoonlijk vertrouwelijker.
+
+Ik vond het noodig, u een blik te doen slaan in het karakter van
+den jeugdigen Willem Hendrik. Uit mijn vorig werkje hebt gij gezien,
+hoe een geduchte en machtige partij in _Holland_, bekend onder den
+naam van "Loevesteinsche factie" of "de staatspartij", tegen zijne
+bevordering was en die door alle middelen wist tegen te houden;
+gij hebt er ook uit kunnen leeren, hoe er, vooral onder 't volk,
+een andere partij was, die deze bevordering wenschte en bij elke
+gelegenheid dien wensch duidelijk deed blijken. Ook _Zeeland_ was er
+steeds op uit om den Prins te verheffen tot de waardigheden, door
+zijne doorluchtige voorouderen bekleed; maar al de pogingen, door
+dat gewest aangewend, leden schipbreuk op den weerzin der Hollandsche
+aristocraten. Zoo hielden de Staten van eerstgenoemde provincie, die
+het welzijn van den jeugdigen Oranjespruit zoozeer ter harte nam, in
+1655 bij de andere gewesten aan op het benoemen van een predikant,
+die den vijfjarigen Prins in de beginselen van den christelijken
+godsdienst zou onderwijzen, en een ander bekwaam persoon, om hem
+de taal, geschiedenis en andere noodige wetenschappen te leeren;
+de Staten van _Holland_ beweerden daarentegen, dat het geenszins den
+Zeeuwen noch der andere Provinciën paste, zich te mengen in 's Prinsen
+opvoeding. Het volgende jaar stelden zijne voogden den predikant
+Trigland bij hem als onderwijzer in den godsdienst aan, terwijl zij
+hem ook in andere noodige wetenschappen lieten onderrichten. Twee
+jaren lang genoot hij dat onderwijs.
+
+Toen onze Willem Hendrik nu zijn achtste jaar bereikt had, begreep
+zijne moeder, dat het tijd werd, hem hooger onderwijs te geven. De
+magistraat van _Leiden_, dit vernomen hebbende, bood der Prinses
+niet alleen hare stad en Hoogeschool aan, maar ook het _Princenhof_,
+reeds vroeger door zijne voorouders bewoond, zoolang zij te _Leiden_
+studeerden; terwijl zij verklaarde het reeds te dien einde te hebben
+gemeubileerd en nog verder te zullen meubileeren. De prinses nam dat
+aanbod aan en benoemde tot goeverneur over haren zoon Frederik van
+Nassau, Heer van Zuijlestein, natuurlijken zoon van Prins Frederik
+Hendrik en te dien tijde kolonel van een regiment voetvolk, welken
+rang en post hij bij zijne aanstelling behield. Tot zijn leermeester
+koos zij den Hoogleeraar Borneus. Het was eerst na eenigen tijd,
+dat Prinses Amalia en de Keurvorst in dezen maatregel toestemden.
+
+Op Maandag den derden November 1659 liet de Prins van _Oranje_,
+nu ongeveer negen jaren oud, door de Heeren van Heenvliet, en den
+kanselier Weyman, aan den President der Staten-Generaal bekend maken,
+dat hij den volgenden dag naar _Leiden_ zou vertrekken. Denzelfden
+namiddag kwam eene commissie, bestaande uit de Heeren Huygens,
+Ripperda, Stavenisse en Renswoude, benevens eenigen uit den Raad,
+zijne Hoogheid bedanken voor zijne mededeeling en hem gelukwenschen
+met zijn plan. Op Dinsdag den vierden November, dus tien dagen vóór
+zijn negenden verjaardag, vertrok hij, vergezeld van zijne moeder
+en grootmoeder, in een karos naar _Leiden_, waar hem de Hoogleeraar
+Joannes Coccejus, dat jaar Rector Magnificus [4] met een deftige
+redevoering in 't Nederlandsch verwelkomde. Hij betrok toen met zijn
+goeverneur Zuijlestein en zijn bedienden het _Princenhof_, waar wij
+hem in het begin van dit Hoofdstuk aantroffen.
+
+Gedurende zijn verblijf te _Leiden_ was er veel te zijnen gunste
+veranderd. Zijn oom Karel Stuart was na den dood van Cromwel in
+_Engeland_ teruggeroepen, en had den troon beklommen onder den naam van
+Karel II. Genoemde vorst had hier te lande onbekrompene gastvrijheid
+genoten en bij het plechtig afscheid, dat hij in 's-_Gravenhage_ van
+de Staten-Generaal nam, zijn neef Willem van _Oranje_ zeer in hunne
+gunst en in die van de Staten van _Holland_ aanbevolen. Kort daarop
+herhaalde zijne moeder deze aanbeveling, hetgeen ten gevolge had,
+dat de Staten van _Zeeland_ op den 1sten Augustus 1660 besloten,
+hem tot Kapitein-Generaal en Stadhouder van hun gewest te benoemen,
+op welk besluit zij ten ernstigste bij de Staten van _Holland_
+aandrongen. Beide Prinsessen leverden nu aan de Algemeene Staten het
+verzoek in, dat _Hunne_ Edel-Groot-Mogenden zich mochten belasten met
+'s Prinsen opvoeding. De Staten willigden dit in, "opdat de Prins
+dus bekwaam mocht worden tot de bediening der hooge ambten, door
+zijne voorzaten bekleed," doch gaven daaraan geene uitvoering. Vier
+dagen later echter besloten zij tot de vernietiging van de acte van
+seclusie. Keeren wij na deze breede uitweiding tot onzen Prins terug.
+
+"Zijt gij daar, Karel?" zegt hij tot zijn kamerdienaar, een forsch
+en stevig gebouwd jonkman van ruim drie en twintig jaren, van wien
+hij veel houdt en met wien hij gaarne spreekt.
+
+"Om u te dienen, Uwe Hoogheid," antwoordt deze, die met een klein
+fleschje in de eene en een brief met groot lak in de andere hand,
+het vertrek is binnengetreden. "Hier zijn de druppels, die de dokter
+u heeft voorgeschreven, en hier een brief, zoo op het oogenblik met
+den post aangenomen."
+
+"Geef hier den brief, Karel," hervat de Prins, terwijl hij het boek
+weglegt en de hand naar het papier uitstrekt.
+
+De kamerdienaar reikt het over en gaat naar het dressoir, waar
+hij in een kristallen glas eenig water schenkt, in hetwelk hij het
+bepaalde aantal druppels uit het fleschje mengt en dat hij den Prins
+aanbiedt. Deze heeft intusschen den brief opengebroken en doorloopt
+den inhoud.
+
+"Hier zijn uwe druppels, Uwe Hoogheid," zegt de kamerdienaar.
+
+"Ba! hoe zuur!" zegt de Prins, nadat hij het glas heeft
+leeggedronken. "De dokter heeft veel van Mijnheer den Raadpensionaris,"
+voegt hij er hardop denkend bij. "Die verstaat ook de kunst om wrange
+druppels toe te dienen."
+
+"Of bittere," verbetert de kamerdienaar.
+
+"Karel," gaat de Prins voort, alsof hij die woorden niet gehoord heeft,
+"zeg den Heer Van Zuijlestein, dat ik hem verzoek hier te komen. Ik
+moet hem spreken."
+
+Terwijl de kamerdienaar het bevel van zijn jongen meester
+volbrengt, leest deze nogmaals den brief over. 't Is of de lezing
+hem vermoeit;--toen hij gedaan heeft, houdt hij de magere, witte hand
+voor de oogen en blijft in gepeins zitten. Het binnentreden van zijn
+goeverneur stoort hem in zijne overdenking.
+
+"Gij liet mij roepen, Willem!" begint deze. "Weder die ongelukkige
+hoofdpijn! Waarom niet nog wat te bed gebleven?"
+
+"Omdat ik het in het dons niet langer kon susteneeren," geeft de
+Prins ten antwoord. "Ik hoopte, dat het wat beter zou worden, als ik
+op was. Lees echter dezen brief, dien ik daareven ontving."
+
+De goeverneur neemt den brief en voldoet aan den wensch van den Prins.
+
+"Gij ziet het, Zuijlestein. Mijn oom, Zijne Majesteit Karel II van
+_Engeland_, heeft de schepen gezonden, om hare Koninklijke Hoogheid
+mijne moeder af te halen. En zij verlangt, dat ik terstond zal
+afreizen, om haar vaarwel te zeggen."
+
+"Dat is het uitdrukkelijk verlangen van Hare Koninklijke Hoogheid,
+Willem," antwoordt Zuijlestein. "Zij meldt u dat in den brief."
+
+"Alles goed en wel," herneemt de Prins. "Maar ik kan vandaag niet
+gaan. Het is mij onmogelijk. Met zulk een hoofdpijn kan ik niet
+reizen. Het hoofd klopt mij als een hamer. De oogen branden mij in
+'t hoofd. Elke beweging, die ik maak, is mij een pijniging. Laat
+Widerts schrijven, dat ik heden niet kan komen, maar dat ik, wanneer
+het morgen passabel is, zoo vroeg mogelijk zal vertrekken."
+
+"Er is niets aan te veranderen," geeft Zuijlestein ten antwoord. "Het
+vertrek der Prinsesse Royal is op morgen gefixeerd, en als wij
+vroeg genoeg op reis gaan, kunnen wij haar tot aan het schip
+accompagneeren. Hare Hoogheid zal echter zeer gefrustreerd zijn,
+daar zij u zeker gaarne den laatsten dag bij zich had gehad."
+
+De Prins antwoordt niet; het is of hij aan de belangstelling zijner
+moeder twijfelt.
+
+"Zeg Karel, dat hij Widerts roepe," herneemt hij. Zuijlestein schelt
+en deelt Karel het bevel van Zijne Hoogheid mede.
+
+"Moeder had mij wel vroeger kunnen schrijven," herneemt Willem Hendrik
+eenigszins bitter.
+
+"De tijding van de aankomst der Engelsche vloot is eerst gisteren laat
+in 's-_Gravenhage_ gearriveerd," hervat Zuijlestein verschoonend. "Hare
+Koninklijke Hoogheid kon er u dus niet vroeger van preveniëeren."
+
+Op dit oogenblik komt 's Prinsen Raad en schrijver Widerts binnen,
+en de Prins geeft hem den inhoud van den brief aan zijne moeder op.
+
+"Meld Harer Hoogheid vooral, dat ik haar zelf zou geschreven hebben,"
+eindigt de Prins, "indien de furieuze hoofdpijn mij daarin niet
+verhinderde."
+
+Widerts zet zich aan de tafel om den brief te schrijven.
+
+"Ik kan vandaag geen les nemen, Zuijlestein," gaat de Prins voort. "Ik
+heb gepoogd wat te studeeren, maar de letters dansen mij voor de
+oogen. Laat dus mijne meesters afzeggen, en 't vooral Professor
+Borneus weten, opdat hij geen vergeefschen tocht doe."
+
+"Rust en kalmte zijn de beste medicijnen voor u, Willem," herneemt de
+goeverneur. "Gij weet het, wat de dokter u gisteren nog zeide. Wij
+zullen hem straks wel hier hebben, en hij zal u wel ordineeren,
+om naar bed te gaan."
+
+"Ik heb reeds zijn druppels ingenomen. Zij zijn bijtend, scherp zuur."
+
+"Medicijnen zijn niet altijd aangenaam, Willem. Maar zij zijn weldadig
+voor het lichaam. Ook onze hemelsche Vader geeft ons wel eens bittere
+medicijnen te slikken, om onze ziel te cureeren."
+
+"Ik heb er reeds van moeten innemen," antwoordt de Prins op somberen
+toon. "Ha, Widerts, reeds gereed!" herneemt hij op minder treuriger
+wijs tot zijn schrijver en Raad. "Laat hooren, wat gij geschreven
+hebt."
+
+Widerts voldoet aan 's Prinsen verlangen en leest den in 't Fransch
+geschreven brief voor (want het Fransch was toen de hoftaal, en
+onze Vorsten van _Oranje_ schreven er altijd in). De Prins zet zijne
+handteekening onder den brief en reikt dien zijn secretaris over om
+hem te sluiten, te verzegelen en van adres te voorzien.
+
+Twee uren later lag de Prins in de naaste kamer te bed. De dokter
+had zulks geordineerd en hem een calmeerend geneesmiddel gegeven
+met de hoop, dat hij den volgenden morgen in staat zou zijn, naar
+'s-_Gravenhage_ te vertrekken. Aan zijn bed zat zijn kamerdienaar
+Karel, om hem van tijd tot tijd koele compressen op het hoofd te
+leggen en zijn drankje in te geven. Maar een geest als die van
+Willem Hendrik kon zich moeilijk in de gedwongene rust schikken,
+welke hem was opgelegd. Onophoudelijk woelde hij zich om en om,
+hoe ook Zuijlestein hem tot stilte en rust aanmaande.
+
+Deze laatste had 's Prinsen bed verlaten. Karel was alleen met hem
+in de kamer. 't Scheen, dat de zieke eenigszins kalmer werd.
+
+"Dek mij wat beter toe, Karel," zeide hij, "en verhaal mij eens van dat
+Haagsche oproer, waarvan gij laatst spraakt, toen wij juist gestoord
+werden. Ik heb er behoefte aan, dit nu te hooren."
+
+"Indien Uwe Hoogheid mij belooft, stil en bedaard te blijven liggen en
+zoo weinig mogelijk te spreken," hernam de kamerdienaar, terwijl hij
+de met zijde gevoerde deken terecht schikte en den Prins een nieuwe
+compres op 't hoofd legde.
+
+"Dat beloof ik u, Karel," antwoordde de Prins, en de kamerdienaar
+begon:
+
+"Het was in den zomer van het jaar 1653, dat Hare Koninklijke Hoogheid
+de Prinsesse Royaal met Uwe Hoogheid, die toen derdehalf jaar oud
+was, naar _Breda_ was gereisd, om U als baron dier stad te doen
+huldigen. Wij Haagsche jongens hadden er de lucht van gekregen, en,
+aangevoerd door Koen Aertsen (den zoon van Aert Gerritsz, den barbier
+uit het _Gortstraatje_) die voor kapitein speelde, besloten wij Uwe
+Hoogheid bij Hare terugkomst in 's _Gravenhage_ deftig in te halen. Dag
+op dag trokken wij dan met mutsen en bandelieren van Oranjepapier,
+met stokken en Oranjevaandels gewapend, naar het _Zieken_, waar Uwe
+Hoogheid moest binnenkomen. Of men Uwe reis opzettelijk vertraagd
+had, op hoop dat wij uit elkander zouden gaan, weet ik niet; het
+was echter reeds laat in den nacht, toen de vorstelijke karossen
+terugkeerden. Daar wij weinig deeg van onzen opschik en van onze
+uitmonstering hadden, zoo besloten wij, des anderen daags in dezelfde
+toerusting op het _Binnenhof_ te verschijnen.--In groote statie
+trokken wij op, terwijl Pieter Hendriksz, die onder ons jongens
+den bijnaam had van den duikelaar, omdat hij zoo mooi kon duikelen,
+het Wilhelmus op de trompet blies, dat het rammelde en raasde."
+
+"Kan die knaap zoo mooi op de trompet blazen?" vraagde de Prins. "Waar
+had hij dat geleerd?"
+
+"Van een vroegeren trompetter van de Oranjegarde, een zekeren Jan
+Claeszoon [5], die, toen deze garde in "garde van de Staten van
+_Holland_" werd veranderd, zijn ontslag had gekregen. Hij woonde
+vroeger in de _Bagijnenstraat_ en was naar _Amsterdam_ vertrokken."
+
+"En wat gebeurde er verder?"
+
+"Men toonde ons Uwe Hoogheid voor de vensters van 't paleis. Toen
+was 't eerst een leven: de trompet schalde nog luider en wij allen
+schreeuwden onze kelen heesch met "Leve de Prins!"--Maar daar kwamen op
+eens de dienaars van den Fiskaal, wien door de Staten van _Holland_,
+die dat leven in hunne vergadering niet schenen te kunnen velen en
+die wellicht voor meerdere opschudding vreesden, last was gezonden,
+om den hoop te verstrooien. Maar juist die maatregel had een verkeerde
+uitwerking; want het grauw, dat hierin een beleediging zag, ging naar
+'t huis van den Fiskaal en wierp er de glazen in. Ook aan de logementen
+[6] van _Amsterdam_ en _Rotterdam_ deed men hetzelfde. Men schold de
+afgevaardigden en vooral Mijnheer den Raadpensionaris De Witt voor
+schelmen en prinsenverraders. Ja, zoover ging men, dat een dronken
+Duitscher den Heer Jacob de Witt, den vader van den Raadpensionaris,
+aanviel en hem dreigde, "dat men hem wel zou leeren, om den Prins
+tegen te spreken." Het was jammer, dat onze betooning van gehechtheid
+aan Uwe Hoogheid zulke gevolgen had.--Wij jongens hadden dat geenszins
+bedoeld."
+
+Met genoegen had de Prins naar het verhaal van zijn kamerdienaar
+geluisterd. Hij viel weldra daarna in een gerusten slaap.
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+Een zeeman, die nog al wat te vertellen heeft.
+
+
+Wij laten den Prins slapen en willen ons den volgenden dag eens
+naar 's-Gravenhage begeven, waar wij in de _Spuistraat_ den
+pruikenmakerswinkel van Pieter Dirksz binnentreden. Sedert eenige
+jaren was die pruikenmaker er tamelijk bovenopgekomen; want er
+was in zijn vak nog al wat te verdienen, sinds de allongepruiken,
+uit Frankrijk overgewaaid, hier meer en meer in zwang kwamen. Gij
+weet immers wel, wat allongepruiken zijn, en hebt ze zeker wel eens
+op oude portretten gezien. Hoe dwaas, zult gij zeggen, als men van
+onzen Lieven Heer een goeden krullebol ontvangen heeft, een pruik op
+'t hoofd te zetten. Wat zal ik u zeggen? De mode is een grillige dame,
+en wat wij nu dwaas vinden en bespottelijk, wordt mooi, wanneer allen
+het dragen, met andere woorden, wanneer het mode is. De groote heeren
+nu van dien tijd droegen lange pruiken met krullen, die op beide zijde
+van de borst afhingen en hun een deftig en statig voorkomen gaven. Hoe
+zonderling en dwaas nu die mode ook was, zij had het voordeel, dat zij
+aan menigeen brood verschafte, en ook onze Pieter Dirksz, die vroeger
+een gering haarsnijdertje in de _Zuilingstraat_ was geweest, had het
+aan de pruiken te danken, dat hij zijn onaanzienlijke woning en zijn
+nederig bedrijf met een vrij wat beteren stand had verwisseld en thans
+den titel van _kapper_ mocht dragen. En dat alles was het werk van
+zijn oudsten zoon Karel, die, als lakei bij de Prinses Royaal in dienst
+gekomen, het door zijne oppassendheid tot 's Prinsen kamerdienaar had
+gebracht, in welke hoedanigheid wij hem in onze inleiding bij Zijne
+Hoogheid aantroffen. Karel Pietersz toch had weten te bewerken, dat
+verscheidene groote Heeren zijn vader de klandizie schonken, en de
+Prinses, wien de Oranjegezindheid van den voormaligen haarsnijder wel
+bekend was, had aan Pieter Dirksz eenig geld voorgeschoten, waardoor
+hij in staat was gesteld, zich het noodige haar te verschaffen en
+zijn stand te verbeteren. Dat geld had hij sedert lang terugbetaald.
+
+Wij treden den winkel van baas Dirksz binnen en vinden daar den tweeden
+zoon Jacob achter de toonbank zitten, bezig met het opmaken eener
+reusachtige allongepruik,--want niet alleen het vervaardigen van die
+hoofddeksels verschafte onzen haarwerker goede winsten, het onderhoud
+daarvan schonk hem geregeld werk. Wij gaan den twee-en-twintigjarigen
+Jacob voorbij en doen de glazen deur achter in den winkel open,
+waar wij in het huisvertrek den eerzamen pruikenmaker zien zitten,
+luisterende naar het verhaal van een zeeman, dien wij, ondanks zijn
+gebruind gelaat, terstond voor den jongeren broeder van Pieter Dirksz
+herkennen. Aan de tafel zit Marie, een meisje van twintig jaren,
+naar de Prinses Royaal vernoemd, en die sedert moeders dood het
+huishouden van haren vader bestuurt. Evert, die op haar volgt,
+is niet t'huis, maar bij den smid Joris Gerritsz aan 't werk;
+terwijl de veertienjarige Martha en haar dertienjarige broeder
+Pieter, de jongste van Dirksz' zestal, een aardige geestige jongen
+en vaders naamgenoot en lieveling, naar ooms vertellingen zitten te
+luisteren. Aandachtiger luisteraar echter heeft Klaas Dirksz niet
+dan zijn jongsten neef. Ziet hem daar zitten, dien blozenden knaap,
+terwijl de blauwe, zielvolle oogen onafgewend aan de lippen van den
+verhaler hangen en de hand den krullebol ondersteunt, als werd hem die
+te zwaar door al het nieuws, dat er in wordt opgenomen. Twee jaren
+geleden was zijn oom met den vice-admiraal De With, onder bevel van
+den Admiraal Jacob van Wassenaar, naar _Denemarken_ vertrokken, om
+den koning van laatstgenoemd land tegen de Zweden bij te staan. Eer
+wij echter vernemen, wat oom Klaas te verhalen heeft, moet ik u met
+een enkel woord de oorzaak van die zending mededeelen.
+
+Reeds in 1656 had de oorlogzuchtige koning van _Zweden_ Karel Gustaaf,
+door het belegeren van de stad _Dantzig_, die wij als de korenschuur
+van _Nederland_ aanmerkten, onze Staten genoodzaakt, een vloot van
+acht-en-veertig schepen naar de _Oostzee_ te zenden. Het doel van
+dezen tocht was bereikt en de vaart op de _Oostzee_ bleef vrij. Toen
+echter in 't volgend jaar de krijgskans ten nadeele van Karel Gustaaf
+liep, begreep Frederik III, koning van _Denemarken_, dat thans het
+rechte tijdstip daar was om de landen te herwinnen, die de Zweden,
+veertien jaren geleden, zijnen vader Christiaan IV ontnomen hadden. Hij
+verklaarde dus Karel Gustaaf den oorlog, waarop deze een stouten tocht
+ondernam, dien niemand vóór hem had durven wagen. Hij trok in Februari
+van 't jaar 1658 met zijn leger van slechts achtduizend man, meest
+ruiterij, over de toegevroren zee naar _Funen_, alwaar hij _Odenzee_
+en _Nyborg_ vermeesterde. Cromwells gezant, Meadow, zond hem een
+bode te paard, om hem tot den vrede aan te manen. "Hoe!" zeide de
+koning. "Kan die bode over den _Grooten Belt_, dan kunnen wij er ook
+over." Hij liet nu zijn leger oprukken en nogmaals over de bevroren
+zee trekken om den vijand in zijn land te bestoken. 't Was zoo vinnig
+koud, dat men den wijn en het bier bij stukken uit de vaten moest
+hakken; om ze te ontdooien. Midden in den nacht nam de tocht een
+aanvang. Door de menigte van paarden smolt de sneeuw zoozeer, dat er
+op sommige plaatsen wel twee voet water op het ijs stond, en men in
+de duisternis elk oogenblik vreesde in de zee te zullen verzinken.
+
+Reeds in den morgen van den volgenden dag kwam de koning op _Langeland_
+aan en ging van daar op _Laland_ en _Falster_, welke eilanden hij
+bezette. Vervolgens trok hij op _Seeland_ af, nam _Warburg_ in en
+stond op het punt om op _Kopenhagen_ af te trekken, toen Meadow zelf
+hem kwam opzoeken en er te _Rotschild_ tusschen de beide koningen een
+verdrag werd gesloten, waarbij bepaald werd, dat "zij nooit zouden
+toelaten, dat eenige vreemde oorlogsvloot door de _Sont_ of _Belt_ in
+de _Oostzee_ zou komen." Dit verbond was echter niet lang van duur;
+nog in 't zelfde jaar viel Karel Gustaaf in _Seeland_ en sloeg het
+beleg voor _Kopenhagen_. Onze Staten, die wel wisten hoe schadelijk
+het voor ons zou zijn, indien de Zweden meester werden in 't Noorden,
+besloten den admiraal van Wassenaar met een vloot naar _Kopenhagen_
+te zenden. De wakkere Kortenaar, zijn raadsman, dien wij reeds als
+kapitein op het schip van Tromp [7] ontmoet hebben, was kapitein van
+het admiraalsschip, terwijl de Vice-admiraals De With en Floriszoon
+onder Wassenaar het bevel voerden.
+
+Keeren wij thans naar de woonkamer van Pieter Dirksz terug. Zijn
+broeder Klaas, de zeeman met zijn gebruind gelaat, zijn heldere oogen
+die goedhartig uit de beenige kassen zien, zijn reeds hier en daar
+grijs geworden bruin, krullend haar, de baard en snorren om wang
+en kin, de groote, breede handen, die wel aan een mulat schijnen te
+behooren, doen terstond in hem den man herkennen, die lang aan weer en
+wind is blootgesteld geweest. Ook aan zijn spreken merkt men dadelijk
+den zeeman op, daar hij tal van spreekwoorden in den mond heeft,
+van welke de meeste hun oorsprong aan het zeeleven te danken hebben:
+vele daarvan echter zijn spreuken uit vader Cats.
+
+"Goê morgen!" begint hij, toen hij zonder eenige de minste komplimenten
+binnentreedt. "Hoe maak je 't, Pieter? En hoe varen je kinderen? Wel
+seldrement! is dat zoeken. Ik wist niet meer, waar ik mijn boeg moest
+wenden, en ik dacht, dat ik mijn bakzeil al moest in halen. Maar
+'t is met jou ook al, zooals vader Cats zegt: kunst baart gunst."
+
+"Wij zijn allen gezond, Klaas," antwoordt Pieter. "En 't schijnt,
+dat jij ook niet onder dokters handen bent."
+
+"Eilacy! Geen beter banket, dan gezond en vet, zegt Cats. Met mij is
+'t: een blij gemoed en matig goed is wonder zoet. Maar vertel mij
+eens, hoe 't je zoo voor den wind is gegaan; want je bent me een
+groote mijnheer geworden. 'k Wist niet of ik wel zou bijdraaien,
+toen ik daar voor zoo'n mooien winkel stond."
+
+Pieter Dirksz verhaalt zijn broeder, wat er met hem in die twee jaren
+is voorgevallen.
+
+"Nu," hervat deze. "Onder 't zeil is 't goed roeien. Wanneer je zulke
+bescherming hebt, is 't geen wonder ook. Als je door zulk groot volk
+gepraaid wordt, heb je maar op sleeptouw mee te varen. En nou zal ik
+je eens vertellen, wat er al met mij in die twee jaren gebeurd is."
+
+"Dat is goed, Klaas," herneemt Pieter Dirksz. "Maar zou je eerst niet
+wat gebruiken?"
+
+"Als je er dan op staat, Pieter, geef me dan een oorlam. Je weet
+wel wat ik meen, een goed glas brandewijn. Maar een ferm glas, hoor;
+want zoo'n kleintje is maar mondtergen."
+
+"En nu," hervat oom Klaas, nu hij van 't noodige voorzien is en zijn
+kort eindje pijp heeft aangestoken, "nu het zeil in top, en er op
+ingevaren. Je weet, dat ik aan boord van den vice-admiraal De With,
+zaliger gedachtenis, als stuurman geplaatst was. 't Was een dekselsch
+mooie vloot, mooier dan ooit onze havens verlaten heeft. Onze tocht was
+echter niet zeer voorspoedig; want eerst den 3den November kwamen wij
+in de nabijheid der _Sont_. Toen ging 't er op los. Wij moesten door
+twee vuren heen en tegen het vuur in. Aan onze linkerhand hadden wij
+het kasteel _Helsingborg_, aan onze rechter het slot _Kronenburg_,
+door de Zweden op de Denen veroverd, en vlak voor ons de Zweedsche
+vloot onder Graaf Karel August Wrangel."
+
+"Is die niet vroeger een jaar in ons land geweest, om zich met de
+zeewezen bekend te maken?"
+
+"Wel mogelijk. Je wordt meest gebeten door je eigen
+honden. Intusschen--onze De With, die de voorhoede kommandeerde, dacht:
+goede moed is het halve teergeld! Met zijn "Brederode", het schip,
+waarop Tromp zoo menige zege op den vijand bevocht, stort hij zich
+als een leeuw door de regenbui van kogels heen, die ons van drie
+kanten te gemoet worden gezonden. Ik sta aan het roer zoo bedaard
+als ik hier zit, terwijl de blauwe boonen mij om de ooren fluiten."
+
+"Hé, oom!" roept Pieter uit. "En werdt u niet bang?"
+
+"Bang, Pieter! Ik bang? Kom, smidskinderen zijn wel vonken gewoon,
+dacht ik, en als er geen kogel bij is waar je naam op staat, zal
+je er wel goed door komen. En zoo stuur ik recht door de voorhoede
+heen tot vlak bij den vijandelijken admiraal.--"Bijdraaien!" roept De
+With, en op het oogenblik dat ik het schip van Wrangel praai, "pang,
+pang, pang!" daar krijgt hij de volle laag. Hij keek, alsof hij het
+te _Keulen_ had hooren donderen, die Zweed; het kwam hem ook zoo
+onverwachts op het lijf. Maar wij laten hem geen tijd tot bezinnen;
+want met beter te hopen is de tijd verloopen, en onze admiraal, die
+begreep dat hem de eer toekwam om het admiraalsschip te bevechten,
+vaart hem aan het andere boord, en geeft hem ook de volle laag,
+waardoor de Zweed zijn roer verliest en zich genoodzaakt ziet onder
+_Kronenburg_ te loopen."
+
+"Nu, dat was ferm, oom!" roept Pieter verheugd uit. "Dat had hij net
+verdiend, om hier het zeewezen te leeren en dan zijn kunst tegen ons
+te gebruiken."
+
+"Dat is nu tot daaraan toe, jongen! Uilen vliegen met geen bonte
+kraaien, en Wrangel was van ouder tot ouder een Zweed en moest dus
+zijn land voorstaan. De vice-admiraal intusschen beveelt mij te
+wenden, voort gaat het, en "pang, pang, pang!" sturen wij het schip
+van Bielkenstjern insgelijks wat blauwe boonen in de romp. Maar twee
+Zweedsche schepen kwamen hem te hulp en nu was het één tegen drie."
+
+"Dat is valsch," valt Pieter zijn oom in de rede. "Een tegen een
+is het altijd bij ons jongens, als wij vechten. Drie tegen een is
+geen partuur."
+
+"Maar, Piet," herneemt oom Klaas, "in den oorlog vraagt men niet
+naar partuur; daar doet men zijn best om elkander te vernielen. Onze
+dappere vice-admiraal intusschen was geen kat om zonder handschoenen
+aan te tasten. Hij gaf hun het lapje vrij duur, hoor; want het was
+hier terecht: bloô Jan, doô Jan. Een der beide aanvallers vloog
+in de lucht, de andere liet ons zijn achtersteven zien en koos het
+hazenpad; alleen Bielkenstjern bleef vechten als een leeuw. Maar wat
+wilde het ongeluk? De snelle stroom deed de beide schepen wegdrijven
+en aan den grond geraken. Het roer zat als gemetseld. Dat merkte een
+Zweed. Men moet het ijzer smeden, terwijl het heet is, dacht hij,
+en gaf ons de volle laag."
+
+"Dat was laf!" roept Pieter uit, terwijl zijne oogen vlammen
+schieten. "Een weerloozen vijand mag men niet aanvallen."
+
+"Je weet alweer niet, hoe het in den oorlog toegaat, Pieter," herneemt
+de oom. "En onze De With toonde maar al te goed, dat hij niet weerloos
+was; want twee uren lang hield hij het uit, ofschoon ons schip door
+de kogelgaten wel een zeef geleek en zoo lek was als een mand. Maar,
+wat drommels jammer was en mij geweldig speet: twee kogels troffen
+den dapperen vice-admiraal. "Jongens! houdt moed!" riep hij. En de
+jongens hielden moed, dat verzeker ik je. Maar tegen de Bierkâ is
+het kwaad vechten. De Zweden enteren onzen "Brederode" en springen
+er in menigte op over. De arme De With, door bloedverlies uitgeput,
+kan niet meer staan. Hij valt op de knieën en zwaait nog den degen,
+terwijl hij volstandig weigert zich over te geven. Eindelijk is
+hij geheel en al uitgeput, men grijpt hem aan en sleurt hem van het
+schip. Stervend vestigt hij nog de brekende oogen op zijn vaartuig. En
+ziet, zijn wensch wordt vervuld: "de Brederode" valt geen vijand
+in handen: het water dringt door de menigte van kogelgaten heen,
+het schip zinkt als een baksteen."
+
+"Dat was ferm!" vindt Pieter, terwijl hij in de handen klapt. "Nu
+had die leelijke Zweed er toch niets bij gewonnen."
+
+"Dat had hij niet. Maar zeg niet leelijke Zweed. De bevelhebber van
+het vijandelijke schip had zijn plicht gedaan, evenals wij. En weet
+gij wat Koning Karel Gustaaf deed? Toen het lijk van den dapperen
+vice-admiraal te _Elseneur_ aan wal werd gebracht, stond de edele
+vorst, in rouwgewaad gekleed, omringd door zijn ganschen hofstoet om
+het met eere te ontvangen en kon hij zijne tranen niet bedwingen."
+
+"Dat vind ik nu heel mooi," hernam Pieter. "Maar wat had de admiraal
+Van Wassenaar in al dien tijd gedaan, oom?"
+
+"Die had gevochten als een leeuw. Ofschoon een derde van zijn
+scheepsvolk gekwetst of gedood was, zijn boeg en konstabelkamer
+in brand waren geraakt, zijn want grootendeels was afgeschoten,
+de romp van zijn schip vol kogelgaten zat, en het water reeds in
+het hol steeg, bleef hij den ongelijken strijd tegen de vijandelijke
+schepen volhouden, terwijl hij bedaard bleef zitten in een stoel vóór
+de kampanje."
+
+"Was hij dan zoo moe?"
+
+"Wel neen; maar hij had zoo geducht de jicht, dat hij niet kon staan
+of loopen; dus moest hij wel zitten. Eindelijk liepen de vijanden
+van hem af en zeilde hij naar de vloot bij _Kronenburg_ terug. De
+Zweden hadden zeven schepen verloren, waarvan drie den onzen in
+handen waren gevallen; wij slechts "de Brederode" en drie verbruikte
+branders. Jammer maar, dat wij onder de dooden de beide vice-admiralen
+Witte Corneliszoon de With en Floriszoon telden [8].
+
+"Maar oom! Hoe ging het met u? Gij zijt toch niet met "de Brederode"
+gezonken?"
+
+"Domme jongen! Dan zou ik niet hier zitten. Ik werd met al mijn
+kameraads gevangen genomen en te _Elseneur_ in den kerker gezet. Daar
+zaten wij den geheelen winter met ons twaalven in een donker,
+vochtig hok te brommen. Maar wij besteedden onzen tijd goed. Wij
+hadden opgemerkt, dat langs onze gevangenis de gracht van het kasteel
+stroomde, en nu besloten wij, de traliën los te vijlen en zoo de
+haven uit te raken. Dat ging echter zoo gemakkelijk niet; want wij
+hadden geen gereedschap. Een onzer echter had zijn "kortjan" weten
+te verbergen, en nu maakten wij daarmede steenen uit den muur los,
+die wij scherp slepen en waarmede wij langzamerhand de dikke ijzeren
+staven doorvijlden. Dat kon echter alleen 's nachts gebeuren. 's
+Morgens maakten wij het gevijlde met wat brood met vijlsel vermengd
+toe; met hetzelfde brooddeeg verborgen wij de plaats der uitgebroken
+steenen. 't Was echter eerst in de laatste helft der maand, dat onze
+reuzenarbeid voltooid was. Op zekeren donkeren regenachtigen nacht
+lichtten wij de ankers, namen de reeds losgemaakte tralies uit,
+kwamen zoo in de gracht, zwommen over en laveerden op handen en
+voeten langs den grond tot in een klein kreupelbosch, niet ver van
+het kasteel, dat wij uit onze gevangenis hadden kunnen zien en tot
+ons vereenigingspunt bestemd hadden. Van hier wendden wij den boeg
+regelrecht zuidwaarts, steeds reizende bij nacht, en bij dag ons
+verbergende. Eindelijk kwamen wij aan de zee, en, verbeeldt u onze
+blijdschap, toen er eensklaps, niet ver van de kust, een vloot voor
+ons lag en wij, bij het schijnsel der maan, de Statenvlag van de
+masten zagen wapperen. Wij sprongen in zee en zwommen naar 't eerste
+schip het beste. 't Was "Het huis te Zwieten", op hetwelk de dappere
+vice-admiraal De Ruyter het bevel voerde, die den 20sten Mei met
+een vloot van 40 linieschepen tot versterking van Wassenaar naar 't
+Noorden afgezonden was. Wij werden terstond met opene armen ontvangen
+en op verschillende schepen ingedeeld. Ik kwam als tweede stuurman op
+"Het huis te Zwieten" en bleef verder op dien bodem."
+
+"Zoodat gij dus in de onmiddellijke nabijheid van den dapperen Zeeuw
+waart," hervatte Pieter Dirksz.
+
+"Juist. Onze vloot vereenigde zich kort daarna met die van
+Wassenaar. 't Was een statig gezicht, die vijf-en-twintig
+oorlogsschepen met hare galjoten en branders te zien zeilen, een
+gezicht, dat mij het hart onder het baaitje deed zwellen. In het begin
+van November echter keerde de admiraal van Wassenaar, die ernstig
+ongesteld was, naar het vaderland terug, en De Ruyter behield nu,
+volgens last der Staten, het opperbevel over de geheele vloot, die
+koers zette naar het eiland _Funen_, dat nog altijd in de macht der
+Zweden was. Het krijgsvolk werd onder aanvoering van den ritmeester
+Hendrik van Fleury, heer van Buat, te _Kartemunde_ ontscheept. Dat ging
+echter zoo gemakkelijk niet. Aan de eene zijde stonden twee, en aan de
+andere zijde drie regimenten Zweedsche ruiters, terwijl de dragonders
+de stad bewaarden. Men opende een hevig kartetsvuur op onze sloepen,
+in een van welke zich De Ruyter bevond, die een oog in het zeil wilde
+houden. Ik zat aan het roer en de kogels floten mij om de ooren."
+
+"Nu werdt gij toch zeker wel bang, oom?" vraagde Pieter.
+
+"Wel neen.--In zulke gevallen moet men het woord vrees slechts bij
+naam kennen, evenals onze De Ruyter. Toen hij zag, dat er eenigen van
+de onzen sneuvelden, riep hij onophoudelijk: "Valt aan, mannen! Valt
+aan, of gij zult allen samen vermoord worden."
+
+Nu sprong de ritmeester Buat, die vroeger page bij Prins Willem
+II was geweest, met het rapier in de vuist tot zijn middel in het
+water. "Mannen!" riep hij, "dat gaat u voor! Volgt mij na!" Door dit
+voorbeeld aangemoedigd, volgden de soldaten met gansche hoopen hem
+na, waadden door de zee, tastten de Zweedsche ruiters manmoedig aan,
+en overwonnen hen na een hardnekkigen tegenstand. Eenige dagen later
+vereenigden zij zich met de Keizerlijke, Brandenburgsche en Poolsche
+hulpbenden, rukten gezamenlijk op de Zweden aan, overwonnen hen en
+dwongen hen, met achterlating van al hun geschut, binnen _Nijborg_
+te vluchten. Nu stevende ook De Ruyter met de vloot derwaarts,
+bracht de forten, die de haven beschermden, tot zwijgen, zeilde tot
+voor de stad en beschoot haar zoodanig, dat zij zich met het leger
+overgaf. Groot was over deze overwinning de vreugde in _Kopenhagen_,
+in welke stad wij den 15den December aankwamen. 't Was fel koud en
+het vroor, dat het kraakte. Drie dagen lang duurde het, eer de vloot
+door het ijs heen binnen de haven was, waar zij zou overwinteren. Den
+zeventienden werd de vice-admiraal met andere hoogere bevelhebbers
+bij den koning van _Denemarken_ ter maaltijd genoodigd, waar zij
+prachtig onthaald werden en groote eere genoten. Eenige dagen later
+kwam de Deensche admiraal Bielke aan ons boord en schonk De Ruyter,
+uit naam van zijn koning, een gouden keten van groote waarde."
+
+"Die had ik wel eens willen zien," riep Pieter uit. "Hoe was die
+keten, oom?"
+
+"'t Was een vier- of vijfdubbele schakel, kunstig ineengevlochten;
+koningin Sophia Amalia had er eigenhandig een gedenkpenning van goud
+aan vastgehecht, op welks eene zijde 's Konings borstbeeld stond,
+omzet met twee en veertig diamanten; aan de keerzijde zag men een
+oorlogsschip in zee en onderaan hing een schoone parel.--Grooter
+eer evenwel genoot de vice-admiraal, toen wij, een maand geleden
+uit _Denemarken_ vertrokken. De koning toch verhief hem en zijne
+nakomelingen tot den adelstand en voegde daar een jaarwedde van
+tweeduizend gulden bij."
+
+"Dat was heel mooi van dien koning van _Denemarken_," zeide Pieter. "En
+hoe kwam het, dat de vloot niet langer in _Denemarken_ behoefde
+te blijven?"
+
+"Wel, de koning van _Zweden_ was in Februari van dit jaar plotseling
+overleden, en daardoor was de vrede tusschen de Noordsche mogendheden
+den 16den Juli gesloten. Wij wachtten dus slechts, tot de laatste Zweed
+_Denemarken_ verlaten had, gingen den vijftienden der vorige maand
+onder zeil en kwamen den derden September 't _Vlie_ binnen, waar de
+verschillende schepen van elkander scheidden. Wij zetten koers naar
+_Amsterdam_. Op de _Zuiderzee_ was De Ruyter bijna verongelukt. Een
+schip overzeilde ons en, had de vice-admiraal zich niet aan een touw
+vastgehouden, hij ware reddeloos verloren geweest."
+
+"Hoe gaat het, vader!--Hé! oom! Gij hier? Altijd wèl geweest? Dag
+Marie, dag Martha, dag Pieter!" klonk het eensklaps. Allen keken op,
+en zagen Karel voor zich staan.
+
+"Hoe kom jij zoo eensklaps uit de lucht vallen, Karel?" was de vraag
+van den verbaasden Dirk Pietersz.
+
+"Ik ben zoo straks met Zijne Hoogheid van _Leiden_ gekomen, daar hij
+afscheid wil nemen van Hare Koninklijke Hoogheid de Prinses Royaal,
+eer zij naar _Engeland_ gaat."
+
+"En die van morgen vroeg reeds vertrokken is," zeide Marie, "Je bent
+dus te laat gekomen, Karel."
+
+"Dat zijn wij. Gisteren ontving de Prins een brief van zijne
+Doorluchtige moeder; maar Zijne Hoogheid was buiten staat om de reis
+te aanvaarden, daar hij aan hevige hoofdpijn leed."
+
+"Nog altijd die hoofdpijn," zeide Marie. "De Prins schijnt een
+martelaar van die kwaal te zijn."
+
+"Dat is hij," antwoordde Karel. "Eerst heden na den middag bevond
+zich Zijne Hoogheid in staat, den tocht naar 's-_Gravenhage_ te
+aanvaarden, en nu wij hier komen, vinden wij niet alleen de Prinses
+Royaal vertrokken, maar ook Hare Hoogheid de Prinses-weduwe, op het
+paleis op het _Binnenhof_."
+
+"En ik meende gehoord te hebben, dat Prinses Amalia zich te _Turnhout_
+bevond en van daar naar _Kleef_ was gereisd, omdat zij Hare Koninklijke
+Hoogheid niet gaarne vaarwel zeide," merkte Marie aan.
+
+"Je bent zeer goed onderricht, Marie," hervatte Karel. "De
+Prinses-weduwe reisde naar _Kleef_ en zond van daar een edelman naar de
+Prinses Royaal, om haar gelukkige reis te wenschen en Harer Hoogheid te
+verklaren, dat zij bereid was over te komen, bijaldien Prinses Maria
+dat wenschte. Intusschen schijnt zij later van gevoelens veranderd
+te zijn en is haar te gemoet gereisd naar _Den Briel_. Doch Prinses
+Maria was, hetzij opzettelijk of toevallig, bij hare komst reeds naar
+_Hellevoetsluis_ vertrokken, waarop de Prinses-weduwe terstond naar
+'s-_Gravenhage_ is doorgereisd. Zijne Hoogheid de Prins is op dit
+oogenblik bij haar."
+
+Inderdaad was Prinses Maria reeds in den vroegen morgen van dien
+Woensdag vertrokken. Te _Delftshaven_ gekomen, wachtte haar daar een
+ontbijt, haar door de Vroedschap aangeboden. Na het ontbijt begaf zij
+zich in een jacht, dat haar naar _Brielle_ overvoerde, alwaar zij op
+kosten der stad met een keurig diner werd ontvangen. Ook hier hield
+zij zich niet langer op dan noodig was, maar vertrok terstond na
+het diner naar _Hellevoetsluis_, gelijk wij uit Karels vertelling
+gehoord hebben. Wij willen dezen laatste thans zijne bijzondere
+familie-aangelegenheden laten bespreken en begeven ons liever eens
+naar het _Binnenhof_ te 's-_Gravenhage_, om er den Prins bij zijne
+grootmoeder te zien aankomen. Doch dit in een volgend Hoofdstuk.
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+Waarin verhaald wordt, hoe de Prins zijne moeder nareisde.
+
+
+Wij begeven ons in een der vertrekken op het _Binnenhof_ aan de
+rechterzijde der _Stadhouderspoort_, door de Prinsen van _Oranje_
+bewoond. De kamer, die wij binnentreden, heeft aan den eenen kant een
+ruim uitzicht over het _Buitenhof_, terwijl aan de tegenovergestelde
+zijde de vensters op het _Binnenhof_ uitkomen. Zware roodzijden
+damasten gordijnen met oranjezijden koorden hangen voor die vensters
+en beletten voor een groot gedeelte het licht, binnen de kamer
+te dringen. Het goudlederen behangsel, op 't welk in de rondte
+de levensgroote portretten der doorluchtige prinsen van _Oranje_
+hangen, brengt niet veel toe, om de kamer vroolijker te maken. Keurig
+steekt daartegen de hooge, wit marmeren schoorsteen af, boven welken
+zich een heerlijk schilderstuk bevindt en tegenover welken een
+prachtige venetiaansche spiegel met vergulde lijst de kamer als 't
+ware verdubbelt. Aan weerszijde van dien spiegel bevindt zich een met
+roodfluweel overtrokken divan, voor welken smyrnasche karpetten liggen,
+terwijl naast den schoorsteen aan elke zijde een kunstig uitgesneden
+en gebeeldhouwd buffet staat, waarop de zilveren kannen, het kristal en
+het fijne Chineesche porselein getuigen van den rijkdom der bewoners.
+
+Op een grooten leunstoel van ebbenhout, met rood fluweel bekleed,
+door goud galon afgezet, en in welks hooge rugleuning het wapen der
+Prinsen van _Oranje_ is gebeeldhouwd, zit een dame van ruim vijftig
+jaren, in blauw satijn gekleed, een rijk parelsnoer om den hals,
+het nog schoone gelaat in diepe gedachten naar den kant van het
+_binnenhof_ gewend, het hoofd ondersteund door den blanken arm,
+die op het marmeren blad der rijk vergulde tafel rust. Die vrouw is
+de trotsche en doorluchtige Amalia van Solms, de weduwe van Prins
+Frederik Hendrik van _Oranje_, de grootmoeder van Prins Willem Hendrik.
+
+Het schijnt, dat de gedachten, die haar brein doorwoelen, juist geen
+aangename zijn; want nu en dan fronst zij de wenkbrauwen en trekt er
+een donkere wolk over haar voorhoofd. In hare overpeinzingen wordt zij
+gestoord door het getrappel van eenige paarden, die het _binnenhof_
+oprijden. Zij ziet op en onderscheidt terstond haren kleinzoon, die
+naast zijn goeverneur vooruitrijdt, en die, zwak en ziekelijk als
+hij is, wanneer hij te paard zit een geheel ander wezen schijnt te
+zijn en vol ridderlijkheid in houding en gebaren, zijne afkomst van
+het edele Oranjegeslacht niet verloochent.
+
+"Te laat--ook al te laat!" mompelt Amalia, terwijl zij de zilveren
+schel van de tafel neemt, op wier geluid haar kamerdienaar achter het
+rood lakensch behangsel met gouden passement, dat de deur verbergt
+en voor tocht vrijwaart, te voorschijn komt.
+
+"Verzoek Zijne Hoogheid, terstond bij mij te komen. Zeg aan den Heer
+Van Zuijlestein, dat de Prins een paar uren rust moet nemen."
+
+De kamerdienaar buigt zich op deze woorden, uitgesproken met een
+stem, blijkbaar aan bevelen gewoon, en gaat heen, om het gebod zijner
+gebiedster te volbrengen. Eenige oogenblikken daarna treedt de Prins
+binnen. Gij zoudt in hem dien bleeken, matten knaap van gisteren
+niet herkend hebben, zoo had de heerlijke rit hem verkwikt. De
+frissche wind, die door zijne blonde lokken gespeeld had, had aan
+zijne wangen een ongewonen blos gegeven en de zuivere lucht, welke
+zijne longen zoo ruimschoot hadden ingeademd, hadden aan die heldere
+oogen een verhoogden glans geschonken. Een eenvoudig donker blauw
+fluweelen wambuis omsloot de tengere leden; de hozen van dezelfde
+kleur, met galon op de zijnaden, waren aan de knieën vastgestrikt,
+terwijl een bandelier van oranjezijde hem dwars over de borst
+hing. Zwijgend stond hij voor zijne grootmoeder; want het was toen,
+evenals tegenwoordig, fatsoenlijk, dat kinderen zwegen, totdat oudere
+menschen hen aanspraken.
+
+"Gij komt van _Leiden_, Willem?" begon de Prinses-weduwe half op
+vragenden, half op stelligen toon.
+
+"Om u te dienen, grootmoeder," antwoordde de vorstelijke knaap, terwijl
+hij verlegen met de karwats speelde, die hij nog in de hand hield.
+
+"Gij komt te laat, mijn jongen!" hernam de Prinses. "Hare Koninklijke
+Hoogheid heeft goedgevonden vroeg af te reizen en haastig voort te
+trekken. Haar verlangen naar _Engeland_ schijnt te domineeren over
+hare liefde tot u."
+
+Op deze bittere woorden richtte de Prins het hoofd fier op, een
+meer dan gewoon vuur flikkerde in zijn oog, hij wilde iets scherps
+antwoorden. Maar reeds gewoon zich te bedwingen, fonkelde dat oog
+slechts een oogenblik,--het volgende stond het rustig, en bedaard
+antwoordde hij:
+
+"Ik had reeds gisteren hier moeten zijn, mevrouw. Ik ontving tijdig
+genoeg bericht."
+
+"En waarom zijt gij dan niet gekomen?"
+
+"Ik leed weder aan furieuze hoofdpijn, zoodat ik naar bed moest. Van
+morgen stond ik laat op en moest de komst van den dokter afwachten,
+die mij permissie tot de reis moest geven. Ik hoop echter...."
+
+"Gij hoopt.... Ik dacht, Hare Koninklijke Hoogheid nog in _Den Briel_
+te zullen vinden, waar zij door de vroedschap geregaleerd is; maar
+zij was reeds naar _Hellevoetsluis_ vertrokken. Mij luste het niet,
+Haar na te reizen."
+
+"Op uwe jaren is dat ook niet te verwachten," antwoordde de
+Prins. "Maar op welke wijs zal mijne moeder naar _Engeland_
+vertrekken? De ontvangen brief meldde mij dienaangaande niets. Het
+schijnt ook, dat het vertrek onverwacht is opgekomen."
+
+"Er zijn acht of tien koninklijke schepen door uwen oom Karel II
+gezonden en te _Goedereede_ gearriveerd. Wij hadden die vloot nog
+niet zoo spoedig verwacht."
+
+"Dan zullen mijne ooms York en Glocester er zeker wel bij zijn,"
+hervatte de Prins.
+
+"De hertog van _Glocester_ ligt gevaarlijk ziek aan de kinderpokken,"
+hernam de Prinses, "en dientengevolge is de hertog van _York_ ook in
+_Engeland_ gebleven. Ik verneem, dat de Heeren _Montaigne_, _Oreal_
+en _Berklay_ op de vloot zijn."
+
+"'t Zal moeder wel leed doen," hervatte de Prins. "Zij houdt innig
+veel van mijn oom Glocester."
+
+"'t Is een Engelschman!" prevelde Amalia. "Ik heb order gegeven,
+dat gij twee uren rust moet houden," hernam zij luider tot haren
+kleinzoon. "Gij moet uwe delicate gezondheid soigneeren."
+
+"Ik zal mij aan uwe orders onderwerpen," antwoordde de Prins, die zich
+hield, alsof hij de eerste woorden niet verstaan had, "ofschoon mij het
+paardrijden en de beweging in de vrije lucht geen fatigue zijn, maar
+een recreatie. Hoe vaart Mijnheer De Witt?" vraagde hij eensklaps, om
+niet te doen merken, hoe onaangenaam hem het bevel van vertoeven was.
+
+"De Raadpensionaris bevindt zich, zoo ver mij bewust is, gezond en
+wel. Zijne edelheid zal u waarschijnlijk wel met een bezoek honoreeren,
+als hij verneemt, dat gij hier zijt."
+
+De Heer Van Zuijlestein trad op dit oogenblik de kamer binnen. Ik
+vrees echter, mijne lezers te vervelen, met al de gesprekken mede te
+deelen die er gevoerd werden. Twee uren later zat de Prins weder in den
+zadel en reed, door zijn goeverneur en gevolg vergezeld, over _Delft_
+naar _Maassluis_, in welke laatste plaats men den nacht doorbracht,
+om den volgenden dag vroegtijdig naar _Den Briel_ over te varen en
+zich van daar terstond naar _Hellevoetsluis_ te begeven.
+
+
+
+De volgende morgen, Donderdag, de laatste dag van Herfstmaand, was,
+zooals de herfstmorgens gewoonlijk zijn, frisch en koud en voorspelde
+een schoonen dag. De Prins was reeds vroegtijdig bij de hand in
+de kleeren.
+
+"Reeds zoo vroeg op, Willem!" zeide Zuijlestein, toen hij de kamer
+van den Prins binnentrad.
+
+"Nog te laat, vrees ik, Zuijlestein," gaf de Prins ten
+antwoord. "Indien ik gisteren mijn zin had kunnen doen, hadden wij
+ons in 's-_Gravenhage_ ten hoogste een kwartier opgehouden."
+
+"De rit zou te vermoeiend voor u geweest zijn!" antwoordde de
+goeverneur.
+
+"Dwaasheid, Zuijlestein. Maar gij kent mijne grootmoeder. Haar haan
+moet koning kraaien, en wat zij begrijpt is wet. Het zal _haar_
+schuld zijn, als ik mijne moeder niet meer te _Hellevoetsluis_ vind."
+
+"De Prinses Royaal zal wel op u wachten, Willem," antwoordde
+Zuijlestein.
+
+"Indien de oostenwind geen oorzaak is, dat men van het tij heeft
+geprofiteerd en reeds onder zeil is. Het zou mij eene grief zijn,
+als ik mijne moeder niet zag. Het kon voor het laatst wezen. Zij is
+en blijft toch mijne moeder."
+
+"Wij zullen dadelijk vertrekken, Willem," hervatte Zuijlestein. "Eerst
+echter zult gij iets gebruiken. De koude morgenlucht op de _Maas_
+zou u kwaad doen."
+
+"Mochten wij, te _Hellevoetsluis_ komende, bevinden, dat de vloot
+reeds vertrokken is, dan steken wij in zee," hernam de Prins.
+
+"Zeer goed, er zal daartoe gelegenheid in overvloed zijn."
+
+Nadat de overtocht naar _Brielle_ volbracht was, reed de Prins met
+zijn gevolg naar _Hellevoetsluis_, waar men vernam, dat de vloot reeds
+sedert een paar uren met gunstigen wind onder zeil was gegaan. Zonder
+tijd te verzuimen, begaven zij zich nu in een galjoot; de zeilen
+werden gespannen en, daar het lichte vaartuig sneller door het water
+sneed dan de logge Engelsche schepen, waren zij binnen weinig tijds
+de laatste op zijde.
+
+Weldra praaide het galjoot de bark met de koninklijke vlag
+van _Engeland_ in top, in welker rood kruis met groote letters
+C. R. (Carolus Rex.--koning Karel) geborduurd was; men liet de keurige
+statietrap af; onze Prins, door zijn gevolg vergezeld, klom aan boord
+en begaf zich naar de sierlijke kampanje, aan alle zijden met spiegels
+van venetiaansch glas voorzien, vol rijk vergulsel, en waar op rood
+fluweelen kussens met goud geborduurd en dito kwasten, Prinses Maria
+van _Engeland_, de Weduwe van den Stadhouder Willem II, gemakkelijk
+lag uitgestrekt. Rondom haar stonden of zaten de Engelsche heeren,
+prachtig uitgedoscht in hunne fluweelen mantels, satijnen vesten en
+hozen, met gouddraad doorwerkte kousen en nette, hooggehakte brodequins
+(laarsjes) met gouden gespen of sierlijke strikken.
+
+Te midden van al die pracht zat de Prinses van _Oranje_ en naast
+haar de gravin van _Chesterfield_, hare trouwe vriendin, terwijl hare
+kamervrouw Howard zich in een hoekje bij den ingang had nedergezet. Zij
+was een schoone vrouw, die Maria van _Engeland_. Haar goed gevormd
+gelaat met tot in den blanken hals krullend haar getooid, met dien
+gebogen neus en die donkere oogen, dien welgevormden ofschoon niet
+zeer kleinen mond, had nog al den blos der jeugd. De wit satijnen
+japon, aan den hals laag uitgesneden, deed een snoer paarlen zien,
+welker waarde ik niet durf berekenen.
+
+"Wees welkom, Willem!" zeide zij, terwijl zij hem een kus op
+het voorhoofd gaf. "Gij hebt goed gedaan, dat gij mij nagereisd
+zijt. Waarom hebt gij zoo lang getoefd?"
+
+"Ik had eergisteren zware hoofdpijn, moeder," antwoordde
+Willem. "Gisteren heb ik 't niet verder kunnen brengen dan
+tot _Maassluis_, en toen ik te _Hellevoet_ kwam, vond ik u
+vertrokken. Mijne grootmoeder heeft mij verzocht, u hare gebiedenis
+te doen; ook zij hoopte u gisteren te _Brielle_ te rencontreeren. U
+niet vindende, is zij geretourneerd naar 's-_Gravenhage_, waar ik
+haar gesproken heb."
+
+Een lichte glimlach plooide zich om de lippen der vorstin.
+
+"En hoe is het u gelukt, zoo spoedig een schip gereed te vinden, om u
+herwaarts te brengen? Gij zijt zeker vroeg uit _Maassluis_ vertrokken."
+
+"Een bode, die een brief voor u overbrengt, had het galjoot reeds
+zeilvaardig doen maken; zoodat wij slechts hadden in te stappen en
+terstond op reis gingen."
+
+"Een bode voor mij met een brief?" hernam de Prinses.
+
+Een der heeren reikte der Prinses een rouwbrief met een groot
+zwart zegel over. Het adres was in het Engelsch geschreven. Toen
+de Prinses den brief aanvatte, verbleekte zij. Zij brak hem haastig
+open, doch nauwelijks had zij er de oogen ingeslagen, of zij riep in
+'t Engelsch uit:
+
+"Mijn broeder, de hertog van _Glocester_, is overleden, mijne heeren!"
+
+De hertog van _Glocester_ was de meest geliefde broeder der Prinses. En
+nu dood! Juist op het oogenblik, dat zij gehoopt had, hem te zien!--Het
+zou nu een treurige reis zijn naar _Londen_.
+
+Toen de eerste droefheid wat bedaard was, maakte de Prins zich gereed,
+om afscheid te nemen van zijn moeder. Weinig dacht hij, dat de kus,
+dien zij hem op het voorhoofd drukte, de laatste zou zijn, dien hij
+van haar ontving.... Willem Hendrik van _Oranje_ nam voor altijd
+afscheid van zijn moeder.
+
+De Prins keerde naar _Den Haag_ terug en vertrok weder naar
+_Leiden_,--de Prinses kwam den 2den October gezond en frisch te
+_Londen_ aan, alwaar zij door hare beide broeders, koning Karel II
+en den hertog van _York_ (later Jacobus II) ontvangen en met het
+losbranden van het geschut begroet werd.
+
+Prins Willem Hendrik zag zijne moeder niet terug. In de laatste
+helft van December werd ook zij door de ziekte aangetast, waaraan
+haar gemaal en haar broeder bezweken waren. Aan geneesheeren ontbrak
+het haar niet,--maar wat vermogen die, wanneer de dood in het spel
+is? De dokters zeiden, dat de Prinses drie ziekten te gelijk had:
+roodvonk, mazelen en kinderpokken. Terstond werd er bericht aan den
+Prins en zijne grootmoeder gezonden. Gij kunt denken, hoe verlangend
+Zijne Hoogheid naar tijding was. Het ging echter toen zoo gemakkelijk
+niet, om brieven uit _Engeland_ te krijgen; vooral in den winter,
+wanneer de scheepvaart gestremd was. Eindelijk, tegen het midden van de
+maand Januari 1661, kwam de tijding, dat de Prinses den 3den van die
+maand het tijdelijke met het eeuwige had verwisseld. Tot haar laatste
+oogenblik was zij volkomen bij haar verstand gebleven. Een half uur
+vóór haar overlijden had men haar nog gelaten op den voet, hetgeen haar
+blijkbaar verlichting schonk en in een sluimering deed vallen. Kort
+vóór haar verscheiden maakte zij haar testament, waarbij zij haren
+koninklijken broeder bad, te zorgen voor den persoon en de belangen
+van haar zoon. Tevens had zij begeerd, zonder eenige statie te worden
+begraven bij haren "lieven broeder", den hertog van _Glocester_. Aan
+de gravin van _Chesterfield_ en hare kamervrouw Howard had zij elk £
+400 (f 4800) gelegateerd. Dit testament was gemaakt in _White-hall_,
+en onderteekend door de heeren Edward Ker, Robert Whyte en William
+Dyke. Door middel van onzen gezant in _Engeland_; kregen Prins Willem
+en zijne grootmoeder een copie van den inhoud van dat testament.
+
+Zoo stond de ruim tienjarige Willem Hendrik nu alleen op de wereld,
+zonder beschermer en verdediger, te midden van een hem vijandige
+partij (de Loevesteinsche factie).--Geen wonder, dat hij in de kunst
+van veinzen, hem reeds zoo eigen, groote vorderingen maakte. Dit
+sterfgeval diende tevens, om den Prins meer en meer aan den invloed van
+_Engeland_ te onttrekken, hetgeen zijne partij als een ramp beschouwde,
+maar zijne tegenstanders met welgevallen zagen.
+
+Wij willen, eer wij dit hoofdstuk eindigen, nog even naar den winkel
+van Pieter Dirksz terugkeeren, dien wij aan het einde van ons vorig
+hoofdstuk verlaten hebben. Oom Klaas bleef acht dagen lang bij zijn
+broeder en vertrok toen weer naar zee. Dat verblijf was voor onzen
+Pieter Pietersz een tijd van genot, en wanneer hij met zijn oom
+wandelde, hetzij naar _Scheveningen_ of in het _Bosch_, of over de
+duinen, moest die hem vertellen van de zee en van de schepen en van
+het leven der matrozen, kortom van al wat op de zeevaart betrekking
+had. Dit boeide den knaap zoodanig, dat hij vast besloot, zeeman te
+worden en, den dag vóór ooms vertrek, dezen dit besluit mededeelde.
+
+"Maar, beste Pieter," zeide oom Klaas. "Men kan geen paard al loopende
+beslaan. Je bent eerst twaalf jaren. Je bent nog te jong om het zeegat
+te kiezen."
+
+"Te jong, oom? En Michiel Adriaanszoon de Ruyter dan? Die was nog
+maar tien."
+
+"Dat was een geheel ander geval, Pieter," antwoordde de oom. "Het
+was toen een geheel andere tijd, en daarenboven De Ruyter voer ter
+koopvaardij. Ook was hij een ondeugende knaap, en zooals vader Cats
+zegt: De zee maakt dwee."
+
+"Maar kan ik dan ook niet ter koopvaardij varen, oom?"
+
+"Dat kun je. Maar je vader zal het nooit toestaan, dat je ter zee
+vaart. Je weet ook niet, welk een hard leven het is, vooral voor jou,
+die zoo pas uit je vaders huis komt. Jongen, ik heb er ondervinding
+van; ik weet best, waar hem de schoen wringt."
+
+"Ik zal het mijn vader vragen," hernam Pieter. "En gij zult toch wel
+mijn advokaat willen zijn, oom?"
+
+"Ik je advokaat? Die noten wil smaken, die moet ze kraken. Je kunt toch
+niet van je oom verwachten, dat die tegen zijn gemoed spreekt? Als
+je eens een paar jaren ouder zijt en je blijft in het zelfde zog
+doorvaren--welnu, dan is het een geheel andere zaak. Licht zou het
+anders met je zijn: twaalf ambachten, dertien ongelukken."
+
+Pieter antwoordde niet, maar besloot er toch de proef van te nemen.
+
+"Vader," zeide hij, toen hij dien avond naar bed zou gaan, "ik wenschte
+u gaarne iets te vragen."
+
+"Welzoo, Pieter," antwoordde de pruikenmaker, terwijl hij de beide
+handen van den knaap in de zijne nam en hem minzaam in de vriendelijke
+oogen keek, "wat was er dan van je verlangen?"
+
+"Oom gaat morgen weg, vader!"
+
+"Dat weet ik, en je wenschtet gaarne, dat hij nog wat langer bleef,
+niet waar? Ik had dat ook graag gezien en heb het hem gevraagd;
+maar plicht gaat voor en daar kan dus niets van worden."
+
+"Neen, vader! Dat was het niet, wat ik u vragen wilde."
+
+"En wat dan?" vraagde de vader.
+
+"Ik wou .... ik zou .... ik durf het haast niet zeggen...."
+
+"Is het dan iets kwaads?" zeide de vader ernstig. "Hou het dan maar
+liever voor je."
+
+"O, neen, vader! Kwaad is het niet, maar ik weet niet, of u het
+zult toestaan."
+
+"Er uit mede, Pieter!" hernam baas Dirksz ongeduldig.
+
+"Ik zou zoo gaarne met oom naar zee gaan, vader!"
+
+"Wat? Jij naar zee? Hoe komt je dat in het hoofd?--Daar kan niets
+van komen."
+
+"Maar, vader! Oom is toch ook wel een zeeman."
+
+"Oom is oom en jij bent Pieter. Wat oom heeft willen worden, kan
+ik niet helpen, maar wat jij zult worden, moet ik goed vinden. Ik
+verkies niet, dat je zeeman wordt."
+
+"Foei, Pieter! zou je zeeman willen worden?" vraagde Marie.
+
+"O, daar heb jij geen verstand van, Marie," zeide Pieter. "Het is
+zoo'n heerlijk leven, zeeman!"
+
+"Ja, zoo schijnt het," hernam baas Dirksz. "Je hebt mij echter verstaan
+en zet dat maar voor goed uit je hoofd."
+
+"Maar, vader...."
+
+"Maar, Pieter!" zeide de vader. "Hoor! Na Nieuwjaar ga je als
+krullenjongen naar baas Balkenende op de _Bierkade_ [9]. Ik heb
+hem juist gisteren gesproken en hij kan je plaatsen. Hij hoopt,
+met Gods zegen, een knap timmerman van je te maken. Hoe is het
+mogelijk! Hoe, krijg je het in je gedachten? Een zeeman!" hervatte
+baas Dirkz, hoofdschuddende. "Mijn Pieter een zeeman! Dat zal nooit
+gebeuren! neen, nooit!"
+
+Pieter wist wel, dat zijn vader op zijn stuk stond en dat hij geen
+"ja" zeide, waar hij eenmaal "neen" gezegd had. Hij wenschte dus
+vader en zusters goeden nacht en ging treurig naar boven.
+
+Martha volgde hem. Toen zij op het kamertje gekomen was, waar hij met
+zijne broeders sliep, legde zij vriendelijk de hand op zijn schouder.
+
+"Wel, Pieter, wel, Pieter!" zeide zij, "zou jij ons zoo willen
+verlaten?"
+
+"Of ik wil, Martha," antwoordde hij, terwijl er een paar groote tranen
+langs zijne wangen rolden. "Ja."
+
+"En mij ook?" vraagde Martha.
+
+"Welnu, ga dan maar mee naar zee."
+
+"Ik op zee?"
+
+"Wel ja, als je niet buiten mij kunt."
+
+"Foei, Pieter!" hernam het lieve meisje. "Jij naar zee gaan! En ben je
+dan niet bang om te verdrinken of doodgeschoten te worden, zooals die
+arme Vice-Admiraals De With en Floriszoon, waarvan oom verteld heeft."
+
+"Maar als timmerman kan ik van het dak vallen en den hals breken,
+ik kan een hamer of beitel op mijn hoofd krijgen, als ik een steiger
+opklim; ik kan...."
+
+"Je kunt je troosten, Pieter," antwoordde Martha, terwijl zij hem
+een kus gaf. "Ik zie je nog eens als een eersten timmermansbaas."
+
+"Maar ik zou liever Admiraal willen worden!" zeide Pieter.
+
+"Ha, ha, ha! Admiraal! Nu, jongen, droom er van nacht maar niet
+van. Als oom weg is, zul je de heele zee wel weer vergeten."
+
+Met deze woorden snelde zij de trap af.
+
+"Dat zullen wij zien!" riep Pieter haar na, kleedde zich uit en
+ging met een bezwaard hart naar bed. Waar hij van droomde?--Zeker
+van schepen en masten, van zeilen en touwwerk,--dat kunt gij
+begrijpen. Maar hij ondervond, bij zijn ontwaken, dat droomen bedrog
+is; want toen hij wakker werd, stond hem de naakte werkelijkheid weer
+voor de oogen, en het klonk hem weer in de ooren zooals gisteravond:
+"Mijn Pieter een zeeman! dat zal nooit gebeuren! neen, nooit!"
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+Welke plannen drie krullenjongens voor de kermis maakten.
+
+
+Het was op denzelfden Maandag, 5 Januari 1661, den sterfdag van Prinses
+Maria van _Engeland_, dat Pieter Dirksz tegen acht uren in den morgen
+met zijn zoon Pieter den pruikenmakerswinkel uittrad, links omsloeg,
+de _Spuistraat_ doorwandelde tot aan de _Kapelsbrug_, en toen, langs
+het _Spui_, de Nieuwe Kerk voorbij, naar de _Bierkade_ ging, op welke
+gracht zij stil hielden voor het huis, waar wij tien jaren vroeger den
+vroolijken trompetter der Oranjegarde, den ons bekenden Jan Claeszen
+ontmoetten [10]: het huis van den timmermansbaas Balkenende. Onze
+knaap droeg onder zijn arm een mand met eenig timmermansgereedschap,
+bestaande uit een hamer, een nijptang, een bijl, twee beitels,
+een schaaf en drie boren, en bedekt met een lederen schootsvel. Gij
+begrijpt licht, wat het doel van die wandeling was: de pruikenmaker
+had zijn zoon bij baas Balkenende als krullenjongen besteld, en de
+baas, die het wel nog niet druk had, maar liever in den slappen tijd
+met hem begon, opdat hij dan later eenigen dienst van hem kon hebben,
+had hem gezegd, dat Pieter maar terstond na Nieuwjaar moest komen. Nu
+had oom Klaas, die juist de Kerstdagen en den Oudejaarsavond bij zijn
+broeder doorbracht, zich wel verzet tegen dat beginnen op Maandag,
+daar hij volkomen deelde in het oud-Hollandsche bijgeloof, dat wat
+men op Maandag begint, stellig mislukt; wel had hij een oud rijmpje
+als bewijs bijgebracht:
+
+
+ "Maandag kloek,
+ De heele week zoek;"
+
+
+maar vader Dirksz was in het geheel niet bijgeloovig en had om zijns
+broeders vrees gelachen.
+
+"Ik blijf er bij," had hij gezegd. "De jongen zal op Maandag naar
+baas Balkenende. Wat drommel! Hij heeft nu reeds van Kerstmis af
+leeggeloopen; het wordt tijd, dat hij aan het werk gaat."
+
+En zoo sprekende, was vader Dirksz den vorigen Zaterdagavond naar
+Thijs Groote, den ijzerkooper in het _Achterom_, gegaan en had hem
+gevraagd, welk gereedschap een krullenjongen wel zoowat noodig had,
+en toen had deze hem de door ons genoemde werktuigen verkocht, welke
+onze Pieter in een mand gepakt en naar huis gebracht had; terwijl zij
+bij den leerkooper in dezelfde straat een schootsvel gekocht hadden,
+dat onzen knaap wel ietwat groot was, maar dat vader opzettelijk zóó
+had genomen, "want," zeide hij, "je bent in je groei, Piet, en wordt
+dus grooter, maar het schootsvel groeit niet. Dus, jongen! is het je
+wat te lang, dan moet je het maar wat hooger binden." En toen hij te
+huis kwam en Martha hem het schootsvel voorbond, toen zei de ondeugende
+meid lachend, dat hij wel een kind in de lange kleeren geleek, waarover
+Pieter eerst wel wat boos was. Toen Martha hem echter zijn bombazijnen
+mouwvest gaf, dat zij zelf voor hem genaaid had, was zijn knorrigheid
+over. En toen hij 's Maandags morgens met zijn mouwvest aan en zijn
+mand onder den arm de deur uitstapte en Marie hem een dikke boterham
+in een linnen zakje had meegegeven, opdat hij niet flauw zou vallen,
+vond hij het toch zoo kwaad niet, om een goed ambacht te leeren, en
+dacht op dat oogenblik niet aan de zee. En mocht hij er al aan denken,
+dan zeide hij bij zich zelf: "het kan geen kwaad als ik wat timmeren
+leer, dat kan mij op zee best te pas komen." Met moed stapte hij dus
+de stoep van den timmermansbaas op, waar vader Dirksz aanklopte. Men
+liet hen in het kantoortje, waar baas Balkenende spoedig bij hen kwam.
+
+"Baas," begon de pruikenmaker. "Ik breng u hier mijn Pieter, van wien
+ik u gesproken heb. Hij heeft zich voorgenomen goed op te passen en
+zijn best te doen, om braaf te leeren en een knap timmerman te worden."
+
+"Dat is een goed plan, knaap!" zeide de timmermansbaas. "Hoe heet je?"
+
+"Pieter," antwoordde de aangesprokene.
+
+"Nu, Pieter!" hervatte de timmerman, terwijl hij hem een eind lat
+liet zien, dat hij in de hand hield en waarop hij met potlood de maat
+aanteekende. "Wanneer je goed wilt oppassen, dan zal ik met Gods hulp,
+een knap timmerman van je maken. Maar pas je niet op, dan zullen
+je ribben kennis maken met dit eindje lat. Want je kent het oude
+spreekwoord: die niet hooren wil, moet voelen. En dat spreekwoord
+wordt bij ons in practijk gebracht."
+
+Pieter knikte toestemmend, ofschoon hem dat latje toch een doorn in het
+oog was. Nadat zijn vader afscheid had genomen, bracht baas Balkenende
+hem in den winkel, waar hij den knaap aan den meesterknecht aanbeval
+en waar spoedig de andere knechts te werk kwamen. Er waren, behalve
+Pieter, nog twee krullenjongens: de een was een zoontje van den baas
+en heette Frans; de andere, een rechte deugniet, was een jongen van
+den oudroest Jan IJzer uit het korte _Achterom_ en heette, evenals
+zijn vader, Jan. Het duurde niet lang, of onze drie krullenjongens
+waren dikke vrienden.
+
+De bezigheden van onzen Pieter bestonden nu in het vasthouden van
+planken of latten, het aangeven van gereedschap, het slijpen der
+beitels, het scherpen der zagen, en al zulke zaken; terwijl elken
+avond door de drie knapen de winkel werd opgeredderd, en de krullen
+en spaanders in een zak werden gepakt. 's Maandags en Donderdags waren
+zij voor Frans, Dinsdags en Vrijdags voor Jan en de beide andere dagen
+voor Pieter; zij verkochten ze bij den bakker om den hoek. Zondags
+werd er nooit gewerkt; want onze voorouders waren zeer gesteld op
+de viering van den Zondag, en zouden het een groote, onvergeeflijke
+zonde hebben gerekend, als zij op dien dag hadden gearbeid. Hij
+werd dan ook beter gevierd dan thans. Alle winkels waren gesloten,
+alle nering en hanteering stonden stil en niemand zou, buiten hooge
+noodzakelijkheid, op Zondag gereisd hebben. Alleen 's zomers na
+de middagkerk gingen de burgerlieden wat in het _Bosch_ wandelen
+of naar _Scheveningen_; terwijl de meergegoeden in hunne optrekjes
+even buiten de stad, aan de _Delftsche vaart_, aan de buitensingels
+en aan den duinkant gelegen, met hunne familie thee gingen drinken,
+waar zij dikwijls hunne vrienden bij zich verzochten en den avond
+aangenaam en in gezelligen kout doorbrachten.
+
+Ook baas Balkenende had zulk een mooi optrekje in eigendom en wel
+aan den _Scheveningschen_ weg [11], die toen nog over de duinen
+liep en later, volgens het plan door Constantijn Huijgens reeds in
+1653 aan de hand gedaan, tot eene begaan- en berijdbare straat werd
+ingericht. Eerst in Mei 1664 werd daarmede een begin gemaakt en in
+December van het volgende jaar was de weg voltooid. Het gedeelte
+echter, waar het optrekje van baas Balkenende stond, was reeds
+een gebaande weg. Dat optrekje had aan den voorkant een aangenaam
+uitzicht op den weg en het weiland daar tegenover (tegenwoordig
+het _Willemspark_), en van achteren in den ruimen tuin, die van
+voren met bloemen beplant was en achteraan uit een grooten boomgaard
+bestond. Door een smalle sloot was die moestuin van het aangrenzende
+weiland gescheiden.
+
+Wij slaan vier maanden over en begeven ons in het begin van de maand
+Mei naar het _Lange Voorhout_, waar wij de knechts van baas Balkenende
+druk bezig vinden met het opslaan der kramen, die op de aanstaande
+Hofkermis zullen prijken met al wat den kooplust der bezoekers kan
+opwekken. Pieter, Frans en Jan hebben het niet weinig druk met het
+aansjouwen der planken, het vasthouden der stijlen, ja zelfs ook met
+spijkeren; want bij zulk een drukte moet alles helpen; terwijl het
+opslaan van kramen zulk fijn werk niet is, dat de minder geoefende
+hand van een krullenjongen daaraan iets bederven zou. Ook heeft onze
+Pieter in die vier maanden reeds het een en ander van de timmerkunst
+geleerd.--Wat ziet hij nu trotsch neer op die jongens, waaronder zijne
+vroegere kameraads, als zij daar naloopertje spelen over de hoopen
+met planken, of wegstoppertje in de reeds opgetimmerde kramen. Dat
+had hij verleden jaar ook gedaan; maar nu--nu staat hij daar in zijn
+bombazijnen mouwvest, het schootsvel voorgebonden, met den hamer in de
+hand en slaat er de spijkers tusschenbeide zoo hard in, als moesten
+de kramen nog tot de Banus-kermis [12] staan,--ja als behoefden zij
+nimmer weder afgebroken te worden. Dat haalt hem dan ook nog al eens
+knorren op den hals van den knecht, dien hij helpt, en dan gaat het
+weer eenigen tijd beter. Maar als dan weer een troepje jongens naar
+hem staat te kijken met een gezicht, zoo verbaasd en nieuwsgierig,
+alsof zij nog nooit het opslaan van kramen hebben gezien, dan ranselt
+hij er weer op los, dat soms het vuur uit de arme spijkers vliegt,
+en dan kijkt hij met zulk een trotschen blik rond, alsof hij een
+Romeinsch Imperator was, die op zijne zegekar stond.
+
+'t Is schafttijd, maar niemand der knechts gaat naar huis; ook de
+krullenjongens niet. Ieder heeft een boterham meegebracht, die hij op
+karwei (de plaats waar een ambachtsman, buiten den winkel, zijn werk
+verricht) opeet. Het is te druk om met heen en weer loopen tijd te
+verzuimen, en daarom blijven zij hun schafttijd doorwerken, waarvoor
+zij natuurlijk door baas Balkenende extra betaald worden. Maar zij
+kunnen slecht al timmerende en sjouwende hunne boterhammen opeten en
+dus nemen zij daarvoor een kwartiertje, zetten zich in een groepje
+op de planken neder en veraangenamen den maaltijd met vroolijke
+gesprekken.
+
+Gaarne hadden onze krullenjongens zich bij de knechts geschaard; maar
+deze zouden dat niet gedoogd hebben, en al hadden zij het toegestaan,
+dan zouden onze knapen zeker zóó geplaagd zijn, dat zij niet met rust
+hadden kunnen eten. Zij hebben zich dus op een kleinen afstand van
+de anderen neergezet.
+
+"Frans," begint Pieter, terwijl hij zijn geruit boterhammenzakje
+opendoet om er den mondkost uit te halen en zijn kruikje met bier
+naast zich nederzet, "ik hoor, dat het van het jaar een mooie hofkermis
+zal zijn."
+
+"Ik heb het ook gehoord," antwoordt Frans met zijn mond vol
+brood. "Daar zal nog al wat singuliers te kijken zijn. Ik hoorde
+gisteren spreken van een reus, die zal moeten bukken als hij de
+_Voorpoort_ [13] doorgaat."
+
+"Nu, dat is vast een leugen," meent Jan. "Zulke groote reuzen heeft men
+niet. Ik vind echter niet veel pleizier aan al die reuzen en dwergen
+en dikken en mageren. Ik ga liever Woensdag dien kerel eens zien,
+die uit _Amsterdam_ komt."
+
+"O, die sinjeur die zulke wonderlijke zaken zal bedrijven?" vraagt
+Frans. "Vader heeft mij verteld, dat hij in den _Vijver_ zal
+onderduiken, op den bodem plaats zal nemen op een stoel en onder
+water twee of drie deuntjes zal blazen."
+
+"Maar dat is immers onmogelijk," zegt Pieter, terwijl hij een slok
+neemt uit zijn kruik. "Dan komt het water in zijn instrument."
+
+"Hij moet het toch te _Amsterdam_ gedaan hebben," herneemt Jan.
+
+"En wat hij te _Amsterdam_ kan doen, kan hij hier ook," meent
+Frans. "Ik ga ook eens kijken bij dien vuurvreter."
+
+"Wat, iemand die vuur eet? Dat is onmogelijk," roept Pieter uit.
+
+"En het moet toch zoo zijn," hervat Jan. "Mijn vader heeft het zelf
+verleden jaar te _Rotterdam_ gezien."
+
+"Nu ik wensch hem smakelijk eten," zegt Pieter, "maar ik wil niet bij
+hem te gast genoodigd worden. Eilacy! 'k geloof, dat ik mijn mond
+gauw vol blaren zou hebben. Ik ga toch eens naar hem toe; want dat
+wil ik zien."
+
+Nadat zij nog eenigen tijd over de kermis gepraat hadden, begon
+Jan eensklaps:
+
+"Frans! Wanneer gaan we nu eens met je mee naar het optrekje van je
+vader? Je hebt het ons al zoo lang beloofd."
+
+"Dat heb ik; maar ik ben nog niet in het bezit kunnen komen van den
+sleutel. Nu komt die gauw voor den dag; want aanstaanden Zondag na
+de middagkerk gaan wij er weer voor het eerst van het jaar naar toe."
+
+"Hoor eens, Frans!" hernam Jan. "Dan moest je zien, dat je den sleutel
+wegkaaptet, en dan gaan we er Zondagmorgen eens heen."
+
+"Maar ik moet naar de kerk," zeide Frans.
+
+"Ik ook," voegde Pieter er bij.
+
+"Wat zou dat?" snoefde Jan. "Ik moet ook naar de kerk; doch daar zit ik
+me toch maar te vervelen. Weet je, wat we moesten doen? In plaats van
+naar de kerk te gaan, loopen we liever wat rond. Wij moesten nu maar
+afspreken, dat we hier bij elkaar zullen komen. Die er het eerst is,
+wacht op de beide anderen, en dan gaan we alle drie naar het optrekje,
+als je ten minste den sleutel kunt machtig worden. Kun je dat niet,
+dan gaan we wat in de duinen ravotten, en maken dat we op zijn tijd
+weer t'huis zijn."
+
+"En als vader dan vraagt, waarover de dominee gepreekt heeft?" vraagde
+Pieter.
+
+"Dan noem je maar een tekst, die tusschen Genesis en de Openbaring
+staat," hervatte Jan.
+
+Het ging echter nog zoo gemakkelijk niet, om Frans en Pieter over
+te halen, en Jan had al zijne welsprekendheid noodig om hen er toe
+te brengen. Eindelijk gelukte het hem en werd voorloopig de afspraak
+vastgesteld, dat men het Zaterdagavond nog eens voor goed zou bepalen.
+
+Wat onze Pieter den volgenden Zondag een haast had, om naar de
+kerk te gaan! Vader had, vond hij, nog nooit zoo veel in den Bijbel
+gelezen en het gebed had, volgens hem, nog nooit zoo vreeselijk lang
+geduurd. Nauwelijks dan ook kon hij welstaanshalve zich verwijderen,
+of hij zette zijn hoed op, groette vader en zuster en spoedde zich
+de deur uit.
+
+"Wat maak je een haast, Pieter," zeide Martha in het voorhuis tegen
+hem. "'t Is of Joost je op de hielen zit."
+
+"Ik wil graag een goede plaats krijgen," antwoordde Pieter. "Ik houd
+er niet van, om zoo achteraf te zitten."
+
+"Wacht dan even; dan ga ik mee," zeide het meisje. "Ik moet nog maar
+even mijn huik opzetten."
+
+Dat beviel Pieter niet.
+
+"Haast je dan wat," gaf hij ten antwoord. "Ik ga al vast vooruit."
+
+Dit zeggende, stond hij reeds op de stoep, sloeg de eerste de beste
+dwarsstraat in, die hem naar het _Achterom_ voerde, en rende die
+straat tot aan het _Hofpoortje_ door. Vervolgens begaf hij zich wat
+bedaarder over het _Buitenhof_ en door de _Voorpoort_ van den _Hove_,
+langs het _Tournooiveld_ naar het _Lange Voorhout_, waar hij stellig
+dacht, zijne beide makkers reeds te zullen vinden. Hij bedroog zich
+echter: hij was de eerste.
+
+"Zouden zij hun woord niet houden?" mompelde hij. "Dat zou valsch
+wezen. Zij hebben het mij toch zoo stellig beloofd."
+
+Hij wandelde een paar malen de lengte der kraam op en neder, maar
+noch Frans noch Jan verscheen.
+
+"Als zij niet komen, dan ga ik maar naar de Kloosterkerk," pruttelde
+hij weer. "Zoo kun je nu staat maken op je vrienden. Nu, ze zullen er
+morgen voor lusten! Had ik het geweten, dan had ik zulk een haast
+niet behoeven te maken. Maar wacht, daar komt er al een.--Zoo,
+Jan!" vervolgde hij tot den aangekomene. "Ben je daar eindelijk,
+en waar is Frans?"
+
+"Eindelijk?" bromde Jan. "Kon ik dan ruiken, dat jij er zoo vroeg
+zoudt wezen? Maar is Frans er nog niet?--Als hij niet gauw komt,
+dan laten we hem in den steek. Die flauwerd! nu het op stuk van zaken
+aankomt, schuurt hij zijn piek en zal ons laten zitten, om het gelag
+te betalen. Maar geen nood! komt hij niet, dan gaan wij samen naar
+de duinen. Daar zal ik wel kennissen vinden en anders spelen wij met
+ons beiden."
+
+"Met ons beiden? dat vind ik niet pleizierig. Ik houd het er voor,
+zooals oom altijd zegt: dat de derde streng den kabel maakt."
+
+"O, dat is een zeemansterm. Mijn vader zegt daarvoor: De derde
+man brengt de pret aan. Maar zie--daar komt Frans. Hij houdt toch
+woord.--Je bent lang weggebleven, Frans!" vervolgde hij tot den
+aankomende. "Als je niet gauw gekomen waart, hadden we onze biezen
+gepakt en waren alleen gegaan."
+
+"Ik had het niet kunnen helpen. 't Heeft mij moeite genoeg gekost,
+om den sleutel in handen te krijgen. Maar nu," terwijl hij dien
+zegepralend in de hoogte hield, "nu heb ik hem; dus, jongens! op
+marsch!"
+
+Ons drietal koos een stille eenzame weg, om naar het optrekje te
+komen. Hun geweten zeide hun, dat zij niet goed deden, en daarom
+trachten zij zooveel mogelijk de kerkgangers te vermijden, onder
+welke de een of ander kon zijn die hen mocht herkennen en het aan
+hunne ouders brengen.
+
+"Dan zou er wat opzitten," had Pieter gezegd. "Want vader is gansch
+niet malsch, wanneer hij begint; en als hij er achter komt, kan ik
+verzekerd zijn van een pak slaag, dat mij nog wel acht dagen lang
+zeer doet."
+
+"Nu, als de mijne begint, is hij ook niet gemakkelijk," hervatte
+Frans. "Ik heb laatst eens een pak van hem gehad, waarvan ik nog
+wel veertien dagen op zekere plaats de overblijfselen voelde; in het
+begin had ik het wel willen uitschreeuwen als ik gingen zitten."
+
+"Flauwerd!" zeide Jan. "Bang voor een pak ransel?--of denk je
+dan, dat de mijne een lam is? Jongens neen? Maar ik waag het er
+aan! Intusschen--gaan jelui maar zoet naar de kerk; ik ga naar de
+duinen, waar ik wel van mijn soort zal vinden. En als ik dan terugkom,
+dan kun jelui me de preek vertellen."
+
+"Hoor eens, Jan?" hervatte Frans. "Een flauwerd moet je me niet
+noemen. Dat ben ik nog nooit geweest. Maar dat ik niet van een pak
+slaag houd, kun je me niet kwalijk nemen.
+
+"Denk je dan dat ik er zoo op gesteld ben? Maar mijn leer is:
+kermisgaan is wel een pak ransel waard! En daarom waag ik het er aan."
+
+"Wie zegt je, dat wij het ook niet doen?" zeide Pieter, terwijl
+hij het hoofd trotsch achterover in den nek wierp en Jan aanzag,
+als wilde hij zeggen: "Wat verbeeldt gij u wel?"
+
+"Eilacy! gaat dan mee. Laat ons dan niet langer marren. Wij verbeuzelen
+zoodoende al onzen tijd."
+
+En zoo waren ze alle drie op marsch gegaan. Aan het optrekje gekomen,
+stak Frans den sleutel in de deur en traden onze drie knapen binnen.
+
+Ik zal u niet mededeelen wat voor kattenkwaad zij daar uitvoerden;
+pleizier hadden zij genoeg, want de tijd vloog hun om.
+
+"Daar slaat de "Sint-Jacob" al elf," riep Pieter eensklaps uit. "Wij
+moeten weg; anders komen wij telaat thuis."
+
+"Het is zoo zondig waar!" bevestigde Jan, die de slagen geteld
+had. "Ja, we moeten weg. Misschien kunnen wij dan nog even de
+Kloosterkerk binnenloopen en den laatsten psalm meezingen. Dan geven
+wij dien op bij gebrek aan een tekst."
+
+Zoo gezegd, zoo gedaan. Ons drietal sloeg zich wat af (want de
+zondagsche kleeren hadden er langs gekregen) en nadat het toilet zoo
+goed mogelijk in orde was gebracht, gingen zij naar de voordeur om
+die open te doen. Maar wat er van was, of Frans bij het toesluiten
+het slot verdraaid had, hoe hij ook poogde de deur te openen, alles
+te vergeefs. Evenmin konden het Pieter en Jan.
+
+Daar stonden ze nu te kijken, alsof zij hun zondagsoortje versnoept
+hadden. Er waren intusschen eenige minuten verloopen,--hun scheen
+het een half uur (want als men haast heeft en in den angst zit,
+schijnt elke sekonde ons een minuut te zijn).
+
+"Nu is goede raad duur." begon Jan. "Zeg eens, Frans! kunnen wij de
+schutting niet over?"
+
+"Ja," antwoordde deze. "Maar dan komen wij in de sloot terecht die
+het weiland omgeeft."
+
+"Nu, dan over een der zijschuttingen."
+
+"Dat is goed; dan moeten wij aan de rechterzijde over. Daar komen wij
+bij den smid en die heeft een deurtje, waardoor men met een plank op
+het land kan komen. Dat deurtje zal echter wel gesloten zijn."
+
+"Geen nood!" hervatte Jan. "Dan klimmen wij zijne achterschutting er
+bij over. Als wij maar gered zijn."
+
+Zoo gezegd, zoo gedaan. Onze knapen gingen weer den tuin in, nadat
+zij de tuindeur zoo goed mogelijk gesloten hadden; daar die echter
+van binnen gegrendeld was, konden zij het slechts zeer onvolkomen doen
+en moesten zij zich vergenoegen met die achter zich toe te trekken.
+
+De schutting, over welke zij klimmen moesten, was van boven met
+spijkers voorzien, die met de punten opwaarts stonden. Jan en Frans
+waren reeds beneden in buurmans tuin en Pieter zoude hen juist volgen,
+toen zijne zondagsche broek aan een der spijkers bleef hangen en tot
+aan den band openscheurde. Door dit onverwachte oponthoud (want het
+kleedingstuk hield hem in zijn sprong tegen) kwam hij geheel anders
+neer, dan hij gemeend had, struikelde en viel zoo lang hij was op
+den grond neder.
+
+De beide andere knapen waren reeds aan het klauteren op de
+achterschutting van den tuin huns buurmans, zonder dat zij iets van
+Pieters val bemerkt hadden. Eerst toen Frans er boven op was, riep hij:
+"waar blijf jij toch, Piet?"
+
+"Ik ben gevallen en heb mijn voet verstuikt!" kermde deze. "Ik kan
+geen enkelen stap doen, ja, zelfs niet eens opstaan."
+
+Frans wilde weer van de schutting afspringen, om zijn vriend te helpen.
+
+"Ben je dwaas?" zeide Jan. "Als hij niet kan loopen, kunnen wij hem
+toch niet meezeulen. En als we lang wachten, komen we te laat thuis."
+
+"Ik moet toch zien, of ik hem kan helpen," hervatte Frans. "Wij zijn
+samen uitgegaan en moeten ook weer samen thuis komen."
+
+"Alles mooi en wel," hernam Jan. "Maar ik bedank er voor om ransel
+te krijgen, als ik te laat thuis kom."
+
+Frans was reeds van de schutting af, terwijl Jan er aan den anderen
+kant overging. In één oogenblik was hij bij Pieter.
+
+"Laat mij je helpen om op te staan," zeide hij tot zijn vriend.
+
+"Laat mij maar liggen, Frans!" antwoordde deze. "Misschien bedaart
+het van zelf. Op het oogenblik doet mijn voet mij onlijdelijke pijn."
+
+"Kom, probeer maar eens, Piet!" hernam de andere. "Als je eens over
+de schutting bent, zal het wel schikken."
+
+"Maar ik kan wezenlijk niet opstaan," hervatte Pieter. "Eilacy,
+ga jij er maar over. Je hebt reeds te lang gemart en zult te laat
+thuis komen."
+
+Frans begreep, dat Pieter gelijk had; hij klom dus over en liet zijn
+armen vriend in den tuin van den smid liggen.
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+Hoe gevaarlijk het kan worden, om des Zondags de kerk te verzuimen.
+
+
+Daar lag onze Pieter nu in den tuin van den smid. Zijn linkervoet deed
+hem vreeselijk pijn en belette hem te denken aan den gevaarlijken
+toestand, in welken hij verkeerde. Wat zou zijn vader wel
+zeggen! Wat zou Martha ongerust zijn! En wat zou hij een pak slaag
+krijgen! Waarlijk, een heerlijk kermisgeschenk! Ja, al die pret van
+de kermis kon hij nu wel uit zijn hoofd zetten; want tot straf zou
+hij wel nergens naar toe mogen! Dit waren de gedachten, die hem,
+toen de pijn hem toeliet te denken, het eerst bezig hielden.
+
+"Als ik maar kon opstaan," sprak hij bij zich zelf, en stelde
+alle pogingen daartoe in het werk. Het opstaan ging, ja; maar hij
+kon den beleedigden voet niet op den grond zetten, of hij moest het
+uitschreeuwen van de pijn. "Ik zal mijn schoen uitdoen," vervolgde hij;
+"mijn voet is gezwollen en daardoor kan ik niet staan. Als ik dat doe,
+zal het wel beter worden." Hij deed wat hij zeide, en het scheen hem
+werkelijk verlichting te schenken. Maar nauwelijks waagde hij een stap,
+of hij gilde het uit van de pijn en viel weder op den grond neer.
+
+"Had ik mij maar niet laten bepraten!" zeide hij, terwijl hij daar
+mistroostig nederzat. "Was ik maar naar de kerk gegaan, dan was ik
+nu thuis en zat al haast aan het eten."
+
+Dat laatste denkbeeld had zijn oorsprong niet alleen aan den
+voortsnellenden tijd, maar ook aan de ledige maag van onzen
+Pieter. Want ondanks de pijn, die hij had, begon hem thans de honger
+te kwellen en dat was voor een knaap op zijne jaren niet het minst
+van de zaak. 't Was dan ook een treurig vooruitzicht voor hem. Eerst
+had hij nog hoop, dat zijne vrienden wel even bij den smid zouden
+zijn aangeloopen en deze hem zou komen verlossen, maar toen het één,
+twee uur werd en de klok voor de middagkerk de laatste maal luidde,
+begon hem ook die hoop te begeven. Hij schold op zijne makkers, die
+hem dus in het gevaar lieten; hij begreep niet, dat Frans en Jan,
+thuis gekomen zijnde, van niets durfden reppen om zelf geen straf
+te beloopen; hij wist niet, dat de eerste na den maaltijd, met zijn
+vader naar _Hondsholredijk_ was gewandeld om eenige reparatiën op
+te nemen die aan het huis van Prinses Amalia aldaar noodig waren;
+ook kwam het volstrekt niet bij hem op, dat én de een én de ander
+zich overtuigd hielden, dat de voet van hun makker wel hersteld zou
+zijn en hij zelf gezond en wel thuis zou zitten. Intusschen verliep
+de tijd, en--al duurde die onzen Pieter eerst heel lang--naarmate het
+later werd, begon die hem korter te vallen; want nu kwam er een ander
+gevoel bij hem op, dat van angst. Hij lag toch in een vreemden tuin,
+in dien van den smid Joris Gerritsz, en hij wist van zijn broeder
+Evert, die zooals wij weten bij genoemden smid werkte, dat Gerritsz
+een driftig man was. Hoe, als die hem daar vond, dan kon hij hem wel
+doodslaan! Of hij kon hem voor een dief en inbreker houden, en hem
+overleveren in handen van het gerecht. Welk een schande! Als hij eens
+door schout en dienders gehaald werd! Nooit zou hij dan in _Den Haag_
+zijne oogen weer durven opslaan. Hij hoopte maar, dat de Balkenendes
+eerder zouden komen; dan konden die hem over de schutting helpen of
+bij baas Gerritsz zijne voorspraak zijn.
+
+Intusschen was men bij den pruikenmaker ook niet weinig in
+ongerustheid. Toen de kerk uit was en allen thuis waren, keek baas
+Dirksz verwonderd op, dat Pieter nog niet thuis was.
+
+"Hij zal, uit de kerk komende, andere jongens ontmoet hebben," zeide
+Marie, "en met hen wat aan het omloopen zijn." Maar toen hij tegen
+etenstijd nog niet thuis was, begon men zich ongerust over hem te
+maken. Intusschen werd de maaltijd opgebracht, de familie at, de tafel
+werd afgenomen en men ging naar de middagkerk. Vader Dirksz echter
+bleef thuis, om den uitblijver te ontvangen en beloofde hem reeds in
+stilte een duchtig pak, dat hem die malle kuren zou afleeren. Maar
+hoe hij wachtte, onze Pieter kwam niet, en toen de huisgenooten uit de
+middagkerk terugkwamen en hij op hunne eerste vraag: "Is Pieter al te
+recht?" ontkennend moest antwoorden, toen besloot men maatregelen te
+nemen en desnoods de hulp van het gerecht in te roepen; want Pieter
+moest een ongeluk hebben gekregen; anders zou hij wel thuis zijn.
+
+"Loop eens even naar baas Balkenende, Jacob!" zeide de pruikenmaker
+tot zijn tweeden zoon. "'t Is jammer, dat Evert niet thuis is, anders
+kon die naar Jan IJzer gaan."
+
+"O, daar zal ik wel heenloopen," zeide Martha.
+
+"Goed. En vraag dan maar bij Balkenende, of Frans ook iets van onzen
+Pieter weet. Vraag om Frans zelf te spreken, de baas heeft er niet
+mee noodig," zeide Marie.
+
+Jacob vond de geheele familie Balkenende uit. "De baas is met Frans
+naar _Hondsholredijk_," had de meid gezegd, "en de vrouw is met
+de kinderen naar den _Scheveningschen_ weg." Wat echter Pieter
+aangaat, zooveel kon zij verzekeren, dat hij daar niet aan huis
+was geweest. Martha's nasporingen hadden geen beter gevolg gehad,
+en er schoot dus geen ander middel over, dan naar den schout te gaan
+en den sterken arm van het gerecht in te roepen ter opsporing van
+den vermiste.
+
+"Als de jongen geen ongeluk heeft gekregen, dat hem belet thuis te
+komen, zal ik hem ranselen, dat er de lappen bijhangen!" zeide de
+pruikenmaker. "Ons zoo in ongerustheid te laten zitten. Foei! 't
+is schande!"
+
+"Er moet hem zeker wat overkomen zijn, vader!" meende Martha. "Pieter
+past anders trouw op zijn tijd."
+
+"Dat is wel waar, Martha," antwoordde vader Dirksz. "Maar dan moest
+hij het vandaag ook gedaan hebben. Geef mij mijn rok, Marie! ik ga
+naar den schout."
+
+"Ik zou daarmee nog wat wachten, vader!" zeide Marie. "Misschien komt
+hij wel spoedig thuis. Wat behoeft gij het gerecht er in te roepen?"
+
+De pruikenmaker besloot dus nog een paar uren te wachten. Was Pieter
+na dien tijd niet terecht, dan zou hij zich niet laten weerhouden. Dan
+moest de knaap maar een dag of wat op water en brood zitten; dat zou
+hem leeren op een anderen tijd beter op te passen.
+
+Keeren wij tot onzen gevangene terug.
+
+Het scheen, dat het uittrekken van zijn schoen hem weinig gebaat had;
+veelmeer waren pijn en zwelling sedert vermeerderd, Ja, hij leed
+ondraaglijke weerpijn in zijn knie en begreep dus niet dan al te wel,
+dat zijn eenige redmiddel zou zijn: de komst van den smid met zijne
+familie. Want als Balkenende kwam, zou hij het slot van zijn optrekje
+verdraaid vinden, en, daar het Zondag was, zou er geen smid zijn,
+die de deur openstak. De Balkenendes zouden dus ongetroost naar huis
+kunnen terugkeeren.
+
+Nu begon een andere vrees zich van hem meester te maken, hoe, indien de
+smid eens niet naar buiten kwam en hij dus veroordeeld was, den nacht,
+den kouden Meinacht daar alleen door te brengen. Dat denkbeeld greep
+hem met geweld aan en folterde hem zoodanig, dat hij reeds begon te
+wenschen, wat hij een paar uur geleden zoo bang had te gemoet gezien.
+
+"Och!" zeide hij in zich zelf, "de smid zou mij wel niet doodslaan
+en niet aan het gerecht overleveren, als hij mij voor den zoon van
+Pieter Dirksz herkent. Ik wou, dat hij maar kwam, dan kon hij mij
+naar huis laten brengen, en dan kon Marie mijn voet verbinden, want
+ik lijd verschrikkelijk pijn."
+
+Om echter niet terstond door baas Gerritsz bemerkt te worden, sleepte
+hij zich voort tot achter een bloeiende jasmijn, die hem kon verbergen
+voor ieder, die den tuin binnentrad. Als dan vrouw Gerritsz of een
+der kinderen in den tuin kwam, kon hij ze aanroepen en die zouden
+bij hunnen vader wel voor hem spreken. Kwam echter Gerritsz zelf,
+dan kon hij zich stil verborgen houden, tot de gelegenheid om zich
+te ontdekken gunstig was.
+
+Het zal ongeveer halfvijf zijn geweest, toen hij in het huis naast zich
+een buitengewone opschudding hoorde. Vrouw Balkenende was met hare
+kinderen naar het optrekje gegaan; en daar het nachtslot alleen van
+binnen verdraaid was, had zij de deur van buiten gemakkelijk kunnen
+openkrijgen. Maar toen een harer dochters, die de tuindeur wilde
+opendoen, de grendels daarvan vond afgeschoven, had zij de meening
+geuit, dat er vreemd volk in huis was geweest om te stelen en dit had
+grooten schrik onder de Balkenendes veroorzaakt, welke schrik eerst
+verdwenen was, toen men alles op zijne plaats vond en niets vermiste.
+
+Het duurde dus vrij lang, eer de familie in den tuin kwam, en Pieter
+luisterde aandachtig, of hij de stem van Frans niet vernam. Maar hoe
+hij luisterde, hij kon haar niet onderscheiden en hij kwam dus tot
+het besluit, dat zijn vriend voor hetgeen dien morgen gebeurd was,
+straf had. Doch hoe kon dan de familie zoo geschrikt zijn van het
+afschuiven der grendels? 't Was hem onmogelijk, deze twee zaken in
+behoorlijk verband te brengen, en terwijl hij daarover nog peinsde
+en juist voornemens was, zijn stem te verheffen en om hulp te roepen,
+verstomde hij eensklaps; want in de woning van den smid kwam ook leven
+en hij kon er niet aan twijfelen, of het oogenblik zijner ontdekking
+was nabij.
+
+De tuindeur werd opengedaan, en hij hoorde de stem van baas
+Gerritsz. Hij verborg zich zoo goed hij kon en kromp zooveel ineen
+als de pijn hem toeliet, toen hij een stem den smid hoorde antwoorden,
+eene stem die al zijn moed deed herleven en hem al zijne geestkracht
+terugschonk. Het was namelijk die van zijn broeder Evert, die door zijn
+patroon was uitgenoodigd, om den namiddag in zijn tuin door te brengen.
+
+"Evert!" riep de arme Pieter, "kom mij te hulp."
+
+Evert en zijn patroon waren zeer verschrikt over de stem, die daar zoo
+onverwachts in den stillen onbewoonden tuin klonk. Spoedig herstelden
+zij zich.
+
+"Jij hier, Pieter?" riep Evert ontsteld en tevens verwonderd uit. "Je
+hebt vader mooi in ongerustheid gebracht. Maar hoe kom je hier? Sta
+op," vervolgde hij, zonder antwoord af te wachten, "en maak, dat je
+naar huis komt. Ik denk, dat ze in doodelijke onrust over je zijn."
+
+"Ik kan niet opstaan, Evert!" antwoordde Pieter. "Ik heb mijn voet
+verstuikt, misschien wel gebroken."
+
+"Nog fraaier! Wat me die jongens toch uitrichten!" zeide baas Gerritsz
+hoofdschuddend. "Maar zeg eens, knaap! Wat doe je in mijn tuin? Als
+het in den appel- en perentijd was, zou ik zeggen, dat je fruit hadt
+willen stelen. Die is er niet. Wat moest je dan hier uitrichten?"
+
+"Ach, baas Gerritsz, ik zal het u vertellen," zeide Pieter, en hij
+gaf een trouw verslag van het gebeurde.
+
+"Het is je geluk, dat je broer Evert je het eerst vond, mannetje! Was
+hij er niet bij geweest en ik had je ontdekt, dan had je kans gehad,
+dat ik je armen en beenen aan stukken had geslagen. Want ik ben niet
+gemakkelijk, als ik begin, niet waar, Evert!"
+
+"Om den drommel niet, baas!" bevestigde deze. "Maar wat zullen we
+met den ondeugenden knaap doen?"
+
+"Ja," hernam baas Gerritsz, bedenkelijk om onzen Pieter nog wat schrik
+aan te jagen. "Hij is op mijn erf gekomen, zonder mijn verlof; dat
+staat gelijk met inbraak. Ik vind het best, dat wij hem met schout
+en dienders laten halen. Het zal een voorbeeld zijn voor anderen."
+
+"Ach, baas Gerritsz!" smeekte Pieter. "Dat zult gij toch niet
+doen. Denk eens, welk een schande voor vader en voor mij!"
+
+"Schande!" riep baas Gerritsz uit, terwijl hij zich heel boos
+hield. "Wat! schande? schande is het, als iemand over schuttingen
+klimt om op eens anders eigendom te komen. Dus geen genade voor
+jou. Ik laat je door schout en dienders de deur uithalen."
+
+"Hij zal het wel nooit weer doen, Joris!" bracht thans vrouw Gerritsz
+in het midden, die er met hare kinderen was bijgekomen. "Gij moest
+het dus nu maar eens door de vingers zien."
+
+"Eilacy! dan zou hij er te gemakkelijk afkomen," hernam baas
+Gerritsz. "Maar wie waarborgt mij, vrouw, dat de jongen, eenmaal den
+weg wetende, in den perentijd niet komt overklimmen, om mijn fruit
+te stelen?"
+
+"Hij heeft een goede les gehad," gaf de vrouw ten antwoord, "die hij
+zijn leven lang niet zal vergeten."
+
+"Nooit--zoo oud als ik word," kermde Pieter. "Gij kunt er van verzekerd
+zijn, baas Gerritsz dat ik mijn buik vol heb van het klimmen over
+schuttingen."
+
+"Nu, dan zal ik het voor ditmaal maar als niet gedaan rekenen, Pieter,"
+zeide de baas. "Kom, Evert, wij zullen den knaap opnemen en in huis
+dragen. Dan ga jij naar je vader en vertelt hem, dat zijn galgestrop
+van een zoon hier is. Zoo is de goede man uit de ongerustheid en kan
+maatregelen nemen om hem te laten halen. Intusschen zal mijne vrouw wel
+eens naar den voet zien, die duchtig gezwollen schijnt, en den knaap
+wat eten geven; want hij zal wel honger hebben ook. Kom aan, Evert!"
+
+Maar dat opnemen ging zoo gemakkelijk niet; want toen Evert even aan
+den beleedigden voet raakte, gilde Pieter het uit van de pijn. Baas
+Gerritsz nam hem dus alleen op, terwijl Evert het gekwetste deel
+ondersteunde, en zoo brachten zij Pieter in huis, waar vrouw Gerritsz
+naar den voet keek, die ontzaglijk gezwollen en vreeslijk pijnlijk
+was; terwijl Evert naar de _Spuistraat_ ging en zijne familie uit de
+ongerustheid over het lot van den knaap verloste.
+
+Tegen het vallen van den avond brachten Jacob en Evert hem met eene
+burrie naar huis. De barbier (chirurgijn) dien men haalde, onderzocht
+den voet en zeide, dat er wel niets gebroken was, maar dat de zaak door
+te lang uitstellen van geneeskundige hulp, zoodanig verergerd was,
+dat Pieter ten minste drie weken lang met het been in een kussen zou
+moeten zitten. Al het voorgestelde kermisvermaak was nu verijdeld;
+hij zou den reus niet zien, die de Voorpoort van den Hove niet in kon,
+den "vuurvreter" zou hij niet aanschouwen, noch het muziek onder water
+hooren van den Amsterdamschen wonderman. En nog mocht hij van geluk
+spreken, dat zijn vader de zaak zoo liet afloopen. Deze oordeelde, dat
+de knaap genoeg gestraft was door de pijn en den angst, en begreep,
+dat hij van nu aan een afkeer zou hebben van het verzuimen der kerk,
+van het gaan naar plaatsen, die hij niet betreden mocht, en van
+het overklimmen van schuttingen. En de goede man had gelijk. Dit
+geval had een beslissenden invloed op Pieters heele leven en hem voor
+altijd genezen van alle slinksche handelingen, welke het daglicht niet
+mochten zien. Want als hij soms in de verleiding kwam om naar de eene
+of andere verboden plaats te gaan, dan kwam hem de tuin van baas Joris
+Gerritsz in de gedachten: hij wees den verzoeker terug en ging niet.
+
+Mijne lezers zullen voorzeker wel nieuwsgierig zijn, te weten, hoe
+het met de beide andere knapen afliep. Ik wil dienaangaande hunne
+nieuwsgierigheid bevredigen.
+
+Zoodra onze Pieter thuis was en zijn wedervaren in al zijne kleuren
+verteld had, begaf vader Dirksz zich naar baas Balkenende, wien hij
+de geheele historie mededeelde. De timmerman was juist met zijn
+zoon van _Hondsholredijk_ thuis gekomen en, toen de pruikenmaker
+geëindigd had, riep hij Frans, die hem alles bekende en Jan IJzer
+noemde als dengeen, die hen beiden tot het verzuimen der kerk verleid
+had. Balkenende bedankte Dirksz voor diens mededeeling en beloofde, de
+zaak ten strengste te straffen. Toen dus Pieters vader vertrokken was,
+kreeg onze Frans een duchtig pak slaag en mocht hij tot zijne straf
+den geheelen tijd, dien de Hofkermis duurde, niet uit. Den volgenden
+morgen kwam Jan, alsof er niets gebeurd was, op den winkel. Baas
+Balkenende wachtte hem reeds op, onderhield hem scherp over zijn
+gedrag en joeg hem weg. En of Jans vader al bij den timmermansbaas
+kwam, om zijne toegevendheid voor zijn zoon in te roepen--de baas
+wilde van niets hooren en den knaap niet terugnemen.
+
+"Die lage, gemeene klikkert!" had Jan gezegd, toen hij hoorde, dat
+zijns vaders gang te vergeefs was geweest, en deze hem ongemakkelijk
+had afgeranseld. "Die ellendige pruikenmakersjongen! Maar ik zal het
+hem betaald zetten."
+
+Daar Jan geen lust meer in het timmeren had, maar het goudsmeden
+verkoos te leeren, deed zijn vader hem bij baas Hendrik Verhoef op
+de _Vogelenmarkt_.
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+Hoe een slimme Raadpensionaris een nog slimmeren Prins niet kan
+doorgronden.
+
+
+Wanneer gij ooit den weg van het dorp _Wateringen_ naar _Naaldwijk_
+hebt gewandeld, dan kan het wel niet anders, of gij hebt in het
+bevallige _Hondsholredijk_ (gewoonlijk _Honselaarsdijk_ genoemd)
+eenige oogenblikken uitgerust, om nieuwe krachten te verzamelen,
+en u in de daar staande uitspanning met een glas melk of bier te
+verkwikken. Als gij daar dan gezeten waart en uwe blikken rondom u liet
+gaan, dan moet uw oog als van zelf zijn gevallen op een oude poort,
+die daar zoo alleen staat en zich zoo deftig verheft, dat gij op het
+denkbeeld kwaamt, of zij niet tot andere gebouwen heeft behoord en,
+wanneer gij de statigheid en den omvang van dit overblijfsel van
+vroegere jaren in aanmerking naamt, dan kwaamt gij onwillekeurig tot
+het besluit, dat hier waarschijnlijk een kasteel of zoo iets moet
+gestaan hebben. De ruïne, die zich achter de poort bevindt, doch welke
+gij van buiten af niet kunt zien, zou u in het denkbeeld versterken.
+
+En gij hebt goed gedacht mijne vrienden! Die poort strekte eens tot
+ingang van een oud en sterk kasteel, toebehoorende aan de heeren van
+Naaldwijk, welke hier hun verblijf plachten te houden. Menig ridder,
+die uit den bloedigen kamp huiswaarts keerde, reed onder die poort
+door, gezeten op zijn vurig genet, dat hem onverschrokken door het
+slaggewoel had heengeleid; menige schuchtere jonkvrouw was aan de
+hand haars bruidegoms dien gewelfden boog doorgetreden, omringd
+van vrienden en magen, van pages en schildknapen, van bruidjonkers
+en juffers, om in de kapel, die daar ginder stond, waar gij nu
+die boomen hunne toppen ziet verheffen, den band des huwelijks te
+sluiten.--Maar die dagen van grootheid en luister gingen voorbij;
+de roode leeuw van de erfmaarschalken en opperstalmeesters van
+de graven van _Holland_ verbleekte; het geslacht der Naaldwijken
+stierf uit, en door huwelijk kwam het kasteel te _Hondsholredijk_
+aan de graven van Aremberg. Gij herinnert u, hoe een van dezen in den
+tachtigjarigen oorlog de zijde van _Spanje_ hield; het gevolg daarvan
+was verbeurdverklaring zijner goederen en onder deze ook het kasteel
+te _Hondsholredijk_. Den 13den Juli 1589 gaven de Staten van _Holland_,
+nu de rechtmatige bezitters van de heerlijkheid, het kasteel met zijne
+aanhoorigheden ten geschenke aan Prins Maurits. Maar het gebouw was
+oud en vervallen, en toen genoemde Prins bij zijn overlijden in 1625
+door zijn jongeren broeder Prins Frederik Hendrik werd opgevolgd en
+deze in het bezit van het slot kwam, scheen de luister van het aloude
+huis te _Hondsholredijk_ te herleven. Laatstgenoemde toch liet het
+vervallen slot geheel en al afbreken en op de vorige grondslagen een
+vorstelijk paleis bouwen. Ook dit paleis heeft den tand des tijds niet
+kunnen weerstaan: er is thans weinig meer van over dan de grijze poort,
+die daar zoo eenzaam en verlaten staat.
+
+Wij willen ons in het begin der maand Juli van het jaar 1661 naar
+genoemd huis begeven. Wij gaan dan de groote poort door en bevinden
+ons voor een statige ophaalbrug, die over de breede grachten, welke
+het paleis omringen, den toegang tot het gebouw verleent. Prachtig
+hangen over die gracht de vier uitstekende paviljoenen, in den vorm
+van torens aan de hoeken van het paleis uitgebouwd, van welke er
+twee het uitzicht hebben op de heerlijke lanen van het park. Maar wij
+gaan voort naar den ingang, die zich in het midden van den voorgevel
+bevindt. Ziet eens, welke schoone, levensgroote beelden daar aan
+weerskanten van dien ingang staan. Wij gaan eenige trappen op,
+onder een balkon, dat op zes pilaren rust, en komen zoo op de ruime
+vierkante plaats, met gaanderijen omringd, en op welke een gedeelte van
+de menigvuldige, deftig gebouwde en keurig versierde en gemeubelde
+vertrekken uitziet. Maar ik zie het u wel aan; al die pracht en
+grootheid halen voor u niet bij den luister der natuur; gij hebt van
+het park gehoord en wilt u derwaarts begeven. Welnu, dan keeren wij
+langs den zelfden weg terug, slaan, zonder de voorpoort door te gaan,
+links af en komen in het heerlijk aangelegde park. Wij doorwandelen
+de boomrijke lanen en staan van tijd tot tijd stil bij de openingen,
+hier en daar in het hout gelaten en die ons de schoonste vergezichten
+opleveren. Op verscheidene van deze plaatsen zijn steenen zitbanken
+geplaatst; wij zullen er echter op dit oogenblik geen gebruik van
+maken--wij mochten er te lang zitten droomen.
+
+Hoor! wat was dat?--Zijn wij hier in _Natura Artis Magistra_ te
+_Amsterdam_ of in de Diergaarde der _Rottestad_?--Ho, wat, mijne
+lezers! die waren er ruim tweehonderd jaren geleden nog niet; want
+herinnert u, dat onze wandeling in de 17de en niet in de 20ste eeuw
+plaats heeft. "Maar," zegt gij "Ik hoorde toch duidelijk het brullen
+van een leeuw!"--Gij hebt goed gehoord; wij zijn hier dicht bij de
+diergaarde. Slaan wij slechts dit slingerlaantje in,--zoo, daar zijn
+wij er.
+
+Leeuwen en tijgers, panters en luipaards, beeren en hyena's, kortom, al
+wat gij in een menagerie kunt verwachten, vindt gij hier in prachtige
+hokken en achter stevige ijzeren traliën opgesloten.
+
+Wij zien echter op het oogenblik niet naar die dieren, maar liever
+naar de beide personen, die daar zoo deftig in de diergaarde
+voortwandelen en in druk gesprek schijnen gewikkeld. Ofschoon het
+niet heel fatsoenlijk is, willen wij ons achter hen begeven en hunne
+gesprekken afluisteren; eerst wil ik u een beschrijving van hen geven.
+
+De jongste (en ik begin bij hem, omdat hij een oude kennis van
+ons is) is niemand anders dan Prins Willem Hendrik, die gedurende
+den vacantietijd in _Leiden_ bij zijne grootmoeder Amalia van Solms
+logeert; want bij testament haars gemaals, heeft zij _Hondsholredijk_
+als haar bijzonder eigendom verkregen. Hij is nu ongeveer een jaar
+ouder dan toen wij voor het eerst kennis met hem maakten en een heel
+stuk gegroeid; echter nog even mager, zoo niet nog magerder, nog even
+bleek, misschien nog bleeker door het rouwkleed, dat hij aanheeft,
+het rouwkleed over zijne moeder, die nu reeds een half jaar naast haren
+broeder in den somberen grafkelder der koningen van Engeland rust.
+
+De persoon, die naast den Prins daarheen wandelt, en wiens
+eenvoudige kleeding ons zou doen vermoeden, dat hij tot den
+burgerstand behoort, trekt onze opmerkzaamheid door de uitdrukking
+van geest en schranderheid, die op zijn langwerpig, beenig gelaat
+staat uitgedrukt. De doordringende oogen, door zware wenkbrauwen
+overschaduwd, het hooge breedgewelfde voorhoofd, de sterk gebogen
+neus en de met een klein snorretje begroeide bovenlip geven aan dat
+gelaat iets van dat bijzondere, dat men alleen bij groote vernuften
+aantreft. Een grijze vilten hoed, welks eene zijde is opgerold en
+met een grijs zijden koord van twee vingers dik wordt vastgehouden,
+dekt het hoofd, volgens de mode van dien tijd versierd met een lange,
+blonde allongepruik, die tot op de schouders nederhangt. Een breede,
+dubbele bef hangt over den langen, grijzen rok (wij zouden dien jas
+noemen) die van voren met koord gegarneerd en geheel toegeknoopt
+is en tot even boven de knieën reikt. Om den linkerschouder is
+een zijden sjerp geslagen van de kleuren der Statenvlag, en die in
+de linkerzijde in een strik eindigt, waar ook de degen hangt, dat
+onmisbare bij den man van den deftigen stand. De korte broek, van
+dezelfde kleur en stoffage als de rok, is even beneden de knieën met
+strikken vastgehecht; ook op de schoenen zijn groote strikken. Hij
+houdt een langen wandelstok met gouden knop in de hand, en alleen
+dit artikel van weelde, de sjerp en de fluweelen mantel, die hem over
+den schouder hangt, doen in hem iets meer vermoeden dan zijn anders
+eenvoudige kleeding te kennen geeft. En geen wonder; want de man,
+die daar met den Prins in zulk een druk gesprek schijnt gewikkeld,
+is niemand anders dan de eerste persoon in het geheele land, de man,
+die aan de vorsten van _Europa_ zijn wil en zijne wetten voorschrijft,
+een der grootste staatsmannen van zijn tijd, is de Raadpensionaris
+Johan De Witt, van wien ik reeds in mijn vorige werkje [14] gesproken
+heb. Om zijne buitengewone bekwaamheden en zijne uitstekende diensten,
+hadden de Staten-Generaal, toen in Juli 1658 de vijf jaren, tot de
+bekleeding van zijn ambt vastgesteld, verstreken waren, hem daarin
+weder voor vijf jaren bevestigd. En zeker was De Witt de man,
+die al zijne krachten, al zijnen tijd, al de vermogens van zijn
+geest wijdde aan het heil van den Staat. Altoos jammer is het van
+den onsterfelijken, helderzienden en doorslepen diplomaat, dat hij
+één vast denkbeeld met zich omdroeg, dat vele zijner handelingen
+bestuurde en hem wel eens tot verkeerde maatregelen aandreef: "Geene
+verheffing van het huis van _Oranje_, nooit zal Prins Willem Hendrik
+de waardigheden zijner voorouderen bekleeden."
+
+In het staatkundige zien wij hier dus twee vijanden wandelen (want
+dat de Prins Johan De Witt als zoodanig kende, ook op zoo jeugdigen
+leeftijd, lijdt geen twijfel), twee vijanden, van welke de een een
+doorslepen en doorkneed staatsman is van zes en dertig jaren--de andere
+een zwakke, ziekelijke knaap van nog geen elf. Daarenboven moet ik u
+zeggen, dat het doel van De Witts komst op het huis te _Hondsholredijk_
+schijnbaar ten doel had, om de Prinses-weduwe over ettelijke belangen
+te spreken; het eigenlijke oogmerk was, den jeugdigen Prins uit te
+hooren over brieven, door hem uit _Engeland_ ontvangen, en wier
+inhoud de Raadpensionaris gaarne wilde weten. Ik meen genoeg te
+hebben gezegd, om u belang te doen stellen in het gesprek der beide
+wandelende personen. Ik herinner u daarbij, dat men den Prins wenschte
+af te trekken van de Engelsche partij, en moet u tevens mededeelen,
+dat Zuijlestein in verdenking stond van die partij te ondersteunen.
+
+"Zooals ik uwer Hoogheid zeide," ging De Witt voort; want gij
+herinnert u, dat wij hen midden in hun gesprek beluisteren, "zooals
+ik uwer Hoogheid zeide, ik heb Professor Borneus gesproken, en zijn
+hooggeleerde is zeer content over uwe progressen."
+
+"Ik ben den hoogleeraar wel geobligeerd voor zijne goede opinie te
+mijnen aanzien en wenschte zeer, even content over mij zelf te zijn
+als hij het is."
+
+"Uwe Hoogheid is zeer nederig," hernam de Raadpensionaris glimlachend.
+
+"Ik ben ook Uwer Edelheid dankbaar voor de goede opinie, die zij van
+mij koestert en ik wensch niets liever, dan mijn best te doen om aan
+de verwachtingen, die Uwe Edelheid en de heeren Staten van mij voeden,
+in allen deele te beantwoorden."
+
+"Hoe gaat het tegenwoordig met de arithmetica?" hernam De Witt. "Begint
+Uwe Hoogheid daarin wat meer smaak te krijgen?"
+
+"Ach mijnheer de Raadpensionaris! Uwe Edelheid weet niet hoezeer
+mijn arm hoofd verzwakt van die pijnen, welke het zoo gedurig
+tourmenteeren. Zij beletten mij te denken en zonder denken kan men
+toch niet rekenen."
+
+"In trouwe niet," antwoordde De Witt, die als een der eerste rekenaars
+van zijn tijd bekend stond en wien men wel eens ten laste gelegd heeft,
+dat hij de wiskunde ook op het staatkundige toepaste. "De wiskunst
+eischt onze geheele ziel, ons gansche verstand. Maar Uwe Hoogheid
+moet hare aversie tegen die wetenschap trachten te surmonteeren. De
+arithmetica is tot alle dingen noodwendig."
+
+"Ik zal mijn best doen, om de les Uwer Edelheid in praktijk te
+brengen," hernam de Prins, altijd even stroef en deftig.
+
+"Uwer Hoogheids verzekering is mij genoeg," hernam de Raadpensionaris,
+en van batterij veranderende, ging hij voort:
+
+"Het deed mij leed, dat Uwe Hoogheid mij niet thuis vond bij het
+bezoek, dat Zij mij bij haar kortstondig verblijf te 's-_Gravenhage_
+bracht."
+
+"Mij smartte het niet minder, Uwe Edelheid niet thuis te treffen,"
+antwoordde de Prins. "Indien mijn verblijf langer gecontinueerd had,
+zou ik zeker mijn bezoek gerepeteerd hebben. Mijne grootmoeder had
+echter bepaald, dat ik slechts drie uren zou vertoeven en wachtte
+mij met den maaltijd."
+
+"Ik dank Uwe Hoogheid wel voor hare goede intentie, en zou mij
+geobligeerd hebben gerekend, haar terstond eene contravisite te
+brengen, indien Uwe Hoogheid niets reeds zoo spoedig vertrokken ware."
+
+"Ik kon niet anders. Uwe Edelheid weet, hoezeer mijne grootmoeder op
+orde gesteld is en dat zij volstrekte gehoorzaamheid eischt."
+
+"Zij is in haar recht, als uwe voogdes," gaf De Witt ten antwoord. "Uwe
+Hoogheid is haar onbepaalde gehoorzaamheid verschuldigd. Intusschen
+moet het u genoegen doen, uwe vacantie in zulk een heerlijk lustoord
+als dit te passeeren. Uwe Hoogheid zal zich toch niet vervelen?"
+
+"Vervelen, mijnheer de Raadpensionaris?" vraagde de Prins schier
+verwonderd. "Mijne grootmoeder heeft eene schoone boekerij."
+
+"Gij leest dan veel. En waarin bestaat alzoo uwe lectuur?"
+
+"Ik ben op dit oogenblik aan het lezen van het schoone werk
+van den Amsterdamschen burgemeesterszoon, den ridder Pieter
+Cornelisz. Hooft...."
+
+"Zijne Nederlandsche Historiën voorzeker?" viel De Witt hem in de
+rede. "Een schoon werk in een keurigen, kernachtigen stijl."
+
+"En merkwaardige gebeurtenissen," hernam de prins. "Overigens houden
+wij, Zuijlestein en ik, ons bezig met het repeteeren van het vroeger
+geleerde."
+
+"En het lezen van de brieven, u door den Engelschen gezant ter hand
+gesteld?" vervolgde De Witt ietwat scherp en onverwacht, om den Prins
+in verwarring te brengen en hem zoo de bekentenis te ontwringen,
+die hij van hem hoopte te hooren. Hij had echter buiten den waard
+gerekend. Zonder te verbleeken of te blozen, zelfs zonder de oogen
+neder te slaan en toch zonder zijne lippen met een logen te bezoedelen
+(want dat zou Willem Hendrik nooit gedaan hebben) antwoordde de
+Prins ongekunsteld:
+
+"Uwe Edelheid vergist zich, wanneer zij denkt, dat ik de hulp van den
+heer Van Zuijlestein noodig heb, om Engelsche brieven te lezen.--Ik
+durf zeggen, dat ik de taal genoegzaam machtig ben, om ze alleen te
+verstaan. Uwe Edelheid vergeet, dat mijne moeder een Engelsche was."
+
+De Witt beet zich op de lippen. Wilde de Prins hem soms doen voelen,
+dat zijne correspondentie met het Engelsche hof een natuurlijke zaak
+was en dat dus al zijne staatkundige geslepenheid niet in staat zou
+zijn, hem geheel en al aan dien invloed te onttrekken? Nog in twijfel,
+wat de bedoeling van den knaap was, ging hij voort:
+
+"En uwe grootmoeder is eene Duitsche Vorstin. Dus zal u de Hoogduitsche
+taal toch ook wel eigen zijn."
+
+"Ik vind, dat de Hoogduitsche taal voor ons gemakkelijk te verstaan,
+maar moeilijk te schrijven is," antwoordde de Prins ontwijkend.
+
+"En is uw koninklijke oom gezond?" hernam De Witt. "Schreef hij u
+niets ten aanzien van mij?"
+
+"Maar, mijnheer de Raadpensionaris!" hernam de Prins glimlachend. "Uwe
+Edelheid vergeet, dat ik eerst tien jaar ben en dat mijn oom, de Koning
+der drie Brittannische rijken, mij over geen staatkunde zal schrijven."
+
+Alweder was De Witt, de schrandere De Witt, in verlegenheid. Dien knaap
+kon hij niet doorgronden. Wat beteekende die bijvoeging van _Koning
+der drie Brittannische rijken_, met zooveel kracht uitgesproken?--Nog
+meer werd hij in de war gebracht, toen de Prins er schijnbaar met de
+grootste onnoozelheid bijvoegde:
+
+"Mijn nicht Marie [15], de dochter van den hertog van _York_, heeft
+mij geschreven, dat haars vaders beide schoonste jachthonden gejongd
+hebben. Ik zal mijn oom vragen, of hij mij een paar zal zenden,--ik
+houd dol veel van jachthonden, mijnheer de Raadpensionaris."
+
+"Zoo," antwoordde De Witt droogjes.
+
+"En van de jacht ook. Mijn vader bezat een groote, uitgestrekte jacht
+te _Dieren_."
+
+"Dat weet ik," hervatte De Witt even droog.
+
+"En hier te _Hondsholredijk_ is ook een schoone jacht, mijnheer
+de Raadpensionaris.--Als ik groot ben, dan hoop ik hier dikwerf
+te jagen...."
+
+"En heeft Uwe Hoogheid nog andere brieven uit _Engeland_
+ontvangen?" hervatte De Witt, die zich de gelegenheid niet wilde
+laten ontnemen, om te weten met wie de Prins in correspondentie stond.
+
+"Voorzeker. Ook nog eene van Marie's zuster, mijn nichtje Anna. Maar
+zij schrijft nog niet correct.--Doch, om tot de jacht terug te keeren
+(en als de Prins op dat punt kwam, werd hij welsprekend) heeft Uwe
+Edelheid wel eens een leeuwenjacht bijgewoond?"
+
+De vraag geschiedde, terwijl beiden stilstonden voor het hok van een
+prachtigen Afrikaanschen leeuw. Zij was dus zeer natuurlijk. Maar
+dommer, kinderachtiger vraag kon er niet bestaan, en zulks juist op
+het oogenblik, dat de Raadpensionaris iets dacht te zullen hooren.
+
+"Maar Uwe Hoogheid!" antwoordde De Witt. "Er zijn immers geen leeuwen
+in de Geüniëerde Provinciën."
+
+"Uwe Edelheid kon een reis gedaan hebben naar _Afrika_," hernam
+de Prins.
+
+"Ik naar _Afrika_? Uwe Hoogheid railleert."
+
+"Uwe Edelheid vergeve het mijner kinderachtige domheid," hernam de
+Prins. "Het kwam door het verlangen, dat ik koesterde om eens een
+leeuwenjager te spreken. Het moet een fier en koninklijk dier zijn,
+zoo'n dier in zijn natuurstaat."
+
+"Eilacy, dat laat zich denken. Niet ten onrechte noemt men hem de
+koning der dieren, de vorst van het woud."
+
+"Geheel anders dan zoo gevangen te zitten en van den wil van een
+ander af te hangen," hernam de Prins. "Als deze leeuw eens werd
+losgelaten, zoudt gij dan niet denken, dat hij nog woester was dan
+de nooit gekerkerde?"
+
+"Ik denk het niet," hervatte De Witt. "Zulke leeuwen worden jong
+gevangen."
+
+"En zoudt gij dan denken, mijnheer de Raadpensionaris," vervolgde de
+Prins, die zich door het oogenblik liet medeslepen, "dat een leeuw
+geen leeuw blijft? Zoudt gij meenen, dat de jonge leeuw niet even
+goed de ketens voelt, die hem binden, als de volwassene? Zoudt gij
+het niet met mij eens zijn, dat de gevangene leeuw, als hij zijn
+kerker ontkomt, nog woedender is dan de leeuw der bosschen, die de
+vrijheid gewoon is en geen inkerkering te wreken heeft? Mij dunkt,
+als ik mij eens in de plaats van zoo'n leeuw stelde en dan aan mijne
+afkomst gedacht, ik zou, zoodra ik de gelegenheid voor mij schoon zag,
+mijne traliën verbreken en schrikkelijk op mijne bewaarders aanvallen."
+
+Met verbazing had De Witt naar den anders zoo stroeven en eenvoudigen
+knaap geluisterd. Hij had die oogen zien flonkeren van een ongekend
+vuur, een licht rood zich over dat anders zoo bleeke gelaat
+zien verspreiden; hij had geestdrift gezien, waar anders ijskoude
+onverschilligheid heerschte. Zou die knaap werkelijk gevoelen, dat hij
+de gekerkerde jonge leeuw was en zou hij zich bewust zijn van zijne
+afkomst en zijne rechten? Nog vreemder echter zag de Raadpensionaris
+op, toen diezelfde knaap met al de eenvoudigheid, zijnen leeftijd
+eigen, na een oogenblik gezwegen te hebben, voortging:
+
+"'t Is zoo jammer, dat de leeuw altijd achter traliën moet zitten. Ik
+wou, dat men hem zoo tam kon maken als een hond, dan zou ik Uwe
+Edelheid vragen, om uit mijnen naam een verzoek aan de heeren Staten
+te doen."
+
+"En welk?" vraagde De Witt, verwachtende nu toch iets belangrijks te
+vernemen, misschien wel een verzoek, dat den Prins door de brieven
+uit _Engeland_ was ingegeven.
+
+"Om voor mij een tam leeuwtje uit _Afrika_ te laten overkomen en mij
+verlof te geven, het aan een koord op straat te mogen meenemen."
+
+Nu wist de schrandere, de geslepen staatsman niet meer, wat hij van
+dien knaap denken moest. Had hij zijns gelijke in politiek gevonden,
+of liever, moest hij dien tienjarigen knaap als zijn meester in
+geslepenheid erkennen? Of was alles slechts eenvoudigheid, en zocht
+hij meer in 's Prinsen woorden, dan daarin lag? Hij wist het niet en
+was verlegen, wat te antwoorden, toen de komst van Zuijlestein hem
+uit die verlegenheid redde.
+
+Ik wil het gesprek tusschen dezen en De Witt mijnen lezers niet
+mededeelen, noch hen op hunne wandeling door de lanen van het park
+vergezellen. Toen zij aan de gracht gekomen waren, die het vorstelijk
+paleis omgaf, bleven zij eenige oogenblikken stilstaan, om te zien
+naar het werkvolk van baas Balkenende, dat op een steiger stond en
+bezig was, een nieuwe kroonlijst aan het hoofdgebouw te maken.
+
+
+
+Terwijl zij daar zoo stonden te kijken, gaf de Prins onwillekeurig een
+gil. Een der planken van de bovenste verdieping van den steiger schoot
+uit, juist toen een knaap van ongeveer vijftien jaren er den voet
+op had gezet. De arme jongen tuimelde en scheen reddeloos verloren;
+want de hoogte, van welke hij viel, moest hem noodwendig doodelijk
+zijn. Gij weet toch, hoe een vrijvallend lichaam bij elke seconde in
+snelheid toeneemt, en al kwam de knaap dan ook in het water neder,
+de tegenstand, dien dit element aan zulk een snelvallend lichaam
+moest bieden, kon niet anders dan hem noodlottig zijn. Maar met eene
+tegenwoordigheid van geest, die alledrie de aanschouwers verbaasde,
+greep de knaap een der stijlen, klemde er zich terstond met beide
+handen aan vast en klom, alsof er niets gebeurd was, naar boven,
+waar hij doodbedaard aan het werk ging om een andere plank in plaats
+van de uitgeschotene te leggen.
+
+"Dat noem ik tegenwoordigheid van geest. Zoo iets heb ik in mijn
+leven niet gezien," zeide De Witt.
+
+"Daar steekt iets groots in dien knaap," meende Zuijlestein.
+
+De Prins zeide niets; maar toen men zich weder op het paleis bevond
+en de Raadpensionaris vertrokken was, ging hij naar den kant, waar
+de steiger stond, en riep den knaap.
+
+"Heb je je niet bezeerd?" was zijn eerste vraag.
+
+De knaap, die den prins niet kende, maar toch wel begreep dat hij
+niet zijns gelijke was, antwoordde op eerbiedigen toon:
+
+"Ik had een leelijken val kunnen doen, jongeheer! Gelukkig, dat ik
+den stijl kon bereiken; anders had ik mijn zwemkunst moeten gebruiken."
+
+"En was je niet verschrikt?" vraagde de Prins.
+
+"Verschrikt? Dat zou ik geweest zijn, als ik den stijl niet had
+gezien. Maar toen ik voelde, dat de plank uitschoot, dacht ik dadelijk:
+"Piet, maak dat je je aan het een of ander vasthoudt--anders is het met
+je gedaan." En zoo kan ik niet zeggen, dat ik er erg van ontsteld ben."
+
+"Je bent een fiksche knaap en kunt het ver brengen in de wereld. Hoe
+heet je?"
+
+"Ik heet Pieter Pietersz en ben de jongste zoon van den pruikenmaker
+Pieter Dirksz uit de _Spuistraat_ te _'s-Gravenhage_".
+
+"Welzoo! Ben jij een zoon van den pruikenmaker Dirksz? Dan ben je
+een broeder van mijn kamerdienaar Karel."
+
+"Van Uwen kamerdienaar...." riep Pieter uit, terwijl hij een lang
+gezicht zette, en meer verschrikte dan toen hij gevallen was. "Dus
+dan heb ik de eer met zijne Hoogheid den Prins van Oranje te spreken."
+
+"Het is zoo," antwoordde de Prins vriendelijk. "Maar laat dat je niet
+verschrikken. Ik ben immers geen wild beest."
+
+"De Hemel beware mij, Uwe Hoogheid!" antwoordde
+Pieter. "Maar--maar...."
+
+"Hoor eens, Pieter," hervatte de Prins. "Zeg mij, kan ik iets voor
+je doen? Je hebt getoond een onverschrokken knaap te zijn. Ik kan
+wel niet veel, maar wat ik in mijne macht heb, staat je ten dienste.
+
+"Ach, Uwe Hoogheid!" antwoordde Pieter. "Wat ik zoo gaarne wilde,
+staat toch niet in Uwe macht."
+
+"En wat is dat?" vroeg de Prins.
+
+"Ik zou zoo gaarne zeeman willen worden, zooals mijn oom Klaas is;
+maar vader wil het niet toestaan."
+
+"Dat is een leelijk geval, Pieter. Ik weet, dat baas Dirksz stijf
+op zijn stuk staat. Maar wat ik kan, zal ik doen. Ik zal er je broer
+Karel over spreken."
+
+"O, ik dank Uwe Hoogheid wel voor die gunst," riep Pieter uit.
+
+"Vaarwel, Pieter," zeide de Prins, terwijl hij den krullenjongen
+verliet, die 's avonds thuis kwam en zegevierend vertelde met wien
+hij gesproken had. Van diens belofte echter zweeg hij wijselijk.
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+Hoe een echt Hollandsche jongen zich wreekt.
+
+
+Jan IJzer had het voornemen opgevat, om te gelegener tijd wraak te
+nemen op Pieter, omdat hij dien als de oorzaak beschouwde van zijne
+wegzending door baas Balkenende, en wij willen eens zien hoe hij dat
+voornemen ten uitvoer bracht. Gij herinnert u, dat hij op een en ander
+ambacht gekomen was. Spoedig had hij hier andere kennissen gekregen,
+en zou men dus veronderstellen, dat hij Pieter Dirksz en al wat er
+gebeurd was vergat. Maar neen--niet lang nadat Pieters voet hersteld
+was, kwam hij hem tegen, en begon hem te schelden voor "klikspaan"
+en al zulke leelijke woorden. Pieter die al te zeer wist, dat hij
+onschuldig aan het hem aangetegen kwaad was, en dat hij, ondervraagd
+zijnde, niets dan de waarheid had gesproken, antwoordde in het eerst
+niet; maar toen Jan hem blijkbaar opwachtte, en niet ophield hem te
+schelden, besloot Pieter hem eens de kracht zijner vuisten te laten
+voelen en takelde hem zoo toe, dat hij met een blauw oog op den winkel
+kwam. Toen zijne kameraads hem vraagden, waar hij dat gekregen had,
+durfde hij voor de waarheid niet uitkomen, maar zeide, dat hij zich
+had gestooten. Zijn geheele uitzicht echter toonde aan, dat hij
+geplukhaard had. Om zich hierover te wreken, besloot hij Pieter des
+avonds op te wachten en onverwachts te overvallen, welk plan hij met
+een paar zijner kameraads ten uitvoer bracht en dat hem in het begin
+van September gelukte. Pieter, het wel tegen een, maar niet tegen
+drie kunnende uithouden, zou gewis het onderspit gedolven hebben,
+indien hem niet bij geluk een voorbijganger ware te hulp gekomen,
+die hem uit hunne handen had gered.
+
+"Het was gelukkig, dat ik daar aankwam, knaap!" zeide de voorbijganger;
+"anders had men je braaf toegetakeld."
+
+"Ik dank Uwe Edelheid voor hare hulp," antwoordde Pieter. "Drie tegen
+een, en dan zoo verraderlijk; daar is niemand tegen bestand. Laat
+hen een voor een komen, dan sta ik ze." En dit zeggende, balde hij
+de vuisten.
+
+"Wie ben je, knaap, dat je zooveel moed in het lijf hebt?" vraagde
+de onbekende.
+
+"Ik heet Pieter Pietersz en mijn vader is pruikenmaker in de
+_Spuistraat_."
+
+"Aha! dan ben jij dat onverschrokken kereltje, dat op den huize te
+_Hondsholredijk_ bijna van den stijger viel."
+
+"Dezelfde. Doch hoe kan Uwe Edelheid dat weten?"
+
+"Ik was met den heer Raadpensionaris en Zijne Hoogheid den Prins
+getuige van je val en je koenheid."
+
+"Zijne Hoogheid de Prins!" hernam Pieter. "O, ik had het geluk,
+dien te spreken.
+
+"Zijne Hoogheid was zeer over je tevreden," verzekerde de Heer Van
+Zuijlestein; want mijne lezers zullen wel reeds geraden hebben, dat het
+niemand anders was dan deze, "en sprak met veel ingenomenheid over je."
+
+"Ik ben Zijner Hoogheid ten zeerste verplicht voor goede intentie,
+hervatte Pieter, terwijl hij een buiging voor den Heer Van Zuijlestein
+maakt, "en, als het niet te vrij is, zou ik u wel willen verzoeken,
+Haar mijne gebiedenis te maken."
+
+"Met genoegen, Pieter.--Vaarwel!" hervatte Zuijlestein, terwijl hij
+zijn weg vervolgde.
+
+
+
+Het jaar 1661 liep ten einde en nog had zich weinig vorst doen
+gevoelen, toen eensklaps, kort vóór Kersttijd, de wind noordoostelijk
+liep en zulk een felle koude aanbracht, dat binnen een paar dagen al
+het water in en om _Den Haag_ met een dikke ijskorst bevloerd was. Nu
+werden de schaatsen voor den dag gehaald; en de Haagsche jeugd,
+dol op het echt Hollandsche ijsvermaak, had terstond de ijsschoenen
+klaar, hier een riem hersteld, daar nieuwe banden ingeregen, elders
+het in den zomer geroeste of in den vorigen winter bot geworden ijzer
+laten slijpen, of hare spaarpenningen besteed om zich een paar nieuwe
+vleugels aan te schaffen, welke, evenals die van Mercurius aan de
+voeten gebonden, de snelheid van dien voet vertiendubbelden. Menigeen
+was reeds met een nat pak te huis gekomen; want de dartele knapen,
+verzot op het vermaak, konden niet wachten tot de wateren genoegzaam
+bevloerd waren, maar waagden zich reeds op de spiegelgladde baan,
+alvorens het ijs de behoorlijke dikte had verkregen om hen te
+dragen. Gelukkig als zij er maar met een nat pak afkwamen en er niet
+het leven bij inschoten. Nu is er van dit laatste in 's-_Gravenhage_,
+ten minste bij eenige voorzichtigheid, weinig gevaar, en ik zal u
+dat uitleggen. De polder, die zich aan den zuidoostelijken kant van
+de residentiestad bevindt, is zeer laag gelegen, en nu wordt het land
+reeds in het late najaar door het hooge water geheel ondergezet: zoodat
+men zou meenen een uitgestrekt meer voor zich te zien [16]. Wanneer dit
+water bevriest, schenkt het een uitgestrekt veld aan de liefhebbers
+der kunst van schaatsenrijden en wordt daarom zeer druk bezocht. Nu
+is daar ook weinig gevaar van verdrinken, want zakt men door het ijs,
+dan valt men er tot de knieën, op het ergst in een sloot, tot den hals
+toe in. Alleen op de diepere molenslooten, waar men--als de molens
+gemalen hebben--dikwijls bomijs aantreft of--als het sterk gewaaid
+heeft--zoogenaamde windwakken, kan men gevaar loopen van te verdrinken.
+
+Het was de tweede Kerstdag. Prins Willem Hendrik, die een
+aartsliefhebber van schaatsenrijden was en zich gaarne op den
+Vijver voor het _Binnenhof_ met die kunst vermaakte, had zich met
+zijn goeverneur, zijn page Jan Theodoor Baron van Freisheim, zijn
+kamerdienaar en eenige lakeien naar het veldijs begeven, reeds zwart
+van de menigte van schaatsenrijders; niet om de vlugge wendingen aan
+te zien, maar om zelf zich met rijden te vermaken. Daar men het ijs
+nog niet sterk genoeg rekende, om zich op den _Vijver_ te wagen, die,
+meer besloten dan het open veld, nog niet te berijden was, bestond er
+hier geen de minste zwarigheid. Zoodra dus Zijne Hoogheid met zijn
+gevolg op het veldijs gekomen was, ging hij op een stoel zitten en
+werden hem de keurige, fijne, met zilver en ivoor ingelegde Friesche
+schaatsen aangebonden, welke hij van zijnen oom Willem Frederik,
+Stadhouder over _Friesland_ en sedert 1650 ook over _Groningen_ en
+_Drente_, ten geschenke had ontvangen. Deze Willem Frederik, Graaf
+van _Nassau_ en de zoon van den Frieschen Stadhouder Ernst Casimir,
+was sedert ruim vier jaren gehuwd met 's Prinsen tante Albertina Agnes,
+zijns vaders zuster, en door dat huwelijk zijn oom geworden.
+
+Eenvoudig maar sierlijk was de kleeding van den Prins. Zijn zwarte
+aan één kant opgeslagen hoed met de golvende witte struisveder, die
+door een diamanten knoop met kleine parelen omzet, was vastgemaakt,
+zijn nauwsluitend fluweelen wambuis (zijn mantel had hij aan
+zijn kamerdienaar overgegeven) uit welks poffen het wit satijnen
+onderkleed zich liet zien, de zwart fluweelen hozen met zijden strikken
+boven de kuiten vastgemaakt, deden zijne slanke gestalte te beter
+uitkomen, terwijl hem de lichaamsbeweging van het schaatsenrijden
+niet alleen eene losheid en bevalligheid scheen te geven, die hij
+anders ten eenenmale miste, maar ook een blos op zijn ingevallen
+kaken verspreidde, die bij de levendige oogen zoo goed stond.
+
+"Freisheim!" zeide de Prins tot zijnen page, toen hij, na een geruimen
+tijd gereden te hebben, eenige oogenblikken stil stond. "Wij moesten
+eens om het zeerst naar gindschen molen rijden, hé?"
+
+"Uwe Hoogheid zij indachtig, dat er gevaar bij dien rit is. De
+molenslooten zijn dikwijls met wakken."
+
+"Wij kunnen er over het veldijs naar toe," antwoordde de Prins. "Zie
+maar, hoe ver de ijsspiegel zich uitstrekt."
+
+"Dan is het mij goed," hervatte de page.
+
+"Willem, wees toch voorzichtig!" vermaande Zuijlestein, die juist
+bij hen kwam.
+
+"Mag ik Uwe Hoogheid en mijnheer den baron vooruit rijden; dan kunnen
+zij gerust voort en behoeven geen gevaar te vreezen?" vraagde Karel.
+
+"Doe dat, Karel!" antwoordde de Prins. "Maar wat snel."
+
+"Een goede, trouwe kerel, niet waar?" hervatte hij tot Freisheim,
+terwijl hij den kamerdienaar naoogde. "Hij zou zijn leven voor
+mij laten."
+
+"Eilacy! Niet meer dan een staaltje van zijn devoir," antwoordde de
+page. "Wij allen zouden dat doen, indien het noodig was."
+
+"Ik hoop zulk een sacrifice nooit van u te behoeven, Freisheim,"
+antwoordde de Prins. "Het zou mij weinig streelen, als iemand voor
+mij zijn leven in de waagschaal stelde. Maar komaan! Karel is reeds
+half weg. Een--twee--drie."
+
+En met het laatste woord schoten beiden als een pijl uit een boog
+voort, terwijl de lakeien moeite hadden hen bij te houden.
+
+Eensklaps stond de Prins stil en liet den jongen baron alleen
+rijden. Hij had een angstkreet gehoord van den kant der molensloot, en
+spoede zich met andere schaatsenrijders derwaarts. Toen hij er aankwam,
+was reeds een groote menigte volks verzameld, die om een wak stond
+te kijken. Zoodra de Prins kwam, week men eerbiedig voor hem terug.
+
+"Wat is daar te doen?" vraagde hij aan een der omstanders.
+
+"Er ligt een knaap in het water, Uwe Hoogheid! Hij is op een wak
+gekomen en er ingeschoten."
+
+"En is er dan niemand om den drenkeling te helpen?" vraagde de Prins.
+
+"Wie zou zich in de diepe sloot durven wagen, waar misschien drift
+genoeg in is om iemand in een oogenblik twintig ellen onder het ijs
+voort te sleepen? Één lijk is genoeg, Uwe Hoogheid."
+
+Nog eer de Prins kon antwoorden, drong een andere knaap door de
+menigte heen, gaf zijne schaatsen, die hij in de haast afgebonden,
+en zijn wambuis, dat hij uitgetrokken had, aan een der omstanders,
+en sprong zonder bedenken in het wak. Niemand durfde zich bewegen,
+niemand sprak een enkel woord. Ook de Prins stond daar sprakeloos en
+met ingehouden adem. Freisheim, die nog een eind voortgereden was,
+voegde zich bij hem en zeide op vroolijken toon:
+
+"Uwe Hoogheid schijnt van den rechten weg te zijn afgedwaald."
+
+"Stil, Freisheim!" antwoordde de Prins stroef. "Het geldt hier twee
+menschenlevens."
+
+De toon, waarop de Prins deze woorden sprak, deed den page
+zwijgen. Hij begreep, hoe ontijdig zijne scherts was geweest en
+bleef ook onbeweeglijk staan. Zuijlestein kwam eenige oogenblikken
+later aanrijden.
+
+"Uwe Hoogheid moet niet stilstaan," zeide hij. "Zij is te bezweet--de
+koude zou haar een ziekte op den hals halen."
+
+"Een oogenblik, mijn waarde Zuijlestein," hervatte de Prins. "Er is
+hier een ongeluk gebeurd."
+
+Terwijl de Prins nog sprak, hoorde men een vreugdekreet: de moedige
+duiker kwam boven en hield den drenkeling in den eenen arm, terwijl
+hij met den anderen zwom.
+
+"Help mij!" riep hij op vermoeiden toon uit en terstond waren er
+twintig armen te gelijk gereed, van welke er eenige den drenkeling
+naar zich toetrokken, terwijl andere den moedigen knaap uit het
+water hielpen. In dien tusschentijd was ook Karel naderbij gekomen,
+en nauwelijks zag hij den onverschrokken jongen menschenvriend,
+of hij riep uit:
+
+"Goede hemel! Pieter! heb je in het water gelegen....?"
+
+"Is het je broer, Karel," zeide de Prins; maar deze vergat Zijne
+Hoogheid en allen, die hem omringden, en snelde naar zijn broeder toe.
+
+"Het is niets, Karel," antwoordde de knaap met zijne gewone
+onverschrokkenheid. "Waar zijn mijn schaatsen en mijn wambuis? Ik ga
+spoedig naar huis om mij te drogen; want ik ben zoo nat als een kat."
+
+"Pieter Pietersz," zeide de Prins, toen de knaap hem wilde voorbijgaan,
+"kom hedenmiddag om zes uur bij mij op het _Binnenhof_."
+
+"Gij hier, Uwe Hoogheid!" riep Pieter en trad verschrikt een paar
+stappen achteruit. "Vergeef mij, dat ik u zoo onbeleefd wilde
+voorbijstuiven."
+
+"Ga nu spoedig naar huis en onthoud wat ik je gezegd heb," hernam de
+Prins. "Van middag om zes uur."
+
+"Ik zal tegenwoordig zijn," antwoordde Pieter en stapte met groote
+schreden naar den wal.
+
+"Ga met hem mede, Karel," gebood de Prins, "en zeg aan je vader,
+dat je broeder een medemensch gered heeft. Zorg, dat hij terstond
+warme en droge kleeren aantrekt."
+
+Dien namiddag ten zes uren trad Pieter bij den Prins binnen. Deze
+was blijkbaar afgemat van de inspanning van dien morgen; hij zat
+in een grooten leuningstoel en aan zijn bleek en lusteloos gelaat
+was het duidelijk te zien, dat in hem de wil sterker was dan het
+lichaam.--Niemand zou in dien matten, lusteloos daar neergevlijden
+knaap den sierlijken, vluggen, ja fieren schaatsenrijder herkend
+hebben.
+
+Toen Pieter werd aangediend, zat de Baron van Freisheim aan de tafel
+en las den Prins iets voor.
+
+"Nu zal Uwe Hoogheid zich weer vermoeien," zeide deze. "Laat den
+knaap morgen of overmorgen terugkomen."
+
+"Het zal mij niet vermoeien, Freisheim," gaf de Prins ten
+antwoord. "Integendeel, het zal mij afleiding bezorgen."
+
+"Een mooi compliment voor mij," gaf de baron eenigszins scherp ten
+antwoord, "die mij nog al uitsloof om u te occupeeren. Ik kan dus
+wel heengaan."
+
+"Blijf, Freisheim," zeide de Prins met iets gebiedends, maar tevens
+ook iets verzoekends in zijne stem, en, als speet hem dat korte woord,
+voegde hij er bij: "Altijd dezelfde driftkop. Wanneer zult gij toch
+eens leeren uwe drift te betoomen!"
+
+"Ik ben ook geen afstammeling van den grooten Zwijger," antwoordde
+deze. "Het ligt in uw geslacht, Uwe Hoogheid! om over zijn drift te
+heerschen. Ik admireer u, imiteeren kan ik u niet."
+
+"_Mij_ imiteeren?" zeide de Prins met een treurigen glimlach. "Doch
+daar is de knaap. Kom nader, Pieter!"
+
+Pieter kwam bedeesd nader. De pracht, die er in de kamer heerschte,
+de tegenwoordigheid van den page, ja zelfs die van den Prins, nu hij
+wist dat hij de Prins was, maakten hem verlegen.
+
+"Ik heb van Karel gehoord, dat het een vijand van je was, dien je
+gered hebt."
+
+"Vijand, Uwe Hoogheid? Dat heeft Karel u verkeerd overgebracht. Wij
+jongens hebben geen vijanden."
+
+"Ik meen toch dat het dezelfde was, uit wiens handen mijn goeverneur
+de heer van Zuijlestein je eens heeft verlost."
+
+Pieter werd rood als vuur. "Uit zijne handen verlost," dat was eene
+beleediging voor den Hollandschen knaap. Hij vergat, voor wien hij
+stond, en zeide op driftigen toon:
+
+"Uit zijn handen? Dat is een leugen, Uwe Hoogheid!" Doch zich
+bedenkende, voegde hij er kalmer bij: "Men heeft u verkeerd onderricht,
+Uwe Hoogheid! Hij had twee andere jongens bij zich en tegen de
+overmacht kan de beste het niet uithouden."
+
+Freisheim, die achter Willems stoel was gaan staan, fluisterde den
+Prins op satirieken toon toe:
+
+"Ook al een driftkop, Uwe Hoogheid! Ik ben dus de eenige niet!"
+
+De Prins zag glimlachend tot hem op en dreigde hem met den vinger. Zich
+toen tot Pieter wendende, ging hij voort:
+
+"Je schijnt reeds sedert lang in vijandschap te leven met dien
+knaap. Wat is daar de oorzaak van?"
+
+Pieter vertelde het den Prins, en eindigde:
+
+"Uwe Hoogheid ziet dus wel, dat de schuld niet aan mij ligt. Intusschen
+moest ik mij verdedigen."
+
+"Wel zeker. Maar hoe raakte de knaap in het ijs?"
+
+"Toen Jan mij zag, begon hij mij te sarren, voor allerlei leelijke
+dingen uit te schelden, ja, met vuil te werpen. Dat kon ik niet langer
+velen, ik werd driftig, hief mijn haak op en reed op hem aan. Jan,
+wel wetende, dat ik vlugger rijder ben dan hij, begon beenen te
+maken, maar ik kwam hem al nader en nader, terwijl ik al driftiger en
+driftiger werd. Inderdaad, Uwe Hoogheid! als onze lieve Heer het niet
+had verhoed, dan had ik hem mogelijk doodgeslagen; want dat sarren
+kan ik niet velen."
+
+"Dat is nog een soort erger dan ik, dien Uwe Hoogheid zoo dikwijls
+om mijne drift beknort," fluisterde Freisheim weder.
+
+"Foei, Pieter," zeide de Prins, "het is zeer zondig, om zoo aan
+zijn toorn toe te geven. Je zoudt op die wijs een moordenaar hebben
+kunnen worden."
+
+"Ik weet het, Uwe Hoogheid!" antwoordde Pieter beschaamd. "Maar wat
+deed Jan mij ook te sarren? Intusschen hoop ik, nooit weer driftig
+te worden."
+
+"Dat is een goed voornemen, Pieter. Doch ga voort."
+
+"Om mij te ontgaan, was er geen middel meer. Ik kwam hem al op de
+hielen en lichtte reeds den stok met ijzeren haak op, om dien het
+volgend oogenblik op zijn hoofd te doen nederdalen; toen Jan, geen
+andere kans op redding ziende, eensklaps zwenkte en in snelle vaart
+de molenvliet trachtte over te komen: waar hij zeker was, dat ik hem
+niet zou volgen. Want wie--hoe driftig hij ook is--waagt zich op dit
+oogenblik al op het ijs van een molenvliet? Daar ik op zijn wending
+niet verdacht was, schoot ik nog een eind voort, en toen ik mijn
+zwaai nam, zag ik hem op het midden van de sloot de handen wanhopig
+ten hemel heffen en in hetzelfde oogenblik in de diepte verzinken. 't
+Was alsof mij koud water over de leden stroomde: al mijn bloed scheen
+eensklaps naar mijn hart terug te keeren. Mijn drift was bekoeld:
+ik gaf een gil en bleef stokstijf staan. Maar ik bedacht mij niet
+lang. Ik strikte mijn schaatsen los, trok mijn wambuis uit--en Uwe
+Hoogheid zag, hoe het mij gelukte den knaap te redden."
+
+"En waarom heb je je zoo spoedig weggemaakt? Waarom wachtte je niet
+totdat de geredde was bijgekomen?"
+
+"Omdat," stotterde Pieter, terwijl hij verlegen op zijn vingers beet,
+"omdat... ik bang was, dat Jan mij zou bedanken."
+
+"En stelde je er dan geen belang in, of de geredde weer in het leven
+was gekomen?" vraagde de Prins.
+
+"Zóó lang had hij niet in het water gelegen, dat hij al dood
+kon zijn, of hij moest er dood in gevallen zijn, en dat wist ik
+beter (de Prins en de baron moesten om deze koddige opmerking
+glimlachen). Daarenboven--ik had hem er uitgehaald en dat was mijn
+plicht. Er waren menschen genoeg bij, om hem verder te behandelen."
+
+"En je hebt dus niet eens naar hem vernomen?"
+
+"Ik dacht slechts om droge kleeren aan te trekken en toen ik dit
+gedaan had, ben ik eens naar zijne buurt gewandeld, en vernam, dat
+hij levend thuis gebracht is en nu te bed ligt, zeker om de kou,
+die hij gevat heeft, uit te jagen."
+
+"En jij, Pieter! Heb jij dan geen kou gevat?"
+
+"Uwe Hoogheid, dat is niet hetzelfde. Mijn beroep is timmerman en ik
+moet in weer en wind, dikwijls in plasregens of sneeuwbuien, boven
+op daken of schouwen klimmen; dat maakt mij gehard;--Jan daarentegen
+is bij den goudsmid Verhoef, en staat meest aan den heeten smeltoven."
+
+"Verhoef?" zeide de Prins. "Die naam komt mij bekend voor."
+
+"Hij heet Hendrik Verhoef en woont op de _Vogelenmarkt_."
+
+"Maar Jan zal je toch wel komen bedanken."
+
+"Mijnentwege mag hij het laten, Uwe Hoogheid. Ik begeer geen dank
+van hem, vooral niet voor die beuzeling. 't Is de moeite niet waard
+om er van te spreken; ik zou hetzelfde voor een hond of een kat
+gedaan hebben."
+
+De jonge Prins glimlachte om deze taal.
+
+"Je maakt al bitter weinig ophef van je daad, Pieter," zeide
+hij. "Intusschen heb je getoond een goed hart te bezitten; ik wensch
+je daarvoor te beloonen."
+
+"Beloonen?--Uwe Hoogheid steekt den draak met mij. Daarenboven,"
+voegde hij er wel ietwat trotsch bij, "ik begeer geen loon."
+
+"Laat mij je dan een gedachtenis geven," zeide de Prins, terwijl
+hij een ring van zijn vinger trok. Thans kan ik nog weinig voor
+je doen. Maar mocht ik eens in staat zijn, je van dienst te wezen,
+dan kun je mij dezen ring toonen en aanspraak maken op mijne hulp."
+
+De knaap nam het kleinood aan, kuste dat en zeide:
+
+"Dien ring zal ik altijd op mijn borst dragen, Uwe Hoogheid..."
+
+Op dit oogenblik kwam Karel binnen.
+
+"Zijne Edelheid de Raadpensionaris houdt voor de deur stil," zeide hij.
+
+"Je kunt thans heengaan, Pieter," hervatte de Prins met ongeduld;
+hij wenschte blijkbaar, dat De Witt den knaap hier niet zou ontmoeten.
+
+Nauwelijks was Pieter vertrokken, of een bediende kondigde den nieuwen
+bezoeker aan. Kort daarop trad deze binnen, thans in het zwart,
+heel eenvoudig gekleed.
+
+"Ik wenschte Uwe Hoogheid een oogenblik alleen te spreken," begon hij.
+
+De page verwijderde zich; De Wit nam plaats op een stoel. De Prins
+bleef zwijgend in den zijnen zitten.
+
+"Uwe Hoogheid schijnt afgemat," begon de Raadpensionaris terwijl hij
+zijn doordringend oog op Willem Hendrik van _Oranje_ vestigde.
+
+"Vindt Uwe Edelheid dat?" vraagde de Prins ontwijkend.
+
+"Uwe Hoogheid moest zich het genot van het schaatsenrijden niet
+permitteeren. Het is te fatiguant voor Haar gestel."
+
+"Dunkt Uwe Edelheid dat?" hernam de Prins onderworpen.
+
+"Daarenboven past het Uwe Hoogheid weinig, zich met den grooten hoop
+op het veldijs te amuseeren. Waartoe toch is anders de _Hofvijver_
+alleen voor U en Uw gevolg?"
+
+"Maar het ijs op den _Hofvijver_ is nog te zwak."
+
+"Dan moet Uwe Hoogheid wachten tot het sterk is. Wanneer Uwe
+grootmoeder, hare Hoogheid de Prinses-weduwe, van hare reis terugkomt,
+zal zij zeer ontevreden zijn als zij hoort, wat Uwe Hoogheid gedaan
+heeft."
+
+"Dunkt Uwe Edelheid dat?" vervolgde de Prins op denzelfden onderworpen
+toon.
+
+"Ik kom U slechts waarschuwen," hernam De Witt. "Men heeft aan Uwe
+komst op het veldijs zeer verkeerde bedoelingen toegedicht. Men heeft
+gezegd, dat uwe Hoogheid het gedaan heeft, om zich in de gunst van
+het volk te dringen en verdeeldheid te zaaien. Mijne meesters, de
+Heeren Staten-Generaal, zouden dat wel eens euvel kunnen opnemen."
+
+"Die goede Heeren Staten!" hervatte de Prins schijnbaar
+onnoozel. "En zouden Hunne Hoogmogenden zich willen occupeeren met
+het schaatsenrijden van een elfjarigen knaap? Het zou waarlijk te
+veel eer voor mij zijn, mijnheer De Witt. Ik begrijp niet, wat voor
+belang zij er bij kunnen hebben, of ik op den _Hofvijver_ of op het
+veldijs mij met schaatsenrijden vermaak."
+
+"Ook heeft Uwe Hoogheid geld onder het volk uitgedeeld en men heeft
+seditieuze woorden geuit, en over U gejuicht."
+
+De Prins kleurde even, doch hernam: "Uwe berichtgevers hebben Uwe
+Edelheid verkeerd onderricht, mijnheer de Witt."
+
+"Uwe Hoogheid heeft toch geld uitgedeeld?"
+
+"Ik heb een geldstuk gegeven, aan twee mannen, die een drenkeling
+tot zijn bewustzijn hadden teruggebracht. Zij zouden hem naar huis
+brengen. Indien men zulks geld uitdeelen wil noemen, dan is Uwe
+Edelheid goed onderricht."
+
+"De knaap, die mij daar in de gang tegenkwam, is door u ontboden,"
+hernam De Witt streng. "Geeft dat pas?"
+
+"Ik wist niet, dat ik daaraan verkeerd deed," antwoordde de Prins
+nog steeds op ootmoedigen toon. "Uwe Edelheid herinnert mij daardoor
+aan een belofte, hem gedaan. Mocht die knaap ooit hulp of protectie
+noodig hebben, zoo zij hij in de welwillendheid van Uwe Edelheid
+aanbevolen. Hij waagde zijn leven, om een drenkeling te redden."
+
+"Hoe is zijn naam?"
+
+"Pieter Pietersz, een zoon van den pruikenmaker Pieter Dirksz in
+de _Spuistraat_."
+
+"Wij zullen zien," antwoordde De Witt, terwijl hij den naam van
+den aanbevolene in het zakboekje schreef, dat hij altijd bij
+zich had, en waarin ook de nauwkeurige berekeningen stonden van
+de vermoedelijke uitgaven en inkomsten van den Staat. Terwijl hij
+echter den naam schreef, mompelde hij: "Dat is een vuile aanhanger
+van de Oranjepartij."
+
+"En nu," vervolgde hij luide tot den Prins, "raad ik Uwer Hoogheid,
+in Haar eigen belang, om zoo iets niet meer te doen. Uwe Hoogheid
+herinnere zich, dat de Heeren Staten zulke dingen niet bedaard zouden
+kunnen aanzien, en dat Uwe voogden zich deswege niet zouden kunnen
+verantwoorden."
+
+Met deze woorden verliet de Raadpensionaris den jongen Prins, in de
+volle zekerheid, dat deze niet meer zulke demonstratiën zou verwekken
+en ten eenenmale gerust, dat die onnoozele onderworpen knaap niet
+anders was dan een werktuig, dat hij slechts buiten Engelschen invloed
+behoefde te houden, om het naar zijn welgevallen te besturen.
+
+Had Johan de Witt door de deur der kamer kunnen heenzien, of was
+hij het vertrek weder binnengetreden, hij zou het zoo licht niet
+gerekend hebben, dien knaap te beheerschen. Nauwelijks toch was
+de Raadpensionaris vertrokken en de deur achter hem gesloten, of
+diezelfde bedaarde, onderworpen knaap sprong van zijn stoel op;
+twee groote tranen ontwelden aan zijn oogen, hij balde krampachtig
+de vuisten, en terwijl hij zenuwachtig het vertrek op en nederliep,
+en voor het portret van zijn overgrootvader Willem den Eerste, bleef
+stilstaan; riep hij uit:
+
+"Groote God! Moet de afstammeling van den grondlegger der vrijheid
+dezer landen, van den redder des vaderlands, zich zóó laten trappen! O,
+indien gij op mij nederzaagt, gij, die goed en bloed hebt opgeofferd
+voor dit goede land.... Gij.... neen, frons uwe wenkbrauwen niet. Ik
+zal dulden, ik zal zwijgen; maar ik zal ook nooit de spreuk van ons
+huis vergeten [17]. Het groote doel, waarnaar ik streef, zal ik met
+Gods hulp toch eenmaal bereiken door geduld, moed en lijdzaamheid. Oui,
+je maintiendrai!"
+
+Op dit oogenblik werd de kamer geopend. Snel wischte de Prins de tranen
+weg, even snel trad hij aan het raam als wilde hij de Raadpensionaris
+nakijken.
+
+"Het schijnt, dat de heer De Witt Uwe Hoogheid van hare vermoeienis
+van hedenmorgen genezen heeft," zeide de binnenkomende page min of
+meer spottend.
+
+"Men heeft er behoefte aan, Freisheim, hen na te oogen, die het goed
+met ons meenen," antwoordde de Prins bedaard.
+
+"Hij het goed met Uwe Hoogheid meenen?" hernam de page met een
+ongeloovig schouderophalen.
+
+"Beter dan gij misschien denkt, Freisheim. Hij is mij vriendelijk
+komen waarschuwen en ik ben er hem dankbaar voor. Doch nu zoudt gij
+mij genoegen doen, uwe lectuur van straks voort te zetten. Wij waren
+gebleven aan de woorden: Zij bewonderden hem van ganscher harte."
+
+"Uwe Hoogheid heeft een singulier geheugen," hervatte de page, die
+met zijn nagel een streep had gehaald, waar hij bij het binnentreden
+van Pieter was gebleven. Op een wenk van den Prins zette hij zijn
+lectuur voort.
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+Een dure slaapkameraad.
+
+
+Wij slaan bijna zestien maanden over en begeven ons in het laatst
+van de maand April van het jaar 1663 nogmaals naar de woning van den
+pruikenmaker Pieter Dirksz. Als wij den winkel binnentreden, vinden wij
+er slechts één jongen. En als wij dien jongen aandachtig beschouwen,
+schijnt hij somber en gedrukt te zijn. Er is dan ook groote reden van
+droefheid in het huis van Pieter Dirksz, en die reden is de oorzaak,
+dat wij ook in de kamer achter den winkel niemand vinden. Wij doen dus
+de deur aan de linkerzijde open, treden de gang in en gaan de trap op,
+die ons op een donker portaal brengt, waar wij behalve de zoldertrap
+twee deuren vinden, van welke de eene tot de voor-, de andere tot
+de achterkamer toegang schenkt. Wij doen laatstgenoemde open en
+bevinden ons in een tamelijk ruim vertrek, waar wij in een ledikant
+met vierkanten hemel, van hetwelk de voorgordijnen zijn weggeschoven,
+vader Dirksz vinden liggen. Gij zoudt hem bijna niet meer kennen,
+den pruikenmaker, zoo zijn die wangen ingevallen, zoo hol staan
+die oogen, zoo bleek is dat gelaat. Sedert den vorigen herfst had
+de goede man geen gezond uur meer gehad. Een zware gevatte koude,
+die hem op de longen was geslagen, had hem eerst eenigen tijd in
+huis gehouden; toen echter alle gewone huismiddeltjes, waarvan onze
+voorouders machtig veel hielden, niets baatten, had men den dokter
+gehaald. Maar ook de kunst van dezen had niets kunnen uitrichten; de
+goede Dirksz verzwakte al meer en meer, en eindelijk kon de geneesheer
+het niet meer verbergen, dat onze pruikenmaker de longtering had en
+dat de dagen zijns levens geteld waren.
+
+Daar waren zij dan allen om zijn bed geschaard, zijne kinderen. Aan het
+hoofdeinde zat de trouwe Martha, die, sedert het huwelijk harer zuster
+met den kleedermaker Govert Knipschaar, het huishouden haars vaders
+had opgehouden en hem in zijne ziekte trouw verpleegd en opgepast
+had. Tegenover haar, aan het voeteneinde van het ledikant, zat Marie,
+die men had laten halen, omdat vader zoo naar was. Karel, Jacob, Evert
+en Pieter stonden voor het bed van den stervende geschaard. Deze was
+nog helder van geest, en ofschoon hij wel wist, dat hij spoedig zou
+heengaan, getroost in de beschikkingen van den Hemelschen Vader, die
+best weet wat goed is voor Zijne menschenkinderen; ja, hij verlangde
+zelfs naar den dood, die hem zou bevrijden van de vreeselijke
+benauwdheden, welke zich al meer en meer vermenigvuldigden, en hem
+zou brengen bij zijn Verlosser en Zaligmaker, die ook voor hem aan
+het kruis op Golgotha was gestorven. Hij gevoelde, dat het uur van
+zijn verscheiden nabij was en had daarom zijne kinderen om zich heen
+verzameld, om hun nog eenige vaderlijke lessen mede te deelen en
+afscheid van hen te nemen.
+
+Ik behoef u dan ook niet te zeggen, dat allen diep bedroefd waren en
+in tranen wegsmolten. Zij beloofden hunnen stervenden vader, dat zij
+zijne lessen nimmer zouden vergeten, dat zij steeds God den Heer voor
+oogen houden en elkander zouden liefhebben tot aan hunnen dood.
+
+"Ik sterf gerust," ging vader Dirksz voort; "want ik ga naar mijn
+Verlosser en Middelaar, den Heer Jezus Christus. Bij Hem zal ik Uwe
+lieve moeder terugvinden,--ik hoop u allen daar eens te zien."
+
+Op dit oogenblik werd de kamerdeur geopend; allen wendden hun blik
+naar dien kant en zagen niemand anders dan oom Klaas, die, na eene
+afwezigheid van bijna twee jaren, met den vice-admiraal De Ruyter,
+den 19den uit de _Middellandsche zee_ te _Texel_ was binnengeloopen en
+zich, zoodra hij verlof kon bekomen, had heengespoed, om zijn broeder
+te bezoeken. Weinig had de man gedacht, dat hij den geliefde in zulk
+een toestand zou terugvinden.
+
+"Ach, oom!" riep Pieter uit, die het eerst op hem toeliep. "Vader is
+zoo erg ziek. Hij zal het niet lang meer maken."
+
+"Wat zeg je, Pieter?" riep de zeeman verschrikt uit, terwijl hij
+zich naar het bed van den stervende begaf, waar Martha hem hare
+plaats inruimde.
+
+"Het is zoo, Klaas," antwoordde de kranke. "Mijne uren zijn geteld,
+en ik dank den Heer van leven en dood, dat ik je nog vóór mijn sterven
+mag zien. Ik durfde het niet hopen."
+
+"Mijn arme broeder! mijn arme Pieter!" riep oom Klaas uit. "Moest
+ik daarom hier komen, om je te zien sterven! Het was alsof ik er een
+voorgevoel van had. Ik wist maar niet, hoe spoedig ik herwaarts zou
+stevenen; ik verlangde zoo om je te zien.--Maar," ging hij tot Marie
+voort, "verhaal mij eens, hoe dat alles zich heeft toegedragen."
+
+Marie voldeed hieraan, en toen oom Klaas hoorde, dat zij gehuwd was,
+kon hij toch niet laten, er een paar rijmpjes van Cats bij te brengen.
+
+"Wel kind!" zeide hij. "Al getrouwd! Ja, jonge jaren willen paren,
+zegt vader Cats, en je hebt goed gedaan ook; want geen beter gemak,
+dan eigen dak."
+
+Toen men hem alles van de ziekte van vader Dirksz verhaald had,
+vatte hij de hand zijns broeders. Tranen stonden in zijne oogen.
+
+"Beste Pieter," zeide hij. "Je zult het wel ondervonden hebben, wat
+onze vrome Cats zegt: hoe zwaarder lot, hoe nader God! En dat zal je
+zeker verkwikt hebben op je ziekbed."
+
+"Dat heeft het mij, Klaas," antwoordde de stervende. "En de Heer heeft
+mij groote zegeningen op mijn ziekbed geschonken. Een daarvan is,
+dat ik je nog vóór mijn sterven mag zien, dat jij mij de oogen zult
+toedrukken en na mijn dood de vriend en de raadsman mijner kinderen
+zult zijn."
+
+"Dat beloof ik je, Pieter," antwoordde oom Klaas. "Je kunt daarop je
+hoofd gerust nederleggen."
+
+"Ik heb nog een bede aan je, Klaas!" vervolgde de stervende. "Je weet,
+hoe mijn Pieter reeds voor twee jaren naar zee wilde gaan."
+
+"En hoe je daar tegen waart, en ik het ook afried."
+
+"En hoe wij afspraken, om de zaak op zijn beloop te laten," hernam
+de zieke, "en te zien of de jongen bij zijn plan bleef."
+
+"Juist, Pieter, en is de jongen nog altijd in het oude zog blijven
+varen?"
+
+"Ja. Ik wil hem dan ook gaarne zijn zin geven."
+
+"Zoo, Pieter! Daar doe je wijs aan. Wat zal ik zeggen: hadden wij allen
+één zin, wij liepen allen één weg. De knaap zal dus zeeman worden?"
+
+"Met Gods hulp, ja. Maar, beste Klaas! Je weet best, wat voor
+verleiding er op zee is. Wil je den knaap tot vader strekken?"
+
+"Of ik dat wil? Dat behoef je niet te vragen. Ik beloof het je." En
+dit zeggende, drukte de ronde zeeman de hand van zijn broeder.
+
+De komst van oom Klaas gaf een geheele verandering in de
+gemoedsgesteldheid van de kinderen des stervenden. Ieder ging weder aan
+zijn werk, terwijl oom Klaas, die verzekerd had dat vader nog wel niet
+zoo spoedig zou sterven, aan het bed bleef zitten en, wat de kranke
+er tegen inbracht en hoe ook de kinderen er tegen protesteerden,
+dien nacht bij zijn broeder bleef waken. Martha wilde zoo gaarne
+bij hem opblijven; maar oom had haar naar bed gejaagd en beloofd,
+haar te zullen roepen, als er dadelijk gevaar van sterven was.
+
+In den morgenstond van den volgenden dag stierf Pieter Dirksz, en
+liet zijne kinderen als weezen achter. Ik zal u hunne droefheid niet
+schetsen; het was een heele troost voor hen, dat oom Klaas bij hen
+was. Hij gaf hun den noodigen raad, hoe zij te handelen hadden met
+de begrafenis, en wat hun verder te doen stond om de zaken van hun
+overleden vader te regelen, volgens de toenmalige wetten. Intusschen
+moet ik u nog een enkel woord van de begrafenis mededeelen. Toen
+vader Dirksz overleden was, zond oom Klaas den winkeljongen naar den
+gildeknecht, die den doode aan al de broeders van het pruikenmakersgild
+aanzeide. Vervolgens werd den leden van het gild, die volgens den
+rooster dragen moesten, door gemelden gildeknecht aangezegd, om met
+lamfers aan hunne hoeden en rouwmantels om, op den dag der begrafenis
+op het daartoe bepaalde uur te verschijnen ten sterfhuize, ten einde
+den overledene te dragen; welke rouwmantels, een eigendom van het
+gild, hun door den knecht aan huis bezorgd en later bij hen afgehaald
+werden. De andere leden van het gild, die twee aan twee achter het
+lijk zouden gaan, moesten in hunne gewone kleeding, in hunne wijde en
+lange mantels op hetzelfde uur komen. Vóór het lijk uit ging een lid
+van het aansprekers- of biddersgild, dat sedert 1626 tot op tien leden
+verminderd was, welke door den Magistraat moesten beëedigd worden. De
+aanspreker of bidder ging eerst, op hem volgde de knecht van het
+gild met het beeld van den schutspatroon op een vaandel, daarop de
+lijkkist met een lakensch rouwkleed (pelt) bedekt, welks slippen door
+den deken en de drie hoofdlieden werden vastgehouden, terwijl de kist
+zelf door de reeds genoemde leden van het gild werd gedragen. Vlak
+daarachter volgden: eerst Karel en Jacob, toen Marie's man met
+Evert en eindelijk oom Klaas met Pieter, alle zes met lamfers aan
+de hoeden en rouwmantels om, welke hun door het biddersgild verhuurd
+waren. Achter hen aan traden twee aan twee de leden van het gild. Zoo
+trok de stoet de _Spuistraat_, _Vlamingstraat_ en _Schoolstraat_ door,
+tot aan de Groote kerk, waar de kist van Pieter Dirksz in een graf,
+dat in het daarom gelegen kerkhof gedolven was, werd nedergelaten,
+en de stoet naar huis terugkeerde. Hier hadden Marie en Martha
+intusschen gezorgd voor het noodige. Brood, vleesch, kaas, worst,
+bier, brandewijn, alles stond in overvloed voor het "begrafenismaal"
+gereed. Men zou gemeend hebben, als men dien opgetorenden schotel met
+brood zag, dat deze mannen van verre plaatsen gekomen waren en nog
+heel wat te reizen hadden, of dat die wandeling van de Spuistraat
+naar de Groote kerk hun hongerige magen bezorgd had. Maar dat was
+toen en nog lang daarna de gewoonte, en hoe meer brood en vleesch en
+kaas en worst en bier en brandewijn er gebruikt werd, hoe meer men
+daarmede den overledene eer bewees,--een treurig overblijfsel van
+de Germaansche lijkfeesten. Het gebeurde dan ook dikwijls, dat zulk
+een begrafenismaal vrij wat vroolijker afliep dan menige bruiloft, en
+dat er bij den afloop menig vriend van den overledene naar huis ging,
+die zoo lang drankoffers aan den afgestorvene geplengd had, tot hij
+eindelijk, mooi boven zijn bier en zwaaiend langs de straten, blij was,
+als hij zonder vallen en horten en stooten zijn woning bereikt had. Men
+had dan ook begrafenisbier, begrafeniskaas en dergelijke. Gelukkig
+dat die "begrafenismalen" in de steden althans [18] zijn afgeschaft.
+
+Daar men gedurende de dagen tusschen het overlijden en de begrafenis
+toch niet altijd over vader Dirksz kon spreken, zoo had Pieter oom
+Klaas verzocht, te verhalen, wat hem alzoo gedurende zijne laatste
+reis gebeurd was, en de goede man voldeed hieraan volgaarne, te meer,
+daar ook de anderen hem zulks vraagden. Ik zal u intusschen dat verhaal
+niet in zijn geheel mededeelen, maar er liever enkele bijzonderheden
+van aanstippen.
+
+In het laatst van de maand Mei 1661 met een vloot van tien schepen
+in zee geloopen, keerde de Vice-admiraal De Ruyter den 30sten Juni
+daarop naar _Texel_ terug, werwaarts hij ettelijke Nederlandsche
+schepen begeleid had. Eerst den 17den Juli vertrok hij met zeventien
+bodems naar de _Middellandsche zee_, om de Turken voor het nemen
+onzer schepen te tuchtigen en de zee, zooveel mogelijk, van roovers
+schoon te vegen. Ik zal u niet verhalen, hoe De Ruyter ook hier
+aan zijn last voldeed, en hoe zelfs de Turken hem groote eer en
+vriendschap bewezen.--Eene aardigheid echter wil ik u vertellen, die
+plaats vond, terwijl De Ruyter voor de haven van _Farina_ (eenige
+mijlen noordwestelijk van het oude _Karthago_) lag, in welke hij
+zeven Turksche zeeschuimers gejaagd had. Terwijl de Vice-admiraal
+met den koning van _Tunis_, Mahomet Pacha en den bassa Dublet Lie
+Hadsje Mustapha aan het onderhandelen was over de inwisseling en
+loskooping van de bij de Turken gevangene Christenslaven, terwijl
+hen de Turken van eenige versche proviand voorzagen, kreeg hij van
+den schout-bij-nacht van _Algiers_, Suliman Bassa Reys den volgenden
+bluffenden brief:
+
+
+ "Mijnheer!
+
+ "Hoewel ik U, wegens den godsdienst, geheel tegen ben, evenwel
+ hoop ik, dat gij mijn verzoek zult toestaan. Gij hebt mij tot
+ driemalen vervolgd bij _Maltha_, bij _Sicilië_, en nu bij de
+ haven van _Farina_, waarin gij mij gejaagd hebt. Ik nam telkens
+ de vlucht, niet bij gebrek aan moed, maar door ongelijkheid van
+ macht; want ik heb slechts een bark tegen uw zeekasteel. Daarom
+ doe mij de eer, en zend tegen mij, als Schout-bij-nacht van
+ _Algiers_, uwen Hollandschen Schout-bij-nacht, om schip tegen
+ schip mijn fortuin en het geluk van den oorlog te beproeven,
+ en mij te weren als een soldaat. Word ik overwonnen, ik zal uw
+ slaaf zijn. Win ik, het zal mij eere zijn. Geef hiertoe verlof,
+ en indien ik dan niet uitkom, zoo ben ik als de lafste vrouw
+ van _Holland_. Mijnheer, zijt gegroet van mij
+
+ Uwen dienaar."
+
+
+De Ruyter antwoordde op dit schrijven, dat zijn Schout-bij-nacht Van
+der Zaan, met zijn schip op plaats en tijd, die de Turk zou goedvinden,
+den tweekamp zou aanvaarden; terwijl hij beloofde, dat noch hij noch
+één der Hollandsche kapiteins genoemden Schout-bij-nacht eenige de
+minste hulp zou toebrengen. Den admiraal van _Tunis_ verzocht hij,
+kampvechter in dat zonderlinge gevecht te zijn.
+
+Maar nu bleek het, welk een bluffer de Turk was. Van der Zaan kwam wel
+ter bestemder plaats, maar wachtte tevergeefs op den grootspreker,
+die den moed niet had om de haven uit te komen, maar zich bij zijne
+makkers onder de veilige hoede der kasteelen verschool.
+
+Na den moedwil der zeeroovers beteugeld en onzen naam weder geducht
+gemaakt te hebben onder de Turksche vrijbuiters, na verdragen met
+_Tunis_, _Algiers_ en _Tripoli_ te hebben gesloten, na tal van arme
+Christenslaven uit de ketenen der Turken verlost te hebben, keerde
+De Ruyter, zooals wij gezien hebben, in het laatst van April 1663 in
+het vaderland terug om toch eenmaal eenigen tijd rust te genieten te
+midden der zijnen; want hij bleef dat geheele jaar en een gedeelte
+van het volgende aan land.
+
+Keeren wij thans tot onzen Pieter terug. Gij hebt gezien hoe zijn
+vader volkomen verzoend was met zijne idée om zeeman te worden, en
+ik ben u dienaangaande eenige opheldering schuldig. Gij moet weten,
+dat de Prins van _Oranje_, die den koenen knaap zeer genegen was,
+den pruikenmaker daarover gesproken had, daarbij tevens de verzekering
+voegende, dat hij Pieter aan den Raadpensionaris had aanbevolen en dit,
+als de jongen oppaste, nog wel eens zou herhalen, zoodat zijn fortuin
+gemaakt scheen. Intusschen was vader Dirksz altijd bij zijne meening
+gebleven, dat de knaap nog te jong was. Oom Klaas nu, aan wien na
+'s vaders dood de zorg voor den wees in het bijzonder was opgedragen,
+en die verlof gevraagd en gekregen had om, zoolang zijn schip buiten
+dienst was, thuis te blijven, had een ander plan met den knaap. Hij
+wist hem te _Rotterdam_ op de scheepstimmerwerf der Admiraliteit te
+plaatsen, opdat Pieter dan als timmerman op het schip in dienst zou
+komen, hetgeen hem van vele onaangenaamheden zou verlossen, die den
+bootsmansmaat op het oorlogsschip wachtten en niet zou beletten,
+dat ook hij, wanneer er gevochten moest worden, zich zou kunnen
+onderscheiden en op bevordering rekenen.
+
+Pieter kwam alzoo op de werf van de Admiraliteit, en, daar hij bij
+baas Balkenende reeds aardige vorderingen in het timmeren gemaakt had,
+zoo kon men hem daar zeer goed gebruiken en verdiende hij een tamelijk
+daggeld. Van dit geld betaalde hij zijn kosthuis en voorzag hij zich
+van de noodige kleeding. Zoolang de zomer duurde, begaf hij zich alle
+Zaterdagavonden, nadat het werk afgeloopen was en hij zijn weekgeld
+had ontvangen, naar 's-_Gravenhage_, waar oom Klaas nog altijd in
+zijns broeders huis logeerde. Dat was dan een recht feest voor hem,
+en vooral voor Martha, die altijd zorgde, iets lekkers voor hem gereed
+te maken. Meestal voer hij slechts tot _Delft_ mede en wandelde den
+Delftschen weg op naar _Den Haag_. Zondagsavonds echter moest hij weder
+op weg; als het weer goed was, brachten hem oom Klaas, Jacob en Evert
+gewoonlijk tot _Rijswijk_, soms wel tot _Delft_ en dan ging Pieter in
+de schuit of, als hij er lust in had, wandelde hij tot _Rotterdam_
+want onze knaap was heel zuinig en vond het te duur, om altijd te
+varen. Toen echter het najaar aankwam, moest Pieter in _Rotterdam_
+blijven en dan was het hem wel wat eenzaam en treurig. Spoedig
+evenwel gewende hij daaraan, en ging hij als het weder goed was,
+Zaterdagsavonds buiten de poort een kroes bier drinken in de eene of
+andere herberg, waar hij dan meestal kennissen aantrof. Des Zondags
+ging hij gewoonlijk tweemaal ter kerk en wandelde na de middagpreek nog
+eens langs de _Maas_, waar hij zich vermaakte met de schepen te zien
+liggen. Gewoonlijk bracht hij dan den avond in de herberg "de Trouwe
+Harder" [19] door, waar hij echter zorg droeg, weinig te verteren.
+
+Op zekeren avond zat onze Pieter weder in "de Trouwe Harder" zijn glas
+bier te drinken, toen hij zich onverwachts op den schouder voelde
+tikken. Hij keek om, en terstond herkende hij zijn ouden makker en
+vroegeren vijand, Jan IJzer. Ik heb mijne lezers omtrent dezen knaap
+in de onzekerheid gelaten en het spijt mij, dat ik dit gedaan heb. Maar
+het kwam zoo in mijn verhaal te pas, en ik wil de fout herstellen.--Wij
+hebben gezien, hoe onze Pieter dacht over het redden van zijn vijand,
+en ik behoef u niet te zeggen, dat hij geen moeite deed, om verder
+iets van den door hem geredde te weten te komen.--Nu moet ik u zeggen,
+dat Jan IJzer, hoe slecht van hart hij ook was, toch behoefte gevoelde,
+om Pieter zijn dank te betuigen; want hij begreep maar al te wel, dat
+hij zonder diens hulp verloren ware geweest. Zoodra hij dus beter was,
+ging hij naar Pieter toe; maar deze ontving hem zoo koel, dat de oude
+vijandschap in het hart van Jan herleefde. Zeker was het verkeerd in
+den knaap, zoo onverzoenlijk te zijn; maar wanneer men bedenkt, hoe
+Jan hem had behandeld, toen hij daar hulpeloos in den tuin van baas
+Gerritsz lag en daarbij in het oog houdt, hoe hij, toen Jan in gevaar
+was, zijn leven niet te kostbaar geacht had om zijn vijand te redden;
+dan kan men het onzen Pieter niet kwalijk nemen, dat hij zich zoo
+onverschillig omtrent den goudsmidsjongen gedroeg. Bij hem bestond
+geen haat,--hij mocht den knaap niet en liet hem links liggen. Maar
+bij Jan, die, had Pieter hem anders ontvangen, zeker zijn vriend
+ware geworden, bracht die onverschilligheid een ander gevoel te weeg:
+dat van onverzoenlijke vijandschap.
+
+Jan, wien het goudsmeden niet meer beviel, en die het met meester
+Verhoef niet best kon vinden, had eenige weken geleden, stil _Den Haag_
+verlaten en was naar _Rotterdam_ vertrokken: iets wat Pieter, die zich
+niets aan Jan gelegen liet liggen, in het geheel niet wist. Hij was
+dus zeer verwonderd, toen hij hem daar zoo onverwacht in een vreemde
+stad terugzag.
+
+"Jij hier Jan?" zeide hij verwonderd. "Ik dacht, dat je nog hoog en
+droog in _Den Haag_ zat."
+
+"Ik wenschte, dat dit zoo ware," zeide Jan op treurigen toon.
+
+"Welnu, wat belet je dan, weder naar _Den Haag_ te gaan?" hernam
+Pieter koel.
+
+Jan begon te schreien en zette zich naast Pieter neder.
+
+"Ik weet wel," begon hij, "dat je mijn vriend niet zijt. Als ik hier
+iemand anders had, zou ik mij niet tot jou gewend hebben. Maar ik
+ben hier vreemd en heb niemand, die eenig belang in mij stelt. Daarom
+dacht ik zoo, toen ik je deze herberg binnen zag gaan: Pieter Pietersz
+is toch een Haagsche jongen net als jij en zal zijn stadgenoot niet
+in den nood laten."
+
+"Maar wat moet dit alles beteekenen?" vraagde Pieter die niet begreep
+waar de knaap heen wilde.
+
+"Dat zal ik je zeggen," antwoordde Jan, "en ik wil je oprecht alles
+bekennen. Weet dan, dat ik stil uit vaders huis ben weggeloopen."
+
+"Maar dat is heel ondeugend van je, Jan!" hervatte Pieter. "En waarom
+heb je dat gedaan?"
+
+"Omdat ik het bij dien knorrepot van een Verhoef niet langer kon
+uithouden en vader van geen anderen baas wilde hooren. Zoo nam ik,
+nu een week geleden, den pas onder de voeten, en met mijn weekgeld in
+den zak, stapte ik stilletjes over _Delft_ hier naar toe. Ik dacht
+gemakkelijk bij den een of anderen baas werk te zullen vinden, maar
+mijne hoop werd bitter teleurgesteld. Ik kreeg geen werk, teerde mijn
+geld op, en trachtte wat te verdienen met pakjes te dragen voor de
+heeren, die met de schuit aankwamen. Maar de Rotterdamsche jongens, die
+niet verkozen, dat een vreemde het geld verdiende, waarop zij meenden
+recht te hebben, beloofden mij een pak slaag, als ik het waagde mij
+weder aan een der schuiten te vertoonen, en tegen de overmacht kon
+ik slecht op. Zoo heb ik alles verkocht wat ik nog van eenige waarde
+bij mij had, en nu, sedert gistermiddag heb ik geen stukje gegeten."
+
+"Je hebt zeer verkeerd gedaan, Jan," hervatte Pieter, "met van je
+vader weg te loopen. Maar ik wil geen zedepreek houden; wat gedaan is,
+is gedaan. Intusschen kan het hersteld worden. Je moet weer naar je
+vader terug en hem om vergiffenis vragen."
+
+"Maar hij zal mij niet weer in huis willen nemen."
+
+"Hij zal wel. Maar dan moet je evenals de verloren zoon uit de
+gelijkenis, met berouw bij hem komen."
+
+"Ik wil dit doen, Pieter. Morgen reeds zal ik naar hem toegaan. Maar ik
+kan toch van nacht niet op straat blijven. O! ik weet geen raad! Als er
+zich maar iemand over mij erbarmde. Nog geen half uur geleden, was ik
+zoo wanhopig, dat ik in de _Maas_ wilde springen. Maar ik dacht: laat
+mij de stad nog eens ingaan. Misschien ontmoet ik de eene of andere
+medelijdende ziel, die zich mijner aantrekt. O, als je mij van avond
+slechts wat eten wilt geven en mij van nacht bij je wilt laten slapen,
+dan ga ik morgen naar vader terug, en ik zal er je altijd dankbaar
+voor zijn, dat je mij van den rand des afgronds hebt teruggebracht. Ik
+zal mijn leven beteren, en trachten een braaf mensch te worden."
+
+Pieter dacht een oogenblik na. Hij had er niet veel zin in, zijn bed
+met den knaap te deelen. Maar hem aan zijn lot over te laten, dat
+kon toch ook niet, daartegen verzette zich zijn goed hart. Nu kwam
+het wel in hem op, Jan voor dien nacht in een logement te besteden;
+maar dat kostte geld en onze Pieter was heel zuinig. Hij besloot dus
+maar, om Jan mede te nemen naar zijn kosthuis.
+
+"Hoor eens,"' zeide hij. "Kan ik er stellig op rekenen, dat je morgen
+naar je vader terugkeert?"
+
+"Zoo zeker als ik hier voor je sta," antwoordde de andere.
+
+"Welnu, ga dan met mij mede; dan zal ik de vrouw uit mijn kosthuis
+verzoeken, je wat eten te geven en dan slaap je van nacht bij mij."
+
+Jan had hem wel de handen willen kussen van blijdschap, en onze
+scheepstimmerman, tevreden over zich zelf om de goede daad, die hij
+ging verrichten, liet den waard een glas bier voor zijn gast geven;
+niet lang daarna stapten zij naar huis.
+
+Hoe verwonderd was onze Pieter, toen hij, den volgenden morgen wakker
+wordende, zijn slaapkameraad van zijne zijde miste.
+
+"Hij zal niet hebben kunnen slapen van angst bij de gedachte aan
+de ontmoeting met zijn vader," dacht hij, schoof het bed-gordijn
+wat weg en keek in zijn kamertje rond. Maar wie hij zag, Jan
+niet. Waarschijnlijk is hij naar beneden om een noodzakelijke behoefte
+te verrichten, zeide hij en ging weer liggen. Maar hij kon den slaap
+niet meer vatten en stond dus op. Hoe verschrikt was hij echter, toen
+hij zijn wambuis en zijn hozen miste, die hij den vorigen avond op den
+stoel voor zijn bed had nedergelegd. Hij schrikte; want in den broekzak
+bevond zich zijn volle weekgeld, en de gedachte kwam eensklaps in hem
+op: "Hoe, indien Jan mij eens bedrogen, mij bestolen had!" Maar de
+knaap was zoo bedroefd geweest en had hem zoo plechtig beloofd, naar
+huis terug te zullen keeren. Had hij ook gisteren avond zijne kleeren
+ergens anders gelegd? Maar hoe hij zocht--en het kamertje was klein,
+dus behoefde hij niet lang te zoeken--nergens vond hij de vermiste
+zaken. Hij werd nu ernstig ongerust en riep zijne huiswaardin, aan wie
+hij vraagde, of zij ook iets wist van den knaap, dien hij den vorigen
+avond had medegebracht. Deze antwoordde hem, dat die reeds voor dag
+en dauw vertrokken was. Hij had een pakje onder den arm gehad en haar
+gezegd, dat hij met de eerste schuit naar 's-_Gravenhage_ wilde en
+dat hij maar heel stil was opgestaan, om zijn vriend niet wakker te
+maken; want de Zondag was de eenige dag, dat deze eens kon uitslapen,
+op de andere dagen moest hij toch altijd zoo vroeg naar zijn werk. Hij
+had haar ook wél verzocht, hem zijne hartelijke groete te doen.
+
+Twee groote tranen sprongen den armen Pieter uit de oogen.
+
+"Ik ben bedrogen, vrouw Martensz!" zeide hij, "schandelijk bedrogen
+en bestolen. De schurk heeft mijn hozen en mijn wambuis, ja, nog wat
+meer is, mijn volle weekgeld meegenomen. O, dat ik ook zoo dom was,
+aan zijne mooie praatjes geloof te slaan!"
+
+En hij vertelde aan zijne huiswaardin, wie Jan was, wat er reeds
+vroeger met hem gebeurd was, en hoe hij hem den vorigen avond in
+"de Trouwe Harder" ontmoet had.
+
+Vrouw Martensz schudde het hoofd.
+
+"Ieder braaf mensch zou in jouw geval hetzelfde gedaan hebben," zeide
+zij op goedigen toon. "Wie zou ook op zulk een boosheid verdacht
+zijn! Gelukkig, dat hij je Zondagsche wambuis en boksen niet heeft
+kunnen meepakken. 't Is al heel singulier; anders leg ik het altijd
+Zaterdagsavonds voor je gereed. Nu je iemand bij je hadt, dacht ik,
+moest ik maar tot van morgen wachten."
+
+"Dat is nog een geluk bij een ongeluk, vrouw Martensz." hervatte
+Pieter. "Maar wat maller is, nu zal ik je van de week mijn kostgeld
+niet kunnen betalen; want wat ik heb opgespaard, zal ik wel aan een
+nieuw werkpak moeten besteden."
+
+"Dat is niets, mijn jongen," antwoordde vrouw Martensz. "Dat zal wel
+terecht komen. Je behoeft daar geen haast mee te maken. Maar ik zal
+mijn man eens roepen, en dan kunnen wij samen bespreken, wat wij aan
+de zaak zullen doen en of het niet goed zou zijn, den diefstal bij
+den Schout aan te geven."
+
+"Waarschijnlijk zal dat niet veel helpen, vrouw Martensz,"
+hernam Pieter. "De dief zal wel met zijn buit de stad verlaten
+hebben. Daarenboven, ik zou niet gaarne de oorzaak zijn, dat hij op
+het schavot en in het rasphuis kwam."
+
+"_Jij_ moet het weten, Pieter!" hernam de vrouw. "'t Is jouw zaak. Maar
+als het mij te doen stond, dan wist ik wel, dat ik het zoo niet zou
+laten afloopen. Al kon ik mijn goed en mijn geld niet terugkrijgen,
+de schelm zou er zoo gemakkelijk niet afkomen."
+
+Wat ook baas Martensz en zijne vrouw zeiden, Pieter wilde er niet
+van hooren om de zaak aan te geven: liever getroostte hij zich in
+zijn verlies, dan dat hij den knaap die hem zoo bedrogen had, voor
+zijn leven ongelukkig wilde maken.
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK
+
+Waarin wij een ouden kennis ontmoeten, die het ver gebracht heeft in
+de wereld.
+
+
+Zoo stuurman, is dat nu je neef Pieter, van wien je mij gesproken hebt
+en die mij zelfs door Zijne Hoogheid den Prins zoozeer is aanbevolen?"
+
+"Om Uwe Edelheid te dienen, Vice-admiraal," antwoordde de
+aangesprokene. "En ik hoop, dat Zijne Hoogheid met hare aanbeveling
+eer moge inleggen."
+
+"Dat willen wij verwachten, stuurman. Hoe oud ben je,
+Pieter?" vervolgde de Vice-admiraal tot den jongeling.
+
+"Aanstaanden twaalfden Augustus wordt ik, als het God belieft,
+achttien jaar," antwoordde deze.
+
+"En je bent een knap timmerman?" vervolgde de Vice-admiraal. "Welnu,
+als zoodanig kun je van nut zijn, terwijl je voor het overige dan
+gewonen dienst zult verrichten."
+
+"En zoo ik hoop met trouw en ijver, Vice-admiraal," hernam Pieter. "Ik
+zal mijn best doen, uwe tevredenheid te verwerven en steeds trachten,
+Uwe Edelheid na te streven, zij het dan maar in de verte."
+
+"Dat is braaf gedacht," vervolgde de Vice-admiraal. "En dan kun
+je tevens een voorbeeld nemen aan je braven oom. Maar vooral, mijn
+jongen! bij al wat je ontmoet, het oog naar boven, den blik geslagen op
+den Heer, in wiens hand ons leven, onze adem en ons lot berust. Dan zul
+je altijd kalm en bedaard blijven te midden van den woedenden storm,
+onder het gefluit, van den dichtsten kogelregen."
+
+Mijne lezers zullen wel reeds begrepen hebben wie de drie personen
+waren, tusschen welke het boven aangehaalde gesprek den achtsten April
+1664 plaats had op het schip "de Spiegel" dat met vijf andere schepen
+en een vaartuig met proviand door de Admiraliteit van _Amsterdam_
+was uitgerust tot een nieuwen tocht naar de _Middellandsche zee_. De
+Admiraliteit van _Rotterdam_ had de "Prinses Louise", gekommandeerd
+door den schout-bij-nacht Van Nes, met twee andere schepen daarbij
+gevoegd, en van het Noorder-kwartier waren er insgelijks drie
+vaartuigen bij de vloot, waarvan het schip "het Noorder-quartier"
+door den Vice-admiraal Meppel werd gevoerd.
+
+Het waren de Vice-admiraal De Ruyter, Klaas Dirksz en Pieter
+Pietersz. Intusschen zien wij daar nog een knaap naast De Ruyter
+staan, wiens fijn lakensche kleeding zijn aanzienlijken stand en
+goede afkomst verraden. Hij is nog geen vijftien jaren, maar fiks uit
+de kluiten gewassen, en als wij hem goed aanzien, dan schijnt het
+ons toe, dat er in dat gelaat veel gelijkenis ligt met dat van den
+Vice-admiraal. En geen wonder; want die vijftienjarige knaap, die daar
+stilzwijgend maar met blijkbaar welgevallen onzen Pieter aanstaart,
+is niemand anders dan de eenige zoon van den grooten zeeheld: het is
+Jonker Engel de Ruyter, die voor de eerste maal ter zee zal varen, om
+onder het oog van zijn beroemden vader "het soldaat- en zeemanschap
+te leeren." Hij heeft tijdens het bezoek, dat stuurman Dirksz ten
+huize van den Vice-admiraal bracht, reeds zooveel van onzen Pieter
+gehoord, dat hij al verlangend was, om hem te zien. 't Zal u dus ook
+niet verwonderen, dat beiden spoedig goede maatjes zijn; want al is
+Jonker Engel van adel, hij heeft de deugd der nederigheid van zijn
+edelen vader geërfd, en een karakter als dat van Pieter kan niet
+anders dan den vurigen en fikschen knaap innemen.
+
+Den volgenden dag voer De Ruyter met zijne zeven schepen naar het
+_Vlie_, vanwaar hij eerst den achtsten Mei in zee liep en den
+21sten dier maand te _Cadix_ aankwam, om zich met het smaldeel
+van den Vice-admiraal Meppel en den Schout-bij-nacht Van Nes te
+vereenigen. Hierop verdeelde hij de vloot in twee smaldeelen of
+eskaders van welke hij het eerste als opperhoofd en Admiraal der
+vloot aanvoerde; terwijl de kommandeur De Wild als Vice-admiraal
+en de kapitein Willem van der Zaan als Schout-bij-nacht onder hem
+kommandeerden: het tweede eskader stond onder den Vice-admiraal
+Meppel als tweeden Admiraal, den Schout-bij-nacht Aart van Nes als
+Vice-admiraal en den kapitein Deendert Haaxwaard als Schout-bij-nacht.
+
+Den tweeden Juni, terwijl de vloot naar _Malaga_ stevende, bevond onze
+De Ruyter zich in het geheel niet wel. Hij werd aangetast door een
+zware bloeddiarrhée, die niet minder dan drie volle weken duurde en
+hem zoozeer verzwakte, dat de dokter voor zijn leven vreesde. Welk een
+treurige toestand voor den armen Engel. Maar hoe gelukkig voor hem,
+dat hij bij den geliefden vader was, hem kon oppassen en verzorgen. Ook
+Pieter had verlof gevraagd, Engel van tijd tot tijd af te wisselen
+en ook hem was deze zorg een groot genoegen. Meestal waakte hij 's
+nachts, terwijl Engel des daags voor de kranke zorgde, en hij leerde
+veel, zeer veel voor zijn volgend leven van den vromen Admiraal, die
+in al zijn lijden zooveel Christelijke onderwerping en zulk een kalme
+berusting in Gods wil betoonde, ja, die zijne eigene smarten vergat,
+om toch maar werkzaam te zijn voor de belangen van 's lands vloot en
+op alle voorvallende zaken orde te stellen.
+
+'t Was dan ook een vreugde op "de Spiegel," toen de geliefde Admiraal
+voor het eerst op het dek kwam en ieder om het zeerst hem geluk
+wenschte met zijn herstelling, ja, op al de schepen vierde men feest
+en bad men den Heer in den Hemel om een lang en gelukkig leven voor
+den geliefden vlootvoogd.
+
+Wij zullen hen op dezen tocht niet volgen. Liever begeven wij ons naar
+het vaderland terug, ten einde te zien, wat daar intusschen gebeurde;
+te zijner tijd komen wij van zelf op de vloot van Michiel Adriaanz. de
+Ruyter terug.
+
+Ik heb op Bladz. 84 gesproken van den Frieschen Stadhouder Willem
+Frederik, die met Albertina Agnes, 's Prinsen tante, gehuwd was. Deze
+Willem Frederik zou in 1655 tot Veldmaarschalk van den Staat benoemd
+zijn, indien men niet nog bijtijds ontdekt had, dat hij met een klerk
+[20] van De Witt heulde, die hem de geheime stukken zijns meesters
+overbracht, hetgeen de graaf in ongenade deed vallen bij de Hollandsche
+partij, die niet alleen de benoeming niet liet doorgaan, maar zelfs het
+veldmaarschalksambt vernietigde. Intusschen bleef de graaf bevelhebber
+van de troepen van den Staat en bewees dien als zoodanig gewichtige
+diensten. Jammer, dat een treurig ongeval onverwachts een einde
+aan zijn leven maakte. Het was op Zondag, den 24sten October 1664,
+terwijl Albertina Agnes naar de kerk was, dat de Prins, bezig met de
+toebereidselen om zich naar de grenzen van _Westphalen_ te begeven,
+een zadelpistool, dat hij wilde medenemen, onderzocht. Het pistool
+weigerde, en de Prins, die wilde zien waar het aan haperde, trok er
+den stempel uit en keek in den tromp. Op het zelfde oogenblik echter
+ging op het onverwachts het pistool af, de kogel trof den Vorst in
+de kin, en kwam aan de zijde van den neus vlak onder het oog uit. De
+ongelukkige Prins stortte achterover en werd door de toegeschotene
+bedienden opgeholpen en te bed gebracht. Vreeselijk had de kogel
+zijn gebit verwoest: de beide kakebeenen waren verbrijzeld, zoodat
+de gewonde noch spreken noch eten kon. Men deed wat mogelijk was:
+men dacht zelfs een werktuig uit, waardoor men bouillon in de maag
+poogde te brengen. Maar alles was vruchteloos: felle koortsen, die
+den Prins aantastten en in de wond sloegen, sleepten hem, reeds den
+zevenden dag na de verwonding, ten grave. Tot het laatste oogenblik
+bleef hij bij zijn volle kennis. Een dag vóór zijn dood beval hij
+zijne gemalin en zijn drietal kinderen den Staten van _Friesland_
+schriftelijk aan. Hij werd opgevolgd door zijn eenigen zoon Hendrik
+Kasimir II, een kind van ruim zeven en een halfjaar [21], nog
+minderjarig en onder voogdijschap zijner moeder.
+
+Het had weinig gescheeld, of de dood van den doorluchtigen Prins
+had dien van een ander vorst uit het huis van Nassau ten gevolge
+gehad. Prins Joan Maurits namelijk, die bij de begrafenis van zijn
+neef was tegenwoordig geweest, keerde met een aanzienlijken stoet
+huiswaarts. Te _Franeker_ gekomen, brak eensklaps de wipbrug, terwijl
+de Prins er op was; deze viel met vijf anderen in het water. De
+laatsten werden terstond gered; niet zoo spoedig de Prins, die onder
+zijn paard lag. Nauwelijks echter was hij aan wal, of hij viel op de
+knieën om God te danken voor de wonderlijke bewaring, hem ten deel
+gevallen. De omstanders, denkende dat hij de beenen had gebroken,
+snelden toe om hem op te helpen, spoedig echter bemerkten zij hunne
+dwaling. De Prins, eenigermate aan het borstbeen gekneusd, herstelde
+gelukkig binnen korten tijd.
+
+Maar andere gebeurtenissen hadden er in 1664 plaats gehad. Karel II
+van _Engeland_, ingenomen tegen de Loevesteinsche partij in _Holland_,
+die zijn neef Willem Hendrik uit alle waardigheden hield, naijverig
+op den invloed dien wij in het Noorden hadden gekregen en op den
+bloei van onzen handel, die verre den Engelschen overtrof, Karel II
+had zich daden veroorloofd, welke op niets anders konden uitloopen
+dan op een vernieuwden oorlog met _Engeland_. In het voorjaar van
+1664 was Robert Holmes met een Smaldeel afgezonden en had, op last
+der Engelsch-Afrikaansche maatschappij, het eiland _Goeree_, nabij
+kaap _Verd_ gelegen, vermeesterd, elf Nederlandsche schepen vóór
+_George d'Elmina_ weggenomen, _Cabo-Corso_ beschoten en veroverd,
+en in _Amerika_ onze volkplantingen _Nieuw-Nederland_, _Tabago_
+en _Sint-Eustatius_ bemachtigd.
+
+Toen men hier te lande deze geweldenarij vernam, deed men daarover
+zijn beklag aan het Britsche hof,--doch koning Karel hield zich,
+alsof hij er niets van wist. Daar intusschen in _Engeland_ groote
+krijgstoerustingen werden gemaakt, begreep men hier ook niet stil te
+moeten zitten. Men zond dus den Schout-bij-nacht Cornelis Tromp met een
+aanzienlijk smaldeel uit, om onze koopvaarders te beschermen. Kort
+daarop werd een tweede vloot van dertig zware schepen in zee
+gebracht met den Luitenant-admiraal Van Wassenaar aan het hoofd,
+terwijl men aan De Ruyter bevel zond, in het geheim naar de door
+de Britten vermeesterde volkplantingen te stevenen. Maar hoe dit
+bevel geheim te houden, het besluit, dat in de volle vergadering
+der Algemeene Staten moest worden genomen? In deze vergadering
+toch zaten leden, die zich niet zouden hebben ontzien, de zaak aan
+den Engelschen gezant te verklappen. De sluwe Johan De Witt echter
+wist raad. Toen men de resolutie had genomen om twaalf schepen uit
+te rusten en naar _Guinea_ te zenden (hetgeen nog al een geruimen
+tijd zou vereischen) wist De Witt die Heeren Staten, welke hij niet
+vertrouwde, aan een venster te lokken en aan de praat te houden. In
+dien tusschentijd namen de andere leden, die in het geheim waren,
+de secrete resolutie ten aanzien van de afzending van De Ruyter,
+en werd dit stuk als een aanhangsel bij het besluit gevoegd en door
+den griffier der Staten eigenhandig daaronder geschreven, zonder
+dat een der andere leden er iets van wist. Drie afschriften van het
+stuk werden over de post gezonden en verder door drie "loopboden"
+[22] naar _Cadix_, _Malaga_ en _Alicante_ gebracht, op hoop van den
+Vice-admiraal op een dier plaatsen aan te treffen. Het stuk was in
+een afzonderlijken omslag, in welken den Vice-admiraal werd bevolen,
+inliggende verzegelde schriften niet te openen vóór hij alleen was;
+terwijl zijnen bevelhebbers op bedreiging der hoogste ongenade van den
+Staat werd verboden, iets van de ontvangst van den brief te openbaren.
+
+'t Was op den eersten September, dat De Ruyter voor _Malaga_ was
+aangekomen, toen hij Klaas Dirksz bij zich riep.
+
+"Stuurman!" zeide hij, "Zet de kleine boot uit en roei aan land. Er
+zijn zeker brieven voor ons; want aan het strand staan verscheidene
+menschen, die ons teekenen schijnen te geven."
+
+"Uw bevel zal geschieden, Vice-admiraal," antwoordde Klaas, die
+terstond de noodige maatregelen nam, om daaraan te voldoen.
+
+"Mag ik mee in de boot, vader?" vraagde Engel.
+
+"Volgaarne," antwoordde de Admiraal, "en neem je vriend Pieter ook
+mee. Intusschen zul je aan den wal niet veel zien; want de boot roeit
+terstond met de brieven terug."
+
+Eenige minuten later stak de boot van boord. Op hetzelfde oogenblik
+voeren er van de andere schepen ook booten naar wal, om naar brieven
+te vernemen; hetgeen De Ruyter natuurlijk niet belette, daar hij niet
+wist, dat er een geheime resolutie bij was.
+
+Aan wal gekomen, werd onze stuurman terstond omringd door eenige
+kooplieden en schippers.
+
+"Daar is een bijzondere post voor den Vice-admiraal aangekomen,"
+zeide een hunner. "Een loopbode heeft dien gebracht. Tevens zijn hier
+belangrijke tijdingen. Men spreekt van een oorlog tusschen _Engeland_
+en de _Geüniëerde provinciën_."
+
+"Wat meer is," voegde er een ander bij, "de Engelsche kooplieden
+hier ter stede zeggen, dat hunne landslieden drie van de Oostindische
+koopvaarders, die wij verwachten, genomen hebben."
+
+"Gij kunt begrijpen, hoe dat alles ons in onrust brengt," vervolgde
+de eerste spreker.
+
+"Waar zijn de brieven voor den Vice-admiraal?" vraagde de
+stuurman. "Indien het zulke gewichtige tijdingen zijn, zullen wij ze
+hem gauw bezorgen."
+
+Men roeide naar boord terug, en Klaas Dirksz overhandigde den Admiraal
+de brieven. Nauwelijks had De Ruyter den omslag van den brief gedaan
+en gelezen wat daarop stond, of hij begaf zich naar zijne kajuit
+en las de geheime order, waarbij het bevel was gevoegd, dat hij die
+aan geen zijner officieren mocht openbaren. Terwijl hij daarmede nog
+bezig was, werd hij gestoord door het bericht, dat de Vice-admiraal
+met al de kapiteins aan zijn boord was geroeid en verlangde hem te
+spreken. De Admiraal deed de depêche terstond weder in den omslag,
+en gaf bevel, de bezoekers binnen te laten. Ten hoogste verlegen,
+wat hij moest antwoorden, wachtte hij de scheepshoofden af.
+
+"Wat is er, Admiraal?" vraagde Meppel. "Wij zijn aan wal geweest en
+hebben daar onrustbarende tijdingen vernomen."
+
+"Ook mij zijn die verhaald," antwoordde De Ruyter. "Zij luiden zeer
+oorlogzuchtig."
+
+"Daar is een bijzondere post voor u gekomen, Admiraal!" hervatte
+Meppel. "Gij hebt dien zeker reeds ontvangen en gelezen."
+
+"Voorzeker," antwoordde De Ruyter, "de brief is van Hunne
+Hoogmogenden."
+
+"En meldt die niets van den oorlog?" hernam de Vice-admiraal.
+
+"Geen enkel woord," antwoordde De Ruyter ontwijkend. "Alleen schijnt
+het, dat er geschillen tusschen de Republiek en _Engeland_ zijn
+gerezen, en dat men nog hoopt, die in der minne bij te leggen. Wat
+de geruchten van oorlog aangaat, waarvan men in _Malaga_ vol schijnt
+te zijn, wij weten te goed, hoe men op zulke losse tijdingen kan
+rekenen. Intusschen gaan wij terstond op reis naar _Alicante_, om
+het fluitschip van kapitein Enno Doedes af te halen.
+
+Wij zullen de vloot niet op den voet volgen. Eerst op de hoogte van
+de Canarische eilanden liet De Ruyter de scheepshoofden door de witte
+vlag aan zijn boord seinen en deelde hij hun de geheime resolutie
+mede. Behouden kwamen onze schepen voor het kleine eiland _Goeree_ aan.
+
+Beoosten dat eiland omgezeild zijnde, werden den 24sten October eenige
+booten, met den Schout-bij-nacht Van der Zaan aan het hoofd, naar het
+vasteland bij _Verd_ aan wal gezonden, om versch water te halen. Ook
+van De Ruyters schip voer er een sloep naar land, gevoerd door Klaas
+Dirksz en waarin zich Engel de Ruyter en onze Pieter bevonden. 't
+Was voor hen beiden heel wat nieuws, die Afrikaansche streken te zien
+en zij hadden er dan ook recht veel vermaak. Gelukkig, dat oom Klaas
+zijn neef nog al wat toeliet en dat de zoon van den Admiraal een witten
+voet bij hem had; anders hadden zij met de anderen mogen meesjouwen. Nu
+smaakten zij alleen het pleizierige van een tochtje aan land.
+
+"Zie eens," zeide Pieter, "daar komt een oude neger aan. Met dien
+zullen wij een pretje hebben."
+
+"Dat is goed," antwoordde Engel. "Maar wij zullen zijn negertaal niet
+verstaan, en hij kent ons Hollandsch niet."
+
+"Geen nood, dan zullen wij hem door teekens te kennen geven wat wij van
+hem willen hebben. Zeg eens, oude zwartkop," hernam hij tot den neger,
+die intusschen naderbij gekomen was. "Wat kom je hier uitrichten?"
+
+"Ikke eens kijken kom naar de Ollandsche schip," antwoordde de neger
+vrij vlot.
+
+Al hadden zij een slag in het aangezicht gekregen, dan hadden zij niet
+meer verbaasd kunnen staan, dan toen zij dien neger zoo onverwachts
+hunne eigene taal hoorden spreken.
+
+"Sakkerloot!" zeide Engel. "Wie heeft jou Hollandsch geleerd,
+zwarte nikker?"
+
+"Ikke Ollansch geleerd heeft in uwe land. Ikke als knaap, heel jong,
+daarin geweest is, en veel geleerd heeft."
+
+Op dit oogenblik kwam Van der Zaan bij hen, en vroeg hun:
+
+"Wat moet gij van dien neger?"
+
+"Die man spreekt Hollandsch, Schout-bij-nacht," gaf Engel ten antwoord.
+
+"Mijnheer!" zeide de neger, terwijl hij zich eerbiedig voor Van der
+Zaan boog. "Uwé zeker de Admiraal van deze vloote is."
+
+"Je vergist je, goede man! Ik ben slechts Schout-bij-nacht. De
+Admiraal der vloot is aan boord gebleven. Hij is op het schip, dat
+je daar ziet."
+
+"En hoe zijne naam is?" vervolgde de neger.
+
+"Michiel Adriaanszoon de Ruyter," antwoordde Van der Zaan.
+
+De neger begon te dansen.
+
+"Michiel, Michiel!" riep hij uit. "Michiel de Ruyter!--Ikke nu vijf-
+of zes en veertig jaar geleden een Michiel de Ruyter gekend heeft. Dat
+te _Vlissingen_ was. Maar het niet dezelfde kan zijn. Die Michiel
+maar bootsmansjongen was."
+
+"En toch is dat diezelfde Vlissingsche bootsmansjongen, die nu Admiraal
+van de vloot is."
+
+"Uwé den armen neger voor den gek houdt," zeide de zwarte
+ongeloovig. "Michiel toen bootsmansjongen was en nu Admiraal,--neen,
+dat niet kan zijn! Jan Company niet zoo mal is, om maar te gelooven,
+wat men hem wijs maakt."
+
+"En toch is het waar, Jan Company," hervatte Van der Zaan. "Zie deze
+knaap is zijn eenige zoon," hervatte hij, op Engel wijzende.
+
+De neger beschouwde den jongen De Ruyter oplettend. Eensklaps helderde
+zijn gelaat op.
+
+"Ja," hervatte hij peinzend--"nu ikke het zie. Hij wel op zijn vader
+lijkt, toen die jong was. O, mijnheer de Schout van de nacht, zou uwé
+me wel aan boord van den heer Michiel willen brengen? O, ikke zooveel
+van hem houd. Ikke met hem gevaren heb op dezelfde schip, en wij samen
+zoo dikwijls gespeeld hebben. O, ikke hem nog zoo graag eens zou zien."
+
+"Wel ga dan maar eens mee," hernam Van der Zaan. "Zijn eigen zoon
+zal je aan boord brengen."
+
+Zoo gezegd zoo gedaan. Jan Company voer met stuurman Dirkz mede naar
+het schip "de Spiegel".
+
+"Vader," zeide Engel tot den Admiraal, "wij hebben een neger
+meegebracht, die u verlangt te spreken."
+
+"Een neger?" vraagde De Ruyter. "En wat moet die van mij hebben?"
+
+"Hij zegt, dat hij een oude kennis van u is," vervolgde Engel.
+
+"Een neger? Een oude kennis? En spreekt hij Hollandsch?"
+
+"Voorzeker, vader, anders hadden wij hem niet kunnen verstaan."
+
+"En hoe heet hij?"
+
+"Jan Company, en hij heeft als knaap met u ter zee gevaren en
+gespeeld."
+
+"Jan Company!" riep De Ruyter verwonderd uit. "Onmogelijk! Maar laat
+hem hier komen."
+
+Verbaasd keek de neger op, toen hij in de sierlijke kajuit van den
+Admiraal kwam, maar nog meer verbaasd staarde hij eenige oogenblikken
+den deftig gekleeden De Ruyter aan. Ook deze beschouwde den neger
+aandachtig; eindelijk zeide hij:
+
+"En je zegt, dat je Jan Company bent, dien ik als knaap in _Vlissingen_
+heb leeren kennen?"
+
+De neger antwoordde hem niet, maar trad op den zeeman toe, sloot hem
+in zijn armen en riep uit:
+
+"Ja, ja, het Michiel is, Michiel, mijn oude vriend! O, wat ikke blij
+ben, dat ikke jou nog eens mag zien. Dat ikke jaren lang gewenscht
+heeft! Maar ikke nooit gedacht had zóó."
+
+"Mijn goede, goede Jan!" zeide De Ruyter, terwijl hij hem hartelijk
+de hand drukte. "Wel ouder geworden, maar niets veranderd. En wat
+doe je tegenwoordig voor den kost?"
+
+"Ikke onderkoning is in de land," antwoordde Jan Company.
+
+"Wel, dan heb je het waarlijk verder gebracht dan ik," zeide De Ruyter
+lachend. "Ik zal dan wel gedwongen zijn, Uwe Majesteit tegen je te
+zeggen. Wel, Uwe Majesteit, hoe heeft Uwe Doorluchtigheid het gemaakt,
+sedert ik het genoegen niet gehad heb Haar te zien."
+
+"O, jij nog altijd de oude guit van een Michiel bent," hervatte de
+neger grinnikend, terwijl hij zijn witte tanden liet zien.
+
+"Ja, Jan! een vos verliest wel zijn oude haren, maar niet zijn oude
+streken, zou stuurman Dirksz zeggen. Maar ga zitten," hervatte hij
+trouwhartig, "en laat ons elkander onder een glas Spaanschen wijn
+onze lotgevallen vertellen."
+
+Daar mijne lezers die van De Ruyter kennen en ik ze van Jan Company
+niet weet, zal ik dat verhaal overslaan. Toen de Vice-admiraal
+geëindigd had, zeide de neger:
+
+"Michiel, Michiel! Wat je een groot man bent geworden. Wie dat ooit
+hadde gedacht!--Weet je nog wel, je me in _Vlissingen_ met sneeuw
+heeft gedoopt [23]?"
+
+"Of ik dat nog weet?" hernam Michiel de Ruyter. "Dat zou ik
+meenen. Toen je zoo schreeuwdet alsof je een mager speenvarken waart;
+waardoor Tromp en Piet Hein er op afkwamen en mij braaf de les lazen."
+
+"En toen je geklimd heeft op dien grooten toren," hernam Jan,
+terwijl hij zijn tanden liet zien en in de handen wreef, "en met
+steentjes smeet."
+
+"En toen je dacht, dat het een vogeltje was, ha, ha!" riep De Ruyter
+lachende uit. "Maar zeg mij eens, Jan!" vervolgde hij ernstiger. "Je
+spraakt daar van dien sneeuwdoop. Heb je er wel eens aan gedacht,
+dat je ook in de kerk gedoopt zijt?"
+
+"Of ikke denk daaraan, Michiel!" hernam Jan Company. "Ikke nog altijd
+een Christen ben. Ikke nog "'t Onze Vader" en "'k Geloof in God den
+Vader" op mijn duimpje ken.--Maar," vervolgde hij min of meer treurig,
+"mijn kinderen en anderen lachen mij uit als ikke spreek er van; en
+daarom ikke maar bij mij zelf een Christen is en Onzen Lieven Heer
+naar mijn kennis dien."
+
+"Nu, dat is braaf van je, Jan," hervatte De Ruyter. "En zou je niet
+liever mee naar _Vlissingen_ gaan en daar komen wonen?"
+
+"Neen, Michiel! Ikke niet weer mee naar jou land ga. Ikke hier veel
+armer woon dan in jou land, een hut heeft waarin ik haast niet rechtop
+staan kan. Maar ikke liever blijf in mijn eigen land. Ikke al zestig
+jaar is, en hier onderkoning. Ikke al dikwijls aan de Zeeuwen en
+Ollanders veel diensten heb kunnen doen, dat altijd veel pleizier
+deed aan mij. Maar ikke nooit gedacht had, jou nog eens levend terug
+te zien!"
+
+De Ruyter liet onzen Jan Company niet gaan, dan na hem rijkelijk
+beschonken te hebben met al wat in dat land waarde heeft, en deed,
+toen de oude vriend naar den wal terugvoer, tot diens eer eenige
+kanonschoten lossen.
+
+Den volgenden morgen zond De Ruyter 180 man met zes sloepen aan
+wal en spoedig gaven zich de daar liggende Engelsche bezetting en
+koopvaardijschepen over.
+
+Op den vijfden November, terwijl men nog bezig was met water te
+halen, ging De Ruyters sloep met kapitein Du Bois, Klaas Dirksz,
+Joris Andringa, schrijver op De Wilds schip Engel de Ruyter, Pieter
+Pietersz en eenige anderen nogmaals aan het vasteland van _Verd_,
+om te visschen. Men gebruikte daartoe den zegen (groot vischnet) en
+had een rijke vangst, waarover de negers zich zeer verwonderden. De
+zwarten gingen achter den zegen staan en vingen de visschen in hunne
+kleedjes en kleine schepnetjes of schoten ze met hunne pijlen.
+
+"'k Woû, dat we eens naar de negorij gingen," zeide Engel tot
+Pieter. "Ik vind dat visschen heel aardig, maar ik zou toch graag
+ook eens de woningen der zwarten zien."
+
+"Ik ook," antwoordde Pieter. "Weet je, wat we moesten doen? We
+moesten er maar eens naar toe wandelen. Misschien vinden we er dien
+ouden neger wel, die zoo'n vriend van je vader is. Hoe heet hij ook
+weer?--Jan.... Jan Kampanje."
+
+"Jan Company, meen je. Dat kon wel zijn. Maar om daar zoo op ons
+eigen houtje naar toe te gaan, dat durf ik niet. Je zoudt nooit kunnen
+weten. Die zwarten hebben zulke rare kuren. Ze konden wel eens iets
+kwaads met ons in den zin hebben."
+
+"Het zijn geen menscheneters, Engel," hernam Pieter. "Kom, wij moesten
+het maar wagen."
+
+"Jij bent een waaghals, Pieter," zeide Engel. "Ik doe het niet. Mijn
+vader zou het mij nooit vergeven, als daar iets kwaads uit
+voortkwam. Maar ga jij alleen."
+
+"Alleen?--Neen, dan wacht ik maar tot de anderen gaan. Zij zullen
+toch wel eens genoeg gevischt hebben."
+
+Het duurde echter nog een heelen tijd alvorens dit het geval
+was. Intusschen--aan alle dingen is een end, placht oom Klaas te
+zeggen, en zoo was het hier ook. Na de vischvangst begaf men zich
+naar de negorij of het dorp der zwarten. Dat bestond uit verscheidene
+woningen in den vorm van bijenkorven, terwijl de ingangen zoo laag
+waren, dat men er in moest kruipen. En als men er dan in was, dan
+kon men er niet recht in opstaan, maar moest op matjes zitten. Ook
+waren zij zoo zonderling omheind, dat, als men van het eene naar
+het andere of naar een derde wilde komen, men als in een doolhof
+verdwaalde. Gelukkig, dat die heiningen niet hoog waren, zoodat de
+Hollanders er over heen konden stappen. Het wemelde er van kleine,
+zwarte kinderen, die door de geheele negorij als jonge biggen in het
+zand kropen, terwijl de negermoeders daarbij lagen, even lui en log
+als zeugen. Al voortwandelende, bleven onze zeelieden op eens voor
+een der woningen staan, die zich in niets van de andere onderscheidde.
+
+"Wat zou daar te doen zijn?" zeide Engel, die zich altijd dicht bij
+Pieter had gehouden.
+
+"Misschien hebben ze een zwart kind op zijn naakte lijf getrapt,"
+gaf Pieter ten antwoord, terwijl hij over een heining stapte, om gauw
+bij de hand te zijn.
+
+"Dat denk ik niet," hernam Engel, "want dan zou dat kleine, zwarte
+mirakel wel schreeuwen."
+
+"Ik zie het al," riep Pieter uit. "Het is de woning van Jan
+Kampanje. Kijk, daar staat hij."
+
+"Inderdaad, hij is het," hernam Engel.
+
+En het was dan ook zoo. Jan Company, die in zijne woning zat, was,
+zoodra hij de zeelieden zag aankomen, daaruit gekropen.
+
+"Ikke heel blij ben, dat Uwé mij eene bezoek komt brengen. Isse
+Mijnheer Michiel de Ruyter niet bij u?" zeide de neger.
+
+"De Admiraal niet, maar wel zijn zoon," antwoordde Du Bois. "Waar is
+Jonker Engel?" hernam hij, rondziende. "Ha, daar is hij. Kom eens hier,
+Jonker," vervolgde hij tot den knaap. "Uws vaders vriend, Jan Company,
+wenscht u te zien."
+
+"Ikke de heeren niet durf vragen te komen in mijne huisje," hernam
+de neger. "Die te klein is, om te ontvangen de Heeren. Maar zij met
+mij moeten meegaan." En dit zeggende, geleidde hij de zeelieden
+naar een palmboom, onder welks schaduw allen rondom in het gras
+gingen zitten, terwijl Jan Company door zijne slaven of bedienden
+negerbrood, van zeker gestampt zaad gebakken, palmwijn en zoete
+melk liet aanbrengen. Ook zaten er verscheidene van de notabelen
+der negorij, zoo mannen als vrouwen, mede aan en ging het er recht
+vroolijk toe. Jan Company was onuitputtelijk in vertellingen van zijne
+jeugd; ook toonde hij een uitmuntend geheugen te hebben, daar hij
+nog de meeste Vlissingsche straten, kaden en bruggen bij naam wist
+te noemen. Niet weinig vermeerderde de vroolijkheid, toen kapitein
+Du Bois het brood, de kaas, den wijn en den brandewijn liet halen,
+die men van boord had medegebracht en die den zwarten heeren en dames
+recht goed schenen te smaken. Zoo bleef men bij elkander tot de avond
+begon te vallen; toen maakte men zich gereed, weder naar boord te
+varen. Jan Company vergezelde hen tot aan het strand en verzocht hun
+nog vele groeten aan zijn ouden vriend De Ruyter te doen, hetgeen men
+hem beloofde. Zeer tevreden over dat uitstapje, kwam men aan boord van
+"de Spiegel" terug.
+
+Van _Goeree_ stevende De Ruyter naar de rivier _Sierra Leona_, alwaar
+hij de Engelsche koopwaren in beslag nam; van daar naar de _Goudkust_,
+waar hij het kasteel _Witsen_ of _Tokkary_, door de Engelschen aan de
+W. I. Compagnie ontnomen, heroverde en slechtte; en eindelijk naar
+_St.-George d'Elmina_, waar hij de Britsche vesting _Kormantijn_
+aantastte en nam. Nadat hij alzoo onze bezittingen in _Afrika_ van
+den overmoed der Britten had verlost, stevende hij naar _Barbados_ in
+_Amerika_, alwaar hij insgelijks den hem gegeven last volbracht en zich
+ook van eenige Engelsche schepen meester maakte. Hier kreeg hij bevel,
+om naar het vaderland terug te keeren. Daar hem ook kort daarop het
+bericht gewerd, dat de oorlog tusschen _Engeland_ en de republiek was
+uitgebarsten, vond hij het ongeraden, het _Kanaal_ door te stevenen,
+zeilde dus achter _Ierland_ om en kreeg te _Bergen_ in _Noorwegen_
+de tijding van een overwinning, door de Engelsche vloot op de onze
+behaald, en die ik u in het volgende hoofdstuk zal vertellen. Hij
+besloot dus niet in _Texel_ binnen te loopen, maar naar de _Eems_ te
+zeilen. Doch ook dit zou weinig hebben gebaat, indien de Voorzienigheid
+niet voor onzen held had gewaakt. De Engelschen toch loerden aan
+alle kanten op den terugkeerenden Admiraal. Een zware mist belette
+hun echter de onzen te zien; daarenboven veranderde de wind ieder
+oogenblik, waardoor zij de Engelschen en dezen hen telkens miszeilden;
+en zoo kwamen zij den zesden Augustus 1665 met negentien schepen,
+waaronder vijf prijzen, behouden in de _Eems_ en binnen de haven van
+_Delfzijl_ aan. "'t Is God alleen," riep de vrome Vice-admiraal uit,
+toen men hem geluk wenschte met zijne wonderbare ontsnapping. "'t Is
+God alleen, die ons buiten het gezicht van onze vijanden geleid heeft.
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+Waaruit blijkt, dat het hier niet altijd voor den wind ging.
+
+
+Het wordt thans tijd, dat wij ruim een half jaar achteruitgaan,
+en onzen lezers iets mededeelen van het gebeurde hier te lande in
+dien tusschentijd.
+
+Nauwelijks hadden de schepen, door De Ruyter genomen maar weder
+vrijgelaten, de tijding in _Engeland_ gebracht van hetgeen er op de
+kust van _Guinea_ gebeurd was, of de vloot des konings werd in zee
+gezonden en honderden onzer koopvaarders genomen. Aan beide zijden,
+zoowel in _Engeland_ als hier te lande, had men zich geducht ten
+oorlog toegerust. De listige Karel II echter wachtte nog met de
+oorlogsverklaring, totdat hij onzen handel een gevoeligen slag had
+toegebracht. Daartoe gaf hij last aan den _Engelschen_ Schout-bij-nacht
+Allen om de rijke Smyrnasche vloot, die op hare huisreis was,
+te bemachtigen. Niet lang behoefde Allen op haar te wachten; want
+weldra, op den 29sten December, verscheen zij, 30 koopvaarders sterk
+en geleid door slechts drie oorlogsschepen onder kapitein Pieter van
+Brakel. Geen wonder, dat de overmoedige Brit reeds waande meester te
+zijn van die vloot. Doch hij had buiten den waard gerekend; want niet
+alleen de drie oorlogsschepen vochten woedend als getergde leeuwen;
+maar ook de koopvaarders verdedigden zich zoo dapper, dat er slechts
+drie hunner den Engelschen in handen vielen. Van Brakel sneuvelde en
+Jan Poelofsz van Hoorn, door vier Engelsche schepen omringd verdedigde
+zich uren lang tegen de overmacht en verliet zijn schip niet, dan
+toen het met een groot aantal van de daarop overgesprongen vijanden
+in de diepte der zee zonk.
+
+Zoodra men hier de tijding van deze schandelijke vredebreuk vernomen
+had, bevalen de Staten onzen zeehoofden, insgelijks alle Britsche
+schepen aan te vallen en op te brengen, terwijl Karel II nu het masker
+afwierp en ons den oorlog verklaarde.
+
+Ongelukkig heerschte in onze Republiek de oude verdeeldheid:
+rampzalige naijver tusschen de verschillende provinciën: gevolg van
+het gemis van een enkel opperhoofd--een Admiraal-generaal. Wel hadden
+de admiraliteiten, op aansporing van den steeds onvermoeiden Johan
+De Witt, krachtig medegewerkt tot den bouw en de uitrusting der
+vloot; maar over het benoemen van een opperhoofd was men het niet
+eens. _Zeeland_ kon maar niet verkroppen, dat, in den oorlog tegen
+_Zweden_ aan De Witt de voorgang boven Jan Evertsen was geschonken,
+en benoemde dezen tot Luitenant-admiraal, met het doel om hem, na
+Wassenaar, het tweede bevel op 's lands vloot te doen voeren. Daarop
+benoemde men in _Holland_ tot dezelfde waardigheid Kortenaar, De
+Ruyter en Meppel, en in _Friesland_ Auke Stellingwerf. Nog werden
+in _Holland_ Cornelis Tromp, Van Nes en Schram, en in _Zeeland_
+Coenders tot den rang van Vice-admiraal verheven. Zoo waren er dus op
+de vloot vier Luitenant-admiraals, terwijl er nog twee buitenslands
+zich bevonden. Waarlijk, mijne jonge lezers, het had veel van uw
+soldaatje spelen. Dan zijn er dikwerf vijf, zes of zeven officieren
+bij vier, vijf of zes manschappen; want ieder wil gaarne officier zijn.
+
+Den 23sten Mei liep onze vloot, bestaande uit 103 schepen met
+5000 stukken geschut en 21000 man uit. Stilte en tegenwind echter
+beletteden onzen Admiraal, onze kusten te verlaten en den vijand
+op te zoeken. Eindelijk ontmoette men de Engelsche vloot onder 's
+konings broeder, Jacobus [24], hertog van _York_ en Groot-admiraal
+des rijks, en Prins Robert, zoon van den verdreven en gestorven koning
+van _Bohemen_.
+
+Den 13den Juni, met het aanbreken van den dag, raakten de beide vloten
+slaags. Maar noodlottig was voor ons de uitslag van dit gevecht. Op
+last der Staten, die gaarne aan al de gewesten genoegen wilden geven,
+had Wassenaar de vloot in niet minder dan zeven eskaders verdeeld,
+en dit verzwakte natuurlijk de eenheid in werking, zoodat de meeste
+eskaders op zich zelf handelden. Daarbij kwam, dat, reeds te vijf uren
+in den morgen, Kortenaar sneuvelde en diens stuurman, die het bevel
+overnam, zich lafhartig buiten het gevecht hield. Wassenaar echter
+kweet zich kloekmoedig, doch ongelukkig vloog hij met zijn schip
+in de lucht. Hierop heesch de trouwelooze stuurman van Kortenaar de
+admiraalsvlag in top en nam de vlucht. De anderen, niet wetende of
+Evertsen dan wel Tromp het opperbevel had, volgden hem en spoedig was
+het wijken algemeen. Slechts aan den moed van de opperbevelhebbers en
+enkele kapiteins hadden wij het te danken, dat ons verlies niet meer
+dan zestien schepen bedroeg. Vooral Tromp, die met eenige weinigen de
+achterhoede uitmaakte, weerde den vijand het langst af en bracht het
+grootste deel der vloot behouden binnen _Texel_, waar de afgevaardigden
+der Staten zich bevonden, die, reeds van de nederlaag verwittigd,
+zich derwaarts hadden begeven, om orde op de zaken te stellen. De
+moedige Johan de Witt, die zich onder hen bevond, was te _Petten_
+in een visschersboot gegaan en naar onze vluchtende schepen gevaren,
+ten einde hen te bewegen, het gevecht te hervatten. Hij ging op
+het achterste dier schepen over en was daarop gebleven (ook toen
+het aan den grond raakte en in gevaar kwam om genomen te worden)
+tot hij het binnen _Texel_ had gebracht. Jan Evertsen had met een
+tiental andere vaartuigen behouden de _Maas_ bereikt. Voor Wassenaar
+werd door de Staten in het koor der Groote kerk te 's-_Gravenhage_ en
+voor Kortenaar door de Admiraliteit van de _Maas_ in de Groote kerk te
+_Rotterdam_ een praalgraf opgericht. Sommige der Scheepsbevelhebbers
+werden om hun in dien strijd gehouden gedrag met den dood andere met
+eerloosheid en verbanning gestraft.
+
+In het voorbijgaan moet ik u nog doen opmerken, dat vele kapiteins
+zich slecht gedragen hadden, niet uit lafhartigheid, maar omdat zij
+der Oranjezaak waren toegedaan. Zeker een heel verkeerde manier om
+den Prins dienst te bewijzen. Ja, er waren er ook nog, die bij de
+versterking der gehavende vloot weigerden in dienst te gaan, anders
+dan onder 's Prinsen vlag; terwijl op het schip van Tromp de matrozen
+geen anker wilden winden dan in 's Prinsen naam.
+
+Intusschen ging men met den meesten ijver voort aan het herstellen
+der geledene schade. Nu moest men een vlootvoogd kiezen, en daar men,
+na den ongelukkigen zeeslag tusschen Wassenaar en York, vooral aan
+Tromp het behoud der vloot te danken had, daar de liefde, die het
+scheepsvolk voor zijn vader had gekoesterd, op hem was overgegaan, zag
+men zijne Prinsgezindheid over het hoofd en gaf hem het opperbevel,
+onder voorwaarde, dat het slechts in naam bij hem zou berusten, en
+in de daad bij drie gevolmachtigden der Algemeene Staten, Huijgens
+wegens _Gelderland_, Johan de Witt wegens _Holland_ en Boreel wegens
+_Zeeland_. Tromp snelde naar de vloot, bevelhebbers en matrozen waren
+in hun schik en de vloot lag gereed om uit te zeilen. Dit was juist
+op het tijdstip van De Ruyters terugkomst te _Delfzijl_. Gaan wij nu
+ook derwaarts en zien wij, wat daar voorviel.
+
+Wij vinden boven op de kampanje onzen Pieter en Jonker Engel, ieder
+op een rol touwwerk gezeten, met elkander aan het praten. Het was
+Donderdag den 6den Augustus 1665, ongeveer zes uren, dus twee uren na
+hunne aankomst te _Delfzijl_. Het was heerlijk weder en de Augustuszon
+scheen zoo liefelijk op het dek, dat de beide vrienden er zich lekker
+in koesterden.
+
+"Dat is ander weer dan wij op zee hebben gehad, Engel," begon
+Pieter. "Zoo'n akeligen kouden mist, en dan--men kon geen hand voor
+oogen zien. Ieder oogenblik dacht ik, dat wij op de een of andere
+ondiepte zouden stooten."
+
+"Ja, als uw oom niet aan het roer had gestaan, Pieter! Dan had er
+gevaar kunnen zijn," zeide Engel.
+
+"Alsof uw vader zich rustig en stil in zijn kampanje hield, niet
+waar? Waarlijk hij mag nu wel wat rust genieten, de goede man."
+
+"Rust? Ach, wanneer zal vader dat woord eens anders dan bij naam
+kennen? Hij zit nu reeds zijn brieven te schrijven aan de Heeren
+Staten-Generaal, waarin hij hun verslag geeft van hetgeen wij in
+_Afrika_ en _Amerika_ verricht hebben. Verder brieven aan de Heeren
+Raden der Admiraliteit te _Amsterdam_, aan de Heeren Staten van
+_Groningen_ en _Ommelanden_, en aan die van _Friesland_."
+
+"Eilacy! Dat zal hij toch wel door den schrijver laten verrichten."
+
+"Natuurlijk. Maar hij moet ze hem toch voorzeggen en daarbij het
+scheepsjournaal raadplegen," hernam Jonker Engel. "Kijk eens, Piet,"
+vervolgde hij, terwijl hij naar den wal wees. "Daar komt waarlijk
+reeds bezoek aan ons boord. Vader merkt het al en laat de statietrap
+uitzetten."
+
+"Dat is een deftig heer, die met zijn gouden gegallonneerden rok,"
+zeide Pieter. "Misschien wel een lid der Staten-Generaal."
+
+"Kan het ook de Raadpensionaris wezen?" vraagde Jonker Engel. "Hij
+schijnt ten minste de hoogste van den troep."
+
+"De Raadpensionaris?" riep Pieter lachende uit. "Neen, dien ken ik
+wel. Ik heb hem te 's-_Gravenhage_ menigmaal gezien. Die ziet er veel
+eenvoudiger uit."
+
+"Waarschijnlijk is het dan de kommandant van _Delfzijl_," hervatte
+Jonker Engel.
+
+En waarlijk had Jonker Engel het geraden; want het was de heer Schay,
+bevelhebber van _Delfzijl_, die met eenig gezelschap aan De Ruyters
+boord kwam, om hem met zijne behouden terugkomst te begroeten.
+
+"Nu komen zij vader nog storen," hervatte Jonker Engel, toen de heeren
+de kampanje binnen waren.
+
+"Het is toch een teeken van groote belangstelling in den
+Vice-admiraal," vond Pieter.
+
+"Dat is het. Maar vader heeft nu zijn tijd wel noodig. Intusschen
+zal hij den schrijver wel reeds de noodige instructiën gegeven
+hebben. Kijk eens, Pieter! daar komen nog andere lieden aan. Het
+lijken wel kooplieden en gegoede burgers."
+
+"Daar is ook een boer bij," riep Pieter uit. "Zij komen regelrecht
+op ons schip af."
+
+En zoo was het ook. Ja, toen de aankomst van De Ruyter bekend werd,
+stond het eenige dagen letterlijk niet stil van bezoekers, uit
+steden en dorpen, edel en onedel, allen wilden den geliefden man
+hunne blijdschap betuigen; en niet alleen mannen maar ook vrouwen,
+ja "menigte van deftige en eerlijke vrouwen vielen De Ruyter om den
+hals en kusten hem naar 's lands wijze, alsof ze hun vader of broeder,
+uit gevaar des doods ontkomen, bewellekoomden."
+
+Gaarne zou ik hier langer met u vertoeven, doch wij moeten voortgaan.
+
+De Staten-Generaal hadden niet zoodra de tijding van De Ruyters
+behouden terugkomst vernomen, of zij besloten, op voordracht van
+_Amsterdam_, hem in plaats van den gesneuvelden Wassenaar-Obdam te
+benoemen tot Luitenant-admiraal van _Holland_ en _West-Friesland_
+en hem het opperbevel over de vloot, die te _Texel_ zeilreê lag,
+op te dragen. Dezen lastbrief ontving onze De Ruyter den 13den
+Augustus. Den vorigen dag was er heel wat op de vloot te doen
+geweest. Het scheepsvolk namelijk, dat door zulk een lange reis de
+zee moede was geworden, wilde aan land en naar huis. Kort daarop
+kwamen er drie Heeren gevolmachtigden van de Staten-Generaal te
+_Delfzijl_, om het volk te monsteren, en zeiden den schepelingen
+aan, dat zij de schepen naar _Texel_ of het _Vlie_ moesten brengen,
+met belofte dat men dan ieder naar de zijnen zou laten vertrekken,
+doch dat men ze, op maandelijksche gage, tot nader orde en tromslag
+in dienst hield. Op de Amsterdamsche schepen toonde zich het volk vrij
+gewillig, maar op het schip van Van der Zaan en op de Rotterdamsche en
+Noordhollandsche schepen sloeg men aan het muiten, en wel op aanstoken
+van een Delvenaar, den matroos Jan Janszoon de Werelt van het schip
+"Louise", die op verscheidene schepen had uitgestrooid, dat men hen
+naar _Texel_ op de oorlogsvloot zou brengen en die hun had gevraagd,
+of zij er niet voor bedankten om doodgeschoten of gevangengenomen
+te worden; want het gerucht had zich verbreid, dat de Nederlandsche
+krijgsgevangenen in _Engeland_ zeer slecht werden behandeld. Op het
+schip van Van der Zaan en op de Rotterdamsche schepen werd het volk
+tot bedaren gebracht. Maar van de Noordhollandsche schepen liep
+genoegzaam de geheele bemanning weg. De muiter echter werd in een
+sloep achterhaald, gevangengenomen, en te _Rotterdam_ opgehangen.
+
+Het was op Vrijdag den 14den Augustus, dat de drie gevolmachtigden
+bij den nieuwbenoemden Luitenant-admiraal aan boord kwamen, om hem
+geluk te wenschen met die benoeming.
+
+"Zal je vader het Luitenant-admiraalschap aannemen?" vraagde Pieter aan
+Jonker Engel, die bij hem kwam, terwijl hij zich bij het roer bevond.
+
+"Daar twijfel ik niet aan," gaf Engel ten antwoord.
+
+"Hij zal toch wel naar huis verlangen, na een afwezigheid van vijftien
+maanden."
+
+"Dat kun je denken, Pieter," hernam Engel. "Maar dat weet je: waar
+plicht gebiedt, daar zwijgen bij vader alle andere roepstemmen."
+
+"En waar het vaderland zijn diensten vraagt, is de Luitenant-admiraal
+De Ruyter nooit achterlijk gebleven," voegde oom Klaas er bij. "Een
+braaf man en een trouwe kerel, uw vader."
+
+"Dat is hij, Klaas Dirksz," zeide Jonker Engel, "en ik reken mij
+gelukkig zulk een vader te hebben."
+
+"'t Zal mij veel kosten, hier te blijven, terwijl onze Admiraal naar
+_Texel_ gaat," hernam oom Klaas.
+
+"Dat zal wel niet noodig zijn, stuurman," hervatte Jonker Engel. "Als
+de Scheepsraad, die zoo straks bijeenkomt, het goed vindt, zal ieder,
+die wil, met vader kunnen meegaan."
+
+"Dan ben ik een der eersten," riep Dirksz uit, terwijl zijn gelaat
+verhelderde. "Met mijn Luitenant-admiraal ga ik ter overwinning of
+in den dood."
+
+"En ik ga ook mee," zeide Pieter. "Ten minste als jij niet hier
+blijft, Engel."
+
+"Hoe komt je dat in de gedachten, Pieter? Denk je, dat vader alleen
+zal vertrekken en mij achterlaten?"
+
+"En zullen wij spoedig gaan?" vraagde Pieter.
+
+"Nog heden. Doch daar komen de kapiteins al aan boord. De zitting
+van den scheepsraad zal wel niet lang duren."
+
+Acht en dertig vrijwilligers, zoo bevelhebbers als matrozen, gaven
+zich aan om met den geliefden Admiraal opnieuw het leven te wagen
+voor het Vaderland. Onder hen bevonden zich, behalve Pieter en oom
+Klaas, ook de Vice-admiraal Van Nes, Graaf Johan Belgicus van Hoorne,
+Jonker Reinoud van Koeverden en de schrijver van het schip van De Wild,
+later secretaris bij De Ruyter. Van boord varende, deden al de schepen
+saluutschoten; te _Delfzijl_ waren al de soldaten ter eere van den
+Luitenant-admiraal onder de wapenen en loste men het geschut. Met
+twee trekschuiten vertrokken zij naar _Groningen_ en van daar over
+_Dokkum_ naar _Leeuwarden_, _Franeker_ en _Harlingen_; terwijl zij den
+nacht doorreisden, zoodat zij reeds den volgenden dag na den middag
+in laatstgenoemde stad waren. In al de steden, welke zij doorvoeren,
+werden zij door een grooten toeloop van volk en met uitbundig gejuich
+begroet en, zooveel de snelheid hunner reis het toeliet, door de
+vroedschap onthaald. Nog denzelfden avond gingen zij onder zeil naar
+_Texel_, waar zij den volgenden dag aankwamen, De Ruyter den eed in
+handen van de gevolmachtigden der Staten-Generaal aflegde en het
+volk zich op de twee fregatten begaf, die men voor hen te _Texel_
+had laten liggen. Door tegenwind teruggehouden, kwam men eerst in den
+ochtendstond van den 18den op de vloot, aan boord van het schip "de
+Liefde", waar de Luitenant-admiraal door de gevolmachtigden der Heeren
+Staten Johan de Witt, Huijgens en Boreel hartelijk verwelkomd werd.
+
+Daar was intusschen op die vloot wat voorgevallen. Nauwelijks toch
+had Tromp de benoeming van De Ruyter tot opperbevelhebber vernomen,
+of hij gevoelde zich, niet ten onrechte, diep gekrenkt en zwaar
+beleedigd. Men had hem immers het opperbevel over 's lands vloot
+opgedragen en hij had haar in orde gebracht. Hoe kon men hem dan zoo
+wederrechtelijk dat bevel ontnemen?--Terstond diende hij zijn ontslag
+in, ten minste voor dezen tocht; maar op aanhouden der Staten-Generaal
+en hunne gemachtigden liet hij zich overhalen op de vloot te blijven
+en ontving den nieuwen opperbevelhebber zeer beleefd op zijn schip.
+
+Het heeft u misschien verwonderd, dat de Raadpensionaris zelf op
+de vloot was, en inderdaad, gij zijt de eenigen niet. Er waren ten
+jare 1665 velen hier te lande, wien het verwonderde, en die het De
+Witt afrieden met alle kracht van redeneering; die hem onder het oog
+brachten, hoe hij zich aan het gevaar van stormen en de kogels der
+vijanden blootstelde, zonder te bedenken, wat er aan hem zou verloren
+worden. Maar hij antwoordde: "dat de behoudenis van zijn persoon en
+zijn geluk aan het behoud van den Staat hing, en dat de goede of kwade
+uitkomst van een zeeslag beiden zou behouden of verderven. Daarom
+was hij op de vloot gegaan, om de dapperen aan te moedigen en de te
+voortvarenden te matigen."
+
+En dat hij met hart en ziel het heil van 's Lands vloot zocht, dat
+had men op den 14den Augustus gezien, toen hij bewees, dat men, niet
+zooals de meest ervaren zeelieden tot hiertoe gemeend hadden, slechts
+met tien streken van het kompas [25] het gat van Texel kon uitvaren,
+maar, zooals hij door nauwkeurig mathematisch onderzoek gevonden had,
+met acht-en-twintig. De oudste en knapste loodsen lachten hem over
+die bewering in het gezicht uit. Maar De Witt stoorde zich daaraan
+niet. Hij zelf ging aan het roer staan van "de Delfland", terwijl
+de Heer Van Haaren "Het huis te Swieten" voor zijne rekening nam. En
+zoo bracht de schrandere man, tot verbazing van allen, de vloot nog
+dienzelfden dag in zee.
+
+De Ruyter bleef niet op het schip "de Liefde", maar begaf zich nog
+denzelfden dag met de drie gevolmachtigden op het schip "de Delfland",
+waarheen ook Klaas en Pieter hem vergezelden. De vloot, vooral door
+de zorg van De Witt binnen acht weken weer in zee gebracht, bestond
+nu uit drie-en-negentig oorlogsfregatten, voorzien van 4337 stukken
+geschut en bemand met 19635 koppen. Zij was verdeeld in vier eskaders,
+elk onder een Luitenant-admiraal, en wel onder De Ruyter, Cornelis
+Evertsen, Cornelis Tromp en Tjerk Hiddes de Vries.
+
+Veel echter richtte deze vloot dit jaar niet uit; een zware storm
+noodzaakte haar, om zwaar beschadigd naar hare havens terug te keeren.
+
+Nog hadden wij in het zelfde jaar een tweede oorlogsverklaring
+gekregen, en wel van Barend van Galen, den oorlogzuchtigen bisschop
+van _Munster_, die nog een ouden wrok tegen den Staat gevoelde, en door
+_Engeland_ was opgezet en met geld werd ondersteund. Alles was hier aan
+de zeemacht opgeofferd, zoodat het met de landmacht ellendig gesteld
+was. Barend van Galen veroorzaakte ons veel schade; gelukkig echter
+werd de vrede met hem den 18den April van het volgend jaar gesloten.
+
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+Wat er met den Prins op het buurtmaal voorviel en wat de
+Raadpensionaris daarover zeide.
+
+
+In den tijd, waarvan wij spreken, waren de buurtvereenigingen nog
+in vollen bloei. Buurtvereenigingen of buurten waren genootschappen,
+ontstaan door vrije overeenkomst van in elkanders nabijheid gelegene
+stadsgedeelten of wijken, wier bewoners zich verbonden tot onderlinge
+goede verstandhouding, het verleenen van wederkeerige hulp en het
+handhaven der orde binnen de buurt. De bepalingen daartoe, vervat
+in een "brief" of "kaart," werden meestal aan de goedkeuring van den
+Magistraat onderworpen en hadden slechts dan verbindende kracht. De
+stad 's-_Gravenhage_ was toenmaals verdeeld in 71 buurten, waarvan de
+_Hofbuurt_ (_Binnen-_, _Buitenhof_ en _Hofsingel_) en de _Illustre
+Parelbuurt_ (_Voorhof_ en _Vijverberg_) de voornaamste in rang
+waren. Sommige dier buurten waren nog gescheiden in twee gedeelten. Zoo
+bevatten de _Hofbuurt_ en _Parelbuurt_ twee vereenigingen: die voor
+Heeren-burgers en die voor Burger-burgers; zoo hadden enkele buurten,
+b. v. het _Voorhout_, eene vereeniging voor gehuwde mannen en een
+voor ongehuwden, _Jonkmansbuurt_ genaamd. Aan het hoofd van elke
+buurt stond een bestuur, "officier en regenten der Buurt" geheeten,
+hetwelk was samengesteld uit een deken (ook wel "President van de
+Buyrte" genoemd), twee, vier of zes Hoofdlieden (die ook den naam
+van "vredemakers" droegen) en één Secretaris (die in de _Hofbuurt_
+den titel van griffier voerde). Zelfs hadden sommige buurten, onder
+andere de _Hoogstraat_, haren advocaat. De deelneming als lid der
+buurt was vrijwillig; evenwel moest men bewoner van de buurt zijn,
+en werd er bij stemming over het toetreden tot het lidmaatschap
+geballoteerd. Wie niet goed van gedrag was, geen goeden naam had,
+als onaangenaam in den omgang bekend stond, of om andere redenen
+geen genoegzaam aantal stemmen kreeg, mocht geen lid worden. Ook kon
+men van dat Lidmaatschap vervallen worden verklaard, tot straffe
+voor het niet voldoen aan de vastgestelde wetten, keuren, boeten
+of ordonnantiën. Elk lid nam op zich te betalen een wekelijksche
+of maandelijksche contributie, die verschillend was naar de buurten
+[26], f 3 bij het koopen en evenveel bij het verkoopen van een huis,
+en een vastgesteld geld bij huwelijken, geboorten of begrafenis. Het
+doel dezer buurtvereenigingen was onderlinge hulp en bevordering der
+vriendschap; ook het handhaven van vrede en rust in de buurt. Wanneer
+twee buren twist hadden, begaven zij zich naar de Hoofdlieden, die
+trachten hen met elkander te verzoenen. Verkozen zij daarnaar niet
+te luisteren en brachten zij de zaak voor het gerecht, dan betaalden
+zij eene boete van drie gulden. Wie zijn vrouw "smeet ofte sloeg,
+dat daar een straatgerucht uit voortquam" verbeurde een vette ham
+of ten minste f 3 (in andere buurten f 1.50), voor het "kyven met
+anderen in de buyrt" 12 stuivers, schelden 6 stuivers, bedreiging
+f 1.50, slaan f 3; kwam men bij brand niet op, dan verbeurde men
+24 stuivers. Al die boeten gingen bij de inkomsten, en van al die
+ontvangsten werden jaarlijks maaltijden aangericht, waaraan al de leden
+der buurt met hunne vrouwen deelnamen. Somtijds hield men om de twee
+of drie jaren een maaltijd, waarbij de bewoners van andere buurten
+genoodigd werden. De maaltijden duurden gewoonlijk drie, wel eens
+vier dagen. Bij sterfgevallen waren de buren verplicht als dragers te
+assisteeren, waarvoor de betrekkingen van den doode een zekere somme
+gelds naar believen aan den buurt-secretaris ter hand stelden. Deze
+betaalde daarvan den dragers f 1 of meer en stortte het overige in
+de kas. Ook bij brand moesten de buurtlieden opkomen ter blussching,
+waarvan echter zij, die aan het stadhuis verbonden waren of tot de
+schutterij behoorden, waren vrijgesteld. De afgetredene hoofdlieden
+waren brandmeesters. Nog had de buurt een knecht, die zorgen moest voor
+het aanzeggen der dooden, het oproepen der dragers en het uitdeelen
+en ophalen der buurtpenningen, die dezen aan huis werden bezorgd [27].
+
+Wij willen dan eens den _Nieuwen Doelen_ binnentreden en ons naar
+dezelfde zaal begeven, die wij in een vroeger werkje [28] reeds eenmaal
+zijn ingetreden. Het is de 24ste November van het jaar 1665, de tweede
+dag van den ditmaal gevierd wordenden maaltijd. Het is dit jaar een
+luisterrijk festijn; veel kostbaarder dan gewoonlijk. En geen wonder;
+want een paar hooggeplaatste personages, ook leden der buurt, zullen
+de maaltijden bijwonen: Prins Willem Hendrik en de Raadpensionaris
+Johan de Witt met zijne echtgenoote Wendela, de dochter van den
+Amsterdamschen burgemeester Bicker. De Witt heeft dan ook, in plaats
+van de f 15.60 die hij als lid der buurt moest betalen, niet minder
+dan 19 Dukatons (f 59,85) gegeven: terwijl de Prins, behalve een nog
+veel aanzienlijker gift, door zijn kok verscheidene schotels heeft
+laten gereedmaken, welke hij naar den _Doelen_ heeft gezonden. "Door
+zijn kok?" hoor ik u vragen. Welzeker, de vijftienjarige knaap houdt er
+reeds een heele hofhouding op na. Behalve zijn goeverneur Zuijlestein,
+zijn schrijver en Raad Wildertz, zijn kamerdienaar Karel Pietersz
+en de andere bedienden, bekleedt de Heer van Heenvliet bij hem den
+post van opperstalmeester, Boreel dien van hofmeester, Bromley, een
+Engelschman, en Buat, die vroeger reeds als page bij zijn doorluchtigen
+vader Willem II in dienst is geweest, die van edellieden van zijn
+huis. De baron Van Freisheim is sedert den 27sten April als vendrig
+in dienst van den Staat. Hoeveel de Prins steeds van dezen hield,
+getuigen nog zijne aan den jongen baron gerichte brieven, waarin zijne
+Hoogheid den lossen Freisheim menige vriendelijke vermaning geeft.
+
+Maar keeren wij tot de zaal van den _Nieuwen Doelen_ terug, die sedert
+1648 steeds voor deze gelegenheden gebruikt wordt, in plaats van de
+Casteleneye van _Holland_, welke vóór dien tijd tot dat doel werd
+ingericht. Ook heeft men in de _Hofbuurt_ voor ditmaal het gebruik
+afgeschaft, dat ook in de andere buurten bestaat: namelijk, dat ieder
+genoodigde zijn eigen servet, mes en lepel moest medebrengen. Wij
+treden de zaal binnen op het oogenblik, dat de gasten boven komen,
+die reeds vroeg in de benedenzalen vergaderd zijn geweest; alwaar
+de mannen onder het "drinken van toeback", die in looden potten
+aanwezig is, en de vrouwen bij het gebruik van een glaasje "malvezy
+ofte spaensen wijn" en kandeel en een aangenaam buurpraatje, sedert
+tien uren den tijd hebben gesleten.
+
+De zaal is verlicht met tallooze waskaarsen en schoon versierd
+met de kleuren van het Huis van _Oranje_. In het midden staat de
+tafel, waarop een rijkdom van schotels: heerlijke ossenrolenden,
+speenvarkens, kalfsschijven en vette hammen als vleeschspijzen;--hazen,
+konijnen en een reebout als wild;--kalkoenen, hoenders, duiven,
+als gevogelte;--zee- en riviervisch en vooral "oysters" [29], zoo
+versch als gebraden, als waterproduct;--gort, erwten en boonen, op
+verschillende wijzen toebereid, salade en radijs als veldvruchten
+voorkomen. Verder het dessert, bestaande uit peren, appelen, noten,
+druiven [30] en mispelen, en uit een menigte taarten en gebakken, als:
+"Spaens banquet," "ordinair banquet van appelen" en "taartenbanquet,"
+"marsepeynen," "gestoffeerde poddings", "pasteyen", "eyerkoeken"
+en heerlijke confituren. Gij ziet, dat er genoeg te eten is, en te
+drinken ook; want die lange fluiten zijn voor verschillende Fransche
+wijnen, voor "Spaensen" en "Rhijnschen" wijn, en die kroezen voor
+"Haagsch, Dorts, Bergs of Hamburgs" bier. Om de tafel heen staan
+stoelen met zachte kussens, en de tafel zelf is met een helder wit
+tafellaken gedekt; de schotels en borden zijn van tin.
+
+"Zijne Hoogheid toeft vandaag lang," begon de advocaat Moleschot, de
+aftredende deken van dat jaar. "Zij zal, hoop ik, toch wel deelnemen
+aan ons festijn."
+
+"Voorzeker," zeide Cimon van Middelgeest, een der hoofdlieden. "Ik
+weet zeker, dat Zijne Hoogheid zal komen."
+
+"Maar de Raadpensionaris zal heden niet paraisseeren," verzekerde
+Johan Houttuijn, een ander hoofdman.
+
+"Waarom niet?" vraagde Middelgeest.
+
+"Hij is geïndisposeerd geworden," antwoordde Houttuijn.
+
+"Geïndisposeerd?" riep Henricus Hondius uit. "Het zal hem gisteren
+zeker niet gecoiffeerd hebben, dat wij ons Prinsje wat veel gefêteerd
+hebben."
+
+"De Raadpensionaris is er de man niet naar, om zich daarvoor absent
+te houden," bracht Van Limborch in het midden. "Hij weet zeer goed,
+dat de _Hofbuurt_ verscheidene leden telt, die der Staatspartij
+zijn toegedaan."
+
+"Meer toch nog den Prins," hernam Hondius. "Bij de meesten is het
+nog Oranjeboven."
+
+"Ieder, die het wel met den Lande meent, zal respect hebben voor
+den Oranjestam," hervatte Limborch. "Maar niemand, welke partij hij
+ook zij toegedaan, zal den Raadpensionaris minachten, wiens mérite
+grooter is dan die van eenig man in de Republiek."
+
+"En dan die oorlog met Engeland?" vraagde Hondius.
+
+"Daar heeft toch zijne Edelheid de Raadpensionaris in trouwe geen
+schuld aan," antwoordde Limborch.
+
+"Geen politiek op ons buurtmaal, heeren!" maande een ander hoofdman,
+Lintelo van der Ehse aan. "Gij weet zeer goed, dat die onder goede
+buren niet te pas komt, vooral niet bij een gelegenheid, welke dient
+tot verbroedering."
+
+"Gij hebt volkomen gelijk," verzekerde de deken. "Doch ik hoor het
+rollen eener karos. Het zal Zijne Hoogheid zijn.--Wij zullen komen,"
+vervolgde hij tot den buurtknecht, die kwam zeggen, dat de koetsen
+van Zijne Hoogheid in het gezicht waren. En terstond begaf hij zich
+met de vier hoofdlieden naar beneden, om den Prins te ontvangen. De
+burgers en hunne dames stelden zich intusschen in een dubbele rij,
+die van de deur tot de zitplaats van den Prins liep, en het duurde
+niet lang, of de hooge personage kwam met zijn gevolg binnen. Het
+was nog altijd dezelfde bleeke, ziekelijke knaap, en het scheen,
+dat hij nu nog bleeker zag in dat roode fluweelen wambuis, waarover
+een mantel van dezelfde kleur en stoffage was geslagen, met gouden
+galons geboord, en welken hij, zoodra hij de zaal binnentrad, aan
+zijn kamerdienaar Karel overreikte. Sterk stak de witte satijnen
+broek, boven de kuiten met rood satijnen strikken vastgeknoopt,
+daarbij af; terwijl de rooskleurige zijden kousen en hooggehakte met
+roode strikken voorziene schoenen zijn toilet voltooiden. Achter hem
+kwamen Zuijlestein, Heenvliet, Boreel, Buat en Bromley. Vriendelijk
+groette de Prins naar beide zijden, terwijl hij zich naar den hoogen
+met groen laken bekleeden leuningstoel begaf, die aan de rechterhand
+van den President voor hem was gereed gezet. Zoodra hij was gezeten,
+namen ook de andere gasten plaats zonder onderscheid van rang of stand;
+want, behalve de plaats van den President of Deken, bestond er geene
+vooraanzitting hoegenaamd.
+
+Wij stappen over het eerste gedeelte van den maaltijd heen, en zien
+intusschen de tribune boven de deur zich vullen met muzikanten,
+die onder het dessert eenige stukken zullen spelen en na den afloop
+den danslustigen gelegenheid geven tot het uitvoeren der vroolijke
+"sarabandes" of der sierlijke "courantes", dansen, uit het danslustige
+_Frankrijk_ overgebracht en toen algemeen in zwang.
+
+Toen het eerste gedeelte van den maaltijd was afgeloopen, verlieten
+de gasten de zaal, om den bedienden gelegenheid te geven de tafel
+voor het dessert in orde te brengen, om zich eens te verluchten
+en eenige oogenblikken te laten tusschen het eerste en het tweede
+gedeelte van den maaltijd. Reeds van den tijd der Graven toch was
+het bij onze voorouders de gewoonte, den maaltijd met een dessert te
+besluiten. De mannen namen weder hunne pijpen ter hand en stopten die
+uit de looden "toebackspotten"; na 1679 gebruikten de dames dan hare
+"vrouwtjestoeback, geseyd thee" en na 1693 hare "caffée" of koffie.
+
+Nauwelijks waren de pijpen opgestoken, of de mannen verzamelden
+zich, naar het voorbeeld der vrouwen, in kleine troepen, en de
+Prins zag zich omringd van verscheidene heethoofden zijner partij:
+Sickinga van Warfsum, Cimon van Middelgeest, Henricus Hondius en
+anderen. Zij trachtten den Prins in een politiek gesprek te mengen;
+maar deze, wel bemerkende welken weg zij op wilden, was begonnen te
+spreken over de heerlijke oesters, die hij had gegeten, en over de
+jachthonden, die hij op het _Huis ten Bosch_ had en van welke hij
+een menigte anekdoten wist mede te deelen. Intusschen waren de deken
+en de hoofdlieden bezig met het opnemen der stemmen voor een nieuwen
+deken, in plaats van den Advocaat Moleschot, waarvan de uitslag vóór
+het dessert aan de buurtvergadering zou worden kenbaar gemaakt.
+
+Zoodra de gasten weder waren gezeten, stond de Advocaat Moleschot op
+en deelde aan de vergadering mede, dat Zijne Hoogheid Prins Willem
+Hendrik met algemeene stemmen tot President of deken was benoemd.
+
+"Ik twijfel er geenszins aan," vervolgde de deken, terwijl hij zich
+tot den Prins wendde, "of Uwe Hoogheid zal zich die benoeming laten
+welgevallen en haar beschouwen als een blijk van de innige affectie
+der _Hofbuurt_ tot het Doorluchtige huis, waarvan Uwe Hoogheid de
+afstammeling is."
+
+"Ik ben gevoelig, mijnheer Moleschot," antwoordde de Prins, terwijl
+hij van zijn zetel oprees, "ik ben gevoelig voor de eer, mij door
+mijne geaffectioneerde vrienden van de _Hofbuurt_ bewezen, en ik zie
+geene oorzake om niet aan de roeping te beantwoorden, die tot mij
+komt door uwen mond. Ik neem dus de benoeming aan."
+
+Een algemeen gejuich volgde op deze woorden.
+
+"Ik ben u dankbaar voor uwe goede affectie te mijwaarts, goede
+vrienden," hernam de Prins, "en, daar wij het privilegie hebben, een
+stadhouder [31] te benoemen, zoo installeer ik als zoodanig onzen
+geëstimeerden vriend, den Advocaat Moleschot, dien ik verzoek, ook
+voor hedenavond mijne plaats te vervullen."
+
+Deze rede werd weder gevolgd door toejuiching.
+
+Daarop nam Moleschot het woord.
+
+"Ik mag de eer dezer benoeming niet weigeren," zeide hij, "en begin,
+met u allen te inviteeren, uwe glazen te vullen, en te drinken:
+de prosperiteit van onzen nieuwen President!"
+
+Alle aanwezigen stonden op en dronken op Zijne Hoogheid, met den
+uitroep: "Leve de Prins van Oranje!" Te gelijker tijd hoorde men aan
+eene zijde der tafel het deuntje aanheffen:
+
+
+ "Al is ons Prinsje nog zoo klein,
+ Alével zal hij stadhouder zijn."
+
+
+waarop de gezichten van hen, die ter Staatspartij waren toegedaan,
+betrokken.
+
+De prins intusschen wenkte met de hand.
+
+"Goede vrienden," zeide hij. "Ik dank U voor uwe singuliere
+affectie. Wat echter die bijzondere uiting uwer sentimenten betreft,
+gij vergeet, dat wij hier als goede buurtvrienden bijeen zijn. Ook
+kunt gij het niet meenen, dat gij liever een vijftienjarigen knaap aan
+het roer van den Staat zoudt zien, dan den waardigen en bekwamen man,
+die al zijne krachten wijdt aan de prosperiteit van het Vaderland. Ik
+verzoek U dus, als President, uwe glazen nogmaals te vullen en die
+met mij te ledigen op het heil van Mijnheer de Witt."
+
+"Goed gedaan, Willem," fluisterde Zuijlenstein den Prins in het oor,
+terwijl niemand der aanwezigen durfde nalaten, den dronk met geestdrift
+te beantwoorden.
+
+"En ik drink op de nobele sentimenten van onzen President!" riep Van
+Limborch uit, en ook deze dronk verwekte algemeene goedkeuring.
+
+Reeds vroeg in den avond vertrok de Prins, daartoe als reden opgevende
+zijne zwakke gezondheid. Met hem vertrokken ook Zuijlestein, Boreel,
+Heenvliet en Buat, terwijl onze lustige burgers nog uren lang bij
+elkander bleven en zich met verschillende spelen onledig hielden. Of
+zij ook kaart speelden, durf ik u niet verzekeren; wel zijn kaartspelen
+in andere buurten reeds in 1658 in rekening gebracht; in de _Hofbuurt_
+echter komen zij eerst in 1712 voor. Den volgenden dag liet de Prins
+zich voor den maaltijd verschoonen: hij lag met zware hoofdpijn te bed.
+
+Toch had hij zich nog dien morgen naar het huis van den Raadpensionaris
+begeven, ten einde naar diens gezondheid te vernemen. Hij trof Johan
+de Witt geheel gekleed.
+
+Toen de Prins binnentrad, was de Raadpensionaris niet alleen in het
+vertrek. Een man, wiens kleeding zijn hoogen stand verried, doch wiens
+gelaat goedhartigheid en eenvoudige rondheid aanduidde, was bij zijne
+intrede opgestaan van den stoel, waarop hij gezeten had. Terwijl De
+Witt den Prins een stoel aanbood, wees hij met de vlakke hand naar
+dien persoon, en zeide met al de hoffelijkheid, hem eigen:
+
+"Ik heb de eer, Uwer Hoogheid hier onzen veelbeminden en
+hooggerevereerden vriend, den Luitenant-admiraal Michiel Adriaanszoon
+de Ruyter [32] voor te stellen."
+
+"Ha, Mijnheer de Ruyter," zeide de Prins, terwijl hij den ronden
+Zeeuw de magere hand reikte, die deze met warmte aangreep. "Het is
+mij een singulier genoegen, Uwe Edelheid te rencontreeren. Ik durfde
+dat niet verwachten."
+
+"Uwe Hoogheid is wel goed, dat Zij zulke goede gedachten van mijn
+persoon heeft," antwoordde de Luitenant-admiraal bescheiden.
+
+"Uwe Edelheid zal dan toch eindelijk eens rust nemen," hervatte de
+Prins. "Nu, gij moogt die ook wel hebben. Met u is het wel: wie goed
+dient, dient nooit genoeg."
+
+"Waar de Heeren Staten of het Vaderland mij roepen," hernam De Ruyter,
+"moet devoir boven gemak gaan. Zoolang God mij het leven behoudt,
+hoop ik den lande nuttig te zijn."
+
+"Braaf gesproken," hervatte de Prins. "O, mijnheer De Ruyter," voegde
+hij er met een nauw merkbaren zucht bij, "men moet zich wel gelukkig
+gevoelen, als men zoo nuttig kan zijn als gij. Maar," vervolgde hij,
+zich tot den Raadpensionaris wendende, "ik zou zoodoende de oorzake
+mijner komst vergeten. Mijnheer De Witt! wij misten Uwe Edelheid
+gisteren op het buurtmaal. Men zeide mij, dat gij geïndisponeerd
+waart. Intusschen reken ik mij gelukkig te zien, dat Uwe Edelheid
+weder geheel gekleed is. Waarschijnlijk is dus de indispositie geheel
+en al geweken."
+
+"Uwe Hoogheid is wel goed," antwoordde de Raadpensionaris, "zooveel
+attentie voor mijn persoon te toonen, en ik acht mij gelukkig, haar
+te kunnen verzekeren, dat de kleine indispositie weder geheel en al
+voorbij is. Ik stond juist op het punt, om naar het Binnenhof te gaan."
+
+"Al weder aan de besognes, mijnheer de Raadpensionaris," zeide de
+Prins. "Uwe Edelheid doet te veel. Zij zal zich nog in den grond
+werken."
+
+"Geen nood," hervatte De Witt glimlachend. "Ik heb een ijzersterk
+gestel."
+
+"Gelukkig, wie dat heeft," zuchtte de Prins, hoestend. "Ik zou wel
+wenschen in uwe plaats te zijn."
+
+"Hoe meent Uwe Hoogheid dat?" vraagde De Witt min of meer scherp.
+
+"Dat ik het gestel van Uwe Edelheid hadde, en dat de arbeid mij niet
+zoo fatigueerde."
+
+"En heeft Uwe Hoogheid zich gisteravond nog al geamuseerd?" vraagde
+de Raadpensionaris.
+
+"Voor zooverre iemand, die altijd met hoofdpijn en hoest geplaagd is,
+zich amuseeren kan. Onze vrienden van de _Hofbuurt_ hebben mij wel
+tot hunnen President gelieven te benoemen."
+
+"Dat weet ik," hervatte De Witt. "En ik ben Uwer Hoogheid grooten
+dank verschuldigd voor den dronk, dien Zij op mijn welzijn heeft
+willen instellen."
+
+"Uwe Edelheid weet dus reeds...."
+
+"Ik weet," hernam De Witt met nadruk, "dat Uwe Hoogheid verstandiger
+is dan de leden Harer partij, die gaarne ons arm land tot een tooneel
+van volkstumult en burgeroorlog zouden willen maken. Geloof mij,
+Prins! zij zijn Uwe ware vrienden niet."
+
+"Ik zal Uwe Edelheid niet langer ophouden," zeide de Prins. "Haar
+tijd is te kostbaar. Mag ik U een plaats in mijn karos aanbieden?"
+
+"Volgaarne, ofschoon het mijn gewoonte niet is om naar mijn bureau te
+rijden. Men mag echter wel zien, hoezeer Johan de Witt de vriend is van
+den Prins van _Oranje_.--Tot van middag, mijnheer De Ruyter," vervolgde
+hij tot den Luitenant-admiraal. "Uwe Edelheid zal mij wel excuseeren."
+
+"Waar de besognes en het interest van het Land uwe tegenwoordigheid
+vereischen, mijnheer de Raadpensionaris," gaf De Ruyter ten antwoord,
+"heeft niemand recht U op te houden. Dus tot van middag."
+
+"Adieu, mijnheer De Ruyter," zeide de Prins, terwijl hij den
+Luitenant-admiraal vriendelijk groette. "Ik hoop de eer te genieten,
+een bezoek van U te ontvangen."
+
+"Uwe Hoogheid heeft vóór het dessert een langdurig gesprek gehad
+met den Heer Sickinga," begon De Witt weder, toen zij in de karos
+zaten. "Heeft die U ook iets medegedeeld ten aanzien van de zaken
+in _Friesland_?"
+
+"In trouwe, wij hebben het zeer druk gehad," antwoordde de Prins. "De
+Heer Sickinga beviel mij buitengemeen. Ik had hem vroeger nooit
+ontmoet."
+
+"En hij vertelde U....?" zeide De Witt, terwijl hij den Prins met
+zijnen uitvorschenden en doorborenden blik aanzag.
+
+"O, mijnheer de Raadpensionaris," gaf de Prins op onnoozelen toon
+ten antwoord, "hij vertelde mij zulke aardige stukken van zijne
+jachthonden.... Doch hier zijn wij er. Ik rijd door naar het _Huis
+ten Bosch_, om eens naar de mijne te zien. Uw dienaar, mijnheer de
+Raadpensionaris!"
+
+De Witt steeg uit de karos en werd vervangen door den Heer van
+Zuijlestein, die naar het _Huis ten Bosch_ zou mederijden.
+
+"Niet te doorgronden, een raadsel is die knaap, ook voor mij!" bromde
+de Raadpensionaris tusschen de tanden. "Intusschen--hij is nu reeds in
+zijn zestiende jaar, en 't zal niet lang meer duren, of hij kan mij
+gevaarlijk worden. Daar is maar één middel om dat te verhoeden. Hij
+moet worden onttrokken aan de infidentie zijner partij en vooral aan
+die van de Engelschen. En dát vóór hij mij boven het hoofd wast. Wij
+zullen daar eens rijpelijk en ernstig over denken."
+
+Met deze woorden trad hij de deur van zijn kabinet binnen, om opnieuw
+aan zijne vele besognes te gaan, en--aan zeven secretarissen tegelijk,
+zeven verschillende brieven te dicteeren.
+
+
+
+
+TWAALFDE HOOFDSTUK.
+
+Hoe Johan de Witt zijn plan volvoerde.
+
+
+Wij slaan een tijdvak van ruim vier maanden over en begeven ons op
+den 2den April 1666 nogmaals naar het vertrek van den Prins op het
+_Binnenhof_, waar wij hem reeds eenmaal [33] hebben aangetroffen. Ik
+behoef mijnen lezers niet te zeggen, dat er op de vuurplaat onder den
+hoogen schoorsteen een fiksch vuur van turf en hout was aangelegd, en
+dat Zijne Hoogheid in den grooten leunstoel daarbij zat. Bij den haard
+zaten tevens Zuijlestein en de hofmeester Boreel. Op het oogenblik
+waarvan wij spreken, diende de kamerdienaar den Heer Van Heenvliet,
+den vader van 's Prinsen stalmeester en een hevig voorstander der
+Oranjepartij, aan, die werd binnengelaten en door den Prins verzocht,
+zich bij den haard te schikken.
+
+"Ik had reeds vroeger bij Uwe Hoogheid willen komen, om naar Hare
+gezondheid te vernemen," begon de grijsaard. "Ik vond het echter
+geraden, te wachten tot Uwe Hoogheid zich van de vermoeienissen der
+reis hersteld had."
+
+"Ik dank U zeer, mijnheer Van Heenvliet," antwoordde de Prins, "voor
+Uwe attentie, en ik durf u verzekeren, dat mijne reis mij zeer goed
+bekomen is en niet anders dan aangename impressies kan nalaten."
+
+"Men heeft U te _Amsterdam_ luisterrijk ontvangen, naar ik hoor,"
+hernam Heenvliet.
+
+"Ik zal _Amsterdam_ roemen," gaf de Prins ten antwoord. "De vroedschap
+heeft een groot festijn te mijner eere aangericht."
+
+"En het volk, hoor ik, heeft luide geroepen om Uwer Hoogheids
+bevordering, en U zelfs met veel gejuich uitgeleide gedaan," ging
+Heenvliet voort.
+
+"Zoo, mijnheer Van Heenvliet," antwoordde de Prins, met het onnoozelste
+gezicht ter wereld. "Ik kon niet recht verstaan wat zij riepen. Maar
+de maaltijd was overheerlijk. Inderdaad ik wist niet, dat zij in de
+grootste koopstad van het land zulke uitmuntende koks hadden. Ik
+dacht altijd, dat die goede Amsterdamsche kooplieden zich slechts
+bezighielden met hun handel."
+
+"En met de staatkunde," voegde Heenvliet er stekelig bij. "En hoe
+heeft Uwe Hoogheid het te _Rotterdam_ gehad?"
+
+"Daar ben ik door den burgemeester Ewout van der Horst vorstelijk
+onthaald. Een uitmuntend mensch, die Van der Horst."
+
+"Ik ken hem. Hij is een trouw aanhanger uwer zaak."
+
+"Dat heb ik gemerkt," antwoordde de Prins weder heel onnoozel,
+"want dat maal heeft hem nog al wat gekost. Er waren heerlijke
+oesterpartijen."
+
+"Ook daar zijt gij door het volk met veel gejuich begroet."
+
+"O, ja, de Rotterdamsche menschen schijnen heel vriendelijk te
+zijn. Toch zou ik niet graag hier in _Den Haag_ altijd zooveel volk
+om mijn karos zien."
+
+"Geen wonder, Uwe Hoogheid," gaf Heenvliet ten antwoord. "Maar het
+volk hier ziet Uwe Hoogheid dagelijks. Daarom is het toch evenzeer
+Uwe partij toegedaan en wenscht niet minder Uwe bevordering. Ook
+hooggeplaatste personen verlangen die. Zelfs uw oom, de Keurvorst
+van _Brandenburg_, heeft U aan de Staten-Generaal tot de hooge
+krijgsambten aanbevolen."
+
+"En de Heeren Staten hebben daarop geantwoord, dat de Keurvorst zich
+liever met zijne eigene zaken moest bemoeien en zich niet in die van
+anderen moest steken."
+
+"En dan," merkte Zuijlestein aan. "En dan, om te bewijzen, hoe weinig
+zij om den Keurvorst geven, hebben zij den Prins van _Tarente_
+tot overste der ruiterij, den Heer Van Noordwijk tot overste van
+het geschut, den graaf Van Hoorne tot sergeant-majoor en den Heer
+Pain-et-vin tot luitenant-kolonel gemaakt."
+
+"Daar heeft _Zeeland_ dan ook dapper tegen geijverd," hernam Heenvliet.
+
+"En wat heeft het _Zeeland_ geholpen?" vraagde Zuijlestein. "Het
+antwoord, dat _Holland_ gegeven heeft, bewijst genoegzaam zijn onwil."
+
+"Omdat _Holland_ mij niet wil bevorderen, alvorens ik den ouderdom
+van achttien jaren zal bereikt hebben," zeide de Prins op scherpen
+toon. "Zij hebben gelijk, de Heeren Staten," vervolgde hij schijnbaar
+luchthartig. "Wat zou een knaap als ik, ziekelijk en tenger, in het
+krijgswezen doen?"
+
+"En dan uwe voorouders Prins!" riep Heenvliet uit. "Heeft men hun
+ooit de hun toekomende ambten onthouden? Maar Uwe Hoogheid zelf moet
+zich laten kennen, en een oproeping...."
+
+"Vergeef mij, mijnheer Van Heenvliet, dat ik U verzoeken moet, zulke
+taal niet in mijne presentie te voeren. Mijne vrienden mogen voor mij
+doen wat zij willen--ik _wil_ van hunne handelingen niets weten. Ik
+verlang geen promotie dan langs den rechtmatigen weg. Maar, zeg mij,
+hebt gij sinds gisteren uw zoon ook gesproken?"
+
+"Ik zag hem sedert drie dagen niet, Uwe Hoogheid," antwoordde
+Heenvliet. "Had hij mij wat belangrijks mede te deelen?"
+
+"Zeker. Gij moet weten, mijnheer Van Heenvliet, dat ik een paar
+dagen geleden twee schoone Friesche paarden heb aangekocht. Het
+zijn prachtige beesten. Gij moet ze eens zien.--Gij zijt immers ook
+een kenner?"
+
+De Heer Van Heenvliet zuchtte; hij kon niet begrijpen, hoe de Prins
+op dat oogenblik over paarden kon spreken, en wilde juist antwoorden,
+toen de ritmeester Buat de kamer binnentrad, zich tot den Prins wendde,
+en met een geheimzinnig gelaat en op half fluisterenden toon zeide:
+
+"Weet Uwe Hoogheid reeds, dat de Raadpensionaris dezen morgen op het
+Hof van _Brandwijk_ [34] is geweest en een langdurige conferentie
+heeft gehad met Mevrouw de Prinses-weduwe?"
+
+"Met de Prinses-weduwe!" riepen de drie Heeren, die bij het vuur zaten,
+te gelijk.
+
+"Zooals ik u zeide," antwoordde de ritmeester. "En wat meer is,
+alvorens naar de vergadering der Staten te gaan, is Zijne Edelheid
+nogmaals aan het Hof van _Brandwijk_ aangereden, en heeft ruim een
+kwartier bij Hare Hoogheid doorgebracht."
+
+"En nu twijfelde Uwe Hoogheid nog aan Hare promotie!" riep Heenvliet
+uit. "Begrijpt Zij dan niet, dat de Raadpensionaris niet langer durft
+weerstand bieden aan den aandrang Harer vrienden, die hoe langer hoe
+luider wordt?"
+
+"De Heer De Witt zal wel moeten toegeven," zeide Boreel, die tot nog
+toe gezwegen had. "Als Zijne Hoogheid maar eerst Generaal der ruiterij
+is, zal Zij wel spoedig Veldmaarschalk zijn."
+
+"En dan"--hervatte Heenvliet triomfeerend. "Dan zal de Raadpensionaris
+spoedig vallen en dan--dan maken wij vrede met _Engeland_.... en...."
+
+"Maar gij hebt mij nog niet gezegd, mijnheer Van Heenvliet, wanneer
+gij mijn Friesche paarden zoudt komen zien," hernam de Prins bedaard.
+
+"Als het Uwe Hoogheid schikte, morgen om elf uur," antwoordde de
+Heer Van Heenvliet, terwijl hij zijn prachtig gouden met diamanten
+bezette horloge uit den zak haalde. "Maar Uwe Hoogheid zal mij thans
+excuseeren, dat ik Haar quitteer. Ik heb nog dringende zaken te doen."
+
+"Ik dank U voor uw bezoek, mijnheer Van Heenvliet," zeide de
+Prins. "Vergeet vooral niet, morgen om elf uur, mijne paarden te
+komen zien. Ik zal zorgen ook in den stal te zijn. Denk er aan,
+dat ik hoogen prijs stel op uw opinie."
+
+De Heer Van Heenvliet boog en verliet het vertrek.
+
+"Hij moet zeker naar de "Oude Zwaen," dat hij zoo'n haast maakt,"
+zeide Boreel glimlachend. "Daar zal hem wel de een of andere vriend
+met het verkeerbord wachten."
+
+"Zoudt gij het denken?" vraagde de Prins.
+
+"Voorzeker, Uwe Hoogheid," zeide Buat. "De Heer Van Heenvliet is een
+der trouwste bezoekers van de "Oude Zwaen." Men kan hem daar alle
+dagen vinden."
+
+"Ziedaar het voorrecht van hen, die in het _Noordeinde_ wonen,"
+zeide de Prins. "Zij bespieden niet alleen de gangen van de personen,
+die op het Hof van _Brandwijk_ komen, maar weten ook, wie de "Oude
+Zwaen" bezoeken."
+
+"Met uw verlof, Uwe Hoogheid," hernam Boreel. "Onze goede vriend
+Buat is zelf een trouw bezoeker van genoemde herberg. Zeker heeft
+hij Heenvliet daar dikwerf ontmoet."
+
+"En wat zegt gij van dat herhaalde bezoek bij hare Hoogheid, de
+Prinses-weduwe?" vraagde Zuijlestein.
+
+"Wat zal ik er van zeggen, Zuijlestein," antwoordde de Prins. "Wat
+de Heer De Witt voor mij gedaan heeft, is zelden tot mijn voordeel
+geweest. Ik durf mij nog niet vleien."
+
+"De Raadpensionaris is voorzichtig," merkte Boreel aan. "Hij zal
+begrijpen, dat het tijd is, voor de noodzakelijkheid te bukken."
+
+"Het zou zeker een verstandige trek van hem zijn," hervatte Buat. "En
+mocht Uwe Hoogheid een aanstelling erlangen, dan beveel ik mij in
+Hare gunst aan, om door hare voorspraak bevorderd te worden en weder
+in actieven dienst [35] te treden."
+
+"Beste Buat," zeide de Prins. "Laat ons toch de huid niet verkoopen,
+alvorens de beer geschoten is."
+
+Zoudt gij niet denken, mijne lezers, dat de Prins zeer onverschillig
+was omtrent zijne bevordering?--En toch--wanneer gij in dat hart
+hadt kunnen lezen, dat vol scheen van maaltijden en paarden en
+onvatbaar voor elke opwekking tot iets groots, dan hadt gij daar
+meer eerzucht in gezien, dan zelfs Heenvliet misschien wel zou
+gewenscht hebben,--een eerzucht die zich niet alleen uitstrekte
+tot het kapitein-generaalschap, maar ook tot het stadhouderschap,
+hetwelk zijne vaderen met zooveel lof bekleed hadden.
+
+Wij willen het viertal niet verder in hunne gesprekken volgen, en
+keeren omtrent twee uren later in het vertrek van den Prins terug,
+waar wij hen allen, behalve Boreel, terugvinden. Op het oogenblik,
+waarvan ik spreek, dient de kamerdienaar den Raadpensionaris aan.
+
+"Goede tijding, Willem!" fluisterde Zuijlestein, terwijl hij den
+Prins de hand reikte. "Ik wensch u geluk met uwe benoeming."
+
+"Ik ben verheugd, dat ik een der eersten zal zijn, die de goede
+tijding verneem," zeide Buat.
+
+Op dit oogenblik kwam de Raadpensionaris het vertrek binnen. De
+prins stond op en ging hem te gemoet. Beiden plaatsten zich tegenover
+elkander op de stoelen, door Zuijlestein en Buat nedergezet.
+
+"Ik heb mij gehaast," begon de Raadpensionaris, "U zelf het eerst
+de heuglijke tijding mede te deelen van de favorabele resolutie,
+welke de Heeren Staten wel hebben gelieven te nemen ten aanzien van
+het verzoek van Uwer Hoogheids grootmoeder, de Prinses-weduwe."
+
+'s Prinsen gelaat klaarde op: hij voelde een zenuwachtige trilling
+door zijn geheele lichaam. De beide Heeren bleven in gespannen aandacht
+bij den schoorsteen staan.
+
+"Een verzoek van mijne geachte grootmoeder," zeide de Prins. "Wat
+hield dat verzoek in, als ik vragen mag?"
+
+De Raadpensionaris haalde eenige toegevouwen papieren uit zijn zak,
+legde die op de tafel neder en nam er beurtelings een van op.
+
+"Hare Hoogheid de Prinses-weduwe heeft op heden, den tweeden van
+Grasmaand, aan mijne Souvereinen, de Edel-Groot-Mogende Heeren Staten
+over _Holland_ en _West-Friesland_, het verzoek herhaald, reeds in
+1660 door Hare Hoogheid en door wijlen Uwe moeder Mevrouw de Prinsesse
+Royaal gedaan, dat Uwer Hoogheid het geluk mocht te beurt vallen, onder
+staatsdirectie en conduite [36] te mogen verkrijgen die onderwijzing,
+door welke zij de rechten en de maximen [37] dezer Republiek grondig
+zou leeren begrijpen en erkennen en daardoor bekwaam mocht gemaakt
+worden, om ten eenigen tijde, des noodig, den Staat te dienen."
+
+Terwijl De Witt deze woorden uitte, was de Prins beurtelings rood en
+bleek geworden. Om zich niet te verraden, had hij den zakdoek voor
+den mond gehouden en worstelde thans met een hevige hoestbui.
+
+"En heeft mijne grootmoeder _dat_ verzoek herhaald?" vraagde hij met
+een van aandoening trillende stem aan De Witt.
+
+"Wie anders dan zij?" vraagde De Witt, terwijl geen spier in zijn
+gelaat de vreugd deed blijken, die er in zijn hart huisvestte. Ook
+de Prins had zich hersteld; want met kalmte wendde hij zich tot Buat
+en zeide:
+
+"Wees zoo goed, te zorgen, dat mijn karos straks voorkome. Ik moet
+naar het _Noordeinde_ om Harer Hoogheid mijnen dank te betuigen."
+
+"Voorzeker," antwoordde De Witt. "Maar niet minder dankbaar zal
+Uwe Hoogheid aan mijne Souvereinen, de Heeren Staten, zijn voor de
+goedgunstige wijze, waarop zij dat verzoek hebben opgenomen [38]. Hunne
+Edel-Groot-Mogenden hebben tot geautoriseerden en gecommitteerden tot
+Uwer Hoogheids opvoeding benoemd de Heeren: Wichold van der Does,
+uit de Ridderschap, Adriaan van Blijenburg, Heer van _Naaldwijk_,
+Oud-burgemeester en Raad van de stad _Dordrecht_, Gillis Valkenier,
+Burgemeester en Raad van _Amsterdam_, Nanning Foreest, Raad en Meester
+van de rekenkamer der domeinen en Raad en Vroedschap te _Alkmaar_
+en--mijn persoon...."
+
+"Ook Uwe Edelheid?" hernam de Prins op een toon, die weinig twijfel
+liet aan den onaangenamen indruk, welken deze tijding op hem maakte.
+
+"Ook mij. Is dat Uwer Hoogheid ongevallig?"
+
+"Integendeel. De lijst dier onbekende Heeren was mij onaangenaam. Uwe
+Edelheid ken ik."
+
+"En Hunne Edel-Groot-Mogenden hebben mij specialen last en bevel
+gegeven om bij alle fortable [39] middelen onder Gods genadigen zegen
+voornamelijk te behartigen en zorg te helpen dragen, dat Uwe Hoogheid
+wel en grondig moge worden geïnstrueerd in de ware Christelijke
+gereformeerde religie, mitsgaders in de goede en heilzame rechten,
+privilegiën en maximen van dezen staat."
+
+Hier hield De Witt op. Ook de Prins zweeg. Eindelijk vatte deze het
+woord, en zeide:
+
+"Alzoo hebben de Heeren Staten van _Holland_ mij, op vijftienjarigen
+leeftijd, gemaakt tot...."
+
+"Tot kind van den Staat," voleindigde De Witt, die wel zag, dat de
+Prins niet bij machte was het woord te uiten.
+
+"Ik verzoek u, mijnheer de Raadpensionaris," zeide de Prins kalm,
+maar met fonkelende oogen, "Hunnen Edel-Groot-Mogenden mijn dank te
+brengen voor hunne goedheid, en hun te verzekeren, dat ik alle pogingen
+zal aanwenden, om mij die goedheid zooveel mogelijk waardig te maken."
+
+"Zulke gevoelens vereeren den afstammeling van den grooten Zwijger,"
+zeide De Witt. "Men moet leeren zich in de omstandigheden te
+schikken, en Uwe Hoogheid mag zich gelukkig rekenen, dat Hunne
+Edel-Groot-Mogenden geen gehoor hebben gegeven aan de stem van
+een partij, die, als men naar haar hoorde, het Land zou ten onder
+brengen. Intusschen heb ik hier nog een derde resolutie van de
+Heeren Staten."
+
+"Betreffende deze zaak?" vraagde de Prins, die hoop voedde, dat
+misschien bij het verklaren tot "kind van den Staat" een benoeming
+gevoegd was.
+
+"Juist, betreffende deze zaak. Hunne Edel-Groot-Mogenden hebben terecht
+begrepen, dat Uwe Hoogheid geheel aan den invloed van onze vijanden,
+de Engelschen, moet worden onttrokken, en dus geresolveerd, dat Uwe
+geheele hofhouding zal worden veranderd."
+
+"Hoe, mijnheer De Witt!" riep de Prins uit, een oogenblik zijne
+bedaardheid verliezende. "Mijne trouwe vrienden en mijne oude bedienden
+zoo maar aan den dijk te zetten!"
+
+"Verontrust u over hen niet. Zij zullen, indien zij er slechts om
+vragen, met andere posten worden begiftigd. Mijnheer Van Zuijlestein,"
+ging De Witt voort, zich tot dezen wendende, "de Heeren Staten zullen
+u vijf jaren lang een wedde van vierduizend gulden uitkeeren."
+
+"Maar ik zal mijn pupil niet verlaten, mijnheer de Raadpensionaris,"
+zeide deze driftig. "De Heeren Staten hebben er zeker niet aangedacht,
+dat ik mijne aanstelling heb van de Prinses-weduwe."
+
+"En Uwe Edelheid vergeet, dat hare Hoogheid hare rechten als voogdes
+op de Heeren Staten heeft overgedragen. Gij zult _wel_ vertrekken,
+mijnheer Van Zuijlestein."
+
+"Maar, mijnheer De Witt!" zeide de Prins smeekend. "De Staten zullen
+mij toch wel niet van _al_ mijne vrienden willen berooven. Ik smeek
+het u: laat mij slechts Zuijlestein, Boreel en Buat."
+
+"Dat is onmogelijk," hernam De Witt.--"De Heer Van Zuijlestein
+zal worden vervangen door den Heer Van Gendt, gecommitteerde van
+_Gelderland_."
+
+"Ik zal mij per request tot de Heeren Staten wenden, om slechts die
+drie te behouden," hernam de Prins.
+
+"'t Zal Uwe Hoogheid weinig baten," hervatte De Witt. "Intusschen,
+Uwe Hoogheid kan het beproeven. En thans wachten mij mijne
+bezigheden. Misschien vindt Uwe Hoogheid mij nog wel bij Hare Hoogheid
+de Prinses-weduwe, wanneer Gij haar Uwen dank komt betuigen."
+
+En met deze woorden nam de Raadpensionaris afscheid. Nauwelijks was
+hij vertrokken, of de Prins barstte in tranen uit.
+
+"Groote God!" riep hij uit. "_Ik_ kind van den Staat! _Ik_ de
+ondergeschikte van De Witt!--Zuijlestein! mijn oom, mijn eenige
+vriend! Gij van mij weg!--Maar!" hernam hij opstaande en met plechtigen
+ernst de vuist ballende: "wacht maar, Heeren Staten! Wacht maar! Daar
+zal misschien nog eens een tijd komen, dat het _Kind van den Staat_
+u allen tot _kinderen van den Prince van Oranje_ maakt [40]."
+
+Zoo had De Witt de luisterrijkste overwinning behaald, die hij ooit in
+zijne staatkundige loopbaan heeft mogen behalen: op hetzelfde oogenblik
+dat zijne vijanden meenden, dat hij vallen zou, plaatste hij zich
+vaster dan ooit in den zetel des bestuurs. De arme Prins echter werd,
+op hetzelfde oogenblik dat hij hoopte werkzaam te zijn ten dienste van
+den Staat, geheel en al een werktuig van De Witt en toch was deze tijd
+van verdrukking onder den Goddelijken zegen nuttig voor hem en deed
+in hem vermogens en krachten rijpen, die nimmer in hem zouden zijn
+ontwikkeld, als hij reeds op vijftienjarigen leeftijd was bevorderd
+tot eene betrekking, waartoe hij nog niet in staat was geweest.
+
+Wij verlaten nu _Den Haag_, en begeven ons een maand later, in de helft
+der maand Mei, naar de vloot van De Ruyter, die bij _Texel_ lag. 't
+Was een schoon gezicht, die vijf en tachtig oorlogsschepen daar zoo
+rustig te zien liggen met hunne hooge kampanjes, wier glasruiten in de
+zon schitterden, en wier van lof- en snijwerk voorziene borstweringen
+en lantaarns zoo sierlijk afstaken bij de lompe, bruine bodems. 't Was
+een schoon gezicht, die tallooze masten met hun touwwerk en raas, met
+hunne uitgespannen zeilen en ontelbare vlaggen en wimpels, die vroolijk
+in de lucht fladderden en, door den oostenwind bewogen, schenen te
+wijzen naar de Engelsche kusten, waar de vijand van het vaderland
+hen verwachtte, om te beslissen wie de sterkste zou zijn. Ik wil u
+niet opnoemen, welke Admiraliteiten die schepen hadden laten bouwen,
+noch hoe de namen van al die vaartuigen waren;--ik ga liever met u
+naar het Luitenant-admiraalsschip van onzen onsterfelijken De Ruyter,
+waar wij alles in drukke bezigheid vinden. Ziet maar, hoe die vlugge
+matrozen in het want klimmen, alsof zij de zeilen wilden innemen; hoe
+zij dat echter niet doen, maar als koorddansers over de raas loopen en
+op de nokken blijven zitten; hoe de anderen daar op het dek en op de
+andere dekken bezig zijn de geschutpoorten te openen en de kanonnen
+te richten; kortom, hoe men alle mogelijke scheepsmanoeuvres maakt,
+als ware men in volle zee en in het gezicht van den vijand.
+
+Wanneer wij ons naar het roer begeven, dan vinden wij daar onzen ouden
+kennis, den stuurman Klaas weder, die met Pieter en Jonker Engel in
+gesprek is, terwijl zij hunne oogen onafgewend gevestigd houden op
+twee jachten, die niet ver van daar liggen en eene menigte groote
+Heeren en hooge personages aan boord hebben.
+
+"Ziet gij daar," zeide Pieter, "dien mageren, tengeren knaap, die
+zooveel pret schijnt te hebben in de vlugheid onzer matrozen, met die
+wapperende veer op zijn hoed en dien donkerblauwen fluweelen mantel,
+dien hij zoo dicht om zich heengeslagen heeft? Dat is Zijne Hoogheid."
+
+"Waar?" zeide Engel. "O, ik zie het al. Daar staat hij. Wie zou die
+Heer zijn, met wien hij zoo druk aan het spreken is en die hem schijnt
+te zeggen, wat het een en ander beteekent?"
+
+"Ik ken hem niet," antwoordde Pieter.
+
+"Dan zal het de Heer van Gendt zijn," zeide Engel, "die eerst sedert
+kort tot 's Prinsen goeverneur is benoemd. In _Amsterdam_ heb ik daar
+veel over hooren spreken. Zie, die daar met zijn zwart fluweelen mantel
+is de Heer Johan de Witt, de Raadpensionaris, die als gemachtigde
+der Heeren Staten het uitloopen der vloot zal bevorderen."
+
+"Zijne kleeding steekt nog al af bij die van al deze groote Heeren,"
+zeide Klaas Dirkz. "Ik geloof dat er jannen onder zijn. Maar daar
+wenden zij. Ha, zij komen aan ons boord. Daar lossen zij reeds de
+saluutschoten."
+
+En waarlijk praaiden de beide jachten "de Zeven Provinciën," waar de
+Luitenant-admiraal de Heeren in zijn statiekleeding ontving. Eerst
+kwam de Keurvorst van Brandenburg en toen de Prins van Oranje.
+
+"Behoedzaam, neefje!" zeide de eerste tot den Prins. "Doe bist hier
+nicht op das _Pinnenhof_ of op das hof von _Prandweich_, waar de
+treppen mit tapeeten bedekt zind. Het is hier noer eene sjeepstreppe."
+
+"Onze Luitenant-admiraal heeft toch voor een gemakkelijke trap
+gezorgd," antwoordde de Prins lachende, terwijl hij reeds den voet op
+het dek zette. "Aha! daar is Zijne Edelheid. Mijn hartelijken groet,
+Heer Luitenant-admiraal!"
+
+"Mijn welkomsgroet zij Uwer Hoogheid toegebracht," zeide de ronde
+Zeeuw, terwijl hij den hoed afnam.
+
+"Ik heb recht schik gehad in de vlugheid uwer matrozen," hernam de
+Prins. "Zij zijn goed geoefend."
+
+"Dat behoort ook zoo, Uwe Hoogheid," hernam De Ruyter, die den Prins
+over het dek naar de kampanje leidde, waar eenige ververschingen
+gereed stonden.
+
+Zij werden gevolgd door den Keurvorst van _Brandenburg_, door de
+Vorsten van _Holstein_ en _Anhalt_, door den Prins van Nassau, de
+graven van _Solms_, _Dhona_ en _Hoorne_, de Heeren Van Brederode en
+Van Gent en eene menigte andere aanzienlijke personages. Nadat men
+iets gebruikt had, leidde De Ruyter de gevolmachtigden en de Heeren
+het geheele schip rond, terwijl de Prins een kennis van de zeevaart
+aan den dag legde, die ieder verwonderde. Toen men weder aan de
+statietrap was gekomen, zeide De Ruyter:
+
+"Ik ben zeer gehonoreerd geweest, zoo vele notabele Heeren aan mijn
+boord en bij mijn geringen persoon te zien. Meer genoegen echter
+zou het mij doen en tot meer eer zou het mij strekken, als de Heeren
+mij op morgen het contentement wilden aandoen, om op mijn schip den
+maaltijd te gebruiken, ten minste als zij zich mijn zeemanskost willen
+laten smaken."
+
+"O, volgaarne! Wij nemen het aan!"
+
+Daarna gingen zij weder in de jachten, voeren de vloot rond, door
+al de schepen met saluutschoten verwelkomd en gingen nog aan boord
+van de Luitenant-admiralen Van Nes en Tromp. Op het laatste schip
+juichte het volk onophoudelijk "leve de Prins van _Oranje_!" en
+dat gejuich scheen aanstekelijk te zijn; want zoo lang de jachten
+door de vloot voeren, klonk het onophoudelijk: "leve de Prins van
+_Oranje_!" Op elk der admiraals-schepen werd het volk met vijftien
+ton zwaar bier beschonken. Of dit geschenk van wege het land of van
+wege de hooge gasten was, vind ik niet geboekt. Des avonds voeren de
+beide jachten naar _Den Helder_, waar de genoodigden en gemachtigden
+den nacht doorbrachten.
+
+Den volgenden dag reeds vroegtijdig stapten onze hooge personages weder
+in hunne beide scheepjes, en voeren andermaal naar de vloot, waar zij
+nog de schepen van den kapitein Van der Zaan, van de Vice-admiralen
+De Liefde en Van der Hulst en van den kolonel der zeesoldaten, Willem
+Jozef van Gent, bezichtigden. Daarna voeren zij weder aan De Ruyters
+boord, waar zij heerlijk en heusch onthaald werden. Ik zal u geene
+beschrijving geven van hetgeen onze zeeheld opdischte; alleen durf
+ik u verzekeren, dat de hooge gasten uiterst tevreden waren over
+zulk een zeemanskost en dat er geen gebrek was aan verscheidenheid
+van wijn. Ook ontbrak het pekelvleesch niet; want De Ruyter zou niet
+gegeten hebben, wanneer er dàt niet of ten minste geen sterk gezouten
+vleesch voorhanden was.
+
+"Ik mocht wel einmaal ein tochtje met U op das meer doen," zeide de
+Keurvorst van _Brandenburg_ tegen De Ruyter.
+
+"Uwe Hoogheid zou daarvan spoedig den buik vol hebben," antwoordde
+deze. "Het zou al heel gauw wezen: Zet mij maar weer aan land; want
+ik word zoo kwalijk."
+
+"En de Herr De Witt heeft daar vergangen jaar wel de phroef van
+genommen en toch ganz viel sjtormen doorgesjtanden," merkte de vorst
+Van Anhalt aan.
+
+"Ja, waaroem soltte der herr Raadpensionair dagegen kunnen en wir's
+nicht vermeugen?" vraagde de Keurvorst.
+
+"Laat Zijne Edelheid Uwer Hoogheid dat zelf beantwoorden," zeide De
+Ruyter. "Ik weet niet, welk een wonderman Mijnheer De Witt is; maar
+op mijn woord als Zeeuw kan ik U verzekeren, dat Zijne Edelheid geen
+zweem van zeeziekte gehad heeft. En wij hadden nog al wat boos weer."
+
+"Ich denke," zeide de graaf Van Solms, "dat Zijne Edelheid den kop
+te vol sjaatsaffaires heeft, om an den magen te denken en dass doerch
+het sjommelen van het schiff kein invloess op hem heeft."
+
+"En ich denke, dat der Herr Raadpensionair früher wohl einmal ter
+zee gefaren heeft," meende de Vorst Van Holstein. "Gij vergeet,
+dass _Dordrecht_, Zijner Edelheids geboorteplaats, ein hafen ist."
+
+"Uwe Hoogheid vergist zich," zeide De Witt glimlachend. "De
+stad _Dordrecht_ drijft wel veel handel, maar is volstrekt geen
+zeestad. Intusschen ben ik in mijne jeugd meermalen met boos weer op
+de _Moerdijk_ geweest en het is misschien daaraan toe te schrijven,
+dat ik van die lastige zeeziekte ben verschoond gebleven. Als ik
+U echter de ware reden moet zeggen: ik schaamde mij om zeeziek te
+worden in de tegenwoordigheid van een man als den Luitenant-admiraal
+onzen gastheer, op wien ik U wel verzoek uw glas te ledigen. Leve onze
+Luitenant-admiraal De Ruyter en moge Zijne Edelheid spoedig aan de
+Engelschen leeren, dat de Hollandsche zeeleeuw den Britschen panter
+nog niet vreest!"
+
+"Leve de Luitenant-admiraal De Ruyter!" riepen allen, terwijl zij
+hunne glazen ledigden.
+
+"Ik dank de Heeren wel en den Heer Raadpensionaris in het bijzonder
+voor de goedheid om mijner in hunnen dronk te gedenken," zeide De
+Ruyter, terwijl hij opstond en een zijner bedienden een wenk gaf. Op
+hetzelfde oogenblik knalden er twaalf schoten van het admiraalsschip.
+
+"Was ist das?" riep de vorst Van Anhalt uit. "Die Engelsjen zijn doch
+nicht gekommen, dass gij met hen sjlaags zijt geraakt? Indien das
+waar was, zoo zouden wir das onuitsjpreekliche genügen haben einen
+zeesjlag bij te wonen."
+
+"Dien zal Uwe Hoogheid zien," antwoordde De Ruyter. "Mijne Heeren! ik
+noodig u allen uit, mij naar het dek te volgen, dan zult gij in het
+klein een zeestrijd aanschouwen."
+
+"Bravo! bravo!" juichten al de gasten en volgden De Ruyter op het dek.
+
+Het was een prachtige aanblik, die hen daar wachtte. De twee kleine
+fregatten of adviesjachten "'t Hert" onder kapitein Pieter van
+Wijnbergen en "Zwolle" onder kapitein Dirk de Munnik, het eerste
+van zestien en het andere van acht stukken, leverden elkander een
+spiegelgevecht, voeren telkens op elkander aan en gaven malkander
+dan de volle laag met los kruit, zeer ten genoegen van al de hooge
+personages, meer dan de kunsten van een der matrozen, die zich boven
+op den bal van den vlaggestok der groote bramsteng begaf en daarop met
+zijn hoofd ging staan, terwijl hij beide beenen in de lucht stak. Het
+was dan ook een noodeloos waagstuk; want een mensch mag niet zoo met
+zijn leven spelen.
+
+De Prins van Oranje had zich intusschen weder bij De Ruyter gevoegd.
+
+"Mijnheer de Luitenant-admiraal," begon hij, "Uwe Edelheid heeft aan
+uw boord een zekeren Pieter Pietersz, niet waar?"
+
+"Die mij door Uwe Hoogheid is aanbevolen?"
+
+"Juist, dezelfde. Hoe maakt hij het? Past hij goed op?"
+
+"Uitmuntend. Hij is een knap timmerman en heeft verleden jaar met
+de stormen vrij wat dienst bewezen. Ook geloof ik, dat er moed onder
+zijn matrozenbuis steekt."
+
+"Moed, Admiraal? Meer dan Uwe Edelheid misschien denkt." En de Prins
+verhaalde hem, wat er met Pieter op _Hondsholredijk_ en op het veldijs
+gebeurd was.
+
+"Inderdaad--dat zijn trekken van groote courage en onversaagdheid,
+die veel beloven. En toch geloof ik niet, dat uw gunsteling voor
+zeeman in de wieg is gelegd."
+
+"Ik zou hem gaarne eens zien," hernam de Prins. "Ik heb al naar hem
+rondgekeken."
+
+De Ruyter wenkte een matroos en gebood dien, Pieter te roepen. Binnen
+weinige oogenblikken was hij bij hen.
+
+"Je bent groot geworden, Pieter," zeide de Prins. "Ik zou je niet
+herkend hebben. Hoe oud ben je thans?"
+
+"Achttien jaren, Uwe Hoogheid," antwoordde Pieter.
+
+"Dan ben je mij vooruit," hervatte de Prins. "En ik hoor, tot mijn
+genoegen, dat mijnheer de Luitenant-admiraal over je tevreden is."
+
+"Wie zou niet oppassen, als hij zulk een voorbeeld voor oogen heeft,
+als onzen Luitenant-admiraal!" zeide Pieter.
+
+"Daarin heb je gelijk," antwoordde de Prins. "En hoe vaart je oom,
+de stuurman Klaas Dirksz?"
+
+"Hij is springlevend," antwoordde Pieter. "Maar vergun mij, dat
+ik Uwer Hoogheid iets vrage. Ik heb onder het gevolg Uwer Hoogheid
+tevergeefs naar mijn broeder Karel gezocht. Hij is toch niet ziek,
+of uit uwen dienst?"
+
+Het gelaat van den Prins betrok; het waren treurige herinneringen,
+welke Pieter bij hem te voorschijn riep.
+
+"Hij is niet meer in mijn dienst, Pieter," gaf hij ten antwoord. "Het
+is echter buiten zijn schuld en er is voor hem gezorgd."
+
+Tegen het vallen van den avond vertrokken de vorsten en heeren,
+vergezeld door de sloepen van al de oorlogsschepen, naar den wal. De
+Keurvorst had honderd zilveren ducatons (f 315) aan de matrozen van
+De Ruyters schip gegeven en toen de heeren aan land kwamen, opgewacht
+door een tallooze menigte, wierpen zij eenig goud- en zilvergeld
+onder het volk te grabbelen. Op den eersten Juni daaraanvolgende,
+stevende de vloot het ruime sop in.
+
+
+
+
+DERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+Hoe de Raadpensionaris rekenles gaf.
+
+
+Niet tevergeefs hadden de Heeren in De Ruyters kampanje gedronken
+op het welzijn van den Luitenant-admiraal en had de Raadpensionaris
+in dien dronk begrepen, dat de Hollandsche leeuw zou toonen, den
+Britschen panter niet te vreezen; de dagen voor den elfden, twaalfden,
+dertienden en veertienden Juni van het jaar 1666 waren getuigen van een
+luisterrijke overwinning, door onze vloot op de Engelsche behaald. Een
+zeeslag van vier dagen! hoor ik u zeggen.--Ja, een vierdaagsche
+zeeslag, de hevigste die ooit werd bevochten en die niet alleen den
+roem onzer vloot herstelde, in den laatsten, ongelukkigen slag zoo
+deerlijk verloren gegaan, maar een onsterfelijke gloriekroon wond om
+het hoofd van onzen De Ruyter, wien men de ziel der vloot noemde en van
+wien men zeide, dat hij de maat sloeg in het grof muziek van zooveel
+duizenden kartouwen [41]; om den schedel van onzen Van Nes, die, toen
+De Ruyters groote steng was afgeschoten, de admiraalsvlag overnam en
+met zooveel beleid een tijd lang het opperbevel voerde, dat geen der
+vijanden de tijdelijke afwezigheid van den vlootvoogd bemerkte; en om
+de slapen van onzen Tromp, die in zijne niets ontziende dapperheid zoo
+dikwerf van schip had moeten verwisselen, dat de Engelschen, telkens
+zijne vlag van een ander schip ziende waaien, met verbazing vraagden:
+"zijn er dan vijf of zes Trompen op de Staatsche vloot?"
+
+Ik wil u ditmaal geen beschrijving van dien zeeslag geven. Wilt gij
+ze lezen, dan beveel ik u daartoe Brandts geschiedenis van De Ruyter
+Bldz. 478--494 aan. Ik wil u alleen mededeelen, dat De Ruyter den
+vierden dag de _bloedvlag_ liet hijschen, tot sein om allen te gelijk
+op den vijand aan te vallen, dat toen de Engelschen op de vlucht werden
+gejaagd en het alleen aan den invallenden dikken mist te danken hadden,
+dat zij voor grootere schade werden gespaard. Van onze zijde verloren
+wij den Vice-admiraal Van der Hulst, wiens graftombe men nog in de Oude
+kerk te _Amsterdam_ ziet en den Luitenant-admiraal Cornelis Evertsen,
+wien ook een praalgraf werd opgericht. De Engelschen verloren hunne
+Vice-admiralen Barclay en Mings. Het lijk van den eerste viel in onze
+handen, werd hier gebalsemd en met een jacht naar _Engeland_ gezonden,
+over welke beleefdheid Karel II zeer gevoelig was. Wij hadden omstreeks
+800 dooden en 1450 gekwetsen; de Engelschen 5 à 6000 dooden en 3000,
+die in onze handen waren gevallen; terwijl 23 hunner schepen deels
+gezonken of verbrand, deels genomen en in onze havens waren opgebracht.
+
+Minder gelukkig voor ons was de tweedaagsche zeeslag van den 4den
+en 5den Augustus daaraanvolgende, geleverd tusschen De Ruyter en
+denzelfden Monk, hertog van _Albemarle_, die de Engelsche vloot in den
+vierdaagschen zeeslag had aangevoerd. Reeds de eerstgenoemde zeestrijd
+was bijgewoond door vier Fransche edelen, die op 's Lands vloot waren
+gekomen om een zeeslag onder het beleid van zulke beroemde zeehoofden
+bij te wonen: Armand de Grammont, Hertog van Guiche, Louis Grimaldi,
+Prins van _Monaco_, en de beide markiezen La Ferté. Thans waren er ook
+vier Fransche edelen als vrijwilligers op de vloot: de baron Busca
+en de ridders van Lorraine, Coaslin en Cavoy. Door de persoonlijke
+bemoeiingen van De Witt was de vloot binnen 19 dagen van de bekomen
+schade hersteld en weder in staat, om zee te kiezen. De grijze Jan
+Evertsen, die na den dood van zijn broeder zich opnieuw had begeven
+in den dienst van het Vaderland, waarvoor zijn vader, een zijner
+zonen en vier zijner broeders het leven hadden gelaten, gebood met
+Tjerk Hiddesz de Vries, die Stellingwerf was opgevolgd, de voorhoede,
+De Ruyter met Van Nes het centrum, en Tromp met Meppel de achterhoede.
+
+Omstreeks elf uren voor den middag ontmoetten de beide vloten elkander
+in volle zee tusschen _Duinkerken_ en _Noordvoorland_. De voorhoede
+begon het gevecht en hield zich dapper; maar het eene ongeluk kwam
+bij het andere. Vooreerst was de wind voor de Engelschen, en dan nog
+was er zoo weinig wind, dat De Ruyter met zijn centrum de benarde
+voorhoede onmogelijk kon te hulp komen; ten tweede werden reeds bij
+de eerste schoten Jan Evertsen en Tjerk Hiddes, benevens de Friesche
+admiraal Koenders doodelijk gekwetst. Toen nu ook tot overmaat van
+ramp het schip van den Vice-admiraal Bankertsz zonk, die met moeite
+zijn leven redde, werd het smaldeel geheel en al in wanorde gebracht en
+verstrooid. Intusschen had Monk het centrum onder De Ruyter aangetast
+en kwam hem ook de voorhoede onder Allen te hulp. Hachelijk was nu
+de toestand der onzen. De voorhoede verstrooid, vele van De Ruyters
+schepen reddeloos, en van de achterhoede onder Tromp en Meppel niets
+te bespeuren. Onze zeeheld echter hield het gevecht tot den avond
+vol; doch, daar hij zag, dat zijn geringe vloot niet meer bestand
+was om aan de overmacht van den vijand het hoofd te bieden, begon
+hij langzaam te wijken, hopende, dat Tromp zich gedurende den nacht
+met hem zou vereenigen.
+
+Maar toen de volgende morgen aanbrak, zag de held wel overal vijanden,
+maar geen Tromp.
+
+"Sein den Luitenant-admiraal Meppel aan boord," zeide hij tot Klaas
+Dirksz, die zijn post aan het roer niet had verlaten, ofschoon
+de kogels om zijne ooren floten. Onze Pieter bevond zich met de
+timmerlieden beneden, om zooveel mogelijk ieder lek, dat er geschoten
+werd, te herstellen. De stuurman gaf het roer aan twee matrozen over
+en seinde den Vice-admiraal: doch op hetzelfde oogenblik tuimelde
+hij, door een Engelschen kogel doodelijk getroffen, door het luik
+naar beneden en kwam genoegzaam voor Pieters voeten te land.
+
+"Hemelsche Vader!" riep Pieter, terwijl hij zich op de knieën bij
+zijn geliefden oom neerwierp. "Oom! Oom!"
+
+"Ik sterf," zeide de stuurman met een flauwe stem. "De Engelschman
+heeft mij doodelijk gekwetst."
+
+"Gij zult niet sterven, oom!" zeide Pieter.
+
+"Vlei je niet, mijn beste jongen," hernam Klaas Dirksz gebroken. "Tegen
+den dood is geen kruid gewassen. Ik voel hem reeds in mijne
+aderen. Vaarwel, Pieter! groet den Admiraal van mij. Zeg aan De
+Ruyter..."
+
+Hier kon de stuurman niet meer spreken; vreeselijk draaiden zijne oogen
+in hunne kassen. Pieter poogde het bloed, dat uit de wond vloeide,
+te stelpen; maar het scheen den stervende te benauwen, die na een
+hevige stuiptrekking den laatsten adem uitblies.
+
+"Dood! Arme oom Klaas, dood!" riep Pieter uit, terwijl hij zich als
+wanhopig op het lijk wierp.
+
+"Pieter!" klonk eensklaps een stem naast hem. "Is de stuurman dood?"
+
+"Hij is dood, Jonker Engel. De kogel heeft hem te goed getroffen en
+de val heeft het overige gedaan. Hoe is het boven gesteld?"
+
+"Ellendig. Nooit heb ik mijn vader zóó gezien. De Luitenant-admiraal
+Van Nes is bij ons aan boord gekomen; vader wilde met hem
+raadplegen. "Wat zullen wij doen, mijn goede Van Nes," riep hij uit,
+toen de Luitenant-admiraal bij hem in de kampanje trad, "wat zullen
+wij doen? De andere schepen zijn anderhalve mijl van ons en loopen
+zoo hard zij kunnen, zonder acht te geven op onze seinschoten. Zie,
+welk een overmacht ons te loef, te lij, van voren en van achteren
+omringt, en wij--wij zijn slechts met zeven of acht schepen bijeen. Wat
+zullen wij doen?" "Wat wij moeten doen," antwoordde Van Nes, "tegen de
+overmacht kunnen wij het niet uithouden; het best is, ons al wijkende
+te verweren."--"Gij hebt gelijk, Van Nes," antwoordde vader. "Daar
+is geen andere uitkomst over. Ach! wat overkomt ons! Ik wou maar,
+dat ik dood was!"
+
+"Zei uw vader dat?" zeide Pieter, terwijl hem de tranen uit de oogen
+sprongen. "En wat zeide de Luitenant-admiraal?"
+
+"Ik wou het ook wel," antwoordde Van Nes, "maar men sterft niet,
+wanneer men wil. Ik ga naar mijn boord terug en zal u trouw blijven
+tot mijn laatsten ademtocht." Dit zeggende, stonden mijn vader en hij
+op, en--nauwelijks waren zij de kampanje uit, of ziet, daar vloog
+een Engelsche kogel naar binnen en schoot de beide plaatsen weg,
+waar zij gezeten hadden!"
+
+"Wonderbaar behoud!" riep Pieter uit. "En is Tromp nog niet in het
+gezicht?"
+
+"Nergens te zien," hernam Jonker Engel. "Maar ik moet weer naar
+boven. Mijn vader zond mij herwaarts, om naar zijn trouwen stuurman
+te zien."
+
+"Zeg hem, dat de gesneuvelde met zijn naam op de lippen is gestorven
+en met brekende oogen mij zijn laatsten groet voor den geliefden
+Admiraal heeft gegeven."
+
+"Ik zal het doen. En ga jij ook weer aan het werk. Er is hier genoeg
+te vinden."
+
+"Dat zou ik meenen," zeide Pieter. "Maar ik was liever boven, om den
+dood mijns ooms op die Engelschen te wreken."
+
+"Je bent hier even nuttig, Pieter, want jij zorgt er voor, dat wij
+niet verdrinken. Het zal toch nu maar de zaak zijn, om ons leven en
+ons schip te redden. Vaarwel, Pieter! Misschien voor eeuwig!"
+
+"God behoede je en je dapperen vader!" zeide Pieter, terwijl hij
+Jonker Engel de hand drukte; waarop deze naar boven snelde, om aan
+de zijde zijns vaders te strijden en hem den laatsten groet van Klaas
+Dirksz over te brengen.
+
+Van Nes hield zijn woord en deed wat hij kon, om achter De Ruyter te
+blijven en met hem de vijanden af te weren. Zoo weken zij al vechtende,
+terwijl zij hun koers naar de Zeeuwsche stroomen richtten. Omstreeks
+'s morgens negen uren kregen zij _Westkapelle_ in het gezicht. De
+Engelsche Admiraal Monk intusschen, vurig hopende de eer te hebben
+den grooten zeeheld gevangen te nemen, drong al meer en meer met
+zijne grootste macht op hem aan. Omtrent twaalf uren op den middag
+zond hij een brander op hem af, die "De zeven Provinciën" zoo na kwam,
+dat er geen ontkomen meer scheen te zijn. Maar ook in den hoogsten nood
+verloor de Admiraal zijn tegenwoordigheid van geest niet. Terstond gaf
+hij bevel om vier sloepen te bemannen met volk uit vier schepen. In
+De Ruyters sloep begaven zich ook op zijne aanmaning de vier Fransche
+heeren. Nu hing het behoud van De Ruyters schip, ja van de gansche
+vloot aan een zijden draad. Gelukkig werd de brander, die zoo groot
+was dat hij wel een oorlogsfregat geleek, vernield en door zijn volk
+verlaten, waaraan de vier Fransche edelen niet weinig toebrachten.
+
+Wel was nu dat gevaar afgewend, doch kort daarna kwam Monk met
+verscheidene andere Engelsche schepen zoo dicht bij De Ruyters
+vaartuig, en gaven zij in het voorbijzeilen telkens zoo geducht
+de volle laag, dat alles scheen te barsten en te breken. Nooit was
+onze zeeheld zoo moedeloos geweest als thans. "Hoe ben ik dan toch
+zoo ongelukkig?" riep hij tot zijn schoonzoon De Witte, die naast
+hem stond. "Is er dan onder zooveel duizenden kogels niet een, die
+mij wegneemt!"--"Vader!" zeide De Witte, "hoe kunt ge zoo moedeloos
+zijn en zulk een wanhopige taal voeren? Wenscht gij te sterven,
+welnu, laat dan den steven wenden, storten wij ons te midden van de
+vijanden en sterven wij den heldendood!" Deze taal werkte; De Ruyter
+zag het verkeerde daarvan in. "Witte," zeide hij, "gij weet niet,
+wat gij zegt. Als ik dat deed, dan zou alles verloren zijn; maar als
+ik er mij zelf en deze schepen behouden kan afbrengen, dan kan men
+het werk hervatten." Gelukkig daagde er uitkomst. Men was nu zoo
+dicht bij de Zeeuwsche kust, dat de Engelsche Admiraal, vreezende
+dat zijne schepen op de zandbanken zouden vastraken en stranden,
+het sein tot den aftocht gaf en met zijne vloot weder zee koos.
+
+Den volgenden dag kwam ook Tromp met zijn smaldeel de haven van
+_Vlissingen_ binnen en begaf zich terstond met Zweers en Van der
+Zaan aan boord van De Ruyter. Hij had met de zijnen zijn best gedaan;
+want toen de voorhoede aan den slag raakte, was hij even ver van De
+Ruyter verwijderd als deze van Evertsen, en hij werd evenzeer door
+de windstilte verhinderd, het centrum te naderen. Door de Engelsche
+achterhoede onder Smith aangegrepen, hadden hij en de zijnen zich
+met de oude dapperheid gekweten en een zwaren strijd te verduren
+gehad. Hij had zich dus onmogelijk bij De Ruyter kunnen voegen, en
+meende nu allen lof in te oogsten. Verwonderd stond hij te kijken,
+toen De Ruyter hem toevoegde:
+
+"Komt de heer Luitenant-admiraal eens kijken, of ik nog in leven
+ben? Inderdaad--het heeft aan U niet gelegen; integendeel--gij
+hebt dapper uw best gedaan, om mij met 's lands vloot in handen der
+Engelschen te leveren."
+
+"Ik, Admiraal?" vraagde Tromp verbaasd. "Of meent Uwe Edelheid soms,
+dat ik werkeloos gelegen heb, of lafhartig gevlucht ben?"
+
+"Indien ik dat meende, Mijnheer Tromp," zeide De Ruyter, "zou ik u
+gevangen hebben laten nemen als een verrader. Maar zonder lafhartig
+te zijn, kan men wel tegen de krijgstucht zondigen. Waarom zijt gij
+niet bij de vloot gebleven? Waarom afzonderlijk gestreden? Of meendet
+gij alleen meer roem te behalen, dan onder mijne vlag?"
+
+"Indien ik mij deswege te verantwoorden heb, zal het aan mijne meesters
+de Heeren Staten zijn," zeide Tromp trotsch.
+
+"Daar zult gij gelegenheid toe hebben," hernam De Ruyter. "Ik heb Hunne
+Edel-Groot-Mogenden een getrouw verslag gezonden van het gebeurde, en
+U niet gespaard, evenmin als u, mijne heeren Zweers en Van der Zaan!"
+
+"Uwe Edelheid moet weten wat Zij doet," antwoordde de laatste. "_Wij_
+hebben onzen plicht gedaan en zijn aan onzen eed getrouw geweest."
+
+Op dit oogenblik verloor De Ruyter zijne gewone bedaardheid, en voer,
+in tegenwoordigheid van al het scheepsvolk, uit tegen Zweers en Van
+der Zaan. Beide mannen zwegen, ofschoon zij onschuldig waren, daar
+zij slechts hunne vlag hadden gevolgd. Maar Tromp kon niet zwijgen.
+
+"Hadt gij U even goed gekweten, als wij," zeide hij, "dan zouden wij
+de overwinning behaald hebben. En had ik de achterhoede der Engelschen
+niet afgesneden, het zou met U gedaan zijn geweest. Dan zat gij nu
+in _Londen_ als krijgsgevangene."
+
+"Wij zullen niet verder over de zaak twisten, mijnheer Tromp,"
+hernam De Ruyter, die zijne bedaardheid had herkregen. "Zooals gij
+gezegd hebt, de Heeren Staten zullen tusschen ons beslissen en over
+ons oordeelen. Wat mij aangaat,--ik schroom het oordeel van mijne
+meesters niet."
+
+"Ik ook niet," hervatte Tromp, terwijl hij De Ruyters boord
+verliet. "Ofschoon," mompelde hij half verstaanbaar, "de lieveling
+wel gelijk zal krijgen en de arme aanhanger van het Prinsenhuis
+achterstaan!"
+
+Zoodra hij aan zijn boord gekomen was, schreef Tromp twee brieven, een
+aan de Staten-Generaal en een aan de Staten van _Holland_, waarin hij,
+op krachtigen maar bitteren toon, zijn gedrag poogde te rechtvaardigen
+en De Ruyter te beschuldigen; terwijl hij aan het slot van zijn brief
+zeide, "dat--indien hij dan, na al zijne getrouwe diensten voor een
+schelm moest worden uit gekreten--hij zijn ontslag verzocht, daar
+het thans geen tijd was, om schelmen te gebruiken."
+
+Gij kunt u voorstellen, welk een onaangenamen indruk dat schrijven,
+vooral bij de Staten van _Holland_, verwekte. Daarbij kwam nog, dat
+de Heer Kievit, gecommitteerde Raad van _Rotterdam_ (uit den mond
+van den Heer van Sommelsdijk, die op het schip van Tromp den laatsten
+zeeslag had bijgewoond, de bijzonderheden daarvan vernomen hebbende)
+een verslag opstelde, waarin hij het gedrag van Tromp hoog opvijzelde
+en dat van De Ruyter erg gispte. Dit stuk had hij laten drukken en
+verspreiden. Hierover door de Staten van _Holland_ ter verantwoording
+geroepen, waagde hij het niet, voor hen te verschijnen, maar vluchtte
+het land uit. Ook benoemde men een commissie, aan welker hoofd de
+Raadpensionaris stond, om de beschuldigingen te onderzoeken, welke de
+beide Admiralen tegen elkander hadden ingebracht. Met staatkundige
+voorzichtigheid wilde deze commissie niet beslissen, aan wien de
+schuld lag doch gaf als haar gevoelen op, dat het belang van den Staat
+eischte, een der beide Admiralen te ontslaan. De Staten aarzelden
+geen oogenblik, om in deze netelige zaak te beslissen en zonden aan
+Tromp het bericht, dat zijne aanstelling als Luitenant-admiraal was
+ingetrokken; terwijl hem tevens verboden werd, zich naar de vloot
+te begeven, omdat men een opstand vreesde van het aan hem zoozeer
+gehechte scheepsvolk.
+
+Dit besluit omtrent Tromp deed den haat tegen de heerschende partij
+geducht toenemen. Tot eer van den zeeheld moeten wij zeggen, dat
+hij het aanbod, hem door d'Estrades, den Franschen gezant, gedaan om
+tegen een aanzienlijk jaargeld koning Lodewijk XIV te dienen, van de
+hand wees, terwijl hij zeide, dat hij liever in zijn vaderland als
+vergeten burger wilde leven, dan met eer en rijkdom overladen, een
+vreemden vorst dienen. In zijne plaats werd tot Luitenant-admiraal
+van _Holland_ benoemd Willem Jozef Van Gent.
+
+Keeren wij nog een oogenblik naar De Ruyter terug. Zeer waarschijnlijk
+was zijne geheele familie naar _Vlissingen_ gekomen, om den dierbaren
+man en vader te zien, wiens bijzijn zij zoo lang hadden moeten
+ontberen. Wij lezen ten minste, dat zijn jongste dochtertje, dat den
+13den September haar elfde levensjaar zou bereiken, een engelachtig,
+veelbelovend kind, ziek werd aan een besmettelijke ziekte en daaraan
+op den 24sten Augustus stierf. Hoe smartelijk dit verlies den braven
+man aandeed, hij onderwierp zich met de gelatenheid eens christens aan
+Gods wil en poogde zijne droefheid door zijne gewichtige en gedurige
+bezigheden te lenigen.
+
+
+
+Wij begeven ons nu in het begin van de maand September weder naar
+'s-_Gravenhage_, waar wij den Prins vinden in een vertrek, genaamd "de
+kamer van educatie." Het is eene uiterst eenvoudig gemeubelde kamer,
+aan beide zijden met ramen voorzien. Naast de deur, die in een hoek
+is, staat een boekenkast, die tot aan de zoldering reikt en waarvoor
+groote saaien gordijnen hangen, waarvan het eene, dat opengeschoven is,
+een rijke verzameling van boekwerken doet bespeuren, in kalfslederen,
+hoornen en half lederen banden gebonden; bovenaan de duodecimo's en
+octavo's, lager de kwarto's en onderaan de folianten. Tegenover dezen
+muur is de groote marmeren schoorsteen, boven welken een schilderstuk
+van Honthorst. Aan de rechterzijde van den schoorsteen bevindt zich een
+deur, evenals de andere met een groen saaien gordijn behangen om tocht
+te beletten; aan de andere zijde staat een kleiner kastje, waarin een
+atlas van Blaeuw [42], eenige kaarten en de boeken, die in dagelijksch
+gebruik zijn; terwijl daarop een aard- en hemelglobe prijken en de
+busten van Seneca en Socrates, beide in marmer. In het midden der kamer
+staat een met groen laken bedekte tafel, waarop een zilveren inktkoker,
+eenige versneden ganzenpennen en de noodige boeken en papieren. Dit is
+"de kamer van educatie," waar Zijne Hoogheid dagelijks les krijgt van
+zijn praeceptor Borneus, die hem in de historica (geschiedenis) en
+politiek (staatkunde) institueert (onderwijst); terwijl een ander den
+Prins les geeft in de mathesis, en de Raadpensionaris alle Maandagen
+komt, om hem het Nederlandsche staatsrecht te onderwijzen en tevens
+onderzoek te doen naar zijne vorderingen.
+
+Het is nu ook op een Maandag in September, dat wij Zijne Hoogheid
+aan de met een groen kleed bedekte tafel vinden zitten, met den arm
+onder het hoofd en praktizeerende over een der rekenkunstige opgaven
+uit de vernieuwde cijfferinge van Willem Bartjes, tweede druk, in
+1648 uitgegeven, twaalf jaren na den eersten. Verdrietig werpt hij
+het boek van zich af en neemt de in 1653 uitgekomen Arithmetica van
+B. Stockman en A. W. Wassenaar ter hand, maar zoo het schijnt met
+geen beter gevolg.
+
+Op dit oogenblik komt de Raadpensionaris binnen.
+
+"Uwe Hoogheid schijnt in een kwade luim," begint hij. "Eilacy, is
+zij boos op die onschuldige boeken?"
+
+"Op die boeken, zegt Uwe Edelheid?" antwoordt de Prins, "Vergeef mij,
+dat ik U tegenspreek--ik was knorrig op mij zelf."
+
+"Maar dan moesten die boeken het toch ontgelden," herneemt De
+Witt lachend. "In trouwe, het gaat wel meer zoo in de wereld. De
+onschuldigen moeten het gelag betalen."
+
+"Gelukkig dat die boeken het niet voelen," zegt de Prins. "Maar ik
+zou mij wel voor het hoofd willen slaan."
+
+"Bedaar wat, bedaar wat, mijn jonge vriend!" vermaant De Witt. "Dan
+zoudt gij maar hoofdpijn krijgen.--Doch vertel mij, wat is de oorzaak
+van uwe ontevredenheid met U zelf?"
+
+"Ach mijnheer De Witt!" klaagt de Prins. "Ik ben zoo dom..."
+
+"Gelukkig, dat Uwe Hoogheid zulks gevoelt, en nog gelukkiger, dat
+de Heeren Staten Haar de gelegenheid hebben geschonken om knap te
+worden. Maar waarin was Uwe Hoogheid zoo dom?"
+
+"In de arithmetica; mijnheer De Witt. Meer dan een uur heb ik zitten
+denken over deze opgaven. Zie, ik _kan_ ze niet vatten."
+
+"Doodeenvoudige voorstellen," hervat De Witt, nadat hij ze gelezen
+heeft. "Kom hier," vervolgt hij, terwijl hij de lei neemt en gaat
+zitten. "Ik zal ze U eens voorrekenen." En terwijl hij den Prins
+de opgaven uitlegt en ze hem voorrekent, heeft hij ze in weinige
+minuten opgelost.
+
+"Ziet Uwe Hoogheid wel, dat de arithmetica de gemakkelijkste zaak
+der wereld is?"
+
+"Voor uwe Edelheid, ja," antwoordt de Prins. "Maar voor een zwak
+hoofd als het mijne...."
+
+"Geduld slechts, Uwe Hoogheid! het zal wel beter gaan."
+
+"Het zijn zulke vervelende sommen in die boeken! Wat moeten de menschen
+die ze gemaakt hebben, allervervelendste wezens zijn."
+
+De Witt kon zich niet onthouden van te glimlachen.
+
+"Komaan," zegt hij, terwijl hij een papier uit den zak haalt. "Schrijf
+dan eens dit voorstel op; ik zal het u voorzeggen."
+
+De Prins neemt een pen, doopt die in en schrijft hetgeen De Witt hem
+voorzegt [43].
+
+"Aen den tooren van Babylon hebben gewerckt 333,227 menschen, en sy
+hadden daeraen gewerckt 2 jaer, 7 maenden en 3 daghen, toen sy door
+de verwerring van hunlieder tael verstroyt wierden; de hooghte van
+dien tooren was toen 2 mijlen 3200 roeden; men vraegt, hoeveel tijts
+30000 menschen zouden moeten besteden, om, even naerstig werckende,
+sulk een tooren op diezelfde hooghte te brengen."
+
+De Prins denkt een oogenblik na. Zijn gelaat verheldert zich.
+
+"Die vraag is gemakkelijk op te lossen, mijnheer De Witt."
+
+"En hoe zult gij dat doen?"
+
+De Prins zegt het hem: maar daar ik gaarne zag, dat ook mijne lezers
+er hunne krachten aan beproefden, zoo deel ik het hun niet mede.
+
+"Zeer goed," zegt De Witt. "En hoe komt het dan, dat Uwe Hoogheid nu
+zoo vlug in het oplossen is?"
+
+"Omdat.... Omdat Uwe Edelheid niet zoo'n vervelend wezen is als de
+makers van die cijferboekjes," antwoordt de Prins, "en dus zijn uwe
+opgaven ook niet zoo droog en zoo saai."
+
+"Laat ons nu eens zien, of gij de leer der thienden [44]
+begrijpt. Schrijf eens: zestien geheelen en driehonderd acht en
+vijftig duizendste deelen."
+
+De Prins schrijft, volgens Simon Stevin;
+
+
+ 16 (0) 3 (1) 5 (2) 8 (3)
+
+
+en volgens Franciscus van Schooten (1660):
+
+
+ 16358 (3)
+
+
+want men had nog niet uitgedacht, om door een decimaalteeken de
+geheelen van de deelen te scheiden.
+
+"Zeer goed," hervat De Witt. "Ik zie tot mijn contentement, dat gij
+beide wijzen goed begrijpt. Intusschen moet ik Uwer Hoogheid wel doen
+observeeren, dat de leerwijs van Van Schooten verre te prefereeren
+is boven die van Stevin. Vooral in het multipliceeren en divideeren
+verdient die de preferentie. En hoe handelt gij nu, wanneer gij dat
+getal eens moest multipliceeren met vijf-en-tachtig duizendste deelen?"
+
+"Wel, dan multipliceer ik het met 85 (3) en addeer de beide eindcijfers
+bij elkander; dan krijg ik (nadat hij het uitgerekend heeft)
+
+
+ 1390430 (6)
+
+
+of eenvoudiger:
+
+
+ 139043 (5)".
+
+
+"Zeer juist. Het doet mij genoegen, dat Uwe Hoogheid de thienden begint
+te begrijpen. Het is met recht, zooals Simon Stevin zegt: het geeft
+eene "ongehoorde lichtigheijt in alle rekeninghen onder de Menschen
+noodigh vallende door heele getallen, sonder ghebrokenen." Doch nu
+gaan wij verder."
+
+Ik geloof, dat mijne lezers mij het vervolg der rekenles wel zullen
+kwijtschelden, alsmede het examen in de geschied- en aardrijkskunde
+en het onderwijs in de staatkunde der Zeven Provinciën.
+
+De Raadpensionaris was ditmaal zeer voldaan over zijn kweekeling en
+wilde vertrekken.
+
+"Een oogenblik, mijnheer De Witt," zeide de Prins. "Ik had U nog wat
+te verzoeken."
+
+"Iets te verzoeken. Indien het in mijne macht staat, zal het mij
+genoegen doen, U uw verzoek toe te staan."
+
+"Reeds vooraf bedankt voor uwe goedwilligheid," hernam de Prins. "Uwe
+Edelheid herinnert zich nog wel dien Pieter Pietersz, timmerman op
+het schip van den Luitenant-admiraal De Ruyter."
+
+De Witt dacht een oogenblik na.
+
+"O, zeer zeker! Ik herinner mij dien. Hij schijnt bijzonder in uwe
+gunst te deelen."
+
+"Niet minder in de mijne, dan in die van den Admiraal. Zie hier,"
+vervolgde de Prins, terwijl hij een brief uit zijn zak haalde,
+"dit is een aanbevelingsbrief van mijnheer De Ruyter."
+
+"Wien deze aanbeveelt," hernam De Witt, nadat hij den brief gelezen
+had, "is het zeker waard en kan op mijne medewerking rekenen. Maar,
+waarom heeft de knaap het zeewezen verlaten? Ik meende vroeger van
+Uwe Hoogheid vernomen te hebben, dat hij zooveel lust in het zeeleven
+had. Hoe is dat zoo in eens veranderd?"
+
+"Reeds toen ik in Mei op de vloot was, zeide de Admiraal mij, dat er
+nooit een zeeman uit Pieter zou worden. De dood van zijn oom Klaas
+Dirksz, den stuurman van "De zeven Provinciën," die, op den 5den
+Augustus door een Engelschen kogel getroffen, den heldendood voor het
+vaderland stierf, schijnt hem een tegenzin in het zeeleven te hebben
+doen opvatten."
+
+"Het getuigt weinig voor zijn moed," hernam de Raadpensionaris
+eenigszins schamper.
+
+"Uwe Edelheid herinnert zich, dat hij timmerman aan boord was,
+en dus gedurende het gevecht beneden moest zijn om de lekken te
+stoppen. Waarlijk geen taak om iemand moed in te boezemen."
+
+"Dat laat zich hooren. Doch, hoe heeft de Admiraliteit hem kunnen
+ontslaan?"
+
+"Hij behoorde tot de vrijwilligers van _Delfzijl_," hernam de Prins,
+"en als zoodanig mocht hij zijn ontslag nemen."
+
+"Ik beloof u, dat ik hem zal aanbevelen aan de Zeeuwsche Admiraliteit,"
+hernam De Witt. "Dan kan Uwe Hoogheid er een aanbeveling bij doen. De
+Zeeuwen toch zijn Haar van oudsher zeer genegen."
+
+"_Zeeland_ is mijn geslacht altijd zeer geaffectionneerd geweest,"
+hernam de Prins, als had hij den scherpen toon, waarop die woorden
+werden gesproken, niet opgemerkt. "Ik zal dus volgens uw raad
+handelen. Doch nog iets. De ridder Buat...."
+
+Het gelaat van den Raadpensionaris betrok.
+
+"De ridder Buat," vervolgde de Prins, zonder schijnbaar iets van de
+verandering in De Witts trekken te bemerken, "is door u beschuldigd
+van geheime briefwisseling met den vijand en in hechtenis genomen."
+
+"Door mij in hechtenis genomen? Uwe Hoogheid vergist zich. Ik ben
+geen Fiskaal."
+
+"Toch op uw bevel, mijnheer De Witt."
+
+"Geenszins. Op bevel van den Raad van State. Henry Fleury de Coulan,
+heer Van Buat, is een landverrader."
+
+"Uwe Edelheid spreke toch zulk een hard oordeel niet uit over den man,
+door U met een geheime correspondentie met _Engeland_ belast, en die
+misbruik van uw vertrouwen heeft gemaakt door er eigen correspondentie
+bij te voegen."
+
+"Uwe Hoogheid schijnt beter onderricht, dan ik vermoedde," zeide
+De Witt scherp. "Wie is de gedienstige geest, die Haar dit heeft
+medegedeeld?"
+
+"Hoe zou ik onkundig blijven, Mijnheer De Witt, van hetgeen geheel
+_Den Haag_ weet?" hernam de Prins. "Of zou Uwe Edelheid meenen,
+dat ik hier.... Doch neen, dat kan niet."
+
+"Voleindig uwen volzin, Prins," hernam De Witt.
+
+"Ik wenschte alleen uwe genade in te roepen voor den armen Buat. Uwe
+Edelheid zal zich herinneren, dat hij reeds bij mijn vader in dienst
+was. Sedert is hij onafgebroken aan ons geslacht verbonden geweest,
+totdat...."
+
+De Prins zweeg. De Witt vervolgde:
+
+"Tot dat de Heeren Staten hebben goedgevonden, hem zijn ontslag te
+geven. Waarlijk, de Heeren Staten hebben wijs gehandeld, iemand van
+U te verwijderen, die met den vijand heult."
+
+"Dus geen genade voor den onvoorzichtige."
+
+"Het staat niet aan mij, voor zulk een halsmisdaad genade te
+verleenen," hernam De Witt koel. "En wat mijn voorspraak betreft,
+die zou al heel weinig baten; want ik ben overtuigd, dat de Heeren
+Staten op de uiterste gestrengheden zullen aandringen. Luister
+wel," hervatte De Witt met nadruk, terwijl hij den Prins met zijn
+doordringende oogen scherp aanzag. "De Heeren Staten zijn voornemens,
+om elke aanranding van het bestaande gezag, van welken aard dan ook,
+streng te straffen, en uwe partij wordt stout--te stout, om langer
+het Land aan het uitbreken van een burgeroorlog bloot te stellen. Uwe
+Hoogheid kan dus bij gelegenheid Haren vrienden de verzekering geven,
+dat de Heeren niemand zullen ontzien, welken rang of stand hij ook in
+de maatschappij bekleede. Indien gij er iets aan kunt doen, maak dan,
+dat Buat het eenige slachtoffer van de dwaasheid eener nuttelooze
+partijzucht blijve."
+
+Met deze woorden verliet De Witt de kamer, om zijn pupil aan zijne
+overdenkingen over te laten. Toen de Raadpensionaris vertrokken was,
+schelde de Prins zijn kamerdienaar en beval hem, ingeval de persoon,
+die dezen morgen op het Hof was geweest, terug mocht komen, dien
+terstond bij hem te brengen.
+
+"Hij wacht reeds sedert een half uur, Uwe Hoogheid," zeide deze.
+
+"Breng hem dan onmiddellijk hier," hernam de Prins.
+
+
+
+
+VEERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+Hoe onze vloot de Engelschen tuchtigde.
+
+
+Weinige oogenblikken, nadat de kamerdienaar vertrokken was, trad
+Pieter Pietersz "de kamer van educatie" binnen.
+
+"Je past op je tijd, Pieter," zeide de Prins "Volg mij."
+
+De Prins deed de deur naast den schoorsteen open, en beiden bevonden
+zich in een klein kabinetje. Zijne Hoogheid sloot de deur zorgvuldig,
+en wenkte zijn gunsteling, zich op een stoel neder te zetten, terwijl
+hij zelf ging zitten.
+
+"Wel," begon hij. "Heb je het een en ander bijzonders vernomen?"
+
+"Ik had daartoe niet veel moeite," antwoordde Pieter. "Mijn broeder is
+met de familie zeer goed bekend: verscheidene malen heeft hij Mevrouw
+Buat gekapt. Van hem dan ook heb ik de bijzonderheden vernomen."
+
+"Ter zake."
+
+"In het voorjaar werd de Ritmeester door den heer Raadpensionaris
+aangezocht, om zich te belasten met een geheime correspondentie
+naar _Engeland_."
+
+"Juist, met Sylvius, met wien Buat reeds correspondeerde. En had die
+briefwisseling onder het oog van den Raadpensionaris plaats?"
+
+"Geheel en al. De Ritmeester schreef, schijnbaar in zijn eigen naam,
+wat de Raadpensionaris hem voorzeide. Nu hadden de vrienden der
+Oranjepartij, tot welke ook de Ritmeester behoort, hem aangezet om bij
+deze correspondentie een andere te voeren, van welke de Raadpensionaris
+niets mocht weten. Op deze brieven zette de Heer Sylvius: _pour vous
+mesme_.--Langen tijd ging deze geheime handel goed, tot, voor eenige
+dagen, de Ritmeester den Raadpensionaris een pak brieven bracht en
+daaronder bij vergissing een van die geheime brieven had laten liggen."
+
+"De onvoorzichtige!" riep de Prins uit. "En had de Raadpensionaris
+dat terstond gemerkt?"
+
+"Ik weet het niet, Uwe Hoogheid," gaf Pieter ten antwoord. "Maar de
+Ritmeester was onvoorzichtig genoeg, om zich bij den Raadpensionaris
+te vergewissen of de brief in het pak was. Deze kreeg daarop argwaan,
+las den brief en vond daarin, wat hem aanleiding gaf om dien Buat
+te weigeren en hem in den Raad van State te brengen. Terstond
+werd de Ritmeester gevat en in de kastelenije bewaard; waarop de
+Raadpensionaris aan het hoofd eener commissie uit den Raad van State
+zich naar het huis van den gevangene begaf en aldaar huiszoeking deed."
+
+"Wat zal die arme mevrouw Buat verschrikt zijn geweest!" zeide de
+Prins meewarig.
+
+"Dat kan Uwe Hoogheid zich voorstellen."
+
+"En heeft men daar nog wat gevonden?"
+
+"De Ritmeester had zorg gedragen, al de geheime brieven te
+verbranden. Ongelukkig moet hij een brief en een klad voor een anderen
+vergeten hebben te vernietigen. De Raad van State heeft daarop grond
+genoeg gevonden, om hem van hoogverraad te beschuldigen en zijne zaak
+in handen van het Hof van _Holland_ te stellen."
+
+"En de Ritmeester?"
+
+"Zit nu op de _Voorpoort_ van den Hove."
+
+"Arme Buat," zeide de Prins.--"Je hebt je goed van je last gekweten,
+Pieter," vervolgde hij tot dezen. "Ik heb ook den mijnen volbracht
+en je aan den Raadpensionaris aanbevolen."
+
+"Ik dank Uwe Hoogheid voor Hare goedgunstige bescherming," zeide
+Pieter.
+
+"Waarschijnlijk zul je een aanstelling op de werven van de Admiraliteit
+van _Zeeland_ erlangen. Ik zal ook aan de Heeren bewindhebbers
+schrijven en je aanbevelen."
+
+"O, Uwe Hoogheid is al te goed," hernam Pieter. "Hoe zal ik Haar ooit
+dankbaar genoeg kunnen zijn!"
+
+"Verlaat mij thans, Pieter, en keer langs denzelfden weg terug,
+dien je gekomen bent. Vaarwel!"
+
+De Prins deed de deur van het kabinetje open en ging, na het vertrek
+van Pieter, weder aan het werk--schijnbaar ten minste--want zijne ziel
+was te zeer bezig met den armen Buat, dan dat hij had kunnen werken.
+
+De aanbeveling van den Prins met die van den Luitenant-admiraal had
+goede uitwerking. Pieter werd op de werf der Zeeuwsche admiraliteit
+aangesteld als tweede meesterknecht, met een goed inkomen en het
+vooruitzicht op bevordering. Martha, wiens broeder Jacob intusschen
+gehuwd was, vergezelde hem naar _Vlissingen_, om zijne huishouding
+waar te nemen.
+
+Gij zult wel nieuwsgierig wezen, hoe het met Buat afliep. Ik zal het u
+meedeelen. De leden van het Hof waren wel gestemd om een zacht vonnis
+te vellen, vooral, omdat hij eigenlijk geen landverraad had gepleegd,
+maar slechts misbruik had gemaakt van het vertrouwen, dat De Witt in
+hem had gesteld. De Staten van _Holland_ evenwel, door De Witt daartoe
+aangezet, begrepen de zaak anders, en maanden het Hof ten ernstigste
+aan, om een krachtig vonnis te spreken. Daarbij kwam, dat men Buat door
+een boosaardige list van een zijner rechters beroofde, den Raadsheer
+Van der Graaf, die der Oranjepartij was toegedaan. Op zekeren dag
+namelijk, dat genoemde Raadsheer van het Hof kwam, verzocht hem iemand,
+uit naam van Buat, even bij den gevangene te komen. Hieraan voldoende,
+vond hij Buat ongesteld en zeer verwonderd over zijne komst, daar de
+boodschap niet van hem was uitgegaan. Na, in tegenwoordigheid van den
+cipier, een paar woorden met den gevangene gewisseld te hebben, verliet
+Van der Graaf de Gevangenpoort en ging naar huis. Den volgenden dag
+stond in een nieuwsblad, dat een der Raadsheeren zich niet ontzien had,
+de gevangene te bezoeken. Het Hof ondervraagde daarop Van der Graaf,
+die de toedracht der zaak verhaalde. Diensondanks werd hij gedwongen,
+zich niet verder in dit rechtsgeding te wikkelen.
+
+Van deze stem beroofd, die waarschijnlijk nog een of twee andere zou
+hebben overgehaald, werd de ongelukkige Ritmeester veroordeeld te
+worden gestraft met den zwaarde, zoodat er de dood na volgt. Dit
+vreeselijke vonnis werd op Maandag den 11den October aan hem
+voltrokken.
+
+De Raadsheer Kieviet, diens vrouw (zooals gij weet, de zuster van
+Tromp) en de Burgemeester van _Rotterdam_, Van der Horst, werden mede
+in dit rechtsgeding gewikkeld, omdat zij Buat tot schrijven hadden
+aangezet en ettelijke brieven hadden gelezen. De eerste, zooals ik
+u reeds gezegd heb, ten lande uitgeweken, werd ter dood, zijne vrouw
+tot een zware geldboete en Van der Horst tot verbanning veroordeeld,
+terwijl hunne goederen werden verbeurd verklaard.
+
+De terechtstelling van Buat, gevoegd bij de afzetting van Tromp, deed
+bij de Prinsgezinden den haat tegen De Witt nog toenemen. Zoover
+zelfs ging men, dat men hem den noodlottigen uitslag van den
+tweedaagschen zeeslag weet. De Engelschen intusschen, nu open zee
+hebbende, maakten daarvan gebruik, om eenige koopvaardijschepen in
+het _Vlie_ weg te nemen en op het eiland _Terschelling_ te landen,
+waar zij het dorp _West-Terschelling_ in brand staken en de weerlooze
+bewoners mishandelden.
+
+Hoe gehavend onze vloot ook was, koos die weder zee om de Engelschen
+te tuchtigen; doch door ziekte onder het scheepsvolk en door stormen
+werd zij genoodzaakt terug te keeren, zonder iets verricht te hebben.
+
+Het terugzenden van het lijk van Barclay gaf aanleiding tot
+vredesonderhandelingen. Een zware brand te _Londen_, die van den
+twaalfden tot den zeventienden September duurde, een groot gedeelte
+der stad in de asch legde en millioenen schats vernielde, maakte,
+dat men in _Engeland_ zeer naar den vrede verlangde. Tot de plaats
+der onderhandelingen werd _Breda_ gekozen. Intusschen hoopte De Witt
+vooraf nog de geledene nederlaag en den brand van _Terschelling_
+op luisterrijke wijze te wreken, en had dus gezorgd, dat onze vloot
+goed uitgerust en volkomen van alles voorzien was.
+
+'t Was een koude en langdurige winter, en daardoor konden onze
+schepen eerst laat in het voorjaar uitloopen. De Staten-Generaal
+hadden weder goedgevonden, dat gemachtigden van hunnentwege den
+tocht zouden bijwonen. Daar de andere gewesten tegen de onkosten der
+uitrusting opzagen, had alleen _Holland_ er een benoemd. Dewijl nu
+de Raadpensionaris, die in persoon bij de vredesonderhandelingen te
+_Breda_ tegenwoordig moest zijn, dien tocht niet kon bijwonen, had
+men diens ouderen broeder, Cornelis de Witt, Ruwaard van _Putten_,
+Burgemeester van _Dordrecht_ en lid van de Admiraliteit der _Maas_,
+die betrekking opgedragen. Deze was een man van persoonlijken moed
+en wel bekend met het zeewezen. Het ware doel van den tocht werd
+intusschen zoo geheim gehouden, dat zelfs de listige en schrandere
+d'Estrades er niet achter kon komen.
+
+Door storm in haren voortgang vertraagd, kwam de vloot eerst den
+17den Juni in het _Koningsdiep_ ten anker. Van hier werd Van Gent
+met 17 schepen vooruitgezonden naar den _Theems_, om de daarliggende
+koopvaardijschepen aan te tasten en te vermeesteren. De Ruwaard
+zelf begaf zich op het schip van Van Gent om de onderneming te
+besturen. Daar echter die schepen tijdig genoeg de rivier waren
+opgezeild, begaf zich het smaldeel naar de _Medway_, ook wel de rivier
+van _Chattam_ of _Rochester_ genoemd. Aan den mond dier rivier lag
+de sterkte _Sheernesse_, die door Van Brakel en twee andere kapiteins
+beschoten en zonder veel moeite bemachtigd werd. Het fort werd geslecht
+en wat er bruikbaars in werd gevonden, onder de schepen verdeeld. Bij
+onderzoek bleek, dat de Engelschen twee groote schepen en vijf branders
+hadden laten zinken, om de doorvaart te beletten. Van Gent zond nu
+kapitein Tobias met vier schepen, drie jachten en twee branders de
+rivier op, om een weg te banen. Dit gelukte; doch eensklaps vond
+Tobias zich gestuit door een dikken ijzeren ketting, die aan beide
+oevers vastgehecht, over de rivier gespannen was. Achter dezen ketting
+lagen de "Unity", daarachter de "Carolus Quintus", "de Matthias" en
+de "Monmouth"; terwijl het schieten uit het kasteel _Upnor_ en van de
+beide oevers het verder opzeilen belemmerde. Kapitein Tobias zag zich
+dus genoodzaakt, van de onderneming af te zien, en waarschijnlijk zou
+het geheele plan mislukt zijn, had niet een omstandigheid aanleiding
+gegeven tot het uit den weg ruimen van alle hinderpalen. De Ruwaard had
+den kapiteins op lijfstraf verboden, iemand van hun scheepsvolk aan
+land te laten gaan. Kapitein Jan van Brakel had dit bevel overtreden
+en was op last van De Witt gevangen genomen. Vreezende zijn hoofd te
+zullen verliezen, begreep hij, dat hij zich door een waagstuk moest
+vrijkoopen. Hij bood dus aan met zijn schip, een slecht fregat, de
+"Unity" aan boord te klampen, de branders bij te brengen en het eskader
+een doortocht te verschaffen. De Ruwaard nam dit aan, Van Brakel werd
+ontslagen, en mocht weder aan boord gaan. Terstond zeilt hij vooruit,
+door den nauwen doorgang en de Nederlandsche schepen heen, vervolgt,
+met de beide branders achter zich, onder het hevige kruisvuur van
+den vijand zijn tocht en schiet niet, alvorens hij bij de "Unity"
+is. Nu geeft hij het fregat de volle laag, klampt het aan boord en
+is er in weinige oogenblikken meester van.
+
+Thans bleef nog de eenige hindernis, de keten, over. De Kommandeur Van
+den Rijn, die een der beide branders aanvoerde, zeilde er met zulk
+een geweld tegen aan, dat de zware ijzeren ketting doormidden brak,
+waarna hij zich terstond aan den daarachter liggenden "Matthias"
+hechtte, welken hij in brand stak. De andere branders kwamen nu ook
+door de gemaakte opening heen en trachtten den "Carolus Quintus" in
+brand te steken. Doch deze schoot hen beide in den grond, echter niet
+dan nadat een daarvan het schip in brand had gestoken. Van Brakel,
+met een paar sloepen daarbij gekomen, beklom nu het vaartuig, nam
+een gedeelte der manschap gevangen en liet het schip aan de vlammen
+over. Hierop namen de Vice-admiraal De Liefde en kapitein Tobias de
+door zijne manschap verlatene "Royal Charles," het admiraalsschip,
+een der grootste en schoonste bodems der Engelsche vloot, reeds ten
+tijde van Cromwell gebouwd en in 1660 gebruikt om koning Karel II
+naar Engeland over te brengen. Nu lag de "Mary" aan de beurt, die
+mede verbrand werd.
+
+Daar intusschen de eb was ingevallen, moest men met de vermeestering
+van de vier overige koningsschepen, die hooger op de rivier lagen,
+tot den volgenden dag, 23 Juni, wachten. Maar dat was weder een
+waagstuk. De Ruyter echter, door De Witt van de hoofdvloot ontboden,
+besloot het te beproeven. Zeven branders, naar de schepen afgezonden en
+door evenveel oorlogsvaartuigen begeleid, zeilden de rivier op, midden
+door het geweldige kruisvuur van het kasteel _Upnor_ aan de eene en van
+een zware batterij, aan de andere zijde der rivier gelegen, heen. Ook
+De Ruyter zelf sprong in een sloep om de onderneming te besturen,
+en de Ruwaard, dit ziende en evenmin bevreesd voor de vijandelijke
+kogels, besloot hem te vergezellen. De "Jacoba" en de Royal Oak", twee
+schepen elk van tachtig stukken, werden door twee branders vernield;
+terwijl een andere den "Loyal London" in brand stak. De kapitein van
+de "Royal Oak" verkoos niet van zijn schip af te gaan. "Nog nooit,"
+zeide hij, "heeft een Douglas (hij was een Schot en uit dit edele
+huis) den hem toevertrouwden post verlaten." En hoe men hem smeekte,
+zich te redden--hij liet zich met zijn vaartuig verbranden.
+
+Gij kunt u voorstellen, welk een schrik en ontzetting deze tocht
+in _Londen_, ja in geheel _Engeland_ verbreidde. In de hoofdstad
+werkte die zoozeer op de gemoederen, dat men daar reeds zijne
+kostbaarste goederen borg en op de vlucht sloeg. Doch spoedig
+werden zij gerustgesteld; want reeds den volgenden dag zeilden onze
+schepen, tevreden met het behaalde voordeel en verzekerd, dat men den
+Engelschman nu voor lang schrik had ingeboezemd, naar de hoofdvloot
+terug, waarmede De Ruyter een tijd lang den _Theems_ gesloten bleef
+houden. Van Brakel genoot de eer, de beide veroverde schepen, de
+"Unity" en de "Royal Charles" naar het Vaderland te voeren.
+
+De Ruwaard ontving van de Staten een gouden beker, waarop de
+onderneming was afgebeeld, benevens een rentebrief van f 30,000,
+De Ruyter een dergelijken beker en Van Gent f 12,000 en een gouden
+gedenkpenning. Ook de andere scheepshoofden werden voor de door hen
+bewezen diensten beloond.
+
+De tocht naar _Chattam_ bewerkte, wat de Raadpensionaris er mee
+bedoeld had: niet alleen hadden wij een belangrijke revanche genomen
+voor den brand van _Terschelling_, maar ook de vredesonderhandelingen
+werden er door bespoedigd en weldra ten einde gebracht. Het was dan
+ook reeds op den 31sten Juli van datzelfde jaar 1667, dat de vrede
+met _Engeland_ te _Breda_ werd gesloten en zoo een einde maakte aan
+den tweeden Engelschen oorlog.
+
+Reeds eenige weken vóór het sluiten van den vrede te _Breda_, was
+Lodewijk XIV, koning van _Frankrijk_, in de _Spaansche Nederlanden_
+gevallen. Deze inval, waarbij d'Estrades de medewerking der Staten
+eischte, omdat _Frankrijk_ ons, zoo het heette, in den oorlog tegen
+_Engeland_ had ondersteund, deed de noodzakelijkheid ontstaan om
+ons leger te velde te vergrooten en over dat leger een veldoverste
+te benoemen. Geen wonder, dat de Oranjepartij weder het oog op den
+Prins had geslagen, die nu reeds bijna zeventien jaren was. De
+Witt begreep dan ook, dat hij den Prins niet altijd daar buiten
+zou kunnen houden, en daartoe verzon hij een list, waardoor ten
+minste de verheffing van Willem Hendrik tot Stadhouder ten eenenmale
+onmogelijk zou worden. Hij maakte een staatsstuk, inhoudende, dat
+elke toekomstige Kapitein-admiraal of Generaal zou zweren, nooit naar
+eenig Stadhouderschap te zullen staan. Dit stuk, bekend onder den
+naam van _Eeuwig Edict_, waarbij de waardigheid van Stadhouder voor
+alle eeuwigheid in _Holland_ vernietigd werd, terwijl in de andere
+provinciën geen Stadhouder ooit Kapitein-admiraal of Generaal zou
+kunnen zijn, werd den 5den Augustus door de Staten van _Holland_
+aangenomen. Nu zult ge wellicht denken, dat men den Prins terstond
+tot de hoogste krijgswaardigheden verhief. Verre van daar. Wel werden
+er benoemingen gedaan, maar Zijne Hoogheid kwam niet in aanmerking;
+immers er was bij vroegere resolutiën bepaalt, dat hij vóór zijn
+twee-en-twintigste jaar geen hooge krijgsambten zou mogen bekleeden.
+
+Nog vloeide uit den inval van Lodewijk XIV in de _Spaansche
+Nederlanden_ voort het sluiten van een verbond, om _Frankrijk_ tot den
+vrede met _Spanje_ te noodzaken, en dat, daar het tusschen onzen Staat,
+_Engeland_ en _Zweden_ werd gesloten, den naam van Triple-alliantie
+of drievoudig verbond draagt. De bewerkers van deze alliantie, die
+den 28sten Januari 1668 werd vastgesteld, waren Johan de Witt en de
+beroemde Engelschman, de ridder William Temple.
+
+Wij gaan Dinsdag den 7den Februari van datzelfde jaar nog eens naar
+den Prins. Maar wij vinden hem nu niet op het _Binnenhof_, ook niet
+op het hof van _Brandwijk_,--wij zullen hem op een geheel andere
+plaats aantreffen. Wij gaan naar het _Buitenhof_, en wel naar de
+toenmalige hofstallen, "paardenberijdersstal" genaamd. "O," zegt
+gij, "dan had de Prins zeker weer nieuwe paarden gekocht, die hij
+den ouden Heenvliet wilde laten zien." Mis geraden! Vooreerst was
+de oude Heenvliet reeds dood; hij was kort na de terechtstelling
+van Buat gestorven. Maar ten tweede ziet gij in den geheelen stal
+noch paard noch karos; integendeel, al de paarden en karossen zijn
+naar andere stallen verhuisd, de stal is schoongemaakt, door baas
+Balkenende met planken bevloerd en met meer dan achthonderd zitplaatsen
+voorzien. Die zitplaatsen nu zijn geen ruwe houten banken, zooals in
+onze kermistenten; zij zijn keurig netjes en met kussens voorzien;
+want behalve de leden der Staten-Generaal, de leden van den Raad
+van State en van de Rekenkamer, de gekommitteerden van _Holland_,
+zijn de aanzienlijksten van den lande genoodigd; zelfs de Prins van
+_Toskane_, die te _Antwerpen_ logeert, is voor dezen avond expresselijk
+overgekomen. De wanden zijn rondom met keurige tapijten behangen,
+hier en daar zijn reusachtige spiegels aangebracht, rondom welke
+kunstig gekweekte bloemen; duizenden waskaarsen zijn op de zilveren
+luchters en armblakers geplaatst,--alles is keurig netjes ingericht
+en getuigt van den rijkdom van den Prins van _Oranje_, die dit alles
+bekostigd en er duizenden aan besteed heeft. Maar wij hebben niet alles
+gezien. Tegenover de zitplaatsen is een prachtig tooneel opgericht,
+insgelijks met tapijten behangen en waarop aan de eene zijde, keurig
+geschilderd, de vredemaagd staat met zeven pijlen in de hand, die de
+drie Brittannische koninkrijken, aan den anderen kant van het tooneel
+geplaatst, tot eeuwige vriendschap schijnt uit te noodigen. Ziet,
+daar worden de kaarsen opgestoken--straks zullen de hooge gasten
+binnentreden. Reeds komen de muzikanten.
+
+Maar er is nog meer te zien. Gaan wij achter het tooneel in die
+beide kamers. In de eene vinden wij herders en herderinnen, boeren
+en boerinnen, visschers en geniussen; allen verkleede dienaars van
+den Prins of tot deze gelegenheid gehuurd. Ieder van hen heeft een
+papier in de hand, waarop zijn rol staat. Het zijn echter allen
+zwijgende personen. In de andere kamer vinden wij een aanzienlijker
+gezelschap. Het is of wij op den Olympus zijn, zoo wemelt het hier
+van goden en godinnen. Ook zij houden hunne rollen in de hand,
+maar het zijn sprekende. En die goden en godinnen--het zijn wel geen
+hemelsche wezens--maar toch zijn het de goden der aarde, de grooten
+des lands. Begeven wij ons in hun midden; misschien hooren wij nog
+het een en ander, wat ons belang inboezemt.
+
+God Mercurius zit in een gemakkelijken armstoel; op de tafel naast hem
+ligt de gevleugelde slangenstok en de helm met vlerken. Gij herkent
+hem terstond. Het is Willem Hendrik van _Oranje_, de ontwerper en
+uitvoerder van deze tooneelvertooning (die men toen _dans_ noemde).
+
+Vóór Zijne Hoogheid staat een dame, wier dik middel en gevuld lichaam
+verraadt, dat zij niet tot de sekse behoort, welke zij voorstelt. Een
+paar groote vleugelen, aan hare schouders vastgehecht, en de blinkende,
+lange bazuin, die zij in de hand houdt, doen ons haar erkennen voor
+De Faam. Het is de Heer Van Obdam. Hij is in druk gesprek gewikkeld
+met God Mercurius, maar niet over hemelsche zaken, o neen, over
+zeer aardsche.
+
+"Uwe Hoogheid heeft vier schoone paarden van Haren oom, Zijne
+Majesteit den koning van _Engeland_ ten geschenke gekregen," begint
+hij. "Ik hoor, dat 's Konings stalmeester de hertog van Ormont ze
+heeft overgebracht."
+
+"Gij hebt het reeds gehoord, Obdam," antwoordt de Prins. "Het zijn
+juweelen van beesten, gij moet ze eens komen zien. Mijn oom heeft
+mij zeker willen troosten voor de smart, die hij wellicht meent, dat
+mij het Eeuwig Edict veroorzaakt.--Van het Eeuwig Edict gesproken,
+Obdam! Zeg mij, is het waar, dat men den voorzittersstoel op de Rol
+van het Hof heeft weggenomen?"
+
+"Dien stoel met de wapens van uw huis?" vraagt Obdam. "Ik heb daar
+niets van vernomen. Doch daar komt Van der Lek; hij zal het Uwer
+Hoogheid wel kunnen zeggen."
+
+Inderdaad komt de maagd van _Holland_, in het geschubde pantser met
+den wapenrok aan en de sandalen aan de voeten, met den koperen helm
+op het hoofd, de speer in de eene en het schild met den klimmenden
+leeuw in de andere hand, zeer deftig en gratieus aanwandelen.
+
+"Zeg eens Van der Lek," zegt de Prins. "Is het waar, dat men den
+voorzittersstoel op de Rol van het Hof heeft weggenomen?"
+
+"Zoo is het, Uwe Hoogheid!" antwoordt deze, en voegt er met fijne
+vleierij bij: "Men zal hem willen schoonmaken, tegen den tijd, dat Uwe
+Hoogheid er op zitten moet. Er was in de jaren, dat hij leeg stond,
+zooveel onedel stof opgekomen."
+
+"Hoofsche vleier!" dreigt de Prins. "En dat moet ik uit den mond van
+_Holland_ hooren."
+
+"Tijd baart rozen, Uwe Hoogheid," herneemt Van der Lek. "Er zal
+een tijd komen, dat _Holland_ u zal waardeeren, zooals ik, haar
+representant, u waardeer. Maar zie eens," vervolgt hij, terwijl
+hij naar twee andere dames wijst, den Heer Du Ha (de tweedracht) en
+den Heer Lauron (de vrede), die beiden in druk gesprek door de kamer
+wandelen. "Als wij hier niet op den Olympus waren, zou men zich bijna
+verbeelden, dat het duizendjarig rijk was gekomen. De tweedracht en
+de Vrede wandelen daar samen als vriendinnen. Laat toch de fakkel
+der eene den palmtak des anderen niet verbranden."
+
+"Geen nood, Van der Lek," zegt de Prins. "De fakkel brandt nog
+niet. Straks mag Lauron voorzichtig zijn."
+
+"Voorzeker, Uwe Hoogheid!" zegt Valkenburg, die _Engeland_ moet
+voorstellen. "Maar nu _Engeland_ zoo dicht bij _Holland_ komt te staan,
+en zij elkander niet eens de tanden laten zien,--nu heeft de fakkel
+van de tweedracht ook geen gevaar voor den vredepalm."
+
+"Gij hebt gelijk, Valkenburg," hervat de Prins. "En wat zegt gij van
+mijne nieuwe paarden?"
+
+"Ik zag ze van middag, Uwe Hoogheid, en ik durf zeggen dat ik er
+trotsch op ben, den edelen god des koophandels iets te hebben mogen
+schenken, wat zijner waardig is."
+
+"Nu zal _hij_ er zich nog de eer van toeëigenen," zegt Van der Lek.
+
+"De Hollandsche maagd gelieve te bedenken, dat mijn zoon de koning
+van _Groot-Brittannië_, de schenker is van dat heerlijke vierspan."
+
+"Het is waar ook," herneemt Van der Lek lachend. "Ik dacht er niet aan,
+dat gij Engeland voorstelt."
+
+"En ik heb vernomen, dat Uwe Hoogheid mijner dochter der koningin
+van _Engeland_, een kostbaar tegengeschenk zal zenden."
+
+"O, die babbelaars!" zegt de Prins. "Dat heeft mijn stalmeester
+u verteld."
+
+"Inderdaad, zal Uwe Hoogheid een tegengeschenk zenden?" vraagt
+Obdam. "En als ik vragen mag, waarin zal dat bestaan?"
+
+"Herinnert gij u nog die prachtige teekening van een narrenslede,
+die ik u gisteren liet zien, Obdam?" vraagt de Prins.
+
+"In den vorm van een vergulden, liggenden leeuw?" zegt Obdam. "O
+voorzeker."
+
+"Welnu, ik heb er zoo een besteld. Maar natuurlijk zal het geheel
+met tal van koninklijke kronen prijken. Het paardentuig met gouden
+franje en kwispels, en 500 vergulde zilveren bellen zal daarbij zeer
+goed staan. Ik verlang natuurlijk, dat het niet te wereldkundig worde."
+
+Een page komt binnen en zegt:
+
+"Uwe Hoogheid! De gasten zijn er allen. Het is zeven uren. Beveelt
+Uwe Hoogheid dat er begonnen worde?"
+
+"Ga de personen in de andere kamer waarschuwen en laat ieder zich
+op zijn post begeven, opdat zij gereed staan, als het scherm wordt
+opgehaald. Mijne Heeren! Maakt u gereed."
+
+En door De Faam geholpen, zet de Prins zijn Mercuriushoed op, neemt
+zijn staf in de hand en begeeft zich achter het tooneel, om te kunnen
+verschijnen, als het zijn tijd is.
+
+Daar de zaal echter niet groot genoeg was om meer gasten te bevatten,
+herhaalde men den volgenden Dinsdag de tooneelvertooning en noodigde,
+onder andere personen, ook de hoven van justitie uit. Doch deze,
+gebelgd dat zij op de napret verzocht werden, bedankten. Ook voeren de
+predikanten er van den predikstoel tegen uit en noemden haar openlijk
+zondig; zoodat (zegt Aitsema) het bal duizenden had gekost en toch
+maar onrust gaf.
+
+Eer ik dit Hoofdstuk sluit, moet ik nog een trek van edele
+onbaatzuchtigheid van den Raadpensionaris verhalen. De Witt kreeg van
+de Ridderschap f 15,000, van de Hollandsche steden f 42,000. Toen men
+hem van wege de Staten-Generaal een cadeau van f 100,000 wilde geven,
+wist hij dat door zijn invloed te beletten.
+
+
+
+
+VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
+
+Wat er met den Prins in Zeeland voorviel.
+
+
+Het was in de maand September 1668. 's Prinsen goeverneur, de Heer Van
+Gendt, was om familie-aangelegenheden naar _Gelderland_. Hiervan maakte
+de Prins, die binnen twee maanden zijn achttiende jaar zou bereiken
+en dan van alle voogdij ontslagen zijn, gebruik tot het maken van
+een uitstapje, van hetwelk hij aan geen zijner educatoren kennis gaf.
+
+Onder het voorgeven van eenige jachthonden en valken te willen
+probeeren hem door zijn koninklijken oom Karel II geschonken, was
+hij heimelijk uit _Den Haag_ vertrokken en had zich met het jacht van
+Hare Hoogheid de Prinses-weduwe naar _Bergen-op-Zoom_ begeven. Daar
+wachtte hem, volgens afspraak, een ander jacht, van de gecommitteerde
+Raden van Zeeland, waarop zich eenige van de voornaamste Heeren van
+die provincie bevonden, om Zijne Hoogheid te ontvangen.
+
+Met dit vaartuig voor het hoofd van _Arnemuiden_ gekomen, zond men
+een edelman naar _Middelburg_, om de Heeren Staten en gecommitteerde
+Raden van 's Prinsen aankomst te verwittigen, die spoedig daarop in
+een menigte met vlaggen en wimpels versierde sloepen Zijne Hoogheid
+kwamen afhalen. Zes vendels burgers met hunne vaandels en muziek,
+stonden bij zijne aankomst te _Middelburg_ in twee rijen geschaard,
+om hem te ontvangen, en door die dubbele rijen heen en omstuwd van de
+edelsten van _Zeeland_, wandelde hij naar de "Abdy," die voor hem in
+orde was gebracht, waar hij zijn intrek nam en waar Pieter de Huybert,
+Pensionaris van _Zeeland_, hem met een aanspraak welkom heette.
+
+Het was een vreugdedag voor de goede stad _Middelburg_. De geheele
+bevolking poogde, door het uitsteken der vlaggen, algemeene illuminatie
+en het branden van vreugdevuren, hare blijdschap aan den dag te leggen
+over de komst van den jeugdigen vorst en van hare gehechtheid aan
+het geliefde stamhuis van _Oranje_.
+
+Den volgenden dag, Dinsdag den 18den September, werd de Prins in statie
+afgehaald door eenige afgevaardigden en geleid naar de Vergadering
+der Staten van _Zeeland_, te midden van het uitbundig gejuich eener
+overgroote volksmenigte, die, evenals den vorigen dag, de lucht deed
+daveren van hun: "Leve de Prins!" en "Oranje boven!"
+
+In de vergadering gekomen, werd hij geleid naar de voor hem bestemde
+eereplaats, en verklaarde de Pensionaris De Huybert uit naam der
+Staten, dat _Zeeland_ altijd geijverd had voor de verheffing van den
+Prins, dat _Holland_ steeds door zijne oppermacht was tusschenbeide
+getreden, maar dat dan nu ook eerstgenoemde provincie wenschte gebruik
+te maken van een recht, dat geen ander gewest haar kon ontnemen, dat
+zij den Prins wenschte te verheffen tot eerste edele van _Zeeland_. De
+Prins beantwoordde deze rede met de volgende aanspraak:
+
+"Het standvastig vervolg uwer gunst benoodzaakt mij tot dankbaarheid;
+en het vorig raadsbesluit tot mijne vordering, wanneer ik achttien
+jaar bereikte, om de verwachte begeerte niet langer door achterblijven
+terug te stellen, ten einde ik door gevolmachtigden den plicht van
+Eersten Edele, ten besten dezer Staat, dankelijk voldoen mag. Dit is
+niet buyten verstand met de overige Landschappen, byzonder _Holland_,
+nastappende de goede voorbeelden onzer Doorluchte vaderen."
+
+Het geschal der trompetten en het donderen van het geschut liet
+zich nu hooren en de Voorzitter bood den Prins een flesch met gouden
+dukaten aan, als hulde van _Zeeland_; waarna Zijne Hoogheid zich in
+volle statie naar de "Abdy" begaf.
+
+Nog denzelfden dag schreef de Prins een brief aan zijne grootmoeder,
+waarin hij haar kennis gaf van zijn vertrek naar _Zeeland_, alwaar
+hij zijne goederen wilde bezien, als zijnde het de gewoonte, dat
+alle vasallen met hun zestiende jaar hunne leenen kwamen verheffen
+(goederen ontvangen) van de grafelijkheid. In _Holland_ had de tijding
+van 's Prinsen benoeming verschillende uitwerking. De Oranjepartij
+deed openlijk hare blijdschap over die verheffing blijken, terwijl de
+aanhangers der Staatspartij het den Prins zeer euvel duidden, dat hij
+naar een ander gewest was verreisd, zonder er den Staten van _Holland_
+kennis van te geven; ja zelfs waren er, die durfden beweren, dat hij
+zich ondankbaar toonde jegens _Holland_, dat hem zooveel weldaden
+had bewezen.
+
+Onze Prins echter dacht er op dit oogenblik weinig aan, hoe de zaak in
+_Holland_ zou worden opgenomen. Hij was bezig zich te kleeden voor het
+diner, dat hem dezen middag door de Staten op het stadhuis zou worden
+aangeboden. Juist was hij daarmede gereed, toen zijn kamerdienaar hem
+kwam berichten, dat er een meisje was, hetwelk hem wenschte te spreken.
+
+"Zeg haar, dat ik geen tijd heb--dat ik niet te spreken ben."
+
+"Dat heb ik haar reeds gezegd, Uwe Hoogheid. Maar zij laat zich
+niet terugwijzen en heeft mij instantelijk gebeden, Uwe Hoogheid te
+verzoeken, haar te woord te staan."
+
+De Prins, die zich tegenover het vrouwelijk geslacht nooit op zijn
+gemak bevond, die daarenboven op dit oogenblik in geen stemming was om
+zich met andere zaken bezig te houden, antwoordde min of meer knorrig:
+
+"Welnu, dan zegt gij haar nogmaals, dat ik vandaag niet te spreken
+ben. Laat haar morgen terugkomen."
+
+De kamerdienaar ging: doch kwam spoedig terug en bracht zijner Hoogheid
+een ring mede.
+
+"De deern heeft mij dezen ring voor Uwe Hoogheid gegeven," zeide
+hij. "Als Uwe Hoogheid dien zag, zou Zij haar wel te woord staan."
+
+De Prins nam den ring, bezag dien en zeide:
+
+"Laat het kind in mijn kamer. Ik ken dien ring. Zij heeft mij zeker
+iets belangrijks mede te deelen."
+
+Weinige minuten later trad de Prins zijn kamer binnen, waar
+Martha--want mijne lezers zullen wel begrepen hebben, dat zij het
+was--hem reeds met ongeduld verbeidde. Zoodra zij Zijne Hoogheid zag,
+barstte zij nu in tranen los. Deze bevond zich daardoor nog minder
+op zijn gemak. Intusschen vermande hij zich en zeide:
+
+"Wie ben je? Wat moet je van mij? Hoe kom je aan dezen ring?"
+
+Het meisje droogde hare tranen af.
+
+"Uwe Hoogheid!" riep zij uit. "Ik ben de zuster van Pieter
+Pietersz. Mijn arme broeder zit in de gevangenis."
+
+"In de gevangenis? Wat heeft hij dan gedaan?"
+
+"Niets, Uwe Hoogheid! Niets."
+
+"Maar men zet iemand toch niet in de gevangenis, wanneer hij niets
+gedaan heeft."
+
+"En toch is hij onschuldig, Uwe Hoogheid."
+
+"Onschuldig, en in de gevangenis. Dat komt mij verdacht voor. Waarvan
+beschuldigt men hem dan?"
+
+"Van moord, Uwe Hoogheid. Zij zeggen, dat mijn arme broeder Pieter een
+moordenaar is. Maar Uwe Hoogheid zal dat toch niet gelooven. Zij weet,
+dat Pieter een brave jongen is."
+
+De Prins, die wel bemerkte, dat hij met Martha niet vorderde, begreep,
+dat hij zijn tijd nutteloos verspilde, indien zij niet tot de zaak
+kwam.
+
+"Zeg mij dan, meisje," hernam hij ongeduldig, "wat er gebeurd is en
+waartoe je bij mij komt."
+
+"Uwe Hoogheid weet, dat mijn broeder door Uwe aanbeveling als tweede
+meesterknecht aan de werf der Admiraliteit was geplaatst. Drie
+maanden geleden kreeg de eerste meesterknecht, die reeds oud was,
+zijn pensioen en benoemden de heeren van de Admiraliteit mijn broeder
+in zijne plaats. Hij had nu meer onmiddellijk te doen met den baas van
+de werf, een man van een ongemakkelijk humeur en met wien hij dikwijls
+onaangenaamheden had. Intusschen bleven de zaken altijd binnen de
+palen. Een dag of acht geleden echter had er zulk een hevige twist
+plaats, dat de baas zich niet ontzag, hem een slag te geven."
+
+"En zulks dien driftkop van een Pieter!" riep de Prins uit. "Toen
+heeft Pieter hem zeker een ongelukkigen slag toegediend."
+
+"Neen, Uwe Hoogheid," hernam Martha. "Dat zou misschien het geval zijn
+geweest (want Pieter is driftig) indien niet de kameraads tusschenbeide
+waren gekomen, en hem van den baas hadden weggescheurd. Uwe Hoogheid
+kan zich voorstellen, hoe woedend Pieter was. In zijn drift zwoer
+hij bij hoog en bij laag, dat het den baas zou berouwen en dat
+hij het hem betaald zou zetten. Maar Uwe Hoogheid weet ook, dat
+driftige menschen niet wraakzuchtig zijn. Zoo is het ook met onzen
+Pieter. Als hij zich omkeert, is hij weer goed. Intusschen kon hij
+dien slag toch niet verkroppen, en deelde mij mede, dat hij van
+plan was, den baas bij de Admiraliteit aan te klagen en te verzoeken
+om verplaatsing. Ik trachtte hem dat uit het hoofd te praten; maar
+het gelukte niet. Hij kleedde zich aan en ging de deur uit naar den
+President der Admiraliteit. Hij vond dien echter niet thuis, zooals
+hij mij verhaalde, toen hij terugkwam."
+
+"En hoe staat dat nu in verband met de beschuldiging?"
+
+"Den volgenden morgen werd mijn arme Pieter met schout en dienders de
+deur uitgehaald. Men had het lijk van den scheepstimmermansbaas op den
+singel vinden liggen, met een messteek doorboord. Nu had men den twist
+van den vorigen dag met de woorden van Pieter in verband gebracht, en,
+daar de moord juist moest hebben plaats gehad in den tijd, dat mijn
+broeder naar den President der Admiraliteit was, zoo begreep men,
+dat zij elkander ontmoet hadden, en de twist opnieuw begonnen was;
+ja, sommigen gingen zelfs zoo ver, van te beweren, dat Pieter hem
+had opgewacht, om zoo zijn wraakzucht te koelen."
+
+"Daar heeft het dan ook veel van, meisje," zeide de Prins "en uw
+broeder zal zich moeielijk uit deze zaak redden. Zijn ontkennen zal
+hem weinig helpen."
+
+"Maar Uwe Hoogheid gelooft toch niet, dat Pieter schuldig is?"
+
+"Ik kan noch over zijne schuld, noch over zijne onschuld beslissen,"
+hernam de Prins. "Maar wat voert je tot _mij_?"
+
+"Ik hoorde gisteravond, dat Uwe Hoogheid te _Middelburg_ was
+aangekomen, en ging van morgen reeds vroeg naar de gevangenis, om het
+Pieter mede te deelen. Toen gaf hij mij den ring, dien Uwe Hoogheid
+hem eens had geschonken, en bad mij, naar U toe te gaan, met de bede
+om hem te hulp te komen. Begrijp eens, Uwe Hoogheid! men heeft hem
+reeds met de pijnbank gedreigd."
+
+"Met de pijnbank!" zeide de Prins bedenkelijk. "Hoor eens, meisje,"
+ging hij voort. "Ik zal doen wat ik kan. Maar je weet: het recht moet
+zijn loop hebben, en als je broeder schuldig is, kan ik er niets aan
+doen. Zeg hem intusschen, dat ik hem morgen kom bezoeken."
+
+"Uwe Hoogheid zal mijn armen Pieter in zijn gevangenis bezoeken!" riep
+Martha uit, terwijl zij de hand van den Prins greep en die kuste. "In
+trouwe, dat zal den goeden jongen een groote troost zijn!"
+
+"Ga nu heen! Hier is de ring van je broeder. Wacht!--Ga naar den
+schout en verzoek hem uit mijn naam, tot geen pijnlijke middelen over
+te gaan alvorens ik hem gesproken heb."
+
+"Ik dank Uwe Hoogheid!" zeide Martha. "God moge haar zegenen voor
+hetgeen zij aan mijn broeder doet!"
+
+Onder den maaltijd sprak de Prins met den Pensionaris De Huybert,
+die advokaat was, over zijn gunsteling, en verzocht hem, zich met een
+onderzoek van die zaak te belasten. Daar de Pensionaris den Prins den
+volgenden dag naar _Vlissingen_ zou vergezellen, waar Zijne Hoogheid
+de werven der Admiraliteit in oogenschouw zou nemen, was dat een
+gemakkelijke zaak. Ook beloofde de Pensionaris den Prins, hem in de
+gevangenis te vergezellen en den gevangene zelf te ondervragen.
+
+'t Was den volgenden dag een vreugde in _Vlissingen_, toen de Prins
+daar kwam. Nadat Zijne Hoogheid, door al de leden der Admiraliteit
+vergezeld, de werven bezichtigd had, begaf Zij zich met den heer
+De Huybert naar den Schout, en liet zich de stukken betreffende
+de rechtzaak van Pieter geven. Toen de Pensionaris de akten had
+doorgelezen, zeide hij:
+
+"Mijnheer de Schout! Er bestaan hier geene termen, die u van rechtswege
+dwingen, tot de pijnbank over te gaan. Wel is waar, de beklaagde
+_persisteert_ [45] bij zijne onschuld. Maar gij hebt geen andere
+_presumptie_ [46], dan een twist, een ontvangene beleediging en eenige
+woorden in drift geuit. Het vorige leven van den jongeling _prouveert_
+[47] tegen de misdaad. Ook bestaat er--en dat verzoek ik u vooral te
+_considereeren_ [48],--volstrekt geen _corpus delicti_ [49] en waar
+dat ontbreekt en geen getuigen zijn om de misdaad te _confirmeeren_
+[50] schrijft de wet eerder voorzichtigheid voor dan pijn en banden."
+
+"Daarbij komt," merkte de Prins aan, "dat de beklaagde bij mij bekend
+staat als een driftkop, die echter zich niet omkeert, of de toorn is
+bedaard. Wraakzucht is nooit zijn zwak geweest." En de Prins verhaalde
+het gebeurde op het veldijs.
+
+"Gij ziet, mijnheer de Schout," hernam de Pensionaris, "dat er hier
+_premissen_ [51] bestaan, die genoeg _prouveeren_, dat naar alle
+waarschijnlijkheid de misdaad niet is gepleegd door den beklaagde:
+omdat er sprake is van moord met _voorbedachten rade_. Mijns erachtens
+[52] moogt gij de pijnbank niet _appliceeren_ [53]."
+
+"Het oordeel van UEdelgestrenge is mij een wet," zeide de
+Schout. "Intusschen geloof ik, dat er geene _motieven_ [54] bestaan
+tot vrijspraak."
+
+"Dat volstrekt niet," hernam de Pensionaris. "De voorzichtigheid
+eischt, den gevangene te houden tot er meerdere bewijzen zijn tot zijne
+loslating. Zoo lang blijven er zware _presumptiën_ tegen hem bestaan."
+
+Op dit oogenblik werd den Schout een verzegelde brief overhandigd.
+
+"Daar is haast bij," zeide de klerk, die den brief overreikte. "Een
+bode, die hem bracht, heeft mij aanbevolen, UEd. dien terstond te
+overhandigen met de boodschap om hem onmiddellijk te lezen."
+
+De Schout nam den brief aan, en zich tot den Prins wendende, zeide hij:
+
+"Met uw verlof, Uwe Hoogheid!"
+
+"Ga uw gang, heer Schout," antwoordde de Prins. "Dienstzaken gaan
+vóór alles."
+
+De Schout las, en onder het lezen helderde zijn gelaat op.
+
+"Uw gunsteling is vrij, Uwe Hoogheid!" zeide hij. "De ware moordenaar
+is ontdekt."
+
+"Wat zegt gij?" riep de Prins uit.
+
+"Lees zelf, Uwe Hoogheid!" antwoordde de Schout.
+
+De Prins nam den brief en las:
+
+
+ Uyt Zierikzee, den 19den van Herfstmaend, 1668.
+
+ Edele, gestrenge, Erentfeste, welwijze zeer voorzienige Heere!
+
+
+ Mitsdien het eene sake van groot gewicht is, recht ende
+ gerechtigheyt te bevorderen, zo sy UEd. mitsdezen gemelt,
+ dat de persoon van Pieter Pietersz, die by UEd. in detensie
+ is zittende, onder presumptie van vermoord te hebben den
+ scheepstimmerman Adriaan Roelofsz, aen dat forfeit ten eenemale
+ onschuldig is. Het bovenstaende sal UEd. duidelijck blijcken
+ uyt nevensghaende confessie, door den waren schuldighen
+ gedaen aen my in presentie van twee getuyghen, waervan is acte
+ opgemaeckt door my, Schoute van de goede stadt van _Zierikzee_.
+
+ UEd. aenbevelende in de hoede en de gunst des Hemels, versoeck
+ ik UEd. my te geloove.
+
+ Edele, gestrenge, erentfeste, welwijze zeer voorzienige Heere
+
+
+ Uwen Dienstwilligen Dienaer
+ en oprechten vrund
+ Jan Douwes de Beer.
+
+
+De Prins las den brief en de ingesloten akte, waarvan wij alleen den
+inhoud willen mededeelen.
+
+Den avond van den 17den September, had er tusschen een paar matrozen en
+twee andere personen in de herberg "de Schiemansmaat" te _Zierikzee_
+een gevecht met messen plaats gehad, waarbij een der vechtenden,
+de ons bekende Jan IJzer, doodelijk was gewond. De geneesheer, die
+geroepen was, verklaarde dan ook aan den gewonde, dat hij nog slechts
+weinige uren te leven had, en zond hem een predikant. De stervende
+nu, in den grootsten doodsangst zijnde, bekende den geestelijke,
+dat hij kort geleden een moord had begaan, waarvoor een onschuldige
+in de gevangenis zat. De predikant maande hem aan deze zaak aan de
+bevoegde autoriteit mede te deelen, en zorgde dan ook dat de Schout
+met twee getuigen aan zijn sterfbed kwam, aan welke hij de volgende
+bekentenis deed:
+
+Meer dan een jaar geleden, had Jan IJzer op de werf der Admiraliteit
+als knecht gewerkt, doch op diefstal betrapt, was hij door den
+scheepstimmerman Adriaan Roelofsz, ondanks zijn smeeken, aan de
+bevoegde autoriteit overgeleverd, die hem daarvoor tot geeseling op het
+schavot had veroordeeld, welke straf hij dan ook had ondergaan, kort
+voor Pieters komst op de werf. Daarna uit de stad en hare jurisdictie
+verbannen, had hij elders een goed heenkomen moeten zoeken; terwijl
+hij echter in zijn hart zwoer, te eenigen tijde wraak te nemen op
+den onbarmhartigen Roelofsz. Met dit doel was hij, toevallig op den
+dag van den twist tusschen Pieter en den scheepstimmermansbaas, in
+het geheim te _Vlissingen_ gekomen, om zijn opzet te volvoeren. Hij
+wist, dat Adriaan Roelofsz, om van de werf naar zijn huis te komen,
+den singel moest loopen en had hem op de donkerste en eenzaamste
+plaats opgewacht en vermoord. Voor hij den volgenden dag vertrok,
+vernam hij de gevangenneming van Pieter en de zware verdenking, die er
+op dezen rustte. Volkomen gerust, dat men nu hem niet van den moord
+kon verdenken, verliet hij den volgenden dag tegen den avond de stad
+en had zich naar _Zierikzee_ begeven, alwaar hij dien bewusten avond
+in den ons bekenden twist werd gewond. Zóó slecht nu was onze Jan
+niet, dat hij met een dubbelen moord op zijn geweten de eeuwigheid
+had durven ingaan. Het overige is ons bekend. Hij toonde innig berouw
+over zijne zonden, en stierf omtrent twee uren daarna. Schout De Beer,
+vreezende, dat het anders te laat mocht komen, had zich gehaast de
+akte op te maken en die met den bijliggenden brief door een bode naar
+_Vlissingen_ laten brengen.
+
+Toen de Prins beide stukken gelezen had, zeide hij:
+
+"Mijnheer de Schout, gij kunt mij een dienst bewijzen."
+
+"Ik, Uwe Hoogheid? Spreek, en als het in mijne macht staat U genoegen
+te doen, zal het van mij niet afhangen."
+
+"Reeds vooraf dank voor Uwe goedheid," hernam de Prins. "Leen mij voor
+een paar uren deze papieren, en geef mij een bevel van vrijstelling
+voor den gevangene."
+
+"Uwe Hoogheid heeft slechts te bevelen," antwoordde de Schout. "Ik
+zal Haar dadelijk het bevel van vrijlating opmaken."
+
+"Ga uw gang," hernam de Prins. "Ik zal er op wachten."
+
+"Welnu, Uwe Hoogheid," zeide de Pensionaris. "Had ik ongelijk, toen
+ik U zeide, dat er meer doorslaande bewijzen voor de schuld des
+beklaagden moesten zijn?"
+
+"Ik bewonder Uwer Edelheids diepe rechtskundige kennis. Indien ik
+daarvan niet overtuigd geweest ware, zou ik dan van U de moeite hebben
+gevergd, die ik van U heb gevraagd?"
+
+"Uwe Hoogheid te dienen zal steeds het hoogste voorwerp van mijn
+streven zijn," hernam de Pensionaris.
+
+"Ik dank U, mijnheer de Pensionaris. En uw aanbod maakt mij zoo vrij,
+nogmaals van Uwe goedheid gebruik te maken en U te verzoeken, mij
+naar den President der Admiraliteit te vergezellen."
+
+"Het zal mij een singuliere eer zijn, Uwe Hoogheid," was het antwoord
+van den Pensionaris.
+
+Op dit oogenblik kwam de Schout met het beloofde vrijlatingsbiljet
+binnen en overhandigde het den Prins.
+
+"Ik dank U, mijnheer de Schout," antwoordde deze, terwijl hij opstond
+om heen te gaan. "Ik kan er nu zeker van zijn, dat de gevangene niet
+los komt, vóór ik hem ga halen."
+
+"Daarvan kan Uwe Hoogheid ten volle verzekerd zijn," gaf de Schout
+ten antwoord, terwijl hij den Prins naar de karos geleidde, die
+hem wachtte.
+
+Op het oogenblik, dat de karos zou wegrijden, wenkte de Prins den
+Schout, die met ontblooten hoofde op zijn stoep stond.
+
+"Nog een verzoek, mijnheer de Schout," zeide hij. "Wees zoo goed,
+te zorgen, dat de zuster van den gevangene zich bij hem in den kerker
+bevindt. Over een uur denk ik hem te verlossen. Dat echter alles een
+diep geheim blijve."
+
+Wij treden ongeveer een uur later in de gevangenis van Pieter
+binnen. Het is een treurig verblijf, zooals de gevangenissen trouwens
+gewoonlijk zijn. Een houten bank en een strooleger zijn het geheele
+ameublement, terwijl een aarden kruik met water op den grond staat
+en het nog onaangeroerde zwarte brood aantoont, dat de arme jongeling
+weinig appetijt heeft. Treurig en in zich zelf verzonken zit hij daar
+op de ruwe bank; gisteren toch bij het laatste verhoor heeft de Schout
+hem met de pijnbank gedreigd. Die pijnbank was een vreeselijk werktuig,
+nog uit de middeleeuwen afkomstig, waarop de ongelukkige werd gelegd en
+zijne ledematen zoolang werden uitgerekt, of door schroeven verwrongen
+en gekneld, tot hij bekende--niet altijd wat hij gedaan had, maar ook
+dikwerf wat men wilde dat hij bekennen zou. Zou hij bij de ontkenning
+der hem toegelegde misdaad kunnen volharden, of zouden de pijnen
+hem dwingen tot de bekentenis van een daad, waaraan hij geheel en al
+onschuldig was?--En als hij bekende--dan werd zijn doodvonnis geveld,
+dan kon hij de dagen wel tellen, die hij nog te leven had. En dan te
+sterven--zoo jong, zoo levenslustig!--En dan zóó te sterven--op een
+schavot, onder beulshanden!--Vreeselijk!--Maar Martha had hem beloofd,
+naar den Prins te gaan, die in _Middelburg_ was. Zou die gang wat
+uitwerken? Wat zou Zijne Hoogheid er aan doen?--Zou die bij machte
+zijn, het recht te keeren?--Daartoe immers ontbrak Haar de macht.
+
+Deze en dergelijke gedachten vervulden de ziel van onzen armen
+Pieter, en maakten hem angstig. Hij vouwde de handen, sloot de oogen
+en bad--bad lang en vurig tot God om uitredding, smeekte Hem om hem
+kracht te schenken in de verdrukking en zijn onschuld aan het licht
+te brengen. Bemoedigd stond hij op; want er is niets dat den mensch
+meer moed schenkt in het ongeluk, dan het gebed. Dat had Pieter reeds
+van zijn vader geleerd, dat had zijne brave Admiraal hem zoo dikwerf
+ingeprent,--dat had hij dan ook reeds meermalen ondervonden. Hij
+wandelde eenige malen zijn engen kerker op en neer, toen hij den
+grendel van zijn deur hoorde afschuiven. De deur ging open, en Martha
+stond voor hem.
+
+"Daar doe je goed aan, Martha!" zeide Pieter, "dat je mij komt
+vertroosten. En heb je den Prins gezien? Heb je hem gesproken? Geloofde
+hij aan mijn onschuld, of hield hij mij voor schuldig?"
+
+"Ik zou je reeds vroeger bezocht hebben," antwoordde Martha, "maar
+toen ik van morgen aan je gevangenis kwam, weigerden zij mij den
+toegang. Nu echter ben ik door een dienaar van den Schout geroepen,
+om bij je te komen. Wat wil je van mij?"
+
+"Ik?"--hernam Pieter. "Ik weet er niets van. Maar antwoord mij op
+mijne vragen. Hoe heb je het bij den Prins gevonden?"
+
+Martha verhaalde hem hare ontmoeting met den Prins. Toen zij geëindigd
+had zeide Pieter:
+
+"Zal Zijne Hoogheid mij komen bezoeken? En heeft hij dat gezegd?--Maar"
+... vervolgde hij treurig, "zou hij zijn woord houden? Ach,
+Martha! zulke groote heeren weten zoo weinig, wat een arm mensch
+lijdt."
+
+"Zijne Hoogheid _zal_ woord houden," hervatte Martha. "Reeds het
+verzoek, dat ik van morgen uit zijn naam aan den Schout heb gedaan,
+heeft je voor heden van de pijnbank bevrijd. Hoop dus."
+
+"Hopen, Martha! En de Prins zelf heeft gezegd, dat hij er niets aan
+zou kunnen doen en dat het recht zijn loop moest hebben."
+
+"Dat is waar--doch.... Luister, daar komen menschen. Ik hoor stappen
+in de gang. Zou het Zijne Hoogheid zijn?"
+
+"Misschien wel.--Is hij dan reeds hier?"
+
+"O, ja--reeds van morgen gekomen. Hij heeft de werven der Admiraliteit
+bezocht. Hij ..."
+
+Martha kon niet voleindigen wat zij wilde zeggen; want de deur ging
+open en de Prins gevolgd, door den Pensionaris De Huybert, den Schout
+en twee heeren der Admiraliteit, trad de gevangenis binnen.
+
+"Pieter Pietersz," begon de Prins, terwijl zijn gelaat van dat innige
+genoegen straalde, hetwelk men ondervindt als men wéldoet. "Pieter
+Pietersz, ik breng je goede tijding!"
+
+"Goede tijding, Uwe Hoogheid! Zal men dan eindelijk overtuigd zijn,
+dat ik geen moordenaar ben?"
+
+"Dat zou je weinig baten, mijn vriend," hernam de Prins. "Dan zou
+men je bij gebrek aan bewijzen loslaten en geheel _Vlissingen_ zou
+je houden voor den moordenaar van Adriaan Roelofsz."
+
+Pieter liet het hoofd zakken.
+
+"Ik breng je betere tijding," hervatte de Prins. "Je onschuld is aan
+het licht gekomen; want de ware schuldige is ontdekt."
+
+"Gode zij dank!" riep de jongeling uit, en deze tijding ontstelde hem
+zoo zeer, dat hij schier bewusteloos op de bank nederzonk. Martha
+ondersteunde hem. Spoedig echter herstelde hij zich, trad naar den
+Prins toe, greep diens hand en overdekte die met zijne kussen.
+
+"En Uwe Hoogheid zelf wilde mij met deze tijding verrassen!" riep
+hij uit. "En ik ben dus vrij? Vrij! Groote God! Men moet gevangen
+zijn geweest, om te weten, wat dat woord beteekent."
+
+"Je bent vrij, Pieter!" hernam de Prins, "en weer hersteld in je
+eer. Daarvoor zal mijnheer de Schout zorg dragen. Intusschen--je
+hebt veel geleden, mijn arme jongen! en ik meende, dat eene
+kleine vergoeding je wel toekwam.--Pieter Pietersz," ging de Prins
+voort, terwijl hij hem een papier overreikte, waaraan een zegel
+in was hing. "De Admiraliteit kent je als een kundig timmerman
+en als een ijverig en bezadigd mensch. Zij kent je als eerlijk
+en rechtschapen; zij weet dat je den scheepsbouw in den grond
+verstaat.--Pieter Pietersz, hier overhandig ik je je aanstelling als
+scheepstimmermansbaas, in plaats van den vermoorden Adriaan Roelofz,
+op de werf der Admiraliteit van _Zeeland_."
+
+Op deze woorden zonk Pieter op eene knie; ook Martha wierp zich aan
+de voeten van den Prins en omklemde die.
+
+"Mijn weldoener!" stamelde Pieter.
+
+"Engel in menschengedaante!" riep Martha.
+
+"Stil, stil," zeide de Prins. "Je zoudt mij haast spijt doen krijgen,
+dat ik hier gekomen ben. Staat op. Alleen voor Hem moet men knielen,
+voor wien wij allen gelijk zijn."
+
+"Hoe zal ik Uwe Hoogheid ooit kunnen vergelden, wat zij voor mij
+gedaan heeft!" riep Pieter, opstaande uit.
+
+"Dank er God voor, Pieter! die op zulk eene wonderbare wijs je onschuld
+aan het licht heeft doen komen. Dezelfde, dien je als knaap eens het
+leven hebt gered, is nu door Gods bestuur, de redder van je eer en
+je leven geworden."
+
+"Jan IJzer?" riep Pieter uit.
+
+"Juist, Jan Jansz. IJzer was de moordenaar. Op zijn sterfbed heeft hij
+het bekend. Maar nu--ga met mij. Ik zelf zal je op de werf brengen,
+waar deze Heeren je zullen installeeren, terwijl mijnheer de Schout je
+in je eer zal herstellen. Ook jij moet mede, edel meisje!" vervolgde
+hij tegen Martha. "Je bent getuige geweest van zijn vernedering en
+schande,--je zult het nu zijn van zijne verhooging en zijne eer."
+
+Aan de deur der gevangenis gekomen, was het daar zwart van menschen,
+die niet alleen den Prins wilden zien, maar ook wilden weten, wat Zijne
+Hoogheid in de gevangenis mocht hebben gedaan. Maar, hoe verwonderd
+zij ook stonden, toen de Prins den van moord verdachten Pieter en
+diens zuster Martha bij zich in de karos nam, er klonk een luid:
+"Vivat! lang leve de Prins van Oranje!" uit aller mond. De karos van
+den Prins werd door een andere gevolgd, waarin de vier heeren zaten,
+die Zijne Hoogheid vergezeld hadden. Spoorslags reed men naar de werf,
+waar alles nog groen gemaakt en versierd was als het dien morgen was
+geweest ter eere van den Prins.
+
+Hier hield een der Heeren der Admiraliteit een toespraak tot het
+werkvolk, waarin hij hun mededeelde, hoe de ware schuldige ontdekt
+en hoe nu de brave Pieter Pietersz in zijn eer hersteld was. Tevens
+installeerde hij den jongeling als baas van de werf, en beval aan het
+werkvolk hem als zoodanig te gehoorzamen. Hij liet daarbij duidelijk
+doorstralen, dat het de Prins was, die tot dat alles krachtdadig had
+medegewerkt en dat de benoeming van den voormaligen meesterknecht
+grootendeels aan Zijne Hoogheid was te danken. Gij kunt u voorstellen,
+welk een gejuich deze woorden bij het werkvolk veroorzaakten. 't Was
+of er geen eind aan zou komen. Verscheidene werklieden drongen op
+Pieter toe, om hem de hand te drukken en hem geluk te wenschen met
+den keer, dien zijn lot had genomen: want bij allen op de werf was
+de gewezen meesterknecht geacht en bemind.
+
+Om de kroon op zijn weldaad te zetten, stelde de Prins Pieter een
+som gelds ter hand, waarvoor hij het werkvolk van de werf kon
+trakteeren. Denzelfden dag vertrok hij naar _Goes_. Dien avond
+vierde men op de werf feest. Maar wie er vergeten werd--niet Prins
+Willem Hendrik van _Oranje_, op wien menige dronk werd uitgebracht;
+terwijl allen het daarin eens waren, dat Zijne Hoogheid een waardige
+afstammeling was van het doorluchtig stamhuis, waaruit hij was
+gesproten.
+
+Wij zagen reeds, hoe men hier in _Holland_ over het uitstapje van den
+Prins oordeelde;--wat de Raadpensionaris er van zeide, meldt ons de
+historie niet. Intusschen liet de stad _Amsterdam_ in het volgende
+jaar eenige geneigdheid blijken, om den Prins zitting te geven in den
+Raad van State; zelfs ondersteunde burgemeester Koenraad van Beuningen
+deze bevordering met alle macht; want in de hoofdstad had zich een
+partij gevormd, die begon te begrijpen, dat de steden _Leiden_,
+_Dordrecht_ en _Rotterdam_, door De Witt gesteund, zich te veel in
+'s Lands vergadering aanmatigden. _Amsterdam_ toch, dat de helft
+in de belastingen betaalde, kon en wilde dat overwicht niet langer
+dulden. Toch duurde het nog twee jaren, eer de Prins zitting nam in
+den Raad van State. De Staten van _Holland_ echter schonken hem nog
+in 1669 de vrije jacht in den omtrek van het huis te _Hondsholredijk_.
+
+En nu, mijne lezeressen en lezers, hoop ik dat gij uit mijn boekje
+zult hebben geleerd twee personen achting toe te dragen om hunne
+buitengewone hoedanigheden, twee personen, die ten allen tijde de
+achting zullen verdienen van allen die wèl denken:
+
+Prins Willem III en den Raadpensionaris Johan de Witt.
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Dat op het ijs en dat op de werf.
+
+[2] Zie Adolf en Clara, dertiende Hoofdstuk.
+
+[3] Op lateren leeftijd vraagde hem een zijner veldheeren naar zijne
+plannen. "Kunt gij zwijgen, mijn vriend?" vraagde de Prins.--"Als
+het graf, Uwe Hoogheid!" antwoordde de andere.--"Ik ook," hernam de
+Prins en vertelde hem niets.
+
+[4] Jaarlijks is een der Hoogleeraren aan de Universiteit President
+van het collegie der professoren en draagt dan den naam van Rector
+Magnificus.
+
+[5] Zie "Zeeman tegen wil en dank."
+
+[6] Dat waren de hotels, waarin de afgevaardigden van deze steden
+logeerden. Beiden stonden op het _Plein_ te 's-_Gravenhage_. Het eerste
+is later tot vorstelijk paleis ingericht en thans de bewaarplaats van
+'s Rijks archief; het andere het ministerie van Oorlog.
+
+[7] Zie "De Zeeman tegen wil en dank." 6e druk, blz. 177.
+
+[8] Voor De With werd later door de Staten te _Rotterdam_ en voor
+Floriszoon te _Hoorn_ een praalgraf opgericht.
+
+[9] Zie "De Zeeman tegen wil en dank." 6e druk. Blz. 22.
+
+[10] Zie "De Zeeman tegen wil en dank." 6e druk. Blz. 22.
+
+[11] Aan denzelfden weg, maar verder op, had ook Jacob Cats zijne
+buitenplaats _Zorgvliet_, door hem zelf aangelegd.
+
+[12] Gij herinnert u, dat men vroeger in 's-_Gravenhage_ twee
+kermissen had: de Hofkermis in Mei en de Banus- of Haagsche kermis
+in September. Zie "De Weezen van Vlissingen." 6e druk. Blz. 65.
+
+[13] Tegenwoordig de _Gevangenpoort_ geheeten. In mijn volgend werkje
+(het Huisgezin van den Raadpensionaris) kunt gij daarmede nader
+kennis maken.
+
+[14] Zie "De zeeman tegen wil en dank." 6e druk. Bl. 91.
+
+[15] Later met den Prins gehuwd.
+
+[16] Zeker Fransch reiziger, die des winters 's-_Gravenhage_ bezocht,
+schreef dan ook in zijn reisverhaal: "_La Haye_ est située sur un
+grand lac." De plaats, waar vroeger het veldijs lag, is nu bebouwd
+met huizen, straten en pleinen.
+
+[17] Je maintiendrai. Ik zal handhaven (volhouden).
+
+[18] Op de dorpen, vooral in _Overijsel_ en _Drente_, heerscht
+die gewoonte nog altijd. Echter is het hier wel eenigermate te
+vergoêlijken, omdat tal van vrienden en bloedverwanten uit naburige
+dorpen, soms van ver verwijderde, ter begrafenis komen. Deze moeten
+toch eten en drinken.
+
+[19] Zie "De weezen van _Vlissingen_", 6e druk, blz. 146.
+
+[20] Deze klerk heette Jan van Meesen; hij verried de geheimen aan
+'s Graven rentmeester Dirk van Ruyven. Door voorspraak van Johan de
+Witt werden zij slechts gebannen: Van Meesen voor zijn leven en Van
+Ruyven voor 10 jaren.
+
+[21] De beide andere kinderen van Willem Frederik waren Amalia,
+later gehuwd met Johan Wilhelm van Saksen-Eisenach, en Sophia Hedwig,
+in hare kindsheid gestorven.
+
+[22] Koeriers.
+
+[23] Zie "De weezen van _Vlissingen_", 6e druk. Blz. 5.
+
+[24] Later onder den naam van Jacobus II koning van _Engeland_
+geworden.
+
+[25] Gij weet immers, dat er, behalve de vier hoofdwindstreken Noord,
+Oost, Zuid en West, nog acht-en-twintig tusschenstreken op het kompas
+zijn; dus twee-en-dertig in het geheel.
+
+[26] In 1665 was die voor de _Hofbuurt_ 10 Cts. per week.
+
+[27] Nog in mijn tijd--ofschoon de buurtvereenigingen hadden
+opgehouden--had het begraven door de bewoners der buurt plaats. De
+buurtknecht ging met de penningen rond bij hen, die volgens den
+rooster (lijst) volgden. Wie niet kon of wilde dragen, betaalde een
+daalder boete voor de buurt; in het tegenovergesteld geval nam hij
+den penning aan, volbracht zijn buurtplicht en kreeg het draaggeld,
+dat soms wel f 7 bedroeg; meestal echter minder. De buurtknecht kreeg
+van den drager een fooi, en ook fooien met Kermis en Nieuwjaar. Voor
+de laatste gaf hij een almanak.
+
+[28] Zie "De weezen van Vlissingen" 6e druk, blz. 68.
+
+[29] De Prins was een aartsliefhebber van oesters.
+
+[30] Voor dezen maaltijd had de heer Pauw; President van den Hoogen
+Raad, een bassijn (fruitschaal) met druiven voor Zijne Hoogheid
+gezonden.
+
+[31] Plaatsvervanger.
+
+[32] De Luitenant-Admiraal was den 18den November in _Den Haag_
+gekomen, ten einde aan de Staten-generaal verslag te doen van zijne
+expeditie. De Witt, de geruchten dat hij met den zeeheld in onmin was,
+willende tegenspreken, noodigde hem aan zijn huis. Zoolang De Ruyter
+in _Den Haag_ bleef, logeerde hij bij hem.
+
+[33] Zie Bladz. 88.
+
+[34] Het Oude Hof, vroeger het paleis van koning Willem I en thans
+dat van onze tegenwoordige koningin, in het _Noordeinde_.
+
+[35] De Heer Buat was ritmeester van een regiment, dat in _Bergen op
+Zoom_ lag en slechts bestond uit een luitenant, een sergeant en een
+werf-officier, om in tijd van nood voltallig te worden gemaakt.
+
+[36] Leiding.
+
+[37] Grondregels of instellingen.
+
+[38] Hetgeen hier volgt, is grootendeels in de resolutiën van den
+2den tot den 15den April vervat. Ik neem ze hier maar bij elkander.
+
+[39] Krachtige.
+
+[40] Toen de Staten bezig waren over dit onderwerp, zeide een voornaam
+Lid van hunne Vergadering: "De geachte spreker meent te maken van den
+Prins een _kind van den Staat_. Maar ik vrees, dat het niet lang zal
+duren, of de Staat zal zijn een _kind van den Prins_."
+
+[41] Kanonnen.
+
+[42] Guillaume Blaeuw, 1571-1638.--J.H.
+
+[43] De volgende rekenkunstige opgaaf is van De Witt.
+
+[44] Tiendeelige breuken.
+
+[45] Blijft.
+
+[46] Vermoeden.
+
+[47] Bewijst.
+
+[48] In het oog te houden.
+
+[49] Lichamelijk bewijs.
+
+[50] Bevestigen.
+
+[51] Voorafgaande bewijzen.
+
+[52] Volgens mijn oordeel.
+
+[53] Toepassen.
+
+[54] Redenen.
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's De Prins en Johan de Witt, by P. J. Andriessen
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE PRINS EN JOHAN DE WITT ***
+
+***** This file should be named 20391-8.txt or 20391-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/2/0/3/9/20391/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/20391-8.zip b/20391-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..939e483
--- /dev/null
+++ b/20391-8.zip
Binary files differ
diff --git a/20391-h.zip b/20391-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..617cdb3
--- /dev/null
+++ b/20391-h.zip
Binary files differ
diff --git a/20391-h/20391-h.htm b/20391-h/20391-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..ede24de
--- /dev/null
+++ b/20391-h/20391-h.htm
@@ -0,0 +1,7268 @@
+
+<!DOCTYPE html
+PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
+
+<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source, using XSLT. If you find any mistakes, please edit the XML source. -->
+<html lang="nl-1900">
+<head>
+<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=ISO-8859-1">
+
+<title>The Project Gutenberg eBook of De Prins en Johan de Witt, by P. J. Andriessen</title>
+<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
+<meta name="author" content="P. J. Andriessen">
+<meta name="DC.Creator" content="P. J. Andriessen">
+<meta name="DC.Title" content="De Prins en Johan de Witt">
+<meta name="DC.Date" content="#">
+<meta name="DC.Language" content="nl-1900"><style type="text/css">
+
+
+body
+{
+font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif;
+margin: 1.58em 16%;
+text-align: left;
+}
+
+.titlePage
+{
+border: #DDDDDD 2px solid;
+margin: 3em 0% 7em 0%;
+padding: 5em 10% 6em 10%;
+}
+
+h1.docTitle
+{
+font-size:1.6em;
+line-height:2em;
+}
+
+h2.byline
+{
+font-size:1.1em;
+font-weight:normal;
+line-height:1.44em;
+}
+
+span.docAuthor
+{
+font-size:1.2em;
+font-weight:bold;
+}
+
+h2.docImprint
+{
+font-size:1.2em;
+font-weight:normal;
+}
+
+.transcribernote
+{
+background-color:#DDE;
+border:black 1px dotted;
+color:#000;
+font-family:sans-serif;
+font-size:80%;
+margin:2em 5%;
+padding:1em;
+}
+
+.div0
+{
+padding-top: 5.6em;
+}
+
+.div1
+{
+padding-top: 4.8em;
+}
+
+.index
+{
+font-size: 80%;
+}
+
+.div2
+{
+padding-top: 3.6em;
+}
+
+.div3, .div4, .div5
+{
+padding-top: 2.4em;
+}
+
+.footnotes .body,
+.footnotes .div1
+{
+padding: 0;
+}
+
+h1, h2, h3, h4, h5, h6
+{
+clear: both;
+font-style: normal;
+text-transform: none;
+}
+
+h3
+{
+font-size:1.2em;
+line-height:1.2em;
+}
+
+h3.label
+{
+font-size:1em;
+line-height:1.2em;
+margin-bottom:0;
+}
+
+h4
+{
+font-size:1em;
+line-height:1.2em;
+}
+
+h4.lghead
+{
+margin-left:10%;
+margin-right:10%;
+}
+
+.alignleft
+{
+text-align:left;
+}
+
+.alignright
+{
+text-align:right;
+}
+
+.alignblock
+{
+text-align:justify;
+}
+
+p.tb, hr.tb
+{
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+text-align: center;
+}
+
+p.poetry
+{
+margin:0 10% 1.58em;
+}
+
+p.line
+{
+margin:0 10%;
+}
+
+p.argument,p.note
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+text-indent:0;
+}
+
+p.argument
+{
+margin:1.58em 10%;
+}
+
+div.epigraph
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+width: 60%;
+margin-left: auto;
+}
+
+.epigraph .bibl
+{
+text-align: right;
+}
+
+.epigraph .poem
+{
+margin-left: 0;
+}
+
+.epigraph .line
+{
+margin-left: 0;
+text-indent: 0;
+}
+
+.trailer
+{
+clear: both;
+padding-top: 2.4em;
+padding-bottom: 1.6em;
+}
+
+.floatLeft
+{
+float:left;
+margin:10px 10px 10px 0;
+}
+
+.floatRight
+{
+float:right;
+margin:10px 0 10px 10px;
+}
+
+p.figureHead
+{
+font-size:100%;
+text-align:center;
+}
+
+.figure p
+{
+font-size:80%;
+margin-top:0;
+text-align:center;
+}
+
+p.smallprint,li.smallprint
+{
+color:#666666;
+font-size:80%;
+}
+
+p.question
+{
+margin-bottom:0;
+text-align:left;
+}
+
+p.answer
+{
+margin-top:0;
+text-align:right;
+}
+
+p.explanation
+{
+font-size:smaller;
+margin-left:0.9em;
+margin-right:0.9em;
+}
+
+.leftnote
+{
+font-size:0.8em;
+height:0;
+left:1%;
+line-height:1.2em;
+position:absolute;
+text-indent:0;
+width:14%;
+}
+
+.pagenum
+{
+display:inline;
+font-size:70%;
+font-style:normal;
+margin:0;
+padding:0;
+position:absolute;
+right:1%;
+text-align:right;
+}
+
+a.noteref
+{
+font-size: 80%;
+text-decoration: none;
+vertical-align: 0.25em;
+}
+
+div.footnotes
+{
+margin-top: 1em;
+padding: 0;
+}
+
+hr.fnsep
+{
+margin-left: 0;
+margin-right: 0;
+text-align: left;
+width: 25%;
+}
+
+p.footnote
+{
+font-size: 80%;
+margin-bottom: 0.5em;
+margin-top: 0.5em;
+}
+
+p.footnote .label
+{
+float: left;
+text-align:left;
+width:2em;
+}
+
+.footnotes td, .footnotes th, .footnotes .tablecaption
+{
+font-size: 80%;
+}
+
+
+.poem
+{
+margin-left:5%;
+position:relative;
+text-align:left;
+width:90%;
+}
+
+.poem h4
+{
+font-weight:normal;
+margin-left:5em;
+text-decoration:underline;
+}
+
+.poem .linenum
+{
+color:#777;
+font-size:90%;
+left:-2.5em;
+margin:0;
+position:absolute;
+text-align:center;
+text-indent:0;
+top:auto;
+width:1.75em;
+}
+
+.versenum
+{
+font-weight:bold;
+}
+
+.footnotes .line
+{
+font-size:80%;
+margin:0 5%;
+}
+
+.poem .i0
+{
+display:block;
+margin-left:2em;
+}
+
+.poem .i1
+{
+display:block;
+margin-left:3em;
+}
+
+.poem .i2
+{
+display:block;
+margin-left:4em;
+}
+
+.poem .i3
+{
+display:block;
+margin-left:5em;
+}
+
+.poem .i4
+{
+display:block;
+margin-left:6em;
+}
+
+.poem .i5
+{
+display:block;
+margin-left:7em;
+}
+
+.poem .i6
+{
+display:block;
+margin-left:8em;
+}
+
+.poem .i7
+{
+display:block;
+margin-left:9em;
+}
+
+.poem .i8
+{
+display:block;
+margin-left:10em;
+}
+
+.poem .i9
+{
+display:block;
+margin-left:11em;
+}
+
+span.corr
+{
+border-bottom:1px dotted red;
+}
+
+span.abbr
+{
+border-bottom:1px dotted gray;
+}
+
+span.measure
+{
+border-bottom:1px dotted green;
+}
+
+.letterspaced
+{
+letter-spacing:0.2em;
+}
+
+.smallcaps
+{
+font-variant:small-caps;
+}
+
+hr
+{
+clear:both;
+height:1px;
+margin-left:auto;
+margin-right:auto;
+margin-top:1em;
+text-align:center;
+width:45%;
+}
+
+h2.docImprint,h1.docTitle,h2.byline,h2.docTitle,.aligncenter,div.figure
+{
+text-align:center;
+}
+
+h1,h2
+{
+font-size:1.44em;
+line-height:1.5em;
+}
+
+h1.label,h2.label
+{
+font-size:1.2em;
+line-height:1.2em;
+margin-bottom:0;
+}
+
+h5,h6
+{
+font-size:1em;
+font-style:italic;
+line-height:1em;
+}
+
+p,p.initial
+{
+text-indent:0;
+}
+
+.poem .stanza
+{
+padding: .5em 0% .5em 0%;
+}
+
+p.quote,div.blockquote,div.argument
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+margin:1.58em 5%;
+}
+
+.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden
+{
+text-decoration:none;
+}
+
+
+
+
+
+body
+{
+background: #FFFFFF;
+font-family: "Times New Roman", Times, serif;
+}
+
+body, a.hidden
+{
+color: black;
+}
+
+h1
+{
+padding-bottom: 5em;
+}
+
+h1, h2
+{
+text-align: center;
+font-variant: small-caps;
+font-weight: normal;
+}
+
+p.byline
+{
+text-align: center;
+font-style: italic;
+margin-bottom: 2em;
+}
+
+.figureHead, .noteref, span.leftnote, p.legend, .versenum
+{
+color: #660000;
+}
+
+.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a
+{
+color: #AAAAAA;
+}
+
+a.hidden:hover, a.noteref:hover
+{
+color: red;
+}
+
+span.docAuthor, h1, h2, h3, h4, h5, h6
+{
+font-weight: normal;
+}
+
+table
+{
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+}
+
+.tablecaption
+{
+text-align: center;
+}
+
+
+
+</style></head>
+<body>
+
+
+<pre>
+
+The Project Gutenberg EBook of De Prins en Johan de Witt, by P. J. Andriessen
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: De Prins en Johan de Witt
+ of ons land in het tweede tijdperk der eerste stadhouderlooze regeering
+
+Author: P. J. Andriessen
+
+Release Date: January 18, 2007 [EBook #20391]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE PRINS EN JOHAN DE WITT ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+
+<div class="front">
+<div class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e112">Inhoud</a>]
+</span><p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/cover.jpg" alt="Oorspronkelijke voorkant." width="504" height="720"></div><p>
+
+</p>
+<p class="aligncenter">De Prins en Johan de Witt<br>
+Of<br>
+Ons land in het tweede tijdperk der eerste stadhouderlooze regeering.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p000.jpg" alt="Frontispiece met tekst: &#8220;Historische verhalen van P. J. Andriessen: De Prins en Johan de Witt 1654&#8211;1668&#8221;." width="493" height="720"></div><p>
+
+</p>
+</div>
+<div class="titlePage">
+<h1 class="docTitle">De Prins en Johan de Witt<br>
+Of<br>
+Ons land in het tweede tijdperk der eerste stadhouderlooze regeering.
+</h1>
+<h2 class="byline">Door
+<br>
+<span class="docAuthor">P. J. Andriessen.</span></h2>
+<h2 class="docImprint">Vijfde Druk.</h2>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/logo.gif" alt="Uitgeverslogo." width="146" height="171"></div>
+<h2 class="docImprint">Leiden.&#8212;A. W. Sijthoff&#8217;s Uitg.-M<sup>ij</sup>.
+</h2>
+</div><div id="d0e112" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e112">Inhoud</a>]
+</span><h2>Inhoud.</h2>
+<p><b>Eerste Hoofdstuk.</b>
+
+</p>
+<p><a href="#d0e295">De tienjarige Leidsche Student</a> 1
+
+</p>
+<p><b>Tweede Hoofdstuk.</b>
+
+</p>
+<p><a href="#d0e747">Een zeeman, die nog al wat te vertellen heeft</a> 16
+
+</p>
+<p><b>Derde Hoofdstuk.</b>
+
+</p>
+<p><a href="#d0e1102">Waarin verhaald wordt, hoe de Prins zijne moeder nareisde</a> 30
+
+</p>
+<p><b>Vierde Hoofdstuk.</b>
+
+</p>
+<p><a href="#d0e1515">Welke plannen drie krullenjongens voor de kermis maakten</a> 43
+
+</p>
+<p><b>Vijfde Hoofdstuk.</b>
+
+</p>
+<p><a href="#d0e1816">Hoe gevaarlijk het kan worden, om des Zondags de kerk te verzuimen</a> 56
+
+</p>
+<p><b>Zesde Hoofdstuk.</b>
+
+</p>
+<p><a href="#d0e1960">Hoe een slimme Raadpensionaris een nog slimmeren Prins niet kon doorgronden</a> 66
+
+</p>
+<p><b>Zevende Hoofdstuk.</b>
+
+</p>
+<p><a href="#d0e2267">Hoe een echt Hollandsche jongen zich wreekt</a> 81
+
+</p>
+<p><b>Achtste Hoofdstuk.</b>
+
+</p>
+<p><a href="#d0e2633">Een dure slaapkameraad</a> 97
+</p>
+<p><b>Negende Hoofdstuk.</b>
+
+</p>
+<p><a href="#d0e2951">Waarin wij een ouden kennis ontmoeten, die het ver gebracht heeft in de wereld</a> 113
+
+</p>
+<p><b>Tiende Hoofdstuk.</b>
+
+</p>
+<p><a href="#d0e3405">Waaruit blijkt dat het hier niet altijd voor den wind ging</a> 131
+
+</p>
+<p><b>Elfde Hoofdstuk.</b>
+
+</p>
+<p><a href="#d0e3726">Wat er met den Prins op het buurtmaal voorviel en wat de Raadpensionaris daarover zeide</a> 142
+
+</p>
+<p><b>Twaalfde Hoofdstuk.</b>
+
+</p>
+<p><a href="#d0e4037">Hoe Johan de Witt zijn plan volvoerde</a> 157
+
+</p>
+<p><b>Dertiende Hoofdstuk.</b>
+
+</p>
+<p><a href="#d0e4553">Hoe de Raadpensionaris rekenles gaf</a> 176
+
+</p>
+<p><b>Veertiende Hoofdstuk.</b>
+
+</p>
+<p><a href="#d0e4920">Hoe onze vloot de Engelschen tuchtigde</a> 194
+
+</p>
+<p><b>Vijftiende Hoofdstuk.</b>
+
+</p>
+<p><a href="#d0e5317">Wat er met den Prins in <span class="letterspaced">Zeeland</span> voorviel</a> 209
+
+
+
+</p>
+</div>
+<div class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e112">Inhoud</a>]
+</span><h2>Voorbericht.</h2>
+<p>Het is een algemeen betreurd feit, dat van de jeugd onzer groote mannen slechts weinig of niets bekend is. En geldt dit ten
+aanzien van hun <span class="letterspaced">openbaar</span> leven, de leemte doet zich nog sterker gevoelen, wanneer men uit hun <span class="letterspaced">intiem</span> leven wenscht te putten. Ik ontken dan ook niet, dat mij de samenstelling van dit boek ontzaglijk veel onderzoek en nasnuffelen
+heeft gekost, want onze vroegere auteurs gaven nooit veel meer dan een <i>histoire de bataille</i>; verlangt men dus een <i>histoire intime</i>, dan moet men die uit tal van werken oprakelen. Toch durf ik zeggen, dat ik gelukkig ben geweest; daar ik hier mijnen lezers
+eene geschiedenis van de jeugd van onzen onsterfelijken <span class="letterspaced">Willem</span> III mag aanbieden, waarin alle voorvallen historisch zijn, op slechts twee<a id="d0e261src" href="#d0e261" class="noteref">1</a> na, van welke twee ik toch de verzekering durf geven, dat zij niet uit de lucht zijn gegrepen, maar geheel en al op het karakter
+van den jongen Prins berusten. In &#8217;t bijzonder vinden zij dan ook hier de betrekking van den jeugdigen Oranjevorst tot den
+eersten man van zijn tijd, den eenigen <span class="letterspaced">Johan de Witt</span>.
+
+</p>
+<p>Ik heb mij dus hier op een nieuw terrein begeven: <i>vaderlandsche karakterkunde</i>. Ik oordeel die hoogst noodig voor mijne jeugdige lezers. Daarenboven kunnen zij uit dit boek weder veel leeren. Zij zullen
+er den voortgang der beschaving in vinden en ook eens in de vertrekken der aanzienlijken rondkijken, waartoe mijne andere
+werkjes minder aanleiding gaven. De toenmalige buurtvereenigingen schenken hun een nieuwen blik in dien tijd; terwijl een
+korte schets van een begrafenismaal hen weder met een eigenaardig gebruik onzer voorvaderen bekend maakt. De verdere geschiedenis
+van <span class="letterspaced">De Ruyter</span> met den krijg in het Noorden en de tweede Engelsche oorlog behoorden tot dit tijdperk, dat ik tot 1668 heb laten loopen,
+omdat men kan zeggen, dat in genoemd jaar de eigenlijke jeugd van den Prins eindigde met zijne mondigverklaring.
+
+</p>
+<p>Ik heb bij dezen druk niets te voegen, dan aanbeveling van mijnen arbeid in de voortdurende welwillendheid mijner landgenooten.
+
+
+</p>
+<p class="alignright"><span class="smallcaps">P. J. Andriessen.</span>
+
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+
+</p>
+<p>Sedert de gevierde Schrijver bovenstaand Voorbericht schreef, heeft dit boeiend verhaal meerdere drukken moge beleven. Thans
+wordt aan de Nederlandsche jeugd een vijfde druk aangeboden, welke zich van de vorigen gunstig onderscheidt door de flinke
+letter op mooi, stevig papier en de keurige illustraties in en buiten den tekst, die de aantrekkelijkheid van dit boek ongetwijfeld
+hebben verdubbeld.
+
+</p>
+<p>Moge dit door verdubbelde belangstelling blijken!
+
+
+</p>
+<p class="alignright"><span class="smallcaps">De Uitgever.</span>
+
+
+
+</p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e261" href="#d0e261src" class="noteref">1</a></span> Dat op het ijs en dat op de werf.
+</p>
+</div>
+</div>
+</div><a id="d0e293"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e293">1</a>]</span><div class="body">
+<div id="d0e295" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e112">Inhoud</a>]
+</span><div class="figure"><img border="0" src="images/o001.gif" alt="Ornament" width="570" height="134"></div>
+<h2 class="label">Eerste Hoofdstuk.</h2>
+<h2>De tienjarige Leidsche Student.</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/iw001.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 90px;&#xA; height: 86px;&#xA; background: url(images/iw001.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">W</span>anneer wij, mijne jonge lezers, op Dinsdagmorgen den 28<sup>sten</sup> September 1660, langs het <span class="letterspaced">Rapenburg</span> te <span class="letterspaced">Leiden</span> waren gewandeld, dan zouden wij hebben blijven stilstaan voor een groot gebouw op den hoek van de <span class="letterspaced">Langebrug</span> (toen <span class="letterspaced">Voldersgracht</span>); hetwelk echter thans niet meer bestaat en sedert vervangen is door aanzienlijke woonhuizen. Dat oude gebouw ziet er allesbehalve
+aanlokkelijk uit met zijne drie ramen in de benedenverdieping en zijne dertien in de bovenste, alle met trali&euml;n voorzien en
+in twee&euml;n verdeeld; het onderste gedeelte door twee luikjes van buiten gesloten. Wat steken die kleine, als ruiten gesneden
+en in lood gevatte glazen treurig af tegen de drie spitse en met sierlijke torentjes bezette geveltjes, de beide uiterste
+van &eacute;&eacute;n, de middelste van drie zolderramen voorzien. De naast het huis gebouwde poort, door een schildwacht bewaakt en die
+den eenigen toegang tot het huis geeft, dient er weinig toe om ons tot binnentreden uit te lokken. Bijna zouden wij meenen,
+dat het een gevangenis was; doch dan zouden de bovenramen ook van ijzeren trali&euml;n voorzien <a id="d0e317"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e317">2</a>]</span>zijn. Dan een klooster? vraagt gij. En hierin hebt gij zoo geheel en al geen ongelijk, ofschoon &#8217;t wel te verwonderen zou
+zijn, als men nog ten jare zestienhonderd en zestig binnen de stad <span class="letterspaced">Leiden</span> een klooster vond. Ik wil u &#8217;t raadsel oplossen.
+
+</p>
+<p>Het gebouw, voor &#8217;twelk wij staan, was v&oacute;&oacute;r het beleg en ontzet der stad<a id="d0e324src" href="#d0e324" class="noteref">1</a> een klooster, gewijd aan de heilige Barbara en bewoond door nonnen van de Sint Franciscusorde. Nadat de benarde veste echter
+voor goed van &#8217;t Spaansche juk verlost was, werd het in 1575 ingericht tot academie. Toen deze later in een ander gebouw was
+overgeplaatst, werd het vroegere St.-Barbara-klooster op stadskosten opgeknapt en geschikt gemaakt tot een verblijfplaats
+voor onze Prinsen, wanneer die te <span class="letterspaced">Leiden</span> vertoefden; terwijl het tevens tot huisvesting diende voor vorstelijke personen. Zoo heeft, nu zeven-en-veertig jaren geleden
+(in 1613), Prinses Elizabeth, dochter van Koning Jacobus I van <span class="letterspaced">Engeland</span> en echtgenoote van Frederik V, keurvorst van de <span class="letterspaced">Paltz</span> en naderhand koning van <span class="letterspaced">Bohemen</span>, in dat huis gelogeerd. Daar nu haar gevolg en dat van onzen stadhouder Prins Maurits uit niet minder dan vijfhonderd personen
+bestond, en deze allen in dat huis logeerden, kunt gij u wel voorstellen, dat het een fiksch gebouw is, dat <span class="letterspaced">Princenhof</span> (want dien naam draagt het thans), en gij zult niet verwonderd staan over de groote en hooge vertrekken, de heerlijke zalen,
+de ferme paardenstallen, de ruime binnenplaats, die aan de kamers een genoegzaam licht geeft, en vooral over den grooten wel
+onderhouden tuin, die zich achter het gebouw uitstrekt, en welks hooge muren u nog aan de voormalige bestemming (klooster)
+doen denken.
+
+</p>
+<p>Wij gaan dan de poort in en komen op de binnenplaats. Ziet maar eens, hoeveel ramen. Nu eerst kunt gij u voorstellen, welk
+<a id="d0e347"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e347">3</a>]</span>een menigte vertrekken er zijn. Wij blijven hier echter niet lang, maar treden de steenen trappen met sierlijk gekrulde ijzeren
+leuningen op, die ons in het ruime, hooge, met lofwerk gebeeldhouwde voorportaal brengen. Ook hier vertoeven wij niet; maar
+gaan de eikenhouten trap aan onze linkerhand op en komen op een langen, breeden corridor, waar wij voor een met groen laken
+bekleede deur stilstaan, welke wij openslaan, de daarachter zich bevindende deur opendraaien en ons in een tamelijk ruim vertrek
+bevinden. Het prachtig goudlederen behangsel met zijne sierlijke bloemen en ranken, het keurig gebeeldhouwde noteboomhouten
+dressoir (buffet), de groote spiegel van venetiaansch glas, het smyrnasch karpet onder de met marmeren blad gedekte tafel
+en de prachtige damasten gordijnen doen u reeds vermoeden, dat deze kamer tot woonplaats dient van een aanzienlijk persoon;
+zoo niet de rijk geborduurde zijden kussens op de ebbenhouten stoelen met hooge gebeeldhouwde leuningen en gedraaide pooten,
+de zilveren inktkoker op de tafel en de groote sierlijke fauteuil met hooge leuning, die daar voor den vlammenden haard, dicht
+onder den hoogen en breeden schoorsteen is geschoven, u daarvan reeds ten volle overtuigden.
+
+</p>
+<p>Maar waar is de bewoner van deze kamer? Eilieve! gaat een weinig nader bij de brandende blokken, slechts door een blinkend
+geschuurd koperen hekje omgeven, en gij zult tot uwe verwondering zien, dat wij niet alleen zijn en dat het maar goed is,
+dat wij geen kwaad hebben gezegd&#8212;anders waren we zeker beluisterd geworden. Daar in dien hoogen leuningstoel toch zit, in
+zijden kussens gedoken, een tengere, ziekelijke knaap, met de voeten op een warme stoof en de eene hand onder &#8217;t hoofd, terwijl
+de andere een boek vasthoudt, waarin hij schijnt gelezen te hebben, doch dat hij nu op de knie laat rusten. Zijn helder en
+doordringend oog staart op het vuur, als ziet hij wonder wat in de grillige gedaanten, welke de flikkerende <a id="d0e351"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e351">4</a>]</span>vlammen aannemen en als is er iets bijzonders voor hem in de van tijd tot tijd instortende blokken. Hij is nog jong, die knaap:
+den 14<sup>den</sup> November aanstaanden zal hij zijn tiende jaar bereikt hebben. En toch&#8212;hoe jong hij zij, ligt er op dat hooge voorhoofd en
+dat smalle bleeke gelaat reeds een waas van ernst, hetwelk men op dien leeftijd niet zou verwachten. Schoon is hij niet. Zijn
+adelaarsneus is te groot voor dat magere gezicht, dat er, kon &#8217;t zijn, nog magerder door wordt. Geen blozende wangen of levenslustige
+oogen, geen schalksche trek om lip of mond; de arme knaap is jong, zonder jeugd te hebben gekend: hij heeft vrij wat meer
+in de wereld dan die burgerjongen, dien wij daarstraks op het plein voor de <span class="letterspaced">Sint-Pieterskerk</span> met zijne kameraads zagen knikkeren,&#8212;maar zeker zou die voor al het geld der wereld met hem niet willen ruilen. Toch toont
+zijne kleeding zijn aanzienlijken stand aan. Dat zwart fluweelen wambuis met die fijne kanten lubben, die op de witte, magere
+handen neerhangen, die satijnen broek van dezelfde kleur, met korenblauwe linten onder de knie vastgemaakt, die fijn lederen
+schoenen met strikken, in welker midden zich een gouden knoop bevindt en die halsdoek, die als een bef met breede plooien
+om den hals gestrikt, in echte Brusselsche kant nederhangt, doen &#8217;t u reeds vermoeden, indien de omgeving in de kamer er u
+geen zekerheid van gaf. Die bijna tienjarige knaap&#8212;misschien hebt gij &#8217;t begrepen&#8212;is de hoop van het edele stamhuis van <span class="letterspaced">Oranje</span> en van allen, die het met dat doorluchtige geslacht w&eacute;l meenen: &#8217;t is Willem Hendrik, Prins van <span class="letterspaced">Oranje-Nassau</span>, Graaf van <span class="letterspaced">Catzenellebogen</span>, <span class="letterspaced">Vianden</span>, <span class="letterspaced">Dietz</span>, <span class="letterspaced">Lingen</span>, <span class="letterspaced">Meurs</span>, <span class="letterspaced">Buren</span> en <span class="letterspaced">Leerdam</span>, Markies <span class="letterspaced">van der Veere</span> en <span class="letterspaced">Vlissingen</span>, Heer en Baron van <span class="letterspaced">Breda</span>, de stad <span class="letterspaced">Grave</span> en het land van <span class="letterspaced">Kuik</span>, <span class="letterspaced">Diest</span>, <span class="letterspaced">Grimbergen</span>, <span class="letterspaced">Herstal</span>, <span class="letterspaced">Kranendonk</span>, <span class="letterspaced">Warneston</span>, <span class="letterspaced">Arlay</span>, <span class="letterspaced">Noseroy</span>, St.-<span class="letterspaced">Veit</span>, <span class="letterspaced">Daasburg</span>, <span class="letterspaced">Polanen</span>, <span class="letterspaced">Willemstad</span>, <span class="letterspaced">Niervaart</span>, <a id="d0e437"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e437">5</a>]</span><span class="letterspaced">&#306;selstein</span>, <span class="letterspaced">St.-Maartensd&#307;k</span>, <span class="letterspaced">Steenbergen</span>, <span class="letterspaced">Geertruidenberg</span>, de <span class="letterspaced">hooge</span> en <span class="letterspaced">lage Zwaluwe</span>, en <span class="letterspaced">Naaldw&#307;k</span><span id="d0e458" class="corr" title="Bron: -">,</span> Erfburggraaf van <span class="letterspaced">Antwerpen</span> en <span class="letterspaced">Besan&ccedil;on</span> en Erfmaarschalk van <span class="letterspaced">Holland</span>. &#8217;t Is de achterkleinzoon van den grondlegger onzer vrijheid, den edelen Willem den Eerste, &#8217;t is de zoon van den te vroeg
+gestorven Willem den Tweede en van Maria Stuart, de oudste dochter van Karel I Koning van <span class="letterspaced">Engeland</span>.
+
+</p>
+<p>Ik heb u reeds verhaald, dat de arme Prins zijn vader nooit gekend heeft. Kort na zijne geboorte begiftigden hem de Algemeene
+Staten met een rentebrief van achtduizend gulden &#8217;s jaars en legden de Staten van <span class="letterspaced">Holland</span> hem een jaargeld van vijfduizend, <span class="letterspaced">Delft</span> van zeshonderd, <span class="letterspaced">Leiden</span> van twaalfhonderd en <span class="letterspaced">Amsterdam</span> van duizend gulden toe, terwijl <span class="letterspaced">Zeeland</span> er later nog twee duizend bijvoegde; zoodat onze knaap, behalve de inkomsten zijner goederen, een jaarlijksch inkomen heeft
+van ongeveer achttienduizend gulden, zeker meer dan genoeg voor een kind van bijna tien jaren. En toch is hij niet gelukkig,
+Prins Willem Hendrik. Toch ligt er een verdrietelijke trek op dat gelaat,&#8212;een trek, die aan meer dan lichamelijk lijden doet
+denken.
+
+</p>
+<p>Zijn levenslot was dan ook verre van benijdenswaardig geweest. Reeds weinige weken na zijne geboorte, toen <span class="letterspaced">Zeeland</span> den voorslag deed, hem tot Stadhouder te benoemen, wees <span class="letterspaced">Holland</span> dit van de hand. En gij weet het, hoe bij het vredestraktaat in 1654 de beruchte <i>acte van seclusie</i> werd vastgesteld, waarbij de Prins werd uitgesloten van de waardigheden, door zijne voorvaderen bekleed. Maar ook in den
+huiselijken kring had de arme Willem Hendrik weinig genoegen gehad. Reeds kort na zijne geboorte ontstond er twist over de
+voogdijschap tusschen zijne moeder, zijne grootmoeder en den keurvorst van <span class="letterspaced">Brandenburg</span>, gehuwd met de oudste zuster van Willem II. De eerste meende daarop recht te hebben wegens <a id="d0e504"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e504">6</a>]</span>het testament van haren gemaal; de tweede beweerde, dat Prinses Maria die zelf niet meerderjarig was, geen voogdes kon zijn,
+en de laatste, die nog verscheidene mededingers had, begreep, dat slechts een man met de voogdijschap kon worden bekleed.
+Na veel twist werd men het eens, dat Amalia van Solms de helft, en Prinses Maria Stuart en de keurvorst van <span class="letterspaced">Brandenburg</span> ieder een vierde der voogdijschap zouden uitoefenen en dus een even groot gedeelte der goederen besturen.
+
+</p>
+<p>Hoezeer nu deze zaak in der minne geschikt scheen, bleef er tusschen de beide Prinsessen een veete bestaan, die niet dan ongunstig
+op het karakter van den jongen Prins kon werken. Het had daardoor al dat opene verloren, hetwelk men van een knaap van zijn
+leeftijd terecht kon verwachten, en een kunst van veinzen aangenomen, die zeker leelijk en veroordeelenswaardig is in een
+kind, ja in den man;&#8212;maar die hem later tot den grootsten staatsman zijner eeuw maakte. Daarbij had hij dikwerf grootmoeder
+over dingen hooren spreken, die voor moeders ooren niet aangenaam zouden zijn geweest, en moeder had zaken aangeroerd, die
+hij bij grootmoeder niet mocht vertellen,&#8212;en daardoor had hij, reeds op zoo jeugdigen leeftijd, de groote kunst geleerd om
+te zwijgen, een kunst, die hij zijn gansche leven heeft in practijk gebracht<a id="d0e511src" href="#d0e511" class="noteref">2</a>.
+
+</p>
+<p>Hiermede en bij gebrek aan verkeering met knapen van zijn leeftijd, had het karakter van den jeugdigen Prins een plooi aangenomen,
+die men reeds bij den eersten aanblik op dat magere, bleeke gelaat kon bespeuren: een zekere stroefheid in den omgang met
+anderen, vooral met vreemden en in gezelschappen, <a id="d0e516"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e516">7</a>]</span>waardoor zij, die hem niet kenden, hem voor onaangenaam en lomp hielden. Alleen zij, die meer met hem omgingen, zijne bijzondere
+vrienden en kennissen, hadden hem innig lief en wisten zijne goede hoedanigheden te waardeeren;&#8212;jegens hen was hij somtijds
+openhartiger, gewoonlijk vertrouwelijker.
+
+</p>
+<p>Ik vond het noodig, u een blik te doen slaan in het karakter van den jeugdigen Willem Hendrik. Uit mijn vorig werkje hebt
+gij gezien, hoe een geduchte en machtige partij in <span class="letterspaced">Holland</span>, bekend onder den naam van &#8220;Loevesteinsche factie&#8221; of &#8220;de staatspartij&#8221;, tegen zijne bevordering was en die door alle middelen
+wist tegen te houden; gij hebt er ook uit kunnen leeren, hoe er, vooral onder &#8217;t volk, een andere partij was, die deze bevordering
+wenschte en bij elke gelegenheid dien wensch duidelijk deed blijken. Ook <span class="letterspaced">Zeeland</span> was er steeds op uit om den Prins te verheffen tot de waardigheden, door zijne doorluchtige voorouderen bekleed; maar al
+de pogingen, door dat gewest aangewend, leden schipbreuk op den weerzin der Hollandsche aristocraten. Zoo hielden de Staten
+van eerstgenoemde provincie, die het welzijn van den jeugdigen Oranjespruit zoozeer ter harte nam, in 1655 bij de andere gewesten
+aan op het benoemen van een predikant, die den vijfjarigen Prins in de beginselen van den christelijken godsdienst zou onderwijzen,
+en een ander bekwaam persoon, om hem de taal, geschiedenis en andere noodige wetenschappen te leeren; de Staten van <span class="letterspaced">Holland</span> beweerden daarentegen, dat het geenszins den Zeeuwen noch der andere Provinci&euml;n paste, zich te mengen in &#8217;s Prinsen opvoeding.
+Het volgende jaar stelden zijne voogden den predikant Trigland bij hem als onderwijzer in den godsdienst aan, terwijl zij
+hem ook in andere noodige wetenschappen lieten onderrichten. Twee jaren lang genoot hij dat onderwijs.
+
+</p>
+<p>Toen onze Willem Hendrik nu zijn achtste jaar bereikt had, <a id="d0e531"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e531">8</a>]</span>begreep zijne moeder, dat het tijd werd, hem hooger onderwijs te geven. De magistraat van <span class="letterspaced">Leiden</span>, dit vernomen hebbende, bood der Prinses niet alleen hare stad en Hoogeschool aan, maar ook het <span class="letterspaced">Princenhof</span>, reeds vroeger door zijne voorouders bewoond, zoolang zij te <span class="letterspaced">Leiden</span> studeerden; terwijl zij verklaarde het reeds te dien einde te hebben gemeubileerd en nog verder te zullen meubileeren. De
+prinses nam dat aanbod aan en benoemde tot goeverneur over haren zoon Frederik van Nassau, Heer van Zuijlestein, natuurlijken
+zoon van Prins Frederik Hendrik en te dien tijde kolonel van een regiment voetvolk, welken rang en post hij bij zijne aanstelling
+behield. Tot zijn leermeester koos zij den Hoogleeraar Borneus. Het was eerst na eenigen tijd, dat Prinses Amalia en de Keurvorst
+in dezen maatregel toestemden.
+
+</p>
+<p>Op Maandag den derden November 1659 liet de Prins van <span class="letterspaced">Oranje</span>, nu ongeveer negen jaren oud, door de Heeren van Heenvliet, en den kanselier Weyman, aan den President der Staten-Generaal
+bekend maken, dat hij den volgenden dag naar <span class="letterspaced">Leiden</span> zou vertrekken. Denzelfden namiddag kwam eene commissie, bestaande uit de Heeren Huygens, Ripperda, Stavenisse en Renswoude,
+benevens eenigen uit den Raad, zijne Hoogheid bedanken voor zijne mededeeling en hem gelukwenschen met zijn plan. Op Dinsdag
+den vierden November, dus tien dagen v&oacute;&oacute;r zijn negenden verjaardag, vertrok hij, vergezeld van zijne moeder en grootmoeder,
+in een karos naar <span class="letterspaced">Leiden</span>, waar hem de Hoogleeraar Joannes Coccejus, dat jaar Rector Magnificus<a id="d0e553src" href="#d0e553" class="noteref">3</a> met een deftige redevoering in &#8217;t Nederlandsch verwelkomde. Hij betrok toen met zijn goeverneur Zuijlestein en zijn bedienden
+het <span class="letterspaced">Princenhof</span>, waar wij hem in het begin van dit Hoofdstuk aantroffen.
+<a id="d0e559"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e559">9</a>]</span></p>
+<p>Gedurende zijn verblijf te <span class="letterspaced">Leiden</span> was er veel te zijnen gunste veranderd. Zijn oom Karel Stuart was na den dood van Cromwel in <span class="letterspaced">Engeland</span> teruggeroepen, en had den troon beklommen onder den naam van Karel II. Genoemde vorst had hier te lande onbekrompene gastvrijheid
+genoten en bij het plechtig afscheid, dat hij in &#8217;s-<span class="letterspaced">Gravenhage</span> van de Staten-Generaal nam, zijn neef Willem van <span class="letterspaced">Oranje</span> zeer in hunne gunst en in die van de Staten van <span class="letterspaced">Holland</span> aanbevolen. Kort daarop herhaalde zijne moeder deze aanbeveling, hetgeen ten gevolge had, dat de Staten van <span class="letterspaced">Zeeland</span> op den 1<sup>sten</sup> Augustus 1660 besloten, hem tot Kapitein-Generaal en Stadhouder van hun <span id="d0e583" class="corr" title="Bron: geweest">gewest</span> te benoemen, op welk besluit zij ten ernstigste bij de Staten van <span class="letterspaced">Holland</span> aandrongen. Beide Prinsessen leverden nu aan de Algemeene Staten het verzoek in, dat <span class="letterspaced">Hunne</span> Edel-Groot-Mogenden zich mochten belasten met &#8217;s Prinsen opvoeding. De Staten willigden dit in, &#8220;opdat de Prins dus bekwaam
+mocht worden tot de bediening der hooge ambten, door zijne voorzaten bekleed,&#8221; doch gaven daaraan geene uitvoering. Vier dagen
+later echter besloten zij tot de vernietiging van de acte van seclusie. Keeren wij na deze breede uitweiding tot onzen Prins
+terug.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zijt gij daar, Karel?&#8221; zegt hij tot zijn kamerdienaar, een forsch en stevig gebouwd jonkman van ruim drie en twintig jaren,
+van wien hij veel houdt en met wien hij gaarne spreekt.
+
+</p>
+<p>&#8220;Om u te dienen, Uwe Hoogheid,&#8221; antwoordt deze, die met een klein fleschje in de eene en een brief met groot lak in de andere
+hand, het vertrek is binnengetreden. &#8220;Hier zijn de druppels, die de dokter u heeft voorgeschreven, en hier een brief, zoo
+op het oogenblik met den post aangenomen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Geef hier den brief, Karel,&#8221; hervat de Prins, terwijl hij het boek weglegt en de hand naar het papier uitstrekt.
+
+</p>
+<p>De kamerdienaar reikt het over en gaat naar het dressoir, waar hij in een kristallen glas eenig water schenkt, in hetwelk
+<a id="d0e600"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e600">10</a>]</span>hij het bepaalde aantal druppels uit het fleschje mengt en dat hij den Prins aanbiedt. Deze heeft intusschen den brief opengebroken
+en doorloopt den inhoud.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hier zijn uwe druppels, Uwe Hoogheid,&#8221; zegt de kamerdienaar.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ba! hoe zuur!&#8221; zegt de Prins, nadat hij het glas heeft leeggedronken. &#8220;De dokter heeft veel van Mijnheer den Raadpensionaris,&#8221;
+voegt hij er hardop denkend bij. &#8220;Die verstaat ook de kunst om wrange druppels toe te dienen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Of bittere,&#8221; verbetert de kamerdienaar.
+
+</p>
+<p>&#8220;Karel,&#8221; gaat de Prins voort, alsof hij die woorden niet gehoord heeft, &#8220;zeg den Heer Van Zuijlestein, dat ik hem verzoek
+hier te komen. Ik moet hem spreken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Terwijl de kamerdienaar het bevel van zijn jongen meester volbrengt, leest deze nogmaals den brief over. &#8217;t Is of de lezing
+hem vermoeit;&#8212;toen hij gedaan heeft, houdt hij de magere, witte hand voor de oogen en blijft in gepeins zitten. Het binnentreden
+van zijn goeverneur stoort hem in zijne overdenking.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij liet mij roepen, Willem!&#8221; begint deze. &#8220;Weder die ongelukkige hoofdpijn! Waarom niet nog wat te bed gebleven?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Omdat ik het in het dons niet langer kon susteneeren,&#8221; geeft de Prins ten antwoord. &#8220;Ik hoopte, dat het wat beter zou worden,
+als ik op was. Lees echter dezen brief, dien ik daareven ontving.&#8221;
+
+</p>
+<p>De goeverneur neemt den brief en voldoet aan den wensch van den Prins.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij ziet het, Zuijlestein. Mijn oom, Zijne Majesteit Karel II van <span class="letterspaced">Engeland</span>, heeft de schepen gezonden, om hare Koninklijke Hoogheid mijne moeder af te halen. En zij verlangt, dat ik terstond zal afreizen,
+om haar vaarwel te zeggen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is het uitdrukkelijk verlangen van Hare Koninklijke <a id="d0e625"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e625">11</a>]</span>Hoogheid, Willem,&#8221; antwoordt Zuijlestein. &#8220;Zij meldt u dat in den brief.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Alles goed en wel,&#8221; herneemt de Prins. &#8220;Maar ik kan vandaag niet gaan. Het is mij onmogelijk. Met zulk een hoofdpijn kan
+ik niet reizen. Het hoofd klopt mij als een hamer. De oogen branden mij in &#8217;t hoofd. Elke beweging, die ik maak, is mij een
+pijniging. Laat Widerts schrijven, dat ik heden niet kan komen, maar dat ik, wanneer het morgen passabel is, zoo vroeg mogelijk
+zal vertrekken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Er is niets aan te veranderen,&#8221; geeft Zuijlestein ten antwoord. &#8220;Het vertrek der Prinsesse Royal is op morgen gefixeerd,
+en als wij vroeg genoeg op reis gaan, kunnen wij haar tot aan het schip accompagneeren. Hare Hoogheid zal echter zeer gefrustreerd
+zijn, daar zij u zeker gaarne den laatsten dag bij zich had gehad.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Prins antwoordt niet; het is of hij aan de belangstelling zijner moeder twijfelt.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeg Karel, dat hij Widerts roepe,&#8221; herneemt hij. Zuijlestein schelt en deelt Karel het bevel van Zijne Hoogheid mede.
+
+</p>
+<p>&#8220;Moeder had mij wel vroeger kunnen schrijven,&#8221; herneemt Willem Hendrik eenigszins bitter.
+
+</p>
+<p>&#8220;De tijding van de aankomst der Engelsche vloot is eerst gisteren laat in &#8217;s-<span class="letterspaced">Gravenhage</span> gearriveerd,&#8221; hervat Zuijlestein verschoonend. &#8220;Hare Koninklijke Hoogheid kon er u dus niet vroeger van preveni&euml;eren.&#8221;
+
+</p>
+<p>Op dit oogenblik komt &#8217;s Prinsen Raad en schrijver Widerts binnen, en de Prins geeft hem den inhoud van den brief aan zijne
+moeder op.
+
+</p>
+<p>&#8220;Meld Harer Hoogheid vooral, dat ik haar zelf zou geschreven hebben,&#8221; eindigt de Prins, &#8220;indien de furieuze hoofdpijn mij
+daarin niet verhinderde.&#8221;
+
+</p>
+<p>Widerts zet zich aan de tafel om den brief te schrijven.
+<a id="d0e648"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e648">12</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Ik kan vandaag geen les nemen, Zuijlestein,&#8221; gaat de Prins voort. &#8220;Ik heb gepoogd wat te studeeren, maar de letters dansen
+mij voor de oogen. Laat dus mijne meesters afzeggen, en &#8217;t vooral Professor Borneus weten, opdat hij geen vergeefschen tocht
+doe.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Rust en kalmte zijn de beste medicijnen voor u, Willem,&#8221; herneemt de goeverneur. &#8220;Gij weet het, wat de dokter u gisteren
+nog zeide. Wij zullen hem straks wel hier hebben, en hij zal u wel ordineeren, om naar bed te gaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb reeds zijn druppels ingenomen. Zij zijn bijtend, scherp zuur.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Medicijnen zijn niet altijd aangenaam, Willem. Maar zij zijn weldadig voor het lichaam. Ook onze hemelsche Vader geeft ons
+wel eens bittere medicijnen te slikken, om onze ziel te cureeren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb er reeds van moeten innemen,&#8221; antwoordt de Prins op somberen toon. &#8220;Ha, Widerts, reeds gereed!&#8221; herneemt hij op minder
+treuriger wijs tot zijn schrijver en Raad. &#8220;Laat hooren, wat gij geschreven hebt.&#8221;
+
+</p>
+<p>Widerts voldoet aan &#8217;s Prinsen verlangen en leest den in &#8217;t Fransch geschreven brief voor (want het Fransch was toen de hoftaal,
+en onze Vorsten van <span class="letterspaced">Oranje</span> schreven er altijd in). De Prins zet zijne handteekening onder den brief en reikt dien zijn secretaris over om hem te sluiten,
+te verzegelen en van adres te voorzien.
+
+</p>
+<p>Twee uren later lag de Prins in de naaste kamer te bed. De dokter had zulks geordineerd en hem een calmeerend geneesmiddel
+gegeven met de hoop, dat hij den volgenden morgen in staat zou zijn, naar &#8217;s-<span class="letterspaced">Gravenhage</span> te vertrekken. Aan zijn bed zat zijn kamerdienaar Karel, om hem van tijd tot tijd koele compressen op het hoofd te leggen
+en zijn drankje in te geven. Maar een geest als die van Willem Hendrik kon zich moeilijk in de gedwongene rust schikken, welke
+hem was opgelegd. Onophoudelijk <a id="d0e669"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e669">13</a>]</span>woelde hij zich om en om, hoe ook Zuijlestein hem tot stilte en rust aanmaande.
+
+</p>
+<p>Deze laatste had &#8217;s Prinsen bed verlaten. Karel was alleen met hem in de kamer. &#8217;t Scheen, dat de zieke eenigszins kalmer
+werd.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dek mij wat beter toe, Karel,&#8221; zeide hij, &#8220;en verhaal mij eens van dat Haagsche oproer, waarvan gij laatst spraakt, toen
+wij juist gestoord werden. Ik heb er behoefte aan, dit nu te hooren.&#8221;
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p013.jpg" alt="" width="608" height="508"></div><p>
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Indien Uwe Hoogheid mij belooft, stil en bedaard te blijven liggen en zoo weinig mogelijk te spreken,&#8221; hernam de kamerdienaar,
+terwijl hij de met zijde gevoerde deken terecht schikte en den Prins een nieuwe compres op &#8217;t hoofd legde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat beloof ik u, Karel,&#8221; antwoordde de Prins, en de kamerdienaar begon:
+<a id="d0e682"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e682">14</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Het was in den zomer van het jaar 1653, dat Hare Koninklijke Hoogheid de Prinsesse Royaal met Uwe Hoogheid, die toen derdehalf
+jaar oud was, naar <span class="letterspaced">Breda</span> was gereisd, om U als baron dier stad te doen huldigen. Wij Haagsche jongens hadden er de lucht van gekregen, en, aangevoerd
+door Koen Aertsen (den zoon van Aert Gerritsz, den barbier uit het <span class="letterspaced">Gortstraatje</span>) die voor kapitein speelde, besloten wij Uwe Hoogheid bij Hare terugkomst in &#8217;s <span class="letterspaced">Gravenhage</span> deftig in te halen. Dag op dag trokken wij dan met mutsen en bandelieren van Oranjepapier, met stokken en Oranjevaandels
+gewapend, naar het <span class="letterspaced">Zieken</span>, waar Uwe Hoogheid moest binnenkomen. Of men Uwe reis opzettelijk vertraagd had, op hoop dat wij uit elkander zouden gaan,
+weet ik niet; het was echter reeds laat in den nacht, toen de vorstelijke karossen terugkeerden. Daar wij weinig deeg van
+onzen opschik en van onze uitmonstering hadden, zoo besloten wij, des anderen daags in dezelfde toerusting op het <span class="letterspaced">Binnenhof</span> te verschijnen.&#8212;In groote statie trokken wij op, terwijl Pieter Hendriksz, die onder ons jongens den bijnaam had van den
+duikelaar, omdat hij zoo mooi kon duikelen, het Wilhelmus op de trompet blies, dat het rammelde en raasde.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Kan die knaap zoo mooi op de trompet blazen?&#8221; vraagde de Prins. &#8220;Waar had hij dat geleerd?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Van een vroegeren trompetter van de Oranjegarde, een zekeren Jan Claeszoon<a id="d0e704src" href="#d0e704" class="noteref">4</a>, die, toen deze garde in &#8220;garde van de Staten van <span class="letterspaced">Holland</span>&#8221; werd veranderd, zijn ontslag had gekregen. Hij woonde vroeger in de <span class="letterspaced">Bag&#307;nenstraat</span> en was naar <span class="letterspaced">Amsterdam</span> vertrokken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En wat gebeurde er verder?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Men toonde ons Uwe Hoogheid voor de vensters van &#8217;t <a id="d0e720"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e720">15</a>]</span>paleis. Toen was &#8217;t eerst een leven: de trompet schalde nog luider en wij allen schreeuwden onze kelen heesch met &#8220;Leve de
+Prins!&#8221;&#8212;Maar daar kwamen op eens de dienaars van den Fiskaal, wien door de Staten van <span class="letterspaced">Holland</span>, die dat leven in hunne vergadering niet schenen te kunnen velen en die wellicht voor meerdere opschudding vreesden, last
+was gezonden, om den hoop te verstrooien. Maar juist die maatregel had een verkeerde uitwerking; want het grauw, dat hierin
+een beleediging zag, ging naar &#8217;t huis van den Fiskaal en wierp er de glazen in. Ook aan de logementen<a id="d0e725src" href="#d0e725" class="noteref">5</a> van <span class="letterspaced">Amsterdam</span> en <span class="letterspaced">Rotterdam</span> deed men hetzelfde. Men schold de afgevaardigden en vooral Mijnheer den Raadpensionaris De Witt voor schelmen en prinsenverraders.
+Ja, zoover ging men, dat een dronken Duitscher den Heer Jacob de Witt, den vader van den Raadpensionaris, aanviel en hem dreigde,
+&#8220;dat men hem wel zou leeren, om den Prins tegen te spreken.&#8221; Het was jammer, dat onze betooning van gehechtheid aan Uwe Hoogheid
+zulke gevolgen had.&#8212;Wij jongens hadden dat geenszins bedoeld.&#8221;
+
+</p>
+<p>Met genoegen had de Prins naar het verhaal van zijn kamerdienaar geluisterd. Hij viel weldra daarna in een gerusten slaap.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/o042.gif" alt="Ornament." width="222" height="44"></div><p>
+
+
+
+<a id="d0e746"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e746">16</a>]</span></p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e324" href="#d0e324src" class="noteref">1</a></span> Zie Adolf en Clara, <a href="#d0e4553">dertiende Hoofdstuk</a>.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e511" href="#d0e511src" class="noteref">2</a></span> Op lateren leeftijd vraagde hem een zijner veldheeren naar zijne plannen. &#8220;Kunt gij zwijgen, mijn vriend?&#8221; vraagde de Prins.&#8212;&#8220;Als
+het graf, Uwe Hoogheid!&#8221; antwoordde de andere.&#8212;&#8220;Ik ook,&#8221; hernam de Prins en vertelde hem niets.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e553" href="#d0e553src" class="noteref">3</a></span> Jaarlijks is een der Hoogleeraren aan de Universiteit President van het collegie der professoren en draagt dan den naam van
+Rector Magnificus.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e704" href="#d0e704src" class="noteref">4</a></span> Zie &#8220;Zeeman tegen wil en dank.&#8221;
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e725" href="#d0e725src" class="noteref">5</a></span> Dat waren de hotels, waarin de afgevaardigden van deze steden logeerden. Beiden stonden op het <span class="letterspaced">Plein</span> te &#8217;s-<span class="letterspaced">Gravenhage</span>. Het eerste is later tot vorstelijk paleis ingericht en thans de bewaarplaats van &#8217;s Rijks archief; het andere het ministerie
+van Oorlog.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="d0e747" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e112">Inhoud</a>]
+</span><div class="figure"><img border="0" src="images/o016.gif" alt="Ornament" width="583" height="148"></div>
+<h2 class="label">Tweede Hoofdstuk.</h2>
+<h2>Een zeeman, die nog al wat te vertellen heeft.</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/iw016.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 90px;&#xA; height: 86px;&#xA; background: url(images/iw016.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">W</span>ij laten den Prins slapen en willen ons den volgenden dag eens naar &#8217;s-Gravenhage begeven, waar wij in de <span class="letterspaced">Spuistraat</span> den pruikenmakerswinkel van Pieter Dirksz binnentreden. Sedert eenige jaren was die pruikenmaker er tamelijk bovenopgekomen;
+want er was in zijn vak nog al wat te verdienen, sinds de allongepruiken, uit Frankrijk overgewaaid, hier meer en meer in
+zwang kwamen. Gij weet immers wel, wat allongepruiken zijn, en hebt ze zeker wel eens op oude portretten gezien. Hoe dwaas,
+zult gij zeggen, als men van onzen Lieven Heer een goeden krullebol ontvangen heeft, een pruik op &#8217;t hoofd te zetten. Wat
+zal ik u zeggen? De mode is een grillige dame, en wat wij nu dwaas vinden en bespottelijk, wordt mooi, wanneer allen het dragen,
+met andere woorden, wanneer het mode is. De groote heeren nu van dien tijd droegen lange pruiken met krullen, die op beide
+zijde van de borst afhingen en hun een deftig en statig voorkomen gaven. Hoe zonderling en dwaas nu die mode ook was, zij
+had het voordeel, dat zij aan menigeen brood verschafte, en ook onze Pieter <a id="d0e757"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e757">17</a>]</span>Dirksz, die vroeger een gering haarsnijdertje in de <span class="letterspaced">Zuilingstraat</span> was geweest, had het aan de pruiken te danken, dat hij zijn onaanzienlijke woning en zijn nederig bedrijf met een vrij wat
+beteren stand had verwisseld en thans den titel van <i>kapper</i> mocht dragen. En dat alles was het werk van zijn oudsten zoon Karel, die, als lakei bij de Prinses Royaal in dienst gekomen,
+het door zijne oppassendheid tot &#8217;s Prinsen kamerdienaar had gebracht, in welke hoedanigheid wij hem in onze inleiding bij
+Zijne Hoogheid aantroffen. Karel Pietersz toch had weten te bewerken, dat verscheidene groote Heeren zijn vader de klandizie
+schonken, en de Prinses, wien de Oranjegezindheid van den voormaligen haarsnijder wel bekend was, had aan Pieter Dirksz eenig
+geld voorgeschoten, waardoor hij in staat was gesteld, zich het noodige haar te verschaffen en zijn stand te verbeteren. Dat
+geld had hij sedert lang terugbetaald.
+
+</p>
+<p>Wij treden den winkel van baas Dirksz binnen en vinden daar den tweeden zoon Jacob achter de toonbank zitten, bezig met het
+opmaken eener reusachtige allongepruik,&#8212;want niet alleen het vervaardigen van die hoofddeksels verschafte onzen haarwerker
+goede winsten, het onderhoud daarvan schonk hem geregeld werk. Wij gaan den twee-en-twintigjarigen Jacob voorbij en doen de
+glazen deur achter in den winkel open, waar wij in het huisvertrek den eerzamen pruikenmaker zien zitten, luisterende naar
+het verhaal van een zeeman, dien wij, ondanks zijn gebruind gelaat, terstond voor den jongeren broeder van Pieter Dirksz herkennen.
+Aan de tafel zit Marie, een meisje van twintig jaren, naar de Prinses Royaal vernoemd, en die sedert moeders dood het huishouden
+van haren vader bestuurt. Evert, die op haar volgt, is niet t&#8217;huis, maar bij den smid Joris Gerritsz aan &#8217;t werk; terwijl
+de veertienjarige Martha en haar dertienjarige broeder Pieter, de jongste van Dirksz&#8217; zestal, een aardige geestige jongen
+en vaders naamgenoot en <a id="d0e767"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e767">18</a>]</span>lieveling, naar ooms vertellingen zitten te luisteren. Aandachtiger luisteraar echter heeft Klaas Dirksz niet dan zijn jongsten
+neef. Ziet hem daar zitten, dien blozenden knaap, terwijl de blauwe, zielvolle oogen onafgewend aan de lippen van den verhaler
+hangen en de hand den krullebol ondersteunt, als werd hem die te zwaar door al het nieuws, dat er in wordt opgenomen. Twee
+jaren geleden was zijn oom met den vice-admiraal De With, onder bevel van den Admiraal Jacob van Wassenaar, naar <span class="letterspaced">Denemarken</span> vertrokken, om den koning van laatstgenoemd land tegen de Zweden bij te staan. Eer wij echter vernemen, wat oom Klaas te
+verhalen heeft, moet ik u met een enkel woord de oorzaak van die zending mededeelen.
+
+</p>
+<p>Reeds in 1656 had de oorlogzuchtige koning van <span class="letterspaced">Zweden</span> Karel Gustaaf, door het belegeren van de stad <span class="letterspaced">Dantzig</span>, die wij als de korenschuur van <span class="letterspaced">Nederland</span> aanmerkten, onze Staten genoodzaakt, een vloot van acht-en-veertig schepen naar de <span class="letterspaced">Oostzee</span> te zenden. Het doel van dezen tocht was bereikt en de vaart op de <span class="letterspaced">Oostzee</span> bleef vrij. Toen echter in &#8217;t volgend jaar de krijgskans ten nadeele van Karel Gustaaf liep, begreep Frederik III, koning
+van <span class="letterspaced">Denemarken</span>, dat thans het rechte tijdstip daar was om de landen te herwinnen, die de Zweden, veertien jaren geleden, zijnen vader Christiaan
+IV ontnomen hadden. Hij verklaarde dus Karel Gustaaf den oorlog, waarop deze een stouten tocht ondernam, dien niemand v&oacute;&oacute;r
+hem had durven wagen. Hij trok in Februari van &#8217;t jaar 1658 met zijn leger van slechts achtduizend man, meest ruiterij, over
+de toegevroren zee naar <span class="letterspaced">Funen</span>, alwaar hij <span class="letterspaced">Odenzee</span> en <span class="letterspaced">Nyborg</span> vermeesterde. Cromwells gezant, Meadow, zond hem een bode te paard, om hem tot den vrede aan te manen. &#8220;Hoe!&#8221; zeide de koning.
+&#8220;Kan die bode over den <span class="letterspaced">Grooten Belt</span>, dan kunnen wij er ook over.&#8221; Hij liet nu zijn leger oprukken en nogmaals over de bevroren zee trekken om den <a id="d0e804"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e804">19</a>]</span>vijand in zijn land te bestoken. &#8217;t Was zoo vinnig koud, dat men den wijn en het bier bij stukken uit de vaten moest hakken;
+om ze te ontdooien. Midden in den nacht nam de tocht een aanvang. Door de menigte van paarden smolt de sneeuw zoozeer, dat
+er op sommige plaatsen wel twee voet water op het ijs stond, en men in de duisternis elk oogenblik vreesde in de zee te zullen
+verzinken.
+
+</p>
+<p>Reeds in den morgen van den volgenden dag kwam de koning op <span class="letterspaced">Langeland</span> aan en ging van daar op <span class="letterspaced">Laland</span> en <span class="letterspaced">Falster</span>, welke eilanden hij bezette. Vervolgens trok hij op <span class="letterspaced">Seeland</span> af, nam <span class="letterspaced">Warburg</span> in en stond op het punt om op <span class="letterspaced">Kopenhagen</span> af te trekken, toen Meadow zelf hem kwam opzoeken en er te <span class="letterspaced">Rotschild</span> tusschen de beide koningen een verdrag werd gesloten, waarbij bepaald werd, dat &#8220;zij nooit zouden toelaten, dat eenige vreemde
+oorlogsvloot door de <span class="letterspaced">Sont</span> of <span class="letterspaced">Belt</span> in de <span class="letterspaced">Oostzee</span> zou komen.&#8221; Dit verbond was echter niet lang van duur; nog in &#8217;t zelfde jaar viel Karel Gustaaf in <span class="letterspaced">Seeland</span> en sloeg het beleg voor <span class="letterspaced">Kopenhagen</span>. Onze Staten, die wel wisten hoe schadelijk het voor ons zou zijn, indien de Zweden meester werden in &#8217;t Noorden, besloten
+den admiraal van Wassenaar met een vloot naar <span class="letterspaced">Kopenhagen</span> te zenden. De wakkere Kortenaar, zijn raadsman, dien wij reeds als kapitein op het schip van Tromp<a id="d0e847src" href="#d0e847" class="noteref">1</a> ontmoet hebben, was kapitein van het admiraalsschip, terwijl de Vice-admiraals De With en Floriszoon onder Wassenaar het
+bevel voerden.
+
+</p>
+<p>Keeren wij thans naar de woonkamer van Pieter Dirksz terug. Zijn broeder Klaas, de zeeman met zijn gebruind gelaat, zijn heldere
+oogen die goedhartig uit de beenige kassen zien, zijn reeds hier en daar grijs geworden bruin, krullend haar, de baard en
+snorren om wang en kin, de groote, breede handen, die wel <a id="d0e852"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e852">20</a>]</span>aan een mulat schijnen te behooren, doen terstond in hem den man herkennen, die lang aan weer en wind is blootgesteld geweest.
+Ook aan zijn spreken merkt men dadelijk den zeeman op, daar hij tal van spreekwoorden in den mond heeft, van welke de meeste
+hun oorsprong aan het zeeleven te danken hebben: vele daarvan echter zijn spreuken uit vader Cats.
+
+</p>
+<p>&#8220;Go&ecirc; morgen!&#8221; begint hij, toen hij zonder eenige de minste komplimenten binnentreedt. &#8220;Hoe maak je &#8217;t, Pieter? En hoe varen
+je kinderen? Wel seldrement! is dat zoeken. Ik wist niet meer, waar ik mijn boeg moest wenden, en ik dacht, dat ik mijn bakzeil
+al moest in halen. Maar &#8217;t is met jou ook al, zooals vader Cats zegt: kunst baart gunst.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij zijn allen gezond, Klaas,&#8221; antwoordt Pieter. &#8220;En &#8217;t schijnt, dat jij ook niet onder dokters handen bent.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Eilacy! Geen beter banket, dan gezond en vet, zegt Cats. Met mij is &#8217;t: een blij gemoed en matig goed is wonder zoet. Maar
+vertel mij eens, hoe &#8217;t je zoo voor den wind is gegaan; want je bent me een groote mijnheer geworden. &#8217;k Wist niet of ik wel
+zou bijdraaien, toen ik daar voor zoo&#8217;n mooien winkel stond.&#8221;
+
+</p>
+<p>Pieter Dirksz verhaalt zijn broeder, wat er met hem in die twee jaren is voorgevallen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu,&#8221; hervat deze. &#8220;Onder &#8217;t zeil is &#8217;t goed roeien. Wanneer je zulke bescherming hebt, is &#8217;t geen wonder ook. Als je door
+zulk groot volk gepraaid wordt, heb je maar op sleeptouw mee te varen. En nou zal ik je eens vertellen, wat er al met mij
+in die twee jaren gebeurd is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is goed, Klaas,&#8221; herneemt Pieter Dirksz. &#8220;Maar zou je eerst niet wat gebruiken?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Als je er dan op staat, Pieter, geef me dan een oorlam. Je weet wel wat ik meen, een goed glas brandewijn. Maar een ferm
+glas, hoor; want zoo&#8217;n kleintje is maar mondtergen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En nu,&#8221; hervat oom Klaas, nu hij van &#8217;t noodige voorzien <a id="d0e870"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e870">21</a>]</span>is en zijn kort eindje pijp heeft aangestoken, &#8220;nu het zeil in top, en er op ingevaren. Je weet, dat ik aan boord van den
+vice-admiraal De With, zaliger gedachtenis, als stuurman geplaatst was. &#8217;t Was een dekselsch mooie vloot, mooier dan ooit
+onze havens verlaten heeft. Onze tocht was echter niet zeer voorspoedig; want eerst den 3<sup>den</sup> November kwamen wij in de nabijheid der <span class="letterspaced">Sont</span>. Toen ging &#8217;t er op los. Wij moesten door twee vuren heen en tegen het vuur in. Aan onze linkerhand hadden wij het kasteel
+<span class="letterspaced">Helsingborg</span>, aan onze rechter het slot <span class="letterspaced">Kronenburg</span>, door de Zweden op de Denen veroverd, en vlak voor ons de Zweedsche vloot onder Graaf Karel August Wrangel.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Is die niet vroeger een jaar in ons land geweest, om zich met de zeewezen bekend te maken?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel mogelijk. Je wordt meest gebeten door je eigen honden. Intusschen&#8212;onze De With, die de voorhoede kommandeerde, dacht:
+goede moed is het halve teergeld! Met zijn &#8220;Brederode&#8221;, het schip, waarop Tromp zoo menige zege op den vijand bevocht, stort
+hij zich als een leeuw door de regenbui van kogels heen, die ons van drie kanten te gemoet worden gezonden. Ik sta aan het
+roer zoo bedaard als ik hier zit, terwijl de blauwe boonen mij om de ooren fluiten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;H&eacute;, oom!&#8221; roept Pieter uit. &#8220;En werdt u niet bang?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Bang, Pieter! Ik bang? Kom, smidskinderen zijn wel vonken gewoon, dacht ik, en als er geen kogel bij is waar je naam op staat,
+zal je er wel goed door komen. En zoo stuur <span id="d0e892" class="corr" title="Bron: in">ik</span> recht door de voorhoede heen tot vlak bij den vijandelijken admiraal.&#8212;&#8220;Bijdraaien!&#8221; roept De With, en op het oogenblik dat
+ik het schip van Wrangel praai, &#8220;pang, pang, pang!&#8221; daar krijgt hij de volle laag. Hij keek, alsof hij het te <span class="letterspaced">Keulen</span> had hooren donderen, die Zweed; het kwam hem ook zoo onverwachts op het lijf. Maar wij laten hem geen tijd tot bezinnen;
+want met beter te hopen is de tijd verloopen, en onze admiraal, <a id="d0e898"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e898">22</a>]</span>die begreep dat hem de eer toekwam om het admiraalsschip te bevechten, vaart hem aan het andere boord, en geeft hem ook de
+volle laag, waardoor de Zweed zijn roer verliest en zich genoodzaakt ziet onder <span class="letterspaced">Kronenburg</span> te loopen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, dat was ferm, oom!&#8221; roept Pieter verheugd uit. &#8220;Dat had hij net verdiend, om hier het zeewezen te leeren en dan zijn
+kunst tegen ons te gebruiken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is nu tot daaraan toe, jongen! Uilen vliegen met geen bonte kraaien, en Wrangel was van ouder tot ouder een Zweed en
+moest dus zijn land voorstaan. De vice-admiraal intusschen beveelt mij te wenden, voort gaat het, en &#8220;pang, pang, pang!&#8221; sturen
+wij het schip van Bielkenstjern insgelijks wat blauwe boonen in de romp. Maar twee Zweedsche schepen kwamen hem te hulp en
+nu was het &eacute;&eacute;n tegen drie.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is valsch,&#8221; valt Pieter zijn oom in de rede. &#8220;Een tegen een is het altijd bij ons jongens, als wij vechten. Drie tegen
+een is geen partuur.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar, Piet,&#8221; herneemt oom Klaas, &#8220;in den oorlog vraagt men niet naar partuur; daar doet men zijn best om elkander te vernielen.
+Onze dappere vice-admiraal intusschen was geen kat om zonder handschoenen aan te tasten. Hij gaf hun het lapje vrij duur,
+hoor; want het was hier terecht: blo&ocirc; Jan, do&ocirc; Jan. Een der beide aanvallers vloog in de lucht, de andere liet ons zijn achtersteven
+zien en koos het hazenpad; alleen Bielkenstjern bleef vechten als een leeuw. Maar wat wilde het ongeluk? De snelle stroom
+deed de beide schepen wegdrijven en aan den grond geraken. Het roer zat als gemetseld. Dat merkte een Zweed. Men moet het
+ijzer smeden, terwijl het heet is, dacht hij, en gaf ons de volle laag.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat was laf!&#8221; roept Pieter uit, terwijl zijne oogen vlammen schieten. &#8220;Een weerloozen vijand mag men niet aanvallen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Je weet alweer niet, hoe het in den oorlog toegaat, Pieter,&#8221; <a id="d0e915"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e915">23</a>]</span>herneemt de oom. &#8220;En onze De With toonde maar al te goed, dat hij niet weerloos was; want twee uren lang hield hij het uit,
+ofschoon ons schip door de kogelgaten wel een zeef geleek en zoo lek was als een mand. Maar, wat drommels jammer was en mij
+geweldig speet: twee kogels troffen den dapperen vice-admiraal. &#8220;Jongens! houdt moed!&#8221; riep hij. En de jongens hielden moed,
+dat verzeker ik je. Maar tegen de Bierk&acirc; is het kwaad vechten. De Zweden enteren onzen &#8220;Brederode&#8221; en springen er in menigte
+op over. De arme De With, door bloedverlies uitgeput, kan niet meer staan. Hij valt op de knie&euml;n en zwaait nog den degen,
+terwijl hij volstandig weigert zich over te geven. Eindelijk is hij geheel en al uitgeput, men grijpt hem aan en sleurt hem
+van het schip. Stervend vestigt hij nog de brekende oogen op zijn vaartuig. En ziet, zijn wensch wordt vervuld: &#8220;de Brederode&#8221;
+valt geen vijand in handen: het water dringt door de menigte van kogelgaten heen, het schip zinkt als een baksteen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat was ferm!&#8221; vindt Pieter, terwijl hij in de handen klapt. &#8220;Nu had die leelijke Zweed er toch niets bij gewonnen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat had hij niet. Maar zeg niet leelijke Zweed. De bevelhebber van het vijandelijke schip had zijn plicht gedaan, evenals
+wij. En weet gij wat Koning Karel Gustaaf deed? Toen het lijk van den dapperen vice-admiraal te <span class="letterspaced">Elseneur</span> aan wal werd gebracht, stond de edele vorst, in rouwgewaad gekleed, omringd door zijn ganschen hofstoet om het met eere te
+ontvangen en kon hij zijne tranen niet bedwingen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat vind ik nu heel mooi,&#8221; hernam Pieter. &#8220;Maar wat had de admiraal Van Wassenaar in al dien tijd gedaan, oom?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Die had gevochten als een leeuw. Ofschoon een derde van zijn scheepsvolk gekwetst of gedood was, zijn boeg en konstabelkamer
+in brand waren geraakt, zijn want grootendeels was afgeschoten, de romp van zijn schip vol kogelgaten zat, en het water reeds
+in het hol steeg, bleef hij den ongelijken strijd <a id="d0e928"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e928">24</a>]</span>tegen de vijandelijke schepen volhouden, terwijl hij bedaard bleef zitten in een stoel v&oacute;&oacute;r de kampanje.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Was hij dan zoo moe?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel neen; maar hij had zoo geducht de jicht, dat hij niet kon staan of loopen; dus moest hij wel zitten. Eindelijk liepen
+de vijanden van hem af en zeilde hij naar de vloot bij <span class="letterspaced">Kronenburg</span> terug. De Zweden hadden zeven schepen verloren, waarvan drie den onzen in handen waren gevallen; wij slechts &#8220;de Brederode&#8221;
+en drie verbruikte branders. Jammer maar, dat wij onder de dooden de beide vice-admiralen Witte Corneliszoon de With en Floriszoon
+telden<a id="d0e937src" href="#d0e937" class="noteref">2</a>.
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar oom! Hoe ging het met u? Gij zijt toch niet met &#8220;de Brederode&#8221; gezonken?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Domme jongen! Dan zou ik niet hier zitten. Ik werd met al mijn kameraads gevangen genomen en te <span class="letterspaced">Elseneur</span> in den kerker gezet. Daar zaten wij den geheelen winter met ons twaalven in een donker, vochtig hok te brommen. Maar wij
+besteedden onzen tijd goed. Wij hadden opgemerkt, dat langs onze gevangenis de gracht van het kasteel stroomde, en nu besloten
+wij, de trali&euml;n los te vijlen en zoo de haven uit te raken. Dat ging echter zoo gemakkelijk niet; want wij hadden geen gereedschap.
+Een onzer echter had zijn &#8220;kortjan&#8221; weten te verbergen, en nu maakten wij daarmede steenen uit den muur los, die wij scherp
+slepen en waarmede wij langzamerhand de dikke ijzeren staven doorvijlden. Dat kon echter alleen &#8217;s nachts gebeuren. &#8217;s Morgens
+maakten wij het gevijlde met wat brood met vijlsel vermengd toe; met hetzelfde brooddeeg verborgen wij de plaats der uitgebroken
+steenen. &#8217;t Was echter eerst in de laatste helft der maand, dat onze reuzenarbeid voltooid was. Op zekeren donkeren regenachtigen
+nacht lichtten wij de ankers, <a id="d0e953"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e953">25</a>]</span>namen de reeds losgemaakte tralies uit, kwamen zoo in de gracht, zwommen over en laveerden op handen en voeten langs den grond
+tot in een klein kreupelbosch, niet ver van het kasteel, dat wij uit onze gevangenis hadden kunnen zien en tot ons vereenigingspunt
+bestemd hadden. Van hier wendden wij den boeg regelrecht zuidwaarts, steeds reizende bij nacht, en bij dag ons verbergende.
+Eindelijk kwamen wij aan de zee, en, verbeeldt u onze blijdschap, toen er eensklaps, niet ver van de kust, een vloot voor
+ons lag en wij, bij het schijnsel der maan, de Statenvlag van de masten zagen wapperen. Wij sprongen in zee en zwommen naar
+&#8217;t eerste schip het beste. &#8217;t Was &#8220;Het huis te Zwieten&#8221;, op hetwelk de dappere vice-admiraal De Ruyter het bevel voerde, die
+den 20<sup>sten</sup> Mei met een vloot van 40 linieschepen tot versterking van Wassenaar naar &#8217;t Noorden afgezonden was. Wij werden terstond met
+opene armen ontvangen en op verschillende schepen ingedeeld. Ik kwam als tweede stuurman op &#8220;Het huis te Zwieten&#8221; en bleef
+verder op dien bodem.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoodat gij dus in de onmiddellijke nabijheid van den dapperen Zeeuw waart,&#8221; hervatte Pieter Dirksz.
+
+</p>
+<p>&#8220;Juist. Onze vloot vereenigde zich kort daarna met die van Wassenaar. &#8217;t Was een statig gezicht, die vijf-en-twintig oorlogsschepen
+met hare galjoten en branders te zien zeilen, een gezicht, dat mij het hart onder het baaitje deed zwellen. In het begin van
+November echter keerde de admiraal van Wassenaar, die ernstig ongesteld was, naar het vaderland terug, en De Ruyter behield
+nu, volgens last der Staten, het opperbevel over de geheele vloot, die koers zette naar het eiland <span class="letterspaced">Funen</span>, dat nog altijd in de macht der Zweden was. Het krijgsvolk werd onder aanvoering van den ritmeester Hendrik van Fleury, heer
+van Buat, te <span class="letterspaced">Kartemunde</span> ontscheept. Dat ging echter zoo gemakkelijk niet. Aan de eene zijde stonden twee, en aan de <a id="d0e968"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e968">26</a>]</span>andere zijde drie regimenten Zweedsche ruiters, terwijl de dragonders de stad bewaarden. Men opende een hevig kartetsvuur
+op onze sloepen, in een van welke zich De Ruyter bevond, die een oog in het zeil wilde houden. Ik zat aan het roer en de kogels
+floten mij om de ooren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu werdt gij toch zeker wel bang, oom?&#8221; vraagde Pieter.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel neen.&#8212;In zulke gevallen moet men het woord vrees slechts bij naam kennen, evenals onze De Ruyter. Toen hij zag, dat er
+eenigen van de onzen sneuvelden, riep hij onophoudelijk: &#8220;Valt aan, mannen! Valt aan, of gij zult allen samen vermoord worden.&#8221;
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p026.jpg" alt="" width="611" height="323"></div><p>
+
+
+</p>
+<p>Nu sprong de ritmeester Buat, die vroeger page bij Prins Willem II was geweest, met het rapier in de vuist tot zijn middel
+in het water. &#8220;Mannen!&#8221; riep hij, &#8220;dat gaat u voor! Volgt mij na!&#8221; Door dit voorbeeld aangemoedigd, volgden de soldaten met
+gansche hoopen hem na, waadden door de zee, tastten de Zweedsche ruiters manmoedig aan, en overwonnen hen na een hardnekkigen
+tegenstand. Eenige dagen later vereenigden zij zich met de Keizerlijke, Brandenburgsche en Poolsche hulpbenden, rukten gezamenlijk
+op de Zweden aan, overwonnen <a id="d0e979"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e979">27</a>]</span>hen en dwongen hen, met achterlating van al hun geschut, binnen <span class="letterspaced">N&#307;borg</span> te vluchten. Nu stevende ook De Ruyter met de vloot derwaarts, bracht de forten, die de haven beschermden, tot zwijgen, zeilde
+tot voor de stad en beschoot haar zoodanig, dat zij zich met het leger overgaf. Groot was over deze overwinning de vreugde
+in <span class="letterspaced">Kopenhagen</span>, in welke stad wij den 15<sup>den</sup> December aankwamen. &#8217;t Was fel koud en het vroor, dat het kraakte. Drie dagen lang duurde het, eer de vloot door het ijs
+heen binnen de haven was, waar zij zou overwinteren. Den zeventienden werd de vice-admiraal met andere hoogere bevelhebbers
+bij den koning van <span class="letterspaced">Denemarken</span> ter maaltijd genoodigd, waar zij prachtig onthaald werden en groote eere genoten. Eenige dagen later kwam de Deensche admiraal
+Bielke aan ons boord en schonk De Ruyter, uit naam van zijn koning, een gouden keten van groote waarde.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Die had ik wel eens willen zien,&#8221; riep Pieter uit. &#8220;Hoe was die keten, oom?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;&#8217;t Was een vier- of vijfdubbele schakel, kunstig ineengevlochten; koningin Sophia Amalia had er eigenhandig een gedenkpenning
+van goud aan vastgehecht, op welks eene zijde &#8217;s Konings borstbeeld stond, omzet met twee en veertig diamanten; aan de keerzijde
+zag men een oorlogsschip in zee en onderaan hing een schoone parel.&#8212;Grooter eer evenwel genoot de vice-admiraal, toen wij,
+een maand geleden uit <span class="letterspaced">Denemarken</span> vertrokken. De koning toch verhief hem en zijne nakomelingen tot den adelstand en voegde daar een jaarwedde van tweeduizend
+gulden bij.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat was heel mooi van dien koning van <span class="letterspaced">Denemarken</span>,&#8221; zeide Pieter. &#8220;En hoe kwam het, dat de vloot niet langer in <span class="letterspaced">Denemarken</span> behoefde te blijven?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, de koning van <span class="letterspaced">Zweden</span> was in Februari van dit jaar plotseling overleden, en daardoor was de vrede tusschen de <a id="d0e1013"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1013">28</a>]</span>Noordsche mogendheden den 16<sup>den</sup> Juli gesloten. Wij wachtten dus slechts, tot de laatste Zweed <span class="letterspaced">Denemarken</span> verlaten had, gingen den vijftienden der vorige maand onder zeil en kwamen den derden September &#8217;t <span class="letterspaced">Vlie</span> binnen, waar de verschillende schepen van elkander scheidden. Wij zetten koers naar <span class="letterspaced">Amsterdam</span>. Op de <span class="letterspaced">Zuiderzee</span> was De Ruyter bijna verongelukt. Een schip overzeilde ons en, had de vice-admiraal zich niet aan een touw vastgehouden, hij
+ware reddeloos verloren geweest.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe gaat het, vader!&#8212;H&eacute;! oom! Gij hier? Altijd w&egrave;l geweest? Dag Marie, dag Martha, dag Pieter!&#8221; klonk het eensklaps. Allen
+keken op, en zagen Karel voor zich staan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe kom jij zoo eensklaps uit de lucht vallen, Karel?&#8221; was de vraag van den verbaasden Dirk Pietersz.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben zoo straks met Zijne Hoogheid van <span class="letterspaced">Leiden</span> gekomen, daar hij afscheid wil nemen van Hare Koninklijke Hoogheid de Prinses Royaal, eer zij naar <span class="letterspaced">Engeland</span> gaat.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En die van morgen vroeg reeds vertrokken is,&#8221; zeide Marie, &#8220;Je bent dus te laat gekomen, Karel.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zijn wij. Gisteren ontving de Prins een brief van zijne Doorluchtige moeder; maar Zijne Hoogheid was buiten staat om
+de reis te aanvaarden, daar hij aan hevige hoofdpijn leed.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nog altijd die hoofdpijn,&#8221; zeide Marie. &#8220;De Prins schijnt een martelaar van die kwaal te zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is hij,&#8221; antwoordde Karel. &#8220;Eerst heden na den middag bevond zich Zijne Hoogheid in staat, den tocht naar &#8217;s-<span class="letterspaced">Gravenhage</span> te aanvaarden, en nu wij hier komen, vinden wij niet alleen de Prinses Royaal vertrokken, maar ook Hare Hoogheid de Prinses-weduwe,
+op het paleis op het <span class="letterspaced">Binnenhof</span>.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En ik meende gehoord te hebben, dat Prinses Amalia zich te <span class="letterspaced">Turnhout</span> bevond en van daar naar <span class="letterspaced">Kleef</span> was gereisd, omdat zij Hare Koninklijke Hoogheid niet gaarne vaarwel zeide,&#8221; merkte Marie aan.
+<a id="d0e1064"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1064">29</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Je bent zeer goed onderricht, Marie,&#8221; hervatte Karel. &#8220;De Prinses-weduwe reisde naar <span class="letterspaced">Kleef</span> en zond van daar een edelman naar de Prinses Royaal, om haar gelukkige reis te wenschen en Harer Hoogheid te verklaren, dat
+zij bereid was over te komen, bijaldien Prinses Maria dat wenschte. Intusschen schijnt zij later van gevoelens veranderd te
+zijn en is haar te gemoet gereisd naar <span class="letterspaced">Den Briel</span>. Doch Prinses Maria was, hetzij opzettelijk of toevallig, bij hare komst reeds naar <span class="letterspaced">Hellevoetsluis</span> vertrokken, waarop de Prinses-weduwe terstond naar &#8217;s-<span class="letterspaced"><span id="d0e1077" class="corr" title="Bron: Gravenage">Gravenhage</span></span> is doorgereisd. Zijne Hoogheid de Prins is op dit oogenblik bij haar.&#8221;
+
+</p>
+<p>Inderdaad was Prinses Maria reeds in den vroegen morgen van dien Woensdag vertrokken. Te <span class="letterspaced">Delftshaven</span> gekomen, wachtte haar daar een ontbijt, haar door de Vroedschap aangeboden. Na het ontbijt begaf zij zich in een jacht, dat
+haar naar <span class="letterspaced">Brielle</span> overvoerde, alwaar zij op kosten der stad met een keurig diner werd ontvangen. Ook hier hield zij zich niet langer op dan
+noodig was, maar vertrok terstond na het diner naar <span class="letterspaced">Hellevoetsluis</span>, gelijk wij uit Karels vertelling gehoord hebben. Wij willen dezen laatste thans zijne bijzondere familie-aangelegenheden
+laten bespreken en begeven ons liever eens naar het <span class="letterspaced">Binnenhof</span> te &#8217;s-<span class="letterspaced">Gravenhage</span>, om er den Prins bij zijne grootmoeder te zien aankomen. Doch dit in een volgend Hoofdstuk.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/o029.gif" alt="Ornament." width="189" height="53"></div><p>
+
+
+<a id="d0e1101"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1101">30</a>]</span></p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e847" href="#d0e847src" class="noteref">1</a></span> Zie &#8220;De Zeeman tegen wil en dank.&#8221; 6e druk, blz. 177.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e937" href="#d0e937src" class="noteref">2</a></span> Voor De With werd later door de Staten te <span class="letterspaced">Rotterdam</span> en voor Floriszoon te <span class="letterspaced">Hoorn</span> een praalgraf opgericht.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="d0e1102" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e112">Inhoud</a>]
+</span><div class="figure"><img border="0" src="images/o030.gif" alt="Ornament" width="592" height="134"></div>
+<h2 class="label">Derde Hoofdstuk.</h2>
+<h2>Waarin verhaald wordt, hoe de Prins zijne moeder nareisde.</h2>
+<p>Wij begeven ons in een der vertrekken op het <span class="letterspaced">Binnenhof</span> aan de rechterzijde der <span class="letterspaced">Stadhouderspoort</span>, door de Prinsen van <span class="letterspaced">Oranje</span> bewoond. De kamer, die wij binnentreden, heeft aan den eenen kant een ruim uitzicht over het <span class="letterspaced">Buitenhof</span>, terwijl aan de tegenovergestelde zijde de vensters op het <span class="letterspaced">Binnenhof</span> uitkomen. Zware roodzijden damasten gordijnen met oranjezijden koorden hangen voor die vensters en beletten voor een groot
+gedeelte het licht, binnen de kamer te dringen. Het goudlederen behangsel, op &#8217;t welk in de rondte de levensgroote portretten
+der doorluchtige prinsen van <span class="letterspaced">Oranje</span> hangen, brengt niet veel toe, om de kamer vroolijker te maken. Keurig steekt daartegen de hooge, wit marmeren schoorsteen
+af, boven welken zich een heerlijk schilderstuk bevindt en tegenover welken een prachtige venetiaansche spiegel met vergulde
+lijst de kamer als &#8217;t ware verdubbelt. Aan weerszijde van dien spiegel bevindt zich een met roodfluweel overtrokken divan,
+voor welken smyrnasche karpetten liggen, <a id="d0e1127"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1127">31</a>]</span>terwijl naast den schoorsteen aan elke zijde een kunstig uitgesneden en gebeeldhouwd buffet staat, waarop de zilveren kannen,
+het kristal en het fijne Chineesche porselein getuigen van den rijkdom der bewoners.
+
+</p>
+<p>Op een grooten leunstoel van ebbenhout, met rood fluweel bekleed, door goud galon afgezet, en in welks hooge rugleuning het
+wapen der Prinsen van <span class="letterspaced">Oranje</span> is gebeeldhouwd, zit een dame van ruim vijftig jaren, in blauw satijn gekleed, een rijk parelsnoer om den hals, het nog schoone
+gelaat in diepe gedachten naar den kant van het <span class="letterspaced">binnenhof</span> gewend, het hoofd ondersteund door den blanken arm, die op het marmeren blad der rijk vergulde tafel rust. Die vrouw is de
+trotsche en doorluchtige Amalia van Solms, de weduwe van Prins Frederik Hendrik van <span class="letterspaced">Oranje</span>, de grootmoeder van Prins Willem Hendrik.
+
+</p>
+<p>Het schijnt, dat de gedachten, die haar brein doorwoelen, juist geen aangename zijn; want nu en dan fronst zij de wenkbrauwen
+en trekt er een donkere wolk over haar voorhoofd. In hare overpeinzingen wordt zij gestoord door het getrappel van eenige
+paarden, die het <span class="letterspaced">binnenhof</span> oprijden. Zij ziet op en onderscheidt terstond haren kleinzoon, die naast zijn goeverneur vooruitrijdt, en die, zwak en ziekelijk
+als hij is, wanneer hij te paard zit een geheel ander wezen schijnt te zijn en vol ridderlijkheid in houding en gebaren, zijne
+afkomst van het edele Oranjegeslacht niet verloochent.
+
+</p>
+<p>&#8220;Te laat&#8212;ook al te laat!&#8221; mompelt Amalia, terwijl zij de zilveren schel van de tafel neemt, op wier geluid haar kamerdienaar
+achter het rood lakensch behangsel met gouden passement, dat de deur verbergt en voor tocht vrijwaart, te voorschijn komt.
+
+</p>
+<p>&#8220;Verzoek Zijne Hoogheid, terstond bij mij te komen. Zeg aan den Heer Van Zuijlestein, dat de Prins een paar uren rust moet
+nemen.&#8221;
+<a id="d0e1149"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1149">32</a>]</span></p>
+<p>De kamerdienaar buigt zich op deze woorden, uitgesproken met een stem, blijkbaar aan bevelen gewoon, en gaat heen, om het
+gebod zijner gebiedster te volbrengen. Eenige oogenblikken daarna treedt de Prins binnen. Gij zoudt in hem dien bleeken, matten
+knaap van gisteren niet herkend hebben, zoo had de heerlijke rit hem verkwikt. De frissche wind, die door zijne blonde lokken
+gespeeld had, had aan zijne wangen een ongewonen blos gegeven en de zuivere lucht, welke zijne longen zoo ruimschoot hadden
+ingeademd, hadden aan die heldere oogen een verhoogden glans geschonken. Een eenvoudig donker blauw fluweelen wambuis omsloot
+de tengere leden; de hozen van dezelfde kleur, met galon op de zijnaden, waren aan de knie&euml;n vastgestrikt, terwijl een bandelier
+van oranjezijde hem dwars over de borst hing. Zwijgend stond hij voor zijne grootmoeder; want het was toen, evenals tegenwoordig,
+fatsoenlijk, dat kinderen zwegen, totdat oudere menschen hen aanspraken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij komt van <span class="letterspaced">Leiden</span>, Willem?&#8221; begon de Prinses-weduwe half op vragenden, half op stelligen toon.
+
+</p>
+<p>&#8220;Om u te dienen, grootmoeder,&#8221; antwoordde de vorstelijke knaap, terwijl hij verlegen met de karwats speelde, die hij nog in
+de hand hield.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij komt te laat, mijn jongen!&#8221; hernam de Prinses. &#8220;Hare Koninklijke Hoogheid heeft goedgevonden vroeg af te reizen en haastig
+voort te trekken. Haar verlangen naar <span class="letterspaced">Engeland</span> schijnt te domineeren over hare liefde tot u.&#8221;
+
+</p>
+<p>Op deze bittere woorden richtte de Prins het hoofd fier op, een meer dan gewoon vuur flikkerde in zijn oog, hij wilde iets
+scherps antwoorden. Maar reeds gewoon zich te bedwingen, fonkelde dat oog slechts een oogenblik,&#8212;het volgende stond het rustig,
+en bedaard antwoordde hij:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik had reeds gisteren hier moeten zijn, mevrouw. Ik ontving tijdig genoeg bericht.&#8221;
+<a id="d0e1168"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1168">33</a>]</span></p>
+<p>&#8220;En waarom zijt gij dan niet gekomen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik leed weder aan furieuze hoofdpijn, zoodat ik naar bed moest. Van morgen stond ik laat op en moest de komst van den dokter
+afwachten, die mij permissie tot de reis moest geven. Ik hoop echter....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij hoopt.... Ik dacht, Hare Koninklijke Hoogheid nog in <span class="letterspaced">Den Briel</span> te zullen vinden, waar zij door de vroedschap geregaleerd is; maar zij was reeds naar <span class="letterspaced">Hellevoetsluis</span> vertrokken. Mij luste het niet, Haar na te reizen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Op uwe jaren is dat ook niet te verwachten,&#8221; antwoordde de Prins. &#8220;Maar op welke wijs zal mijne moeder naar <span class="letterspaced">Engeland</span> vertrekken? De ontvangen brief meldde mij dienaangaande niets. Het schijnt ook, dat het vertrek onverwacht is opgekomen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Er zijn acht of tien koninklijke schepen door uwen oom Karel II gezonden en te <span class="letterspaced">Goedereede</span> gearriveerd. Wij hadden die vloot nog niet zoo spoedig verwacht.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan zullen mijne ooms York en Glocester er zeker wel bij zijn,&#8221; hervatte de Prins.
+
+</p>
+<p>&#8220;De hertog van <span class="letterspaced">Glocester</span> ligt gevaarlijk ziek aan de kinderpokken,&#8221; hernam de Prinses, &#8220;en dientengevolge is de hertog van <span class="letterspaced">York</span> ook in <span class="letterspaced">Engeland</span> gebleven. Ik verneem, dat de Heeren <span class="letterspaced">Montaigne</span>, <span class="letterspaced">Oreal</span> en <span class="letterspaced">Berklay</span> op de vloot zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;&#8217;t Zal moeder wel leed doen,&#8221; hervatte de Prins. &#8220;Zij houdt innig veel van mijn oom Glocester.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;&#8217;t Is een Engelschman!&#8221; prevelde Amalia. &#8220;Ik heb order gegeven, dat gij twee uren rust moet houden,&#8221; hernam zij luider tot
+haren kleinzoon. &#8220;Gij moet uwe delicate gezondheid soigneeren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zal mij aan uwe orders onderwerpen,&#8221; antwoordde de Prins, die zich hield, alsof hij de eerste woorden niet verstaan had,
+&#8220;ofschoon mij het paardrijden en de beweging in de vrije lucht geen fatigue zijn, maar een recreatie. Hoe vaart Mijnheer <a id="d0e1219"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1219">34</a>]</span>De Witt?&#8221; vraagde hij eensklaps, om niet te doen merken, hoe onaangenaam hem het bevel van vertoeven was.
+
+</p>
+<p>&#8220;De Raadpensionaris bevindt zich, zoo ver mij bewust is, gezond en wel. Zijne edelheid zal u waarschijnlijk wel met een bezoek
+honoreeren, als hij verneemt, dat gij hier zijt.&#8221;
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p034.jpg" alt="" width="605" height="412"></div><p>
+
+
+</p>
+<p>De Heer Van Zuijlestein trad op dit oogenblik de kamer binnen. Ik vrees echter, mijne lezers te vervelen, met al de gesprekken
+mede te deelen die er gevoerd werden. Twee uren later zat de Prins weder in den zadel en reed, door zijn goeverneur en gevolg
+vergezeld, over <span class="letterspaced">Delft</span> naar <span class="letterspaced">Maassluis</span>, in welke laatste plaats men den nacht doorbracht, om den volgenden dag vroegtijdig naar <span class="letterspaced">Den Briel</span> over te varen en zich van daar terstond naar <span class="letterspaced">Hellevoetsluis</span> te begeven.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>De volgende morgen, Donderdag, de laatste dag van Herfstmaand, was, zooals de herfstmorgens gewoonlijk zijn, frisch en <a id="d0e1244"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1244">35</a>]</span>koud en voorspelde een schoonen dag. De Prins was reeds vroegtijdig bij de hand in de kleeren.
+
+</p>
+<p>&#8220;Reeds zoo vroeg op, Willem!&#8221; zeide Zuijlestein, toen hij de kamer van den Prins binnentrad.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nog te laat, vrees ik, Zuijlestein,&#8221; gaf de Prins ten antwoord. &#8220;Indien ik gisteren mijn zin had kunnen doen, hadden wij
+ons in &#8217;s-<span class="letterspaced">Gravenhage</span> ten hoogste een kwartier opgehouden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De rit zou te vermoeiend voor u geweest zijn!&#8221; antwoordde de goeverneur.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dwaasheid, Zuijlestein. Maar gij kent mijne grootmoeder. Haar haan moet koning kraaien, en wat zij begrijpt is wet. Het zal
+<i>haar</i> schuld zijn, als ik mijne moeder niet meer te <span class="letterspaced">Hellevoetsluis</span> vind.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De Prinses Royaal zal wel op u wachten, Willem,&#8221; antwoordde Zuijlestein.
+
+</p>
+<p>&#8220;Indien de oostenwind geen oorzaak is, dat men van het tij heeft geprofiteerd en reeds onder zeil is. Het zou mij eene grief
+zijn, als ik mijne moeder niet zag. Het kon voor het laatst wezen. Zij is en blijft toch mijne moeder.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij zullen dadelijk vertrekken, Willem,&#8221; hervatte Zuijlestein. &#8220;Eerst echter zult gij iets gebruiken. De koude morgenlucht
+op de <span class="letterspaced">Maas</span> zou u kwaad doen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mochten wij, te <span class="letterspaced">Hellevoetsluis</span> komende, bevinden, dat de vloot reeds vertrokken is, dan steken wij in zee,&#8221; hernam de Prins.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeer goed, er zal daartoe gelegenheid in overvloed zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>Nadat de overtocht naar <span class="letterspaced"><span id="d0e1282" class="corr" title="Bron: Briele">Brielle</span></span> volbracht was, reed de Prins met zijn gevolg naar <span class="letterspaced">Hellevoetsluis</span>, waar men vernam, dat de vloot reeds sedert een paar uren met gunstigen wind onder zeil was gegaan. Zonder tijd te verzuimen,
+begaven zij zich nu in een galjoot; de zeilen werden gespannen en, daar het lichte vaartuig sneller door het water sneed dan
+de logge <a id="d0e1288"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1288">36</a>]</span>Engelsche schepen, waren zij binnen weinig tijds de laatste op zijde.
+
+</p>
+<p>Weldra praaide het galjoot de bark met de koninklijke vlag van <span class="letterspaced">Engeland</span> in top, in welker rood kruis met groote letters C. R. (Carolus Rex.&#8212;koning Karel) geborduurd was; men liet de keurige statietrap
+af; onze Prins, door zijn gevolg vergezeld, klom aan boord en begaf zich naar de sierlijke kampanje, aan alle zijden met spiegels
+van venetiaansch glas voorzien, vol rijk vergulsel, en waar op rood fluweelen kussens met goud geborduurd en dito kwasten,
+Prinses Maria van <span class="letterspaced">Engeland</span>, de Weduwe van den Stadhouder Willem II, gemakkelijk lag uitgestrekt. Rondom haar stonden of zaten de Engelsche heeren, prachtig
+uitgedoscht in hunne fluweelen mantels, satijnen vesten en hozen, met gouddraad doorwerkte kousen en nette, hooggehakte brodequins
+(laarsjes) met gouden gespen of sierlijke strikken.
+
+</p>
+<p>Te midden van al die pracht zat de Prinses van <span class="letterspaced">Oranje</span> en naast haar de gravin van <span class="letterspaced">Chesterfield</span>, hare trouwe vriendin, terwijl hare kamervrouw Howard zich in een hoekje bij den ingang had nedergezet. Zij was een schoone
+vrouw, die Maria van <span class="letterspaced">Engeland</span>. Haar goed gevormd gelaat met tot in den blanken hals krullend haar getooid, met dien gebogen neus en die donkere oogen,
+dien welgevormden ofschoon niet zeer kleinen mond, had nog al den blos der jeugd. De wit satijnen japon, aan den hals laag
+uitgesneden, deed een snoer paarlen zien, welker waarde ik niet durf berekenen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wees welkom, Willem!&#8221; zeide zij, terwijl zij hem een kus op het voorhoofd gaf. &#8220;Gij hebt goed gedaan, dat gij mij nagereisd
+zijt. Waarom hebt gij zoo lang getoefd?&#8221;
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p036a.jpg" alt="" width="720" height="467"></div><p>
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik had eergisteren zware hoofdpijn, moeder,&#8221; antwoordde Willem. &#8220;Gisteren heb ik &#8217;t niet verder kunnen brengen dan tot <span class="letterspaced">Maassluis</span>, en toen ik te <span class="letterspaced">Hellevoet</span> kwam, vond ik u vertrokken. Mijne grootmoeder heeft mij verzocht, u hare gebiedenis <a id="d0e1322"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1322">37</a>]</span>te doen; ook zij hoopte u gisteren te <span class="letterspaced">Brielle</span> te rencontreeren. U niet vindende, is zij geretourneerd naar &#8217;s-<span class="letterspaced">Gravenhage</span>, waar ik haar gesproken heb.&#8221;
+
+</p>
+<p>Een lichte glimlach plooide zich om de lippen der vorstin.
+
+</p>
+<p>&#8220;En hoe is het u gelukt, zoo spoedig een schip gereed te vinden, om u herwaarts te brengen? Gij zijt zeker vroeg uit <span class="letterspaced">Maassluis</span> vertrokken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Een bode, die een brief voor u overbrengt, had het galjoot reeds zeilvaardig doen maken; zoodat wij slechts hadden in te
+stappen en terstond op reis gingen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Een bode voor mij met een brief?&#8221; hernam de Prinses.
+
+</p>
+<p>Een der heeren reikte der Prinses een rouwbrief met een groot zwart zegel over. Het adres was in het Engelsch geschreven.
+Toen de Prinses den brief aanvatte, verbleekte zij. Zij brak hem haastig open, doch nauwelijks had zij er de oogen ingeslagen,
+of zij riep in &#8217;t Engelsch uit:
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijn broeder, de hertog van <span class="letterspaced">Glocester</span>, is overleden, mijne heeren!&#8221;
+
+</p>
+<p>De hertog van <span class="letterspaced">Glocester</span> was de meest geliefde broeder der Prinses. En nu dood! Juist op het oogenblik, dat zij gehoopt had, hem te zien!&#8212;Het zou
+nu een treurige reis zijn naar <span class="letterspaced">Londen</span>.
+
+</p>
+<p>Toen de eerste droefheid wat bedaard was, maakte de Prins zich gereed, om afscheid te nemen van zijn moeder. Weinig dacht
+hij, dat de kus, dien zij hem op het voorhoofd drukte, de laatste zou zijn, dien hij van haar ontving.... Willem Hendrik van
+<span class="letterspaced">Oranje</span> nam voor altijd afscheid van zijn moeder.
+
+</p>
+<p>De Prins keerde naar <span class="letterspaced">Den Haag</span> terug en vertrok weder naar <span class="letterspaced">Leiden</span>,&#8212;de Prinses kwam den 2<sup>den</sup> October gezond en frisch te <span class="letterspaced">Londen</span> aan, alwaar zij door hare beide broeders, koning Karel II en den hertog van <span class="letterspaced">York</span> (later Jacobus II) ontvangen en met het losbranden van het geschut begroet werd.
+<a id="d0e1378"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1378">38</a>]</span></p>
+<p>Prins Willem Hendrik zag zijne moeder niet terug. In de laatste helft van December werd ook zij door de ziekte aangetast,
+waaraan haar gemaal en haar broeder bezweken waren. Aan geneesheeren ontbrak het haar niet,&#8212;maar wat vermogen die, wanneer
+de dood in het spel is? De dokters zeiden, dat de Prinses drie ziekten te gelijk had: roodvonk, mazelen en kinderpokken. Terstond
+werd er bericht aan den Prins en zijne grootmoeder gezonden. Gij kunt denken, hoe verlangend Zijne Hoogheid naar tijding was.
+Het ging echter toen zoo gemakkelijk niet, om brieven uit <span class="letterspaced">Engeland</span> te krijgen; vooral in den winter, wanneer de scheepvaart gestremd was. Eindelijk, tegen het midden van de maand Januari 1661,
+kwam de tijding, dat de Prinses den 3<sup>den</sup> van die maand het tijdelijke met het eeuwige had verwisseld. Tot haar laatste oogenblik was zij volkomen bij haar verstand
+gebleven. Een half uur v&oacute;&oacute;r haar overlijden had men haar nog gelaten op den voet, hetgeen haar blijkbaar verlichting schonk
+en in een sluimering deed vallen. Kort v&oacute;&oacute;r haar verscheiden maakte zij haar testament, waarbij zij haren koninklijken broeder
+bad, te zorgen voor den persoon en de belangen van haar zoon. Tevens had zij begeerd, zonder eenige statie te worden begraven
+bij haren &#8220;lieven broeder&#8221;, den hertog van <span class="letterspaced">Glocester</span>. Aan de gravin van <span class="letterspaced">Chesterfield</span> en hare kamervrouw Howard had zij elk &pound; 400 (&#402; 4800) gelegateerd. Dit testament was gemaakt in <span class="letterspaced">White-hall</span>, en onderteekend door de heeren Edward Ker, Robert Whyte en William Dyke. Door middel van onzen gezant in <span class="letterspaced">Engeland</span>; kregen Prins Willem en zijne grootmoeder een copie van den inhoud van dat testament.
+
+</p>
+<p>Zoo stond de ruim tienjarige Willem Hendrik nu alleen op de wereld, zonder beschermer en verdediger, te midden van een hem
+vijandige partij (de Loevesteinsche factie).&#8212;Geen wonder, dat hij in de kunst van veinzen, hem reeds zoo eigen, <a id="d0e1401"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1401">39</a>]</span>groote vorderingen maakte. Dit sterfgeval diende tevens, om den Prins meer en meer aan den invloed van <span class="letterspaced">Engeland</span> te onttrekken, hetgeen zijne partij als een ramp beschouwde, maar zijne tegenstanders met welgevallen zagen.
+
+</p>
+<p>Wij willen, eer wij dit hoofdstuk eindigen, nog even naar den winkel van Pieter Dirksz terugkeeren, dien wij aan het einde
+van ons vorig hoofdstuk verlaten hebben. Oom Klaas bleef acht dagen lang bij zijn broeder en vertrok toen weer naar zee. Dat
+verblijf was voor onzen Pieter Pietersz een tijd van genot, en wanneer hij met zijn oom wandelde, hetzij naar <span class="letterspaced">Scheveningen</span> of in het <span class="letterspaced">Bosch</span>, of over de duinen, moest die hem vertellen van de zee en van de schepen en van het leven der matrozen, kortom van al wat
+op de zeevaart betrekking had. Dit boeide den knaap zoodanig, dat hij vast besloot, zeeman te worden en, den dag v&oacute;&oacute;r ooms
+vertrek, dezen dit besluit mededeelde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar, beste Pieter,&#8221; zeide oom Klaas. &#8220;Men kan geen paard al loopende beslaan. Je bent eerst twaalf jaren. Je bent nog te
+jong om het zeegat te kiezen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Te jong, oom? En Michiel Adriaanszoon de Ruyter dan? Die was nog maar tien.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat was een geheel ander geval, Pieter,&#8221; antwoordde de oom. &#8220;Het was toen een geheel andere tijd, en daarenboven De Ruyter
+voer ter koopvaardij. Ook was hij een ondeugende knaap, en zooals vader Cats zegt: De zee maakt dwee.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar kan ik dan ook niet ter koopvaardij varen, oom?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat kun je. Maar je vader zal het nooit toestaan, dat je ter zee vaart. Je weet ook niet, welk een hard leven het is, vooral
+voor jou, die zoo pas uit je vaders huis komt. Jongen, ik heb er ondervinding van; ik weet best, waar hem de schoen wringt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zal het mijn vader vragen,&#8221; hernam Pieter. &#8220;En gij zult toch wel mijn advokaat willen zijn, oom?&#8221;
+<a id="d0e1426"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1426">40</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Ik je advokaat? Die noten wil smaken, die moet ze kraken. Je kunt toch niet van je oom verwachten, dat die tegen zijn gemoed
+spreekt? Als je eens een paar jaren ouder zijt en je blijft in het zelfde zog doorvaren&#8212;welnu, dan is het een geheel andere
+zaak. Licht zou het anders met je zijn: twaalf ambachten, dertien ongelukken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Pieter antwoordde niet, maar besloot er toch de proef van te nemen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Vader,&#8221; zeide hij, toen hij dien avond naar bed zou gaan, &#8220;ik wenschte u gaarne iets te vragen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Welzoo, Pieter,&#8221; antwoordde de pruikenmaker, terwijl hij de beide handen van den knaap in de zijne nam en hem minzaam in
+de vriendelijke oogen keek, &#8220;wat was er dan van je verlangen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Oom gaat morgen weg, vader!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat weet ik, en je wenschtet gaarne, dat hij nog wat langer bleef, niet waar? Ik had dat ook graag gezien en heb het hem
+gevraagd; maar plicht gaat voor en daar kan dus niets van worden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, vader! Dat was het niet, wat ik u vragen wilde.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En wat dan?&#8221; vraagde de vader.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik wou .... ik zou .... ik durf het haast niet zeggen....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Is het dan iets kwaads?&#8221; zeide de vader ernstig. &#8220;Hou het dan maar liever voor je.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, neen, vader! Kwaad is het niet, maar ik weet niet, of u het zult toestaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Er uit mede, Pieter!&#8221; hernam baas Dirksz ongeduldig.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zou zoo gaarne met oom naar zee gaan, vader!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat? Jij naar zee? Hoe komt je dat in het hoofd?&#8212;Daar kan niets van komen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar, vader! Oom is toch ook wel een zeeman.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Oom is oom en jij bent Pieter. Wat oom heeft willen <a id="d0e1459"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1459">41</a>]</span>worden, kan ik niet helpen, maar wat jij zult worden, moet ik goed vinden. Ik verkies niet, dat je zeeman wordt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Foei, Pieter! zou je zeeman willen worden?&#8221; vraagde Marie.
+
+</p>
+<p>&#8220;O, daar heb jij geen verstand van, Marie,&#8221; zeide Pieter. &#8220;Het is zoo&#8217;n heerlijk leven, zeeman!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, zoo schijnt het,&#8221; hernam baas Dirksz. &#8220;Je hebt mij echter verstaan en zet dat maar voor goed uit je hoofd.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar, vader....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar, Pieter!&#8221; zeide de vader. &#8220;Hoor! Na Nieuwjaar ga je als krullenjongen naar baas Balkenende op de <span class="letterspaced">Bierkade</span><a id="d0e1473src" href="#d0e1473" class="noteref">1</a>. Ik heb hem juist gisteren gesproken en hij kan je plaatsen. Hij hoopt, met Gods zegen, een knap timmerman van je te maken.
+Hoe is het mogelijk! Hoe, krijg je het in je gedachten? Een zeeman!&#8221; hervatte baas Dirkz, hoofdschuddende. &#8220;Mijn Pieter een
+zeeman! Dat zal nooit gebeuren! neen, nooit!&#8221;
+
+</p>
+<p>Pieter wist wel, dat zijn vader op zijn stuk stond en dat hij geen &#8220;ja&#8221; zeide, waar hij eenmaal &#8220;neen&#8221; gezegd had. Hij wenschte
+dus vader en zusters goeden nacht en ging treurig naar boven.
+
+</p>
+<p>Martha volgde hem. Toen zij op het kamertje gekomen was, waar hij met zijne broeders sliep, legde zij vriendelijk de hand
+op zijn schouder.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, Pieter, wel, Pieter!&#8221; zeide zij, &#8220;zou jij ons zoo willen verlaten?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Of ik wil, Martha,&#8221; antwoordde hij, terwijl er een paar groote tranen langs zijne wangen rolden. &#8220;Ja.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En mij ook?&#8221; vraagde Martha.
+
+</p>
+<p>&#8220;Welnu, ga dan maar mee naar zee.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik op zee?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel ja, als je niet buiten mij kunt.&#8221;
+<a id="d0e1495"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1495">42</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Foei, Pieter!&#8221; hernam het lieve meisje. &#8220;Jij naar zee gaan! En ben je dan niet bang om te verdrinken of doodgeschoten te
+worden, zooals die arme Vice-Admiraals De With en Floriszoon, waarvan oom verteld heeft.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar als timmerman kan ik van het dak vallen en den hals breken, ik kan een hamer of beitel op mijn hoofd krijgen, als ik
+een steiger opklim; ik kan....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Je kunt je troosten, Pieter,&#8221; antwoordde Martha, terwijl zij hem een kus gaf. &#8220;Ik zie je nog eens als een eersten timmermansbaas.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar ik zou liever Admiraal willen worden!&#8221; zeide Pieter.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ha, ha, ha! Admiraal! Nu, jongen, droom er van nacht maar niet van. Als oom weg is, zul je de heele zee wel weer vergeten.&#8221;
+
+</p>
+<p>Met deze woorden snelde zij de trap af.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zullen wij zien!&#8221; riep Pieter haar na, kleedde zich uit en ging met een bezwaard hart naar bed. Waar hij van droomde?&#8212;Zeker
+van schepen en masten, van zeilen en touwwerk,&#8212;dat kunt gij begrijpen. Maar hij ondervond, bij zijn ontwaken, dat droomen
+bedrog is; want toen hij wakker werd, stond hem de naakte werkelijkheid weer voor de oogen, en het klonk hem weer in de ooren
+zooals gisteravond: &#8220;Mijn Pieter een zeeman! dat zal nooit gebeuren! neen, nooit!&#8221;
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/o042.gif" alt="Ornament." width="222" height="44"></div><p>
+
+
+
+<a id="d0e1514"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1514">43</a>]</span></p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1473" href="#d0e1473src" class="noteref">1</a></span> Zie &#8220;De Zeeman tegen wil en dank.&#8221; 6<sup>e</sup> druk. Blz. 22.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="d0e1515" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e112">Inhoud</a>]
+</span><div class="figure"><img border="0" src="images/o043.gif" alt="Ornament" width="573" height="137"></div>
+<h2 class="label">Vierde Hoofdstuk.</h2>
+<h2>Welke plannen drie krullenjongens voor de kermis maakten.</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/ih043.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 90px;&#xA; height: 86px;&#xA; background: url(images/ih043.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">H</span>et was op denzelfden Maandag, 5 Januari 1661, den sterfdag van Prinses Maria van <span class="letterspaced">Engeland</span>, dat Pieter Dirksz tegen acht uren in den morgen met zijn zoon Pieter den pruikenmakerswinkel uittrad, links omsloeg, de
+<span class="letterspaced">Spuistraat</span> doorwandelde tot aan de <span class="letterspaced">Kapelsbrug</span>, en toen, langs het <span class="letterspaced">Spui</span>, de Nieuwe Kerk voorbij, naar de <span class="letterspaced">Bierkade</span> ging, op welke gracht zij stil hielden voor het huis, waar wij tien jaren vroeger den vroolijken trompetter der Oranjegarde,
+den ons bekenden Jan Claeszen ontmoetten<a id="d0e1537src" href="#d0e1537" class="noteref">1</a>: het huis van den timmermansbaas Balkenende. Onze knaap droeg onder zijn arm een mand met eenig timmermansgereedschap, bestaande
+uit een hamer, een nijptang, een bijl, twee beitels, een schaaf en drie boren, en bedekt met een lederen schootsvel. Gij begrijpt
+<a id="d0e1543"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1543">44</a>]</span>licht, wat het doel van die wandeling was: de pruikenmaker had zijn zoon bij baas Balkenende als krullenjongen besteld, en
+de baas, die het wel nog niet druk had, maar liever in den slappen tijd met hem begon, opdat hij dan later eenigen dienst
+van hem kon hebben, had hem gezegd, dat Pieter maar terstond na Nieuwjaar moest komen. Nu had oom Klaas, die juist de Kerstdagen
+en den Oudejaarsavond bij zijn broeder doorbracht, zich wel verzet tegen dat beginnen op Maandag, daar hij volkomen deelde
+in het oud-Hollandsche bijgeloof, dat wat men op Maandag begint, stellig mislukt; wel had hij een oud rijmpje als bewijs bijgebracht:
+
+
+</p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span>&#8220;Maandag kloek,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>De heele week zoek;&#8221;</span></p>
+</div>
+</div>
+<p>maar vader Dirksz was in het geheel niet bijgeloovig en had om zijns broeders vrees gelachen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik blijf er bij,&#8221; had hij gezegd. &#8220;De jongen zal op Maandag naar baas Balkenende. Wat drommel! Hij heeft nu reeds van Kerstmis
+af leeggeloopen; het wordt tijd, dat hij aan het werk gaat.&#8221;
+
+</p>
+<p>En zoo sprekende, was vader Dirksz den vorigen Zaterdagavond naar Thijs Groote, den ijzerkooper in het <span class="letterspaced">Achterom</span>, gegaan en had hem gevraagd, welk gereedschap een krullenjongen wel zoowat noodig had, en toen had deze hem de door ons genoemde
+werktuigen verkocht, welke onze Pieter in een mand gepakt en naar huis gebracht had; terwijl zij bij den leerkooper in dezelfde
+straat een schootsvel gekocht hadden, dat onzen knaap wel ietwat groot was, maar dat vader opzettelijk z&oacute;&oacute; had genomen, &#8220;want,&#8221;
+zeide hij, &#8220;je bent in je groei, Piet, en wordt dus grooter, maar het schootsvel groeit niet. Dus, jongen! is het je wat te
+lang, dan moet je het maar wat hooger binden.&#8221; En toen hij te huis kwam en Martha hem het schootsvel <a id="d0e1559"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1559">45</a>]</span>voorbond, toen zei de ondeugende meid lachend, dat hij wel een kind in de lange kleeren geleek, waarover Pieter eerst wel
+wat boos was. Toen Martha hem echter zijn bombazijnen mouwvest gaf, dat zij zelf voor hem genaaid had, was zijn knorrigheid
+over. En toen hij &#8217;s Maandags morgens met zijn mouwvest aan en zijn mand onder den arm de deur uitstapte en Marie hem een
+dikke boterham in een linnen zakje had meegegeven, opdat hij niet flauw zou vallen, vond hij het toch zoo kwaad niet, om een
+goed ambacht te leeren, en dacht op dat oogenblik niet aan de zee. En mocht hij er al aan denken, dan zeide hij bij zich zelf:
+&#8220;het kan geen kwaad als ik wat timmeren leer, dat kan mij op zee best te pas komen.&#8221; Met moed stapte hij dus de stoep van
+den timmermansbaas op, waar vader Dirksz aanklopte. Men liet hen in het kantoortje, waar baas Balkenende spoedig bij hen kwam.
+
+</p>
+<p>&#8220;Baas,&#8221; begon de pruikenmaker. &#8220;Ik breng u hier mijn Pieter, van wien ik u gesproken heb. Hij heeft zich voorgenomen goed
+op te passen en zijn best te doen, om braaf te leeren en een knap timmerman te worden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is een goed plan, knaap!&#8221; zeide de timmermansbaas. &#8220;Hoe heet je?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Pieter,&#8221; antwoordde de aangesprokene.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, Pieter!&#8221; hervatte de timmerman, terwijl hij hem een eind lat liet zien, dat hij in de hand hield en waarop hij met potlood
+de maat aanteekende. &#8220;Wanneer je goed wilt oppassen, dan zal ik met Gods hulp, een knap timmerman van je maken. Maar pas je
+niet op, dan zullen je ribben kennis maken met dit eindje lat. Want je kent het oude spreekwoord: die niet hooren wil, moet
+voelen. En dat spreekwoord wordt bij ons in practijk gebracht.&#8221;
+
+</p>
+<p>Pieter knikte toestemmend, ofschoon hem dat latje toch een <a id="d0e1571"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1571">46</a>]</span>doorn in het oog was. Nadat zijn vader afscheid had genomen, bracht baas Balkenende hem in den winkel, waar hij den knaap
+aan den meesterknecht aanbeval en waar spoedig de andere knechts te werk kwamen. Er waren, behalve Pieter, nog twee krullenjongens:
+de een was een zoontje van den baas en heette Frans; de andere, een rechte deugniet, was een jongen van den oudroest Jan IJzer
+uit het korte <span class="letterspaced">Achterom</span> en heette, evenals zijn vader, Jan. Het duurde niet lang, of onze drie krullenjongens waren dikke vrienden.
+
+</p>
+<p>De bezigheden van onzen Pieter bestonden nu in het vasthouden van planken of latten, het aangeven van gereedschap, het slijpen
+der beitels, het scherpen der zagen, en al zulke zaken; terwijl elken avond door de drie knapen de winkel werd opgeredderd,
+en de krullen en spaanders in een zak werden gepakt. &#8217;s Maandags en Donderdags waren zij voor Frans, Dinsdags en Vrijdags
+voor Jan en de beide andere dagen voor Pieter; zij verkochten ze bij den bakker om den hoek. Zondags werd er nooit gewerkt;
+want onze voorouders waren zeer gesteld op de viering van den Zondag, en zouden het een groote, onvergeeflijke zonde hebben
+gerekend, als zij op dien dag hadden gearbeid. Hij werd dan ook beter gevierd dan thans. Alle winkels waren gesloten, alle
+nering en hanteering stonden stil en niemand zou, buiten hooge noodzakelijkheid, op Zondag gereisd hebben. Alleen &#8217;s zomers
+na de middagkerk gingen de burgerlieden wat in het <span class="letterspaced">Bosch</span> wandelen of naar <span class="letterspaced">Scheveningen</span>; terwijl de meergegoeden in hunne optrekjes even buiten de stad, aan de <span class="letterspaced">Delftsche vaart</span>, aan de buitensingels en aan den duinkant gelegen, met hunne familie thee gingen drinken, waar zij dikwijls hunne vrienden
+bij zich verzochten en den avond aangenaam en in gezelligen kout doorbrachten.
+
+</p>
+<p>Ook baas Balkenende had zulk een mooi optrekje in eigendom <a id="d0e1589"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1589">47</a>]</span>en wel aan den <span class="letterspaced">Scheveningschen</span> weg<a id="d0e1594src" href="#d0e1594" class="noteref">2</a>, die toen nog over de duinen liep en later, volgens het plan door Constantijn Huijgens reeds in 1653 aan de hand gedaan,
+tot eene begaan- en berijdbare straat werd ingericht. Eerst in Mei 1664 werd daarmede een begin gemaakt en in December van
+het volgende jaar was de weg voltooid. Het gedeelte echter, waar het optrekje van baas Balkenende stond, was reeds een gebaande
+weg. Dat optrekje had aan den voorkant een aangenaam uitzicht op den weg en het weiland daar tegenover (tegenwoordig het <span class="letterspaced">Willemspark</span>), en van achteren in den ruimen tuin, die van voren met bloemen beplant was en achteraan uit een grooten boomgaard bestond.
+Door een smalle sloot was die moestuin van het aangrenzende weiland gescheiden.
+
+</p>
+<p>Wij slaan vier maanden over en begeven ons in het begin van de maand Mei naar het <span class="letterspaced">Lange Voorhout</span>, waar wij de knechts van baas Balkenende druk bezig vinden met het opslaan der kramen, die op de aanstaande Hofkermis zullen
+prijken met al wat den kooplust der bezoekers kan opwekken. Pieter, Frans en Jan hebben het niet weinig druk met het aansjouwen
+der planken, het vasthouden der stijlen, ja zelfs ook met spijkeren; want bij zulk een drukte moet alles helpen; terwijl het
+opslaan van kramen zulk fijn werk niet is, dat de minder geoefende hand van een krullenjongen daaraan iets bederven zou. Ook
+heeft onze Pieter in die vier maanden reeds het een en ander van de timmerkunst geleerd.&#8212;Wat ziet hij nu trotsch neer op die
+jongens, waaronder zijne vroegere kameraads, als zij daar naloopertje spelen over de hoopen met planken, of wegstoppertje
+in de reeds opgetimmerde kramen. Dat had hij <a id="d0e1608"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1608">48</a>]</span>verleden jaar ook gedaan; maar nu&#8212;nu staat hij daar in zijn bombazijnen mouwvest, het schootsvel voorgebonden, met den hamer
+in de hand en slaat er de spijkers tusschenbeide zoo hard in, als moesten de kramen nog tot de Banus-kermis<a id="d0e1610src" href="#d0e1610" class="noteref">3</a> staan,&#8212;ja als behoefden zij nimmer weder afgebroken te worden. Dat haalt hem dan ook nog al eens knorren op den hals van
+den knecht, dien hij helpt, en dan gaat het weer eenigen tijd beter. Maar als dan weer een troepje jongens naar hem staat
+te kijken met een gezicht, zoo verbaasd en nieuwsgierig, alsof zij nog nooit het opslaan van kramen hebben gezien, dan ranselt
+hij er weer op los, dat soms het vuur uit de arme spijkers vliegt, en dan kijkt hij met zulk een trotschen blik rond, alsof
+hij een Romeinsch Imperator was, die op zijne zegekar stond.
+
+</p>
+<p>&#8217;t Is schafttijd, maar niemand der knechts gaat naar huis; ook de krullenjongens niet. Ieder heeft een boterham meegebracht,
+die hij op karwei (de plaats waar een ambachtsman, buiten den winkel, zijn werk verricht) opeet. Het is te druk om met heen
+en weer loopen tijd te verzuimen, en daarom blijven zij hun schafttijd doorwerken, waarvoor zij natuurlijk door baas Balkenende
+extra betaald worden. Maar zij kunnen slecht al timmerende en sjouwende hunne boterhammen opeten en dus nemen zij daarvoor
+een kwartiertje, zetten zich in een groepje op de planken neder en veraangenamen den maaltijd met vroolijke gesprekken.
+
+</p>
+<p>Gaarne hadden onze krullenjongens zich bij de knechts geschaard; maar deze zouden dat niet gedoogd hebben, en al hadden zij
+het toegestaan, dan zouden onze knapen zeker z&oacute;&oacute; geplaagd zijn, dat zij niet met rust hadden kunnen eten. Zij <a id="d0e1620"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1620">49</a>]</span>hebben zich dus op een kleinen afstand van de anderen neergezet.
+
+</p>
+<p>&#8220;Frans,&#8221; begint Pieter, terwijl hij zijn geruit boterhammenzakje opendoet om er den mondkost uit te halen en zijn kruikje
+met bier naast zich nederzet, &#8220;ik hoor, dat het van het jaar een mooie hofkermis zal zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb het ook gehoord,&#8221; antwoordt Frans met zijn mond vol brood. &#8220;Daar zal nog al wat singuliers te kijken zijn. Ik hoorde
+gisteren spreken van een reus, die zal moeten bukken als hij de <span class="letterspaced">Voorpoort</span><a id="d0e1628src" href="#d0e1628" class="noteref">4</a> doorgaat.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, dat is vast een leugen,&#8221; meent Jan. &#8220;Zulke groote reuzen heeft men niet. Ik vind echter niet veel pleizier aan al die
+reuzen en dwergen en dikken en mageren. Ik ga liever Woensdag dien kerel eens zien, die uit <span class="letterspaced">Amsterdam</span> komt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, die sinjeur die zulke wonderlijke zaken zal bedrijven?&#8221; vraagt Frans. &#8220;Vader heeft mij verteld, dat hij in den <span class="letterspaced">V&#307;ver</span> zal onderduiken, op den bodem plaats zal nemen op een stoel en onder water twee of drie deuntjes zal blazen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar dat is immers onmogelijk,&#8221; zegt Pieter, terwijl hij een slok neemt uit zijn kruik. &#8220;Dan komt het water in zijn instrument.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij moet het toch te <span class="letterspaced">Amsterdam</span> gedaan hebben,&#8221; herneemt Jan.
+
+</p>
+<p>&#8220;En wat hij te <span class="letterspaced">Amsterdam</span> kan doen, kan hij hier ook,&#8221; meent Frans. &#8220;Ik ga ook eens kijken bij dien vuurvreter.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat, iemand die vuur eet? Dat is onmogelijk,&#8221; roept Pieter uit.
+
+</p>
+<p>&#8220;En het moet toch zoo zijn,&#8221; hervat Jan. &#8220;Mijn vader heeft het zelf verleden jaar te <span class="letterspaced">Rotterdam</span> gezien.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu ik wensch hem smakelijk eten,&#8221; zegt Pieter, &#8220;maar ik <a id="d0e1665"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1665">50</a>]</span>wil niet bij hem te gast genoodigd worden. Eilacy! &#8217;k geloof, dat ik mijn mond gauw vol blaren zou hebben. Ik ga toch eens
+naar hem toe; want dat wil ik zien.&#8221;
+
+</p>
+<p>Nadat zij nog eenigen tijd over de kermis gepraat hadden, begon Jan eensklaps:
+
+</p>
+<p>&#8220;Frans! Wanneer gaan we nu eens met je mee naar het optrekje van je vader? Je hebt het ons al zoo lang beloofd.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat heb ik; maar ik ben nog niet in het bezit kunnen komen van den sleutel. Nu komt die gauw voor den dag; want aanstaanden
+Zondag na de middagkerk gaan wij er weer voor het eerst van het jaar naar toe.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoor eens, Frans!&#8221; hernam Jan. &#8220;Dan moest je zien, dat je den sleutel wegkaaptet, en dan gaan we er Zondagmorgen eens heen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar ik moet naar de kerk,&#8221; zeide Frans.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ook,&#8221; voegde Pieter er bij.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat zou dat?&#8221; snoefde Jan. &#8220;Ik moet ook naar de kerk; doch daar zit ik me toch maar te vervelen. Weet je, wat we moesten
+doen? In plaats van naar de kerk te gaan, loopen we liever wat rond. Wij moesten nu maar afspreken, dat we hier bij elkaar
+zullen komen. Die er het eerst is, wacht op de beide anderen, en dan gaan we alle drie naar het optrekje, als je ten minste
+den sleutel kunt machtig worden. Kun je dat niet, dan gaan we wat in de duinen ravotten, en maken dat we op zijn tijd weer
+t&#8217;huis zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En als vader dan vraagt, waarover de dominee gepreekt heeft?&#8221; vraagde Pieter.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan noem je maar een tekst, die tusschen Genesis en de Openbaring staat,&#8221; hervatte Jan.
+
+</p>
+<p>Het ging echter nog zoo gemakkelijk niet, om Frans en Pieter over te halen, en Jan had al zijne welsprekendheid noodig om
+hen er toe te brengen. Eindelijk gelukte het hem <a id="d0e1687"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1687">51</a>]</span>en werd voorloopig de afspraak vastgesteld, dat men het Zaterdagavond nog eens voor goed zou bepalen.
+
+</p>
+<p>Wat onze Pieter den volgenden Zondag een haast had, om naar de kerk te gaan! Vader had, vond hij, nog nooit zoo veel in den
+Bijbel gelezen en het gebed had, volgens hem, nog nooit zoo vreeselijk lang geduurd. Nauwelijks dan ook kon hij welstaanshalve
+zich verwijderen, of hij zette zijn hoed op, groette vader en zuster en spoedde zich de deur uit.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat maak je een haast, Pieter,&#8221; zeide Martha in het voorhuis tegen hem. &#8220;&#8217;t Is of Joost je op de hielen zit.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik wil graag een goede plaats krijgen,&#8221; antwoordde Pieter. &#8220;Ik houd er niet van, om zoo achteraf te zitten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wacht dan even; dan ga ik mee,&#8221; zeide het meisje. &#8220;Ik moet nog maar even mijn huik opzetten.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dat beviel Pieter niet.
+
+</p>
+<p>&#8220;Haast je dan wat,&#8221; gaf hij ten antwoord. &#8220;Ik ga al vast vooruit.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dit zeggende, stond hij reeds op de stoep, sloeg de eerste de beste dwarsstraat in, die hem naar het <span class="letterspaced">Achterom</span> voerde, en rende die straat tot aan het <span class="letterspaced">Hofpoortje</span> door. Vervolgens begaf hij zich wat bedaarder over het <span class="letterspaced">Buitenhof</span> en door de <span class="letterspaced">Voorpoort</span> van den <span class="letterspaced">Hove</span>, langs het <span class="letterspaced">Tournooiveld</span> naar het <span class="letterspaced">Lange Voorhout</span>, waar hij stellig dacht, zijne beide makkers reeds te zullen vinden. Hij bedroog zich echter: hij was de eerste.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zouden zij hun woord niet houden?&#8221; mompelde hij. &#8220;Dat zou valsch wezen. Zij hebben het mij toch zoo stellig beloofd.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij wandelde een paar malen de lengte der kraam op en neder, maar noch Frans noch Jan verscheen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Als zij niet komen, dan ga ik maar naar de Kloosterkerk,&#8221; pruttelde hij weer. &#8220;Zoo kun je nu staat maken op je vrienden.
+Nu, ze zullen er morgen voor lusten! Had ik het geweten, dan had ik zulk een haast niet behoeven te maken. Maar wacht, <a id="d0e1730"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1730">52</a>]</span>daar komt er al een.&#8212;Zoo, Jan!&#8221; vervolgde hij tot den aangekomene. &#8220;Ben je daar eindelijk, en waar is Frans?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Eindelijk?&#8221; bromde Jan. &#8220;Kon ik dan ruiken, dat jij er zoo vroeg zoudt wezen? Maar is Frans er nog niet?&#8212;Als hij niet gauw
+komt, dan laten we hem in den steek. Die flauwerd! nu het op stuk van zaken aankomt, schuurt hij zijn piek en zal ons laten
+zitten, om het gelag te betalen. Maar geen nood! komt hij niet, dan gaan wij samen naar de duinen. Daar zal ik wel kennissen
+vinden en anders spelen wij met ons beiden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Met ons beiden? dat vind ik niet pleizierig. Ik houd het er voor, zooals oom altijd zegt: dat de derde streng den kabel maakt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, dat is een zeemansterm. Mijn vader zegt daarvoor: De derde man brengt de pret aan. Maar zie&#8212;daar komt Frans. Hij houdt
+toch woord.&#8212;Je bent lang weggebleven, Frans!&#8221; vervolgde hij tot den aankomende. &#8220;Als je niet gauw gekomen waart, hadden we
+onze biezen gepakt en waren alleen gegaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik had het niet kunnen helpen. &#8217;t Heeft mij moeite genoeg gekost, om den sleutel in handen te krijgen. Maar nu,&#8221; terwijl
+hij dien zegepralend in de hoogte hield, &#8220;nu heb ik hem; dus, jongens! op marsch!&#8221;
+
+</p>
+<p>Ons drietal koos een stille eenzame weg, om naar het optrekje te komen. Hun geweten zeide hun, dat zij niet goed deden, en
+daarom trachten zij zooveel mogelijk de kerkgangers te vermijden, onder welke de een of ander kon zijn die hen mocht herkennen
+en het aan hunne ouders brengen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan zou er wat opzitten,&#8221; had Pieter gezegd. &#8220;Want vader is gansch niet malsch, wanneer hij begint; en als hij er achter
+komt, kan ik verzekerd zijn van een pak slaag, dat mij nog wel acht dagen lang zeer doet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, als de mijne begint, is hij ook niet gemakkelijk,&#8221; hervatte Frans. &#8220;Ik heb laatst eens een pak van hem gehad, waarvan
+<a id="d0e1746"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1746">53</a>]</span>ik nog wel veertien dagen op zekere plaats de overblijfselen voelde; in het begin had ik het wel willen uitschreeuwen als
+ik gingen zitten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Flauwerd!&#8221; zeide Jan. &#8220;Bang voor een pak ransel?&#8212;of denk je dan, dat de mijne een lam is? Jongens neen? Maar ik waag het
+er aan! Intusschen&#8212;gaan jelui maar zoet naar de kerk; ik ga naar de duinen, waar ik wel van mijn soort zal vinden. En als
+ik dan terugkom, dan kun jelui me de preek vertellen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoor eens, Jan?&#8221; hervatte Frans. &#8220;Een flauwerd moet je me niet noemen. Dat ben ik nog nooit geweest. Maar dat ik niet van
+een pak slaag houd, kun je me niet kwalijk nemen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Denk je dan dat ik er zoo op gesteld ben? Maar mijn leer is: kermisgaan is wel een pak ransel waard! En daarom waag ik het
+er aan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie zegt je, dat wij het ook niet doen?&#8221; zeide Pieter, terwijl hij het hoofd trotsch achterover in den nek wierp en Jan aanzag,
+als wilde hij zeggen: &#8220;Wat verbeeldt gij u wel?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Eilacy! gaat dan mee. Laat ons dan niet langer marren. Wij verbeuzelen zoodoende al onzen tijd.&#8221;
+
+</p>
+<p>En zoo waren ze alle drie op marsch gegaan. Aan het optrekje gekomen, stak Frans den sleutel in de deur en traden onze drie
+knapen binnen.
+
+</p>
+<p>Ik zal u niet mededeelen wat voor kattenkwaad zij daar uitvoerden; pleizier hadden zij genoeg, want de tijd vloog hun om.
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar slaat de &#8220;Sint-Jacob&#8221; al elf,&#8221; riep Pieter eensklaps uit. &#8220;Wij moeten weg; anders komen wij telaat thuis.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het is zoo zondig waar!&#8221; bevestigde Jan, die de slagen geteld had. &#8220;Ja, we moeten weg. Misschien kunnen wij dan nog even
+de Kloosterkerk binnenloopen en den laatsten psalm meezingen. Dan geven wij dien op bij gebrek aan een tekst.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zoo gezegd, zoo gedaan. Ons drietal sloeg zich wat af (want de zondagsche kleeren hadden er langs gekregen) en nadat het <a id="d0e1768"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1768">54</a>]</span>toilet zoo goed mogelijk in orde was gebracht, gingen zij naar de voordeur om die open te doen. Maar wat er van was, of Frans
+bij het toesluiten het slot verdraaid had, hoe hij ook poogde de deur te openen, alles te vergeefs. Evenmin konden het Pieter
+en Jan.
+
+</p>
+<p>Daar stonden ze nu te kijken, alsof zij hun zondagsoortje versnoept hadden. Er waren intusschen eenige minuten verloopen,&#8212;hun
+scheen het een half uur (want als men haast heeft en in den angst zit, schijnt elke sekonde ons een minuut te zijn).
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu is goede raad duur.&#8221; begon Jan. &#8220;Zeg eens, Frans! kunnen wij de schutting niet over?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8221; antwoordde deze. &#8220;Maar dan komen wij in de sloot terecht die het weiland omgeeft.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, dan over een der zijschuttingen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is goed; dan moeten wij aan de rechterzijde over. Daar komen wij bij den smid en die heeft een deurtje, waardoor men
+met een plank op het land kan komen. Dat deurtje zal echter wel gesloten zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Geen nood!&#8221; hervatte Jan. &#8220;Dan klimmen wij zijne achterschutting er bij over. Als wij maar gered zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zoo gezegd, zoo gedaan. Onze knapen gingen weer den tuin in, nadat zij de tuindeur zoo goed mogelijk gesloten hadden; daar
+die echter van binnen gegrendeld was, konden zij het slechts zeer onvolkomen doen en moesten zij zich vergenoegen met die
+achter zich toe te trekken.
+
+</p>
+<p>De schutting, over welke zij klimmen moesten, was van boven met spijkers voorzien, die met de punten opwaarts stonden. Jan
+en Frans waren reeds beneden in buurmans tuin en Pieter zoude hen juist volgen, toen zijne zondagsche broek aan een der spijkers
+bleef hangen en tot aan <span id="d0e1786" class="corr" title="Bron: dan">den</span> band openscheurde. Door dit onverwachte oponthoud (want het kleedingstuk hield hem in zijn sprong tegen) kwam hij geheel
+anders neer, dan hij gemeend <a id="d0e1789"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1789">55</a>]</span>had, struikelde en viel zoo lang hij was op den grond neder.
+
+</p>
+<p>De beide andere knapen waren reeds aan het klauteren op de achterschutting van den tuin huns buurmans, zonder dat zij iets
+van Pieters val bemerkt hadden. Eerst toen Frans er boven op was, riep hij: &#8220;waar blijf jij toch, Piet?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben gevallen en heb mijn voet verstuikt!&#8221; kermde deze. &#8220;Ik kan geen enkelen stap doen, ja, zelfs niet eens opstaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>Frans wilde weer van de schutting afspringen, om zijn vriend te helpen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ben je dwaas?&#8221; zeide Jan. &#8220;Als hij niet kan loopen, kunnen wij hem toch niet meezeulen. En als we lang wachten, komen we
+te laat thuis.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik moet toch zien, of ik hem kan helpen,&#8221; hervatte Frans. &#8220;Wij zijn samen uitgegaan en moeten ook weer samen thuis komen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Alles mooi en wel,&#8221; hernam Jan. &#8220;Maar ik bedank er voor om ransel te krijgen, als ik te laat thuis kom.&#8221;
+
+</p>
+<p>Frans was reeds van de schutting af, terwijl Jan er aan den anderen kant overging. In &eacute;&eacute;n oogenblik was hij bij Pieter.
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat mij je helpen om op te staan,&#8221; zeide hij tot zijn vriend.
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat mij maar liggen, Frans!&#8221; antwoordde deze. &#8220;Misschien bedaart het van zelf. Op het oogenblik doet mijn voet mij onlijdelijke
+pijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Kom, probeer maar eens, Piet!&#8221; hernam de andere. &#8220;Als je eens over de schutting bent, zal het wel schikken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar ik kan wezenlijk niet opstaan,&#8221; hervatte Pieter. &#8220;Eilacy, ga jij er maar over. Je hebt reeds te lang gemart en zult
+te laat thuis komen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Frans begreep, dat Pieter gelijk had; hij klom dus over en liet zijn armen vriend in den tuin van den smid liggen.
+
+
+
+<a id="d0e1815"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1815">56</a>]</span></p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1537" href="#d0e1537src" class="noteref">1</a></span> Zie &#8220;De Zeeman tegen wil en dank.&#8221; 6<sup>e</sup> druk. Blz. 22.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1594" href="#d0e1594src" class="noteref">2</a></span> Aan denzelfden weg, maar verder op, had ook Jacob Cats zijne buitenplaats <span class="letterspaced">Zorgvliet</span>, door hem zelf aangelegd.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1610" href="#d0e1610src" class="noteref">3</a></span> Gij herinnert u, dat men vroeger in &#8217;s-<span class="letterspaced">Gravenhage</span> twee kermissen had: de Hofkermis in Mei en de Banus- of Haagsche kermis in September. Zie &#8220;De Weezen van Vlissingen.&#8221; 6e
+druk. Blz. 65.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1628" href="#d0e1628src" class="noteref">4</a></span> Tegenwoordig de <span class="letterspaced">Gevangenpoort</span> geheeten. In mijn volgend werkje (het Huisgezin van den Raadpensionaris) kunt gij daarmede nader kennis maken.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="d0e1816" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e112">Inhoud</a>]
+</span><div class="figure"><img border="0" src="images/o056.gif" alt="Ornament" width="586" height="148"></div>
+<h2 class="label">Vijfde Hoofdstuk.</h2>
+<h2>Hoe gevaarlijk het kan worden, om des Zondags de kerk te verzuimen.</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/id056.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 90px;&#xA; height: 86px;&#xA; background: url(images/id056.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">D</span>aar lag onze Pieter nu in den tuin van den smid. Zijn linkervoet deed hem vreeselijk pijn en belette hem te denken aan den
+gevaarlijken toestand, in welken hij verkeerde. Wat zou zijn vader wel zeggen! Wat zou Martha ongerust zijn! En wat zou hij
+een pak slaag krijgen! Waarlijk, een heerlijk kermisgeschenk! Ja, al die pret van de kermis kon hij nu wel uit zijn hoofd
+zetten; want tot straf zou hij wel nergens naar toe mogen! Dit waren de gedachten, die hem, toen de pijn hem toeliet te denken,
+het eerst bezig hielden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Als ik maar kon opstaan,&#8221; sprak hij bij zich zelf, en stelde alle pogingen daartoe in het werk. Het opstaan ging, ja; maar
+hij kon den beleedigden voet niet op den grond zetten, of hij moest het uitschreeuwen van de pijn. &#8220;Ik zal mijn schoen uitdoen,&#8221;
+vervolgde hij; &#8220;mijn voet is gezwollen en daardoor kan ik niet staan. Als ik dat doe, zal het wel beter worden.&#8221; Hij deed
+wat hij zeide, en het scheen hem werkelijk verlichting te <a id="d0e1825"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1825">57</a>]</span>schenken. Maar nauwelijks waagde hij een stap, of hij gilde het uit van de pijn en viel weder op den grond neer.
+
+</p>
+<p>&#8220;Had ik mij maar niet laten bepraten!&#8221; zeide hij, terwijl hij daar mistroostig nederzat. &#8220;Was ik maar naar de kerk gegaan,
+dan was ik nu thuis en zat al haast aan het eten.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dat laatste denkbeeld had zijn oorsprong niet alleen aan den voortsnellenden tijd, maar ook aan de ledige maag van onzen Pieter.
+Want ondanks de pijn, die hij had, begon hem thans de honger te kwellen en dat was voor een knaap op zijne jaren niet het
+minst van de zaak. &#8217;t Was dan ook een treurig vooruitzicht voor hem. Eerst had hij nog hoop, dat zijne vrienden wel even bij
+den smid zouden zijn aangeloopen en deze hem zou komen verlossen, maar toen het &eacute;&eacute;n, twee uur werd en de klok voor de middagkerk
+de laatste maal luidde, begon hem ook die hoop te begeven. Hij schold op zijne makkers, die hem dus in het gevaar lieten;
+hij begreep niet, dat Frans en Jan, thuis gekomen zijnde, van niets durfden reppen om zelf geen straf te beloopen; hij wist
+niet, dat de eerste na den maaltijd, met zijn vader naar <span class="letterspaced"><span id="d0e1832" class="corr" title="Bron: Honsholredijk">Hondsholred&#307;k</span></span> was gewandeld om eenige reparati&euml;n op te nemen die aan het huis van Prinses Amalia aldaar noodig waren; ook kwam het volstrekt
+niet bij hem op, dat &eacute;n de een &eacute;n de ander zich overtuigd hielden, dat de voet van hun makker wel hersteld zou zijn en hij
+zelf gezond en wel thuis zou zitten. Intusschen verliep de tijd, en&#8212;al duurde die onzen Pieter eerst heel lang&#8212;naarmate het
+later werd, begon die hem korter te vallen; want nu kwam er een ander gevoel bij hem op, dat van angst. Hij lag toch in een
+vreemden tuin, in dien van den smid Joris Gerritsz, en hij wist van zijn broeder Evert, die zooals wij weten bij genoemden
+smid werkte, dat Gerritsz een driftig man was. Hoe, als die hem daar vond, dan kon hij hem wel doodslaan! Of hij kon hem voor
+een dief en inbreker houden, en hem overleveren in handen van het <a id="d0e1835"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1835">58</a>]</span>gerecht. Welk een schande! Als hij eens door schout en dienders gehaald werd! Nooit zou hij dan in <span class="letterspaced">Den Haag</span> zijne oogen weer durven opslaan. Hij hoopte maar, dat de Balkenendes eerder zouden komen; dan konden die hem over de schutting
+helpen of bij baas Gerritsz zijne voorspraak zijn.
+
+</p>
+<p>Intusschen was men bij den pruikenmaker ook niet weinig in ongerustheid. Toen de kerk uit was en allen thuis waren, keek baas
+Dirksz verwonderd op, dat Pieter nog niet thuis was.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij zal, uit de kerk komende, andere jongens ontmoet hebben,&#8221; zeide Marie, &#8220;en met hen wat aan het omloopen zijn.&#8221; Maar toen
+hij tegen etenstijd nog niet thuis was, begon men zich ongerust over hem te maken. Intusschen werd de maaltijd opgebracht,
+de familie at, de tafel werd afgenomen en men ging naar de middagkerk. Vader Dirksz echter bleef thuis, om den uitblijver
+te ontvangen en beloofde hem reeds in stilte een duchtig pak, dat hem die malle kuren zou afleeren. Maar hoe hij wachtte,
+onze Pieter kwam niet, en toen de huisgenooten uit de middagkerk terugkwamen en hij op hunne eerste vraag: &#8220;Is Pieter al te
+recht?&#8221; ontkennend moest antwoorden, toen besloot men maatregelen te nemen en desnoods de hulp van het gerecht in te roepen;
+want Pieter moest een ongeluk hebben gekregen; anders zou hij wel thuis zijn.
+
+</p>
+<p>&#8220;Loop eens even naar baas Balkenende, Jacob!&#8221; zeide de pruikenmaker tot zijn tweeden zoon. &#8220;&#8217;t Is jammer, dat Evert niet thuis
+is, anders kon die naar Jan IJzer gaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, daar zal ik wel heenloopen,&#8221; zeide Martha.
+
+</p>
+<p>&#8220;Goed. En vraag dan maar bij Balkenende, of Frans ook iets van onzen Pieter weet. Vraag om Frans zelf te spreken, de baas
+heeft er niet mee noodig,&#8221; zeide Marie.
+
+</p>
+<p>Jacob vond de geheele familie Balkenende uit. &#8220;De baas is met Frans naar <span class="letterspaced">Hondsholred&#307;k</span>,&#8221; had de meid gezegd, &#8220;en de vrouw is met de kinderen naar den <span class="letterspaced">Scheveningschen</span> <a id="d0e1858"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1858">59</a>]</span>weg.&#8221; Wat echter Pieter aangaat, zooveel kon zij verzekeren, dat hij daar niet aan huis was geweest. Martha&#8217;s nasporingen
+hadden geen beter gevolg gehad, en er schoot dus geen ander middel over, dan naar den schout te gaan en den sterken arm van
+het gerecht in te roepen ter opsporing van den vermiste.
+
+</p>
+<p>&#8220;Als de jongen geen ongeluk heeft gekregen, dat hem belet thuis te komen, zal ik hem ranselen, dat er de lappen bijhangen!&#8221;
+zeide de pruikenmaker. &#8220;Ons zoo in ongerustheid te laten zitten. Foei! &#8217;t is schande!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Er moet hem zeker wat overkomen zijn, vader!&#8221; meende Martha. &#8220;Pieter past anders trouw op zijn tijd.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is wel waar, Martha,&#8221; antwoordde vader Dirksz. &#8220;Maar dan moest hij het vandaag ook gedaan hebben. Geef mij mijn rok,
+Marie! ik ga naar den schout.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zou daarmee nog wat wachten, vader!&#8221; zeide Marie. &#8220;Misschien komt hij wel spoedig thuis. Wat behoeft gij het gerecht er
+in te roepen?&#8221;
+
+</p>
+<p>De pruikenmaker besloot dus nog een paar uren te wachten. Was Pieter na dien tijd niet terecht, dan zou hij zich niet laten
+weerhouden. Dan moest de knaap maar een dag of wat op water en brood zitten; dat zou hem leeren op een anderen tijd beter
+op te passen.
+
+</p>
+<p>Keeren wij tot onzen gevangene terug.
+
+</p>
+<p>Het scheen, dat het uittrekken van zijn schoen hem weinig gebaat had; veelmeer waren pijn en zwelling sedert vermeerderd,
+Ja, hij leed ondraaglijke weerpijn in zijn knie en begreep dus niet dan al te wel, dat zijn eenige redmiddel zou zijn: de
+komst van den smid met zijne familie. Want als Balkenende kwam, zou hij het slot van zijn optrekje verdraaid vinden, en, daar
+het Zondag was, zou er geen smid zijn, die de deur openstak. De Balkenendes zouden dus ongetroost naar huis kunnen terugkeeren.
+
+</p>
+<p>Nu begon een andere vrees zich van hem meester te maken, <a id="d0e1876"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1876">60</a>]</span><span id="d0e1877" class="corr" title="Bron: Hoe">hoe</span>, indien de smid eens niet naar buiten kwam en hij dus veroordeeld was, den nacht, den kouden Meinacht daar alleen door te
+brengen. Dat denkbeeld greep hem met geweld aan en folterde hem zoodanig, dat hij reeds begon te wenschen, wat hij een paar
+uur geleden zoo bang had te gemoet gezien.
+
+</p>
+<p>&#8220;Och!&#8221; zeide hij in zich zelf, &#8220;de smid zou mij wel niet doodslaan en niet aan het gerecht overleveren, als hij mij voor den
+zoon van Pieter Dirksz herkent. Ik wou, dat hij maar kwam, dan kon hij mij naar huis laten brengen, en dan kon Marie mijn
+voet verbinden, want ik lijd verschrikkelijk pijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>Om echter niet terstond door baas Gerritsz bemerkt te worden, sleepte hij zich voort tot achter een bloeiende jasmijn, die
+hem kon verbergen voor ieder, die den tuin binnentrad. Als dan vrouw Gerritsz of een der kinderen in den tuin kwam, kon hij
+ze aanroepen en die zouden bij hunnen vader wel voor hem spreken. Kwam echter Gerritsz zelf, dan kon hij zich stil verborgen
+houden, tot de gelegenheid om zich te ontdekken gunstig was.
+
+</p>
+<p>Het zal ongeveer halfvijf zijn geweest, toen hij in het huis naast zich een buitengewone opschudding hoorde. Vrouw Balkenende
+was met hare kinderen naar het optrekje gegaan; en daar het nachtslot alleen van binnen verdraaid was, had zij de deur van
+buiten gemakkelijk kunnen openkrijgen. Maar toen een harer dochters, die de tuindeur wilde opendoen, de grendels daarvan vond
+afgeschoven, had zij de meening geuit, dat er vreemd volk in huis was geweest om te stelen en dit had grooten schrik onder
+de Balkenendes veroorzaakt, welke schrik eerst verdwenen was, toen men alles op zijne plaats vond en niets vermiste.
+
+</p>
+<p>Het duurde dus vrij lang, eer de familie in den tuin kwam, en Pieter luisterde aandachtig, of hij de stem van Frans niet vernam.
+Maar hoe hij luisterde, hij kon haar niet onderscheiden en hij kwam dus tot het besluit, dat zijn vriend voor hetgeen dien
+morgen gebeurd was, straf had. Doch hoe kon dan de <a id="d0e1888"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1888">61</a>]</span>familie zoo geschrikt zijn van het afschuiven der grendels? &#8217;t Was hem onmogelijk, deze twee zaken in behoorlijk verband te
+brengen, en terwijl hij daarover nog peinsde en juist voornemens was, zijn stem te verheffen en om hulp te roepen, verstomde
+hij eensklaps; want in de woning van den smid kwam ook leven en hij kon er niet aan twijfelen, of het oogenblik zijner ontdekking
+was nabij.
+
+</p>
+<p>De tuindeur werd opengedaan, en hij hoorde de stem van baas Gerritsz. Hij verborg zich zoo goed hij kon en kromp zooveel ineen
+als de pijn hem toeliet, toen hij een stem den smid hoorde antwoorden, eene stem die al zijn moed deed herleven en hem al
+zijne geestkracht terugschonk. Het was namelijk die van zijn broeder Evert, die door zijn patroon was uitgenoodigd, om den
+namiddag in zijn tuin door te brengen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Evert!&#8221; riep de arme Pieter, &#8220;kom mij te hulp.&#8221;
+
+</p>
+<p>Evert en zijn patroon waren zeer verschrikt over de stem, die daar zoo onverwachts in den stillen onbewoonden tuin klonk.
+Spoedig herstelden zij zich.
+
+</p>
+<p>&#8220;Jij hier, Pieter?&#8221; riep Evert ontsteld en tevens verwonderd uit. &#8220;Je hebt vader mooi in ongerustheid gebracht. Maar hoe kom
+je hier? Sta op,&#8221; vervolgde hij, zonder antwoord af te wachten, &#8220;en maak, dat je naar huis komt. Ik denk, dat ze in doodelijke
+onrust over je zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik kan niet opstaan, Evert!&#8221; antwoordde Pieter. &#8220;Ik heb mijn voet verstuikt, misschien wel gebroken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nog fraaier! Wat me die jongens toch uitrichten!&#8221; zeide baas Gerritsz hoofdschuddend. &#8220;Maar zeg eens, knaap! Wat doe je in
+mijn tuin? Als het in den appel- en perentijd was, zou ik zeggen, dat je fruit hadt willen stelen. Die is er niet. Wat moest
+je dan hier uitrichten?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ach, baas Gerritsz, ik zal het u vertellen,&#8221; zeide Pieter, en hij gaf een trouw verslag van het gebeurde.
+<a id="d0e1904"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1904">62</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Het is je geluk, dat je broer Evert je het eerst vond, mannetje! Was hij er niet bij geweest en ik had je ontdekt, dan had
+je kans gehad, dat ik je armen en beenen aan stukken had geslagen. Want ik ben niet gemakkelijk, als ik begin, niet waar,
+Evert!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Om den drommel niet, baas!&#8221; bevestigde deze. &#8220;Maar wat zullen we met den ondeugenden knaap doen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8221; hernam baas Gerritsz, bedenkelijk om onzen Pieter nog wat schrik aan te jagen. &#8220;Hij is op mijn erf gekomen, zonder mijn
+verlof; dat staat gelijk met inbraak. Ik vind het best, dat wij hem met schout en dienders laten halen. Het zal een voorbeeld
+zijn voor anderen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ach, baas Gerritsz!&#8221; smeekte Pieter. &#8220;Dat zult gij toch niet doen. Denk eens, welk een schande voor vader en voor mij!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Schande!&#8221; riep baas Gerritsz uit, terwijl hij zich heel boos hield. &#8220;Wat! schande? schande is het, als iemand over schuttingen
+klimt om op eens anders eigendom te komen. Dus geen genade voor jou. Ik laat je door schout en dienders de deur uithalen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij zal het wel nooit weer doen, Joris!&#8221; bracht thans vrouw Gerritsz in het midden, die er met hare kinderen was bijgekomen.
+&#8220;Gij moest het dus nu maar eens door de vingers zien.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Eilacy! dan zou hij er te gemakkelijk afkomen,&#8221; hernam baas Gerritsz. &#8220;Maar wie waarborgt mij, vrouw, dat de jongen, eenmaal
+den weg wetende, in den perentijd niet komt overklimmen, om mijn fruit te stelen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij heeft een goede les gehad,&#8221; gaf de vrouw ten antwoord, &#8220;die hij zijn leven lang niet zal vergeten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nooit&#8212;zoo oud als ik word,&#8221; kermde Pieter. &#8220;Gij kunt er van verzekerd zijn, baas Gerritsz dat ik mijn buik vol heb van het
+klimmen over schuttingen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, dan zal ik het voor ditmaal maar als niet gedaan rekenen, Pieter,&#8221; zeide de baas. &#8220;Kom, Evert, wij zullen den knaap <a id="d0e1925"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1925">63</a>]</span>opnemen en in huis dragen. Dan ga jij naar je vader en vertelt hem, dat zijn galgestrop van een zoon hier is. Zoo is de goede
+man uit de ongerustheid en kan maatregelen nemen om hem te laten halen. Intusschen zal mijne vrouw wel eens naar den voet
+zien, die duchtig gezwollen schijnt, en den knaap wat eten geven; want hij zal wel honger hebben ook. Kom aan, Evert!&#8221;
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p063.jpg" alt="" width="609" height="521"></div><p>
+
+
+</p>
+<p>Maar dat opnemen ging zoo gemakkelijk niet; want toen Evert even aan den beleedigden voet raakte, gilde Pieter het uit van
+de pijn. Baas Gerritsz nam hem dus alleen op, terwijl Evert het gekwetste deel ondersteunde, en zoo brachten zij Pieter in
+huis, waar vrouw Gerritsz naar den voet keek, die ontzaglijk gezwollen en vreeslijk pijnlijk was; terwijl Evert naar de <span class="letterspaced">Spuistraat</span> ging en zijne familie uit de ongerustheid over het lot van den knaap verloste.
+
+</p>
+<p>Tegen het vallen van den avond brachten Jacob en Evert hem met eene burrie naar huis. De barbier (chirurgijn) dien <a id="d0e1937"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1937">64</a>]</span>men haalde, onderzocht den voet en zeide, dat er wel niets gebroken was, maar dat de zaak door te lang uitstellen van geneeskundige
+hulp, zoodanig verergerd was, dat Pieter ten minste drie weken lang met het been in een kussen zou moeten zitten. Al het voorgestelde
+kermisvermaak was nu verijdeld; hij zou den reus niet zien, die de Voorpoort van den Hove niet in kon, den &#8220;vuurvreter&#8221; zou
+hij niet aanschouwen, noch het muziek onder water hooren van den Amsterdamschen wonderman. En nog mocht hij van geluk spreken,
+dat zijn vader de zaak zoo liet afloopen. Deze oordeelde, dat de knaap genoeg gestraft was door de pijn en den angst, en begreep,
+dat hij van nu aan een afkeer zou hebben van het verzuimen der kerk, van het gaan naar plaatsen, die hij niet betreden mocht,
+en van het overklimmen van schuttingen. En de goede man had gelijk. Dit geval had een beslissenden invloed op Pieters heele
+leven en hem voor altijd genezen van alle slinksche handelingen, welke het daglicht niet mochten zien. Want als hij soms in
+de verleiding kwam om naar de eene of andere verboden plaats te gaan, dan kwam hem de tuin van baas Joris Gerritsz in de gedachten:
+hij wees den verzoeker terug en ging niet.
+
+</p>
+<p>Mijne lezers zullen voorzeker wel nieuwsgierig zijn, te weten, hoe het met de beide andere knapen afliep. Ik wil dienaangaande
+hunne nieuwsgierigheid bevredigen.
+
+</p>
+<p>Zoodra onze Pieter thuis was en zijn wedervaren in al zijne kleuren verteld had, begaf vader Dirksz zich naar baas Balkenende,
+wien hij de geheele historie mededeelde. De timmerman was juist met zijn zoon van <span class="letterspaced">Hondsholred&#307;k</span> thuis gekomen en, toen de pruikenmaker ge&euml;indigd had, riep hij Frans, die hem alles bekende en Jan IJzer noemde als dengeen,
+die hen beiden tot het verzuimen der kerk verleid had. Balkenende bedankte Dirksz voor diens mededeeling en beloofde, de zaak
+ten strengste te straffen. Toen dus Pieters vader vertrokken <a id="d0e1946"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1946">65</a>]</span>was, kreeg onze Frans een duchtig pak slaag en mocht hij tot zijne straf den geheelen tijd, dien de Hofkermis duurde, niet
+uit. Den volgenden morgen kwam Jan, alsof er niets gebeurd was, op den winkel. Baas Balkenende wachtte hem reeds op, onderhield
+hem scherp over zijn gedrag en joeg hem weg. En of Jans vader al bij den timmermansbaas kwam, om zijne toegevendheid voor
+zijn zoon in te roepen&#8212;de baas wilde van niets hooren en den knaap niet terugnemen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Die lage, gemeene klikkert!&#8221; had Jan gezegd, toen hij hoorde, dat zijns vaders gang te vergeefs was geweest, en deze hem
+ongemakkelijk had afgeranseld. &#8220;Die ellendige pruikenmakersjongen! Maar ik zal het hem betaald zetten.&#8221;
+
+</p>
+<p>Daar Jan geen lust meer in het timmeren had, maar het goudsmeden verkoos te leeren, deed zijn vader hem bij baas Hendrik Verhoef
+op de <span class="letterspaced">Vogelenmarkt</span>.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/o065.gif" alt="Ornament." width="312" height="132"></div><p>
+
+
+
+
+<a id="d0e1959"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1959">66</a>]</span></p>
+</div>
+<div id="d0e1960" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e112">Inhoud</a>]
+</span><div class="figure"><img border="0" src="images/o066.gif" alt="Ornament" width="595" height="134"></div>
+<h2 class="label">Zesde Hoofdstuk.</h2>
+<h2>Hoe een slimme Raadpensionaris een nog slimmeren Prins niet kan doorgronden.</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/iw016.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 90px;&#xA; height: 86px;&#xA; background: url(images/iw016.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">W</span>anneer gij ooit den weg van het dorp <span class="letterspaced">Wateringen</span> naar <span class="letterspaced">Naaldw&#307;k</span> hebt gewandeld, dan kan het wel niet anders, of gij hebt in het bevallige <span class="letterspaced">Hondsholred&#307;k</span> (gewoonlijk <span class="letterspaced">Honselaarsd&#307;k</span> genoemd) eenige oogenblikken uitgerust, om nieuwe krachten te verzamelen, en u in de daar staande uitspanning met een glas
+melk of bier te verkwikken. Als gij daar dan gezeten waart en uwe blikken rondom u liet gaan, dan moet uw oog als van zelf
+zijn gevallen op een oude poort, die daar zoo alleen staat en zich zoo deftig verheft, dat gij op het denkbeeld kwaamt, of
+zij niet tot andere gebouwen heeft behoord en, wanneer gij de statigheid en den omvang van dit overblijfsel van vroegere jaren
+in aanmerking naamt, dan kwaamt gij onwillekeurig tot het besluit, dat hier waarschijnlijk een kasteel of zoo iets moet gestaan
+hebben. De ru&iuml;ne, die zich achter de poort bevindt, doch welke gij van buiten af niet kunt zien, zou u in het denkbeeld versterken.
+<a id="d0e1979"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1979">67</a>]</span></p>
+<p>En gij hebt goed gedacht mijne vrienden! Die poort strekte eens tot ingang van een oud en sterk kasteel, toebehoorende aan
+de heeren van Naaldwijk, welke hier hun verblijf plachten te houden. Menig ridder, die uit den bloedigen kamp huiswaarts keerde,
+reed onder die poort door, gezeten op zijn vurig genet, dat hem onverschrokken door het slaggewoel had heengeleid; menige
+schuchtere jonkvrouw was aan de hand haars bruidegoms dien gewelfden boog doorgetreden, omringd van vrienden en magen, van
+pages en schildknapen, van bruidjonkers en juffers, om in de kapel, die daar ginder stond, waar gij nu die boomen hunne toppen
+ziet verheffen, den band des huwelijks te sluiten.&#8212;Maar die dagen van grootheid en luister gingen voorbij; de roode leeuw
+van de erfmaarschalken en opperstalmeesters van de graven van <span class="letterspaced">Holland</span> verbleekte; het geslacht der Naaldwijken stierf uit, en door huwelijk kwam het kasteel te <span class="letterspaced">Hondsholred&#307;k</span> aan de graven van Aremberg. Gij herinnert u, hoe een van dezen in den tachtigjarigen oorlog de zijde van <span class="letterspaced">Spanje</span> hield; het gevolg daarvan was verbeurdverklaring zijner goederen en onder deze ook het kasteel te <span class="letterspaced">Hondsholred&#307;k</span>. Den 13<sup>den</sup> Juli 1589 gaven de Staten van <span class="letterspaced">Holland</span>, nu de rechtmatige bezitters van de heerlijkheid, het kasteel met zijne aanhoorigheden ten geschenke aan Prins Maurits. Maar
+het gebouw was oud en vervallen, en toen genoemde Prins bij zijn overlijden in 1625 door zijn jongeren broeder Prins Frederik
+Hendrik werd opgevolgd en deze in het bezit van het slot kwam, scheen de luister van het aloude huis te <span class="letterspaced">Hondsholred&#307;k</span> te herleven. Laatstgenoemde toch liet het vervallen slot geheel en al afbreken en op de vorige grondslagen een vorstelijk
+paleis bouwen. Ook dit paleis heeft den tand des tijds niet kunnen weerstaan: er is thans weinig meer van over dan de grijze
+poort, die daar zoo eenzaam en verlaten staat.
+<a id="d0e2003"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2003">68</a>]</span></p>
+<p>Wij willen ons in het begin der maand Juli van het jaar 1661 naar genoemd huis begeven. Wij gaan dan de groote poort door
+en bevinden ons voor een statige ophaalbrug, die over de breede grachten, welke het paleis omringen, den toegang tot het gebouw
+verleent. Prachtig hangen over die gracht de vier uitstekende paviljoenen, in den vorm van torens aan de hoeken van het paleis
+uitgebouwd, van welke er twee het uitzicht hebben op de heerlijke lanen van het park. Maar wij gaan voort naar den ingang,
+die zich in het midden van den voorgevel bevindt. Ziet eens, welke schoone, levensgroote beelden daar aan weerskanten van
+dien ingang staan. Wij gaan eenige trappen op, onder een balkon, dat op zes pilaren rust, en komen zoo op de ruime vierkante
+plaats, met gaanderijen omringd, en op welke een gedeelte van de menigvuldige, deftig gebouwde en keurig versierde en gemeubelde
+vertrekken uitziet. Maar ik zie het u wel aan; al die pracht en grootheid halen voor u niet bij den luister der natuur; gij
+hebt van het park gehoord en wilt u derwaarts begeven. Welnu, dan keeren wij langs den zelfden weg terug, slaan, zonder de
+voorpoort door te gaan, links af en komen in het heerlijk aangelegde park. Wij doorwandelen de boomrijke lanen en staan van
+tijd tot tijd stil bij de openingen, hier en daar in het hout gelaten en die ons de schoonste vergezichten opleveren. Op verscheidene
+van deze plaatsen zijn steenen zitbanken geplaatst; wij zullen er echter op dit oogenblik geen gebruik van maken&#8212;wij mochten
+er te lang zitten droomen.
+
+</p>
+<p>Hoor! wat was dat?&#8212;Zijn wij hier in <span class="letterspaced">Natura Artis Magistra</span> te <span class="letterspaced">Amsterdam</span> of in de Diergaarde der <span class="letterspaced">Rottestad</span>?&#8212;Ho, wat, mijne lezers! die waren er ruim tweehonderd jaren geleden nog niet; want herinnert u, dat onze wandeling in de
+17<sup>de</sup> en niet in de 20<sup>ste</sup> eeuw plaats heeft. &#8220;Maar,&#8221; zegt gij &#8220;Ik hoorde toch duidelijk het brullen van een leeuw!&#8221;&#8212;Gij hebt <a id="d0e2023"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2023">69</a>]</span>goed gehoord; wij zijn hier dicht bij de diergaarde. Slaan wij slechts dit slingerlaantje in,&#8212;zoo, daar zijn wij er.
+
+</p>
+<p>Leeuwen en tijgers, panters en luipaards, beeren en hyena&#8217;s, kortom, al wat gij in een menagerie kunt verwachten, vindt gij
+hier in prachtige hokken en achter stevige ijzeren trali&euml;n opgesloten.
+
+</p>
+<p>Wij zien echter op het oogenblik niet naar die dieren, maar liever naar de beide personen, die daar zoo deftig in de diergaarde
+voortwandelen en in druk gesprek schijnen gewikkeld. Ofschoon het niet heel fatsoenlijk is, willen wij ons achter hen begeven
+en hunne gesprekken afluisteren; eerst wil ik u een beschrijving van hen geven.
+
+</p>
+<p>De jongste (en ik begin bij hem, omdat hij een oude kennis van ons is) is niemand anders dan Prins Willem Hendrik, die gedurende
+den vacantietijd in <span class="letterspaced">Leiden</span> bij zijne grootmoeder Amalia van Solms logeert; want bij testament haars gemaals, heeft zij <span class="letterspaced">Hondsholred&#307;k</span> als haar bijzonder eigendom verkregen. Hij is nu ongeveer een jaar ouder dan toen wij voor het eerst kennis met hem maakten
+en een heel stuk gegroeid; echter nog even mager, zoo niet nog magerder, nog even bleek, misschien nog bleeker door het rouwkleed,
+dat hij aanheeft, het rouwkleed over zijne moeder, die nu reeds een half jaar naast haren broeder in den somberen grafkelder
+der koningen van Engeland rust.
+
+</p>
+<p>De persoon, die naast den Prins daarheen wandelt, en wiens eenvoudige kleeding ons zou doen vermoeden, dat hij tot den burgerstand
+behoort, trekt onze opmerkzaamheid door de uitdrukking van geest en schranderheid, die op zijn langwerpig, beenig gelaat staat
+uitgedrukt. De doordringende oogen, door zware wenkbrauwen overschaduwd, het hooge breedgewelfde voorhoofd, de sterk gebogen
+neus en de met een klein snorretje begroeide bovenlip geven aan dat gelaat iets van dat <a id="d0e2039"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2039">70</a>]</span>bijzondere, dat men alleen bij groote vernuften aantreft. Een grijze vilten hoed, welks eene zijde is opgerold en met een
+grijs zijden koord van twee vingers dik wordt vastgehouden, dekt het hoofd, volgens de mode van dien tijd versierd met een
+lange, blonde allongepruik, die tot op de schouders nederhangt. Een breede, dubbele bef hangt over den langen, grijzen rok
+(wij zouden dien jas noemen) die van voren met koord gegarneerd en geheel toegeknoopt is en tot even boven de knie&euml;n reikt.
+Om den linkerschouder is een zijden sjerp geslagen van de kleuren der Statenvlag, en die in de linkerzijde in een strik eindigt,
+waar ook de degen hangt, dat onmisbare bij den man van den deftigen stand. De korte broek, van dezelfde kleur en stoffage
+als de rok, is even beneden de knie&euml;n met strikken vastgehecht; ook op de schoenen zijn groote strikken. Hij houdt een langen
+wandelstok met gouden knop in de hand, en alleen dit artikel van weelde, de sjerp en de fluweelen mantel, die hem over den
+schouder hangt, doen in hem iets meer vermoeden dan zijn anders eenvoudige kleeding te kennen geeft. En geen wonder; want
+de man, die daar met den Prins in zulk een druk gesprek schijnt gewikkeld, is niemand anders dan de eerste persoon in het
+geheele land, de man, die aan de vorsten van <span class="letterspaced">Europa</span> zijn wil en zijne wetten voorschrijft, een der grootste staatsmannen van zijn tijd, is de Raadpensionaris Johan De Witt,
+van wien ik reeds in mijn vorige werkje<a id="d0e2044src" href="#d0e2044" class="noteref">1</a> gesproken heb. Om zijne buitengewone bekwaamheden en zijne uitstekende diensten, hadden de Staten-Generaal, toen in Juli
+1658 de vijf jaren, tot de bekleeding van zijn ambt vastgesteld, verstreken waren, hem daarin weder voor vijf jaren bevestigd.
+En zeker was De Witt de man, die al zijne krachten, al zijnen tijd, al de vermogens van zijn geest wijdde aan het heil van
+den Staat. <a id="d0e2050"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2050">71</a>]</span>Altoos jammer is het van den onsterfelijken, helderzienden en doorslepen diplomaat, dat hij &eacute;&eacute;n vast denkbeeld met zich omdroeg,
+dat vele zijner handelingen bestuurde en hem wel eens tot verkeerde maatregelen aandreef: &#8220;Geene verheffing van het huis van
+<span class="letterspaced">Oranje</span>, nooit zal Prins Willem Hendrik de waardigheden zijner voorouderen bekleeden.&#8221;
+
+</p>
+<p>In het staatkundige zien wij hier dus twee vijanden wandelen (want dat de Prins Johan De Witt als zoodanig kende, ook op zoo
+jeugdigen leeftijd, lijdt geen twijfel), twee vijanden, van welke de een een doorslepen en doorkneed staatsman is van zes
+en dertig jaren&#8212;de andere een zwakke, ziekelijke knaap van nog geen elf. Daarenboven moet ik u zeggen, dat het doel van De
+Witts komst op het huis te <span class="letterspaced">Hondsholred&#307;k</span> schijnbaar ten doel had, om de Prinses-weduwe over ettelijke belangen te spreken; het eigenlijke oogmerk was, den jeugdigen
+Prins uit te hooren over brieven, door hem uit <span class="letterspaced">Engeland</span> ontvangen, en wier inhoud de Raadpensionaris gaarne wilde weten. Ik meen genoeg te hebben gezegd, om u belang te doen stellen
+in het gesprek der beide wandelende personen. Ik herinner u daarbij, dat men den Prins wenschte af te trekken van de Engelsche
+partij, en moet u tevens mededeelen, dat Zuijlestein in verdenking stond van die partij te ondersteunen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zooals ik uwer Hoogheid zeide,&#8221; ging De Witt voort; want gij herinnert u, dat wij hen midden in hun gesprek beluisteren,
+&#8220;zooals ik uwer Hoogheid zeide, ik heb Professor Borneus gesproken, en zijn hooggeleerde is zeer content over uwe progressen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben den hoogleeraar wel geobligeerd voor zijne goede opinie te mijnen aanzien en wenschte zeer, even content over mij
+zelf te zijn als hij het is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Uwe Hoogheid is zeer nederig,&#8221; hernam de Raadpensionaris glimlachend.
+<a id="d0e2069"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2069">72</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Ik ben ook Uwer Edelheid dankbaar voor de goede opinie, die zij van mij koestert en ik wensch niets liever, dan mijn best
+te doen om aan de verwachtingen, die Uwe Edelheid en de heeren Staten van mij voeden, in allen deele te beantwoorden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe gaat het tegenwoordig met de arithmetica?&#8221; hernam De Witt. &#8220;Begint Uwe Hoogheid daarin wat meer smaak te krijgen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ach mijnheer de Raadpensionaris! Uwe Edelheid weet niet hoezeer mijn arm hoofd verzwakt van die pijnen, welke het zoo gedurig
+tourmenteeren. Zij beletten mij te denken en zonder denken kan men toch niet rekenen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;In trouwe niet,&#8221; antwoordde De Witt, die als een der eerste rekenaars van zijn tijd bekend stond en wien men wel eens ten
+laste gelegd heeft, dat hij de wiskunde ook op het staatkundige toepaste. &#8220;De wiskunst eischt onze geheele ziel, ons gansche
+verstand. Maar Uwe Hoogheid moet hare aversie tegen die wetenschap trachten te surmonteeren. De arithmetica is tot alle dingen
+noodwendig.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zal mijn best doen, om de les Uwer Edelheid in praktijk te brengen,&#8221; hernam de Prins, altijd even stroef en deftig.
+
+</p>
+<p>&#8220;Uwer Hoogheids verzekering is mij genoeg,&#8221; hernam de Raadpensionaris, en van batterij veranderende, ging hij voort:
+
+</p>
+<p>&#8220;Het deed mij leed, dat Uwe Hoogheid mij niet thuis vond bij het bezoek, dat Zij mij bij haar kortstondig verblijf te &#8217;s-<span class="letterspaced">Gravenhage</span> bracht.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mij smartte het niet minder, Uwe Edelheid niet thuis te treffen,&#8221; antwoordde de Prins. &#8220;Indien mijn verblijf langer gecontinueerd
+had, zou ik zeker mijn bezoek gerepeteerd hebben. Mijne grootmoeder had echter bepaald, dat ik slechts drie uren zou vertoeven
+en wachtte mij met den maaltijd.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik dank Uwe Hoogheid wel voor hare goede intentie, en zou mij geobligeerd hebben gerekend, haar terstond eene contravisite
+<a id="d0e2091"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2091">73</a>]</span>te brengen, indien Uwe Hoogheid niets reeds zoo spoedig vertrokken ware.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik kon niet anders. Uwe Edelheid weet, hoezeer mijne grootmoeder op orde gesteld is en dat zij volstrekte gehoorzaamheid
+eischt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zij is in haar recht, als uwe voogdes,&#8221; gaf De Witt ten antwoord. &#8220;Uwe Hoogheid is haar onbepaalde gehoorzaamheid verschuldigd.
+Intusschen moet het u genoegen doen, uwe vacantie in zulk een heerlijk lustoord als dit te passeeren. Uwe Hoogheid zal zich
+toch niet vervelen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Vervelen, mijnheer de Raadpensionaris?&#8221; vraagde de Prins schier verwonderd. &#8220;Mijne grootmoeder heeft eene schoone boekerij.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij leest dan veel. En waarin bestaat alzoo uwe lectuur?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben op dit oogenblik aan het lezen van het schoone werk van den Amsterdamschen burgemeesterszoon, den ridder Pieter Cornelisz.
+Hooft....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zijne Nederlandsche Histori&euml;n voorzeker?&#8221; viel De Witt hem in de rede. &#8220;Een schoon werk in een keurigen, kernachtigen stijl.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En merkwaardige gebeurtenissen,&#8221; hernam de prins. &#8220;Overigens houden wij, Zuijlestein en ik, ons bezig met het repeteeren
+van het vroeger geleerde.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En het lezen van de brieven, u door den Engelschen gezant ter hand gesteld?&#8221; vervolgde De Witt ietwat scherp en onverwacht,
+om den Prins in verwarring te brengen en hem zoo de bekentenis te ontwringen, die hij van hem hoopte te hooren. Hij had echter
+buiten den waard gerekend. Zonder te verbleeken of te blozen, zelfs zonder de oogen neder te slaan en toch zonder zijne lippen
+met een logen te bezoedelen (want dat zou Willem Hendrik nooit gedaan hebben) antwoordde de Prins ongekunsteld:
+<a id="d0e2109"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2109">74</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Uwe Edelheid vergist zich, wanneer zij denkt, dat ik de hulp van den heer Van Zuijlestein noodig heb, om Engelsche brieven
+te lezen.&#8212;Ik durf zeggen, dat ik de taal genoegzaam machtig ben, om ze alleen te verstaan. Uwe Edelheid vergeet, dat mijne
+moeder een Engelsche was.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Witt beet zich op de lippen. Wilde de Prins hem soms doen voelen, dat zijne correspondentie met het Engelsche hof een natuurlijke
+zaak was en dat dus al zijne staatkundige geslepenheid niet in staat zou zijn, hem geheel en al aan dien invloed te onttrekken?
+Nog in twijfel, wat de bedoeling van den knaap was, ging hij voort:
+
+</p>
+<p>&#8220;En uwe grootmoeder is eene Duitsche Vorstin. Dus zal u de Hoogduitsche taal toch ook wel eigen zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik vind, dat de Hoogduitsche taal voor ons gemakkelijk te verstaan, maar moeilijk te schrijven is,&#8221; antwoordde de Prins ontwijkend.
+
+</p>
+<p>&#8220;En is uw koninklijke oom gezond?&#8221; hernam De Witt. &#8220;Schreef hij u niets ten aanzien van mij?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar, mijnheer de Raadpensionaris!&#8221; hernam de Prins glimlachend. &#8220;Uwe Edelheid vergeet, dat ik eerst tien jaar ben en dat
+mijn oom, de Koning der drie Brittannische rijken, mij over geen staatkunde zal schrijven.&#8221;
+
+</p>
+<p>Alweder was De Witt, de schrandere De Witt, in verlegenheid. Dien knaap kon hij niet doorgronden. Wat beteekende die bijvoeging
+van <i>Koning der drie Brittannische rijken</i>, met zooveel kracht uitgesproken?&#8212;Nog meer werd hij in de war gebracht, toen de Prins er schijnbaar met de grootste onnoozelheid
+bijvoegde:
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijn nicht Marie<a id="d0e2129src" href="#d0e2129" class="noteref">2</a>, de dochter van den hertog van <span class="letterspaced">York</span>, heeft mij geschreven, dat haars vaders beide schoonste jachthonden <a id="d0e2135"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2135">75</a>]</span>gejongd hebben. Ik zal mijn oom vragen, of hij mij een paar zal zenden,&#8212;ik houd dol veel van jachthonden, mijnheer de Raadpensionaris.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo,&#8221; antwoordde De Witt droogjes.
+
+</p>
+<p>&#8220;En van de jacht ook. Mijn vader bezat een groote, uitgestrekte jacht te <span class="letterspaced">Dieren</span>.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat weet ik,&#8221; hervatte De Witt even droog.
+
+</p>
+<p>&#8220;En hier te <span class="letterspaced">Hondsholred&#307;k</span> is ook een schoone jacht, mijnheer de Raadpensionaris.&#8212;Als ik groot ben, dan hoop ik hier dikwerf te jagen....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En heeft Uwe Hoogheid nog andere brieven uit <span class="letterspaced">Engeland</span> ontvangen?&#8221; hervatte De Witt, die zich de gelegenheid niet wilde laten ontnemen, om te weten met wie de Prins in correspondentie
+stond.
+
+</p>
+<p>&#8220;Voorzeker. Ook nog eene van Marie&#8217;s zuster, mijn nichtje Anna. Maar zij schrijft nog niet correct.&#8212;Doch, om tot de jacht
+terug te keeren (en als de Prins op dat punt kwam, werd hij welsprekend) heeft Uwe Edelheid wel eens een leeuwenjacht bijgewoond?&#8221;
+
+</p>
+<p>De vraag geschiedde, terwijl beiden stilstonden voor het hok van een prachtigen Afrikaanschen leeuw. Zij was dus zeer natuurlijk.
+Maar dommer, kinderachtiger vraag kon er niet bestaan, en zulks juist op het oogenblik, dat de Raadpensionaris iets dacht
+te zullen hooren.
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar Uwe Hoogheid!&#8221; antwoordde De Witt. &#8220;Er zijn immers geen leeuwen in de Ge&uuml;ni&euml;erde Provinci&euml;n.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Uwe Edelheid kon een reis gedaan hebben naar <span class="letterspaced">Afrika</span>,&#8221; hernam de Prins.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik naar <span class="letterspaced">Afrika</span>? Uwe Hoogheid railleert.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Uwe Edelheid vergeve het mijner kinderachtige domheid,&#8221; hernam de Prins. &#8220;Het kwam door het verlangen, dat ik koesterde om
+eens een leeuwenjager te spreken. Het moet <a id="d0e2174"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2174">76</a>]</span>een fier en koninklijk dier zijn, zoo&#8217;n dier in zijn natuurstaat.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Eilacy, dat laat zich denken. Niet ten onrechte noemt men hem de koning der dieren, de vorst van het woud.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Geheel anders dan zoo gevangen te zitten en van den wil van een ander af te hangen,&#8221; hernam de Prins. &#8220;Als deze leeuw eens
+werd losgelaten, zoudt gij dan niet denken, dat hij nog woester was dan de nooit gekerkerde?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik denk het niet,&#8221; hervatte De Witt. &#8220;Zulke leeuwen worden jong gevangen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En zoudt gij dan denken, mijnheer de Raadpensionaris,&#8221; vervolgde de Prins, die zich door het oogenblik liet medeslepen, &#8220;dat
+een leeuw geen leeuw blijft? Zoudt gij meenen, dat de jonge leeuw niet even goed de ketens voelt, die hem binden, als de volwassene?
+Zoudt gij het niet met mij eens zijn, dat de gevangene leeuw, als hij zijn kerker ontkomt, nog woedender is dan de leeuw der
+bosschen, die de vrijheid gewoon is en geen inkerkering te wreken heeft? Mij dunkt, als ik mij eens in de plaats van zoo&#8217;n
+leeuw stelde en dan aan mijne afkomst gedacht, ik zou, zoodra ik de gelegenheid voor mij schoon zag, mijne trali&euml;n verbreken
+en schrikkelijk op mijne bewaarders aanvallen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Met verbazing had De Witt naar den anders zoo stroeven en eenvoudigen knaap geluisterd. Hij had die oogen zien flonkeren van
+een ongekend vuur, een licht rood zich over dat anders zoo bleeke gelaat zien verspreiden; hij had geestdrift gezien, waar
+anders ijskoude onverschilligheid heerschte. Zou die knaap werkelijk gevoelen, dat hij de gekerkerde jonge leeuw was en zou
+hij zich bewust zijn van zijne afkomst en zijne rechten? Nog vreemder echter zag de Raadpensionaris op, toen diezelfde knaap
+met al de eenvoudigheid, zijnen leeftijd eigen, na een oogenblik gezwegen te hebben, voortging:
+
+</p>
+<p>&#8221;&#8217;t Is zoo jammer, dat de leeuw altijd achter trali&euml;n moet zitten. Ik wou, dat men hem zoo tam kon maken als een hond, <a id="d0e2188"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2188">77</a>]</span>dan zou ik Uwe Edelheid vragen, om uit mijnen naam een verzoek aan de heeren Staten te doen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En welk?&#8221; vraagde De Witt, verwachtende nu toch iets belangrijks te vernemen, misschien wel een verzoek, dat den Prins door
+de brieven uit <span class="letterspaced">Engeland</span> was ingegeven.
+
+</p>
+<p>&#8220;Om voor mij een tam leeuwtje uit <span class="letterspaced">Afrika</span> te laten overkomen en mij verlof te geven, het aan een koord op straat te mogen meenemen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Nu wist de schrandere, de geslepen staatsman niet meer, wat hij van dien knaap denken moest. Had hij zijns gelijke in politiek
+gevonden, of liever, moest hij dien tienjarigen knaap als zijn meester in geslepenheid erkennen? Of was alles slechts eenvoudigheid,
+en zocht hij meer in &#8217;s Prinsen woorden, dan daarin lag? Hij wist het niet en was verlegen, wat te antwoorden, toen de komst
+van Zuijlestein hem uit die verlegenheid redde.
+
+</p>
+<p>Ik wil het gesprek tusschen dezen en De Witt mijnen lezers niet mededeelen, noch hen op hunne wandeling door de lanen van
+het park vergezellen. Toen zij aan de gracht gekomen waren, die het vorstelijk paleis omgaf, bleven zij eenige oogenblikken
+stilstaan, om te zien naar het werkvolk van baas Balkenende, dat op een steiger stond en bezig was, een nieuwe kroonlijst
+aan het hoofdgebouw te maken.
+
+
+
+</p>
+<p>Terwijl zij daar zoo stonden te kijken, gaf de Prins onwillekeurig een gil. Een der planken van de bovenste verdieping van
+den steiger schoot uit, juist toen een knaap van ongeveer vijftien jaren er den voet op had gezet. De arme jongen tuimelde
+en scheen reddeloos verloren; want de hoogte, van welke hij viel, moest hem noodwendig doodelijk zijn. Gij weet toch, hoe
+een vrijvallend lichaam bij elke seconde in snelheid toeneemt, en al kwam de knaap dan ook in het water neder, de tegenstand,
+dien dit element aan zulk een snelvallend lichaam moest bieden, kon niet anders dan hem noodlottig zijn. Maar <a id="d0e2206"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2206">78</a>]</span>met eene tegenwoordigheid van geest, die alledrie de aanschouwers verbaasde, greep de knaap een der stijlen, klemde er zich
+terstond met beide handen aan vast en klom, alsof er niets gebeurd was, naar boven, waar hij <a id="d0e2208"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2208">79</a>]</span>doodbedaard aan het werk ging om een andere plank in plaats van de uitgeschotene te leggen.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p078.jpg" alt="" width="488" height="720"></div><p>
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat noem ik tegenwoordigheid van geest. Zoo iets heb ik in mijn leven niet gezien,&#8221; zeide De Witt.
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar steekt iets groots in dien knaap,&#8221; meende Zuijlestein.
+
+</p>
+<p>De Prins zeide niets; maar toen men zich weder op het paleis bevond en de Raadpensionaris vertrokken was, ging hij naar den
+kant, waar de steiger stond, en riep den knaap.
+
+</p>
+<p>&#8220;Heb je je niet bezeerd?&#8221; was zijn eerste vraag.
+
+</p>
+<p>De knaap, die den prins niet kende, maar toch wel begreep dat hij niet zijns gelijke was, antwoordde op eerbiedigen toon:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik had een leelijken val kunnen doen, jongeheer! Gelukkig, dat ik den stijl kon bereiken; anders had ik mijn zwemkunst moeten
+gebruiken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En was je niet verschrikt?&#8221; vraagde de Prins.
+
+</p>
+<p>&#8220;Verschrikt? Dat zou ik geweest zijn, als ik den stijl niet had gezien. Maar toen ik voelde, dat de plank uitschoot, dacht
+ik dadelijk: &#8220;Piet, maak dat je je aan het een of ander vasthoudt&#8212;anders is het met je gedaan.&#8221; En zoo kan ik niet zeggen,
+dat ik er erg van ontsteld ben.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Je bent een fiksche knaap en kunt het ver brengen in de wereld. Hoe heet je?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heet Pieter Pietersz en ben de jongste zoon van den pruikenmaker Pieter Dirksz uit de <span class="letterspaced">Spuistraat</span> te <span class="letterspaced">&#8217;s-Gravenhage</span>&#8221;.
+
+</p>
+<p>&#8220;Welzoo! Ben jij een zoon van den pruikenmaker Dirksz? Dan ben je een broeder van mijn kamerdienaar Karel.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Van Uwen kamerdienaar....&#8221; riep Pieter uit, terwijl hij een lang gezicht zette, en meer verschrikte dan toen hij gevallen
+was. &#8220;Dus dan heb ik de eer met zijne Hoogheid den Prins van Oranje te spreken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het is zoo,&#8221; antwoordde de Prins vriendelijk. &#8220;Maar laat dat je niet verschrikken. Ik ben immers geen wild beest.&#8221;
+<a id="d0e2245"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2245">80</a>]</span></p>
+<p>&#8220;De Hemel beware mij, Uwe Hoogheid!&#8221; antwoordde Pieter. &#8220;Maar&#8212;maar....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoor eens, Pieter,&#8221; hervatte de Prins. &#8220;Zeg mij, kan ik iets voor je doen? Je hebt getoond een onverschrokken knaap te zijn.
+Ik kan wel niet veel, maar wat ik in mijne macht heb, staat je ten dienste.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ach, Uwe Hoogheid!&#8221; antwoordde Pieter. &#8220;Wat ik zoo gaarne wilde, staat toch niet in Uwe macht.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En wat is dat?&#8221; vroeg de Prins.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zou zoo gaarne zeeman willen worden, zooals mijn oom Klaas is; maar vader wil het niet toestaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is een leelijk geval, Pieter. Ik weet, dat baas Dirksz stijf op zijn stuk staat. Maar wat ik kan, zal ik doen. Ik zal
+er je broer Karel over spreken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, ik dank Uwe Hoogheid wel voor die gunst,&#8221; riep Pieter uit.
+
+</p>
+<p>&#8220;Vaarwel, Pieter,&#8221; zeide de Prins, terwijl hij den krullenjongen verliet, die &#8217;s avonds thuis kwam en zegevierend vertelde
+met wien hij gesproken had. Van diens belofte echter zweeg hij wijselijk.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/o029.gif" alt="Ornament." width="189" height="53"></div><p>
+
+
+
+<a id="d0e2266"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2266">81</a>]</span></p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2044" href="#d0e2044src" class="noteref">1</a></span> Zie &#8220;De zeeman tegen wil en dank.&#8221; 6<sup>e</sup> druk. Bl. 91.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2129" href="#d0e2129src" class="noteref">2</a></span> Later met den Prins gehuwd.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="d0e2267" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e112">Inhoud</a>]
+</span><div class="figure"><img border="0" src="images/o001.gif" alt="Ornament" width="570" height="134"></div>
+<h2 class="label">Zevende Hoofdstuk.</h2>
+<h2>Hoe een echt Hollandsche jongen zich wreekt.</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/ij081.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 90px;&#xA; height: 86px;&#xA; background: url(images/ij081.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">J</span>an IJzer had het voornemen opgevat, om te gelegener tijd wraak te nemen op Pieter, omdat hij dien als de oorzaak beschouwde
+van zijne wegzending door baas Balkenende, en wij willen eens zien hoe hij dat voornemen ten uitvoer bracht. Gij herinnert
+u, dat hij op een en ander ambacht gekomen was. Spoedig had hij hier andere kennissen gekregen, en zou men dus veronderstellen,
+dat hij Pieter Dirksz en al wat er gebeurd was vergat. Maar neen&#8212;niet lang nadat Pieters voet hersteld was, kwam hij hem tegen,
+en begon hem te schelden voor &#8220;klikspaan&#8221; en al zulke leelijke woorden. Pieter die al te zeer wist, dat hij onschuldig aan
+het hem aangetegen kwaad was, en dat hij, ondervraagd zijnde, niets dan de waarheid had gesproken, antwoordde in het eerst
+niet; maar toen Jan hem blijkbaar opwachtte, en niet ophield hem te schelden, besloot Pieter hem eens de kracht zijner vuisten
+te laten voelen en takelde hem zoo toe, dat hij met een blauw oog op den <a id="d0e2274"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2274">82</a>]</span>winkel kwam. Toen zijne kameraads hem vraagden, waar hij dat gekregen had, durfde hij voor de waarheid niet uitkomen, maar
+zeide, dat hij zich had gestooten. Zijn geheele uitzicht echter toonde aan, dat hij geplukhaard had. Om zich hierover te wreken,
+besloot hij Pieter des avonds op te wachten en onverwachts te overvallen, welk plan hij met een paar zijner kameraads ten
+uitvoer bracht en dat hem in het begin van September gelukte. Pieter, het wel tegen een, maar niet tegen drie kunnende uithouden,
+zou gewis het onderspit gedolven hebben, indien hem niet bij geluk een voorbijganger ware te hulp gekomen, die hem uit hunne
+handen had gered.
+
+</p>
+<p>&#8220;Het was gelukkig, dat ik daar aankwam, knaap!&#8221; zeide de voorbijganger; &#8220;anders had men je braaf toegetakeld.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik dank Uwe Edelheid voor hare hulp,&#8221; antwoordde Pieter. &#8220;Drie tegen een, en dan zoo verraderlijk; daar is niemand tegen
+bestand. Laat hen een voor een komen, dan sta ik ze.&#8221; En dit zeggende, balde hij de vuisten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie ben je, knaap, dat je zooveel moed in het lijf hebt?&#8221; vraagde de onbekende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heet Pieter Pietersz en mijn vader is pruikenmaker in de <span class="letterspaced">Spuistraat</span>.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Aha! dan ben jij dat onverschrokken kereltje, dat op den huize te <span class="letterspaced">Hondsholred&#307;k</span> bijna van den stijger viel.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dezelfde. Doch hoe kan Uwe Edelheid dat weten?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik was met den heer Raadpensionaris en Zijne Hoogheid den Prins getuige van je val en je koenheid.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zijne Hoogheid de Prins!&#8221; hernam Pieter. &#8220;O, ik had het geluk, dien te spreken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zijne Hoogheid was zeer over je tevreden,&#8221; verzekerde de Heer Van Zuijlestein; want mijne lezers zullen wel reeds geraden
+hebben, dat het niemand anders was <span id="d0e2300" class="corr" title="Bron: ">dan </span>deze, &#8220;en sprak met veel ingenomenheid over je.&#8221;
+<a id="d0e2303"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2303">83</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Ik ben Zijner Hoogheid ten zeerste verplicht voor goede intentie, hervatte Pieter, terwijl hij een buiging voor den Heer
+Van Zuijlestein maakt, &#8220;en, als het niet te vrij is, zou ik u wel willen verzoeken, Haar mijne gebiedenis te maken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Met genoegen, Pieter.&#8212;Vaarwel!&#8221; hervatte Zuijlestein, terwijl hij zijn weg vervolgde.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>Het jaar 1661 liep ten einde en nog had zich weinig vorst doen gevoelen, toen eensklaps, kort v&oacute;&oacute;r Kersttijd, de wind noordoostelijk
+liep en zulk een felle koude aanbracht, dat binnen een paar dagen al het water in en om <span class="letterspaced">Den Haag</span> met een dikke ijskorst bevloerd was. Nu werden de schaatsen voor den dag gehaald; en de Haagsche jeugd, dol op het echt Hollandsche
+ijsvermaak, had terstond de ijsschoenen klaar, hier een riem hersteld, daar nieuwe banden ingeregen, elders het in den zomer
+geroeste of in den vorigen winter bot geworden ijzer laten slijpen, of hare spaarpenningen besteed om zich een paar nieuwe
+vleugels aan te schaffen, welke, evenals die van Mercurius aan de voeten gebonden, de snelheid van dien voet vertiendubbelden.
+Menigeen was reeds met een nat pak te huis gekomen; want de dartele knapen, verzot op het vermaak, konden niet wachten tot
+de wateren genoegzaam bevloerd waren, maar waagden zich reeds op de spiegelgladde baan, alvorens het ijs de behoorlijke dikte
+had verkregen om hen te dragen. Gelukkig als zij er maar met een nat pak afkwamen en er niet het leven bij inschoten. Nu is
+er van dit laatste in &#8217;s-<span class="letterspaced">Gravenhage</span>, ten minste bij eenige voorzichtigheid, weinig gevaar, en ik zal u dat uitleggen. De polder, die zich aan den zuidoostelijken
+kant van de residentiestad bevindt, is zeer laag gelegen, en nu wordt het land reeds in het late najaar door het hooge water
+geheel ondergezet: zoodat men zou meenen een uitgestrekt meer voor <a id="d0e2318"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2318">84</a>]</span>zich te zien<a id="d0e2320src" href="#d0e2320" class="noteref">1</a>. Wanneer dit water bevriest, schenkt het een uitgestrekt veld aan de liefhebbers der kunst van schaatsenrijden en wordt daarom
+zeer druk bezocht. Nu is daar ook weinig gevaar van verdrinken, want zakt men door het ijs, dan valt men er tot de knie&euml;n,
+op het ergst in een sloot, tot den hals toe in. Alleen op de diepere molenslooten, waar men&#8212;als de molens gemalen hebben&#8212;dikwijls
+bomijs aantreft of&#8212;als het sterk gewaaid heeft&#8212;zoogenaamde windwakken, kan men gevaar loopen van te verdrinken.
+
+</p>
+<p>Het was de tweede Kerstdag. Prins Willem Hendrik, die een aartsliefhebber van schaatsenrijden was en zich gaarne op den Vijver
+voor het <span class="letterspaced">Binnenhof</span> met die kunst vermaakte, had zich met zijn goeverneur, zijn page Jan Theodoor Baron van Freisheim, zijn kamerdienaar en eenige
+lakeien naar het veldijs begeven, reeds zwart van de menigte van schaatsenrijders; niet om de vlugge wendingen aan te zien,
+maar om zelf zich met rijden te vermaken. Daar men het ijs nog niet sterk genoeg rekende, om zich op den <span class="letterspaced">V&#307;ver</span> te wagen, die, meer besloten dan het open veld, nog niet te berijden was, bestond er hier geen de minste zwarigheid. Zoodra
+dus Zijne Hoogheid met zijn gevolg op het veldijs gekomen was, ging hij op een stoel zitten en werden hem de keurige, fijne,
+met zilver en ivoor ingelegde Friesche schaatsen aangebonden, welke hij van zijnen oom Willem Frederik, Stadhouder over <span class="letterspaced">Friesland</span> en sedert 1650 ook over <span class="letterspaced">Groningen</span> en <span class="letterspaced">Drente</span>, ten geschenke had ontvangen. Deze Willem Frederik, Graaf van <span class="letterspaced">Nassau</span> en de zoon van den Frieschen Stadhouder Ernst Casimir, was sedert ruim vier jaren gehuwd met &#8217;s Prinsen tante Albertina Agnes,
+zijns vaders zuster, en door dat huwelijk zijn oom geworden.
+<a id="d0e2351"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2351">85</a>]</span></p>
+<p>Eenvoudig maar sierlijk was de kleeding van den Prins. Zijn zwarte aan &eacute;&eacute;n kant opgeslagen hoed met de golvende witte struisveder,
+die door een diamanten knoop met kleine parelen omzet, was vastgemaakt, zijn nauwsluitend fluweelen wambuis (zijn mantel had
+hij aan zijn kamerdienaar overgegeven) uit welks poffen het wit satijnen onderkleed zich liet zien, de zwart fluweelen hozen
+met zijden strikken boven de kuiten vastgemaakt, deden zijne slanke gestalte te beter uitkomen, terwijl hem de lichaamsbeweging
+van het schaatsenrijden niet alleen eene losheid en bevalligheid scheen te geven, die hij anders ten eenenmale miste, maar
+ook een blos op zijn ingevallen kaken verspreidde, die bij de levendige oogen zoo goed stond.
+
+</p>
+<p>&#8220;Freisheim!&#8221; zeide de Prins tot zijnen page, toen hij, na een geruimen tijd gereden te hebben, eenige oogenblikken stil stond.
+&#8220;Wij moesten eens om het zeerst naar gindschen molen rijden, h&eacute;?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Uwe Hoogheid zij indachtig, dat er gevaar bij dien rit is. De molenslooten zijn dikwijls met wakken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij kunnen er over het veldijs naar toe,&#8221; antwoordde de Prins. &#8220;Zie maar, hoe ver de ijsspiegel zich uitstrekt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan is het mij goed,&#8221; hervatte de page.
+
+</p>
+<p>&#8220;Willem, wees toch voorzichtig!&#8221; vermaande Zuijlestein, die juist bij hen kwam.
+
+</p>
+<p>&#8220;Mag ik Uwe Hoogheid en mijnheer den baron vooruit rijden; dan kunnen zij gerust voort en behoeven geen gevaar te vreezen?&#8221;
+vraagde Karel.
+
+</p>
+<p>&#8220;Doe dat, Karel!&#8221; antwoordde de Prins. &#8220;Maar wat snel.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Een goede, trouwe kerel, niet waar?&#8221; hervatte hij tot Freisheim, terwijl hij den kamerdienaar naoogde. &#8220;Hij zou zijn leven
+voor mij laten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Eilacy! Niet meer dan een staaltje van zijn devoir,&#8221; antwoordde de page. &#8220;Wij allen zouden dat doen, indien het noodig was.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik hoop zulk een sacrifice nooit van u te behoeven, Freisheim,&#8221; <a id="d0e2374"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2374">86</a>]</span>antwoordde de Prins. &#8220;Het zou mij weinig streelen, als iemand voor mij zijn leven in de waagschaal stelde. Maar komaan! Karel
+is reeds half weg. Een&#8212;twee&#8212;drie.&#8221;
+
+</p>
+<p>En met het laatste woord schoten beiden als een pijl uit een boog voort, terwijl de lakeien moeite hadden hen bij te houden.
+
+</p>
+<p>Eensklaps stond de Prins stil en liet den jongen baron alleen rijden. Hij had een angstkreet gehoord van den kant der molensloot,
+en spoede zich met andere schaatsenrijders derwaarts. Toen hij er aankwam, was reeds een groote menigte volks verzameld, die
+om een wak stond te kijken. Zoodra de Prins kwam, week men eerbiedig voor hem terug.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat is daar te doen?&#8221; vraagde hij aan een der omstanders.
+
+</p>
+<p>&#8220;Er ligt een knaap in het water, Uwe Hoogheid! Hij is op een wak gekomen en er ingeschoten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En is er dan niemand om den drenkeling te helpen?&#8221; vraagde de Prins.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie zou zich in de diepe sloot durven wagen, waar misschien drift genoeg in is om iemand in een oogenblik twintig ellen onder
+het ijs voort te sleepen? &Eacute;&eacute;n lijk is genoeg, Uwe Hoogheid.&#8221;
+
+</p>
+<p>Nog eer de Prins kon antwoorden, drong een andere knaap door de menigte heen, gaf zijne schaatsen, die hij in de haast afgebonden,
+en zijn wambuis, dat hij uitgetrokken had, aan een der omstanders, en sprong zonder bedenken in het wak. Niemand durfde zich
+bewegen, niemand sprak een enkel woord. Ook de Prins stond daar sprakeloos en met ingehouden adem. Freisheim, die nog een
+eind voortgereden was, voegde zich bij hem en zeide op vroolijken toon:
+
+</p>
+<p>&#8220;Uwe Hoogheid schijnt van den rechten weg te zijn afgedwaald.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Stil, Freisheim!&#8221; antwoordde de Prins stroef. &#8220;Het geldt hier twee menschenlevens.&#8221;
+
+</p>
+<p>De toon, waarop de Prins deze woorden sprak, deed den page zwijgen. Hij begreep, hoe ontijdig zijne scherts was geweest <a id="d0e2396"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2396">87</a>]</span>en bleef ook onbeweeglijk staan. Zuijlestein kwam eenige oogenblikken later aanrijden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Uwe Hoogheid moet niet stilstaan,&#8221; zeide hij. &#8220;Zij is te bezweet&#8212;de koude zou haar een ziekte op den hals halen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Een oogenblik, mijn waarde Zuijlestein,&#8221; hervatte de Prins. &#8220;Er is hier een ongeluk gebeurd.&#8221;
+
+</p>
+<p>Terwijl de Prins nog sprak, hoorde men een vreugdekreet: de moedige duiker kwam boven en hield den drenkeling in den eenen
+arm, terwijl hij met den anderen zwom.
+
+</p>
+<p>&#8220;Help mij!&#8221; riep hij op vermoeiden toon uit en terstond waren er twintig armen te gelijk gereed, van welke er eenige den drenkeling
+naar zich toetrokken, terwijl andere den moedigen knaap uit het water hielpen. In dien tusschentijd was ook Karel naderbij
+gekomen, en nauwelijks zag hij den onverschrokken jongen menschenvriend, of hij riep uit:
+
+</p>
+<p>&#8220;Goede hemel! Pieter! heb je in het water gelegen....?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Is het je broer, Karel,&#8221; zeide de Prins; maar deze vergat Zijne Hoogheid en allen, die hem omringden, en snelde naar zijn
+broeder toe.
+
+</p>
+<p>&#8220;Het is niets, Karel,&#8221; antwoordde de knaap met zijne gewone onverschrokkenheid. &#8220;Waar zijn mijn schaatsen en mijn wambuis?
+Ik ga spoedig naar huis om mij te drogen; want ik ben zoo nat als een kat.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Pieter Pietersz,&#8221; zeide de Prins, toen de knaap hem wilde voorbijgaan, &#8220;kom hedenmiddag om zes uur bij mij op het <span class="letterspaced">Binnenhof</span>.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij hier, Uwe Hoogheid!&#8221; riep Pieter en trad verschrikt een paar stappen achteruit. &#8220;Vergeef mij, dat ik u zoo onbeleefd
+wilde voorbijstuiven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ga nu spoedig naar huis en onthoud wat ik je gezegd heb,&#8221; hernam de Prins. &#8220;Van middag om zes uur.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zal tegenwoordig zijn,&#8221; antwoordde Pieter en stapte met groote schreden naar den wal.
+<a id="d0e2423"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2423">88</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Ga met hem mede, Karel,&#8221; gebood de Prins, &#8220;en zeg aan je vader, dat je broeder een medemensch gered heeft. Zorg, dat hij
+terstond warme en droge kleeren aantrekt.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dien namiddag ten zes uren trad Pieter bij den Prins binnen. Deze was blijkbaar afgemat van de inspanning van dien morgen;
+hij zat in een grooten leuningstoel en aan zijn bleek en lusteloos gelaat was het duidelijk te zien, dat in hem de wil sterker
+was dan het lichaam.&#8212;Niemand zou in dien matten, lusteloos daar neergevlijden knaap den sierlijken, vluggen, ja fieren schaatsenrijder
+herkend hebben.
+
+</p>
+<p>Toen Pieter werd aangediend, zat de Baron van Freisheim aan de tafel en las den Prins iets voor.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu zal Uwe Hoogheid zich weer vermoeien,&#8221; zeide deze. &#8220;Laat den knaap morgen of overmorgen terugkomen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het zal mij niet vermoeien, Freisheim,&#8221; gaf de Prins ten antwoord. &#8220;Integendeel, het zal mij afleiding bezorgen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Een mooi compliment voor mij,&#8221; gaf de baron eenigszins scherp ten antwoord, &#8220;die mij nog al uitsloof om u te occupeeren.
+Ik kan dus wel heengaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Blijf, Freisheim,&#8221; zeide de Prins met iets gebiedends, maar tevens ook iets verzoekends in zijne stem, en, als speet hem
+dat korte woord, voegde hij er bij: &#8220;Altijd dezelfde driftkop. Wanneer zult gij toch eens leeren uwe drift te betoomen!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben ook geen afstammeling van den grooten Zwijger,&#8221; antwoordde deze. &#8220;Het ligt in uw geslacht, Uwe Hoogheid! om over zijn
+drift te heerschen. Ik admireer u, imiteeren kan ik u niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;<i>Mij</i> imiteeren?&#8221; zeide de Prins met een treurigen glimlach. &#8220;Doch daar is de knaap. Kom nader, Pieter!&#8221;
+
+</p>
+<p>Pieter kwam bedeesd nader. De pracht, die er in de kamer heerschte, de tegenwoordigheid van den page, ja zelfs die van den
+Prins, nu hij wist dat hij de Prins was, maakten hem verlegen.
+<a id="d0e2447"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2447">89</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Ik heb van Karel gehoord, dat het een vijand van je was, dien je gered hebt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Vijand, Uwe Hoogheid? Dat heeft Karel u verkeerd overgebracht. Wij jongens hebben geen vijanden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik meen toch dat het dezelfde was, uit wiens handen mijn goeverneur de heer van Zuijlestein je eens heeft verlost.&#8221;
+
+</p>
+<p>Pieter werd rood als vuur. &#8220;Uit zijne handen verlost,&#8221; dat was eene beleediging voor den <span id="d0e2456" class="corr" title="Bron: Hollanschen">Hollandschen</span> knaap. Hij vergat, voor wien hij stond, en zeide op driftigen toon:
+
+</p>
+<p>&#8220;Uit zijn handen? Dat is een leugen, Uwe Hoogheid!&#8221; Doch zich bedenkende, voegde hij er kalmer bij: &#8220;Men heeft u verkeerd
+onderricht, Uwe Hoogheid! Hij had twee andere jongens bij zich en tegen de overmacht kan de beste het niet uithouden.&#8221;
+
+</p>
+<p>Freisheim, die achter Willems stoel was gaan staan, fluisterde den Prins op satirieken toon toe:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ook al een driftkop, Uwe Hoogheid! Ik ben dus de eenige niet!&#8221;
+
+</p>
+<p>De Prins zag glimlachend tot hem op en dreigde hem met den vinger. Zich toen tot Pieter wendende, ging hij voort:
+
+</p>
+<p>&#8220;Je schijnt reeds sedert lang in vijandschap te leven met dien knaap. Wat is daar de oorzaak van?&#8221;
+
+</p>
+<p>Pieter vertelde het den Prins, en eindigde:
+
+</p>
+<p>&#8220;Uwe Hoogheid ziet dus wel, dat de schuld niet aan mij ligt. Intusschen moest ik mij verdedigen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel zeker. Maar hoe raakte de knaap in het ijs?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Toen Jan mij zag, begon hij mij te sarren, voor allerlei leelijke dingen uit te schelden, ja, met vuil te werpen. Dat kon
+ik niet langer velen, ik werd driftig, hief mijn haak op en reed op hem aan. Jan, wel wetende, dat ik vlugger rijder ben dan
+hij, begon beenen te maken, maar ik kwam hem al nader en nader, terwijl ik al driftiger en driftiger werd. Inderdaad, Uwe
+Hoogheid! als onze lieve Heer het niet had verhoed, dan had ik hem mogelijk doodgeslagen; want dat sarren kan ik niet velen.&#8221;
+<a id="d0e2477"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2477">90</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Dat is nog een soort erger dan ik, dien Uwe Hoogheid zoo dikwijls om mijne drift beknort,&#8221; fluisterde Freisheim weder.
+
+</p>
+<p>&#8220;Foei, Pieter,&#8221; zeide de Prins, &#8220;het is zeer zondig, om zoo aan zijn toorn toe te geven. Je zoudt op die wijs een moordenaar
+hebben kunnen worden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik weet het, Uwe Hoogheid!&#8221; antwoordde Pieter beschaamd. &#8220;Maar wat deed Jan mij ook te sarren? Intusschen hoop ik, nooit
+weer driftig te worden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is een goed voornemen, Pieter. Doch ga voort.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Om mij te ontgaan, was er geen middel meer. Ik kwam hem al op de hielen en lichtte reeds den stok met ijzeren haak op, om
+dien het volgend oogenblik op zijn hoofd te doen nederdalen; toen Jan, geen andere kans op redding ziende, eensklaps zwenkte
+en in snelle vaart de molenvliet trachtte over te komen: waar hij zeker was, dat ik hem niet zou volgen. Want wie&#8212;hoe driftig
+hij ook is&#8212;waagt zich op dit oogenblik al op het ijs van een molenvliet? Daar ik op zijn wending niet verdacht was, schoot
+ik nog een eind voort, en toen ik mijn zwaai nam, zag ik hem op het midden van de sloot de handen wanhopig ten hemel heffen
+en in hetzelfde oogenblik in de diepte verzinken. &#8217;t Was alsof mij koud water over de leden stroomde: al mijn bloed scheen
+eensklaps naar mijn hart terug te keeren. Mijn drift was bekoeld: ik gaf een gil en bleef stokstijf staan. Maar ik bedacht
+mij niet lang. Ik strikte mijn schaatsen los, trok mijn wambuis uit&#8212;en Uwe Hoogheid zag, hoe het mij gelukte den knaap te
+redden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En waarom heb je je zoo spoedig weggemaakt? Waarom wachtte je niet totdat de geredde was bijgekomen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Omdat,&#8221; stotterde Pieter, terwijl hij verlegen op zijn vingers beet, &#8220;omdat... ik bang was, dat Jan mij zou bedanken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En stelde je er dan geen belang in, of de geredde weer in het leven was gekomen?&#8221; vraagde de Prins.
+<a id="d0e2494"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2494">91</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Z&oacute;&oacute; lang had hij niet in het water gelegen, dat hij al dood kon zijn, of hij moest er dood in gevallen zijn, en dat wist
+ik beter (de Prins en de baron moesten om deze koddige opmerking glimlachen). Daarenboven&#8212;ik had hem er uitgehaald en dat
+was mijn plicht. Er waren menschen genoeg bij, om hem verder te behandelen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En je hebt dus niet eens naar hem vernomen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik dacht slechts om droge kleeren aan te trekken en toen ik dit gedaan had, ben ik eens naar zijne buurt gewandeld, en vernam,
+dat hij levend thuis gebracht is en nu te bed ligt, zeker om de kou, die hij gevat heeft, uit te jagen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En jij, Pieter! Heb jij dan geen kou gevat?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Uwe Hoogheid, dat is niet hetzelfde. Mijn beroep is timmerman en ik moet in weer en wind, dikwijls in plasregens of sneeuwbuien,
+boven op daken of schouwen klimmen; dat maakt mij gehard;&#8212;Jan daarentegen is bij den goudsmid Verhoef, en staat meest aan
+den heeten smeltoven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Verhoef?&#8221; zeide de Prins. &#8220;Die naam komt mij bekend voor.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij heet Hendrik Verhoef en woont op de <span class="letterspaced">Vogelenmarkt</span>.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar Jan zal je toch wel komen bedanken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijnentwege mag hij het laten, Uwe Hoogheid. Ik begeer geen dank van hem, vooral niet voor die beuzeling. &#8217;t Is de moeite
+niet waard om er van te spreken; ik zou hetzelfde voor een hond of een kat gedaan hebben.&#8221;
+
+</p>
+<p>De jonge Prins glimlachte om deze taal.
+
+</p>
+<p>&#8220;Je maakt al bitter weinig ophef van je daad, Pieter,&#8221; zeide hij. &#8220;Intusschen heb je getoond een goed hart te bezitten; ik
+wensch je daarvoor te beloonen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Beloonen?&#8212;Uwe Hoogheid steekt den draak met mij. Daarenboven,&#8221; voegde hij er wel ietwat trotsch bij, &#8220;ik begeer geen loon.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat mij je dan een gedachtenis geven,&#8221; zeide de Prins, <a id="d0e2524"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2524">92</a>]</span>terwijl hij een ring van zijn vinger trok. Thans kan ik nog weinig voor je doen. Maar mocht ik eens in staat zijn, je van
+dienst te wezen, dan kun je mij dezen ring toonen en aanspraak maken op mijne hulp.&#8221;
+
+</p>
+<p>De knaap nam het kleinood aan, kuste dat en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Dien ring zal ik altijd op mijn borst dragen, Uwe Hoogheid...&#8221;
+
+</p>
+<p>Op dit oogenblik kwam Karel binnen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zijne Edelheid de Raadpensionaris houdt voor de deur stil,&#8221; zeide hij.
+
+</p>
+<p>&#8220;Je kunt thans heengaan, Pieter,&#8221; hervatte de Prins met ongeduld; hij wenschte blijkbaar, dat De Witt den knaap hier niet
+zou ontmoeten.
+
+</p>
+<p>Nauwelijks was Pieter vertrokken, of een bediende kondigde den nieuwen bezoeker aan. Kort daarop trad deze binnen, thans in
+het zwart, heel eenvoudig gekleed.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik wenschte Uwe Hoogheid een oogenblik alleen te spreken,&#8221; begon hij.
+
+</p>
+<p>De page verwijderde zich; De Wit nam plaats op een stoel. De Prins bleef zwijgend in den zijnen zitten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Uwe Hoogheid schijnt afgemat,&#8221; begon de Raadpensionaris terwijl hij zijn doordringend oog op Willem Hendrik van <span class="letterspaced">Oranje</span> vestigde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Vindt Uwe Edelheid dat?&#8221; vraagde de Prins ontwijkend.
+
+</p>
+<p>&#8220;Uwe Hoogheid moest zich het genot van het schaatsenrijden niet permitteeren. Het is te fatiguant voor Haar gestel.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dunkt Uwe Edelheid dat?&#8221; hernam de Prins onderworpen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Daarenboven past het Uwe Hoogheid weinig, zich met den grooten hoop op het veldijs te amuseeren. Waartoe toch is anders de
+<span class="letterspaced">Hofv&#307;ver</span> alleen voor U en Uw gevolg?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar het ijs op den <span class="letterspaced">Hofv&#307;ver</span> is nog te zwak.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan moet Uwe Hoogheid wachten tot het sterk is. Wanneer Uwe grootmoeder, hare Hoogheid de Prinses-weduwe, van <a id="d0e2565"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2565">93</a>]</span>hare reis terugkomt, zal zij zeer ontevreden zijn als zij hoort, wat Uwe Hoogheid gedaan heeft.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dunkt Uwe Edelheid dat?&#8221; vervolgde de Prins op denzelfden onderworpen toon.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik kom U slechts waarschuwen,&#8221; hernam De Witt. &#8220;Men heeft aan Uwe komst op het veldijs zeer verkeerde bedoelingen toegedicht.
+Men heeft gezegd, dat uwe Hoogheid het gedaan heeft, om zich in de gunst van het volk te dringen en verdeeldheid te zaaien.
+Mijne meesters, de Heeren Staten-Generaal, zouden dat wel eens euvel kunnen opnemen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Die goede Heeren Staten!&#8221; hervatte de Prins schijnbaar onnoozel. &#8220;En zouden Hunne Hoogmogenden zich willen occupeeren met
+het schaatsenrijden van een elfjarigen knaap? Het zou waarlijk te veel eer voor mij zijn, mijnheer De Witt. Ik begrijp niet,
+wat voor belang zij er bij kunnen hebben, of ik op den <span class="letterspaced">Hofv&#307;ver</span> of op het veldijs mij met schaatsenrijden vermaak.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ook heeft Uwe Hoogheid geld onder het volk uitgedeeld en men heeft seditieuze woorden geuit, en over U gejuicht.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Prins kleurde even, doch hernam: &#8220;Uwe berichtgevers hebben Uwe Edelheid verkeerd onderricht, mijnheer de Witt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Uwe Hoogheid heeft toch geld uitgedeeld?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb een geldstuk gegeven, aan twee mannen, die een drenkeling tot zijn bewustzijn hadden teruggebracht. Zij zouden hem
+naar huis brengen. Indien men zulks geld uitdeelen wil noemen, dan is Uwe Edelheid goed onderricht.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De knaap, die mij daar in de gang tegenkwam, is door u ontboden,&#8221; hernam De Witt streng. &#8220;Geeft dat pas?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik wist niet, dat ik daaraan verkeerd deed,&#8221; antwoordde de Prins nog steeds op ootmoedigen toon. &#8220;Uwe Edelheid herinnert
+mij daardoor aan een belofte, hem gedaan. Mocht die knaap ooit hulp of protectie noodig hebben, zoo zij hij in de <a id="d0e2588"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2588">94</a>]</span>welwillendheid van Uwe Edelheid aanbevolen. Hij waagde zijn leven, om een drenkeling te redden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe is zijn naam?&#8221;
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p094.jpg" alt="" width="611" height="715"></div><p>
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Pieter Pietersz, een zoon van den pruikenmaker Pieter Dirksz in de <span class="letterspaced">Spuistraat</span>.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij zullen zien,&#8221; antwoordde De Witt, terwijl hij den naam van den aanbevolene in het zakboekje schreef, dat hij altijd bij
+zich had, en waarin ook de nauwkeurige berekeningen stonden van de vermoedelijke uitgaven en inkomsten van den Staat. Terwijl
+hij echter den naam schreef, mompelde <a id="d0e2602"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2602">95</a>]</span>hij: &#8220;Dat is een vuile aanhanger van de Oranjepartij.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En nu,&#8221; vervolgde hij luide tot den Prins, &#8220;raad ik Uwer Hoogheid, in Haar eigen belang, om zoo iets niet meer te doen. Uwe
+Hoogheid herinnere zich, dat de Heeren Staten zulke dingen niet bedaard zouden kunnen aanzien, en dat Uwe voogden zich deswege
+niet zouden kunnen verantwoorden.&#8221;
+
+</p>
+<p>Met deze woorden verliet de Raadpensionaris den jongen Prins, in de volle zekerheid, dat deze niet meer zulke demonstrati&euml;n
+zou verwekken en ten eenenmale gerust, dat die onnoozele onderworpen knaap niet anders was dan een werktuig, dat hij slechts
+buiten Engelschen invloed behoefde te houden, om het naar zijn welgevallen te besturen.
+
+</p>
+<p>Had Johan de Witt door de deur der kamer kunnen heenzien, of was hij het vertrek weder binnengetreden, hij zou het zoo licht
+niet gerekend hebben, dien knaap te beheerschen. Nauwelijks toch was de Raadpensionaris vertrokken en de deur achter hem gesloten,
+of diezelfde bedaarde, onderworpen knaap sprong van zijn stoel op; twee groote tranen ontwelden aan zijn oogen, hij balde
+krampachtig de vuisten, en terwijl hij zenuwachtig het vertrek op en nederliep, en voor het portret van zijn overgrootvader
+Willem den Eerste, bleef stilstaan; riep hij uit:
+
+</p>
+<p>&#8220;Groote God! Moet de afstammeling van den grondlegger der vrijheid dezer landen, van den redder des vaderlands, zich z&oacute;&oacute; laten
+trappen! O, indien gij op mij nederzaagt, gij, die goed en bloed hebt opgeofferd voor dit goede land.... Gij.... neen, frons
+uwe wenkbrauwen niet. Ik zal dulden, ik zal zwijgen; maar ik zal ook nooit de spreuk van ons huis vergeten<a id="d0e2612src" href="#d0e2612" class="noteref">2</a>. Het groote doel, waarnaar ik streef, zal ik met Gods hulp toch eenmaal bereiken door geduld, moed en lijdzaamheid. Oui,
+je maintiendrai!&#8221;
+<a id="d0e2615"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2615">96</a>]</span></p>
+<p>Op dit oogenblik werd de kamer geopend. Snel wischte de Prins de tranen weg, even snel trad hij aan het raam als wilde hij
+de Raadpensionaris nakijken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Het schijnt, dat de heer De Witt Uwe Hoogheid van hare vermoeienis van hedenmorgen genezen heeft,&#8221; zeide de binnenkomende
+page min of meer spottend.
+
+</p>
+<p>&#8220;Men heeft er behoefte aan, Freisheim, hen na te oogen, die het goed met ons meenen,&#8221; antwoordde de Prins bedaard.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij het goed met Uwe Hoogheid meenen?&#8221; hernam de page met een ongeloovig schouderophalen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Beter dan gij misschien denkt, Freisheim. Hij is mij vriendelijk komen waarschuwen en ik ben er hem dankbaar voor. Doch nu
+zoudt gij mij genoegen doen, uwe lectuur van straks voort te zetten. Wij waren gebleven aan de woorden: Zij bewonderden hem
+van ganscher harte.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Uwe Hoogheid heeft een singulier geheugen,&#8221; hervatte de page, die met zijn nagel een streep had gehaald, waar hij bij het
+binnentreden van Pieter was gebleven. Op een wenk van den Prins zette hij zijn lectuur voort.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/o096.gif" alt="Ornament." width="218" height="62"></div><p>
+
+
+
+<a id="d0e2632"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2632">97</a>]</span></p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2320" href="#d0e2320src" class="noteref">1</a></span> Zeker Fransch reiziger, die des winters &#8217;s-<span class="letterspaced">Gravenhage</span> bezocht, schreef dan ook in zijn reisverhaal: &#8220;<span class="letterspaced">La Haye</span> est situ&eacute;e sur un grand lac.&#8221; De plaats, waar vroeger het veldijs lag, is nu bebouwd met huizen, straten en pleinen.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2612" href="#d0e2612src" class="noteref">2</a></span> Je maintiendrai. Ik zal handhaven (volhouden).
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="d0e2633" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e112">Inhoud</a>]
+</span><div class="figure"><img border="0" src="images/o097.gif" alt="Ornament" width="585" height="147"></div>
+<h2 class="label">Achtste Hoofdstuk.</h2>
+<h2>Een dure slaapkameraad.</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/iw001.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 90px;&#xA; height: 86px;&#xA; background: url(images/iw001.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">W</span>ij slaan bijna zestien maanden over en begeven ons in het laatst van de maand April van het jaar 1663 nogmaals naar de woning
+van den pruikenmaker Pieter Dirksz. Als wij den winkel binnentreden, vinden wij er slechts &eacute;&eacute;n jongen. En als wij dien jongen
+aandachtig beschouwen, schijnt hij somber en gedrukt te zijn. Er is dan ook groote reden van droefheid in het huis van Pieter
+Dirksz, en die reden is de oorzaak, dat wij ook in de kamer achter den winkel niemand vinden. Wij doen dus de deur aan de
+linkerzijde open, treden de gang in en gaan de trap op, die ons op een donker portaal brengt, waar wij behalve de zoldertrap
+twee deuren vinden, van welke de eene tot de voor-, de andere tot de achterkamer toegang schenkt. Wij doen laatstgenoemde
+open en bevinden ons in een tamelijk ruim vertrek, waar wij in een ledikant met vierkanten hemel, van hetwelk de voorgordijnen
+zijn weggeschoven, vader Dirksz vinden liggen. Gij zoudt hem bijna niet meer kennen, den pruikenmaker, zoo zijn die wangen
+ingevallen, zoo hol staan die oogen, zoo bleek is dat gelaat. Sedert den vorigen herfst <a id="d0e2640"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2640">98</a>]</span>had de goede man geen gezond uur meer gehad. Een zware gevatte koude, die hem op de longen was geslagen, had hem eerst eenigen
+tijd in huis gehouden; toen echter alle gewone huismiddeltjes, waarvan onze voorouders machtig veel hielden, niets baatten,
+had men den dokter gehaald. Maar ook de kunst van dezen had niets kunnen uitrichten; de goede Dirksz verzwakte al meer en
+meer, en eindelijk kon de geneesheer het niet meer verbergen, dat onze pruikenmaker de longtering had en dat de dagen zijns
+levens geteld waren.
+
+</p>
+<p>Daar waren zij dan allen om zijn bed geschaard, zijne kinderen. Aan het hoofdeinde zat de trouwe Martha, die, sedert het huwelijk
+harer zuster met den kleedermaker Govert Knipschaar, het huishouden haars vaders had opgehouden en hem in zijne ziekte trouw
+verpleegd en opgepast had. Tegenover haar, aan het voeteneinde van het ledikant, zat Marie, die men had laten halen, omdat
+vader zoo naar was. Karel, Jacob, Evert en Pieter stonden voor het bed van den stervende geschaard. Deze was nog helder van
+geest, en ofschoon hij wel wist, dat hij spoedig zou heengaan, getroost in de beschikkingen van den Hemelschen Vader, die
+best weet wat goed is voor Zijne menschenkinderen; ja, hij verlangde zelfs naar den dood, die hem zou bevrijden van de vreeselijke
+benauwdheden, welke zich al meer en meer vermenigvuldigden, en hem zou brengen bij zijn Verlosser en Zaligmaker, die ook voor
+hem aan het kruis op Golgotha was gestorven. Hij gevoelde, dat het uur van zijn verscheiden nabij was en had daarom zijne
+kinderen om zich heen verzameld, om hun nog eenige vaderlijke lessen mede te deelen en afscheid van hen te nemen.
+
+</p>
+<p>Ik behoef u dan ook niet te zeggen, dat allen diep bedroefd waren en in tranen wegsmolten. Zij beloofden hunnen stervenden
+vader, dat zij zijne lessen nimmer zouden vergeten, dat zij <a id="d0e2646"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2646">99</a>]</span>steeds God den Heer voor oogen houden en elkander zouden liefhebben tot aan hunnen dood.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik sterf gerust,&#8221; ging vader Dirksz voort; &#8220;want ik ga naar mijn Verlosser en Middelaar, den Heer Jezus Christus. Bij Hem
+zal ik Uwe lieve moeder terugvinden,&#8212;ik hoop u allen daar eens te zien.&#8221;
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p099.jpg" alt="" width="621" height="523"></div><p>
+
+
+</p>
+<p>Op dit oogenblik werd de kamerdeur geopend; allen wendden hun blik naar dien kant en zagen niemand anders dan oom Klaas, die,
+na eene afwezigheid van bijna twee jaren, met den vice-admiraal De Ruyter, den 19<sup>den</sup> uit de <span class="letterspaced">Middellandsche zee</span> te <span class="letterspaced">Texel</span> was binnengeloopen en zich, zoodra hij verlof kon bekomen, had heengespoed, om zijn broeder te bezoeken. Weinig had de man
+gedacht, dat hij den geliefde in zulk een toestand zou terugvinden.
+<a id="d0e2664"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2664">100</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Ach, oom!&#8221; riep Pieter uit, die het eerst op hem toeliep. &#8220;Vader is zoo erg ziek. Hij zal het niet lang meer maken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat zeg je, Pieter?&#8221; riep de zeeman verschrikt uit, terwijl hij zich naar het bed van den stervende begaf, waar Martha hem
+hare plaats inruimde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Het is zoo, Klaas,&#8221; antwoordde de kranke. &#8220;Mijne uren zijn geteld, en ik dank den Heer van leven en dood, dat ik je nog v&oacute;&oacute;r
+mijn sterven mag zien. Ik durfde het niet hopen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijn arme broeder! mijn arme Pieter!&#8221; riep oom Klaas uit. &#8220;Moest ik daarom hier komen, om je te zien sterven! Het was alsof
+ik er een voorgevoel van had. Ik wist maar niet, hoe spoedig ik herwaarts zou stevenen; ik verlangde zoo om je te zien.&#8212;Maar,&#8221;
+ging hij tot Marie voort, &#8220;verhaal mij eens, hoe dat alles zich heeft toegedragen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Marie voldeed hieraan, en toen oom Klaas hoorde, dat zij gehuwd was, kon hij toch niet laten, er een paar rijmpjes van Cats
+bij te brengen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel kind!&#8221; zeide hij. &#8220;Al getrouwd! Ja, jonge jaren willen paren, zegt vader Cats, en je hebt goed gedaan ook; want geen
+beter gemak, dan eigen dak.&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen men hem alles van de ziekte van vader Dirksz verhaald had, vatte hij de hand zijns broeders. Tranen stonden in zijne
+oogen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Beste Pieter,&#8221; zeide hij. &#8220;Je zult het wel ondervonden hebben, wat onze vrome Cats zegt: hoe zwaarder lot, hoe nader God!
+En dat zal je zeker verkwikt hebben op je ziekbed.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat heeft het mij, Klaas,&#8221; antwoordde de stervende. &#8220;En de Heer heeft mij groote zegeningen op mijn ziekbed geschonken. Een
+daarvan is, dat ik je nog v&oacute;&oacute;r mijn sterven mag zien, dat jij mij de oogen zult toedrukken en na mijn dood de vriend en de
+raadsman mijner kinderen zult zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat beloof ik je, Pieter,&#8221; antwoordde oom Klaas. &#8220;Je kunt daarop je hoofd gerust nederleggen.&#8221;
+<a id="d0e2685"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2685">101</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Ik heb nog een bede aan je, Klaas!&#8221; vervolgde de stervende. &#8220;Je weet, hoe mijn Pieter reeds voor twee jaren naar zee wilde
+gaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En hoe je daar tegen waart, en ik het ook afried.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En hoe wij afspraken, om de zaak op zijn beloop te laten,&#8221; hernam de zieke, &#8220;en te zien of de jongen bij zijn plan bleef.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Juist, Pieter, en is de jongen nog altijd in het oude zog blijven varen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja. Ik wil hem dan ook gaarne zijn zin geven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo, Pieter! Daar doe je wijs aan. Wat zal ik zeggen: hadden wij allen &eacute;&eacute;n zin, wij liepen allen &eacute;&eacute;n weg. De knaap zal dus
+zeeman worden?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Met Gods hulp, ja. Maar, beste Klaas! Je weet best, wat voor verleiding er op zee is. Wil je den knaap tot vader strekken?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Of ik dat wil? Dat behoef je niet te vragen. Ik beloof het je.&#8221; En dit zeggende, drukte de ronde zeeman de hand van zijn
+broeder.
+
+</p>
+<p>De komst van oom Klaas gaf een geheele verandering in de gemoedsgesteldheid van de kinderen des stervenden. Ieder ging weder
+aan zijn werk, terwijl oom Klaas, die verzekerd had dat vader nog wel niet zoo spoedig zou sterven, aan het bed bleef zitten
+en, wat de kranke er tegen inbracht en hoe ook de kinderen er tegen protesteerden, dien nacht bij zijn broeder bleef waken.
+Martha wilde zoo gaarne bij hem opblijven; maar oom had haar naar bed gejaagd en beloofd, haar te zullen roepen, als er dadelijk
+gevaar van sterven was.
+
+</p>
+<p>In den morgenstond van den volgenden dag stierf Pieter Dirksz, en liet zijne kinderen als weezen achter. Ik zal u hunne droefheid
+niet schetsen; het was een heele troost voor hen, dat oom Klaas bij hen was. Hij gaf hun den noodigen raad, hoe zij te handelen
+hadden met de begrafenis, en wat hun verder <a id="d0e2706"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2706">102</a>]</span>te doen stond om de zaken van hun overleden vader te regelen, volgens de toenmalige wetten. Intusschen moet ik u nog een enkel
+woord van de begrafenis mededeelen. Toen vader Dirksz overleden was, zond oom Klaas den winkeljongen naar den gildeknecht,
+die den doode aan al de broeders van het pruikenmakersgild aanzeide. Vervolgens werd den leden van het gild, die volgens den
+rooster dragen moesten, door gemelden gildeknecht aangezegd, om met lamfers aan hunne hoeden en rouwmantels om, op den dag
+der begrafenis op het daartoe bepaalde uur te verschijnen ten sterfhuize, ten einde den overledene te dragen; welke rouwmantels,
+een eigendom van het gild, hun door den knecht aan huis bezorgd en later bij hen afgehaald werden. De andere leden van het
+gild, die twee aan twee achter het lijk zouden gaan, moesten in hunne gewone kleeding, in hunne wijde en lange mantels op
+hetzelfde uur komen. V&oacute;&oacute;r het lijk uit ging een lid van het aansprekers- of biddersgild, dat sedert 1626 tot op tien leden
+verminderd was, welke door den Magistraat moesten be&euml;edigd worden. De aanspreker of bidder ging eerst, op hem volgde de knecht
+van het gild met het beeld van den schutspatroon op een vaandel, daarop de lijkkist met een lakensch rouwkleed (pelt) bedekt,
+welks slippen door den deken en de drie hoofdlieden werden vastgehouden, terwijl de kist zelf door de reeds genoemde leden
+van het gild werd gedragen. Vlak daarachter volgden: eerst Karel en Jacob, toen Marie&#8217;s man met Evert en eindelijk oom Klaas
+met Pieter, alle zes met lamfers aan de hoeden en rouwmantels om, welke hun door het biddersgild verhuurd waren. Achter hen
+aan traden twee aan twee de leden van het gild. Zoo trok de stoet de <span class="letterspaced">Spuistraat</span>, <span class="letterspaced">Vlamingstraat</span> en <span class="letterspaced">Schoolstraat</span> door, tot aan de Groote kerk, waar de kist van Pieter Dirksz in een graf, dat in het daarom gelegen kerkhof gedolven was,
+werd nedergelaten, en de <a id="d0e2717"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2717">103</a>]</span>stoet naar huis terugkeerde. Hier hadden Marie en Martha intusschen gezorgd voor het noodige. Brood, vleesch, kaas, worst,
+bier, brandewijn, alles stond in overvloed voor het &#8220;begrafenismaal&#8221; gereed. Men zou gemeend hebben, als men dien opgetorenden
+schotel met brood zag, dat deze mannen van verre plaatsen gekomen waren en nog heel wat te reizen hadden, of dat die wandeling
+van de Spuistraat naar de Groote kerk hun hongerige magen bezorgd had. Maar dat was toen en nog lang daarna de gewoonte, en
+hoe meer brood en vleesch en kaas en worst en bier en brandewijn er gebruikt werd, hoe meer men daarmede den overledene eer
+bewees,&#8212;een treurig overblijfsel van de Germaansche lijkfeesten. Het gebeurde dan ook dikwijls, dat zulk een begrafenismaal
+vrij wat vroolijker afliep dan menige bruiloft, en dat er bij den afloop menig vriend van den overledene naar huis ging, die
+zoo lang drankoffers aan den afgestorvene geplengd had, tot hij eindelijk, mooi boven zijn bier en zwaaiend langs de straten,
+blij was, als hij zonder vallen en horten en stooten zijn woning bereikt had. Men had dan ook begrafenisbier, begrafeniskaas
+en dergelijke. Gelukkig dat die &#8220;begrafenismalen&#8221; in de steden althans<a id="d0e2719src" href="#d0e2719" class="noteref">1</a> zijn afgeschaft.
+
+</p>
+<p>Daar men gedurende de dagen tusschen het overlijden en de begrafenis toch niet altijd over vader Dirksz kon spreken, zoo had
+Pieter oom Klaas verzocht, te verhalen, wat hem alzoo gedurende zijne laatste reis gebeurd was, en de goede man voldeed hieraan
+volgaarne, te meer, daar ook de anderen hem zulks vraagden. Ik zal u intusschen dat verhaal niet in zijn geheel mededeelen,
+maar er liever enkele bijzonderheden van aanstippen.
+<a id="d0e2730"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2730">104</a>]</span></p>
+<p>In het laatst van de maand Mei 1661 met een vloot van tien schepen in zee geloopen, keerde de Vice-admiraal De Ruyter den
+30<sup>sten</sup> Juni daarop naar <span class="letterspaced">Texel</span> terug, werwaarts hij ettelijke Nederlandsche schepen begeleid had. Eerst den 17<sup>den</sup> Juli vertrok hij met zeventien bodems naar de <span class="letterspaced">Middellandsche zee</span>, om de Turken voor het nemen onzer schepen te tuchtigen en de zee, zooveel mogelijk, van roovers schoon te vegen. Ik zal
+u niet verhalen, hoe De Ruyter ook hier aan zijn last voldeed, en hoe zelfs de Turken hem groote eer en vriendschap bewezen.&#8212;Eene
+aardigheid echter wil ik u vertellen, die plaats vond, terwijl De Ruyter voor de haven van <span class="letterspaced">Farina</span> (eenige mijlen noordwestelijk van het oude <span class="letterspaced">Karthago</span>) lag, in welke hij zeven Turksche zeeschuimers gejaagd had. Terwijl de Vice-admiraal met den koning van <span class="letterspaced">Tunis</span>, Mahomet Pacha en den bassa Dublet Lie Hadsje Mustapha aan het onderhandelen was over de inwisseling en loskooping van de
+bij de Turken gevangene Christenslaven, terwijl hen de Turken van eenige versche proviand voorzagen, kreeg hij van den schout-bij-nacht
+van <span class="letterspaced">Algiers</span>, Suliman Bassa Reys den volgenden bluffenden brief:
+
+
+</p>
+<div class="blockquote">
+<p>&#8220;Mijnheer!
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoewel ik U, wegens den godsdienst, geheel tegen ben, evenwel hoop ik, dat gij mijn verzoek zult toestaan. Gij hebt mij tot
+driemalen vervolgd bij <span class="letterspaced">Maltha</span>, bij <span class="letterspaced">Sicili&euml;</span>, en nu bij de haven van <span class="letterspaced">Farina</span>, waarin gij mij gejaagd hebt. Ik nam telkens de vlucht, niet bij gebrek aan moed, maar door ongelijkheid van macht; want
+ik heb slechts een bark tegen uw zeekasteel. Daarom doe mij de eer, en zend tegen mij, als Schout-bij-nacht van <span class="letterspaced">Algiers</span>, uwen Hollandschen Schout-bij-nacht, om schip tegen schip mijn fortuin en het geluk van den oorlog te beproeven, en mij te
+weren als een soldaat. Word ik overwonnen, ik zal uw slaaf zijn. Win ik, het zal <a id="d0e2774"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2774">105</a>]</span>mij eere zijn. Geef hiertoe verlof, en indien ik dan niet uitkom, zoo ben ik als de lafste vrouw van <span class="letterspaced">Holland</span>. Mijnheer, zijt gegroet van mij
+
+
+</p>
+<p class="alignright">Uwen dienaar.&#8221;</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De Ruyter antwoordde op dit schrijven, dat zijn Schout-bij-nacht Van der Zaan, met zijn schip op plaats en tijd, die de Turk
+zou goedvinden, den tweekamp zou aanvaarden; terwijl hij beloofde, dat noch hij noch &eacute;&eacute;n der Hollandsche kapiteins genoemden
+Schout-bij-nacht eenige de minste hulp zou toebrengen. Den admiraal van <span class="letterspaced">Tunis</span> verzocht hij, kampvechter in dat zonderlinge gevecht te zijn.
+
+</p>
+<p>Maar nu bleek het, welk een bluffer de Turk was. Van der Zaan kwam wel ter bestemder plaats, maar wachtte tevergeefs op den
+grootspreker, die den moed niet had om de haven uit te komen, maar zich bij zijne makkers onder de veilige hoede der kasteelen
+verschool.
+
+</p>
+<p>Na den moedwil der zeeroovers beteugeld en onzen naam weder geducht gemaakt te hebben onder de Turksche vrijbuiters, na verdragen
+met <span class="letterspaced">Tunis</span>, <span class="letterspaced">Algiers</span> en <span class="letterspaced">Tripoli</span> te hebben gesloten, na tal van arme Christenslaven uit de ketenen der Turken verlost te hebben, keerde De Ruyter, zooals
+wij gezien hebben, in het laatst van April 1663 in het vaderland terug om toch eenmaal eenigen tijd rust te genieten te midden
+der zijnen; want hij bleef dat geheele jaar en een gedeelte van het volgende aan land.
+
+</p>
+<p>Keeren wij thans tot onzen Pieter terug. Gij hebt gezien hoe zijn vader volkomen verzoend was met zijne id&eacute;e om zeeman te
+worden, en ik ben u dienaangaande eenige opheldering schuldig. Gij moet weten, dat de Prins van <span class="letterspaced">Oranje</span>, die den koenen knaap zeer genegen was, den pruikenmaker daarover gesproken had, daarbij tevens de verzekering voegende,
+dat hij Pieter aan <a id="d0e2805"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2805">106</a>]</span>den Raadpensionaris had aanbevolen en dit, als de jongen oppaste, nog wel eens zou herhalen, zoodat zijn fortuin gemaakt scheen.
+Intusschen was vader Dirksz altijd bij zijne meening gebleven, dat de knaap nog te jong was. Oom Klaas nu, aan wien na &#8217;s
+vaders dood de zorg voor den wees in het bijzonder was opgedragen, en die verlof gevraagd en gekregen had om, zoolang zijn
+schip buiten dienst was, thuis te blijven, had een ander plan met den knaap. Hij wist hem te <span class="letterspaced">Rotterdam</span> op de scheepstimmerwerf der Admiraliteit te plaatsen, opdat Pieter dan als timmerman op het schip in dienst zou komen, hetgeen
+hem van vele onaangenaamheden zou verlossen, die den bootsmansmaat op het oorlogsschip wachtten en niet zou beletten, dat
+ook hij, wanneer er gevochten moest worden, zich zou kunnen onderscheiden en op bevordering rekenen.
+
+</p>
+<p>Pieter kwam alzoo op de werf van de Admiraliteit, en, daar hij bij baas Balkenende reeds aardige vorderingen in het timmeren
+gemaakt had, zoo kon men hem daar zeer goed gebruiken en verdiende hij een tamelijk daggeld. Van dit geld betaalde hij zijn
+kosthuis en voorzag hij zich van de noodige kleeding. Zoolang de zomer duurde, begaf hij zich alle Zaterdagavonden, nadat
+het werk afgeloopen was en hij zijn weekgeld had ontvangen, naar &#8217;s-<span class="letterspaced">Gravenhage</span>, waar oom Klaas nog altijd in zijns broeders huis logeerde. Dat was dan een recht feest voor hem, en vooral voor Martha,
+die altijd zorgde, iets lekkers voor hem gereed te maken. Meestal voer hij slechts tot <span class="letterspaced">Delft</span> mede en wandelde den Delftschen weg op naar <span class="letterspaced">Den Haag</span>. Zondagsavonds echter moest hij weder op weg; als het weer goed was, brachten hem oom Klaas, Jacob en Evert gewoonlijk tot
+<span class="letterspaced">R&#307;sw&#307;k</span>, soms wel tot <span class="letterspaced">Delft</span> en dan ging Pieter in de schuit of, als hij er lust in had, wandelde hij tot <span class="letterspaced">Rotterdam</span> want onze knaap was heel zuinig en vond het te duur, om altijd te varen. Toen echter het najaar aankwam, moest Pieter <a id="d0e2830"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2830">107</a>]</span>in <span class="letterspaced">Rotterdam</span> blijven en dan was het hem wel wat eenzaam en treurig. Spoedig evenwel gewende hij daaraan, en ging hij als het weder goed
+was, Zaterdagsavonds buiten de poort een kroes bier drinken in de eene of andere herberg, waar hij dan meestal kennissen aantrof.
+Des Zondags ging hij gewoonlijk tweemaal ter kerk en wandelde na de middagpreek nog eens langs de <span class="letterspaced">Maas</span>, waar hij zich vermaakte met de schepen te zien liggen. Gewoonlijk bracht hij dan den avond in de herberg &#8220;de Trouwe Harder&#8221;<a id="d0e2838src" href="#d0e2838" class="noteref">2</a> door, waar hij echter zorg droeg, weinig te verteren.
+
+</p>
+<p>Op zekeren avond zat onze Pieter weder in &#8220;de Trouwe Harder&#8221; zijn glas bier te drinken, toen hij zich onverwachts op den schouder
+voelde tikken. Hij keek om, en terstond herkende hij zijn ouden makker en vroegeren vijand, Jan IJzer. Ik heb mijne lezers
+omtrent dezen knaap in de onzekerheid gelaten en het spijt mij, dat ik dit gedaan heb. Maar het kwam zoo in mijn verhaal te
+pas, en ik wil de fout herstellen.&#8212;Wij hebben gezien, hoe onze Pieter dacht over het redden van zijn vijand, en ik behoef
+u niet te zeggen, dat hij geen moeite deed, om verder iets van den door hem geredde te weten te komen.&#8212;Nu moet ik u zeggen,
+dat Jan IJzer, hoe slecht van hart hij ook was, toch behoefte gevoelde, om Pieter zijn dank te betuigen; want hij begreep
+maar al te wel, dat hij zonder diens hulp verloren ware geweest. Zoodra hij dus beter was, ging hij naar Pieter toe; maar
+deze ontving hem zoo koel, dat de oude vijandschap in het hart van Jan herleefde. Zeker was het verkeerd in den knaap, zoo
+onverzoenlijk te zijn; maar wanneer men bedenkt, hoe Jan hem had behandeld, toen hij daar hulpeloos in den tuin van baas Gerritsz
+lag en daarbij in het oog houdt, hoe hij, toen Jan in gevaar was, zijn leven <a id="d0e2846"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2846">108</a>]</span>niet te kostbaar geacht had om zijn vijand te redden; dan kan men het onzen Pieter niet kwalijk nemen, dat hij zich zoo onverschillig
+omtrent den goudsmidsjongen gedroeg. Bij hem bestond geen haat,&#8212;hij mocht den knaap niet en liet hem links liggen. Maar bij
+Jan, die, had Pieter hem anders ontvangen, zeker zijn vriend ware geworden, bracht die onverschilligheid een ander gevoel
+te weeg: dat van onverzoenlijke vijandschap.
+
+</p>
+<p>Jan, wien het goudsmeden niet meer beviel, en die het met meester Verhoef niet best kon vinden, had eenige weken geleden,
+stil <span class="letterspaced">Den Haag</span> verlaten en was naar <span class="letterspaced">Rotterdam</span> vertrokken: iets wat Pieter, die zich niets aan Jan gelegen liet liggen, in het geheel niet wist. Hij was dus zeer verwonderd,
+toen hij hem daar zoo onverwacht in een vreemde stad terugzag.
+
+</p>
+<p>&#8220;Jij hier Jan?&#8221; zeide hij verwonderd. &#8220;Ik dacht, dat je nog hoog en droog in <span class="letterspaced">Den Haag</span> zat.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik wenschte, dat dit zoo ware,&#8221; zeide Jan op treurigen toon.
+
+</p>
+<p>&#8220;Welnu, wat belet je dan, weder naar <span class="letterspaced">Den Haag</span> te gaan?&#8221; hernam Pieter koel.
+
+</p>
+<p>Jan begon te schreien en zette zich naast Pieter neder.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik weet wel,&#8221; begon hij, &#8220;dat je mijn vriend niet zijt. Als ik hier iemand anders had, zou ik mij niet tot jou gewend hebben.
+Maar ik ben hier vreemd en heb niemand, die eenig belang in mij stelt. Daarom dacht ik zoo, toen ik je deze herberg binnen
+zag gaan: Pieter Pietersz is toch een Haagsche jongen net als jij en zal zijn stadgenoot niet in den nood laten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar wat moet dit alles beteekenen?&#8221; vraagde <span id="d0e2874" class="corr" title="Bron: P">Pieter die</span> niet begreep waar de knaap heen wilde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zal ik je zeggen,&#8221; antwoordde Jan, &#8220;en ik wil je oprecht alles bekennen. Weet dan, dat ik stil uit vaders huis ben weggeloopen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar dat is heel ondeugend van je, Jan!&#8221; hervatte Pieter. &#8220;En waarom heb je dat gedaan?&#8221;
+<a id="d0e2881"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2881">109</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Omdat ik het bij dien knorrepot van een Verhoef niet langer kon uithouden en vader van geen anderen baas wilde hooren. Zoo
+nam ik, nu een week geleden, den pas onder de voeten, en met mijn weekgeld in den zak, stapte ik stilletjes over <span class="letterspaced">Delft</span> hier naar toe. Ik dacht gemakkelijk bij den een of anderen baas werk te zullen vinden, maar mijne hoop werd bitter teleurgesteld.
+Ik kreeg geen werk, teerde mijn geld op, en trachtte wat te verdienen met pakjes te dragen voor de heeren, die met de schuit
+aankwamen. Maar de Rotterdamsche jongens, die niet verkozen, dat een vreemde het geld verdiende, waarop zij meenden recht
+te hebben, beloofden mij een pak slaag, als ik het waagde mij weder aan een der schuiten te vertoonen, en tegen de overmacht
+kon ik slecht op. Zoo heb ik alles verkocht wat ik nog van eenige waarde bij mij had, en nu, sedert gistermiddag heb ik geen
+stukje gegeten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Je hebt zeer verkeerd gedaan, Jan,&#8221; hervatte Pieter, &#8220;met van je vader weg te loopen. Maar ik wil geen zedepreek houden;
+wat gedaan is, is gedaan. Intusschen kan het hersteld worden. Je moet weer naar je vader terug en hem om vergiffenis vragen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar hij zal mij niet weer in huis willen nemen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij zal wel. Maar dan moet je evenals de verloren zoon uit de gelijkenis, met berouw bij hem komen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik wil dit doen, Pieter. Morgen reeds zal ik naar hem toegaan. Maar ik kan toch van nacht niet op straat blijven. O! ik weet
+geen raad! Als er zich maar iemand over mij erbarmde. Nog geen half uur geleden, was ik zoo wanhopig, dat ik in de <span class="letterspaced">Maas</span> wilde springen. Maar ik dacht: laat mij de stad nog eens ingaan. Misschien ontmoet ik de eene of andere medelijdende ziel,
+die zich mijner aantrekt. O, als je mij van avond slechts wat eten wilt geven en mij van nacht bij je wilt laten slapen, dan
+ga ik morgen naar vader terug, en ik zal er je altijd dankbaar voor zijn, dat je mij van den rand des afgronds hebt <a id="d0e2898"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2898">110</a>]</span>teruggebracht. Ik zal mijn leven beteren, en trachten een braaf mensch te worden.&#8221;
+
+</p>
+<p>Pieter dacht een oogenblik na. Hij had er niet veel zin in, zijn bed met den knaap te deelen. Maar hem aan zijn lot over te
+laten, dat kon toch ook niet, daartegen verzette zich zijn goed hart. Nu kwam het wel in hem op, Jan voor dien nacht in een
+logement te besteden; maar dat kostte geld en onze Pieter was heel zuinig. Hij besloot dus maar, om Jan mede te nemen naar
+zijn kosthuis.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoor eens,&#8221;&#8217; zeide hij. &#8220;Kan ik er stellig op rekenen, dat je morgen naar je vader terugkeert?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo zeker als ik hier voor je sta,&#8221; antwoordde de andere.
+
+</p>
+<p>&#8220;Welnu, ga dan met mij mede; dan zal ik de vrouw uit mijn kosthuis verzoeken, je wat eten te geven en dan slaap je van nacht
+bij mij.&#8221;
+
+</p>
+<p>Jan had hem wel de handen willen kussen van blijdschap, en onze scheepstimmerman, tevreden over zich zelf om de goede daad,
+die hij ging verrichten, liet den waard een glas bier voor zijn gast geven; niet lang daarna stapten zij naar huis.
+
+</p>
+<p>Hoe verwonderd was onze Pieter, toen hij, den volgenden morgen wakker wordende, zijn slaapkameraad van zijne zijde miste.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij zal niet hebben kunnen slapen van angst bij de gedachte aan de ontmoeting met zijn vader,&#8221; dacht hij, schoof het bed-gordijn
+wat weg en keek in zijn kamertje rond. Maar wie hij zag, Jan niet. Waarschijnlijk is hij naar beneden om een noodzakelijke
+behoefte te verrichten, zeide hij en ging weer liggen. Maar hij kon den slaap niet meer vatten en stond dus op. Hoe verschrikt
+was hij echter, toen hij zijn wambuis en zijn hozen miste, die hij den vorigen avond op den stoel voor zijn bed had nedergelegd.
+Hij schrikte; want in den broekzak bevond zich zijn volle weekgeld, en de gedachte kwam eensklaps in hem op: &#8220;Hoe, indien
+Jan mij eens bedrogen, mij bestolen had!&#8221; Maar <a id="d0e2914"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2914">111</a>]</span>de knaap was zoo bedroefd geweest en had hem zoo plechtig beloofd, naar huis terug te zullen keeren. Had hij ook gisteren
+avond zijne kleeren ergens anders gelegd? Maar hoe hij zocht&#8212;en het kamertje was klein, dus behoefde hij niet lang te zoeken&#8212;nergens
+vond hij de vermiste zaken. Hij werd nu ernstig ongerust en riep zijne huiswaardin, aan wie hij vraagde, of zij ook iets wist
+van den knaap, dien hij den vorigen avond had medegebracht. Deze antwoordde hem, dat die reeds voor dag en dauw vertrokken
+was. Hij had een pakje onder den arm gehad en haar gezegd, dat hij met de eerste schuit naar &#8217;s-<span class="letterspaced">Gravenhage</span> wilde en dat hij maar heel stil was opgestaan, om zijn vriend niet wakker te maken; want de Zondag was de eenige dag, dat
+deze eens kon uitslapen, op de andere dagen moest hij toch altijd zoo vroeg naar zijn werk. Hij had haar ook w&eacute;l verzocht,
+hem zijne hartelijke groete te doen.
+
+</p>
+<p>Twee groote tranen sprongen den armen Pieter uit de oogen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben bedrogen, vrouw Martensz!&#8221; zeide hij, &#8220;schandelijk bedrogen en bestolen. De schurk heeft mijn hozen en mijn wambuis,
+ja, nog wat meer is, mijn volle weekgeld <span id="d0e2923" class="corr" title="Bron: meegenemen">meegenomen</span>. O, dat ik ook zoo dom was, aan zijne mooie praatjes geloof te slaan!&#8221;
+
+</p>
+<p>En hij vertelde aan zijne huiswaardin, wie Jan was, wat er reeds vroeger met hem gebeurd was, en hoe hij hem den vorigen avond
+in &#8220;de Trouwe Harder&#8221; ontmoet had.
+
+</p>
+<p>Vrouw Martensz schudde het hoofd.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ieder braaf mensch zou in jouw geval hetzelfde gedaan hebben,&#8221; zeide zij op goedigen toon. &#8220;Wie zou ook op zulk een boosheid
+verdacht zijn! Gelukkig, dat hij je Zondagsche wambuis en boksen niet heeft kunnen meepakken. &#8217;t Is al heel singulier; anders
+leg ik het altijd Zaterdagsavonds voor je gereed. Nu je iemand bij je hadt, dacht ik, moest ik maar tot van morgen wachten.&#8221;
+<a id="d0e2932"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2932">112</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Dat is nog een geluk bij een ongeluk, vrouw Martensz.&#8221; hervatte Pieter. &#8220;Maar wat maller is, nu zal ik je van de week mijn
+kostgeld niet kunnen betalen; want wat ik heb opgespaard, zal ik wel aan een nieuw werkpak moeten besteden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is niets, mijn jongen,&#8221; antwoordde vrouw Martensz. &#8220;Dat zal wel terecht komen. Je behoeft daar geen haast mee te maken.
+Maar ik zal mijn man eens roepen, en dan kunnen wij samen bespreken, wat wij aan de zaak zullen doen en of het niet goed zou
+zijn, den diefstal bij den Schout aan te geven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarschijnlijk zal dat niet veel helpen, vrouw Martensz,&#8221; hernam Pieter. &#8220;De dief zal wel met zijn buit de stad verlaten
+hebben. Daarenboven, ik zou niet gaarne de oorzaak zijn, dat hij op het schavot en in het rasphuis kwam.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;<i>Jij</i> moet het weten, Pieter!&#8221; hernam de vrouw. &#8220;&#8217;t Is jouw zaak. Maar als het mij te doen stond, dan wist ik wel, dat ik het zoo
+niet zou laten afloopen. Al kon ik mijn goed en mijn geld niet terugkrijgen, de schelm zou er zoo gemakkelijk niet afkomen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Wat ook baas Martensz en zijne vrouw zeiden, Pieter wilde er niet van hooren om de zaak aan te geven: liever getroostte hij
+zich in zijn verlies, dan dat hij den knaap die hem zoo bedrogen had, voor zijn leven ongelukkig wilde maken.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/o029.gif" alt="Ornament." width="189" height="53"></div><p>
+
+
+<a id="d0e2950"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2950">113</a>]</span></p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2719" href="#d0e2719src" class="noteref">1</a></span> Op de dorpen, vooral in <span class="letterspaced">Over&#307;sel</span> en <span class="letterspaced">Drente</span>, heerscht die gewoonte nog altijd. Echter is het hier wel eenigermate te vergo&ecirc;lijken, omdat tal van vrienden en bloedverwanten
+uit naburige dorpen, soms van ver verwijderde, ter begrafenis komen. Deze moeten toch eten en drinken.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2838" href="#d0e2838src" class="noteref">2</a></span> Zie &#8220;De weezen van <span class="letterspaced">Vlissingen</span>&#8221;, 6e druk, blz. 146.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="d0e2951" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e112">Inhoud</a>]
+</span><div class="figure"><img border="0" src="images/o030.gif" alt="Ornament" width="592" height="134"></div>
+<h2 class="label">Negende Hoofdstuk</h2>
+<h2>Waarin wij een ouden kennis ontmoeten, die het ver gebracht heeft in de wereld.</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/iz113.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 90px;&#xA; height: 86px;&#xA; background: url(images/iz113.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">Z</span>oo stuurman, is dat nu je neef Pieter, van wien je mij gesproken hebt en die mij zelfs door Zijne Hoogheid den Prins zoozeer
+is aanbevolen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Om Uwe Edelheid te dienen, Vice-admiraal,&#8221; antwoordde de aangesprokene. &#8220;En ik hoop, dat Zijne Hoogheid met hare aanbeveling
+eer moge inleggen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat willen wij verwachten, stuurman. Hoe oud ben je, Pieter?&#8221; vervolgde de Vice-admiraal tot den jongeling.
+
+</p>
+<p>&#8220;Aanstaanden twaalfden Augustus wordt ik, als het God belieft, achttien jaar,&#8221; antwoordde deze.
+
+</p>
+<p>&#8220;En je bent een knap timmerman?&#8221; vervolgde de Vice-admiraal. &#8220;Welnu, als zoodanig kun je van nut zijn, terwijl je voor het
+overige dan gewonen dienst zult verrichten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En zoo ik hoop met trouw en ijver, Vice-admiraal,&#8221; hernam Pieter. &#8220;Ik zal mijn best doen, uwe tevredenheid te verwerven en
+steeds trachten, Uwe Edelheid na te streven, zij het dan maar in de verte.&#8221;
+<a id="d0e2968"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2968">114</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Dat is braaf gedacht,&#8221; vervolgde de Vice-admiraal. &#8220;En dan kun je tevens een voorbeeld nemen aan je braven oom. Maar vooral,
+mijn jongen! bij al wat je ontmoet, het oog naar boven, den blik geslagen op den Heer, in wiens hand ons leven, onze adem
+en ons lot berust. Dan zul je altijd kalm en bedaard blijven te midden van den woedenden storm, onder het gefluit, van den
+dichtsten kogelregen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Mijne lezers zullen wel reeds begrepen hebben wie de drie personen waren, tusschen welke het boven aangehaalde gesprek den
+achtsten April 1664 plaats had op het schip &#8220;de Spiegel&#8221; dat met vijf andere schepen en een vaartuig met proviand door de
+Admiraliteit van <span class="letterspaced">Amsterdam</span> was uitgerust tot een nieuwen tocht naar de <span class="letterspaced">Middellandsche zee</span>. De Admiraliteit van <span class="letterspaced">Rotterdam</span> had de &#8220;Prinses Louise&#8221;, gekommandeerd door den schout-bij-nacht Van Nes, met twee andere schepen daarbij gevoegd, en van
+het Noorder-kwartier waren er insgelijks drie vaartuigen bij de vloot, waarvan het schip &#8220;het Noorder-quartier&#8221; door den Vice-admiraal
+Meppel werd gevoerd.
+
+</p>
+<p>Het waren de Vice-admiraal De Ruyter, Klaas Dirksz en Pieter Pietersz. Intusschen zien wij daar nog een knaap naast De Ruyter
+staan, wiens fijn lakensche kleeding zijn aanzienlijken stand en goede afkomst verraden. Hij is nog geen vijftien jaren, maar
+fiks uit de kluiten gewassen, en als wij hem goed aanzien, dan schijnt het ons toe, dat er in dat gelaat veel gelijkenis ligt
+met dat van den Vice-admiraal. En geen wonder; want die vijftienjarige knaap, die daar stilzwijgend maar met blijkbaar welgevallen
+onzen Pieter aanstaart, is niemand anders dan de eenige zoon van den grooten zeeheld: het is Jonker Engel de Ruyter, die voor
+de eerste maal ter zee zal varen, om onder het oog van zijn beroemden vader &#8220;het soldaat- en zeemanschap te leeren.&#8221; Hij heeft
+tijdens het bezoek, dat stuurman Dirksz ten huize van den Vice-admiraal bracht, reeds zooveel <a id="d0e2984"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2984">115</a>]</span>van onzen Pieter gehoord, dat hij al verlangend was, om hem te zien. &#8217;t Zal u dus ook niet verwonderen, dat beiden spoedig
+goede maatjes zijn; want al is Jonker Engel van adel, hij heeft de deugd der nederigheid van zijn edelen vader ge&euml;rfd, en
+een karakter als dat van Pieter kan niet anders dan den vurigen en fikschen knaap innemen.
+
+</p>
+<p>Den volgenden dag voer De Ruyter met zijne zeven schepen naar het <span class="letterspaced">Vlie</span>, vanwaar hij eerst den achtsten Mei in zee liep en den 21<sup>sten</sup> dier maand te <span class="letterspaced">Cadix</span> aankwam, om zich met het smaldeel van den Vice-admiraal Meppel en den Schout-bij-nacht Van Nes te vereenigen. Hierop verdeelde
+hij de vloot in twee smaldeelen of eskaders van welke hij het eerste als opperhoofd en Admiraal der vloot aanvoerde; terwijl
+de kommandeur De Wild als Vice-admiraal en de kapitein Willem van der Zaan als Schout-bij-nacht onder hem kommandeerden: het
+tweede eskader stond onder den Vice-admiraal Meppel als tweeden Admiraal, den Schout-bij-nacht Aart van Nes als Vice-admiraal
+en den kapitein Deendert Haaxwaard als Schout-bij-nacht.
+
+</p>
+<p>Den tweeden Juni, terwijl de vloot naar <span class="letterspaced">Malaga</span> stevende, bevond onze De Ruyter zich in het geheel niet wel. Hij werd aangetast door een zware bloeddiarrh&eacute;e, die niet minder
+dan drie volle weken duurde en hem zoozeer verzwakte, dat de dokter voor zijn leven vreesde. Welk een treurige toestand voor
+den armen Engel. Maar hoe gelukkig voor hem, dat hij bij den geliefden vader was, hem kon oppassen en verzorgen. Ook Pieter
+had verlof gevraagd, Engel van tijd tot tijd af te wisselen en ook hem was deze zorg een groot genoegen. Meestal waakte hij
+&#8217;s nachts, terwijl Engel des daags voor de kranke zorgde, en hij leerde veel, zeer veel voor zijn volgend leven van den vromen
+Admiraal, die in al zijn lijden zooveel Christelijke onderwerping en zulk een kalme berusting in Gods wil betoonde, ja, die
+zijne eigene smarten vergat, om toch maar werkzaam te zijn voor <a id="d0e3002"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3002">116</a>]</span>de belangen van &#8217;s lands vloot en op alle voorvallende zaken orde te stellen.
+
+</p>
+<p>&#8217;t Was dan ook een vreugde op &#8220;de Spiegel,&#8221; toen de geliefde Admiraal voor het eerst op het dek kwam en ieder om het zeerst
+hem geluk wenschte met zijn herstelling, ja, op al de schepen vierde men feest en bad men den Heer in den Hemel om een lang
+en gelukkig leven voor den geliefden vlootvoogd.
+
+</p>
+<p>Wij zullen hen op dezen tocht niet volgen. Liever begeven wij ons naar het vaderland terug, ten einde te zien, wat daar intusschen
+gebeurde; te zijner tijd komen wij van zelf op de vloot van Michiel Adriaanz. de Ruyter terug.
+
+</p>
+<p>Ik heb op Bladz. 84 gesproken van den Frieschen Stadhouder Willem Frederik, die met Albertina Agnes, &#8217;s Prinsen tante, gehuwd
+was. Deze Willem Frederik zou in 1655 tot Veldmaarschalk van den Staat benoemd zijn, indien men niet nog bijtijds ontdekt
+had, dat hij met een klerk<a id="d0e3010src" href="#d0e3010" class="noteref">1</a> van De Witt heulde, die hem de geheime stukken zijns meesters overbracht, hetgeen de graaf in ongenade deed vallen bij de
+Hollandsche partij, die niet alleen de benoeming niet liet doorgaan, maar zelfs het veldmaarschalksambt vernietigde. Intusschen
+bleef de graaf bevelhebber van de troepen van den Staat en bewees dien als zoodanig gewichtige diensten. Jammer, dat een treurig
+ongeval onverwachts een einde aan zijn leven maakte. Het was op Zondag, den 24<sup>sten</sup> October 1664, terwijl Albertina Agnes naar de kerk was, dat de Prins, bezig met de toebereidselen om zich naar de grenzen
+van <span class="letterspaced">Westphalen</span> te begeven, een zadelpistool, dat hij wilde medenemen, onderzocht. Het pistool weigerde, en de Prins, die wilde zien waar
+het aan haperde, trok er den stempel uit en keek in den tromp. Op het zelfde <a id="d0e3019"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3019">117</a>]</span>oogenblik echter ging op het onverwachts het pistool af, de kogel trof den Vorst in de kin, en kwam aan de zijde van den neus
+vlak onder het oog uit. De ongelukkige Prins stortte achterover en werd door de toegeschotene bedienden opgeholpen en te bed
+gebracht. Vreeselijk had de kogel zijn gebit verwoest: de beide kakebeenen waren verbrijzeld, zoodat de gewonde noch spreken
+noch eten kon. Men deed wat mogelijk was: men dacht zelfs een werktuig uit, waardoor men bouillon in de maag poogde te brengen.
+Maar alles was vruchteloos: felle koortsen, die den Prins aantastten en in de wond sloegen, sleepten hem, reeds den zevenden
+dag na de verwonding, ten grave. Tot het laatste oogenblik bleef hij bij zijn volle kennis. Een dag v&oacute;&oacute;r zijn dood beval hij
+zijne gemalin en zijn drietal kinderen den Staten van <span class="letterspaced">Friesland</span> schriftelijk aan. Hij werd opgevolgd door zijn eenigen zoon Hendrik Kasimir II, een kind van ruim zeven en een halfjaar<a id="d0e3024src" href="#d0e3024" class="noteref">2</a>, nog minderjarig en onder voogdijschap zijner moeder.
+
+</p>
+<p>Het had weinig gescheeld, of de dood van den doorluchtigen Prins had dien van een ander vorst uit het huis van Nassau ten
+gevolge gehad. Prins Joan Maurits namelijk, die bij de begrafenis van zijn neef was tegenwoordig geweest, keerde met een aanzienlijken
+stoet huiswaarts. Te <span class="letterspaced">Franeker</span> gekomen, brak eensklaps de wipbrug, terwijl de Prins er op was; deze viel met vijf anderen in het water. De laatsten werden
+terstond gered; niet zoo spoedig de Prins, die onder zijn paard lag. Nauwelijks echter was hij aan wal, of hij viel op de
+knie&euml;n om God te danken voor de wonderlijke bewaring, hem ten deel gevallen. De omstanders, denkende dat hij de beenen had
+gebroken, snelden toe om hem op te helpen, spoedig echter bemerkten <a id="d0e3032"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3032">118</a>]</span>zij hunne dwaling. De Prins, eenigermate aan het borstbeen gekneusd, herstelde gelukkig binnen korten tijd.
+
+</p>
+<p>Maar andere gebeurtenissen hadden er in 1664 plaats gehad. Karel II van <span class="letterspaced">Engeland</span>, ingenomen tegen de Loevesteinsche partij in <span class="letterspaced">Holland</span>, die zijn neef Willem Hendrik uit alle waardigheden hield, naijverig op den invloed dien wij in het Noorden hadden gekregen
+en op den bloei van onzen handel, die verre den Engelschen overtrof, Karel II had zich daden veroorloofd, welke op niets anders
+konden uitloopen dan op een vernieuwden oorlog met <span class="letterspaced">Engeland</span>. In het voorjaar van 1664 was Robert Holmes met een Smaldeel afgezonden en had, op last der Engelsch-Afrikaansche maatschappij,
+het eiland <span class="letterspaced">Goeree</span>, nabij kaap <span class="letterspaced">Verd</span> gelegen, vermeesterd, elf Nederlandsche schepen v&oacute;&oacute;r <span class="letterspaced">George d&#8217;Elmina</span> weggenomen, <span class="letterspaced">Cabo-Corso</span> beschoten en veroverd, en in <span class="letterspaced">Amerika</span> onze volkplantingen <span class="letterspaced">Nieuw-Nederland</span>, <span class="letterspaced">Tabago</span> en <span class="letterspaced">Sint-Eustatius</span> bemachtigd.
+
+</p>
+<p>Toen men hier te lande deze geweldenarij vernam, deed men daarover zijn beklag aan het Britsche hof,&#8212;doch koning Karel hield
+zich, alsof hij er niets van wist. Daar intusschen in <span class="letterspaced">Engeland</span> groote krijgstoerustingen werden gemaakt, begreep men hier ook niet stil te moeten zitten. Men zond dus den Schout-bij-nacht
+Cornelis Tromp met een aanzienlijk smaldeel uit, om onze koopvaarders te beschermen. Kort daarop werd een tweede vloot van
+dertig zware schepen in zee gebracht met den Luitenant-admiraal Van Wassenaar aan het hoofd, terwijl men aan De Ruyter bevel
+zond, in het geheim naar de door de Britten vermeesterde volkplantingen te stevenen. Maar hoe dit bevel geheim te houden,
+het besluit, dat in de volle vergadering der Algemeene Staten moest worden genomen? In deze vergadering toch zaten leden,
+die zich niet zouden hebben ontzien, de zaak aan den Engelschen gezant te verklappen. De sluwe Johan De Witt echter wist raad.
+Toen men de resolutie <a id="d0e3074"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3074">119</a>]</span>had genomen om twaalf schepen uit te rusten en naar <span class="letterspaced">Guinea</span> te zenden (hetgeen nog al een geruimen tijd zou vereischen) wist De Witt die Heeren Staten, welke hij niet vertrouwde, aan
+een venster te lokken en aan de praat te houden. In dien tusschentijd namen de andere leden, die in het geheim waren, de secrete
+resolutie ten aanzien van de afzending van De Ruyter, en werd dit stuk als een aanhangsel bij het besluit gevoegd en door
+den griffier der Staten eigenhandig daaronder geschreven, zonder dat een der andere leden er iets van wist. Drie afschriften
+van het stuk werden over de post gezonden en verder door drie &#8220;loopboden&#8221;<a id="d0e3079src" href="#d0e3079" class="noteref">3</a> naar <span class="letterspaced">Cadix</span>, <span class="letterspaced">Malaga</span> en <span class="letterspaced">Alicante</span> gebracht, op hoop van den Vice-admiraal op een dier plaatsen aan te treffen. Het stuk was in een afzonderlijken omslag, in
+welken den Vice-admiraal werd bevolen, inliggende verzegelde schriften niet te openen v&oacute;&oacute;r hij alleen was; terwijl zijnen
+bevelhebbers op bedreiging der hoogste ongenade van den Staat werd verboden, iets van de ontvangst van den brief te openbaren.
+
+</p>
+<p>&#8217;t Was op den eersten September, dat De Ruyter voor <span class="letterspaced">Malaga</span> was aangekomen, toen hij Klaas Dirksz bij zich riep.
+
+</p>
+<p>&#8220;Stuurman!&#8221; zeide hij, &#8220;Zet de kleine boot uit en roei aan land. Er zijn zeker brieven voor ons; want aan het strand staan
+verscheidene menschen, die ons teekenen schijnen te geven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Uw bevel zal geschieden, Vice-admiraal,&#8221; antwoordde Klaas, die terstond de noodige maatregelen nam, om daaraan te voldoen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Mag ik mee in de boot, vader?&#8221; vraagde Engel.
+
+</p>
+<p>&#8220;Volgaarne,&#8221; antwoordde de Admiraal, &#8220;en neem je vriend Pieter ook mee. Intusschen zul je aan den wal niet veel zien; want
+de boot roeit terstond met de brieven terug.&#8221;
+
+</p>
+<p>Eenige minuten later stak de boot van boord. Op hetzelfde <a id="d0e3106"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3106">120</a>]</span>oogenblik voeren er van de andere schepen ook booten naar wal, om naar brieven te vernemen; hetgeen De Ruyter natuurlijk niet
+belette, daar hij niet wist, dat er een geheime resolutie bij was.
+
+</p>
+<p>Aan wal gekomen, werd onze stuurman terstond omringd door eenige kooplieden en schippers.
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar is een bijzondere post voor den Vice-admiraal aangekomen,&#8221; zeide een hunner. &#8220;Een loopbode heeft dien gebracht. Tevens
+zijn hier belangrijke tijdingen. Men spreekt van een oorlog tusschen <span class="letterspaced">Engeland</span> en de <span class="letterspaced">Ge&uuml;ni&euml;erde provinci&euml;n</span>.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat meer is,&#8221; voegde er een ander bij, &#8220;de Engelsche kooplieden hier ter stede zeggen, dat hunne landslieden drie van de
+Oostindische koopvaarders, die wij verwachten, genomen hebben.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij kunt begrijpen, hoe dat alles ons in onrust brengt,&#8221; vervolgde de eerste spreker.
+
+</p>
+<p>&#8220;Waar zijn de brieven voor den Vice-admiraal?&#8221; vraagde de stuurman. &#8220;Indien het zulke gewichtige tijdingen zijn, zullen wij
+ze hem gauw bezorgen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Men roeide naar boord terug, en Klaas Dirksz overhandigde den Admiraal de brieven. Nauwelijks had De Ruyter den omslag van
+den brief gedaan en gelezen wat daarop stond, of hij begaf zich naar zijne kajuit en las de geheime order, waarbij het bevel
+was gevoegd, dat hij die aan geen zijner officieren mocht openbaren. Terwijl hij daarmede nog bezig was, werd hij gestoord
+door het bericht, dat de Vice-admiraal met al de kapiteins aan zijn boord was geroeid en verlangde hem te spreken. De Admiraal
+deed de dep&ecirc;che terstond weder in den omslag, en gaf bevel, de bezoekers binnen te laten. Ten hoogste verlegen, wat hij moest
+antwoorden, wachtte hij de scheepshoofden af.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat is er, Admiraal?&#8221; vraagde Meppel. &#8220;Wij zijn aan wal geweest en hebben daar onrustbarende <span id="d0e3128" class="corr" title="Bron: tijdigen">tijdingen</span> vernomen.&#8221;
+<a id="d0e3131"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3131">121</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Ook mij zijn die verhaald,&#8221; antwoordde De Ruyter. &#8220;Zij luiden zeer oorlogzuchtig.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar is een bijzondere post voor u gekomen, Admiraal!&#8221; hervatte Meppel. &#8220;Gij hebt dien zeker reeds ontvangen en gelezen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Voorzeker,&#8221; antwoordde De Ruyter, &#8220;de brief is van Hunne Hoogmogenden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En meldt die niets van den oorlog?&#8221; hernam de Vice-admiraal.
+
+</p>
+<p>&#8220;Geen enkel woord,&#8221; antwoordde De Ruyter ontwijkend. &#8220;Alleen schijnt het, dat er geschillen tusschen de Republiek en <span class="letterspaced">Engeland</span> zijn gerezen, en dat men nog hoopt, die in der minne bij te leggen. Wat de geruchten van oorlog aangaat, waarvan men in <span class="letterspaced">Malaga</span> vol schijnt te zijn, wij weten te goed, hoe men op zulke losse tijdingen kan rekenen. Intusschen gaan wij terstond op reis
+naar <span class="letterspaced">Alicante</span>, om het fluitschip van kapitein Enno Doedes af te halen.
+
+</p>
+<p>Wij zullen de vloot niet op den voet volgen. Eerst op de hoogte van de Canarische eilanden liet De Ruyter de scheepshoofden
+door de witte vlag aan zijn boord seinen en deelde hij hun de geheime resolutie mede. Behouden kwamen onze schepen voor het
+kleine eiland <span class="letterspaced">Goeree</span> aan.
+
+</p>
+<p>Beoosten dat eiland omgezeild zijnde, werden den 24<sup>sten</sup> October eenige booten, met den Schout-bij-nacht Van der Zaan aan het hoofd, naar het vasteland bij <span class="letterspaced">Verd</span> aan wal gezonden, om versch water te halen. Ook van De Ruyters schip voer er een sloep naar land, gevoerd door Klaas Dirksz
+en waarin zich Engel de Ruyter en onze Pieter bevonden. &#8217;t Was voor hen beiden heel wat nieuws, die Afrikaansche streken te
+zien en zij hadden er dan ook recht veel vermaak. Gelukkig, dat oom Klaas zijn neef nog al wat toeliet en dat de zoon van
+den Admiraal een witten voet bij hem had; anders hadden zij met de anderen mogen meesjouwen. Nu smaakten zij alleen het pleizierige
+van een tochtje aan land.
+<a id="d0e3164"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3164">122</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Zie eens,&#8221; zeide Pieter, &#8220;daar komt een oude neger aan. Met dien zullen wij een pretje hebben.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is goed,&#8221; antwoordde Engel. &#8220;Maar wij zullen zijn negertaal niet verstaan, en hij kent ons Hollandsch niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Geen nood, dan zullen wij hem door teekens te kennen geven wat wij van hem willen hebben. Zeg eens, oude zwartkop,&#8221; hernam
+hij tot den neger, die intusschen naderbij gekomen was. &#8220;Wat kom je hier uitrichten?&#8221;
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p122.jpg" alt="" width="609" height="540"></div><p>
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Ikke eens kijken kom naar de Ollandsche schip,&#8221; antwoordde de neger vrij vlot.
+
+</p>
+<p>Al hadden zij een slag in het aangezicht gekregen, dan hadden zij niet meer verbaasd kunnen staan, dan toen zij dien neger
+zoo onverwachts hunne eigene taal hoorden spreken.
+<a id="d0e3178"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3178">123</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Sakkerloot!&#8221; zeide Engel. &#8220;Wie heeft jou Hollandsch geleerd, zwarte nikker?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ikke Ollansch geleerd heeft in uwe land. Ikke als knaap, heel jong, daarin geweest is, en veel geleerd heeft.&#8221;
+
+</p>
+<p>Op dit oogenblik kwam Van der Zaan bij hen, en vroeg hun:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat moet gij van dien neger?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Die man spreekt <span id="d0e3189" class="corr" title="Bron: Hollansch">Hollandsch</span>, Schout-bij-nacht,&#8221; gaf Engel ten antwoord.
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijnheer!&#8221; zeide de neger, terwijl hij zich eerbiedig voor Van der Zaan boog. &#8220;Uw&eacute; zeker de Admiraal van deze vloote is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Je vergist je, goede man! Ik ben slechts Schout-bij-nacht. De Admiraal der vloot is aan boord gebleven. Hij is op het schip,
+dat je daar ziet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En hoe zijne naam is?&#8221; vervolgde de neger.
+
+</p>
+<p>&#8220;Michiel Adriaanszoon de Ruyter,&#8221; antwoordde Van der Zaan.
+
+</p>
+<p>De neger begon te dansen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Michiel, Michiel!&#8221; riep hij uit. &#8220;Michiel de Ruyter!&#8212;Ikke nu vijf- of zes en veertig jaar geleden een Michiel de Ruyter gekend
+heeft. Dat te <span class="letterspaced">Vlissingen</span> was. Maar het niet dezelfde kan zijn. Die Michiel maar bootsmansjongen was.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En toch is dat diezelfde Vlissingsche bootsmansjongen, die nu Admiraal van de vloot is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Uw&eacute; den armen neger voor den gek houdt,&#8221; zeide de zwarte ongeloovig. &#8220;Michiel toen bootsmansjongen was en nu Admiraal,&#8212;neen,
+dat niet kan zijn! Jan Company niet zoo mal is, om maar te gelooven, wat men hem wijs maakt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En toch is het waar, Jan Company,&#8221; hervatte Van der Zaan. &#8220;Zie deze knaap is zijn eenige zoon,&#8221; hervatte hij, op Engel wijzende.
+
+</p>
+<p>De neger beschouwde den jongen De Ruyter oplettend. Eensklaps helderde zijn gelaat op.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8221; hervatte hij peinzend&#8212;&#8220;nu ikke het zie. Hij wel op <a id="d0e3217"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3217">124</a>]</span>zijn vader lijkt, toen die jong was. O, mijnheer de Schout van de nacht, zou uw&eacute; me wel aan boord van den heer Michiel willen
+brengen? O, ikke zooveel van hem houd. Ikke met hem gevaren heb op dezelfde schip, en wij samen zoo dikwijls gespeeld hebben.
+O, ikke hem nog zoo graag eens zou zien.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel ga dan maar eens mee,&#8221; hernam Van der Zaan. &#8220;Zijn eigen zoon zal je aan boord brengen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zoo gezegd zoo gedaan. Jan Company voer met stuurman Dirkz mede naar het schip &#8220;de Spiegel&#8221;.
+
+</p>
+<p>&#8220;Vader,&#8221; zeide Engel tot den Admiraal, &#8220;wij hebben een neger meegebracht, die u verlangt te spreken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Een neger?&#8221; vraagde De Ruyter. &#8220;En wat moet die van mij hebben?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij zegt, dat hij een oude kennis van u is,&#8221; vervolgde Engel.
+
+</p>
+<p>&#8220;Een neger? Een oude kennis? En spreekt hij Hollandsch?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Voorzeker, vader, anders hadden wij hem niet kunnen verstaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En hoe heet hij?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Jan Company, en hij heeft als knaap met u ter zee gevaren en gespeeld.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Jan Company!&#8221; riep De Ruyter verwonderd uit. &#8220;Onmogelijk! Maar laat hem hier komen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Verbaasd keek de neger op, toen hij in de sierlijke kajuit van den Admiraal kwam, maar nog meer verbaasd staarde hij eenige
+oogenblikken den deftig gekleeden De Ruyter aan. Ook deze beschouwde den neger aandachtig; eindelijk zeide hij:
+
+</p>
+<p>&#8220;En je zegt, dat je Jan Company bent, dien ik als knaap in <span class="letterspaced">Vlissingen</span> heb leeren kennen?&#8221;
+
+</p>
+<p>De neger antwoordde hem niet, maar trad op den zeeman toe, sloot hem in zijn armen en riep uit:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, ja, het Michiel is, Michiel, mijn oude vriend! O, wat ikke blij ben, dat ikke jou nog eens mag zien. Dat ikke jaren <a id="d0e3250"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3250">125</a>]</span>lang gewenscht heeft! Maar ikke nooit gedacht had z&oacute;&oacute;.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijn goede, goede Jan!&#8221; zeide De Ruyter, terwijl hij hem hartelijk de hand drukte. &#8220;Wel ouder geworden, maar niets veranderd.
+En wat doe je tegenwoordig voor den kost?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ikke onderkoning is in de land,&#8221; antwoordde Jan Company.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, dan heb je het waarlijk verder gebracht dan ik,&#8221; zeide De Ruyter lachend. &#8220;Ik zal dan wel gedwongen zijn, Uwe Majesteit
+tegen je te zeggen. Wel, Uwe Majesteit, hoe heeft Uwe Doorluchtigheid het gemaakt, sedert ik het genoegen niet gehad heb Haar
+te zien.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, jij nog altijd de oude guit van een Michiel bent,&#8221; hervatte de neger grinnikend, terwijl hij zijn witte tanden liet zien.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, Jan! een vos verliest wel zijn oude haren, maar niet zijn oude streken, zou stuurman Dirksz zeggen. Maar ga zitten,&#8221;
+hervatte hij trouwhartig, &#8220;en laat ons elkander onder een glas Spaanschen wijn onze lotgevallen vertellen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Daar mijne lezers die van De Ruyter kennen en ik ze van Jan Company niet weet, zal ik dat verhaal overslaan. Toen de Vice-admiraal
+ge&euml;indigd had, zeide de neger:
+
+</p>
+<p>&#8220;Michiel, Michiel! Wat je een groot man bent geworden. Wie dat ooit hadde gedacht!&#8212;Weet je nog wel, je me in <span class="letterspaced">Vlissingen</span> met sneeuw heeft gedoopt<a id="d0e3269src" href="#d0e3269" class="noteref">4</a>?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Of ik dat nog weet?&#8221; hernam Michiel de Ruyter. &#8220;Dat zou ik meenen. Toen je zoo schreeuwdet alsof je een mager speenvarken
+waart; waardoor Tromp en Piet Hein er op afkwamen en mij braaf de les lazen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En toen je geklimd heeft op dien grooten toren,&#8221; hernam Jan, terwijl hij zijn tanden liet zien en in de handen wreef, &#8220;en
+met steentjes smeet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En toen je dacht, dat het een vogeltje was, ha, ha!&#8221; riep <a id="d0e3281"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3281">126</a>]</span>De Ruyter lachende uit. &#8220;Maar zeg mij eens, Jan!&#8221; vervolgde hij ernstiger. &#8220;Je spraakt daar van dien sneeuwdoop. Heb je er
+wel eens aan gedacht, dat je ook in de kerk gedoopt zijt?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Of ikke denk daaraan, Michiel!&#8221; hernam Jan Company. &#8220;Ikke nog altijd een Christen ben. Ikke nog &#8220;&#8217;t Onze Vader&#8221; en &#8220;&#8217;k Geloof
+in God den Vader&#8221; op mijn duimpje ken.&#8212;Maar,&#8221; vervolgde hij min of meer treurig, &#8220;mijn kinderen en anderen lachen mij uit
+als ikke spreek er van; en daarom ikke maar bij mij zelf een Christen is en Onzen Lieven Heer naar mijn kennis dien.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, dat is braaf van je, Jan,&#8221; hervatte De Ruyter. &#8220;En zou je niet liever mee naar <span class="letterspaced">Vlissingen</span> gaan en daar komen wonen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, Michiel! Ikke niet weer mee naar jou land ga. Ikke hier veel armer woon dan in jou land, een hut heeft waarin ik haast
+niet rechtop staan kan. Maar ikke liever blijf in mijn eigen land. Ikke al zestig jaar is, en hier onderkoning. Ikke al dikwijls
+aan de Zeeuwen en Ollanders veel diensten heb kunnen doen, dat altijd veel pleizier deed aan mij. Maar ikke nooit gedacht
+had, jou nog eens levend terug te zien!&#8221;
+
+</p>
+<p>De Ruyter liet onzen Jan Company niet gaan, dan na hem rijkelijk beschonken te hebben met al wat in dat land waarde heeft,
+en deed, toen de oude vriend naar den wal terugvoer, tot diens eer eenige kanonschoten lossen.
+
+</p>
+<p>Den volgenden morgen zond De Ruyter 180 man met zes sloepen aan wal en spoedig gaven zich de daar liggende Engelsche bezetting
+en koopvaardijschepen over.
+
+</p>
+<p>Op den vijfden November, terwijl men nog bezig was met water te halen, ging De Ruyters sloep met kapitein Du Bois, Klaas Dirksz,
+Joris Andringa, schrijver op De Wilds schip Engel de Ruyter, Pieter Pietersz en eenige anderen nogmaals aan het vasteland
+van <span class="letterspaced">Verd</span>, om te visschen. Men gebruikte <a id="d0e3301"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3301">127</a>]</span>daartoe den zegen (groot vischnet) en had een rijke vangst, waarover de negers zich zeer verwonderden. De zwarten gingen achter
+den zegen staan en vingen de visschen in hunne kleedjes en kleine schepnetjes of schoten ze met hunne pijlen.
+
+</p>
+<p>&#8221;&#8217;k Wo&ucirc;, dat we eens naar de negorij gingen,&#8221; zeide Engel tot Pieter. &#8220;Ik vind dat visschen heel aardig, maar ik zou toch
+graag ook eens de woningen der zwarten zien.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ook,&#8221; antwoordde Pieter. &#8220;Weet je, wat we moesten doen? We moesten er maar eens naar toe wandelen. Misschien vinden we
+er dien ouden neger wel, die zoo&#8217;n vriend van je vader is. Hoe heet hij ook weer?&#8212;Jan.... Jan Kampanje.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Jan Company, meen je. Dat kon wel zijn. Maar om daar zoo op ons eigen houtje naar toe te gaan, dat durf ik niet. Je zoudt
+nooit kunnen weten. Die zwarten hebben zulke rare kuren. Ze konden wel eens iets kwaads met ons in den zin hebben.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het zijn geen menscheneters, Engel,&#8221; hernam Pieter. &#8220;Kom, wij moesten het maar wagen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Jij bent een waaghals, Pieter,&#8221; zeide Engel. &#8220;Ik doe het niet. Mijn vader zou het mij nooit vergeven, als daar iets kwaads
+uit voortkwam. Maar ga jij alleen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Alleen?&#8212;Neen, dan wacht ik maar tot de anderen gaan. Zij zullen toch wel eens genoeg gevischt hebben.&#8221;
+
+</p>
+<p>Het duurde echter nog een heelen tijd alvorens dit het geval was. Intusschen&#8212;aan alle dingen is een end, placht oom Klaas
+te zeggen, en zoo was het hier ook. Na de vischvangst begaf men zich naar de negorij of het dorp der zwarten. Dat bestond
+uit verscheidene woningen in den vorm van bijenkorven, terwijl de ingangen zoo laag waren, dat men er in moest kruipen. En
+als men er dan in was, dan kon men er niet recht in opstaan, maar moest op matjes zitten. Ook waren zij zoo zonderling omheind,
+dat, als men van het eene naar het andere <a id="d0e3317"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3317">128</a>]</span>of naar een derde wilde komen, men als in een doolhof verdwaalde. Gelukkig, dat die heiningen niet hoog waren, zoodat de Hollanders
+er over heen konden stappen. Het wemelde er van kleine, zwarte kinderen, die door de geheele negorij als jonge biggen in het
+zand kropen, terwijl de negermoeders daarbij lagen, even lui en log als zeugen. Al voortwandelende, bleven onze zeelieden
+op eens voor een der woningen staan, die zich in niets van de andere onderscheidde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat zou daar te doen zijn?&#8221; zeide Engel, die zich altijd dicht bij Pieter had gehouden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Misschien hebben ze een zwart kind op zijn naakte lijf getrapt,&#8221; gaf Pieter ten antwoord, terwijl hij over een heining stapte,
+om gauw bij de hand te zijn.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat denk ik niet,&#8221; hernam Engel, &#8220;want dan zou dat kleine, zwarte mirakel wel schreeuwen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zie het al,&#8221; riep Pieter uit. &#8220;Het is de woning van Jan Kampanje. Kijk, daar staat hij.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Inderdaad, hij is het,&#8221; hernam Engel.
+
+</p>
+<p>En het was dan ook zoo. Jan Company, die in zijne woning zat, was, zoodra hij de zeelieden zag aankomen, daaruit gekropen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ikke heel blij ben, dat Uw&eacute; mij eene bezoek komt brengen. Isse Mijnheer Michiel de Ruyter niet bij u?&#8221; zeide de neger.
+
+</p>
+<p>&#8220;De Admiraal niet, maar wel zijn zoon,&#8221; antwoordde Du Bois. &#8220;Waar is Jonker Engel?&#8221; hernam hij, rondziende. &#8220;Ha, daar is hij.
+Kom eens hier, Jonker,&#8221; vervolgde hij tot den knaap. &#8220;Uws vaders vriend, Jan Company, wenscht u te zien.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ikke de heeren niet durf vragen te komen in mijne huisje,&#8221; hernam de neger. &#8220;Die te klein is, om te ontvangen de Heeren.
+Maar zij met mij moeten meegaan.&#8221; En dit zeggende, geleidde hij de zeelieden naar een palmboom, onder welks schaduw allen
+rondom in het gras gingen zitten, terwijl Jan Company door zijne slaven of bedienden negerbrood, van zeker gestampt zaad <a id="d0e3337"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3337">129</a>]</span>gebakken, palmwijn en zoete melk liet aanbrengen. Ook zaten er verscheidene van de notabelen der negorij, zoo mannen als vrouwen,
+mede aan en ging het er recht vroolijk toe. Jan Company was onuitputtelijk in vertellingen van zijne jeugd; ook toonde hij
+een uitmuntend geheugen te hebben, daar hij nog de meeste Vlissingsche straten, kaden en bruggen bij naam wist te noemen.
+Niet weinig vermeerderde de vroolijkheid, toen kapitein Du Bois het brood, de kaas, den wijn en den brandewijn liet halen,
+die men van boord had medegebracht en die den zwarten heeren en dames recht goed schenen te smaken. Zoo bleef men bij elkander
+tot de avond begon te vallen; toen maakte men zich gereed, weder naar boord te varen. Jan Company vergezelde hen tot aan het
+strand en verzocht hun nog vele groeten aan zijn ouden vriend De Ruyter te doen, hetgeen men hem beloofde. Zeer tevreden over
+dat uitstapje, kwam men aan boord van &#8220;de Spiegel&#8221; terug.
+
+</p>
+<p>Van <span class="letterspaced">Goeree</span> stevende De Ruyter naar de rivier <span class="letterspaced">Sierra Leona</span>, alwaar hij de Engelsche koopwaren in beslag nam; van daar naar de <span class="letterspaced">Goudkust</span>, waar hij het kasteel <span class="letterspaced">Witsen</span> of <span class="letterspaced">Tokkary</span>, door de Engelschen aan de W. I. Compagnie ontnomen, heroverde en slechtte; en eindelijk naar <span class="letterspaced">St.-George d&#8217;Elmina</span>, waar hij de Britsche vesting <span class="letterspaced">Kormant&#307;n</span> aantastte en nam. Nadat hij alzoo onze bezittingen in <span class="letterspaced">Afrika</span> van den overmoed der Britten had verlost, stevende hij naar <span class="letterspaced">Barbados</span> in <span class="letterspaced">Amerika</span>, alwaar hij insgelijks den hem gegeven last volbracht en zich ook van eenige Engelsche schepen meester maakte. Hier kreeg
+hij bevel, om naar het vaderland terug te keeren. Daar hem ook kort daarop het bericht gewerd, dat de oorlog tusschen <span class="letterspaced">Engeland</span> en de republiek was uitgebarsten, vond hij het ongeraden, het <span class="letterspaced">Kanaal</span> door te stevenen, zeilde dus achter <span class="letterspaced">Ierland</span> om en kreeg te <span class="letterspaced">Bergen</span> in <span class="letterspaced">Noorwegen</span> de tijding van een overwinning, door de Engelsche vloot op de <a id="d0e3386"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3386">130</a>]</span>onze behaald, en die ik u in het volgende hoofdstuk zal vertellen. Hij besloot dus niet in <span class="letterspaced">Texel</span> binnen te loopen, maar naar de <span class="letterspaced">Eems</span> te zeilen. Doch ook dit zou weinig hebben gebaat, indien de Voorzienigheid niet voor onzen held had gewaakt. De Engelschen
+toch loerden aan alle kanten op den terugkeerenden Admiraal. Een zware mist belette hun echter de onzen te zien; daarenboven
+veranderde de wind ieder oogenblik, waardoor zij de Engelschen en dezen hen telkens miszeilden; en zoo kwamen zij den zesden
+Augustus 1665 met negentien schepen, waaronder vijf prijzen, behouden in de <span class="letterspaced">Eems</span> en binnen de haven van <span class="letterspaced">Delfz&#307;l</span> aan. &#8220;&#8217;t Is God alleen,&#8221; riep de vrome Vice-admiraal uit, toen men hem geluk wenschte met zijne wonderbare ontsnapping. &#8220;&#8217;t
+Is God alleen, die ons buiten het gezicht van onze vijanden geleid heeft.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/o065.gif" alt="Ornament." width="312" height="132"></div><p>
+
+
+
+<a id="d0e3404"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3404">131</a>]</span></p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3010" href="#d0e3010src" class="noteref">1</a></span> Deze klerk heette Jan van Meesen; hij verried de geheimen aan &#8217;s Graven rentmeester Dirk van Ruyven. Door voorspraak van Johan
+de Witt werden zij slechts gebannen: Van Meesen voor zijn leven en Van Ruyven voor 10 jaren.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3024" href="#d0e3024src" class="noteref">2</a></span> De beide andere kinderen van Willem Frederik waren Amalia, later gehuwd met Johan Wilhelm van Saksen-Eisenach, en Sophia Hedwig,
+in hare kindsheid gestorven.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3079" href="#d0e3079src" class="noteref">3</a></span> Koeriers.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3269" href="#d0e3269src" class="noteref">4</a></span> Zie &#8220;De weezen van <span class="letterspaced">Vlissingen</span>&#8221;, 6e druk. Blz. 5.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="d0e3405" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e112">Inhoud</a>]
+</span><div class="figure"><img border="0" src="images/o001.gif" alt="Ornament" width="570" height="134"></div>
+<h2 class="label">Tiende Hoofdstuk.</h2>
+<h2>Waaruit blijkt, dat het hier niet altijd voor den wind ging.</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/ih131.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 90px;&#xA; height: 86px;&#xA; background: url(images/ih131.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">H</span>et wordt thans tijd, dat wij ruim een half jaar achteruitgaan, en onzen lezers iets mededeelen van het gebeurde hier te lande
+in dien tusschentijd.
+
+</p>
+<p>Nauwelijks hadden de schepen, door De Ruyter genomen maar weder vrijgelaten, de tijding in <span class="letterspaced">Engeland</span> gebracht van hetgeen er op de kust van <span class="letterspaced">Guinea</span> gebeurd was, of de vloot des konings werd in zee gezonden en honderden onzer koopvaarders genomen. Aan beide zijden, zoowel
+in <span class="letterspaced">Engeland</span> als hier te lande, had men zich geducht ten oorlog toegerust. De listige Karel II echter wachtte nog met de oorlogsverklaring,
+totdat hij onzen handel een gevoeligen slag had toegebracht. Daartoe gaf hij last aan den <span class="letterspaced">Engelschen</span> Schout-bij-nacht Allen om de rijke Smyrnasche vloot, die op hare huisreis was, te bemachtigen. Niet lang behoefde Allen op
+haar te wachten; want weldra, op den 29<sup>sten</sup> December, verscheen zij, 30 koopvaarders sterk en geleid door slechts drie oorlogsschepen onder kapitein Pieter van Brakel.
+Geen wonder, dat de overmoedige Brit reeds waande meester te zijn van die vloot. Doch hij had <a id="d0e3429"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3429">132</a>]</span>buiten den waard gerekend; want niet alleen de drie oorlogsschepen vochten woedend als getergde leeuwen; maar ook de koopvaarders
+verdedigden zich zoo dapper, dat er slechts drie hunner den Engelschen in handen vielen. Van Brakel sneuvelde en Jan Poelofsz
+van Hoorn, door vier Engelsche schepen omringd verdedigde zich uren lang tegen de overmacht en verliet zijn schip niet, dan
+toen het met een groot aantal van de daarop overgesprongen vijanden in de diepte der zee zonk.
+
+</p>
+<p>Zoodra men hier de tijding van deze schandelijke vredebreuk vernomen had, bevalen de Staten onzen zeehoofden, insgelijks alle
+Britsche schepen aan te vallen en op te brengen, terwijl Karel II nu het masker afwierp en ons den oorlog verklaarde.
+
+</p>
+<p>Ongelukkig heerschte in onze Republiek de oude verdeeldheid: rampzalige naijver tusschen de verschillende provinci&euml;n: gevolg
+van het gemis van een enkel opperhoofd&#8212;een Admiraal-generaal. Wel hadden de admiraliteiten, op aansporing van den steeds onvermoeiden
+Johan De Witt, krachtig medegewerkt tot den bouw en de uitrusting der vloot; maar over het benoemen van een opperhoofd was
+men het niet eens. <span class="letterspaced">Zeeland</span> kon maar niet verkroppen, dat, in den oorlog tegen <span class="letterspaced">Zweden</span> aan De Witt de voorgang boven Jan Evertsen was geschonken, en benoemde dezen tot Luitenant-admiraal, met het doel om hem,
+na Wassenaar, het tweede bevel op &#8217;s lands vloot te doen voeren. Daarop benoemde men in <span class="letterspaced">Holland</span> tot dezelfde waardigheid Kortenaar, De Ruyter en Meppel, en in <span class="letterspaced">Friesland</span> Auke Stellingwerf. Nog werden in <span class="letterspaced">Holland</span> Cornelis Tromp, Van Nes en Schram, en in <span class="letterspaced">Zeeland</span> Coenders tot den rang van Vice-admiraal verheven. Zoo waren er dus op de vloot vier Luitenant-admiraals, terwijl er nog twee
+buitenslands zich bevonden. Waarlijk, mijne <span id="d0e3453" class="corr" title="Bron: jong">jonge</span> lezers, het had veel van uw soldaatje spelen. Dan zijn er dikwerf vijf, zes of zeven officieren bij vier, vijf of zes manschappen;
+want ieder wil gaarne officier zijn.
+<a id="d0e3456"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3456">133</a>]</span></p>
+<p>Den 23<sup>sten</sup> Mei liep onze vloot, bestaande uit 103 schepen met 5000 stukken geschut en 21000 man uit. Stilte en tegenwind echter beletteden
+onzen Admiraal, onze kusten te verlaten en den vijand op te zoeken. Eindelijk ontmoette men de Engelsche vloot onder &#8217;s konings
+broeder, Jacobus<a id="d0e3462src" href="#d0e3462" class="noteref">1</a>, hertog van <span class="letterspaced">York</span> en Groot-admiraal des rijks, en Prins Robert, zoon van den verdreven en gestorven koning van <span class="letterspaced">Bohemen</span>.
+
+</p>
+<p>Den 13<sup>den</sup> Juni, met het aanbreken van den dag, raakten de beide vloten slaags. Maar noodlottig was voor ons de uitslag van dit gevecht.
+Op last der Staten, die gaarne aan al de gewesten genoegen wilden geven, had Wassenaar de vloot in niet minder dan zeven eskaders
+verdeeld, en dit verzwakte natuurlijk de eenheid in werking, zoodat de meeste eskaders op zich zelf handelden. Daarbij kwam,
+dat, reeds te vijf uren in den morgen, Kortenaar sneuvelde en diens stuurman, die het bevel overnam, zich lafhartig buiten
+het gevecht hield. Wassenaar echter kweet zich kloekmoedig, doch ongelukkig vloog hij met zijn schip in de lucht. Hierop heesch
+de trouwelooze stuurman van Kortenaar de admiraalsvlag in top en nam de vlucht. De anderen, niet wetende of Evertsen dan wel
+Tromp het opperbevel had, volgden hem en spoedig was het wijken algemeen. Slechts aan den moed van de opperbevelhebbers en
+enkele kapiteins hadden wij het te danken, dat ons verlies niet meer dan zestien schepen bedroeg. Vooral Tromp, die met eenige
+weinigen de achterhoede uitmaakte, weerde den vijand het langst af en bracht het grootste deel der vloot behouden binnen <span class="letterspaced">Texel</span>, waar de afgevaardigden der Staten zich bevonden, die, reeds van de nederlaag verwittigd, zich derwaarts hadden begeven,
+om orde op de zaken te stellen. De moedige Johan de Witt, die zich onder hen bevond, was te <span class="letterspaced">Petten</span> in een <a id="d0e3485"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3485">134</a>]</span>visschersboot gegaan en naar onze vluchtende schepen gevaren, ten einde hen te bewegen, het gevecht te hervatten. Hij ging
+op het achterste dier schepen over en was daarop gebleven (ook toen het aan den grond raakte en in gevaar kwam om genomen
+te worden) tot hij het binnen <span class="letterspaced">Texel</span> had gebracht. Jan Evertsen had met een tiental andere vaartuigen behouden de <span class="letterspaced">Maas</span> bereikt. Voor Wassenaar werd door de Staten in het koor der Groote kerk te &#8217;s-<span class="letterspaced">Gravenhage</span> en voor Kortenaar door de Admiraliteit van de <span class="letterspaced">Maas</span> in de Groote kerk te <span class="letterspaced">Rotterdam</span> een praalgraf opgericht. Sommige der Scheepsbevelhebbers werden om hun in dien strijd gehouden gedrag met den dood andere
+met eerloosheid en verbanning gestraft.
+
+</p>
+<p>In het voorbijgaan moet ik u nog doen opmerken, dat vele kapiteins zich slecht gedragen hadden, niet uit lafhartigheid, maar
+omdat zij der Oranjezaak waren toegedaan. Zeker een heel verkeerde manier om den Prins dienst te bewijzen. Ja, er waren er
+ook nog, die bij de versterking der gehavende vloot weigerden in dienst te gaan, anders dan onder &#8217;s Prinsen vlag; terwijl
+op het schip van Tromp de matrozen geen anker wilden winden dan in &#8217;s Prinsen naam.
+
+</p>
+<p>Intusschen ging men met den meesten ijver voort aan het herstellen der geledene schade. Nu moest men een vlootvoogd kiezen,
+en daar men, na den ongelukkigen zeeslag tusschen Wassenaar en York, vooral aan Tromp het behoud der vloot te danken had,
+daar de liefde, die het scheepsvolk voor zijn vader had gekoesterd, op hem was overgegaan, zag men zijne Prinsgezindheid over
+het hoofd en gaf hem het opperbevel, onder voorwaarde, dat het slechts in naam bij hem zou berusten, en in de daad bij drie
+gevolmachtigden der Algemeene Staten, Huijgens wegens <span class="letterspaced">Gelderland</span>, Johan de Witt wegens <span class="letterspaced">Holland</span> en Boreel wegens <span class="letterspaced">Zeeland</span>. Tromp snelde naar de vloot, bevelhebbers en matrozen waren in hun schik en de vloot lag <a id="d0e3515"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3515">135</a>]</span>gereed om uit te zeilen. Dit was juist op het tijdstip van De Ruyters terugkomst te <span class="letterspaced">Delfz&#307;l</span>. Gaan wij nu ook derwaarts en zien wij, wat daar voorviel.
+
+</p>
+<p>Wij vinden boven op de kampanje onzen Pieter en Jonker Engel, ieder op een rol touwwerk gezeten, met elkander aan het praten.
+Het was Donderdag den 6<sup>den</sup> Augustus 1665, ongeveer zes uren, dus twee uren na hunne aankomst te <span class="letterspaced">Delfz&#307;l</span>. Het was heerlijk weder en de Augustuszon scheen zoo liefelijk op het dek, dat de beide vrienden er zich lekker in koesterden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is ander weer dan wij op zee hebben gehad, Engel,&#8221; begon Pieter. &#8220;Zoo&#8217;n akeligen kouden mist, en dan&#8212;men kon geen hand
+voor oogen zien. Ieder oogenblik dacht ik, dat wij op de een of andere ondiepte zouden stooten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, als uw oom niet aan het roer had gestaan, Pieter! Dan had er gevaar kunnen zijn,&#8221; zeide Engel.
+
+</p>
+<p>&#8220;Alsof uw vader zich rustig en stil in zijn kampanje hield, niet waar? Waarlijk hij mag nu wel wat rust genieten, de goede
+man.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Rust? Ach, wanneer zal vader dat woord eens anders dan bij naam kennen? Hij zit nu reeds zijn brieven te schrijven aan de
+Heeren Staten-Generaal, waarin hij hun verslag geeft van hetgeen wij in <span class="letterspaced">Afrika</span> en <span class="letterspaced">Amerika</span> verricht hebben. Verder brieven aan de Heeren Raden der Admiraliteit te <span class="letterspaced">Amsterdam</span>, aan de Heeren Staten van <span class="letterspaced">Groningen</span> en <span class="letterspaced">Ommelanden</span>, en aan die van <span class="letterspaced">Friesland</span>.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Eilacy! Dat zal hij toch wel door den schrijver laten verrichten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Natuurlijk. Maar hij moet ze hem toch voorzeggen en daarbij het scheepsjournaal raadplegen,&#8221; hernam Jonker Engel. &#8220;Kijk eens,
+Piet,&#8221; vervolgde hij, terwijl hij naar den wal wees. &#8220;Daar komt waarlijk reeds bezoek aan ons boord. Vader merkt het al en
+laat de statietrap uitzetten.&#8221;
+<a id="d0e3558"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3558">136</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Dat is een deftig heer, die met zijn gouden gegallonneerden rok,&#8221; zeide Pieter. &#8220;Misschien wel een lid der Staten-Generaal.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Kan het ook de Raadpensionaris wezen?&#8221; vraagde Jonker Engel. &#8220;Hij schijnt ten minste de hoogste van den troep.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De Raadpensionaris?&#8221; riep Pieter lachende uit. &#8220;Neen, dien ken ik wel. Ik heb hem te &#8217;s-<span class="letterspaced">Gravenhage</span> menigmaal gezien. Die ziet er veel eenvoudiger uit.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarschijnlijk is het dan de kommandant van <span class="letterspaced">Delfz&#307;l</span>,&#8221; hervatte Jonker Engel.
+
+</p>
+<p>En waarlijk had Jonker Engel het geraden; want het was de heer Schay, bevelhebber van <span class="letterspaced">Delfz&#307;l</span>, die met eenig gezelschap aan De Ruyters boord kwam, om hem met zijne behouden terugkomst te begroeten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu komen zij vader nog storen,&#8221; hervatte Jonker Engel, toen de heeren de kampanje binnen waren.
+
+</p>
+<p>&#8220;Het is toch een teeken van groote belangstelling in den Vice-admiraal,&#8221; vond Pieter.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is het. Maar vader heeft nu zijn tijd wel noodig. Intusschen zal hij den schrijver wel reeds de noodige instructi&euml;n gegeven
+hebben. Kijk eens, Pieter! daar komen nog andere lieden aan. Het lijken wel kooplieden en gegoede burgers.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar is ook een boer bij,&#8221; riep Pieter uit. &#8220;Zij komen regelrecht op ons schip af.&#8221;
+
+</p>
+<p>En zoo was het ook. Ja, toen de aankomst van De Ruyter bekend werd, stond het eenige dagen letterlijk niet stil van bezoekers,
+uit steden en dorpen, edel en onedel, allen wilden den geliefden man hunne blijdschap betuigen; en niet alleen mannen maar
+ook vrouwen, ja &#8220;menigte van deftige en eerlijke vrouwen vielen De Ruyter om den hals en kusten hem naar &#8217;s lands wijze, alsof
+ze hun vader of broeder, uit gevaar des doods ontkomen, bewellekoomden.&#8221;
+<a id="d0e3588"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3588">137</a>]</span></p>
+<p>Gaarne zou ik hier langer met u vertoeven, doch wij moeten voortgaan.
+
+</p>
+<p>De Staten-Generaal hadden niet zoodra de tijding van De Ruyters behouden terugkomst vernomen, of zij besloten, op voordracht
+van <span class="letterspaced">Amsterdam</span>, hem in plaats van den gesneuvelden Wassenaar-Obdam te benoemen tot Luitenant-admiraal van <span class="letterspaced">Holland</span> en <span class="letterspaced">West-Friesland</span> en hem het opperbevel over de vloot, die te <span class="letterspaced">Texel</span> zeilre&ecirc; lag, op te dragen. Dezen lastbrief ontving onze De Ruyter den 13<sup>den</sup> Augustus. Den vorigen dag was er heel wat op de vloot te doen geweest. Het scheepsvolk namelijk, dat door zulk een lange
+reis de zee moede was geworden, wilde aan land en naar huis. Kort daarop kwamen er drie Heeren gevolmachtigden van de Staten-Generaal
+te <span class="letterspaced">Delfz&#307;l</span>, om het volk te monsteren, en zeiden den schepelingen aan, dat zij de schepen naar <span class="letterspaced">Texel</span> of het <span class="letterspaced">Vlie</span> moesten brengen, met belofte dat men dan ieder naar de zijnen zou laten vertrekken, doch dat men ze, op maandelijksche gage,
+tot nader orde en tromslag in dienst hield. Op de Amsterdamsche schepen toonde zich het volk vrij gewillig, maar op het schip
+van Van der Zaan en op de Rotterdamsche en Noordhollandsche schepen sloeg men aan het muiten, en wel op aanstoken van een
+Delvenaar, den matroos Jan Janszoon de Werelt van het schip &#8220;Louise&#8221;, die op verscheidene schepen had uitgestrooid, dat men
+hen naar <span class="letterspaced">Texel</span> op de oorlogsvloot zou brengen en die hun had gevraagd, of zij er niet voor bedankten om doodgeschoten of gevangengenomen
+te worden; want het gerucht had zich verbreid, dat de Nederlandsche krijgsgevangenen in <span class="letterspaced">Engeland</span> zeer slecht werden behandeld. Op het schip van Van der Zaan en op de Rotterdamsche schepen werd het volk tot bedaren gebracht.
+Maar van de Noordhollandsche schepen liep genoegzaam de geheele bemanning weg. De muiter echter werd in een sloep achterhaald,
+gevangengenomen, en te <span class="letterspaced">Rotterdam</span> opgehangen.
+<a id="d0e3626"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3626">138</a>]</span></p>
+<p>Het was op Vrijdag den 14<sup>den</sup> Augustus, dat de drie gevolmachtigden bij den nieuwbenoemden Luitenant-admiraal aan boord kwamen, om hem geluk te wenschen
+met die benoeming.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zal je vader het Luitenant-admiraalschap aannemen?&#8221; vraagde Pieter aan Jonker Engel, die bij hem kwam, terwijl hij zich bij
+het roer bevond.
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar twijfel ik niet aan,&#8221; gaf Engel ten antwoord.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij zal toch wel naar huis verlangen, na een afwezigheid van vijftien maanden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat kun je denken, Pieter,&#8221; hernam Engel. &#8220;Maar dat weet je: waar plicht gebiedt, daar zwijgen bij vader alle andere roepstemmen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En waar het vaderland zijn diensten vraagt, is de Luitenant-admiraal De Ruyter nooit achterlijk gebleven,&#8221; voegde oom Klaas
+er bij. &#8220;Een braaf man en een trouwe kerel, uw vader.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is hij, Klaas Dirksz,&#8221; zeide Jonker Engel, &#8220;en ik reken mij gelukkig zulk een vader te hebben.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;&#8217;t Zal mij veel kosten, hier te blijven, terwijl onze Admiraal naar <span class="letterspaced">Texel</span> gaat,&#8221; hernam oom Klaas.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zal wel niet noodig zijn, stuurman,&#8221; hervatte Jonker Engel. &#8220;Als de Scheepsraad, die zoo straks bijeenkomt, het goed
+vindt, zal ieder, die wil, met vader kunnen meegaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan ben ik een der eersten,&#8221; riep Dirksz uit, terwijl zijn gelaat verhelderde. &#8220;Met mijn Luitenant-admiraal ga ik ter overwinning
+of in den dood.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En ik ga ook mee,&#8221; zeide Pieter. &#8220;Ten minste als jij niet hier blijft, Engel.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe komt je dat in de gedachten, Pieter? Denk je, dat vader alleen zal vertrekken en mij achterlaten?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En zullen wij spoedig gaan?&#8221; vraagde Pieter.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nog heden. Doch daar komen de kapiteins al aan boord. De zitting van den scheepsraad zal wel niet lang duren.&#8221;
+<a id="d0e3661"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3661">139</a>]</span></p>
+<p>Acht en dertig vrijwilligers, zoo bevelhebbers als matrozen, gaven zich aan om met den geliefden Admiraal opnieuw het leven
+te wagen voor het Vaderland. Onder hen bevonden zich, behalve Pieter en oom Klaas, ook de Vice-admiraal Van Nes, Graaf Johan
+Belgicus van Hoorne, Jonker Reinoud van Koeverden en de schrijver van het schip van De Wild, later secretaris bij De Ruyter.
+Van boord varende, deden al de schepen saluutschoten; te <span class="letterspaced">Delfz&#307;l</span> waren al de soldaten ter eere van den Luitenant-admiraal onder de wapenen en loste men het geschut. Met twee trekschuiten
+vertrokken zij naar <span class="letterspaced">Groningen</span> en van daar over <span class="letterspaced">Dokkum</span> naar <span class="letterspaced">Leeuwarden</span>, <span class="letterspaced">Franeker</span> en <span class="letterspaced">Harlingen</span>; terwijl zij den nacht doorreisden, zoodat zij reeds den volgenden dag na den middag in laatstgenoemde stad waren. In al
+de steden, welke zij doorvoeren, werden zij door een grooten toeloop van volk en met uitbundig gejuich begroet en, zooveel
+de snelheid hunner reis het toeliet, door de vroedschap onthaald. Nog denzelfden avond gingen zij onder zeil naar <span class="letterspaced">Texel</span>, waar zij den volgenden dag aankwamen, De Ruyter den eed in handen van de gevolmachtigden der Staten-Generaal aflegde en
+het volk zich op de twee fregatten begaf, die men voor hen te <span class="letterspaced">Texel</span> had laten liggen. Door tegenwind teruggehouden, kwam men eerst in den ochtendstond van den 18<sup>den</sup> op de vloot, aan boord van het schip &#8220;de Liefde&#8221;, waar de Luitenant-admiraal door de gevolmachtigden der Heeren Staten Johan
+de Witt, Huijgens en Boreel hartelijk verwelkomd werd.
+
+</p>
+<p>Daar was intusschen op die vloot wat voorgevallen. Nauwelijks toch had Tromp de benoeming van De Ruyter tot opperbevelhebber
+vernomen, of hij gevoelde zich, niet ten onrechte, diep gekrenkt en zwaar beleedigd. Men had hem immers het opperbevel over
+&#8217;s lands vloot opgedragen en hij had haar in orde gebracht. Hoe kon men hem dan zoo wederrechtelijk dat bevel ontnemen?&#8212;Terstond
+diende hij zijn ontslag in, ten <a id="d0e3693"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3693">140</a>]</span>minste voor dezen tocht; maar op aanhouden der Staten-Generaal en hunne gemachtigden liet hij zich overhalen op de vloot te
+blijven en ontving den nieuwen opperbevelhebber zeer beleefd op zijn schip.
+
+</p>
+<p>Het heeft u misschien verwonderd, dat de Raadpensionaris zelf op de vloot was, en inderdaad, gij zijt de eenigen niet. Er
+waren ten jare 1665 velen hier te lande, wien het verwonderde, en die het De Witt afrieden met alle kracht van redeneering;
+die hem onder het oog brachten, hoe hij zich aan het gevaar van stormen en de kogels der vijanden blootstelde, zonder te bedenken,
+wat er aan hem zou verloren worden. Maar hij antwoordde: &#8220;dat de behoudenis van zijn persoon en zijn geluk aan het behoud
+van den Staat hing, en dat de goede of kwade uitkomst van een zeeslag beiden zou behouden of verderven. Daarom was hij op
+de vloot gegaan, om de dapperen aan te moedigen en de te voortvarenden te matigen.&#8221;
+
+</p>
+<p>En dat hij met hart en ziel het heil van &#8217;s Lands vloot zocht, dat had men op den 14<sup>den</sup> Augustus gezien, toen hij bewees, dat men, niet zooals de meest ervaren zeelieden tot hiertoe gemeend hadden, slechts met
+tien streken van het kompas<a id="d0e3702src" href="#d0e3702" class="noteref">2</a> het gat van Texel kon uitvaren, maar, zooals hij door nauwkeurig mathematisch onderzoek gevonden had, met acht-en-twintig.
+De oudste en knapste loodsen lachten hem over die bewering in het gezicht uit. Maar De Witt stoorde zich daaraan niet. Hij
+zelf ging aan het roer staan van &#8220;de Delfland&#8221;, terwijl de Heer Van Haaren &#8220;Het huis te Swieten&#8221; voor zijne rekening nam.
+En zoo bracht de schrandere man, tot verbazing van allen, de vloot nog dienzelfden dag in zee.
+<a id="d0e3705"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3705">141</a>]</span></p>
+<p>De Ruyter bleef niet op het schip &#8220;de Liefde&#8221;, maar begaf zich nog denzelfden dag met de drie gevolmachtigden op het schip
+&#8220;de Delfland&#8221;, waarheen ook Klaas en Pieter hem vergezelden. De vloot, vooral door de zorg van De Witt binnen acht weken weer
+in zee gebracht, bestond nu uit drie-en-negentig oorlogsfregatten, voorzien van 4337 stukken geschut en bemand met 19635 koppen.
+Zij was verdeeld in vier eskaders, elk onder een Luitenant-admiraal, en wel onder De Ruyter, Cornelis Evertsen, Cornelis Tromp
+en Tjerk Hiddes de Vries.
+
+</p>
+<p>Veel echter richtte deze vloot dit jaar niet uit; een zware storm noodzaakte haar, om zwaar beschadigd naar hare havens terug
+te keeren.
+
+</p>
+<p>Nog hadden wij in het zelfde jaar een tweede oorlogsverklaring gekregen, en wel van Barend van Galen, den oorlogzuchtigen
+bisschop van <span class="letterspaced">Munster</span>, die nog een ouden wrok tegen den Staat gevoelde, en door <span class="letterspaced">Engeland</span> was opgezet en met geld werd ondersteund. Alles was hier aan de zeemacht opgeofferd, zoodat het met de landmacht ellendig
+gesteld was. Barend van Galen veroorzaakte ons veel schade; gelukkig echter werd de vrede met hem den 18<sup>den</sup> April van het volgend jaar gesloten.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/o096.gif" alt="Ornament." width="218" height="62"></div><p>
+
+
+
+<a id="d0e3725"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3725">142</a>]</span></p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3462" href="#d0e3462src" class="noteref">1</a></span> Later onder den naam van Jacobus II koning van <span class="letterspaced">Engeland</span> geworden.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3702" href="#d0e3702src" class="noteref">2</a></span> Gij weet immers, dat er, behalve de vier hoofdwindstreken Noord, Oost, Zuid en West, nog acht-en-twintig tusschenstreken op
+het kompas zijn; dus twee-en-dertig in het geheel.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="d0e3726" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e112">Inhoud</a>]
+</span><div class="figure"><img border="0" src="images/o056.gif" alt="Ornament" width="586" height="148"></div>
+<h2 class="label">Elfde Hoofdstuk.</h2>
+<h2>Wat er met den Prins op het buurtmaal voorviel en wat de Raadpensionaris daarover zeide.</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/ii142.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 90px;&#xA; height: 86px;&#xA; background: url(images/ii142.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">I</span>n den tijd, waarvan wij spreken, waren de buurtvereenigingen nog in vollen bloei. Buurtvereenigingen of buurten waren genootschappen,
+ontstaan door vrije overeenkomst van in elkanders nabijheid gelegene stadsgedeelten of wijken, wier bewoners zich verbonden
+tot onderlinge goede verstandhouding, het verleenen van wederkeerige hulp en het handhaven der orde binnen de buurt. De bepalingen
+daartoe, vervat in een &#8220;brief&#8221; of &#8220;kaart,&#8221; werden meestal aan de goedkeuring van den Magistraat onderworpen en hadden slechts
+dan verbindende kracht. De stad &#8217;s-<span class="letterspaced">Gravenhage</span> was toenmaals verdeeld in 71 buurten, waarvan de <span class="letterspaced">Hofbuurt</span> (<span class="letterspaced">Binnen-</span>, <span class="letterspaced">Buitenhof</span> en <span class="letterspaced">Hofsingel</span>) en de <span class="letterspaced">Illustre Parelbuurt</span> (<span class="letterspaced">Voorhof</span> en <span class="letterspaced">V&#307;verberg</span>) de voornaamste in rang waren<span id="d0e3757" class="corr" title="Bron: ">.</span> Sommige dier buurten waren nog gescheiden in twee gedeelten. Zoo bevatten de <span class="letterspaced">Hofbuurt</span> en <span class="letterspaced">Parelbuurt</span> twee vereenigingen: die voor Heeren-burgers en die voor Burger-burgers; <a id="d0e3766"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3766">143</a>]</span>zoo hadden enkele buurten, b. v. het <span class="letterspaced">Voorhout</span>, eene vereeniging voor gehuwde mannen en een voor ongehuwden, <span class="letterspaced">Jonkmansbuurt</span> genaamd. Aan het hoofd van elke buurt stond een bestuur, &#8220;officier en regenten der Buurt&#8221; geheeten, hetwelk was samengesteld
+uit een deken (ook wel &#8220;President van de Buyrte&#8221; genoemd), twee, vier of zes Hoofdlieden (die ook den naam van &#8220;vredemakers&#8221;
+droegen) en &eacute;&eacute;n Secretaris (die in de <span class="letterspaced">Hofbuurt</span> den titel van griffier voerde). Zelfs hadden sommige buurten, onder andere de <span class="letterspaced">Hoogstraat</span>, haren advocaat. De deelneming als lid der buurt was vrijwillig; evenwel moest men bewoner van de buurt zijn, en werd er
+bij stemming over het toetreden tot het lidmaatschap geballoteerd. Wie niet goed van gedrag was, geen goeden naam had, als
+onaangenaam in den omgang bekend stond, of om andere redenen geen genoegzaam aantal stemmen kreeg, mocht geen lid worden.
+Ook kon men van dat Lidmaatschap vervallen worden verklaard, tot straffe voor het niet voldoen aan de vastgestelde wetten,
+keuren, boeten of ordonnanti&euml;n. Elk lid nam op zich te betalen een wekelijksche of maandelijksche contributie, die verschillend
+was naar de buurten<a id="d0e3780src" href="#d0e3780" class="noteref">1</a>, &#402; 3 bij het koopen en evenveel bij het verkoopen van een huis, en een vastgesteld geld bij huwelijken, geboorten of begrafenis.
+Het doel dezer buurtvereenigingen was onderlinge hulp en bevordering der vriendschap; ook het handhaven van vrede en rust
+in de buurt. Wanneer twee buren twist hadden, begaven zij zich naar de Hoofdlieden, die trachten hen met elkander te verzoenen.
+Verkozen zij daarnaar niet te luisteren en brachten zij de zaak voor het gerecht, dan betaalden zij eene boete van drie gulden.
+Wie zijn vrouw &#8220;smeet ofte sloeg, dat daar een straatgerucht uit voortquam&#8221; verbeurde een vette ham of ten minste &#402; 3 (in
+<a id="d0e3786"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3786">144</a>]</span>andere buurten &#402; 1.50), voor het &#8220;kyven met anderen in de buyrt&#8221; 12 stuivers, schelden 6 stuivers, bedreiging &#402; 1.50, slaan
+&#402; 3; kwam men bij brand niet op, dan verbeurde men 24 stuivers. Al die boeten gingen bij de inkomsten, en van al die ontvangsten
+werden jaarlijks maaltijden aangericht, waaraan al de leden der buurt met hunne vrouwen deelnamen. Somtijds hield men om de
+twee of drie jaren een maaltijd, waarbij de bewoners van andere buurten genoodigd werden. De maaltijden duurden gewoonlijk
+drie, wel eens vier dagen. Bij sterfgevallen waren de buren verplicht als dragers te assisteeren, waarvoor de betrekkingen
+van den doode een zekere somme gelds naar believen aan den buurt-secretaris ter hand stelden. Deze betaalde daarvan den dragers
+&#402; 1 of meer en stortte het overige in de kas. Ook bij brand moesten de buurtlieden opkomen ter blussching, waarvan echter
+zij, die aan het stadhuis verbonden waren of tot de schutterij behoorden, waren vrijgesteld. De afgetredene hoofdlieden waren
+brandmeesters. Nog had de buurt een knecht, die zorgen moest voor het aanzeggen der dooden, het oproepen der dragers en het
+uitdeelen en ophalen der buurtpenningen, die dezen aan huis werden bezorgd<a id="d0e3788src" href="#d0e3788" class="noteref">2</a>.
+
+</p>
+<p>Wij willen dan eens den <span class="letterspaced">Nieuwen Doelen</span> binnentreden en ons naar dezelfde zaal begeven, die wij in een vroeger werkje<a id="d0e3796src" href="#d0e3796" class="noteref">3</a> reeds eenmaal zijn ingetreden. Het is de 24<sup>ste</sup> November van het jaar 1665, de tweede dag van den ditmaal gevierd <a id="d0e3802"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3802">145</a>]</span>wordenden maaltijd. Het is dit jaar een luisterrijk festijn; veel kostbaarder dan gewoonlijk. En geen wonder; want een paar
+hooggeplaatste personages, ook leden der buurt, zullen de maaltijden bijwonen: Prins Willem Hendrik en de Raadpensionaris
+Johan de Witt met zijne echtgenoote Wendela, de dochter van den Amsterdamschen burgemeester Bicker. De Witt heeft dan ook,
+in plaats van de &#402; 15.60 die hij als lid der buurt moest betalen, niet minder dan 19 Dukatons (&#402; 59,85) gegeven: terwijl de
+Prins, behalve een nog veel aanzienlijker gift, door zijn kok verscheidene schotels heeft laten gereedmaken, welke hij naar
+den <span class="letterspaced">Doelen</span> heeft gezonden. &#8220;Door zijn kok?&#8221; hoor ik u vragen. Welzeker, de vijftienjarige knaap houdt er reeds een heele hofhouding
+op na. Behalve zijn goeverneur Zuijlestein, zijn schrijver en Raad Wildertz, zijn kamerdienaar Karel Pietersz en de andere
+bedienden, bekleedt de Heer van Heenvliet bij hem den post van opperstalmeester, Boreel dien van hofmeester, Bromley, een
+Engelschman, en Buat, die vroeger reeds als page bij zijn doorluchtigen vader Willem II in dienst is geweest, die van edellieden
+van zijn huis. De baron Van Freisheim is sedert den 27<sup>sten</sup> April als vendrig in dienst van den Staat. Hoeveel de Prins steeds van dezen hield, getuigen nog zijne aan den jongen baron
+gerichte brieven, waarin zijne Hoogheid den lossen Freisheim menige vriendelijke vermaning geeft.
+
+</p>
+<p>Maar keeren wij tot de zaal van den <span class="letterspaced">Nieuwen Doelen</span> terug, die sedert 1648 steeds voor deze gelegenheden gebruikt wordt, in plaats van de Casteleneye van <span class="letterspaced">Holland</span>, welke v&oacute;&oacute;r dien tijd tot dat doel werd ingericht. Ook heeft men in de <span class="letterspaced">Hofbuurt</span> voor ditmaal het gebruik afgeschaft, dat ook in de andere buurten bestaat: namelijk, dat ieder genoodigde zijn eigen servet,
+mes en lepel moest medebrengen. Wij treden de zaal binnen op het oogenblik, dat de gasten boven komen, die reeds <a id="d0e3821"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3821">146</a>]</span>vroeg in de benedenzalen vergaderd zijn geweest; alwaar de mannen onder het &#8220;drinken van toeback&#8221;, die in looden potten aanwezig
+is, en de vrouwen bij het gebruik van een glaasje &#8220;malvezy ofte spaensen wijn&#8221; en kandeel en een aangenaam buurpraatje, sedert
+tien uren den tijd hebben gesleten.
+
+</p>
+<p>De zaal is verlicht met tallooze waskaarsen en schoon versierd met de kleuren van het Huis van <span class="letterspaced">Oranje</span>. In het midden staat de tafel, waarop een rijkdom van schotels: heerlijke ossenrolenden, speenvarkens, kalfsschijven en vette
+hammen als vleeschspijzen;&#8212;hazen, konijnen en een reebout als wild;&#8212;kalkoenen, hoenders, duiven, als gevogelte;&#8212;zee- en riviervisch
+en vooral &#8220;oysters&#8221;<a id="d0e3828src" href="#d0e3828" class="noteref">4</a>, zoo versch als gebraden, als waterproduct;&#8212;gort, erwten en boonen, op verschillende wijzen toebereid, salade en radijs als
+veldvruchten voorkomen. Verder het dessert, bestaande uit peren, appelen, noten, druiven<a id="d0e3831src" href="#d0e3831" class="noteref">5</a> en mispelen, en uit een menigte taarten en gebakken, als: &#8220;Spaens banquet,&#8221; &#8220;ordinair banquet van appelen&#8221; en &#8220;taartenbanquet,&#8221;
+&#8220;marsepeynen,&#8221; &#8220;gestoffeerde poddings&#8221;, &#8220;pasteyen&#8221;, &#8220;eyerkoeken&#8221; en heerlijke confituren. Gij ziet, dat er genoeg te eten
+is, en te drinken ook; want die lange fluiten zijn voor verschillende Fransche wijnen, voor &#8220;Spaensen&#8221; en &#8220;Rhijnschen&#8221; wijn,
+en die kroezen voor &#8220;Haagsch, Dorts, Bergs of Hamburgs&#8221; bier. Om de tafel heen staan stoelen met zachte kussens, en de tafel
+zelf is met een helder wit tafellaken gedekt; de schotels en borden zijn van tin.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zijne Hoogheid toeft vandaag lang,&#8221; begon de advocaat Moleschot, de aftredende deken van dat jaar. &#8220;Zij zal, hoop ik, toch
+wel deelnemen aan ons festijn.&#8221;
+<a id="d0e3836"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3836">147</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Voorzeker,&#8221; zeide Cimon van Middelgeest, een der hoofdlieden. &#8220;Ik weet zeker, dat Zijne Hoogheid zal komen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar de Raadpensionaris zal heden niet paraisseeren,&#8221; verzekerde Johan Houttuijn, een ander hoofdman.
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarom niet?&#8221; vraagde Middelgeest.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij is ge&iuml;ndisposeerd geworden,&#8221; antwoordde Houttuijn.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p147.jpg" alt="" width="613" height="456"></div><p>
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Ge&iuml;ndisposeerd?&#8221; riep Henricus Hondius uit. &#8220;Het zal hem gisteren zeker niet gecoiffeerd hebben, dat wij ons Prinsje wat
+veel gef&ecirc;teerd hebben.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De Raadpensionaris is er de man niet naar, om zich daarvoor absent te houden,&#8221; bracht Van Limborch in het midden. &#8220;Hij weet
+zeer goed, dat de <span class="letterspaced">Hofbuurt</span> verscheidene leden telt, die der Staatspartij zijn toegedaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Meer toch nog den Prins,&#8221; hernam Hondius. &#8220;Bij de meesten is het nog Oranjeboven.&#8221;
+<a id="d0e3857"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3857">148</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Ieder, die het wel met den Lande meent, zal respect hebben voor den Oranjestam,&#8221; hervatte Limborch. &#8220;Maar niemand, welke
+partij hij ook zij toegedaan, zal den Raadpensionaris minachten, wiens m&eacute;rite grooter is dan die van eenig man in de Republiek.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En dan die oorlog met Engeland?&#8221; vraagde Hondius.
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar heeft toch zijne Edelheid de Raadpensionaris in trouwe geen schuld aan,&#8221; antwoordde Limborch.
+
+</p>
+<p>&#8220;Geen politiek op ons buurtmaal, heeren!&#8221; maande een ander hoofdman, Lintelo van der Ehse aan. &#8220;Gij weet zeer goed, dat die
+onder goede buren niet te pas komt, vooral niet bij een gelegenheid, welke dient tot verbroedering.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij hebt volkomen gelijk,&#8221; verzekerde de deken. &#8220;Doch ik hoor het rollen eener karos. Het zal Zijne Hoogheid zijn.&#8212;Wij zullen
+komen,&#8221; vervolgde hij tot den buurtknecht, die kwam zeggen, dat de koetsen van Zijne Hoogheid in het gezicht waren. En terstond
+begaf hij zich met de vier hoofdlieden naar beneden, om den Prins te ontvangen. De burgers en hunne dames stelden zich intusschen
+in een dubbele rij, die van de deur tot de zitplaats van den Prins liep, en het duurde niet lang, of de hooge personage kwam
+met zijn gevolg binnen. Het was nog altijd dezelfde bleeke, ziekelijke knaap, en het scheen, dat hij nu nog bleeker zag in
+dat roode fluweelen wambuis, waarover een mantel van dezelfde kleur en stoffage was geslagen, met gouden galons geboord, en
+welken hij, zoodra hij de zaal binnentrad, aan zijn kamerdienaar Karel overreikte. Sterk stak de witte satijnen broek, boven
+de kuiten met rood satijnen strikken vastgeknoopt, daarbij af; terwijl de rooskleurige zijden kousen en hooggehakte met roode
+strikken voorziene schoenen zijn toilet voltooiden. Achter hem kwamen Zuijlestein, Heenvliet, Boreel, Buat en Bromley. Vriendelijk
+groette de Prins naar beide zijden, terwijl hij zich naar den hoogen met groen laken <a id="d0e3868"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3868">149</a>]</span>bekleeden leuningstoel begaf, die aan de rechterhand van den President voor hem was gereed gezet. Zoodra hij was gezeten,
+namen ook de andere gasten plaats zonder onderscheid van rang of stand; want, behalve de plaats van den President of Deken,
+bestond er geene vooraanzitting hoegenaamd.
+
+</p>
+<p>Wij stappen over het eerste gedeelte van den maaltijd heen, en zien intusschen de tribune boven de deur zich vullen met muzikanten,
+die onder het dessert eenige stukken zullen spelen en na den afloop den danslustigen gelegenheid geven tot het uitvoeren der
+vroolijke &#8220;sarabandes&#8221; of der sierlijke &#8220;courantes&#8221;, dansen, uit het danslustige <span class="letterspaced">Frankr&#307;k</span> overgebracht en toen algemeen in zwang.
+
+</p>
+<p>Toen het eerste gedeelte van den maaltijd was afgeloopen, verlieten de gasten de zaal, om den bedienden gelegenheid te geven
+de tafel voor het dessert in orde te brengen, om zich eens te verluchten en eenige oogenblikken te laten tusschen het eerste
+en het tweede gedeelte van den maaltijd. Reeds van den tijd der Graven toch was het bij onze voorouders de gewoonte, den maaltijd
+met een dessert te besluiten. De mannen namen weder hunne pijpen ter hand en stopten die uit de looden &#8220;toebackspotten&#8221;; na
+1679 gebruikten de dames dan hare &#8220;vrouwtjestoeback, geseyd thee&#8221; en na 1693 hare &#8220;caff&eacute;e&#8221; of koffie.
+
+</p>
+<p>Nauwelijks waren de pijpen opgestoken, of de mannen verzamelden zich, naar het voorbeeld der vrouwen, in kleine troepen, en
+de Prins zag zich omringd van verscheidene heethoofden zijner partij: Sickinga van Warfsum, Cimon van Middelgeest, Henricus
+Hondius en anderen. Zij trachtten den Prins in een politiek gesprek te mengen; maar deze, wel bemerkende welken weg zij op
+wilden, was begonnen te spreken over de heerlijke oesters, die hij had gegeten, en over de jachthonden, die hij op <a id="d0e3879"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3879">150</a>]</span>het <span class="letterspaced">Huis ten Bosch</span> had en van welke hij een menigte anekdoten wist mede te deelen. Intusschen waren de deken en de hoofdlieden bezig met het
+opnemen der stemmen voor een nieuwen deken, in plaats van den Advocaat Moleschot, waarvan de uitslag v&oacute;&oacute;r het dessert aan
+de buurtvergadering zou worden kenbaar gemaakt.
+
+</p>
+<p>Zoodra de gasten weder waren gezeten, stond de Advocaat Moleschot op en deelde aan de vergadering mede, dat Zijne Hoogheid
+Prins Willem Hendrik met algemeene stemmen tot President of deken was benoemd.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik twijfel er geenszins aan,&#8221; vervolgde de deken, terwijl hij zich tot den Prins wendde, &#8220;of Uwe Hoogheid zal zich die benoeming
+laten welgevallen en haar beschouwen als een blijk van de innige affectie der <span class="letterspaced">Hofbuurt</span> tot het Doorluchtige huis, waarvan Uwe Hoogheid de afstammeling is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben gevoelig, mijnheer Moleschot,&#8221; antwoordde de Prins, terwijl hij van zijn zetel oprees, &#8220;ik ben gevoelig voor de eer,
+mij door mijne geaffectioneerde vrienden van de <span class="letterspaced">Hofbuurt</span> bewezen, en ik zie geene oorzake om niet aan de roeping te beantwoorden, die tot mij komt door uwen mond. Ik neem dus de
+benoeming aan.&#8221;
+
+</p>
+<p>Een algemeen gejuich volgde op deze woorden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben u dankbaar voor uwe goede affectie te mijwaarts, goede vrienden,&#8221; hernam de Prins, &#8220;en, daar wij het privilegie hebben,
+een stadhouder<a id="d0e3900src" href="#d0e3900" class="noteref">6</a> te benoemen, zoo installeer ik als zoodanig onzen ge&euml;stimeerden vriend, den Advocaat Moleschot, dien ik verzoek, ook voor
+hedenavond mijne plaats te vervullen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Deze rede werd weder gevolgd door toejuiching.
+
+</p>
+<p>Daarop nam Moleschot het woord.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik mag de eer dezer benoeming niet weigeren,&#8221; zeide hij, <a id="d0e3909"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3909">151</a>]</span>&#8220;en begin, met u allen te inviteeren, uwe glazen te vullen, en te drinken: de prosperiteit van onzen nieuwen President!&#8221;
+
+</p>
+<p>Alle aanwezigen stonden op en dronken op Zijne Hoogheid, met den uitroep: &#8220;Leve de Prins van Oranje!&#8221; Te gelijker tijd hoorde
+men aan eene zijde der tafel het deuntje aanheffen:
+
+
+</p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span>&#8220;Al is ons Prinsje nog zoo klein,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Al&eacute;vel zal hij stadhouder zijn.&#8221;</span></p>
+</div>
+</div>
+<p>waarop de gezichten van hen, die ter Staatspartij waren toegedaan, betrokken.
+
+</p>
+<p>De prins intusschen wenkte met de hand.
+
+</p>
+<p>&#8220;Goede vrienden,&#8221; zeide hij. &#8220;Ik dank U voor uwe singuliere affectie. Wat echter die bijzondere uiting uwer sentimenten betreft,
+gij vergeet, dat wij hier als goede buurtvrienden bijeen zijn. Ook kunt gij het niet meenen, dat gij liever een vijftienjarigen
+knaap aan het roer van den Staat zoudt zien, dan den waardigen en bekwamen man, die al zijne krachten wijdt aan de prosperiteit
+van het Vaderland. Ik verzoek U dus, als President, uwe glazen nogmaals te vullen en die met mij te ledigen op het heil van
+Mijnheer de Witt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Goed gedaan, Willem,&#8221; fluisterde Zuijlenstein den Prins in het oor, terwijl niemand der aanwezigen durfde nalaten, den dronk
+met geestdrift te beantwoorden.
+
+</p>
+<p>&#8220;En ik drink op de nobele sentimenten van onzen President!&#8221; riep Van Limborch uit, en ook deze dronk verwekte algemeene goedkeuring.
+
+</p>
+<p>Reeds vroeg in den avond vertrok de Prins, daartoe als reden opgevende zijne zwakke gezondheid. Met hem vertrokken ook Zuijlestein,
+Boreel, Heenvliet en Buat, terwijl onze lustige burgers nog uren lang bij elkander bleven en zich met verschillende spelen
+onledig hielden. Of zij ook kaart speelden, durf ik u niet verzekeren; wel zijn kaartspelen in andere buurten <a id="d0e3930"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3930">152</a>]</span>reeds in 1658 in rekening gebracht; in de <span class="letterspaced">Hofbuurt</span> echter komen zij eerst in 1712 voor. Den volgenden dag liet de Prins zich voor den maaltijd verschoonen: hij lag met zware
+hoofdpijn te bed.
+
+</p>
+<p>Toch had hij zich nog dien morgen naar het huis van den Raadpensionaris begeven, ten einde naar diens gezondheid te vernemen.
+Hij trof Johan de Witt geheel gekleed.
+
+</p>
+<p>Toen de Prins binnentrad, was de Raadpensionaris niet alleen in het vertrek. Een man, wiens kleeding zijn hoogen stand verried,
+doch wiens gelaat goedhartigheid en eenvoudige rondheid aanduidde, was bij zijne intrede opgestaan van den stoel, waarop hij
+gezeten had. Terwijl De Witt den Prins een stoel aanbood, wees hij met de vlakke hand naar dien persoon, en zeide met al de
+hoffelijkheid, hem eigen:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb de eer, Uwer Hoogheid hier onzen veelbeminden en hooggerevereerden vriend, den Luitenant-admiraal Michiel Adriaanszoon
+de Ruyter<a id="d0e3941src" href="#d0e3941" class="noteref">7</a> voor te stellen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ha, Mijnheer de Ruyter,&#8221; zeide de Prins, terwijl hij den ronden Zeeuw de magere hand reikte, die deze met warmte aangreep.
+&#8220;Het is mij een singulier genoegen, Uwe Edelheid te rencontreeren. Ik durfde dat niet verwachten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Uwe Hoogheid is wel goed, dat Zij zulke goede gedachten van mijn persoon heeft,&#8221; antwoordde de Luitenant-admiraal bescheiden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Uwe Edelheid zal dan toch eindelijk eens rust nemen,&#8221; hervatte de Prins. &#8220;Nu, gij moogt die ook wel hebben. Met u is het
+wel: wie goed dient, dient nooit genoeg.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waar de Heeren Staten of het Vaderland mij roepen,&#8221; hernam <a id="d0e3961"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3961">153</a>]</span>De Ruyter, &#8220;moet devoir boven gemak gaan. Zoolang God mij het leven behoudt, hoop ik den lande nuttig te zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Braaf gesproken,&#8221; hervatte de Prins. &#8220;O, mijnheer De Ruyter,&#8221; voegde hij er met een nauw merkbaren zucht bij, &#8220;men moet zich
+wel gelukkig gevoelen, als men zoo nuttig kan zijn als gij. Maar,&#8221; vervolgde hij, zich tot den Raadpensionaris wendende, &#8220;ik
+zou zoodoende de oorzake mijner komst vergeten. Mijnheer De Witt! wij misten Uwe Edelheid gisteren op het buurtmaal. Men zeide
+mij, dat gij ge&iuml;ndisponeerd waart. Intusschen reken ik mij gelukkig te zien, dat Uwe Edelheid weder geheel gekleed is. Waarschijnlijk
+is dus de indispositie geheel en al geweken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Uwe Hoogheid is wel goed,&#8221; antwoordde de Raadpensionaris, &#8220;zooveel attentie voor mijn persoon te toonen, en ik acht mij gelukkig,
+haar te kunnen verzekeren, dat de kleine indispositie weder geheel en al voorbij is. Ik stond juist op het punt, om naar het
+Binnenhof te gaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Al weder aan de besognes, mijnheer de Raadpensionaris,&#8221; zeide de Prins. &#8220;Uwe Edelheid doet te veel. Zij zal zich nog in den
+grond werken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Geen nood,&#8221; hervatte De Witt glimlachend. &#8220;Ik heb een ijzersterk gestel.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gelukkig, wie dat heeft,&#8221; zuchtte de Prins, hoestend. &#8220;Ik zou wel wenschen in uwe plaats te zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe meent Uwe Hoogheid dat?&#8221; vraagde De Witt min of meer scherp.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat ik het gestel van Uwe Edelheid hadde, en dat de arbeid mij niet zoo fatigueerde.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En heeft Uwe Hoogheid zich gisteravond nog al geamuseerd?&#8221; vraagde de Raadpensionaris.
+
+</p>
+<p>&#8220;Voor zooverre iemand, die altijd met hoofdpijn en hoest geplaagd is, zich amuseeren kan. Onze vrienden van de <span class="letterspaced">Hofbuurt</span> <a id="d0e3984"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3984">154</a>]</span>hebben mij wel tot hunnen President gelieven te benoemen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat weet ik,&#8221; hervatte De Witt. &#8220;En ik ben Uwer Hoogheid grooten dank verschuldigd voor den dronk, dien Zij op mijn welzijn
+heeft willen instellen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Uwe Edelheid weet dus reeds....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik weet,&#8221; hernam De Witt met nadruk, &#8220;dat Uwe Hoogheid verstandiger is dan de leden Harer partij, die gaarne ons arm land
+tot een tooneel van volkstumult en burgeroorlog zouden willen maken. Geloof mij, Prins! zij zijn Uwe ware vrienden niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zal Uwe Edelheid niet langer ophouden,&#8221; zeide de Prins. &#8220;Haar tijd is te kostbaar. Mag ik U een plaats in mijn karos aanbieden?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Volgaarne, ofschoon het mijn gewoonte niet is om naar mijn bureau te rijden. Men mag echter wel zien, hoezeer Johan de Witt
+de vriend is van den Prins van <span class="letterspaced">Oranje</span>.&#8212;Tot van middag, mijnheer De Ruyter,&#8221; vervolgde hij tot den Luitenant-admiraal. &#8220;Uwe Edelheid zal mij wel excuseeren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waar de besognes en het interest van het Land uwe tegenwoordigheid vereischen, mijnheer de Raadpensionaris,&#8221; gaf De Ruyter
+ten antwoord, &#8220;heeft niemand recht U op te houden. Dus tot van middag.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Adieu, mijnheer De Ruyter,&#8221; zeide de Prins, terwijl hij den Luitenant-admiraal vriendelijk groette. &#8220;Ik hoop de eer te genieten,
+een bezoek van U te ontvangen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Uwe Hoogheid heeft v&oacute;&oacute;r het dessert een langdurig gesprek gehad met den Heer Sickinga,&#8221; begon De Witt weder, toen zij in
+de karos zaten. &#8220;Heeft die U ook iets medegedeeld ten aanzien van de zaken in <span class="letterspaced">Friesland</span>?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;In trouwe, wij hebben het zeer druk gehad,&#8221; antwoordde de Prins. &#8220;De Heer Sickinga beviel mij buitengemeen. Ik had hem vroeger
+nooit ontmoet.&#8221;
+<a id="d0e4010"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4010">155</a>]</span></p>
+<p>&#8220;En hij vertelde U....?&#8221; zeide De Witt, terwijl hij den Prins met zijnen uitvorschenden en doorborenden blik aanzag.
+
+</p>
+<p>&#8220;O, mijnheer de Raadpensionaris,&#8221; gaf de Prins op onnoozelen toon ten antwoord, &#8220;hij vertelde mij zulke aardige stukken van
+zijne jachthonden.... Doch hier zijn wij er. Ik rijd door naar het <span class="letterspaced">Huis ten Bosch</span>, om eens naar de mijne te zien. Uw dienaar, mijnheer de Raadpensionaris!&#8221;
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p155.jpg" alt="" width="610" height="501"></div><p>
+
+
+</p>
+<p>De Witt steeg uit de karos en werd vervangen door den Heer van Zuijlestein, die naar het <span class="letterspaced">Huis ten Bosch</span> zou mederijden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Niet te doorgronden, een raadsel is die knaap, ook voor mij!&#8221; bromde de Raadpensionaris tusschen de tanden. &#8220;Intusschen&#8212;hij
+is nu reeds in zijn zestiende jaar, en &#8217;t zal niet lang meer duren, of hij kan mij gevaarlijk worden. Daar is maar &eacute;&eacute;n middel
+om dat te verhoeden. Hij moet worden onttrokken <a id="d0e4028"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4028">156</a>]</span>aan de infidentie zijner partij en vooral aan die van de Engelschen. En d&aacute;t v&oacute;&oacute;r hij mij boven het hoofd wast. Wij zullen
+daar eens rijpelijk en ernstig over denken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Met deze woorden trad hij de deur van zijn kabinet binnen, om opnieuw aan zijne vele besognes te gaan, en&#8212;aan zeven secretarissen
+tegelijk, zeven verschillende brieven te dicteeren.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/o156.gif" alt="Ornament." width="348" height="236"></div><p>
+
+
+<a id="d0e4036"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4036">157</a>]</span></p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3780" href="#d0e3780src" class="noteref">1</a></span> In 1665 was die voor de <span class="letterspaced">Hofbuurt</span> 10 Cts. per week.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3788" href="#d0e3788src" class="noteref">2</a></span> Nog in mijn tijd&#8212;ofschoon de buurtvereenigingen hadden opgehouden&#8212;had het begraven door de bewoners der buurt plaats. De buurtknecht
+ging met de penningen rond bij hen, die volgens den rooster (lijst) volgden. Wie niet kon of wilde dragen, betaalde een daalder
+boete voor de buurt; in het tegenovergesteld geval nam hij den penning aan, volbracht zijn buurtplicht en kreeg het draaggeld,
+dat soms wel &#402; 7 bedroeg; meestal echter minder. De buurtknecht kreeg van den drager een fooi, en ook fooien met Kermis en
+Nieuwjaar. Voor de laatste gaf hij een almanak.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3796" href="#d0e3796src" class="noteref">3</a></span> Zie &#8220;De weezen van Vlissingen&#8221; 6e druk, blz. 68.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3828" href="#d0e3828src" class="noteref">4</a></span> De Prins was een aartsliefhebber van oesters.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3831" href="#d0e3831src" class="noteref">5</a></span> Voor dezen maaltijd had de heer Pauw; President van den Hoogen Raad, een bassijn (fruitschaal) met druiven voor Zijne Hoogheid
+gezonden.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3900" href="#d0e3900src" class="noteref">6</a></span> Plaatsvervanger.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3941" href="#d0e3941src" class="noteref">7</a></span> De Luitenant-Admiraal was den 18<sup>den</sup> November in <span class="letterspaced">Den Haag</span> gekomen, ten einde aan de Staten-generaal verslag te doen van zijne expeditie. De Witt, de geruchten dat hij met den zeeheld
+in onmin was, willende tegenspreken, noodigde hem aan zijn huis. Zoolang De Ruyter in <span class="letterspaced">Den Haag</span> bleef, logeerde hij bij hem.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="d0e4037" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e112">Inhoud</a>]
+</span><div class="figure"><img border="0" src="images/o066.gif" alt="Ornament" width="595" height="134"></div>
+<h2 class="label">Twaalfde Hoofdstuk.</h2>
+<h2>Hoe Johan de Witt zijn plan volvoerde.</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/iw016.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 90px;&#xA; height: 86px;&#xA; background: url(images/iw016.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">W</span>ij slaan een tijdvak van ruim vier maanden over en begeven ons op den 2<sup>den</sup> April 1666 nogmaals naar het vertrek van den Prins op het <span class="letterspaced">Binnenhof</span>, waar wij hem reeds eenmaal<a id="d0e4050src" href="#d0e4050" class="noteref">1</a> hebben aangetroffen. Ik behoef mijnen lezers niet te zeggen, dat er op de vuurplaat onder den hoogen schoorsteen een fiksch
+vuur van turf en hout was aangelegd, en dat Zijne Hoogheid in den grooten leunstoel daarbij zat. Bij den haard zaten tevens
+Zuijlestein en de hofmeester Boreel. Op het oogenblik waarvan wij spreken, diende de kamerdienaar den Heer Van Heenvliet,
+den vader van &#8217;s Prinsen stalmeester en een hevig voorstander der Oranjepartij, aan, die werd binnengelaten en door den Prins
+verzocht, zich bij den haard te schikken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik had reeds vroeger bij Uwe Hoogheid willen komen, om naar Hare gezondheid te vernemen,&#8221; begon de grijsaard. &#8220;Ik vond het
+echter geraden, te wachten tot Uwe Hoogheid zich van de vermoeienissen der reis hersteld had.&#8221;
+<a id="d0e4058"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4058">158</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Ik dank U zeer, mijnheer Van Heenvliet,&#8221; antwoordde de Prins, &#8220;voor Uwe attentie, en ik durf u verzekeren, dat mijne reis
+mij zeer goed bekomen is en niet anders dan aangename impressies kan nalaten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Men heeft U te <span class="letterspaced">Amsterdam</span> luisterrijk ontvangen, naar ik hoor,&#8221; hernam Heenvliet.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zal <span class="letterspaced">Amsterdam</span> roemen,&#8221; gaf de Prins ten antwoord. &#8220;De vroedschap heeft een groot festijn te mijner eere aangericht.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En het volk, hoor ik, heeft luide geroepen om Uwer Hoogheids bevordering, en U zelfs met veel gejuich uitgeleide gedaan,&#8221;
+ging Heenvliet voort.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo, mijnheer Van Heenvliet,&#8221; antwoordde de Prins, met het onnoozelste gezicht ter wereld. &#8220;Ik kon niet recht verstaan wat
+zij riepen. Maar de maaltijd was overheerlijk. Inderdaad ik wist niet, dat zij in de grootste koopstad van het land zulke
+uitmuntende koks hadden. Ik dacht altijd, dat die goede Amsterdamsche kooplieden zich slechts bezighielden met hun handel.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En met de staatkunde,&#8221; voegde Heenvliet er stekelig bij. &#8220;En hoe heeft Uwe Hoogheid het te <span class="letterspaced">Rotterdam</span> gehad?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar ben ik door den burgemeester Ewout van der Horst vorstelijk onthaald. Een uitmuntend mensch, die Van der Horst.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ken hem. Hij is een trouw aanhanger uwer zaak.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat heb ik gemerkt,&#8221; antwoordde de Prins weder heel onnoozel, &#8220;want dat maal heeft hem nog al wat gekost. Er waren heerlijke
+oesterpartijen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ook daar zijt gij door het volk met veel gejuich begroet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, ja, de Rotterdamsche menschen schijnen heel vriendelijk te zijn. Toch zou ik niet graag hier in <span class="letterspaced">Den Haag</span> altijd zooveel volk om mijn karos zien.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Geen wonder, Uwe Hoogheid,&#8221; gaf Heenvliet ten antwoord. &#8220;Maar het volk hier ziet Uwe Hoogheid dagelijks. Daarom is het toch
+evenzeer Uwe partij toegedaan en wenscht niet minder <a id="d0e4095"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4095">159</a>]</span>Uwe bevordering. Ook hooggeplaatste personen verlangen die. Zelfs uw oom, de Keurvorst van <span class="letterspaced">Brandenburg</span>, heeft U aan de Staten-Generaal tot de hooge krijgsambten aanbevolen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En de Heeren Staten hebben daarop geantwoord, dat de Keurvorst zich liever met zijne eigene zaken moest bemoeien en zich
+niet in die van anderen moest steken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En dan,&#8221; merkte Zuijlestein aan. &#8220;En dan, om te bewijzen, hoe weinig zij om den Keurvorst geven, hebben zij den Prins van
+<span class="letterspaced">Tarente</span> tot overste der ruiterij, den Heer Van Noordwijk tot overste van het geschut, den graaf Van Hoorne tot sergeant-majoor en
+den Heer Pain-et-vin tot luitenant-kolonel gemaakt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar heeft <span class="letterspaced">Zeeland</span> dan ook dapper tegen geijverd,&#8221; hernam Heenvliet.
+
+</p>
+<p>&#8220;En wat heeft het <span class="letterspaced">Zeeland</span> geholpen?&#8221; vraagde Zuijlestein. &#8220;Het antwoord, dat <span class="letterspaced">Holland</span> gegeven heeft, bewijst genoegzaam zijn onwil.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Omdat <span class="letterspaced">Holland</span> mij niet wil bevorderen, alvorens ik den ouderdom van achttien jaren zal bereikt hebben,&#8221; zeide de Prins op scherpen toon.
+&#8220;Zij hebben gelijk, de Heeren Staten,&#8221; vervolgde hij schijnbaar luchthartig. &#8220;Wat zou een knaap als ik, ziekelijk en tenger,
+in het krijgswezen doen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En dan uwe voorouders Prins!&#8221; riep Heenvliet uit. &#8220;Heeft men hun ooit de hun toekomende ambten onthouden? Maar Uwe Hoogheid
+zelf moet zich laten kennen, en een oproeping....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Vergeef mij, mijnheer Van Heenvliet, dat ik U verzoeken moet, zulke taal niet in mijne presentie te voeren. Mijne vrienden
+mogen voor mij doen wat zij willen&#8212;ik <i>wil</i> van hunne handelingen niets weten. Ik verlang geen promotie dan langs den rechtmatigen weg. Maar, zeg mij, hebt gij sinds
+gisteren uw zoon ook gesproken?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zag hem sedert drie dagen niet, Uwe Hoogheid,&#8221; <a id="d0e4134"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4134">160</a>]</span>antwoordde Heenvliet. &#8220;Had hij mij wat belangrijks mede te deelen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeker. Gij moet weten, mijnheer Van Heenvliet, dat ik een paar dagen geleden twee schoone Friesche paarden heb aangekocht.
+Het zijn prachtige beesten. Gij moet ze eens zien.&#8212;Gij zijt immers ook een kenner?&#8221;
+
+</p>
+<p>De Heer Van Heenvliet zuchtte; hij kon niet begrijpen, hoe de Prins op dat oogenblik over paarden kon spreken, en wilde juist
+antwoorden, toen de ritmeester Buat de kamer binnentrad, zich tot den Prins wendde, en met een geheimzinnig gelaat en op half
+fluisterenden toon zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Weet Uwe Hoogheid reeds, dat de Raadpensionaris dezen morgen op het Hof van <span class="letterspaced">Brandw&#307;k</span><a id="d0e4144src" href="#d0e4144" class="noteref">2</a> is geweest en een langdurige conferentie heeft gehad met Mevrouw de Prinses-weduwe?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Met de Prinses-weduwe!&#8221; riepen de drie Heeren, die bij het vuur zaten, te gelijk.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zooals ik u zeide,&#8221; antwoordde de ritmeester. &#8220;En wat meer is, alvorens naar de vergadering der Staten te gaan, is Zijne
+Edelheid nogmaals aan het Hof van <span class="letterspaced">Brandw&#307;k</span> aangereden, en heeft ruim een kwartier bij Hare Hoogheid doorgebracht.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En nu twijfelde Uwe Hoogheid nog aan Hare promotie!&#8221; riep Heenvliet uit. &#8220;Begrijpt Zij dan niet, dat de Raadpensionaris niet
+langer durft weerstand bieden aan den aandrang Harer vrienden, die hoe langer hoe luider wordt?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De Heer De Witt zal wel moeten toegeven,&#8221; zeide Boreel, die tot nog toe gezwegen had. &#8220;Als Zijne Hoogheid maar eerst Generaal
+der ruiterij is, zal Zij wel spoedig Veldmaarschalk zijn.&#8221;
+<a id="d0e4161"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4161">161</a>]</span></p>
+<p>&#8220;En dan&#8221;&#8212;hervatte Heenvliet triomfeerend. &#8220;Dan zal de Raadpensionaris spoedig vallen en dan&#8212;dan maken wij vrede met <span class="letterspaced">Engeland</span>.... en....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar gij hebt mij nog niet gezegd, mijnheer Van Heenvliet, wanneer gij mijn Friesche paarden zoudt komen zien,&#8221; hernam de
+Prins bedaard.
+
+</p>
+<p>&#8220;Als het Uwe Hoogheid schikte, morgen om elf uur,&#8221; antwoordde de Heer Van Heenvliet, terwijl hij zijn prachtig gouden met
+diamanten bezette horloge uit den zak haalde. &#8220;Maar Uwe Hoogheid zal mij thans excuseeren, dat ik Haar quitteer. Ik heb nog
+dringende zaken te doen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik dank U voor uw bezoek, mijnheer Van Heenvliet,&#8221; zeide de Prins. &#8220;Vergeet vooral niet, morgen om elf uur, mijne paarden
+te komen zien. Ik zal zorgen ook in den stal te zijn. Denk er aan, dat ik hoogen prijs stel op uw opinie.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Heer Van Heenvliet boog en verliet het vertrek.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij moet zeker naar de &#8220;Oude Zwaen,&#8221; dat hij zoo&#8217;n haast maakt,&#8221; zeide Boreel glimlachend. &#8220;Daar zal hem wel de een of andere
+vriend met het verkeerbord wachten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoudt gij het denken?&#8221; vraagde de Prins.
+
+</p>
+<p>&#8220;Voorzeker, Uwe Hoogheid,&#8221; zeide Buat. &#8220;De Heer Van Heenvliet is een der trouwste bezoekers van de &#8220;Oude Zwaen.&#8221; Men kan hem
+daar alle dagen vinden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ziedaar het voorrecht van hen, die in het <span class="letterspaced">Noordeinde</span> wonen,&#8221; zeide de Prins. &#8220;Zij bespieden niet alleen de gangen van de personen, die op het Hof van <span class="letterspaced">Brandw&#307;k</span> komen, maar weten ook, wie de &#8220;Oude Zwaen&#8221; bezoeken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Met uw verlof, Uwe Hoogheid,&#8221; hernam Boreel. &#8220;Onze goede vriend Buat is zelf een trouw bezoeker van genoemde herberg. Zeker
+heeft hij Heenvliet daar dikwerf ontmoet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En wat zegt gij van dat herhaalde bezoek bij hare Hoogheid, de Prinses-weduwe?&#8221; vraagde Zuijlestein.
+<a id="d0e4193"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4193">162</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Wat zal ik er van zeggen, Zuijlestein,&#8221; antwoordde de Prins. &#8220;Wat de Heer De Witt voor mij gedaan heeft, is zelden tot mijn
+voordeel geweest. Ik durf mij nog niet vleien.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De Raadpensionaris is voorzichtig,&#8221; merkte Boreel aan. &#8220;Hij zal begrijpen, dat het tijd is, voor de noodzakelijkheid te bukken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het zou zeker een verstandige trek van hem zijn,&#8221; hervatte Buat. &#8220;En mocht Uwe Hoogheid een aanstelling erlangen, dan beveel
+ik mij in Hare gunst aan, om door hare voorspraak bevorderd te worden en weder in actieven dienst<a id="d0e4200src" href="#d0e4200" class="noteref">3</a> te treden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Beste Buat,&#8221; zeide de Prins. &#8220;Laat ons toch de huid niet verkoopen, alvorens de beer geschoten is.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zoudt gij niet denken, mijne lezers, dat de Prins zeer onverschillig was omtrent zijne bevordering?&#8212;En toch&#8212;wanneer gij in
+dat hart hadt kunnen lezen, dat vol scheen van maaltijden en paarden en onvatbaar voor elke opwekking tot iets groots, dan
+hadt gij daar meer eerzucht in gezien, dan zelfs Heenvliet misschien wel zou gewenscht hebben,&#8212;een eerzucht die zich niet
+alleen uitstrekte tot het kapitein-generaalschap, maar ook tot het stadhouderschap, hetwelk zijne vaderen met zooveel lof
+bekleed hadden.
+
+</p>
+<p>Wij willen het viertal niet verder in hunne gesprekken volgen, en keeren omtrent twee uren later in het vertrek van den Prins
+terug, waar wij hen allen, behalve Boreel, terugvinden. Op het oogenblik, waarvan ik spreek, dient de kamerdienaar den Raadpensionaris
+aan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Goede tijding, Willem!&#8221; fluisterde Zuijlestein, terwijl hij den Prins de hand reikte. &#8220;Ik wensch u geluk met uwe benoeming.&#8221;
+<a id="d0e4214"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4214">163</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Ik ben verheugd, dat ik een der eersten zal zijn, die de goede tijding verneem,&#8221; zeide Buat.
+
+</p>
+<p>Op dit oogenblik kwam de Raadpensionaris het vertrek binnen. De prins stond op en ging hem te gemoet. Beiden plaatsten zich
+tegenover elkander op de stoelen, door Zuijlestein en Buat nedergezet.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb mij gehaast,&#8221; begon de Raadpensionaris, &#8220;U zelf het eerst de heuglijke tijding mede te deelen van de favorabele resolutie,
+welke de Heeren Staten wel hebben gelieven te nemen ten aanzien van het verzoek van Uwer Hoogheids grootmoeder, de Prinses-weduwe.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8217;s Prinsen gelaat klaarde op: hij voelde een zenuwachtige trilling door zijn geheele lichaam. De beide Heeren bleven in gespannen
+aandacht bij den schoorsteen staan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Een verzoek van mijne geachte grootmoeder,&#8221; zeide de Prins. &#8220;Wat hield dat verzoek in, als ik vragen mag?&#8221;
+
+</p>
+<p>De Raadpensionaris haalde eenige toegevouwen papieren uit zijn zak, legde die op de tafel neder en nam er beurtelings een
+van op.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hare Hoogheid de Prinses-weduwe heeft op heden, den tweeden van Grasmaand, aan mijne Souvereinen, de Edel-Groot-Mogende Heeren
+Staten over <span class="letterspaced">Holland</span> en <span class="letterspaced">West-Friesland</span>, het verzoek herhaald, reeds in 1660 door Hare Hoogheid en door wijlen Uwe moeder Mevrouw de Prinsesse Royaal gedaan, dat
+Uwer Hoogheid het geluk mocht te beurt vallen, onder staatsdirectie en conduite<a id="d0e4235src" href="#d0e4235" class="noteref">4</a> te mogen verkrijgen die onderwijzing, door welke zij de rechten en de maximen<a id="d0e4238src" href="#d0e4238" class="noteref">5</a> dezer Republiek grondig zou leeren begrijpen en erkennen en daardoor bekwaam mocht gemaakt worden, om ten eenigen tijde,
+des noodig, den Staat te dienen.&#8221;
+<a id="d0e4241"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4241">164</a>]</span></p>
+<p>Terwijl De Witt deze woorden uitte, was de Prins beurtelings rood en bleek geworden. Om zich niet te verraden, had hij den
+zakdoek voor den mond gehouden en worstelde thans met een hevige hoestbui.
+
+</p>
+<p>&#8220;En heeft mijne grootmoeder <i>dat</i> verzoek herhaald?&#8221; vraagde hij met een van aandoening trillende stem aan De Witt.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie anders dan zij?&#8221; vraagde De Witt, terwijl geen spier in zijn gelaat de vreugd deed blijken, die er in zijn hart huisvestte.
+Ook de Prins had zich hersteld; want met kalmte wendde hij zich tot Buat en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wees zoo goed, te zorgen, dat mijn karos straks voorkome. Ik moet naar het <span class="letterspaced">Noordeinde</span> om Harer Hoogheid mijnen dank te betuigen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Voorzeker,&#8221; antwoordde De Witt. &#8220;Maar niet minder dankbaar zal Uwe Hoogheid aan mijne Souvereinen, de Heeren Staten, zijn
+voor de goedgunstige wijze, waarop zij dat verzoek hebben opgenomen<a id="d0e4258src" href="#d0e4258" class="noteref">6</a>. Hunne Edel-Groot-Mogenden hebben tot geautoriseerden en gecommitteerden tot Uwer Hoogheids opvoeding benoemd de Heeren:
+Wichold van der Does, uit de Ridderschap, Adriaan van Blijenburg, Heer van <span class="letterspaced">Naaldw&#307;k</span>, Oud-burgemeester en Raad van de stad <span class="letterspaced">Dordrecht</span>, Gillis Valkenier, Burgemeester en Raad van <span class="letterspaced">Amsterdam</span>, Nanning Foreest, Raad en Meester van de rekenkamer der domeinen en Raad en Vroedschap te <span class="letterspaced">Alkmaar</span> en&#8212;mijn persoon....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ook Uwe Edelheid?&#8221; hernam de Prins op een toon, die weinig twijfel liet aan den onaangenamen indruk, welken deze tijding
+op hem maakte.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ook mij. Is dat Uwer Hoogheid ongevallig?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Integendeel. De lijst dier onbekende Heeren was mij onaangenaam. Uwe Edelheid ken ik.&#8221;
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p164a.jpg" alt="" width="720" height="491"></div><p>
+
+<a id="d0e4288"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4288">165</a>]</span></p>
+<p>&#8220;En Hunne Edel-Groot-Mogenden hebben mij specialen last en bevel gegeven om bij alle fortable<a id="d0e4291src" href="#d0e4291" class="noteref">7</a> middelen onder Gods genadigen zegen voornamelijk te behartigen en zorg te helpen dragen, dat Uwe Hoogheid wel en grondig
+moge worden ge&iuml;nstrueerd in de ware Christelijke gereformeerde religie, mitsgaders in de goede en heilzame rechten, privilegi&euml;n
+en maximen van dezen staat.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hier hield De Witt op. Ook de Prins zweeg. Eindelijk vatte deze het woord, en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Alzoo hebben de Heeren Staten van <span class="letterspaced">Holland</span> mij, op vijftienjarigen leeftijd, gemaakt tot....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Tot kind van den Staat,&#8221; voleindigde De Witt, die wel zag, dat de Prins niet bij machte was het woord te uiten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik verzoek u, mijnheer de Raadpensionaris,&#8221; zeide de Prins kalm, maar met fonkelende oogen, &#8220;Hunnen Edel-Groot-Mogenden mijn
+dank te brengen voor hunne goedheid, en hun te verzekeren, dat ik alle pogingen zal aanwenden, om mij die goedheid zooveel
+mogelijk waardig te maken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zulke gevoelens vereeren den afstammeling van den grooten Zwijger,&#8221; zeide De Witt. &#8220;Men moet leeren zich in de omstandigheden
+te schikken, en Uwe Hoogheid mag zich gelukkig rekenen, dat Hunne Edel-Groot-Mogenden geen gehoor hebben gegeven aan de stem
+van een partij, die, als men naar haar hoorde, het Land zou ten onder brengen. Intusschen heb ik hier nog een derde resolutie
+van de Heeren Staten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Betreffende deze zaak?&#8221; vraagde de Prins, die hoop voedde, dat misschien bij het verklaren tot &#8220;kind van den Staat&#8221; een benoeming
+gevoegd was.
+
+</p>
+<p>&#8220;Juist, betreffende deze zaak. Hunne Edel-Groot-Mogenden hebben terecht begrepen, dat Uwe Hoogheid geheel aan den <a id="d0e4311"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4311">166</a>]</span>invloed van onze vijanden, de Engelschen, moet worden onttrokken, en dus geresolveerd, dat Uwe geheele hofhouding zal worden
+veranderd.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe, mijnheer De Witt!&#8221; riep de Prins uit, een oogenblik zijne bedaardheid verliezende. &#8220;Mijne trouwe vrienden en mijne oude
+bedienden zoo maar aan den dijk te zetten!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Verontrust u over hen niet. Zij zullen, indien zij er slechts om vragen, met andere posten worden begiftigd. Mijnheer Van
+Zuijlestein,&#8221; ging De Witt voort, zich tot dezen wendende, &#8220;de Heeren Staten zullen u vijf jaren lang een wedde van vierduizend
+gulden uitkeeren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar ik zal mijn pupil niet verlaten, mijnheer de Raadpensionaris,&#8221; zeide deze driftig. &#8220;De Heeren Staten hebben er zeker
+niet aangedacht, dat ik mijne aanstelling heb van de Prinses-weduwe.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En Uwe Edelheid vergeet, dat hare Hoogheid hare rechten als voogdes op de Heeren Staten heeft overgedragen. Gij zult <i>wel</i> vertrekken, mijnheer Van Zuijlestein.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar, mijnheer De Witt!&#8221; zeide de Prins smeekend. &#8220;De Staten zullen mij toch wel niet van <i>al</i> mijne vrienden willen berooven. Ik smeek het u: laat mij slechts Zuijlestein, Boreel en Buat.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is onmogelijk,&#8221; hernam De Witt.&#8212;&#8220;De Heer Van Zuijlestein zal worden vervangen door den Heer Van Gendt, gecommitteerde
+van <span class="letterspaced">Gelderland</span>.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zal mij per request tot de Heeren Staten wenden, om slechts die drie te behouden,&#8221; hernam de Prins.
+
+</p>
+<p>&#8221;&#8217;t Zal Uwe Hoogheid weinig baten,&#8221; hervatte De Witt. &#8220;Intusschen, Uwe Hoogheid kan het beproeven. En thans wachten mij mijne
+bezigheden. Misschien vindt Uwe Hoogheid mij nog wel bij Hare Hoogheid de Prinses-weduwe, wanneer Gij haar Uwen dank komt
+betuigen.&#8221;
+<a id="d0e4338"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4338">167</a>]</span></p>
+<p>En met deze woorden nam de Raadpensionaris afscheid. Nauwelijks was hij vertrokken, of de Prins barstte in tranen uit.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p167.jpg" alt="" width="611" height="502"></div><p>
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Groote God!&#8221; riep hij uit. &#8220;<i>Ik</i> kind van den Staat! <i>Ik</i> de ondergeschikte van De Witt!&#8212;Zuijlestein! mijn oom, mijn eenige vriend! Gij van mij weg!&#8212;Maar!&#8221; hernam hij opstaande en
+met plechtigen ernst de vuist ballende: &#8220;wacht maar, Heeren Staten! Wacht maar! Daar zal misschien nog eens een tijd komen,
+dat het <span class="letterspaced">Kind van den Staat</span> u allen tot <span class="letterspaced">kinderen van den Prince van Oranje</span> maakt<a id="d0e4358src" href="#d0e4358" class="noteref">8</a>.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zoo had De Witt de luisterrijkste overwinning behaald, die hij ooit in zijne staatkundige loopbaan heeft mogen behalen: <a id="d0e4369"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4369">168</a>]</span>op hetzelfde oogenblik dat zijne vijanden meenden, dat hij vallen zou, plaatste hij zich vaster dan ooit in den zetel des
+bestuurs. De arme Prins echter werd, op hetzelfde oogenblik dat hij hoopte werkzaam te zijn ten dienste van den Staat, geheel
+en al een werktuig van De Witt en toch was deze tijd van verdrukking onder den Goddelijken zegen nuttig voor hem en deed in
+hem vermogens en krachten rijpen, die nimmer in hem zouden zijn ontwikkeld, als hij reeds op vijftienjarigen leeftijd was
+bevorderd tot eene betrekking, waartoe hij nog niet in staat was geweest.
+
+</p>
+<p>Wij verlaten nu <span class="letterspaced">Den Haag</span>, en begeven ons een maand later, in de helft der maand Mei, naar de vloot van De Ruyter, die bij <span class="letterspaced">Texel</span> lag. &#8217;t Was een schoon gezicht, die vijf en tachtig oorlogsschepen daar zoo rustig te zien liggen met hunne hooge kampanjes,
+wier glasruiten in de zon schitterden, en wier van lof- en snijwerk voorziene borstweringen en lantaarns zoo sierlijk afstaken
+bij de lompe, bruine bodems. &#8217;t Was een schoon gezicht, die tallooze masten met hun touwwerk en raas, <span id="d0e4379" class="corr" title="Bron: m et">met</span> hunne uitgespannen zeilen en ontelbare vlaggen en wimpels, die vroolijk in de lucht fladderden en, door den oostenwind bewogen,
+schenen te wijzen naar de Engelsche kusten, waar de vijand van het vaderland hen verwachtte, om te beslissen wie de sterkste
+zou zijn. Ik wil u niet opnoemen, welke Admiraliteiten die schepen hadden laten bouwen, noch hoe de namen van al die vaartuigen
+waren;&#8212;ik ga liever met u naar het Luitenant-admiraalsschip van onzen onsterfelijken De Ruyter, waar wij alles in drukke bezigheid
+vinden. Ziet maar, hoe die vlugge matrozen in het want klimmen, alsof zij de zeilen wilden innemen; hoe zij dat echter niet
+doen, maar als koorddansers over de raas loopen en op de nokken blijven zitten; hoe de anderen daar op het dek en op de andere
+dekken bezig zijn de geschutpoorten te openen en de kanonnen te richten; kortom, hoe men alle <a id="d0e4382"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4382">169</a>]</span>mogelijke scheepsmanoeuvres maakt, als ware men in volle zee en in het gezicht van den vijand.
+
+</p>
+<p>Wanneer wij ons naar het roer begeven, dan vinden wij daar onzen ouden kennis, den stuurman Klaas weder, die met Pieter en
+Jonker Engel in gesprek is, terwijl zij hunne oogen onafgewend gevestigd houden op twee jachten, die niet ver van daar liggen
+en eene menigte groote Heeren en hooge personages aan boord hebben.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ziet gij daar,&#8221; zeide Pieter, &#8220;dien mageren, tengeren knaap, die zooveel pret schijnt te hebben in de vlugheid onzer matrozen,
+met die wapperende veer op zijn hoed en dien donkerblauwen fluweelen mantel, dien hij zoo dicht om zich heengeslagen heeft?
+Dat is Zijne Hoogheid.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waar?&#8221; zeide Engel. &#8220;O, ik zie het al. Daar staat hij. Wie zou die Heer zijn, met wien hij zoo druk aan het spreken is en
+die hem schijnt te zeggen, wat het een en ander beteekent?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ken hem niet,&#8221; antwoordde Pieter.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan zal het de Heer van Gendt zijn,&#8221; zeide Engel, &#8220;die eerst sedert kort tot &#8217;s Prinsen goeverneur is benoemd. In <span class="letterspaced">Amsterdam</span> heb ik daar veel over hooren spreken. Zie, die daar met zijn zwart fluweelen mantel is de Heer Johan de Witt, de Raadpensionaris,
+die als gemachtigde der Heeren Staten het uitloopen der vloot zal bevorderen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zijne kleeding steekt nog al af bij die van al deze groote Heeren,&#8221; zeide Klaas Dirkz. &#8220;Ik geloof dat er jannen onder zijn.
+Maar daar wenden zij. Ha, zij komen aan ons boord. Daar lossen zij reeds de saluutschoten.&#8221;
+
+</p>
+<p>En waarlijk praaiden de beide jachten &#8220;de Zeven Provinci&euml;n,&#8221; waar de Luitenant-admiraal de Heeren in zijn statiekleeding ontving.
+Eerst kwam de Keurvorst van Brandenburg en toen de Prins van Oranje.
+
+</p>
+<p>&#8220;Behoedzaam, neefje!&#8221; zeide de eerste tot den Prins. &#8220;Doe <a id="d0e4403"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4403">170</a>]</span>bist hier nicht op das <span class="letterspaced">Pinnenhof</span> of op das hof von <span class="letterspaced">Prandweich</span>, waar de treppen mit tapeeten bedekt zind. Het is hier noer eene sjeepstreppe.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Onze Luitenant-admiraal heeft toch voor een gemakkelijke trap gezorgd,&#8221; antwoordde de Prins lachende, terwijl hij reeds den
+voet op het dek zette. &#8220;Aha! daar is Zijne Edelheid. Mijn hartelijken groet, Heer Luitenant-admiraal!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijn welkomsgroet zij Uwer Hoogheid toegebracht,&#8221; zeide de ronde Zeeuw, terwijl hij den hoed afnam.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb recht schik gehad in de vlugheid uwer matrozen,&#8221; hernam de Prins. &#8220;Zij zijn goed geoefend.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat behoort ook zoo, Uwe Hoogheid,&#8221; hernam De Ruyter, die den Prins over het dek naar de kampanje leidde, waar eenige ververschingen
+gereed stonden.
+
+</p>
+<p>Zij werden gevolgd door den Keurvorst van <span class="letterspaced">Brandenburg</span>, door de Vorsten van <span class="letterspaced">Holstein</span> en <span class="letterspaced">Anhalt</span>, door den Prins van Nassau, de graven van <span class="letterspaced">Solms</span>, <span class="letterspaced">Dhona</span> en <span class="letterspaced">Hoorne</span>, de Heeren Van Brederode en Van Gent en eene menigte andere aanzienlijke personages. Nadat men iets gebruikt had, leidde
+De Ruyter de gevolmachtigden en de Heeren het geheele schip rond, terwijl de Prins een kennis van de zeevaart aan den dag
+legde, die ieder verwonderde. Toen men weder aan de statietrap was gekomen, zeide De Ruyter:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben zeer gehonoreerd geweest, zoo vele notabele Heeren aan mijn boord en bij mijn geringen persoon te zien. Meer genoegen
+echter zou het mij doen en tot meer eer zou het mij strekken, als de Heeren mij op morgen het contentement wilden aandoen,
+om op mijn schip den maaltijd te gebruiken, ten minste als zij zich mijn zeemanskost willen laten smaken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, volgaarne! Wij nemen het aan!&#8221;
+
+</p>
+<p>Daarna gingen zij weder in de jachten, voeren de vloot rond, door al de schepen met saluutschoten verwelkomd en gingen <a id="d0e4445"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4445">171</a>]</span>nog aan boord van de Luitenant-admiralen Van Nes en Tromp. Op het laatste schip juichte het volk onophoudelijk &#8220;leve de Prins
+van <span class="letterspaced">Oranje</span>!&#8221; en dat gejuich scheen aanstekelijk te zijn; want zoo lang de jachten door de vloot voeren, klonk het onophoudelijk: &#8220;leve
+de Prins van <span class="letterspaced">Oranje</span>!<span id="d0e4453" class="corr" title="Bron: ">&#8221;</span> Op elk der admiraals-schepen werd het volk met vijftien ton zwaar bier beschonken. Of dit geschenk van wege het land of van
+wege de hooge gasten was, vind ik niet geboekt. Des avonds voeren de beide jachten naar <span class="letterspaced">Den Helder</span>, waar de genoodigden en gemachtigden den nacht doorbrachten.
+
+</p>
+<p>Den volgenden dag reeds vroegtijdig stapten onze hooge personages weder in hunne beide scheepjes, en voeren andermaal naar
+de vloot, waar zij nog de schepen van den kapitein Van der Zaan, van de Vice-admiralen De Liefde en Van der Hulst en van den
+kolonel der zeesoldaten, Willem Jozef van Gent, bezichtigden. Daarna voeren zij weder aan De Ruyters boord, waar zij heerlijk
+en heusch onthaald werden. Ik zal u geene beschrijving geven van hetgeen onze zeeheld opdischte; alleen durf ik u verzekeren,
+dat de hooge gasten uiterst tevreden waren over zulk een zeemanskost en dat er geen gebrek was aan verscheidenheid van wijn.
+Ook ontbrak het pekelvleesch niet; want De Ruyter zou niet gegeten hebben, wanneer er d&agrave;t niet of ten minste geen sterk gezouten
+vleesch voorhanden was.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik mocht wel einmaal ein tochtje met U op das meer doen,&#8221; zeide de Keurvorst van <span class="letterspaced">Brandenburg</span> tegen De Ruyter.
+
+</p>
+<p>&#8220;Uwe Hoogheid zou daarvan spoedig den buik vol hebben,&#8221; antwoordde deze. &#8220;Het zou al heel gauw wezen: Zet mij maar weer aan
+land; want ik word zoo kwalijk.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En de Herr De Witt heeft daar vergangen jaar wel de phroef van genommen en toch ganz viel sjtormen doorgesjtanden,&#8221; merkte
+de vorst Van Anhalt aan.
+<a id="d0e4470"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4470">172</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Ja, waaroem soltte der herr Raadpensionair dagegen kunnen en wir&#8217;s nicht vermeugen?&#8221; vraagde de Keurvorst.
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat Zijne Edelheid Uwer Hoogheid dat zelf beantwoorden,&#8221; zeide De Ruyter. &#8220;Ik weet niet, welk een wonderman Mijnheer De
+Witt is; maar op mijn woord als Zeeuw kan ik U verzekeren, dat Zijne Edelheid geen zweem van zeeziekte gehad heeft. En wij
+hadden nog al wat boos weer.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ich denke,&#8221; zeide de graaf Van Solms, &#8220;dat Zijne Edelheid den kop te vol sjaatsaffaires heeft, om an den magen te denken
+en dass doerch het sjommelen van het schiff kein invloess op hem heeft.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En ich denke, dat der Herr Raadpensionair fr&uuml;her wohl einmal ter zee gefaren heeft,&#8221; meende de Vorst Van Holstein. &#8220;Gij vergeet,
+dass <span class="letterspaced">Dordrecht</span>, Zijner Edelheids geboorteplaats, ein hafen ist.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Uwe Hoogheid vergist zich,&#8221; zeide De Witt glimlachend. &#8220;De stad <span class="letterspaced">Dordrecht</span> drijft wel veel handel, maar is volstrekt geen zeestad. Intusschen ben ik in mijne jeugd meermalen met boos weer op de <span class="letterspaced">Moerd&#307;k</span> geweest en het is misschien daaraan toe te schrijven, dat ik van die lastige zeeziekte ben verschoond gebleven. Als ik U
+echter de ware reden moet zeggen: ik schaamde mij om zeeziek te worden in de tegenwoordigheid van een man als den Luitenant-admiraal
+onzen gastheer, op wien ik U wel verzoek uw glas te ledigen. Leve onze Luitenant-admiraal De Ruyter en moge Zijne Edelheid
+spoedig aan de Engelschen leeren, dat de Hollandsche zeeleeuw den Britschen panter nog niet vreest!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Leve de Luitenant-admiraal De Ruyter!&#8221; riepen allen, terwijl zij hunne glazen ledigden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik dank de Heeren wel en den Heer Raadpensionaris in het bijzonder voor de goedheid om mijner in hunnen dronk te gedenken,&#8221;
+zeide De Ruyter, terwijl hij opstond en een zijner <a id="d0e4494"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4494">173</a>]</span>bedienden een wenk gaf. Op hetzelfde oogenblik knalden er twaalf schoten van het admiraalsschip.
+
+</p>
+<p>&#8220;Was ist das?&#8221; riep de vorst Van Anhalt uit. &#8220;Die Engelsjen zijn doch nicht gekommen, dass gij met hen sjlaags zijt geraakt?
+Indien das waar was, zoo zouden wir das onuitsjpreekliche gen&uuml;gen haben einen zeesjlag bij te wonen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dien zal Uwe Hoogheid zien,&#8221; antwoordde De Ruyter. &#8220;Mijne Heeren! ik noodig u allen uit, mij naar het dek te volgen, dan
+zult gij in het klein een zeestrijd aanschouwen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Bravo! bravo!&#8221; juichten al de gasten en volgden De Ruyter op het dek.
+
+</p>
+<p>Het was een prachtige aanblik, die hen daar wachtte. De twee kleine fregatten of adviesjachten &#8220;&#8217;t Hert&#8221; onder kapitein Pieter
+van Wijnbergen en &#8220;Zwolle&#8221; onder kapitein Dirk de Munnik, het eerste van zestien en het andere van acht stukken, leverden
+elkander een spiegelgevecht, voeren telkens op elkander aan en gaven malkander dan de volle laag met los kruit, zeer ten genoegen
+van al de hooge personages, meer dan de kunsten van een der matrozen, die zich boven op den bal van den vlaggestok der groote
+bramsteng begaf en daarop met zijn hoofd ging staan, terwijl hij beide beenen in de lucht stak. Het was dan ook een noodeloos
+waagstuk; want een mensch mag niet zoo met zijn leven spelen.
+
+</p>
+<p>De Prins van Oranje had zich intusschen weder bij De Ruyter gevoegd.
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijnheer de Luitenant-admiraal,&#8221; begon hij, &#8220;Uwe Edelheid heeft aan uw boord een zekeren Pieter Pietersz, niet waar?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Die mij door Uwe Hoogheid is aanbevolen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Juist, dezelfde. Hoe maakt hij het? Past hij goed op?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Uitmuntend. Hij is een knap timmerman en heeft verleden jaar met de stormen vrij wat dienst bewezen. Ook geloof ik, dat er
+moed onder zijn matrozenbuis steekt.&#8221;
+<a id="d0e4514"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4514">174</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Moed, Admiraal? Meer dan Uwe Edelheid misschien denkt.&#8221; En de Prins verhaalde hem, wat er met Pieter op <span class="letterspaced">Hondsholred&#307;k</span> en op het veldijs gebeurd was.
+
+</p>
+<p>&#8220;Inderdaad&#8212;dat zijn trekken van groote courage en onversaagdheid, die veel beloven. En toch geloof ik niet, dat uw gunsteling
+voor zeeman in de wieg is gelegd.&#8221;
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p174.jpg" alt="" width="521" height="512"></div><p>
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zou hem gaarne eens zien,&#8221; hernam de Prins. &#8220;Ik heb al naar hem rondgekeken.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Ruyter wenkte een matroos en gebood dien, Pieter te roepen. Binnen weinige oogenblikken was hij bij hen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Je bent groot geworden, Pieter,&#8221; zeide de Prins. &#8220;Ik zou je niet herkend hebben. Hoe oud ben je thans?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Achttien jaren, Uwe Hoogheid,&#8221; antwoordde Pieter.
+<a id="d0e4533"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4533">175</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Dan ben je mij vooruit,&#8221; hervatte de Prins. &#8220;En ik hoor, tot mijn genoegen, dat mijnheer de Luitenant-admiraal over je tevreden
+is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie zou niet oppassen, als hij zulk een voorbeeld voor oogen heeft, als onzen Luitenant-admiraal!&#8221; zeide Pieter.
+
+</p>
+<p>&#8220;Daarin heb je gelijk,&#8221; antwoordde de Prins. &#8220;En hoe vaart je oom, de stuurman Klaas Dirksz?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij is springlevend,&#8221; antwoordde Pieter. &#8220;Maar vergun mij, dat ik Uwer Hoogheid iets vrage. Ik heb onder het gevolg Uwer
+Hoogheid tevergeefs naar mijn broeder Karel gezocht. Hij is toch niet ziek, of uit uwen dienst?&#8221;
+
+</p>
+<p>Het gelaat van den Prins betrok; het waren treurige herinneringen, welke Pieter bij hem te voorschijn riep.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij is niet meer in mijn dienst, Pieter,&#8221; gaf hij ten antwoord. &#8220;Het is echter buiten zijn schuld en er is voor hem gezorgd.&#8221;
+
+</p>
+<p>Tegen het vallen van den avond vertrokken de vorsten en heeren, vergezeld door de sloepen van al de oorlogsschepen, naar den
+wal. De Keurvorst had honderd zilveren ducatons (&#402; 315) aan de matrozen van De Ruyters schip gegeven en toen de heeren aan
+land kwamen, opgewacht door een tallooze menigte, wierpen zij eenig goud- en zilvergeld onder het volk te grabbelen. Op den
+eersten Juni daaraanvolgende, stevende de vloot het ruime sop in.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/o029.gif" alt="Ornament." width="189" height="53"></div><p>
+
+
+
+<a id="d0e4552"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4552">176</a>]</span></p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4050" href="#d0e4050src" class="noteref">1</a></span> Zie Bladz. <a href="#d0e2423">88</a>.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4144" href="#d0e4144src" class="noteref">2</a></span> Het Oude Hof, vroeger het paleis van koning Willem I en thans dat van onze tegenwoordige koningin, in het <span class="letterspaced">Noordeinde</span>.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4200" href="#d0e4200src" class="noteref">3</a></span> De Heer Buat was ritmeester van een regiment, dat in <span class="letterspaced">Bergen op Zoom</span> lag en slechts bestond uit een luitenant, een sergeant en een werf-officier, om in tijd van nood voltallig te worden gemaakt.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4235" href="#d0e4235src" class="noteref">4</a></span> Leiding.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4238" href="#d0e4238src" class="noteref">5</a></span> Grondregels of instellingen.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4258" href="#d0e4258src" class="noteref">6</a></span> Hetgeen hier volgt, is grootendeels in de resoluti&euml;n van den 2<sup>den</sup> tot den 15<sup>den</sup> April vervat. Ik neem ze hier maar bij elkander.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4291" href="#d0e4291src" class="noteref">7</a></span> Krachtige.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4358" href="#d0e4358src" class="noteref">8</a></span> Toen de Staten bezig waren over dit onderwerp, zeide een voornaam Lid van hunne Vergadering: &#8220;De geachte spreker meent te
+maken van den Prins een <span class="letterspaced">kind van den Staat</span>. Maar ik vrees, dat het niet lang zal duren, of de Staat zal zijn een <span class="letterspaced">kind van den Prins</span>.&#8221;
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="d0e4553" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e112">Inhoud</a>]
+</span><div class="figure"><img border="0" src="images/o001.gif" alt="Ornament" width="570" height="134"></div>
+<h2 class="label">Dertiende Hoofdstuk.</h2>
+<h2>Hoe de Raadpensionaris rekenles gaf.</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/in176.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 90px;&#xA; height: 86px;&#xA; background: url(images/in176.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">N</span>iet tevergeefs hadden de Heeren in De Ruyters kampanje gedronken op het welzijn van den Luitenant-admiraal en had de Raadpensionaris
+in dien dronk begrepen, dat de Hollandsche leeuw zou toonen, den Britschen panter niet te vreezen; de dagen voor den elfden,
+twaalfden, dertienden en veertienden Juni van het jaar 1666 waren getuigen van een luisterrijke overwinning, door onze vloot
+op de Engelsche behaald. Een zeeslag van vier dagen! hoor ik u zeggen.&#8212;Ja, een vierdaagsche zeeslag, de hevigste die ooit
+werd bevochten en die niet alleen den roem onzer vloot herstelde, in den laatsten, ongelukkigen slag zoo deerlijk verloren
+gegaan, maar een onsterfelijke gloriekroon wond om het hoofd van onzen De Ruyter, wien men de ziel der vloot noemde en van
+wien men zeide, dat hij de maat sloeg in het grof muziek van zooveel duizenden kartouwen<a id="d0e4560src" href="#d0e4560" class="noteref">1</a>; om den schedel van onzen Van Nes, die, toen De Ruyters groote steng <a id="d0e4563"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4563">177</a>]</span>was afgeschoten, de admiraalsvlag overnam en met zooveel beleid een tijd lang het opperbevel voerde, dat geen der vijanden
+de tijdelijke afwezigheid van den vlootvoogd bemerkte; en om de slapen van onzen Tromp, die in zijne niets ontziende dapperheid
+zoo dikwerf van schip had moeten verwisselen, dat de Engelschen, telkens zijne vlag van een ander schip ziende waaien, met
+verbazing vraagden: &#8220;zijn er dan vijf of zes Trompen op de Staatsche vloot?&#8221;
+
+</p>
+<p>Ik wil u ditmaal geen beschrijving van dien zeeslag geven. Wilt gij ze lezen, dan beveel ik u daartoe Brandts geschiedenis
+van De Ruyter Bldz. 478&#8212;494 aan. Ik wil u alleen mededeelen, dat De Ruyter den vierden dag de <i>bloedvlag</i> liet hijschen, tot sein om allen te gelijk op den vijand aan te vallen, dat toen de Engelschen op de vlucht werden gejaagd
+en het alleen aan den invallenden dikken mist te danken hadden, dat zij voor grootere schade werden gespaard. Van onze zijde
+verloren wij den Vice-admiraal Van der Hulst, wiens graftombe men nog in de Oude kerk te <span class="letterspaced">Amsterdam</span> ziet en den Luitenant-admiraal Cornelis Evertsen, wien ook een praalgraf werd opgericht. De Engelschen verloren hunne Vice-admiralen
+Barclay en Mings. Het lijk van den eerste viel in onze handen, werd hier gebalsemd en met een jacht naar <span class="letterspaced">Engeland</span> gezonden, over welke beleefdheid Karel II zeer gevoelig was. Wij hadden omstreeks 800 dooden en 1450 gekwetsen; de Engelschen
+5 &agrave; 6000 dooden en 3000, die in onze handen waren gevallen; terwijl 23 hunner schepen deels gezonken of verbrand, deels genomen
+en in onze havens waren opgebracht.
+
+</p>
+<p>Minder gelukkig voor ons was de tweedaagsche zeeslag van den 4<sup>den</sup> en 5<sup>den</sup> Augustus daaraanvolgende, geleverd tusschen De Ruyter en denzelfden Monk, hertog van <span class="letterspaced">Albemarle</span>, die de Engelsche vloot in den vierdaagschen zeeslag had aangevoerd. Reeds de eerstgenoemde zeestrijd was bijgewoond door
+vier <a id="d0e4587"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4587">178</a>]</span>Fransche edelen, die op &#8217;s Lands vloot waren gekomen om een zeeslag onder het beleid van zulke beroemde zeehoofden bij te
+wonen: Armand de Grammont, Hertog van Guiche, Louis Grimaldi, Prins van <span class="letterspaced">Monaco</span>, en de beide markiezen La Fert&eacute;. Thans waren er ook vier Fransche edelen als vrijwilligers op de vloot: de baron Busca en
+de ridders van Lorraine, Coaslin en Cavoy. Door de persoonlijke bemoeiingen van De Witt was de vloot binnen 19 dagen van de
+bekomen schade hersteld en weder in staat, om zee te kiezen. De grijze Jan Evertsen, die na den dood van zijn broeder zich
+opnieuw had begeven in den dienst van het Vaderland, waarvoor zijn vader, een zijner zonen en vier zijner broeders het leven
+hadden gelaten, gebood met Tjerk Hiddesz de Vries, die Stellingwerf was opgevolgd, de voorhoede, De Ruyter met Van Nes het
+centrum, en Tromp met Meppel de achterhoede.
+
+</p>
+<p>Omstreeks elf uren voor den middag ontmoetten de beide vloten elkander in volle zee tusschen <span class="letterspaced">Duinkerken</span> en <span class="letterspaced">Noordvoorland</span>. De voorhoede begon het gevecht en hield zich dapper; maar het eene ongeluk kwam bij het andere. Vooreerst was de wind voor
+de Engelschen, en dan nog was er zoo weinig wind, dat De Ruyter met zijn centrum de benarde voorhoede onmogelijk kon te hulp
+komen; ten tweede werden reeds bij de eerste schoten Jan Evertsen en Tjerk Hiddes, benevens de Friesche admiraal Koenders
+doodelijk gekwetst. Toen nu ook tot overmaat van ramp het schip van den Vice-admiraal Bankertsz zonk, die met moeite zijn
+leven redde, werd het smaldeel geheel en al in wanorde gebracht en verstrooid. Intusschen had Monk het centrum onder De Ruyter
+aangetast en kwam hem ook de voorhoede onder Allen te hulp. Hachelijk was nu de toestand der onzen. De voorhoede verstrooid,
+vele van De Ruyters schepen reddeloos, en van de achterhoede onder Tromp en Meppel niets te bespeuren. Onze zeeheld echter
+hield het gevecht tot den avond vol; doch, daar hij zag, dat zijn geringe <a id="d0e4600"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4600">179</a>]</span>vloot niet meer bestand was om aan de overmacht van den vijand het hoofd te bieden, begon hij langzaam te wijken, hopende,
+dat Tromp zich gedurende den nacht met hem zou vereenigen.
+
+</p>
+<p>Maar toen de volgende morgen aanbrak, zag de held wel overal vijanden, maar geen Tromp.
+
+</p>
+<p>&#8220;Sein den Luitenant-admiraal Meppel aan boord,&#8221; zeide hij tot Klaas Dirksz, die zijn post aan het roer niet had verlaten,
+ofschoon de kogels om zijne ooren floten. Onze Pieter bevond zich met de timmerlieden beneden, om zooveel mogelijk ieder lek,
+dat er geschoten werd, te herstellen. De stuurman gaf het roer aan twee matrozen over en seinde den Vice-admiraal: doch op
+hetzelfde oogenblik tuimelde hij, door een Engelschen kogel doodelijk getroffen, door het luik naar beneden en kwam genoegzaam
+voor Pieters voeten te land.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hemelsche Vader!&#8221; riep Pieter, terwijl hij zich op de knie&euml;n bij zijn geliefden oom neerwierp. &#8220;Oom! Oom!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik sterf,&#8221; zeide de stuurman met een flauwe stem. &#8220;De Engelschman heeft mij doodelijk gekwetst.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij zult niet sterven, oom!&#8221; zeide Pieter.
+
+</p>
+<p>&#8220;Vlei je niet, mijn beste jongen,&#8221; hernam Klaas Dirksz gebroken. &#8220;Tegen den dood is geen kruid gewassen. Ik voel hem reeds
+in mijne aderen. Vaarwel, Pieter! groet den Admiraal van mij. Zeg aan De Ruyter...&#8221;
+
+</p>
+<p>Hier kon de stuurman niet meer spreken; vreeselijk draaiden zijne oogen in hunne kassen. Pieter poogde het bloed, dat uit
+de wond vloeide, te stelpen; maar het scheen den stervende te benauwen, die na een hevige stuiptrekking den laatsten adem
+uitblies.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dood! Arme oom Klaas, dood!&#8221; riep Pieter uit, terwijl hij zich als wanhopig op het lijk wierp.
+
+</p>
+<p>&#8220;Pieter!&#8221; klonk eensklaps een stem naast hem. &#8220;Is de stuurman dood?&#8221;
+<a id="d0e4620"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4620">180</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Hij is dood, Jonker Engel. De kogel heeft hem te goed getroffen en de val heeft het overige gedaan. Hoe is het boven gesteld?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ellendig. Nooit heb ik mijn vader z&oacute;&oacute; gezien. De Luitenant-admiraal Van Nes is bij ons aan boord gekomen; vader wilde met
+hem raadplegen. &#8220;Wat zullen wij doen, mijn goede Van Nes,&#8221; riep hij uit, toen de Luitenant-admiraal bij hem in de kampanje
+trad, &#8220;wat zullen wij doen? De andere schepen zijn anderhalve mijl van ons en loopen zoo hard zij kunnen, zonder acht te geven
+op onze seinschoten. Zie, welk een overmacht ons te loef, te lij, van voren en van achteren omringt, en wij&#8212;wij zijn slechts
+met zeven of acht schepen bijeen. Wat zullen wij doen?&#8221; &#8220;Wat wij moeten doen,&#8221; antwoordde Van Nes, &#8220;tegen de overmacht kunnen
+wij het niet uithouden; het best is, ons al wijkende te verweren.&#8221;&#8212;&#8220;Gij hebt gelijk, Van Nes,&#8221; antwoordde vader. &#8220;Daar is
+geen andere uitkomst over. Ach! wat overkomt ons! Ik wou maar, dat ik dood was!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zei uw vader dat?&#8221; zeide Pieter, terwijl hem de tranen uit de oogen sprongen. &#8220;En wat zeide de Luitenant-admiraal?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik wou het ook wel,&#8221; antwoordde Van Nes, &#8220;maar men sterft niet, wanneer men wil. Ik ga naar mijn boord terug en zal u trouw
+blijven tot mijn laatsten ademtocht.&#8221; Dit zeggende, stonden mijn vader en hij op, en&#8212;nauwelijks waren zij de kampanje uit,
+of ziet, daar vloog een Engelsche kogel naar binnen en schoot de beide plaatsen weg, waar zij gezeten hadden!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wonderbaar behoud!&#8221; riep Pieter uit. &#8220;En is Tromp nog niet in het gezicht?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nergens te zien,&#8221; hernam Jonker Engel. &#8220;Maar ik moet weer naar boven. Mijn vader zond mij herwaarts, om naar zijn trouwen
+stuurman te zien.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeg hem, dat de gesneuvelde met zijn naam op de lippen <a id="d0e4635"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4635">181</a>]</span>is gestorven en met brekende oogen mij zijn laatsten groet voor den geliefden Admiraal heeft gegeven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zal het doen. En ga jij ook weer aan het werk. Er is hier genoeg te vinden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zou ik meenen,&#8221; zeide Pieter. &#8220;Maar ik was liever boven, om den dood mijns ooms op die Engelschen te wreken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Je bent hier even nuttig, Pieter, want jij zorgt er voor, dat wij niet verdrinken. Het zal toch nu maar de zaak zijn, om
+ons leven en ons schip te redden. Vaarwel, Pieter! Misschien voor eeuwig!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;God behoede je en je dapperen vader!&#8221; zeide Pieter, terwijl hij Jonker Engel de hand drukte; waarop deze naar boven snelde,
+om aan de zijde zijns vaders te strijden en hem den laatsten groet van Klaas Dirksz over te brengen.
+
+</p>
+<p>Van Nes hield zijn woord en deed wat hij kon, om achter De Ruyter te blijven en met hem de vijanden af te weren. Zoo weken
+zij al vechtende, terwijl zij hun koers naar de Zeeuwsche stroomen richtten. Omstreeks &#8217;s morgens negen uren kregen zij <span class="letterspaced">Westkapelle</span> in het gezicht. De Engelsche Admiraal Monk intusschen, vurig hopende de eer te hebben den grooten zeeheld gevangen te nemen,
+drong al meer en meer met zijne grootste macht op hem aan. Omtrent twaalf uren op den middag zond hij een brander op hem af,
+die &#8220;De zeven Provinci&euml;n&#8221; zoo na kwam, dat er geen ontkomen meer scheen te zijn. Maar ook in den hoogsten nood verloor de
+Admiraal zijn tegenwoordigheid van geest niet. Terstond gaf hij bevel om vier sloepen te bemannen met volk uit vier schepen.
+In De Ruyters sloep begaven zich ook op zijne aanmaning de vier Fransche heeren. Nu hing het behoud van De Ruyters schip,
+ja van de gansche vloot aan een zijden draad. Gelukkig werd de brander, die zoo groot was dat hij wel een oorlogsfregat geleek,
+vernield en door zijn volk verlaten, waaraan de vier Fransche edelen niet weinig toebrachten.
+<a id="d0e4650"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4650">182</a>]</span></p>
+<p>Wel was nu dat gevaar afgewend, doch kort daarna kwam Monk met verscheidene andere Engelsche schepen zoo dicht bij De Ruyters
+vaartuig, en gaven zij in het voorbijzeilen telkens zoo geducht de volle laag, dat alles scheen te barsten en te breken. Nooit
+was onze zeeheld zoo moedeloos geweest als thans. &#8220;Hoe ben ik dan toch zoo ongelukkig?&#8221; riep hij tot zijn schoonzoon De Witte,
+die naast hem stond. &#8220;Is er dan onder zooveel duizenden kogels niet een, die mij wegneemt!&#8221;&#8212;&#8220;Vader!&#8221; zeide De Witte, &#8220;hoe
+kunt ge zoo moedeloos zijn en zulk een wanhopige taal voeren? Wenscht gij te sterven, welnu, laat dan den steven wenden, storten
+wij ons te midden van de vijanden en sterven wij den heldendood!&#8221; Deze taal werkte; De Ruyter zag het verkeerde daarvan in.
+&#8220;Witte,&#8221; zeide hij, &#8220;gij weet niet, wat gij zegt. Als ik dat deed, dan zou alles verloren zijn; maar als ik er mij zelf en
+deze schepen behouden kan afbrengen, dan kan men het werk hervatten.&#8221; Gelukkig daagde er uitkomst. Men was nu zoo dicht bij
+de Zeeuwsche kust, dat de Engelsche Admiraal, vreezende dat zijne schepen op de zandbanken zouden vastraken en stranden, het
+sein tot den aftocht gaf en met zijne vloot weder zee koos.
+
+</p>
+<p>Den volgenden dag kwam ook Tromp met zijn smaldeel de haven van <span class="letterspaced">Vlissingen</span> binnen en begaf zich terstond met Zweers en Van der Zaan aan boord van De Ruyter. Hij had met de zijnen zijn best gedaan;
+want toen de voorhoede aan den slag raakte, was hij even ver van De Ruyter verwijderd als deze van Evertsen, en hij werd evenzeer
+door de windstilte verhinderd, het centrum te naderen. Door de Engelsche achterhoede onder Smith aangegrepen, hadden hij en
+de zijnen zich met de oude dapperheid gekweten en een zwaren strijd te verduren gehad. Hij had zich dus onmogelijk bij De
+Ruyter kunnen voegen, en meende nu allen lof in te oogsten. Verwonderd stond hij te kijken, toen De Ruyter hem toevoegde:
+<a id="d0e4658"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4658">183</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Komt de heer Luitenant-admiraal eens kijken, of ik nog in leven ben? Inderdaad&#8212;het heeft aan U niet gelegen; integendeel&#8212;gij
+hebt dapper uw best gedaan, om mij met &#8217;s lands vloot in handen der Engelschen te leveren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik, Admiraal?&#8221; vraagde Tromp verbaasd. &#8220;Of meent Uwe Edelheid soms, dat ik werkeloos gelegen heb, of lafhartig gevlucht ben?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Indien ik dat meende, Mijnheer Tromp,&#8221; zeide De Ruyter, &#8220;zou ik u gevangen hebben laten nemen als een verrader. Maar zonder
+lafhartig te zijn, kan men wel tegen de krijgstucht zondigen. Waarom zijt gij niet bij de vloot gebleven? Waarom afzonderlijk
+gestreden? Of meendet gij alleen meer roem te behalen, dan onder mijne vlag?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Indien ik mij deswege te verantwoorden heb, zal het aan mijne meesters de Heeren Staten zijn,&#8221; zeide Tromp trotsch.
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar zult gij gelegenheid toe hebben,&#8221; hernam De Ruyter. &#8220;Ik heb Hunne Edel-Groot-Mogenden een getrouw verslag gezonden van
+het gebeurde, en U niet gespaard, evenmin als u, mijne heeren Zweers en Van der Zaan!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Uwe Edelheid moet weten wat Zij doet,&#8221; antwoordde de laatste. &#8220;<i>Wij</i> hebben onzen plicht gedaan en zijn aan onzen eed getrouw geweest.&#8221;
+
+</p>
+<p>Op dit oogenblik verloor De Ruyter zijne gewone bedaardheid, en voer, in tegenwoordigheid van al het scheepsvolk, uit tegen
+Zweers en Van der Zaan. Beide mannen zwegen, ofschoon zij onschuldig waren, daar zij slechts hunne vlag hadden gevolgd. Maar
+Tromp kon niet zwijgen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hadt gij U even goed gekweten, als wij,&#8221; zeide hij, &#8220;dan zouden wij de overwinning behaald hebben. En had ik de achterhoede
+der Engelschen niet afgesneden, het zou met U gedaan zijn geweest. Dan zat gij nu in <span class="letterspaced">Londen</span> als krijgsgevangene.&#8221;
+<a id="d0e4681"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4681">184</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Wij zullen niet verder over de zaak twisten, mijnheer Tromp,&#8221; hernam De Ruyter, die zijne bedaardheid had herkregen. &#8220;Zooals
+gij gezegd hebt, de Heeren Staten zullen tusschen ons beslissen en over ons oordeelen. Wat mij aangaat,&#8212;ik schroom het oordeel
+van mijne meesters niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ook niet,&#8221; hervatte Tromp, terwijl hij De Ruyters boord verliet. &#8220;Ofschoon,&#8221; mompelde hij half verstaanbaar, &#8220;de lieveling
+wel gelijk zal krijgen en de arme aanhanger van het Prinsenhuis achterstaan!&#8221;
+
+</p>
+<p>Zoodra hij aan zijn boord gekomen was, schreef Tromp twee brieven, een aan de Staten-Generaal en een aan de Staten van <span class="letterspaced">Holland</span>, waarin hij, op krachtigen maar bitteren toon, zijn gedrag poogde te rechtvaardigen en De Ruyter te beschuldigen; terwijl
+hij aan het slot van zijn brief zeide, &#8220;dat&#8212;indien hij dan, na al zijne getrouwe diensten voor een schelm moest worden uit
+gekreten&#8212;hij zijn ontslag verzocht, daar het thans geen tijd was, om schelmen <span id="d0e4691" class="corr" title="Bron: ze">te</span> gebruiken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Gij kunt u voorstellen, welk een onaangenamen indruk dat schrijven, vooral bij de Staten van <span class="letterspaced">Holland</span>, verwekte. Daarbij kwam nog, dat de Heer Kievit, gecommitteerde Raad van <span class="letterspaced">Rotterdam</span> (uit den mond van den Heer van Sommelsdijk, die op het schip van Tromp den laatsten zeeslag had bijgewoond, de bijzonderheden
+daarvan vernomen hebbende) een verslag opstelde, waarin hij het gedrag van Tromp hoog opvijzelde en dat van De Ruyter erg
+gispte. Dit stuk had hij laten drukken en verspreiden. Hierover door de Staten van <span class="letterspaced">Holland</span> ter verantwoording geroepen, waagde hij het niet, voor hen te verschijnen, maar vluchtte het land uit. Ook benoemde men een
+commissie, aan welker hoofd de Raadpensionaris stond, om de beschuldigingen te onderzoeken, welke de beide Admiralen tegen
+elkander hadden ingebracht. Met staatkundige voorzichtigheid wilde deze commissie niet beslissen, aan wien de schuld lag <a id="d0e4705"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4705">185</a>]</span>doch gaf als haar gevoelen op, dat het belang van den Staat eischte, een der beide Admiralen te ontslaan. De Staten aarzelden
+geen oogenblik, om in deze netelige zaak te beslissen en zonden aan Tromp het bericht, dat zijne aanstelling als Luitenant-admiraal
+was ingetrokken; terwijl hem tevens verboden werd, zich naar de vloot te begeven, omdat men een opstand vreesde van het aan
+hem zoozeer gehechte scheepsvolk.
+
+</p>
+<p>Dit besluit omtrent Tromp deed den haat tegen de heerschende partij geducht toenemen. Tot eer van den zeeheld moeten wij zeggen,
+dat hij het aanbod, hem door d&#8217;Estrades, den Franschen gezant, gedaan om tegen een aanzienlijk jaargeld koning Lodewijk XIV
+te dienen, van de hand wees, terwijl hij zeide, dat hij liever in zijn vaderland als vergeten burger wilde leven, dan met
+eer en rijkdom overladen, een vreemden vorst dienen. In zijne plaats werd tot Luitenant-admiraal van <span class="letterspaced">Holland</span> benoemd Willem Jozef Van Gent.
+
+</p>
+<p>Keeren wij nog een oogenblik naar De Ruyter terug. Zeer waarschijnlijk was zijne geheele familie naar <span class="letterspaced">Vlissingen</span> gekomen, om den dierbaren man en vader te zien, wiens bijzijn zij zoo lang hadden moeten ontberen. Wij lezen ten minste,
+dat zijn jongste dochtertje, dat den 13<sup>den</sup> September haar elfde levensjaar zou bereiken, een engelachtig, veelbelovend kind, ziek werd aan een besmettelijke ziekte
+en daaraan op den 24<sup>sten</sup> Augustus stierf. Hoe smartelijk dit verlies den braven man aandeed, hij onderwierp zich met de gelatenheid eens christens
+aan Gods wil en poogde zijne droefheid door zijne gewichtige en gedurige bezigheden te lenigen.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>Wij begeven ons nu in het begin van de maand September weder naar &#8217;s-<span class="letterspaced">Gravenhage</span>, waar wij den Prins vinden in een vertrek, genaamd &#8220;de kamer van educatie.&#8221; Het is eene uiterst eenvoudig gemeubelde kamer,
+aan beide zijden met ramen voorzien. <a id="d0e4730"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4730">186</a>]</span>Naast de deur, die in een hoek is, staat een boekenkast, die tot aan de zoldering reikt en waarvoor groote saaien gordijnen
+hangen, waarvan het eene, dat opengeschoven is, een rijke verzameling van boekwerken doet bespeuren, in kalfslederen, hoornen
+en half lederen banden gebonden; bovenaan de duodecimo&#8217;s en octavo&#8217;s, lager de kwarto&#8217;s en onderaan de folianten. Tegenover
+dezen muur is de groote marmeren schoorsteen, boven welken een schilderstuk van Honthorst. Aan de rechterzijde van den schoorsteen
+bevindt zich een deur, evenals de andere met een groen saaien gordijn behangen om tocht te beletten; aan de andere zijde staat
+een kleiner kastje, waarin een atlas van <span id="d0e4732" class="corr" title="Bron: Bleauw">Blaeuw</span><a id="d0e4734src" href="#d0e4734" class="noteref">2</a>, eenige kaarten en de boeken, die in dagelijksch gebruik zijn; terwijl daarop een aard- en hemelglobe prijken en de busten
+van Seneca en Socrates, beide in marmer. In het midden der kamer staat een met groen laken bedekte tafel, waarop een zilveren
+inktkoker, eenige versneden ganzenpennen en de noodige boeken en papieren. Dit is &#8220;de kamer van educatie,&#8221; waar Zijne Hoogheid
+dagelijks les krijgt van zijn praeceptor Borneus, die hem in de historica (geschiedenis) en politiek (staatkunde) institueert
+(onderwijst); terwijl een ander den Prins les geeft in de mathesis, en de Raadpensionaris alle Maandagen komt, om hem het
+Nederlandsche staatsrecht te onderwijzen en tevens onderzoek te doen naar zijne vorderingen.
+
+</p>
+<p>Het is nu ook op een Maandag in September, dat wij Zijne Hoogheid aan de met een groen kleed bedekte tafel vinden zitten,
+met den arm onder het hoofd en praktizeerende over een der rekenkunstige opgaven uit de vernieuwde cijfferinge van Willem
+Bartjes, tweede druk, in 1648 uitgegeven, twaalf jaren na den eersten. Verdrietig werpt hij het boek van zich af en neemt
+de in 1653 uitgekomen Arithmetica van B. Stockman en A. W. Wassenaar ter hand, maar zoo het schijnt met geen beter gevolg.
+
+</p>
+<p>Op dit oogenblik komt de Raadpensionaris binnen.
+<a id="d0e4741"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4741">187</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Uwe Hoogheid schijnt in een kwade luim,&#8221; begint hij. &#8220;Eilacy, is zij boos op die onschuldige boeken?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Op die boeken, zegt Uwe Edelheid?&#8221; antwoordt de Prins, &#8220;Vergeef mij, dat ik U tegenspreek&#8212;ik was knorrig op mij zelf.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar dan moesten die boeken het toch ontgelden,&#8221; herneemt De Witt lachend. &#8220;In trouwe, het gaat wel meer zoo in de wereld.
+De onschuldigen moeten het gelag betalen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gelukkig dat die boeken het niet voelen,&#8221; zegt de Prins. &#8220;Maar ik zou mij wel voor het hoofd willen slaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Bedaar wat, bedaar wat, mijn jonge vriend!&#8221; vermaant De Witt. &#8220;Dan zoudt gij maar hoofdpijn krijgen.&#8212;Doch vertel mij, wat
+is de oorzaak van uwe ontevredenheid met U zelf?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ach mijnheer De Witt!&#8221; klaagt de Prins. &#8220;Ik ben zoo dom...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gelukkig, dat Uwe Hoogheid zulks gevoelt, en nog gelukkiger, dat de Heeren Staten Haar de gelegenheid hebben geschonken om
+knap te worden. Maar waarin was Uwe Hoogheid zoo dom?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;In de arithmetica; mijnheer De Witt. Meer dan een uur heb ik zitten denken over deze opgaven. Zie, ik <i>kan</i> ze niet vatten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Doodeenvoudige voorstellen,&#8221; hervat De Witt, nadat hij ze gelezen heeft. &#8220;Kom hier,&#8221; vervolgt hij, terwijl hij de lei neemt
+en gaat zitten. &#8220;Ik zal ze U eens voorrekenen.&#8221; En terwijl hij den Prins de opgaven uitlegt en ze hem voorrekent, heeft hij
+ze in weinige minuten opgelost.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ziet Uwe Hoogheid wel, dat de arithmetica de gemakkelijkste zaak der wereld is?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Voor uwe Edelheid, ja,&#8221; antwoordt de Prins. &#8220;Maar voor een zwak hoofd als het mijne....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Geduld slechts, Uwe Hoogheid! het zal wel beter gaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het zijn zulke vervelende sommen in die boeken! Wat moeten de menschen die ze gemaakt hebben, allervervelendste wezens zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Witt kon zich niet onthouden van te glimlachen.
+<a id="d0e4773"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4773">188</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Komaan,&#8221; zegt hij, terwijl hij een papier uit den zak haalt. &#8220;Schrijf dan eens dit voorstel op; ik zal het u voorzeggen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Prins neemt een pen, doopt die in en schrijft hetgeen De Witt hem voorzegt<a id="d0e4778src" href="#d0e4778" class="noteref">3</a>.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p188.jpg" alt="" width="607" height="363"></div><p>
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Aen den tooren van Babylon hebben gewerckt 333,227 menschen, en sy hadden daeraen gewerckt 2 jaer, 7 maenden en 3 daghen,
+toen sy door de verwerring van hunlieder tael verstroyt wierden; de hooghte van dien tooren was toen 2 mijlen 3200 roeden;
+men vraegt, hoeveel tijts 30000 menschen zouden moeten besteden, om, even naerstig werckende, sulk een tooren op diezelfde
+hooghte te brengen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Prins denkt een oogenblik na. Zijn gelaat verheldert zich.
+
+</p>
+<p>&#8220;Die vraag is gemakkelijk op te lossen, mijnheer De Witt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En hoe zult gij dat doen?&#8221;
+
+</p>
+<p>De Prins zegt het hem: maar daar ik gaarne zag, dat ook mijne lezers er hunne krachten aan beproefden, zoo deel ik het hun
+niet mede.
+<a id="d0e4794"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4794">189</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Zeer goed,&#8221; zegt De Witt. &#8220;En hoe komt het dan, dat Uwe Hoogheid nu zoo vlug in het oplossen is?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Omdat.... Omdat Uwe Edelheid niet zoo&#8217;n vervelend wezen is als de makers van die cijferboekjes,&#8221; antwoordt de Prins, &#8220;en
+dus zijn uwe opgaven ook niet zoo droog en zoo saai.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat ons nu eens zien, of gij de leer der thienden<a id="d0e4801src" href="#d0e4801" class="noteref">4</a> begrijpt. Schrijf eens: zestien geheelen en driehonderd acht en vijftig duizendste deelen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Prins schrijft, volgens Simon Stevin;
+
+
+
+</p>
+<p class="aligncenter">16 (0) 3 (1) 5 (2) 8 (3)
+
+
+</p>
+<p>en volgens Franciscus van Schooten (1660):
+
+
+
+</p>
+<p class="aligncenter">16358 (3)
+
+
+</p>
+<p>want men had nog niet uitgedacht, om door een decimaalteeken de geheelen van de deelen te scheiden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeer goed,&#8221; hervat De Witt. &#8220;Ik zie tot mijn contentement, dat gij beide wijzen goed begrijpt. Intusschen moet ik Uwer Hoogheid
+wel doen observeeren, dat de leerwijs van Van Schooten verre te prefereeren is boven die van Stevin. Vooral in het multipliceeren
+en divideeren verdient die de preferentie. En hoe handelt gij nu, wanneer gij dat getal eens moest multipliceeren met vijf-en-tachtig
+duizendste deelen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, dan multipliceer ik het met 85 (3) en addeer de beide eindcijfers bij elkander; dan krijg ik (nadat hij het uitgerekend
+heeft)
+
+
+
+</p>
+<p class="aligncenter">1390430 (6)
+
+
+</p>
+<p>of eenvoudiger:
+
+
+
+</p>
+<p class="aligncenter">139043 (<span id="d0e4824" class="corr" title="Bron: 3">5</span>)&#8221;.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeer juist. Het doet mij genoegen, dat Uwe Hoogheid de thienden begint te begrijpen. Het is met recht, zooals Simon Stevin
+zegt: het geeft eene &#8220;ongehoorde lichtigheijt in alle rekeninghen onder de Menschen noodigh vallende door heele getallen,
+sonder ghebrokenen.&#8221; Doch nu gaan wij verder.&#8221;
+<a id="d0e4829"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4829">190</a>]</span></p>
+<p>Ik geloof, dat mijne lezers mij het vervolg der rekenles wel zullen kwijtschelden, alsmede het examen in de geschied- en aardrijkskunde
+en het onderwijs in de staatkunde der Zeven Provinci&euml;n.
+
+</p>
+<p>De Raadpensionaris was ditmaal zeer voldaan over zijn kweekeling en wilde vertrekken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Een oogenblik, mijnheer De Witt,&#8221; zeide de Prins. &#8220;Ik had U nog wat te verzoeken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Iets te verzoeken. Indien het in mijne macht staat, zal het mij genoegen doen, U uw verzoek toe te staan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Reeds vooraf bedankt voor uwe goedwilligheid,&#8221; hernam de Prins. &#8220;Uwe Edelheid herinnert zich nog wel dien Pieter Pietersz,
+timmerman op het schip van den Luitenant-admiraal De Ruyter.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Witt dacht een oogenblik na.
+
+</p>
+<p>&#8220;O, zeer zeker! Ik herinner mij dien. Hij schijnt bijzonder in uwe gunst te deelen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Niet minder in de mijne, dan in die van den Admiraal. Zie hier,&#8221; vervolgde de Prins, terwijl hij een brief uit zijn zak haalde,
+&#8220;dit is een aanbevelingsbrief van mijnheer De Ruyter.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wien deze aanbeveelt,&#8221; hernam De Witt, nadat hij den brief gelezen had, &#8220;is het zeker waard en kan op mijne medewerking rekenen.
+Maar, waarom heeft de knaap het zeewezen verlaten? Ik meende vroeger van Uwe Hoogheid vernomen te hebben, dat hij zooveel
+lust in het zeeleven had. Hoe is dat zoo in eens veranderd?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Reeds toen ik in Mei op de vloot was, zeide de Admiraal mij, dat er nooit een zeeman uit Pieter zou worden. De dood van zijn
+oom Klaas Dirksz, den stuurman van &#8220;De zeven Provinci&euml;n,&#8221; die, op den 5<sup>den</sup> Augustus door een Engelschen kogel getroffen, den heldendood voor het vaderland stierf, schijnt hem een tegenzin in het zeeleven
+te hebben doen opvatten.&#8221;
+<a id="d0e4853"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4853">191</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Het getuigt weinig voor zijn moed,&#8221; hernam de Raadpensionaris eenigszins schamper.
+
+</p>
+<p>&#8220;Uwe Edelheid herinnert zich, dat hij timmerman aan boord was, en dus gedurende het gevecht beneden moest zijn om de lekken
+te stoppen. Waarlijk geen taak om iemand moed in te boezemen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat laat zich hooren. Doch, hoe heeft de Admiraliteit hem kunnen ontslaan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij behoorde tot de vrijwilligers van <span class="letterspaced">Delfz&#307;l</span>,&#8221; hernam de Prins, &#8220;en als zoodanig mocht hij zijn ontslag nemen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik beloof u, dat ik hem zal aanbevelen aan de Zeeuwsche Admiraliteit,&#8221; hernam De Witt. &#8220;Dan kan Uwe Hoogheid er een aanbeveling
+bij doen. De Zeeuwen toch zijn Haar van oudsher zeer genegen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;<span class="letterspaced">Zeeland</span> is mijn geslacht altijd zeer geaffectionneerd geweest,&#8221; hernam de Prins, als had hij den scherpen toon, waarop die woorden
+werden gesproken, niet opgemerkt. &#8220;Ik zal dus volgens uw raad handelen. Doch nog iets. De ridder Buat....&#8221;
+
+</p>
+<p>Het gelaat van den Raadpensionaris betrok.
+
+</p>
+<p>&#8220;De ridder Buat,&#8221; vervolgde de Prins, zonder schijnbaar iets van de verandering in De Witts trekken te bemerken, &#8220;is door
+u beschuldigd van geheime briefwisseling met den vijand en in hechtenis genomen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Door mij in hechtenis genomen? Uwe Hoogheid vergist zich. Ik ben geen Fiskaal.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Toch op uw bevel, mijnheer De Witt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Geenszins. Op bevel van den Raad van State. Henry Fleury de Coulan, heer Van Buat, is een landverrader.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Uwe Edelheid spreke toch zulk een hard oordeel niet uit over den man, door U met een geheime correspondentie met <span class="letterspaced">Engeland</span> belast, en die misbruik van uw vertrouwen heeft gemaakt door er eigen correspondentie bij te voegen.&#8221;
+<a id="d0e4887"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4887">192</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Uwe Hoogheid schijnt beter onderricht, dan ik vermoedde,&#8221; zeide De Witt scherp. &#8220;Wie is de gedienstige geest, die Haar dit
+heeft medegedeeld?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe zou ik onkundig blijven, Mijnheer De Witt, van hetgeen geheel <span class="letterspaced">Den Haag</span> weet?&#8221; hernam de Prins. &#8220;Of zou Uwe Edelheid meenen, dat ik hier.... Doch neen, dat kan niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Voleindig uwen volzin, Prins,&#8221; hernam De Witt.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik wenschte alleen uwe genade in te roepen voor den armen Buat. Uwe Edelheid zal zich herinneren, dat hij reeds bij mijn
+vader in dienst was. Sedert is hij onafgebroken aan ons geslacht verbonden geweest, totdat....&#8221;
+
+</p>
+<p>De Prins zweeg. De Witt vervolgde:
+
+</p>
+<p>&#8220;Tot dat de Heeren Staten hebben goedgevonden, hem zijn ontslag te geven. Waarlijk, de Heeren Staten hebben wijs gehandeld,
+iemand van U te verwijderen, die met den vijand heult.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dus geen genade voor den onvoorzichtige.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het staat niet aan mij, voor zulk een halsmisdaad genade te verleenen,&#8221; hernam De Witt koel. &#8220;En wat mijn voorspraak betreft,
+die zou al heel weinig baten; want ik ben overtuigd, dat de Heeren Staten op de uiterste gestrengheden zullen aandringen.
+Luister wel,&#8221; hervatte De Witt met nadruk, terwijl hij den Prins met zijn doordringende oogen scherp aanzag. &#8220;De Heeren Staten
+zijn voornemens, om elke aanranding van het bestaande gezag, van welken aard dan ook, streng te straffen, en uwe partij wordt
+stout&#8212;te stout, om langer het Land aan het uitbreken van een burgeroorlog bloot te stellen. Uwe Hoogheid kan dus bij gelegenheid
+Haren vrienden de verzekering geven, dat de Heeren niemand zullen ontzien, welken rang of stand hij ook in de maatschappij
+bekleede. Indien gij er iets aan kunt doen, maak dan, dat Buat het eenige slachtoffer van de dwaasheid eener nuttelooze partijzucht
+blijve.&#8221;
+
+</p>
+<p>Met deze woorden verliet De Witt de kamer, om zijn pupil <a id="d0e4909"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4909">193</a>]</span>aan zijne overdenkingen over te laten. Toen de Raadpensionaris vertrokken was, schelde de Prins zijn kamerdienaar en beval
+hem, ingeval de persoon, die dezen morgen op het Hof was geweest, terug mocht komen, dien terstond bij hem te brengen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij wacht reeds sedert een half uur, Uwe Hoogheid,&#8221; zeide deze.
+
+</p>
+<p>&#8220;Breng hem dan onmiddellijk hier,&#8221; hernam de Prins.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/o065.gif" alt="Ornament." width="312" height="132"></div><p>
+
+
+
+<a id="d0e4919"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4919">194</a>]</span></p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4560" href="#d0e4560src" class="noteref">1</a></span> Kanonnen.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4734" href="#d0e4734src" class="noteref">2</a></span> Guillaume Blaeuw, 1571&#8211;1638.&#8212;J.H.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4778" href="#d0e4778src" class="noteref">3</a></span> De volgende rekenkunstige opgaaf is van De Witt.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4801" href="#d0e4801src" class="noteref">4</a></span> Tiendeelige breuken.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="d0e4920" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e112">Inhoud</a>]
+</span><div class="figure"><img border="0" src="images/o016.gif" alt="Ornament" width="583" height="148"></div>
+<h2 class="label">Veertiende Hoofdstuk.</h2>
+<h2>Hoe onze vloot de Engelschen tuchtigde.</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/iw001.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 90px;&#xA; height: 86px;&#xA; background: url(images/iw001.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">W</span>einige oogenblikken, nadat de kamerdienaar vertrokken was, trad Pieter Pietersz &#8220;de kamer van educatie&#8221; binnen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Je past op je tijd, Pieter,&#8221; zeide de Prins &#8220;Volg mij.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Prins deed de deur naast den schoorsteen open, en beiden bevonden zich in een klein kabinetje. Zijne Hoogheid sloot de
+deur zorgvuldig, en wenkte zijn gunsteling, zich op een stoel neder te zetten, terwijl hij zelf ging zitten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel,&#8221; begon hij. &#8220;Heb je het een en ander bijzonders vernomen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik had daartoe niet veel moeite,&#8221; antwoordde Pieter. &#8220;Mijn broeder is met de familie zeer goed bekend: verscheidene malen
+heeft hij Mevrouw Buat gekapt. Van hem dan ook heb ik de bijzonderheden vernomen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ter zake.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;In het voorjaar werd de Ritmeester door den heer Raadpensionaris <a id="d0e4939"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4939">195</a>]</span>aangezocht, om zich te belasten met een geheime correspondentie naar <span class="letterspaced">Engeland</span>.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Juist, met Sylvius, met wien Buat reeds correspondeerde. En had die briefwisseling onder het oog van den Raadpensionaris
+plaats?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Geheel en al. De Ritmeester schreef, schijnbaar in zijn eigen naam, wat de Raadpensionaris hem voorzeide. Nu hadden de vrienden
+der Oranjepartij, tot welke ook de Ritmeester behoort, hem aangezet om bij deze correspondentie een andere te voeren, van
+welke de Raadpensionaris niets mocht weten. Op deze brieven zette de Heer Sylvius: <i>pour vous mesme</i>.&#8212;Langen tijd ging deze geheime handel goed, tot, voor eenige dagen, de Ritmeester den Raadpensionaris een pak brieven bracht
+en daaronder bij vergissing een van die geheime brieven had laten liggen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De onvoorzichtige!&#8221; riep de Prins uit. &#8220;En had de Raadpensionaris dat terstond gemerkt?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik weet het niet, Uwe Hoogheid,&#8221; gaf Pieter ten antwoord. &#8220;Maar de Ritmeester was onvoorzichtig genoeg, om zich bij den Raadpensionaris
+te vergewissen of de brief in het pak was. Deze kreeg daarop argwaan, las den brief en vond daarin, wat hem aanleiding gaf
+om dien Buat te weigeren en hem in den Raad van State te brengen. Terstond werd de Ritmeester gevat en in de kastelenije bewaard;
+waarop de Raadpensionaris aan het hoofd eener commissie uit den Raad van State zich naar het huis van den gevangene begaf
+en aldaar huiszoeking deed.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat zal die arme mevrouw Buat verschrikt zijn geweest!&#8221; zeide de Prins meewarig.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat kan Uwe Hoogheid zich voorstellen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En heeft men daar nog wat gevonden?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De Ritmeester had zorg gedragen, al de geheime brieven te verbranden. Ongelukkig moet hij een brief en een klad voor <a id="d0e4963"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4963">196</a>]</span>een anderen vergeten hebben te vernietigen. De Raad van State heeft daarop grond genoeg gevonden, om hem van hoogverraad te
+beschuldigen en zijne zaak in handen van het Hof van <span class="letterspaced">Holland</span> te stellen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En de Ritmeester?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zit nu op de <span class="letterspaced">Voorpoort</span> van den Hove.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Arme Buat,&#8221; zeide de Prins.&#8212;&#8220;Je hebt je goed van je last gekweten, Pieter,&#8221; vervolgde hij tot dezen. &#8220;Ik heb ook den mijnen
+volbracht en je aan den Raadpensionaris aanbevolen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik dank Uwe Hoogheid voor Hare goedgunstige bescherming,&#8221; zeide Pieter.
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarschijnlijk zul je een aanstelling op de werven van de Admiraliteit van <span class="letterspaced">Zeeland</span> erlangen. Ik zal ook aan de Heeren bewindhebbers schrijven en je aanbevelen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, Uwe Hoogheid is al te goed,&#8221; hernam Pieter. &#8220;Hoe zal ik Haar ooit dankbaar genoeg kunnen zijn!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Verlaat mij thans, Pieter, en keer langs denzelfden weg terug, dien je gekomen bent. Vaarwel!&#8221;
+
+</p>
+<p>De Prins deed de deur van het kabinetje open en ging, na het vertrek van Pieter, weder aan het werk&#8212;schijnbaar ten minste&#8212;want
+zijne ziel was te zeer bezig met den armen Buat, dan dat hij had kunnen werken.
+
+</p>
+<p>De aanbeveling van den Prins met die van den Luitenant-admiraal had goede uitwerking. Pieter werd op de werf der Zeeuwsche
+admiraliteit aangesteld als tweede meesterknecht, met een goed inkomen en het vooruitzicht op bevordering. Martha, wiens broeder
+Jacob intusschen gehuwd was, vergezelde hem naar <span class="letterspaced">Vlissingen</span>, om zijne huishouding waar te nemen.
+
+</p>
+<p>Gij zult wel nieuwsgierig wezen, hoe het met Buat afliep. Ik zal het u meedeelen. De leden van het Hof waren wel gestemd om
+een zacht vonnis te vellen, vooral, omdat hij eigenlijk geen landverraad had gepleegd, maar slechts misbruik had gemaakt <a id="d0e4997"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4997">197</a>]</span>van het vertrouwen, dat De Witt in hem had gesteld. De Staten van <span class="letterspaced">Holland</span> evenwel, door De Witt daartoe aangezet, begrepen de zaak anders, en maanden het Hof ten ernstigste aan, om een krachtig vonnis
+te spreken. Daarbij kwam, dat men Buat door een boosaardige list van een zijner rechters beroofde, den Raadsheer Van der Graaf,
+die der Oranjepartij was toegedaan. Op zekeren dag namelijk, dat genoemde Raadsheer van het Hof kwam, verzocht hem iemand,
+uit naam van Buat, even bij den gevangene te komen. Hieraan voldoende, vond hij Buat ongesteld en zeer verwonderd over zijne
+komst, daar de boodschap niet van hem was uitgegaan. Na, in tegenwoordigheid van den cipier, een paar woorden met den gevangene
+gewisseld te hebben, verliet Van der Graaf de Gevangenpoort en ging naar huis. Den volgenden dag stond in een nieuwsblad,
+dat een der Raadsheeren zich niet ontzien had, de gevangene te bezoeken. Het Hof ondervraagde daarop Van der Graaf, die de
+toedracht der zaak verhaalde. Diensondanks werd hij gedwongen, zich niet verder in dit rechtsgeding te wikkelen.
+
+</p>
+<p>Van deze stem beroofd, die waarschijnlijk nog een of twee andere zou hebben overgehaald, werd de ongelukkige Ritmeester veroordeeld
+te worden gestraft met den zwaarde, zoodat er de dood na volgt. Dit vreeselijke vonnis werd op Maandag den 11<sup>den</sup> October aan hem voltrokken.
+
+</p>
+<p>De Raadsheer Kieviet, diens vrouw (zooals gij weet, de zuster van Tromp) en de Burgemeester van <span class="letterspaced">Rotterdam</span>, Van der Horst, werden mede in dit rechtsgeding gewikkeld, omdat zij Buat tot schrijven hadden aangezet en ettelijke brieven
+hadden gelezen. De eerste, zooals ik u reeds gezegd heb, ten lande uitgeweken, werd ter dood, zijne vrouw tot een zware geldboete
+en Van der Horst tot verbanning veroordeeld, terwijl hunne goederen werden verbeurd verklaard.
+
+</p>
+<p>De terechtstelling van Buat, gevoegd bij de afzetting van <a id="d0e5014"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5014">198</a>]</span>Tromp, deed bij de Prinsgezinden den haat tegen De Witt nog toenemen. Zoover zelfs ging men, dat men hem den noodlottigen
+uitslag van den tweedaagschen zeeslag weet. De Engelschen intusschen, nu open zee hebbende, maakten daarvan gebruik, om eenige
+koopvaardijschepen in het <span class="letterspaced">Vlie</span> weg te nemen en op het eiland <span class="letterspaced">Terschelling</span> te landen, waar zij het dorp <span class="letterspaced">West-Terschelling</span> in brand staken en de weerlooze bewoners mishandelden.
+
+</p>
+<p>Hoe gehavend onze vloot ook was, koos die weder zee om de Engelschen te tuchtigen; doch door ziekte onder het scheepsvolk
+en door stormen werd zij genoodzaakt terug te keeren, zonder iets verricht te hebben.
+
+</p>
+<p>Het terugzenden van het lijk van Barclay gaf aanleiding tot vredesonderhandelingen. Een zware brand te <span class="letterspaced">Londen</span>, die van den twaalfden tot den zeventienden September duurde, een groot gedeelte der stad in de asch legde en millioenen
+schats vernielde, maakte, dat men in <span class="letterspaced">Engeland</span> zeer naar den vrede verlangde. Tot de plaats der onderhandelingen werd <span class="letterspaced">Breda</span> gekozen. Intusschen hoopte De Witt vooraf nog de geledene nederlaag en den brand van <span class="letterspaced">Terschelling</span> op luisterrijke wijze te wreken, en had dus gezorgd, dat onze vloot goed uitgerust en volkomen van alles voorzien was.
+
+</p>
+<p>&#8217;t Was een koude en langdurige winter, en daardoor konden onze schepen eerst laat in het voorjaar uitloopen. De Staten-Generaal
+hadden weder goedgevonden, dat gemachtigden van hunnentwege den tocht zouden bijwonen. Daar de andere gewesten tegen de onkosten
+der uitrusting opzagen, had alleen <span class="letterspaced">Holland</span> er een benoemd. Dewijl nu de Raadpensionaris, die in persoon bij de vredesonderhandelingen te <span class="letterspaced">Breda</span> tegenwoordig moest zijn, dien tocht niet kon bijwonen, had men diens ouderen broeder, Cornelis de Witt, Ruwaard van <span class="letterspaced">Putten</span>, Burgemeester van <span class="letterspaced">Dordrecht</span> en lid van de Admiraliteit <a id="d0e5055"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5055">199</a>]</span>der <span class="letterspaced">Maas</span>, die betrekking opgedragen. Deze was een man van persoonlijken moed en wel bekend met het zeewezen. Het ware doel van den
+tocht werd intusschen zoo geheim gehouden, dat zelfs de listige en schrandere d&#8217;Estrades er niet achter kon komen.
+
+</p>
+<p>Door storm in haren voortgang vertraagd, kwam de vloot eerst den 17<sup>den</sup> Juni in het <span class="letterspaced">Koningsdiep</span> ten anker. Van hier werd Van Gent met 17 schepen vooruitgezonden naar den <span class="letterspaced">Theems</span>, om de daarliggende koopvaardijschepen aan te tasten en te vermeesteren. De Ruwaard zelf begaf zich op het schip van Van
+Gent om de onderneming te besturen. Daar echter die schepen tijdig genoeg de rivier waren opgezeild, begaf zich het smaldeel
+naar de <span class="letterspaced">Medway</span>, ook wel de rivier van <span class="letterspaced">Chattam</span> of <span class="letterspaced">Rochester</span> genoemd. Aan den mond dier rivier lag de sterkte <span class="letterspaced">Sheernesse</span>, die door Van Brakel en twee andere kapiteins beschoten en zonder veel moeite bemachtigd werd. Het fort werd geslecht en
+wat er bruikbaars in werd gevonden, onder de schepen verdeeld. Bij onderzoek bleek, dat de Engelschen twee groote schepen
+en vijf branders hadden laten zinken, om de doorvaart te beletten. Van Gent zond nu kapitein Tobias met vier schepen, drie
+jachten en twee branders de rivier op, om een weg te banen. Dit gelukte; doch eensklaps vond Tobias zich gestuit door een
+dikken ijzeren ketting, die aan beide oevers vastgehecht, over de rivier gespannen was. Achter dezen ketting lagen de &#8220;Unity&#8221;,
+daarachter de &#8220;Carolus Quintus&#8221;, &#8220;de Matthias&#8221; en de &#8220;Monmouth&#8221;; terwijl het schieten uit het kasteel <span class="letterspaced">Upnor</span> en van de beide oevers het verder opzeilen belemmerde. Kapitein Tobias zag zich dus genoodzaakt, van de onderneming af te
+zien, en waarschijnlijk zou het geheele plan mislukt zijn, had niet een omstandigheid aanleiding gegeven tot het uit den weg
+ruimen van alle hinderpalen. De Ruwaard had den kapiteins op lijfstraf verboden, iemand van hun scheepsvolk aan land te <a id="d0e5086"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5086">200</a>]</span>laten gaan. Kapitein Jan van Brakel had dit bevel overtreden en was op last van De Witt gevangen genomen. Vreezende zijn hoofd
+te zullen verliezen, begreep hij, dat hij zich door een waagstuk moest vrijkoopen. Hij bood dus aan met zijn schip, een slecht
+fregat, de &#8220;Unity&#8221; aan boord te klampen, de branders bij te brengen en het eskader een doortocht te verschaffen. De Ruwaard
+nam dit aan, Van Brakel werd ontslagen, en mocht weder aan boord gaan. Terstond zeilt hij vooruit, door den nauwen doorgang
+en de Nederlandsche schepen heen, vervolgt, met de beide branders achter zich, onder het hevige kruisvuur van den vijand zijn
+tocht en schiet niet, alvorens hij bij de &#8220;Unity&#8221; is. Nu geeft hij het fregat de volle laag, klampt het aan boord en is er
+in weinige oogenblikken meester van.
+
+</p>
+<p>Thans bleef nog de eenige hindernis, de keten, over. De Kommandeur Van den Rijn, die een der beide branders aanvoerde, zeilde
+er met zulk een geweld tegen aan, dat de zware ijzeren ketting doormidden brak, waarna hij zich terstond aan den daarachter
+liggenden &#8220;Matthias&#8221; hechtte, welken hij in brand stak. De andere branders kwamen nu ook door de gemaakte opening heen en
+trachtten den &#8220;Carolus Quintus&#8221; in brand te steken. Doch deze schoot hen beide in den grond, echter niet dan nadat een daarvan
+het schip in brand had gestoken. Van Brakel, met een paar sloepen daarbij gekomen, beklom nu het vaartuig, nam een gedeelte
+der manschap gevangen en liet het schip aan de vlammen over. Hierop namen de Vice-admiraal De Liefde en kapitein Tobias de
+door zijne manschap verlatene &#8220;Royal Charles,&#8221; het admiraalsschip, een der grootste en schoonste bodems der Engelsche vloot,
+reeds ten tijde van Cromwell gebouwd en in 1660 gebruikt om koning Karel II naar Engeland over te brengen. Nu lag de &#8220;Mary&#8221;
+aan de beurt, die mede verbrand werd.
+
+</p>
+<p>Daar intusschen de eb was ingevallen, moest men met de <a id="d0e5092"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5092">201</a>]</span>vermeestering van de vier overige koningsschepen, die hooger op de rivier lagen, tot den volgenden dag, 23 Juni, wachten.
+Maar dat was weder een waagstuk. De Ruyter echter, door De Witt van de hoofdvloot ontboden, besloot het te beproeven. Zeven
+branders, naar de schepen afgezonden en door evenveel oorlogsvaartuigen begeleid, zeilden de rivier op, midden door het geweldige
+kruisvuur van het kasteel <span class="letterspaced">Upnor</span> aan de eene en van een zware batterij, aan de andere zijde der rivier gelegen, heen. Ook De Ruyter zelf sprong in een sloep
+om de onderneming te besturen, en de Ruwaard, dit ziende en evenmin bevreesd voor de vijandelijke kogels, besloot hem te vergezellen.
+De &#8220;Jacoba&#8221; en de Royal Oak&#8221;, twee schepen elk van tachtig stukken, werden door twee branders vernield; terwijl een andere
+den &#8220;Loyal London&#8221; in brand stak. De kapitein van de &#8220;Royal Oak&#8221; verkoos niet van zijn schip af te gaan. &#8220;Nog nooit,&#8221; zeide
+hij, &#8220;heeft een Douglas (hij was een Schot en uit dit edele huis) den hem toevertrouwden post verlaten.&#8221; En hoe men hem smeekte,
+zich te redden&#8212;hij liet zich met zijn vaartuig verbranden.
+
+</p>
+<p>Gij kunt u voorstellen, welk een schrik en ontzetting deze tocht in <span class="letterspaced">Londen</span>, ja in geheel <span class="letterspaced">Engeland</span> verbreidde. In de hoofdstad werkte die zoozeer op de gemoederen, dat men daar reeds zijne kostbaarste goederen borg en op
+de vlucht sloeg. Doch spoedig werden zij gerustgesteld; want reeds den volgenden dag zeilden onze schepen, tevreden met het
+behaalde voordeel en verzekerd, dat men den Engelschman nu voor lang schrik had ingeboezemd, naar de hoofdvloot terug, waarmede
+De Ruyter een tijd lang den <span class="letterspaced">Theems</span> gesloten bleef houden. Van Brakel genoot de eer, de beide veroverde schepen, de &#8220;Unity&#8221; en de &#8220;Royal Charles&#8221; naar het Vaderland
+te voeren.
+
+</p>
+<p>De Ruwaard ontving van de Staten een gouden beker, waarop de onderneming was afgebeeld, benevens een rentebrief <a id="d0e5110"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5110">202</a>]</span>van &#402; 30,000, De Ruyter een dergelijken beker en Van Gent &#402; 12,000 en een gouden gedenkpenning. Ook de andere scheepshoofden
+werden voor de door hen bewezen diensten beloond.
+
+</p>
+<p>De tocht naar <span class="letterspaced">Chattam</span> bewerkte, wat de Raadpensionaris er mee bedoeld had: niet alleen hadden wij een belangrijke revanche genomen voor den brand
+van <span class="letterspaced">Terschelling</span>, maar ook de vredesonderhandelingen werden er door bespoedigd en weldra ten einde gebracht. Het was dan ook reeds op den
+31<sup>sten</sup> Juli van datzelfde jaar 1667, dat de vrede met <span class="letterspaced">Engeland</span> te <span class="letterspaced">Breda</span> werd gesloten en zoo een einde maakte aan den tweeden Engelschen oorlog.
+
+</p>
+<p>Reeds eenige weken v&oacute;&oacute;r het sluiten van den vrede te <span class="letterspaced">Breda</span>, was Lodewijk XIV, koning van <i>Frankrijk</i>, in de <span class="letterspaced">Spaansche Nederlanden</span> gevallen. Deze inval, waarbij d&#8217;Estrades de medewerking der Staten eischte, omdat <span class="letterspaced">Frankr&#307;k</span> ons, zoo het heette, in den oorlog tegen <span class="letterspaced">Engeland</span> had ondersteund, deed de noodzakelijkheid ontstaan om ons leger te velde te vergrooten en over dat leger een veldoverste
+te benoemen. Geen wonder, dat de Oranjepartij weder het oog op den Prins had geslagen, die nu reeds bijna zeventien jaren
+was. De Witt begreep dan ook, dat hij den Prins niet altijd daar buiten zou kunnen houden, en daartoe verzon hij een list,
+waardoor ten minste de verheffing van Willem Hendrik tot Stadhouder ten eenenmale onmogelijk zou worden. Hij maakte een staatsstuk,
+inhoudende, dat elke toekomstige Kapitein-admiraal of Generaal zou zweren, nooit naar eenig Stadhouderschap te zullen staan.
+Dit stuk, bekend onder den naam van <span class="letterspaced">Eeuwig Edict</span>, waarbij de waardigheid van Stadhouder voor alle eeuwigheid in <span class="letterspaced">Holland</span> vernietigd werd, terwijl in de andere provinci&euml;n geen Stadhouder ooit Kapitein-admiraal of Generaal zou kunnen zijn, werd
+den 5<sup>den</sup> Augustus door de Staten van <span class="letterspaced">Holland</span> aangenomen. <a id="d0e5158"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5158">203</a>]</span>Nu zult ge wellicht denken, dat men den Prins terstond tot de hoogste krijgswaardigheden verhief. Verre van daar. Wel werden
+er benoemingen gedaan, maar Zijne Hoogheid kwam niet in aanmerking; immers er was bij vroegere resoluti&euml;n bepaalt, dat hij
+v&oacute;&oacute;r zijn twee-en-twintigste jaar geen hooge krijgsambten zou mogen bekleeden.
+
+</p>
+<p>Nog vloeide uit den inval van Lodewijk XIV in de <span class="letterspaced">Spaansche Nederlanden</span> voort het sluiten van een verbond, om <span class="letterspaced">Frankr&#307;k</span> tot den vrede met <span class="letterspaced">Spanje</span> te noodzaken, en dat, daar het tusschen onzen Staat, <span class="letterspaced">Engeland</span> en <span class="letterspaced">Zweden</span> werd gesloten, den naam van Triple-alliantie of drievoudig verbond draagt. De bewerkers van deze alliantie, die den 28<sup>sten</sup> Januari 1668 werd vastgesteld, waren Johan de Witt en de beroemde Engelschman, de ridder William Temple.
+
+</p>
+<p>Wij gaan Dinsdag den 7<sup>den</sup> Februari van datzelfde jaar nog eens naar den Prins. Maar wij vinden hem nu niet op het <span class="letterspaced">Binnenhof</span>, ook niet op het hof van <span class="letterspaced">Brandw&#307;k</span>,&#8212;wij zullen hem op een geheel andere plaats aantreffen. Wij gaan naar het <span class="letterspaced">Buitenhof</span>, en wel naar de toenmalige hofstallen, &#8220;paardenberijdersstal&#8221; genaamd. &#8220;O,&#8221; zegt gij, &#8220;dan had de Prins zeker weer nieuwe
+paarden gekocht, die hij den ouden Heenvliet wilde laten zien.&#8221; Mis geraden! Vooreerst was de oude Heenvliet reeds dood; hij
+was kort na de terechtstelling van Buat gestorven. Maar ten tweede ziet gij in den geheelen stal noch paard noch karos; integendeel,
+al de paarden en karossen zijn naar andere stallen verhuisd, de stal is schoongemaakt, door baas Balkenende met planken bevloerd
+en met meer dan achthonderd zitplaatsen voorzien. Die zitplaatsen nu zijn geen ruwe houten banken, zooals in onze kermistenten;
+zij zijn keurig netjes en met kussens voorzien; want behalve de leden der Staten-Generaal, de leden van den Raad van State
+en van de Rekenkamer, de gekommitteerden van <span class="letterspaced">Holland</span>, zijn de <a id="d0e5197"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5197">204</a>]</span>aanzienlijksten van den lande genoodigd; zelfs de Prins van <span class="letterspaced">Toskane</span>, die te <span class="letterspaced">Antwerpen</span> logeert, is voor dezen avond expresselijk overgekomen. De wanden zijn rondom met keurige tapijten behangen, hier en daar
+zijn reusachtige spiegels aangebracht, rondom welke kunstig gekweekte bloemen; duizenden waskaarsen zijn op de zilveren luchters
+en armblakers geplaatst,&#8212;alles is keurig netjes ingericht en getuigt van den rijkdom van den Prins van <span class="letterspaced">Oranje</span>, die dit alles bekostigd en er duizenden aan besteed heeft. Maar wij hebben niet alles gezien. Tegenover de zitplaatsen is
+een prachtig tooneel opgericht, insgelijks met tapijten behangen en waarop aan de eene zijde, keurig geschilderd, de vredemaagd
+staat met zeven pijlen in de hand, die de drie Brittannische koninkrijken, aan den anderen kant van het tooneel geplaatst,
+tot eeuwige vriendschap schijnt uit te noodigen. Ziet, daar worden de kaarsen opgestoken&#8212;straks zullen de hooge gasten binnentreden.
+Reeds komen de muzikanten.
+
+</p>
+<p>Maar er is nog meer te zien. Gaan wij achter het tooneel in die beide kamers. In de eene vinden wij herders en herderinnen,
+boeren en boerinnen, visschers en geniussen; allen verkleede dienaars van den Prins of tot deze gelegenheid gehuurd. Ieder
+van hen heeft een papier in de hand, waarop zijn rol staat. Het zijn echter allen zwijgende personen. In de andere kamer vinden
+wij een aanzienlijker gezelschap. Het is of wij op den Olympus zijn, zoo wemelt het hier van goden en godinnen. Ook zij houden
+hunne rollen in de hand, maar het zijn sprekende. En die goden en godinnen&#8212;het zijn wel geen hemelsche wezens&#8212;maar toch zijn
+het de goden der aarde, de grooten des lands. Begeven wij ons in hun midden; misschien hooren wij nog het een en ander, wat
+ons belang inboezemt.
+
+</p>
+<p>God Mercurius zit in een gemakkelijken armstoel; op de tafel naast hem ligt de gevleugelde slangenstok en de helm met <a id="d0e5212"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5212">205</a>]</span>vlerken. Gij herkent hem terstond. Het is Willem Hendrik van <span class="letterspaced">Oranje</span>, de ontwerper en uitvoerder van deze tooneelvertooning (die men toen <i>dans</i> noemde).
+
+</p>
+<p>V&oacute;&oacute;r Zijne Hoogheid staat een dame, wier dik middel en gevuld lichaam verraadt, dat zij niet tot de sekse behoort, welke zij
+voorstelt. Een paar groote vleugelen, aan hare schouders vastgehecht, en de blinkende, lange bazuin, die zij in de hand houdt,
+doen ons haar erkennen voor De Faam. Het is de Heer Van Obdam. Hij is in druk gesprek gewikkeld met God Mercurius, maar niet
+over hemelsche zaken, o neen, over zeer aardsche.
+
+</p>
+<p>&#8220;Uwe Hoogheid heeft vier schoone paarden van Haren oom, Zijne Majesteit den koning van <span class="letterspaced">Engeland</span> ten geschenke gekregen,&#8221; begint hij. &#8220;Ik hoor, dat &#8217;s Konings stalmeester de hertog van Ormont ze heeft overgebracht.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij hebt het reeds gehoord, Obdam,&#8221; antwoordt de Prins. &#8220;Het zijn juweelen van beesten, gij moet ze eens komen zien. Mijn
+oom heeft mij zeker willen troosten voor de smart, die hij wellicht meent, dat mij het Eeuwig Edict veroorzaakt.&#8212;Van het Eeuwig
+Edict gesproken, Obdam! Zeg mij, is het waar, dat men den voorzittersstoel op de Rol van het Hof heeft weggenomen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dien stoel met de wapens van uw huis?&#8221; vraagt Obdam. &#8220;Ik heb daar niets van vernomen. Doch daar komt Van der Lek; hij zal
+het Uwer Hoogheid wel kunnen zeggen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Inderdaad komt de maagd van <span class="letterspaced">Holland</span>, in het geschubde pantser met den wapenrok aan en de sandalen aan de voeten, met den koperen helm op het hoofd, de speer
+in de eene en het schild met den klimmenden leeuw in de andere hand, zeer deftig en gratieus aanwandelen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeg eens Van der Lek,&#8221; zegt de Prins. &#8220;Is het waar, dat men den voorzittersstoel op de Rol van het Hof heeft weggenomen?&#8221;
+<a id="d0e5238"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5238">206</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Zoo is het, Uwe Hoogheid!&#8221; antwoordt deze, en voegt er met fijne vleierij bij: &#8220;Men zal hem willen schoonmaken, tegen den
+tijd, dat Uwe Hoogheid er op zitten moet. Er was in de jaren, dat hij leeg stond, zooveel onedel stof opgekomen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoofsche vleier!&#8221; dreigt de Prins. &#8220;En dat moet ik uit den mond van <span class="letterspaced">Holland</span> hooren.&#8221;
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p206.jpg" alt="" width="520" height="520"></div><p>
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Tijd baart rozen, Uwe Hoogheid,&#8221; herneemt Van der Lek. &#8220;Er zal een tijd komen, dat <span class="letterspaced">Holland</span> u zal waardeeren, zooals ik, haar representant, u waardeer. Maar zie eens,&#8221; vervolgt hij, terwijl hij naar twee andere dames
+wijst, den Heer Du Ha (de tweedracht) en den Heer Lauron (de vrede), die beiden in druk gesprek door de kamer wandelen. &#8220;Als
+wij hier niet op den Olympus waren, zou men zich bijna verbeelden, dat het duizendjarig rijk was gekomen. De tweedracht en
+de Vrede wandelen daar <a id="d0e5254"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5254">207</a>]</span>samen als vriendinnen. Laat toch de fakkel der eene den palmtak des anderen niet verbranden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Geen nood, Van der Lek,&#8221; zegt de Prins. &#8220;De fakkel brandt nog niet. Straks mag Lauron voorzichtig zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Voorzeker, Uwe Hoogheid!&#8221; zegt Valkenburg, die <span class="letterspaced">Engeland</span> moet voorstellen. &#8220;Maar nu <span class="letterspaced">Engeland</span> zoo dicht bij <span class="letterspaced">Holland</span> komt te staan, en zij elkander niet eens de tanden laten zien,&#8212;nu heeft de fakkel van de tweedracht ook geen gevaar voor
+den vredepalm.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij hebt gelijk, Valkenburg,&#8221; hervat de Prins. &#8220;En wat zegt gij van mijne nieuwe paarden?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zag ze van middag, Uwe Hoogheid, en ik durf zeggen dat ik er trotsch op ben, den edelen god des koophandels iets te hebben
+mogen schenken, wat zijner waardig is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu zal <i>hij</i> er zich nog de eer van toe&euml;igenen,&#8221; zegt Van der Lek.
+
+</p>
+<p>&#8220;De Hollandsche maagd gelieve te bedenken, dat mijn zoon de koning van <span class="letterspaced">Groot-Brittanni&euml;</span>, de schenker is van dat heerlijke vierspan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het is waar ook,&#8221; herneemt Van der Lek lachend. &#8220;Ik dacht er niet aan, dat gij Engeland voorstelt.<span id="d0e5285" class="corr" title="Bron: ">&#8221;</span>
+
+</p>
+<p>&#8220;En ik heb vernomen, dat Uwe Hoogheid mijner dochter der koningin van <span class="letterspaced">Engeland</span>, een kostbaar tegengeschenk zal zenden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, die babbelaars!&#8221; zegt de Prins. &#8220;Dat heeft mijn stalmeester u verteld.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Inderdaad, zal Uwe Hoogheid een tegengeschenk zenden?&#8221; vraagt Obdam. &#8220;En als ik vragen mag, waarin zal dat bestaan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Herinnert gij u nog die prachtige teekening van een narrenslede, die ik u gisteren liet zien, Obdam?&#8221; vraagt de Prins.
+
+</p>
+<p>&#8220;In den vorm van een vergulden, liggenden leeuw?&#8221; zegt Obdam. &#8220;O voorzeker.&#8221;
+<a id="d0e5301"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5301">208</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Welnu, ik heb er zoo een besteld. Maar natuurlijk zal het geheel met tal van koninklijke kronen prijken. Het paardentuig
+met gouden franje en kwispels, en 500 vergulde zilveren bellen zal daarbij zeer goed staan. Ik verlang natuurlijk, dat het
+niet te wereldkundig worde.&#8221;
+
+</p>
+<p>Een page komt binnen en zegt:
+
+</p>
+<p>&#8220;Uwe Hoogheid! De gasten zijn er allen. Het is zeven uren. Beveelt Uwe Hoogheid dat er begonnen worde?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ga de personen in de andere kamer waarschuwen en laat ieder zich op zijn post begeven, opdat zij gereed staan, als het scherm
+wordt opgehaald. Mijne Heeren! Maakt u gereed.&#8221;
+
+</p>
+<p>En door De Faam geholpen, zet de Prins zijn Mercuriushoed op, neemt zijn staf in de hand en begeeft zich achter het tooneel,
+om te kunnen verschijnen, als het zijn tijd is.
+
+</p>
+<p>Daar de zaal echter niet groot genoeg was om meer gasten te bevatten, herhaalde men den volgenden Dinsdag de tooneelvertooning
+en noodigde, onder andere personen, ook de hoven van justitie uit. Doch deze, gebelgd dat zij op de napret verzocht werden,
+bedankten. Ook voeren de predikanten er van den predikstoel tegen uit en noemden haar openlijk zondig; zoodat (zegt Aitsema)
+het bal duizenden had gekost en toch maar onrust gaf.
+
+</p>
+<p>Eer ik dit Hoofdstuk sluit, moet ik nog een trek van edele onbaatzuchtigheid van den Raadpensionaris verhalen. De Witt kreeg
+van de Ridderschap &#402; 15,000, van de Hollandsche steden &#402; 42,000. Toen men hem van wege de Staten-Generaal een cadeau van &#402;
+100,000 wilde geven, wist hij dat door zijn invloed te beletten.
+
+
+
+<a id="d0e5316"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5316">209</a>]</span></p>
+</div>
+<div id="d0e5317" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e112">Inhoud</a>]
+</span><div class="figure"><img border="0" src="images/o030.gif" alt="Ornament" width="592" height="134"></div>
+<h2 class="label">Vijftiende Hoofdstuk.</h2>
+<h2>Wat er met den Prins in Zeeland voorviel.</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/ih131.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 90px;&#xA; height: 86px;&#xA; background: url(images/ih131.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">H</span>et was in de maand September 1668. &#8217;s Prinsen goeverneur, de Heer Van Gendt, was om familie-aangelegenheden naar <span class="letterspaced">Gelderland</span>. Hiervan maakte de Prins, die binnen twee maanden zijn achttiende jaar zou bereiken en dan van alle voogdij ontslagen zijn,
+gebruik tot het maken van een uitstapje, van hetwelk hij aan geen zijner educatoren kennis gaf.
+
+</p>
+<p>Onder het voorgeven van eenige jachthonden en valken te willen probeeren hem door zijn koninklijken oom Karel II geschonken,
+was hij heimelijk uit <span class="letterspaced">Den Haag</span> vertrokken en had zich met het jacht van Hare Hoogheid de Prinses-weduwe naar <span class="letterspaced">Bergen-op-Zoom</span> begeven. Daar wachtte hem, volgens afspraak, een ander jacht, van de gecommitteerde Raden van Zeeland, waarop zich eenige
+van de voornaamste Heeren van die provincie bevonden, om Zijne Hoogheid te ontvangen.
+
+</p>
+<p>Met dit vaartuig voor het hoofd van <span class="letterspaced">Arnemuiden</span> gekomen, zond men een edelman naar <span class="letterspaced">Middelburg</span>, om de Heeren Staten en gecommitteerde Raden van &#8217;s Prinsen aankomst <a id="d0e5343"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5343">210</a>]</span>te verwittigen, die spoedig daarop in een menigte met vlaggen en wimpels versierde sloepen Zijne Hoogheid kwamen afhalen.
+Zes vendels burgers met hunne vaandels en muziek, stonden bij zijne aankomst te <span class="letterspaced">Middelburg</span> in twee rijen geschaard, om hem te ontvangen, en door die dubbele rijen heen en omstuwd van de edelsten van <span class="letterspaced">Zeeland</span>, wandelde hij naar de &#8220;Abdy,&#8221; die voor hem in orde was gebracht, waar hij zijn intrek nam en waar Pieter de Huybert, Pensionaris
+van <span class="letterspaced">Zeeland</span>, hem met een aanspraak welkom heette.
+
+</p>
+<p>Het was een vreugdedag voor de goede stad <span class="letterspaced">Middelburg</span>. De geheele bevolking poogde, door het uitsteken der vlaggen, algemeene illuminatie en het branden van vreugdevuren, hare
+blijdschap aan den dag te leggen over de komst van den jeugdigen vorst en van hare gehechtheid aan het geliefde stamhuis van
+<span class="letterspaced">Oranje</span>.
+
+</p>
+<p>Den volgenden dag, Dinsdag den 18<sup>den</sup> September, werd de Prins in statie afgehaald door eenige afgevaardigden en geleid naar de Vergadering der Staten van <span class="letterspaced">Zeeland</span>, te midden van het uitbundig gejuich eener overgroote volksmenigte, die, evenals den vorigen dag, de lucht deed daveren van
+hun: &#8220;Leve de Prins!&#8221; en &#8220;Oranje boven!&#8221;
+
+</p>
+<p>In de vergadering gekomen, werd hij geleid naar de voor hem bestemde eereplaats, en verklaarde de Pensionaris De Huybert uit
+naam der Staten, dat <span class="letterspaced">Zeeland</span> altijd geijverd had voor de verheffing van den Prins, dat <span class="letterspaced">Holland</span> steeds door zijne oppermacht was tusschenbeide getreden, maar dat dan nu ook eerstgenoemde provincie wenschte gebruik te
+maken van een recht, dat geen ander gewest haar kon ontnemen, dat zij den Prins wenschte te verheffen tot eerste edele van
+<span class="letterspaced">Zeeland</span>. De Prins beantwoordde deze rede met de volgende aanspraak:
+
+</p>
+<p>&#8220;Het standvastig vervolg uwer gunst benoodzaakt mij tot dankbaarheid; <a id="d0e5383"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5383">211</a>]</span>en het vorig raadsbesluit tot mijne vordering, wanneer ik achttien jaar bereikte, om de verwachte begeerte niet langer door
+achterblijven terug te stellen, ten einde ik door gevolmachtigden den plicht van Eersten Edele, ten besten dezer Staat, dankelijk
+voldoen mag. Dit is niet buyten verstand met de overige Landschappen, byzonder <span class="letterspaced">Holland</span>, nastappende de goede voorbeelden onzer Doorluchte vaderen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Het geschal der trompetten en het donderen van het geschut liet zich nu hooren en de Voorzitter bood den Prins een flesch
+met gouden dukaten aan, als hulde van <span class="letterspaced">Zeeland</span>; waarna Zijne Hoogheid zich in volle statie naar de &#8220;Abdy&#8221; begaf.
+
+</p>
+<p>Nog denzelfden dag schreef de Prins een brief aan zijne grootmoeder, waarin hij haar kennis gaf van zijn vertrek naar <span class="letterspaced">Zeeland</span>, alwaar hij zijne goederen wilde bezien, als zijnde het de gewoonte, dat alle vasallen met hun zestiende jaar hunne leenen
+kwamen verheffen (goederen ontvangen) van de grafelijkheid. In <span class="letterspaced">Holland</span> had de tijding van &#8217;s Prinsen benoeming verschillende uitwerking. De Oranjepartij deed openlijk hare blijdschap over die
+verheffing blijken, terwijl de aanhangers der Staatspartij het den Prins zeer euvel duidden, dat hij naar een ander gewest
+was verreisd, zonder er den Staten van <span class="letterspaced">Holland</span> kennis van te geven; ja zelfs waren er, die durfden beweren, dat hij zich ondankbaar toonde jegens <span class="letterspaced">Holland</span>, dat hem zooveel weldaden had bewezen.
+
+</p>
+<p>Onze Prins echter dacht er op dit oogenblik weinig aan, hoe de zaak in <span class="letterspaced">Holland</span> zou worden opgenomen. Hij was bezig zich te kleeden voor het diner, dat hem dezen middag door de Staten op het stadhuis zou
+worden aangeboden. Juist was hij daarmede gereed, toen zijn kamerdienaar hem kwam berichten, dat er een meisje was, hetwelk
+hem wenschte te spreken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeg haar, dat ik geen tijd heb&#8212;dat ik niet te spreken ben.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat heb ik haar reeds gezegd, Uwe Hoogheid. Maar zij laat <a id="d0e5416"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5416">212</a>]</span>zich niet terugwijzen en heeft mij instantelijk gebeden, Uwe Hoogheid te verzoeken, haar te woord te staan.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Prins, die zich tegenover het vrouwelijk geslacht nooit op zijn gemak bevond, die daarenboven op dit oogenblik in geen
+stemming was om zich met andere zaken bezig te houden, antwoordde min of meer knorrig:
+
+</p>
+<p>&#8220;Welnu, dan zegt gij haar nogmaals, dat ik vandaag niet te spreken ben. Laat haar morgen terugkomen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De kamerdienaar ging: doch kwam spoedig terug en bracht zijner Hoogheid een ring mede.
+
+</p>
+<p>&#8220;De deern heeft mij dezen ring voor Uwe Hoogheid gegeven,&#8221; zeide hij. &#8220;Als Uwe Hoogheid dien zag, zou Zij haar wel te woord
+staan.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Prins nam den ring, bezag dien en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat het kind in mijn kamer. Ik ken dien ring. Zij heeft mij zeker iets belangrijks mede te deelen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Weinige minuten later trad de Prins zijn kamer binnen, waar Martha&#8212;want mijne lezers zullen wel begrepen hebben, dat zij het
+was&#8212;hem reeds met ongeduld verbeidde. Zoodra zij Zijne Hoogheid zag, barstte zij nu in tranen los. Deze bevond zich daardoor
+nog minder op zijn gemak. Intusschen vermande hij zich en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie ben je? Wat moet je van mij? Hoe kom je aan dezen ring?&#8221;
+
+</p>
+<p>Het meisje droogde hare tranen af.
+
+</p>
+<p>&#8220;Uwe Hoogheid!&#8221; riep zij uit. &#8220;Ik ben de zuster van Pieter Pietersz. Mijn arme broeder zit in de gevangenis.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;In de gevangenis? Wat heeft hij dan gedaan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Niets, Uwe Hoogheid! Niets.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar men zet iemand toch niet in de gevangenis, wanneer hij niets gedaan heeft.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En toch is hij onschuldig, Uwe Hoogheid.&#8221;
+<a id="d0e5446"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5446">213</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Onschuldig, en in de gevangenis. Dat komt mij verdacht voor. Waarvan beschuldigt men hem dan?&#8221;
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p213.jpg" alt="" width="488" height="596"></div><p>
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Van moord, Uwe Hoogheid. Zij zeggen, dat mijn arme broeder Pieter een moordenaar is. Maar Uwe Hoogheid zal dat toch niet
+gelooven. Zij weet, dat Pieter een brave jongen is.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Prins, die wel bemerkte, dat hij met Martha niet vorderde, begreep, dat hij zijn tijd nutteloos verspilde, indien zij niet
+tot de zaak kwam.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeg mij dan, meisje,&#8221; hernam hij ongeduldig, &#8220;wat er gebeurd is en waartoe je bij mij komt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Uwe Hoogheid weet, dat mijn broeder door Uwe aanbeveling <a id="d0e5460"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5460">214</a>]</span>als tweede meesterknecht aan de werf der Admiraliteit was geplaatst. Drie maanden geleden kreeg de eerste meesterknecht, die
+reeds oud was, zijn pensioen en benoemden de heeren van de Admiraliteit mijn broeder in zijne plaats. Hij had nu meer onmiddellijk
+te doen met den baas van de werf, een man van een ongemakkelijk humeur en met wien hij dikwijls onaangenaamheden had. Intusschen
+bleven de zaken altijd binnen de palen. Een dag of acht geleden echter had er zulk een hevige twist plaats, dat de baas zich
+niet ontzag, hem een slag te geven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En zulks dien driftkop van een Pieter!&#8221; riep de Prins uit. &#8220;Toen heeft Pieter hem zeker een ongelukkigen slag toegediend.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, Uwe Hoogheid,&#8221; hernam Martha. &#8220;Dat zou misschien het geval zijn geweest (want Pieter is driftig) indien niet de kameraads
+tusschenbeide waren gekomen, en hem van den baas hadden weggescheurd. Uwe Hoogheid kan zich voorstellen, hoe woedend Pieter
+was. In zijn drift zwoer hij bij hoog en bij laag, dat het den baas zou berouwen en dat hij het hem betaald zou zetten. Maar
+Uwe Hoogheid weet ook, dat driftige menschen niet wraakzuchtig zijn. Zoo is het ook met onzen Pieter. Als hij zich omkeert,
+is hij weer goed. Intusschen kon hij dien slag toch niet verkroppen, en deelde mij mede, dat hij van plan was, den baas bij
+de Admiraliteit aan te klagen en te verzoeken om verplaatsing. Ik trachtte hem dat uit het hoofd te praten; maar het gelukte
+niet. Hij kleedde zich aan en ging de deur uit naar den President der Admiraliteit. Hij vond dien echter niet thuis, zooals
+hij mij verhaalde, toen hij terugkwam.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En hoe staat dat nu in verband met de beschuldiging?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Den volgenden morgen werd mijn arme Pieter met schout en dienders de deur uitgehaald. Men had het lijk van den scheepstimmermansbaas
+op den singel vinden liggen, met een messteek doorboord. Nu had men den twist van den vorigen dag met de woorden van Pieter
+in verband gebracht, en, daar <a id="d0e5470"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5470">215</a>]</span>de moord juist moest hebben plaats gehad in den tijd, dat mijn broeder naar den President der Admiraliteit was, zoo begreep
+men, dat zij elkander ontmoet hadden, en de twist opnieuw begonnen was; ja, sommigen gingen zelfs zoo ver, van te beweren,
+dat Pieter hem had opgewacht, om zoo zijn wraakzucht te koelen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar heeft het dan ook veel van, meisje,&#8221; zeide de Prins &#8220;en uw broeder zal zich moeielijk uit deze zaak redden. Zijn ontkennen
+zal hem weinig helpen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar Uwe Hoogheid gelooft toch niet, dat Pieter schuldig is?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik kan noch over zijne schuld, noch over zijne onschuld beslissen,&#8221; hernam de Prins. &#8220;Maar wat voert je tot <i>mij</i>?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik hoorde gisteravond, dat Uwe Hoogheid te <span class="letterspaced">Middelburg</span> was aangekomen, en ging van morgen reeds vroeg naar de gevangenis, om het Pieter mede te deelen. Toen gaf hij mij den ring,
+dien Uwe Hoogheid hem eens had geschonken, en bad mij, naar U toe te gaan, met de bede om hem te hulp te komen. Begrijp eens,
+Uwe Hoogheid! men heeft hem reeds met de pijnbank gedreigd.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Met de pijnbank!&#8221; zeide de Prins bedenkelijk. &#8220;Hoor eens, meisje,&#8221; ging hij voort. &#8220;Ik zal doen wat ik kan. Maar je weet:
+het recht moet zijn loop hebben, en als je broeder schuldig is, kan ik er niets aan doen. Zeg hem intusschen, dat ik hem morgen
+kom bezoeken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Uwe Hoogheid zal mijn armen Pieter in zijn gevangenis bezoeken!&#8221; riep Martha uit, terwijl zij de hand van den Prins greep
+en die kuste. &#8220;In trouwe, dat zal den goeden jongen een groote troost zijn!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ga nu heen! Hier is de ring van je broeder. Wacht!&#8212;Ga naar den schout en verzoek hem uit mijn naam, tot geen pijnlijke middelen
+over te gaan alvorens ik hem gesproken heb.&#8221;
+<a id="d0e5492"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5492">216</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Ik dank Uwe Hoogheid!&#8221; zeide Martha. &#8220;God moge haar zegenen voor hetgeen zij aan mijn broeder doet!&#8221;
+
+</p>
+<p>Onder den maaltijd sprak de Prins met den Pensionaris De Huybert, die advokaat was, over zijn gunsteling, en verzocht hem,
+zich met een onderzoek van die zaak te belasten. Daar de Pensionaris den Prins den volgenden dag naar <span class="letterspaced">Vlissingen</span> zou vergezellen, waar Zijne Hoogheid de werven der Admiraliteit in oogenschouw zou nemen, was dat een gemakkelijke zaak.
+Ook beloofde de Pensionaris den Prins, hem in de gevangenis te vergezellen en den gevangene zelf te ondervragen.
+
+</p>
+<p>&#8217;t Was den volgenden dag een vreugde in <span class="letterspaced">Vlissingen</span>, toen de Prins daar kwam. Nadat Zijne Hoogheid, door al de leden der Admiraliteit vergezeld, de werven bezichtigd had, begaf
+Zij zich met den heer De Huybert naar den Schout, en liet zich de stukken betreffende de rechtzaak van Pieter geven. Toen
+de Pensionaris de akten had doorgelezen, zeide hij:
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijnheer de Schout! Er bestaan hier geene termen, die u van rechtswege dwingen, tot de pijnbank over te gaan. Wel is waar,
+de beklaagde <i>persisteert</i><a id="d0e5509src" href="#d0e5509" class="noteref">1</a> bij zijne onschuld. Maar gij hebt geen andere <i>presumptie</i><a id="d0e5514src" href="#d0e5514" class="noteref">2</a>, dan een twist, een ontvangene beleediging en eenige woorden in drift geuit. Het vorige leven van den jongeling <i>prouveert</i><a id="d0e5519src" href="#d0e5519" class="noteref">3</a> tegen de misdaad. Ook bestaat er&#8212;en dat verzoek ik u vooral te <i>considereeren</i><a id="d0e5524src" href="#d0e5524" class="noteref">4</a>,&#8212;volstrekt geen <i>corpus delicti</i><a id="d0e5529src" href="#d0e5529" class="noteref">5</a> en waar dat ontbreekt en geen getuigen zijn om de misdaad te <i>confirmeeren</i><a id="d0e5534src" href="#d0e5534" class="noteref">6</a> schrijft de wet eerder voorzichtigheid voor dan pijn en banden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Daarbij komt,&#8221; merkte de Prins aan, &#8220;dat de beklaagde bij mij bekend staat als een driftkop, die echter zich niet omkeert,
+of de toorn is bedaard. Wraakzucht is nooit zijn zwak geweest.&#8221; En de Prins verhaalde het gebeurde op het veldijs.
+<a id="d0e5539"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5539">217</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Gij ziet, mijnheer de Schout,&#8221; hernam de Pensionaris, &#8220;dat er hier <i>premissen</i><a id="d0e5544src" href="#d0e5544" class="noteref">7</a> bestaan, die genoeg <i>prouveeren</i>, dat naar alle waarschijnlijkheid de misdaad niet is gepleegd door den beklaagde: omdat er sprake is van moord met <i>voorbedachten rade</i>. Mijns erachtens<a id="d0e5553src" href="#d0e5553" class="noteref">8</a> moogt gij de pijnbank niet <i>appliceeren</i><a id="d0e5558src" href="#d0e5558" class="noteref">9</a>.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het oordeel van UEdelgestrenge is mij een wet,&#8221; zeide de Schout. &#8220;Intusschen geloof ik, dat er geene <i>motieven</i><a id="d0e5565src" href="#d0e5565" class="noteref">10</a> bestaan tot vrijspraak.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat volstrekt niet,&#8221; hernam de Pensionaris. &#8220;De voorzichtigheid eischt, den gevangene te houden tot er meerdere bewijzen
+zijn tot zijne loslating. Zoo lang blijven er zware <i>presumpti&euml;n</i> tegen hem bestaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>Op dit oogenblik werd den Schout een verzegelde brief overhandigd.
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar is haast bij,&#8221; zeide de klerk, die den brief overreikte. &#8220;Een bode, die hem bracht, heeft mij aanbevolen, UEd. dien
+terstond te overhandigen met de boodschap om hem onmiddellijk te lezen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Schout nam den brief aan, en zich tot den Prins wendende, zeide hij:
+
+</p>
+<p>&#8220;Met uw verlof, Uwe Hoogheid!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ga uw gang, heer Schout,&#8221; antwoordde de Prins. &#8220;Dienstzaken gaan v&oacute;&oacute;r alles.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Schout las, en onder het lezen helderde zijn gelaat op.
+
+</p>
+<p>&#8220;Uw gunsteling is vrij, Uwe Hoogheid!&#8221; zeide hij. &#8220;De ware moordenaar is ontdekt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat zegt gij?&#8221; riep de Prins uit.
+
+</p>
+<p>&#8220;Lees zelf, Uwe Hoogheid!&#8221; antwoordde de Schout.
+<a id="d0e5591"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5591">218</a>]</span></p>
+<p>De Prins nam den brief en las:
+
+
+</p>
+<div class="blockquote">
+<p>Uyt Zierikzee, den 19<sup>den</sup> van Herfstmaend, 1668.
+
+
+</p>
+<p>Edele, gestrenge, Erentfeste, welwijze zeer voorzienige Heere!
+
+
+
+</p>
+<p>Mitsdien het eene sake van groot gewicht is, recht ende gerechtigheyt te bevorderen, zo sy UEd. mitsdezen gemelt, dat de persoon
+van Pieter Pietersz, die by UEd. in detensie is zittende, onder presumptie van vermoord te hebben den scheepstimmerman Adriaan
+Roelofsz, aen dat forfeit ten eenemale onschuldig is. Het bovenstaende sal UEd. duidelijck blijcken uyt nevensghaende confessie,
+door den waren schuldighen gedaen aen my in presentie van twee getuyghen, waervan is acte opgemaeckt door my, Schoute van
+de goede stadt van <span class="letterspaced">Zierikzee</span>.
+
+
+</p>
+<p>UEd. aenbevelende in de hoede en de gunst des Hemels, versoeck ik UEd. my te geloove.
+
+
+</p>
+<p>Edele, gestrenge, erentfeste, welwijze zeer voorzienige Heere
+
+
+
+</p>
+<p class="alignright">Uwen Dienstwilligen Dienaer
+<br>en oprechten vrund
+<br>Jan Douwes de Beer.
+
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De Prins las den brief en de ingesloten akte, waarvan wij alleen den inhoud willen mededeelen.
+
+</p>
+<p>Den avond van den 17<sup>den</sup> September, had er tusschen een paar matrozen en twee andere personen in de herberg &#8220;de Schiemansmaat&#8221; te <span class="letterspaced">Zierikzee</span> een gevecht met messen plaats gehad, waarbij een der vechtenden, de ons bekende Jan IJzer, doodelijk was gewond. De geneesheer,
+die geroepen was, verklaarde dan ook aan den gewonde, dat hij nog slechts weinige uren te leven had, en zond hem een predikant.
+De stervende nu, in den grootsten doodsangst zijnde, bekende den geestelijke, dat hij kort geleden een moord had begaan, waarvoor
+een onschuldige <a id="d0e5628"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5628">219</a>]</span>in de gevangenis zat. De predikant maande hem aan deze zaak aan de bevoegde autoriteit mede te deelen, en zorgde dan ook dat
+de Schout met twee getuigen aan zijn sterfbed kwam, aan welke hij de volgende bekentenis deed:
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p218a.jpg" alt="" width="519" height="720"></div><p>
+
+
+</p>
+<p>Meer dan een jaar geleden, had Jan IJzer op de werf der Admiraliteit als knecht gewerkt, doch op diefstal betrapt, was hij
+door den scheepstimmerman Adriaan Roelofsz, ondanks zijn smeeken, aan de bevoegde autoriteit overgeleverd, die hem daarvoor
+tot geeseling op het schavot had veroordeeld, welke straf hij dan ook had ondergaan, kort voor Pieters komst op de werf. Daarna
+uit de stad en hare jurisdictie verbannen, had hij elders een goed heenkomen moeten zoeken; terwijl hij echter in zijn hart
+zwoer, te eenigen tijde wraak te nemen op den onbarmhartigen Roelofsz. Met dit doel was hij, toevallig op den dag van den
+twist tusschen Pieter en den scheepstimmermansbaas, in het geheim te <span class="letterspaced">Vlissingen</span> gekomen, om zijn opzet te volvoeren. Hij wist, dat Adriaan Roelofsz, om van de werf naar zijn huis te komen, den singel moest
+loopen en had hem op de donkerste en eenzaamste plaats opgewacht en vermoord. Voor hij den volgenden dag vertrok, vernam hij
+de gevangenneming van Pieter en de zware verdenking, die er op dezen rustte. Volkomen gerust, dat men nu hem niet van den
+moord kon verdenken, verliet hij den volgenden dag tegen den avond de stad en had zich naar <span class="letterspaced">Zierikzee</span> begeven, alwaar hij dien bewusten avond in den ons bekenden twist werd gewond. Z&oacute;&oacute; slecht nu was onze Jan niet, dat hij met
+een dubbelen moord op zijn geweten de eeuwigheid had durven ingaan. Het overige is ons bekend. Hij toonde innig berouw over
+zijne zonden, en stierf omtrent twee uren daarna. Schout De Beer, vreezende, dat het anders te laat mocht komen, had zich
+gehaast de akte op te maken en die met den bijliggenden brief door een bode naar <span class="letterspaced">Vlissingen</span> laten brengen.
+<a id="d0e5644"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5644">220</a>]</span></p>
+<p>Toen de Prins beide stukken gelezen had, zeide hij:
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijnheer de Schout, gij kunt mij een dienst bewijzen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik, Uwe Hoogheid? Spreek, en als het in mijne macht staat U genoegen te doen, zal het van mij niet afhangen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Reeds vooraf dank voor Uwe goedheid,&#8221; hernam de Prins. &#8220;Leen mij voor een paar uren deze papieren, en geef mij een bevel
+van vrijstelling voor den gevangene.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Uwe Hoogheid heeft slechts te bevelen,&#8221; antwoordde de Schout. &#8220;Ik zal Haar dadelijk het bevel van vrijlating opmaken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ga uw gang,&#8221; hernam de Prins. &#8220;Ik zal er op wachten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Welnu, Uwe Hoogheid,&#8221; zeide de Pensionaris. &#8220;Had ik ongelijk, toen ik U zeide, dat er meer doorslaande bewijzen voor de schuld
+des beklaagden moesten zijn?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik bewonder Uwer Edelheids diepe rechtskundige kennis. Indien ik daarvan niet overtuigd geweest ware, zou ik dan van U de
+moeite hebben gevergd, die ik van U heb gevraagd?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Uwe Hoogheid te dienen zal steeds het hoogste voorwerp van mijn streven zijn,&#8221; hernam de Pensionaris.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik dank U, mijnheer de Pensionaris. En uw aanbod maakt mij zoo vrij, nogmaals van Uwe goedheid gebruik te maken en U te verzoeken,
+mij naar den President der Admiraliteit te vergezellen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het zal mij een singuliere eer zijn, Uwe Hoogheid,&#8221; was het antwoord van den Pensionaris.
+
+</p>
+<p>Op dit oogenblik kwam de Schout met het beloofde vrijlatingsbiljet binnen en overhandigde het den Prins.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik dank U, mijnheer de Schout,&#8221; antwoordde deze, terwijl hij opstond om heen te gaan. &#8220;Ik kan er nu zeker van zijn, dat de
+gevangene niet los komt, v&oacute;&oacute;r ik hem ga halen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Daarvan kan Uwe Hoogheid ten volle verzekerd zijn,&#8221; gaf de Schout ten antwoord, terwijl hij den Prins naar de karos geleidde,
+die hem wachtte.
+<a id="d0e5673"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5673">221</a>]</span></p>
+<p>Op het oogenblik, dat de karos zou wegrijden, wenkte de Prins den Schout, die met ontblooten hoofde op zijn stoep stond.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nog een verzoek, mijnheer de Schout,&#8221; zeide hij. &#8220;Wees zoo goed, te zorgen, dat de zuster van den gevangene zich bij hem
+in den kerker bevindt. Over een uur denk ik hem te verlossen. Dat echter alles een diep geheim blijve.&#8221;
+
+</p>
+<p>Wij treden ongeveer een uur later in de gevangenis van Pieter binnen. Het is een treurig verblijf, zooals de gevangenissen
+trouwens gewoonlijk zijn. Een houten bank en een strooleger zijn het geheele ameublement, terwijl een aarden kruik met water
+op den grond staat en het nog onaangeroerde zwarte brood aantoont, dat de arme jongeling weinig appetijt heeft. Treurig en
+in zich zelf verzonken zit hij daar op de ruwe bank; gisteren toch bij het laatste verhoor heeft de Schout hem met de pijnbank
+gedreigd. Die pijnbank was een vreeselijk werktuig, nog uit de middeleeuwen afkomstig, waarop de ongelukkige werd gelegd en
+zijne ledematen zoolang werden uitgerekt, of door schroeven verwrongen en gekneld, tot hij bekende&#8212;niet altijd wat hij gedaan
+had, maar ook dikwerf wat men wilde dat hij bekennen zou. Zou hij bij de ontkenning der hem toegelegde misdaad kunnen volharden,
+of zouden de pijnen hem dwingen tot de bekentenis van een daad, waaraan hij geheel en al onschuldig was?&#8212;En als hij bekende&#8212;dan
+werd zijn doodvonnis geveld, dan kon hij de dagen wel tellen, die hij nog te leven had. En dan te sterven&#8212;zoo jong, zoo levenslustig!&#8212;En
+dan z&oacute;&oacute; te sterven&#8212;op een schavot, onder beulshanden!&#8212;Vreeselijk!&#8212;Maar Martha had hem beloofd, naar den Prins te gaan, die
+in <b>Middelburg</b> was. Zou die gang wat uitwerken? Wat zou Zijne Hoogheid er aan doen?&#8212;Zou die bij machte zijn, het recht te keeren?&#8212;Daartoe
+immers ontbrak Haar de macht.
+
+</p>
+<p>Deze en dergelijke gedachten vervulden de ziel van onzen <a id="d0e5685"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5685">222</a>]</span>armen Pieter, en maakten hem angstig. Hij vouwde de handen, sloot de oogen en bad&#8212;bad lang en vurig tot God om uitredding,
+smeekte Hem om hem kracht te schenken in de verdrukking en zijn onschuld aan het licht te brengen. Bemoedigd stond hij op;
+want er is niets dat den mensch meer moed schenkt in het ongeluk, dan het gebed. Dat had Pieter reeds van zijn vader geleerd,
+dat had zijne brave Admiraal hem zoo dikwerf ingeprent,&#8212;dat had hij dan ook reeds meermalen ondervonden. Hij wandelde eenige
+malen zijn engen kerker op en neer, toen hij den grendel van zijn deur hoorde afschuiven. De deur ging open, en Martha stond
+voor hem.
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar doe je goed aan, Martha!&#8221; zeide Pieter, &#8220;dat je mij komt vertroosten. En heb je den Prins gezien? Heb je hem gesproken?
+Geloofde hij aan mijn onschuld, of hield hij mij voor schuldig?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zou je reeds vroeger bezocht hebben,&#8221; antwoordde Martha, &#8220;maar toen ik van morgen aan je gevangenis kwam, weigerden zij
+mij den toegang. Nu echter ben ik door een dienaar van den Schout geroepen, om bij je te komen. Wat wil je van mij?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik?&#8221;&#8212;hernam Pieter. &#8220;Ik weet er niets van. Maar antwoord mij op mijne vragen. Hoe heb je het bij den Prins gevonden?&#8221;
+
+</p>
+<p>Martha verhaalde hem hare ontmoeting met den Prins. Toen zij ge&euml;indigd had zeide Pieter:
+
+</p>
+<p>&#8220;Zal Zijne Hoogheid mij komen bezoeken? En heeft hij dat gezegd?&#8212;Maar&#8221; ... vervolgde hij treurig, &#8220;zou hij zijn woord houden?
+Ach, Martha! zulke groote heeren weten zoo weinig, wat een arm mensch lijdt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zijne Hoogheid <i>zal</i> woord houden,&#8221; hervatte Martha. &#8220;Reeds het verzoek, dat ik van morgen uit zijn naam aan den Schout heb gedaan, heeft je voor
+heden van de pijnbank bevrijd. Hoop dus.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hopen, Martha! En de Prins zelf heeft gezegd, dat hij er <a id="d0e5704"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5704">223</a>]</span>niets aan zou kunnen doen en dat het recht zijn loop moest hebben.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is waar&#8212;doch.... Luister, daar komen menschen. Ik hoor stappen in de gang. Zou het Zijne Hoogheid zijn?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Misschien wel.&#8212;Is hij dan reeds hier?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, ja&#8212;reeds van morgen gekomen. Hij heeft de werven der Admiraliteit bezocht. Hij ...&#8221;
+
+</p>
+<p>Martha kon niet voleindigen wat zij wilde zeggen; want de deur ging open en de Prins gevolgd, door den Pensionaris De Huybert,
+den Schout en twee heeren der Admiraliteit, trad de gevangenis binnen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Pieter Pietersz,&#8221; begon de Prins, terwijl zijn gelaat van dat innige genoegen straalde, hetwelk men ondervindt als men w&eacute;ldoet.
+&#8220;Pieter Pietersz, ik breng je goede tijding!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Goede tijding, Uwe Hoogheid! Zal men dan eindelijk overtuigd zijn, dat ik geen moordenaar ben?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zou je weinig baten, mijn vriend,&#8221; hernam de Prins. &#8220;Dan zou men je bij gebrek aan bewijzen loslaten en geheel <span class="letterspaced">Vlissingen</span> zou je houden voor den moordenaar van Adriaan Roelofsz.&#8221;
+
+</p>
+<p>Pieter liet het hoofd zakken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik breng je betere tijding,&#8221; hervatte de Prins. &#8220;Je onschuld is aan het licht gekomen; want de ware schuldige is ontdekt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gode zij dank!&#8221; riep de jongeling uit, en deze tijding ontstelde hem zoo zeer, dat hij schier bewusteloos op de bank nederzonk.
+Martha ondersteunde hem. Spoedig echter herstelde hij zich, trad naar den Prins toe, greep diens hand en overdekte die met
+zijne kussen.
+
+</p>
+<p>&#8220;En Uwe Hoogheid zelf wilde mij met deze tijding verrassen!&#8221; riep hij uit. &#8220;En ik ben dus vrij? Vrij! Groote God! Men moet
+gevangen zijn geweest, om te weten, wat dat woord beteekent.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Je bent vrij, Pieter!&#8221; hernam de Prins, &#8220;en weer hersteld <a id="d0e5733"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5733">224</a>]</span>in je eer. Daarvoor zal mijnheer de Schout zorg dragen. Intusschen&#8212;je hebt veel geleden, mijn arme jongen! en ik meende, dat
+eene kleine vergoeding je wel toekwam.&#8212;Pieter Pietersz,&#8221; ging de Prins voort, terwijl hij hem een papier overreikte, waaraan
+een zegel in was hing. &#8220;De Admiraliteit kent je als een kundig timmerman en als een ijverig en bezadigd mensch. Zij kent je
+als eerlijk en rechtschapen; zij weet dat je den scheepsbouw in den grond verstaat.&#8212;Pieter Pietersz, hier overhandig ik je
+je aanstelling als scheepstimmermansbaas, in plaats van den vermoorden Adriaan Roelofz, op de werf der Admiraliteit van <span class="letterspaced">Zeeland</span>.&#8221;
+
+</p>
+<p>Op deze woorden zonk Pieter op eene knie; ook Martha wierp zich aan de voeten van den Prins en omklemde die.
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijn weldoener!&#8221; stamelde Pieter.
+
+</p>
+<p>&#8220;Engel in menschengedaante!&#8221; riep Martha.
+
+</p>
+<p>&#8220;Stil, stil,&#8221; zeide de Prins. &#8220;Je zoudt mij haast spijt doen krijgen, dat ik hier gekomen ben. Staat op. Alleen voor Hem moet
+men knielen, voor wien wij allen gelijk zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe zal ik Uwe Hoogheid ooit kunnen vergelden, wat zij voor mij gedaan heeft!&#8221; riep Pieter, opstaande uit.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dank er God voor, Pieter! die op zulk eene wonderbare wijs je onschuld aan het licht heeft doen komen. Dezelfde, dien je
+als knaap eens het leven hebt gered, is nu door Gods bestuur, de redder van je eer en je leven geworden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Jan IJzer?&#8221; riep Pieter uit.
+
+</p>
+<p>&#8220;Juist, Jan Jansz. IJzer was de moordenaar. Op zijn sterfbed heeft hij het bekend. Maar nu&#8212;ga met mij. Ik zelf zal je op de
+werf brengen, waar deze Heeren je zullen installeeren, terwijl mijnheer de Schout je in je eer zal herstellen. Ook jij moet
+mede, edel meisje!&#8221; vervolgde hij tegen Martha. &#8220;Je bent getuige geweest van zijn vernedering en schande,&#8212;je zult het nu zijn
+van zijne verhooging en zijne eer.&#8221;
+<a id="d0e5754"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5754">225</a>]</span></p>
+<p>Aan de deur der gevangenis gekomen, was het daar zwart van menschen, die niet alleen den Prins wilden zien, maar ook wilden
+weten, wat Zijne Hoogheid in de gevangenis mocht hebben gedaan. Maar, hoe verwonderd zij ook stonden, toen de Prins den van
+moord verdachten Pieter en diens zuster Martha bij zich in de karos nam, er klonk een luid: &#8220;Vivat! lang leve de Prins van
+Oranje!&#8221; uit aller mond. De karos van den Prins werd door een andere gevolgd, waarin de vier heeren zaten, die Zijne Hoogheid
+vergezeld hadden. Spoorslags reed men naar de werf, waar alles nog groen gemaakt en versierd was als het dien morgen was geweest
+ter eere van den Prins.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p225.jpg" alt="" width="611" height="504"></div><p>
+
+
+</p>
+<p>Hier hield een der Heeren der Admiraliteit een toespraak tot het werkvolk, waarin hij hun mededeelde, hoe de ware schuldige
+ontdekt en hoe nu de brave Pieter Pietersz in zijn eer <a id="d0e5762"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5762">226</a>]</span>hersteld was. Tevens installeerde hij den jongeling als baas van de werf, en beval aan het werkvolk hem als zoodanig te gehoorzamen.
+Hij liet daarbij duidelijk doorstralen, dat het de Prins was, die tot dat alles krachtdadig had medegewerkt en dat de benoeming
+van den voormaligen meesterknecht grootendeels aan Zijne Hoogheid was te danken. Gij kunt u voorstellen, welk een gejuich
+deze woorden bij het werkvolk veroorzaakten. &#8217;t Was of er geen eind aan zou komen. Verscheidene werklieden drongen op Pieter
+toe, om hem de hand te drukken en hem geluk te wenschen met den keer, dien zijn lot had genomen: want bij allen op de werf
+was de gewezen meesterknecht geacht en bemind.
+
+</p>
+<p>Om de kroon op zijn weldaad te zetten, stelde de Prins Pieter een som gelds ter hand, waarvoor hij het werkvolk van de werf
+kon trakteeren. Denzelfden dag vertrok hij naar <span class="letterspaced">Goes</span>. Dien avond vierde men op de werf feest. Maar wie er vergeten werd&#8212;niet Prins Willem Hendrik van <span class="letterspaced">Oranje</span>, op wien menige dronk werd uitgebracht; terwijl allen het daarin eens waren, dat Zijne Hoogheid een waardige afstammeling
+was van het doorluchtig stamhuis, waaruit hij was gesproten.
+
+</p>
+<p>Wij zagen reeds, hoe men hier in <span class="letterspaced">Holland</span> over het uitstapje van den Prins oordeelde;&#8212;wat de Raadpensionaris er van zeide, meldt ons de historie niet. Intusschen liet
+de stad <span class="letterspaced">Amsterdam</span> in het volgende jaar eenige geneigdheid blijken, om den Prins zitting te geven in den Raad van State; zelfs ondersteunde
+burgemeester Koenraad van Beuningen deze bevordering met alle macht; want in de hoofdstad had zich een partij gevormd, die
+begon te begrijpen, dat de steden <span class="letterspaced">Leiden</span>, <span class="letterspaced">Dordrecht</span> en <span class="letterspaced">Rotterdam</span>, door De Witt gesteund, zich te veel in &#8217;s Lands vergadering aanmatigden. <span class="letterspaced">Amsterdam</span> toch, dat de helft in de belastingen betaalde, kon en wilde dat overwicht niet langer dulden. Toch duurde het nog twee jaren,
+<a id="d0e5792"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5792">227</a>]</span>eer de Prins zitting nam in den Raad van State. De Staten van <span class="letterspaced">Holland</span> echter schonken hem nog in 1669 de vrije jacht in den omtrek van het huis te <span class="letterspaced">Hondsholred&#307;k</span>.
+
+</p>
+<p>En nu, mijne lezeressen en lezers, hoop ik dat gij uit mijn boekje zult hebben geleerd twee personen achting toe te dragen
+om hunne buitengewone hoedanigheden, twee personen, die ten allen tijde de achting zullen verdienen van allen die w&egrave;l denken:
+
+</p>
+<p class="aligncenter"><span class="smallcaps">Prins Willem III en den Raadpensionaris Johan de Witt.</span>
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/o156.gif" alt="Ornament." width="348" height="236"></div><p>
+
+
+
+
+</p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5509" href="#d0e5509src" class="noteref">1</a></span> Blijft.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5514" href="#d0e5514src" class="noteref">2</a></span> Vermoeden.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5519" href="#d0e5519src" class="noteref">3</a></span> Bewijst.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5524" href="#d0e5524src" class="noteref">4</a></span> In het oog te houden.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5529" href="#d0e5529src" class="noteref">5</a></span> Lichamelijk bewijs.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5534" href="#d0e5534src" class="noteref">6</a></span> Bevestigen.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5544" href="#d0e5544src" class="noteref">7</a></span> Voorafgaande bewijzen.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5553" href="#d0e5553src" class="noteref">8</a></span> Volgens mijn oordeel.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5558" href="#d0e5558src" class="noteref">9</a></span> Toepassen.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5565" href="#d0e5565src" class="noteref">10</a></span> Redenen.
+</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="back">
+<div class="transcribernote">
+<h2>Colofon</h2>
+<h3>Beschikbaarheid</h3>
+<p>Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het
+kopieeren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op www.gutenberg.org
+
+</p>
+<p>This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give
+it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+</p>
+<h3>Codering</h3>
+<p>Dit bestand is in de oude spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde van
+de regel zijn hersteld.
+
+</p>
+<p>Hoewel in dit werk laag liggende aanhalingstekens openen worden gebruikt, zijn deze gecodeerd met &#8220;.
+
+</p>
+<h3>Documentgeschiedenis</h3>
+<ul>
+<li>12-JAN-2007 begonnen.</li>
+</ul>
+<h3>Verbeteringen</h3>
+<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
+<table width="75%">
+<tr>
+<th>Plaats</th>
+<th>Bron</th>
+<th>Verbetering</th>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e458">Bladzijde 5</a></td>
+<td width="40%">-</td>
+<td width="40%">,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e583">Bladzijde 9</a></td>
+<td width="40%">geweest</td>
+<td width="40%">gewest</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e892">Bladzijde 21</a></td>
+<td width="40%">in</td>
+<td width="40%">ik</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e1077">Bladzijde 29</a></td>
+<td width="40%">Gravenage</td>
+<td width="40%">Gravenhage</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e1282">Bladzijde 35</a></td>
+<td width="40%">Briele</td>
+<td width="40%">Brielle</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e1786">Bladzijde 54</a></td>
+<td width="40%">dan</td>
+<td width="40%">den</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e1832">Bladzijde 57</a></td>
+<td width="40%">Honsholredijk</td>
+<td width="40%">Hondsholred&#307;k</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e1877">Bladzijde 60</a></td>
+<td width="40%">Hoe</td>
+<td width="40%">hoe</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2300">Bladzijde 82</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">dan </td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2456">Bladzijde 89</a></td>
+<td width="40%">Hollanschen</td>
+<td width="40%">Hollandschen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2874">Bladzijde 108</a></td>
+<td width="40%">P</td>
+<td width="40%">Pieter die</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2923">Bladzijde 111</a></td>
+<td width="40%">meegenemen</td>
+<td width="40%">meegenomen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e3128">Bladzijde 120</a></td>
+<td width="40%">tijdigen</td>
+<td width="40%">tijdingen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e3189">Bladzijde 123</a></td>
+<td width="40%">Hollansch</td>
+<td width="40%">Hollandsch</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e3453">Bladzijde 132</a></td>
+<td width="40%">jong</td>
+<td width="40%">jonge</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e3757">Bladzijde 142</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e4379">Bladzijde 168</a></td>
+<td width="40%">m et</td>
+<td width="40%">met</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e4453">Bladzijde 171</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">&#8221;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e4691">Bladzijde 184</a></td>
+<td width="40%">ze</td>
+<td width="40%">te</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e4732">Bladzijde 186</a></td>
+<td width="40%">Bleauw</td>
+<td width="40%">Blaeuw</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e4824">Bladzijde 189</a></td>
+<td width="40%">3</td>
+<td width="40%">5</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e5285">Bladzijde 207</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">&#8221;</td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+</div>
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's De Prins en Johan de Witt, by P. J. Andriessen
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE PRINS EN JOHAN DE WITT ***
+
+***** This file should be named 20391-h.htm or 20391-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/2/0/3/9/20391/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+</pre>
+
+</body>
+</html>
diff --git a/20391-h/images/cover.jpg b/20391-h/images/cover.jpg
new file mode 100644
index 0000000..86e65b5
--- /dev/null
+++ b/20391-h/images/cover.jpg
Binary files differ
diff --git a/20391-h/images/id056.gif b/20391-h/images/id056.gif
new file mode 100644
index 0000000..342daa6
--- /dev/null
+++ b/20391-h/images/id056.gif
Binary files differ
diff --git a/20391-h/images/ih043.gif b/20391-h/images/ih043.gif
new file mode 100644
index 0000000..2c30afc
--- /dev/null
+++ b/20391-h/images/ih043.gif
Binary files differ
diff --git a/20391-h/images/ih131.gif b/20391-h/images/ih131.gif
new file mode 100644
index 0000000..731e390
--- /dev/null
+++ b/20391-h/images/ih131.gif
Binary files differ
diff --git a/20391-h/images/ii142.gif b/20391-h/images/ii142.gif
new file mode 100644
index 0000000..f545da7
--- /dev/null
+++ b/20391-h/images/ii142.gif
Binary files differ
diff --git a/20391-h/images/ij081.gif b/20391-h/images/ij081.gif
new file mode 100644
index 0000000..6c45195
--- /dev/null
+++ b/20391-h/images/ij081.gif
Binary files differ
diff --git a/20391-h/images/in176.gif b/20391-h/images/in176.gif
new file mode 100644
index 0000000..fa334f8
--- /dev/null
+++ b/20391-h/images/in176.gif
Binary files differ
diff --git a/20391-h/images/iw001.gif b/20391-h/images/iw001.gif
new file mode 100644
index 0000000..01c2cc0
--- /dev/null
+++ b/20391-h/images/iw001.gif
Binary files differ
diff --git a/20391-h/images/iw016.gif b/20391-h/images/iw016.gif
new file mode 100644
index 0000000..be71762
--- /dev/null
+++ b/20391-h/images/iw016.gif
Binary files differ
diff --git a/20391-h/images/iz113.gif b/20391-h/images/iz113.gif
new file mode 100644
index 0000000..eaee42f
--- /dev/null
+++ b/20391-h/images/iz113.gif
Binary files differ
diff --git a/20391-h/images/logo.gif b/20391-h/images/logo.gif
new file mode 100644
index 0000000..17ba6b0
--- /dev/null
+++ b/20391-h/images/logo.gif
Binary files differ
diff --git a/20391-h/images/o001.gif b/20391-h/images/o001.gif
new file mode 100644
index 0000000..9c01025
--- /dev/null
+++ b/20391-h/images/o001.gif
Binary files differ
diff --git a/20391-h/images/o016.gif b/20391-h/images/o016.gif
new file mode 100644
index 0000000..a0790d9
--- /dev/null
+++ b/20391-h/images/o016.gif
Binary files differ
diff --git a/20391-h/images/o029.gif b/20391-h/images/o029.gif
new file mode 100644
index 0000000..1a55381
--- /dev/null
+++ b/20391-h/images/o029.gif
Binary files differ
diff --git a/20391-h/images/o030.gif b/20391-h/images/o030.gif
new file mode 100644
index 0000000..fef956b
--- /dev/null
+++ b/20391-h/images/o030.gif
Binary files differ
diff --git a/20391-h/images/o042.gif b/20391-h/images/o042.gif
new file mode 100644
index 0000000..774b139
--- /dev/null
+++ b/20391-h/images/o042.gif
Binary files differ
diff --git a/20391-h/images/o043.gif b/20391-h/images/o043.gif
new file mode 100644
index 0000000..ae70751
--- /dev/null
+++ b/20391-h/images/o043.gif
Binary files differ
diff --git a/20391-h/images/o056.gif b/20391-h/images/o056.gif
new file mode 100644
index 0000000..91dbe87
--- /dev/null
+++ b/20391-h/images/o056.gif
Binary files differ
diff --git a/20391-h/images/o065.gif b/20391-h/images/o065.gif
new file mode 100644
index 0000000..a65fa21
--- /dev/null
+++ b/20391-h/images/o065.gif
Binary files differ
diff --git a/20391-h/images/o066.gif b/20391-h/images/o066.gif
new file mode 100644
index 0000000..324c2ee
--- /dev/null
+++ b/20391-h/images/o066.gif
Binary files differ
diff --git a/20391-h/images/o080.gif b/20391-h/images/o080.gif
new file mode 100644
index 0000000..6380d2b
--- /dev/null
+++ b/20391-h/images/o080.gif
Binary files differ
diff --git a/20391-h/images/o081.gif b/20391-h/images/o081.gif
new file mode 100644
index 0000000..9efc339
--- /dev/null
+++ b/20391-h/images/o081.gif
Binary files differ
diff --git a/20391-h/images/o096.gif b/20391-h/images/o096.gif
new file mode 100644
index 0000000..83190e4
--- /dev/null
+++ b/20391-h/images/o096.gif
Binary files differ
diff --git a/20391-h/images/o097.gif b/20391-h/images/o097.gif
new file mode 100644
index 0000000..b619230
--- /dev/null
+++ b/20391-h/images/o097.gif
Binary files differ
diff --git a/20391-h/images/o156.gif b/20391-h/images/o156.gif
new file mode 100644
index 0000000..3703475
--- /dev/null
+++ b/20391-h/images/o156.gif
Binary files differ
diff --git a/20391-h/images/p000.jpg b/20391-h/images/p000.jpg
new file mode 100644
index 0000000..21805d0
--- /dev/null
+++ b/20391-h/images/p000.jpg
Binary files differ
diff --git a/20391-h/images/p013.jpg b/20391-h/images/p013.jpg
new file mode 100644
index 0000000..3a58d20
--- /dev/null
+++ b/20391-h/images/p013.jpg
Binary files differ
diff --git a/20391-h/images/p026.jpg b/20391-h/images/p026.jpg
new file mode 100644
index 0000000..2dc3386
--- /dev/null
+++ b/20391-h/images/p026.jpg
Binary files differ
diff --git a/20391-h/images/p034.jpg b/20391-h/images/p034.jpg
new file mode 100644
index 0000000..1bfa6e7
--- /dev/null
+++ b/20391-h/images/p034.jpg
Binary files differ
diff --git a/20391-h/images/p036a.jpg b/20391-h/images/p036a.jpg
new file mode 100644
index 0000000..f767552
--- /dev/null
+++ b/20391-h/images/p036a.jpg
Binary files differ
diff --git a/20391-h/images/p063.jpg b/20391-h/images/p063.jpg
new file mode 100644
index 0000000..0a4171d
--- /dev/null
+++ b/20391-h/images/p063.jpg
Binary files differ
diff --git a/20391-h/images/p078.jpg b/20391-h/images/p078.jpg
new file mode 100644
index 0000000..f41e8c6
--- /dev/null
+++ b/20391-h/images/p078.jpg
Binary files differ
diff --git a/20391-h/images/p094.jpg b/20391-h/images/p094.jpg
new file mode 100644
index 0000000..a59a732
--- /dev/null
+++ b/20391-h/images/p094.jpg
Binary files differ
diff --git a/20391-h/images/p099.jpg b/20391-h/images/p099.jpg
new file mode 100644
index 0000000..45d0e7c
--- /dev/null
+++ b/20391-h/images/p099.jpg
Binary files differ
diff --git a/20391-h/images/p122.jpg b/20391-h/images/p122.jpg
new file mode 100644
index 0000000..028aec0
--- /dev/null
+++ b/20391-h/images/p122.jpg
Binary files differ
diff --git a/20391-h/images/p147.jpg b/20391-h/images/p147.jpg
new file mode 100644
index 0000000..0c301e5
--- /dev/null
+++ b/20391-h/images/p147.jpg
Binary files differ
diff --git a/20391-h/images/p155.jpg b/20391-h/images/p155.jpg
new file mode 100644
index 0000000..e9f37ee
--- /dev/null
+++ b/20391-h/images/p155.jpg
Binary files differ
diff --git a/20391-h/images/p164a.jpg b/20391-h/images/p164a.jpg
new file mode 100644
index 0000000..fa14afa
--- /dev/null
+++ b/20391-h/images/p164a.jpg
Binary files differ
diff --git a/20391-h/images/p167.jpg b/20391-h/images/p167.jpg
new file mode 100644
index 0000000..1851afa
--- /dev/null
+++ b/20391-h/images/p167.jpg
Binary files differ
diff --git a/20391-h/images/p174.jpg b/20391-h/images/p174.jpg
new file mode 100644
index 0000000..935cc28
--- /dev/null
+++ b/20391-h/images/p174.jpg
Binary files differ
diff --git a/20391-h/images/p188.jpg b/20391-h/images/p188.jpg
new file mode 100644
index 0000000..340610f
--- /dev/null
+++ b/20391-h/images/p188.jpg
Binary files differ
diff --git a/20391-h/images/p206.jpg b/20391-h/images/p206.jpg
new file mode 100644
index 0000000..78f5e36
--- /dev/null
+++ b/20391-h/images/p206.jpg
Binary files differ
diff --git a/20391-h/images/p213.jpg b/20391-h/images/p213.jpg
new file mode 100644
index 0000000..4d0f769
--- /dev/null
+++ b/20391-h/images/p213.jpg
Binary files differ
diff --git a/20391-h/images/p218a.jpg b/20391-h/images/p218a.jpg
new file mode 100644
index 0000000..3e74b32
--- /dev/null
+++ b/20391-h/images/p218a.jpg
Binary files differ
diff --git a/20391-h/images/p225.jpg b/20391-h/images/p225.jpg
new file mode 100644
index 0000000..8d2b78c
--- /dev/null
+++ b/20391-h/images/p225.jpg
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..b5f3c08
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #20391 (https://www.gutenberg.org/ebooks/20391)